Advies 2026/10
Advies nr. 2026/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanbevelingen door de expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap ‘Veranderen om te behouden (2026-2036)’, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/04/2026.
Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.
Lees de samenvatting van het advies
1. ADVIES BESTEMD
Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
- Voor opvolging aan de Interministeriële Conferentie (IMC) Volksgezondheid
- Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
- Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
- Ter informatie aan de heer Yves Coppieters, Waals minister van Volksgezondheid, Leefmilieu, Solidariteit en Sociale Economie
- Ter informatie aan mevrouw Caroline Gennez, Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen
- Ter informatie aan de heer Ahmed Laaouej, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC)
- Ter informatie aan de heer Dirk De Smedt, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de GGC
- Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Franse Gemeenschapscommissie (FGC)
- Ter informatie aan mevrouw Elke Van den Brandt, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC)
- Ter informatie aan mevrouw Lydia Klinkenberg, Ministerin für Familie, Soziales, Wohnen und Gesundheit van de Duitstalige Gemeenschap
- Ter informatie aan de Conseil consultatif wallon des personnes en situation de handicap (CCWPSH)
- Ter informatie aan de Conseil consultatif des personnes en situation de handicap van de Franse Gemeenschap
- Ter informatie aan NOOZO, Vlaamse adviesraad voor en door personen met handicap
- Ter informatie aan de Franstalige Brusselse Raad voor personen met een handicap (Brupartners)
- Ter informatie aan de Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung
- Ter informatie aan Unia
- Ter informatie aan de federale Ombudsman
- Ter informatie aan de regionale ombudsmannen bevoegd voor Gezondheid
- Ter informatie aan de Belgische patiëntenverenigingen
- Ter informatie aan het Collectif Accessibilité Wallonie Bruxelles (CAWaB) en Inter (Vlaanderen)
2. ONDERWERP
In het kader van de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap kreeg een expertgroep de opdracht van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 19 maart 2025 om aanbevelingen ‘over de na te streven organisatie van het ziekenhuislandschap met als doelstelling kwaliteitsvolle zorg met doelmatigheid in de inzet van financiële en personen middelen[1]’ te formuleren.
2. ANALYSE
A. Diagnose van de experten
Algemeen
De door de IMC aangestelde expertengroep vertrekt vanuit de vaststelling dat financiële en demografische druk weegt op de toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en duurzaamheid van het gezondheidszorgsysteem in België. Volgens de prognoses van het RIZIV zal de gezondheidszorgbegroting van 45,22 miljard euro in 2025 stijgen naar 46,78 miljard in 2026. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zal dit cijfer de komende jaren nog toenemen door verschillende factoren: de vergrijzing van de bevolking en de toename van de multimorbiditeit enerzijds, en de evolutie van medische technologieën anderzijds. Volgens de door de IMC aangestelde experten zou een – onvermijdelijke - plafonnering van de overheidsuitgaven kunnen leiden tot een geneeskunde met twee snelheden ‘waarbij bepaalde zorg niet meer voor iedereen toegankelijk is’.
Deze toenemende behoefte aan gezondheidszorg gaat bovendien gepaard met een personeelstekort in de sector. Door de verwachte afname - of in het beste geval stagnatie - van de actieve bevolking is een toename van de tewerkstelling in de sector tegen 2040 niet te verwachten.
Wat specifiek de ziekenhuizen betreft, telt België er 103, verspreid over 189 sites, die als volgt zijn onderverdeeld: 132 sites met acute bedden[2], 38 sites met een chronisch profiel, 4 sites met een psychiatrisch profiel en 15 sites die enkel een dagziekenhuis of een polikliniek hebben en zich toeleggen op ambulante chirurgie of raadplegingen. Volgens het KCE is er een groot aanbod aan acute zorg: er zijn “te veel sites waarbij ‘iedereen alles doet, en dag en nacht open is’”. Deze fragmentatie van het aanbod is niet langer verenigbaar met de evolutie van de acute geneeskunde ‘die steeds meer gespecialiseerde expertise vereist’. ‘De zoektocht naar een juiste diagnose kan ingewikkeld zijn en inzet van verschillende diagnostische technieken vergen.’
In hun analyse hebben de door de IMC aangestelde experten zich gebogen over de sterke punten, de zwakke punten en de opportuniteiten die het huidige Belgische ziekenhuislandschap kenmerken. Zij hebben ook de ‘bedreigingen’ die daarop wegen onderzocht. Hierna volgt een kort overzicht van de visie van de experten:
Sterke punten
- Ziekenhuiszorg van hoge kwaliteit: het Belgische gezondheidssysteem is doeltreffend, het medisch-technologisch niveau is hoog en de zorg is van hoge kwaliteit.
- Toegankelijkheid: dankzij een evenwichtige geografische spreiding en de nationale ziekteverzekering hebben burgers toegang tot medische prestaties tegen een voor de meeste personen betaalbare prijs.
- Gekwalificeerde, bekwame en geëngageerde zorgverleners.
- Moderne ziekenhuisstructuren: heel wat ziekenhuizen werden de afgelopen jaren verbouwd en/of gerenoveerd. Klinisch onderzoek en technologische innovatie spelen daarin een belangrijke rol.
Zwakke punten
- Tekort aan zorgverleners, artsen en verpleegkundigen: het aantal beschikbare bedden wordt teruggeschroefd, opnames worden tijdelijk opgeschort en de wachtlijsten worden steeds langer. Sommige zorgverleners stoppen ermee wegens een te hoge werkdruk, stress en het gebrek aan aantrekkelijkheid van het beroep.
- Verkeerd gebruik van spoeddiensten: enerzijds doen patiënten die zich in kritieke situaties bevinden te laat een beroep op spoeddiensten; anderzijds gaan andere patiënten erheen voor niet-dringende gezondheidsproblemen. De nabijheid van spoeddiensten, die groter is dan die van wachtposten, de soms weinig optimale organisatie van de wachtdienst en de toenemende overbelasting van de huisartsen die geen nieuwe patiënten meer aannemen, spelen een rol bij dit overgebruik van de spoeddiensten.
- Kwaliteitsverschil tussen de spoeddiensten in ziekenhuizen: ‘niet alle ziekenhuizen beschikken permanent over de nodige specialisten of infrastructuur om alle dringende gevallen adequaat te behandelen. De kansen van de patiënt hangen dus af van de spoeddienst waar hij terechtkomt’.
- Versnipperde zorg: patiënten met chronische aandoeningen worden vaak geconfronteerd met uiteenlopende zorgverleners, zowel in het ziekenhuis als in de ambulante zorg. Bovendien verschuift de zorg steeds meer naar de eerstelijnszorg[3].
- Overaanbod van acute bedden, waarvan de bezettingsgraad onvoldoende is en waarvoor onnodige personele middelen worden ingezet.
- Onvoldoende financiering.
Opportuniteiten
- Een nieuwe patiëntgerichte aanpak, gebaseerd op de waarden en doelstellingen van de patiënt.
- Een toenemende specialisatie in de ziekenhuizen en een transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar ambulante zorg.
- De volledige informatisering van patiëntdata inzake gezondheid, wat perspectieven biedt voor meer samenwerking tussen zorgverleners, terwijl artificiële intelligentie en machine learning ‘zorgverleners kunnen ondersteunen bij triage, diagnose en voorspelling van ziekteverloop op basis van grote datasets’. Maar deze nieuwe tools doen de prijs van de zorg toenemen en ‘de risico’s op het vlak van patiëntveiligheid worden echter vaak onvoldoende geëvalueerd’.
Bedreigingen
- De vergrijzing van de bevolking heeft een dubbele impact op de gezondheidszorg: enerzijds worden patiënten vaker getroffen door comorbiditeit (48 % van de bevolking van 15 jaar en ouder, 76,2 % van de 75-plussers); anderzijds nadert een aanzienlijk deel van de zorgverleners de pensioenleeftijd en dreigt hun vertrek het reeds zorgwekkende personeelstekort nog te verergeren.
- De complexe verdeling van de institutionele bevoegdheden inzake gezondheidszorg tussen de federale Staat en de gewesten.
- De budgettaire druk ingevolge een voortdurende stijging van de kosten.
- De ontwikkeling van medische privépraktijken buiten het ziekenhuis: ‘een voor iedereen snel toegankelijke zorg aan conventietarieven kan hierdoor in het gedrang komen’.
Deze analyse brengt de door de IMC aangestelde experten tot de volgende conclusie: ‘we zullen dus moeten veranderen […] om een solidaire gezondheidszorg te behouden’. Deze verandering betekent: ‘de aanbodstructuur aanpassen’.
B. De voorgestelde hervorming: een herstructurering van het ziekenhuisaanbod
Quintuple Aim
Om de transformatie te begeleiden en te komen tot het resultaat van een systeem van geïntegreerde zorg dient een kompas met 5 doelstellingen als gids:
-
- kwaliteit van zorg;
- betaalbaarheid;
- welzijn van patiënten;
- welzijn van zorgverleners;
- billijkheid.
Het principe
Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zoals aangehaald in het Interfederaal plan voor geïntegreerde zorg is geïntegreerde zorg ‘een aanpak om gezondheidszorgsystemen waarin de mens centraal staat te versterken door een globale kwaliteitsvolle dienstverlening te bevorderen gedurende de hele levensloop, tegemoet komend aan de multidimensionale behoeften van de bevolking en het individu, en verleend door een gecoördineerd multidisciplinair team van professionals die werkzaam zijn in verschillende settings en op verschillende zorgniveaus. Het moet doeltreffend worden beheerd om optimale resultaten en een verantwoord gebruik van middelen te waarborgen op basis van de beste beschikbare gegevens, met feedbackmomenten, om de prestaties voortdurend te verbeteren en de oorzaken van slechte gezondheid in de beginfase aan te pakken en het welzijn te bevorderen door intersectorale en multisectorale acties’.
Voor de door de IMC aangestelde experten past de hervorming van het ziekenhuislandschap in een bredere ontwikkeling die gericht is op de invoering van dit model van geïntegreerde zorg, volgens het principe ‘nabije zorg waar mogelijk, geconcentreerde zorg waar nodig’. Het gaat concreet om het combineren van het volgende:
-
- nabijheid door een gedecentraliseerd aanbod van dagziekenhuizen te veralgemenen, waar (bepaalde) chirurgische ingrepen en handelingen van interne geneeskunde zo dicht mogelijk bij de patiënten kunnen worden uitgevoerd;
- en kritieke grootte die voldoet aan de behoeften van de acute geneeskunde door kennis, expertise en technologieën te bundelen.
Tijdschema
Er is een overgangsperiode van 10 jaar voorzien, opgesplitst in 2 perioden van 5 jaar (2026-2031, 2031-2036), met een tussentijdse evaluatie door de IMC Volksgezondheid.
Concreet: 4 types ziekenhuisstructuren
Het voorstel van de door de IMC aangestelde experten bestaat erin de bestaande ziekenhuizen, met uitzondering van psychiatrische en revalidatieziekenhuizen, op te delen in 4 aparte types en elk van deze types duidelijke taken toe te wijzen.
-
- Regionaal algemeen ziekenhuis
-
-
- Diagnoses en behandelingen van courante aandoeningen, inclusief materniteit en pediatrie.
- Volwaardige medisch-technische infrastructuur, met inbegrip van spoed- en wachtdiensten.
- 24/7 zorg.
- Erkenning mogelijk als expertisecentrum voor bepaalde complexe aandoeningen, op voorwaarde dat het voldoet aan de vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit. De zorg moet kunnen worden gewaarborgd 24 uur op 24 en 7 dagen op 7.
- Minstens 150 acute bedden in 2026.
- Minstens 180 acute bedden in 2031.
- Minstens 240 bedden in totaal in 2031.
- Ten minste 600 bevallingen in 2031.
-
-
- Universitair ziekenhuis
-
-
- Dezelfde diensten en dezelfde groottevoorwaarden als een regionaal algemeen ziekenhuis, met bijkomende opdrachten op het vlak van onderzoek, innovatie en onderwijs.
- Erkenning ook mogelijk als expertisecentrum voor bepaalde complexe aandoeningen, op voorwaarde dat het voldoet aan de vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit. De zorg moet kunnen worden gewaarborgd 24 uur op 24 en 7 dagen op 7.
- Expertisecentrum voor bepaalde zeldzame ziekten waarbij het zich houdt aan de 3 prioriteiten van het Belgisch Plan voor zeldzame ziekten: snelle diagnose door o.a. een beroep te doen op artificiële intelligentie voor de analyse van elektronische medische dossiers; geïntegreerde zorgtrajecten die duidelijk definiëren wie wat doet; samenwerking tussen expertisecentra in België en in het buitenland.
-
-
- Lokaal medisch centrum
-
-
- Chirurgische dagopnames, met operatiekwartier, recovery en een volwaardig diagnostisch platform.
- Kan ook internistische interventies[4], poliklinische consultaties, ‘low-care’ dialyses en opvolging van chronische zorg
- Kan ambulante revalidatie, revalidatie in dagkliniek na ziekenhuisontslag, gezondheidseducatie (bv. rugschool), preventieprogramma’s en vaccinatiecentra organiseren.
- Kan als basis voor thuishospitalisatie
- Geplande en ambulante gespecialiseerde zorg.
- Geen spoeddienst, noch een spoed eerste opvang.
- Centrum mogelijk dat gespecialiseerd is in orthopedische chirurgie, met (weinig) opnamenachten indien noodzakelijk, op voorwaarde dat 5000 ingrepen / jaar worden gecumuleerd.
- Verbonden aan een regionaal algemeen ziekenhuis of een universitair ziekenhuis, op dezelfde site of op een andere site.
- Beschikt verplicht over protocollen voor urgenties en transferts.
-
-
- Ziekenhuis voor intermediaire zorg
-
-
- Intermediaire zorg of revalidatiezorg heeft tot doel patiënten hun zelfredzaamheid te laten terugwinnen of versterken na een ziekenhuisverblijf.
- Hart- en longaandoeningen, locomotorische aandoeningen, neurologische aandoeningen, meerdere chronische aandoeningen, psychogeriatrische aandoeningen, palliatieve verzorging.
- Verbonden aan een regionaal algemeen ziekenhuis of aan een universitair ziekenhuis, ongeacht of het op dezelfde of op een afzonderlijke site is.
- Geen minimumvolume of -capaciteit indien het ziekenhuis voor intermediaire zorg op dezelfde site is gevestigd als een regionaal algemeen ziekenhuis.
- Minstens 90 bedden indien de site afzonderlijk is, met inbegrip van eventuele psychiatriebedden voor volwassenen of kinderen.
- Verplichting om structurele afspraken en protocollen te hebben om de toegang tot ter plaatse niet-beschikbare diensten te waarborgen, zoals een spoeddienst, een laboratorium, medische beeldvorming en specialistisch advies.
-
Gelijktijdige hervorming van de dringende medische hulpverlening
De dubbele vaststelling van het verkeerd gebruik van de spoeddiensten en de onvoldoende werking van het oproepnummer 1733 brengt de door de IMC aangestelde experten ertoe een gelijktijdige hervorming van de dringende medische hulpverlening te overwegen:
-
- Geïntegreerde oproepstructuur voor het nummer 112 en het nummer 1733 om het hoofd te bieden aan het feit dat het nummer voor medische hulpverlening buiten de kantooruren (1733) nog onvoldoende bekend is, met verwijzing naar de juiste zorgverlener.
- Continue triage 24 uur op 24, 7 dagen op 7.
- Oprichting van een Federaal Agentschap voor hulpverlening voor het coördineren van alle noodoproepen.
- Paramedische of verpleegkundige opleiding voor de medewerkers van beide nummers.
- Continu doorsturen en analyseren van digitale gegevens (beelden, zuurstofsaturatie en hartritmemonitoring) door de centrale.
- Protocollen voor triage en dispatching.
- Interpretatie van het begrip ‘dichtstbijzijnde ziekenhuis’ als het ziekenhuis dat beschikt over de juiste infrastructuur voor de vermoedelijke pathologie.
- Enkel overbrenging naar een regionaal algemeen ziekenhuis.
- Locatie van de medische wachtposten op de site van een regionaal algemeen ziekenhuis of op de site van een lokaal medisch centrum wanneer de afstand tot een lokaal algemeen ziekenhuis te groot is.
C. Gevolgen van de hervorming
Verspreiding van de ziekenhuizen op het Belgische grondgebied
De ziekenhuizen die in 2026 het minimum van 150 acute bedden niet bereiken, moeten zich tegen 2029 omvormen tot een lokaal medisch centrum of een ziekenhuis voor intermediaire zorg, of een combinatie van beide. Van de 132 acute sites die België telt, bevinden zich er 29 in deze situatie, die als volgt zijn verspreid:
-
- Vlaanderen: 17
- Wallonië:18
- Brussel: 4
26 sites voldoen aan de vereisten van 2026 en moeten zich ontwikkelen om te voldoen aan de voorwaarden van een regionaal algemeen ziekenhuis in 2031:
-
- Vlaanderen: 14
- Wallonië: 8
- Brussel: 4
67 sites voldoen daarentegen al aan de cumulatieve vereisten van 2031 om regionale algemene ziekenhuizen te zijn, waaronder:
-
- Vlaanderen: 38 (West-Vlaanderen 7, Oost-Vlaanderen 10, Antwerpen 15, Limburg 4, Vlaams-Brabant 2)
- Wallonië: 21 (Henegouwen 8, Waals-Brabant 2, Namen 4, Luik 5, Luxemburg 1)
- Brussel: 8
Indien alle ziekenhuizen die voldoen aan de vereisten 2026, maar nog verder moeten ontwikkelen om de eindvereisten te bereiken in 2031 hierin slagen, zullen de acute sites, met kraamkliniek en spoeddienst, als volgt tussen de 3 gewesten gespreid zijn[5]:
-
- Vlaanderen: 52 voor 6 864 766 inwoners (1 ziekenhuis voor 132 014 inwoners)
- Wallonië: 35 voor 3 704 990 inwoners (1 ziekenhuis voor 105 856 inwoners)
- Brussel: 12 voor 1 255 795 inwoners (1 ziekenhuis voor 104 649 inwoners)
In de Duitstalige Gemeenschap bereiken noch Eupen, noch Sankt Vith de 150 acute bedden in 2026. Dit betekent dat zij geen van beide op termijn een regionaal algemeen ziekenhuis kunnen worden en zich zullen moeten omvormen tot een lokaal medisch centrum of een ziekenhuis voor intermediaire zorg. Zelfs in dat geval raden de experten het af om af te wijken van de norm van 150 acute bedden en zijn ze voorstander van het volgende: ‘Er worden garanties gegeven dat Duitstalige patiënten […] in het Duits zullen worden geholpen (bv. in het ziekenhuis van Verviers)’.
In het rapport wordt niet verduidelijkt hoeveel van de 29 ziekenhuizen die niet aan de vereisten 2026 voldoen evenmin 90 bedden kunnen rechtvaardigen, een noodzakelijke voorwaarde om een ziekenhuis voor intermediaire zorg te worden gesitueerd op een eigen site, apart van een regionaal algemeen ziekenhuis.
Reistijd om een regionaal algemeen ziekenhuis te bereiken
De door de IMC aangestelde experten hebben zich tevens gebogen over het percentage van de bevolking dat een regionaal algemeen ziekenhuis kan bereiken, voor en na de hervorming, in een gegeven reistijd. Op termijn zal immers enkel dit type van ziekenhuis een spoeddienst en een kraamkliniek aanbieden. De berekening van de door de IMC aangestelde experten is gebaseerd op een traject met een privévoertuig op een maandagochtend om 8 uur.
Op basis van de noodzakelijke tijd, uitgedrukt in minuten, opdat 100 % van de inwoners van een provincie een spoeddienst of een kraamkliniek kunnen bereiken, volgt hierna de verwachte impact van de hervorming:
|
Vóór de hervorming |
Na de hervorming |
||
|
België |
25-30 |
35-40 |
↗ |
|
Brussel |
10-15 |
10-15 |
= |
|
Antwerpen |
25-30 |
25-30 |
= |
|
Limburg |
20-25 |
20-25 |
= |
|
Vlaams-Brabant |
20-25 |
25-30 |
↗ |
|
Oost-Vlaanderen |
25-30 |
25-30 |
= |
|
West-Vlaanderen |
20-25 |
20-25 |
= |
|
Waals-Brabant |
20-25 |
20-25 |
= |
|
Henegouwen |
20-25 |
40-45 |
↗ x2 |
|
Luik |
25-30 |
35-40 |
↗ |
|
Luxemburg |
35-40 |
40-45 |
↗ |
|
Namen |
35-40 |
40-45 |
↗ |
Naar de maatstaf van België stijgt de reistijd om een spoeddienst of een kraamkliniek te bereiken, na de hervorming, met 40 %. Deze stijging voor België staat in schril contrast met de verslechtering van de situatie in Wallonië, waar alle provincies, behalve Waals-Brabant, uitkomen op een langer traject. Dit is zelfs verdubbeld in Henegouwen, waarbij het van 20 naar 40 minuten gaat in het beste geval. In Vlaanderen wordt enkel Vlaams-Brabant getroffen door de hervorming met een extra reistijd van 5 minuten.
Impact op de ziekenhuisinfrastructuren
Om de vereiste minima te bereiken, worden de ziekenhuizen aangemoedigd om te fusioneren. Evenwel, ‘het samenvoegen van sites gebeurt op één locatie’. Dit betekent bijgevolg werkzaamheden voor het vergroten van bestaande infrastructuren en aanpassingen aan de reeds bestaande bouw- of renovatieontwerpen. De ziekenhuisinfrastructuren waarvoor de deelgebieden bevoegd zijn, ‘worden verzocht hier soepel mee om te gaan’.
Oprichting van een Transitiefonds
De door de IMC aangestelde experten bevelen de oprichting van een Transitiefonds aan om een tijdelijke financiële bijdrage te leveren aan de ziekenhuizen tijdens deze hervorming. Dit Fonds zou worden gefinancierd door de afschaffing van universitaire bedden buiten de universitaire ziekenhuizen en door de vermindering van de beschikbare tijd van de ziekenhuizen die door het ontoereikende aantal acute bedden bestemd zijn om een lokaal medisch centrum te worden. 130 miljoen per jaar zou kunnen worden vrijgemaakt. Deze bedragen zouden, volgens de experten, kunnen worden toegewezen zowel voor de meerkosten van de werking wegens de hervorming (tijdelijke dubbele werking bijvoorbeeld) als voor de investeringen, zoals de infrastructuuraanpassingen of nieuwe apparatuur.
Nieuwe manieren van werken voor de zorgverleners
Teneinde het hoofd te bieden aan het personeelstekort suggereren de door de IMC aangestelde experten om nieuwe manieren van werken in te voeren.
-
- Enerzijds stellen de experten voor om de samenwerkingsvormen binnen het zorgsysteem te herbekijken, en met name de Wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUGB), die vastlegt wie welke handelingen in de gezondheidszorg mag stellen. Op grond van verschillende studies[6] herinneren de experten eraan dat bepaalde medische taken kunnen worden gedelegeerd aan andere gezondheidszorgbeoefenaars, zoals apothekers, vroedvrouwen, verpleegkundigen en paramedici. ‘De focus moet liggen op competenties en verantwoordelijkheden, eerder dan louter op diploma’s. Dit is vooral belangrijk in onderbediende regio’s’.
- Anderzijds bevelen de experten aan om de interdisciplinaire zorgteams te versterken die transmuraal samenwerken. Deze teams, die het ziekenhuis, de eerstelijnszorg en residentiële structuren samenbrengen, zijn rond de patiënt opgebouwd. Bij een groot aantal zorgverleners waarborgt een case manager de rol van spilfiguur en staat hij in voor de zorgcoördinatie en de algemene opvolging van de patiënt.
De invoering van een nationaal uniek elektronisch patiëntendossier
De volledige digitalisering van patiëntgegevens maakt de samenwerking en de coördinatie tussen de verschillende zorgverleners mogelijk. De experten bevelen daartoe de invoering van een verplicht, uniform, toegankelijk en uniek elektronisch patiëntendossier (EPD) aan, dat medische informatie bevat en de zorgplanning ondersteunt. Voor dit EPD is overigens de oprichting van een nationaal, interoperabel platform nodig, waartoe de zorgverleners, patiënten en hun mantelzorgers toegang hebben.
Teneinde ICT- en AI-oplossingen te kunnen implementeren, zou dit platform bovendien onderling moeten worden gekoppeld en interoperabel moeten zijn met administratieve databases, externe netwerken zoals eHealth, het RIZIV, de ziekenfondsen, PACSonWeb, ziekenhuisnetwerken en het globaal medisch dossier bij de huisarts. Andere gegevensbronnen zouden daarin ook kunnen worden geïntegreerd, zoals bepaalde nationale instellingen, bijvoorbeeld het Kankerregister.
Kwaliteitsindicatoren voor een vrije en weloverwogen keuze van de patiënt
Het rapport van de experten pleit ook voor de oprichting van een Interfederaal Kwaliteitsplatform. Dit platform zou een drieledige doelstelling vervullen:
-
- kwaliteitsbeleid inzake gezondheidszorg afstemmen tussen de drie gewesten van land;
- de zorgkwaliteit monitoren met concrete gevolgen bij nalatigheid, zoals het verlies aan erkenning;
- het ziekenhuislandschap leesbaar maken voor de patiënt: ‘Burgers moeten kunnen zien waar ze kwalitatieve zorg kunnen krijgen’.
4. ADVIES
Gelet op de beperkte tijd voor het onderzoeken van het voorstel tot hervorming kon de NHRPH niet alle gewenste aspecten onderzoeken. Aangezien de hervorming betrekking heeft op een materie waarvoor de bevoegdheden zijn verdeeld tussen de federale Staat en de deelgebieden is het overigens mogelijk dat bepaalde van de volgende overwegingen soms de federale perimeter overschrijden en ook betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewesten en de gemeenschappen.
Algemeen is de NHRPH het eens met de door de IMC Volksgezondheid nagestreefde doelstelling om de toegankelijkheid, de kwaliteit, de betaalbaarheid en de duurzaamheid van het gezondheidszorgsysteem te willen vrijwaren. De NHRPH plaatst evenwel vraagtekens bij de relevantie van bepaalde aanbevelingen van de expertgroep om daartoe te komen.
A. Zal het verminderen van het aantal spoeddiensten niet leiden tot een toename van verworven handicaps?
Een handicap is niet altijd aangeboren. Een handicap kan het gevolg zijn van een ongeval en/of van een aandoening. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een beroerte/cerebrovasculair accident (CVA). Naast het feit dat beroertes wereldwijd de op één na belangrijkste doodsoorzaak zijn (7,7 % van de sterfgevallen in de Europese Unie volgens het rapport Gezondheidsoverzicht 2025 van de OESO[7]), vormt het CVA ook:
- de 3de oorzaak van invaliditeit;
- de 2de oorzaak van ernstige cognitieve stoornissen;
- de belangrijkste oorzaak van verworven motorische handicap.
De Belgian Stroke Council schat dat in België 25.000 personen per jaar door deze ziekte worden getroffen. Volgens de patiëntenverenigingen zou dit cijfer dichter bij 30.000 per jaar zitten. Het Europees actieplan CVA 2018-2030 voorziet in een toename van 34 % van getroffen personen tussen 2015 en 2035.
Naast de onomkeerbare schade op de gezondheid kosten CVA’s de samenleving veel geld. De totale kosten van CVA’s voor de Europese Unie bedragen ongeveer 45 miljard, waarvan 20 miljard (44 %) toe te schrijven is aan directe kosten op het vlak van gezondheidszorg. De resterende 56 % is als volgt verdeeld:
- bijna 16 miljard aan informele kosten (35 %), namelijk de kosten van de zorg die door naasten wordt verleend, wat overeenkomt met de kosten van de verminderde beroepsactiviteit van mantelzorgers;
- 9,5 miljard (21 %) aan kosten van verloren productiviteit als gevolg van het overlijden (12 %) of de invaliditeit (9 %) van de patiënt.
Er kan nochtans wel worden gehandeld om de gevolgen van een CVA op de gezondheid van de patiënt op lange termijn te beperken. Immers, ‘de kans op een gunstig resultaat bij een patiënt met een […] beroerte wordt in eerste instantie bepaald door de snelle toegang tot de behandeling van de acute beroerte. Deze behandeling bestaat uit intraveneuze trombolyse met of zonder trombectomie.’ (Audit CVA 2025).
Jammer genoeg zijn de door het RIZIV gepubliceerde resultaten van de Audit CVA 2025 niet verheugend voor de Belgische bevolking:
- België is een van de zeldzame Europese landen (3 op 27) dat geen nationaal CVA-plan
- Het Belgische sterftecijfer op korte termijn bedraagt 11,9 %, wat hoger ligt dan de Europese aanbevelingen (minder dan 10 %).
- De overlijdens in het ziekenhuis schommelen tussen 3 en 30 % naargelang de ziekenhuisinrichting waar de zorg plaatsheeft.
- Er is geen neuroloog ter plaatse aanwezig 24 uur op 24 in 85 van de 96 ziekenhuizen[8].
- Slechts 20 ziekenhuizen van de 96 in ons land hebben de capaciteit om een trombectomie uit te voeren.
- Slechts 9 ziekenhuizen slagen erin een trombolyse toe te dienen aan ten minste 50 % van de patiënten binnen de 30 minuten volgend op hun aankomst in het ziekenhuis overeenkomstig de Europese aanbevelingen. Evenwel, ‘de trombolytische behandeling moet zo snel mogelijk worden toegediend.’
Tegenover deze verontrustende vaststelling verheugt de NHRPH zich erover dat een van de aanbevelingen van de geplande ziekenhuishervorming erin bestaat de acute zorg, de monitoring van de kwaliteitsindicatoren en de aanwezigheid van specialisten ter plaatse 24 uur op 24 te versterken teneinde de zorgkwaliteit te waarborgen. De NHRPH is evenwel verbaasd, bij het lezen van de voorwaarden om een spoeddienst en acute bedden bij een ziekenhuisinrichting te behouden, dat niet is voorzien in kwaliteitsvoorwaarden voor spoedzorg, bijvoorbeeld in het geval van CVA’s. Betekent dit dat de ‘CVA-eenheden’ (Stroke Unit) op termijn deel zullen uitmaken van de ‘expertisecentra voor bepaalde complexe aandoeningen’, die niet aanwezig zullen zijn in alle regionale algemene ziekenhuizen of universitaire ziekenhuizen, omdat ze zouden afhangen van vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit? Dit zou dus betekenen dat enkel sommige van de 93 regionale algemene ziekenhuizen en universitaire ziekenhuizen in België na de hervorming zouden uitgerust zijn met een Stroke Unit, wat de toegankelijkheid van deze eenheden nog meer zou beperken.
Wat CVA betreft, is de toegankelijkheid nochtans cruciaal: ‘elke verloren minuut leidt tot de vernietiging van ongeveer 2 miljoen neuronen’. (Audit CVA 2025). In het ziekenhuislandschap zoals het vandaag bestaat verschillen de reistijden waarnaar de Audit CVA 2025 verwijst als volgt:
- met privévoertuig naar een ziekenhuis dat trombolysesuitvoert: tussen 0 en 60 minuten
- met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombolysesuitvoert: tussen 0 en 90 minuten
- met de wagen rechtstreeks naar een ziekenhuis dat trombectomieënuitvoert: tussen 0 en 90 minuten
- met de ziekenwagen rechtstreeks naar een ziekenhuis dat trombectomieënuitvoert: tussen 15 en 120 minuten
- met de wagen tot een trombolysecentrum, vervolgens overbrenging met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombectomieën uitvoert: tussen 15 minuten en 1.15 uur
- met de ziekenwagen naar een trombolysecentrum, vervolgens overbrenging met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombectomieën uitvoert: tussen 30 minuten en 2.30 uur.
De concentratie van acute ziekenhuizen zal een impact hebben op de tijd die nodig is om toegang te hebben tot een spoeddienst, aangezien deze diensten noodzakelijkerwijs zullen zijn ondergebracht ofwel in een regionaal algemeen ziekenhuis, ofwel in een universitair ziekenhuis. Volgens de Audit CVA 2025 komt evenwel bijna 60 % van de patiënten met een CVA met de ziekenwagen op de spoeddiensten toe. Als we uitgaan van de optimistische hypothese dat alle regionale algemene ziekenhuizen en universitaire ziekenhuizen in staat zullen zijn een trombolyse toe te dienen, kunnen we indicatieve reistijden met de ziekenwagen berekenen om toegang te hebben tot een spoeddienst die is uitgerust voor het toedienen van de eerste zorg voor een CVA[9].
|
Na de hervorming, traject met privévoertuig |
Na de hervorming, traject met de ziekenwagen = traject 1 + traject 2 + 15' |
||
|
België |
35-40 |
↗ |
1.25u-1.35u |
|
Brussel |
10-15 |
= |
35’-45’ |
|
Antwerpen |
25-30 |
= |
1.05u-1.15u |
|
Limburg |
20-25 |
= |
55’-1.05u |
|
Vlaams-Brabant |
25-30 |
↗ |
1.05u-1.15u |
|
Oost-Vlaanderen |
25-30 |
= |
1.05u-1.15u |
|
West-Vlaanderen |
20-25 |
= |
55’-1.05u |
|
Waals-Brabant |
20-25 |
= |
55’-1.05u |
|
Henegouwen |
40-45 |
↗ x2 |
1.35u-1.45u |
|
Luik |
35-40 |
↗ |
1.25u-1.35u |
|
Luxemburg |
40-45 |
↗ |
1.35u-1.45u |
|
Namen |
40-45 |
↗ |
1.35u-1.45u |
Bij dit eerste tijdsverloop komt nog de tijd die nodig is om een beeldonderzoek te doen, om de gepaste behandeling te bepalen, de tijd om een trombolyse toe te dienen en een eventuele overbrenging naar een ander ziekenhuis dat een trombectomie kan uitvoeren, indien de diagnose dit aangeeft. Ter herinnering: slechts 20 Belgische ziekenhuizen bieden momenteel de mogelijkheid om te worden behandeld door middel van een trombectomie. Wetende dat iedere minuut telt, kan de impact van de reisduur met de ziekenwagen bepalend zijn voor de afloop van het CVA. Indien daarnaast geen enkel acuut ziekenhuis uitgerust met een spoeddienst een Stroke Unit heeft, zal de tijd die verloopt tussen de oproep naar het noodnummer en de aankomst in een acuut ziekenhuis dat is uitgerust voor de toe te dienen zorgen in geval van een CVA nog toenemen, wat de toekomstige gezondheidsprognose voor de patiënt nog meer zou hypothekeren. En de risico’s op invaliditeit en handicap, zelfs mortaliteit doen toenemen, betekent ook dat de kosten voor de patiënt, zijn mantelzorgers en de samenleving stijgen. Immers, ‘de snelheid waarmee de behandeling van een acute beroerte wordt gestart, bepaalt in grote mate de kans op een goed herstel en verkort de duur van de ziekenhuisopname en eventuele revalidatie’ (Audit CVA 2025).
Bovenstaande uiteenzetting betreffende CVA’s is slechts één voorbeeld tussen andere pathologieën waar snelle zorg beslissend is voor de toekomstige gezondheidsprognose van de patiënt. De ongerustheid van de NHRPH betreft alle pathologieën waarvoor vertraagde zorg de risico’s op verworven invaliditeit en handicap doet toenemen.
De NHRPH maakt zich ook zorgen over de belangrijke verschillen tussen de noodzakelijke reistijden per provincie, wat een ongelijke behandeling tussen Belgen inhoudt en indruist tegen het beginsel van billijkheid dat nochtans wordt nagestreefd door het ontwerp van hervorming van de ziekenhuizen.
Bijgevolg vraagt de NHRPH het volgende:
- Een bijwerking van de conclusies van de Audit CVA 2025 in functie van de geplande wijzigingen van het ziekenhuislandschap, en met name de waarschijnlijke afschaffing van de Stroke Unit of het verminderen van ziekenhuizen waar trombolyses en/of trombectomieën worden uitgevoerd, bij gebrek aan het benodigde aantal interventies om een expertisecentrum voor complexe aandoeningen te vormen.
- Een bijkomende studie voor de andere pathologieën waarvan een snelle zorg bepalend is voor de toekomstige prognose van de patiënt en, in het bijzonder, voor de preventie van verworven handicaps, of, indien deze studies reeds bestaan, de bijwerking ervan.
- Een aanvullende analyse rond de toegankelijkheid van/via het openbaar vervoer van de verschillende soorten ziekenhuisinrichtingen.
- Minstens de invoering van een Stroke Unit in alle (toekomstige) acute ziekenhuizen, met toepassing van de acties van het Europees actieplan voor CVA 2018-2030.
- Een integratie van de vereisten op het vlak van zorg voor CVA’s en andere pathologieën met een risico op handicap in de voorwaarden die vereist zijn om een ziekenhuis voor acute zorg te vormen.
- Concrete maatregelen voor een echte territoriale billijkheid, onder andere:
- De herverdeling van de regionale algemene ziekenhuizen herbekijken, niet enkel in functie van wat reeds bestaat, maar ook in functie van een billijke verdeling over het ganse grondgebied.
- Minstens een oplossing voor de zones waarvoor de Audit CVA 2025 aangeeft dat ze te ver afgelegen zijn van ziekenhuizen om een trombolyse snel te kunnen toedienen (regio tussen Heist-op-den-Berg en Diest, regio ten noorden van Durbuy, grensregio’s).
- Minstens een oplossing voor de zones waarvoor de Audit CVA 2025 aangeeft dat ze te ver afgelegen zijn van de ziekenhuizen die trombectomieën uitvoeren (kuststrook van De Panne tot Middelkerke, het noorden van Oost-Vlaanderen, het noorden van Limburg, regio ten westen van Mechelen, de Vlaamse Ardennen, het oosten van Waals-Brabant, het noorden van de Oostkantons, Andenne, Rochefort, Couvin, Bertrix en heel wat zones van de Waalse Ardennen).
- Minstens een oplossing voor de zones die na de bijwerking van de Audit CVA 2025 als te ver afgelegen worden beschouwd van een ziekenhuiscentrum dat trombolyses toedient en trombectomieën uitvoert.
- Minstens een oplossing voor de Duitstalige patiënten, zodat zij in hun moedertaal kunnen worden ontvangen: wanneer zich levensbedreigende urgentie voordoet, is het niet mogelijk om een beroep te doen op de eigen taalvaardigheden of een vertaler te zoeken.
- Minstens een oplossing voor dove patiënten, zodat ze kunnen worden ontvangen in gebarentaal: wanneer zich levensbedreigende urgentie voordoet, kan het begrijpen van de informatie en de instructies van het zorgpersoneel cruciaal zijn en als dit niet het geval is, kan de reeds door het voorval opgewekte angst en stress toenemen.
- Minstens een oplossing voor patiënten met een verstandelijke handicap die nood hebben aan gemakkelijk te begrijpen communicatie.
B. Is de transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis of ambulante zorg echt in het belang van de patiënt?
Een transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis, ongeacht of het voor chirurgische daghospitalisaties, ambulante zorg of revalidatie is, wordt door de door de IMC aangestelde experten als een opportuniteit gezien:
- Het feit dat de patiënten geen nacht in het ziekenhuis verblijven, maakt ziekenhuiscapaciteit vrij, die beschikbaar wordt voor behoeften aan chronische of revalidatiezorg.
- Dit maakt een efficiëntere inzet van verpleegkundigen
- Dit komt tegemoet aan een toenemende vraag naar chronische, geriatrische en revalidatiezorg.
- Dit maakt het mogelijk een toegankelijk en nabij medisch aanbod te waarborgen.
- Daghospitalisatie en ambulante zorg zijn comfortabeler en zekerder voor de patiënt.
Dergelijke transfert omvat evenwel ook nadelen in de ogen van de experten:
- ‘De verkorting van de verblijfsduur in het ziekenhuis leidt tot een grotere patiëntenrotatie, […] met een intensifiëring van de zorg en een toename van administratieve en logistieke taken’, die wegen op de werklast van het ziekenhuispersoneel, dat reeds overbelast is.
Vanuit het oogpunt van de patiënt houdt de verschuiving van ziekenhuiszorg naar zorg in een dagziekenhuis serieuze nadelen in.
- Zal de noodzakelijke verhoging van het aantal acute bedden om zich te vormen tot regionaal algemeen ziekenhuis, als compensatie, allereerst geen vermindering van het aantal revalidatiebedden met zich meebrengen?
- Volgens het advies van de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) ‘zal het niet mogelijk zijn om alle pathologieën/specialismen in één dagziekenhuis te realiseren’ (FRZV/D/627-2[10]). Deze ‘specialisatie’ van de toekomstige dagziekenhuizen vermindert de nabijheid voor de patiënt des te meer. Dit element heeft een impact op de gezondheidsopvolging van bepaalde handicaps. Wat de visuele handicap betreft, kennen niet alle oftalmologen alle pathologieën die het zicht aantasten. Momenteel houden deze oftalmologen hun consultaties in de ziekenhuizen. Met de hervorming zullen bepaalde beschikbare specialiteiten niet meer in het ziekenhuis beschikbaar zijn waardoor personen met een visuele handicap verplicht zullen zijn grotere afstanden af te leggen voor een deskundige opvolging.
- Nog steeds uit het advies van de FRZV: om kwaliteitsvolle revalidatiezorg te organiseren, is een multidisciplinair gespecialiseerd team noodzakelijk, dat revalidatiespecialisten, kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, psychologen, neuropsychologen, diëtisten, orthopedisch technici en maatschappelijk assistenten samenbrengt. ‘Het gespecialiseerd multidisciplinair revalidatieteam werkt niet exclusief voor de revalidanten die opgenomen zijn in het revalidatie dagziekenhuis, maar staat tevens in voor de revalidatie van gehospitaliseerde én ambulante revalidanten’ (FRZV/D/627-2). In het huidige ziekenhuislandschap wordt aan deze vereiste voldaan doordat nachthospitalisatie, daghospitalisatie, revalidatie en ambulante zorg op eenzelfde site zijn ondergebracht. Na de geplande hervorming zijn er twee situaties mogelijk: ofwel wordt het dagziekenhuis geïntegreerd in een regionaal algemeen ziekenhuis of een universitair ziekenhuis en sluit het aan bij een gecentraliseerd zorgaanbod, met lange reistijden voor de patiënt; ofwel moet het personeel van de revalidatieteams heen-en-weer pendelen tussen het dagziekenhuis en het regionaal algemeen ziekenhuis of het universitair ziekenhuis, wat de arbeidsomstandigheden van de zorgverleners nog minder comfortabel maakt dan ze nu al zijn. In beide gevallen heeft de maatregel een niet te verwaarlozen impact op het welzijn, hetzij van de patiënten, hetzij van het zorgteam.
- Daarnaast, ‘het revalidatie dagziekenhuis moet worden geïntegreerd op een locatie waar patiënten ook worden gehospitaliseerd voor revalidatie. De focus ligt immers op het bevorderen van een vlotte doorstroming van gehospitaliseerde patiënten naar het dagziekenhuis’ (FRZV/D/627-2). Instemmen met dit principe komt nogmaals neer op het integreren van de dagziekenhuizen in structuren van regionale algemene ziekenhuizen of universitaire ziekenhuizen en op het verminderen van het zorgaanbod in de buurt. Hier niet mee instemmen betekent daarentegen dat het aantal zorgverleners moet worden vermenigvuldigd, dat het zorgtraject wordt gefragmenteerd met het risico dat het voor de patiënt onleesbaar wordt. Het doen toenemen van het aantal zorgverleners druist bovendien in tegen de behoeften van de patiënten van de derde en vierde leeftijd: zoals de Barometer van de levenskeuzes van de Koning Boudewijnstichting, gewijd aan deze twee leeftijdsschijven, aantoont, uiten deze patiënten de behoefte aan een opgevolgde vertrouwensrelatie met een vaste zorgverlener of een vast team, ongeacht of het gaat om een huisarts of iemand uit hetzelfde thuiszorgteam. Ook voor patiënten met een verstandelijke handicap is de continuïteit van de relatie een verzachtende factor die bijdraagt aan de zorgkwaliteit, wat essentiële prioriteit van de hervorming is.
Hierbij komt nog de bezorgdheid over de financiële toegankelijkheid van het dagziekenhuis, waarop meerdere adviezen van de FRZV nader en herhaaldelijk ingaan:
- Wie zorgtraject en daghospitalisatie zegt, zegt de verplichting voor de patiënt om zich herhaaldelijk naar het zorgcentrum te begeven, wat de vervoerskosten sterk doet toenemen: ‘De FRZV wil […] wijzen op de kosten voor de patiënt die vaak met bepaalde trajecten gepaard gaan en een aanbod aan revalidatieactiviteiten […]. Bijzondere aandacht voor transportkosten voor de patiënt, zeker bij ambulante activiteiten, is geboden.’ (FRVZ/D/581-2[11]).
- De hoge vervoerskosten kunnen de patiënt ertoe aanzetten af te zien van de revalidatiezorg: ‘De transportkosten zorgen ervoor dat nu de patiënten langer opgenomen blijven of dat ze hun revalidatietraject vroegtijdig stopzetten’ (FRVZ/D/581-2). In feite activeren de hospitalisaties de terugbetalingsoplossingen ten behoeve van de patiënt, terwijl het vervoer niet wordt terugbetaald. Deze onderbrekingen hebben niet enkel een kostprijs voor de patiënt en zijn gezondheidstoestand, maar ook voor de samenleving, die de kostprijs moet dragen van een zwaardere invaliditeit en van het tijdelijk of definitief verdwijnen van de patiënt van de arbeidsmarkt.
- Voor de FRVZ moet een toename van de ziekenhuiscapaciteit voor de adaptieve herstelperiode inhouden dat financieringsoplossingen worden ingevoerd, ‘zodat patiënten de huidige financiële drempel zelf niet moeten dragen’ (FRVZ/D/627-2).
- De klassieke hospitalisaties beperken en de factuur van de werkingskosten van de ziekenhuizen moet niet leiden tot het doorschuiven van de rekening naar de patiënten: ‘Er moet erover worden gewaakt dat een verblijf in het Revalidatie Dagziekenhuis voor de revalidant steeds goedkoper blijft dan een opname op een klassieke revalidatiehospitalisatie-afdeling, waarbij – vanuit patiëntenperspectief – steeds het totaalbeeld in rekening wordt gebracht’ (FRZV/D/627-2).
- De FRZV vestigt in het bijzonder de aandacht op de patiënten die niet in staat zijn zich autonoom naar het dagziekenhuis te begeven en die nood hebben aan gespecialiseerd vervoer gedurende de ganse revalidatieperiode: ‘een financiële tussenkomst in deze vervoersregeling is essentieel’ (FRZV/D/627-2). Deze situatie heeft niet enkel betrekking op personen met beperkte mobiliteit, verduidelijkt de FRZV nog, maar ook op zeer jonge of bejaarde personen, evenals personen met cognitieve stoornissen, gedragsstoornissen of zwaar vermoeide personen.
De patiënten zijn niet in staat de door de Staat veroorzaakte besparingen te compenseren door het verminderen van de hospitalisaties waarbij ze sterk verhoogde vervoerskosten moeten dragen:
- Allereerst, omdat de – zelfs essentiële – gezondheidszorg zwaar weegt op de portefeuille van de Belgische bevolking. Een enquête van Test-Aankoop onthult in 2026 dat één gezin op de vijf worstelt met het betalen van essentiële gezondheidskosten. In feite, volgens een studie van de FOD Sociale Zekerheid, ‘wordt in België, in 2023 ongeveer 21,5 % van de totale gezondheidszorguitgaven door huishoudens gedragen. Dit is hoger dan het Europese gemiddelde (14,9 %), alsook de percentages in onze grootste buurlanden’. Voor het overige, nog steeds volgens deze studie, wordt het grootste deel van deze uitgaven net besteed aan ambulante zorg. Bovendien compenseren de aanvullende verzekeringen dit verschil niet: ‘in België is hun rol minder belangrijk dan bijvoorbeeld in Frankrijk of Nederland’.
- Vervolgens, omdat chronisch zieken of personen met een handicap vaak gerechtigden op een vervangingsinkomen zijn, waarvan de bedragen lager zijn dan de armoedegrens. Zij hebben bijgevolg minder dan wie ook de capaciteit om de hoge kosten te wijten aan hun gezondheidstoestand te dragen.
Bijgevolg vraagt de NHRPH:
- dat de nieuw opgerichte dagziekenhuizen (lokale medische centra en ziekenhuizen voor intermediaire zorg) de huidige capaciteit aan revalidatiebedden komen aanvullen en de omzetting van deze bedden in acute bedden niet louter compenseren;
- dat de verdeling van de specialiteiten tussen de dagziekenhuizen zorgvuldig wordt onderzocht, gekoppeld aan de af te leggen afstanden, zodat het nabijheidsaanbod een realiteit wordt voor de patiënten, met inbegrip van de patiënten met een handicap met complexe pathologieën;
- dat de spreiding van de expertisecentra over het Belgische grondgebied billijk is, met voor alle patiënten een voldoende geografische toegankelijkheid en betaalbare vervoerskosten, zodat de zorgvraag niet wordt ontmoedigd;
- dat de fragmentering van het zorgtraject en de toename van het aantal zorgverleners zoveel mogelijk worden beperkt om zorgtrajecten met een menselijk gelaat te blijven waarborgen;
- dat een systeem voor terugbetaling van de vervoerskosten wordt ingevoerd, volgens het model van de terugbetaling van de gezondheidsuitgaven, met inbegrip van het aangepast vervoer voor diegenen van wie de gezondheidstoestand het vereist;
- dat een aanvullende analyse bij het huidige rapport van de door de IMC aangestelde experten wordt gedaan om de meerkosten voor de patiënt te meten die dit nieuwe zorgsysteem dat meer dan vroeger is gebaseerd op de dagziekenhuizen impliceert;
- dat voorkeursprijzen worden gewaarborgd voor kansarme personen die onder de armoedegrens leven.
C. Gebeurt de transfert van een bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis of ambulante zorg niet ten koste van de mantelzorgers?
Bepaalde klassieke ziekenhuiszorg overdragen naar het dagziekenhuis vereist de nodige bijstand van mantelzorger(s): ‘een repetitieve dagopname in een Revalidatie Dagziekenhuis heeft de volgende voordelen: […] een vroegtijdige en intensieve betrokkenheid van gezin en mantelzorgers’ (FRZV/D/627-2). Dat is misschien een voordeel voor het ziekenhuis, maar ongetwijfeld minder voor de naasten, die ertoe worden gebracht zich ‘intensief’ en ‘vroegtijdig’ – dus op langere termijn – bezig te houden met de verzorging van een dierbare. Hun hulp is immers cruciaal op meer dan één vlak:
- Voor de terugkeer naar huis: ‘zodra de medische en verpleegkundige zorg minder prominent aanwezig is en de patiënt voldoende zelfredzaam is om ‘s avonds naar huis terug te keren (onder begeleiding van familie of mantelzorgers), kan de pluri- of multidisciplinaire revalidatie verlopen via daghospitalisatie’ (FRZV/D/627-2).
- Voor het vervoer, verschillende keren per dag, verschillende keren per week: ‘De opname in het Revalidatie Dagziekenhuis heeft een repetitief karakter: de revalidant komt enkele dagen per week tot dagelijks, gedurende een afgebakende periode’ en ‘revalidanten moeten minstens 2 uur of 4 uur revalidatie aankunnen’ (FRZV/D/627-2). Men moet dus verschillende heen-en-terugtrajecten tijdens de week kunnen doen, die bovendien overdag zijn. Het is niet enkel een kwestie van afstand (zie hierboven), het gaat ook om een verplaatsingsprobleem:
- ofwel wegens ‘geen vervoersmiddelen van en naar het revalidatiecentrum tijdens de kantooruren’ (FRZV/D/627-2);
- ofwel dat de patiënt niet in staat is zich autonoom te verplaatsen, omdat zijn/haar gezondheidsproblematiek net de reden is waarom dit niet lukt.
Zoals de FRZV in zijn advies inzake revalidatiedagziekenhuizen opmerkt, hangt de revalidatie niet enkel af van de ernst van de functionele beperkingen, maar ook van externe factoren, waaronder de sociale omgeving, het feit van al dan niet alleen te wonen, de aanwezigheid van familie of vrienden, … kortom, van de mogelijkheid om te kunnen rekenen op mantelzorgers. Zodoende vrezen bepaalde personen met een handicap bijvoorbeeld een vroegtijdige terugkeer naar huis omdat ze alleen wonen en een of meerdere nachten in het ziekenhuis willen blijven voordat ze terug naar huis gaan.
De compensatie voor de tekortkomingen van de gezondheidszorgsector door mantelzorgers is niet nieuw. In de studie We care van 2022, uitgevoerd in het kader van de denkoefeningen over de toekomst van de gezondheidszorg in België, verklaren de zorgactoren het volgende:
- ‘het informeel netwerk [van mantelzorgers] is in grote mate mee bepalend voor het vermogen/capaciteit van ons Belgisch zorg- en welzijnssysteem’;
- ‘[dit is te wijten aan het feit dat] ons zorgsysteem niet over voldoende middelen en zorgcapaciteit beschikt om alle zorg professioneel op te nemen’;
- ‘door de epidemiologische verandering naar meer en meer chronisch zieken en multimorbiditeit, […] zal de bijdrage van het informeel netwerk [van de mantelzorgers] sterk blijven toenemen.’
Op basis van deze vaststellingen vragen de gezondheidszorgactoren het volgende:
- ‘het informeel netwerk [van de mantelzorgers] dient complementair te zijn aan het netwerk van professionals’;
- ‘structureel inkantelen [van informele zorg door mantelzorgers] in het systeem [van gezondheidszorg]’.
De geplande hervorming van het ziekenhuislandschap, met de transfert van bepaalde klassieke ziekenhuiszorg past hierin en is hoe dan ook gebaseerd op een toegenomen betrokkenheid van mantelzorgers. Deze hervormingspiste is evenwel niet zonder gevolg:
- Voor de patiënt: wat gebeurt er indien laatstgenoemde niet op mantelzorgers kan rekenen?
- Voor de mantelzorgers: de gedeeltelijke of totale opschorting van hun beroepsactiviteiten gedurende een min of meer lange tijd, zelfs op lange termijn in geval van handicaps met grote afhankelijkheid, weegt op hun inkomsten en heeft een invloed op hun toegang tot sociale rechten, met name op het vlak van pensioen.
- Voor de samenleving: ter herinnering, 35 % van de kosten van een CVA komt overeen met zorg toegediend door naasten, wegens de vermindering van de beroepsactiviteit van deze mantelzorgers.
Bijgevolg vraagt de NHRPH:
- dat de besparingen van de gezondheidszorgsector niet ten koste van de patiënten en hun mantelzorgers gebeuren;
- een echt statuut dat leidt tot sociale rechten voor mantelzorgers (zie advies 2026/9 van de NHRPH hierover);
- compenserende maatregelen ter ondersteuning van de patiënten die niet op een netwerk van mantelzorgers kunnen rekenen;
- om de thuiszorg te versterken teneinde een alternatief te bieden voor de patiënten die niet in staat zijn zich voldoende regelmatig te verplaatsen om te genieten van een opvolging in een lokaal medisch centrum of in een ziekenhuis voor intermediaire zorg.
D. Maakt de hervorming van de medische wachtdienst deze zichtbaarder en toegankelijker?
De NHRPH waardeert de aanbevelingen van de experten voor:
- Het versterken van de opleiding van de operatoren van de noodnummers;
- Het definiëren van ‘het dichtstbijzijnde ziekenhuis’ als ‘het centrum dat over de geschikte infrastructuur voor de vermoedelijke pathologie beschikt’.
De NHRPH is daarentegen bezorgd over een exclusieve locatie van de wachtposten in het gebouw van de regionale algemene ziekenhuizen. Het nagestreefde doel is om de wachtposten te organiseren ‘complementair aan de spoeddienst van een RAZ [regionaal algemeen ziekenhuis]’. Deze aanbeveling stelt opnieuw de vraag van de geografische toegankelijkheid en de vervoersproblemen, met inbegrip van gespecialiseerd vervoer (zie hierboven), mogelijk op uren waarop de vervoersmiddelen beperkt zijn.
Bovendien vestigt de NHRPH de aandacht op het feit dat de spoeddiensten, naast het toedienen van eerstelijnszorg, ook een sociale functie vervullen. De betaling van verleende zorg in een spoeddienst gebeurt na ontvangst van de factuur, waardoor huishoudens die in financiële moeilijkheden verkeren, hun uitgaven kunnen spreiden en beter kunnen plannen.
Daarom vraagt de NHRPH:
- de verdeling van de wachtposten, net als de spoeddiensten en de regionale algemene ziekenhuizen, te herzien, niet enkel in functie van wat reeds bestaat, maar ook in functie van een billijke verdeling over het hele grondgebied;
- andere oplossingen voor de overbelasting van de spoeddiensten te overwegen, zoals dewelke werd ingevoerd door het UMC Sint-Pieter in Brussel dat inderdaad met patiënten in een precaire sociale situatie wordt geconfronteerd, ‘mannen en vrouwen die vaak geen deftig dak boven het hoofd hebben, en die daar bovenop kampen met verslaving en een ernstige psychische kwetsbaarheid. Ze lopen verloren in het klassieke zorgsysteem’. Het invoeren van een meervoudige en geïndividualiseerde opvolging door een case manager maakt geïntegreerde zorg mogelijk, naast crisissituaties, waar medische zorg, psychologische ondersteuning en sociale interventie worden gecombineerd.
- informatiecampagnes te organiseren om het nummer 1733 kenbaar te maken bij de bevolking. Een transversale bewustmaking tijdens het laatste humaniorajaar zou ook een concrete en dragende aanpak kunnen zijn.
E. Het verplicht uniek elektronisch patiëntendossier (EPD): welke toegang, voor wie en om wat te doen?
In hun rapport pleiten de door de IMC aangestelde experten voor een complete digitalisering van de patiëntengegevens, de invoering van een uniek en uniform nationaal EPD, en de invoering van een interoperabel nationaal platform. Een ruime verbinding tussen het EPD en andere systemen wordt aanbevolen: administratieve databases, eHealth, RIZIV, de ziekenfondsen, PACSonWeb, de ziekenhuisnetwerken en het globaal medisch dossier dat wordt beheerd door de huisarts met name. In het eindrapport We Care van 2022 dat tot doel heeft een interfederaal plan voor geïntegreerde steun en zorg op te stellen, dringen de zorgactoren aan op een globalere aanpak van de gezondheid die verder gaat dan loutere gezondheidszorg, genaamd ‘health in all policies’. Deze aanpak houdt een nog ruimere kennisdeling in, door middel van digitale hulpmiddelen, met de gemeenten, de lokale besturen, de OCMW’s en de verzekeringsmaatschappijen.
De NHRPH herinnert eraan dat gezondheidsgegevens gevoelige persoonsgegevens zijn en dat ze vallen onder de GDPR. De patiënt heeft dan ook:
- het recht om te worden geïnformeerd over de finaliteit van het verzamelen van de persoonsgegevens, de bewaartermijn en de derden aan wie deze gegevens worden bezorgd en de juridische basis waarop de gegevens worden verwerkt;
- het recht op de verklaring van vrijwillige toestemming, met dien verstande dat de verklaring wordt gedefinieerd als ‘elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt’ (Wat zijn mijn rechten? | Gegevensbeschermingsautoriteit);
- het recht om zijn toestemming op ieder moment in te trekken zonder zich te moeten rechtvaardigen;
- het recht op wissen, of het recht om vergeten te worden, met name wanneer de gegevens werden bekomen zonder expliciete toestemming of vanwege een minderjarige;
- het recht om zich te kanten tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens, behalve dringende reden, en tegen geautomatiseerde beslissingen.
De NHRPH vraagt:
- dat de burgerrechten op het vlak van bescherming van het privéleven strikt worden gevrijwaard;
- dat de patiënt volledige toegang tot zijn gegevens heeft, met inbegrip van de mogelijkheid om opmerkingen en feedback toe te voegen;
- dat de patiënt kan zien wie zijn gegevens heeft geraadpleegd;
- dat het delen van gevoelige gezondheidsgegevens met derden die niet behoren tot het medisch personeel of de commercialisering ervan verboden zijn;
- dat de strenge vereisten op het vlak van cyberbeveiliging worden toegepast teneinde iedere recuperatie van deze gevoelige gegevens door personen of groeperingen met slechte intenties te verhinderen.
In het rapport van de IMC-experten wordt ook overwogen om een beroep te doen op ‘artificiële intelligentie (AI) en machine learning (ML) [die] innovaties bieden die zorgverleners kunnen ondersteunen bij triage’, met name door de diensten voor dringende medische hulpverlening. De NHRPH herinnert daartoe eraan dat dit gebruik als hoog risico wordt beschouwd door de AI Act, die een aantal verplichtingen daartoe oplegt:
- een risicomanagementsysteem invoeren, dat regelmatig wordt herzien en bijgewerkt gedurende de hele AI-levenscyclus;
- volledige en foutloze, kwaliteitsvolle gegevens gebruiken om de bias te beperken en billijke en transparante resultaten te waarborgen;
- nauwkeurige, robuuste en betrouwbare systemen ontwikkelen of gebruiken, die bestand zijn tegen fouten en mankementen;
- relevante gebeurtenissen registreren met de bedoeling om de risico’s te identificeren en rekening te houden met substantiële wijzigingen;
- menselijk toezicht waarborgen teneinde te de risico’s voor de gezondheid, de veiligheid en de fundamentele rechten te voorkomen of beperken; het personeel belast met dit toezicht bij de ontwikkelaar moet in staat zijn de toevertrouwde taak uit te voeren;
- een actuele gedetailleerde technische documentatie bewaren om aan te tonen dat het systeem de wettelijke voorschriften naleeft;
- duidelijke gebruiksinstructies en informatie over de mogelijkheden, de beperkingen en de mogelijke risico’s van het systeem verschaffen;
- een impactanalyse over de fundamentele rechten uitvoeren;
- een gedocumenteerd kwaliteitsmanagementsysteem invoeren;
- een conformiteitsbeoordeling door een derde waarborgen;
- de AI-systemen registreren in de centrale databank die wordt bijgehouden door de Europese Commissie en deze informatie toegankelijk maken voor het publiek.
De NHRPH eist:
- dat alle maatregelen op het vlak van beveiliging en risicopreventie die zijn voorzien door de Europese regelgeving worden nageleefd;
- dat het risicomanagementsysteem ook onderzoek naar de bias ten nadele van kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, inhoudt.
De NHRPH herinnert ten slotte eraan dat het gebruik van artificiële intelligentie in de gezondheidszorgsector enorm veel risico’s inhoudt; met sommige van deze risico’s moet absoluut rekening worden gehouden in de denkoefening rond de huidige hervorming. De NHRPH verwijst naar zijn recente positienota inzake AI en gezondheidszorg.
F. Welk concept van ‘geïntegreerde zorg’ in een context van een groeiende medische woestijn?
Een van de doelstellingen die door de experten, aangesteld door de IMC, wordt bepleit, is om in België een model van ‘geïntegreerde zorg’ in te voeren: ‘Bij een geïntegreerd zorgmodel staat niet langer ziekenhuiszorg centraal, maar wordt het één van de pijlers, binnen een systeem van gecoördineerde patiëntgerichte zorg’. Een dergelijk systeem berust, volgens de definitie van de WHO (zie hierboven), op multidisciplinaire teams. Deze omvatten o.a. het ziekenhuis, eerstelijnszorg en residentiële structuren.
Uit datzelfde advies van de door de IMC aangestelde experten komt evenwel het volgende: ‘de samenwerking met de eerste lijn verloopt […] soms ook moeizaam, wat een belangrijke hinderpaal is in de evolutie naar meer geïntegreerde zorg’. De experten wijzen ook op ‘een patiëntenstop bij een toenemend aantal huisartsen’. Bepaalde zones van België hebben het op dit vlak erg moeilijk. Dat is het geval in de provincie Luxemburg, waar de medische dichtheid sterk is gedaald en dit grondgebied onder de kritieke schaarstedrempel is gedoken die op 90 actieve artsen voor 100 000 inwoners is vastgesteld[12]. Voor de FRZV ‘dient te worden ingezet op uitbouw van de eerstelijnszorg zodat continuïteit en kwaliteit van zorg gewaarborgd blijven’ (FRZV/D/627-2).
De schaarste treft ook de artsen-specialisten: psychiaters, geriaters, oncologen en reumatologen ontbreken op het appel, benadrukken de door de IMC aangestelde experten. In de laars van Henegouwen kan het overlijden van een specialist patiënten ertoe dwingen hun behandeling te onderbreken, wegens te grote af te leggen afstanden om een andere specialist te vinden die bereid is hun opvolging te waarborgen (‘Sommige patiënten beslissen hun behandeling stop te zetten’: in Chimay is de vrees om het ziekenhuis te zien verdwijnen reëel l - RTL Info).
De NHRPH vestigt de aandacht op het feit dat het tekort aan artsen en verzadiging van de bestaande kabinetten de wachttijden doet toenemen en bijgevolg de toegang tot zorg hypothekeren.
Bijgevolg vraagt de NHRPH:
- een versterking van de eerstelijnszorg voorafgaand aan de inwerkingtreding van de ziekenhuishervorming;
- een evaluatie en een hervorming van de numerus clausus die van kracht is voor geneeskundestudies.
De NHRPH pleit er ook al lang voor om de hele nomenclatuur aan te passen aan de situatie van personen met een handicap die aangepaste en omstandige raadplegingen nodig hebben. De NHRPH stelt vast dat dit aspect absoluut niet wordt vermeld in de hervorming. De NHRPH vraagt dat dit aspect in aanmerking wordt genomen:
- De integratie in de hele nomenclatuur van de dimensie ‘toegankelijkheid van de informatie en de zorg’ voor personen met een handicap.
Ten slotte is de NHRPH bezorgd om het ontwerp tot herziening van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen die onder andere beoogt medische taken te delegeren aan andere gezondheidszorgverleners dan de artsen. Deze pseudo-oplossing, die naar voren wordt geschoven om het probleem van de onvoldoende bediende zones op te lossen, zou de facto akte nemen van een geneeskunde met 2 snelheden. Voor het overige is de hervorming van de thuiszorg, die onlangs werd doorgevoerd, in dezelfde richting gegaan zonder dat de impact van de hervorming ooit werd geëvalueerd. De NHRPH vraagt bijgevolg:
- de evaluatie van de delegatie van medische zorg in het kader van thuiszorg alvorens over te gaan tot de uitbreiding van hetzelfde principe voor de invoering van het concept geïntegreerde zorg.
G. Andere verwachtingen van de NHRPH
Meer algemeen herinnert de NHRPH aan de aanbevelingen van de VN-deskundigen geformuleerd aan België in 2024 en met name de zware aanbeveling 51:
- verplichte toegankelijkheidsnormen uitbreiden naar alle medische en paramedische infrastructuren en gezondheidsdiensten, en deze aanpassen aan leeftijd en gender;
- ervoor zorgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en tegen betaalbare kosten toegang hebben tot gezondheidszorg, onder meer door specifieke uitkeringen toe te kennen aan personen met een handicap met een financiële achterstand en door deze uitkeringen te integreren in het algemene uitkeringsstelsel in alle gewesten;
- ervoor zorgen dat het mensenrechtenmodel van handicap en respect voor de waardigheid, autonomie en behoeften van personen met een handicap systematisch worden opgenomen in de leerplannen voor de opleiding van alle medische en gezondheidsprofessionals.
Daarom herinnert de NHRPH aan een aantal concepten die in aanmerking zouden moeten worden genomen in het hervormingsproject: universeel ontwerp (universal design), redelijke aanpassingen, cognitieve en sensorische toegankelijkheid, digitale toegankelijkheid en ook de manier waarop de opleiding en de bewustmaking van zorgpersoneel moet worden versterkt om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap en hun omgeving.
De NHRPH vraagt dus met name:
- dat de werkzaamheden voor het vergroten van bestaande infrastructuren en de aanpassingen van bouw- of renovatieprojecten van ziekenhuisinrichtingen verplichtingen op het vlak van toegankelijkheid integreren ten behoeve van alle soorten handicap en dat de toegekende sommen voor het toekomstige Transitiefonds hiervoor kunnen worden aangewend;
- dat de zorgverleners worden opgeleid voor de bijzondere behoeften van personen met een handicap.
H. Conclusie
Voor de NHRPH blijven verschillende vragen onbeantwoord bij het lezen van het rapport van de door de IMC aangestelde experten, waardoor het niet mogelijk is de volledige impact van het project te vatten:
- In de indeling volgens courante aandoeningen en complexe aandoeningen, welke pathologieën vallen onder de eerste en de tweede categorie?
- Wat is de territoriale verspreiding van de expertisecentra die voortvloeit uit de hervorming en voor welke complexe aandoeningen?
- Hoeveel van de 29 ziekenhuizen die niet aan de vereisten van 2026 voldoen, kunnen evenmin 90 bedden rechtvaardigen, wat een noodzakelijke voorwaarde is om een ziekenhuis voor intermediaire zorg gesitueerd op een eigen site te worden?
- Wat is de geraamde impact van de fusies over de territoriale verspreiding van de ziekenhuizen?
- Het rapport verzoekt de deelgebieden tot flexibiliteit op het vlak van vestiging, constructie en renovatie van de ziekenhuisinrichtingen: wat is het werkelijke flexibiliteitsvermogen van de deelgebieden en welke impact zal dit hebben op de territoriale verspreiding?
- Wat is de gemiddelde reistijd met de ziekenwagen in iedere provincie om een spoeddienst te bereiken? En met het openbaar vervoer?
- Wat zijn de voor- en nadelen van het delegeren van medische zorg aan zorgverleners die geen arts zijn, een reeds gevolgde mogelijkheid in het kader van de hervorming van de thuiszorg?
Indien we het hervormingsproject meten naar de vijf doelstellingen die als kompas hebben gediend voor de auteurs van het rapport, kunnen we alleen maar vaststellen dat er onvoldoende aan deze doelstellingen is voldaan:
- Financiële toegankelijkheid: Het hervormingsproject beoogt weliswaar een meer houdbaar zorgsysteem voor de overheidsuitgaven, maar houdt ook hogere kosten voor de patiënten De verschuiving van klassieke ziekenhuiszorg naar een dagziekenhuis verhoogt de frequentie van de trajecten en impliceert dat patiënten vaker een beroep moeten doen op mantelzorgers. Hoewel de ziekenhuiszorg zelf wordt terugbetaald, geldt dit niet voor het vervoer. Om de daghospitalisatie te ondersteunen zullen mantelzorgers ertoe verplicht worden hun professioneel leven langer on hold te zetten, met een grotere impact op hun inkomsten en hun sociale rechten, waaronder het pensioen. Op termijn is het niet zeker dat de verschuiving van de kosten gunstig is voor de samenleving, aangezien het productiviteitsverlies van de mantelzorgers ook weegt op de financiën van de Staat.
- Het gaat niet enkel om de financiële toegankelijkheid, maar ook om de geografische toegankelijkheid. De vermindering van het aantal ziekenhuizen voor acute zorg, spoeddiensten en wachtposten – indien deze zich concentreren op de sites van regionale algemene ziekenhuizen – heeft een grote negatieve impact op de toegang tot zorg, of het nu gaat om acute zorg, vitale zorg, raadplegingen buiten de daguren of onderzoeken of raadplegingen bij specialisten.
- Zorgkwaliteit en welzijn van de patiënten: de zorgfragmentering en het toenemende aantal verschillende zorgverleners voor dezelfde patiënt dehumaniseren de zorgrelatie en hebben een negatieve impact op het welzijn van de patiënten.
- Billijkheid: Door te vertrekken van wat bestaat in plaats van welke behoeften er zijn, creëert het hervormingsproject van een ongelijke ziekenhuisdekking tussen de gewesten en provincies, waarbij bepaalde zones zonder minimale dekking blijven, met vitale risico’s voor de inwoners ervan. En kiezen voor een delegatie van medische zorg aan zorgverleners die geen arts zijn om het probleem van de slecht bediende zones op te lossen, dat is opteren voor een geneeskunde met twee snelheden, in strijd met het billijkheidsbeginsel.
Als men dit hervormingsproject evalueert volgens de resultaten van de SWOT-analyse, blijkt dat de aangehaalde zwakheden, verre van opgelost of zelfs maar verminderd, nog groter worden door het hervormingsproject:
- Enkel het overtollige aanbod van acute zorg wordt geherdimensioneerd.
- Het hervormingstraject versterkt en bestendigt zelfs het tekort aan artsen, de fragmentering van de zorg, de ongelijke kwaliteit van spoedzorg en de geneeskunde met twee snelheden zonder oplossingen voor te stellen.
- Het hervormingsproject lost de ontoereikende financiering niet op, maar schuift het de kosten door naar de patiënten, de mantelzorgers, en in fine naar de samenleving zelf.
Conclusie, hoewel het project tot hervorming van het ziekenhuislandschap positieve vooruitgang bevat, is de NHRPH van oordeel dat het project niet klaar is voor implementatie en ook kostelijk en onbillijk is.
Niet klaar voor implementatie, omdat:
- het herdimensioneren van de ziekenhuisrol op basis van het model van geïntegreerde zorg in een context van een tekort aan eerstelijnsartsen een risico voor de volksgezondheid inhoudt, dat niet mag worden genegeerd;
- ook omdat talrijke aspecten met betrekking tot de toegankelijkheid van de zorg en van de begeleiding niet in de denkoefening werden geïntegreerd. Deze aspecten zijn nochtans rechtstreeks gekoppeld aan 2 van de 5 doelstellingen van de hervorming: zorgkwaliteit en welzijn van de patiënt.
Kostelijk en onbillijk:
- In het kader van de besparingen van de Staat, verhoogt de hervorming de kosten voor gezondheidszorg voor de patiënten, die reeds een groter deel van de gezondheidsuitgaven dragen dan hun Europese buren.
- Om het tekort aan zorgverleners op te lossen, schuift de hervorming de zorglast door naar de mantelzorgers zonder statuut, die sociale rechten verliezen.
De NHRHP betreurt dat het hervormingsproject, dat vertrekt vanuit de bestaande toestand in plaats van de behoeften, tot een geografisch en financieel ontoegankelijkere zorg, een nog meer gefragmenteerd ziekenhuislandschap en een geneeskunde met twee snelheden leidt, terwijl de doelstelling ervan juist was om deze problemen te verhelpen.
Om al deze redenen vraagt de NHRPH de minister om de hervorming uit te stellen, teneinde het onevenwicht in de toegang en de begeleiding tot zorg in aanmerking te kunnen nemen in de denkoefening en de hervormingspistes concreet af te stemmen op het kompas met de vijf doelstellingen.
[1] Tenzij anders vermeld, verwijzen de citaten naar het rapport van de experten: Aanbevelingen door de expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap. Veranderen om te behouden (2026-2036).
[2] Een ziekenhuis voor acute zorg of algemeen ziekenhuis is, in tegenstelling tot een gespecialiseerd ziekenhuis, ‘een instelling voor gezondheidszorg waar medische onderzoeken en behandelingen gebeuren (geneeskunde, heelkunde en verloskunde). […] Patiënten verblijven er omdat hun gezondheidstoestand specifieke zorgen vereist. Hun ziektes of letsels worden er op een zo kort mogelijke tijd bestreden’ (De algemene ziekenhuizen | Vivalis).
[3] Onder primaire gezondheidszorg, of eerstelijnszorg, wordt verstaan: ‘de zorg op het eerste niveau, dat wil zeggen het zorgniveau dat de toegangspoort vormt tot het zorgsysteem, dat algemene, alomvattende, continue en geïntegreerde zorg biedt die toegankelijk is voor de hele bevolking, en dat de diensten coördineert en integreert die nodig zijn op andere zorgniveaus’ (Waarom primaire gezondheidszorg? - Fédération des maisons médicales).
[4] Interne geneeskunde is een medische specialiteit die zich richt tot patiënten met complexe, vaak meerdere gezondheidsproblemen of moeilijk te verklaren symptomen (Interne geneeskunde | CHU Brugmann).
[5] De volgende berekeningen zijn gebaseerd op de cijfers van Statbel op 01/01/2025 (Structuur van de bevolking | Statbel)
[6] Paier-Abuzahra M, Posch N, Jeitler K, Semlitsch T, Radl-Karimi C, Spary-Kainz U, et al. Effects of task-shifting from primary care physicians to nurses: an overview of systematic reviews. Hum Resour Health. 2024;22(1):74. Bomholt KB, Nebsbjerg MA, Burau V, Mygind A, Christensen MB, Huibers L. Task shifting from general practitioners to other health professionals in out-of-hours primary care - a systematic literature review on content and quality of task shifting. Eur J Gen Pract. 2024;30(1):2351807. Mekonnen AB, McLachlan AJ, Brien JA. Effectiveness of pharmacist-led medication reconciliation programmes on clinical outcomes at hospital transitions: a systematic review and meta-analysis. BMJ Open. 2016;6(2): e010003. Bourne RS, Jennings JK, Panagioti M, Hodkinson A, Sutton A, Ashcroft DM. Medication-related interventions to improve medication safety and patient outcomes on transition from adult intensive care settings: a systematic review and meta-analysis. BMJ Qual Saf. 2022;31(8):609-22.
[7] Het rapport bestaat niet in het Nederlands.
[8] Slechts 96 ziekenhuizen hebben deelgenomen aan de audit CVA.
[9] De ratio die in de Audit wordt gehanteerd om de reistijd met de ziekenwagen te berekenen, bestaat uit het optellen van de reistijd van de ziekenwagen om de patiënt op te halen bij de reistijd van de woning van de patiënt naar de spoeddienst, waaraan 15 minuten worden toegevoegd voor het uitstappen uit de ziekenwagen, en die vervolgens wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,2 om rekening te houden met eventuele verkeersproblemen. Aangezien de CVA-audit geen gedetailleerde reistijden per provincie geeft, gaan we uit van de reistijden per provincie voor privévoertuigen zoals vermeld in het rapport van de IMC-experten, die we vermenigvuldigen met twee om de heenreis naar de woning van de patiënt en de terugreis naar de spoeddienst te berekenen. We tellen daar de 15 minuten bij op voor het aanmelden bij de spoeddienst. Ten slotte laten we de coëfficiënt weg, aangezien verkeersopstoppingen al zijn meegenomen in de reistijd met een privévoertuig. Bij onze berekening gaan we er bovendien vanuit dat de ziekenwagen vertrekt vanaf de dichtstbijzijnde spoeddienst, wat niet altijd het geval is.
[10] Het gaat om de visienota van FRZV betreffende revalidatiedagziekenhuizen.
[11] Advies van de FRZV met betrekking tot de programmatie en het aanbod aan revalidatiezorg van 2023.
[12] Schriftelijke parlementaire vraag van mevrouw Mélissa Hanus aan de heer Yves Coppieters, Waals minister van Gezondheid, 12 maart 2026.