Advies 2026/13
Advies nr. 2026/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) met het oog op het verhogen van de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten bij de berekening van de integratietegemoetkoming in het kader van het plan voor sociale cohesie, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 mei 2026.
Advies op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, n.a.v. haar brief van 30 april 2026 en met verzoek om spoedbehandeling.
Lees de samenvatting van het advies
1. ADVIES BESTEMD
- Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
- De heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
- Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
- Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
- Ter informatie aan Unia
- Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
- Ter informatie aan de federale ombudsman
- Ter informatie aan de Nationale Arbeidsraad
2. ONDERWERP
Het ontwerp van KB past artikel 9ter, § 4, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming aan en verhoogt de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten voor de berekening van de IT.
3. ANALYSE
Het federaal regeerakkoord bepaalt dat de regering ‘de cumulregeling voor IT met uitkeringen na tewerkstelling [verbetert] zodat een periode van tewerkstelling niet leidt tot verlies van de IT’. Het is in deze optiek dat het plan voor sociale cohesie, dat op 23 december 2025 werd aangenomen, voorziet in een maatregel met het oog op het verhogen van de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten voor de berekening van de integratietegemoetkoming. Een tweede maatregel, met betrekking tot de begeleiding van personen met een handicap in hun traject naar werk, moet nog worden geconcretiseerd en de modaliteiten hiervan zullen later aan de NHRPH worden voorgesteld en vermoedelijk in 2028 worden uitgevoerd.
De brief die het ontwerp begeleidt stelt overigens vast dat de vrijstellingsgrenzen voor de vervangingsinkomsten vandaag veel lager zijn dan voor de inkomsten uit arbeid en ongunstig voor alleenstaanden.
Het doel van de maatregel is te voorzien in een eerste verhoging van deze grenzen tot 11.288,91 euro (geïndexeerd bedrag) vanaf juli 2026, vervolgens in een tweede verhoging, tot 12.901,62 euro (geïndexeerd bedrag), vanaf januari 2029. Daartoe werd een budget van 4,2 miljoen euro voorzien voor 2026, verhoogd tot 8,225 miljoen euro in 2027 en tot 14,93 miljoen euro in 2029. In het verzoek om advies wordt verduidelijkt dat van de in 2028 en 2029 beschikbare bedragen de bedragen moeten worden afgetrokken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de tweede maatregel. Dit noodzakelijke budget wordt geraamd op ~1,1 miljoen euro in 2028 en 2029.
Volgens de huidige regelgeving verliezen personen die niet werken en vervangingsinkomsten ontvangen hun integratietegemoetkoming (IT) volledig of gedeeltelijk. Deze situatie heeft tot gevolg dat personen armer worden, maar ook worden ontraden terug te keren naar de arbeidsmarkt, aangezien iedere situatie van herval (ziekte of ontslag), zelfs onvrijwillig (sluiting van de onderneming), hen zal bestraffen vanuit het oogpunt van de berekening van hun IT.
Deze situatie wordt des te onrechtvaardiger ervaren omdat het doel van de IT is om de extra kosten met betrekking tot de handicap en een omgeving die grotendeels ontoegankelijk blijft te dekken. Wanneer personen hun werk verliezen, in sommige gevallen ook worden geconfronteerd met nieuwe kosten (als gevolg van een verslechtering van hun gezondheidstoestand) en daardoor geheel of gedeeltelijk hun IT verliezen, is er sprake van een nieuwe, onaanvaardbare vorm van discriminatie. De NHRPH hekelt al jaren deze onrechtvaardigheid en eist dat de IT volledig behouden blijft, ongeacht de aard en het niveau van de inkomsten van de persoon met een handicap.
Het ontwerp voorziet in een wijziging van artikel 9ter, § 4, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, en in de verhoging van de bedragen van de vervangingsinkomsten die voor de berekening van de IT worden vrijgesteld, en wel als volgt:
- het huidige bedrag van € 2.594,73 (niet-geïndexeerd) wordt op 1 juli 2026 verhoogd tot € 6.357,08 (niet-geïndexeerd);
- dit bedrag wordt op 1 januari 2029 een tweede keer verhoogd tot € 7.265,24 (niet-geïndexeerd).
4. ADVIES
A. Wat betreft de personen die door de hervorming worden getroffen
Het plan voor sociale cohesie bepaalt op pagina 3 (in de Nederlandstalige versie):
Ook zorgen we ervoor dat de opgebouwde sociale rechten binnen de sociale zekerheid niet leiden tot een verlies van de integratietegemoetkoming, die de kosten gelinkt aan de handicap compenseert.
De NHRPH begrijpt deze zin als volgt: een periode van voltijdse arbeidsongeschiktheid zou nooit mogen leiden tot het verlies van de IT.
- De NHRPH vraagt dat ofwel een IT-systeem zonder onderzoek naar de inkomsten voor iedereen wordt ingevoerd, ofwel dat de grens voor iedereen wordt geüniformiseerd en verhoogd: actieve en niet-actieve personen.
B. Wat betreft het principe van de verhoging van de vrijstelling
De maatregel lijkt een verhoogd deel van de IT te vrijwaren en de averechtse effecten op de IT van de persoon die is moeten stoppen met werken te verminderen. In werkelijkheid worden deze vrijstellingen geabsorbeerd door de categorievrijstelling (bestaansminimum/IVT-bedrag) die wordt afgetrokken. Zolang het bedrag van de vrijstelling kleiner is dan de categorievrijstelling kan de vrijstelling onbeperkt worden verhoogd, maar de uiteindelijke berekening zal voor de betrokken persoon hetzelfde resultaat opleveren. Met andere woorden, de maatregel heeft een licht positieve impact voor personen met een gecombineerd inkomstenprofiel waarvan het zwaartepunt bij de inkomsten uit arbeid ligt. Voor personen die structureel afhankelijk zijn van vervangingsinkomsten zal deze maatregel geen impact hebben.
Als we de minimumuitkeringen in het RIZIV-stelsel bekijken, zien we dat de minimumbedragen momenteel vanaf de 7de maand, op jaarbasis, € 16.854,24 (samenwonend), € 19.659,12 (alleenstaand) en € 24.807,12 (met personen ten laste) bedragen. Deze bedragen zijn de dagelijkse realiteit voor de overgrote meerderheid van de RIZIV-uitkeringsgerechtigden.
De categorievrijstellingen bedragen momenteel € 10.994 (samenwonend), € 16.820,84 (alleenstaand) en € 22 286,57 (met personen ten laste).
De geplande verhoging van de vrijstelling op het vervangingsinkomen zal, volgens het ontwerp, respectievelijk € 11.288,91 (1 juli 2026) en € 12.901,62 (1 januari 2029) bedragen. Dit zal bijgevolg een zeer lichte en beperkte impact hebben op samenwonenden. De andere categorievrijstellingen zijn namelijk hoger dan die van de vrijstelling op het vervangingsinkomen.
Een concreet voorbeeld zal dit beter illustreren:

Dit resultaat is in tegenspraak met het beginsel van sociale bescherming voor personen die toch aan de arbeidsmarkt hebben deelgenomen!
- De NHRPH vraagt dat, naast de verhoging van de vrijstellingsdrempel voor vervangingsinkomsten, ook de vrijstellingsgrens per categorie wordt verhoogd, teneinde daadwerkelijk een extra vrijstellingsmarge te creëren, ook voor personen zonder inkomen uit arbeid of met een zeer beperkt inkomen uit arbeid. Enkel een dergelijke aanpassing zal waarborgen dat de maatregel niet louter selectief ten goede komt aan personen die blijven deelnemen aan de arbeidsmarkt, maar dat hij ook een echte verbetering teweegbrengt voor de inkomens van personen die volledig afhankelijk zijn van een vervangingsinkomen.
- De NHRPH stelt de volgende formulering van artikel 9ter, § 5, van het koninklijk besluit voor:
De huidige formulering ‘Van het andere inkomen wordt vrijgesteld: het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen de categorievrijstelling, enerzijds, en de som van de genoten arbeidsvrijstelling en de genoten vrijstelling op het vervangingsinkomen, anderzijds’
zou moeten worden vervangen door ‘van het andere inkomen worden vrijgesteld: het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen 102 % van de categorievrijstelling, enerzijds, en de som van de genoten arbeidsvrijstelling en de genoten vrijstelling op het vervangingsinkomen, anderzijds;’.
Dit percentage zou natuurlijk veel hoger mogen zijn. Maar rekening houdend met de budgettaire beperkingen zal het waarschijnlijk dicht bij 100 % liggen, zonder uiteraard lager te zijn dan 100 %.
C. Wat betreft de gevolgen met betrekking tot de regel van jaar -2/-1
Gelet op de huidige regelgeving, die voor de berekening van de toekenning uitgaat van de inkomsten van jaar -2/-1 stelt de NHRPH vast dat het vertragingseffect van de maatregel in de praktijk ongewijzigd blijft. Met andere woorden, een werknemer die op 1 oktober 2026 ziek wordt, zal zijn situatie ten vroegste aangepast zien op 1 januari 2027 (inkomensdaling van 20 % tussen jaar -2 en -1) of op 1 januari 2028 (indien de daling minder dan 20 % bedraagt).
Indien de regering de tewerkstelling van personen met een handicap wil ondersteunen, moet zij tegelijkertijd ook de regel inzake de referteperiode van de inkomsten herzien.
- De NHRPH vraagt dat de wijziging van de vrijstelling op de IT op hetzelfde moment en vanaf 1 januari 2026 gepaard gaat met een herziening van het kader van de referteperiode, zodat de persoon duidelijk de financiële gevolgen van de gewijzigde situatie kan ondervinden.