Advies 2025/03
Het secretariaat van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) kampt momenteel met een aanzienlijk personeelstekort.
Het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid heeft op 9 mei jongstleden beslist dat er geen vervanging komt voor medewerkers die niet langer voor het secretariaat werken.
Dit maakt het voor de NHRPH erg moeilijk om zijn opdracht als adviesorgaan naar behoren uit te voeren. Concreet betekent dit dat de NHRPH de voorziene termijnen voor het afleveren van zijn adviezen noodgedwongen moet verlengen.
Advies nr. 2025/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de studie “Definitie en beoordeling van de handicap inzake inkomensvervangende tegemoetkoming” ( Prof. Daniel DUMONT, Prof. Philippe MAIRIAUX en Dr. Jean-Pierre SCHENKELAARS - september 2024), bekrachtigd door de elektronische raadpleging tussen 12 en 18 december 2025, na bespreking in de plenaire vergadering van 19 mei 2025.
Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.
1. ADVIES BESTEMD
- Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directeur-generaal van DG Personen met een handicap (DG HAN)
- Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
- Ter informatie aan Prof. Daniel Dumont, Prof. Philippe Mairiaux en Dr. Jean-Pierre Schenkelaars
- Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
- Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
- Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
- Ter in formatie aan de federale ombudsman
- Ter informatie aan Unia
2. ONDERWERP
De studie "Definitie en beoordeling van de handicap inzake inkomensvervangende tegemoetkoming" (Prof. Daniel DUMONT, Prof. Philippe MAIRIAUX en Dr. Jean-Pierre SCHENKELAARS) moest het mogelijk maken
- de factoren te identificeren die ten grondslag liggen aan de uiteenlopende beslissingen over de beoordeling van het verlies van verdienvermogen;
- een kader te bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen, en
- wenselijke juridische hervormingen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) aan te bevelen overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).
3. ANALYSE
Het Centre de droit public et social van de ULB, onder leiding van dr. Dumont, dr. Schenkelaars en dr. Mairiaux, heeft in opdracht van de DG HAN een studie over het verlies van verdienvermogen in het kader van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) uitgevoerd. De studie is het resultaat van onderzoek van rechtsleer en rechtspraak, maar ook van getuigenissen van talrijke actoren. De NHRPH werd meermaals gehoord.
De professoren werden verzocht om
- de factoren te identificeren die ten grondslag liggen aan de uiteenlopende beslissingen over de beoordeling van het verlies van verdienvermogen;
- een kader te bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen, en
- wenselijke juridische hervormingen voor de toekenning van de IVT aan te bevelen overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).
De eerste twee doelstellingen werden behandeld in de eerste fase van de studie van de bestaande wetgeving en praktijken. De studie liep van juni tot november 2022 en het rapport werd afgerond in juni 2023.
Vaststellingen van de studie op het vlak van wetgeving
- Bij de beoordeling van de IVT wordt geen rekening gehouden met het UNCRPD. Bovendien is de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (de wet van 1987) op conceptueel vlak nauwelijks gewijzigd sinds deze werd aangenomen.
- De wet van 1987 is nog (deels) gebaseerd op het medische handicapmodel, dat focust op de beperkingen van de persoon, in plaats van op het sociale UNCRPD-model, dat de nadruk legt op de interacties tussen personen met een handicap en hun omgeving.
- De wet van 1987 biedt geen kader voor het centrale begrip 'verlies van verdienvermogen'.
Vaststellingen van de studie op praktijkvlak
- De evaluatie op stukken of op basis van een onderzoek van de persoon door een arts geeft blijk van willekeur.
- De beoordelingen van het verlies van verdienvermogen variëren sterk onder artsen en zijn niet coherent.
- De evaluatoren hebben geen toegang tot bepaalde nuttige informatie.
- De IVT wordt regelmatig toegekend voor een bepaalde duur, in situaties die niet zijn toegestaan bij de wet van 1987.
Hervormingsaanbevelingen van de professoren
In wezen is een mindshift in de evaluatie nodig:
- Overeenkomstig artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moet het systeem in het algemeen afstappen van het idee van compensatie voor een handicap en inzetten op inclusie van personen met een handicap in de samenleving en op de arbeidsmarkt.
- Er moet veel meer aandacht worden besteed aan wat de PMH wel kunnen en welke belemmeringen ze ondervinden.
De onderzoekers bevelen meer bepaald tien hervormingen aan:
- Betere toegang tot de informatie en kwaliteit van het dossier
De evaluatoren zouden betere toegang tot kwaliteitsvolle gegevens moeten hebben via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ). De dossiers van de aanvragers zouden aan kwaliteit moeten winnen door vollediger en meer digitaal beschikbaar te zijn, zodat ze later met behulp van artificiële intelligentie kunnen worden geanalyseerd. Er zou informatie beschikbaar moeten zijn over
-
- de persoon zelf (kindertijd, gezinssituatie, schoolloopbaan, beroepsvaardigheden),
- de socialezekerheidsrechten van de betrokkene,
- een evaluatie van de eigen zelfredzaamheid door de persoon zelf,
- een medisch dossier dat gericht is op de functionele capaciteiten van de aanvrager, zodat deze uiteindelijk een overzicht kan krijgen van de bijbehorende beroepsmogelijkheden en, indien nodig, een opleidings- en inschakelingsplan.
- Evaluatie: te gebruiken roosters, multidisciplinariteit en collegialiteit
-
- Er zou een referentiekader moeten komen om de evaluatoren te helpen beslissen of een dossier op stukken of op basis van een persoonlijk onderzoek kan worden geëvalueerd.
- De evaluatie moet worden uitgevoerd door multidisciplinaire teams, met gedeelde verantwoordelijkheid.
- De evaluaties gebeuren met een geschikt instrument. Voor de professoren zijn dit gestandaardiseerde, internationaal erkende roosters die graduele evaluaties mogelijk maken.
- Kwaliteitsnormen
De evaluatie zou aan kwaliteitsnormen moeten worden onderworpen. Er is een kwaliteitsaudit nodig en de beslissingen van de DG HAN moeten beter worden gerechtvaardigd. Een dergelijke motivering is zelfs verplicht krachtens de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘handvest’ van de sociaal verzekerde.
- Combineerbaarheid van de tegemoetkoming met een inkomen uit arbeid
Het huidige schijvensysteem moet worden herzien omdat het tot een werkloosheidsval leidt. De bestaande cumulatiemaatregel voor wie minstens twee jaar geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, volstaat niet.
- Jonge aanvragers
Jonge aanvragers (18 - 25 jaar) hebben een aangepast stelsel nodig.
-
- Soms is het niet duidelijk of zij een reëel verdienvermogen hebben. In dit geval zou een overbruggingsuitkering mogelijk moeten zijn met een eventueel integratietraject.
- Soms is het duidelijk dat zij slechts een gedeeltelijk verdienvermogen hebben. Zij zouden dan recht moeten hebben op een gedeeltelijke IVT, naast een gedeeltelijk inkomen uit arbeid.
- Soms is er geen verdienvermogen. In dat geval moet de aanvrager een volledige IVT kunnen genieten.
- Bovendien kan naast de IVT een premie worden ingevoerd om de opleidingsinspanningen van jongeren te ondersteunen. Sommige arbeidsbemiddelingsdiensten kennen dergelijke premies reeds toe. Overleg tussen de federale regering en de deelgebieden is noodzakelijk.
- Evolutieve aandoeningen
Bij evolutieve aandoeningen zou een IVT van bepaalde duur mogelijk moeten zijn.
- Zeer complexe aandoeningen
Bepaalde aandoeningen zorgen voor terugkerende evaluatieproblemen (autismespectrumstoornissen (ASS), chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), fibromyalgie, Ehlers-Danlos, ...). Voor deze aandoeningen worden schijnbaar tegenstrijdige beslissingen genomen. Er moet een referentiekader worden opgesteld.
- Maatschappelijke erkenning van de handicap
De maatschappelijke erkenning van de handicap loskoppelen van de financiële compensatie, maar toegang tot afgeleide rechten mogelijk maken.
- Arbeidsrechtbanken en bemiddeling
Een bemiddelingsinstantie oprichten of het interne herzieningsmechanisme herbekijken door het juridisch te omkaderen en transparanter te maken.
- Administratief beheer van het systeem in de toekomst
Misschien moet het RIZIV, dat bevoegd is voor arbeidsongeschikte personen, ook de wetgeving voor personen met een handicap beheren? De grens tussen ongeschiktheid en handicap is soms vaag. In beide gevallen betreft het vaak personen met een handicap in de zin van artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Deze bevoegdheidsoverdracht zou ook een gelegenheid kunnen zijn om artikel 100 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te herzien om de vereiste ‘vooraf bestaande toestand’ te schrappen.
4. ADVIES
De NHRPH benadrukt het nut van deze studie in de context van een wet die volledig achterhaald is in vergelijking met de VN-beginselen van autonomie en inclusie.
De NHRPH onderschrijft ook volledig de vaststellingen in verband met de willekeur en incoherenties van de huidige medische beoordeling van de IVT.
De NHRPH neemt de aanbevelingen in acht. Hij deelt ze niet noodzakelijk allemaal, maar het strikte denkkader van de studie rechtvaardigt dat de NHRPH een reeks overwegingen over elke aanbeveling formuleert.
Globaal benadrukt de NHRPH het volgende:
- De IVT ligt nog steeds onder de armoedegrens. Om een waardig leven te kunnen leiden, waarbij ook rekening wordt gehouden met de behoefte aan zorg en begeleiding, zijn ook voldoende bestaansmiddelen Volgens de NHRPH is dit minimaal het gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen. De kwestie van een correcte ‘medische’ beoordeling vormt dus slechts een deel van de bezorgdheid rond de IVT.
- De studie richt zich op de analyse van de IVT in relatie tot arbeidsgeschiktheid en gaat uiteindelijk nauwelijks in op de situatie van al wie niet werkt en nooit zal kunnen werken. Deze groep verdiende ook een grondige analyse, die omgekeerd ook een goede analyse van arbeidsgeschikte personen mogelijk had gemaakt. Bij het onderzoeken van de arbeidsgeschiktheid moet immers worden bepaald in welke mate iemand geen volledig beroepsinkomen kan verwerven door beperkingen, al dan niet als gevolg van een onaangepaste omgeving.
- In het algemeen betreft het zeer ambitieuze hervormingsvoorstellen, waarbij de rol van de DG HAN vaak ook aanzienlijk wordt uitgebreid. Deze uitbreiding vergt eerst nader onderzoek en overleg:
- Wat wordt in de toekomst van de DG HAN verwacht?
- Beschikt de DG HAN over voldoende middelen voor deze hervormingen?
- Hoe kunnen eventuele nieuwe taken worden geïntegreerd in het kader van de huidige bevoegdheden? Veel domeinen behoren tot de bevoegdheid van de regio’s.
- Moet het volledige kader van de sociale zekerheid en uitkeringen worden herzien in het kader van toeleiding naar werk?
- Het zou interessant zijn geweest dat de studie had benadrukt hoe belangrijk het is rekening te houden met de situatie op het ogenblik dat iemand een aanvraag indient, en niet enkele maanden later, wanneer het multidisciplinaire team het dossier onderzoekt. Het tijdsaspect van het dossier is essentieel en zou moeten worden meegenomen tijdens het volledige dossierbeheer: economische, familiale, medische of andere wijzigingen zouden veel sneller in het dossier moeten worden opgenomen, en het uitkeringssysteem zou op zijn minst onmiddellijk weer in werking moeten worden gesteld wanneer iemands bestaansmiddelen verminderen (wie bijvoorbeeld stopt met werken, zou onmiddellijk moeten kunnen terugvallen op de IVT).
- Op verschillende plaatsen gebruiken de onderzoekers het begrip ‘resterende capaciteiten’ van de persoon wanneer ze het hebben over verdienvermogen. Deze benadering ondersteunt de NHRPH niet in de context van de wet van 1987, die uitsluitend beoogt het verlies van verdienvermogen te compenseren en de erkende persoon financieel te ondersteunen. De denkoefening is daardoor helemaal anders dan de denkoefening in het kader van de tewerkstelling van personen, waarbij uiteraard de resterende capaciteiten aan de orde worden gesteld.
Door aan te bevelen het idee van compensatie van de handicap los te laten en zich uitsluitend te concentreren op de resterende arbeidsgeschiktheid in de context van inclusie, ontstaat de perceptie dat mensen kunnen werken, ook al is het maatwerk. In deze context wordt volledig voorbijgegaan aan de gevolgen van de handicap, de beperkingen van de arbeidsmarkt, de ontoegankelijkheid van de omgeving, de vooroordelen van werkgevers, … en de concrete gevolgen voor de persoon (minder werkuren, laag loon, weinig reële kansen op werk, ...).
De NHRPH vindt dat de huidige definitie, die naar de gewone arbeidsmarkt verwijst als indicator, behouden moet blijven.
Het begrip ‘resterende capaciteiten’ schept verwarring tussen de evaluatie van iemands sociale positie om die persoon maximaal kansen op werk te bieden (sociaal inclusieve benadering, de nodige ondersteuning inschatten, …) en een evaluatie die erop gericht is de gevolgen van de handicap op de arbeidsmarkt te compenseren.
Zelfs nu nog wordt iemand die voor 50 % arbeidsgeschikt is, doorgaans niet erkend als iemand met een arbeidsongeschiktheid van twee derde in vergelijking met een persoon zonder handicap. Deze persoon verdient dus maximaal de helft van een normaal inkomen. Het inkomen ligt vaak dicht bij het IVT-bedrag, en is soms zelfs lager. Deze verloning grenst aan het onfatsoenlijke, en bovendien heeft de betrokkene geen toegang tot de afgeleide rechten (sociale tarieven).
- De NHRPH vindt dat de resterende capaciteit anders zou moeten worden benaderd:
- met het recht op een volledige beoordeling van de arbeidsgeschiktheid (werk- en (re)integratiemogelijkheden, evaluatie door een arbeidsdeskundige, loonwaarde, arbeidsgeschiktheid),
- met de afgifte van een erkenning (‘attest’) van een beroepshandicap, waarmee iemand
- toegang kan krijgen tot de arbeidsmarkt en aanspraak kan maken op redelijke aanpassingen,
- ook aanspraak kan maken op uitzonderingen op de arbeidswetgeving (bescherming tegen uitsluiting/de arbeidsmarkt toegankelijker maken),
- en vlotter toegang kan krijgen tot de IVT en compensaties wanneer de arbeidsgeschiktheid schommelt wegens handicapgerelateerde gezondheidsproblemen.
Dit veronderstelt een uitgebreid team met veel expertise op dit gebied. Verder onderzoek moet bepalen waar een dergelijk team thuishoort en hoe lang een dergelijk attest geldig kan zijn.
Deze aanpak zou uitmonden in een soort certificering en een sterkere positie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt. Ze zouden een beter inzicht krijgen in hun eigen arbeidsmogelijkheden, dit met een attest aan derden kunnen aantonen, en aangepaste maatregelen kunnen genieten: het zou een soort garantie zijn in de strijd tegen uitsluiting op de arbeidsmarkt.
Het gaat ook erom alle belemmeringen in verband met het arbeidsrecht en de overeenkomst te identificeren. Zo is het recht op een gewaarborgd loon een mooi beginsel in het kader van sociale zekerheid, maar voor personen met een handicap vormt het in werkelijkheid een grote belemmering voor tewerkstelling, omdat de werkgever dit als een groter risico voor zichzelf beschouwt. Een erkenning zou het mogelijk maken een aangepast stelsel in te voeren, zoals bijvoorbeeld het geval is voor werknemers die toegelaten arbeid in het RIZIV-stelsel hervatten. Het is evenwel niet de bedoeling de basisregels van de arbeidsovereenkomst te omzeilen en ‘tweederangs’ werkkaders te aanvaarden (zie advies 2018-07).
De overheid moet reageren op de almaar toenemende uitsluiting van personen met een handicap op de arbeidsmarkt (zie Unia-rapport van 3 december 2025), te beginnen bij de jongste personen met een handicap die nog een lange loopbaan voor zich hebben.
- In de praktijk zijn de ‘resterende capaciteiten’ bovendien slechts een deel van de uitdaging. Uiteraard is er ook de benadering van de werkgevers, die vaak onvoldoende gesensibiliseerd en geresponsabiliseerd worden voor de tewerkstelling van personen met een handicap. Bovendien zijn er nog veel vooroordelen. Daarnaast is er nog de dimensie van effectieve toegang tot werk: toegankelijkheid van gebouwen, vervoer, opleidingen, digitalisering, toegang tot informatie, … In deze ruimere context van gedeelde verantwoordelijkheid heeft de beoordeling van het verdienvermogen van personen met een handicap niet langer uitsluitend betrekking op de persoon zelf, op basis van zijn of haar schoolloopbaan en beroepservaring, maar ook op de moeilijkheden voor personen met een handicap op gebieden waarop ze geen invloed hebben. Dit aspect had moeten worden opgenomen in doelstelling 2 ‘een kader bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen’.
- Er werd te weinig aandacht besteed aan de inspanningen van personen met een handicap om deel te nemen aan het leven in de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het dagelijks leven van personen met een handicap of chronisch zieken (en hun omgeving) wordt gekenmerkt door de behoefte aan zorg, vermoeidheid, begeleiding, ..., wat uiteraard ook een impact op het werk heeft. Met dit aspect werd weinig rekening gehouden in de studie.
De NHRPH wil een aantal aanbevelingen toelichten en erop wijzen dat de standpunten van de leden van de NHRPH soms verdeeld en voorzichtig zijn, omdat de aanbevelingen automatisch contextgebonden zijn. Met andere woorden: de uitvoering van een aanbeveling kan positief zijn, maar ook negatief, afhankelijk van de context.
1. Kwaliteit van het dossier en betere toegang tot informatie
a) Hervorming 1: beslissingen over tegemoetkomingen voor personen met een handicap baseren op betrouwbare en rigoureuze informatie, in het bijzonder door gebruik te maken van het netwerk van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid
De NHRPH is verdeeld over deze aanbeveling.
In het kader van het administratieve beheer van een dossier is het idee interessant omdat het toelaat herhaalde verzoeken om informatie en onverschuldigde betalingen te beperken, en aanvragen sneller te behandelen door gebruik te maken van gegevens die elders al bestaan en als zodanig bruikbaar zijn.
Voor een medisch-sociale evaluatie moet het kader voor het delen van informatie evenwel zeer duidelijk zijn: welke informatie wordt gebruikt? Hoe wordt de informatie gebruikt? Wat is de draagwijdte ervan? Wordt de informatie gebruikt in het kader van een binaire benadering (ja/nee)? Is een menselijke beoordeling nodig? … In België bestaan verschillende handicapregelgevingen en elke regelgeving behandelt een of meer specifieke behoeften die beantwoorden aan precieze, niet overeenstemmende erkenningscriteria. Het is met andere woorden niet noodzakelijk correct te veronderstellen dat het multidisciplinaire team van de DG Personen met een handicap een erkenning door de VDAB als zodanig kan gebruiken om iemands verlies van verdienvermogen te beoordelen. De logica van gelijkstelling van erkenningen blindelings volgen zou zelfs tot ernstige fouten leiden: iemand van wie de arbeidsgeschiktheid wordt erkend door de VDAB, kan tegelijkertijd in aanmerking komen voor de medische erkenning van een IVT. De aard, inhoud en relevantie van de gegevens die zullen worden uitgewisseld, zijn dus cruciaal.
In het algemeen vindt de NHRPH dat gegevens die de toegang tot iemands rechten in gevaar brengen, nooit zou mogen worden gebruikt.
Ook moet de gegevensuitwisseling worden bekeken vanuit het oogpunt van privacybescherming. Er mag nooit worden verondersteld dat de betrokkene akkoord gaat met het gebruik van de gegevens die in een ander kader dan dat van de tegemoetkomingsaanvraag werden verzameld.
Ook mogen de ongewilde gevolgen van het uitwisselen en gebruiken van ‘uit de context gehaalde’, onvolledige en soms foutieve gegevens niet worden onderschat. Sterker nog, deze gegevens blijven onbekend voor de betrokkene totdat hij of zij via een beslissing verneemt welk statuut of welke kenmerken werden toegekend. Dit fenomeen wordt bovendien versterkt door de procedures voor evaluatie op stukken, wat nog meer het geval zal zijn wanneer artificiële intelligentie wordt gebruikt in de evaluatieprocessen. Wat ook gebeurt: wanneer de gevraagde bewijsstukken niet worden voorgelegd, leiden administraties daar vaak uit af dat iemand niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van het recht, wat uiteraard ook helemaal niet correct is!
De betrokkene moet dus altijd perfect en volledig op de hoogte worden gebracht van de gegevens die over hem of haar worden gedeeld en van de precieze inhoud ervan. Zolang dit niet het geval is, mogen gegevens niet worden gedeeld.
b) Hervorming 2: een nieuw gedigitaliseerd globaal dossier met alle gegevens over de schoolloopbaan en opleidingen, de sociaaleconomische situatie, het medisch dossier dat gericht is op capaciteiten, …
De NHRPH benadrukt dat het belangrijk is deze informatie te centraliseren, maar heeft tegelijk vragen over de aard van de gegevens die zullen worden verzameld en gebruikt. Net zoals bij hervormingsvoorstel 1.a) zou het gebruik van informatie dat leidt tot mathematische en ‘kille’ conclusies zonder nadenken en interpreteren een ramp zijn. Hier raken we aan het kader voor het gebruik en de vele uitdagingen van het globaal dossier:
-
- Ontwerp van het dossier: Wie zal het dossier beheren? Wie zal het kunnen raadplegen? Zal de betrokkene toegang hebben en kunnen vragen het aan te passen? Hoe zal de GDPR worden toegepast? Hoe zal het gegevensgebruik op het gebied van onderzoek, beleidsplanning, ... in de huidige context van digitalisering worden afgebakend?
-
- Juistheid van de informatie: Soms bevat het dossier tegenstrijdige medische verslagen, of onvolledige of foutieve diagnoses. De betrokkene kan nooit verkrijgen dat deze verslagen worden verwijderd, wat kan leiden tot verkeerde beslissingen.
-
- Nut van de gegevens: In het kader van een globaal dossier moet men zich altijd afvragen waarvoor al deze gegevens zullen dienen en hoe ze zullen worden gebruikt. Wat is het belang van de taalvaardigheden? Van de opleidingsprogramma's? Van de studies? Van de situatie in de kindertijd, het gezinsverband? Zal dit de evaluatoren niet ertoe aanzetten het recht op de IVT te weigeren? Het zou simplistisch en onrechtvaardig zijn indien tegelijk ook geen rekening wordt gehouden met het algemene kader van de werkomgeving (toegang tot vervoer, tot informatie, situatie van de werkgevers, …).
-
- Actuele gegevens: Volgens veel artsen van de DG Personen met een handicap kunnen personen die in een periode van hun leven hebben gewerkt of gestudeerd en een IVT-aanvraag indienen, vaak geen aanspraak maken op een IVT. Dit is een echt probleem: het is niet omdat iemand in het verleden heeft gewerkt, dat die persoon dit vandaag nog kan. Al te vaak worden arbeidsonderbrekingen niet correct gedocumenteerd. Ook het feit dat iemand een bepaald diploma heeft, betekent niet dat die persoon om het even welk werk kan doen. De betrokkene zou kunnen eisen dat deze gegevens niet in aanmerking worden genomen en uit het dossier worden verwijderd: er moet rekening worden gehouden met de werkelijke en actuele situatie op het ogenblik van de aanvraag!
-
- Draagwijdte van de verzamelde gegevens: Gegevens in het kader van een IVT-aanvraag en gegevens in het kader van een opleiding of toeleiding naar werk zijn niet gelijk te stellen. Iemand kan een IVT aanvragen en zich tegelijk willen inschrijven in een opleidings- en tewerkstellingstraject. Hieruit mag geen conclusie worden getrokken over het reële verlies van verdienvermogen. Evenmin mag een erkenning van gedeeltelijke zelfredzaamheid worden beschouwd als iets dat een deel van het werk voor de beoordeling van de IVT zou kunnen vervangen. De erkenning mag dus nooit als basis voor de beoordeling worden gebruikt.
Dat iemand medisch gezien arbeidsgeschikt is, betekent niet dat die persoon echt kan werken (enorme inspanning ten koste van de gezondheid, voorbereidingstijd, omstandigheden en duur van de verplaatsing, concrete werksituatie, discriminatie op de werkplek, sociale uitsluiting, …).
Volgende getuigenis vat het goed samen: “Hoeveel tijd heb ik niet nodig voor mijn persoonlijke hygiëne, om me aan te kleden, huishoudelijke taken uit te voeren, me te verplaatsen? Ik kan alles grotendeels zelfstandig doen in een aangepaste omgeving. Maar soms ben ik al een halve werkdag kwijt voordat ik aan mijn bureau kan gaan zitten, enkel en alleen door mijn handicap.”
Er zijn ook stereotypen: de ene situatie is de andere niet, en er kunnen nooit automatische conclusies worden getrokken.
- Draagwijdte van de verzamelde gegevens: Gegevens in het kader van een IVT-aanvraag en gegevens in het kader van een opleiding of toeleiding naar werk zijn niet gelijk te stellen. Iemand kan een IVT aanvragen en zich tegelijk willen inschrijven in een opleidings- en tewerkstellingstraject. Hieruit mag geen conclusie worden getrokken over het reële verlies van verdienvermogen. Evenmin mag een erkenning van gedeeltelijke zelfredzaamheid worden beschouwd als iets dat een deel van het werk voor de beoordeling van de IVT zou kunnen vervangen. De erkenning mag dus nooit als basis voor de beoordeling worden gebruikt.
-
- Wil om de erkenning van de arbeidsongeschiktheid te harmoniseren (met inbegrip van het wettelijk stelsel van 1987): De NHRPH herinnert aan de lopende werkzaamheden rond harmonisatie binnen het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid waaraan hij nooit heeft kunnen deelnemen ondanks herhaalde verzoeken. Dit aspect is helemaal niet aan bod gekomen in de studie, hoewel een van de onderzoekers nochtans ook voorzitter is van het College dat de werkzaamheden uitvoert.
- De NHRPH herinnert aan zijn verplichte adviserende bevoegdheid in het kader van de wet van 1987. Het UNCRPD verplicht ook de officiële organen die zich bezighouden met een domein dat van belang kan zijn voor personen met een handicap, ertoe personen met een handicap te betrekken via de organen die hen vertegenwoordigen. De NHRPH, die officieel werd opgericht in 1967, voldoet aan deze voorwaarde.
- Wil om de erkenning van de arbeidsongeschiktheid te harmoniseren (met inbegrip van het wettelijk stelsel van 1987): De NHRPH herinnert aan de lopende werkzaamheden rond harmonisatie binnen het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid waaraan hij nooit heeft kunnen deelnemen ondanks herhaalde verzoeken. Dit aspect is helemaal niet aan bod gekomen in de studie, hoewel een van de onderzoekers nochtans ook voorzitter is van het College dat de werkzaamheden uitvoert.
-
- Gegevensbeheer en artificiële intelligentie: binnenkort wordt AI een instrument in het kader van gegevensbeheer. De NHRPH spreekt zich niet voor of tegen AI uit, maar heeft vragen over de procedures, richtlijnen, methodes en over de gebruikte technieken om de gegevens efficiënt te verzamelen, te organiseren, op te slaan en te benutten. Uiteraard moet AI ook worden begeleid: de beheerders zullen alle negatieve beslissingen moeten herzien en een negatieve AI-beslissing kunnen weigeren op basis van bijvoorbeeld een betwisting door de betrokkene.
- De NHRPH herinnert aan zijn adviezen 2021-06, 2023-10 en 2024-05, waarin hij vroeg te worden betrokken bij de werkgroep die werd opgericht om de problematiek van het gebruik van artificiële intelligentie in de procedure voor de evaluatie van de handicap te onderzoeken. Dit verzoek is tot op heden onbeantwoord gebleven. Nochtans past het volledig in het kader van de verplichte raadpleging van de NHRPH zoals voorzien bij de wet van 27 februari 1987.
- Gegevensbeheer en artificiële intelligentie: binnenkort wordt AI een instrument in het kader van gegevensbeheer. De NHRPH spreekt zich niet voor of tegen AI uit, maar heeft vragen over de procedures, richtlijnen, methodes en over de gebruikte technieken om de gegevens efficiënt te verzamelen, te organiseren, op te slaan en te benutten. Uiteraard moet AI ook worden begeleid: de beheerders zullen alle negatieve beslissingen moeten herzien en een negatieve AI-beslissing kunnen weigeren op basis van bijvoorbeeld een betwisting door de betrokkene.
-
- In zijn beleidsverklaring (pagina 17) stelt de minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen vast dat “AI veelbelovende vooruitzichten biedt om de processen te optimaliseren en de kwaliteit van de dienstverlening en informatie aan burgers te verbeteren”. Hij is van plan te “laten onderzoeken hoe automatische gegevensuitwisselingen de administratieve last, zowel voor de burger als voor mijn administratie, kunnen verlichten”.
- De NHRPH vraagt bij dit project te worden betrokken vanaf het ogenblik dat wordt nagedacht over het bestek en gedurende het hele uitvoeringsproces.
- In zijn beleidsverklaring (pagina 17) stelt de minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen vast dat “AI veelbelovende vooruitzichten biedt om de processen te optimaliseren en de kwaliteit van de dienstverlening en informatie aan burgers te verbeteren”. Hij is van plan te “laten onderzoeken hoe automatische gegevensuitwisselingen de administratieve last, zowel voor de burger als voor mijn administratie, kunnen verlichten”.
De studie voorziet ook erin dat de persoon na de evaluatie het volgende zou moeten ontvangen:
Synthese van de evaluatie en inschakelingstraject
Uiteindelijk moet de sociaal verzekerde de volgende informatie krijgen:
-
- een samenvatting van zijn of haar functionele capaciteiten,
- een gedetailleerd rapport dat gericht is op de beroepsmogelijkheden die aansluiten bij zijn of haar vaardigheden en capaciteiten,
- indien van toepassing een opleidings- en inschakelingsplan op basis van de conclusies van de evaluatie. Er moet in detail worden bekeken welke gevolgen de verdeling van de bevoegdheden inzake sociale zekerheid (federale overheid), tewerkstelling (Gewesten) en opleiding (Gemeenschappen) hierop heeft.
Het idee is dus de aanvragers een volledig rapport te bezorgen over hun functionele capaciteiten en hun beroepsmogelijkheden. Bij volledige ongeschiktheid zou een volledige IVT worden toegekend.
Het ontvangen van het rapport en de uitleg over de beslissing met betrekking tot de gegrondheid van een IVT zou voortaan behoren tot de verplichtingen van de DG Personen met een handicap. Is dit een impliciete aanbeveling van de studie om de huidige bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de deelgebieden te herzien?
Het voorstel is dubbelzinnig, verontrustend en moet worden verduidelijkt:
-
- De studie blijft vaag over de manier waarop de eindevaluatie tot stand komt.
- De evaluatie zou beperkt blijven tot het gebruik van de verzamelde gegevens en AI. Welke rol blijft er dan nog voor het multidisciplinaire team of bepaalde artsen? Zal de menselijke beoordeling min of meer snel verdwijnen?
- Wat als de betrokkene het rapport niet aanvaardt?
- Hoe wordt de compensatie georganiseerd indien iemand wel kan werken, maar niet voltijds?
- Bij deeltijdse tewerkstelling zullen er misschien meer globale middelen zijn, maar ook extra kosten volgens de graad van arbeidsgeschiktheid (verplaatsingskosten, bijkomende zorg op de werkplek, …). Hoe zal deze parameter worden meegenomen?
- Er zijn ook de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt: er moet een kader worden geboden om te kunnen werken (zoals betaalbaar, vlot en toegankelijk vervoer van en naar het werk, hulp bij de activiteiten van het dagelijks leven tijdens het werk, indien nodig aanpassing van de werkplek, …). In welke mate zal hiermee rekening worden gehouden?
Indien de filosofie en wetgeving inzake IVT worden gewijzigd (ook in het kader van een overgang binnen het RIZIV bijvoorbeeld – parallel tussen langdurige arbeidsongeschiktheid en IVT), dan moet dit voorstel veel beter worden uitgewerkt en de NHRPH erbij worden betrokken.
2. Collegiale evaluatie door multidisciplinaire teams
a)Hervorming 1: een referentiekader vaststellen in samenwerking met de teams van evaluatoren
b) Hervorming 2: evaluatie van de handicap door collegiale multidisciplinaire teams
c) Hervorming 3: evaluatie van de functionele beperkingen met behulp van gestandaardiseerde en internationaal erkende roosters
De DG Personen met een handicap zet zich sinds enkele jaren in voor een multidisciplinaire benadering van de handicap. In alle medische centra werden paramedische profielen aangeworven: voor het functioneren van de persoon vullen de teams thans de louter medische beoordeling van de aandoeningen aan. Dit is een zeer goede evolutie.
De toepassing van de International Classification of Functioning (ICF) laat weinig nuance toe: het is een ‘ja/nee’-logica. De interpretatiekaders zijn beperkt. De ICF moet worden beschouwd voor wat ze is: hooguit een denkkader en geen lijst met in te vullen items waarvan de conclusies op zichzelf bepalend zijn voor een erkenning of niet. Ook moet rekening worden gehouden met de subjectiviteit van de evaluator.
Bovendien houdt de ICF helemaal geen rekening met de eisen van de arbeidswereld, de aspecten die verband houden met de zwaarte van het werk, de te leveren inspanningen, de vermoeidheid en de gevolgen ervan voor het vermogen om min of meer intensief te werken. De De ICF houdt evenmin rekening met de organisatie van het leven rond werk: het zorgtraject, de begeleiding door naasten, de levenskwaliteit, …
Ook moet het stigmatiseren van personen met een handicap stoppen: het is vaak de huidige werkorganisatie die hen heeft uitgesloten. Het aanbod van thuiszorgdiensten bemoeilijkt ook de toegang tot werk (zorgroosters), om nog maar te zwijgen van het ontbreken van zorg op de werkplek (behoefte aan zorg, rust). Het openbaar vervoer is niet toegankelijk genoeg en maakt verplaatsingen vaak volledig onmogelijk.
Het idee van zelfevaluatie daarentegen gaat in de gewenste richting, omdat hiermee de aandacht wordt gevestigd op de uitdagingen die de betrokkenen in hun dagelijkse leven ervaren en die toegang tot of behoud van werk moeilijk of onmogelijk maken. In deze context is het belangrijk dat de evaluatie de zelfevaluatie van de betrokkene correct en volledig integreert en de redenen toelicht wanneer ze ervan afwijkt.
Ook hier heeft de NHRPH herhaaldelijk (adviezen 2021-06, 2023-10 en 2024-05) gevraagd betrokken te worden bij de werkzaamheden van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek werd nooit ingewilligd.
Tot slot wijst de NHRPH op de huidige realiteit van het dossierbeheer: een groot aantal dossiers wordt op stukken geëvalueerd (de NHRPH vraagt trouwens al jaren toegang tot de criteria) en heel wat IVT-dossiers bevatten uitsluitend louter medische verslagen zonder informatie over de zwaarte van het werk, de inspanningen, de vermoeidheid. De NHRPH maakt zich ook zorgen over de integratie van AI en het vermogen ervan om met deze factoren rekening te houden. De NHRPH vindt het gebruik van de ICF geen goede aanbeveling in de zoektocht naar rendabiliteit.
3. Kwaliteit van de evaluaties
a) Hervorming 1: een kwaliteitsaudit invoeren
b) Hervorming 2: beslissingen motiveren
De NHRPH vraagt al lang gedocumenteerde en gepersonaliseerde beslissingen. Dit zou ook het aantal beroepen beperken.
4. De ‘prijs van de arbeid’ nog verder verlagen
De professoren doen geen concreet hervormingsvoorstel. Ze wijzen evenwel op de noodzaak de mogelijkheid om de IVT te combineren met een inkomen uit arbeid verder te versoepelen om een zekerder traject naar werk te bieden (p. 58), en stellen vast wat in 2024 werd gedaan, maar slechts voor een handvol begunstigden. Het is daarom belangrijk om de drempeleffecten die het gevolg zijn van het feit dat een geleidelijke stijging van het beroepsinkomen niet gepaard gaat met een nettowinst, resoluter dan nu het geval is, te beperken. De financiële stimulans om weer aan het werk te gaan of een nieuwe baan te zoeken moet zo snel mogelijk worden gegeven.
-
- De NHRPH ondersteunt deze aanpak en verdedigt de volgende ideeën:
- IVT combineerbaar met inkomen uit arbeid;
- geen nadelige gevolgen voor personen die hun activiteit niet kunnen voortzetten wegens hun handicap of ziekte;
- de betrokkenen zouden altijd minstens de IVT (en de sociale compensaties) moeten ontvangen zodra ze stoppen met werken.
- De NHRPH ondersteunt deze aanpak en verdedigt de volgende ideeën:
5. Specifieke problemen voor jonge aanvragers (18-25 jaar)
a) Hervorming 1: verbetering van de toekenningswijze van een tegemoetkoming door het invoeren van een transitietegemoetkoming en wijzigingen van de IVT
Filosofisch gezien zou een overbruggingsuitkering ook vermijden dat jongeren onmiddellijk ‘vastzitten’ in het IVT-systeem zonder uitzicht op werk.
Jongeren tussen 18 en 25 jaar bevinden zich doorgaans in een opleidings- of leertraject, en hun verdienvermogen staat niet vast en is aan verandering onderhevig. Tegelijk zal het verdienvermogen niet plots duidelijk worden op 25-jarige leeftijd. Om die reden vindt de NHRPH dat er geen leeftijdsgrens zou mogen zijn. Integendeel, in elke levensfase zouden opleiding en leren financieel moeten worden aangemoedigd en ondersteund.
Tegelijk, en dit is echt essentieel, zou het IVT-systeem altijd een vangnet moeten bieden aan personen met een handicap, los van hun leeftijd. Studies zouden het vervullen van de basisbehoeften met andere woorden nooit in de weg mogen staan.
Het systeem zou ook werk moeten aanmoedigen, wat momenteel niet het geval is, los van de leeftijd: cf. bevestiging van de professoren dat de IVT wegvalt na zeven arbeidsdagen per maand. De IVT wordt niet opgeschort, maar geschrapt en dus niet automatisch opnieuw uitbetaald na afloop van een overeenkomst.
De NHRPH wil ook beter begrijpen wat de draagwijdte van deze overbruggingsuitkering is in het ruimere kader van de sociale bescherming.
b) Hervorming 2: de IVT aanvullen met een premie om de opleidingsinspanningen van jongeren en hun inschakeling op de arbeidsmarkt te ondersteunen
Zal deze premie toegang geven tot de werkloosheidsuitkeringen en opleidingsvergoedingen waarop werkzoekenden in bepaalde gevallen recht hebben (wat nu vaak niet het geval is)? Is er een specifiek systeem nodig voor 18- tot 25-jarigen? Kan hun inclusie in de samenleving en op de arbeidsmarkt niet worden bereikt met gemeenschappelijke mechanismen voor alle personen met een handicap? Om deze hervorming verder uit te werken, moeten de deelgebieden snel worden betrokken.
6. Specifieke problemen voor verzekerden met een evolutieve aandoening
a) Hervorming: een wetswijziging invoeren voor de toekenningsduur van de IVT
Momenteel voorziet de wet niet in een tijdelijke erkenning, maar in de praktijk wordt de IVT reeds vaak voor een bepaalde duur erkend.
Het wettelijk verankeren van de mogelijkheid tot een tijdelijke erkenning zou de wetgever verplichten om de contouren ervan vast te leggen en de administratie om de toekenning duidelijker te motiveren dan nu het geval is.
-
- De NHRPH heeft evenwel een belangrijk aandachtspunt: de wet mag in geen geval voorzien in een beslissing van bepaalde duur waarvan het einde van de toekenning wordt gerechtvaardigd door de pensioenleeftijd. Een erkenning van verlies van verdienvermogen van 2/3 stopt uiteraard niet op grond van leeftijd. De wet mag in geen geval erin voorzien dat een situatie die na 65 jaar alleen maar zal verslechteren, een einddatum krijgt wegens ‘veranderingen in het ziekteverloop’.
7. Moeilijkheden bij de evaluatie van zeer complexe aandoeningen
a) Hervorming: referentiecriteria vastleggen voor aandoeningen met terugkerende problemen
De NHRPH heeft geen standpunt over deze aanbeveling.
8. Maatschappelijke erkenning van de handicap versus toekenning van een financiële uitkering
a) Hervorming: een formele (maatschappelijke) erkenning, los van de IVT, toekennen aan alle verzekerden die ondanks hun beperkingen erin zijn geslaagd een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven
De aanbeveling stelt voor de sociaal-fiscale compensaties (blz. 150 e.v.) los te koppelen van de IVT alleen (blz. 64 van de studie) en zodoende de aanvragen voor erkenning die niet gemotiveerd zijn door de wens of aannemelijkheid om een tegemoetkoming te krijgen (wet van 27 februari 1987). Dit voorstel lijkt ingegeven te zijn door de wens van personen met een handicap om een IVT-erkenning voor werknemers te verkrijgen, zodat zij gebruik kunnen maken van de afgeleide rechten.
Dit is deels waar, maar tegelijk zou een correcte toekenning van een IVT-‘attest’ (zie hoger onder het punt ‘globaal’) hun ook erkenning waarborgen voor het ogenblik waarop werken niet langer mogelijk zou zijn. Dit gaat dus verder dan alleen het recht op sociaal-fiscale compensaties.
De NHRPH herinnert aan de verzekeringslogica (bijdragen van werkgevers en werknemers) die ten grondslag ligt aan het invaliditeitsstelsel en de logica van residuaire sociale bescherming zoals voorzien bij de wet van 27 februari 1987 (financiering door de Staat): beide benaderingen zijn nu volledig gescheiden op basis van de oorsprong van de handicap of ziekte (begrip ‘vooraf bestaande toestand’ - art. 100 van de wet van 14 juli 2014).
-
- Dit leidt uiteraard tot discriminatie op basis van de oorsprong van de handicap en is in strijd met het UNCRPD: de NHRPH vraagt al jaren om een herziening van artikel 100 (advies 2022-10). Zolang het systeem ongewijzigd blijft, is de NHRPH om tal van redenen geen voorstander van de maatregel. Er worden meer afgeleide rechten voor uitkeringsgerechtigden onder het wettelijk stelsel van 1987 erkend dan voor sociaal verzekerden (bijvoorbeeld geen recht op sociaal tarief voor gas en elektriciteit voor deze laatsten).
Bovendien worden de afgeleide rechten in het RIZIV-stelsel erkend op het ogenblik dat de betrokkene als invalide wordt erkend. Het recht op sociale compensaties voor sociale-uitkeringsgerechtigden hangt af van de toekenning van een IVT en/of een IT; een eenvoudige medische erkenning volstaat dus niet.
Ook de financiering van deze maatregel moet worden onderzocht: het zou onaanvaardbaar zijn dat het hele beschermingsstelsel wordt herzien voor de IVT/IT-uitkeringsgerechtigden, zonder tegelijk de hoogte van de tegemoetkomingen in vraag te stellen. Ter herinnering: momenteel ligt de IVT ruim onder de armoedegrens en worden de erkende personen in dit stelsel niet ondersteund bij de toeleiding naar werk.
- Dit leidt uiteraard tot discriminatie op basis van de oorsprong van de handicap en is in strijd met het UNCRPD: de NHRPH vraagt al jaren om een herziening van artikel 100 (advies 2022-10). Zolang het systeem ongewijzigd blijft, is de NHRPH om tal van redenen geen voorstander van de maatregel. Er worden meer afgeleide rechten voor uitkeringsgerechtigden onder het wettelijk stelsel van 1987 erkend dan voor sociaal verzekerden (bijvoorbeeld geen recht op sociaal tarief voor gas en elektriciteit voor deze laatsten).
9. Beroep bij de Arbeidsrechtbanken
a) Hervorming: oprichten van een bemiddelingsinstantie
De NHRPH wil procedures voor de rechtbank zoveel mogelijk vermijden omdat ze vaak langdurig, slopend en ook duur zijn (advocaatkosten ten laste van de betrokkene).
Er bestaat reeds een interne herzieningsprocedure, en misschien kan deze op bepaalde vlakken worden verbeterd. Deze procedure is alleen zinvol als de heropening van het dossier aanleiding geeft tot een grondig onderzoek en leidt tot een dialoog met de hoofdarts over de elementen die tot de beslissing hebben geleid.
Zijn er concrete cijfers over het aantal herzieningen dat tot nieuwe beslissingen leidt?
-
- Er is nood aan een echte bemiddelingsfase, die volledig onafhankelijk en neutraal moet zijn ten opzichte van de betwiste beslissing. Wat wordt onder bemiddeling verstaan? Wordt deze uitgevoerd door de arts die de beslissing heeft genomen of door een externe persoon/instantie? De aanwezigheid van verenigingen van personen met een handicap in een herzieningscommissie zou een mogelijkheid kunnen zijn.
- De DG Personen met een handicap zou als volgt te werk moeten gaan: "U wordt verzocht ons nieuwe informatie te verstrekken of precies uit te leggen waarom de beslissing volgens u niet juist is op basis van de informatie die je ons eerder hebt verstrekt. Vraag je behandelend arts (bijvoorbeeld je huisarts) of je ondersteunende dienst om op te schrijven waarom onze beslissing niet juist zou zijn en voeg bewijzen toe (bijvoorbeeld (para)medische verslagen of verslagen van ondersteunende diensten).”
Valt de bemiddeling niet in het voordeel van de persoon uit, dan moet uiteraard ook een beroep op de rechter mogelijk blijven. Indien nodig wordt dan een onafhankelijke deskundige aangesteld op kosten van de Staat.
10. Wat heeft de toekomst in petto voor het administratieve beheer van tegemoetkomingen voor personen met een handicap?
“Misschien moet het RIZIV, dat bevoegd is voor arbeidsongeschikte personen, ook de wetgeving voor personen met een handicap beheren? De grens tussen ongeschiktheid en handicap is soms vaag. In beide gevallen betreft het vaak personen met een handicap in de zin van artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Deze bevoegdheidsoverdracht zou ook een gelegenheid kunnen zijn om artikel 100 van Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te herzien om de vereiste ‘vooraf bestaande toestand’ te schrappen.”
Artikel 100 leidt inderdaad tot een ongezonde situatie waarvan veel personen het slachtoffer zijn. De NHRPH is van mening dat artikel 100 niet langer relevant is vanuit het oogpunt van het UNCRPD, dat geen onderscheid maakt op basis van de oorsprong van de handicap. Deze wettelijke discriminatie moet dringend in vraag worden gesteld. Voorlopig wordt de vereiste 'vooraf bestaande toestand’ gebruikt als belemmering om mensen de toegang tot sociale zekerheid te ontzeggen. Een waardige tegemoetkoming voor alle personen met een handicap is de échte uitdaging.
De uitdaging is uiteraard politiek in een omgeving waarin de huidige regering onder meer het kader voor sociale bijstand en tewerkstelling wil herzien. De studie opent de deur voor een politiek kader dat verder gaat dan het loutere beheer van de IVT, omdat zij de huidige werking en ideale toekomst van de IVT ter discussie stelt.
Een werkgroep bij het RIZIV analyseerde de kwestie van de vooraf bestaande toestand van artikel 100. De NHRPH werd niet erbij betrokken. Wat zijn de conclusies?
In zijn algemene beleidsnota (blz. 15) zegt de minister van Sociale Zaken het volgende: “In samenspraak met de minister van Personen met een handicap zal ik een oplossing uitwerken voor de problematiek van vooraf bestaande aandoeningen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering, waardoor personen met een handicap die de stap naar werk zetten, nadien uitgesloten worden van socialezekerheidsrechten.”
-
- De NHRPH vraagt zo snel mogelijk te worden betrokken.
Ter afsluiting
De NHRPH is van mening dat de studie de basisvoorwaarden om in aanmerking te komen voor de IVT ook opnieuw ter discussie heeft gesteld door zich te richten op de hervorming van de evaluatiemethode. Dat was waarschijnlijk onvermijdelijk. Gezien het onzekere evaluatiekader, dat deels aan de beoordeling van de evaluatieteams wordt overgelaten, zijn er steeds meer criteria bijgekomen zonder dat het regelgevingskader daarin voorziet (het feit dat de persoon werkt of studeert, …).
Gelet op deze vaststelling is het begrijpelijk dat de multidisciplinaire teams een correct en volledig kader nodig hebben om deze evaluatie uit te voeren. Personen met een handicap moeten de beslissingen die op hen van toepassing zijn ook kunnen begrijpen.
Meer in het algemeen heeft de studie ook benadrukt dat de wijziging van de wet van 27 februari 1987 ook een deel moet bevatten over de beoordeling en draagwijdte van de erkenning, in het ruimere kader van de inclusie van personen met een handicap in de samenleving.
Maar volgens de NHRPH heeft de studie haar primaire opdracht niet volledig afgerond.
- De studie formuleert geen concrete aanbevelingen om de factoren aan te pakken die ten grondslag liggen aan de verschillende beoordelingen van het verlies van verdienvermogen. Integendeel, zij stelt een nieuwe evaluatie voor die volgens de NHRPH niet concreet genoeg is en belangrijke risico’s inhoudt voor het waarborgen van een correcte vergoeding bij verminderd arbeidsvermogen (de nadruk ligt op de resterende arbeidsgeschiktheid).
- Waar blijft het (concrete) kader voor de beoordeling van het begrip ‘verlies van verdienvermogen’?
- Het doel om het systeem te hervormen in overeenstemming met het UNCRPD, werd benaderd, maar niet volledig bereikt omdat geen rekening wordt gehouden met de omgevingsfactoren die de belemmeringen in stand houden. Het UNCRPD eist een toegankelijke en inclusieve omgeving, wat absoluut niet het geval is in België.
De NHRPH had ook graag een veel uitgebreidere uiteenzetting gezien over de hoogte en de rechtsgrondslag van de IVT (de kwestie van artikel 100 werd hoogstens aangestipt). Gelet op de huidige regelgeving en barema's durft de NHRPH te spreken van een dubbele straf: gezondheid én bestaansmiddelen! Met vrijwel geen toekomstperspectief. De NHRPH pleit voor een tegemoetkoming die een waardig leven mogelijk maakt! Dat is ook wat het UNCRPD vraagt.
In de economische context waarin inclusie op de arbeidsmarkt van cruciaal belang is, is het een gemiste kans om de evaluatie niet uit te breiden tot een volledig en grondig onderzoek van de capaciteiten (om het recht op de IVT correct te bepalen) en een attest af te leveren om aangepaste arbeidsomstandigheden en maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid mogelijk te maken.