Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2022/03

Advies nr. 2022/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel betreffende de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt en gezondheidszorgbeoefenaars buiten een zorgvoorziening en de delegatie van bepaalde medische verstrekkingen (DOC 55 2199/001), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op verzoek van mevrouw Maggie De Block, volksvertegenwoordiger, gevraagd in haar e-mail van 16/12/2021.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, volksvertegenwoordiger
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, volksvertegenwoordiger
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Dit voorstel breidt de uitzondering op de wettige uitoefening van de verpleegkunde verder uit tot personen die in familiaal verband omgaan met de patiënt in zijn dagelijkse leven en personen die dit doen binnen een ruimer sociaal kader (zonder familiale band, in het kader van hun beroep of als vrijwilliger).

3. ANALYSE

Het voorstel wil artikel 124 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, aanpassen.

Sinds 2014 (zie artikel 124, 1°, vierde lid) kan een arts of een verpleegkundige de toelating geven aan een persoon uit de omgeving van de patiënt om een technische verpleegkundige verstrekking uit te voeren, voor zover dat dit gebeurde buiten de uitoefening van een beroep en er aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden werd voldaan. Deze uitzondering is echter beperkt tot familieleden van de patiënt die de rol van mantelzorger opnemen.

Het voorstel breidt de uitzondering uit tot personen die in familiaal verband omgaan met de patiënt in zijn dagelijkse leven en personen die dit doen binnen een ruimer sociaal kader (zonder familiale band, in het kader van hun beroep of als vrijwilliger). Deze personen, die de patiënt enkel willen helpen en dit zonder de intentie dit beroepsmatig te doen, worden momenteel geconfronteerd met het risico op vervolging wegens onwettige uitoefening van de verpleegkunde.

Handelingen zoals helpen bij het nemen van een voorgeschreven geneesmiddel (ongeacht of dit een pil, zetpil, siroop of inspuiting is) vallen onder de wetgeving inzake de verpleegkunde.

Het wetsvoorstel beoogt dat iedereen (mantelzorgers, kinderverzorgsters in crèches, leraren in scholen, opvoeders bij personen met een handicap, vrijwilligers die personen tijdens sociale activiteiten begeleiden, animatoren van jeugdbewegingen, … ) die omgaat met een persoon die een medische behandeling moet volgen, deze persoon moet kunnen helpen, zodat die zijn behandeling correct kan nemen of volgen.

Er worden kwaliteitsvoorwaarden opgelegd om gebruik te maken van de uitzondering.
Er dient bijvoorbeeld een document opgesteld te worden waarin de gezondheidszorgbeoefenaar de duur van de toelating aangeeft. Indien de arts of de verpleegkundige de toelating op regelmatige basis wenst te (her)evalueren, zou de duur bijvoorbeeld beperkt kunnen zijn.
De medici moeten zich ook vergewissen van de capaciteiten van de helper; het kan gaan om het verstrekken van eenvoudige handelingen (zalf aanbrengen of een siroop toedienen) of het voorzien in een opleiding voor moeilijkere handelingen. Er wordt gevraagd dat de Koning op voorstel van de minister die bevoegd is voor Volksgezondheid de nadere voorwaarden bepaalt waaraan de bedoelde opleiding moet voldoen na een gezamenlijk advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en van de Technische Commissie voor Verpleegkunde.

Ten slotte voegt de wijziging van deze bepaling voortaan een lijst van technische verpleegkundige verstrekkingen toe waarbij er geen gebruik kan gemaakt worden van de afwijking wegens de complexiteit ervan:

  • Het plaatsen, verwijderen en vervangen van katheders, met uitzondering van intermittente blaaskatherisatie;
  • het geven van injecties, met uitzondering van subcutane injecties;
  • het toedienen van vaccinaties;
  • het afnemen van bloed, met uitzondering van een capillaire bloedafname;
  • het uitvoeren van een niet-oppervlakkige wondzorg;
  • en assistentie en instrumenteren bij medische en chirurgische ingrepen.

Het voorstel preciseert ook dat in de collectieve zorginstellingen zoals woonzorgcentra, dagverblijven voor personen met een handicap, asielcentra, enz. de zorgverstrekking door beroepsbeoefenaars steeds de voorkeur moet krijgen.

Wanneer de “bekwame helper” in beeld komt, zal steeds het akkoord van drie partijen nodig zijn, met name de opleidende gezondheidswerker, de helper en de patiënt die de hulp zal krijgen.

Het gebruik van deze afwijking dient te gebeuren op vrijwillige basis van alle betrokken personen en wordt bij voorkeur opgenomen in het patiëntendossier.

Tot slot, het principe van het bijstaan van een persoon in nood heeft voorrang op het verbod op de uitoefening van de geneeskunde en laat iedere persoon toe zorg te verlenen, meer bepaald in het kader van uitzonderlijke omstandigheden.

4. ADVIES

De NHRPH verheugt zich over het initiatief van het voorstel tot hervorming. In zijn adviezen van het verleden (advies 2014-06, advies 2014-07, advies 2017-08, advies 2017-15) heeft de NHRPH er steeds aan herinnerd dat de verzorging van de persoon met een handicap (PMH) moet passen in het kader van de levenskwaliteit (zie ook de positienota 'Mantelzorg' (2015) van de NHRPH). De medische behandeling van een PMH is vaak een lang traject; het is dan ook onaanvaardbaar dat het niveau van de levenskwaliteit zou wijken voor modaliteiten inzake het toedienen van verzorging. Het toedienen van verzorging mag geen motief zijn waarvoor de PMH niet ten volle zijn levenskeuzes zou kunnen maken (opleiding, werk en vrijetijdsbesteding). De aangekondigde flexibiliteit gaat dus in de goede richting.

Maar tegelijkertijd blijven een aantal belangrijke bezorgdheden nog steeds onbeantwoord:

  • De exacte en concrete reikwijdte van de toelating of delegatie:
    • De tekst bepaalt dat de toelating slechts aan één persoon wordt gegeven. Wat dan met de collectieve structuren? Bijvoorbeeld, gaat een toelating die werd gegeven in een school aan een leraar automatisch over op de leraar die hem tijdens zijn afwezigheid tijdelijk vervangt? Hoe zit het met de toelating aan een kinderverzorgster in een crèche wanneer die afwezig is? Het is absoluut noodzakelijk een zorgcontinuïteit voor de persoon met een handicap te waarborgen waarvan de omgeving niet noodzakelijk constant is. De procedure moet soepel zijn en onvoorziene omstandigheden opnemen, waarbij de kwaliteit van de gezondheid wordt gewaarborgd.
    • Artikel 124, 1°, vierde lid, omschrijft sinds 2014 een uitzondering op de onwettige uitoefening van verpleegkundige activiteiten waarbij een arts of een verpleegkundige de toelating kan geven aan een persoon uit de omgeving van de patiënt om een technische verpleegkundige verstrekking uit te voeren, voor zover dat “dit gebeurt buiten de uitoefening van een beroep”. Wat met personen die werken in het kader van hulpverlening in het dagelijkse leven, van het persoonlijk assistentiebudget (PAB), …? Betekent dit dat zij buiten de uitoefening van een beroep te werk gaan? Vallen zij onder dit voorstel? Vallen de verrichte handelingen binnen de toepassing van deze bepaling?
    • Hulp bij het voeden – met inbegrip van een persoon met een tracheotomie – en het toedienen van bijzondere diëten, alle handelingen die verband houden met het wassen, het toedienen van eventuele geneesmiddelen, het dragen van steunkousen, blaasverzorging, … vallen niet onder de uitzonderingen. Betekent dit dat in al deze gevallen een informele helper de persoon met een handicap kan verzorgen?
  • De verzekeringsdekking voor niet-beroepsbeoefenaars. Zal eventuele schade worden gedekt door de familiale verzekering ‘burgerlijke aansprakelijkheid’ (BA)? Zal ze verplicht worden gemaakt voor informele helpers?
  • Hoe zal de begeleiding en opleiding van niet-beroepsbeoefenaars worden georganiseerd en wie zal dat betalen? De deelgebieden zijn bevoegd voor de opleiding. Zij moeten derhalve worden geraadpleegd. Zijn zij bereid de opleidingen ten laste te nemen?
  • Het uitvoeren van een niet-oppervlakkige wondzorg is een van de handelingen die niet door de mantelzorger mag worden verricht. De NHRPH is van mening dat dit een zeer vaag begrip is en wenst concrete voorbeelden.
  • Deze delegatie moet gepaard gaan met een herziening van de forfaitaire bedragen voor verpleging en een revalorisatie van de salarissen van niet-verpleegkundige beroepsbeoefenaars die zullen instaan voor deze gedelegeerde handelingen.

De NHRPH herinnert eraan dat de delegatie aan niet-beroepsbeoefenaars nooit gebruikt mag worden om de werkingskosten van een zorg- of ondersteuningsstructuur te verminderen. Het is ook duidelijk dat de plaats van samenleven (scholen, jeugdbewegingen, enz.) waarop de reglementering van invloed zal zijn, de nodige middelen moet krijgen voor deze delegatie.

De NHRPH is van mening dat het nuttig is formeel te voorzien in een evaluatie van deze nieuwe manier van werken.

De NHRPH heeft ook de evaluatie van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger ontvangen die in 2021 naar de Kamer was gestuurd. De NHRPH wijst in deze evaluatie op een uiterst belangrijk punt dat rechtstreeks verband houdt met onderhavig voorstel: de huidige steun voor mantelzorgers is ontoereikend. De NHRPH vraagt al jaren om concrete vooruitgang op een aantal gebieden (zie positienota ‘Mantelzorg’ (2015). Deze vaststelling is geen argument tegen de uitbreiding van de delegatie van het voorstel. Het is evenwel noodzakelijk en dringend om te zorgen voor voldoende middelen voor de mantelzorgers, met name op het gebied van opleiding, maar ook wat betreft de toegang tot een breder sociaal statuut, een dat verder gaat dan de huidige verlofformules. Wordt er een parlementair initiatief overwogen?