Advies 2026/16
Advies nr. 2026/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van ministerieel besluit tot vaststelling van het barema van de vergoedingen van de aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch-administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 22 juni 2026 en goedgekeurd via e-mail op 30 juni 2026.
Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, bij brief van 5 juni 2026 en met toepassing van de spoedprocedure.
Lees de samenvatting van het advies
1. ADVIES BESTEMD
- Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
- Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
- Ter info aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
- Ter info aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
- Ter info aan Unia
- Ter info aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
- Ter info aan de federale ombudsman
- Ter info aan de Nationale Arbeidsraad
2. ONDERWERP
Vaststelling van het barema van de vergoedingen van de aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch-administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
3. ANALYSE
Het ontwerp van ministerieel besluit is meer bepaald vastgesteld ter uitvoering van artikel 20, § 1 van het ontwerp van het koninklijk besluit van XX XX 2026 (nog niet bekend) tot instelling van een administratief register van aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (zie advies 2026-15).
De voorziene vergoedingen dekken de verschillende categorieën handelingen die de artsen-evaluatoren namens de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid kunnen moeten verrichten, met name:
- de beoordeling op stukken;
- het onderzoek van de persoon na oproeping;
- bezoeken in een instelling of aan huis;
- onderzoeken in de privépraktijk van de arts-evaluator;
- gespecialiseerde adviezen aan het multidisciplinaire team;
- deelname aan gerechtelijke expertises;
- deelname aan opleidings-, reflectie-, intervisie- of multidisciplinaire uitwisselingssessies georganiseerd door de Dienst
Het ontwerp verduidelijkt tevens dat de vastgestelde vergoedingen alle kosten dekken die verband houden met de betreffende handeling, met inbegrip van de voorbereiding, de analyse van het dossier, het verzamelen van aanvullende medische of paramedische informatie, alsook het opstellen en invoeren van het verslag of het advies in het door de Dienst voorgeschreven formaat. Het voorziet bovendien in een indexeringsmechanisme voor bepaalde bedragen.
4. ADVIES
Globaal stelt de NHRPH zich vragen bij de verhouding tussen de bedragen:
- Evaluatie op stukken: 55 €
- Oproep van de persoon naar de privéconsultatieruimte: 60 €
- Oproep van de persoon naar het medisch centrum: 65 €
- Bezoek aan huis of in een instelling: 70 €
Zal de arts niet in de verleiding komen om de voorkeur te geven aan onderzoek op basis van stukken? Laten alle gezondheids- en levenssituaties dit toe? Moet de arts in bepaalde gevallen niet worden ‘gedwongen’ om de persoon te raadplegen (bijv. bij tegenstrijdigheden in de documenten, twijfel, beoordeling van de reële gevolgen, complexe situaties…) of om zich naar diens woonplaats te begeven (bedlegerigheid, totale afhankelijkheid, ernstige psychiatrische stoornissen…)?
Soms rechtvaardigen de feitelijke leefsituatie (locatie, moeilijkheden die de persoon op die plek ondervindt…) en de gezondheidstoestand dat het bezoek thuis of op een andere verblijfplaats van de betrokkene plaatsvindt; zal een verschil van 5 of 10 € de arts ertoe aanzetten om erheen te gaan? Misschien speelt ook mee dat het bezoek langer duurt (ter compensatie van de verloren reistijd waarin de arts geen consulten houdt), of dat de omgeving onzeker is (bijvoorbeeld een moeilijk bereikbare woning), enz. Over het algemeen kost elke verplaatsing tijd, ongemak en kosten (bijvoorbeeld parkeerkosten): de NHRPH is van mening dat het bedrag voorzien voor bezoeken buiten het medisch centrum vragen oproept. Terwijl juist de mensen die zich niet kunnen verplaatsen, vaak degenen zijn die in het dagelijks leven met grote moeilijkheden kampen. Dit blijkt echter ook niet uit de stukken in het dossier. Het risico bestaat uiteindelijk dat de reële situatie wordt onderschat. De financiële omstandigheden van het onderzoek mogen geen belemmering vormen voor de volledige uitoefening van de rechten van de burger.
- De NHRPH dringt erop aan dat het kader voor het onderzoek op basis van stukken en het onderzoek na consultatie duidelijk wordt gedefinieerd voor het gehele grondgebied, teneinde een gelijke behandeling van alle burgers te waarborgen.
- De NHRPH vraagt om een billijke vergoeding voor de reistijd en de complexiteit van het onderzoek buiten de dokterspraktijk.
De NHRPH wenst bovendien twee verduidelijkingen:
- Is er een vergoeding voorzien wanneer de arts een dossier moet heropenen?
- Artikel 2, 10°: deelname aan opleidings-, reflectie-, intervisie- of multidisciplinaire uitwisselingssessies georganiseerd door de Dienst. Bedrag: 70 euro per uur met een standaard van 4u/maand. Op expliciete vraag van de Dienst kan van dit maximum afgeweken worden.
In één en dezelfde zin wordt gesproken over een minimum en een maximum. Is dat correct?