Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2022/01

Advies nr. 2022/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de hervorming van de sociale telecomtarieven, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op verzoek van mevrouw Petra De Sutter, Vice-Eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, in haar brief van 25/11/2021.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-Eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-Eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Mevrouw Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, heeft van 25 november 2021 tot 18 januari 2022 een elektronische raadpleging gelanceerd over een aantal bepalingen inzake de sociale tarieven van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en de bijlage ervan.

3. ANALYSE

De vertegenwoordigster van het Kabinet heeft het ontwerp tijdens de plenaire vergadering van 13 december 2021 aan de NHRPH voorgesteld.
De ter raadpleging voorgelegde documenten zijn beschikbaar op de website van het BIPT: https://www.bipt.be/operatoren/publicatie/raadpleging-met-betrekking-tot-de-hervorming-van-de-sociale-tarieven-inzake-elektronische-communicatie

De sociale kloof is al jaren duidelijk. 10% van de Belgen beschikt thuis niet over een internetaansluiting en het zijn vooral gezinnen met een laag inkomen die hierdoor worden getroffen. Volgens de gegevens van de Kruispuntbank zouden 655.000 personen recht op een sociaal tarief kunnen hebben. Vandaag genieten slechts 215.000 gezinnen er daadwerkelijk van. Er bestaat momenteel geen enkele maatregel om het recht te automatiseren. De huidige regeling voorziet in een zogenaamd “sociaal” tarief voor vaste telefonie of internet, maar niet voor mobiele telefonie. De tariefkorting bedraagt in feite maar een paar euro en niet alle operatoren zijn verplicht deze toe te passen.
In Europa hebben slechts 5 landen een sociaal tarief. Enkel Italië heeft een sociaal tarief voor mobiele telefonie, hierna “mobiel sociaal tarief” genoemd, en dit voor een zeer beperkte doelgroep (enkel voor dove of blinde personen die deel uitmaken van een huishouden).

Dit voorontwerp van wet beoogt de hervorming van de sociale tarieven inzake elektronische communicatie. Het voorontwerp van wet wijzigt meer bepaald de artikelen 74 van de wet, 22 en 38 van de bijlage en voert nieuwe artikelen 22/1 tot en met 22/4 in.

De voornaamste wijzigingen zijn de volgende:

  • Automatisering van de “vaste sociale tarieven” (tarieven voor een dienst op een vaste locatie) – artikel 74;
  • Invoering van een mobiel sociaal tarief – artikel 74;
  • Aanpassing van de categorieën van rechthebbenden van het sociaal tarief: het vast sociaal tarief wordt toegekend aan personen die een verhoogde tegemoetkoming genieten en het mobiel sociaal tarief aan personen die een verhoogde tegemoetkoming genieten en die een visuele of auditieve handicap hebben; – nieuw artikel 22/1, §2 - §4;
  • Indexering van de kortingsbedragen – nieuw artikel 22/1, §3.

De FOD Economie is belast met de verificatie van de voorwaarden inzake toekenning van de in artikel 38 bedoelde tariefkortingen die worden toegekend krachtens de artikelen 22/1 tot en met 22/4. Deze FOD is, samen met de operatoren, verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgebonden gegevens van de abonnees.

Ter herinnering: België moet als lidstaat van de Europese Unie verschillende Europese richtlijnen en verordeningen inzake telecommunicatie toepassen, met name: Richtlijn 2009/136/EG, Richtlijn 2002/58/EG, Verordening (EG) nr. 2006/2004, Richtlijnen 2009/140/EG, 2002/19/EG en 2002/20/EG.

4. ADVIES

Wat betreft het principe van de raadpleging 

De NHRPH was tevreden dat de manier van raadplegen toeliet voldoende tijd te nemen voor de denkoefening en de uitwisseling in de plenaire vergadering.

De raadpleging van de bevolking is ook een initiatief dat a priori een goede zaak is vanuit democratisch en participatief oogpunt. De voorgelegde tekst is evenwel een wettekst waarvan het jargon en de reikwijdte de raadpleging illusoir maken. Hoeveel personen zullen hier werkelijk op kunnen reageren? Een eenvoudigere presentatie, in duidelijke en precieze bewoordingen, van de problematiek en de concrete voorstellen van de Minister zouden een werkelijk informatieve reikwijdte gehad hebben en ruimte hebben gelaten voor reacties. De NHRPH vreest dat slechts enkele verenigingen zullen reageren.
De enquête is ook enkel toegankelijk via internet, waardoor de facto niet iedereen kan deelnemen (10% van de gezinnen heeft geen internettoegang).
De NHRPH herinnert eraan dat het niet voldoende is om een dienst online aan te bieden om deze voor iedereen toegankelijk te maken! Er moet in niet-digitale alternatieven worden voorzien om de toegang voor alle betrokken personen te waarborgen.

Wat betreft de inhoud van de maatregelen

De vraag van de NHRPH om de voorwaarden voor toegang tot een sociaal tarief ook voor telecommunicatie te wijzigen, is niet nieuw: in zijn advies 2015/22 pleitte de NHRPH met name voor een rationalisering van de sociale tarieven. Er bestaat al wel een sociaal tarief voor telefonie en internet, maar de criteria voor de toekenning ervan zijn zo beperkt en ontoegankelijk dat de meeste potentiële rechthebbenden er geen aanvraag voor indienen. Ook het BIPT heeft dit vastgesteld.

Allereerst wil de NHRPH de nadruk leggen op de fundamentele en onomkeerbare tendens in de collectieve en particuliere organisatie van ons leven. Ingevolge de COVID-19-gezondheidscrisis heeft de digitalisering van de diensten meer dan ooit vaste voet gekregen en neemt zij nog steeds toe. Heel wat overheidsdiensten beschikken over een elektronisch loket en ontvangen bezoekers enkel op afspraak. De burgers moeten dan telefonisch of per e-mail contact opnemen. Dossiers zijn enkel nog elektronisch toegankelijk; informatie wordt ook vaak op deze manier opgevraagd en uitgewisseld. Zelfs beslissingen tot erkenning, facturen, kennisgevingen van onverschuldigde betalingen gebeuren elektronisch. En dit gebeurt soms automatisch en is verplicht voor de klant. Heel wat diensten voor verzorging en begeleiding van personen worden per sms geactiveerd (herinnering aan afspraken, opvolging van behandelingen, enz.).

Mobiele telefonie speelt een centrale rol bij de digitalisering van diensten, bijvoorbeeld: bewijsstukken van vaccinatie, opzoekingen m.b.t. het openbaar vervoer (routes, vertragingen), ticketverkoop, applicaties voor routebeschrijvingen (Google Maps, enz.), ...
Heel wat diensten zijn gratis online beschikbaar, maar als er behoefte is aan een papieren document moet daarvoor worden betaald, is die mogelijkheid gewoon niet meer beschikbaar of bestaat die niet meer (bijvoorbeeld wanneer het gaat om wandelkaarten, reisroutes, folders en informatiebrochures die voorheen op papier beschikbaar waren).

Er is overigens een verschil tussen vast internet (meestal thuis) waar men gebruik kan maken van een groot scherm, een grotere opslagcapaciteit, een comfortabeler gebruik voor het schrijven van teksten, en mobiel internet waarmee men overal toegang tot het internet kan hebben en toegang heeft tot snellere functies zoals verkeersinformatie, pers, dienstregelingen van het openbaar vervoer, enz.

Digitalisering is overal aanwezig: thuis, maar ook de hele dag door, op de verschillende plaatsen waar personen wonen en werken. Het ‘internet der dingen’ en kunstmatige intelligentie zullen de komende jaren nog toenemen.
Er wordt ook vastgesteld dat de betrokkene steeds vaker is aangewezen op “beperkte diensten” wanneer hij of zij geen gebruik maakt van het digitale kanaal. De nieuwe Batopin-automaten beperken bijvoorbeeld het aanbod van diensten voor blinde personen. De diensten zijn zo opgezet en georganiseerd dat ze geen gelijkwaardig gebruik tussen klanten mogelijk maken: de meest kwetsbare personen (personen met een handicap (PMH), maar ook ouderen bijvoorbeeld) zijn de facto minder goed bediende klanten, ook al betalen ze voor een volledige dienstverlening.
De NHRPH herinnert eraan dat de richtlijn European Accessibility Act ook van toepassing is op internetproducten en -diensten.
Liefdadigheidsinitiatieven investeren vaak als eenmalige maatregel in apparatuur voor de minderbedeelden. Het kopen/verkrijgen van apparatuur volstaat echter niet: de hoge terugkerende internetkosten zijn vaak de grootste belemmering voor de toegang tot internet.

Sinds enkele jaren is er een duidelijke tendens naar het verdringen van de vaste telefoon ten gunste van de mobiele telefoon. De in België gevestigde operatoren hebben immers geleidelijk de verkoop van abonnementen voor vaste telefonie afgebouwd. Tegelijkertijd hebben zij de ontwikkeling van modems en het internet gesystematiseerd.

Om personen in staat te stellen hun rechten te activeren en op regelmatige basis de diensten te bereiken, is het dus belangrijk dat zij de volgende obstakels kunnen overwinnen:

  1. Het financiële obstakel: zij moeten toegang hebben tot betaalbare telefoon- en internetabonnementen, die zij momenteel helemaal niet hebben: de korting bedraagt hooguit 11,50 euro. Dit is volstrekt onvoldoende om de toegang voor de meest kansarme gezinnen te verbeteren.
  2. En het technische obstakel: de NHRPH is van oordeel dat in het bezit zijn van een smartphone, een tablet of een computer niet betekent dat men weet hoe men die moet gebruiken: de NHRPH herinnert eraan dat de activering van rechten en de toegang tot goederen en diensten via digitale middelen voor de overgrote meerderheid van de bevolking een grote uitdaging blijft (zie advies 2018/09 van de NHRPH waarin het verslag van het Brussels Observatorium van 2016 over het toenemende fenomeen van de “non-take-up” (niet gebruik maken van de rechten) wordt geanalyseerd).

In het licht van deze financiële en technische obstakels verwacht de NHRPH dat de Minister concrete acties onderneemt met betrekking tot de volgende bezorgdheden:

  • Zowel mobiele telefonie als vast en mobiel internet moeten financieel toegankelijker worden gemaakt: beide voorzien in verschillende, maar elkaar aanvullende behoeften. Toegang tot het een zonder toegang tot het ander maakt de toegang tot rechten en diensten noodzakelijkerwijs onvolledig. De NHRPH pleit voor een sociaal tarief voor het internet thuis en voor een sociaal tarief voor mobiel internet (die zelden samen in een voordelig pakket verkrijgbaar zijn).
  • Voor personen met een bescheiden inkomen – bijvoorbeeld rechthebbenden van integratietegemoetkomingen – is de tariefkorting van € 11,50 op 50% van het abonnementstarief veel te laag. De NHRPH vraagt dat de indexering op zijn minst de indexsprongen wegwerkt, want de bedragen van de kortingen zijn sinds de invoering van de sociale telefoontarieven in 2015 bevroren.
  • Voor personen met een inkomen lager dan de armoedegrens is de digitale technologie volstrekt onbetaalbaar. Personen met een inkomen op of onder de armoedegrens (sociale uitkeringen of MAF-inkomen (maximumfactuur) van de laagste categorie op 01/01/2022) hebben geen enkele financiële mogelijkheid om de beschikbare abonnementen te betalen en zouden moeten kunnen genieten van een veel hogere korting.
  • Rekening houdend met de tendens van de verminderende vaste telefonie zouden de personen ook op zijn minst altijd moeten kunnen kiezen voor het vaste/mobiele sociaal tarief.
  • Voor de personen die werken en kinderen ten laste hebben, is het van essentieel belang dat zij over smartphones en internet beschikken. Voor deze gezinnen moet de compensatie dicht bij de goedkoopste tarieven liggen.
  • De toepassing van het sociaal tarief moet met terugwerkende kracht kunnen gebeuren. De tijd die nodig is om een aanvraag voor een tegemoetkoming voor personen met een handicap te behandelen, varieert van 5 tot 12 maanden. Deze vertraging mag geen belemmering vormen voor de terugwerkende kracht.
  • Wat gebeurt er wanneer de persoon van operator verandert? Vallen alle telefoon/internetbedrijven onder deze reglementering?
  • Indien in het hervormingsvoorstel de verplichting wordt gehandhaafd om een keuze te maken tussen een vaste of mobiele internetdienst – hetgeen de NHRPH om alle voormelde redenen volstrekt incoherent zou vinden –, dan zal dat goed moeten worden gecommuniceerd naar de potentiële rechthebbenden en zelfs naar diegenen die geen internet hebben.
  • Het concept om het mobiel sociaal tarief te koppelen aan de aard van de handicap moet eerst verder worden onderzocht. De idee dat bepaalde personen die, om gezondheidsredenen buiten hun wil, een beroep moeten doen op applicaties die veel data verbruiken, meer financiële steun moeten krijgen, is verdedigbaar. Deze toegang beperken tot personen die een gehoor- of gezichtsstoornis hebben, is veel twijfelachtiger en een mogelijke bron van discriminatie op grond van de handicap. Andere personen met een handicap zouden in aanmerking kunnen komen, nl. personen die wegens hun gezondheidstoestand data- en energieverslindende applicaties nodig hebben.
  • Het automatiseren van het mobiel sociaal tarief voor personen die de verhoogde tegemoetkoming ontvangen zou zeker helpen in de strijd tegen de non-take-up.
  • Veel personen die van een nieuw sociaal telecommunicatietarief zouden kunnen profiteren weten vaak niet eens op welke rechten zij aanspraak maken. De NHRPH is van mening dat de potentiële rechthebbenden van dit sociaal tarief moeten worden bereikt door de bestaande gegevensbanken te activeren, uiteraard met inachtneming van de bescherming van de consumentengegevens. En wanneer iemand het sociale telecommunicatietarief niet (meer) ontvangt, ook al voldoet hij of zij hoogstwaarschijnlijk aan de voorwaarden, dan is het noodzakelijk naar hem of haar te kunnen “zoeken”. Dit gaat natuurlijk verder dan een eenvoudige kruisverwijzing van datastromen: dit vereist menselijk onderzoek en gepersonaliseerde administratieve acties. De NHRPH is van mening dat personen die hun rechten verliezen terwijl ze nog steeds in aanmerking komen, snel opnieuw moeten worden geïdentificeerd.