Ga naar de inhoud

Advies 2023/28

 

Advies nr. 2023/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en de ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd, uitgebracht op 15/12/2023 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 01/12/2023 wegens de hoogdringendheid gevraagd door de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee, in zijn e-mail van 1 december 2023.

 

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
 

2. ONDERWERP

De Minister van Justitie wenst een advies over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd. Het voorontwerp is gewijzigd sinds de vorige versie.

 

3. ANALYSE

A. Context

Op 16 oktober 2023 heeft de NHRPH een advies uitgebracht over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd (advies 2023/25). In een mail van 1 december 2023 deelt het kabinet van de Minister van Justitie de NHRPH mee dat het voorontwerp werd gewijzigd en vraagt het kabinet het advies van de NHRPH over de nieuwe versie van het voorontwerp, dit tegen uiterlijk 15 december. Gelet op het feit dat de eerstvolgende plenaire vergadering van de NHRPH gepland is op 18 december vraagt het secretariaat van de NHRPH het kabinet om de termijn voor het advies naar 21 december te verplaatsen. Jammer genoeg laat het kabinet weten dat het niet kan garanderen dat het advies nog nuttig in aanmerking kan worden genomen als het na 15 december toekomt.

B. Wijzigingen inzake de inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait bedoeld in artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek (artikel 1)

De volgende wijzigingen zijn o.a. aangebracht:

  • de uitkeringen van een zorgverzekering worden in aanmerking genomen, enkel met uitzondering van de terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen;
  • nieuwe uitkeringen zijn aan de lijst toegevoegd:
    • het leefloon voor studenten of andere studietoelagen voor de beschermde persoon;
    • de aanvullende pensioenen uit verzekeringsproducten, volgens de tabel van de evolutie van de levensverwachting in geval van uitkering in kapitaal;
    • de meerwaarde op de geschatte prijs volgens het schattingsverslag van de verkoop van een onroerend goed;
    • (de integratietegemoetkoming die reeds voorzien was in de vorige versie) en de extra ondersteuningsnoden, met uitzondering van vrij te besteden uitkeringen;
    • (de hulp aan bejaarden die reeds voorzien was in de vorige versie) en het zorgbudget voor ouderen met zorgnood en de inkomensgarantie voor ouderen.
  • De volgende uitkeringen worden met name toegevoegd aan de lijst met inkomsten die niet in aanmerking komen als berekeningsbasis voor het forfait:
    • huursubsidies betaald aan de beschermde persoon;
    • de kinder- of wezenbijslag, de studiebeurzen van de kinderen van de beschermde persoon en de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek.
  • De uitgesloten uitkeringen zijn niet exhaustief (cf. titel art.1, § 2.) Onder meer volgende inkomsten komen niet in aanmerking als berekeningsbasis voor het forfait:
    onderhoudsuitkering voor de kinderen en de kinder- of wezenbijslag van de kinderen van de beschermde personen alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek worden niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de inkomensbasis.

C. Wijzigingen inzake de buitengewone ambtsverrichtingen (artikelen 2 en 3)

De volgende wijzigingen zijn onder andere aangebracht:

  • Wat betreft de ambtsverrichtingen die als buitengewoon worden beschouwd (artikel 2, § 1):
    • het indienen van een verzoekschrift bij de vrederechter, voor zover de machtiging gemotiveerd, ontvankelijk en niet manifest ongegrond is;
    • de vertegenwoordiging in rechte in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, buiten het kader van het bewinddossier;
    • het beheer van de sociale situatie van de beschermde persoon wordt niet meer vermeld;
    • het beheer en de opvolging van de sociale uitkeringen van de persoon is daarentegen behouden;
    • het afsluiten van een bewinddossier, anders dan bij vervanging van de bewindvoerder door tekortkomingen in zijn beheer.
  • Een indicatieve lijst vermeldt de ambtsverrichtingen die niet als buitengewoon worden beschouwd (artikel 2, § 2):
    1. contacten onderhouden met de beschermde persoon, de familie, de instelling, …;
    2. de lopende rekeningen betalen;
    3. de inkomsten ontvangen en kwijting geven;
    4. het openen en sluiten van financiële rekeningen of het overdragen ervan naar een andere financiële instelling en de overdracht van gelden tussen rekeningen;
    5. verzekeringscontracten afsluiten en opzeggen;
    6. onverminderd paragraaf 1, 7°, de onroerende goederen onderhouden en eventuele herstellingen laten uitvoeren;
    7. de kosten van medische behandeling en verzorging betalen;
    8. zorgen voor sociale voorzieningen, zoals thuiszorg, OCMW-maaltijden, parkeerkaarten, enz.;
    9. het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, …;
    10. de schulden betalen en afbouwen op een verantwoorde wijze;
    11. bijstand verlenen bij alle rechtshandelingen, tenzij anders bepaald in de aanstellingsbeschikking;
    12. het opstellen van het aanvangsverslag, het jaarverslag en het eindverslag;
    13. jaarlijks de aangifte van de personenbelasting invullen en opvolgen, wanneer dit geen invulling van bijkomende gegevens met zich meebrengt;
    14. diverse administratieve taken;
    15. een bankkluis beheren;
    16. alle eenvoudige machtigingen, zoals een loutere machtiging tot geldafhaling van de spaarrekening;
    17. het onderhoud met de vrederechter over het dossier van de beschermde persoon, al dan niet in aanwezigheid van de beschermde persoon;
    18. het onmiddellijk melden van een adreswijziging of het overlijden van de beschermde persoon.
  • Een artikel 3 over de uitzonderlijke kosten is ingevoegd:
    Worden als uitzonderlijk beschouwd: de kosten waarvan het bedrag het normaal te verwachten bedrag in het kader van het dagelijks beheer of in de uitvoering van een buitengewone ambtsverrichting waarop ze betrekking hebben significant overstijgt. 
    De uitzonderlijke kosten van meer dan € 500 worden alleen terugbetaald als de bewindvoerder vooraf toestemming van de rechter heeft gekregen om deze kosten te maken.

Eerst stond in artikel 2, § 1, 17° dat als uitzonderlijke kosten werden beschouwd de kosten die significant hoger zijn dan het normaal te verwachten bedrag voor de uitvoering van de handeling waarop ze betrekking hebben.

 

4. ADVIES

A. Wat betreft het verzoek om advies

  • De NHRPH bedankt het kabinet en de administratie om hem dit nieuwe voorontwerp van koninklijk besluit voor te leggen.
  • De NHRPH betreurt dat het advies met hoogdringendheid wordt gevraagd en derhalve niet meer tijdens de plenaire vergadering kan worden besproken. De ideeën die tijdens plenaire vergaderingen worden uitgewisseld zorgen ervoor dat de NHRPH volledigere adviezen kan uitbrengen. Een bespreking met alle leden samen is altijd rijker dan individuele denkoefeningen.

De NHRPH zou willen dat de procedure voor het verzoek om dringend advies zo weinig mogelijk wordt gebruikt, zodat de leden en het secretariaat over de nodige tijd beschikken om het verzoek tijdens de plenaire vergadering te onderzoeken en zodoende een volledig advies kunnen opstellen (advies 2018/25).

B. Wat betreft de wijzigingen inzake de inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait (artikel 1)

  • De NHRPH stelt vast dat rekening werd gehouden met bepaalde door hem geformuleerde overwegingen in zijn advies 2023/25. Bijvoorbeeld de onderhoudsuitkering voor de kinderen en de kinder- of wezenbijslag van de beschermde persoon alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek staan niet meer in de lijst met inkomsten.
  • De integratietegemoetkoming en het zorgbudget voor ouderen staan daarentegen nog steeds in de lijst met inkomsten. De NHRPH is overigens van oordeel dat artikel 1, § 1, 15° onduidelijk is. Worden beschouwd als inkomsten: de tegemoetkomingen aan ouderen, zoals het zorgbudget voor ouderen met zorgnood en de inkomensgarantie voor ouderen. Worden de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden, gestort door het AVIQ en Iriscare, ook bedoeld met dit artikel?

De NHRPH dringt sterk aan op het volgende: de integratietegemoetkoming, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en het zorgbudget voor ouderen zijn geen inkomsten! Het gaat om uitkeringen bestemd voor het compenseren van het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. In dit verband verwijst de NHRPH naar zijn persbericht van 23 oktober 2023. 

  • De NHRPH merkt op dat “de uitkeringen van een zorgverzekering in aanmerking worden genomen enkel met uitzondering van de terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen”. Betekent dit dat de tegemoetkoming voor hulp van derden toegekend door het RIZIV onder de in aanmerking genomen inkomsten valt? Deze tegemoetkoming heeft hetzelfde doel als de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden: een compensatie voor verminderde zelfredzaamheid.

De NHRPH is van oordeel dat de tegemoetkoming voor hulp van derden net als laatstgenoemde tegemoetkomingen zou moeten worden uitgesloten van de berekening. 

  • De NHRPH merkt op dat artikel 1, § 1 als volgt is opgesteld:
    De inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait bedoeld in artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek zijn de netto inkomsten van de beschermde persoon, zoals: (…)
    Het woord “zoals” laat uitschijnen dat andere uitkeringen in aanmerking zouden kunnen worden genomen, behalve indien zij zijn opgenomen in artikel 1, § 2.

De NHRPH dringt aan op het volgende: de formulering van deze bepaling moet worden herzien, want ze leidt sterk tot verwarring. De bepaling zou als volgt kunnen worden opgesteld: “De inkomsten van de beschermde persoon (…) zijn de hieronder vermelde netto inkomsten van de beschermde persoon”.

  • Artikel 1, § 2 vermeldt de inkomsten die niet in aanmerking komen voor de berekening van het forfait.

De NHRPH dringt erop aan dat de volgende uitkeringen worden toegevoegd:

      • de integratietegemoetkoming
      • de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden
      • de tegemoetkoming voor hulp van derden
      • het zorgbudget voor ouderen
      • het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden
      • het zorgbudget voor mensen met een handicap
      • het basisondersteuningsbudget
      • het « budget d’assistance personnelle » van het AVIQ
      • het persoonlijk assistentiebudget van Iriscare
      • het persoonsvolgend budget

Al deze uitkeringen zijn immers bedoeld om de gevolgen van een handicap of van een verminderde zelfredzaamheid te compenseren en mogen niet worden beschouwd als inkomsten.

C. Wat betreft de wijzigingen aangebracht in de lijst met buitengewone ambtsverrichtingen (artikel 2)

  • De NHRPH stelt vast dat heel wat wijzigingen werden aangebracht in dit artikel. Hij verheugt zich met name over het feit dat een niet-indicatieve lijst met ambtsverrichtingen die niet mogen worden beschouwd als buitengewone ambtsverrichtingen werd toegevoegd. De NHRPH stipt in het bijzonder de volgende ambtsverrichtingen aan:
    • contacten onderhouden met de beschermde persoon, de familie, de instelling, …;
    • het openen en sluiten van financiële rekeningen of het overdragen ervan naar een andere financiële instelling en de overdracht van gelden tussen rekeningen;
    • het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, ziekte-uitkeringen, …;

De NHRPH is immers van oordeel dat het gaat om ambtsverrichtingen die vallen onder het dagelijks beheer en die dus moeten worden gedekt door het forfait.

⇒  De NHRPH is van oordeel dat de tekst nog moet worden verduidelijkt.

  • De NHRPH is van oordeel dat bepaalde punten het best verduidelijkt worden:
    • jaarlijks de aangifte van de personenbelasting invullen en opvolgen, wanneer dit geen invulling van bijkomende gegevens met zich meebrengt. Een aangifte invullen zonder inkomsten toe te voegen is een daad van normaal beheer. Wordt “inkomsten toevoegen” “ een buitengewone ambtsverrichting?
    • het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, … is een daad van normaal beheer. Beheer en opvolging van sociale uitkeringen van de persoon maakt dan weer deel uit van een buitengewone ambtsverrichting (art. 2, §1). Waar ligt de grens tussen beide? 
  • De NHRPH merkt op dat het beheren en opvolgen van sociale uitkeringen, zoals het budget van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap nog steeds wordt beschouwd als een buitengewone ambtsverrichting. De NHRPH wenst 2 verduidelijkingen:
    • Wat moet worden verstaan onder de begrippen “beheer en opvolging”? Op welke manier is het beheer van de sociale uitkeringen een buitengewone ambtsverrichting? De NHRPH is van oordeel dat het indienen van een aanvraag en het antwoorden op vragen van de administraties onder het dagelijks beheer en een opvolging als “goede huisvader” valt. Artikel 2, §2 bepaalt overigens dat het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, … geen buitengewone ambtsverrichting vormt. Het indienen van een beroep zou daarentegen als buitengewone ambtsverrichting kunnen worden beschouwd.
    • Wat moet worden verstaan onder “zoals”? Welke andere sociale uitkeringen worden met dit artikel bedoeld? Gaat het om de persoonlijke assistentiebudgetten van het Waals Gewest en Iriscare?

⇒ De NHRPH blijft bij zijn standpunt: hij eist dat het beheren en opvolgen van het VAPH-budget, van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en andere inkomsten die op regelmatige basis worden ontvangen gedekt zijn door het forfait. 

  • De NHRPH leest met verbazing dat “het afsluiten van het dossier, anders dan bij vervanging van de bewindvoerder door tekortkomingen in zijn beheer”, wordt beschouwd als een buitengewone ambtsverrichting. Dit zal de onder bewind geplaatste persoon waarschijnlijk ontmoedigen om een andere bewindvoerder aan te vragen, omdat de tekortkomingen in zijn beheer niet noodzakelijkerwijs zijn vastgesteld. Er kunnen ook - en dit komt vaak voor – communicatieproblemen zijn. Het valt ook te vrezen dat de vrederechter terughoudend zal zijn om tekortkomingen in het beheer vast te stellen van een bewindvoerder die hij zelf heeft aangesteld. Bovendien bestaat het risico dat een uit zijn functie ontheven bewindvoerder een zeer hoge prijs zal factureren voor zijn eindverslag.

De NHRPH vraagt dat het afsluiten van het dossier niet wordt opgenomen in de lijst met buitengewone ambtsverrichtingen.

Algemeen herinnert de NHRPH het kabinet en de wetgever aan de noodzaak om bepaalde andere aspecten dringend te herzien: het opleiden van bewindvoerders, de menselijke middelen in de vredegerechten, de begeleiding van de familiale bewindvoerders in het kader van de jaarlijkse rapportage en de administratieve stappen via de website. De wet van 2013 moedigt de begeleidende maatregelen voor de personen niet voldoende aan; de procedures voor volledige vertegenwoordiging zijn nog ruim in de meerderheid, wat in tegenspraak is met wat de UNCRPD voorschrijft.