Advies 2026/08
Het secretariaat van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) kampt momenteel met een aanzienlijk personeelstekort.
Het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid heeft op 9 mei 2025 beslist dat er geen vervanging komt voor medewerkers die niet langer voor het secretariaat werken.
Dit maakt het voor de NHRPH erg moeilijk om zijn opdracht als adviesorgaan naar behoren uit te voeren. Concreet betekent dit dat de NHRPH de voorziene termijnen voor het afleveren van zijn adviezen noodgedwongen moet verlengen.
Advies nr. 2026/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van deontologische code voor de professionele bewindvoerders (in uitvoering van de wet van 08.11.2023 - artikel 27 tot invoeging in het gerechtelijk wetboek van een artikel 555/23), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/03/2026.
Advies op verzoek van de administratie van de minister van Justitie per e-mail van 16/02/2026.
1. ADVIES BESTEMD
- Voor opvolging aan de heer Benoit Cornélis van de FOD Justitie
- Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, minister van Justitie
- Voor opvolging aan de ordes van advocaten
- Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Personen met een handicap en Gelijke Kansen
- Ter informatie aan Unia
- Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
- Ter informatie aan de federale ombudsman
- Ter informatie aan de ombudsman verzekeringen
- Ter informatie aan de Hoge Raad voor de Justitie
2. ONDERWERP
De wet van 8 november 2023 betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon heeft het statuut van professionele bewindvoerder aangepast. De wet vereist dat de kandidaat-professionele bewindvoerder voldoet aan een aantal voorwaarden voordat hij wordt opgenomen in het nationaal register van professionele bewindvoerders.
Een van deze voorwaarden betreft het naleven van een deontologische code.
3. ANALYSE
Het kabinet van de minister van Justitie heeft de ordes van advocaten gevraagd een ontwerp van deontologische code op te stellen. Het eerste ontwerp dateerde van 18 december 2024.
De NHRPH had hierop een advies uitgebracht, 2025-01 waarin hij
- stelde niet akkoord te kunnen gaan met de voorgestelde deontologische code en
- vroeg om onder andere de code te herzien in lijn met de mensenrechten (uitvoering van de UNCRPD-principes), participatie en vrije levenskeuze
- zijn bezorgdheid uit over het gebruik van generatieve artificiële intelligentie bij het behandelen van dossiers, maar ook de weinige plaats gegeven aan communicatie en overleg met de personen
- vroeg te mogen participeren aan een volgende denkoefening.
De administratie van de Minster Verlinden bracht een nieuw voorstel van deontologische code uit op 16 februari 2026 en vroeg het advies van de NHRPH voor 15 april 2026.
Algemeen aanpak en bepaalde artikels
De NHRPH benadrukt het herschrijfwerk van versie 2 en constateert dat sommige punten van zorg uit advies 2025-01 zijn overgenomen en andere niet, zoals het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de opmaak van de code.
Het advies 2025-01 vroeg om onderstaande zaken te implementeren maar dit is niet gebeurd:
- Het nieuwe voorstel van code maakt nog steeds geen onderscheid tussen de verschillende beschermingsniveaus, nl. bijstand versus vertegenwoordiging.
- De code verwijst nergens expliciet naar het VN-verdrag of General Comment nr. 1, en ook de verplichting om een persoonlijk levensplan op te stellen ontbreekt, ondanks de expliciete vraag van de NHRPH.
Integendeel, in het rapport aan de koning wordt vanaf het begin duidelijk gesteld dat:
Pagina 2: De Code schrijft niet voor welke instrumenten of methoden moeten worden gebruikt voor het beheer van administratieve dossiers (bijvoorbeeld het gebruik van technologieën zoals kunstmatige intelligentie of het systematisch raadplegen van familieleden; het opstellen van een plan om de rechten na te leven die worden gegarandeerd door het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap), waardoor deze keuze wordt overgelaten aan de bewindvoerder onder toezicht van de vrederechter.
-
- Voor de NHRPH laat deze formulering veel vrijheid aan de bewindvoerder in een werkomgeving waarin men heel goed weet dat de vrederechter noch de tijd, noch de middelen heeft om dit toezicht uit te oefenen.
-
- Het opstellen van een plan is niet louter een instrument, maar ook een basis, een garantie, een essentiële stap naar een noodzakelijke, duurzame en loyale interpersoonlijke relatie waarin de verwachtingen van de persoon onder bescherming op passende wijze moeten worden beantwoord. De effectieve opvolging van het plan zou ook een indicator zijn voor de vrederechter.
Pagina 3: deze (de taak van de bewindvoerder) impliceert een menselijke en participatieve aanpak: telkens wanneer de persoon in staat is om zijn wensen en voorkeuren kenbaar te maken, moet hij kunnen worden geraadpleegd en betrokken bij de beslissingen die hem aangaan.
Deze deontologische eis past in een bredere context van universele waarden. De ethische normen die alle professionele bewindvoerders gemeen hebben, zijn gebaseerd op de beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
-
- De NHRPH is verheugd over deze bevestiging, maar kan geen genoegen nemen met goede bedoelingen alleen en vraagt dat deze worden omgezet in concrete acties, met name:
- Respect voor de levenskeuze van de persoon, parallel met het respect voor zijn vermogensbelangen;
- Opstellen van een plan om de rechten en verzoeken te respecteren;
- Regelmatige uitwisselingen, via alle mogelijke communicatiemiddelen.
- De NHRPH is verheugd over deze bevestiging, maar kan geen genoegen nemen met goede bedoelingen alleen en vraagt dat deze worden omgezet in concrete acties, met name:
- Art. 13 vermeldt dat de bewindvoerder rekening moet houden met levenskeuzes en voorkeuren, maar art. 12 blijft spreken over “belang en welzijn”. De door de NHRPH gevraagde omkering van prioriteit ontbreekt.
- Art. 13 en 14 vermelden de vertrouwenspersoon, maar niet het familiaal netwerk, zoals nochtans gevraagd.
- De NHRPH vroeg om de formulering “in de mate van het mogelijke” te schrappen, maar die komt zowel voor in de wet (pagina 7) als in het verslag aan de Koning.
- Art. 17 voorziet wel opleiding voor medewerkers maar niet inhoudelijk over handicap, UNCRPD-mensenrechtenaanpak of toegankelijke communicatie. De NHRPH betreurt dat de opleiding enkel voor de medewerkers is voorzien. In de deontologische code moet ook worden opgenomen dat de bewindvoerders een opleiding moeten krijgen over het VN-Verdrag en zijn principes. (De wet van 2023 voorziet trouwens al een opleiding voor de bewindvoerders.)
- De code voorziet nog steeds niet in een Bij een vertrouwensbreuk of onrechtmatige feiten gesteld door de bewindvoerder is er nog steeds niets voorzien om de persoon onder bewindvoering de mogelijkheid te bieden om de werking eenzijdig te stoppen.
Onderstaande vereisten werden gedeeltelijk vervuld:
- Het Koninklijk Besluit is nu duidelijk: het is niet van toepassing op familiale bewindvoerders, noch op buitengerechtelijke mandatarissen.
- Art. 7 verplicht verzekeringsovereenkomsten die de beroepsaansprakelijkheid en fraude dekken.
-
- De NHRPH vraag zich toch af of de regels van de deontologische code wel voldoende helder en precies zijn om de verzekeringen te laten tussenbeide komen bij niet-naleving. Bij onduidelijkheid bestaat het risico dat de verzekeringen nooit tussenbeide zullen komen.
- Er wordt ook gepreciseerd dat bewindvoerders die de deontologische code niet naleven, geen toegang zullen krijgen tot het centraal register van bescherming van de personen (uiterlijk op 1 juli 2028 – art. 21).
-
- De NHRPH wenst meer informatie over de manier waarop de nalevingsprocedure en de controle op de naleving van de nieuwe regels door de bewindvoerders zullen worden gewaarborgd.
- Sommige bepalingen zijn nu concreter geworden (bv. verzekeringsplicht, communicatieplicht) maar veel formuleringen blijven algemeen (“zoveel mogelijk”, “rekening houden met”).
-
- De NHRPH vraagt om de tekst nog meer te verduidelijken.
- De NHRPH vraagt om de tekst nog meer te verduidelijken.
- Art. 15 verplicht beschikbaarheid en contact met de beschermde persoon en de vertrouwenspersoon, maar zonder concrete frequentie of verplichtingen.
- Bepaling van de rol voor vertrouwenspersoon en familiaal netwerk.
- Art. 5 voorziet disciplinaire vervolging voor wat volgt: “Elke schending van de beginselen en verplichtingen die in deze code worden vermeld, vormt een deontologische tekortkoming en kan aanleiding geven tot tuchtrechtelijke vervolging. […] Herhaling van fouten of de volharding in nalatige praktijken kan daarentegen wijzen op een gebrek aan bekwaamheid of een minachting voor de beroepsvereisten” (Rapport aan de Koning, page 9).
-
- Over welke disciplinaire vervolging gaat het? De deontologische code moet expliciet verwijzen naar artikel 555/27 van het Gerechtelijk Wetboek die voorziet in een ‘schorsing’ of ‘schrapping uit het nationaal register’ van de professionele bewindvoerder (zie rapport aan de Koning, pagina 9).
-
- Het niet respecteren van het UNCRPD inzake de levenskeuze van de persoon (op regelmatige basis of specifiek) moet bestraft worden.
- Art. 12 verwijst naar de verbetering van levenskwaliteit, maar behoud van vermogen blijft een belangrijke en onaanvaardbare beperking (art. 13) tegenover het UNCRPD: “De bewindvoerder houdt rekening met de levenskeuzes en voorkeuren van de beschermde persoon (...) Hij zorgt ervoor dat inkomsten worden toegewezen aan de uitvoering van de geuite keuzes en voorkeuren, voor zover deze toewijzing het behoud van het vermogen niet in gevaar brengt en, in voorkomend geval, de door de vrederechter vastgestelde grenzen in acht neemt.”
-
- De NHRPH vraagt de volgende formulering: De bewindvoerder zorgt ervoor dat inkomsten worden toegewezen aan de uitvoering van de geuite keuzes en voorkeuren, voor zover die aanwending het behoud van het vermogen niet in het gedrang brengt
- Art. 13: Hij eerbiedigt de wens van de beschermde persoon om de banden te behouden met een familielid, een naaste of een derde persoon behalve als dat kennelijk nadelig of bij rechterlijke beslissing verboden is.
-
- Zo krijgt de bewindvoerder enorm veel macht!! De bewindvoerder moet zijn beslissing steeds concreet motiveren.
Andere vereisten werden wel opgenomen in de nieuwe deontologische code:
- Art. 11 bevat een uitgebreide antidiscriminatiebepaling.
- Art. 14 verplicht uitleg over kosten en erelonen vanaf het aanvangen van het mandaat. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit nog geen forfaitaire vergoeding betreft zoals de NHRPH blijft vragen.
4. ADVIES
De nieuwe code neemt enkele praktische aanbevelingen van de NHRPH over, maar er moet nog aan de kern van het negatieve advies 2025-01 gewerkt worden.
Er blijven belangrijke tekortkomingen bestaan:
- Geen onderscheid tussen de verschillende beschermingsregimes, nl. bijstand versus vertegenwoordiging. In verschillende artikels, met name artikelen 13-15 rond autonomie, informatieplicht en communicatie, ontbreekt een onderscheid naar de verwachtingen voor de bewindvoerder naargelang het om een bijstands- of vertegenwoordigingsregime gaat.
- Geen verplichting voor de professionele bewindvoerder om de richtlijnen van het UNCRPD en de concrete aanbevelingen van algemene opmerking nr. 1 toe te passen;
- Geen verplichting om een plan op te stellen om de rechten en wensen van de persoon te waarborgen;
- De zorg om de continuïteit van het vermogen van de persoon te waarborgen, weegt zwaarder dan de zorg om zijn levenskeuze te respecteren;
- Geen klachtenprocedure of ontslagprocedure (voor een bewindvoerder? > ontslag?)
- Een volslagen ontoereikende verplichting tot opleiding rond UNCRPD.
De NHRPH vraagt minimaal het volgende:
- Er dient geëxpliciteerd te worden dat er bijkomende verwachtingen zijn in het kader van een bijstandsregime, waarbij het initiatief bij de persoon ligt en de bewindvoerder een secundaire rol krijgt, met name de vervolmaking van de rechtsgeldigheid van een handeling gesteld door de beschermde persoon zelf (art. 494, e)).
- Het bijstandsregime moet voorrang hebben op het vertegenwoordigingsregime, dat slechts kan worden bevolen ingeval de bijstand bij het verrichten van die handeling niet volstaat (art. 492/2). Conform artikel 12 van het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap en General Comment 1 van het VN-Comité dienen de (best mogelijke interpretatie van de) wil en voorkeuren van de persoon de leidende beginselen te zijn bij een ondersteunend regime.
- Een aanpassing van de artikelen 1 en 5: De gedragscode moet uitdrukkelijk het beginsel van naleving van het UNCRPD in al zijn dimensies op het gebied van de mensenrechten bevatten. Het UNCRPD maakt sinds 2019 deel uit van ons juridisch arsenaal; de Grondwet van 2021 verplicht de wetgever en de Koning om de beginselen van zelfbeschikking en volledige inclusie van personen met een handicap volledig inhoud te geven. Geen enkel beschermingsstatuut kan een beperking van de rechten van personen met een handicap rechtvaardigen: het genot van rechten mag nooit worden beperkt, behalve in geval van een verbod door de vrederechter; de uitoefening van rechten moet indien nodig altijd worden begeleid.
- Een aanpassing van artikel 10: De bewindvoerder respecteert de filosofie en de concrete reikwijdte van het UNCRPD in alle handelingen, of het nu gaat om het kader voor bijstand of vertegenwoordiging van een persoon met een handicap.
- Een aanpassing van de artikelen 12 en 13: prioriteit voor de wil en voorkeur van de persoon onder bescherming; persoonlijk levensplan en autonomiegerichte begeleiding. Het KB moet worden aangepast om de verzoeken van de personen zelf te integreren: onder bescherming staan mag niet langer synoniem zijn met het afzien van zijn aspiraties, dromen of verzoeken. Het KB moet bepalen dat de verzoeken van personen met een handicap moeten worden gerespecteerd, zo niet is er sprake van discriminatie op grond van handicap. Ter herinnering: het UNCRPD bepaalt: het gaat immers veel meer om het respecteren van de keuze van de persoon, zijn waarden, zijn aspiraties, zijn al dan niet uitgesproken verzoeken.
- Het schrappen van vage termen of termen die ruimte laten voor interpretatie, waardoor de reikwijdte van de verzoeken van personen met een handicap wordt afgezwakt (zie gedeelte analyse) .
- Concrete verplichtingen rond participatie en communicatie (zie gedeelte analyse).
- Opleiding rond handicaprechten en rond toegankelijke communicatie voor de professionele bewindvoerders en hun medewerkers. De deontologische code moet ook bepalen dat de bewindvoerders opgeleid moeten zijn over het VN-Verdrag et zijn principes. (Overigens voorziet de wet van 2023al een opleiding voor de bewindvoerders.)
- Een grotere rol voor de familie en de vertrouwenspersoon.
- Een duidelijk sanctiemechanisme en klachtenprocedure.
- De concrete vraag voor de ombudsdienst van de verzekeringen: zijn de regels van de deontologische code voldoende duidelijk en nauwkeurig om bij niet-naleving een beroep te kunnen doen op de verzekeraar?
- Op te nemen in het KB: een evaluatie van het koninklijk besluit zelf binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.