Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2022/15

Advies nr. 2022/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over shared spaces in de openbare ruimte, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21/03/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de Federale Commissie voor Verkeersveiligheid
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan mevrouw Lydia Peeters, Vlaams Minister van Mobiliteit en Openbare werken
  • Ter info aan de heer Philippe Henry, Waals Minister van Klimaat, Mobiliteit, Infrastructuur en Energie
  • Ter info aan mevrouw Valérie De Bue, Waals Minister van Verkeersveiligheid
  • Ter info aan mevrouw Elke Van den Brandt, Brussels Minister van Mobiliteit, Verkeersveiligheid en Openbare Werken
  • Ter info aan de heer Antonios Antoniadis, Minister van Ruimtelijke ordening van de Duitstalige Gemeenschap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Pleinen en straten worden soms (her)ingericht als zogenaamde ‘shared spaces’ (‘gedeelde ruimtes’), waarbij verschillende categorieën van weggebruikers dezelfde ruimte gebruiken zonder specifieke plaatsaanduiding, dus zonder de klassieke indeling met rijbaan, fietspad en trottoir.

De NHRPH ontving meerdere alarmsignalen uit de handicapsector over shared spaces, o.a. van mensen die PMH (personen met een handicap) veilige trajecten aanleren in steden.

3. ANALYSE

Het concept van de gedeelde ruimtes ontstond eind vorige eeuw in Nederland.
De filosofie achter deze variant van het woonerf was de volgende:
Door het weghalen of weglaten van aanwijzingen voor de verkeersdeelnemers (verkeerslichten, wegmarkeringen, zebrapaden, …) wordt het straatbeeld onoverzichtelijker, waardoor de subjectieve veiligheid vermindert. Daardoor zullen de weggebruikers zich socialer gaan gedragen tegenover elkaar. Bestuurders van voertuigen zullen voorzichtiger rijgedrag gaan vertonen, waardoor de objectieve veiligheid juist toeneemt. Door middel van natuurlijke elementen en hindernissen zoals stadsmeubilair, kunstwerken, … kan het verkeer wel “in goede banen” worden geleid.

Ondertussen ontstaan er ook her en der hybride vormen van shared spaces, bijvoorbeeld met een minimum aan aanwijzingen voor de weggebruikers, of waarbij privéwagens worden geweerd, maar taxi’s en autobussen niet.

Hoewel uit sommige studies blijkt dat shared spaces de objectieve veiligheid (lagere snelheid, een afname van het aantal ongevallen, minder ernstige ongevallen) kunnen verhogen, dankzij een responsabilisering van de automobilisten, zijn er wel degelijk ernstige nadelen aan deze benadering. Voor kwetsbare weggebruikers, zoals personen met een handicap, ouderen en kinderen, die afhankelijk zijn van het - hopelijk aangepaste - rijgedrag van de automobilisten, neemt de onveiligheid toe.

Wat PMH betreft:

  • Vooral personen met een visuele handicap lopen gevaar, want zij weten zich nergens meer veilig en kunnen evenmin anticiperen op andere weggebruikers. Bovendien kunnen de alternatieve snelheidsremmers extra hindernissen zijn. Gidslijnen en contrasten ontbreken vaak.
  • Voor assistentiehonden is een shared space een onoplosbare puzzel. Op een shared space kunnen zij geen veilige route aanleren of zoeken, want de klassieke aanwijzingen (trottoirranden, zebrapaden, verkeerslichten, podotactiele aanpassingen, …) ontbreken.
  • Mensen met een auditieve handicap kunnen in een shared space verrast worden door snel naderende auto’s.
  • Snelheidsverlagende aanpassingen vormen obstakels voor rolstoelgebruikers en personen met een visuele handicap.
  • Personen met een verstandelijke handicap zullen oriëntatie- en interpretatieproblemen ervaren op zo’n ‘ongeregeld’ plein of ‘ongeregelde’ straat.
  • Vrijwilligers en professionelen die PMH veilige trajecten aanleren komen voor een onmogelijke opdracht te staan.
  • Na een (bijna-)ongeluk kunnen PMH angstig of ontmoedigd raken en besluiten om zich niet meer in het verkeer te wagen, wat hun inclusie vermindert en hun isolement verhoogt.

Een shared space vereist ook dat de automobilisten al voor het betreden ervan hun snelheid aanpassen. Dat vereist snelheidsbeperkende maatregelen in de directe omgeving en de duidelijke aankondiging van de shared space zone.

Automobilisten die vertrouwd raken met een bepaalde shared space zullen opnieuw sneller gaan rijden, waardoor de objectieve veiligheid weer afneemt.

Verder vormen ook motorfietsen, fietsen, steps, speedpedelecs, scootmobielen enz. in de shared space een risico voor de voetgangers: het onderlinge snelheidsverschil kan ernstige ongevallen veroorzaken. Denk maar aan de vele koeriers op brommer of fiets die zich per definitie gehaast doorheen het verkeer bewegen.

Ten slotte zal een shared space net door zijn ongeregelde karakter ongewenst gedrag aanmoedigen, zoals wildparkeren van auto’s en fietsen en de plaatsing van verplaatsbare reclamezuilen bij horecazaken en winkels, wat het aantal obstakels voor PMH nog doet toenemen.

Shared spaces worden niet alleen in verkeersluwe omgevingen aangelegd, maar vaak net aan of in de directe omgeving van scholen en stations, bijvoorbeeld in Kortrijk en Namen. Daar zal dus veel (gehaast) verkeer zijn, zeker tijdens de piekmomenten, wat de kans op ongevallen verhoogt.

Ook in Nederland komt men stilaan terug van het concept van de shared spaces, en dit onder druk van de handicaporganisaties.

Deze problematiek beperkt zich niet tot het federale niveau. Het verkeerreglement is federaal, maar de inrichting van de omgeving is een lokale bevoegdheid. Ook de gemeentes hebben dus een grote verantwoordelijkheid op dit vlak.

4. ADVIES

De NHRPH is geen voorstander van shared spaces. Ze houden te veel risico’s in voor PMH en zijn niet inclusief. Wanneer een plein of straat wordt ontworpen en ingericht, moet er terdege aan de PMH worden gedacht. De voorschriften moeten worden gevolgd en goed worden uitgevoerd, op technisch en praktisch vlak.

Van de verkeersdeelnemers op de shared spaces wordt verwacht dat ze zich allen steeds houden aan continu veranderende voorrangssituaties, terwijl een aanzienlijk deel van hen wegens een handicap niet in staat is om de verkeerssituaties correct in te schatten of er zicht op te krijgen. De regels voor de verkeersdeelnemers moeten haalbaar zijn voor iedereen, inclusief mensen met een handicap.

PMH verdienen het om zich veilig te weten op een plein. Daarom zijn er bijvoorbeeld rateltikkers, geleidelijnen en waarschuwingsstroken nodig.

De bevoegde beleidsniveaus moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Verder is ook overleg tussen het federale niveau, de regio’s en de lokale niveaus noodzakelijk. Het is de taak van de federale overheid om de veiligheid van pleinen en straten te garanderen. De NHRPH rekent op de bevoegde federale en regionale ministers en op de Federale Commissie voor de Verkeersveiligheid om de nodige maatregelen te nemen en een campagne te organiseren voor toegankelijkere straten en pleinen.

Projectontwikkelaars, architecten, stedenbouwkundigen en ontwerpers van stadsinrichting moeten eveneens worden geresponsabiliseerd, want zij spelen een beslissende rol. Aandacht voor de realiteit van de verschillende handicaps moet al tijdens de opleiding gebeuren, ook en vooral op technisch vlak.

Ook het grote publiek moet worden gesensibiliseerd voor de hindernissen en uitdagingen die de PMH ervaren in het verkeer. Zo kan het publiek beter rekening houden met de weggebruikers met een handicap.

Veilige, obstakelvrije gids- of geleidelijnen en oriëntatiepunten op pleinen en in straten evenals zebrapaden zijn noodzakelijk.

De aangehaalde punten gelden ook voor andere vormen waarbij verschillende types van weggebruikers dezelfde ruimte gebruiken, zoals stroken die worden gedeeld door voetgangers en fietsers. Ook die houden risico’s in voor PMH.

Overleg met de verschillende bevoegde instanties op de betrokken bestuursniveaus is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van de plannen. Ook de lokale toegankelijkheidsbureaus en handicapverenigingen moeten worden gehoord.

Voor de ontwikkeling van technische analyses en oplossingen die rekening houden met PMH vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).