Ga naar de inhoud

Advies 2026/03

 

Het secretariaat van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) kampt momenteel met een aanzienlijk personeelstekort.

Het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid heeft op 9 mei 2025 beslist dat er geen vervanging komt voor medewerkers die niet langer voor het secretariaat werken.

Dit maakt het voor de NHRPH erg moeilijk om zijn opdracht als adviesorgaan naar behoren uit te voeren. Concreet betekent dit dat de NHRPH de voorziene termijnen voor het afleveren van zijn adviezen noodgedwongen moet verlengen.

 

Advies nr. 2026/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie betreffende de invoering van een parkeerkaart voor instellingen die personen met een handicap opvangen van 9 december 2025.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/01/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

 

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Taton c.s., indieners van het voorstel
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de DG Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan de IMC Handicap
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
 

2. ONDERWERP

De indieners van het voorstel willen de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap uitbreiden tot instellingen die personen met een handicap opvangen. Overigens verkiezen de NHRPH en veel andere handicapverenigingen in het Nederlands de term ‘voorziening’ boven ‘instelling’.

 

3. ANALYSE

A. Bedoeling

In België kunnen voorlopig enkel personen met een handicap een Europese parkeerkaart voor personen met een handicap krijgen, op voorwaarde dat ze aan de voorwaarden voldoen. De indieners van het ontwerp van resolutie formuleren het als volgt: “Enkel de kaarthouder mag ze gebruiken, ofwel iemand anders op voorwaarde dat die kaarthouder zich in het voertuig bevindt.” Dit klopt echter niet. Uiteraard moet de kaarthouder tijdens het parkeren niet in het voertuig blijven, anders zou de parkeerkaart weinig zin hebben. Het volstaat dat de parkeerkaart reglementair achter de voorruit wordt geplaatst. (In sommige steden en gemeenten is ook een registratie via handyPark nodig.)

Met dit voorstel van resolutie willen de indieners bewerkstelligen dat welbepaalde instellingen een parkeerkaart voor PBM [personen met ene beperkte mobiliteit] gekoppeld aan de kentekenplaat mogen gebruiken, zoals in onze buurlanden. De invoering van die kaart zou zorgen voor meer duidelijkheid, rechtszekerheid en administratieve efficiëntie, zonder dat het Europese rechtskader in het gedrang komt. Nauwkeurig omschreven criteria moeten een oordeelkundig gebruik van die kaart en een eenvoudige controle door de politie mogelijk maken.

“Momenteel mogen voertuigen van opvangcentra die in de begeleiding van PBM zijn gespecialiseerd, niet parkeren op die [voorbehouden] plaatsen.”

Dit laatste klopt niet helemaal. Voorzieningen mogen de parkeerkaart van een persoon met een handicap nu al gebruiken als die persoon zelf rijdt of meerijdt. Als de voorzieningen meerdere kaarthouders tegelijk vervoeren in hetzelfde voertuig, moeten ze slechts één parkeerkaart van een vervoerde persoon gebruiken bij het parkeren. De opstellers van het voorstel zien echter problemen:

Die centra hebben namelijk niet altijd de parkeerkaarten voor de betrokkenen in hun bezit, maar bovendien willen de wettige voogden of de familie die belangrijke documenten niet aan hen doorgeven, vaak uit angst dat ze zoek zullen geraken of ongepast zullen worden gebruikt. En zelfs als een instelling erover kan beschikken, moet ze dagelijks met verschillende persoonlijke kaarten jongleren en telkens de kaart van iemand die daadwerkelijk meerijdt op het dashboard plaatsen. Dat vergroot de kans op vergissingen, doet tijd verloren gaan en verhoogt het risico op non-conformiteit bij controle. Een dergelijke werkwijze is gecompliceerd, tijdverslindend en ongepast.

De indieners van het voorstel van resolutie menen dat de gewesten en gemeenschappen bevoegd moeten zijn voor het beheer en de afgifte van de parkeerkaarten:
“Om dit voorstel van resolutie om te zetten in Belgische wetgeving, moeten bepaalde (ministeriële of koninklijke) besluiten worden gewijzigd. Tegelijk moeten de gewesten en gemeenschappen belast worden met het beheer en de afgifte van de parkeerkaarten voor BPM, in overeenstemming met de nieuwe regelgeving.
Gelet op de bevoegdheidsverdeling op het gebied van mobiliteit en parkeren zouden de afgifte en het praktische beheer van die parkeerkaart onder de bevoegdheid van de gewesten en gemeenschappen vallen, op basis van duidelijke federale wettelijke bepalingen.”

Vooralsnog is de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale zekerheid bevoegd.

B. Voorbeelden van buurlanden

Ter staving van hun voorstel verwijzen de opstellers naar Nederland, Duitsland en in mindere mate ook Frankrijk die een regeling hebben voor voorzieningen.
In Duitsland en Nederland mogen voertuigen die door centra en structuren voor PBM worden gebruikt, vandaag parkeren op de PBM-parkeerplaatsen.
Hoewel de parkeerkaarten in Duitsland op naam zijn, kunnen diensten voor het vervoer van personen met een handicap een speciale parkeervergunning krijgen, gelinkt aan de kentekenplaat van het dienstvoertuig. Die vergunning verleent binnen welbepaalde zones soortgelijke rechten als de PBM-kaart.
In Frankrijk is de parkeerregeling voor PBM eveneens gebaseerd op kaarten op naam (Carte Mobilité Inclusion, CMI). De Franse wetgeving voorziet echter in bepaalde aanpassingen voor gespecialiseerde instellingen; die kunnen een specifieke sticker op hun dienstvoertuigen aanbrengen waardoor ze op voorbehouden plaatsen mogen parkeren wanneer ze mensen vervoeren die voor de CMI in aanmerking komen.
In Nederland worden de kaarten eveneens op naam van de persoon met een handicap uitgereikt, maar bestaan er daarnaast ook specifieke kaarten voor bepaalde instellingen. Ook in Nederland is de kaart aan de kentekenplaat van het voertuig gekoppeld.
De kaart wordt uitgereikt aan gespecialiseerde instellingen, die dan mogen parkeren op plaatsen die aan PBM zijn voorbehouden, zelfs als de begunstigde niet in het voertuig zit wanneer het stilstaat en wordt geparkeerd. (…) De kaart geldt enkel in Nederland”.

 

4. ADVIES

Het advies van de NHRPH over het voorstel van resolutie is over de hele lijn negatief. De NHRPH blijft het principe verdedigen dat parkeerkaarten voor personen met een handicap moeten zijn gelinkt aan een persoon met een handicap, en niet aan een kentekenplaat of voorziening.

A. Geen meerwaarde

De NHRPH ziet geen meerwaarde in een parkeerkaart voor voorzieningen.

  • De bestaansreden voor de parkeerkaart is om het de persoon met een handicap enigszins gemakkelijker maken in een omgeving die al te vaak ontoegankelijk is. De parkeerkaart is echter niet bedoeld als een handig gadget voor voorzieningen die overal vlot willen parkeren.
  • Als een kaarthouder wordt vervoerd, kan de kaart van de persoon in kwestie worden gebruikt, ook door de voorziening. Voorbeeld: bij een busreis volstaat het dat één enkele persoon in de bus een parkeerkaart heeft om die te mogen gebruiken.
  • De kaart is gelinkt aan de persoon, en niet aan de voorziening of aan de familie of de bewindvoerder van de persoon. Als de persoon in een voorziening verblijft, heeft het geen zin dat de familie of bewindvoerder de parkeerkaart achterhouden, want die kunnen en mogen die dan niet gebruiken.
  • Het risico op beschadiging of verlies van de parkeerkaart is geen valabel argument voor een parkeerkaart voor voorzieningen. Wanneer iemand zijn kaart verliest, kan er immers een duplicaat worden aangevraagd, waarna de oude kaart ongeldig wordt.
  • Wat voor de NHRPH absoluut onaanvaardbaar zou zijn, is dat voorzieningen op voorbehouden plaatsen kunnen parkeren ZONDER dat een menselijke kaarthouder wordt vervoerd.
  • De NHRPH vreest een toename van het aantal misbruiken, bijv. het gebruik van de kaart door voorzieningen zonder dat de persoon met een handicap wordt vervoerd, maar zogezegd wel in het kader van de hulp aan de personen met een handicap (boodschappen enz.). Dat zou bovendien moeilijk te controleren zijn.
  • Zoals reeds aangegeven in meerdere adviezen, vindt de NHRPH het essentieel dat de parkeerkaart gelinkt is aan de persoon, en niet aan een kentekenplaat (of aan een voorziening). Veel kaarthouders hebben geen eigen wagen en laten zich vervoeren door meerdere mensen uit hun omgeving, elk met een andere kentekenplaat. Een parkeerkaart gelinkt aan één kentekenplaat zou hen zwaar beperken in hun bewegingsvrijheid.
  • Algemeen gesproken zijn er te weinig parkeerplaatsen voor personen met een handicap (zie bijv. de Conceptnota voor nieuwe regelgeving over het aantal aangepaste parkeerplaatsen voor personen meteen verminderde mobiliteit of met een handicap – Vlaams Parlement 08/12/2025). Vaak wordt zelfs de regionale richtnorm niet gehaald. Dit voorstel van resolutie zou het tekort voor de personen met een handicap mogelijk nog verergeren.
    • Er moet prioriteit worden gegeven aan het creëren van meer en betere parkeerplaatsen voor personen met een handicap.
  • Voorbehouden parkeerplaatsen bevinden zich doorgaans extra dicht bij de bestemming (station, hospitaal, luchthaven enz.), om de toegankelijkheid ervan te vergroten. Wie zal er baat bij hebben als de voorzieningen parkeerkaarten krijgen? De persoon met een handicap? Of het personeel van de voorziening? Het is niet logisch dat het personeel van de voorziening systematisch gebruik kan maken van de parkeerfaciliteiten ten koste van personen met een handicap die hier zelf veel meer nood aan hebben.
  • De controle van het juiste gebruik van parkeerkaarten geeft nu al problemen (te weinig controles, scan cars die de kaart niet lezen, …). De NHRPH ziet niet hoe het uitbreiden van de parkeerkaart tot instellingen die situatie zou kunnen verbeteren.
  • Met de parkeerkaart heeft de kaarthouder ook andere parkeerfaciliteiten, bijvoorbeeld gratis en/of voor onbepaalde duur parkeren op gewone parkeerplaatsen. Is het echt nodig dat voorzieningen die faciliteiten krijgen? Ter herinnering: ze krijgen die faciliteiten al als ze een kaarthouder vervoeren.

B. Welke voorwaarden?

  • Het voorstel van resolutie zegt hierover: “Nauwkeurig omschreven criteria moeten een oordeelkundig gebruik van die kaart en een eenvoudige controle door de politie mogelijk maken”, maar de indieners beperken zich tot het verwijzen naar de buitenlandse voorbeelden. Het is daarbij niet duidelijk welke voorzieningen in aanmerking zouden komen en welke niet.
    • Concrete criteria ontbreken in het ontwerp van resoluties.
    • De keuze van voorwaarden kan mogelijk een oneerlijke concurrentie tussen de verschillende voorzieningen Het valt te verwachten dat de kleinere spelers in het nadeel zouden zijn.
  • Van de aangehaalde buitenlandse voorbeelden heeft enkel Nederland een echte parkeerkaart op naam van de voorziening. Die kaart is enkel in Nederland geldig. De NHRPH vraagt zich af of die kaarten op naam van voorzieningen mogelijk straffeloos worden gebruikt in het buitenland.

C. Raadpleging van de NHRPH

  • De NHRPH, is belast met het onderzoeken van alle materies op federaal niveau die een invloed hebben op het leven van personen met een handicap. Voor dit ontwerp van resolutie is de NHRPH echter niet om advies gevraagd. Hadden de indieners tijdig de NHRPH om advies gevraagd, dan had die sneller op de risico’s en problemen van het voorstel kunnen wijzen.