Terug naar hoofdinhoud

Advies 2023/23 - Derde Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP3)

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Derde Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP3), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/10/2023.

Op verzoek van mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal bij brief van 23/08/2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal.
  • Ter info aan Eerste Minister Alexander De Croo
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

Het huidige Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP 3) richt zich op 2 prioritaire thema's:

  1. veerkracht, adaptatie en de strijd tegen de klimaatverandering;
  2. de vermindering van de schadelijke effecten van chemische stoffen op de gezondheid en het milieu.

Het opleiden van gezondheidswerkers in milieugezondheidskwesties is een transversale prioriteit.


3. ANALYSE

NEHAP is een plan dat is opgesteld door de verschillende administraties die instaan voor leefmilieu en/of gezondheid, om gezamenlijk problemen op het gebied van leefmilieu en gezondheid aan te pakken. Het omvat 7 actiegebieden:

  1. Verbetering van de kwaliteit van binnen- en buitenlucht
  2. De universele, eerlijke en duurzame toegang tot drinkwater, sanitair en hygiëne voor iedereen; hierbij wordt een geïntegreerd management van water voorzien evenals het hergebruik van behandeld afvalwater waar mogelijk
  3. Het verminderen van de schadelijke effecten van chemische producten op de gezondheid van mens en milieu
  4. De preventie en het wegnemen van schadelijke milieu-en gezondheidseffecten, kosten en ongelijkheid gelinkt aan het beheer van afval en vervuilde sites
  5. De versterking van de adaptatiecapaciteit en veerkracht in het licht van gezondheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatverandering en de ondersteuning van maatregelen die de klimaatverandering tegengaan en positieve gezondheidseffecten opleveren
  6. De ondersteuning van de inspanningen van Europese steden en regio’s om hen te helpen om gezonder, inclusiever, veiliger, veerkrachtiger en duurzamer te worden
  7. De versterking van de duurzaamheid van gezondheidssystemen en de vermindering van hun milieu-impact via maatregelen zoals efficiënt gebruik van energie en van natuurlijke hulpbronnen, een goed beheer van medische en chemische producten gedurende de hele levenscyclus en een beperkte verontreiniging, dankzij een veilig beheer van afval en afvalwater, zonder dat dit de taken van de gezondheidsdiensten belemmert

De concrete projecten van NEHAP 3 worden beschreven in 8 "actiefiches".

  • Actiefiche 1: Adaptatie aan de effecten van de klimaatverandering op de gezondheid in België - Van crisisbeheer naar beheer van gezondheidsrisico's
  • Actiefiche 2: Duurzaam koolstofarm gezondheidssysteem
  • Actiefiche 3: Ozon en hitte
  • Actiefiche 4: Chemische risicobeoordeling
  • Actiefiche 5: Nationaal actieplan hormoonverstoorders
  • Actiefiche 6: Opleiding Gezondheidsprofessionelen
  • Actiefiche 7: Monitoren van exotische muggen en andere vectoren
  • Actiefiche 8: Exotische muggen en andere vectoren: teken

4. ADVIES

De NHRPH verwelkomt de bereidheid van de Minister om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij het opstellen van dit plan. Zoals het document terecht stelt:

“De klimaatverandering kan een impact hebben op de gezondheid en daarnaast ook de economie en het milieu verstoren, waardoor extreme meteorologische fenomenen essentiële volksgezondheidsinfrastructuur beschadigen en bestaansactiviteiten gaan beïnvloeden. …

Klimaatverandering beïnvloedt de menselijke gezondheid zowel direct (langere duur en intensiteit van hittegolven, verhoogd risico van door vectoren overgedragen ziekten, fysieke/psychische aandoeningen die verband houden met extreme gebeurtenissen, verslechtering van de luchtkwaliteit, toename van allergische aandoeningen, enz.) als indirect (voedselonzekerheid, gedwongen migratie, meer tijd buitenshuis doorgebracht, enz.).”

Dit zijn onmiskenbare en verontrustende vaststellingen. Alle problemen moeten dringend in kaart worden gebracht, vanuit het standpunt van elke burger en in functie van zijn of haar kwetsbare situatie. Personen met een handicap nemen natuurlijk een prominente plaats in binnen de groep van de mensen in kwetsbare situaties.

In dit stadium identificeert de NHRPH een niet-exhaustief aantal (soms) specifieke uitdagingen die inherent zijn aan een handicap:

  • gebrekkige toegankelijkheid van goederen en diensten, moeilijkheden bij de toegang tot communicatie en informatie, gebrekkige toegang tot kwaliteitszorg (omdat deze niet altijd toegankelijk is, te weinig talrijk of te weinig specifiek),
  • verlies van autonomie en frequente afhankelijkheidssituaties,
  • beperkingen die inherent zijn aan de toenemende digitalisering op alle gebieden,
  • specifieke situaties, afhankelijk van de woonsituatie (thuis wonen of in collectieve structuren),
  • enz.

De NHRPH benadrukt het belang van deze "identificatie"-fase, omdat anders het risico bestaat dat er in de "deliverables"-fase eenvoudigweg geen rekening wordt gehouden met de problemen die ertoe doen.

Bovendien wijst de NHRPH erop dat de term handicap een zeer brede realiteit dekt en dat de definitie van het UNCRPD moet worden gehanteerd:

Artikel 1: Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.

De NHRPH wijst er ook op dat de statistieken over personen met een handicap en hun behoeften zeer beperkt en gefragmenteerd zijn. De huidige statistieken laten niet toe om de omvang van groepen personen met een handicap per type handicap vast te stellen. De gevolgen van een hittegolf en de daaruit voortvloeiende behoeften zijn bijvoorbeeld niet dezelfde voor mensen die zuurstoftherapie ondergaan als voor mensen met een verstandelijke handicap. De middelen om de aanbevolen maatregelen te communiceren moeten ook worden aangepast aan het type handicap, enz.

De NHRPH is van mening dat het bijzonder belangrijk is om de fiches 1, 2, 3 en 6 uit te werken en op te volgen.

⇒ De NHRPH vraagt om een verbreding van het debat en de ontwikkeling van nieuwe "actiefiches" om de hierboven vermelde uitdagingen aan te pakken. De NHRPH vraagt om op zeer korte termijn een specifieke vergadering te organiseren zodat een zo groot mogelijk aantal thema's kan worden in kaart gebracht die een directe of indirecte weerslag kunnen hebben op de gezondheid en de levensomstandigheden van personen met een handicap. Dit advies van de NHRPH moet dus snel gevolgd worden door een voorstel voor een werkvergadering met de stuurgroep van het Plan en de NHRPH.
De NHRPH roept op om rekening te houden met alle mensen met een handicap, ongeacht hun handicap, hun woonsituatie, hun leeftijd, enz.

⇒ De NHRPH vraagt om zo snel mogelijk betrokken te worden bij het proces van implementatie en monitoring van fiches 1, 2, 3 en 6.

i. Met betrekking tot fiche 1 - Adaptatie aan de effecten van de klimaatverandering op de gezondheid in België - Van crisisbeheer naar beheer van gezondheidsrisico's

Maatregel 1: ....
Samenwerking met externe partners (andere diensten, autoriteiten of organisaties): is een samenwerking met andere autoriteiten of organisaties vereist? Wie zijn de externe partners? Wat zijn de concrete verwachtingen ten opzichte van deze externe partners?

De NHRPH verwacht te worden geïdentificeerd als een "noodzakelijke organisatie" en zo snel mogelijk te worden betrokken.

Maatregel 4: Binnen de actieplannen specifiek rekening houden met de noden van kwetsbare groepen (waaronder personen met een handicap) en zo nodig aanpassingen voor hen te voorzien.

De NHRPH herhaalt dat zijn deelname op dit niveau essentieel is.

ii. Actiefiche 2 - Duurzaam koolstofarm gezondheids-systeem

De NHRPH is zich bewust van de koolstofvoetafdruk van gezondheidszorgsectoren. De NHRPH benadrukt de soms zeer sterke afhankelijkheid van mensen met een handicap van de gezondheidszorg. Wat hen betreft, kan het verminderen van deze impact niet aan de orde zijn wanneer dit in strijd is met hun levenskwaliteit. Het gaat er natuurlijk niet om de klimaatkwestie tegenover die van "kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven voor personen met een handicap" te stellen, maar wel om ze zodanig op elkaar af te stemmen dat kwaliteit van gezondheid en kwaliteit van leven gegarandeerd blijven voor personen met een handicap terwijl de klimaatimpact wordt teruggedrongen.

De NHRPH vraagt dat de behoeftekaarten die zullen worden opgesteld, de behoeften van personen met een handicap om een kwaliteitsvol leven te leiden - ongeacht hun handicap - correct zouden identificeren. De NHRPH vraagt ook dat bij het in kaart brengen van de oplossingen die zullen worden uitgewerkt niet alleen de dimensie "kwaliteit van de zorg" maar ook de dimensie "kwaliteit van leven" volledig wordt meegenomen.

 iii. Actiefiche 3 - Ozon & Hitte

Maatregel 2 voorziet in de verdere ontwikkeling van maatregelen tijdens piekperioden ... Met bijzondere aandacht voor personen met een handicap

De NHRPH herhaalt dat hij graag betrokken wil worden bij de monitoring, implementatie en evaluatie.
De NHRPH vraagt specifieke aandacht voor de behoeften van personen met een handicap bij de ontwikkeling van maatregelen voor de waakzaamheids-, waarschuwings- en alarmfasen, en dit vanaf het opstellen van de protocollen tot de evaluatie van procedures achteraf.
De NHRPH legt ook een grote nadruk op communicatie, die voor iedereen toegankelijk moet zijn, d.w.z. ten minste in gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal en in gebarentaal. De crisissen in verband met COVID en de overstromingen van 2021 brachten een indrukwekkend aantal gebreken aan het licht die mensenlevens van personen met een handicap hebben gekost.
De NHRPH is van mening dat het essentieel is voor personen met een handicap om met hun ervaringen en vragen terecht te kunnen bij een vlot toegankelijk contactpunt dat duidelijke en doeltreffende antwoorden geeft.

iv. Actiefiche 6 – Opleiding Gezondheidsprofessionelen

De NHRPH wijst op de wens om de opleiding van mensen uit de gezondheidssector aan te vullen met een opleiding in milieugeneeskunde.

De NHRPH wijst ook op de noodzaak van opleidingsmodules die rekening houden met de specifieke behoeften van personen met een handicap.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2023/26 - Richtlijn tot invoering van de EDC en de Europese parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2023/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Voorstel voor een richtlijn tot invoering van de Europese gehandicaptenkaart en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van de NHRPH van 16/10/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH met medewerking en steun van de volgende adviesraden:

  • Adviesraad voor personen met een handicap van de Duitstalige Gemeenschap,
  • Waalse Adviesraad voor personen met een handicap,
  • NOOZO – Vlaamse adviesraad handicap.

Andere adviesraden hebben niet kunnen bijdragen tot het advies wegens tijdstekort, hetgeen niet wil zeggen dat ze het advies niet ondersteunen.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan:
    • Mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
    • De heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
    • Mevrouw Marie-Colline Leroy, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de Minister van Mobiliteit;
    • Mevrouw Hilde Crevits, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
    • De heer Bart Somers, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen;
    • Mevrouw Christie Morreale, Vicepresident van de Waalse Regering en Minister van Werk, Sociale Zaken, Gezondheid en Gelijke Kansen;
    • De heer Antonios Antoniadis, Viceminister-president van de Duitstalige Gemeenschap en Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, Ruimtelijke Ordening en Huisvesting.
  • Ter informatie aan:
    • Mevrouw Nawal Ben Hamou, Staatssecretaris van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Huisvesting en Gelijke Kansen;
    • De heer Frédéric Daerden, Vicepresident van de Franse Gemeenschap en Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Gelijke Kansen;
    • de heer Gauthier Cocle, attaché sociale zaken bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de EU;
    • Mevrouw Marian Vandenbossche, vertegenwoordiging Gelijke Kansen van Vlaanderen bij de Europese Unie;
    • De heer Fabian Dominguez, vertegenwoordiging Sociale Zaken en Volksgezondheid van Vlaanderen bij de Europese Unie;
    • Ter informatie aan Unia ;
    • Ter informatie aan het Vlaams Mensenrechteninstituut;
    • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
    • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

Dit advies betreft het voorstel van de Europese Commissie van een Richtlijn tot invoering van de ‘European Disability Card’ (EDC) en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap.


3. ANALYSE

A. CONTEXT:

De EDC en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap moeten het vrij verkeer van personen met een handicap faciliteren. Dit gebeurt door het invoeren van een (gedeeltelijke) wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus op vlak van rechten op bijzondere voorwaarden en/of voorkeursbehandeling. Dat betekent dat een persoon met een handicap die reist naar een andere lidstaat, daar recht zal hebben op dezelfde bijzondere voorwaarden als de nationale onderdanen van de gastlidstaat (zie uitzonderingen van het materieel toepassingsgebied hieronder). Zo wordt discriminatie op grond van nationaliteit vermeden.

Volgens art. 2 (3) Voorstel Richtlijn blijven de erkenningsprocedure en de toekenning van het recht op een parkeerkaart nationaal. Lidstaten behouden ook de bevoegdheid om bijkomstig op nationaal dan wel regionaal niveau andere documenten gerelateerd aan handicap uit te geven.

Ook het eisen van bijzondere voorwaarden of een preferentiële behandeling blijft een nationale bevoegdheid op grond van art. 2 (4) Voorstel Richtlijn.

B. RECHTSGRONDSLAG:

In het voorstel stelt de Commissie dat art. 53 (1) en art. 62 VWEU relevant zijn aangezien de kaarthouders in aanmerking zullen komen voor preferentiële voorwaarden/behandeling bij de toegang tot diensten op voet van gelijkheid met personen met een handicap in de bezochte lidstaat.

Concreet betreffen art. 53 VWEU de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en art. 62 VWEU de verwezenlijking van de vrijheid van dienstverrichting en dit door het aannemen van richtlijnen met betrekking tot de wederzijdse erkenning van diploma’s en de coördinatie van de relevante nationale wetgeving.

Daarnaast wordt art. 91(1)(d) VWEU aangehaald als rechtsgrondslag voor het aannemen van dienstige bepalingen tot het komen van een gemeenschappelijk vervoerbeleid

Laatst wordt art. 21 (2) VWEU gebruikt als rechtsgrondslag. Het artikel beoogt het vrij verkeer van personen te faciliteren.

C. PERSONEEL TOEPASSINGSGEBIED – art. 4 Voorstel richtlijn:

Het gaat om EU-burgers, zijnde personen met een nationaliteit van een EU-lidstaat ex art. 3 (a) Voorstel richtlijn, art. 9 VEU en art. 20 VWEU, van wie de gehandicaptenstatus door de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van verblijf is erkend.

Verder betreft het ook familieleden van EU-burgers met een erkende gehandicaptenstatus in de verblijfslidstaat. Aldus veronderstellen de adviesraden dat het gaat om familieleden die geen nationaliteit van een EU-lidstaat hebben, maar er wel een verblijfsrecht genieten (naar analogie met art. 24 (1) Burgerschapsrichtlijn).
Er wordt geen verdere afbakening gegeven van familieleden, in tegenstelling tot art. 2 (2) en art. 3 (2) Burgerschapsrichtlijn.

Indien er bijzondere voorwaarden bepaald zijn in de gastlidstaat voor de begeleiders van personen met een handicap, dan ook voor de begeleider (zij het persoon of dier) (zie art. 5 (3) Voorstel richtlijn).

D. MATERIEEL TOEPASSINGSGEBIED – art. 2 Voorstel richtlijn:

Het gaat om bijzondere voorwaarden en/of voorkeursbehandeling aangeboden in de volgende diensten:

    • diensten in de zin van artikel 57 VWEU (tegen betaling):
      • activiteiten met een industrieel karakter;
      • activiteiten met een commercieel karakter;
      • activiteiten van ambachtslieden;
      • activiteiten van de beroepen;
    • personenvervoer;
    • overige activiteiten en faciliteiten (ook als ze gratis aangeboden worden).

Uitgesloten zijn de volgende uitkeringen dan wel verstrekkingen:

    • prestaties op het gebied van sociale zekerheid uit hoofde van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009;
    • bijzondere al dan niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties of verstrekkingen op het gebied van sociale zekerheid, sociale bescherming of werkgelegenheid;
    • sociale bijstand die onder artikel 24, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG valt.

NIET VAN TOEPASSING OP: (1) SOCIALE ZEKERHEIDart. 3 (1) Verordening 883/2004 en Verklaring van België krachtens art. 9 van de Verordening:

    • prestaties bij ziekte;
      • Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
      • Wet 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid,
      • Waals Gewest: het persoonlijke assistentiebudget;
      • Duitstalige gemeenschap: Decreet van 13 december 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg;
      • Mobiliteitshulpmiddelen: Duitstalige gemeenschap, Besluit van de Regering 20 juni 2017 betreffende mobiliteitshulpmiddelen; Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 19 december 2019 tot vaststelling van de nomenclatuur van de mobiliteitshulpmiddelen; Decreet 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
      • Wet 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap: integratietegemoetkoming en tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;
      • Vlaanderen: het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden; voor ouderen met een zorgnood; voor personen met een handicap.
    • moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen;
    • uitkeringen bij invaliditeit;
      • Uitkeringsverzekering.
    • uitkeringen bij ouderdom;
    • uitkeringen aan nabestaanden;
    • prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
    • uitkeringen bij overlijden;
    • uitkeringen bij werkloosheid;
    • uitkeringen bij vervroegde uittreding;
    • gezinsbijslagen.

NIET VAN TOEPASSING OP: (2) BIJZONDERE PRESTATIES OP VLAK VAN SOCIALE ZEKERHEID, SOCIALE BESCHERMING OF WERKGELEGENHEID:

    • Inkomensvervangende tegemoetkoming;
    • Inkomensgarantie voor ouderen;

NIET VAN TOEPASSING OP: (3) SOCIALE BIJSTAND ONDER art. 24 (2) Burgerschapsrichtlijn:

    • van overheidswege ingevoerde bijstandsstelsels, ongeacht of het om het nationale, regionale of lokale niveau gaat,
    • waarop een beroep wordt gedaan door een persoon die niet beschikt over inkomsten die volstaan om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien
    • en die daardoor tijdens zijn verblijf ten laste van de overheidsfinanciën van de gastlidstaat dreigt te komen (arrest Dano, C-333/13);
    • steun voor levensonderhoud voor studies, inclusief beroepsopleiding, [die] de vorm [aanneemt] van een studiebeurs of lening.

Het is duidelijk dat de Commissie de ‘sociale sfeer’ volledig buiten het toepassingsgebied van de EDC wil houden. Dat is logisch, gezien het feit dat deze reeds complex geregeld wordt in de Coördinatieverordening Sociale Zekerheid, de Burgerschapsrichtlijn als concrete uitdrukking van het beginsel van vrij personenverkeer neergelegd in art. 21 VWEU, en rechtspraak van het Hof van Justitie.

Dit betekent dat het cruciaal zal zijn om per land duidelijk op te sommen voor welke prestaties de EDC niet geldig is.

E. GELDIGHEIDSDUUR:

De EDC is volgens art. 6 (6) Voorstel Richtlijn minstens even lang geldig als de langste erkenning van een handicapstatus. Desalniettemin moet op de EDC wel een vervaldatum bepaald worden volgens Bijlage I Voorstel Richtlijn.

Voor de Europese parkeerkaart wordt geen geldigheidsduur bepaald in het Voorstel van Richtlijn. Niettemin moet op de achtergrond wel een vervaldatum bepaald worden volgens Bijlage II Voorstel Richtlijn.

Overwegingen die mee moeten spelen bij het bepalen van de concrete geldigheidsduur betreffen de plicht van de lidstaten om fraude te voorkomen ex art. 9 (3) Voorstel Richtlijn en de plicht erop toe te zien dat de kaarten tijdig ingeleverd worden ex art. 9 (4) Voorstel Richtlijn.

F. FORMAAT:

DIGITAAL FORMAAT

De kaarten zullen eerst fysiek worden afgeleverd en daarna met een digitaal formaat worden aangevuld, zie art. 6 (5) en art. 7 (6) Voorstel Richtlijn. Daar staat ook in de Nederlandse vertaling dat  personen met een handicap een digitale en/of een fysieke kaart kunnen gebruiken, wat voor verwarring gezorgd heeft onder de verenigingen. In het Engels en het Frans staat duidelijk dat het gebruik van beide kaarten een optie moet zijn: “Persons with disabilities shall be given the option to use either the digital or physical card, or both.”

Het digitale formaat zal nog door de Commissie bepaald moeten worden en aan de hand van dat te bepalen digitale formaat kunnen Bijlage I en Bijlage II nog gewijzigd worden (waardoor het fysieke formaat dus eigenlijk ook nog niet 100% vastligt). Zie art. 6 (7) en art. 7 (7) Voorstel Richtlijn.

Het digitale formaat zou overeenkomstig overweging 26 moeten voortbouwen op de ervaring van het EU-covidcertificaat en moet beschikbaar zijn in de Digitale Portefeuille (die nog ontwikkeld wordt in de lidstaten – art. 8 (1) Voorstel Richtlijn). Daarnaast moet het digitaal formaat helpen vervalsing en fraude te voorkomen en om misbruik of verkeerd gebruik aan te pakken.

GEGEVENS BESCHIKBAAR OP DE KAARTEN

De gegevens die in het digitale formaat beschikbaar zullen zijn, mogen niet meer zijn dan deze op het fysieke formaat als bepaald in Bijlage I en II (art. 6 (1) en art. 7 (1) Voorstel Richtlijn in fine). Gezien het feit dat de bijlagen nog aangepast kunnen worden in functie van het uit te werken digitaal formaat, betekent dit dat de gegevens op beide formaten nog niet vastliggen.

RAADPLEGING

Overeenkomstig art. 11 (4) Voorstel Richtlijn zal de Commissie voor het nemen van de uitvoeringshandeling eerst experten van de lidstaten consulteren. De adviesraden wijzen op de verplichting van art. 4 (3) UNCRPD om overleg te plegen met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen.

FYSIEK FORMAAT (momenteel)

De voorkant van de EDC wordt bepaald in Bijlage I Voorstel Richtlijn; de achterkant wordt vrijgelaten voor nationaal relevante informatie.

European Disability Card

Voor de Europese parkeerkaart liggen zowel de voor-, als de achterkant vast in Bijlage II Voorstel Richtlijn.

VOOR:

Europese parkeerkaart - Voorkant

ACHTER:

Europese parkeerkaart - Achterkant

Wat opvalt is dat er op de voorkant plaats voorzien is voor de autonummerplaat. Daarover staat bepaald dat: “als de kaart aan een voertuig is gekoppeld, moet de kentekenplaat zichtbaar zijn.” Toelichting over concreet geval dat hiermee bedoeld wordt zal nodig zijn. Dit omdat in België personen met een parkeerkaart de nummerplaat van de auto die ze gebruiken online moeten registreren en linken aan hun parkeerkaart om onterechte boetes te vermijden. Aldus is een parkeerkaart in dit geval altijd gelinkt aan een auto.

G. RECHT OP TOEGANKELIJKE INFORMATIE:

Informatie rond de voorwaarden, de regels, de praktijken en de procedures voor de afgifte, de verlenging of de intrekking van de kaarten moet op toegankelijke wijze beschikbaar gemaakt worden, onder meer via de officiële website van particulieren of overheidsinstanties. Zie art. 9 (7) en art. 15 (3) Voorstel Richtlijn.

H. PLICHT VOOR TE LICHTEN & AAN TE MOEDIGEN:

De lidstaten moeten overeenkomstig art. 9 (2) Voorstel Richtlijn het publiek voorlichten over het bestaan van de kaarten. Daarnaast moeten de lidstaten op grond van art. 15 (2) Voorstel Richtlijn particulieren of overheidsinstanties aanmoedigen om vrijwillig in bijzondere voorwaarden of voorkeursbehandelingen voor personen met een handicap te voorzien.

De adviesraden onderstrepen de twee verschillende artikelen die een totaal andere lading hebben.

Art. 9 (2) gaat over:

    • bewustmaking over het bestaan van de kaarten
    • bij het grote publiek.

Art. 15 (2) betreft:

    • concrete aanmoediging
    • van dienstverleners.

Voor de adviesraden betekent dit eerst en vooral een kans om het publiek in het algemeen en de dienstverleners in het bijzonder bewust te maken van het recht op inclusie van personen met een handicap en hun nood aan redelijke aanpassingen die verder reikt dan een gratis toegang tot …. Dit recht is tevens vastgelegd in art. 22ter GW.

I. CONTROLE:

Overeenkomstig art. 9 (6) Voorstel Richtlijn moeten de lidstaten de naleving controleren van:

    • enerzijds de verplichtingen verbonden aan de kaarten;
    • anderzijds de overeenkomstige rechten van de houders van de kaarten.

J. SANCTIES:

Ingevolge 14 Voorstel Richtlijn zullen lidstaten sancties moeten voorzien in geval van schending van de nationale bepalingen die ten uitvoer van de richtlijn genomen worden.

K. EVALUATIE:

Art. 16 (1) Voorstel Richtlijn bepaalt dat de Europese Commissie na de eerste 3 jaar van toepassing van de richtlijn een rapport zal presenteren aan het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Vervolgens zal een dergelijk rapport om de 5 jaar opgemaakt worden.

Overeenkomstig art. 16 (4) Voorstel Richtlijn houdt de Commissie in haar verslag rekening met de standpunten van personen met een handicap.


4. ADVIES

De EDC is een ‘afstammeling’ van het Voorstel van het Belgian Disability Forum (BDF) voor het uitwerken van een Europese legitimatiekaart inzake handicap, daterend van 2009. Het huidige voorstel van de Commissie komt dan ook bijna volledig tegemoet aan de toenmalige eisen die gesteld werden en die nogmaals herhaald werden bij de publieke consultatie in 2022:

  • Erkenningsprocedures blijven een nationale bevoegdheid;
  • Toegang tot dezelfde aangepaste dienstverlening als de nationale onderdanen (m.u.v. sociale zekerheids- en/of bijstandsuitkeringen);
  • Verplichte deelname van alle dienstverleners o.g.v. bindende EU-wetgeving, zijnde een Richtlijn;
  • Geen samenvoeging met de Europese Parkeerkaart.

Met andere woorden: het BDF en bij uitbreiding de andere adviesraden zijn zeer verheugd het voorstel te verwelkomen! De wederzijdse erkenning van de handicapstatus in andere lidstaten is een grote verbetering van de positie van personen met een handicap, vooral voor personen met onzichtbare handicaps.

Een aantal punten konden sterker in het voorstel naar voren komen en/of uitgewerkt zijn:

  • Dat de EDC gratis is en vrijwillig in gebruik. De EDC heeft louter een declaratieve functie en mag niet als een voorwaarde ten gronde gebruikt worden om gebruik te maken van bepaalde bijzondere voorwaarden of om zich te beroepen op redelijke aanpassingen.
    Er zijn ook heel wat personen met een handicap in de zin van art. 1 UNCRPD die geen erkenning hebben. Zij mogen geen nadelen ondervinden bij de invoering van de EDC.
  • De bewustmakingscampagne en informatieverplichting wordt volledig bij de lidstaten gelegd. Gezien het de bedoeling van de kaart is om het vrij verkeer van personen met een handicap te faciliteren, zou er een grotere rol voor de Europese Commissie weggelegd moeten zijn. Er is nood aan een EU-website die de nodige informatie bevat, eventueel goede praktijken opsomt en - belangrijkst van al - verwijst naar de nationale websites die minstens de uitgesloten prestaties opsommen. Zie in dat verband ook de eis van het European Disability Forum (EDF).

A. PERSONEEL TOEPASSINGSGEBIED:

De adviesraden sluiten zich aan bij de oproep van het EDF om het toepassingsgebied uit te breiden tot onderdanen van derde landen die een legitieme verblijfstitel hebben in een lidstaat en wiens handicap erkend is in de verblijfslidstaat.

B. MATERIEEL TOEPASSINGSGEBIED:

Te beginnen met de uitgesloten domeinen:

De duidelijkste uitsluiting is deze van de sociale zekerheid. Ook bij de sociale bijstand kan een beeld gevormd worden (alles wat met persoonlijke behoefte te maken heeft).
Wat niet helemaal duidelijk is zijn de bijzondere al dan niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties op gebied van sociale zekerheid, sociale bijstand en werkgelegenheid. Daar kunnen veel dingen onder vallen.

Bijvoorbeeld: wat zijn de bijzondere prestaties op gebied van werkgelegenheid? Valt daar individueel maatwerk in Vlaanderen onder? Op zich zou een werkzoekende EU-burger met een handicap daar wel gebruik van kunnen maken op grond van art. 45 (2) VWEU, aangezien het gaat om een uitkering die de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijkt (arrest Alimanovic, C‑67/14). Aldus zou daarbij gewoon het gebruik van de EDC in de aanvraagprocedure uitgesloten worden?

Bijzondere prestaties op vlak van sociale bescherming: valt daar sociaal tarief telefonie en internet onder?

⇒ Elke kaarthouder moet ondubbelzinnig weten waar deze recht op heeft. Dit is nodig om rechtszekerheid als een beginsel van behoorlijk bestuur te waarborgen. De adviesraden eisen dan ook dat elke lidstaat verplicht zal zijn om een website te maken waarop duidelijk opgesomd staat bij welke prestaties/uitkeringen de EDC niet geldig is.
⇒ Daarnaast moet ook duidelijk zijn waar de EDC wel inzetbaar is. Van groot belang hierbij is dat minstens de bijzondere voorwaarden aangeboden binnen de vervoersector en door overheidsinstellingen opgesomd worden. Verder moeten er voorbeelden aangehaald worden van wat mogelijk is bij particuliere dienstverleners.

Dan wat betreft het toepassingsgebied van de EDC:

Wat volgt zal een opsomming zijn van een aantal vraagstukken die opgelost moeten worden. De adviesraden benadrukken direct dat de eventuele moeilijkheid om bepaalde bijzondere voorwaarden of voordelen aan te bieden aan houders van de EDC-kaart niet opgelost mag worden door het terugschroeven van deze voorwaarden of voordelen.

Rekening houdend met art. 22ter en art. 23 GW mogen er geen bijzondere voorwaarden of voordelen teruggeschroefd worden omdat ze moeilijk te verwezenlijken zouden zijn voor iedere EDC-houder.

Bijzondere voorwaarden verbonden aan een bepaalde handicap:

Sommige bijzondere voorwaarden zijn verbonden aan het hebben van een bepaalde handicap. Zo zijn de meeste kaarten voor personen met een handicap binnen het openbaar vervoer (zie voor een opsomming Advies 2023/12) in België verbonden aan het hebben van een bepaalde (graad van) handicap.

Hoe zal de EDC ingezet kunnen worden om gelijke behandeling te verzekeren van personen uit andere lidstaten?
De EDC biedt kansen om het complexe systeem ook te vergemakkelijken voor Belgische staatsburgers (interregionaal vervoer, assistentie, intermodaliteit, …).

Bijzondere voorwaarden verbonden aan een verblijfsvereiste:

Andere bijzondere voorwaarden (bv. zwembad, sporthal) in België zijn verbonden aan een verblijfscriterium. Een verblijfscriterium is meestal gerechtvaardigd voor sociale bijstandsuitkeringen om een band met de verblijfsstaat te bewijzen en het financieel evenwicht van de verblijfsstaat te garanderen. Gezien het feit dat sociale uitkeringen uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van de EDC, maar de EDC wel geldt voor alle andere bijzondere voorwaarden, zou een verblijfscriterium een indirecte discriminatie kunnen vormen. Belgische houders van de EDC kunnen immers makkelijker aan de verblijfsvoorwaarde voldoen dan buitenlandse houders van de EDC (arrest Giersch e.a., C-20/12).

Op louter Belgisch niveau biedt de EDC dan weer wel kansen om interfederale knelpunten op te lossen (zoals bv. toegang tot een gebarentolk op het werk voor een persoon wonend in een regio en werkend in een andere...).

Voor de vervoersector – voorbeeld van een gratis jaarabonnement bij De Lijn – vragen de adviesraden om gratis ritten mogelijk te maken i.p.v. een jaarabonnement voor houders van de EDC. Enkel zo kan het vrij verkeer van personen met een handicap uit andere lidstaten echt gefaciliteerd worden. Bovendien is dit ook eenvoudiger voor Belgische EDC-houders.
De adviesraden zijn hoopvol over de inzetbaarheid van de EDC om meer coherentie en gelijkheid te verkrijgen voor de Belgische burgers op vlak van toegang tot bijzondere voordelen in alle regio’s, onafhankelijk van de domicilie.

Bijzondere voorwaarden voor (buitenlandse) studenten (uit een andere regio):

Zal de EDC door buitenlandse studenten of studenten uit een andere regio ingezet kunnen worden bij de aanvraag van een bijzonder statuut (coaching, examenfaciliteiten) op Belgische universiteiten?
En wat met een aanvraag voor aangepast materiaal bij bv. de cel Speciale Onderwijsleermiddelen van het Vlaams Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI)?
Hoe zit het met de terugbetaling van vervoerkosten voor studenten met een handicap, bv. door het VAPH?

Al deze voorbeelden betreffen geen ‘sociale prestaties’ en lijken dus onder het toepassingsgebied van de EDC te vallen.
De adviesraden wijzen opnieuw op het feit dat sommige studenten met bepaalde noden (nog) geen erkenning hebben van de handicap en bijgevolg geen EDC bezitten. De invoering van de EDC mag deze studentengroep niet uitsluiten van het recht op redelijke aanpassingen.

C. GELDIGHEIDSDUUR:

Met betrekking tot de EDC:

De EDC is volgens art. 6 (6) Voorstel Richtlijn minstens even lang geldig als de langste erkenning van een handicapstatus. Desalniettemin moet op de EDC wel een vervaldatum bepaald worden volgens Bijlage I Voorstel Richtlijn.

Gezien het feit dat sommige handicaps een erkenning van een onbepaalde duur hebben, moet er wel een redelijk lange vervaltermijn mogelijk zijn bv. 10 jaar (naar analogie van de geldigheid van de identiteitskaart). De kaart moet dan wel automatisch door de bevoegde instantie verlengd en (gratis) verzonden worden na de vervaldatum. De optie die nu in België vanaf 1 januari 2024 van start zal gaan.

Anderzijds kan op de fysieke kaart een QR-code voorzien worden die de geldigheid van de EDC-kaart aantoont aan de dienstverleners. Dit lijkt een budgetbesparende maatregel aangezien er geen extra geld dient te gaan naar het maken van nieuwe EDC-kaarten telkens de vervaltermijn om is. Daarnaast is een dergelijke oplossing ook handiger als een persoon overlijdt – dan moet de familie zich niet bezig houden met administratieve formaliteiten rond de teruggave van de EDC.

De adviesraden dringen er op aan dat deze overweging meegenomen wordt door de Belgische vertegenwoordigers in de onderhandelingen en de Belgische experten die geraadpleegd zullen worden (ex 11 (4) Voorstel Richtlijn).
⇒ De foto zal wel regelmatig aangepast moeten worden.

Inzake de Europese Parkeerkaart:

Voor de Europese parkeerkaart wordt geen geldigheidsduur bepaald in het Voorstel van Richtlijn. Niettemin moet op de achtergrond wel een vervaldatum bepaald worden volgens Bijlage II Voorstel Richtlijn.

Ook hier zijn twee opties denkbaar: een geldigheidsdatum op de kaart of een QR-code.

Wat betreft optie één, zie Advies 2023/09: de geldigheidsdatum van de parkeerkaart moet duidelijk zichtbaar zijn. Deze moet beperkt zijn tot 5 jaar. Vernieuwing moet automatisch gebeuren (en gratis verzending), zonder extra administratieve last te veroorzaken voor de rechthebbende kaarthouder.
Inzake optie twee geldt dezelfde overweging als voor de EDC.

D. FORMAAT:

DIGITAAL EN FYSIEK:

Het is goed dat er en een digitaal en een fysiek formaat voorzien worden. Het is belangrijk dat dat en/en verhaal volgehouden wordt. Gezien de digitale kloof (zie Positienota Digitale kloof) mag het digitale formaat niet de dominante variant worden bij de dienstverleners. Deze laatsten moeten er goed van op de hoogte zijn dat er ook een fysieke kaart is die evenwaardig is.

GEGEVENS - EDC:

Art. 6 (1) Voorstel Richtlijn maakt duidelijk dat het digitale formaat van de kaart niet meer gegevens mag bevatten dan het fysieke formaat.

Misschien kan het handig zijn om ook op de EDC de instantie te vermelden die de kaart uitgeeft. Bijvoorbeeld in het geval dat iemand de kaart verloren heeft, dan kan de vinder aflezen waar hij deze eventueel kan afgeven.

Momenteel is niet voorzien dat het soort of de graad van handicap zichtbaar zal zijn op de kaart. De adviesraden gaan akkoord met het EDF dat dit een goede zaak is die niet enkel stigmatisering voorkomt, maar ook het vastzitten van de wetgeving op grond van gegevensbeschermings- en privacy-overwegingen.

Sommige verenigingen zouden graag een soort logo zien op de kaart die hun aanpassingsnoden duidelijk zou maken en eventuele communicatiebarrières zou overbruggen. Er is dan ook vraag vanuit bepaalde verenigingen naar het vrijhouden van voldoende plaats op de achterkant van de EDC voor een eventuele sticker die door verenigingen uitgewerkt kan worden.

De NHRPH en de Waalse Adviesraad stellen dat dit de eenvormigheid van de zal EDC aantasten. Het lijkt een onmogelijke klus om eenzelfde logo in alle EU-lidstaten overeen te komen voor bepaalde aanpassingsnoden. Daarnaast zijn er personen met een meervoudige handicap en meerdere aanpassingsnoden. Verder kan iemand niet verplicht worden zijn aanpassingsnoden te delen, wat wil zeggen dat er op sommige EDC’s noden en/of logo’s zouden staan en op andere niet. Dit kan het verwachtingspatroon van dienstverleners negatief beïnvloeden waardoor ze niet gaan weten wat te doen met een persoon zonder aanduiding van zijn noden…

De NHRPH en de Waalse Adviesraad zijn van mening dat wie wil, zijn aanpassingsnoden duidelijk kan maken op een andere manier.

Eventueel vermelding van de instantie die de EDC uitgegeven heeft op de kaart.
Geen vermelding van de soort en/of de graad van handicap op de kaart.
In elk geval dient de handicapsector overeenkomstig art. 4 (3) UNCRPD geraadpleegd te worden wat betreft de toevoeging van andere gegevens op de EDC dan deze die vermeld staan in het voorstel van richtlijn.
Daarnaast moeten de kaarthouders ook te allen tijde weten welke data voor welke doelstellingen gebruikt worden (minimale gegevensverwerking en doelbinding binnen GDPR).

GEGEVENS – EUROPESE PARKEERKAART:

In het voorstel van richtlijn staat bepaald: “als de kaart aan een voertuig is gekoppeld, moet de kentekenplaat zichtbaar zijn.” Betere verwoording zal nodig zijn, want in België dienen kaarthouders online de kenteken van de te gebruiken auto registratie en linken aan hun parkeerkaart om boetes te vermijden. In dit geval is een parkeerkaart wel altijd ‘gekoppeld’ aan de te gebruiken auto – die niettemin kan wijzigen.

Het principe dat een parkeerkaart gelinkt is aan de persoon moet gewaarborgd blijven. Zie ook Zie ook Advies 2022/19; Advies 2021/32; Advies 2020/04.

E. RECHT OP TOEGANKELIJKE INFORMATIE:

Art. 9 (7) en art. 15 (3) Voorstel Richtlijn bepalen dat informatie rond de voorwaarden en de procedures voor de afgifte, de verlenging of de intrekking van de kaarten op een toegankelijke wijze beschikbaar moet zijn op de websites van particulieren of overheidsinstanties.

Zoals reeds aangehaald in de inleiding en onder punt B – materieel toepassingsgebied, is deze verbintenis niet voldoende.

⇒ Het moet duidelijk zijn voor een kaarthouder uit een andere lidstaat waar deze terechtkan voor informatie en dit kan enkel via een EU-website (die eventueel doorlinkt naar de nationale websites). Zie in dat verband ook de eis van het EDF.
Het feit dat er klachten kunnen komen over het gebruik van de EDC dan wel de Europese Parkeerkaart rechtvaardigt ook de nood voor een EU-website. Zo kan een gecentraliseerd platform voor klachtenbehandeling opgezet worden en hoeft de ‘reizende’ EU-burger niet nodeloos op zoek te gaan naar de correcte instantie.
⇒ De informatie moet ook in het Engels beschikbaar zijn.
⇒ Verder moet de informatie over de voorwaarden van de EDC concreet opsommen:

      • welke prestaties buiten het toepassingsgebied van de EDC vallen;
      • welke prestaties in de vervoersector en van overheidswege er allemaal zijn;
      • voorbeelden van prestaties die bij particulieren beschikbaar zijn.

⇒ De informatie over de voorwaarden van de Europese Parkeerkaart moet ook duidelijk vermeld worden. Dat betekent in het concrete geval van België dat er eindelijk gewerkt zal moeten worden aan een duidelijk overzicht (zoekfunctie per stad/gemeente) van de verschillende regels inzake betaling, duur parkeertijd, plaatsen waar men mag parkeren, regels inzake de LEZ-zones, hoe men een eventueel onterechte parkeerboete kan aanvechten etc.
⇒ Uniformiseren van de regels (bij voorkeur gratis en onbeperkt parkeren voor personen met een parkeerkaart) is de beste oplossing.

F. PLICHT VOOR TE LICHTEN & AAN TE MOEDIGEN:

De lidstaten moeten overeenkomstig art. 9 (2) Voorstel Richtlijn het publiek voorlichten over het bestaan van de kaarten.

⇒ Voor de adviesraden betekent dit eerst en vooral een kans om het publiek in het algemeen en de dienstverleners in het bijzonder bewust te maken van het in art. 22ter GW vastgelegde recht op inclusie van personen met een handicap en hun nood aan redelijke aanpassingen die verder reikt dan een gratis toegang tot
⇒ Er moet ingezet worden op bewustmaking rond het belang van toegankelijkheid en universeel ontwerp.
Wat betreft de overheid, verwijzen de adviesraden door naar het interfederaal Advies 2023/03 waarin duidelijk gevraagd wordt om een concrete toegankelijkheidsaanpak met meetbare doelstellingen en vaste deadlines.

Daarnaast moeten de lidstaten op grond van art. 15 (2) Voorstel Richtlijn particulieren of overheidsinstanties aanmoedigen om vrijwillig in bijzondere voorwaarden of voorkeursbehandelingen voor personen met een handicap te voorzien.

⇒ De overheid moet dienstverleners niet enkel bewustmaken over inclusie, maar ook actief stappen ondernemen om ze aan te moedigen om in bijzondere voorwaarden te voorzien.
⇒ Daarvoor zal een vorm van samenwerking opgezet moeten worden, zij het via workshops of conferenties…⇒ Er is veel deskundigheid op vlak van toegankelijkheid beschikbaar bij CAWaB en Inter. Deze moeten betrokken worden bij de samenwerking.
Los van de EDC moet er ook binnen de NBN dringend gewerkt worden aan toegankelijkheidsexpertise. Zie interfederaal Advies 2023/03.
De adviesraden wensen dat er extra ingezet wordt op een coherent aanbod van bijzondere voorwaarden in de transportsector.
Daarbij moet er ook voldoende aandacht besteed worden aan intermodaliteit en assistentie. Zie het interfederaal Advies 2023/03.

G. CONTROLE:

Overeenkomstig art. 9 (6) Voorstel Richtlijn moeten de lidstaten de naleving controleren van:

    • enerzijds de verplichtingen verbonden aan de kaarten;
    • anderzijds de overeenkomstige rechten van de houders van de kaarten.

⇒ Het zou handig zijn mocht er samen met de EU-website (waar om gevraagd wordt) ook één enkel contactpunt opgezet worden voor klachten. Kaarthouders zouden dan hun land kunnen aanduiden waardoor de klacht automatisch bezorgd wordt bij de juiste instantie.
Minstens moet de verantwoordelijke voor de behandeling van klachten duidelijk op de nationale websites vermeld staan.

H. SANCTIES:

Ingevolge 14 Voorstel Richtlijn zullen lidstaten sancties moeten voorzien in geval van schending van de nationale bepalingen die ten uitvoer van de richtlijn genomen worden.

⇒ Zie Advies 2023/09: de adviesraden eisen dat de sancties voor het gebruik van valse parkeerkaarten effectief worden toegepast.
⇒ Ook de parkeerovertredingen gelinkt aan parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor personen met een handicap moeten effectief beboet worden. Zie Advies 2023/04: dit is een kwestie van verkeersveiligheid. Mocht er een rijbewijs met punten komen, dan moeten deze parkeerovertredingen op de lijst van verkeersovertredingen komen die aanleiding geven tot strafpunten.
De adviesraden vragen om op de hoogte gehouden te worden over de andere sancties die ingevoerd zouden worden ingevolge de voorgestelde richtlijn.

I. EVALUATIE:

De adviesraden benadrukken dat bij de opmaak van het verslag van de Commissie overeenkomstig art. 16 (1) Voorstel Richtlijn, alle adviesraden in België geraadpleegd dienen te worden.

  • Raadplegingen: 12

Advies 2023/27 - Statuut van bewindvoerder

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

AANGEPAST ADVIES nr. 2023/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon, uitgebracht op 05/10/2023 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 04/10/2023 wegens de hoogdringendheid gemotiveerd door het feit dat het wetsontwerp in de commissie Justitie moest worden gestemd op 6 oktober 2023.

Aanpassing van 17/10/2023 na de mail van het kabinet van de Minister van Justitie van 05/10/2023

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Voorzitster en de leden van de commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 14 september 2023 werd het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers.


3. ANALYSE

A. Historiek

Op maandag 2 oktober 2023 heeft een lid van de werkgroep “Rechtsbekwaamheid” van de NHRPH het secretariaat van laatstgenoemde op de hoogte gebracht dat het wetsontwerp betreffende het statuut van een beschermd persoon was ingediend. Het lid wees in het bijzonder op artikel 9. Dit advies gaat ook over andere artikelen van het wetsontwerp.

B. Artikel 9 van het wetsontwerp

Artikel 9 is als volgt opgesteld:

In artikel 497/5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) het eerste tot het vijfde lid worden vervangen als volgt:

“§ 1. Na onderzoek en goedkeuring van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, overeenkomstig artikel 497/8, kan de vrederechter de bewindvoerder, op basis van een bijzonder met redenen omkleed verzoekschrift, bij een met redenen omklede beslissing, een forfaitaire vergoeding toekennen voor de door hem geleverde prestaties en gemaakte kosten in het kader van het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon.

De forfaitaire basisvergoeding voor de bewindvoerder bedraagt 1000 euro per jaar en per bewind.

In afwijking van het tweede lid mag de forfaitaire vergoeding echter niet hoger zijn dan het gemiddelde maandinkomen van de beschermde persoon.

Het eerste jaar van het bewind wordt het bedrag bedoeld in het tweede of derde lid verhoogd met 125 euro.

Bovendien kan een bijkomende forfaitaire vergoeding daarnaast, per jaar en per bewind, toegekend worden van 5 procent van de jaarlijkse inkomsten van de beschermde persoon boven 20.000 euro.

De Koning bepaalt de inkomsten van de beschermde persoon die  voor deze paragraaf in aanmerking kunnen worden genomen.

Indien verschillende personen werden aangesteld als bewindvoerders, over de persoon of over de goederen, bepaalt de vrederechter het aandeel in de vergoeding dat elk van hen ontvangt, in verhouding tot hun werkelijk geleverde prestaties.

Indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen of ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een vergoeding toe te kennen of een lagere vergoeding toekennen dan deze voorzien in deze paragraaf. 

In afwijking van het eerste lid kan de vrederechter geen vergoeding toekennen aan de ouder(s) van de beschermde persoon voor de geleverde prestaties in het kader van het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon.

De vrederechter kan de ouder(s) echter een bedrag van driehonderd euro per jaar toekennen om de kosten voor deze prestaties te vergoeden.

§ 2. De vrederechter kan de bewindvoerder, na mededeling van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.

Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon. Ook de uitzonderlijke kosten, gemaakt in het kader van de buitengewone ambtsverrichtingen en de prestaties bedoeld in paragraaf 1, kunnen als buitengewone ambtsverrichting beschouwd worden volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden.

De vergoeding voor de buitengewone ambtsverrichtingen, met inbegrip van de gemaakte kosten in het kader van de buitengewone ambtsverrichtingen, met uitzondering van de kosten bedoeld in het vijfde lid, bedraagt maximum 125 euro per uur. De vrederechter houdt bij de vaststelling van dit bedrag rekening met de aard, de complexiteit en de omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties alsook met de in het kanton gebruikelijke tarieven.

De verplaatsingskosten met betrekking tot de buitengewone ambtsverrichtingen worden vergoed volgens de kilometervergoeding bedoeld in artikel 74 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Behoudens uitzonderlijke gevallen worden enkel de verplaatsingen tussen het kanton van de, overeenkomstig artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegde vrederechter en de plaats waar de buitengewone ambtsverrichtingen worden vervuld, vergoed.

De Koning kan bepalen welke ambtsverrichtingen als buitengewoon kunnen worden beschouwd en welke kosten als uitzonderlijk kunnen worden beschouwd.

§ 3. ….”

C. Artikel 9 in het voorontwerp van wet

Op 17 februari 2023 heeft de minister van Justitie het advies van de NHRPH gevraagd over het voorontwerp van wet betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon. Op 20 maart 2023 werd advies 2023-07 uitgebracht.

Artikel 9 van het voorontwerp was als volgt opgesteld:

In artikel 497/5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 31 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° het eerste tot het derde lid, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden vervangen als volgt:

“§ 1. Na onderzoek van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, overeenkomstig artikel 497/8, en de goedkeuring ervan, kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een vergoeding toekennen voor de door hem geleverde prestaties en gemaakte kosten in het kader van het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon.

De Koning bepaalt de inkomsten die als berekeningsbasis dienen voor de bepaling van de vergoeding van de bewindvoerder, alsook de wijze waarop de forfaitaire vergoeding wordt begroot.

De vrederechter kan een bedrag toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan het door de Koning bepaalde forfait.

Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter het aandeel in de vergoeding dat elk van hen ontvangt, in verhouding tot de werklast.
Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een vergoeding toe te kennen of een lagere vergoeding toekennen.”;

2° de bestaande tekst van het vierde lid zal paragraaf 2 vormen;

3° in het vijfde lid, waarvan de bestaande tekst paragraaf 3 zal vormen, wordt het woord “bezoldiging” vervangen door het woord “vergoeding”;

4° in het zesde lid, waarvan de bestaande tekst paragraaf 4 zal vormen, worden de woorden “in  het eerste, derde en vierde lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging” vervangen door de woorden “in dit artikel bedoelde vergoedingen, enige vergoeding.”

D. De andere bepalingen van het wetsontwerp

Het wetsontwerp maakt een onderscheid tussen de categorie van de familiale bewindvoerders en die van de professionele bewindvoerders en bepaalt de voorwaarden die eigen zijn aan elk van hen om te worden aangewezen als bewindvoerder in een dossier van rechterlijke bescherming.

Het ontwerp voorziet eveneens in de oprichting van een nieuw register van professionele bewindvoerders. Dat register zal bepaalde informatie bevatten die de behandeling van de procedure van opname en de identificatie van de professionele bewindvoerders zullen vergemakkelijken.

De procedure van opname, verlenging van opname of uitschrijving in het nationaal register van professionele bewindvoerders wordt beschreven.


4. ADVIES

A. Wat betreft de raadpleging van de NHRPH en de deelname van verenigingen voor personen met een handicap aan de debatten

De NHRPH werd niet in kennis gesteld van dit wetsontwerp. Redelijkerwijs kan van de NHRPH niet worden verwacht dat hij alle werkzaamheden van de regering kan volgen. In onderhavig geval maakt deze hervorming van de minister van Justitie deel uit van het Federaal Plan Handicap: formeel was voorzien dat alle actiepunten van dit Plan zouden worden ontwikkeld in overleg met de NHRPH EN overeenkomstig de UNCRPD-beginselen (regelmatige raadpleging van de NHRPH tijdens de hele denkoefening en het redactiewerk). Dit is niet het geval geweest, ondanks het herhaaldelijke schriftelijke verzoek tot interpellatie (per brief) van de NHRPH aan de minister van Justitie. Dat is totaal ONAANVAARDBAAR! Verwachten dat de NHRPH in staat is om een 237 pagina’s tellend wetsontwerp volledig en gedetailleerd in 2 dagen te analyseren, is bovendien op het randje van minachting voor de taken van de NHRPH.

Daarnaast werden er belangrijke wijzigingen aangebracht in artikel 9 van het wetsontwerp ten opzichte van het voorontwerp van wet. De NHRPH werd niet op de hoogte gebracht van deze wijzigingen tussen het uitbrengen van advies 2023-07 over artikel 9 van het voorontwerp en het indienen van het wetsontwerp bij de Kamer. De NHRPH betreurt ten zeerste dat hij niet werd geraadpleegd in een dossier dat nochtans zo belangrijk is voor het dagelijks leven van personen met een handicap en hun gezinnen!

Ten slotte neemt de NHRPH akte van de hoorzittingen van de commissie Justitie. Er werden o.a. vertegenwoordigers van advocaten gehoord. Verschillende verenigingen voor personen met een handicap hadden gevraagd om te worden gehoord. Aan dit verzoek werd geen gevolg gegeven. Als dit niet in strijd met de basisprincipes van de door heel wat partijen geprezen participatieve democratie, wat dan wel?

Kortom, de haast die we zien in dit dossier voorspelt niet veel goeds voor de verwachtingen van personen en hun gezinnen. De langverwachte hervorming van de wet van 2013 moet in alle behoeften voorzien. De tekst die op tafel ligt, moet constructief worden onderzocht.

De NHRPH eist dat het tijdschema van de debatten en van de stemming wordt verlengd, zodat de behoeften en verwachtingen van personen met een handicap en hun gezinnen worden geïntegreerd.
De NHRPH dringt erop aan dat de vertegenwoordigers van de verenigingen voor personen met een handicap, net als andere ondersteunende professionals, betrokken worden bij elk debat over personen met een handicap.
De NHRPH heeft in het verleden zelf heel wat adviezen uitgebracht en vraagt om te worden gehoord.
De denkoefeningen die zullen volgen, zijn dus de eerste denkoefeningen en ze zullen niet exhaustief zijn; de NHRPH zal niet kunnen worden verweten dat hij zich niet heeft uitgesproken over bepaalde punten.

AANPASSING van 17 oktober 2023 : Volgend op het bezorgen van het oorspronkelijke advies aan de leden van de Commissie Justitie en het kabinet van de Minister van Justitie op 5 oktober 2023, heeft een adviseur van de Minister dezelfde dag een e-mail aan de Voorzitster et het secretariaat van de NHRPH bezorgd :

“De teneur van uw advies verbaast me, want we hebben uw organisatie systematisch geraadpleegd tijdens de uitwerking van dit ontwerp, net zoals dat het geval is voor het ontwerp van koninklijk besluit dat nog in voorbereiding is. Over de vergoeding van de bewindvoerders werd uw advies gevraagd op 5 mei laatstleden. Deze vraag om advies vindt u bijgevoegd. De deadline voor het advies was 9 juni.”

Sinds de oprichting van de NHRPH is zoiets nog nooit voorgevallen. Jammer genoeg kan de NHRPH de oorzaak van dit mankement niet achterhalen: de Voorzitster noch het secretariaat hebben de mail van 5 juni ontvangen.

Het advies was inhoudelijk identiek geweest als het in mei was opgesteld. De NHRPH gaat ervan uit dat het kabinet er rekening mee zou hebben gehouden bij het opstellen van het ontwerp. Waarom heeft het er dan geen rekening mee gehouden en de opmerkingen verwerkt in de versie die in oktober besproken is geweest in de Commissie van het Parlement?

De NHRPH wijst er met klem op dat vertegenwoordigers van de verenigingen van personen met een handicap ook hadden moeten worden gehoord. Ook hadden de debatten binnen de Commissie Justitie langer moeten duren. De NHRPH herhaalt dat het hier om een gevoelig dossier gaat met een impact op minstens 136.000 gezinnen in het land.

B. Over de vermelding van het advies van de NHRPH in het wetsontwerp

In de memorie van toelichting wordt vermeld dat de NHRPH werd geraadpleegd. Het nummer van het advies wordt evenwel niet vermeld en het advies is niet bij het wetsontwerp gevoegd (in tegenstelling tot het advies van de Raad van State en het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit). De volksvertegenwoordigers hebben dus geen rechtstreekse toegang ertoe. De NHRPH blijft zo onzichtbaar voor de volksvertegenwoordigers.

De NHRPH vraagt dat het advies in de toekomst bij ieder wetsontwerp wordt gevoegd, of dat er op zijn minst correct naar wordt verwezen in het ontwerp (nummer van het advies en link naar de website van de NHRPH).

C. Wat betreft de vergoeding van de bewindvoerders

De basisdoelstelling is lofwaardig: ervoor zorgen dat de vergoeding van de bewindvoerders eenvoudig, transparant en voorspelbaar is. De NHRPH is evenwel van mening dat het idee van het forfait (in de plaats van het huidige percentage van 3%) niet de juiste oplossing is.
Het voorgestelde forfait van € 1000 per jaar lijkt voor personen met een jaarinkomen dat varieert tussen € 15.000 en € 20.000 inderdaad dicht bij de huidige gebruikelijke kosten te liggen. Maar de NHRPH benadrukt dat dit voor personen met een lager inkomen dat een moeilijk te dragen extra last zal betekenen. De Raad van State heeft dit overigens ook in zijn advies vermeld (RvS, nr. 73556, art. 9, punt 1).

De NHRPH vreest overigens dat het forfait de bewindvoerder niet zal aanmoedigen tot een meer humaan en regelmatig beheer. Zal het automatische karakter van het forfait niet leiden tot minimalistisch werk? Bovendien is het opstellen van het jaarverslag soms het enige middel voor de vertrouwenspersoon en de naasten van de beschermde persoon om de activiteiten van de voorlopige bewindvoerder te controleren. Als het verslag slordig wordt opgesteld, bestaat er een reëel risico dat de naasten van een onder bescherming geplaatste persoon dit schaarse middel om de kwaliteit van de administratieve, financiële en sociale opvolging te controleren, verliezen.

Het idee om het controlewerk van de vrederechter te verminderen, is daarentegen een heel goede zaak, OP VOORWAARDE DAT de tijd die hierdoor vrijkomt, wordt voorbehouden voor een betere opvolging van personen met een handicap en voor ondersteuning van hun gezin.

Het wetsontwerp vermeldt in de toelichting bij de artikelen het volgende: “De forfaitaire basisvergoeding mag echter niet hoger zijn dan het gemiddeld maandelijks inkomen van de beschermde persoon. In de praktijk zal deze beperking enkel gelden voor samenwonende personen (zonder gezin ten laste) die een leefloon trekken (op 1 juli 2023 vastgesteld op € 825,61). Dit zal niet van toepassing zijn op alleenstaande personen die een leefloon trekken (€ 1.238,41) noch op personen die samenwonen met een gezin ten laste met leefloon  (€ 1.673,65).”

De NHRPH is van mening dat de menselijke waardigheid niet wordt gerespecteerd wanneer het inkomen van een samenwonend persoon met 1/12 wordt verminderd en dat van een alleenstaand persoon die nauwelijks meer dan € 12.000 verdient met € 1.000 wordt verminderd. De NHRPH vindt dit onaanvaardbaar. Zoals het ontwerp nu is: hoe lager het inkomen, hoe hoger het relatieve percentage dat aan beschermingskosten wordt besteed: 8,3 % voor een samenwonend persoon, 6,7 % voor een alleenstaand persoon en 5 % voor een persoon met gezinslast. Volgens Statbel bedraagt de armoedegrens in België 1.366 euro per maand voor een alleenstaand persoon en 2.868 euro voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen (gegevens op 16/02/2023).

De NHRPH vraagt dat de grens voor het ontvangen van de vergoeding wordt verlaagd tot de armoedegrens.

D. Wat betreft het ten laste nemen van de vergoedingen en kosten van de bewindvoerders door een openbare overheid

In de memorie van toelichting staat het volgende:

Voor zover de beschermde persoon over onvoldoende inkomsten beschikt om de basisvergoeding te betalen, zou het verschil kunnen worden betaald door het OCMW, op basis van artikel 1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW-wet). Dit gebeurt reeds op deze manier in de meeste kantons.

De NHRPH is evenwel van mening dat er te veel onzekerheden bestaan over de tenlasteneming van de vergoedingen en kosten door de OCMW’s. De NHRPH vindt dat deze kosten door een federale dienst ten laste moeten worden genomen (bijvoorbeeld de RSZ of het Verzekeringsfonds) en dat er een duidelijke regel moet komen.

De NHRPH vraagt dat de mogelijkheid wordt onderzocht van het ten laste nemen van de kosten van het bewind door de overheid (Sociale Zekerheid, Verzekeringsfonds) wanneer de inkomsten van de beschermde persoon onder de armoedegrens liggen.

E. Wat betreft alle andere in het wetsontwerp opgenomen principes

  • De NHRPH herinnert aan zijn advies 2023-07 en met name aan het volgende punt: de kandidaat-professionele bewindvoerders zullen een theoretische en praktische opleiding moeten volgen. De NHRPH is bijzonder tevreden over het feit dat deze opleiding verschillende aspecten omvat en dat het niet enkel om een juridische vorming gaat. Maar dat is helemaal niet voldoende, rekening houdend met de “sociale en menselijke” functie van de bewindvoerder.

De NHRPH vraagt dat de volgende opleidingen worden toegevoegd: opleiding voor de UNCRPD-beginselen: inclusie (art. 3 (c)), keuzevrijheid (art. 3 (a)), ondersteuning in plaats van vervanging (art. 12 (3)), de resterende capaciteiten van de persoon met een handicap zien en erkennen (art. 12 (4)). 

  • De rol van de familiale bewindvoerder wordt gevaloriseerd: de NHRPH is hierover tevreden.
  • De NHRPH waardeert het voornemen om een deontologische code voor de professionele bewindvoerders op te stellen (artikel 27).

De NHRPH vraagt te worden geraadpleegd tijdens het redactieproces. De NHRPH vraagt ook dat een code van goede praktijken voor de familiale bewindvoerders wordt opgesteld.

  • In 2013 werd in een opvolging en een evaluatie van de wet voorzien. Er werd ook voorzien om volledigere gegevens over het bewind te verzamelen. Hoe staat het daarmee? Wanneer zullen deze projecten worden opgezet? De NHRPH heeft vernomen dat een universitaire studie betreffende de evaluatie van de wet werd aangevat. Hoe zal de overheid de resultaten van de studie in aanmerking nemen?

De NHRPH vraagt om betrokken te worden bij het evaluatieproces. Het is essentieel dat de stem van de personen en hun gezinnen wordt geïntegreerd.

  • De NHRPH is van mening dat het ontwerp de buitengerechtelijke lastgeving Was dit de intentie van de Minister van Justitie?
  • Het probleem van het gebrek aan personeel in de vredegerechten blijft bestaan, zelfs al zal het beperken van de taken voor het controleren van de kosten van de bewindvoerders voor hun lopende activiteiten tijd vrijmaken in de griffies. Dit houdt een mooie kans in om in alle kantons ondersteunende activiteiten voor de familiale bewindvoerders en voor de vertrouwenspersonen te ontwikkelen (organiseren van een periodieke zitdag, opleidingen, …).

De NHRPH vraagt dat nieuwe menselijke en financiële middelen worden toegekend aan alle vredegerechten om de steun aan de personen en hun gezinnen te verhogen en op elkaar af te stemmen.
De NHRPH vraagt op zijn minst om de tijd die wordt bespaard op controle- en verificatietaken te herbestemmen voor het ondersteunen van personen en gezinnen.

  • De kwestie van het invullen van de rol van de vertrouwenspersoon door een rechtspersoon is niet voorzien in het wetsontwerp en daarover is nog geen beslissing genomen. Deze problematiek vereist dringend aandacht: bij het overlijden van de ouders van een persoon zou een rechtspersoon het bewind kunnen overnemen. Dit zou heel wat gezinnen in staat stellen om de volgende fase van de tenlasteneming sereen aan te vatten.

De NHRPH vraagt dat de kwestie van de rol van de vertrouwenspersoon uitgeoefend door een rechtspersoon snel wordt onderzocht.

F. Wat betreft het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en de ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd

De NHRPH heeft een verzoek om advies voor dit voorontwerp gekregen: het advies zal worden besproken tijdens de plenaire vergadering van de NHRPH op 16 oktober. Voor dit voorontwerp van koninklijk besluit zal dus een afzonderlijk advies worden opgesteld.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2023/21 - Terugbetaling van logopediekosten

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2023/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de voorwaarden voor de terugbetaling  van de logopediekosten door de verzekering voor geneeskundige verzorging, bepaald bij artikel 36 van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen – toepasselijke versie van 1 mei 2023.

Advies uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/10/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan:
    • de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
    • het Belgische Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV).
  • Ter informatie aan:
    • De overeenkomstencommissie logopedisten-verzekeringsinstellingen;
    • Mevrouw Hilde Crevits, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
    • Mevrouw Christie Morreale, Viceminister-president van de Waalse Regering en Minister van Werk, Sociale Zaken, Gezondheid en Gelijke Kansen;
    • De heer Antonios Antoniadis, Viceminister-president van de Duitstalige Gemeenschap en Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, Ruimtelijke Ordening en Huisvesting;
    • Mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
    • Unia;
    • Het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
    • De federale ombudsman.

2. ONDERWERP

Het advies betreft twee uitsluitingen van terugbetaling van monodisciplinaire logopedie via het RIZIV. De eerste uitsluiting gebeurt op basis van een intelligentiestoornis (IQ grens 86). De tweede uitsluiting betreft psychiatrische aandoeningen (meer bepaald autismespectrumstoornis (ASS)).


3. ANALYSE

A. Betwiste bepalingen:

Artikel 36 van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen – toepasselijke versie van 1 mei 2023, bepaalt in zijn §2, b), °2 en f) dat een verzekeringstegemoetkoming mag worden verleend voor zover de behandeling kan bijdragen tot een verbetering van de taal- en/of spraakstoornissen [b)] of dysfasie [f)]. Op voorwaarde evenwel dat er: “er geen intelligentiestoornis is (totaal IQ 86 of meer, gemeten met een individuele test).”

In zijn §3, lid 1 wordt gesteld dat er nooit een verzekeringstegemoetkoming verleend wordt ingeval de rechthebbende:

    • met taal-en/of spraakstoornissen of dysfasie buitengewoon onderwijs volgt (1°),
    • gehuisvest wordt in een door deelstaten gesubsidieerde instelling waar de functie ‘logopedist’ deel is van de erkenningsnorm (2°),
    • verblijft in een PVT, ROB of een RVT (4°),
    • wordt gerevalideerd in een inrichting die met het RIZIV of met de gefedereerde entiteiten een overeenkomst heeft gesloten die met name de behandeling door een logopedist dekt (°5).

In zijn §3, lid 2 wordt gesteld dat verzekeringstegemoetkoming eveneens uitgesloten is van logopedische behandeling van: “stoornissen ten gevolge van psychiatrische aandoeningen of emotionele toestanden (…)”.

B. Uitsluiting terugbetaling bij een intelligentiestoornis:

i. WAAROM?

Zowel tijdens de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen van 9 mei 2023, als tijdens de Interministeriële Conferentie van 31 mei 2023, stelde Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid dat de Overeenkomsten-commissie logopedisten-verzekeringsinstellingen meent dat voor kinderen met een lager IQ dan 86 een multidisciplinaire behandeling in een poliklinisch revalidatiecentrum geschikter en doeltreffender is. Het is de bedoeling het kind te leiden naar de voor hem of haar beste oplossing.

⇒ Er wordt verwezen naar de beste oplossing voor het kind. Dit stemt overeen met art. 3, §1 IVRK en art. 7 (2) UNCRPD waarin wordt gesteld dat het beste belang van het kind voorop dient te staan bij alle overwegingen. Daarbij verheldert het Kinderrechtencomité in de General Comment Nr. 14 (punt 32) dat op het wetgevend niveau dat betekent dat er rekening wordt gehouden met de omstandigheden van alle kinderen dan wel een specifieke groep kinderen en met alle andere rechten vervat in het IVRK.

Daaruit volgt dat er rekening moet worden gehouden met alle specifieke groepen kinderen en met de volgende rechten:

      • 18 (1) IVRK: ouders zijn de eerste verantwoordelijken voor de ontwikkeling van hun kind, de staat dient hen te ondersteunen.
      • 6 (2) IVRK: plicht van de staat om in de ruimst mogelijke mate de ontwikkeling van het kind te waarborgen.
      • 23 (2) IVRK: de staten dienen het recht van een kind met een handicap op bijstand dat passend is gezien de gesteldheid van het kind en de omstandigheden van de ouders te erkennen.
      • 24 (1) IVRK: de staten dienen te streven naar het waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op toegang tot de voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden.
      • 26 (1) IVRK: de staten dienen het recht van het kind op sociale zekerheid te erkennen.
      • 2 (1) IVRK: de rechten dienen zonder discriminatie gewaarborgd te worden.

In het kader van het UNCRPD betekent dit dat er rekening wordt gehouden met de volgende rechten:

      • 5 (3) UNCRPD: het recht op redelijke aanpassingen als onderdeel van non-discriminatie.
      • 24 (2)(a) UNCRPD: het recht om regulier onderwijs te volgen. Ook het Kinderrechtencomité haalt in de General Comment Nr. 9 (punt 66 en 67) onderstreept dat het recht op inclusief onderwijs onderdeel is van art. 23 IVRK.
      • 25 (a) UNCRPD: het recht op een zelfde aanbod, kwaliteit en standaard van gezondheidsdienstverlening als andere personen.
      • 25 (b) UNCRPD: het recht op vroege interventie bij kinderen en preventieve maatregelen;
      • 25 (c) UNCRPD : het recht op zorg dichtbij.
      • 25 (e) UNCRPD: het recht op een ziektekostenverzekering die op een eerlijke en redelijke wijze moet worden verstrekt, zonder discriminatie.

ii. BEGRIP ‘intelligentiestoornis’:

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bepaalde in haar 10de versie van de International Classification of Diseases (ICD) (2019) dat er vier niveaus van verstandelijke beperkingen  zijn:

      • licht (IQ 50-69),
      • matig (IQ 35-49),
      • ernstig (20-34),
      • vergaand (IQ <20).

Ongeveer dezelfde grenzen worden gehanteerd door het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) in hun rapport nr. 361 inzake de toegang van personen met een verstandelijke handicap tot gezondheidszorg (2022) (p. 23 volledige Engelstalige versie).

Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) definieert een verstandelijke handicap aan de hand van een intelligentiecriterium van een IQ van 70-75.

Het is belangrijk op te merken dat in de nieuwe, 11de versie van de ICD van de WHO (2022) niet langer verwezen wordt naar een bepaalde IQ grens. Er wordt immers gesteld dat: “IQ-scores kunnen variëren als gevolg van de technische eigenschappen van de specifieke test die wordt gebruikt, de testomstandigheden en een verscheidenheid aan andere variabelen en kunnen ook aanzienlijk variëren gedurende de ontwikkeling en levensloop van het individu. De diagnose van stoornissen in de intellectuele ontwikkeling mag niet alleen worden gesteld op basis van IQ-scores, maar moet ook een uitgebreide evaluatie van adaptief gedrag omvatten.”

Ook het VAPH diagnosticeert een verstandelijke beperking via multidisciplinaire teams die onder meer de patiënt in dagelijkse situaties observeren en niet louter o.b.v. een IQ-test.

Uit het voorgaande volgt dat de grens van 86 willekeurig te hoog opgelegd is om een verstandelijke beperking te diagnosticeren. Er is geen wetenschappelijke onderbouw voor, bijgevolg wordt deze grens waarschijnlijk gedreven door budgettaire redenen.

De nieuwe diagnostische criteria van het WHO sluiten een IQ-score zonder meer uit als een betrouwbare diagnose van een verstandelijke beperking. Aangezien art. 36, §2, b), °2 en f) spreken van een intelligentiestoornis en een IQ-test die deze moet vaststellen – komt dit de facto neer op het stellen van een diagnose louter o.b.v. een (te hoge) IQ grens, zonder rekening te houden met adaptief vermogen van de onderzochte persoon. Nochtans stellen verschillende studies dat de IQ scores van kinderen de huidige vaardigheden van kinderen weerspiegelen en geenszins het potentieel voor het aanleren van taal.

iii. BESCHIKBAARHEID logopedie:

    • Willekeurige IQ grens – schending 25 (e) UNCRPD en art. 26 (1) IVRK:

Personen met een geschat IQ van < 86 hebben geen toegang tot terugbetaling van monodisciplinaire logopedie o.g.v. art. 36, §2, b), °2 en f) bijlage bij het KB.

De grens van 86 ligt hoger dan wetenschappelijke normen. Daarnaast is een strikte grens ook niet aan te raden aangezien verschillende studies aantonen dat de IQ scores van kinderen de huidige vaardigheden van kinderen weerspiegelen en geenszins het potentieel voor het aanleren van taal. Ook UNIA onderstreept dit.

Daaruit volgt dat een strikte grens in het algemeen niet aan te raden is, er moet rekening worden gehouden met het adaptief vermogen van een kind.

Dit is een schending van art. 25 (e) UNCRPD en art. 26 (1) IVRK, aangezien de ziektekostverzekering niet redelijk, maar op discriminatoire wijze, die niet objectief, wetenschappelijk, te rechtvaardigen wordt verstrekt.

    • Uitsluiting van terugbetaling en moeilijke toegang tot monodisciplinaire logopedie op eigen kost – schending art. 6 (2) en art. 26 (1) IVRK; art. 25 (a), (b) en (e) UNCRPD:

De monodisciplinaire logopedie is ook zonder tussenkomst van RIZIV moeilijk toegankelijk, aangezien sommige geconventioneerde logopedisten kinderen met een verstandelijke beperking weigeren (p. 11) omdat deze niet gerekend kunnen worden bij te halen quota voor het sociaal voordeel.

⇒ Deze beperkte toegang schendt 6 (2) en art. 26 (1) IVRK: ruimst mogelijke ontwikkeling van het kind wordt gewaarborgd indien er een ruimst mogelijke aanbod aan terugbetaalbare hulp via sociale zekerheid gewaarborgd wordt.

⇒ Daarnaast is dit ook een schending van 25 (a) en (e) UNCRPD: het aanbod aan diensten voor personen met een verstandelijke handicap is niet evenwaardig aan het aanbod voor andere personen. Daarnaast wordt de ziektekostenverzekering niet zonder discriminatie verstrekt, aangezien het onderscheid tussen personen met een IQ > 86 en IQ < 86 niet objectief, wetenschappelijk, te rechtvaardigen valt.

⇒ Verder wordt ook 25 (b) UNCRPD geschonden, aangezien de toegang tot logopedie, vanaf jonge leeftijd, het positief gevolg hebben dat het ontstaan van gedragsstoornissen en de ontwikkeling van psychische problemen aanzienlijk verminderd wordt. Een derde van personen met een verstandelijke beperking ontwikkelt tijdens zijn/haar leven dergelijke problemen, een preventieve aanpak zou bijgevolg de zorgkosten van deze patiënten voor het RIZIV verlagen.

Kinderen kunnen wel terecht in buitengewoon onderwijs met een in-house logopedist en er zijn de centra voor ambulante revalidatie die multidisciplinaire behandeling met inbegrip van logopedie aanbieden. Dit wordt wetenschappelijk aangeraden voor personen met een verstandelijke beperking.

    • Piste 1: kind met verstandelijke beperking kan terecht in buitengewoon onderwijs (eventueel in combinatie met multidisciplinaire revalidatie):

Uit art. 36, §3, lid 1, °1 volgt dat kinderen die naar buitengewoon onderwijs gaan uitgesloten worden van terugbetaling van monodisciplinaire logopedie omdat er op deze scholen een eigen logopedist aanwezig is.

Probleem: geen controle of logopedie werkelijk verstrekt wordt + buitenschoolse periodes:
Zie Advies 2022/29: regelmatig klagen ouders dat hun kinderen geen logopedie krijgen omdat die uren worden gebruikt voor andere soorten revalidatie (fysiotherapie, …).

Daaruit volgt dat art. 24 (1) IVRK in het gedrang komt. Er zijn geen acties die streven te waarborgen dat het recht van deze kinderen op toegang tot gezondheidsvoorzieningen gewaarborgd wordt.

Probleem: recht op inclusief onderwijs:
Op grond van art. 23 IVRK en art. 24 (2)(a) UNCRPD hebben kinderen met een handicap recht op inclusief onderwijs.

Ten eerste, betekent dit dat inclusief onderwijs onder meer logopedieverstrekking vereist op reguliere scholen. Zie Advies 2023/03.

Ten tweede, betekent dit ook dat aan de ouders de keuze dient gelaten te worden om te beslissen of ze hun kind in buitengewoon onderwijs willen inschrijven of in het regulier onderwijs (zie Advies 2022/29). Indien voor het laatste gekozen wordt, moet er terugbetaling mogelijk zijn van de logopedie. Dit volgt uit art. 18 (1) IVRK dat stelt dat de staat de ouders die de primaire verantwoordelijken zijn voor de ontwikkeling van het kind, dient te ondersteunen. En ook uit het recht op inclusief onderwijs van art. 23 IVRK en art. 24 (2)(a) UNCRPD.

    • Piste 2: beschikbaarheid centra voor ambulante revalidatie:

Uit art. 36, §3, lid 1, °5 bijlage bij het KB volgt dat personen die bij de centra voor ambulante revalidatie zorg krijgen, uitgesloten worden van terugbetaling van monodisciplinaire logopedie.

Hoewel uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een multidisciplinaire aanpak het meest kwaliteitsvol is voor personen met een verstandelijke handicap, is deze beperking in aanbod van zorg nog altijd (zie hierboven) een schending van art. 6 (2) en art. 26 (1) IVRK en art. 25 (a) en (e) UNCRPD.

Probleem A: willekeurige grens van 86 – schending art. 25 (e) UNCRPD (zie hierboven).

Probleem B: beperkte toegang tot revalidatiecentra: in Wallonië is het probleem groter dan in Vlaanderen, maar beide kampen met slechte geografische spreiding van de revalidatiecentra en soms lange wachtlijsten.

Hoewel de uitbouw van de revalidatiecentra een deelstatelijke bevoegdheid is, is het aanpassen van het RIZIV-code een federale bevoegdheid. Deze aanpassing is nodig omwille van de volgende internationale verplichtingen van België:

    • België moet rekening houden met de omstandigheden van de ouders (lang rijden tot een revalidatiecentrum, lange wachtlijsten) bij het waarborgen van het recht van het kind op bijzondere zorg ( 23 (2) IVRK en art. 25 (c) UNCRPD) en het recht op de ruimst mogelijke ontwikkeling (art. 6 (2) IVRK).

    • Verder moet België waarborgen dat geen enkel kind (ook niet het kind dat ver van een revalidatiecentrum woont) wordt uitgesloten van toegang tot zorgvoorzieningen ( 24 (1) IVRK).

    • België moet het recht van het kind met een verstandelijke handicap op sociale zekerheid erkennen ( 26 (1) IVRK en art. 25 (e) UNCRPD).

C. Uitsluiting terugbetaling indien logopedie nodig is TEN GEVOLGE VAN een psychiatrische aandoening:

i. Begrip ‘autismespectrumstoornis’:

ASS wordt vermeld in de 5de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association (DSM-5). Bijgevolg wordt het als een psychiatrische aandoening aanzien, hoewel niet iedereen in de wetenschappelijke gemeenschap deze mening steunt (p. 288).

ii. Interpretatie ‘ten gevolge van’:

In de nomenclatuurlijst staat dat terugbetaling van monodisciplinaire logopedie uitgesloten is voor stoornissen ten gevolge van psychiatrische aandoeningen. In 2016 heeft de arbeidsrechtbank van Leuven reeds geoordeeld dat er geen causaal verband te bewijzen is tussen het hebben van ASS en spraakstoornissen. Bijgevolg concludeerde de rechtbank dat de ziekenfonds in dat concreet geval de monodisciplinaire logopedie diende terug te betalen.

Ook de beroepsorganisaties van logopedisten  (p. 288) lijken de mening van de rechtbank te volgen en interpreteren de nomenclatuur in de zin dat er geen terugbetaling mogelijk is indien er een causaal verband bewezen is tussen de psychiatrische aandoening en de spraakstoornis.

Volgens het RIZIV evenwel (p. 288), is er geen tussenkomst mogelijk zodra een psychiatrische aandoening gediagnosticeerd is.

Deze interpretatie gaat letterlijk in tegen de tekst van de nomenclatuurlijst, er staat in art. 36, §3, lid 2 NIET dat verzekeringstegemoetkoming uitgesloten is voor de behandeling van stoornissen bij psychiatrische aandoeningen. Er staat: ten gevolge van.

iii. BESCHIKBAARHEID logopedie: zie hierboven – BESCHIKBAARHEID logopedie.


4. ADVIES

A. Voorafgaand aan problemen bij toegang tot logopedie – diagnose van verstandelijke handicap en/of ASS:

Gelet op de wetenschappelijke richtlijnen onderstreept de NHRPH het belang van multidisciplinaire diagnostiek.

Het lijkt logische dat de huidige regels die terugbetaling van monodisciplinaire logopedie niet toe laten voor personen met een verstandelijke handicap dan wel ASS, dienen te vertrekken vanuit een vaststaande, multidisciplinaire diagnose.

B. (Gemengde) Toegang tot logopedie voor personen met een verstandelijke handicap – art. 36, §2, b), °2 en f):

Hoewel multidisciplinaire aanpak wetenschappelijk aangeraden wordt voor kinderen met een verstandelijke handicap, zijn er minstens drie juridische overwegingen waarom de toegang tot monodisciplinaire logopedie naast de multidisciplinaire aanpak mogelijk moet zijn.

Eerst omdat de IQ grens van 86 willekeurig opgelegd is, waardoor het onderscheid tussen personen met een IQ > 86 en een IQ < 86 niet objectief te rechtvaardigen is (i).

Vervolgens omdat de uitsluiting van terugbetaling van monodisciplinaire logopedie een impact heeft op het recht op inclusief onderwijs (ii).

Laatst omdat België haar internationale verplichtingen te goeder trouw dient uit te voeren o.g.v. art. 26 WVV. Deze verplichtingen omvatten onder meer de plicht rekening te houden met de omstandigheden van kinderen en hun ouders (art. 23 (2) IVRK en art. 25 (c) UNCRPD) en het recht op de ruimst mogelijke ontwikkeling van het kind (art. 6 (2) IVRK) (iii).

i. Willekeurige IQ grens – art. 25 (e) UNCRPD en art. 26 (1) IVRK:

Allereerst dient benadrukt te worden dat de grens van 86 hoger ligt dan de wetenschappelijke definitie van een lichte verstandelijke beperking (KCE, ISC: IQ 70-55;  VAPH: IQ 75-77). Wat is de reden buiten budgettaire overwegingen om?

Deze willekeurige IQ grens schendt art. 25 (e) UNCRPD en art. 26 (1) IVRK. De ziektekostenverzekering wordt op discriminatoire reden verstrekt, aangezien het onderscheid tussen personen met een IQ > 86 en IQ < 86 niet objectief, wetenschappelijk, te rechtvaardigen valt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een strikte IQ-grens niet wenselijk, aangezien verschillende studies aantonen dat de IQ scores van kinderen de huidige vaardigheden van kinderen weerspiegelen en geenszins het potentieel voor het aanleren van taal. Ook UNIA onderstreept dit.

ii. Recht op inclusief onderwijs en toegang tot gezondheidsvoorzieningen – art. 23 en 24 (1) IVRK; art. 24 (2)(a) en art. 25 (a) UNCRPD:

Kinderen hebben recht op inclusief onderwijs o.g.v. art. 23 IVRK en art. 24 (2)(a) UNCRPD. Dat wil zeggen dat aan de ouders, de primaire verantwoordelijken voor de ontwikkeling van het kind (art. 18 (1) IVRK), een keuze dient gelaten te worden om te beslissen of ze hun kind in buitengewoon onderwijs willen inschrijven of in regulier onderwijs. Deze keuze mag geen invloed hebben op RIZIV-tussenkomsten voor gezondheidszorg. Bijgevolg moet terugbetaalde monodisciplinaire logopedie buiten buitengewoon onderwijs ook beschikbaar zijn.

Verder wordt deze nood gerechtvaardigd door art. 24 (1) IVRK dat stelt dat België dient te waarborgen dat geen enkel kind zijn of  haar recht op toegang tot voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden. Er is immers geen controle of logopedie werkelijk verstrekt wordt tijdens de voorziene uren. Zo klagen ouders regelmatig dat hun kinderen geen logopedie krijgen omdat die uren worden gebruikt voor andere soorten revalidatie (fysiotherapie, … - zie Advies 2022/29). Daarnaast is er geen logopedieverstrekking in de vakanties…
Ook art. 25 (a) UNCRPD rechtvaardigt de nood aan terugbetaalde monodisciplinaire logopedie buiten buitengewoon onderwijs om. Het artikel stelt immers dat kinderen met een handicap het recht hebben op eenzelfde aanbod aan gezondheidsdienstverlening als andere personen.

iii. Internationale verplichtingen van België – art. 26 WVV:

De multidisciplinaire aanpak in de revalidatiecentra wordt aanbevolen voor kinderen met een verstandelijke beperking en met ASS. Desalniettemin zijn de revalidatiecentra slecht geografisch verspreid en zijn er soms lange wachtlijsten. In Wallonië is het probleem groter dan in Vlaanderen.

Hoewel de uitbouw van de revalidatiecentra (in lijn met art. 25 (c) UNCRPD) een deelstatelijke bevoegdheid is, is het aanpassen van de RIZIV-code een federale bevoegdheid. Deze aanpassing is nodig omwille van de volgende internationale verplichtingen van België:

      • België moet rekening houden met de omstandigheden van de ouders (lang rijden tot een revalidatiecentrum, lange wachtlijsten) bij het waarborgen van het recht van het kind op bijzondere zorg ( 23 (2) IVRK en art. 25 (c) UNCRPD).

      • België moet het recht op de ruimst mogelijke ontwikkeling van het kind trachten te verwezenlijken ( 6 (2) IVRK). Een ruimst mogelijke ontwikkeling kan enkel verzekerd worden indien er een ruim aanbod aan financieel toegankelijke gezondheidszorg is.
        In het verlengde hiervan ligt de vrije keuze van de beroepsbeoefenaar dat gewaarborgd is door art. 6 Wet Patiëntenrechten.

      • Verder moet België waarborgen dat geen enkel kind (ook niet het kind dat ver van een revalidatiecentrum woont) wordt uitgesloten van toegang tot zorgvoorzieningen ( 24 (1) IVRK).
        Samen gelezen met art. 18 (1) IVRK betekent dit dat de ouders als primaire verantwoordelijken voor de ontwikkeling van het kind kunnen rekenen op de bijstand van de staat. Dit ongeacht hun keuze van het soort logopedie dat zij in het beste belang van hun kind achtten in hun specifieke omstandigheden.

      • België moet het recht van het kind met een verstandelijke handicap op sociale zekerheid erkennen op een niet discriminatoire wijze ( 26 (1) IVRK en art. 25 (e) UNCRPD) – argumentatie onder punt (i).

De NHRPH sluit zich bijgevolg aan bij de oproep van UNIA om art. 36, §2, b), °2 en f) te herzien opdat ook kinderen met een verstandelijke handicap toegang zouden hebben tot monodisciplinaire logopedie en dat de mogelijkheid voorzien wordt om mono- en multidisciplinaire behandeling parallel te volgen.

⇒ De NHRPH onderstreept het belang van een multidisciplinaire aanpak en stelt vast dat monodisciplinaire logopedie mogelijk moet zijn, mits samenwerking met een multidisciplinair team (revalidatiecentra).

⇒ De NHRPH wenst ook te herinneren aan Advies 2023/03, verstrekt samen met de deelstatelijke adviesraden: er is nood aan meer logopedieverstrekking in reguliere scholen opdat het inclusief onderwijs effectief uitgerold zou kunnen worden.

C. (Gemengde) Toegang tot logopedie voor personen met ASS – art. 36, §3, lid 2:

Ook in geval van kinderen met ASS raden de wetenschappelijke richtlijnen een multidisciplinaire aanpak aan. Zo stelt onder meer het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) in een klinische praktijkrichtlijn van 2014 dat logopedie zo vroeg mogelijk moet opgestart worden bij kinderen met een spraak- en taalstoornis en dat de logopedie deel moet uitmaken van een multidisciplinaire aanpak (p. 16). Desalniettemin hebben kinderen met ASS recht op eenzelfde aanbod aan gezondheidsdienstverlening als andere personen zonder ASS (art. 25 (a) UNCRPD) Meer nog, zoals KCE stelt (p. 16) is een vroege interventie cruciaal/ Aldus moeten kinderen snel geholpen kunnen worden (art. 25 (b) UNCRPD).

Daarnaast stelt de nomenclatuurlijst zelf dat RIZIV tussenkomst enkel uitgesloten is ingeval van spraakstoornissen ten gevolge van psychiatrische aandoeningen. Dit veronderstelt een causaal verband, zoals weerhouden is door de arbeidsrechtbank van Leuven in 2016 en zoals weerhouden wordt door de beroepsorganisaties van logopedisten.

De huidige interpretatie van art. 36, §3, lid 2 door het RIZIV schendt art. 25 (e) UNCRPD en art. 26 (1) IVRK. De ziektekostenverzekering wordt op een oneerlijke wijze verstrekt, aangezien het gaat om een discriminatoire interpretatie van art. 36 ten nadele van personen met ASS.

Aldus moet RIZIV-tussenkomst mogelijk zijn voor monodisciplinaire logopedie verstrekkingen bij spraakproblemen die niet het gevolg zijn van ASS OF moet de hele uitsluiting van psychiatrische aandoeningen gewoonweg verwijderd worden uit de wettekst.

Opnieuw wenst de NHRPH het belang van multidisciplinaire opvolging te benadrukken. Monodisciplinaire logopedie zou bijgevolg gegeven moeten worden, mits samenwerking met een multidisciplinair team (revalidatiecentra).

Opnieuw wordt gevraagd om een gemengde aanpak (toegang tot monodisciplinaire logopedie EN multidisciplinaire behandeling met inbegrip van logopedie) mogelijk te maken door de nodige wetswijzigingen door te voeren.

D. Betreffende de uitsluiting ‘buitengewoon onderwijs’ – art. 36, §3, lid 1, °1:

De uitsluiting van RIZIV-tussenkomst in geval men naar buitengewoon onderwijs gaat, schendt art. 6 (2) IVRK en art. 25 (a) UNCRPD. België dient een zo ruim mogelijke mate van ontwikkeling van het kind te waarborgen. Dat betekent dat kinderen buiten het buitengewoon onderwijs ook recht hebben op toegang tot betaalbare logopedie. Het feit dat deze naar buitengewoon onderwijs gaan, kan niet in de weg staan om terugbetaling te krijgen van monodisciplinaire logopedie, indien de ouders het nodig achten om deze te volgen.

Verwijdering van art. 36, §3, lid 1, °1 wordt gevraagd.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2023/25 - Vergoeding van de bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2023/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en de ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/10/2023.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee, gevraagd in zijn e-mail van 25 september 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan de leden van de commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en de ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd, werd de NHRPH voor advies voorgelegd. Dit voorontwerp van koninklijk besluit ligt in de lijn van de uitvoering van artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek.


3. ANALYSE

A. Artikel 497/5, § 1 van het oud Burgerlijk Wetboek

Artikel 497/5, eerste lid van het oud Burgerlijk Wetboek is momenteel als volgt opgesteld: Na onderzoek van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, overeenkomstig artikel 497/8, en de goedkeuring ervan kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties. Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beiden ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.

Dit artikel wordt momenteel in de Kamer van Volksvertegenwoordigers herzien. In het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon vermeldt artikel 9 het volgende:

a) het eerste tot het vijfde lid worden vervangen als volgt:

“§ 1. Na onderzoek van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, overeenkomstig artikel 497/8, en de goedkeuring ervan, kan de vrederechter de bewindvoerder, op basis van een bijzonder gemotiveerd verzoekschrift, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een forfaitaire vergoeding toekennen voor de door hem geleverde prestaties en gemaakte kosten in het kader van het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon.
(… )”

Over de wijziging van dit artikel handelt advies 2023/27 van de NHRPH.

B. Voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten en de ambtsverrichtingen

Verschillende gelijkaardige voorontwerpen van koninklijk besluit werden de NHRPH reeds voorgelegd. Het laatste advies van de NHRPH uitgebracht over dit onderwerp is advies 2022/08.

Het voorontwerp waarover dit advies gaat, bepaalt met name het volgende:

Art. 1. § 1. De inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait bedoeld in artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek zijn de netto inkomsten van de beschermde persoon, zoals:

(….)

7° de persoonlijke onderhoudsuitkeringen, onderhoudsuitkering voor de kinderen en het vrij besteedbaar gedeelte van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap;

(…)

11° de kinder- of wezenbijslag van de beschermde persoon zelf en van zijn kinderen alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek;

14° de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;

15° de uitkeringen van een zorgverzekering.

§ 2. Volgende inkomsten komen niet in aanmerking als berekeningsbasis voor het forfait:

(…)

11°     de uitkeringen aan personen met een handicap met het oog op het betalen van extra ondersteuningsnoden, met uitzondering van vrij te besteden uitkeringen.

Art. 2. § 1. Volgende ambtsverrichtingen van de bewindvoerder worden als buitengewoon beschouwd:

1° het indienen van een verzoekschrift tot machtiging bij de vrederechter overeenkomstig artikel 499/7 van het oud Burgerlijk Wetboek of de bepalingen in bijzondere wetten en, in voorkomend geval, het  bijwonen van een zitting over dergelijk verzoekschrift en het uitvoeren van de verleende machtiging;

(…)

5° het voeren van een administratieve procedure en het aanvragen van vergunningen;

(…)

11°     een inhoudelijk overleg over het bewindsdossier met het zorgteam van de beschermde persoon, of met derden, met uitzondering van één overleg per jaar;

(…)


4. ADVIES

A. Wat betreft het hele voorontwerp van koninklijk besluit

Ten opzichte van het vorige ontwerp (zie advies 2022/08) stelt de NHRPH vast dat de inkomensbasis groter is geworden: bijvoorbeeld, de integratietegemoetkoming (IT) en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden waren expliciet uitgesloten van de inkomensbasis. In het huidige ontwerp worden ze expliciet opgenomen. De NHRPH is van oordeel dat dit totaal onaanvaardbaar is. Dit geldt niet enkel voor de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, maar ook voor de andere in punt B opgenomen uitkeringen.

Het gaat ook in tegen het rechtszekerheidsbeginsel en de legitieme verwachtingen van de begunstigden van de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden: voor de begunstigden moeten hun rechten duidelijk zijn. Ze moeten er ook zeker van kunnen zijn dat de regering niet onophoudelijk terugkomt op de kwalificatie van de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

De NHRPH trekt aan de alarmbel. De NHRPH zal overigens een persbericht met daarin de krachtlijnen van dit advies publiceren.

⇒ De NHRPH eist dat het ontwerp van koninklijk besluit wordt aangepast in functie van de opgenomen overwegingen in punt 4.B. en 4.C. 
⇒ De NHRPH vraagt ook dat een gesprek plaatsheeft tussen de vertegenwoordigers van de NHRPH en de Minister van Justitie.

B. Wat betreft de inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait

  • De persoonlijke onderhoudsuitkeringen, onderhoudsuitkering voor de kinderen en het vrij besteedbaar gedeelte van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (artikel 1, § 1, 7°)

Het onderhoudsgeld voor de kinderen is geen inkomen voor de beschermde persoon, maar wel een inkomen voor de kinderen. Dit kan dus in geen geval in aanmerking worden genomen.

Het vrij besteedbaar gedeelte van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap dient om de kosten ingevolge de handicap te compenseren. Het mag niet worden gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid of met een vervangingsinkomen.

⇒ De NHRPH eist dat de onderhoudsuitkering voor de kinderen en het vrij besteedbaar gedeelte van de tegemoetkomingen uit de lijst worden geschrapt.

  • De kinder- of wezenbijslag van de beschermde persoon zelf en van zijn kinderen alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek (artikel 1, § 1, 11°)

Ook hier vormt de kinderbijslag van de kinderen van de beschermde persoon geen inkomen voor de beschermde persoon, maar voor zijn kinderen.

Evenzo zijn de renten bedoeld bij artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek bestemd voor de kinderen

Artikel 203 § 1. Elke ouder draagt bij in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, § 1, bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen.
§ 2. Onverminderd de rechten van het kind, kan elk van de ouders van de andere oudere diens bijdrage vorderen in de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1.

⇒ De NHRPH eist dat deze tegemoetkomingen en deze renten uit de lijst worden geschrapt.

  • De integratietegemoetkoming (IT) en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) (artikel 1, § 1, 14°)

Deze tegemoetkomingen zijn bestemd voor het compenseren van de kosten ingevolge het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. Zij kunnen dus niet worden gelijkgesteld met een vervangingsinkomen.

In een vraag gesteld op 14 februari 2002 aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen, de heer Van Quickenborne, destijds Senator, bevestigde laatstgenoemde het volgende:

Merk wel op dat de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) een bijstandsuitkering is voor wie geen andere bestaansmiddelen heeft. In tegenstelling tot wat het geval is met de integratietegemoetkoming (IT), wat een vorm van kostenvergoeding is, mag men hier dus niet al te ver gaan in het laten cumuleren van inkomsten. (Vraag nr. 1896 van de heer Van Quickenborne van 14 februari 2002 (herinnering van 23 oktober 2002)).

⇒ De NHRPH eist dat de IT en de THAB uit de lijst worden geschrapt.

  • De uitkeringen van een zorgverzekering (artikel 1, § 1, 15°)

De NHRPH veronderstelt dat het hier gaat om uitkeringen die worden gestort in het kader van een aanvullende verzekering of een hospitalisatieverzekering, aangezien de terugbetalingen van geneeskundige verstrekkingen door het ziekenfonds zijn opgenomen in de lijst met inkomsten die niet in aanmerking worden genomen. Net als de terugbetalingen van het ziekenfonds gaat het echter wel degelijk om terugbetalingen inzake geneeskundige verzorging. Bovendien betaalt de persoon een bijdrage om hierop recht te hebben.

⇒ De NHRPH eist dat deze uitkeringen uit de lijst met in aanmerking te nemen inkomsten wordt geschrapt. 

  • De inkomsten die niet in aanmerking komen als berekeningsbasis voor het forfait: de uitkeringen aan personen met een handicap met het oog op het betalen van extra ondersteuningsnoden, met uitzondering van vrij te besteden uitkeringen (artikel 1, § 2, 11°)

De NHRPH is van oordeel dat er geen coherentie is met artikel 1, 14°: waarom houdt men dan rekening met de IT en de THAB? Wat verstaat men onder vrij besteedbaar gedeelte?

Algemeen genomen begrijpt de NHRPH deze stap achteruit ten opzichte van het vorige voorstel niet. De middelen die in aanmerking worden genomen zijn al zulke lage bedragen, waarmee personen hooguit kunnen overleven. Hoe is het dan denkbaar dat het budget van personen, die bovendien vaak geen andere keuze hebben dan zich te laten bijstaan door een familiale bewindvoerder, nog eens extra wordt belast? De NHRPH herhaalt nadrukkelijk zijn idee om deze kosten door de gemeenschap te laten dragen (zie advies 2023-27).

C. Wat betreft de buitengewone ambtsverrichtingen

  • Het indienen van een verzoekschrift bij de vrederechter overeenkomstig artikel 499/7 van het oud Burgerlijk Wetboek of de bepalingen in bijzondere wetten en, in voorkomend geval, het bijwonen van een zitting en het uitvoeren van de verleende machtiging (artikel 2, § 1, 1°)

De NHRPH is van oordeel dat dit artikel in de voorliggende vorm voor interpretatie vatbaar is. Gaat het om de volgende handelingen:

    • juridische stappen ondernemen (behalve voor een huuraangelegenheid, aangelegenheid inzake sociale zekerheid of als burgerlijke partij);
    • roerende en onroerende goederen verkopen;
    • een gebouw kopen;
    • leningen aangaan en hypotheken toestaan;
    • inwilligen van een verzoek met betrekking tot onroerende rechten;
    • afstand doen van een nalatenschap of een legaat of deze aanvaarden met voorrecht van boedelbeschrijving;
    • een schenking of legaat op individuele basis aanvaarden;
    • ondertekenen of verlengen van een commerciële huurovereenkomst;
      (…)?

⇒ De NHRPH vraagt ophelderingen over de draagwijdte van dit artikel: welke handelingen worden precies bedoeld?

  • Het voeren van een administratieve procedure en het aanvragen van vergunningen (artikel 2, § 1, 5°)

De NHRPH is van mening dat het over heel wat handelingen  kan gaan en heel wat domeinen kan betreffen. Over welke handelingen heeft men het juist? Een eerste aanvraag voor tegemoetkoming? Een aanvraag tot herziening omdat de persoon van gezinscategorie verandert? Een aanvraag voor een parkeerkaart? Een aanvraag tot verkrijging van een sociaal tarief? Een aanvraag voor een vergunning met de inhoud van een e-mail van 5 regels of een in te vullen elektronisch formulier van 2 pagina’s? Een abonnement nemen op een tijdschrift op internet, … ? Bovendien moet op sommige gebieden regelmatig dezelfde aanvraag worden ingediend (bijvoorbeeld machtiging voor een verhoogde terugbetaling van geneeskundige verzorging). Indien de persoon niet over een minimale zelfredzaamheid beschikt om zijn administratieve situatie te beheren, kan hij/zij worden blootgesteld aan heel wat “administratieve procedures en aanvragen van vergunningen” met als gevolg dat ze enorm veel “buitengewone ambtsverrichtingen” moeten betalen.

⇒ De NHRPH vraagt dat deze handelingen in verband met een administratieve procedure en met aanvragen van vergunningen uit de lijst met buitengewone ambtsverrichtingen worden geschrapt. Zij moeten worden opgenomen in het forfait dat is voorzien in het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon.

  • Een inhoudelijk overleg over het bewindsdossier met het zorgteam van de beschermde persoon, of met derden, met uitzondering van één overleg per jaar (artikel 2, § 1, 11°)

⇒ De NHRPH is van mening dat één overleg per jaar absoluut onvoldoende is.

  • Beheer en opvolging van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap-budget (13°)

De NHRPH is van oordeel dat de formulering vaag is en de inning van de kosten die worden gemaakt in het kader van buitengewone ambtsverrichtingen automatisch maakt, terwijl het toch redelijk lijkt dat dit dagelijks beheer moet worden opgenomen in het forfait dat is voorzien in het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon. Deze maatregel is overigens discriminerend, aangezien hij niet van toepassing is op de Brusselse en Waalse houders van het persoonsgebonden assistentiebudget.

⇒ De NHRPH eist dat het beheer en de opvolging van het budget van het VAPH valt onder het forfait dat is voorzien in het wetsontwerp betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon.

  • De uitzonderlijke kosten, gemaakt in het kader van het dagelijks beheer of de buitengewone ambtsverrichtingen (17° wat 18° zou moeten zijn)

Worden als uitzonderlijk beschouwd in de zin van paragraaf 1, 17°: de kosten die significant hoger zijn dan het normaal te verwachten bedrag voor de uitvoering van de handeling waarop ze betrekking hebben. … De uitzonderlijke kosten van meer dan 500 € kunnen alleen worden terugbetaald indien hiertoe een voorafgaande rechterlijke machtiging werd verkregen. 

⇒ De NHRPH is van oordeel dat dit artikel ook vatbaar is voor interpretatie. Wat bedoelt men precies? Betekent dit dat dergelijke kosten lager dan € 500 automatisch worden terugbetaald zonder voorafgaande machtiging? Het maximumbedrag lijkt hoog, vooral wanneer het gaat om personen die onder de armoededrempel leven.

  • De in paragraaf 1 bedoelde lijst van buitengewone ambtsverrichtingen is niet-limitatief (artikel 2, § 3)

Afgezien van de terminologie moet rekening worden gehouden met het belang van het werk van de bewindvoerder. Een limitatieve lijst als bedoeld in artikel 2, § 1 is ruim voldoende.

⇒ De NHRPH vraagt dat deze paragraaf wordt geschrapt.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2023/22 - Versterking van het federale handicapbeleid

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet ter versterking van het federale handicapbeleid, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 september 2023.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris, in haar e-mail van 20 augustus 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Eliane Tillieux, Voorzitster van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Joachim Lommelen, Adviseur bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (Directie-generaal Beleidscoördinatie en Internationale Relaties)
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet ter versterking van het federale handicapbeleid werd de NHRPH voorgelegd.


3. ANALYSE

A. Memorie van toelichting

De Minister belast met personen met een handicap herinnert aan de context die de basis van haar voorstel vormt: de verantwoordelijkheid van de federale Staat om op te treden die voortvloeit uit de bekrachtiging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uit artikel 22ter van de Grondwet en uit de veralgemening van de handistreaming. De Minister herinnert ook aan het Federaal Plan Handicap 2021-2024, dat deze transversale aanpak heeft geconcretiseerd.

De Minister verduidelijkt ook dat het met dit wetsontwerp haar doel is “om de gestructureerde en gecoördineerde aanpak van de handicapdimensie doorheen de federale beleidsdomeinen door middel van een Federaal plan handicap in de wet te verankeren (…) om voor elke legislatuur de te bereiken doelstellingen en de verwachte veranderingen in de samenleving vast te leggen.

Het Federaal plan handicap beschrijft de maatregelen die elke minister en staatssecretaris op federaal niveau zal nemen om het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap uit te voeren en om de doelstelling van de inclusie van personen met een handicap en de integratie in alle domeinen van het federale beleid te bereiken. Hiervoor voorziet het minstens in werkgebieden die gebaseerd zijn op de inhoud van het regeerakkoord en de algemene beleidsverklaring van de betrokken ministers en staatssecretarissen.”

Het ontwerp benadrukt ook de noodzaak om de maatregelen te evalueren en voorziet in een regelmatige rapportage aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De Minister wijst er ook op dat in het ontwerp wordt gewezen op de noodzaak van een voortdurende raadpleging van het maatschappelijk middenveld en de deelname ervan aan het creëren en het evalueren van het plan.

B. Toelichting bij de artikelen

  • Het doel van artikel 2 is om de termen te definiëren die in deze wet gebruikt worden en om - niet exhaustief - de actoren op te sommen die actief betrokken zijn bij het proces van het aannemen en uitvoeren van het Federaal Plan Handicap.

Het plan heeft als doel de behoeften van alle personen met een handicap in aanmerking te nemen, in de zin van artikel 1 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

  • Artikel 3 legt de wettelijke verplichting vast om een Federaal Plan Handicap aan te nemen, bepaalt de goedkeuringsprocedure en beschrijft de doelstellingen en inhoud ervan. Voorheen was de federale regering niet wettelijk verplicht om een dergelijk plan aan te nemen. Het doel van artikel 3 is om deze lacune op te vullen. Er wordt een deadline vastgesteld voor de goedkeuring van het Plan, om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het Plan effectief en binnen een redelijke termijn worden geïmplementeerd (twaalf maanden volgend op de installatie van een regering, volgend op de volledige hernieuwing van de Kamer van Volksvertegenwoordigers).

Het plan voorziet minstens in werkgebieden die gebaseerd zijn op de inhoud van het regeerakkoord en de algemene beleidsverklaring van de betrokken ministers en staatssecretarissen.

Dit plan bevat:

    1. indicatieve doelstellingen voor acties die moeten worden ondernomen voordat het plan afloopt;
    2. tussentijdse doelstellingen die moeten worden bereikt voordat het plan afloopt;
    3. het toezichtsmechanisme dat is ingesteld om het plan te monitoren.
  • Artikel 4 bepaalt dat de Koning het Federaal Plan Handicap vastlegt bij besluit dat besproken wordt door de Ministerraad, na raadpleging van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, het Federaal Netwerk Handicap en het onafhankelijk mechanisme. Het Federaal Plan Handicap wordt gezamenlijk opgesteld door de ministers en staatssecretarissen, die de maatregelen bepalen die in hun bevoegdheidsdomeinen moeten worden genomen.
  • Artikel 5 bepaalt de geldigheidsduur van het Federaal Plan Handicap (duur van de legislatuur, vanaf de datum waarop het plan wordt goedgekeurd door de Ministerraad tot de datum waarop het volgende plan wordt goedgekeurd onder een nieuwe legislatuur).
  • Artikel 6 voorziet in het proces om de effectieve uitvoering van het Plan te garanderen. De bepaling benadrukt de verantwoordelijkheid van alle regeringsleden voor de juiste uitvoering van het Plan.
  • Artikel 7 voorziet in een presentatie van de definitieve versie van het Plan aan de organen die betrokken zijn bij de voorbereiding ervan of belang hebben bij de uitvoering ervan. Een van deze organen is de NHRPH.
  • Artikel 8 bepaalt welke organen verantwoordelijk zijn voor de opvolging. Het beschrijft ook hun taken en het monitoringproces. Deze bepaling benadrukt de belangrijke rol van het Federaal Netwerk Handicap. Het benadrukt de verantwoordelijkheid van alle ministers en administraties in het federale handicapbeleid.
  • Artikel 9 voorziet in een tussentijdse evaluatie van de implementatie van het Plan en bepaalt welke instanties verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie. Deze evaluatie wordt met name ter advies voorgelegd aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en het onafhankelijk mechanisme. Het artikel beschrijft de te volgen procedures voor de evaluatie.
  • Artikel 10 voorziet in een eindevaluatie van de implementatie van het Plan, en bepaalt welke instanties verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie. Deze evaluatie wordt met name ter advies voorgelegd aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en het onafhankelijk mechanisme. Het artikel beschrijft de te volgen procedures voor de evaluatie.

4. ADVIES

A. Vanuit het oogpunt van de relevantie van het voorontwerp

De NHRPH verheugt zich over dit voorstel. In het verleden heeft de NHRPH herhaaldelijk aangedrongen op de invoering van een echt Handicapplan om te voldoen aan de bepalingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Zo werd er in 2015 een ontwerpnota aan de Ministerraad met de titel “Actieplan Handicap” voorgelegd aan de NHRPH. Voor de NHRPH leek de nota aan de Ministerraad veel meer op een methodologische nota dan op een actieplan (zie advies 2015-19).

De NHRPH benadrukt dat het Actieplan Handicap, dat in 2021 door de federale regering werd aangenomen, al meer in overeenstemming was met de vereisten van de UNCRPD, aangezien het voorzag in een handistreaming-aanpak, een planning, duidelijke doelstellingen (hoofdlijnen) en min of meer ambitieuze concrete acties. Er is werkelijk onvoldoende inclusie op het terrein en planning is de enige manier om visie en actie met elkaar te verbinden.

Het voorontwerp van wet is een stap in deze richting en moet ervoor zorgen dat een echt Actieplan Handicap permanent wordt aangenomen.

⇒ De NHRPH vraagt dus dat het voorontwerp van wet wordt aangenomen door de regering en vervolgens door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en dit nog tijdens deze legislatuur.
⇒ De NHRPH wijst erop dat de wil om een dergelijk Plan te verplichten de participatieve democratie kan versterken. Het is belangrijk dat burgers met een handicap een duidelijk en concreet zicht hebben op de politieke prioriteiten en acties die werden vastgelegd met de officiële structuren die personen met een handicap vertegenwoordigen.

B. Wat betreft de inhoud van het voorontwerp van wet

Het voorontwerp (artikel 3) verduidelijkt dat het plan minstens in werkgebieden die gebaseerd zijn op de inhoud van het regeerakkoord en de algemene beleidsverklaring van de betrokken ministers en staatssecretarissen voorziet. De NHRPH herinnert eraan dat de federale Staat zich door de bekrachtiging van de UNCRPD en het aannemen van artikel 22ter van de Grondwet resoluut heeft verbonden tot een inclusieve benadering van personen met een handicap, zoals ook duidelijk vermeld staat in de memorie van toelichting van het voorontwerp van wet. Gesteld dat een regering of een van haar leden deze prioriteit niet formuleerde bij de vorming van de regering – of in zijn/haar algemene beleidsnota –, zou die toch verplicht zijn om het Federaal Plan Handicap – of een inclusief beleid binnen zijn of haar bevoegdheden – toe te passen en uit te voeren, in overeenstemming met de vereisten van de UNCRPD en de Grondwet.

⇒ De NHRPH eist dat toekomstige regeerakkoorden en algemene beleidsverklaringen altijd bepalingen bevatten ten behoeve van de rechten van personen met een handicap.
De NHRPH vraagt dat het voorontwerp van wet verduidelijkt dat er systematisch een Federaal Plan Handicap moet worden opgesteld in overeenstemming met de UNCRPD-vereisten en de Grondwet, zelfs als de regeringsverklaring of de beleidsnota’s van de regeringsleden deze kwestie niet behandelen.

Het voorontwerp voorziet erin dat het plan binnen de 12 maanden zal worden opgesteld en bij koninklijk besluit zal worden goedgekeurd, na advies van de NHRPH. In een dergelijk scenario komt de tussenkomst van de NHRPH te laat. De tekst van de artikelen 3 en 4 beantwoordt niet aan de bedoeling die in de memorie van toelichting is geformuleerd. Zoals het nu vermeld staat in het koninklijk besluit tot oprichting van de NHRPH zijn de adviezen van de NHRPH trouwens niet bindend.

⇒ De NHRPH vraagt dus dat het voorontwerp van wet verduidelijkt dat de NHRPH van bij het begin bij het opstellen van het Plan moet worden betrokken en op een duurzame en gestructureerde wijze moet worden betrokken bij de denkoefening en de besluitvorming. Dit neemt echter niet weg dat de NHRPH een definitief advies zal uitbrengen over alle richtlijnen en maatregelen van het Plan.
De NHRPH herinnert aan zijn verzoek om zijn werkwijze dringend te herzien, zodat hij zijn adviserende rol doeltreffender kan vervullen (advies 2023-19).

Het voorontwerp verduidelijkt evenmin hoe het overleg tijdens de uitvoering van het Plan zal verlopen. In het kader van de opvolging van het Plan Handicap 2021-2024 heeft de NHRPH eind 2022 in zijn tussentijds verslag opgemerkt dat hij over slechts 60 van de 145 genomen maatregelen werd geraadpleegd (advies 2022-29).

⇒ De NHRPH vraagt dat het voorontwerp van wet verduidelijkt dat ieder regeringslid de NHRPH moet raadplegen, zodat die een goed doordacht advies kan uitbrengen dat nuttig is in het kader van het lopende proces en door de politici in overweging wordt genomen. Het is niet de bedoeling om aan het eind van het politieke traject van een maatregel pro forma een advies aan de NHRPH te vragen dat sowieso niet in aanmerking zal worden genomen. Op die manier verliest de NHRPH onnodig tijd en wordt schade toegebracht aan de politieke geloofwaardigheid!

Het voorontwerp van wet benadrukt dat de genderdimensie geïntegreerd is.

⇒ De NHRPH vraagt dat ook de andere dimensies worden toegevoegd (leeftijd, afkomst, enz.).

De NHRPH heeft tijdens deze legislatuur het ontwerp en de uitvoering van het Federaal Plan Handicap 2021-2024 met aandacht gevolgd. De NHRPH heeft met name twee belangrijke adviezen uitgebracht waarin de tekortkomingen aan bod kwamen: het eerste over het ontwerp van het plan (advies 2021-25) en het tweede over de uitvoering ervan (advies 2022-29).

⇒ De NHRPH vraagt dat er met deze 2 adviezen rekening wordt gehouden om de inhoud en de reikwijdte van dit voorontwerp van wet te verfijnen.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2023/20 - Cumulperiode van IVT en arbeidsinkomen

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2023/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de invoering van een cumulperiode van IVT en arbeidsinkomen voor langdurig werkloze personen met een handicap.

Uitgebracht na elektronische raadpleging van de leden van de NHRPH tussen 7 en 27 juli 2023.

Advies op vraag van mevrouw Julie Clément, Directeur-Generaal van de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid (mail 6 juli 2023).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directeur-Generaal van de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid;
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Dit advies betreft het ontwerp van koninklijk besluit (KB) tot wijziging van het KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, waarbij de periode van cumul van het recht op tegemoetkomingen voor personen met een handicap met het arbeidsinkomen wordt verlengd voor mensen die langdurig inactief zijn.


3. ANALYSE

Eerst wordt de huidige situatie toegelicht (A), vervolgens wordt de voorgestelde wetswijziging besproken (B).

A. Huidige situatie:

  • Uit art. 9bis (IVT) en art. 9ter (IT) van het KB van 6 juli 1987 tot uitvoering van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (hierna: KB IVT/IT), volgt dat ‘arbeidsinkomen’ gedefinieerd wordt als: “het inkomen verworven uit werkelijk gepresteerde arbeid”.
  • Artikel 23 KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap (hierna: KB procedure tegemoetkomingen):

(…)

§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :

1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste [20 pct.] zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.

[In afwijking van het voorgaande lid, wordt tot een ambtshalve herziening van het recht overgegaan op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin een beroepsactiviteit een aanvang nam, en op voorwaarde dat de persoon met een handicap niet over belastbare inkomsten beschikt tijdens het jaar -2 of het jaar -1 in de zin van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.]

Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht [indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid] het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;

2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;

(…)

§ 2. De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter, 1° en 2° bedoelde toestanden bevindt.

Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft (…), heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

Lid 3: [In afwijking van het voorgaande lid indien de in artikel 23, § 1bis, 1°, tweede lid, bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de beroepsactiviteit een aanvang nam.]

(…)

  • Art. 8ter KB IVT/IT.
    In afwijking van artikel 8, wanneer de persoon met een handicap over een inkomen beschikt zoals bedoeld in artikel 9ter, § 6, 1°, en in de omstandigheden beschreven in artikel 23, §, 1bis 1°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap wordt het jaarlijks beroepsinkomen van de persoon met een handicap berekend als volgt:
    1° wanneer het om een loontrekkende activiteit gaat: [het dag/uurloon] zoals het kan worden afgeleid uit de DMFA-aangifte van het kwartaal waarbinnen de arbeidsprestaties een aanvang namen (…)

2° Wanneer het om een zelfstandige activiteit gaat: de persoon met een handicap verklaart op erewoord de bruto inkomsten omgerekend op jaarbasis. (…)

  • Conclusie huidige situatie:
    • Het starten en stoppen van een arbeidsbetrekking wordt automatisch gemeld via de Dimona – art. 8ter KB IVT/IT. 
    • Een tewerkstelling van hoogstens 3 maand heeft geen impact op de IVT van een persoon, want er volgt geen herziening – art. 23, §1bis, °1, lid 3 KB procedure tegemoetkomingen. 
    • Een tewerkstelling van langer dan 3 maand heeft enkel een impact het jaar volgend op het starten van de tewerkstelling, plus de periode die nodig is om een beslissing te nemen, plus een maand – art. 23, §2, lid 2 KB procedure tegemoetkomingen. 
    • Iemand zonder belastbare inkomsten in jaar -2 en -1, wiens tewerkstelling langer duurt dan 3 maand, zou volgens de letter van de wet zijn IVT verminderd moeten zien: 1 maand na start tewerkstelling (art. 23, §1bis, °1, lid 2 KB procedure tegemoetkomingen), plus tijd om kwartaal waarin gestart af te maken en een extra kwartaal (minstens 4 maand, maximaal 6 maand cumul) volgens art. 23, §2, lid 3 KB procedure tegemoetkomingen.

      Tewerkstelling in: Uitwerking beslissing:
      KW 1: jan – feb – mrt 1 juli
      KW 2: apr – mei – jun 1 oktober
      KW 3: jul – aug – sep 1 januari
      KW 4: okt – nov - dec 1 april

Het lijkt de bedoeling van de wetgever te zijn geweest om zij die in begin van een kwartaal starten te werken, minstens 6 maand cumulperiode IVT en arbeidsinkomen te verzekeren.

Desalniettemin lijkt deze bepaling overbodig aangezien de NHRPH in de praktijk verneemt van medewerkers van DG Personen met een handicap dat in Tetra de herzieningen toch op 31 december gepland worden. Dit wordt ook duidelijk door de volgende passage in de adviesaanvraag: “Bien que la notion de révision d’office prévue le « 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel une activité professionnelle débute » présente dans l’alinéa originel disparait, la modification proposée permet cependant d’aligner la révision d’office à la date du 31 décembre et ainsi diminuer l’implémentation requise dans le système Tetra.“

Aldus wordt er geen herziening gepland ex art. 23, §1bis, °1, lid 2 KB procedure tegemoetkomingen.

    • Indien een arbeidsinkomen gedurende langer dan 3 maanden vervangen wordt door een uitkering en dit een het inkomen met 10% doet veranderen ten opzichte van het vorige kalenderjaar, wordt de IVT herzien op 31 december (art. 23, §1bis, °2 KB procedure tegemoetkomingen).

B. Voorgestelde wijzigingen:

  • Art. 23 KB procedure tegemoetkomingen:

(…)

§1bis Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming:

op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 20 pct. zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar. Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar.

In afwijking van het voorgaande lid, wordt er niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste vierentwintig maanden, en op voorwaarde dat de persoon met een handicap niet over een inkomen voortkomend uit werkelijk door hemzelf gepresteerde arbeid beschikt tijdens het jaar -2 of het jaar -1 in de zin van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.

2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar.

In afwijking van het voorgaande lid, wordt er niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht als de persoon zich bevindt in een situatie bedoeld in artikel 23, § 1bis, tweede lid.

§2 – lid 3 wordt opgeheven.

  • Conclusie voorgestelde verandering:
    • 23, §1bis, °1, lid 2 KB en §2, lid 3 KB procedure tegemoetkomingen worden verwijderd. Daarmee wordt de huidige praktijk van herziening op 31 december bevestigd. Er is geen aparte datum van herziening voor hen die geen belastbaar inkomen meer hebben.
    • In de te verwijderen leden (zie hierboven) werd gesproken over mensen zonder belastbaar inkomen in jaren -2 en -1; dat wil zeggen dat personen ook geen arbeidsongeschiktheidsuitkering of invaliditeitsuitkering mochten hebben. In de voorgestelde wijziging wordt enkel gesproken over belastbaar arbeidsinkomen. Dat wil zeggen dat de cumulregeling ook geldt voor zij die in het jaar -1 of -2 vervangingsinkomsten hebben gehad. Daarmee wordt ook art. 23, §1bis, °2 KB procedure tegemoetkomingen aangepast.
    • Tewerkstelling van hoogstens 3 maanden zal nog altijd geen impact hebben op de IVT.
    • De doelstelling van de regeling is volgens de adviesaanvraag dat een dossier slechts op 31 december van het jaar X+2 herzien wordt: “Le dossier de la personne ne sera donc pas revu dans le cas d’une augmentation de revenu de 20% ou plus par rapport à l’année précédente, et ce pendant une période de 2 ans avant d’être réanalysé le 31 décembre de l’année+2.”

Daarmee zou de persoon dus minstens 1 jaar langer zijn IVT en arbeidsinkomen kunnen cumuleren dan nu het geval is (daarbij gerekend de periode die nodig is om de beslissing te nemen).

Evenwel staat in de tekst nu: “Er wordt niet overgegaan tot een ambtshalve herziening (…) indien deze stijging van de inkomsten (…) het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste vierentwintig maanden (…).”

De huidige verwoording is exact dezelfde als in de bestaande regeling waarbij 3 maanden tewerkstelling geen impact heeft op de IVT. Daaruit volgt dat wat er nu staat betekent dat er op 31 december van het jaar van de stijging van de inkomsten ten gevolge van tewerkstelling, niet overgegaan wordt tot ambtshalve herziening indien de tewerkstelling maximaal 2 jaar duurt. Er staat niet wanneer er dan wel een herziening plaats vindt. Dit kan duidelijker.


4. ADVIES

De NHRPH verwelkomt een dergelijke potentiële aanpassing. Zoals in zijn advies 2023/14 wordt gesteld, is een langere cumulperiode tussen IVT en arbeidsinkomen aan te raden gezien de onzekerheid rond het vinden dan wel behoud van een job. Deze onzekerheid en de angst om jobs uit te proberen die daarmee gepaard gaat spelen specifiek bij personen met een handicap.

A. Positieve impact van dergelijke maatregel:

  • Context:
    Uit het laatste Europees Semesterrapport (2022) blijkt dat de arbeidsparticipatiekloof in België 12% groter is dan het EU-gemiddelde (p. 47).
    Nochtans is het de ambitie van België in het kader van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten om 80% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar tewerk te stellen tegen 2030. Volgens de NHRPH moet deze doelstelling inclusief zijn en dus ook betrekking hebben op de personen met een handicap, in lijn met art. 22 ter GW en art. 27 UNCRPD.

⇒ Deze maatregel kadert perfect binnen de doelstelling om de arbeidsparticipatiekloof te verkleinen. De cumulregeling stelt personen met een handicap immers in staat om hun vaardigheden uit te testen, jobs uit te proberen … zonder dat ze bang moeten zijn dat ze daardoor hun IVT zouden verliezen. 

Een periode van één jaar (het jaar van de tewerkstelling) dat momenteel geldt, is vaak te kort omdat het tewerkstellingstraject van personen met een handicap vaak bestaat uit een opeenvolging van korte contracten en werkloosheidsperiodes.

Een ander positief element is het feit dat de cumulregeling betrekking heeft op het hele beroepsloopbaan van een persoon: aanmoediging tot werk en geen benadeling indien men toch stopt met werken gedurende de cumulperiode – vervangingsinkomsten kunnen immers ook gecombineerd worden.

  • Zelfontplooiing en sensibiliseren:
    Het Europees Hof van de Rechten van de Mens stelt dat toegang tot werk belangrijk is voor een persoon, niet enkel om een inkomen te verwerven, maar ook om relaties aan te gaan met de buitenwereld en zichzelf te ontplooien (art. 8 EVRM – vb. S.W. t. VK, nr. 87/18, 22 juni 2021, §46).

⇒ Werk kan iemands zelfvertrouwen, deskundigheid en sociale erkenning vergroten. Daarnaast kan het ook de perceptie van de werkgever en andere werknemers op de handicap doen veranderen: het is de vaardigheid die telt en niet iemands handicap.

  • Sociale zekerheid:

Een werkend persoon draagt bij aan de financiering van de sociale zekerheid en bouwt zelf sociale rechten op.

B. Verwoording maatregel:

De huidige verwoording is exact dezelfde als in de bestaande regeling waarbij 3 maand tewerkstelling niet leidt tot een ambtshalve herziening van de IVT. Daaruit volgt dat wat er nu staat betekent dat er op 31 december van het jaar van de stijging van de inkomsten ten gevolge van tewerkstelling, niet overgegaan wordt tot ambtshalve herziening indien de tewerkstelling maximaal 2 jaar duurt. Er staat niet wanneer er dan wel een herziening plaats vindt. Dit is belangrijk, anders kan iemand die korte jobs doet en wiens inkomen geleidelijk met de index oploopt, minstens 5 jaar van de cumul genieten tot de volgende ambtshalve herziening gepland wordt o.g.v. art. 23, §1bis, 3° KB procedure tegemoetkomingen.

Bijgevolg is een herformulering nodig om de herzieningsdatum duidelijk in de wet vast te leggen.

⇒ Voorstel van herformulering: “In afwijking van het voorgaande lid, wordt in geval van een stijging van de inkomsten bij een persoon met een handicap die niet over een inkomen voortkomend uit werkelijk door hemzelf gepresteerde arbeid beschikt tijdens het jaar -2 of het jaar -1 in de zin van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, pas overgegaan tot ambtshalve herziening op 31 december van het jaar X+2.”

C. Opmerkingen:

  • Hoe verhouden de verschillende herzieningsopties zich ten opzichte van elkaar? Is het mogelijk dat een andere herzieningsgrond de cumulregeling kan neutraliseren? Zeker gezien het feit dat de andere cumulregels wel nog altijd op 31 december van het jaar X van toepassing blijven…

  • Art. 23, §1bis KB procedure tegemoetkomingen stelt: “ Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming (…)”.

Betekent dit dus dat iemand die in de cumulregeling zit en vervangingsinkomsten krijgt, zijn integratietegemoetkoming (IT) ook niet verminderd zal zien worden tot op de datum van de herziening?

Deze situatie is mogelijk als iemand in het jaar X gewerkt heeft en in het jaar X+1 een arbeidsongeschiktheidsuitkering begint te ontvangen en deze blijft ontvangen voor bv. 6 maand. Dan zal het vrijstellingsbedrag van de IT overschreden worden, waardoor de IT zou moeten dalen…

  • Zoals het nu geformuleerd staat is de cumulregeling niet een eenmalig recht, daarbij heb je recht op de cumulregeling zodra je in het jaar -1 geen arbeidsinkomen gehad hebt. Zie ontwerp van KB: “en op voorwaarde dat de persoon met een handicap niet over een inkomen voortkomend uit werkelijk door hemzelf gepresteerde arbeid beschikt tijdens het jaar -2 of het jaar -1 ”. 

Neem de volgende situatie:

2022 Werkloos
2023 Werkloos
2024 Start job voor 11 maanden
2025 Geen job
2026 Job
Herziening op 31 december
2027 Geen job


De herziening wordt gepland op 31/12/2026.

O.g.v. art. 8 §1 (4) KB IVT IT gebeurt deze o.b.v. het jaar 2024 (-2), tenzij de inkomsten met 20% verlaagd zijn in het jaar 2025 (-1) ex art. 9, §1 KB IVT IT.

Wordt in dit geval geen rekening gehouden met de inkomsten verworven in het jaar X+2 (2026) zelf? Het is immers onduidelijk of art. 9, §2 KB IVT/IT inzake de inachtneming van de actuele situatie geldt, gezien het feit dat op het moment van herziening er weer een arbeidsinkomen is. Aldus is er geen inkomen echt weggevallen om een beroep te kunnen doen op art. 9, §2 KB IVT IT.

Op datum van herziening 31/12/2026 heeft de persoon geen job gehad in het jaar -1 (2025) – waardoor deze weer gebruik kan maken van de cumulregeling?

  • Zou het nuttig zijn voor de rechtszekerheid om aan te merken onder art. 16 Wet inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap dat er geen ambtshalve terugvordering mogelijk is van ‘onverschuldigde’ betaling van IVT in geval van de situatie omschreven in art. 23, §1bis, °1, paragraaf 2 KB procedure tegemoetkomingen?

In situaties waar de combinatie van IVT met het arbeidsinkomen eventueel zou leiden tot geen recht meer hebben op de IVT, terwijl deze wel nog uitgekeerd wordt in de cumulperiode (die langer is dan in de huidige situatie) zou het om een onverschuldigde betaling gaan… Het is een kwestie van rechtszekerheid om de uitbetaalde IVT als niet terug te vorderen aan te duiden.

D. Duidelijke communicatie vereist:

Er moet volledige transparantie zijn ten opzichte van de gebruikers van de cumulregeling. De transparantie moet betrekking hebben op:

    • Wie in aanmerking komt voor de cumulregeling en wie niet,
    • Hoe lang de cumulregeling concreet voor een persoon duurt,
    • Wanneer de herziening plaats zal vinden,
    • Impact die de ‘verlate’ herziening zal hebben op de IVT bij afloop van de cumulperiode.

Er moet ook benadrukt worden dat de cumul niet levenslang is.

E. Andere maatregelen die vereist zijn:

Uiteraard blijven er, zelfs met deze regeling, nog altijd drempels bestaan aan het gaan werken. Het is belangrijk dat ook deze drempels aangepakt worden en dat men er ook voor zorgt dat mensen aan het werk blijven.

Een voorbeeld van drempels om aan het werk te gaan: er komen signalen binnen bij de NHRPH dat er mensen zijn van wie het pensioen na een loopbaan lager is dan wanneer zij heel hun leven niet zouden zijn gaan werken.
Zou een hogere vrijstelling tijdens de loopbaan het verschil kunnen maken? Zou een hogere cumul van IVT met vervangingsinkomen het verschil maken? Vragen die de wetgever zich moet stellen.

Verder maakt de NHRPH gebruik van de gelegenheid om te herinneren aan de volgende aan te raden maatregelen om de tewerkstelling van personen met een handicap op te krikken:

    • Er moet een laagdrempelige one-stop shop komen die informatie verschaft over alles wat te maken heeft met werk(hervatting), studies, redelijke aanpassingen, uitkeringen, premies en verenigingen die zich op een specifiek werkterrein specialiseren.
    • De wet van 1987 dient in zijn geheel te worden herzien om het beheer en de opvolging van dossiers te vereenvoudigen en om de (financiële) autonomie van de persoon met een handicap te garanderen.
    • De link tussen opleiding en werk dient versterkt te worden voor (jong) volwassenen met een handicap. Er is nood aan een formeel en consequent systeem voor studiebekrachtiging dat de behaalde competenties valoriseert op de arbeidsmarkt.
    • Enkele maatregelen die genomen moeten worden aan de kant van de werkgevers (zie advies 2023/14):
      • een betere samenwerking tussen werkgevers, arbeidsbemiddelingsdiensten, experten van maatwerkbedrijven en verenigingen voor personen met een handicap;
      • een nieuwe werkcultuur die focust op wat de persoon wel (nog) kan in plaats van wat die niet langer kan: een nieuw beleid start bij het tackelen van stereotypen. Er moeten dringend sensibiliserings- en informatiecampagnes opgezet worden. Deze moeten niet enkel gericht zijn tot de werkgevers, maar ook tot de betrokken (controle)artsen.
      • ....
  • Raadplegingen: 9

Advies 2023/17 - Rapport KCE

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) inzake de toegang tot de gezondheidszorg van personen met een verstandelijke handicap.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van de NHRPH van 19/06/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

Voor opvolging aan:

  • Het KCE;
  • De heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Ter informatie aan:

  • Mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
  • Unia;
  • Het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • De federale ombudsman.

2. ONDERWERP

In december 2022 heeft het KCE een rapport gepubliceerd over de werkwijze ter verbetering van de toegang tot de gezondheidszorg voor personen met een verstandelijke handicap. Dit rapport werd voorgesteld aan de NHRPH op de plenaire vergadering van 20 maart 2023.


3. ANALYSE

België heeft het UNCRPD geratificeerd. Art. 25 ervan stelt dat personen met een handicap recht hebben op het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid. Desalniettemin merkte Special Olympics op dat er heel wat gezondheidsproblemen vaak niet vastgesteld worden bij personen met een verstandelijke handicap, of dat ze maar zelden herkend worden door de personen zelf of door hun entourage. Vandaar heeft Special Olympics Belgium een onderzoeksvoorstel ingediend bij het KCE met de vraag: "Hoe kan de gezondheidstoestand van personen met een verstandelijke handicap worden gemeten en verbeterd?”

Ook Inclusion asbl heeft onderstreept dat toegang tot gezondheidszorg een groot probleem blijft voor personen met een verstandelijke handicap.

A. Onderzoeksvraag 1:

Hoe groot is de ongelijkheid op het vlak van toegang tot bepaalde zorgverleners en gezondheidszorg tussen de personen met en zonder een verstandelijke handicap?

Het antwoord is gebaseerd op een analyse van de aanvragen tot erkenning bij de DG Personen met een handicap (DG HAN) van verstandelijke handicaps en de terugbetaling van gezondheidsuitgaven aan deze personen (gegevens van het Intermutualistisch Agentschap).

Een ondervonden probleem is dat er geen databank of register bestaat aan de hand waarvan deze personen met een handicap in België geïdentificeerd kunnen worden. Vandaar dat er een beroep is gedaan op de gegevens van DG HAN. Het ontbreken van specifieke gegevens over verstandelijke handicap leidt ertoe dat de specifieke behoeften niet kunnen worden ingeschat en de zorg bijgevolg niet kan worden aangepast.

Uit de analyse blijkt dat er geen meetbare verschillen zijn inzake de toegang tot de huisarts, maar wel uitgesproken verschillen wat betreft de toegang tot de gynaecoloog en de tandarts.

De vaststellingen zijn niet representatief voor alle verstrekte zorgen.

⇒ Aanbeveling van het KCE: gegevensverzameling – identificatie van personen met een verstandelijke handicap, de mate van hun handicap, hun gebruik van de gezondheidszorg en hun behoeften aan gezondheidszorg. Dit overzicht moet ook contextuele variabelen, zoals de woonplaats, en socio-economische variabelen opnemen om de gezondheidszorg beter af te stemmen op de behoeften van personen met een handicap.

B. Onderzoeksvraag 2:

Welke barrières ondervinden personen met een verstandelijke handicap bij de toegang tot de gezondheidszorg en welke oplossingen bestaan er hiervoor?

Het antwoord is gebaseerd op gemeenschappelijke barrières die zowel geïdentificeerd werden in de literatuurstudie als die aan het licht kwamen in interviews met beroepsbeoefenaars uit de sector van de handicapzorg, personen met een verstandelijke handicap en mantelzorgers.

De eerste vaststelling is dat er in België een algemeen zorgaanbod is en er geen specifiek zorgtraject bestaat voor personen met een verstandelijke handicap. Nochtans hebben deze personen specifieke behoeften waar geen antwoord op wordt geboden (bv. informatie in easy-to-read…).

De geïdentificeerde barrières zijn opgedeeld in 5 categorieën:

    1. Barrières in verband met houdingen en stereotypen:
      Enerzijds zijn er vooroordelen aan de kant van de verzorgers. Deze betreffen de overtuiging dat de persoon met een verstandelijke handicap niet in staat is dingen te begrijpen en dat de klachten van de persoon eigen zijn aan de verstandelijke handicap. Deze vooroordelen gaan ten koste van een echte diagnose of van bepaalde behandelingsopties die niet voorgesteld of zelfs geweigerd worden. Aldus monden vooroordelen uit in een algemene negatieve houding.
      Anderzijds zijn er bepaalde gedragingen uit angst voor het onbekende aan de kant van personen met een verstandelijke handicapdie hun kwaliteitsvolle zorg onthouden. Het gebrek aan tijd van de entourage om de zorgvrager vooraf voor te bereiden kan de angst enkel verergeren. Daarnaast kan een eenmalige slechte ervaring met een arts ook stereotypes en vermijdend gedrag tot gevolg hebben.

    2. Barrières in verband met kennis en vaardigheden:
      Enerzijds zijn de meeste zorgverleners niet opgeleid om de klinische tekenen van personen met een verstandelijke handicap te herkennen, om hun specifieke noden te identificeren of om te begrijpen wat de handicap allemaal met zich meebrengt. Ze interpreteren bepaald ‘moeilijk’ gedrag soms als symptoom van een psychiatrische aandoening in plaats van als teken van een lichamelijke ziekte en van pijn. Het feit dat personen met een verstandelijke handicap ondervertegenwoordigd zijn in talloze volksgezondheidsonderzoeken kan gedeeltelijk verklaren waarom er geen specifieke gegevens bestaan over de verstandelijke handicaps.
      Anderzijds missen zorgvragers met een verstandelijke handicap vaak gezondheidsgeletterdheid. Men ziet zo vaak het belang van gezondheid, preventie en gezond gedrag niet in of schat de ernst van een situatie verkeerd in.
      Zowel de zorgverleners als de zorgvragers zijn slecht op de hoogte van bestaande financiële en logistieke hulp.

    3. Barrières in verband met communicatie:
      Toenemende digitalisering vormt voor veel personen met een verstandelijke handicap een onoverkomelijk obstakel.
      Chronische gebrek aan tijd en luisterbereidheid van zorgverleners ontneemt hun de kans om ingewikkelde taal te versimpelen.
      Een ander probleem dat voor een gevoel van machteloosheid zorgt bij naasten van personen met een handicap is het gebrek aan communicatie tussen de zorgverleners. Vaak moet men meermaals aankloppen bij verschillende organisaties en hetzelfde herhalen om hulp te krijgen.
      Verder moet de bewegwijzering in de medische faciliteiten duidelijker zijn voor personen met een verstandelijke beperking.

    4. Barrières in verband met organisatie:
      Tijdstekort bij de zorgverleners ontneemt hun de kans redelijke aanpassingen te treffen voor personen met een verstandelijke handicap. Deze hebben vaak nood aan langere consultaties, meer begeleiding.
      Het gebrek aan tijd kenmerkt ook de opleidingen van zorgverleners: daarin worden de specifieke kenmerken van personen met een verstandelijke handicap niet of maar zijdelings behandeld.

    5. Barrières van politieke en sociale aard:
      Er zijn wetten die gelijke toegang tot gezondheid en gezondheidszorg verzekeren, maar deze worden niet toegepast: zo worden er geen redelijke aanpassingen getroffen.
      Er is een gebrek aan financiering van de zorg- en dienstverlening voor deze personen. Bijvoorbeeld: er wordt geen financiering voorzien voor de extra tijd die nodig is om een kwaliteitsvolle consultatie te kunnen hebben. Daarnaast beschikken de ziekenhuizen niet over de middelen om deze personen met specifieke behoeften op een persoonlijke manier te ontvangen.
      Sociale barrières slaan dan weer op het gebrek aan mogelijkheden van naasten om hun arbeidstijd te organiseren en de persoon met een verstandelijke handicap te begeleiden naar een medische afspraak.

C. Onderzoeksvraag 3:

Welke oplossingen zijn volgens de Belgische belanghebbenden aanvaardbaar en realistisch om de toegang tot de gezondheidszorg voor personen met een verstandelijke handicap te verbeteren?

Een aantal mogelijke oplossingen gehaald uit gesprekken met personen met een handicap en hun entourage, bestaande initiatieven en de literatuur, zijn voorgelegd aan belanghebbenden en experten. Zo is hun aanvaardbaarheid en haalbaarheid besproken.

Deze oplossingen zijn bijgevolg niet exhaustief, maar zijn wel suggesties die de aandacht van belanghebbenden hebben getrokken.

    1. Toegang tot begrijpelijke, betrouwbare en gecentraliseerde gezondheidsinformatie:
      Voordat een persoon met een verstandelijke handicap mee kan beslissen over zijn/haar gezondheid, is er a fortiori toegang nodig tot begrijpelijke gezondheidsinformatie.
      Eerst en vooral wil dit zeggen dat gezondheids(zorg)instellingen een easy-to-read versie moeten aanbieden van informatie die als relevant wordt beschouwd door hoofdactoren uit de handicapzorg. De selectie van informatie gebeurt dus in overleg. De instellingen die daaraan zouden moeten werken zijn onder meer de ziekenfondsen, FOD Volksgezondheid, het RIZIV, de deelstaten, sites die gericht zijn op gezondheidsinformatie in het algemeen (http://www.gezondheidenwetenschap.be/ of http://www.infosante.be/), ...
      Aangezien steeds meer informatie en contactmogelijkheden online te vinden zijn, moet er ook rekening worden gehouden met digitale uitsluiting. Er moet ingezet worden op het verbeteren van de digitale geletterdheid en het behoud van menselijke begeleiding.

    2. Bewustwording over opsporing van alarmerende symptomen:
      Er is nood aan jaarlijkse informatiecampagnes waarbij aangepaste instrumenten uitgedeeld worden. Dit in overleg met verenigingen van personen met een handicap.
      Het richtpubliek is heel ruim: personen met een verstandelijke handicap, hun entourage, de handicapzorg, maatwerkbedrijven,…
      Personen met een verstandelijke handicap moeten ook leren symptomen die ze ervaren onder woorden te brengen. De zorgverleners moeten dan weer leren hun communicatiemiddelen aan te passen aan dit publiek. Daarvoor zijn opleidingen nodig.

    3. Centraal register ‘toegankelijke’ zorgverleners:
      Er moet een centraal register van erkende professionals komen die hun toegankelijkheidsniveau aangeven (het naleven van PBM-normen, gebruik van eenvoudige taal, …).
      Gespecialiseerde instanties kunnen deze toegankelijkheid controleren en een label toekennen.
      Idealiter is het een op federaal niveau gecentraliseerd register.

    4. Begeleiding bij het nemen van beslissingen:
      De overheid moet meer sensibiliseringscampagnes lanceren om de entourage van personen met een verstandelijke handicap aan te moedigen te praten over voorkeuren en behoeften op vlak van gezondheid en zorg.
      Dergelijke dialogen kunnen vergemakkelijkt worden door gebruik te maken van instrumenten zoals de Smile-boekjes die ontwikkeld werden door Inclusion asbl; daarin staan stellingen en ernaast smileys: lachend, neutraal, boos en andere pictogrammen om de persoon met een verstandelijke handicap op een laagdrempelige manier toe te laten zijn/haar mening te geven.
      Uiteraard zal een dergelijk instrument op zich niet volstaan. Naasten moeten kunnen rekenen op ondersteuning en begeleiding op vlak van communicatie. Ook moet er tijd beschikbaar zijn voor deze gesprekken (zorgverlof voor mantelverzorgers, langere consultaties bij professionals zonder meerkosten voor de zorgvragers).

    5. Coördinatie van gezondheidsinformatie cruciaal:
      Een vaste huisarts kan alle contacten met specialisten coördineren. Het belang hiervan kan in een informatiecampagne toegelicht worden door AVIQ, PHARE, VAPH, Opgroeien, BrAP, Dienststelle für Selbstbestimmtes Leben (DSL) in samenwerking met het Collège de Médecine générale (CMG), Domus Medica en de ziekenfondsen.
      Verder moeten bestaande diensten zoals het onlineportaal MijnGezondheid ook in eenvoudige taal aangeboden worden. Het mogelijk maken van uitwisseling van informatie via het elektronisch dossier zou een pluspunt zijn.
      Er is nood aan een jaarlijks multidisciplinair overleg georganiseerd door de huisarts of zorgverlener die als aanspreekpunt fungeert. Ter opvolging moet een schriftelijk rapport opgesteld worden en een eventueel zorgplan (in eenvoudige taal). Alle professionals moeten hiervoor een specifieke vergoeding ontvangen.
      Een specifiek overleg en overgangsplan is nodig wanneer een persoon overstapt van pediatrische zorg naar volwassenen.
      Ter vergemakkelijking van de communicatie kan beroep gedaan worden op visuele instrumenten zoals de Babbelgidsen van Dito. Daarin moet medische informatie staan, maar ook een beschrijving van de behoeften en het functioneren van de persoon met een verstandelijke handicap. Idealiter zouden huisartsenverenigingen helpen met de selectie en aanpassing van dergelijke hulpmiddelen.

    6. Toegang tot preventieve zorg verbeteren:
      Een sleutelfiguur is opnieuw de huisarts belast met het GMD. Maar ook andere professionals kunnen betrokken worden, op voorwaarde dat alle informatie aan de huisarts overgemaakt wordt. Het gaat dan om maatschappelijke werkers, psychologen, thuisverzorging, thuisverpleegkundigen, familiehulp en andere professionals die de persoon kunnen voorbereiden op de consultatie of die de verplaatsing organiseren.
      Het RIZIV moet dan uiteraard een nomenclatuurcode aanmaken voor ten minste één jaarlijkse langdurige consultatie. Dan wordt een gezondheidscontrole uitgevoerd met inbegrip van alle nodige screenings en preventieve opvolgingen.
      Daarnaast zou het RIZIV in samenwerking met de deelstaten en de ziekenfondsen ook financiële stimulansen moeten invoeren om de dekking van preventieve zorg te verbeteren. Bijvoorbeeld: jaarlijkse uitnodigingen voor bepaalde vaccinaties of opvolgingen versturen kan beloond worden.
      Tot slot moet in het algemeen meer geïnvesteerd worden (financieel en qua menskracht) in een preventief gezondheidsbeleid.

    7. Verbeteren opvolging diabetes:
      Uit literatuuronderzoek blijkt dat diabetes vaak voorkomt bij personen met een verstandelijke handicap. Momenteel kan gezondheidsvoorlichting die gericht is op diabetes enkel aangerekend worden als de verstrekking in de privéwoning van de patiënt wordt verleend. Het RIZIV moet dus de nomenclatuur voor verpleegkundige verstrekkingen wijzigen zodat die ook aangerekend kunnen worden voor personen die in een voorziening wonen. Er kunnen bijkomende vergoedingen voorzien worden voor verpleegkundigen die een opleiding in de eenvoudige taal hebben gevolgd.

    8. Bereikbaarheid van de zorg:
      Er bestaat een nomenclatuur die specialisten de mogelijkheid biedt patiënten op de verblijfplaats advies te geven (thuis of in een voorziening). Deze mogelijkheid moet beter bekend zijn bij huisartsen en specialisten.
      Bovendien beschikken sommige instellingen over infrastructuur die het mogelijk maakt om consultaties in hun gebouwen te organiseren. Dit type systeem zou breder uitgerold moeten worden (niet enkel qua aantal voorzieningen, maar ook qua patiënten: ook openstaan voor personen uit de buurt die moeilijk ter been zijn).
      Mobiele zorginitiatieven moeten meer verspreid zijn en beter financieel ondersteund worden.
      Er moet worden ingezet op de verbetering van transport naar zorginstellingen (prijs, aantal voertuigen, reserveringsprocedures, begeleiding, …).
      Bij spoedeisend transport moet begeleiding mogelijk zijn en moet als default-procedure gelden dat personen met een verstandelijke handicap indien mogelijk naar het hun vertrouwde ziekenhuis gebracht worden in plaats van naar het dichtstbijzijnde.

    9. Aangepaste consultatievoorwaarden:
      Personen met een verstandelijke handicap hebben specifieke behoeften. Om stress te reduceren zou men wachttijden moeten vermijden door bv. consultatie in het begin van de werkdag in te plannen. Daarnaast zouden langere consultaties nodig zijn met een nomenclatuurcode. Evenwel dienen professionals die zich voor dergelijke langdurige diensten kwalificeren, getraind te zijn in communicatie met personen met een dergelijk statuut van ‘persoon met specifieke behoefte(n)’.

    10. Toegankelijke ziekenhuisomgeving:
      Er moet een aanspreekpunt in ziekenhuizen zijn die de uitwisseling van informatie coördineert: eerstelijnszorg, ambulante ziekenhuiszorg en de residentiële zorg.
      Verder moet de informatie beschikbaar zijn in een eenvoudige taal, zoals bepaald in art. 7 Wet Patiëntenrechten.
      Begeleiding door een naaste naar keuze moet worden verzekerd.
      Onthaalmedewerkers moeten opleidingen krijgen over specifieke noden van personen met een verstandelijke handicap. Een andere mogelijkheid is een zorgnavigator te voorzien: een persoon opgeleid om patiënten te helpen navigeren binnen het ziekenhuis.
      Voorbeeld: in het Delta Ziekenhuis in Roeselare werd het project Unieke Personen opgezet op de kinderafdeling. Daarbij worden voor de komst van een kind met een handicap, diens specifieke behoeften geëvalueerd. Bij aankomst wordt het kind persoonlijk welkom geheten bij de ingang en iedereen wordt gebrieft. Dit creëert een sfeer van vertrouwen.
      De fysieke omgeving moet aangepast worden met betrokkenheid van organisaties van personen met een (verstandelijke) handicap.
      De erkenning van verstandelijke handicap moet worden geformaliseerd als medische reden om van een eenpersoonskamer gebruik te kunnen maken.
      Personen met een verstandelijke handicap moeten deel uitmaken van het programma van de ‘ervaringsdeskundigen’ van het RIZIV en de POD Maatschappelijke Integratie.
      In elke regio/ziekenhuisnetwerk moeten er multidisciplinaire coördinatie- en overlegcentra voor personen met een verstandelijke handicap aanwezig zijn. Deze zouden verantwoordelijk zijn voor de jaarlijkse gezondheidscontroles.

    11. Opsporen van gezondheidsproblemen:
      Personeel uit de handicapsector staat vaak in de frontlinie om het gedrag van hun begunstigden te observeren. Zij kunnen bijgevolg een belangrijke rol spelen bij het opsporen van gezondheidsproblemen. Het zou verstandig zijn hen een opleiding aan te bieden in instrumenten die helpen klachten te ontcijferen en bepaalde symptomen te herkennen.
      Ook buiten de handicapsector hebben zorgverleners richtlijnen en opleidingen nodig, eerst en vooral in communicatieve vaardigheden, maar ook rond mogelijke dubbele diagnoses (comorbiditeit) geassocieerd met handicap etc.

    12. Verzameling van gegevens:
      Om behoeften van personen met een verstandelijke handicap te identificeren moeten eerst gegevens worden verzameld.
      Het zou interessant zijn als in de Nationale Gezondheidsenquête van Sciensano een vraag wordt opgenomen om deelnemers met een handicap te identificeren en anderzijds een bijkomende enquête zou inrichten gericht op personen met een verstandelijke handicap.
      Ook het gebruik van nomenclatuur om personen op hun verblijfplaats te behandelen moet gemonitord worden.


4. ADVIES

Allereerst wenst de NHRPH te benadrukken dat veel van de gegeven aanbevelingen in het advies gelden voor het geheel van personen met een handicap en bijgevolg niet beperkt zijn tot personen met een verstandelijke handicap.

A. Wat betreft de toegankelijkheid van informatie en communicatie:

De NHRPH was blij in de voorgestelde modernisering van de Wet Patiëntenrechten (zie Advies 2023/11) te lezen dat in artikel 7 wordt aangehaald dat informatie moet worden verstrekt op een wijze die aansluit bij bevattingsvermogen van de patiënt. Daarnaast zou de complexe informatie ook schriftelijk moeten worden verschaft. Dit sluit aan bij artikel 9 (1)(b) UNCRPD dat de plicht bevat tot het treffen van passende maatregelen ter waarborging van toegankelijkheid van communicatie.
Om andere vormen van handicaps en meervoudige handicaps niet uit te sluiten is het evenwel ook belangrijk dat informatie wordt aangeboden in gebarentaal en dat complexe informatie toegankelijk is voor blinde of slechtziende personen (compatibel formaat met screenreaders en/of in braille).

De NHRPH onderkent de nood aan een aanbod van algemene gezondheidsinformatie in eenvoudige taal: dit is inderdaad een eerste stap om personen te helpen hun gezondheid op te volgen. De selectie van informatie (van de FOD Volksgezondheid, de ziekenfondsen, het RIZIV, …) moet inderdaad in overleg gebeuren met organisaties die personen met een verstandelijke handicap vertegenwoordigen. Ook hier mag gebarentaal niet vergeten worden, zie Advies 2023/03.

In lijn met art. 25 (a) UNCRPD wenst de NHRPH de oproepen te herhalen van het UNCRPD-Comité (punt 21 (c)) in 2019, de Europese Commissie in de Handicapstrategie en het CEDAW-Comité in november 2022 om de toegang tot seksuele en reproductieve rechten te verbeteren. Het waarborgen van deze rechten (ook bij personen met een verstandelijke handicap), begint immers bij het beschikken over betrouwbare en toegankelijke informatie.

⇒ Belangrijke individuele en algemene gezondheidsinformatie moet in eenvoudige taal en gebarentaal aangeboden worden.

De NHRPH onderstreept dat personen met een handicap vaker te maken krijgen met digitale uitsluiting en bijgevolg nood hebben aan menselijke dienstverlening. De nood aan niet-digitale dienstverlening werd onlangs ook erkend door het Europees Parlement in zijn resolutie van 15 maart 2023 rond een adequaat minimuminkomen.

Verder raadt het KCE, net zoals de NHRPH (zie Advies 2023/03), aan opleidingen te voorzien voor professionals o.a. inzake hun communicatievaardigheden. De NHRPH is ook voorstaander van een centraal register van erkende professionals die hun toegankelijkheidsniveau aangeven en waar een eventueel label aan kan vastgehangen worden. Een dergelijk register zou verschillende criteria kunnen hanteren: het gebruik van eenvoudige taal, het naleven van bepaalde toegankelijkheidsnormen in het gebouw, kennis van gebarentaal, …

⇒ In de ‘medische curricula’ en bijscholing moet meer aandacht besteed moeten worden aan de inclusie van personen met een handicap. De artsen moeten leren een passende houding aan te nemen ten opzichte van de persoon met een (verstandelijke) handicap en de mantelzorger.

Het zou goed zijn mocht er een centraal register bestaan waar het toegankelijkheidsniveau van bepaalde professionals aangeduid staat.

B. Met betrekking tot begeleiding bij het nemen van beslissingen:

De voorgestelde modernisering van de Wet Patiëntenrechten voorziet in een wijziging van art. 14, zodat de rechten van de patiënt zo veel mogelijk in lijn met de door de patiënt geuite voorkeuren worden uitgeoefend. Dit ligt in lijn met art. 12 UNCRPD en is een goede aanpassing (zie Advies 2023/11).

Wat betreft mogelijke hulpmiddelen zoals de Smile-boekjes van Inclusion asbl, zou het goed zijn om de ontwikkeling van dergelijke instrumenten te promoten.

⇒ In lijn met art. 12 UNCRPD moet de patiënt centraal blijven staan wat betreft zorgnoden en zorgvoorkeuren.

Er moet ingezet worden op de bevordering van de ontwikkeling van instrumenten die de dialoog bij het nemen van beslissingen vergemakkelijken.

C. Inzake de toegankelijkheid van zorg:

In lijn met art. 9 (1)(a) en art. 25 (c) UNCRPD moet de zorg inderdaad zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de zorgvrager gebeuren.

De ongelijkheid inzake nomenclatuur voor gezondheidsvoorlichting inzake diabetes dient opgelost te worden: het RIZIV moet ook de terugbetaling verzekeren van voorlichtingen die gegeven worden aan personen in voorzieningen.

De NHRPH is voorstaander van het voorzien van infrastructuur in instellingen om consultaties te organiseren voor hen die moeilijk te been zijn. Hoewel dit een gewestbevoegdheid is, zijn samenwerkingen tussen de deelstaten en o.a. het RIZIV in dat verband aangeraden. Daarnaast herinnert de NHRPH eraan dat België in zijn geheel verplicht is zijn internationale verbintenissen onder het UNCRPD progressief en te goeder trouw te vervullen, zoals vereist onder art. 26 Weens Verdragenverdrag. Het falen van één entiteit, betekent internationaal het falen van heel het land.

⇒ De nomenclatuur die specialisten de mogelijkheid biedt patiënten op de verblijfplaats advies te geven moet gepromoot worden, zeker voor personen met een handicap. De aanwezigheid van een wachtpost dichtbij neemt de nood van personen met een verstandelijke handicap aan een vertrouwde omgeving geenszins weg.

⇒ Mobiele zorginitiatieven moeten meer verspreid zijn en beter financieel ondersteund worden.

⇒ Het transport van en naar zorginstellingen moet verbeterd worden. Gedacht kan worden aan het waarborgen van assistentie bij intermodale verplaatsingen (zie Advies 2023/03). Bij de terugweg is het belangrijk om aandacht te besteden aan de kwetsbare toestand na een behandeling en de nood aan eventuele begeleiding.

⇒ Begeleiding van personen met handicap moet een default procedure worden bij zorgverlening (inclusief spoedeisend transport, bij de consultaties, bij ingrepen…). Daarbij is het belangrijk dat begeleiding niet beperkt wordt tot één vertrouwenspersoon (zie Advies 2023/11 over de modernisering van de Wet Patiëntenrechten: voorstel tot invoeren van het recht op een vertrouwenspersoon in een nieuw art. 11/1 Wet Patiëntenrechten). Afhankelijk van de context kan de persoon immers nood hebben aan andere begeleiders.

De NHRPH herhaalt ook zijn standpunt (zie Advies 2016/13) over de niet-terugbetaling via het RIZIV van de monodisciplinaire logopedie aan personen met een IQ ingeschat lager dan 86 en/of een autismespectrumstoornis. Deze zorg moet toegankelijk zijn – zie Advies 2023/21.

D. Met betrekking tot de aangepaste onthaal-/consultatievoorwaarden:

De NHRPH heeft reeds aangekaart dat er in lijn met art. 9 UNCRPD nood is aan makkelijk begrijpbare bewegwijzering in voor het publiek toegankelijke gebouwen zoals ziekenhuizen (die ook uniform moet zijn voor het hele land), audio-informatie (signalen en afkondigingen) etc. Uiteraard moet begeleiding - indien gevraagd - mogelijk zijn, maar bewegwijzering geeft personen met een handicap meer autonomie, in tegenstelling tot een direct beroep op een ‘zorgnavigator’ zoals voorgesteld wordt door het KCE.

⇒ Er moet uniforme en makkelijk begrijpbare bewegwijzering komen in ziekenhuizen. De mogelijkheid van audio-informatie moet onderzocht worden.

Daarnaast zou het goed zijn indien de onthaalmedewerkers een opleiding zouden volgen rond de specifieke behoeften van personen met een (verstandelijke) handicap zoals aangeraden wordt door het KCE. Dit ligt in lijn met de vraag van de NHRPH om speciale onthaalteams te voorzien voor personen met een handicap.

⇒ Onthaalmedewerkers in ziekenhuizen moeten een opleiding kunnen genieten rond de behoeften van personen met een (verstandelijke) handicap.

⇒ Ziekenhuizen die dergelijke opleidingen organiseren moeten financieel ondersteund worden.

De NHRPH vraagt net zoals het KCE om de mogelijkheid te voorzien van een specifieke nomenclatuur voor langere consultaties. Dit is een vorm van redelijke aanpassing, zeker ten aanzien van personen met een verstandelijke handicap.

⇒ Er moet een specifieke nomenclatuur ingevoerd worden die langere consultaties mogelijk maakt voor personen met een (verstandelijke) handicap.

De NHRPH vindt de Babbelgidsen van Dito een mooi voorbeeld van een hulpmiddel voor ondersteuning van het gesprek tussen de arts en de patiënt met verstandelijke handicap. De NHRPH pleit aldus dat de artsenverenigingen, patiëntenverenigingen en organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen samenwerken om een coherent en over heel België bruikbaar instrument opstellen ter ondersteuning van het gesprek met de arts (hulp om symptomen onder woorden te brengen, …).

⇒ Er moet samengewerkt worden om een visueel hulpmiddel op te stellen om het gesprek tussen de arts en een patiënt met een verstandelijke handicap te faciliteren. Dit moet een coherent instrument zijn dat in heel België inzetbaar is.

E. Wat betreft de coördinatie van informatie:

Coördinatie en informatie-uitwisseling is belangrijk. Het zou dus handig zijn mocht er voor complexe dossiers waar verschillende professionals aan verbonden zijn, een volledig elektronisch dossier is dat voor alle betrokkenen toegankelijk is (medische professionals, zorgverleners, maatschappelijke werkers, …). In lijn met het gegevensbeschermingsrecht dient de patiënt wel toestemming te geven voor de aanmaak van een dergelijk algemeen elektronisch dossier en ook voor elk betrokkene die er toegang toe zal hebben. Uiteraard moet het dossier ook in eenvoudige taal beschikbaar zijn voor de patiënt met een verstandelijke handicap zelf.

Het is inderdaad wel zo dat de huisarts als eerstelijnszone van gezondheidszorg in elk geval op de hoogte moet zijn van alle contacten met professionals. De verantwoordelijkheid om informatie te delen moet evenwel individueel zijn (en dus voor elke betrokkene gelden).

⇒ Men moet multidisciplinaire gegevensuitwisseling mogelijk maken via een elektronisch dossier dat in eenvoudige taal beschikbaar is en waarbij de patiënt toestemming geeft per betrokkene die er toegang toe heeft.

F. Inzake preventieve geneeskunde:

Er moeten opleidingen openstaan voor personen met een verstandelijke handicap zelf en al wie met hen in contact komen, waarin men leert symptomen te herkennen en bepaalde klachten te ontcijferen (personen uit de handicapsector, bekwame helpers, familie, …).

Deze opleidingen moeten verplicht zijn voor medische professionals, opdat ze symptomen niet zouden afschrijven als voortvloeisel van de verstandelijke handicap.

⇒ Er moet worden ingezet op de ontwikkeling van opleidingen en richtlijnen rond het herkennen van symptomen en het behandelen van bepaalde gezondheidsproblemen bij personen met een handicap. Deze zijn zeker nodig voor medische professionals.

De NHRPH is voorstander van een jaarlijks multidisciplinair overleg en een jaarlijkse gezondheidscontrole georganiseerd door de huisarts of een coördinatiemechanisme binnen een ziekenhuis. Uiteraard moet er een nomenclatuur voorzien worden hiervoor.

⇒ Er moet een nomenclatuur aangemaakt worden voor een jaarlijks multidisciplinair overleg en gezondheidscontrole.

G. Inzake gegevensverzameling:

Uitsplitsing van gegevens o.b.v. de handicapstatus (mate van handicap en specifieke behoeften) is belangrijk. Het KCE stelt voor het gebruik van de nomenclatuur die de consultatie op de woonplaats vergoedt te monitoren en om Sciensano een vraag te laten invoeren om personen met een handicap bij de Nationale Gezondheidsenquête te kunnen onderscheiden.

De NHRPH vindt (Advies 2023/03) dat er ook bij de volkstelling vragen gesteld kunnen worden die personen met een handicap onderscheiden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de vragen opgesteld door de Washington Group on Disability Statistics. Dat is een aanbeveling van het UNCRPD-Comité.

⇒ Rekening houdend met de mensenrechtenbenadering van handicap onder het UNCRPD moet er bij de volkstelling en bij de Nationale Gezondheidsenquête gewerkt worden met vragen die personen met een handicap onderscheiden.

⇒ Er is ook nood om daarbinnen specifiek de personen met een verstandelijke handicap te onderscheiden.

  • Raadplegingen: 12

Advies 2023/19 - KB NHRPH

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2023/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Koninklijk besluit tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/05/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het KB dat de samenstelling en de werking van de NHRPH vastlegt, dateert van 1981. Het huishoudelijk reglement werd voor het laatst aangepast in 2009. De teksten moeten aangepast worden in het licht van de huidige reglementaire vereisten die de NHRPH moet vervullen, de participatieve uitdagingen waarmee de NHRPH wordt geconfronteerd en de nieuwe werkorganisatie die wordt ontwikkeld.


3. ANALYSE

De afgelopen jaren verplichten heel wat verordenende teksten de federale autoriteiten, maar ook andere belanghebbenden, om de NHRPH over de meest uiteenlopende gebieden te raadplegen (handistreaming). De NHRPH is ook bevoegd voor het uitbrengen van adviezen over alle federale aangelegenheden, wanneer de NHRPH van oordeel is dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de situatie van personen met een handicap. De versterking van de technologieën heeft de afgelopen jaren ook een impact gehad op de werking van de NHRPH (telewerk, videoconferentie, enz.).
Het is van essentieel belang dat de NHRPH als werkpartner een hogere reactiviteit en proactiviteit ontwikkelt, zijn participatieve en flexibele werkmethoden versterkt, zich profileert als kennispool en deze kennis zo goed mogelijk overbrengt om het leven van personen met een handicap, hun zelfredzaamheid en hun deelname aan de samenleving te verbeteren.

Dit advies bevat een aantal aanbevelingen en vraagt dat er bij de aanpassing van het KB rekening mee wordt houden. Een huishoudelijk reglement (HR) zal verder de werkwijze van de overleg- en besluitvormingsorganen en het secretariaat van de NHRPH moeten aanvullen en verduidelijken. De ideeën in het huidige advies passen binnen een denkoefening die soms veel verder gaat dan het opstellen van het KB, maar ze kunnen richting geven aan de inhoud ervan (en ook aan die van het HR).


4. ADVIES

A. Wat betreft de woordenschat en de benaming van de Raad (KB en HR)

De NHRPH stelt voor om de naam van de NHRPH te wijzigen in Federale Raad voor Personen met een Handicap. In het Frans moet ook de term “personnes handicapées” in alle KB’s worden veranderd in “personnes en situation de handicap” (PSH). Deze nuance van de terminologie is belangrijk, omdat het de bedoeling is te benadrukken dat een deficiëntie een eigenschap is, zoals geslacht, leeftijd, enz. en dat het de (niet-aangepaste) omgeving is die de eigenschap tot een handicap maakt. Deze paradigmaverandering maakt het mogelijk om de aanpassing van de omgeving juridisch te eisen om zo tegemoet te komen aan de rechten en behoeften van personen met een handicap.

B. Wat betreft de keuze van de administratieve verbinding van de NHRPH – ministeriële bevoegdheden (KB)

a. Doelstelling: de transversaliteit in alle federale bevoegdheden waarborgen

b. Middel: De echte vraag die moet worden gesteld: “Aan welke minister moet de NHRPH worden toegevoegd om het volgende mogelijk maken:”

    1. waarborgen van de continuïteit en de financiering
    2. waarborgen van transversaliteit
      1. Een Federaal Handicapplan moet in ieder regeerakkoord worden geïntegreerd
      2. Deelname van alle ministers aan alle plenaire vergaderingen is wenselijk ⇒ zeker om een actie voor te stellen of wanneer een advies wordt gevraagd
      3. Trimestriële ontmoetingen tussen de NHRPH en het Kabinet van de Minister die bevoegd is voor personen met een handicap (PMH); jaarlijkse ontmoetingen tussen de NHRPH en de kabinetten van de andere ministers
      4. Indien mogelijk voor het secretariaat: verplicht voorafgaand advies over de beleidsverklaring van de regering en de algemene beleidsnota’s van de ministers en staatssecretarissen

De NHRPH vraagt minimaal de administratieve verbinding aan een minister (die in de Ministerraad zetelt), idealiter een Vice-eersteminister (die in de Kern zetelt).
De NHRPH beveelt aan de NHRPH te koppelen aan de minister die bevoegd is voor personen met een handicap. Deze moet een voortrekkersrol spelen.

c. Naast de keuze van de administratieve verbinding moet de vraag inzake de concrete werking van handistreaming worden gesteld

    1. noodzakelijke hervormingen vanuit het oogpunt van de werking van de regering en het parlement: test inclusie van handicap voor iedere denkoefening/beslissing
    2. Transversaliteit en (financiële) continuïteit moeten worden gewaarborgd. Het transversale aspect benadrukt het feit dat de NHRPH tijdig moet worden betrokken ( = het (de) moment(en) waarop de input van de NHRPH kan worden geïntegreerd in alle dossiers die een impact kunnen hebben op PMH en hun omgeving). In het Handicapplan moet staan dat in elk regeerakkoord rekening moet worden gehouden met PMH ; de ministers zouden verplicht moeten worden hun beleid toe te lichten in de plenaire vergadering van de NHRPH; er zijn trimestriële vergaderingen met de NHRPH en het/de kabinet(ten) nodig.

C. Wat betreft de bevoegdheden van de NHRPH (KB)

a. Transversaliteit is het basisbeginsel (artikelen 4.3 en 33.1 UNCRPD).

    1. Artikel 1 van het huidige KB verwijst naar de wet van 8 augustus 1980. Er moet ook worden verwezen naar andere wetgeving zoals de Grondwet, de UNCRPD, enz.

b. Opdrachten

    1. De gesprekspartner over handicap - toegang tot rechten, inclusie en zelfredzaamheid ( hij is niet een technisch deskundige rond de toegankelijkheid) ter beschikking van politici, de administratie en de burger.
    2. Advies en standpunten
    3. Proactiviteit (advies op eigen initiatief): de NHRPH in staat stellen alle noodzakelijke hervormingen te behandelen, overeenkomstig de hogere rechtsregel.
    4. Reactiviteit (advies op verzoek):
      De NHRPH onderzoekt de wenselijkheid van de teksten/domeinen waarover hij aan de denkoefening deelneemt / waarover hij een advies uitbrengt. De NHRPH wordt dus betrokken in alle huidige en toekomstige wetgeving maar beslist zelf of hij een advies wenst te geven.
      1. indicatoren: De NHRPH kan indicatoren verschaffen aan de hand waarvan kan worden bepaald of hem al dan niet om advies moet worden gevraagd. De betrokken ministers zouden ook een antwoord moeten geven op de manier waarop zij het advies van de NHRPH al dan niet integreren.
      2. Voor de adviezen op verzoek van een minister zou uitdrukkelijk moeten worden voorzien dat de minister officieel antwoordt, met eventuele publicatie op de website van de NHRPH; dit zou het ultieme stadium zijn van een participatieve democratie waarin iedere speler zijn taken en verantwoordelijkheden ter harte neemt: “de NHRPH adviseert, het beleid beslist en licht het besluit toe”.

D. Wat betreft de samenstelling (KB)

a. representatieve verenigingen en geen fysieke personen meer: aangestelde kandidaten zijn vertegenwoordigers; het is de vereniging die lid is.

    1. de verenigingen respecteren de criteria inzake representativiteit (zie positienota’s Participatie van PMH aan besluitvormingsprocessen (21/06/2021) en Representativiteit en participatie van PMH bij besluitvormingsprocessen (17/10/2022)
    2. Een minimum en een maximum aantal leden vaststellen: een minimum om de continuïteit te verzekeren, een maximum om genuanceerde en echte debatten te waarborgen.
    3. voorstel: minimum 12, met respect voor de taalpariteit en vooral de representativiteit van alle handicaps. De waarnemers zijn hier niet inbegrepen en hebben een apart statuut.

b. Categorieën van deelnemers:

    1. Leden met stemrecht op de plenaire
      1. Representatieve verenigingen
        Minimum voorzien : De NHRPH moet een minimum van 2/3 verenigingen die PMH vertegenwoordigen tellen.
      2. Mutualiteiten, revalidatiecentra, maatwerkbedrijven, dienstverleners … = deskundigen
      3. Unia: voor zijn expertise op het vlak van non-discriminatie, redelijke aanpassingen …
    2. Zonder stemrecht
      1. Experten van de werkgroepen (WG) en externen: alleen op uitnodiging .
      2. Andere adviesraden
        1. PMH: neen ⇒ trimestriële vergaderingen van het Platform
        2. Adviesraden armoede, ouderen, kinderen, duurzame ontwikkeling, …
      3. Vertegenwoordiger DG Personen met een Handicap en ministeriële kabinetten

c. Bureau

    1. 1 voorzitter en drie ondervoorzitters, aangeduid door de minister. Geen criteria rond gender of taal. De aanstellingsprocedure moet in het HR.

d. Plenaire vergaderingen - effectieve en plaatsvervangende leden

    1. de betrokken personen wisselen elkaar af ⇒ zij zorgen voor de overdracht van informatie, uitwisselingen en ‘to do’
    2. effectief lid neemt ontslag = plaatsvervanger neemt rol automatisch over (HR)
    3. participatie : zie onderaan in Werking

e. Interne werkgroepen

    1. KB: de NHRPH heeft de mogelijkheid om WG’s op te richten volgens zijn noden. De NHRPH verwacht wel engagement en inzit van de leden zowel in interne als externe WG’s.
    2. HR : deelname en werking

f. Vertegenwoordigers van verenigingen:

    1. Nominatief benoemd: “De vereniging is vertegenwoordigd door X en Y”
    2. 1 effectief lid + 1 plaatsvervangend lid: formule die flexibiliteit in de vervangingen mogelijk maakt zonder ministeriële aanstelling.
    3. Respect genderpariteit: binnen het wettelijk kader blijven, maar vrijheid voor verenigingen (interne beperkingen: deelname niet in gevaar brengen in naam van de "gender"-eis).
    4. Respect voor de talen
    5. Evenwicht tussen de deelgebieden: Vlaanderen, Wallonië, Brussel, Duitstalige Gemeenschap. Indien te onevenwichtig, nieuwe oproep. Moet nageleefd worden ; veel belangrijker dan gender-eis
    6. Kandidatenformulier: expertise en verbintenis om de nodige tijd eraan te besteden
    7. Standpunten bepaald met consensus.

g. Zitpenningen 

    1. Terugbetaling aan de verenigingen voor terbeschikkingstelling van personeel en niet langer presentiegeld voor personen (+ het risico als zelfstandige in bijberoep te worden bestempeld)
    2. Een logische voortzetting van artikelen 4.3 en 33.1 UNCRPD: elk werk en elke deskundigheid verdienen vergoed te worden!
    3. Berekenen hoeveel tijd nodig is voor het uitoefenen van het mandaat voor de NHRPH. Maandelijks forfait? [1]
    4. Alle uitgaven van de leden in verband met de uitvoering van de opdracht moeten door de staat worden betaald: à minima de verplaatsing. Ook van de mantelzorger.

h. Duur van het mandaat

    1. Onbeperkt hernieuwbaar (soms weinig kandidaturen)

E. Wat betreft de werking (KB en HR)

a. Huidige werking onveranderd : Bureau bereidt de plenaire voor.

b. Vergaderingen - plenaire, Bureau, WG

    1. Huidige werking : onveranderde kalender
      1. Fysiek aanwezig versus online: organisatie te bepalen in het HR
      2. Plenaire vergadering:
        1. Minister voor PMH: altijd vertegenwoordigd
        2. Andere ministers: aanwezigheid zeer gewenst (actualiteit/advies)
    2. Participatie: compromis tussen doeltreffendheid en handicap/ziekte
      1. Herhaling: Vrij af te spreken tussen effectief lid en plaatsvervanger
      2. Ongerechtvaardigde afwezigheid: vervanging na 3 opeenvolgende afwezigheden, maar de aandacht wordt hier telkens op gevestigd
      3. Afwezigheid wegens ziekte: vervanging na 6 afwezigheden/kalenderjaar
      4. Afwezigheid van meer dan 6 maanden, met rechtvaardiging > ook vervangen
      5. Kennisgeving van de vervanging aan de minister - vervanging door het bij de minister aangemelde bureau (en zonder ministerieel bevel tot vervanging, aangezien het de vereniging is die wordt aangewezen)

c. Jaarlijkse verplichting om het jaarverslag aan het federaal parlement voor te stellen (cf. Unia).

d. Advies:

    1. Artikelen 4.3 en 33.1 van de UNCRPD: De NHRPH moet verplicht worden betrokken.
    2. Status quo voor de termijnen (mogelijkheid om een advies te formuleren binnen de 2 weken indien de NHRPH dat wenselijk en haalbaar acht)
    3. Principe: advies te bespreken tijdens de plenaire vergadering
    4. Uitzondering: ingaan op verzoek / de hoogdringendheid volgens de mogelijkheden van het secretariaat (beperkingen van handistreaming). In ieder geval bepaalt de NHRPH zelf de uitzonderingen. De raadpleging van de plenaire vergadering blijft essentieel. Het is aan de NHRPH om te bepalen of een advies al dan niet in hoogdringend moet worden uitgebracht.
    5. Onderscheid maken tussen de adviezen gevraagd door de minister belast met tegemoetkomingen/handicap en gevraagd door andere ministers of die bestemd zijn voor andere ministers.
    6. Reikwijdte van de adviezen: de minister legt uit waarom hij afwijkt van het advies (zie hierboven)

e. Actieplan jaarlijks vast te stellen

    1. Thematische WG’s creëren
    2. Een engagement van elk van de leden vragen naargelang hun vaardigheden.

F. Wat betreft het Secretariaat en de werkmiddelen (KB/HR)

a. Administratieve verankering (DG Personen met een handicap - onveranderd)

b. Structurele budgettaire verankering : personeel en werkmiddelen, met inbegrip van communicatie: website, easy to read…

c. Redelijke aanpassingen om de deelname van de leden en experten aan de vergaderingen mogelijk te maken

d. Onafhankelijkheid en loyaliteit van de werknemers waarborgen

e. Gemeenschappelijk voor de NHRPH en het BDF – Adviesplatformen ⇒ het secretariaat moet voldoende groot zijn om de 3 organen te laten functioneren : versterking nodig.

f. Efficiënt secretariaat (onderzoek, juridische analyse) ⇒ een minimum van personeelsleden niveau A voor analytisch en redactioneel werk in het kader van de wettelijke opdrachten van NHRPH/BDF

g. Geëngageerd secretariaat

h. Evenwicht tussen ideaal van handistreaming en beheersbare werklast.

G. Wat betreft het dringende karakter van de hervorming

De Minister bevoegd voor personen met een handicap wordt uitdrukkelijk verzocht zo spoedig mogelijk de nodige aanpassingen door te voeren, zodat de NHRPH zijn rol als serieuze en loyale partner kan blijven ontwikkelen. Idealiter wordt het KB nog aangenomen en gepubliceerd tijdens deze legislatuur.

[1] Vlaams Patiëntenplatform (VPP) en Ligue des Usagers des Services de Santé (LUSS): jaarlijkse financiering van 761.000€ voor de 2 structuren in 2023 – secretariaat van ongeveer 20 personen – talrijke mandaten

  • Raadplegingen: 13

Advies 2023/14 - Voorstel Resolutie tewerkstelling van personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie van de Kamer ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap (DOC 55 3318/001), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/06/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

Voor opvolging aan de volgende volksvertegenwoordigers:

  • Mevrouw Nahima Lanjri;
  • Mevrouw Nathalie Muylle;
  • Mevrouw Nawal Farih;
  • De heer Servais Verherstraeten;
  • De heer Wouter Beke.

Ter informatie aan:

  • Mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
  • De heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk;
  • Mevrouw Marie-Colline Leroy, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit;
  • De heer Jo Brouns, Vlaams Minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw;
  • De heer Bernard Clerfayt, Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering, de Plaatselijke besturen en Dierenwelzijn;
  • Mevrouw Christie Morreale, Viceminister-president van de Waalse Regering en Minister van Werk, Sociale Zaken, Gezondheid en Gelijke Kansen;
  • Mevrouw Isabelle Weykmans, Viceminister-president van de Duitstalige Gemeenschap en Minister van Cultuur en Sport, Werkgelegenheid en Media;
  • De heer Frédéric Daerden, Viceminister-president van de Franse Gemeenschap en Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Gelijke Kansen;
  • Mevrouw Nawal Ben Hamou, Staatssecretaris van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Huisvesting en Gelijke Kansen;
  • De heer Bart Somers, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen;
  • Unia;
  • Het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • De federale ombudsman.

2. ONDERWERP

Mevrouw Nahima Lanjri heeft op 19 april 2023 een Voorstel van Resolutie ingediend in de Kamer ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap.


3. ANALYSE

A. Vaststellingen:

i. België doet het niet goed op vlak van tewerkstellingskansen voor personen met een handicap:
De arbeidsparticipatiekloof is in België meer dan 10% hoger dan het EU-gemiddelde. Vrouwen met een handicap worden dubbel getroffen, want zij hebben minder kans om werk te vinden dan mannen met een handicap. Dit geldt voor zowel de privé-arbeidsmarkt, als tewerkstelling in een maatwerkbedrijf, als tewerkstelling bij de overheid.

ii. Het voorstel van resolutie vertrekt vanuit de UNCRPD-definitie van handicap

iii. Uit veldonderzoek van de Gentse arbeidsmarkt en klachten bij Unia blijkt dat er veel discriminatie is ten aanzien van personen met een handicap. Werkgevers hebben nog te veel stereotypen en vooroordelen, wat een impact heeft op sollicitatiekansen van personen met een handicap. Zelfstandigen met een handicap zullen dan weer minder snel krediet krijgen.

Verder weten de werkgevers niet altijd dat de kosten van redelijke aanpassingen op de werkplek vaak vergoed kunnen worden of is men van mening dat de aanvraagprocedures van deze premies te complex is.

iv. Economisch beter voor iedereen:
De Belgische arbeidsmarkt kampt met een krapte, die enkel zal stijgen met de vergrijzing. Activering van de niet-actieve personen met een handicap zal niet enkel de productiviteit van de Belgische bedrijven ten goede komen, maar ook de staatskas aangezien de kosten die de overheid maakt voor de uitkering van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) zullen dalen en de inkomsten zullen stijgen via belastingen op arbeid.

v. Maatschappelijke plicht:
Tewerkstelling gaat om meer dan louter werken, het gaat ook om zelfontplooiing, kennismakingen en - meer algemeen – om gelijkwaardige participatie in de samenleving. Art. 22ter van de Grondwet stelt immers dat iedere persoon met een handicap recht heeft op volledige inclusie in de samenleving.

Daarnaast verkleinen volwaardige jobs het disproportioneel grotere armoederisico van personen met een handicap.

Bovendien wijzen studies uit dat diversiteit op de werkvloer tot meer creativiteit en innovatie leidt en tunnelvisie voorkomt.

vi. De Federale Overheid is nog geen goed rolmodel:
Hoewel er een quota van 3% bestaat, is dit nog nooit behaald geweest. Het zou dus goed zijn mochten overheidsorganisaties expliciet een verklaring moeten afleggen indien het quota niet ingevuld is en dat er ook rekening wordt gehouden met het behalen van het quota bij de evaluatie van topambtenaren.

Betere gegevensverzameling is nodig. Deze dient ook correct te zijn; personen tewerkgesteld in maatwerkbedrijven en die overheidsopdrachten vervullen mogen niet worden meegerekend onder het quota van 3%.

In het voorstel van resolutie wordt gepleit voor een nauwere samenwerking met de arbeidsbemiddelingsdiensten zoals de VDAB, Actiris en Forem, maar ook met handicaporganisaties om zodoende meer personen met een handicap actief te matchen met de vacatures van de federale overheid.

Daarnaast moet de selectieprocedure worden herzien.

    • Qua inhoud: de huidige testen focussen op generieke competenties die niet per se nodig zijn bij de uitoefening van de functie.
    • Qua toegankelijkheid: meer opties dan enkel fysieke aanwezigheid in Brussel bij Selor (sinds kort gekend als werkenvoor.be), toegankelijke gebouwen,…

vii. Tewerkstelling wordt vooral gestimuleerd via financiële steunmaatregelen voor de werkgevers:

    • In Vlaanderen kan men (vanaf 1 juli 2023) via individueel maatwerk een loon- en een begeleidingspremie krijgen.
    • In Wallonië kan men via een prime de compensation het eventuele verlies aan productiviteit vergoed krijgen.
    • In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan men een loonpremie en een sensibiliseringspremie.

viii. Interfederale samenwerking is cruciaal:
De relevante bevoegdheden zijn verspreid over de bevoegdheidsniveaus. Er moet ook een samenwerking zijn op het vlak van gegevensverzameling en -uitwisseling.

ix. Nood aan vertegenwoordiging van personen met een handicap in de Nationale Arbeidsraad (NAR):
De NAR is een instantie met veel invloed op de arbeidsmarktbeleid, maar adviezen inzake inclusie van personen met een handicap op de werkvloer zijn zeldzaam of onbestaande.

x. Nood aan toegankelijke scholingsmogelijkheden:
Personen met een handicap zijn over het algemeen lager geschoold dan de gemiddelde beroepsbevolking. Daarom is het essentieel dat zij op en naast de werkvloer toegang krijgen tot toegankelijke scholing, beroepsopleiding en vormingen.

xi. Inzetten op samenwerkingen tussen maatwerkbedrijven en de reguliere bedrijven:
Begeleiders uit maatwerkbedrijven bezitten heel wat kennis en expertise rond werken en omgang met mensen met een zekere afstand tot de arbeidsmarkt.
Het delen van deze kennis en ervaring kan leiden tot een betere begeleiding van personen met een handicap op de arbeidsmarkt.

xii. Dringend nood aan informatie- en sensibiliseringscampagnes voor werkgevers:
De nieuwe werkcultuur moet focussen op inclusie en diversiteit. Werkgevers moeten leren aan jobcrafting te doen (het veranderen van de manier van werken).

xiii. Herberekening IVT in hetzelfde jaar en niet in jaar X+1

xiv. Nood aan quota op de privémarkt:
Veel van de best scorende landen inzake disability gap in de EU maken gebruik van quota. Onder andere Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Luxemburg en Oostenrijk kennen een quotasysteem voor personen met een handicap.

xv. Inzetten op het stimuleren van ondernemerschap:
Vandaag is er een tekort aan informatie over het beginnen als zelfstandig ondernemer, over de mogelijkheden tot ondersteuning, het effect van dit werk op de tegemoetkomingen en sociale voordelen etc. Er is nood aan een informatie- en contactpunt.

Verder hebben personen met een handicap vaak een lager startkapitaal, waardoor ze meer nood hebben aan een langere financiële ademruimte en lagere sociale bijdragen.

B. Verzoeken aan de federale regering:

i. IMC Werk en interfederaal plan tewerkstelling van personen met een handicap:
Alle beleidsniveaus moeten samenkomen om op zoek te gaan naar structurele oplossingen en om eventuele goede praktijken van regio’s uit te wisselen.

Het interfederaal plan tewerkstelling moet ondersteuningsmaatregelen van de regio’s op elkaar afstemmen en concrete doelstellingen vooropstellen met termijnen. Instanties die de doelstellingen niet behalen moeten motiveren waarom dat zo is en moeten duiden wat ze zullen ondernemen om deze toch te halen.

ii. Federale overheid als rolmodel:

    • Openstaande vacatures invullen door actief samen te werken met de arbeidsbemiddelingsdiensten en handicaporganisaties.
    • Screeningsprocedure toegankelijk maken, onder andere door het voorzien van digitale proeven. Ook moet er gewerkt worden aan de toegankelijkheid van overheidsgebouwen.
    • Aanpassen van de selectietesten zodat deze enkel de effectief nodige vaardigheden aftoetsen. Eventueel alternatieve selectieprocedure voorzien voor personen met een handicap: bv. een betaalde stage die eventueel leidt tot een werkaanbod.
    • Opvolgings- en sanctiemechanisme koppelen aan het 3% quota, onder andere door bij de evaluatie van ambtenaren met een leidinggevende functie rekening te houden met de inzet en de inspanningen die hun departement levert voor het creëren van tewerkstellingskansen voor personen met een handicap.
    • Sociale clausules inschrijven bij overheidsopdrachten, waarbij minimale tewerkstelling van personen met een handicap een van de criteria bij toewijzing moet zijn.
    • Regelmatig praktijktesten op discriminatie afleggen.
    • Bibliotheek van ergonomisch materiaal en hulpmiddelen aanleggen. Een uitleendienst is eenvoudiger en bereikbaarder dan een individuele aanvraagprocedure. Daarbij is deze benadering duurzamer: als iemand van job verandert, kan een ander het materiaal gebruiken.

iii. Vertegenwoordiging bij belangrijke overlegorganen die mee vormgeven aan het arbeidsmarktbeleid:
Om handistreaming te bevorderen moet er gezorgd worden voor meer betrokkenheid van personen met een handicap en hun vertegenwoordigers bij de NAR, het Beheerscomité van de RSZ, etc.

iv. Meer samenwerking tussen bedrijven en de arbeidsbemiddelingsdiensten en maatwerkbedrijven:
Om personen met een handicap effectief te bereiken en proberen te activeren is er meer samenwerking nodig met arbeidsbemiddelingsdiensten.

Om werkgevers expertise bij te brengen is er meer samenwerking nodig met begeleiders uit maatwerkbedrijven.

v. Opzetten van gerichte informatiecampagnes ter sensibilisering van werkgevers op het vlak van jobcrafting en nieuwe werkcultuur

vi. Opzetten van informatie- een aanspreekpunten waar werkgevers, werknemers en zelfstandigen terechtkunnen om op een eenvoudige en duidelijke manier informatie te krijgen of vragen te stellen over onder andere de bestaande ondersteunings- en begeleidingsmaatregelen

vii. Snellere herberekening van IVT invoeren

viii. Onderzoek voeren naar tewerkstellingsquota op de privé-arbeidsmarkt:
Onderzoeken of er een responsabiliseringsmechanisme kan worden ingesteld waarbij werkgevers die onvoldoende inspanningen leveren om te voldoen aan de minimumvereisten van tewerkstelling van personen met een handicap, een bedrag moeten storten in een op te richten fonds dat tot doel heeft de tewerkstelling van personen met een handicap te bevorderen, dit alles naar analogie met het mechanisme dat in Frankrijk wordt toegepast.

ix. De primostarterregeling voor beginnende zelfstandigen uitbreiden van vier naar acht kwartalen voor wie een IVT ontvangt.


4. ADVIES

De NHRPH is verheugd te vernemen dat het thema tewerkstelling van personen met een handicap grondig in de kamer besproken wordt. Veel personen hebben wel eens gehoord over het probleem, maar niet veel mensen zijn zich echt bewust van de problematiek. Een resolutie zou een goede eerste stap vormen in het bewustmakingsproces en hopelijk ook een startpunt van verdere actie en bindende regelgeving.

Verder kan de NHRPH enkel de gedane vaststellingen in het voorstel van resolutie onderstrepen en verder verspreiden. Aangezien het voorstel terecht wijst op een reeks uitdagingen buiten arbeid om, acht de NHRPH het nuttig de aandacht van de deelstatelijke entiteiten te vestigen op de noodzaak van een follow-up op interfederaal niveau.

De NHRPH benadrukt ook dat volledige en effectieve participatie en inclusie van personen met een handicap in de samenleving, zoals opgelegd door het UNCRPD, concrete acties vereist om de situatie van personen met een handicap te verbeteren. De bestaande acties zijn onvoldoende:

  • Volwaardige mensenrechtenbenadering van handicap:
    Vandaag ligt de nadruk te sterk op de gezondheidsproblemen en de handicap van een persoon. Dit leidt tot een passief beleid op het vlak van tewerkstelling, terwijl er nood is aan een meer actief beleid met een focus op wat een persoon wel nog kan.
  • Bewustmakingscampagnes:
    Er zijn vandaag amper sensibiliseringscampagnes gericht op werkgevers om hen te doen afstappen van stereotypes over personen met een handicap zoals de lage productiviteit, meer afwezigheden, hogere kostprijs van de aanwerving van een persoon met een handicap etc. De campagnes die er zijn komen meestal van vzw’s die jammer genoeg niet voldoende worden gefinancieerd.

Een infopunt waar om gevraagd wordt (zie hieronder) zou een oplossing vormen voor zij die zoeken naar antwoorden rond handicap en de misconcepties die daarrond bestaan. Dat betekent dat het passief ook meehelpt te sensibiliseren. Evenwel is er ook een actief beleid nodig dat de stereotypen aankaart en de bestaande oplossingen promoot.

Dit stemt overeen met de eis van het UNCRPD-Comité (zie punt 8 (b)) om een positief imago van personen met een handicap te bevorderen en om misvattingen en stereotypen uit te bannen.

De Europese Commissie heeft als onderdeel van het Werkgelegenheidspakket voor personen met een handicap aangekondigd dat deze in 2023 een catalogus van positieve acties zal publiceren die o.a. gefocust zullen zijn op bewustmaking m.b.t. de capaciteiten, talenten en het potentieel van personen met een handicap.

  • Opvolging en handhaving van het recht op redelijke aanpassingen:
    Het “onevenredige karakter” van een aanpassing wordt momenteel te vaak ingeroepen als een voorwendsel om geen aanpassingen door te voeren. De wetgeving inzake redelijke aanpassingen en het begrip onevenredigheid moeten worden herzien. Het Protocol Redelijke Aanpassingen kan als startpunt dienen.

De NHRPH dringt in elk geval aan op controle op het respect van het recht op redelijke aanpassingen. Momenteel is deze amper afdwingbaar buiten de rechtbank om, terwijl de wet wel duidelijk stelt dat de weigering van redelijke aanpassingen neerkomt op discriminatie (art. 14 Anti-Discriminatiewet; art. 2 en 5 (3) UNCRPD). Misschien is er een administratieve instantie nodig die instaat voor de beoordeling opportuniteit/redelijkheid van een bepaalde redelijke aanpassing (al dan niet louter indicatief). De instantie kan tevens als soort bemiddelaar fungeren tussen de aanvrager van redelijke aanpassingen en de werkgever, statistieken bijhouden over wat wanneer aanvaardbaar geacht is geweest etc. Het zou interessant zijn als deze piste onderzocht wordt (eventueel door Unia?).

Dit probleem werd ook aangekaart door het UNCRPD-Comité in 2019 (zie punt 25 (c)).

De Europese Commissie heeft als onderdeel van het Werkgelegenheidspakket voor personen met een handicap aangekondigd dat deze in 2023 richtsnoeren voor werkgevers zal publiceren rond het treffen van redelijke aanpassingen.

In lijn met art. 22ter GW, de internationale verplichtingen onder het UNCRPD en de positieve verplichtingen onder art. 8 EVRM, zijn er nu bindende en doeltreffende acties nodig.

De NHRPH herinnert er ook aan dat er momenteel veel personen met een handicap worden tewerkgesteld in onzekere situaties zoals:

  • Onbetaalde stages of andere ‘beroepservaringstrajecten’;
  • Contracten die beëindigd worden eenmaal de werkgever genoten heeft van alle mogelijke premies;
  • De sociale zekerheidsbescherming van werknemers met een handicap is vrij zwak; de werknemers worden snel en definitief in de sociale bijstand geduwd (de wet rond de IVT en de integratietegemoetkoming (IT) van 1987).

Ter illustratie: een persoon met een handicap heeft geen toegang tot arbeidsongeschiktheid omdat art. 100 Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 bepaalt dat deze niet kan intreden t.g.v. een vooraf bestaande toestand. Kinderen met een handicap worden zo gedoemd tot een leven in de sociale bijstand. Zie Advies 2022/29.

Ander voorbeeld: personen met een handicap worden ook niet toegelaten tot de werkloosheidsregeling wegens ‘arbeidsongeschiktheid’. Ook hier komt men dus vaak definitief terecht in de uitkeringsregeling van de wet van 1987. Deze regeling voorziet evenwel niet in ondersteuning bij de terugkeer naar werk in vorm van begeleiding en/of opleidingen.

A. Wat betreft de ‘disability employment gap’:

De NHRPH benadrukt dat de diepe kloof ook op EU-niveau is aangehaald door de Europese Commissie tijdens het Europees Semester (p. 47) en door het European Disability Forum (EDF) (p. 33).

De NHRPH wenst hieraan toe te voegen dat de situatie bijzonder precair is voor vrouwen met een handicap en personen met een ernstige handicap (hoge zorgnood). Het EDF heeft in zijn recent verslag (p. 37 en 38) aangehaald dat België de laagste tewerkstellingsgraad voor deze twee categorieën van arbeidskrachten heeft. In beide gevallen gaat het om een tewerkstellingsgraad van onder de 20%. Het is bijgevolg belangrijk om extra aandachtig te zijn wat betreft tewerkstellingsmaatregelen voor deze doelgroepen.

B. Met betrekking tot een mogelijk ‘interfederaal tewerkstellingsplan’:

De NHRPH zou een dergelijk plan met doelstellingen en termijnen zeker verwelkomen. Het lijkt de NHRPH ook haalbaar gezien de IMC Handicap werk als prioritair werkgebied aangeduid heeft. Dit ligt ook in lijn met punt 26 van de Conclusies van de Raad van de EU over de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt: daarin worden de lidstaten verzocht regionale samenwerkingen tussen relevante actoren op het vlak van arbeid op te zetten.

De NHRPH is ook blij te zien dat het voorstel van resolutie een motiveringsplicht voorstelt indien de doelstellingen niet gehaald worden.

C. Inzake de opleiding van personen met een handicap:

Het voorstel van resolutie roept op om de bestaande drempels bij de toegang tot (online) scholing, beroepsopleidingen en permanente vormingen weg te werken. Dat is inderdaad belangrijk. De NHRPH heeft in Advies 2023/03 eveneens aangekaart dat inzetten op werkplekleren in de reguliere economie, duaal leren en de beroepsopleidingen binnen de arbeidsbemiddelingsdiensten de kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk verhoogt en dus een belangrijk instroomkanaal vormt. Daaruit volgt dat het financieren van opleidingen en de toegankelijkheid van opleidingen heel belangrijk is om personen met een handicap tewerk te kunnen stellen.

De NHRPH is ook blij te zien dat de digitale uitsluiting niet over het hoofd wordt gezien in het voorstel van resolutie.

Wat er ontbreekt in het voorstel is evenwel de link tussen opleiding en werk in het algemeen. Diezelfde link ontbrak ook in de Interfederale Strategie van de IMC Handicap (zie Advies 2023/03).

Zoals ook onderstreept door het EDF (p. 107), worden veel personen met een handicap opgeleid buiten het regulier onderwijs, waardoor ze bepaalde kwalificaties missen en slechts beperkte kansen hebben op de arbeidsmarkt. Een inclusief tewerkstellingsbeleid voor personen met een handicap begint bijgevolg reeds op de schoolbanken. Er is nood aan een formeel en consequent systeem voor studiebekrachtiging dat de behaalde competenties valoriseert op de arbeidsmarkt.

Kinderen met een handicap moeten zo veel mogelijk in het regulier onderwijs terechtkunnen. Dit vereist persoonlijke begeleiding van zowel het kind als de leerkracht. Ook het UNCRPD-Comité stelt dat er nood is aan meer mankracht om individuele begeleiding van leerlingen met een handicap mogelijk te maken (punt 22 (b)).

Opleidingen in buitengewoon onderwijs moeten betere kansen op de arbeidsmarkt bieden.

Bij deze benadrukt de NHRPH nogmaals de wens van het Platform van Adviesraden dat dit een interfederaal knelpunt is dat op de agenda van de bevoegde IMC’s dient te komen (liefst als onderdeel van het eerder aangehaalde ‘interfederale tewerkstellingsplan’).

D. Met betrekking tot de nood aan een nieuwe werkcultuur:

De NHRPH is akkoord dat er nood is aan een nieuwe werkcultuur, maar deze uitbouw moet verder gaan dan louter infosessies voor collega’s en diensthoofden van een persoon met een handicap zoals aangekaart wordt in het voorstel van resolutie.

De nieuwe werkcultuur moet focussen op preventie en jobbehoud. Zo kan de uitbouw van disability management mensen langer aan het werk houden. Ook ‘werkbaar werk’ kan vroegtijdige uitstroom van de arbeidsmarkt voorkomen en de instroom verbeteren. Daar lijkt het voorstel van resolutie het mee eens te zijn: er wordt immers gevraagd om werkgevers te sensibiliseren over jobcrafting en flexibiliteit inzake tijd, plaats en duur van werken voor personen met een handicap.

Daarnaast moeten de re-integratietrajecten ook laagdrempeliger worden: werk afbouwen en werk gedeeltelijk hervatten moet kunnen met een financiële compensatie, zonder dat de persoon minstens 1 dag volledig arbeidsongeschikt is. Zie Advies 2023/03.

E. Inzake de uitwerking van een groeipad van een maatwerkbedrijf richting open arbeidsmarkt:

Maatwerkbedrijven hebben een belangrijke rol om een beleid op maat te voeren op basis waarvan personen met een handicap bij voorkeur kunnen doorstromen naar het reguliere arbeidscircuit of zich verder professioneel kunnen ontplooien binnen het maatwerkbedrijf omdat ze deze veilige werkomgeving nodig hebben voor hun algemeen welzijn (m.i.v. goede arbeidsvoorwaarden en eerlijke verloning). Om een groeipad mogelijk te maken is er evenwel meer ambitie nodig voor tewerkstelling in het reguliere circuit.

De tewerkstelling van personen met een handicap op de open arbeidsmarkt vereist meer financiering, sensibilisering en beleidsinitiatieven (positieve acties). Werkgevers moeten ondersteund worden om inclusie te verankeren in hun bedrijfsstrategie. Daar kunnen CAO’s een centrale rol in spelen.

Zie Advies 2023/03.

F. Aangaande de overheid als rolmodel:

De NHRPH kan enkel de gedane voorstellen onderschrijven.

Vacatures moeten in samenwerking met arbeidsbemiddelingsdiensten en handicaporganisaties ingevuld worden.

De selectietesten moeten ook digitaal afgelegd kunnen worden en hun inhoud moet aangepast zijn aan de concrete vaardigheden die vereist zijn voor een functie. Daarbij moet er ook rekening gehouden worden met de plicht tot redelijke aanpassingen, ex 14 Anti-Discriminatiewet. Het is vanzelfsprekend dat er rekening gehouden moet worden met de toegankelijkheid van deze digitale selectietesten zodat er geen digitale uitsluiting gebeurt.

Inzake het voorstel van een betaalde stage die tot een werkaanbod kan leiden, stelt de NHRPH dat het in maart 2023 een advies uitgebracht heeft over een voorgesteld ‘kennismakingstraject’ bij de federale overheid dat op dezelfde gedachte voortbouwt. Zie Advies 2023/05.

⇒ Opvolgings- en sanctiemechanisme moeten gekoppeld worden aan het 3% quota. Concreet moet er bij de evaluatie van ambtenaren met een leidinggevende functie rekening gehouden worden met de inzet en de inspanningen die hun departement levert voor het creëren van tewerkstellingskansen voor personen met een handicap. Zie ook Positienota Tewerkstelling (p. 11).

⇒ Sociale clausules inschrijven bij overheidsopdrachten zodat een van de criteria bij toewijzing een minimale tewerkstelling van personen met een handicap moet is. Zie ook Positienota Tewerkstelling (p. 11).

Regelmatig praktijktesten op discriminatie afleggen.

⇒ Bibliotheek van ergonomisch materiaal en hulpmiddelen Een uitleendienst is eenvoudiger en bereikbaarder dan een individuele aanvraagprocedure. Daarbij is het duurzamer: als een persoon van job verandert, kan een andere het materiaal gebruiken.

Een kanttekening dient gemaakt te worden: hulpmiddel dat de ene persoon met een handicap past, past niet per se bij een andere. Aldus moet de mogelijkheid van een individuele aanvraag absoluut behouden blijven.

G. Omtrent het invoeren van quota op de privé-arbeidsmarkt:

De NHRPH wil onderstrepen dat quota’s niet de enige oplossing kunnen zijn. Zo wordt in het recente verslag van EDF (p. 45 en 32) aangetoond dat Duitsland bijvoorbeeld een bindend quota-systeem heeft, maar ook een van de hoogste arbeidskloofpercentages (32.4 %). Het een sluit het ander bijgevolg niet uit.

Daarom is de NHRPH van mening dat quota’s deel moeten uitmaken van een ruimer diversiteitsbeleid. Zo zouden werkgevers vrij initiatieven ter bevordering van inclusie kunnen nemen en deze vastleggen in een resultatenrapport. Zie Positienota Tewerkstelling (p. 11).

Het is vooral belangrijk om de werkcultuur aan te passen en de hele arbeidsmarkt en het arbeidsmarktbeleid te sensibiliseren ter inclusie van personen met een handicap.

⇒ Er moeten dringend sensibiliserings- en informatiecampagnes opgezet worden. Deze moeten niet enkel gericht zijn tot de werkgevers, maar ook tot de betrokken (controle)artsen. De beeldvorming van personen met een handicap moet dringend veranderd worden: het gaat in de eerste plaats om een arbeidskracht/student met eigen vaardigheden en ervaringen. Vandaag ligt de focus te veel op de mogelijke drempels die een persoon met een handicap kan ondervinden. Een beleid dat focust op wat wel kan, start bij het tackelen van stereotypen.

Dit stemt overeen met de eis van het UNCRPD-Comité (zie punt 8 (b)).

⇒ Inzetten op samenwerkingen met maatwerkbedrijven en bedrijven op de reguliere arbeidsmarkt:
Begeleiders uit maatwerkbedrijven bezitten heel wat kennis en expertise inzake begeleiding van personen met een handicap. Deze kennis inzetten op de reguliere arbeidsmarkt is een nodige stap in de verwezenlijking van inclusie.
Dit zou tevens de transitie van een maatwerkbedrijf richting open arbeidsmarkt kunnen faciliteren, een transitie die gevraagd wordt door het UNCRPD-Comité (zie punt 25 (b)).

⇒ Arbeidsbemiddelingsdiensten:
Er is nood aan een verbeterde samenwerking tussen de verschillende arbeidsbemiddelingsdiensten, bedrijven en organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen.

Gezien het feit dat personen met een handicap vaak een vertrouwensrelatie hebben met bepaalde vzw’s, kunnen deze vzw’s dus een belangrijke rol spelen in het effectief bereiken van personen met een handicap.

Daarenboven hebben de arbeidsbemiddelingsdiensten vaak een gebrek aan expertise, tijd en financiering voor een correcte begeleiding van personen met een handicap. Samenwerking met organisaties voor personen met een handicap, mits voldoende financiële ondersteuning van de laatstgenoemde, kan dus ook batig zijn op het vlak van opleiding, begeleiding, …

Dit partnerschap wordt aangemoedigd zowel door de Europese Commissie als de Raad van de EU. De Commissie raadt de partnerschap aan in de praktische toolkit voor openbare diensten van arbeidsvoorziening (p. 23) (onderdeel van het Werkgelegenheidspakket voor personen met een handicap). De Raad van de EU ondertekent de raadgeving in haar Conclusies van 9 december 2022 (punt 36).

H. Wat betreft het opzetten van infopunten:

Personen met een handicap worden onvoldoende geïnformeerd over werk, uitkeringen en inactiviteit. Bij twijfel over de toekomst rijst er angst die leidt tot het weigeren van een mogelijke baan (zie Advies 2023/03).

De NHRPH is voorstaander van een one-stop shop waar zowel werknemers met een handicap, zelfstandigen met een handicap als werkgevers terechtkunnen.

Het is belangrijk dat de toegang tot het onthaalpunt laagdrempelig blijft en bijgevolg vrij is van randvoorwaarden, zoals een verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven.

Het contactpunt moet informatie kunnen verschaffen over federale en regionale uitkeringen, premies, mogelijkheden op het vlak van werk (formele én informele werkhervatting) en studies. Daarnaast moet ook een doorverwijzing mogelijk zijn naar verenigingen die zich in een specifiek werkterrein specialiseren.

⇒ Er moet een laagdrempelige one-stop shop komen die informatie verschaft over alles wat te maken heeft met werk(hervatting), studies, redelijke aanpassingen, uitkeringen, premies en verenigingen die zich in een specifiek werkterrein specialiseren.

I. Inzake de steun voor ondernemers met een handicap:

Ook de Europese Commissie en de Raad van de EU (punt 36) hebben een oproep gedaan om ondernemerschap bij personen met een handicap te bevorderen. Er worden daarvoor EU-middelen ter beschikking gesteld.

Los van de verlaging van de sociale bijdragen gedurende de eerste kwartalen, speelt er een ander probleem. Kandidaat-ondernemers die een IVT ontvangen en enkel deeltijds kunnen ondernemen worden quasi uitgesloten van het ondernemerschap aangezien ze sociale bijdragen dienen te betalen als zelfstandige in hoofdberoep.

De regelgeving moet gewijzigd worden om inkomsten uit een zelfstandige activiteit blijvend te kunnen combineren met tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De eerste stappen zijn gezet met het voorstel om de financiële drempels bij toegang tot het statuut van zelfstandige te verlagen (zie Advies 2022/31) voor personen met een handicap, maar deze zijn nog niet voldoende om echt ondernemerschap te promoten.

Daarnaast herinnert de NHRPH dat de Europese Commissie de lidstaten opriep (punt 4.3.) om ook ondersteuning te voorzien op juridisch vlak en bij het ondernemen zelf.

J. Snellere herberekening van de IVT:

i. Starten met een job – herziening 31 december:
Indien een persoon de job langer behoudt dan 3 maanden (zie art. 23 §1bis, 1°, lid 3 KB betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap), wordt op 31 december een herziening van de IVT ingepland.

Dat betekent dat gedurende het jaar waarin de persoon begint te werken deze nog geniet van een ‘hogere’ IVT omdat de arbeidsinkomsten nog niet afgetrokken worden van het IVT-bedrag.

Dit geldt zowel voor hen met belastbare inkomsten in het jaar -2 en/of -1 (art. 8 §1, lid 4 j° art. 9 §1, lid 1 KB IVT/IT), als voor hen die enkel belastbare inkomsten genereren in het jaar van de tewerkstelling zelf (art. 23 §1bis, °1, lid 2 KB betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap j° art. 8ter KB IVT/IT).

Gezien de onzekerheid over het behoud van een baan is dit een goede zaak. In geval van langdurig werkloze personen met een handicap zou zelfs een langere periode van cumul nuttig zijn. Zo kan een persoon langer zijn IVT combineren met een arbeidsinkomen, wat de angst om een job te zoeken en jobs uit te proberen vermindert.

ii. Verlies job – herziening 31 december:
De situatie is omgekeerd wat betreft het verlies van een job nadat de IVT gedaald is in jaar X+1 o.b.v. een stijging van het inkomen in jaar X of X-1: de persoon ontvangt dan tot de volgende herziening van een ‘lagere’ IVT.

Bij de volgende herziening zal in geval van het wegvallen van inkomen (arbeidsinkomen, werkloosheidsvergoeding, ziekte-uitkering, …) geen rekening worden gehouden met de inkomsten in jaar -2 en -1 (art. 9 §2 KB IVT/IT).

⇒ De NHRPH vindt het belangrijk dat als een persoon zijn tewerkstelling verliest de herberekening van de IVT zo snel mogelijk gebeurt. Zo kan te allen tijde een voldoende inkomen verzekerd worden.

K. Vertegenwoordiging/raadpleging van personen met een handicap in/door de NAR:

Het themadossier ‘handicap’ van de NAR is op de dag van vandaag (24 juli 2023) niet meer bijgewerkt sinds 30 juli 2015. De NHRPH vindt het dossier nochtans heel nuttig gezien de institutionele versnippering van België en zou de NAR vragen deze te verspreiden, mits actualisatie.
Desalniettemin vindt de NHRPH dat de invoering van artikel 22ter GW op zijn minst een herevaluatie van de bestaande CAO’s vereist, rekening houdend met het recht op inclusie van en redelijke aanpassingen voor personen met een handicap.

De vertegenwoordiging of minstens raadpleging van personen met een handicap in/door de NAR zou handistreaming ten goede komen en ook de sensibilisering van de werkgevers. (Inter)sectorale CAO’s kunnen bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen bij de verankering van diversiteit en inclusie in de bedrijfsstrategieën van werkgevers.

De NHRPH heeft reeds met de sociale partners samengewerkt en zou graag de samenwerking verderzetten op een dieper niveau.

L. Niet aangekaart in het voorstel van Resolutie:

Een paar zaken die niet aangekaart zijn in het voorstel van Resolutie, maar ook erg belangrijk zijn:

    • Eerst inzake toegankelijkheid. Toegankelijk vervoer en toegankelijke infrastructuur zijn basisvoorwaarden om zich te kunnen verplaatsen en vormen bijgevolg ook de toegangspoort tot de arbeidsmarkt. Gebrek aan toegankelijkheid en aan interoperabiliteit tussen verschillende vervoersmodi vormt een reële belemmering voor de tewerkstelling van personen met een handicap.

    • Vervolgens, m.b.t. interregionale mobiliteit is er betere afstemming nodig wat betreft de verschillende ondersteuningspremies en hulpmiddelen voor personen die aangesloten zijn bij een agentschap voor personen met een handicap, maar werken in een andere regio dan die van het agentschap. In die context worden nog vaak problemen gemeld bij de toegang tot hulpmiddelen op het werk dan wel thuis. Zie advies 2023/03.

  • Raadplegingen: 20

Advies 2023/18 - Forfaitaire integratietegemoetkoming

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2023/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap houdende invoering van een jaarlijkse, forfaitaire integratietegemoetkoming en zijn ontwerp van koninklijk uitvoeringsbesluit, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19/06/2023.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de Directie-generaal Personen met een Handicap, in haar brief van 26 mei 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan Mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de Directie-generaal Personen met een Handicap
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 creëert, door middel van het invoegen van een artikel 7bis, een forfaitaire integratietegemoetkoming ten bedrage van 1 euro per jaar (in dit stadium symbolisch en niet-geïndexeerd).


3. ANALYSE

Bepaalde afgeleide rechten zijn gekoppeld aan de erkenning van de handicap, terwijl andere afgeleide rechten vereisen dat de persoon daadwerkelijk een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt.

Volgens de memorie van toelichting van het voorontwerp van wet:

Met het koninklijk besluit van 2 maart 2021 (…),  wordt er sinds 1 januari 2021 geen rekening meer gehouden met de inkomsten van de partner bij de berekening van de integratietegemoetkoming.

Met het koninklijk besluit van 1 februari 2022 ( …)  mogen personen met een handicap met inkomsten uit arbeid tot 63.000 euro per jaar verdienen, vooraleer ze hun integratietegemoetkoming verliezen of zien dalen. Gelijktijdig werd voor personen met een handicap die geen inkomsten uit arbeid halen, maar genieten van een vervangingsinkomen, de vrijstelling ervan opgetrokken tot 3.780 euro.

Dankzij deze twee maatregelen komen er nu veel meer personen met een handicap in aanmerking voor een integratietegemoetkoming en genieten ze van een hogere tegemoetkoming.

Toch is er vandaag nog steeds een groep mensen die in theorie in aanmerking komt voor een integratietegemoetkoming, maar hier in de praktijk geen recht op heeft omdat hun inkomen als te hoog wordt beoordeeld. Dit is in het bijzonder het geval voor personen met een handicap die genieten van een vervangingsinkomen, bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een pensioen, waarvan het bedrag boven het plafondbedrag van de vrijstelling ligt.

Deze personen met een handicap hebben niet alleen geen recht op integratietegemoetkoming, ze kunnen ook geen aanspraak maken op de afgeleide rechten die automatisch voortvloeien uit de ontvangst van deze tegemoetkoming.

(…)

Het is bijgevolg onlogisch, onterecht, en zelfs onrechtvaardig, dat personen met een handicap die aan de medische voorwaarden voldoen, geen recht hebben op een integratietegemoetkoming omwille van een te hoog inkomen, eveneens geen recht hebben op de vermelde afgeleide rechten.

Deze afgeleide rechten komen immers in hoge mate tegemoet aan specifieke noden die niet zomaar verdwijnen omdat personen met een handicap een hoger inkomen genieten. Dit gaat in het bijzonder op voor de personen met een handicap wiens “te hoge inkomen” bestaat uit een vervangingsinkomen.

Anderzijds heeft de Raad van State in zijn advies nr. 70.637/34 over het besluit van 11 maart 2022 de uitvoerende macht gewaarschuwd voor een ongelijke behandeling van personen met een handicap, naargelang zij een inkomen uit arbeid of een vervangingsinkomen hebben.

Deze wet heeft bijgevolg als doel een oplossing te bieden voor deze problematiek. Zij bereikt dit doel door aan de personen met een handicap die geen recht hebben op een integratietegemoetkoming omdat hun vervangingsinkomen te hoog is, een jaarlijkse, forfaitaire integratietegemoetkoming toe te kennen van 1 euro. Hierdoor krijgen ze toegang tot de vermelde afgeleide rechten.

Wel moet worden nagegaan of de maatregel in verhouding staat tot de gevolgen voor de begroting, rekening houdend met het feit dat de maatregel bedoeld is voor personen met een laag inkomen. Daartoe wordt een belastbaar maximum bedrag en/of reëel inkomen vastgesteld: het gaat om het in artikel 9ter, §3, vastgestelde vrijgestelde bedrag. (Artikel 9quinquies wordt toegevoegd aan het KB van 6 juli 1987.)

In ieder geval garandeert de wetgeving tot een bepaalde hoogte in geval van (her)opname van werk, niettegenstaande de vaststelling van een belastbaar en/of reëel maximuminkomen, het voordeel van het dubbele genot van beroepsinkomsten gecumuleerd met de gewone integratietegemoetkoming, die ook recht geeft op afgeleide sociale en fiscale compensaties. De persoon met een handicap wordt dus nog steeds gestimuleerd om te werken.

Deze wet geeft zodoende uitvoering aan Hoofdmaatregel 11 in het “Federaal Actieplan Handicap 2021-2024”.

Deze wet draagt ook bij tot de uitvoering van de verplichtingen van België onder het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap, met name artikel 28 dat personen met een handicap het recht op een behoorlijke levensstandaard en op sociale bescherming garandeert.

Om te strijden tegen de non-take-up voorziet het ontwerp van KB in het overgaan tot een automatisch onderzoek van het recht op de forfaitaire integratietegemoetkoming voor iedere persoon van wie de laatste erkenning van de handicap van categorie I of meer teruggaat tot 5 jaar vóór de inwerkingtreding van de wet en haar uitvoeringsbesluit.

De gegevens ter beschikking op 1 januari 2023 geven aan dat 91.865 personen mogelijk zullen vallen onder de nieuwe maatregel.

De impact van de maatregel op het budget van de DG Personen met een handicap (DG HAN) is nihil, aangezien de forfaitaire IT symbolisch wordt vastgesteld op € 1 en niet daadwerkelijk zal worden uitbetaald.

De datum van inwerkingtreding van de bepaling is niet gepreciseerd.


4. ADVIES

De NHRPH juicht deze maatregel toe. Er wordt een zeer duidelijk signaal gegeven: de regering heeft de in advies-2020-23 gelanceerde oproep begrepen en reageert door de koopkracht van personen met een handicap te ondersteunen, of ze nu werken of niet. Dankzij deze maatregel kunnen personen die enkel vervangingstegemoetkomingen ontvangen en dus een zeer laag budget hebben (vervangingstegemoetkomingen onder de armoedegrens) een klein beetje koopkracht terugwinnen door middel van tariefverminderingen op basisdiensten: dit vermindert de financiële druk en het risico op armoede enigszins. Personen met een handicap die voldoen aan de medische voorwaarden voor de integratietegemoetkoming, maar niet aan de voorwaarden op het vlak van inkomsten, in staat stellen om afgeleide rechten te verkrijgen, is een noodzakelijke maatregel aan de hand waarvan zij ook in een zekere mate tegen lagere kosten toegang kunnen hebben tot basisdiensten en zodoende kunnen communiceren, zich kunnen verplaatsen, zich kunnen laten verzorgen, enz. De inclusie in de maatschappij en de terugkeer naar werk hangen ook van deze stappen af.

De NHRPH stelt vast dat het ontwerp het bedrag van de IT niet verhoogt (de symbolische euro zal niet worden betaald). De NHRPH herinnert eraan dat hij al jaren vraagt om de tegemoetkomingen (IVT) op te trekken tot minstens de armoedegrens en idealiter tot het gewaarborgd minimuminkomen. De NHRPH herinnert er ook aan dat de IT een bedrag is om het gebrek aan toegankelijkheid van de omgeving en de meerkosten die dat met zich meebrengt te dekken; het is bewezen dat de IT in de praktijk wordt gebruikt voor voedsel, huisvesting, gezondheidszorg, enz. Reeds in 2012 had het academisch onderzoek Handilab duidelijk de aandacht op het volgende gevestigd: ”Op basis van de Europese indicator ervaart 29,6 % van de uitkeringsgerechtigden IVT/IT ernstige materiële deprivatie tegenover 5,9% in de totale Belgische bevolking” … “Net zoals armoede-onderzoek rekening houdt met de grootte van het huishouden en de aanwezigheid van kinderen jongeren dan 14, is het ook nodig om equivalentiefactoren uit te werken die de extra kosten van personen met een beperking verrekenen in het werkelijk beschikbaar huishoudinkomen. Voor één persoon met een IVT/IT tegemoetkoming in het huishouden bedraagt de equivalentiefactor 1,18 om evenwaardig de eindjes aan elkaar te knopen, 1,39 om evenwaardig consumptiegoederen te kunnen veroorloven en 1,63 om evenwaardig basisbehoeften te vervullen.” In 2018 werden in het boek Handicap en armoede de duidelijke verbanden tussen armoede en handicap op een transversale manier geanalyseerd.

De NHRPH beschouwt deze forfaitaire IT dan ook als het enige huidige middel om de onrechtvaardigheid tussen de personen die werken en diegenen die niet werken terug te dringen. Meer fundamenteel blijven de verwachtingen van de NHRPH ongewijzigd: de vrijstellingen op het vervangingsinkomen moeten worden opgetrokken en de wet van 27 februari 1987 moet worden hervormd, met inbegrip van de verhoging van de minima, de herziening van de berekeningswijze voor de tegemoetkomingen (nu nog de jaren -2/-1), de gezinscategorieën (die niet meer overeenstemmen met de huidige levenswijzen), de redenen voor herziening met het oog op het bestrijden van de non-take-up, enz.

De NHRPH vestigt de aandacht op de perceptie van de maatregel door personen met een handicap. De DG HAN zal zorgvuldig de betekenis en de reikwijdte van de maatregel moeten uitleggen. Het zal nodig zijn om in de beslissing om de tegemoetkoming toe te kennen uit te leggen dat hun inkomen hen geen recht geeft op een hogere tegemoetkoming, maar dat de toekenning van de tegemoetkoming hen in staat stelt om bepaalde fiscale en sociale compensaties te ontvangen. Zoals verduidelijkt in de memorie van toelichting van het wetsontwerp beantwoorden deze afgeleide rechten grotendeels aan de specifieke behoeften die niet louter verdwijnen omdat personen met een handicap een hoger inkomen genieten. Het retroactieve karakter van 5 jaar: dit is een interessante maatregel om te voorkomen dat heel wat personen een nieuwe aanvraag moeten indienen.

De NHRPH vestigt ook de aandacht op de formulering van de passage van de memorie van toelichting: Het is bijgevolg onlogisch, onterecht, en zelfs onrechtvaardig, dat personen met een handicap die aan de medische voorwaarden voldoen, geen recht hebben op een integratietegemoetkoming omwille van een te hoog inkomen, eveneens geen recht hebben op de vermelde afgeleide rechten. De NHRPH vraagt om deze passage als volgt te wijzigen inkomen dat als te hoog wordt beschouwd of zogenaamd te hoog inkomen.

De NHRPH stelt zich ook vragen bij de herziening van een dossier waarin enkel een forfaitaire IT wordt erkend. De gerechtigde op een forfaitaire tegemoetkoming is zich niet noodzakelijk bewust van de impact van de verandering op zijn inkomenssituatie: het is dus niet zeker dat hij een nieuwe aanvraag zal indienen. Moet de persoon een nieuwe aanvraag indienen of zal er een ambtshalve herziening van de dossiers gebeuren door de DG HAN waarin enkel de forfaitaire IT wordt erkend?

Ten slotte herinnert de NHRPH eraan dat arbeidsongeschikte gelegenheidswerknemers een leefloon ontvangen zonder afgeleide rechten; de NHRPH vindt deze situatie onaanvaardbaar. De NHRPH vraagt de Minister van Sociale Zaken een einde te maken aan deze onrechtvaardige situatie.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2023/16 - Omzetting richtlijn over de Europese blauwe kaart

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2023/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap om Richtlijn (EU) nr. 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad om te zetten, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 15/05/2023.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris, in haar e-mail van 2 mei 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN)
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit dat de NHRPH wordt voorgelegd, heeft tot doel de regelgeving inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap aan te passen, in het bijzonder de nationaliteitsvoorwaarde, door de toegang tot de integratietegemoetkoming uit te breiden tot de begunstigden van de Europese blauwe kaart, overeenkomstig de verplichtingen van het Europees recht.


3. ANALYSE

A. Inhoud van het ontwerp van koninklijk besluit

Een nieuw artikel 1/2 wordt ingevoegd in het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap teneinde het recht op de integratietegemoetkoming te waarborgen voor de houders van de “Europese blauwe kaart” zoals bepaald in artikel 61/27 van de wet van 5 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Het recht op de integratietegemoetkoming wordt ook uitgebreid tot de gezinsleden (tot de eerste graad en ten laste) van de houder van de Europese blauwe kaart.

Er wordt voorgesteld het uitvoeringsbesluit bij te werken om de leesbaarheid ervan te vergroten na de toevoeging van het nieuwe artikel 1/2. Daartoe wordt een omschrijvend artikel 1/3 ingevoegd, waarin de inhoud van het tweede lid van artikel 1, dat wordt ingetrokken, wordt overgenomen.

B. Europees recht

  1. Richtlijn (EU) nr. 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad

    Richtlijn 2021/1883 van 20 oktober 2021, die volledig zal moeten zijn omgezet door de lidstaten op 18 november 2023, versoepelt de voorwaarden voor het afleveren van de “Europese blauwe kaart”, verblijfsvergunning voor de onderdanen van derde landen, met een hooggekwalificeerde baan.

    “Een aantrekkelijkere en effectievere Uniebrede regeling voor hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen vaststellen […] met snellere procedures, soepelere en inclusievere toelatingscriteria en uitgebreidere rechten, waaronder vlottere mobiliteit binnen de EU”, dat zijn de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2021/1883 van 20 oktober 2021 die Richtlijn 2009/50/EG van 25 mei 2009, die de “Europese blauwe kaart” had ingevoerd, intrekt.

    De richtlijn legt de Belgische Staat op de houders van de Europese blauwe kaart gelijk te behandelen, zoals bepaald in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ten opzichte van zijn onderdanen.

    Overweging 46 van de richtlijn bepaalt het volgende:

    Houders van een Europese blauwe kaart moeten gelijk worden behandeld met betrekking tot de takken van sociale zekerheid die zijn vermeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (16). Deze richtlijn strekt niet tot harmonisatie van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaten. Zij is beperkt tot de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling inzake sociale zekerheid op de onderdanen van derde landen die binnen haar toepassingsgebied vallen.

    Artikel 16,1.,e) van de richtlijn vermeldt het volgende:

    Houders van een Europese blauwe kaart worden op dezelfde manier behandeld als de onderdanen van de lidstaat die de Europese blauwe kaart afgeeft op het gebied van (…) de takken van de sociale zekerheid als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

  2. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

    Artikel 3, 1. a) bepaalt het volgende:

    Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de takken van sociale zekerheid zoals prestaties bij ziekte.

    Artikel 3, 3. bepaalt het volgende:

    Deze verordening is tevens van toepassing op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetalingen berustende prestaties, als bedoeld in artikel 70.

  3. Ongelijke behandeling tussen de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming in het Europees recht

    De integratietegemoetkoming wordt beschouwd als een prestatie bij ziekte in de zin van verordening 883/2004.

    De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt beschouwd als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetalingen berustende prestatie.

    Aangezien de integratietegemoetkoming wordt beschouwd als een tak van sociale zekerheid in de zin van de verordening, is artikel 16,1.,e) van Richtlijn 2021/1883 van 20 oktober 2021 hierop van toepassing. De integratietegemoetkoming moet dus worden toegekend aan de begunstigden van de richtlijn (houder van de blauwe kaart) en hun gezinsleden.

C. Budgettaire evaluatie

Op basis van het verzoek om advies bedraagt de maximale budgettaire kostenraming:
(144 x 5,2) x 10% x 324,95 x 4 = 97.329,024 EUR (in de veronderstelling dat alle aanvragen voor deze tegemoetkoming zullen worden ingediend op de potentiële datum van inwerkingtreding van het besluit, d.w.z. begin september).

  • 144: raming van het aantal blauwe kaarten dat in 2023 in België werd afgeleverd.
  • 5,2: gemiddelde van de index voor de gezinssamenstelling in de wereld (buiten Europa).
  • 10%: gemiddeld percentage personen met een handicap in de wereld.
  • 324,95: gemiddeld bedrag van de integratietegemoetkoming per maand.

4. ADVIES

A. Wat betreft de inhoud van het ontwerpadvies (punt 3,A.)

De NHRPH neemt akte van de inhoud van het ontwerp van koninklijk besluit. Het gaat immers om het omzetten van een Europese richtlijn naar Belgisch recht.

B. Wat betreft de budgettaire evaluatie (punt 3,C.)

De NHRPH stelt vast dat het gemiddeld aantal personen met een handicap in de wereld werd geraamd op 10%. Volgens de Organisatie van de Verenigde Naties wordt het aantal personen met een handicap op meer dan een miljard geraamd, hetzij ongeveer 15% van de wereldbevolking. De NHRPH vraagt zich af of de berekeningen niet moeten worden herzien in functie van dit cijfer.

C. Wat betreft de coherentie van de tekst van artikel 4

De NHRPH heeft meermaals geoordeeld dat de wetgeving en de reglementering inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap zeer ingewikkeld waren, zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de formulering van de teksten.

Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 en het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap maken hiervan deel uit. De inhoud van artikel 4 van de wet en van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 is sterk ingegeven door het internationaal recht, en is dus ambtshalve ingewikkeld. De tekst kan evenwel eenvoudiger worden opgesteld.

Voorbeeld van vereenvoudigde tekst van artikel 4 van de wet:

§ 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die in het bevolkingsregister is ingeschreven.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.
§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.
§ 4. Indien een persoon aan wie een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 werd toegekend niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1 of § 2, dan wordt zijn recht op deze tegemoetkoming afgeschaft. Wanneer hij opnieuw voldoet aan deze voorwaarden, dan kan hij een nieuwe aanvraag indienen.
§ 5. De Koning kan de wijze bepalen waarop wordt toegezien op de naleving van dit artikel.

De personen met een vreemde nationaliteit die niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister en die recht hebben op tegemoetkomingen krachtens het internationaal recht zouden in het koninklijk uitvoeringsbesluit vermeld worden.

⇒ De NHRPH stelt voor de opmaak van artikel 4 van de wet zodra mogelijk te herzien.
⇒ Hij herinnert ook aan de noodzaak om de ganse wetgeving inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap snel te herzien en met name in functie van de prioritaire verzoeken van de NHRPH.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2023/10 - Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg

Advies nr. 2023/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17 april 2023.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, in zijn brief van 14 maart 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid beoogt de activiteiten van het Nationaal College te verlengen tot 31 december 2025.


3. ANALYSE

A. Inleiding

In december 2016 werd het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid opgericht op initiatief van mevrouw Maggie De Block, de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Met dit initiatief bevestigde zij haar bereidwilligheid om arbeidsongeschikte personen te ondersteunen. Sinds een paar jaar geven steeds meer als arbeidsongeschikt erkende personen immers aan actief te willen deelnemen aan de samenleving, maar volgens hun mogelijkheden. In dit kader moet iedereen zijn talenten op de arbeidsmarkt kunnen ontplooien. Deze mogelijkheid moet in gelijke mate worden aangeboden aan arbeidsongeschikte personen, omdat zij, ondanks hun beperkingen, nog veel resterende capaciteiten hebben, ook op beroepsvlak.

Wanneer zij niet meer in staat zijn bepaalde activiteiten uit te voeren, zijn nog heel wat andere taken toegankelijk voor hen. Een dergelijke inclusieve arbeidsmarkt is in België helaas nog lang geen realiteit.

B. Opdrachten

In deze context heeft het College onder andere als taak gestandaardiseerde methoden voor de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid voor te stellen om de evaluaties op elkaar af te stemmen in de verschillende takken van de sociale zekerheid, namelijk de ziekteverzekering (RIZIV), de beroepsziekten (Fedris, vroegere FBZ), de arbeidsongevallen (Fedris, vroegere FAO), de werkloosheid (RVA) en ook het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (Directie-generaal Personen met een handicap). Het gaat ook om het voorstellen van standaarden voor medische communicatie, met de instemming van de patiënt, tussen de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Daarnaast werd het College ook gevraagd de opleiding en de harmonisatie van het statuut van de artsen die betrokken zijn bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid te onderzoeken.

C. Leden

Alle instellingen, actoren op het gebied van de arbeidsongeschiktheid en/of de erkenning op federaal niveau, zijn lid van het College. Wetenschappelijke verenigingen van huisartsen, adviserende artsen, artsen-deskundigen en bedrijfsartsen maken er ook deel van uit.

De FOD Sociale Zekerheid is lid en biedt ook logistieke steun, zodat alle leden kunnen genieten van de geavanceerde ervaring van onder andere de Commissie Pensioenhervorming 2020 - 2040.

D. Eindverslag

Eind december 2020 heeft het Nationaal College zijn eindverslag voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

In dit verslag wordt de balans opgemaakt van de moeilijkheden waarmee de sector te kampen heeft en wordt een reeks maatregelen voorgesteld.

Voorts kwam het College tot de conclusie dat de arbeidsongeschiktheidssector binnenkort zal worden geconfronteerd met een reeks obstakels en moeilijkheden waarop een passend antwoord zal moeten worden gevonden. Daarom heeft het College de Minister voorgesteld zijn activiteiten te verlengen, zodat concrete voorstellen kunnen worden geformuleerd.

De Minister heeft deze argumenten gehoord en in zijn algemene beleidsnota bevestigd dat hij de activiteiten van het College wil verlengen.

Samenvatting van het eindrapport 2020 (.pdf)

E. Periode 2021 - 2023

Conform de algemene beleidsnota van de Minister van Volksgezondheid van 2 november 2020 is het Nationaal College verlengd tot en met 31 december 2023. Na besprekingen in het College heeft de Minister ingestemd met de voortzetting en ontwikkeling van activiteiten rond vijf thema's:

  • ontwikkeling van een uniform beoordelingsproces voor arbeidsongeschiktheid in de verschillende systemen, zo mogelijk met gebruikmaking van de Internationale Classificatie van functioneren (ICF) als rapportagetaal;
  • ontwikkeling van een platform voor communicatie en gegevensuitwisseling tussen de verschillende artsen en niet-artsen die betrokken zijn bij de beoordeling van de resterende arbeidscapaciteit;
  • verdere ontwikkeling van de fiches ‘arbeidsongeschiktheid en herstel’ en steun voor de evaluatie daarvan door de voorschrijvende artsen;
  • steun voor onderzoek naar het statuut van de medisch deskundige in de sociale zekerheid;
  • verkennende opdracht om de mogelijkheid te onderzoeken van de oprichting van een bemiddelingsorgaan om het beroep op arbeidsrechtbanken en tribunalen te beperken.

(Bron: website FOD Sociale Zekerheid)

F. Doel van het ontwerp van koninklijk besluit

Dit ontwerp beoogt de verlenging van de activiteit van het Nationaal College tot 31 december 2025. Zoals vermeld in zijn algemene beleidsnota, wil Minister Vandenbroucke immers dat de werkzaamheden worden voortgezet om voor de huisartsen twintig nieuwe fiches op te stellen voor pathologieën die vaak gepaard gaan met een lange periode van arbeidsongeschiktheid.

Concreet heeft de Minister het Nationaal College gevraagd in 2023 negen fiches en in 2024 elf nieuwe fiches op te stellen. In 2025 kunnen deze worden afgerond, en kan het nodige worden gedaan om ze volledig en zorgvuldig uit te voeren.


4. ADVIES

A. Met betrekking tot de verlenging van het mandaat van de leden

De NHRPH steunt de uitbreiding van het mandaat van de leden.

⇒ Concrete wens: de NHRPH vraagt zich af of het niet wenselijk is het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid een permanent karakter te geven.

B. Met betrekking tot de fiches die momenteel of in de toekomst worden opgesteld

De NHRPH neemt er nota van dat de Minister het Nationaal College heeft gevraagd negen fiches in 2023 en elf nieuwe fiches in 2024 op te stellen.

⇒ Concrete wens: de NHRPH wil geïnformeerd worden over de titel en het precieze doel van deze fiches.

C. Met betrekking tot de terugkeer naar het werk van arbeidsongeschikte personen

De NHRPH heeft hierover verschillende adviezen opgesteld (cf. onder meer advies 2021-31). De NHRPH benadrukt nogmaals een onmiskenbare realiteit: een persoon met een definitieve en onomkeerbare lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap of een chronische ziekte opnieuw tewerkstellen verloopt uiteraard heel anders dan de terugkeer van een werknemer die na de periode van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid een groot deel van zijn autonomie heeft teruggekregen.

⇒ Concrete wens: gelet op de diversiteit van de wetgeving met betrekking tot de evaluatie van arbeidsongeschiktheid zijn geharmoniseerde methoden voor deze evaluatie van groot belang. Kan de NHRPH worden geïnformeerd over hoe de evaluatie van de procedure voor terugkeer naar de arbeidsmarkt thans verloopt?

D. Met betrekking tot het thema ‘ontwikkeling van een uniform beoordelingsproces voor arbeidsongeschiktheid in de verschillende systemen, zo mogelijk met gebruikmaking van de Internationale Classificatie van functioneren (ICF) als rapportagetaal’

⇒ Concrete wens: de NHRPH wil graag een verslag over de lopende werkzaamheden.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2023/12 - Diverse kaarten voor het openbaar vervoer

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2023/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verschillende kaarten voor personen met een handicap in het openbaar vervoer, besproken tijdens de plenaire zitting van 15/05/2023 en goedgekeurd na consultatie per e-mail op 30/06/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clémént van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Voor personen met een handicap bestaan er meerdere kaarten voor een vlottere of goedkopere toegang tot het openbaar vervoer, zoals de Nationale verminderingskaart, de Kaart Kosteloze Begeleider, de Kaart Verhoogde Tegemoetkoming enz. Deze kaarten hebben niet allemaal dezelfde geldigheidsduur. Ook de verschillende formaten en het hoge aantal kaarten kunnen problemen geven, bijvoorbeeld bij het bewaren in de portefeuille.


3. ANALYSE

A. Kaarten voor het openbaar vervoer

Er bestaan in België een aantal kaarten die personen met een handicap kunnen gebruiken in het openbaar vervoer, elk met een eigen functie en voorwaarden. Hieronder een overzicht van de belangrijkste.

  1. De Nationale Verminderingskaart voor het openbaar vervoer
    De Nationale Verminderingskaart wordt uitgereikt door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid. Met deze kaart reis je gratis met de bus, metro en tram (gewone verbindingen) van de drie regionale vervoermaatschappijen: MIVB, TEC en De Lijn. Ook de trein (NMBS) is gratis zolang je binnen België en in 2e klasse reist. Je hebt recht op een nationale verminderingskaart voor het openbaar vervoer als je blind of slechtziend bent (blijvende visuele handicap van minstens 90%). De kaart is persoonlijk en in principe levenslang geldig, tenzij je erkenning tijdelijk is. Voorlopig is dit een kaart zonder chip (10,5 cm x 7,4 cm).

  2. De Kaart Kosteloze Begeleider
    Met de Kaart Kosteloze Begeleider reist je begeleider gratis mee in dezelfde klasse. De kaart kan gebruikt worden voor een traject tussen twee Belgische stations of stopplaatsen (NBMS) en is ook geldig op de regionale vervoersnetten van de MIVB, TEC en De Lijn.

    De kaart wordt uitgereikt door de NMBS. De NMBS bepaalt hoe lang de kaart geldig is, met een maximumduur van 5 jaar.

    De Kaart Kosteloze Begeleider is enkel voor reizigers die aan ten minste een van onderstaande criteria voldoen:

    • Een vermindering van zelfredzaamheid met ten minste 12 punten volgens de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid
    • Een vermindering van zelfredzaamheid met ten minste 6 punten voor jongeren onder 21 jaar
    • Een blijvende invaliditeit of arbeidsongeschiktheid van minstens 80%
    • Een blijvende invaliditeit rechtstreeks toe te schrijven aan de onderste ledematen die ten minste 50% bedraagt
    • Een volledige verlamming of amputatie van de bovenste ledematen
    • Een integratietegemoetkoming categorie III of hoger
    • Totale – of 90% - blindheid

    De kaart staat op naam van de persoon met een handicap, en dus NIET op naam van de begeleider. Op die manier kan de persoon zelf steeds de begeleider kiezen.

    De kaart is vrij groot (9 cm x 11 cm): de moederkaart is een plastic mapje – voor het valideringsbiljet -, voorzien van een pasfoto.

  3. Kaart Verhoogde Tegemoetkoming
    Met de Kaart Verhoogde Tegemoetkoming krijgen reizigers met een beperkt beroepsinkomen of een verhoogde tegemoetkoming in de terugbetaling van gezondheidszorg korting op de trein. De levenspartner en de personen ten laste hebben ook recht op de kortingkaart.

    De kaart wordt uitgereikt door de NMBS en geeft recht op 50% korting bij aankoop van biljetten in 2de klas op het Belgische spoorwegnet. De kaart is niet geldig voor andere vormen van openbaar vervoer.

    Ook De Lijn aanvaardt deze kaart. Met de kaart kun je tegen verminderd tarief (56 euro) een jaarabonnement kopen: BUZZY Pazz (voor personen jonger dan 25 jaar) of een Omnipas (voor personen ouder dan 25 jaar). Het abonnement wordt op naam uitgereikt en wordt gratis afgeleverd. Je abonnement is geldig op alle bussen, belbussen, trams en de kusttram van De Lijn, behalve op de Limburgse snellijnen. Je kunt de kaart ook via De Lijn verkrijgen.

    De kaart heeft een geldigheid van 1 jaar (5 jaar als je 65 jaar of ouder bent). De kaart is persoonlijk en niet overdraagbaar. De kaart is vrij groot (9 cm x 11 cm): de moederkaart is een plastic mapje – voor het valideringsbiljet –, voorzien van een pasfoto.

  4. Voorrangskaart voor een Zitplaats
    De Voorrangskaart voor een Zitplaats geeft je garantie op een zitplaats in de trein zonder extra kosten. Deze kaart kan worden aangevraagd bij de NMBS op vertoon van een doktersattest dat verklaart dat je niet lang rechtop mag staan, wat hiervan de medische oorzaken zijn en voor welke periode. De kaart heeft een beperkte geldigheidsperiode van maximaal 5 jaar. De kaart bestaat uit een geplastificeerde kaart (zonder chip) met de foto van de rechthebbende en een papieren valideringsticket.

B. De MoBIB-kaart

De MoBIB-kaart is een chipkaart op naam die vervoerbewijzen of abonnementen van de vier maatschappijen voor openbaar vervoer in België combineert: NMBS, De Lijn, Tec en MIVB. De kaart zelf heeft een geldigheid van meerdere jaren, maar voor de abonnementen op de kaart gelden de voorwaarden van de aanbieders. De verschillende abonnementen hebben dus niet noodzakelijk dezelfde geldigheidsduur.

De kaart biedt de mogelijkheid om de verschillende vervoersbewijzen op hetzelfde moment te verlengen. Echter, personen met een visuele handicap kunnen hun gratis abonnement enkel verlengen aan een loket (MIVB Brussel). Hun verminderingskaart voor openbaar vervoer vermeldt nochtans geen einddatum.

C. European Disability Card

Met de European Disability Card (EDC) kan de drager tonen dat hij of zij erkend is als persoon met een handicap, ook als die handicap onzichtbaar is. De kaart wordt in België uitgegeven door de DG Personen met een handicap en de regionale agentschappen. Ze heeft het formaat van een bankkaart, maar dan zonder chip. De kaart geeft recht op voordelen in sport, cultuur en vrije tijd, zoals korting op een inkomticket voor een museum of voorrang bij de toegang tot attracties in een pretpark. Je kunt de kaart niet alleen in België, maar ook in Cyprus, Estland, Finland, Italië, Malta, Slovenië en Roemenië gebruiken. Waarschijnlijk volgen weldra nog EU-landen.

Ook bij het openbaar vervoer wordt de EDC steeds vaker erkend. De Lijn bijvoorbeeld erkent de EDC als een middel waarmee je aan de chauffeur of controleur het signaal kan geven dat je een reiziger met een handicap bent. De chauffeur of controleur herkent de kaart en zal er in het contact met jou rekening mee houden. Voorlopig heeft de EDC nog geen functie als verminderingskaart in het openbaar vervoer in België.

Steeds meer partners bieden op vertoon van de EDC voordelen aan personen met een handicap aan. De partner beslist zelf welke voordelen.

D. De identiteitskaart

De identiteitskaart is per definitie persoonlijk. De fysieke identiteitskaart heeft een chip. Die chip kan als sleutel dienen tot andere toepassingen, al dan niet beveiligd met een code. Zo kan de reiziger bij het online aankopen van een vervoersbewijs ervoor kiezen het vervoersbewijs op de identiteitskaart te plaatsen. In principe heeft de persoon zijn of haar identiteitskaart altijd bij zich. De treinbegeleider heeft enkel toegang tot de zichtbare identiteitsgegevens op de kaart en het vervoersbewijs op de chip. Eventueel zouden ook de andere kaarten en abonnementen veilig op de identiteitskaart kunnen worden geladen.

E. Veel kaarten

Alle hierboven vermelde kaarten hebben hun reden van bestaan. Het is alleen jammer dat ze niet altijd vlot herkenbaar zijn voor sommige personen met een handicap, ook omdat mensen nog tal van andere – vaak gelijkende - kaarten hebben: bankkaarten, de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap, kredietkaarten, lidkaarten, kortingkaarten van winkels, toegangsbadges enz. Een portefeuille wordt al snel te klein voor al die kaarten. Sommige kaarten zijn zelfs te groot voor de portefeuille.

Bovendien krijgt de persoon niet altijd een waarschuwing wanneer de geldigheid van de kaart eindigt. Mensen komen soms pas bij een controle te weten dat een van de kaarten niet meer geldig, wat hun vaak een boete oplevert.

Voor personen met een visuele, fysieke, verstandelijke, … handicap is het niet altijd eenvoudig om snel de juiste kaart te vinden, want ze lijken soms op elkaar. Blinde en slechtziende personen kunnen baat hebben bij vermeldingen in braille, verschillende kaartformaten of een inkeping in de kaart.


4. ADVIES

A. Wat betreft het aantal kaarten

  1. De NHRPH is van mening dat de vermelde kaarten voor personen met een handicap allemaal hun nut hebben.

    ⇒ Om de problemen met de grote formaten, het grote aantal fysieke kaarten en de mogelijke verwarring - in het bijzonder voor personen met een visuele handicap - te beperken, stelt de NHRPH voor om te onderzoeken of een aantal van die kaarten kunnen worden geïntegreerd in een enkele kaart met chip. De NHRPH denkt dan aan de Nationale Verminderingskaart, de kaart Kosteloze begeleider, de kaart Verhoogde tegemoetkoming en de Voorrangskaart voor een zitplaats.

    ⇒ Indien sommige kaarten niet kunnen worden geïntegreerd, dan moeten ze duidelijk herkenbaar zijn, bijvoorbeeld via een vermelding in braille, een ander formaat of een specifieke markering of inkeping.

    ⇒ De NHRPH meent dat de MoBIB-kaart een goede optie is voor een geïntegreerde kaart en verkiest deze boven de identiteitskaart. De MoBIB-kaart heeft een handig bankkaartformaat en een chip en integreert nu al abonnementen van NMBS, De Lijn, Tec en MIVB en wordt dus al erkend in het hele land. Het is dan wel essentieel dat de betrokken instanties de benodigde – en enkel de benodigde - informatie op de kaart kunnen lezen.

  2. De NHRPH benadrukt dat een fysieke kaart nodig blijft voor veel personen met een handicap die moeite hebben met digitale toepassingen, omdat die niet integraal toegankelijk zijn.

  3. Hoewel de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap minder relevant is in de context van dit advies, benadrukt de NHRPH dat die een aparte fysieke kaart moet blijven. Die moet bij gebruik immers achter de voorruit van de geparkeerde auto worden achtergelaten.

B. Wat betreft de geldigheidsduur

  1. De NHRPH is van mening dat de kaarten en hun geldigheid zo veel mogelijk op elkaar moeten worden afgestemd, met als uitgangspunt de duur van de erkenning als persoon met een handicap. Bijvoorbeeld: als de Nationale verminderingskaart van onbepaalde duur is, dan kan de kaart Kosteloze begeleider dat ook zijn.

    ⇒ De verschillende kaarten hebben bij voorkeur dezelfde geldigheidsduur met dezelfde begin- en einddatum.

  2. Als de geldigheidsduur beperkt is, dan moet de persoon er tijdig van op de hoogte worden gebracht dat de kaart gaat vervallen. Zo kan de persoon tijdig het nodige doen.

  3. Idealiter worden de gegevens van de kaarthouder geregeld automatisch geactualiseerd, bijvoorbeeld via de Kruispuntbank, zodat de MoBIB-kaart geldig blijft zonder interventie van de persoon.

  4. Indien de tussenkomst van de klant vereist is, dan moet de procedure toegankelijk en klantvriendelijk zijn en via meerdere kanalen kunnen gebeuren: een toegankelijke onlinetoepassing, via telefoon, aflevering aan huis, …

  5. Als de verschillende kaarten dezelfde begin- en einddatum hebben, moet het mogelijk zijn om die allemaal in één keer te verlengen, zowel voor de verschillende abonnementen als voor de verschillende kaarten voor personen met een handicap. De MoBIB-kaart laat dit al toe voor de vervoersbewijzen van trein, tram, bus en metro. Hiervoor zou de persoon al zijn aanvragen in één keer moeten doen, wat niet evident is. Ook voor personen met een visuele handicap moet dit vlot mogelijk zijn. Momenteel moeten zij zich nog naar een MIVB-loket begeven voor de verminderingskaart openbaar vervoer.

    ⇒ Als de aanvraagformulieren voor tegemoetkomingen ook vragen rond het aanvragen van de verschillende kaarten zouden bevatten, zou dat een stap in de goede richting zijn.

C. Voor niet-Belgen

  1. Personen met een handicap uit een ander EU-land moeten op vertoon van de EDC ook toegang krijgen tot de in België aangeboden vervoersfaciliteiten voor personen met een handicap. Omgekeerd moet dat ook gelden voor Belgische personen met een handicap die een ander EU-land bezoeken.

    ⇒ De overheden en vervoersmaatschappijen moeten hiertoe de nodige nationale, interregionale en internationale afspraken maken.

  2. Ook personen met een handicap die een niet-EU-nationaliteit hebben, moeten in België toegang hebben tot de aangeboden vervoersfaciliteiten voor personen met een handicap in België.

    ⇒ De overheden en vervoersmaatschappijen moeten hiertoe de nodige nationale, interregionale en internationale afspraken maken.

D. Wat betreft de NHRPH

  1. De NHRPH wil betrokken worden bij de onderhandelingen over de verdere uitwerking van de MoBIB-kaart.

  2. In België is er sprake van het uitbreiden van de EDC naar het domein van het vervoer. De NHRPH wenst bij de onderhandelingen te worden betrokken.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2023/15 - KB Bekwame helpers

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2023/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van Koninklijk besluit tot vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen die kunnen worden toegestaan aan een bekwame helper, alsook de voorwaarden voor de uitoefening ervan en de vereiste opleidingsvoorwaarden voor die toelating.

Advies besproken op de plenaire van 15 mei 2023 en uitgebracht na elektronische raadpleging van de leden tussen 1 juni en 6 juni 2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De beleidscel van Minister Vandenbroucke heeft op 24 april 2023 het ontwerp van het koninklijk besluit (KB) tot vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen die kunnen worden toegestaan aan een bekwame helper (…) aan de NHRPH doorgestuurd.


3. ANALYSE

A. Bekwame helper – definitie:

Een bekwame helper is iemand die buiten een zorgvoorziening, in het kader van zijn/haar beroep en/of vrijwilligersactiviteit, verpleegkundige handelingen mag verrichten.
De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp stelt dat het bijvoorbeeld gaat om: “opvoeders (…), leraren, kinderverzorgsters, ...”. Het kan evenwel ook gaan om gezinshulp, persoonlijke assistenten, scoutsleiding etc.

B. Delegatie van verpleegkundige handelingen:

Deze niet-verpleegkundigen mogen verpleegkundige handelingen uitvoeren, of o.b.v. een instructie van een arts of verpleegkundige of o.b.v. een opleiding. Er zijn dan ook twee lijsten van delegeerbare handelingen. Daarnaast is er een categorie van handelingen die enkel mogelijk zijn in uitzonderlijke omstandigheden. Dat wil zeggen wanneer een zorgvrager die gewoonlijk behandeld wordt thuis of in een instelling zijn/haar verblijfplaats of deze instelling tijdelijk en/of uitzonderlijk verlaat.

Het gezamenlijk advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en van de Technische Commissie voor Verpleegkunde van 2019 vormt de basis van de indeling van de delegeerbare handelingen.
Voor een ruimere analyse, zie advies 2023/01.  


4. ADVIES

A. Wat betreft de ontvangst van het KB:

De NHRPH heeft bij het opstellen van het advies 2023/01 (reeds in december 2022) gevraagd om een ontwerp van het KB te krijgen. Dit om zo vroeg mogelijk bij de totstandkoming van het KB betrokken te zijn (in lijn met art. 4 (3) UNCRPD) en de specifieke zorgen van de handicapsector in het discussieproces te betrekken.

Het antwoord indertijd was meermaals dat het niet mogelijk is om een draft te delen.

Na de goedkeuring van het wetsontwerp rond bekwame helpers op 24 maart 2023, heeft de NHRPH nogmaals gevraagd naar de stand van zaken van het KB. Het antwoord was teleurstellend: “Er is hier een politiek akkoord over, het KB ligt op zich vast. Zijn er nog grote problemen?

De NHRPH zou graag onderstrepen dat die vraag eerder gesteld had moeten worden, voordat het KB ‘vast lag’. Daar is niet enkel expliciet om gevraagd geweest gedurende de voorbereiding van en in advies 2023/01, maar ook erna.

⇒ In lijn met art. 4 (3) UNCRPD zou de NHRPH betrokken moeten worden bij de ontwikkeling van beleidsinitiatieven. Eenmaal het beleid vastligt, is de consultatie van een adviesraad niet langer nuttig en dient deze enkel om het puntje ‘raadpleging adviesraden’ af te vinken.

B. Inzake het belang van bekwame helpers voor personen met een handicap:

Graag zou de NHRPH eerst en vooral de nadruk willen leggen op het belang van bekwame helpers voor personen met een handicap. Verpleegkundige handelingen maken deel uit van het dagelijks leven van een groot deel van personen met een handicap. Het feit dat personen met een handicap dus van zorg afhankelijk zijn, medicaliseert hun leven en beknot hun autonomie vaak. Zo is bijvoorbeeld de dagindeling vaak afhankelijk van wanneer een verpleegkundige langs zou kunnen komen.

De inzetbaarheid van bekwame helpers is in dat opzicht heel belangrijk.

i. Personen met een handicap die in een instelling verblijven zouden zo voor veel taken hulp kunnen genieten van bv. het personeel van de instelling en niet langer moeten wachten op de komst van verplegers.

De NHRPH is blij dat aan de zorg geuit in advies 2023/01 tegemoet is gekomen en dat ook personen met een handicap die in een revalidatiecentra niet verbonden aan een ziekenhuis verblijven hulp kunnen genieten van bekwame helpers.

Daarnaast is ook tegemoet gekomen aan de zorg dat veel personen met een handicap genoodzaakt zijn in een woonzorgcentrum te verblijven. Het KB vermeldt nu dat bij het verlaten van een instelling in uitzonderlijke omstandigheden bekwame helpers kunnen ingezet worden.
Evenwel staat in de wet dat de basis vormt van het uitvoeringsbesluit dat zorginstellingen uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van bekwame helpers. De huidige zin in het KB kan bijgevolg geïnterpreteerd worden als: ‘bekwame helpers kunnen ingezet worden bij het verlaten van een instelling die geen zorginstelling is’.

⇒ Ter voorkoming van verwarring raadt de NHRPH aan om de zin te herschrijven: “Onder tijdelijke en/of uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan een situatie waarin een patiënt die gewoonlijk behandeld wordt thuis of in een instelling, met inbegrip van zorginstellingen, zijn/haar verblijfplaats of deze instelling tijdelijk en/of uitzonderlijk verlaat (…)”. 

ii. Jammer genoeg heeft de NHRPH de indruk dat er niet voldoende aandacht besteed is geweest aan de situatie van personen met een handicap die wel autonoom leven. Concreet lijkt er te weinig gedacht zijn geweest aan persoonlijke assistenten die als bekwame helper kunnen optreden.

Zo wordt er op een bepaald moment in de Memorie van Toelichting (MvT) rond de Wet tot wijziging van artikel 124, 1°, van de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gesproken over opvoeders, kinderverzorgsters, leraren, … Uit de MvT volgt dat bekwame helpers beroepsprofielen zijn die ‘geen familiale band hebben’ met de zorgvrager en geen ‘opgebouwde relatie hebben met de zorgprofessional’. Men kan er echter niet onderuit dat de finaliteit van de beroepsprofielen anders is. Een kinderverzorger is er om tijdelijk op een kind te letten, terwijl een assistent bedoeld is om de autonomie van personen met een handicap te waarborgen en hun inclusie in de samenleving te bevorderen (art. 3 (a) en art. 19 UNCRPD).

Bij de keuze van de delegeerbare handelingen en de vereiste van een instructie dan wel een opleiding, lijkt men te weinig rekening gehouden hebben met deze vaststelling.

Een voorbeeld ter verduidelijking: verpleegkundigen komen niet langs na 21 uur. Iemand met een blaassonde zou dus rond 21 uur reeds in bed moeten. Aldus is diens autonomie en vrije keuze van dagindeling afhankelijk van zijn medische beperking.

Een persoonlijk assistent zou in dat geval de kwestie van medicalisering van het leven kunnen verhelpen, maar uit het KB volgt dat het sonderen van een blaas enkel mogelijk is in uitzonderlijke omstandigheden (bij het verlaten van de woning).

Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld het toedienen van insuline en of spuiten tegen trombose.

Dit zijn handelingen die de zorgvrager in principe zelf kan aanleren (dagelijkse zorg). Maar een persoon met een handicap kan deze niet altijd zelf uitvoeren en dient een beroep te doen op een derde. Afhankelijkheid van deze derde die een zorgkundige moet zijn beknot hier weer de autonomie van de persoon met een handicap.

⇒ De NHRPH zou willen dat er meer rekening gehouden wordt met de specifieke situatie van persoonlijke assistenten die als bekwame helper kunnen optreden. Gezien de finaliteit van hun beroep – waarborgen van inclusie en autonomie van personen met een handicap – lijkt het vanzelfsprekend dat deze bepaalde dagelijkse handelingen - die een persoon zonder handicap in principe zelf kan uitvoeren - zouden mogen uitvoeren.
⇒ Onder andere het sonderen is zo een handeling die door een bekwame helper-assistent/gezinshulp uitvoerbaar dient te zijn. Vooral omdat deze handeling regelmatig per dag dient te gebeuren, wat iemand die de handeling niet zelf kan uitvoeren sterk afhankelijk maakt van verpleging.

C. Toediening van medicatie via orale weg:

Het nemen van medicatie via orale weg is een handeling die een volwassen zorgvrager normaal zelf stelt zonder medisch tussenkomst (althans in het geval van medicatie zonder voorschrift). Het feit dat een persoon met een handicap die bv. verlamd is, deze handeling niet zelf kan stellen maakt hem/haar afhankelijk van een derde. Deze derde handelt niet eens op vraag van de persoon met een handicap, maar op instructie van een arts…

Vandaar zou de NHRPH graag de bevestiging willen hebben dat een instructie ook kan neerkomen op: ‘toediening op vraag van de zorgvrager, met een maximum van X per dag….

⇒ Om paternalisme te voorkomen moet duidelijk gemaakt worden dat een instructie soms flexibel moet zijn om tegemoet te komen aan de autonomie van personen met een handicap.

D. Overlap lijst ‘instructie’ en ‘opleiding’:

De volgende punten komen terug onder zowel de lijst van handelingen o.b.v. een instructie als deze o.b.v. een opleiding:

  • Het meten van fysische parameters;
  • Het meten van lichaamstemperatuur;
  • Aanbrengen van ijszakken;
  • Toepassen van therapeutische baden;
  • Toedienen van medicatie via orale weg;
  • Toedienen van zetpillen zonder opiaten;
  • Aanbrengen van zalven….

⇒ De NHRPH is ervan overtuigd dat dit een schoonheidsfoutje is, maar wel een dat opgelost moet worden. Tevens verwacht de NHRPH dat deze handelingen onder de lijst van ‘instructies’ terechtkomen.

E. Kan ook o.b.v. een instructie:

Het aantrekken en verwijderen van steunkousen kan volgens de NHRPH gebeuren op basis van een instructie. Daar is geen opleiding voor nodig.

F. Onduidelijk wat mag en wat niet:

In advies 2023/01 heeft de NHRPH aangehaald dat bekwame helpers bedhekken moeten kunnen optrekken.
De beleidscel van Minister Vandenbroucke heeft geantwoord dat dit gaat om een inrichting van een isolatiemaatregel en daardoor een niet delegeerbare handeling betreft. “Eenmaal ingericht, kan dit wel verder uitgevoerd worden door de bekwame helper.” Wat betekent dit concreet?
De NHRPH wenst ook te benadrukken dat alles afhankelijk is van de intentie: als de handeling bedoeld is om de zorgvrager veilig te stellen, dan is het een verpleegkundige handeling en bijgevolg geen dwangmaatregel.

⇒ De bekwame helper mag bedhekken niet optrekken, maar wat mag deze dan wel “verder uitvoeren”?

G. Onduidelijk wie de kost van de een-op-een opleidingen draagt:

Meermaals is de vraag gesteld naar wie de kost van de een-op-een opleidingen draagt (zie advies 2017/08; advies 2022/03; advies 2023/01), maar er is nog steeds geen antwoord geboden.

Niet aan alle instellingen/voorzieningen waar bekwame helpers aan de slag kunnen zijn verpleegkundigen verbonden die snel een een-op-een opleiding kunnen organiseren. Op wie valt deze last dan? De huisartsen? Andere specialisten bij wie de persoon met een handicap langsgaat?

Hoe zal de verloning van deze een-op-een opleidingen gebeuren: via de deelstaten? Federaal? Een verloning via de bestaande nomenclatuur voor gewone raadpleging is onvoldoende, want een artsen proberen zich aan strikte tijdsafbakeningen van ongeveer 15 minuten per raadpleging te houden.

⇒ Een aparte nomenclatuur is nodig voor een-op-een opleidingen om een kwaliteitsvolle, niet overhaaste, opleiding te waarborgen.

H. Verbetering in de Memorie van Toelichting:

Op vraag naar verduidelijking van het onderscheid tussen mantelzorgers en bekwame helpers zijn er een paar nieuwe paragrafen toegevoegd in de Memorie van Toelichting.

Een ervan luidt als volgt: “Bekwame helpers zijn dit niet. Bekwame helpers zorgen immers voor mensen die in het kader van het dagelijks leven bepaalde verpleegkundige zorg moeten ontvangen en deze bekwame helpers helpen aldus de begunstigde in het kader van het beroep dat zij uitoefenen (opvoeders in het kader van hulp aan mensen met een handicap, leraren, kinderverzorgsters, ...) of vanwege de vrijwilligerssituatie die ze innemen binnen een organisatie zoals bijvoorbeeld jeugdbewegingen. Zonder de uitoefening van deze functies zouden deze personen de betrokkene niet in zijn dagelijks leven hoeven bij te staan.”

“Opvoeders in het kader van hulp aan mensen met een handicap” is een slechte verwoording. Personen met een handicap hebben begeleiders nodig, assistenten, geen opvoeders.

⇒ De NHRPH vraagt deze bewoording dringend aan te passen en als voorbeeld de persoonlijke assistenten aan te halen.

I. Instellingen met vakbondsafvaardiging:

In zijn advies 2023/01 had de NHRPH gevraagd of het niet mogelijk zou moeten zijn om op collectief niveau bepaalde langdurige handelingen uit te sluiten: bv. diensten gezinszorg zouden wegens tijdbesparende redenen het ‘toedienen van voedsel aan personen met slikproblemen’ uit kunnen sluiten op collectief niveau.
In de brief van 18 april 2023 heeft de beleidscel van Minister Vandenbroucke bevestigd dat dit inderdaad niet mogelijk is op collectief niveau.

Nu vraagt de NHRPH of het wel mogelijk is dat op collectief niveau besloten wordt dat bv. diensten gezinshulp geen bekwame helpers zullen inzetten.
De NHRPH benadrukt hierbij nogmaals het belang van de mogelijkheid van inzetbaarheid van bekwame helpers bij verschillende diensten (o.a. gezinshulp) ter waarborging van de autonomie en levenskwaliteit van personen met een handicap.

⇒ De NHRPH hoopt dat er een sensibiliseringscampagne zal uitgerold worden die het belang van bekwame helpers voor de autonomie en levenskwaliteit van personen met een handicap toelicht en dat er geen diensten op collectief niveau de inzetbaarheid van bekwame helpers zullen weigeren.

J. Brede en eenvoudige informatiecampagne over wie wat kan:

De NHRPH vraagt om een brede en eenvoudige informatiecampagne over wie wat kan en onder welke voorwaarden. Breed in de zin dat niet enkel verschillende federaties op de hoogte gebracht worden van de gewijzigde wetgeving, maar ook diensten op lokaal niveau. Aldus moeten deze laatste ook de bestemmeling zijn van de informatiecampagne. Daarnaast moet de informatiecampagne eenvoudig te begrijpen zijn voor iedereen.

⇒ Voorzie een informatiecampagne over wie wat kan doen en onder welke voorwaarden. Deze moet gericht zijn naar alle belanghebbenden, inclusief lokale diensten, en moet eenvoudig te begrijpen zijn voor iedereen.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2023/13 - Verkeersveiligheid voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2023/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de risico’s in het verkeer voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/06/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Ministers-presidenten van de deelgebieden
  • Ter informatie aan de Ministers van de deelgebieden die bevoegd zijn voor mobiliteit

2. ONDERWERP

Personen met een handicap zijn kwetsbaarder dan andere mensen in het verkeer. Bij het aanpassen van de wegcode en het bestraffen van overtredingen moet er dan ook rekening worden gehouden met de noden en wensen van de personen met een handicap (PMH). VIAS, het kennisinstituut ter verbetering van de verkeersveiligheid, mobiliteit, veiligheid en gezondheid, lanceerde begin 2023 een enquête met de vraag welke verkeersovertredingen het risico op een dodelijk ongeval ernstig verhoogden en in welke mate. De NHRPH besloot een advies op te stellen met zijn eigen bevindingen over de (on)veiligheid van personen met een handicap in het verkeer en de mogelijke oplossingen.


3. ANALYSE

Personen met een handicap lopen meer risico op een ernstig ongeval veroorzaakt door anderen dan andere weggebruikers. Enkele voorbeelden:

  • Personen met een beperkte mobiliteit zijn soms minder snel en mobiel. Bovendien is de omgeving vaak niet aangepast aan hun noden, zodat ze veel obstakels ontmoeten.
  • Blinde personen kunnen het gevaar niet altijd inschatten en horen auto’s niet altijd naderen, zeker nu met de elektrische wagens die veel stiller zijn.
  • Dove personen horen auto’s en andere voertuigen niet naderen.
  • Personen met een verstandelijke handicap hebben moeite met het interpreteren van complexe situaties.

Het verkeer wordt trouwens steeds drukker en is onvoldoende toegankelijk, wat de mobiliteit van PMH niet ten goede komt.

A. Verkeersovertredingen van anderen die PMH in gevaar brengen

VIAS, het kennisinstituut ter verbetering van de verkeersveiligheid, mobiliteit, veiligheid en gezondheid, lanceerde begin 2023 een enquête met de vraag welke verkeersovertredingen het risico op een dodelijk ongeval ernstig verhoogden en in welke mate:

1: Licht verhoogd
2: Matig verhoogd
3: Middelmatig verhoogd
4: Sterk verhoogd
5: Extreem verhoogd

De NHRPH heeft die enquête ingevuld vanuit het standpunt van de personen met een handicap. (Uiteraard wil dit helemaal niet zeggen dat de NHRPH de onvermelde overtredingen goedkeurt of ongevaarlijk vindt.) Dit waren de bevindingen:

  1. Opsomming volgens artikel in de wetgeving:
    • 4,1 Niet gehoorzamen aan de bevelen van een bevoegde persoon - 5
    • 4,2 Een stopbevel van een bevoegde persoon niet opvolgen - 5
    • 4,4 Niet verplaatsen van een geparkeerd voertuig indien men er door een bevoegd persoon toe aangemaand wordt - 4
    • 7,3 Het verkeer hinderen of onveilig maken door voorwerpen op de openbare weg - 5
    • 7,3 Het verkeer hinderen of onveilig maken (voorwerpen op de openbare weg) door een e-step op de trottoir of het fietspad achter te laten - 5
    • 8,2 Buiten de openbare wegen waar het toegelaten is ((woon-)erven, voorbehouden wegen, ...), op een e-step rijden zonder de leeftijd van 16 jaar te hebben bereikt - 2
    • 8,3 Zijn voertuig niet voortdurend onder controle houden - 5
    • 8,4 Gebruik van een toestel met een scherm dat niet aan het voertuig is bevestigd - 4
    • 9,2 Links van een middenberm rijden - 4
    • 9,7 Op de pechstrook rijden - 3
    • 10,2 Niet gebruiken van het stoplicht om aan te geven dat u langzamer wilt gaan rijden - 2
    • 10,3 Niet vertragen in aanwezigheid van dieren - 5
    • 10,4 Aanzetten tot of uitlokken van overdreven snelheid - 5
    • 12,1 Voorrang van spoorvoertuigen niet respecteren - 5
    • 12,2 Niet dubbel voorzichtig zijn op kruispunten - 4
    • 12,3 Voorrang aan rechts, voorrang afstaan en STOP-bord niet respecteren - 5
    • 12,4 Geen voorrang verlenen tijdens een manoeuvre - 5
    • 12,5 Wanneer men de voorrang moest verlenen, doorrijden wanneer er gevaar is voor een ongeval… - 5
    • 16,3 Niet inhalen langs links - 5
    • 16,6 Zijn plaats rechts niet terug innemen na het inhalen - 3
    • 17,1 Inhalen bij slechte zichtbaarheid - 4
    • 17,2 Inhalen op de kruispunten waar de voorrang van rechts geldt - 5
    • 17,2 Inhalen wanneer de in te halen bestuurder voor een oversteekplaats voor voetgangers of fietsers of bromfietsers stopt - 5
    • 17,2 Inhalen bij het naderen van een heuveltop of in een bocht - 5
    • 19,2 Zich niet naar rechts begeven om rechts af te slaan - 4
    • 20,3 Een gesloten spooroverweg te betreden - 5
    • 24 Stilstaan of parkeren op een voetpad, fietspad, voetgangers- of fietsersoversteekplaats - 5
    • 25,1 Parkeren op de rijbaan op plaatsen die de doorgang van spoorvoertuigen, voetgangers, fietsers en andere voertuigen belemmeren. - 5
    • 25,1 Parkeren op een parkeerplaats voor personen met een handicap - 3
    • 29 van 1 tot 10 km/u te snel rijden binnen de bebouwde kom (woonerf en erf, zone 30, fietsstraat, voorbehouden wegen en bebouwde kom) - 3
    • 29 van 11 tot 20 km/u te snel rijden binnen de bebouwde kom (woonerf en erf, zone 30, fietsstraat, voorbehouden wegen en bebouwde kom) - 4
    • 29 van 21 tot 30 km/u te snel rijden binnen de bebouwde kom (woonerf en erf, zone 30, fietsstraat, voorbehouden wegen en bebouwde kom) - 5
    • 29 >30 km/u te snel rijden binnen de bebouwde kom (woonerf en erf, zone 30, fietsstraat, voorbehouden wegen en bebouwde kom) - 5
    • 29 van 1 tot 10 km/u te snel rijden buiten de bebouwde kom (autosnelwegen, wegen buiten de bebouwde kom) - 3
    • 29 van 11 tot 20 km/u te snel rijden buiten de bebouwde kom (autosnelwegen, wegen buiten de bebouwde kom) - 4
    • 29 van 21 tot 30 km/u te snel rijden buiten de bebouwde kom (autosnelwegen, wegen buiten de bebouwde kom) - 5
    • 29 van 31 tot 40 km/u te snel rijden buiten de bebouwde kom (autosnelwegen, wegen buiten de bebouwde kom) - 5
    • 29 > 40 km/u te snel rijden buiten de bebouwde kom (autosnelwegen, wegen buiten de bebouwde kom) - 5
    • 30 Rijden zonder rijbewijs of zonder de beperkingen van het rijbewijs in acht te nemen - 3
    • 30 Rijden zonder rijbewijs na een onmiddellijke intrekking ervan - 3
    • 30,1 Het dimlicht of grootlicht niet inschakelen bij een zicht van minder dan 200 m - 5
    • 33 Een vluchtmisdrijf begaan - 5
    • 34 Alcohol tussen 0,2g/l en 0,5g/l voor professionele bestuurders - 5
    • 34 Alcohol tussen 0,5g/l en 0,8g/l - 5
    • 34 Alcohol > 0,8g/l - 5
    • 35 Dronkenschap (alcohol, drugs of medicijnen) - 5
    • 37 Het ertoe aanzetten van een beschonken persoon om een voertuig te besturen of het toevertrouwen van een voertuig aan die persoon - 5
    • 40,1 Het in gevaar brengen van voetgangers op een trottoir of een gedeelte van een openbare weg - 5
    • 40,3 De snelheid niet matigen wanneer u naast een bus rijdt die passagiers in- of uitlaadt - 5
    • 40,3 Voetgangers het trottoir of de berm niet laten bereiken bij een halte van het openbaar vervoer - 5
    • 40,4 Een voetganger niet toelaten zijn oversteekbeweging te beëindigen op een al of niet lichtengeregelde oversteekplaats - 5
    • 40,4 Een voetgangersoversteekplaats niet naderen met een matige snelheid en geen voorrang geven aan de voetganger - 5
    • 41,1 Een groep voetgangers doorbreken - 5
    • 44,2 Een passagier vervoeren op een e-step - 3
    • 45,1 Niet beveiligen van de lading (vastzetten, zichtbaarheid, stouwen, overlopen, ...) - 3
    • 61 Door een oranje licht rijden - 4
    • 61,1 Door een rood licht rijden - 5
    • 67,3 Verkeersbord B1 (voorrang verlenen) niet respecteren - 5
    • 67,3 Verkeersbord B5 (stop) niet respecteren - 5
    • 10.1.1 Zijn snelheid niet regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in 't bijzonder de meest kwetsbaren - 5
    • 10.1.1 Zijn snelheid niet regelen zoals vereist wegens de weeromstandigheden - 5
    • 10.1.1 Zijn snelheid niet regelen zoals vereist wegens de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig - 5
    • 10.1.2 Geen voldoende veiligheidsafstand houden tussen zijn voertuig en zijn voorligger - 5
    • 10.1.3 Niet kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien - 5
    • 12.4bis Geen voorrang verlenen aan voetgangers en fietsers op voetpad of fietspad - 5
    • 15.3 en 16.5 Het in gevaar brengen van weggebruikers op de bedding tijdens het kruisen - 5
    • 19.2 en 19.3 Noodzakelijke voorzorgsmaatregelen niet nemen voor links afslaan - 3
    • 22bis Voetgangers in gevaar brengen in woonerf en erf - 5
    • 22octies Rijden op een weg die is voorbehouden aan landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs - 5
    • 22quinquies Rijden op een weg die is voorbehouden aan voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs - 5
    • 22quinquies et octies Voetgangers in gevaar brengen op voorbehouden wegen - 5
    • 22septies Voetgangers in gevaar brengen in speelstraten - 5
    • 22sexies Voetgangers in gevaar brengen in voetgangerszones - 5
    • 37bis Het besturen van een voertuig onder invloed van drugs, het aanzetten tot het rijden met of het toevertrouwen van een voertuig aan een persoon die onder invloed van drugs verkeert - 5
    • 39bis Niet vertragen of niet stoppen in de buurt van een schoolbus die passagiers ophaalt of afzet - 5
    • 40bis De instructies niet opvolgen van een gemachtigde opzichter die een groep voetgangers laat oversteken - 5
    • 68.3 Niet respecteren verkeersbord C1 (verboden richting) - 5
    • 70,2,2,1 Een e-step parkeren op een openbare weg waar het parkeren verboden is (d.m.v. een verkeersbord) - 5

B. Gevaarlijke situaties voor PMH

  1. Ontbreken van zebrapaden in zone 30
    Gemeentebesturen besluiten soms om de zebrapaden in een zone 30 te verwijderen. Ze gaan ervan uit dat die daar overbodig zijn. Dat klopt niet. Blinde en slechtziende personen voelen zich veel veiliger als ze via een zebrapad kunnen oversteken:

    • Geleidehonden worden geleerd om over te steken via het zebrapad.
    • Bij een zebrapad weet de overstekende persoon dat er zich in principe geen obstakel (paal, geparkeerde auto,…) aan de overzijde bevindt.

       

  2. Shared spaces
    In ‘shared spaces’ (gedeelde ruimtes) gebruiken verschillende categorieën van weggebruikers dezelfde ruimte – bijvoorbeeld een plein – zonder specifieke plaatsaanduiding per categorie van weggebruiker, dus zonder de klassieke indeling met rijbaan, fietspad en trottoir. Voor PMH houdt dat veel risico’s in. De NHRPH bracht in 2022 advies 2022-15 uit over de shared spaces.

  3. Smalle fietspaden en trottoirs
    Pedelecs (en soms e-bikes) die hun snelheid niet aanpassen op een (te) smal fietspad betekenen een gevaar: pedelecs kunnen meer dan 25km/u rijden; op fietspaden is dat op zich al een overtreding. Tegenliggers (PMH, vaak met een bredere fiets of rolstoel) die trager rijden dragen het grootste risico als ze bij het kruisen door de tegenligger worden geraakt.
    Trottoirs moeten worden gecontroleerd op doorgang voor een rolstoel, kinderkoets, persoon met blindengeleidehond, … Als de trottoirs te smal zijn, kunnen voetgangers elkaar niet veilig kruisen.

  4. Te weinig beschikbare parkeerplaatsen voor PMH
    Parkeerplaatsen voor PMH zijn vaak aangepast aan de noden van PMH: groter, langer (voor uitladen rolstoelen, krukken enz.), dichtbij belangrijke bestemmingen (hospitaal, winkels,...). Bovendien zijn ze schaars. Als een PMH geen voorbehouden plaats vindt, dan moet die elders een parkeerplaats zoeken, verder weg van zijn bestemming, met een verhoogd risico tot gevolg.
    Daarom beschouwt de NHRPH het innemen van een parkeerplaats voor PMH zonder er recht op te hebben ook als een overtreding die anderen in gevaar kan brengen.

  5. Slechte signalisatie
    Op veel plaatsen op de openbare weg is de situatie niet duidelijk. Soms ontbreekt signalisatie volledig; in andere gevallen is er een onoverzichtelijke wildgroei aan verkeersborden.
    Het gebeurt ook vaak, zeker bij tijdelijke situaties zoals omleidingen en werken, dat de signalisatie niet is volgehouden. Dat kan chauffeurs verwarren en fouten en risico’s uitlokken.

  6. Elektrische wagens
    Elektrische wagens zijn bijna geruisloos, waardoor blinde en slechtziende personen die niet horen naderen, waardoor ze ten onrechte kunnen denken dat ze veilig kunnen oversteken. Ook blindengeleidehonden kunnen op zicht alleen niet goed de snelheid van een naderende wagen inschatten.

C. Obstakels

  1. Vaste en losse obstakels op het trottoir en elders
    Voor personen met een handicap – in het bijzonder personen met een visuele handicap, personen die slecht ter been zijn en rolstoelgebruikers – zijn obstakels op het trottoir en elders een groot probleem. Blinde personen kunnen met de witte stok niet alles waarnemen, bijvoorbeeld overhangende brievenbussen of verkeersborden. Obstakels die het trottoir blokkeren zijn een probleem voor rolstoelgebruikers e.a.

  2. Onbeheerde (elektrische) voertuigen zoals fietsen en steps
    Onbeheerde voertuigen kunnen de doorgang belemmeren, vooral op trottoirs. De laatste jaren zijn in de steden de rondslingerende elektrische steps een probleem.

  3. Laadpalen en -kabels voor elektrische wagens
    Nu steeds meer wagens elektrisch zijn, worden overal laadpalen geïnstalleerd. Dat wordt niet altijd doordacht gedaan. De laadpalen mogen geen hinderpalen worden. Als de kabels van de laadpaal naar de wagen de doorgang versperren, kunnen mensen struikelen, in het bijzonder de mensen met een visuele handicap.


4. ADVIES

A. Inzake de verkeersovertredingen door anderen die PMH in gevaar brengen

  1. Verkeersovertredingen die mensen in gevaar brengen zijn doorgaans nog gevaarlijker voor PMH.
    De NHRPH vraagt dat deze overtredingen ernstig worden genomen.
    ⇒ Sensibilisering van het publiek – en zeker van de overtreders – is nodig. Belangrijk is om vroeg te sensibiliseren, op school en zeker tijdens de rijopleiding voor het behalen van het rijbewijs.
    ⇒ Bestraffing is nodig, zeker bij recidive. In dit kader verwijst de NHRPH naar zijn advies 2023-04 over het rijbewijs met punten.
    ⇒ Overleg tussen de verschillende bestuursniveaus is nodig.

  2. De NHRPH vraagt in het bijzonder aandacht voor overtredingen inzake het ongeoorloofd parkeren op parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor PMH. De NHRPH verwijst hierbij ook naar zijn advies 2023-09.

B. Inzake de gevaarlijke situaties voor PMH

  1. De NHRPH bracht in 2021 een advies uit over de verkeersveiligheid. Daarin was er o.a. aandacht voor de zebrapaden in zone 30.
    De NHRPH vraagt om gevolg te geven aan het advies 2021-39 van de NHRPH over het verbeteren van de verkeersveiligheid.

  2. De NHRPH bracht in 2022 advies 2022-15 uit over de shared spaces.
    ⇒ De NHRPH vraagt om gevolg te geven aan advies 2022-15.

  3. Fietspaden en trottoirs zijn vaak smal, zeker wanneer ze bestemd zijn voor tweerichtingsverkeer. Veiligere en bredere fietspaden zijn nodig.
    ⇒ Overleg tussen de verschillende bestuursniveaus is nodig.

  4. Er is een tekort aan beschikbare geschikte parkeerplaatsen voor personen met een handicap.
    ⇒ De NHRPH verwijsthierbij naar zijn advies 2023-09.

  5. De signalisatie (verkeersborden, lijnen, …) is vaak niet duidelijk.
    ⇒ Hier is een taak weggelegd voor de instanties die bevoegd zijn voor de verschillende wegen. Overleg tussen de verschillende wegbeheerders is noodzakelijk voor harmonisering en uniformiteit.

  6. Elektrische wagens naderen bijna geruisloos en zijn daardoor een gevaar voor blinde en slechtziende personen.
    ⇒ De NHRPH vraagt een oplossing voor de stille elektrische wagens. Naar verluidt hebben elektrische wagens nu al een geluidsfunctie, maar weinigen kennen of gebruiken die.

C. Inzake de obstakels

  1. Vaste en losse obstakels op het trottoir en elders zijn een gevaar voor PMH en anderen.
    De NHRPH vraagt sensibilisering (vanaf de school en de rijopleiding), reglementering, controle en zo nodig bestraffing. 

  2. Onbeheerde (elektrische) voertuigen zoals fietsen en steps zijn een gevaar voor PMH en anderen.
    De NHRPH vraagt sensibilisering, reglementering, controle en zo nodig bestraffing.

  3. Laadpalen en -kabels voor elektrische wagens zijn een gevaar voor PMH en anderen. Bovendien zullen er in de toekomst alleen maar bijkomen.
    Er is dringend een heldere reglementering nodig over de plaatsing van laadpalen voor het opladen van elektrische wagens. De laadpalen moeten niet enkel toegankelijk zijn voor PMH; ze mogen ook geen gevaar/obstakel vormen voor PMH.

D. Inzake de aanpassingen voor PMH

Zonder exhaustief te willen zijn haalt de NHRPH een aantal goede praktijken aan die voor een grotere verkeersveiligheid voor PMH kunnen zorgen:

  • Rateltikkers bij verkeerslichten
  • Auto’s met sonoor signaal
  • Geleidelijnen
  • Drempelloze en obstakelloze trajecten
  • Goede zichtbaarheid garanderen
  • Goede registratie en opvolging van ongevallen met PMH
  • Sensibilisering van het publiek
  • Universal design en een inclusieve reglementering
  • Een beter overleg tussen de verschillende bestuursniveaus: het federale niveau, de deelgebieden en de gemeentes.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2023/11 - Patiëntenrechten

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2023/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de modernisering van de wet betreffende de rechten van de patiënt, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/04/2023.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Door de website van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te raadplegen, heeft de NHRPH kennis genomen van het feit dat de wet op de patiëntenrechten (WPR) ging worden gemoderniseerd en dat daartoe een raadpleging was georganiseerd. Iedereen die dat wenst, kan – via de Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. – aanbevelingen of opmerkingen formuleren tot en met 18 april 2023.

Op de website staat het volgende:

  1. een algemene toelichting
  2. een voorontwerp van de wijzigingen met een artikelsgewijze bespreking
  3. het ontwerp van gecoördineerde wet

3. ANALYSE

Hierna volgen de maatregelen die voor de NHRPH het belangrijkst lijken.

A. Wat is veranderd/toegevoegd?

  1. Definitie van de patiënt (artikel 2 van de WPR): de patiënt werd in de wet van 2002 als volgt gedefinieerd: “de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek”. Door deze voortaan actief te omschrijven als “de natuurlijke persoon die gezondheidszorg wenst te ontvangen of ontvangt”, ziet de Minister erop toe dat de patiënt niet enkel een persoon is die beslist al dan niet in te gaan op de voorstellen tot onderzoek of behandeling van de zorgverlener, maar daar een actieve rol in speelt.

  2. Kwaliteitsvolle zorg (artikel 5 van de WPR): doelgerichte zorg impliceert een verschuiving van ziekte- en probleemgerichte zorg naar zorg die vertrekt vanuit de doelen en waarden van de persoon met een zorg- en ondersteuningsnood.

  3. Voorafgaande zorgplanning (artikel 8/2 van de WPR): het uittekenen van de gezondheidsdoelen en wensen voor de eigen gezondheidszorg is een continu proces voor de patiënt. Het is essentieel dat een zorgverlener kennis heeft van deze doelen en voorkeuren opdat hij of zij kan handelen in het belang van de patiënt en kan rekening houden met deze doelen en voorkeuren. Maar evengoed geldt dit voor de vertegenwoordiger van de patiënt die een beslissing moet nemen voor de patiënt (artikel 14 van de WPR). Met een aparte bepaling wordt het recht op voorafgaande zorgplanning voortaan wettelijk ingeschreven in de wet.

  4. Recht op vrije keuze (artikel 6 van de WPR): om een weloverwogen keuze te kunnen maken van zorgverlener moet de patiënt weten wie de zorgverlener is. Het recht op de informatie die nodig is om deze keuze te maken, wordt toegevoegd aan het recht op vrije keuze van zorgverlener, meer bepaald wat betreft de beroepsbekwaamheid en -ervaring, de verzekeringsdekking inzake beroepsaansprakelijkheid en de vergunning- en registratiestatus van de zorgverlener. Indien een zorgverlener bijvoorbeeld ten gevolge van een medicatieverslaving een beperking kreeg opgelegd voor de uitoefening van zijn of haar beroep, heeft de patiënt het recht om te weten dat de zorgverlener niet ten volle zijn of haar beroep kan uitoefenen.

  5. Therapeutische exceptie (artikel 7 van de WPR). De discussies over dit onderwerp waren vaak ingegeven door het “alles of niets” aspect van deze therapeutische exceptie: ofwel deel je alle informatie, ofwel deel je geen informatie. Om dit te voorkomen, vult de Minister het concept van de therapeutische exceptie aan met de verplichting voor de zorgverlener om na te gaan of de informatie op een manier die rekening houdt met het nadeel, kan worden meegedeeld aan de patiënt. Bijvoorbeeld door de informatie gefaseerd mee te delen aan de patiënt.

  6. Recht op informatie over de gezondheidstoestand (artikel 7 van de WPR): opdat een patiënt goed kan inschatten hoe het precies gesteld is met zijn of haar gezondheidstoestand, moet de informatie verstrekt worden op een manier die aangepast is aan wat de patiënt begrijpt. Het is bovendien belangrijk dat de patiënt de nodige tijd krijgt om de informatie over zijn of haar gezondheidstoestand te verwerken. Het recht op informatie wordt daaraan aangepast. Bovendien zal de patiënt complexe informatie steeds schriftelijk krijgen, zodat hij of zij deze informatie nogmaals kan herlezen. Enkel indien dit niet nodig blijkt, bijvoorbeeld omdat de patiënt zelf specialist is in de materie, moet dit niet.

  7. Recht op geïnformeerde toestemming (artikel 8, 8/1, 8/2 en 8/3 van de WPR): zelf kunnen beslissen welk onderzoek en welke behandeling je nu wel of niet wilt – het zogenaamde zelfbeschikkingsrecht – is een belangrijke hoeksteen van onze gezondheidszorg. De Minister wil het belang van dit recht nog meer benadrukken en heeft het oorspronkelijke artikel opgedeeld in 4 artikels, elk met een eigen onderwerp:

      1. het recht op geïnformeerde toestemming;
      2. het recht op een geïnformeerde weigering;
      3. het recht op een voorafgaande wilsuiting;
      4. de veronderstelde toestemming in geval van spoedhulp.

     

  8. Vertrouwenspersoon (artikel 11/1 van de WPR): een patiënt staat er meestal niet alleen voor. Hij of zij wordt omringd door familieleden, vrienden, ervaringsdeskundigen die hem mee ondersteunen en begeleiden in de gezondheidszorg die hij of zij ontvangt.  Dit zijn de zogenaamde vertrouwenspersonen van de patiënt. Het is belangrijk dat deze vertrouwenspersonen een centrale plaats krijgen in de hele wet betreffende de rechten van patiënten. Daarom wordt er een algemeen recht van de patiënt om zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon ingeschreven in de wet.

  9. Aanduiden van een vertrouwenspersoon / vertegenwoordiger (artikel 11/1 en 14 van de WPR): het aanduiden van een vertrouwenspersoon of een vertegenwoordiger moet op een toegankelijke manier kunnen gebeuren. Het invullen van papieren formulieren die vervolgens bij de verkeerde personen terecht komen, dient voorkomen te worden. Daarom wordt een mogelijkheid ingeschreven om via een centraal patiëntenportaal deze aanduiding te doen. Dit zorgt enerzijds ervoor dat de patiënt wanneer hij of zij dit wil, dit kan uitvoeren of aanpassen, anderzijds zorgt een centrale online aanduiding ervoor dat elke zorgverlener die er kennis van moet nemen, effectief kan te weten komen of een patiënt een vertrouwenspersoon en/of een vertegenwoordiger heeft aangeduid.

  10. Vertegenwoordiger (artikel 14 van de WPR): een vertegenwoordiger is een persoon die optreedt als een patiënt niet (meer) in staat is om zelf zijn of haar rechten als patiënt uit te oefenen. Zoals reeds gesteld, wordt ingezet op een systeem dat toelaat op een toegankelijke en flexibele manier een vertegenwoordiger online aan te duiden. De zorgverlener speelt daarbij een faciliterende rol. Maar, de rol van de vertegenwoordiger mag niet zwart/wit zijn. Ook al wordt een patiënt niet (meer) in staat geacht om zelf zijn of haar rechten als patiënt uit te oefenen, dan nog is het cruciaal dat de vertegenwoordiger die deze bevoegdheid overneemt, dit samen met de patiënt doet. Dit principe wordt in de wet patiëntenrechten verankerd. Om dit nog te versterken zal de vertegenwoordiger bovendien steeds moeten beslissen op basis van de voorkeuren en de gezondheidsdoelen die de patiënt heeft bepaald.

B. Wat niet verandert

  • Specifieke bescherming. De wet betreffende de rechten van patiënten heeft betrekking op “de patiënt”. Uiteraard bestaat “de doorsnee patiënt” niet. De ene patiënt zal omwille van zijn of haar kwetsbaarheid - bijvoorbeeld ten gevolge van zijn of haar leeftijd of zijn of haar mentale gezondheid - meer bescherming nodig hebben dan de andere. De wet laat toe dat in een uitvoeringsbesluit een bijkomende bescherming wordt uitgewerkt voor specifieke patiënten(groepen), zoals patiënten in de geestelijke gezondheidszorg of minderjarige patiënten. De Minister behoudt deze mogelijkheid in het ontwerpbesluit en moedigt het beleid aan hier op korte termijn werk van te maken, zodat deze kwetsbare patiëntengroep op een meer genuanceerde, specifieke wijze kan worden beschermd.

4. ADVIES

A. Wat betreft de raadpleging van de NHRPH:

De NHRPH betreurt dat hij niet rechtstreeks door de Minister werd geraadpleegd over het ontwerp van modernisering. De NHRPH heeft via de pers vernomen dat een volksraadpleging werd georganiseerd. Overigens kan iedereen zijn mening geven over het ontwerp van modernisering. De NHRPH is absoluut niet tegen dit idee. De NHRPH herinnert evenwel aan het specifieke karakter van zijn syntheserol vanuit het oogpunt van personen met een handicap.

Daarnaast verwijst de NHRPH naar zijn positienota “Een zorg- en begeleidingskader op maat van patiënten met een handicap en chronisch zieken”.

⇒ Concrete wens: de NHRPH hoopt dat ten volle rekening zal worden gehouden met dit advies.

B. Wat betreft het recht op informatie (punt 3.A.vi)

Het ontwerp van modernisering bepaalt dat de informatie moet worden verstrekt op een manier die is aangepast aan wat de patiënt begrijpt. Dit principe is terug te vinden in artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) (toegankelijkheid in de ruime zin van het woord).

De NHRPH herinnert eraan dat alle informatie in duidelijke taal moet worden verstrekt en moet zijn aangepast aan alle personen naargelang hun behoeften, ongeacht hun handicap of ziekte. Deze toegang tot informatie moet ook worden vergemakkelijkt voor alle patiënten, ongeacht hun handicap of ziekte.

Concrete wens: het is noodzakelijk vertalingen in gebarentaal te voorzien en te financieren, evenals een woordenschat - die vaak technisch van aard is - in nauwkeurige en precieze bewoordingen en ideeën die gemakkelijk te begrijpen zijn.
Concrete wens: in alle opleidingstrajecten (opleiding of bijscholing) moeten modules over “de eigenschappen van goede communicatie” verplicht worden gesteld. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan personen met een verstandelijke handicap. De NHRPH dringt ook aan op de noodzaak van informatie tijdens het hele therapeutische traject. Immers, voor een persoon met een handicap of een chronische ziekte evolueren en variëren de gevolgen in de tijd en naargelang de omstandigheden. De patiënt moet kunnen rekenen op duurzame informatie in het kader van preventie, maar ook van behandeling en algemeen comfort.
Concrete wens: de begeleiding van de patiënt (aankondiging van de diagnose, behandeling, opvolging, …) vergt tijd. Momenteel geldt op sommige ziekenhuisafdelingen en bij veel artsen in de eerste plaats de rentabiliteit (vaak gemeten aan de hand van het aantal raadplegingen per uur). Raadplegingen kunnen evenwel langer dan gemiddeld duren voor personen met een handicap. Om een kwaliteitsvolle raadpleging te waarborgen, moet de tijd die de zorgverlener aan de raadpleging besteedt, financieel erkend worden. Daarom moet een specifieke nomenclatuur voor medische zorgverleners die hun tijd nemen worden vastgesteld.

Verder vraagt de NHRPH zich af hoe de arts zich ervan kan vergewissen dat de patiënt de informatie werkelijk heeft begrepen.

C. Wat betreft de aanduiding van een vertrouwenspersoon (punt 3.A.ix)

Het ontwerp van modernisering bepaalt dat het mogelijk moet zijn om op een toegankelijke manier een vertrouwenspersoon of een vertegenwoordiger aan te duiden. Het ontwerp voorziet ook in de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon aan te duiden via een centraal patiëntenportaal.

⇒ Concrete wens: wat de vertrouwenspersoon betreft, dringt de NHRPH erop aan dat deze persoon niet steeds dezelfde moet zijn. De keuze van de vertrouwenspersoon door de patiënt kan immers afhangen van de arts, de beschikbaarheid van naasten, enz. Het moet dus mogelijk zijn om via het centrale portaal meerdere vertrouwenspersonen aan te duiden.

D. Wat betreft de vertegenwoordiger (punt 3.A.x)

De NHRPH verheugt zich over het feit dat in de wet zal worden bepaald dat ook wanneer een patiënt niet (meer) in staat wordt geacht zijn rechten als patiënt uit te oefenen, het van cruciaal belang is dat de vertegenwoordiger die deze bevoegdheid voor hem opneemt, dit samen met de patiënt doet.

Artikel 12 van de UNCRPD herinnert immers aan het volgende:

  1. De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat personen met een handicap overal als persoon erkend worden voor de wet.
  2. De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven rechtsbekwaam zijn.
  3. De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun rechtsbekwaamheid.

Deze principes zijn ook van toepassing op de gezondheidssector.

De NHRPH dringt erop aan dat de – vertegenwoordigde of gewoon begeleide – patiënt centraal blijft staan in de zorg- en begeleidingsrelatie (luisteren, begeleiden, …).

E. Wat betreft de specifieke bescherming (punt 3.B.)

De wet staat toe dat in een uitvoeringsbesluit extra bescherming wordt uitgewerkt voor specifieke patiënten(groepen), zoals patiënten in de geestelijke gezondheidszorg of minderjarige patiënten.

⇒ Concrete wens: de NHRPH dringt erop aan tijdig te worden geraadpleegd over het ontwerp van uitvoeringsbesluit, bij voorkeur voordat het wordt opgesteld. Dit overeenkomstig artikel 4 (3) van de UNCRPD, dat bepaalt dat personen met een handicap moeten worden geraadpleegd bij de ontwikkeling van het beleid en niet pas nadat het beleid werd goedgekeurd.

  • Raadplegingen: 5

Advies 2023/03 - Interfederale Strategie Handicap 2022-2030

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2023/03 van het Platform van adviesraden voor personen met een handicap over de Interfederale Strategie Handicap (2022-2030).

Voor de NHRPH, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20 maart 2023.

Advies op vraag van mevrouw Karine Lalieux, minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Gehandicapten, Armoedebestrijding en Beliris in naam van de IMC Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap op 2 december 2022.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan:
    • Mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
    • De heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
    • Mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit
    • Mevrouw Hilde Crevits, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
    • De heer Bart Somers, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen
    • Mevrouw Christie Morreale, Viceminister-president van de Waalse Regering en Minister van Werk, Sociale Zaken, Gezondheid en Gelijke Kansen
    • De heer Frédéric Daerden, Viceminister-president van de Franse Gemeenschap en Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Gelijke Kansen
    • De heer Antonios Antoniadis, Viceminister-president van de Duitstalige Gemeenschap en Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, Ruimtelijke Ordening en Huisvesting
    • De heer Rudi Vervoort, Minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling en Stadsvernieuwing, Toerisme, de Promotie van het Imago van Brussel en Biculturele Zaken van gewestelijk belang
    • De heer Alain Maron, Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Klimaattransitie, Leefmilieu, Energie en Participatieve democratie
    • Mevrouw Nawal Ben Hamou, Staatssecretaris van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Huisvesting en Gelijke Kansen.
  • Ter informatie aan:
    • Unia
    • het UNCRPD-coördinatiemechanisme
    • de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

Naar aanleiding van de internationale dag van personen met een handicap werd op 2 december 2022 de eerste versie van de Interfederale Strategie 2021-2030 voor personen met een handicap opgesteld door de bevoegde ministers en staatssecretarissen van de federale en regionale regeringen.

De Interfederale Strategie moet zorgen voor samenhang tussen de actieplannen en strategieën op alle niveaus en dient bij te dragen aan de uitvoer van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) en de EU-Strategie voor de rechten van personen met een handicap.

Op 2 december 2022 werd het Platform voor de adviesraden voor personen met een handicap om advies gevraagd over deze strategie. De volgende adviesraden hebben effectief meegewerkt :

  • Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH);
  • NOOZO – Vlaamse adviesraad handicap, incl. consultatie van het Platform Handicap en Arbeid;
  • Brusselse Franstalige Adviesraad voor Hulp aan personen en Gezondheid - afdeling Personen met een handicap (Franse Gemeenschapscommissie – COCOF);
  • Waals Agentschap voor Gezondheid, Sociale bescherming, Handicap en Gezinnen – afdeling handicap (AVIQ);
  • Waalse Adviesraad voor Personen met een Handicap (CCWPSH);
  • Brusselse Adviesraad voor Personen met een Handicap (CPH).

3. ANALYSE

De Interfederale Strategie is aangenomen als opvolging van een van de aanbevelingen van het UNCRPD-Comité van 2014 (§6). Het doel is een geïntegreerde aanpak van problemen gerelateerd aan de handicapsector op basis van de principes van het UNCRPD.

De geïntegreerde aanpak omvat de actieplannen op het niveau van de federale overheid, de deelstatelijke overheden en ook de Europese handicapstrategie 2021-2030.

De strategie is opgebouwd op basis van de UNCRPD-artikelen en de Belgische bevoegdheidsverdeling. Zo lijken de artikelen die voornamelijk onder één bevoegdheid vallen niet te zijn besproken. De besproken thema’s zijn de volgende:

  • “niets over ons zonder ons” (art. 1-4),
  • gelijkheid (art. 5),
  • vrouwen en kinderen met een handicap (art. 6-7),
  • toegankelijkheid (art. 9),
  • noodsituaties (art. 11),
  • bescherming tegen uitbuiting, geweld en misbruik (art. 16),
  • autonomie, vrijheid, veiligheid en persoonlijke integriteit (art. 19, 22-23),
  • mobiliteit (art. 20),
  • onderwijs (art. 24),
  • gezondheid (art. 10, 25),
  • werk en werkgelegenheid (art. 27),
  • behoorlijke levensstandaard (art. 28),
  • participatie, bewustwording en toegang tot informatie (art. 8, 21, 29),
  • deelname aan het culturele leven, vrijetijdsbesteding en sport (art. 30),
  • statistieken en verzameling van gegevens (art. 31),
  • internationale samenwerking en nationale tenuitvoerlegging (art. 32-33).

Vervolgens wordt per thema de link gelegd tussen de actiepunten opgenomen in de actieplannen op het niveau van de federale overheid, de deelstaten en de EU en wordt er een korte en vrij algemene werkprogramma van de IMC zelf opgesteld.


4. ADVIES

A. Verankering Interfederale Strategie

Het Platform van adviesraden is verheugd dat er getracht wordt om te werken aan een transversale aanpak van handicap, niet enkel op vlak van verschillende beleidsdomeinen, maar ook op vlak van de verschillende bevoegdheidsniveaus. Dat is minstens even belangrijk, aangezien het gebrek aan beleidscoördinatie tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus lacunes en grijze zones doet ontstaan waar niemand verantwoording voor aflegt. Dit beleidsinitiatief getuigt van een grondige aanpak van ‘handistreaming’ en ook van de toewijding om de internationale verbintenissen onder het UNCRPD progressief en te goeder trouw te vervullen, zoals vereist onder art. 26 Weens Verdragenverdrag.

In 2019 vroeg het UNCRPD-Comité om een nauwere samenwerking tussen de deelentiteiten en de federale overheid. Om tegemoet te komen aan deze vraag en om als internationale speler te voldoen aan de verplichtingen, moet de Strategie een verplichting vormen voor de toekomstige regeringen.

De Interfederale Strategie moet, liefst deze legislatuur nog, juridisch verankerd worden voor de toekomstige regeringen, al dan niet in soft lawin de vorm van een politiek akkoord (protocol, samenwerkingsovereenkomst, …).

B. Ondervonden hindernissen

De coördinatie van een gemeenschappelijk advies was uitdagend wegens een aantal praktische hindernissen:

  • Niet alle deelstaten konden vertegenwoordigd zijn.
    Het decreet rond de oprichting van de adviesraad van de Duitstalige Gemeenschaptrad pas op 3 januari 2023 in werking, maar de adviesraad moet nog worden geïnstalleerd.
    Verder is de benoemingsprocedure van de adviesraad van de Franse Gemeenschap ook nog niet van start gegaan.
  • Daarenboven, was de Interfederale Strategie op het moment van de aanvraag van het advies nog niet in het Duits vertaald. Nochtans stelt art. 39 §2 Taalwet Bestuurszaken duidelijk dat de betrekkingen met deelstatelijke diensten in de respectievelijke taal dient te gebeuren.

  • De Waalse adviesraad voor personen met een handicap heeft zijn allereerste vergadering pas 15 maart 2023 gehad, wat voor een krappe deadline zorgde bij zijn standpuntbepaling.

  • Het Platform van adviesraden is slechts een informele instantie bedoeld voor uitwisseling van ideeën. Aangezien er geen wettelijke basis is voor het Platform, zijn er ook geen operationele middelen voorzien om een dergelijk grote coördinatie efficiënt te kunnen uitvoeren. Het is evenwel gebleken dat een dergelijk platform noodzakelijk is, omdat de opeenvolgende staatshervormingen juridische lacunes hebben gecreëerd met ongewenste gevolgen voor het beleid. Het feit dat er nu een adviesaanvraag gericht is aan het Platform is een teken van erkenning en politieke validatie van deze noodzaak aan coördinatie.

Om meer regelmatigheid en structuur te hebben, is er nood aan ondersteuning voor de NHRPH die momenteel de vergaderingen van het Platform van adviesraden voorbereidt en zorgt voor de notulen en interpellaties.

C. Inhoud Strategie – Reikwijdte advies

Een andere struikelblok voor coördinatie van de adviezen vormde het feit dat de Interfederale Strategie niet duidelijk aangeeft welke beleidslijnen een interfederale uitdaging vormen.

De Strategie momenteel lijkt te veel op een nevenschikking van acties, want de werkpunten van de IMC zijn vaak vaag en algemeen. Er worden geen onderlinge koppelingen gelegd tussen de actieplannen van de verschillende overheden. Het is ook niet duidelijk hoe de coördinatie zal gebeuren. Waar zal de coördinatie toe dienen? Uniformisering? Bevordering van samenhang? Complementariteit? Welke middelen worden ter beschikking van de IMC gesteld?
Het Platform van adviesraden betreurt dat deze denkoefening binnen de IMC niet grondig genoeg is gebeurd.
Het institutionele landschap van België mag immers geen obstakel vormen voor de levens- en zorgkwaliteit van personen met een handicap. De maatregelen op verschillende niveaus moeten elkaar aanvullen en op elkaar voortbouwen en om dit te verwezenlijken is er behoefte aan efficiënte coördinatie.

Dat betekent dat de interfederale, langetermijnvisie over hoe de ‘samenleving eruit zou moeten zien tegen 2030’ momenteel ontbreekt.

⇒ Daarom moeten eerst de interfederale knelpunten geïdentificeerd worden om te beantwoorden aan de uitdagingen en verwachtingen van het handicapmiddenveld.

⇒ Vervolgens moet er structurele coördinatie opgezet worden die rekening houdt met:

    • Gezamenlijke deadlines voor de nodige wetgevende initiatieven voor een planning van maatregelen en prioriteiten op (middel)lange termijn;
    • Objectieve voortgangsindicatoren en evaluatie ervan om evolutie en doeltreffendheid van de maatregelen te beoordelen;
    • Budgettaire raming van de maatregelen;
    • In lijn met 4 (3) UNCRPD dienen het Platform van adviesraden - of bepaalde concrete werkgroepen - regelmatig betrokken te worden bij de structurele coördinatie tussen de federale overheid en de deelstaten. Niet enkel in de werkgroepen, maar ook bij de plenaire vergaderingen van de IMC en de voorbereidende interkabinettenwerkgroepen.

Inzake de inhoud van de Strategie moet nog worden vermeld dat het jammer is dat er onder bepaalde UNCRPD-artikels heel weinig deelstatelijke acties opgesomd staan voor Wallonië, Brussel en de Duitstalige gemeenschap.

Uit het voorgaande volgt dat het niet mogelijk was om per artikel van het UNCRPD interfederale beleidslijnen te identificeren. Bijgevolg somt het Platform van adviesraden de belangrijkste aandachtspunten op in het advies, zonder exhaustief te zijn. Het niet bespreken van sommige punten is dus een gevolg van tijdstekort om een standpunt te coördineren en mag zeker niet aanzien worden als stilzwijgend toestemmen.

D. Gemeenschappelijk advies

i. Algemene overwegingen:

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR: de link tussen opleiding en tewerkstelling ontbreekt op de agenda van de IMC:
      Op pagina 2 worden zes prioriteiten van de IMC opgesomd. Daar ontbreekt de aanpak van de link tussen opleiding en tewerkstelling. Ook deze kwestie moet HOOGDRINGEND op de agenda van de IMC worden geplaatst (IMC Handicap en/of IMC tewerkstelling en opleiding). Te veel jongvolwassenen met een handicap verlaten het onderwijs zonder een gekwalificeerde opleiding: hun kansen op de algemene arbeidsmarkt zijn vaak beperkt.

      Een concreet voorbeeld van een interfederaal knelpunt: verschillen in het systeem voor studiebekrachtiging en impact op inschakelingsuitkering. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen in het gewoon onderwijs moeten langer wachten op de uitkering dan zij die een traject volgen in het buitengewoon onderwijs.

    • PRIORITAIR: de-instutionalisering:
      moet op de werkagenda van de IMC komen. Er is een reorganisatie van het aanbod van zorg en ondersteuning nodig om de personen een reële keuze van levensstijl en keuze van leefomgeving te geven. DIT IS OOK EEN DRINGENDE PRIORITEIT.

    • PRIORITAIR: focus op intermodaliteit in de IMC en de verplichting om assistentie te verzekeren aan alle reizigers met een handicap.

  • Prioriteiten:

    • Deelname van het maatschappelijk middenveld aan de werkgroepen:
      Op pagina 4 wordt de deelname van het maatschappelijk middenveld aan de werkgroepen van de IMC benadrukt. Het Platform van adviesraden wil onderlijnen dat de adviesraden ook moeten kunnen deelnemen aan de plenaire vergaderingen van de IMC en aan de voorbereidende interkabinettenwerkgroepen. Zo kan de betrokkenheid van het middenveld tijdig verzekerd worden bij de ontwikkeling van het beleid, zoals vereist is onder 4 (3) UNCRPD. Het dient dus te gaan om actieve betrokkenheid, en niet louter om een observatorsrol.

      Daarnaast wil het Platform een oproep doen aan de betrokken ministers om gecoördineerd te werk te gaan bij het uitnodiging van hun respectieve adviesraad ‘handicap’. De adviesraden hopen zo snel mogelijk uitgenodigd te worden.

ii. Art. 1-4 UNCRPD:

  • Prioriteiten:

    • Inzake de uniformisering van de definitie van handicap: dat is een hoogdringende prioriteit. Een verschil in definitie mag niet uitmonden in een ongelijke toegang tot rechten en diensten tussen de deelstaten en de federale overheid. Dat is tevens een van de eisen van het UNCRPD-Comité in 2019: “Ensure that concepts of disability at the federal, regional and community levels are consistent and do not give rise to unequal access to rights and services across the State party.”

      Het Platform dringt aan op de erkenning van de definitie van handicap die voortvloeit uit het UNCRPD. Handicap moet multidisciplinair benaderd worden, rekening houdend met diverse drempels (art. 1 UNCRPD) die ondervonden kunnen worden en die verschillend kunnen zijn voor verschillende handicaps. Ook het UNCRPD-Comité heeft benadrukt dat er een mensenrechtenmodel gevolgd moet worden.

Het Platform van adviesraden benadrukt dat zowel art. 1 UNCRPD als de interpretatie ervan door het als de interpretatie ervan door het als de interpretatie ervan door het Hof van Justitie van de EU de langdurigheid van de beperking onderstrepen. De definitie mag niet worden uitgehold door een te brede interpretatie, waarbij personen met een aandoening van beperkte duur ook als personen met een handicap worden beschouwd.

    • In lijn met 4 (1)(i) UNCRPD is er ook nood aan opleidingen en bewustmakingscampagnes voor professionelen die in aanraking komen met personen met een handicap.

  • Aandachtspunten:

    • Het is belangrijk om ‘uniforme’ definitie van de handicap niet te verwarren met ‘standaard’ evaluatie van de handicap.

      Inzake de uniforme definitie van handicap
      :
      Het Platform vindt eenvormigheid een noodzakelijke stap om de kwaliteit en de continuïteit van zorg en ondersteuning te optimaliseren. Eenvormigheid zorgt ook voor meer "rechtszekerheid" en kan leiden tot een vermindering van screeningsinstrumenten en tot een eventuele (gedeeltelijke) overname van de beoordeling door een andere administratie.

      Inzake de standaardisatie van evaluatie van handicap:

Bij evaluatie is de redenering niet dezelfde en zijn er bedenkingen waarmee rekening moet worden gehouden. Het Platform is van mening dat bij de beoordeling van de handicap altijd rekening moet worden gehouden met de finaliteit (doel) van de uitkering.
Het in aanmerking komen voor een bepaalde tegemoetkoming heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat men ook kwalificeert voor een andere. De finaliteit van de tegemoetkomingen vraagt bijgevolg om verschillende evaluatie-instrumenten om de correcte beoordeling te kunnen maken in het licht van de nagestreefde doelstellingen.

Bovendien moet bij de beoordeling ook rekening worden gehouden met handicapdiversiteit en dus de verschillende drempels die een persoon kan ondervinden (art. 1 UNCRPD). Onzichtbare handicaps, doofblinden, zeldzame aandoeningen mogen niet over het hoofd gezien worden.

Ten slotte moet aan elk evaluatie-instrument een volledige en bruikbare databank zijn gekoppeld, en deze databanken moeten verbonden zijn. Gegevensuitwisseling is cruciaal om automatische identificatie van rechthebbenden mogelijk te maken. Daarnaast zal gegevensuitwisseling de toegang van burgers tot hun rechten verbeteren en de ‘non take-up’ helpen bestrijden. Dit zal ook de administratieve last verminderen en de systemen begrijpelijker maken voor de burgers.

In het verlengde van het laatste punt rond de automatisering van rechten: het systeem van automatisering staat of valt met het bezit van actuele en kwalitatieve gegevens, bv. rond het roerend en onroerend vermogen van burgers. Verder kan de automatisering enkel efficiënt zijn indien deze administratief vereenvoudigd wordt op vlak van datakoppeling en uitwisseling van gegevens.

Ook bij de automatisering moet er rekening gehouden worden met de verschillende finaliteit van de diverse tegemoetkomingen.

Er moeten voldoende middelen vrijgemaakt worden voor de effectieve rechtentoekenning.

Er moeten instrumenten opgezet worden voor de monitoring van non-take up, zowel qua omvang als het profiel van personen die hun rechten niet opnemen.

Er moet een mogelijkheid blijven bestaan om zelf een dossier op te starten en een mogelijkheid op een individuele beoordeling. Dat ligt in lijn met de vereiste onder 22 (1) GDPR.

    • Inzake BELRAI als standaardmethode:
      Het Platform van adviesraden wijst op de inherente beperkingen van BELRAI die enkel de zorglast meet en niet het verlies aan zelfredzaamheid. De finaliteit (het meten van zorgnoden) verschilt dus van de doelstelling van rechtentoekenning inzake het verlies aan zelfredzaamheid. Daarom verzoekt het Platform uitdrukkelijk om de BELRAI niet als te gebruiken bij de standaardisering van de beoordeling van handicaps.

      Te veel personen met een handicap lopen het risico om via BELRAI uit de boot te vallen. Het kan nooit de bedoeling zijn om rechten kwijt te raken na een nadelige BELRAI-evaluatie, want dat zou ingaan tegen het standstill-beginsel van art. 23 GW.

    • Erkenningsprocedure:
      Het is belangrijk om de erkenningsprocedure, inclusief diagnostisch onderzoek, vlot en snel te laten verlopen, aangezien de zorgnoden gedurende het erkenningsproces niet gedekt worden door tegemoetkomingen en/of ondersteuning.
      Gezien de lange wachtlijsten bij diagnostische centra, kunnen meer begoede gezinnen zich tot privé-diagnostiek wenden, maar dat is zeker niet mogelijk voor iedereen…

iii. Art. 5 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Focus op interregionale mobiliteit en toegang tot hulpmiddelen:
      Bijvoorbeeld: iemand die woont in Brussel en werkt/studeert in Vlaanderen.
      Indien deze ingeschreven is bij het VAPH, weigert het Brussels gewest hulpmiddelen op de woonplaats te verlenen en kan deze enkel toegang tot hulpmiddelen op de werk- of studieplaats krijgen via het VAPH.
      Indien deze ingeschreven is bij de Phare, heeft de persoon toegang tot hulpmiddelen thuis, maar niet tot deze op de werk- of studieplaats in Vlaanderen.

      Het is nodig dit probleem interfederaal te bekijken zowel wat betreft hulpmiddelen op de studieplaats als op het werk.

  • Prioriteiten: 
    • Discriminatie 65-plussers:
      Het werkprogramma van IMC moet absoluut de discriminatie van 65-plussers bij de toegang tot hulpmiddelen aanpakken.
      Er is ondertussen ook een arrest van het Grondwettelijk Hof (arrest 29/2022) dat duidelijk maakt dat hetgeen ertoe doet de nood aan hulpmiddelen ten gevolge van de handicap is. Gezien art. 26, § 2, 2° Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof en het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, moet deze discriminatie dringend aangepakt worden.

    • Er moeten actieplannen opgesteld worden die discriminatie en stigmatisering bestrijden op verschillende domeinen: tewerkstelling, huisvesting (instellingen, zelfstandig wonen), discriminatie van ouders van kinderen met een handicap, van personen met een handicap in armoede, van gezinnen waarvan meerdere gezinsleden een handicap of chronische ziekte hebben, …

    • Er is nood aan bewustmakingscampagnes tegen ableïsme/validisme.

    • Ouders van kinderen met een handicap mogen geen nadeel ondervinden op vlak van sociale zekerheid. Dat is tevens één van de eisen van het UNCRPD-Comité: “Provide support for parents of children with disabilities, (…), who often leave their jobs to care for their children.”
      Bijvoorbeeld: een ouder die genoodzaakt is te stoppen met werken om zorg te dragen voor zijn/haar kind, moet op het netwerk van de sociale zekerheid kunnen terugvallen.
      Zie voor meer voorbeelden: Positienota Mantelzorg van de NHRPH.

iv. Art. 6-7 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR: de-institutionalisering van kinderen:
      Dit moet niet louter een doelstelling van de IMC zijn, maar ook effectief op het werkprogramma komen. Hier gaat het immers niet enkel om het recht op autonoom leven, maar ook om het recht om in een gezin op te groeien zoals vastgesteld in art. 9 IVRK.

Kinderen met een handicap onafhankelijker maken in hun levenskeuzes is heel belangrijk. Er wordt verwacht dat zij op gelijke voet in de samenleving kunnen leven. Daarom moeten inspanningen worden geleverd om hen zelfstandigheid aan te leren en hen te ondersteunen bij het bereiken daarvan. En dit van zo jongs mogelijke leeftijd. Ook het UNCRPD-Comité haalde reeds in 2019 aan dat er nood is aan toegang tot vroege interventies en inclusieve diensten: “(…) respect for the right of children with disabilities to family life, including (…) access to early intervention and other inclusive services.
Inclusief betekent dat de maatregelen aangepast zijn aan de behoeften van de kinderen om deze in staat te stellen bij hun familie te blijven, naar school te gaan, vrijetijdsactiviteiten te hebben etc. In dat verband wijst het Platform van adviesraden ook op de plicht onder art. 6 (2) IVRK om maximaal in te zetten op de ontwikkeling van het kind.

    • Alomvattend statuut voor de mantelzorgers verzekeren.
      Dit moet ook aangepakt worden door de IMC. Ondersteuning van mantelzorgers hoort bij de steun van personen met een handicap, zeker gezien de lange wachtlijsten voor het persoonsvolgend budget. De overheid vervult haar ondersteuningsplicht niet door deze louter af te schuiven op de mantelzorgers. Mantelzorgers moeten deftig ondersteund worden: betere financiële vergoedingen, meer zorgverlof, optie om terug te vallen op de sociale zekerheid. Zie positienota NHRPH.

  • Prioriteiten:

    • Vrouwen met een handicap staan dan wel op het werkprogramma van de IMC, maar het agendapunt is onvoldoende concreet uitgewerkt.

      Er zijn meerdere kwesties die dringend aangepakt dienen te worden: gedwongen sterilisatie, gynaecologisch geweld, situatie van vrouwen met een handicap in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.

v. Art. 9 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Informatie en communicatie: er wordt in de doelstellingen gesproken over toegankelijkheid van gebouwen, producten, diensten en digitale inhoud, maar daar moet systematisch ook informatie en communicatie aan toegevoegd worden.
      Zo is het belangrijk te onderstrepen dat gebarentaal erkend is als taal door de 3 Gemeenschappen!

    • Belgische Bureau voor Normalisatie – Inter en CAWaB:
      Binnen de NBN is er geen expert op vlak van toegankelijkheid. Daarbij is noch de NHRPH, noch het BDF ooit bevraagd geweest in het kader van de normalisatiewerkzaamheden rond de EAA. Nochtans moet in lijn met het UNCRPD de deelname van personen met een handicap aan het normalisatieproces met alle beschikbare middelen worden bevorderd. Dit staat ook in de EU-Standaardisatieverordening.
      Bijgevolg wil het Platform van adviesraden Inter en CAWaB betrokken zien bij de werkzaamheden van het NBN. Toegankelijkheid moet uiteindelijk een criterium worden om toegang te mogen krijgen tot de markt, zoals veiligheid er ook een is.

  • Prioriteiten:

    • De doelstelling ‘bewustmaking rond belang toegankelijkheid’ volstaat niet. Er is nood aan meetbare doelstellingen. Neem voorbeeld aan de Europese Commissie die zich heeft voorgenomen om haar eigen gebouwen tegen 2030 volledig conform EU-toegankelijkheidsnormen te maken, met een concrete deadline.

    • Uniformisering van de toegankelijkheidsnormen:
      Er is nood aan afstemming en effectieve handhaving van toegankelijkheidsnormen.

Voor die afstemming kan gedacht worden aan samenwerkingen tussen Inter, CAWaB en de verschillende overheden. Toegankelijkheid moet immers een criterium worden met een even hoge prioriteit als duurzaamheid of veiligheid.

Momenteel wordt er sterk ingezet op de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen. Bij al deze verbouwingen zouden ook de toegankelijkheidsbarrières moeten worden weggewerkt (op een gecoördineerde manier). Dat is tevens een aanbeveling van de Europese Commissie. In dat verband is er in Vlaanderen bijvoorbeeld reeds een akkoord over de krijtlijnen rond de aanpassing van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 om de toegankelijkheid van een groot aantal nieuwbouwwerken en renovaties van publiek toegankelijke gebouwen verplicht te stellen. Een ander voorbeeld dat op een gecoördineerde manier in andere regio’s zou moeten worden overgenomen is bv. de opname van ‘integrale toegankelijkheid’ als duurzaamheidscriterium in door regio’s gesubsidieerde projecten, naar voorbeeld van het VIPA in Vlaanderen.

De belangrijke infrastructuur die aangepakt moet worden omvat ten minste de overheidsgebouwen, private nutsbedrijven en ziekenhuizen. In verband met de ziekenhuizen is er coördinatie vereist niet enkel inzake infrastructuur, maar ook inzake: financiering van personeel, het scheppen van duidelijkheid rond de vergoeding van gebarentolken in ziekenhuizen, kwaliteitsvolle opvang van personen met een handicap tijdens een consultatie EN bij een hospitalisatie, ondersteunende diensten in ziekenhuizen. De toegang tot zorg hangt ook af van de bereikbaarheid van kleinere gezondheidscentra en apotheken.

Wat betreft handhaving, het UNCRPD-Comité stelt duidelijk: “Impose sanctions, including financial sanctions, for non-compliance with accessibility standards.”

    • Deskundigheid rond toegankelijkheid:
      Als doelstelling staat vermeld dat er gewerkt zal worden aan een expertisecentrum toegankelijkheid. het Platform van adviesraden vraagt zich af of er nood is aan een dergelijk centrum, aangezien er reeds deskundigheid beschikbaar is bij Inter en CAWaB. Deze instanties moeten erkend en gefinancierd

      De adviezen van Inter en CAWaB (via 6 erkende leden van de dienst toegankelijkheid in Wallonië en Brussel) zouden dan ook dwingend van aard moeten zijn, zodat afwijkingen gemotiveerd dienen te worden.

      Daarnaast kan er gedacht worden aan de uitrol van accreditaties en opleidingen voor ervaringsdeskundigen en hun eventuele betrokkenheid bij beleidskwesties en/of bij de expertisecentra Inter en CAWaB. Zo zouden zij betrokken kunnen worden bij de beoordeling van de toegankelijkheid van overheidswebsites en -applicaties, toegankelijkheid van andere infrastructuur zoals gebouwen, wegen, … Ook bij ontwikkeling van opleidingen rond toegankelijkheid zouden ervaringsdeskundigen betrokken kunnen worden.
      Het Platform van adviesraden benadrukt wel dat ook de ervaringsdeskundigen voldoende ‘technische deskundigheid’ dienen te bezitten.

    • Opleidingen van professionals – toegankelijkheid/inclusie:
      Eerst en vooral is de aanbeveling van het UNCRPD-Comité belangrijk. Het UNCRPD-Comité beveelt aan om training rond ‘universal design’ onderdeel te maken van verplichte curricula voor professionals zoals architecten, ontwerpers, ingenieurs en programmeurs.

Daarnaast zou in de ‘medische curricula’ en bijscholing meer aandacht besteed mogen worden aan de inclusie van personen met een handicap: onzichtbare handicaps, verstandelijke handicap etc. Extra aandacht moet besteed worden aan personen met een verstandelijke handicap, en dit om stigmatisering en vooroordelen te voorkomen. Zie punt xi rond art. 25 UNCRPD.

    • Het platform van adviesraden wil nogmaals onderstrepen dat de minimalistische omzetting van de EAA te betreuren is. Het Platform van adviesraden wil aandringen op een zo strikt mogelijke interpretatie van de ‘onevenredige belasting’, aangezien een brede interpretatie het begrip ‘op voet van gelijkheid toegang hebben tot…’ in de zin van art. 9 UNCRPD helemaal uitholt. Daarnaast moet elke uitzondering ook gecontroleerd te worden (zie ook overweging 64 EAA).

    • De adviesraden onderstrepen dat personen met een handicap in het bijzonder worden geconfronteerd met digitale uitsluiting. . . Zie de positienota van de NHRPH.

      De overheid moet daarom inzetten op een beleid dat de toegang tot websites en applicaties (apps) garandeert. De ontwikkeling van gebruiksvriendelijke en toegankelijke digitale toepassingen is essentieel voor digitale inclusie. Daarnaast is er nood aan een beleid dat inzet op het ontwikkelen van vaardigheden, maar ook ondersteuning om online risico’s te ondervangen. Het Platform van adviesraden gelooft in de mogelijkheden van digitalisering, maar benadrukt ook de blijvende nood aan niet-digitale dienstverlening. Deze nood wordt ook erkend door het Europees Parlement in zijn resolutie van 15 maart 2023. Het recht op een analoog of menselijk alternatief moet wettelijk verankerd worden wat betreft openbare diensten.

    • Toegankelijkheid van de media:
      Het Platform van adviesraden is er zich van bewust dat dit een Gemeenschapsmaterie is die ook door de Audio Visual Media Services Directive geregeld wordt. Waarschijnlijk doelt het IMC met dit werkpunt op het afstemmen van toegankelijkheidsnormen.

      Naast toegankelijkheidsnormen zijn er evenwel ook technische kwesties die opgelost moeten worden om meer toegankelijkheidsopties te waarborgen. Technische kwesties, waarbij de oorzaak van het probleem dus ligt bij de handelaars/distributeurs. De EAA verplicht distributeurs pas vanaf 2025 om rekening te houden met toegankelijkheidsnormen. Interfederale samenwerking zou dit kunnen versnellen. Dit ligt in lijn met de verplichtingen van België onder artikel 7 (1) AVMSD om voortdurend en in toenemende mate te zorgen voor toegankelijkere mediadiensten.

      Als voorbeeld van de nood aan samenwerking: digitale decoders maken momenteel de uitrol van ‘clean audio’ niet direct mogelijk. Zie advies van NOOZO (bijlage 2). Aangezien digitale decoders in heel België beschikbaar zijn, is er nood aan samenwerking.

  • Aandachtspunten:

    • Er moet te allen tijde rekening te gehouden worden met de diversiteit aan handicaps. Het gaat niet enkel om personen met een fysieke handicap, maar ook blinde en slechtziende personen, dove en slechthorende personen, personen met een verstandelijke handicap etc.

      Zo moet er gedacht worden aan makkelijk begrijpbare bewegwijzering in stations en voor publiek toegankelijke gebouwen (die ook uniform moet zijn voor het hele land), audio-informatie (signalen en afkondigingen) etc.

    • Updates digitale hulpmiddelen :
      Overeenkomstig de EU Sales of Goods Directive 2019/771 zijn updates een van de conformiteitscriteria die in de verkoopovereenkomst besproken moeten worden. Veel leveranciers van hulpmiddelen voor personen met een handicap weigeren echter updates te bespreken in hun voorwaarden (in hoeverre een update vereist is voor de functionaliteit, continu aankoop, termijn waarbij men verplicht is updates te voorzien, …). In Vlaanderen menen zij dat het VAPH het toch terugbetaalt.
      Dit is niet correct, aangezien alleen de toegang tot het VAPH al beperkt is qua leeftijd (tot 65 jaar oud).
      Er moet meer controle komen op de naleving van deze belangrijke consumentenrechten (enorm van belang voor bv. blinde personen). De FOD Economie moet dit absoluut bespreken met regionale agentschappen voor personen met een handicap.

vi. Art. 11 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR – evacuatie- en hulpplannen: de doelstelling vermeldt enkel de actualisering van de noodplannen, maar niet van evacuatie- en hulpplannen. Er is een dringende behoefte aan realisatie en coördinatie van deze plannen op interfederaal niveau.

  • Aandachtspunten:

    • Er moet voor vertolking in de ruimste zin van het woord worden gezorgd om aan alle specifieke behoeften van de al mogelijke handicaps te voldoen.

    • De besluiten tijdens de COVID-crisis hebben ‘in naam van de bescherming van de kwetsbare groepen’ geleid tot rampzalige gevolgen voor de betrokkenen en hun familie: isolement. Dit terwijl er duidelijk een recht op keuzevrijheid, eerbiediging voor privé- en gezinsleven bestaat (art. 3, 22 en 23 UNCRPD; art. 8 EVRM). Tehuizen en instellingen moeten veilige ‘ontmoetingsplekken’ kunnen bieden. 

vii. Art. 16 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Er moet meer focus liggen op tekortkomingen bij zorg en ondersteuning. Er bestaan regulerende mechanismen (register waarin de kwaliteit van de diensten wordt beoordeeld, klachten over geweld, de follow-up daarvan en de hulp aan slachtoffers worden geregistreerd, ...), maar de bestaande klachtenregeling is te weinig gekend en de transparantie van de follow-up van klachten is onvoldoende.

Bijgevolg is er behoefte aan een systeem dat persoonlijke ‘tegenmaatregelen’ (zoals uit de instelling gezet worden) vermijdt. Een voorstel is om een toegankelijk meldpunt te maken, waar onder meer gebruik gemaakt wordt van easy-to-read. Verder dient het meldpunt neutraal te zijn, dat wil zeggen zonder tussenkomst van het management van de instelling om een gevoel van veiligheid te geven aan de burgers met klachten. Tot slot dient het meldpunt de bevoegdheid en de verplichting te hebben om individuele gevallen op te volgen

Er is een reële behoefte aan rapportage, follow-up van klachten en vooral concrete controle/toezicht op de instellingen. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar vrouwen en meisjes met een handicap. Een samenwerking tussen de deelstaten in dat verband is aangeraden.

    • Er moet opgetreden worden tegen gynaecologisch geweld tegen vrouwen met een handicap. Graag maakt het Platform van adviesraden gebruik van deze gelegenheid om de overheid op te roepen sterk op te treden in de Raad van de EU bij de bespreking van de Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Er moet een duidelijk verbod komen op gedwongen sterilisatie.

  • Aandachtspunten:

    • Uit onderzoek blijkt dat een op de twee vrouwen met een handicap te maken heeft gehad met moreel, fysiek of seksueel geweld. Deze kwetsbaarheid moet duidelijk in acht genomen worden bij het opstellen van protocollen over vroegtijdige opsporing van geweld.

viii. Art. 19 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Samenwerkingsovereenkomsten vrij verkeer personen met een handicap:
      De samenwerkingsovereenkomst inzake het vrije verkeer van personen met een handicap tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap is niet doeltreffend.
      Er ontbreekt een samenwerkingsovereenkomst tussen de Franse Gemeenschap en Vlaanderen.
      Het Platform van de adviesraden beveelt één interfederale samenwerkingsovereenkomst aan.

    • Opnieuw: alomvattend statuut voor de mantelzorgers:
      Het Platform van adviesraden herhaalt dat adequate ondersteuning van mantelzorgers deel uitmaakt van de ondersteuning van personen met een handicap en er geenszins een alternatief voor is. Zeker in situaties waarin de overheid niet voldoet aan haar ondersteuningsplicht en waar zorg en ondersteuning onvoldoende is, te ver weg is of niet bestaat (bv. door te lange wachtlijsten). In deze gevallen zijn de mantelzorgers genoodzaakt in te springen. Met andere woorden: de keuze voor de opname van zorgtaken is in deze gevallen niet ‘vrijwillig’, want de ondersteuning van personen met een handicap ontbreekt gewoon. De overheid moet haar ondersteuningsplicht aan personen met een handicap vervullen. Zie positienota NHRPH.

    • Er zijn geregeld problemen bij het bepalen van de bevoegde instantie:
      Voorbeeld: jongeren in complexe situaties – de administraties van gezondheidszorg en jeugdzorg verwijzen vaak onderling naar elkaar, zonder dat duidelijk is wie bevoegd is. Er is een betere coördinatie nodig en er moeten partnerschappen ontwikkeld worden.

      Ook voor volwassenen in complexe situaties moet er een gespecialiseerd aanbod ontwikkeld worden door middel van samenwerking tussen betrokken sectoren. 

Voorbeeld: te weinig oplossingen voor personen met autisme – er is een gecoördineerd aanbod nodig voor heel het traject: opvang, huisvesting, revalidatie, respijtzorg, onderwijs etc. Ook in de opleiding van toekomstige professionals (artsen, opvoeders, maatschappelijke werkers, psychologen…) moet er aandacht zijn voor de specifieke behoeften van mensen met een zorgnood.

  • Prioriteiten:

Het Platform van adviesraden wijst op de ontoereikende doelstellingen onder art. 19 UNCRPD.
Het inzetten op ‘verspreiden van informatie over alternatieven’ schiet tekort, aangezien er te weinig mogelijkheden bestaan om zelfstandig te leven. Zelfstandig leven betekent dat personen met een handicap over de nodige middelen beschikken om controle over hun eigen leven te hebben: ze kiezen zelf en nemen zelf beslissingen over waar, met wie en hoe ze wonen, over hun leven, over hun dagelijkse activiteit en over hun levensstijl.
Dit valt onder het recht op autonomie en keuzevrijheid in de gemeenschap (art. 3 (1) UNCRPD). Er kan niet gesproken worden over een keuzevrijheid indien er geen keuze mogelijk is omdat initiatieven die losstaan van gespecialiseerde en institutionele oplossingen ontbreken. Ook in de EU-Strategie inzake rechten van personen met een handicap 2021-2030 wordt aangekaart dat er momenteel geen politieke planning lijkt te zijn om te investeren in passende lokale gemeenschapsdiensten, toegankelijke huisvesting en technische hulpmiddelen, brede beschikbaarheid van ondersteuning voor gezinnen en persoonlijke bijstand, ook op het gebied van geestelijke gezondheid.

Er zijn NU mogelijkheden en ondersteuning nodig om te voorkomen dat de huidige jongeren in voorzieningen terechtkomen. 

Aldus zou er ALLEREERST ingezet moeten worden op de ontwikkeling en financiering van mogelijkheden om zelfstandig te wonen. Er is op korte termijn nood aan een strategisch plan en actieplan met doeltreffende en passende maatregelen die garanderen dat personen met een handicap echt vrij kunnen kiezen waar en met wie ze wonen. Ze mogen daarbij niet worden verplicht om in een bepaalde leefstructuur te leven. Monitoring van het de-institutionaliseringsproces is cruciaal.

De keuzemogelijkheden moeten ook financieel toegankelijk zijn voor de personen met een handicap.

Ook binnen de voorzieningen moet dringend rekening worden gehouden met het recht op keuzevrijheid en het recht op een privé-leven.

      • Personen met een handicap moeten zelf kunnen kiezen en beslissen over hun leefomgeving: hoe en met wie men woont. Iedereen moet immers kunnen genieten van een intiem en privéleven.
      • Personen met een handicap moeten zelf hun levensstijl en dagelijkse activiteiten kunnen bepalen. De eisen van de instellingen mogen niet voorgaan op de persoonlijke behoeften van de bewoners.
      • Instellingen moeten innovatieve, alternatieve projecten kunnen lanceren die inspelen op autonomie en activiteiten aanmoedigen die de bewoners betrekken bij hun dagelijks leven (onderhoud, koken…).
        Het Platform van adviesraden wil dat de Gemeenschappen een gemeenschappelijke oproep doen aan de instellingen om dit te verwezenlijken.
      • Ook dient er aandacht besteed te worden aan de verwachte ‘goede praktijken rond de-institutionalisering’ van de Europese Commissie (eind 2023).

De transformatie van voorzieningen kan niet het einddoel van de-institutionalisering betekenen. Een transformatie van grootschalige naar meer kleinschalige collectieve voorzieningen of satellietstructuren van bestaande voorzieningen die eruit zien als individuele woningen maar van institutionele structuren afhangen, is geen de-institutionalisering. Bijgevolg dringt het Platform nogmaals aan op het respect voor het recht op keuzevrijheid en de ontwikkeling van alternatieven voor institutionele oplossingen. 

Aangezien de bevoegdheden die relevant zijn voor de assistentie en zorg versnipperd zijn over de verschillende overheden, is hier absoluut coördinatie nodig om (financieel) toegankelijke oplossingen voor zelfstandig wonen te scheppen.

  • Aandachtspunten:

    • Interfederale werkgroep nodig rond de-instutionalisering.

    • Standaardisering van de criteria voor aangepaste woningen: het Platform voor adviesraden vraagt de toepassing van de principes van het ‘universal design’ en voor de betaalbaarheid van woningen.

    • Het Platform van adviesraden ziet geen spoor van een eventuele heroriëntering van EU-fondsen.

    • Het Platform van adviesraden vindt niets in de actieplannen over personen met grote zorgnoden, noch over de concrete situaties van de oudere personen met een handicap.

ix. Art. 20 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR: Focus op intermodaliteit en verplaatsing tussen de deelstaten:
      De keten van toegankelijkheid moet verzekerd blijven zonder onderbrekingen. Assistentie moet niet enkel bij de NMBS verzekerd worden, maar ook bij de overstap tussen de trein en een bus, tram, metro, … En ook bij overstappen van bv. De Lijn op de TEC, of van ‘Dienst Aangepast Vervoer’ naar openbaar vervoer.

      Extra aandacht moet besteed worden aan interregionaal schoolvervoer.

      Los van het huidige gebrek aan assistentie is er ook nood aan voldoende informatie zodat personen met een handicap zich kunnen voorbereiden op een goede overstap. Zie advies van het European Disability Forum waarin het recht op assistentie bij het openbaar vervoer wordt benadrukt.

    • Ook de ‘financiële’ toegankelijkheid van vervoer mag niet worden vergeten.

    • Focus op obstakels zoals laadkabels van elektrische wagens en elektrische steps. Het zou goed zijn mocht er regelgeving bestaan rond de plaatsing van dergelijke hindernissen op voetpaden. Dit is een kwestie van veiligheid voor bv. personen met een visuele handicap.

    • In het verlengde hiervan zijn er aanpassingen in de Wegcode nodig voor een betere toegankelijkheid en veiligheid van voetpaden en oversteekplaatsen, in het bijzonder voor personen met een handicap.
      De NHRPH bracht hierover een aantal aanbevelingen uit. Geen enkele van deze aanbevelingen is terug te vinden in het Federaal Actieplan Handicap en in de Interfederale Strategie Handicap. Zie bijvoorbeeld advies 2021/39 inzake verkeersveiligheid.
    • Daarnaast is het ook belangrijk om te letten op het feit dat rateltikkers belangrijk blijven voor personen met een visuele handicap om zich te oriënteren tijdens het oversteken. Technologische ontwikkelingen (apps) bieden kansen, maar ontslaan de overheid niet van de opdracht om de verkeersinfrastructuur toegankelijk te maken.

  • Prioriteit:

    • “Verbeteren van de toegankelijkheid van de infrastructuur” – is een niet meetbare doelstelling en aldus ontoereikend. Het UNCRPD-Comité was duidelijk: “Make all public transport systems and urban and rural infrastructure accessible to all persons with disabilities, and indicate specific actions with a clear time frame, measurable baselines and indicators.”

Zich onafhankelijk kunnen verplaatsen heeft is een basisvoorwaarde van autonomie, het gevoel van vrijheid, maar een toegangspoort tot bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. 

  • Aandachtspunten:

    • De parkeerkaart voor personen met een handicap is een universeel Een systeem waarbij de gebruiker van de kaart zich nogmaals moet registreren komt niet overeen met het universele karakter van de kaart. De parkeerkaart heeft een Europees karakter. Een bijkomend registratiesysteem bemoeilijkt het voor toeristen om hun kaart vlot te gebruiken.
    • Afstemming scan car-regels, uniformiteit regels rond gratis parkeren en assistentiehonden” – afstemming alleen is onvoldoende. Er moet interoperabiliteit zijn (denk maar aan de wisselwerking tussen scan cars, voorbehouden parkeerplaatsen, rijbewijs met punten, vrijwilligers die een persoon met een handicap vervoeren, …).
      Daarnaast is er duidelijke informatie naar de bevolking toe vereist. Het is één ding dat het moeilijk is om coherentie te scheppen, maar het is onbegrijpelijk dat er niet duidelijk gecommuniceerd wordt.
    • De IMC moet zich buigen over de nieuwe mobiliteitsmaatregelen zoals LEZ, zones met beperkte toegang, kilometerheffing etc. Er moet worden vermeden dat personen met de verplaatsingen van personen met een handicap extra belast worden. De ‘afwijkingen’ voor personen met een handicap moeten gecoördineerd worden.

    • Iedereen heeft recht om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Het is goed dat een herziening van de toegang van mobiliteitshulpmiddelen op het werkprogramma staat.

x. Art. 24 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR: inclusief onderwijs:
      Het Platform van adviesraden herinnert eraan dat de inclusie van kinderen met een handicap in het reguliere onderwijs sterk bijdraagt tot inclusie op lange termijn. Aldus kan men niet ‘het bestaan van buitengewoon onderwijs’ blijven gebruiken als een excuus voor het uitstellen van inclusief onderwijs.

Inclusief onderwijs zal ook niet vanzelf ontstaan bij aanname van wettelijke bepalingen daarover; het moet worden georganiseerd. Om meer leerlingen les te laten volgen via inclusief onderwijs is beleidsambitie nodig en een stappenplan met concrete en meetbare doelstellingen. Daarbij dient aandacht besteed te worden aan urgentie, een coherente visie op inclusie en de juiste inzet van middelen en competenties.

Er is meer nodig dan bijscholing van leerkrachten om regulier onderwijs inclusief te maken. Er is nood aan een aanbod van revalidatie, logopedie en dagdagelijkse (menselijke) ondersteuning in het gewoon onderwijs. Ook het UNCRPD-Comité stelde dat er nood is aan meer mankracht om individuele begeleiding van leerlingen met een handicap mogelijk te maken: “[there should be measures that provide for] (…) human resources available to provide individualized support for students with disabilities.“

Veel inspiratie kan opgedaan worden uit de Toolkit voor de inclusie van kinderen, blz. 101 en volgende: niet enkel staan er zeer duidelijke aanbevelingen in, maar ook beleidsvoorbeelden uit andere lidstaten (o.a. buurlanden Nederland en Luxemburg worden vernoemd).

    • Om de link met 19 UNCRPD te leggen, moeten de onderwijsmodellen kinderen met een handicap ook autonoom leren zijn en - waar mogelijk - in staat stellen hun eigen levenskeuzes te maken. Hier ligt het belang van het toevoegen van voorschools onderwijs (zoals kleuteronderwijs) aan de inclusiedoelstellingen.

    • Verder moet ook het probleem aangepakt worden dat een groot aantal gezinnen niet wonen in de gemeenschap waar hun kinderen les krijgen, waardoor sommige kinderen niet in aanmerking komen voor ondersteuning op school of in hun woonplaats. Op dat vlak is dringend coördinatie en samenwerking nodig.

    • Het Platform van adviesraden vraagt aandacht voor de invulling van inclusief onderwijs voor gebarentaalgebruikers: tweetalig onderwijs geldt als inclusief onderwijs.

    • Om de link met 27 UNCRPD te leggen, zijn er meer opleidingen/vormingen nodig die leiden tot relevante kwalificaties voor de open arbeidsmarkt.

  • Prioriteit:

    • Inclusief onderwijs moet vertrekken van een toegankelijke leeromgeving. het Platform van adviesraden verwacht dat de opleiding van leerkrachten onder meer inhoudt dat deze aan de slag leren gaan met het universeel ontwerp (universal design for learning – UDL).

  • Aandachtspunten:

    • Er is nood aan een transformatieplan met duidelijke deadlines, evaluatie-indicatoren en budgetramingen. Daarbij is er coördinatie nodig zodat ‘inclusie’ op eenzelfde manier geïnterpreteerd wordt en aan dezelfde basisvoorwaarden voldoet.

    • Er is nood aan nieuwe regelgeving over de weg naar een meer inclusieve leraarskamer en inclusief HR-beleid. De huidige regelgeving biedt te weinig ruimte voor re-integratie van leerkrachten. Struikelblok blijft de regeling van ziektedagen die geen maatwerk mogelijk maken.

    • Het werkprogramma behandelt ook de opleidingen in gebarentaal. Het Platform van adviesraden vraagt daarbij ook aandacht voor de hindernissen waar ouders van dove kinderen tegenaan stoten. Ze vinden weinig ondersteuning om een cursus gebarentaal te volgen.

    • Er moet rekening gehouden worden met de overgangsperioden tussen de verschillende levensfasen (kindertijd, adolescentie, volwassenheid, ouder worden).

    • De diensten voor leerlingenbegeleiding (voor bepaalde groepen: verstandelijke handicap, autisme, polyhandicap, onzichtbare handicap, …) zijn onvoldoende geïntegreerd in de territoriale polen. De samenwerking met de Federatie Wallonië-Brussel ontbreekt op dit gebied.

xi. Art. 25 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Binnen de doelstelling ‘verhoogd aanbod van dienstverlening’, moet er bijzondere aandacht besteed worden aan het waarborgen van autonomie bij personen met een handicap die persoonlijke begeleiding nodig hebben. Deze begeleiding moet ook ’s avonds en in het weekend mogelijk zijn. Aldus is er misschien een nood om nieuwe hulpverleningsberoepen te ontwikkelen.

      In Vlaanderen kan men onder het persoonsvolgend budget zelf een functiekader opstellen voor de persoonlijke assistent, maar er zijn lange wachtlijsten om het budget te ontvangen. Gezinszorg in Vlaanderen is dan weer gekenmerkt door knelpunten zoals: weinig keuze over wie er langskomt, wanneer en voor welke taken…

      In Brussel en Wallonië is dergelijke begeleiding beperkt tot bestaande gezinsondersteuning en thuiszorg (met vergelijkbare knelpunten als in Vlaanderen). Deze diensten zijn dus niet gesubsidieerd om bredere taken uit te voeren die de noden van personen met een handicap zouden kunnen dekken.

      Het Platform dringt aan om hier gecoördineerd te werk te gaan, zodat er eenzelfde aanbod mogelijk is over heel België, maar ook omdat het RIZIV er (mogelijk) bij betrokken is.

    • Verder is er bijzondere aandacht nodig voor ouders van kinderen met autisme. De bestaande ‘respijtformule’ is onvoldoende en er is nood aan een breder kader dat de kinderen toe laat thuis te blijven zodat deze niet naar een instelling hoeven omdat het niet anders kan (wat nu vaak het geval is).
    • Toegang tot gezondheidszorg – is een algemene doelstelling die niet beperkt mag zijn tot ouderen.
      Zo moet er ook gedacht worden aan passende opvang en ondersteuning voor personen met een handicap gedurende hun hele zorgtraject.

      Een ander idee is het inzetten van een team binnen ziekenhuizen dat specifiek verantwoordelijk is voor ondersteuning van personen met een handicap, vanaf het onthaal tot de raadpleging of opname, om zo aan hun specifieke behoeften te voldoen.

      Zoals reeds vermeld onder art. 9 UNCRPD, zou in de ‘medische curricula’ en bijscholing meer aandacht besteed moeten worden aan de inclusie van personen met een handicap - onzichtbare handicaps, intellectuele handicap etc. - om stigmatisering en vooroordelen te voorkomen en de artsen een passende houding te leren ten opzichte van de persoon met een handicap en de mantelzorger. Extra aandacht dient besteed te worden aan personen met een verstandelijke handicap.

Verder is er ook nood aan een specifieke nomenclatuur voor de medische dienstverleners, want soms duurt een raadpleging langer bij personen met een handicap. Om een kwaliteitsvolle consultatie te verzekeren, moet er een financiële erkenning staan tegenover de tijd die een dienstverlener in de consultatie steekt.

    • In het licht van duurzaamheid, is er nood aan een regelgevend kader rond ‘tweedehands’ hulpmiddelen. Momenteel is er geen kader rond hergebruik van aangekochte aangepaste bedden, stoelen… Men kan dus het materieel dat men ooit aankocht niet ter beschikking stellen van bv. agentschappen voor personen met een handicap.

  • Prioriteiten:

    • Vergoeding van logopedie voor bepaalde personen met een handicap, met name mensen met een verstandelijke handicap, hersenverlamming, alzheimerpatiënten, kinderen met autisme (zie specifieke rechtszaak) enz. Het kan niet dat het RIZIV de aanvragen tot tussenkomst weigert.

    • De delegatie van verpleegkundige handelingen, het KB in opmaak, moet beantwoorden aan de realiteit op het terrein. Zie Advies 2023/01 van de NHRPH.

  • Aandachtspunten:

    • De Europese Commissie roept lidstaten ook op om de toegang te verbeteren tot het volledige zorgportfolio, inclusief seksuele en reproductieve gezondheidszorg en preventiediensten.

    • Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg heeft een studie gepubliceerd over hoe de toegang tot de gezondheidszorg dient verbeterd te worden voor personen met een verstandelijke handicap.

    • Is er reeds bepaald wie instaat voor de financiering van de één-op-éénopleidingen bij delegatie van verpleegkundige handelingen? Het is immers te verwachten dat deze opleidingen (soms) enkele uren van een arts of verpleegkundige in beslag zullen nemen. Komt dit ten laste van het RIZIV? Of wordt de last doorgeschoven naar de deelstaten? Het Platform dringt aan op een creatie van een nomenclatuur voor deze prestaties bij het RIZIV. Zie advies 2023/01 van de NHRPH.

    • De aanpak van gezondheidsproblemen focust vandaag de dag te weinig op specifieke behoeften van personen met een handicap. Het is belangrijk dat het zorgpersoneel wordt opgeleid, met name op het gebied van afasie, begrips- en gedragsproblemen etc. en dat er een gepast antwoord op de specifieke behoeften wordt geboden (gebarentaal, braille, easy-to-read, etc.).

    • Bij crisisopvang in ziekenhuizen moet er aandacht besteed worden aan de concrete behoeften van personen met een handicap. 

xii. Art. 27 UNCRPD:

Toegang tot werk moet een van de hoogste prioriteiten van het beleid zijn. Het is tevens een domein waar de versnippering van bevoegdheden de meeste problemen oplevert. Coördinatie is dus essentieel.

  • Wat ontbreekt:

    • PRIORITAIR: traject van opleiding naar werk:
      Zoals aangegeven bij de algemene overwegingen (zie supra) is er hoogdringend nood aan een interfederale denkoefening rond het traject van opleiding naar werk. Dit is een knelpunt voor alle beleidsniveaus en moet gecoördineerd aangepakt worden om inclusie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt te kunnen verwezenlijken.

Momenteel leiden te weinig opleidingen voor jongvolwassenen met een handicap tot relevante kwalificaties en een kwalitatieve baan. Het ontbreken van een juiste opleiding en van voldoende begeleiding bij personen met een handicap schrikt werkgevers af om hen aan te werven.

Ook een recent schoolverlatersrapport van de VDAB toont aan dat er nog heel wat schort aan de transitie van onderwijs naar de arbeidsmarkt. Vooral jongeren die ongekwalificeerd uitstromen staan bijzonder zwak op de arbeidsmarkt.

Een traject in het buitengewoon onderwijs wordt anders erkend dan een traject in het gewoon onderwijs. Leerlingen met een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs botsen na het afstuderen op drempels. Ze moeten bijvoorbeeld langer wachten op een inschakelingsuitkering dan leerlingen uit het buitengewoon onderwijs. Er is nood aan een formeel en consequent systeem voor studiebekrachtiging dat de behaalde competenties valoriseert op de arbeidsmarkt.

Scholen bereiden deze jongeren met een handicap onvoldoende voor op het professionele leven.
Er moet worden ingezet op loopbaancompetenties en andere soft skills. De leeromgeving moet alle aspecten van het werk omvatten. Interessante pistes zijn de pilootprojecten van GTB die ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health) als instrument en gemeenschappelijke taal introduceren voor de ontwikkeling van soft skills en loopbaancompetenties bij de leerlingen in het Buitengewoon Secondair Onderwijs.

Verder moet levenslang leren gestimuleerd en concreet mogelijk worden gemaakt op de werkvloer. Het faciliteren van de combinatie van leren en werken, al dan niet met oog op een eindkwalificatie, versterkt jongeren bovendien in het gerichter kiezen van opleidingen in lijn met de loopbaanontwikkeling. Inzetten op werkplekleren in de reguliere economie en duaal leren, de beroepsopleidingen binnen de VDAB en GOB’s (maar ook in de opleidingscentra in Wallonië en Brussel) verhoogt de kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk en vormt een belangrijk instroomkanaal.

Ook is er nood aan trajectbegeleiding en stages die een overgang naar tewerkstelling op de open arbeidsmarkt effectief bevorderen.

het Platform van adviesraden wijst erop dat er reeds expertise rond tewerkstellingsbegeleiding zit bij bepaalde gewestelijke organisaties (zoals GTB of de GOB’s in Vlaanderen) en bij een reeks verenigingen voor personen met een handicap. De overheid moet deze organisaties raadplegen bij het opzetten van deze ondersteuning.

Daarnaast is het belangrijk om in de context van opleiding en werk de digitale uitsluiting niet te vergeten.

Het Platform van adviesraden dringt eropaan dat de IMC duidelijke doelstellingen m.b.t. opleidingen met kwalificaties die de toegang tot werk verbeteren op de agenda zet.

    • In het verlengde hiervan vindt het Platform van adviesraden het idee niet terug dat ervaringsdeskundigheid van personen met een handicap moet worden ingezet bij de beleidsvorming inzake tewerkstelling. Het Platform Handicap & Arbeid in Vlaanderen kan daarbij een inspirerend voorbeeld zijn.

    • PRIORITAIR : preventie en jobbehoud:
      Naast de focus op re-integratie moet er ook gedacht worden aan preventie en jobbehoud. Preventie en bescherming op het werk is een federale bevoegdheid in het kader van de welzijnswetgeving. De deelstaten kunnen enkel aanvullende initiatieven nemen om gezondheid op de werkvloer te stimuleren. Om die initiatieven voldoende slaagkansen te bieden zijn een goede samenwerking en coördinatie met het federaal preventiebeleid en de Comités voor preventie en bescherming op het werk noodzakelijk.

Zo kan de uitbouw van disability management mensen langer aan het werk houden.

Ook ‘werkbaar werk’ kan vroegtijdige uitstroom van de arbeidsmarkt voorkomen en de instroom verbeteren. Uit Vlaams onderzoek blijkt dat personen met een lichte of zware arbeidshandicap meer werkbaarheidsrisico’s ondervinden op het vlak van: werkstress, evenwicht tussen werk en privéleven, leermogelijkheden en motivatieproblemen. Werknemers met een handicap nemen minder vaak deel aan bijscholing en werken vaker halftijds waardoor zij onvoldoende inkomen genereren uit de combinatie van loon (uit deeltijds werk) en uitkeringen.
Ze zijn ook vaker het slachtoffer geweest van grensoverschrijdend gedrag.

    • Aanpak van interfederale knelpunten rond de vergoeding van begeleid werken vereist:
      In Vlaanderen voorziet met via de werk- en zorgtrajecten oplossingen voor wie nog niet betaald kan werken wegens een medische, verstandelijke, psychische of sociale handicap. Dit gebeurt via activeringstrajecten en arbeidsmatige activiteiten. Activeringstrajecten zijn erop gericht om personen voor te bereiden op betaald werk (bijvoorbeeld via een stage). Via arbeidsmatige activiteiten voeren personen deze activiteiten uit met begeleiding.

Het Platform van adviesraden vindt dat werk in alle omstandigheden moet lonen. Er moet een vergoeding voor dit werk voorzien worden in afstemming met de uitkeringsstelsels (bovenop de tegemoetkomingen).

Hetzelfde geldt voor eventuele andere vormen van ‘onbetaald’ begeleid werk in andere deelstaten.

    • Meer aandacht voor het bevorderen van ondernemen door personen met een handicap. Dat is tevens een oproep van de Europese Commissie en van de Raad van de EU (punt 36); er worden daarvoor EU-middelen ter beschikking gesteld.

      Een concreet punt in dat verband dat aangepakt dient te worden betreft de IVT, de invaliditeitsuitkering en de sociale bijdragen. Ondernemers die deeltijds ondernemen en daarnaast een IVT ontvangen, dienen volgens de huidige bijdrageregeling een sociale bijdrage te betalen als zelfstandige in hoofdberoep. Kandidaat-ondernemers die niet in staat zijn om fulltime te werken worden op deze manier quasi uitgesloten van het ondernemerschap. Over het algemeen kunnen de betrokken personen het statuut van zelfstandige in bijberoep niet aanvragen. Mensen die deeltijds in dienstverband werken en daarnaast deeltijds ondernemen kunnen wel een beroep doen op een algemene regeling voor verminderde sociale bijdragen.

Het ontwerp van koninklijk besluit dat het toepassingsgebied van artikel 37 verruimt zodat ook personen die een IVT ontvangen ervan kunnen genieten, zou een stap in de goede richting betekenen (Advies 2022/31 van de NHRPH). Op deze manier kunnen personen die slechts een laag inkomen als zelfstandige ontvangen, worden gelijkgesteld met zelfstandigen in bijberoep en zullen zij lagere socialezekerheidsbijdragen betalen. Maar deze maatregel is enkel bestemd voor mensen die IVT ontvangen en niet voor mensen met een invaliditeitsuitkering.

De regelgeving moet gewijzigd worden om inkomsten uit een zelfstandige activiteit blijvend te kunnen combineren met tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

    • Nood aan meer positieve beeldvorming en terminologie: termen als ‘restcapaciteit’, ‘langdurig zieken’, ‘arbeidsongeschikten’, ‘invaliden’ zijn dan wel technisch correct, maar werken stigmatiserend. Een persoon is méér dan alleen langdurig ziek, arbeidsongeschikt of invalide. Een meer positieve benadering vanuit een focus op wat wél nog kan, is broodnodig. Vandaag ligt de nadruk te sterk op de gezondheidsproblemen en beperkingen van de persoon. Dit zorg voor een passief beleid. 

Er is een shift nodig in de visie op arbeidsongeschiktheid en handicap van ‘recht op ziekte’ naar ‘recht op herstel en genezing’ en van ‘patiënt’ of ‘persoon met en handicap’ naar (potentiële) werknemers met talenten en competenties. Dit vraagt om sensibilisering en opleiding bij zowel de persoon in kwestie als bij de werkgever en de artsen. Dit zal ook zorgen voor een betere perceptie van ‘handicap’ in de beroepswereld.

    • Focus op de juiste monitoring van het aantal personen met een handicap in dienst bij de private en publieke sector. De cijfers van personen tewerkgesteld in maatwerkbedrijven dienen gescheiden te worden van overheidsbedrijven en tewerkstelling op de reguliere open arbeidsmarkt’.

    • Er is een interfederale denkoefening nodig rond het scheppen van banen voor personen met een handicap (bv. onder vorm van positieve actie).

    • Er is nood aan behoorlijke financiering van verenigingen die personen met een handicap ondersteunen bij opleiding en tewerkstelling. 
  • Prioriteiten:

    • Re-integratie van werknemers met een handicap op de arbeidsmarkt – back-to-worktraject: het Platform van adviesraden is blij dit punt op de agenda van de IMC te zien staan.

      De nood aan overleg en kaderovereenkomsten werd reeds door de NHRPH benadrukt in zijn advies 2021/31 inzake back-to-work en advies 2022/10 inzake RIT 2.0.
      Ondersteuning van werknemers met een handicap vereist soms langere begeleiding, kennis van concrete behoeften van de persoon met een handicap, toegankelijkheid van het traject, etc. Organisatie van een dergelijke re-integratie vereist dan ook degelijk overleg en samenwerking tussen het RIZIV, de gewestelijke bureaus voor arbeidsbemiddeling, mutualiteiten…
      Deze samenwerking moet regelmatig geëvalueerd worden.

Verder moeten de betrokken actoren ook een duidelijk overzicht geven van de door hen aangeboden diensten. Een algemeen contactpunt dat informatie geeft en doorverwijst naar de bevoegde diensten zou een meerwaarde zijn.

Daarnaast moet een re-integratietraject laagdrempeliger zijn, zodat meer personen er gebruik van kunnen maken en sneller actie kunnen ondernemen. Werk afbouwen en werk gedeeltelijk hervatten moet kunnen met een financiële compensatie, zonder dat de persoon als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

    • Het Platform van adviesraden stelt ook met genoegen vast dat de hervorming van het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 op de werkagenda van de IMC staat. Gezien de uiterst ongunstige situatie van personen met een handicap op de Belgische arbeidsmarkt in vergelijking met mensen zonder handicap, roept het Platform van adviesraden de overheid op om stagiairs met een handicap tijdens hun opleiding opnieuw te onderwerpen aan de RSZ. Zie advies 2018/20 van de NHRPH.

    • Inclusieve arbeidsmarkt:

      Open arbeidsmarkt – werkgelegenheid bij particuliere bedrijven:
      Maatwerkbedrijven zouden een uitzondering moeten zijn op een inclusieve arbeidsmarkt. Een uitzondering die niet tot de norm mag uitgroeien. Daaruit volgt dat de ambities voor tewerkstelling in het reguliere circuit hoger dienen te liggen dan voor collectief maatwerk.

      Daaruit volgt dat er nood is aan stimulansen voor werkgevers om de bereidheid tot aanpassingen te belonen. Het gaat om aanpassingen ten dienste van de toegankelijkheid en redelijke aanpassingen.
      Om de kansen op werk voor personen met een handicap in de open arbeidsmarkt te vergroten, is er ook nood aan een sensibiliserende aanpak naar de werkgevers toe en nood aan een structurele en doorgedreven ondersteuning van de werkgevers om diversiteit en inclusie te verankeren in hun bedrijfsstrategie. De sectoren kunnen daarbij via intersectorale en sectorale CAO’s een centrale rol in spelen.

De tewerkstelling van personen met een handicap op de open arbeidsmarkt vereist meer financiering, sensibilisering en beleidsinitiatieven (positieve acties).

Ter vergelijking: momenteel gaat in Vlaanderen circa 95% van de subsidies naar maatwerkbedrijven en slechts 5% naar individuele ondersteuning. In Wallonië dalen de individuele integratiepremies van jaar tot jaar. Forem en Actiris verwijzen werkkandidaten regelmatig door naar AVIQ of Phare.
Aldus lijkt er geen politieke investering te zijn in de tewerkstelling van personen met een handicap in de privésector. Dit terwijl de arbeidsparticipatiekloof volgens het Europees Semesterrapport (2022) reeds 12% boven het EU gemiddelde ligt, en dit voor ‘het hart van de EU’.

Het Platform van adviesraden dringt aan om op interfederaal niveau afspraken te maken rond investering in gewone tewerkstelling. Dat is tevens een van de aanbevelingen van de Raad van de EU (8 december 2022, punt 26): “Regionale samenwerkingsnetwerken met alle belanghebbenden en actoren die een rol spelen bij de bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap op (..) zetten, dan wel (…) versterken.”

Maatwerkbedrijven:
Bestaande maatwerkbedrijven dienen een rol te spelen bij de overgang richting een inclusieve arbeidsmarkt – de focus dient te liggen op ondersteuning bij het werk. Verder moeten deze aanzien worden als een ‘dienstverlener’ binnen een normaal economisch circuit. De positie van werknemers met een handicap die er werken moet versterkt worden op vlak van arbeidsvoorwaarden en eerlijke verloning. Dit probleem werd ook onderstreept in de resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2023: “(…) many people with disabilities across the EU work in (…) sheltered employment settings, where they do not always enjoy the same labour rights and status as people working in the open labour market”.

Tot slot ontbreekt de mogelijkheid om door te stromen naar de open arbeidsmarkt. Er zijn concrete actieplannen, financieringsmiddelen, tijdschema’s en monitoringmechanismen nodig die de doorstroom van maatwerkbedrijven naar de open arbeidsmarkt waarborgen.

  • Aandachtspunten:

    • Personen met een ernstige handicap en nood aan begeleiding zijn extra benadeeld. Momenteel worden deze vaak uitgesloten als doelgroep, zelfs in maatwerkbedrijven.

    • Redelijke aanpassingen:
      Het Platform van adviesraden vindt dat het onevenredige karakter van een aanpassing momenteel te vaak wordt ingeroepen als een voorwendsel om geen aanpassingen door te voeren.

      De wetgeving inzake redelijke aanpassingen, en het begrip onevenredigheid moeten worden herzien (misschien in samenwerking met Unia?). Het Protocol Redelijke Aanpassingen kan als startpunt dienen.

Het Platform van adviesraden dringen in elk geval aan op controle op het respect van het recht op redelijke aanpassingen. Momenteel is deze amper afdwingbaar buiten de rechtbank om, terwijl de wet wel duidelijk stelt dat de weigering van redelijke aanpassingen neerkomt op discriminatie (art. 14 Anti-Discriminatiewet; art. 2 en 5 (3) UNCRPD).

    • Uitkeringen en werk:
      Personen met een handicap zijn bang om een baan aan te nemen: als ze hun baan verliezen, weten ze niet wanneer ze hun uitkering kunnen terugkrijgen en hoe hoog die zal zijn. Deze kwestie moet opgelost worden.

      Daarnaast is het zo dat wie werkt, bepaalde tegemoetkomingen dreigt te verliezen (bijvoorbeeld de integratietegemoetkoming). Dit werkt beangstigend voor personen die willen werken.

      De personen met een handicap worden met andere woorden onvoldoende geïnformeerd over werk, uitkeringen en inactiviteit. Bij twijfel over de toekomst rijst er angst die leidt tot het weigeren van een mogelijke baan. 

Er is nood aan één centraal onthaalpunt waar iedere persoon met een handicap of chronische ziekte terechtkan voor duidelijke en gestructureerde informatie over (weer) aan het werk gaan of, voor de doelgroep van de jongeren, over studeren, en over waar je recht op hebt bij een ziekte of een handicap. Misschien kan dit onthaalpunt worden gecombineerd met het voorziene centrale punt onder art. 29 en 8 UNCRPD om zo een one-stop shop te vormen.

Het is belangrijk dat de toegang tot het onthaalpunt laagdrempelig blijft en bijgevolg vrij is van randvoorwaarden, zoals een verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven. Ook zorgprofessionals, jongerenbegeleiders of ouders, bijvoorbeeld, voor wie het soms moeilijk is om van alles op de hoogte te zijn, zouden zich tot dit onthaalpunt kunnen wenden met specifieke vragen. Het onthaalpunt zou dan onder andere de vorm aannemen van een informatiewebsite, inclusief contactmogelijkheid, met informatie over uitkeringen, tegemoetkomingen, budgetten, premies en de mogelijkheden op het vlak van werk (formele én informele werkhervatting) en studie bij handicap en chronische ziekte. Daarbij dient zowel informatie vanuit het federale als het regionale niveau te worden ontsloten, zodat de persoon die met een handicap of gezondheidsproblemen kampt meteen weet waar naartoe.

    • Uitwisseling van goede praktijken rond validatie van beroepsvaardigheden:
      In Vlaanderen is er een Decreet rond elders verworven competenties. Het Platform van adviesraden pleit voor een veralgemening van deze aanpak. Dit omdat er veel personen met een handicap geen specifieke kwalificaties hebben, maar wel beroepservaring.

    • Overheid als rolmodel: De overheid moet werk maken van tewerkstelling van personen met een handicap in de publieke sector. Dit betreft niet enkel het aanwervingsbeleid (quota), maar ook toegankelijkheid van gebouwen, woon-werkverkeer, …

    • Openbaar vervoer: Gebieden met weinig of geen openbaar vervoer vormen een reële belemmering voor de tewerkstelling van personen met een handicap! Het gebrek aan toegankelijkheid en interoperabiliteit van vervoer mag hier evenmin vergeten worden.

    • Administratieve vereenvoudiging: Voor de (kandidaat) werknemer met een handicap, maar ook voor het bedrijf dat deze in dienst wil nemen. De vereenvoudiging komt sowieso de tewerkstelling van personen met een handicap ten goede.

    • Interregionale mobiliteit en individueel maatwerk:
      Het nieuwe Vlaamse decreet ‘Individueel maatwerk’ voorziet geen begeleidingspremie voor werkgevers gevestigd buiten het Vlaams Gewest. Omgekeerd hebben personen met een arbeidshandicap die in het Brusselse of Waalse gewest wonen en in Vlaanderen werken, geen recht op individueel maatwerk. Werkgevers die in een ander Gewest of de EER gevestigd zijn, kunnen voor personen met een arbeidshandicap wonende in het Vlaams Gewest wel een loonpremie aanvragen, maar geen begeleidingspremie ontvangen.
      Er moeten afspraken gemaakt worden om een oplossing te vinden voor dit probleem.
    • Arbeidshulpmiddelen:
      Het Platform van adviesraden herinnert aan de situatie van Nederlandstalige Brusselse werknemers die geen recht meer hebben op de Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) en nog geen toegang hebben tot de nieuwe compensatiepremie die door het Brussels Gewest is ingevoerd.

Bovendien zijn er momenteel verschillen tussen de entiteiten in de financiering van hulpmiddelen en aanpassingen voor personen met een handicap die in dienst zijn van een overheidsinstantie. Dit heeft grote gevolgen voor sommige werknemers met een handicap die daardoor niet over de redelijke voorzieningen kunnen beschikken waarop zij recht hebben.

xiii. Art. 28 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

    • Transversale focus op armoedebestrijding, gezien het feit dat zelfs de Strategie aanhaalt dat personen met een handicap een veel hoger risico op armoede hebben dan andere personen.

      Deze focus moet meespelen in de bedenkingen bij andere thema’s rond inclusief onderwijs, tewerkstelling, toegang tot gezondheidszorg, huisvesting, maatschappelijke dienstverlening, …

      Transversaliteit vereist ook coördinatie tussen de overheden, aangezien de Armoedebestrijdingsplannen ook de problematiek van personen met een handicap aankaarten.

    • Er is nood aan een studie rond Artikel 100 Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994:
      De vergoedingen uit de sociale zekerheid verschillen sterk van deze van sociale bijstand. Hierdoor worden gelijkaardige situaties (namelijk: handicap) verschillend behandeld louter o.g.v. de oorzaak ervan… Dit probleem treft vooral jongvolwassenen met een handicap die zo veroordeeld worden tot het vastzitten in het systeem van sociale bescherming.

  • Prioriteiten:

    • Verhoging van de uitkeringen tot boven de armoedegrens is een absolute noodzakelijkheid om een menswaardig bestaan te waarborgen. Zo moeten personen met een handicap niet besparen op medische kosten en kan de vicieuze cirkel van armoede doorbroken worden.

    • Uitvoering wet verlaging leeftijd 21-18 jaar:
      Het Platform van adviesraden vindt dat de overheid automatisch de meest voordelige optie moet voorzien voor jongeren met een handicap en hun gezinnen, ongeacht of het gaat om de tegemoetkoming voor zorg gaat in de deelstaten (‘zorgtoeslag’ of aanvullende kinderbijslag) of de tegemoetkoming in het federale regime. Daarbij moet er rekening gehouden worden met de afgeleide rechten, studiebeurzen, fiscale statuten etc. Aan te raden is om de afgeleide rechten te behouden, ook bij een keuze voor het stelsel van de tegemoetkomingen (wet 1987).

  • Aandachtspunten:

    • Het feit dat er zoveel verwarring is rond de huidige wetgeving (combinatie werk en tegemoetkoming) en er nood is aan een interfederaal infopunt bewijst dat er nood is aan een herziening van de wet van 1987 en van de huidige benadering van de afgeleide rechten.
    • Het bedrag van het sociaal tarief telefonie en internet blijft te laag, zeker omdat sommige personen met een handicap absoluut nood hebben aan deze media.

    • Verlaging met 28% van de IT voor personen in collectieve instellingen:
      Er moet rekening gehouden worden met de betaalbaarheid vanuit het perspectief van de woon- en leefkost van de gebruikers. Deze maatregel alleen zal de zware kosten niet ondervangen.

      De berekening van de woon- en zorgkosten door de instellingen moet gereguleerd worden en transparant zijn (openbaarheid).

      Er is een onderzoek nodig naar pistes om de betaalbaarheid te garanderen: bv. garanderen van de principes van sociaal huren in collectieve voorzieningen, tussenkomsten, …

    • Overzicht huidige samenlevingsvormen van de wet van 1987:
      De personen met een handicap dienen als een individu beschouwd te worden. De berekening van de vervangingsinkomsten kan niet afhangen van het inkomen van andere huisgenoten. Dit kadert binnen het idee van individualisering van rechten en is een stap vooruit voor de armoedebestrijding. Ook het Europees Parlement roept in zijn resolutie van 15 maart 2023 de lidstaten op tot individualisering van rechten en haalt aan dat de individualisering helpt om gendergerelateerd economisch geweld en misbruik door economische afhankelijkheid te bestrijden. Al het voorgaande geldt des te meer bij de IVT, aangezien een handicap je levenssituatie voor een lange termijn bepaalt.

    • De aanvraagprocedure voor het sociaal tarief zorgt in een aantal gevallen voor administratieve last of problemen:
      De toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit staat op naam van de persoon met een handicap. Als de elektriciteitsfactuur op naam van een ander gezinslid staat, zorgt dit voor extra administratieve rompslomp om het sociaal tarief alsnog te verkrijgen. Dit geeft extra moeilijkheden in geval van zorgwoningen enz. Daar is er vaak maar 1 gemeenschappelijke teller.
      Bij appartementen (met 1 teller) staat de naam van de gebouwbeheerder op het contract.

xiv. Art. 29 en 8 UNCPRD:

  • Wat ontbreekt:

    • Bij de toenemende digitalisering wordt er onvoldoende rekening gehouden met toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid. Dit zorgt voor meer digitale uitsluiting.
      Niet enkel qua vaardigheden, maar ook qua fysieke bereikbaarheid van openbare instellingen en private bedrijven van openbaar nut zoals banken, postkantoren, …
      De uitrol van digitale opties mag de menselijke assistentie nooit volledig vervangen.

    • Er moet gewerkt worden aan de ontwikkeling en terbeschikkingstelling van audiobeschrijving.

    • Toegang tot informatie is essentieel om de participatie en autonomie van personen met een handicap te waarborgen. Informatie moet dus wel toegankelijk zijn voor de verschillende handicaps. Dat wil zeggen dat er ook easy-to-readformaten beschikbaar moeten zijn, dat er tolkmogelijkheden moeten zijn, o.a. bij eerstelijnsdiensten.

      Dit is extra belangrijk in de aanloop van de verkiezingen. Zo benadrukt het UNCRPD-Comité de nood om al het ‘verkiezingsmateriaal’ volledig toegankelijk te maken.

    • Het Platform van adviesraden wenst het principe ‘niets over ons zonder ons verankerd te zien op alle niveaus, op straffe van sancties.

    • Het UNCRPD-Comité heeft België opgeroepen om het stemrecht van alle personen met een handicap te garanderen: “(…) including persons with intellectual or psychosocial disabilities, (…).

  • Prioriteiten:

    • Rekening houdend met de groeiende non-take up is de oprichting van een centraal punt waar rechthebbenden over hun rechten worden geïnformeerd een hoogdringende prioriteit.

Deze dienstverlening dient evenwel laagdrempelig te zijn. Ten eerste is er nood aan bereikbare en aanspreekbare fysieke en lokale aanspreekpunten.
Vervolgens moet er ook persoonlijke begeleiding voorzien worden dat ook overleg tussen verschillende instanties mogelijk maakt.
Verder dient het communicatiekanaal en taalgebruik afgestemd te zijn op de doelgroep, rekening houdend met de diversiteit aan handicaps.
Daarnaast moet er kwaliteitscontrole zijn op het centraal punt.
Tot slot moeten ervaringsdeskundigen betrokken worden bij de ontwikkeling van het centraal punt en de informatiecampagnes.

    • Inclusieve en representatieve media:
      Op p. 53 wordt onder de Vlaamse actieplannen gesproken van de VRT die zich inzet voor een representatievere beeldvorming.
      Dit zou voor alle mediakanalen moeten gelden, maar zeker voor de openbare omroep.

      Het volstaat daarbij niet dat er programma’s gemaakt worden over personen met een handicap; deze laatsten dienen evenwaardig actief te participeren in programma’s. Evenwaardigheid betekent dat ze niet te zien zijn wegens hun handicap, maar wel voor hun persoonlijkheid, kennis, vaardigheden, expertise, … Dit stemt overeen met de eis van het UNCRPD-Comité om een positief imago van personen met een handicap te bevorderen en om misvattingen en stereotypen uit te bannen, vooral in de media.

      In het algemeen is er meer positieve beeldvorming vereist.

  • Aandachtspunten:

    • Er moet worden gestreefd naar een bredere uitrol van toegankelijke formaten (niet enkel easy-to-read, maar ook braille bv.).

    • Het secretariaat van het Platform

    • van de adviesraden moet duurzaam verankerd worden in de wet en moet als zodanig gefinancierd worden.

    • De verenigingen van personen met een handicap moeten meer ondersteund worden, o.m. in het financieel opzicht.

xv. Art. 30 UNCRPD:

  • Wat ontbreekt:

  • Prioriteiten:

    • De EDC-kaart is nog veel te weinig bekend bij zowel personen met een handicap als bij aanbieders van diensten. Er is dringend nood aan informatiecampagnes.

  • Aandachtspunten:

    • De toegang tot vrijetijdsactiviteiten moet verbeterd worden. Dit houdt o.m. (aangepaste) vervoersmogelijkheden in. Ook interregionaal. Dit is het geval voor de toegang tot gezondheidszorg, maar niet voor vrijetijdsactiviteiten…

      De uitrol van de EDC is nuttig, maar het is geen alternatief voor de investeringen die gedaan moeten worden in de uitbouw van een inclusief vrijetijdsaanbod. Ter herinnering: gratis dienstverlening maakt deze nog niet toegankelijk. Gratis toegang is een antwoord op de armoede waar veel personen met een handicap mee te maken hebben. Om deel te nemen aan het leven in de samenleving, is het evenwel noodzakelijk om ook te werken aan toegankelijkheid.

    • In het algemeen is er meer steun nodig voor de deelname aan het culturele leven, vrijetijdsbesteding en sport.

xvi. Art. 31 UNCRPD:

  • Aandachtspunten:

    • Niet alle adviesraden zijn uitgenodigd bij de WG Statistiek.
      De ALS-studie (2021) toonde bijvoorbeeld ook aan dat belangrijke actoren vaak over het hoofd worden gezien.

    • UNCRPD-definitie van handicap:
      De gegevensverzameling moet in overeenstemming zijn met de UNCRPD-definitie van handicap. Zeker ook omdat er wordt gestreefd naar een harmonisering van de definitie binnen België, mag daar niet van af geweken worden.

      Dat wil zeggen dat de gegevensverzameling niet louter op bestaande erkenningen mag gebeuren, maar ook dat kortstondige ‘beperkingen’ niet aanzien mogen worden als handicaps.

      Verder legt het UNCRPD een mensenrechtenbenadering op. Aldus zou er gewerkt kunnen worden met vragen die personen met een handicap identificeren bij de volkstelling. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aanbevolen vragen door de Washington Group on Disability Statistics. Dat is een aanbeveling van het UNCRPD-Comité.

    • Focus op de intersectionale identiteit van personen met een handicap: vrouwen met een handicap, personen met een migratieachtergrond en een handicap, LGBTQI+-personen met een handicap, …

    • Herhaling: focus op de juiste monitoring van het aantal personen met een handicap in dienst bij de private en publieke sector. De cijfers van personen tewerkgesteld in maatwerkbedrijven dienen gescheiden te worden van die van de overheidsbedrijven.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2023/07 - Statuut van bewindvoerder

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2023/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 maart 2023.

Advies op verzoek van de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie, in zijn mail van 17 februari 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Er is een voorontwerp van wet betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon opgesteld. In zijn verzoek om advies wijst de Minister op zijn wens dat het voorontwerp van wet de steun geniet van zo veel mogelijk actoren in de procedures inzake de plaatsing onder rechterlijke bescherming die de belangen van de beschermde personen verdedigen.


3. ANALYSE

De NHRPH heeft enkel het voorontwerp van wet als werkdocument ontvangen, niet de memorie van toelichting en ook niet de toelichting bij de artikelen.

De NHRPH neemt volgende elementen in overweging:

A. Definities

  1. De familiale bewindvoerder wordt in de wet gedefinieerd: ouders of een van beide ouders, echtgenoot, wettelijk samenwonende, persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, lid van de naaste familie, persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in deze zorg, een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt (artikel 3 van het voorontwerp van wet).

  2. De professionele bewindvoerder wordt ook in de wet gedefinieerd: persoon ingeschreven in het nationaal register van gerechtelijke actoren als professionele bewindvoerder (artikel 3).

B. Nationaal register van gerechtelijke actoren

  1. Het nationaal register van gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken wordt het nationaal register van gerechtelijke actoren. Dit is de geïnformatiseerde gegevensbank die de aanwijzing en de terbeschikkingstelling vergemakkelijkt van de informatie die betrekking heeft op de identificatie van een

    1. deskundige die bevoegd is om opdrachten als gerechtsdeskundige uit te voeren;
    2. beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk die bevoegd is om de hem bij de wet toevertrouwde vertaal- of tolkwerkzaamheden te verrichten;
    3. professionele bewindvoerder (artikel 16).

    Het voorontwerp van wet bepaalt welke gegevens in het register mogen worden opgenomen. Het bepaalt de voorwaarden voor opname in het register (artikel 18).

  2. De vrederechter moet de homologatie van de bewindvoerder weigeren wanneer de opname van de aangeduide persoon als professionele bewindvoerder in het nationaal register voor gerechtelijke actoren werd geweigerd of wanneer die opname werd geschorst of geschrapt (artikel 4).

C. Keuze van de bewindvoerder

  1. De vrederechter kiest bij voorkeur een familiale bewindvoerder als bewindvoerder van de persoon, rekening houdend met de mening van de te beschermen persoon, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand. De vrederechter wijst bij voorkeur de bewindvoerder over de persoon aan tot bewindvoerder over de goederen, tenzij dit strijdig is met het belang van de te beschermen persoon of er geen vertrouwenspersoon werd aangewezen. Bij afwezigheid van bewindvoerder over de persoon of ingeval de vrederechter oordeelt dat een andere persoon tot bewindvoerder over de goederen moet worden aangewezen, kiest de vrederechter als bewindvoerder over de goederen bij voorkeur een familiale bewindvoerder of de in artikel 490 bedoelde lasthebber, rekening houdend met de mening van de te beschermen persoon alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, de aard en samenstelling van het te beheren vermogen en de gezinstoestand van de te beschermen persoon (artikel 5).

  2. Wanneer de vrederechter geen familiale bewindvoerder kan aanwijzen, wijst hij een professionele bewindvoerder aan. De vrederechter houdt bij zijn keuze rekening met:

      1. de mening van de te beschermen persoon, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand;
      2. indien de persoon de functie van bewindvoerder over de goederen moet uitoefenen: de aard en samenstelling van het te beheren vermogen (artikel 5).

D. Vorming van de familiale bewindvoerder

De vrederechter kan ook eisen dat de familiale bewindvoerder een vorming volgt (artikel 7).

E. Onverenigbaarheden

Mogen geen bewindvoerders zijn:

  1. personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen;
  2. rechtspersonen, met uitzondering van de private stichting die zich uitsluitend inzet voor de beschermde persoon of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt;
  3. personen die minder dan vijf jaar geleden failliet zijn verklaard of tot de collectieve schuldenregeling zijn toegelaten;
  4. wat uitsluitend het bewind over de goederen betreft, personen die niet vrij over hun goederen kunnen beschikken;
  5. personen die, krachtens artikel 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.

De rechterlijke beslissingen die leiden tot de onverenigbaarheid van de opdracht van een professionele bewindvoerder vanwege een van de gronden vermeld in het eerste lid, worden aan de FOD Justitie meegedeeld via het nationaal register van gerechtelijke actoren (artikel 6).

F. Voorwaarden voor de kandidaten-professionele bewindvoerders

Onverminderd de gronden van onverenigbaarheden moeten de kandidaat-bewindvoerders aan de volgende voorwaarden voldoen om te worden opgenomen:

  1. een erkende theoretische en praktische vorming hebben gevolgd bestaande uit
    • een juridisch deel in domeinen die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten,
    • een deel over het dagelijkse beheer van de bewindvoering,
    • een deel over de kennis van de medische stoornissen waaraan de beschermde personen lijden,
    • een deel over de manier waarop met de beschermde persoon en zijn omgeving moet worden gecommuniceerd en
    • een deel over de deontologische regels die van toepassing zijn op de uitoefening van de professionele bewindvoering of, in geval van verlenging of heropname, een erkende permanente vorming van vier uur tijdens het afgelopen jaar;
  2. de deontologische code onderschrijven en haar naleven voor de duur van de erkenning;
  3. garanties van bekwaamheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, vereist voor de uitoefening van hun opdracht als bewindvoerder, kunnen voorleggen;
  4. niet het voorwerp zijn geweest van een tuchtsanctie die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van bewindvoerder;
  5. niet het voorwerp zijn geweest van een in kracht van gewijsde getreden veroordeling, zelfs met uitstel, tot een criminele of correctionele straf, tenzij ze in eer en rechten zijn hersteld en met uitzondering van de veroordelingen voor inbreuk op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer die, volgens de Minister van Justitie, duidelijk geen belemmering vormen voor de uitoefening van de activiteit van professioneel bewindvoerder.

De erkenning van de vormingen, bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt verleend door de Minister van Justitie op advies van de Commissie voor de erkenning van de vormingen. De Koning bepaalt de inhoud van die vormingen en de nadere regels voor de aanwijzing en de werking van die Commissie.

De Koning bepaalt de inhoud van de deontologische code (artikel 27).

G. Vergoeding van de bewindvoerder

De Koning bepaalt de inkomsten die als berekeningsbasis dienen voor de bepaling van de vergoeding van de bewindvoerder alsook de wijze waarop de forfaitaire vergoeding wordt begroot. De vrederechter kan een bedrag toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan het door de Koning bepaalde forfait (artikel 9).

H. Tuchtstraffen

  1. Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een vergoeding toe te kennen of een lagere vergoeding toekennen (artikel 9).

  2. Ernstige aanwijzingen van tekortkomingen of fraude in het beheer van een professionele bewindvoerder worden aan de FOD Justitie meegedeeld via het nationaal register voor gerechtelijke actoren en, in voorkomend geval, aan de stafhouder, aan het auditoraat bedoeld in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek of aan de Kamer van notarissen (artikel 10).

  3. De bij elk hof van beroep ingestelde tuchtraad heeft tot taak de inbreuken op de eer van de Orde en op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, alsook de inbreuken op de reglementen, met inbegrip van het deontologische reglement dat eigen is aan de professionele bewindvoerders voor de advocaten die die functie uitoefenen, te bestraffen, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat (artikel 11).

I. Opheffing van een bepaling

De bepaling dat de Koning de uitoefening van de functie van bewindvoerder afhankelijk kan maken van bepaalde voorwaarden, onder meer door het aantal personen te beperken van wie men bewindvoerder kan zijn, wordt opgeheven (artikel 8).


4. ADVIES

A. Over het verzoek om advies

  1. Allereerst betreurt de NHRPH de memorie van toelichting en de toelichting bij de artikelen van het voorontwerp van wet niet te hebben ontvangen, zelfs niet nadat de NHRPH erom gevraagd had. Hierdoor is dit advies mogelijk niet nauwkeurig en volledig genoeg.
    ⇒ Concrete wens: de NHRPH hoopt in de toekomst over een volledig dossier te kunnen beschikken om zijn advies te geven.
    ⇒ Meer algemeen herinnert de NHRPH aan zijn adviezen 2022-14 en 2022-21, waarin hij zijn verwachtingen toelicht.

  2. Voorts heeft de NHRPH nota ervan genomen dat in het verzoek om advies wordt vermeld dat het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de bezoldiging van de bewindvoerders thans wordt opgesteld en zo snel mogelijk wordt meegedeeld. Een eerder ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders werd op 17 januari 2022 aan de NHRPH voorgelegd, en klaarblijkelijk niet aangenomen.
    ⇒ Concrete wens: de NHRPH hoopt dat in het toekomstige koninklijke besluit rekening wordt gehouden met de aanbevelingen in zijn advies 2022-08.

B. Met betrekking tot de keuze van de bewindvoerder

  1. De NHRPH stelt ook vast dat de wetgeving duidelijk kiest voor het beginsel dat bij voorkeur een familiale bewindvoerder moet worden gekozen. De NHRPH had liever dat de wet ook zou voorzien in een verantwoordingsplicht indien de rechter geen familiale bewindvoerder kiest.
    Concrete wens: de NHRPH hoopt dat dit in de praktijk altijd zo zal gebeuren. De NHRPH herinnert eraan dat de regering zich ertoe heeft verbonden de mensen ervan bewust te maken dat een bewindvoerder op voorhand kan worden aangewezen, in overeenstemming met artikel 4, c), en artikel 12, vierde lid, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, alsook de positieve verplichtingen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Een eventueel gebrek aan digitale vaardigheden van de familiale bewindvoerder mag nooit een argument zijn om deze persoon van bewindvoering uit te sluiten.

  2. De NHRPH stelt vast dat de vrederechter ook kan eisen dat de familiale bewindvoerder een vorming volgt.
    Concrete wensen:

    • De NHRPH wil graag weten om wat voor soort opleiding het gaat: juridisch, boekhoudkundig, over het gebruik van het centraal register van bescherming van de personen, ...?
    • De NHRPH vindt dat noch de familiale bewindvoerder noch de beschermde persoon mag opdraaien voor de kosten van de opleiding.

C. Over de vorming van de professionele bewindvoerder

  1. De NHRPH neemt er nota van dat kandidaat-professionele bewindvoerders een theoretische en praktische vorming moeten volgen. De NHRPH is bijzonder tevreden dat deze opleiding verschillende aspecten omvat en niet enkel een juridische vorming is. Toch ontbreken bepaalde aspecten: vorming over de UNCRPD-beginselen, met name inclusie (art. 3 (c)), keuzevrijheid (art. 3 (a)), ondersteuning in plaats van vervanging (art. 12 (3)), de resterende capaciteiten van de personen met een handicap zien en erkennen (art. 12 (4)).
    Concrete wensen:

    • De NHRPH vraagt deze vorming ook verplicht te maken voor wie al bewindvoerder is.
    • De NHRPH vraagt de vorming uit te breiden met de UNCRPD-beginselen en -vereisten.
    • De NHRPH vindt dat de beschermde persoon niet mag opdraaien voor de kosten van de vorming.
  2. De NHRPH stelt vast dat de Koning de inhoud van de deontologische code zal bepalen.
    Concrete wens: de NHRPH vraagt te worden geraadpleegd over het ontwerp van koninklijk besluit.

Zijn er bepalingen over de werkelijke betrokkenheid van professionele bewindvoerders? Moeten zij een beroep doen op een informeel, (para)medisch of sociaal netwerk? Hoe vaak moeten zij de beschermde persoon ontmoeten? In zijn advies 2022-14 drong de NHRPH erop aan dat de bewindvoerder de beschermde persoon meerdere keren per jaar ontmoet.

In zijn advies 2022-21 benadrukte de NHRPH ook de grote verschillen in de praktijk tussen vredegerechten, wat de gelijkheid tussen burgers ondermijnt. Wat wordt gedaan om dit te verhelpen?  

D. Met betrekking tot de tuchtstraffen

De NHRPH merkt op dat ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan weigeren een vergoeding toe te kennen of een lagere vergoeding kan toekennen. Evenzo stelt de NHRPH vast dat de bij elk hof van beroep ingestelde tuchtraad tot taak heeft de inbreuken op de eer van de Orde en op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, alsook de inbreuken op de reglementen, met inbegrip van het deontologische reglement dat eigen is aan de professionele bewindvoerders voor de advocaten die die functie uitoefenen, te bestraffen, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat.
Concrete wens: de NHRPH hoopt dat met deze bepalingen paal en perk wordt gesteld aan het misbruik door de bewindvoerders waarvan gewag wordt gemaakt in de pers en door sommige verenigingen voor personen met een handicap. De NHRPH wenst een jaarlijks verslag over de werking en de gevallen die aan de tuchtraden worden voorgelegd. Meer in het algemeen wenst de NHRPH een regelmatige evaluatie van de nieuwe maatregelen.

E. Betreffende de opheffing van de bepaling dat de Koning het aantal personen kan beperken van wie men bewindvoerder kan zijn

Concrete wens: de NHRPH herinnert eraan dat transparante en volledige rapportering noodzakelijk is met het oog op kwaliteitsvolle dossiers.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2023/09 - Parkeerkaart voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2023/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de parkeerkaart voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/03/2023.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de ministers-presidenten van de deelgebieden
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De NHRPH gaat uit van de volgende vaststellingen:

  • het aantal parkeerkaarten voor personen met een handicap dat in omloop is, is aanzienlijk;
  • het aantal voorbehouden plaatsen voor kaarthouders is onvoldoende;
  • sommige kaarten zijn niet meer geldig;
  • soms wordt de kaart gebruikt zonder dat de kaarthouder met het voertuig reed of werd vervoerd;
  • er zijn valse kaarten in omloop;
  • de controles gebeuren sporadisch, gelokaliseerd en over het geheel genomen totaal onvoldoende (heel wat kaarthouders werden nog nooit gecontroleerd);
  • de meeste kaarten worden afgeleverd voor onbepaalde duur;
  • de betaling van de parkeerretributies verschilt van de ene gemeente tot de andere en de informatie over de betaal- of vrijstellingsvoorwaarden is onvolledig.
  • het openbaar vervoer is niet voldoende toegankelijk; zich met de wagen verplaatsen is dan geen keuze meer, maar een noodzaak.

Voor heel wat personen met mobiliteitsproblemen zijn verplaatsingen enkel mogelijk als ze kunnen rekenen op voorbehouden parkeerplaatsen.


3. ANALYSE

Relevante wetgeving en reglementering

A. Ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap

Art. 5. De kaart is strikt persoonlijk; zij mag enkel gebruikt worden wanneer de titularis vervoerd wordt in het voertuig dat geparkeerd wordt of wanneer hij zelf dat voertuig bestuurt.
In geval van misbruik kan de kaart door een bevoegd agent ingehouden worden, die de kaart terugstuurt naar de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap. In dat geval kan deze Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap beslissen om geen nieuwe kaart aan de betrokkene af te leveren tijdens de 6 maanden die volgen op de datum waarop de kaart werd ingetrokken.
Indien het motief dat het gebruik ervan rechtvaardigt, wegvalt, moet de kaart desgevallend op vraag van de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap, door de titularis teruggezonden worden aan deze Bestuursdirectie.
In geval van overlijden van de titularis moet de kaart binnen een termijn van dertig dagen volgend op het overlijden, door de nabestaanden van de titularis terugbezorgd worden via het gemeentebestuur van de woonplaats van de overledene. Gebeurt dit niet, dan kan de kaart door een bevoegd agent ingehouden worden.

Art. 7. De kaart die na 30 september 2005 wordt afgeleverd, is van onbepaalde duur, behalve indien de medische erkenning, waarop de aflevering steunt, beperkt is in de tijd. In dit geval stemt de geldigheidsduur van de kaart overeen met de periode gedekt door de medische erkenning. De hernieuwing van de kaart gebeurt volgens dezelfde modaliteiten als voor de eerste aanvraag.

B. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode)

a) Voorbehouden plaatsen

  • Artikel 27bis “de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c) zijn voorbehouden voor voertuigen die gebruikt worden door de personen met een handicap die houder zijn van de speciale kaart bedoeld in artikel 27.4.3. of van het door artikel 27.4.1bis van de Wegcode hiermee gelijkgestelde document”.

b) Zone met beperkte parkeertijd (blauwe zone)

  • 27.1.1. Elke bestuurder die, op een werkdag of op de dagen vermeld op de signalisatie, een auto, een vierwielige bromfiets, een driewieler met motor of een vierwieler met motor parkeert in een zone met beperkte parkeertijd, moet op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig een parkeerschijf aanbrengen, die overeenstemt met het model dat bepaald is door de Minister van Verkeerswezen.

c) Betalend parkeren

  • 27.3.1. 1° Op plaatsen met parkeermeters of parkeerautomaten geschiedt het parkeren op de wijze en onder de voorwaarden die op deze toestellen zijn vermeld.

d) Parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap

  • 27.4.1. De beperkingen van de parkeertijd gelden niet voor de voertuigen die gebruikt worden door personen met een handicap wanneer de speciale kaart bedoeld in 27.4.3 is aangebracht op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig.
    Met de speciale kaart bedoeld in 27.4.3 wordt gelijkgesteld het document dat in een ander land door de bevoegde overheid van dat land afgeleverd wordt aan de personen met een handicap die voertuigen gebruiken, en waarop het symbool afgebeeld onder 70.2.1.3°.c) voorkomt.
  • 27.4.2. De speciale kaart vervangt de parkeerschijf wanneer het gebruik daarvan verplicht is.

C. Gemeentelijke autonomie – gewestelijke decreten

a) Decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens (Vlaams Gewest)

Art. 10/1. Wanneer de Vlaamse Regering of de gemeente een aanvullend reglement vaststellen dat betrekking heeft op het parkeren voor een beperkte tijd, het betalend parkeren en het parkeren op plaatsen voorbehouden aan houders van een gemeentelijke parkeerkaart, kunnen zij parkeerretributies of -belastingen bepalen die van toepassing zijn op motorvoertuigen, hun aanhangwagens of onderdelen.
Deze bepaling geldt niet voor het halfmaandelijks beurtelings parkeren en de beperking van het langdurig parkeren.

b) Decreet van 19 december 2007 betreffende het goedkeuringstoezicht van het Waalse Gewest op de aanvullende reglementen op de openbare wegen en op het verkeer van de gemeenschappelijke vervoermiddelen (Waals Gewest)

Art. 6. Wanneer de Regering of een gemeenteraad een bijkomend parkeerreglement vastlegt voor parkeerplaatsen met beperkte duur, betaalparkeerplaatsen en parkeren op plaatsen voorbehouden aan de houders van een gemeentelijke parkeerkaart, kan hij/zij voorzien in een parkeerheffing of -taks of parkeerheffingen bepalen in het kader van concessies of beheerscontracten betreffende het parkeren op de openbare weg, die toepasselijk zijn op motorvoertuigen, de aanhangwagens of bestanddelen ervan.
De in het eerste lid bedoelde bepaling is niet van toepassing op halfmaandelijks alternerend parkeren, noch op de beperking van langdurig parkeren.

c) Ordonnantie van 6 juli 2022 houdende organisatie van het parkeerbeleid en herdefiniëring van de opdrachten en beheerswijze van het Parkeeragentschap van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 14. § 1. De regering bepaalt de maximale parkeertijd en in voorkomend geval, het bedrag van de retributie, vastgesteld op uurbasis, verschuldigd voor het parkeren in elke gereglementeerde zone, met uitzondering van de blauwe zone.
§ 3. In de blauwe zone is geen enkele retributie op uurbasis verschuldigd voor de duur van het toegelaten parkeren bij gebruik van een parkeerschijf in overeenstemming met artikel 27 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

Art. 18. Met inachtneming van de regels bepaald bij het ministerieel besluit van 9 januari 2007 betreffende de gemeentelijke parkeerkaart worden vrijstellingskaarten uitgereikt aan:

    1. buurtbewoners voor de deelsector waar zij wonen;
    2. zorgverleners die dringende medische hulp verlenen;
    3. exploitanten van motorvoertuigen die bestemd zijn voor een systeem van deelvoertuigen;
    4. personen met een handicap.

Art. 19. § 1. De houders van een vrijstellingskaart bedoeld in artikel 18, lid 1, 2°, zijn zolang zij effectief medische hulp verstrekken niet onderworpen aan het verplichte gebruik van een parkeerschijf noch aan de betaling van welkdanige retributie ook bedoeld in artikel 14.
§ 2. De houders van een vrijstellingskaart bedoeld in artikel 18, lid 1, 4°, zijn niet onderworpen aan het verplichte gebruik van een parkeerschijf, noch aan de betaling van welkdanige retributie ook bedoeld in artikel 14, behalve indien de Regering dit uitdrukkelijk uitsluit voor een welbepaalde gereglementeerde zone.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid gelden op voorwaarde dat een geldige parkeerkaart voor personen met een handicap is aangebracht op een zichtbare manier tegen de binnenkant en in het midden van de voorruit.
In de gemeenten die de controle- en inningsopdrachten hebben overgedragen overeenkomstig artikel 15, paragraaf 2, verzekert het Parkeeragentschap het daadwerkelijke genot van de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen op grond van de volgende bijkomende digitale modaliteiten:

    1. de inschrijving van de nummerplaat van het voertuig in een gedigitaliseerde lijst van vrijgestelde voertuigen die het Parkeeragentschap bijhoudt;
    2. een kosteloos gedigitaliseerd parkeerrecht dat per parkeerbeurt van het voertuig kan worden verworven door middel van de parkeerautomaat;
    3. een kosteloos gedigitaliseerd parkeerrecht dat per parkeerbeurt van het voertuig kan worden verworven met de andere digitale middelen die het Parkeeragentschap ter beschikking stelt, zoals een app, een SMS of een webpagina;
    4. elke aanvullende modaliteit die door de Regering wordt aangenomen.

4. ADVIES

A. Wat betreft de geldigheidsduur van de parkeerkaart

Vroeger werden de kaarten afgeleverd voor een duur van maximum 10 jaar. De DG Personen met een handicap (DG HAN) ondervond destijds enorme problemen om het aantal aanvragen voor een hernieuwing binnen een redelijke termijn te behandelen. In 2005 heeft de NHRPH aanvaard dat de kaart voor onbeperkte duur wordt afgeleverd.

⇒ Concrete wens: de NHRPH stelt voor de geldigheidsduur van de kaart te beperken tot 5 jaar. Dit zou bijvoorbeeld het aantal keer dat de kaart door de familie van een overleden persoon wordt gebruikt, beperken. Voor personen die erkend worden voor onbepaalde duur of voor langer dan 5 jaar moet het initiatief voor de hernieuwing evenwel van de FOD Sociale Zekerheid komen. Het is niet de bedoeling een “non-take-up” te creëren. De FOD moet de procedure op zijn minst 6 maanden vóór het verstrijken van de geldigheid van de kaart lanceren om zeker ervan te zijn dat de rechthebbende de nieuwe kaart tijdig ontvangt. De geldigheidsdatum van de kaart moet zichtbaar zijn wanneer men de kaart achter de voorruit aanbrengt.

B. Wat betreft artikel 5 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999

De kaart is strikt persoonlijk. Er wordt soms vastgesteld dat de persoon met een handicap niet in het voertuig zit wanneer de kaart wordt gebruikt. Het begrip overtreding moet worden genuanceerd ten opzichte van de concrete situatie: soms hebben familieleden of andere personen het voertuig verlaten net om de persoon met een handicap in het ziekenhuis, het dagcentrum, … te gaan halen; soms stapt de bestuurder uit het voertuig om de persoon met een handicap tot aan de deur te begeleiden; of soms voert de bestuurder verrichtingen uit voor de persoon met een handicap, zonder dat hij/zij nog in het voertuig aanwezig is. In al deze gevallen is een beoordelingsmarge wenselijk. In alle andere gevallen is vastberadenheid geboden.

⇒ Concrete wens: artikel 5 van het ministerieel besluit bepaalt dat “… de kaart kan worden ingehouden door een bevoegd agent …”. De NHRPH zou willen dat de tekst voorziet in het woord “moet”. Het motief voor de inhouding van de kaart moet duidelijk in het dossier van de persoon worden vermeld. In geval van inhouding is een hernieuwing mogelijk na 6 maanden opschorting. De informatie tussen de verbaliserende agenten en de cel fraude van de DG HAN moet snel worden uitgewisseld, zodat de hernieuwing wordt beperkt tot de strikte gevallen van verlies of onverwachte beschadiging.

C. Wat betreft het tekort aan voorbehouden plaatsen voor de houders van de parkeerkaart

Er zijn te weinig voorbehouden plaatsen voor de houders van de parkeerkaart. De gemeenten weigeren soms extra plaatsen te voorzien, terwijl de vraag groot is.

⇒ Concrete wens: De NHRPH is er zich van bewust dat het een federaal adviesorgaan is zonder bevoegdheid op gemeentelijk niveau. Het lijkt hem evenwel belangrijk, rekening houdend met het belang van de uitdaging om eraan te herinneren dat er vooral voorbehouden plaatsen moeten bijkomen waar er een grote vraag is. Vooral in de buurt van winkels, apothekers, medische centra, rusthuizen, instellingen voor personen met een handicap, … moeten nieuwe plaatsen worden gecreëerd. Die verwachting komt overigens volledig overeen met wat artikel 20 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt: “De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen.”

D. Wat betreft het gebruik van valse parkeerkaarten

Het lijdt geen twijfel dat er valse parkeerkaarten worden gebruikt. Dit misbruik en frauduleus gebruik vallen onder de delicten vervalsing en gebruik van vervalsingen. Wettelijk kunnen de overtreders een boete van € 75 000 en 5 jaar gevangenisstraf krijgen.

⇒ Concrete wens: de NHRPH vraagt dat de sancties werkelijk worden toegepast.

E. Wat betreft de parkeerretributies

De parkeerkaart vormt, voor personen met een handicap van wie de verplaatsingsmoeilijkheden werden aangetoond door de DG HAN, een gedeeltelijk antwoord van de Staat op een weinig toegankelijke omgeving, zowel op het niveau van het vervoer als wat betreft de infrastructuur. De meerkosten verbonden aan het systematisch een beroep doen op een auto of een taxi zijn enorm. Niet voor de parkeerplaats moeten betalen is een heel bescheiden compensatie! Personen met een handicap zijn hebben vaak een laag inkomen. In de meeste gemeenten is parkeren gratis voor voertuigen die worden gebruikt door een houder van de parkeerkaart. In sommige gemeenten is parkeren evenwel betalend. Sommige gemeenten kennen de vrijstelling van de parkeerretributies enkel toe voor voorbehouden plaatsen. Sommige gemeenten eisen voorafgaande formaliteiten - Zie in Brussel.

Het is dus voor de houders van parkeerkaarten moeilijk geworden om te weten in welke gemeente ze moeten betalen en wat de voorwaarden voor het gebruik van de kaart zijn. Gedurende enkele jaren heeft de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) enquêtes afgenomen bij de gemeenten om te weten of parkeren er betalend was en of de gemeenten de houders van de kaart vrijstelden van betaling: een lijst op de website van de DG HAN verduidelijkt de situatie in de gemeenten. Deze dienstverlening wordt al jaren niet meer gewaarborgd, aangezien de DG HAN zich opnieuw heeft toegespitst op haar voornaamste bevoegdheden.

Ander probleem: personen met een handicap hebben de NHRPH meegedeeld dat zij, in de blauwe zone, een bekeuring hebben gekregen, omdat zij enkel hun parkeerkaart achter de voorruit hadden geplaatst. De motivatie was dat zij, naast de kaart, niet de parkeerschijf hadden geplaatst. Dit gaat helemaal in tegen artikel 27.4.2. van de Wegcode die bepaalt dat de speciale parkeerkaart de parkeerschijf vervangt wanneer het gebruik daarvan verplicht is.

Al deze vaststellingen wijzen op een echte rechtsonzekerheid.

⇒ Concrete wens: de IMC (Interministeriële conferentie) “Handicap” zou het probleem moeten bespreken en regelen via haar werkgroep “mobiliteit”. De NHRPH vraagt dat serieus wordt overwogen dat de Gewesten regels opstellen en daarbij voorzien dat de gemeenten de houders van de parkeerkaart ambtshalve vrijstellen van het betalen van de parkeerretributies.

⇒ Concrete wens: aanpassing van de Wegcode. Momenteel is artikel 27 niet duidelijk, wat de rechtszekerheid als principe van behoorlijk bestuur op het spel zet.

Er zijn twee uitzonderingen:

    1. in paragraaf 3, wat betreft de parkeermeters en parkeerautomaten;
    2. in paragraaf 4, wat betreft de parkeerkaarten voor personen met een handicap.

Normaal gesproken zou paragraaf 4 een uitzondering op paragraaf 3 moeten zijn, wat de intentie van de wetgever lijkt te zijn geweest. Personen met een handicap kunnen onbeperkt “in de blauwe zone” parkeren. (De kosteloosheid lijkt hier noodzakelijk). De huidige interpretatie is evenwel dat de personen met een speciale parkeerkaart ook de regels van de parkeermeters moeten naleven.

Meer in het bijzonder moet artikel 27 worden verduidelijkt:
OFWEL is de parkeerkaart een uitzondering op de regels van de parkeermeters en parkeerautomaten, en bijgevolg kunnen personen met speciale parkeerkaarten gratis en onbeperkt in de tijd in de blauwe zone parkeren,
OFWEL is de parkeerautomaat een uitzondering in de blauwe zone voor iedereen. In dat geval moet de uitdrukking “onbeperkt in de tijd parkeren” worden geschrapt uit de juridische tekst, ofwel moet worden toegelicht hoe dit in dat geval zit met de betaling.

F. Probleem met de scan cars

De NHRPH is op de hoogte van besprekingen die over de scan cars aan de gang zijn tussen Minister Karine Lalieux en de Gewesten. De NHRPH maakt zich zorgen, want er is geen feedback meer sinds het najaar van 2022. Ondertussen worden personen met een handicap zeer regelmatig beboet in het hele land en moeten ze zware en herhaaldelijke procedures volgen.

⇒ Concrete wens: de NHRPH herinnert aan zijn adviezen 2020-04, 2021-32 en 2022-19 en verwacht dringend feedback over de stand van zaken van het dossier.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2023/08 - Gebruik van EDC voor vrijstelling van het boordtarief op de trein

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Financiële moeilijkheden en compensaties

Advies nr. 2023/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het gebruik van de European Disability Card (EDC) voor de vrijstelling van het boordtarief op de trein, behandeld tijdens de plenaire zitting van 20/02/2023 en uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20/03/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit.
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Personen die hun treinticket aan boord van de trein kopen, moeten een supplement betalen. Dat supplement bedraagt momenteel al 9 euro bovenop de normale aankoopprijs. De NHRPH vindt dat personen met een handicap moeten kunnen worden vrijgesteld van dat supplement en stelt voor om de European Disability Card (EDC) daarvoor te gebruiken. De NHRPH bracht al in 2015 het advies 2015-21 over het boordtarief uit.


3. ANALYSE

A. Moeilijkheden bij de aankoop van een treinticket

De NMBS koos voor het boordtarief om discussies aan boord tussen treinbegeleider en reizigers zonder vervoersbewijs te voorkomen: of je hebt al een ticket of je koopt er een op de trein, maar met een supplement.

Sommige mensen slagen er echter niet altijd in om vooraf hun treinticket te kopen. Het gaat daarbij om personen met een handicap, ouderen, anderstaligen enz. Omdat deze personen in veel gevallen niet de mogelijkheid hebben om vooraf een vervoersbewijs te kopen, bijvoorbeeld wegens hun handicap, beschouwt de NHRPH boordtarief in deze gevallen als een discriminatie.

Hieronder volgen de belangrijkste hindernissen bij het kopen van een vervoersbewijs:

  1. Weinig bemande loketten
    In veel stations zijn er geen bemande loketten meer of zijn die maar beperkt open. Mensen kunnen dus niet altijd hulp of informatie krijgen bij het kopen van een vervoersbewijs.

  2. Digitalisering
    Tickets kunnen vooraf online worden gekocht. De NMBS maakt werk van een zo toegankelijk mogelijke website, maar desondanks is voor velen de digitale kloof te groot. Niet iedereen is in staat om vlot onlinebetalingen uit te voeren. Zo zijn er mensen die onder financieel bewind staan en wekelijks wat cash krijgen voor dagelijkse kosten. Zij hebben geen betaalkaart en kunnen ook niets online kopen.

  3. Ticketautomaten
    De huidige automaten voor de aankoop van vervoersbewijzen zijn onvoldoende toegankelijk. De NMBS heeft al meegedeeld dat er toegankelijkere automaten op komst zijn. De NHRPH waardeert dat initiatief, maar denkt niet dat daarmee iedereen zal zijn geholpen.

B. Bezwaren tegen het boordtarief

  1. Verordening (EG) nr. 1371/2007
    Het boordtarief opleggen aan personen met een handicap is niet in overeenstemming met de EU-wetgeving. Overweging 10 en art. 19 van Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer bepalen dat personen met een handicap zonder extra kosten hun vervoerbewijs in de trein moeten kunnen kopen. De verordening is rechtstreeks toepasbaar in de Belgische rechtsorde o.g.v. art. 288 (2) VWEU.

  2. Verordening (EU) Nr. 1300/2014
    De Bijlage bij Verordening (EU) Nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit spreekt onder punt 4.4.1. concreet over onbemande stopplaatsen en personen met een visuele handicap. Er wordt bepaald dat er ”(…) te allen tijde alternatieve middelen voor de aanschaf van een vervoersbewijs beschikbaar (moeten) zijn (in de trein of op het station van aankomst bijvoorbeeld).”
    Voor de NHRPH moet dit worden uitgebreid tot alle personen met een handicap die niet goed overweg kunnen met ticketautomaten op onbemande stopplaatsen.

  3. Bezwaren van Unia
    Unia formuleerde zijn bezwaren in een artikel van 09/02/2015: 
    Het vaste boordtarief van de NMBS spoort niet met het VN-Verdrag | Unia.

  4. Bezwaren van de NHRPH
    De NHRPH formuleerde zijn bezwaren in een aantal adviezen, in het bijzonder advies 2015-21 en advies 2023-06.

C. De EDC als bewijs van handicap

  1. Omschrijving
    De EDC is een kaart die bewijst dat de persoon die vermeld staat op de kaart in zijn land erkend is als persoon met een handicap. De kaart wordt niet alleen in België erkend, maar ook in Cyprus, Estland, Finland, Italië, Malta, Slovenië en Roemenië. Er wordt werk gemaakt van een uitbreiding naar andere EU-landen. België diende het voorstel voor de European Disability Card in september 2015 in. Na de goedkeuring werd in december 2015 een overeenkomst ondertekend met de Europese Commissie.

  2. Voordelen van de keuze voor de EDC
    Voor de keuze van de EDC tot vrijstelling van het boordtarief haalt de NHRPH de volgende argumenten aan:

    • De EDC is een direct bewijs van iemands handicap.
    • De EDC bestaat al, kan gemakkelijk worden aangevraagd door personen met een handicap en is al in gebruik. Er moet dus geen nieuwe kaart worden gecreëerd.
    • …De EDC is nu al geldig in 8 EU-landen. Meerdere andere EU-landen wensen de EDC spoedig in te voeren. De Europese Commissie steunt het principe van de erkenning van de EDC in de 27 EU-landen tegen 2024.
    • …De persoon heeft de EDC in principe steeds op zak, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de parkeerkaart voor personen met een handicap die zich bij een uitstap vaak achter de voorruit van de geparkeerde wagen bevindt.
    • ..De EDC is niet stigmatiserend. De EDC geeft geen bijkomende informatie over de handicap van de kaarthouder. Bovendien kan de persoon zelf beslissen of hij gebruik maakt van de kaart en die toont of niet.
    • Naast veel partners uit de sector van toerisme, sport en vrije tijd erkent ook De Lijn in Vlaanderen de EDC. De Lijn erkent de EDC als een middel waarmee je aan de chauffeur of controleur het signaal kan geven dat je een reiziger met een handicap bent. Als een grote mobiliteitsmaatschappij als de NMBS de EDC ook erkent, is dat een grote stap voorwaarts voor de EDC en vooral voor de personen met een handicap.

4. ADVIES

A. Met betrekking tot het boordtarief

  1. Aangezien het probleem van het boordtarief al aansleept sinds 2015, vraagt de NHRPH dringend een goede oplossing voor personen met een handicap.
  2. De NHRPH blijft aandringen op een volledig toegankelijk treinverkeer, toegankelijke aankoopkanalen en menselijke assistentie. Toegankelijkheid is een eis die los staat van het al dan niet bestaan van het boordtarief en voortvloeit uit art. 9 en 20 UNCRPD en art. 8 EVRM. Concreet stelt art. 20 UNCRPD dat de grootste mate van zelfstandigheid dient te worden gewaarborgd bij de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap. De NHRPH herinnert eraan dat er dient te worden gestreefd naar een geleidelijke verwezenlijking van deze internationale verplichtingen op grond van art. 26 van het Weens Verdragenrecht.
  3. In afwachting van volledig toegankelijke aankoopkanalen voor vervoersbewijzen bij de NMBS vraagt de NHRPH om de EDC te aanvaarden als bewijs van handicap op de trein tot vrijstelling van het betalen van een supplement bovenop de aankoopprijs. Deze vrijstelling is in lijn met de Verordeningen nr. 1371/2007 en 1300/2014.
  4. Het aanvaarden van de EDC voor de vrijstelling van het boordtarief stelt de NMBS en de overheid geenszins vrij van hun plicht om een dienstverlening te bieden die toegankelijk is voor iedereen.

B. Met betrekking tot de adviezen van de NHRPH over het boordtarief

  1. De NHRPH verwijst voor verdere informatie naar zijn vorige adviezen over het boordtarief, in het bijzonder advies 2015-21 en advies 2023-06.
  2. De NHRPH vraagt om rekening te houden met dit advies en de vorige adviezen.
  3. De NHRPH wenst op de hoogte te worden gehouden van de evolutie van dit dossier.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2023/06 - Resolutie over vrijstelling van het boordtarief op de trein

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2023/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een voorstel van resolutie over een vrijstelling van het boordtarief voor de treinreizigers die opstappen in een station zonder bemand loket, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20/02/2023.

Advies op vraag van de Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (e-mail van 27/01/2023).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Voorzitter van de Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en mede-indiener van het voorstel van resolutie
  • Voor opvolging aan mevrouw Chanelle Bonaventure en mevrouw Laurence Zanchetta, leden van de Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en mede-indieners van het voorstel van resolutie
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-Eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Sinds 1 februari 2015 is elke treinreiziger die in België aan boord van een NMBS-trein een ticket koopt een “boordtarief” verschuldigd van zeven euro boven op de kostprijs van het ticket. De maatregel was bedoeld om fraude te bestrijden. De toeslag van zeven euro bovenop de ticketprijs moest de reizigers ontraden zonder geldig vervoerbewijs op de trein te stappen.

De NHRPH vernam ondertussen in de pers dat dat bedrag op 01/02/2023 werd verhoogd naar 9 euro.


3. ANALYSE

Vandaag hebben veel stations geen loket meer en moeten reizigers hun ticket aankopen aan een automaat in het station of op het perron. Maar waar geen loket is, is soms evenmin een spoorwegbeambte te bespeuren.

Hoewel de NMBS werk maakt van toegankelijke ticketautomaten, blijven ze voor bepaalde personen moeilijk te gebruiken.

De NHRPH heeft al in 2015 het advies 2015-21 uitgebracht over het boordtarief, zoals het voorstel van resolutie ook aanhaalt:

Maar al in 2015 benadrukte de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) dat het boordtarief discriminerend was voor die categorieën van mensen: “Voor de personen in kwestie is het boordtarief een stap achteruit op het vlak van mobiliteit en participatie aan het maatschappelijk leven. Ook mensen met een ernstige handicap moeten de kans hebben zo zelfstandig mogelijk te leven en te reizen, waar nodig met assistentie en redelijke aanpassingen.”

De NHRPH heeft ook nog in latere adviezen over de NMBS naar de problemen rond het boordtarief verwezen, zoals advies 2015-30 over de beheerscontracten en advies 2017-19 over verstandelijke handicap.

Het boordtarief opleggen aan PMH is niet in overeenstemming met de EU-wetgeving. In overweging 10 van de Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer staat: “Gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit moeten zonder extra kosten hun vervoerbewijs in de trein kunnen kopen.” Artikel 19 van dezelfde Verordening bepaalt: “Boekingen en vervoerbewijzen worden gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten.”

De Verordening (EU) Nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PBM) zegt het volgende:

“— Voor de kaartverkoop met ticketautomaten op onbemande stopplaatsen moeten bedrijfsvoorschriften worden opgesteld en toegepast (zie punt 4.2.1.8). In dit geval moeten voor visueel gehandicapten te allen tijde alternatieve middelen voor de aanschaf van een vervoersbewijs beschikbaar zijn (in de trein of op het station van aankomst bijvoorbeeld).” Voor de NHRPH moet dit worden uitgebreid tot alle personen met een handicap die niet goed overweg kunnen met ticketautomaten op onbemande stopplaatsen.

Het voorstel van resolutie wees er tevens op dat ook Unia bezwaren had geuit tegen het boordtarief in een artikel van 09/02/2015:
“Unia wees erop dat het boordtarief niet in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 enerzijds, noch met de Europese verordeningen betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer en de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, anderzijds.”

Het voorstel van resolutie haalt ook terecht de factor van de digitale kwetsbaarheid aan.

Volgens de Barometer Digitale Inclusie die de Koning Boudewijnstichting op 2 september 2022 heeft gepubliceerd, was (in 2021) “46 % van de mensen tussen 16 en 74 jaar digitaal kwetsbaar: 39 % beschikte over geringe digitale vaardigheden (tegenover 32 % in 2019) en 7 % maakte geen gebruik van het internet (tegenover 8 % in 2019).” Bovendien blijkt uit dat onderzoek dat het aantal mensen met beperkte digitale vaardigheden in het hele land aan het toenemen is. Die stijging zou zich vooral voordoen bij mensen met een laag inkomen, laaggeschoolden en werkzoekenden.

Met de versnelling van de digitalisering van de laatste jaren - des te meer tijdens de COVID-19-pandemie – wordt de digitale kloof alleen maar breder. Het probleem van het boordtarief is daarmee nog nijpender geworden. Ondanks inspanningen van de NMBS zullen onlineverkoop van tickets en ticketautomaten voor een deel van de bevolking ontoegankelijk blijven, in het bijzonder voor een significant deel van de mensen met een handicap.


4. ADVIES

  • De NHRPH waardeert het initiatief van de indieners van het voorstel van resolutie om de problematiek van het boordtarief opnieuw onder de aandacht te brengen. De NHRPH hoopt dat er na al die jaren een toegankelijke oplossing voor het probleem van het boordtarief wordt gevonden.
  • Hoewel de NHRPH zich kan vinden in de analyse van het probleem zoals die uit het voorstel van resolutie naar voren komt, is de NHRPH het niet eens met het finale verzoek van het voorstel van resolutie: “Derhalve verzoeken de indieners van dit voorstel van resolutie om werk te maken van een vrijstelling van het boordtarief voor al wie in een station zonder loket opstapt en de treinbegeleider er vóór het vertrek van de trein van verwittigt een treinticket aan boord te willen kopen.”
    De NHRPH vreest dat het verwittigen van de treinbegeleider vooraf opnieuw tot discussies gaat leiden op de trein met mensen die al dan niet oprecht op het perron aangaven aan de treinbegeleider – die soms erg ver weg staat en andere taken te vervullen heeft – dat ze hun treinticket aan boord willen kopen. Bovendien is het voor een persoon met een handicap niet altijd haalbaar om vlot en tijdig in de buurt te komen van een treinbegeleider om een signaal te geven.
  • De NHRPH is ervan overtuigd dat de passagier meer gebaat is met een toegankelijk spoorverkeer en assistentie dan met een procedure die berust op de goodwill van treinbegeleider en passagier. Behalve toegankelijke automaten is er immers ook menselijke aanwezigheid en assistentie nodig: bemande loketten, personeelsleden die assistentie en informatie kunnen verlenen, begeleiding van personen met een beperkte mobiliteit – ook zonder voorafgaandelijke aanvraag -, ... Voor de meeste personen met een handicap gaat er niets boven sociaal contact en interactie.
  • Aangezien een perfect toegankelijk spoorverkeer nog niet voor morgen is, vraagt de NHRPH voorlopig een andere oplossing. Zelf is de NHRPH een voorstander van een kaart die personen met een handicap kan vrijstellen van het betalen van de meerkosten van het boordtarief, zoals al vermeld in het advies 2015-21. De NHRPH stelt voor om de European Disability Card (EDC) hiervoor te gebruiken. Deze kaart heeft het grote voordeel dat die al beschikbaar is en in meerdere EU-landen wordt erkend. Alle erkende personen met een handicap kunnen deze kaart aanvragen. Let wel: het aanvaarden van de EDC-kaart voor de vrijstelling van het boordtarief mag in geen geval een excuus zijn voor de NMBS of de overheid om personen met een handicap hun recht op menselijke assistentie te ontzeggen!
    De NHRPH wenst dat personen op vertoon van hun persoonlijke EDC-kaart aan boord van de trein hun ticket kunnen kopen zonder toeslag, ook zonder vooraf op het perron aan te geven aan de treinbegeleider dat ze nog geen vervoerbewijs hebben.
    In artikel 57 “Assistentie aan PBM”, paragraaf 5 van het nieuwe openbaredienstcontract 2023-2032 van de NMBS wordt trouwens al rekening gehouden met deze mogelijkheid: “NMBS kan personen met een handicap vrijstellen van de boordtoeslag op vertoon van de 'European Disability Card'. Deze mogelijkheid hangt af van de resultaten van het proefproject dat in 8 landen van de Europese Unie wordt uitgevoerd (bij de inwerkingtreding van dit Contract) en van het daaruit voortvloeiende voorstel van de Europese Commissie (in principe eind 2023) om de internationale erkenning van deze kaart vast te stellen, met name op basis van gemeenschappelijke uitgifteprincipes.”
  • De NHRPH verwijst verder naar de argumenten van zijn eerdere advies 2015-21.
  • De NHRPH verwacht van de NMBS dat ze voor al haar diensten ook niet-digitale alternatieven voorziet.
  • De NHRPH merkt op dat in het voorstel van resolutie de uitdrukking “mentale beperking” wordt gebruikt. De NHRPH stelt voor om die te vervangen door de uitdrukking “verstandelijke handicap”.
  • Tot slot vernam de NHRPH in de pers dat treinbegeleiders binnenkort geen cash meer zullen aannemen in de trein. De NHRPH verzet zich hier met klem tegen. Cash is en blijft een valabel betaalmiddel. Digitaal kwetsbare mensen hebben vaak geen andere mogelijkheden dan betalen met cash. Sommigen, zoals personen die onder financieel bewind staan, beschikken zelfs niet over betaalkaarten. Zij krijgen een beperkte hoeveelheid baar geld ter beschikking voor dagelijkse uitgaven. Indien cash niet meer wordt aanvaard op de trein, kunnen deze mensen geen ticket meer kopen op de trein! Kwetsbare mensen dreigen zo twee keer het slachtoffer te worden van de boordtariefregeling van de NMBS. Daarom vraagt de NHRPH dat personen met een handicap – zo nodig op vertoon van een kaart – ook met cash mogen betalen op de trein, zeker wanneer er geen bemand loket open is in het station van vertrek.
  • De NHRPH wenst op de hoogte te blijven van de evolutie van dit dossier.
  • Raadplegingen: 15

Advies 2023/05 - Kennismakingstraject

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Tewerkstelling

Advies nr. 2023/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende het kennismakingstraject, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/03/2023.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, in haar brief van 27 januari 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux,, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een ontwerp van koninklijk besluit creëert een statuut ten behoeve van personen met een handicap bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties, namelijk: “het kennismakingstraject”.


3. ANALYSE  

Het ontwerp van koninklijk besluit, de memorie van toelichting evenals de PowerPoint voorgesteld tijdens de vergadering van de BCAPH van 17 januari 2023 bevatten de volgende elementen:

A. Algemeenheden

Het kennismakingstraject is geen verplicht parcours dat personen met een handicap moeten afleggen om als rijksambtenaar tewerkgesteld te worden. De optie om een gewone statutaire stage af te leggen, eventueel gecombineerd met een indiensttreding op basis van de voorrangsregel, blijft naast dit traject bestaan.

Algemeen is het kennismakingstraject opgebouwd uit verschillende componenten. Ten eerste houdt het traject een “soepele tewerkstelling” in. Dit vertaalt zich op het niveau van aanwerving en beëindiging van het traject. Ten tweede is het traject gericht op een intensieve begeleiding en opleiding van het personeelslid tijdens het traject. Ten slotte bevat het kennismakingstraject een beloningselement in die zin dat een positieve wederzijdse ervaring uitmondt in een stabiele arbeidsrelatie.

Concreet bevat het kennismakingstraject vier fases:

  1. een verlichte selectieprocedure;
  2. een flexibele stage gedurende zes maanden, eventueel verlengd;
  3. een klassieke statutaire stage van zes maanden, eventueel verlengd;
  4. een benoeming tot rijksambtenaar bij een positieve evaluatie.

Het kennismakingstraject beoogt voornamelijk de tewerkstelling van personen met een handicap binnen het federaal administratief openbaar ambt te bevorderen door een periode van wederzijdse aanpassing tussen de werkgever en de werknemer in te lassen.

Het einddoel van dit specifieke statuut is de rol van hefboom tussen de specifieke doelgroep enerzijds en de federale overheid als aantrekkelijke en inclusieve werkgever anderzijds op te nemen.

Het personeelslid krijgt een begeleider toegewezen die hem begeleidt en ondersteunt bij de uitoefening van zijn functie en zijn integratie binnen de federale dienst.  

B. Aanwerving

Wat betreft de aanwerving dient er geen doorlopende of vergelijkende selectie plaats te vinden. Dit betekent dat de aanwervende dienst zelf een verlichte en soepele selectievorm kan organiseren, weliswaar zonder afbreuk te doen aan de objectiviteitscontrole van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning. Dit betekent onder andere dat hij de vacature moet publiceren op zijn website. In het geval er meerdere kandidaten geïnteresseerd zijn in de vacature, moet de aanwervende federale dienst een mondelinge proef organiseren die leidt tot een rangschikking van kandidaten.

C. Stage

  • VOORDIEN
    De statutaire personeelsleden volgen een stage van een jaar.
    De stage wordt voltijds vervuld. Wanneer de stagiair evenwel een persoon met een handicap is, kan hij vragen om zijn stage halftijds of in een 4/5de werktijdregeling te voltooien. In dat geval wordt de duur van de stage evenredig verlengd.
  • HERVORMING
    • de woorden “halftijds of in een 4/5de werktijdregeling” worden ingetrokken: grotere flexibiliteit (bv. 3/4de; 9/10de; 2/3de).
    • Inclusiever en toegankelijker: een persoon met een handicap die niet is erkend in de zin van het koninklijk besluit van 2005 kan bijvoorbeeld hiervan genieten.

D. Bezoldiging

Het personeelslid wordt geacht de klasse of graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Hij komt in aanmerking voor hetgeen ten behoeve van rijksambtenaren is bepaald inzake:

  • allerhande uitkeringen en vergoedingen voor zover het daartoe grond opleverende feit bestaanbaar is met een ononderbroken kennismakingstraject;
  • de bezoldigingsregeling.

E. Beëindigingsgronden

De leidend ambtenaar van de aanwervende federale dienst van het personeelslid kan het kennismakingstraject onder bepaalde voorwaarden beëindigen. Deze beëindigingsmodaliteiten kaderen binnen het element van soepele tewerkstelling, wederzijdse aanpassing en het hefboomelement. De leidend ambtenaar kan zich beroepen op twee gronden om het kennismakingstraject te beëindigen, namelijk wanneer hij ofwel de vaardigheden of bekwaamheden van het personeelslid onvoldoende acht voor de uitoefening van de functie, ofwel een wederzijdse aanpassing onmogelijk acht.

De eerste beëindigingsgrond slaat op de relatie tussen het personeelslid en zijn functie. Dit betekent dat wanneer de leidend ambtenaar het personeelslid niet in staat acht de taken verbonden aan de functie tot een goed einde te brengen, hij kan beslissen het kennismakingstraject te beëindigen.

De tweede beëindigingsgrond slaat op de relatie tussen het personeelslid en de werkvloer in zijn geheel, zowel ten aanzien van de omgeving als het personeel. Concreet betekent dit dat wanneer de leidend ambtenaar geen professionele klik ziet of geen duurzame arbeidsrelatie mogelijk acht tussen het personeelslid en zijn federale dienst, hij kan beslissen het kennismakingstraject te beëindigen.

De leidend ambtenaar dient zijn beslissing te motiveren. Er is geen tussenkomst van de evaluatiecommissie indien het kennismakingstraject op basis van dit artikel wordt beëindigd. De opzegtermijn bedraagt één maand.

Deze beëindigingsmodaliteiten gelden enkel gedurende de eerste zes maanden van het kennismakingstraject dat eventueel werd verlengd. Dit betekent dat de echte kennismaking of wederzijdse aanpassing tijdens die periode plaatsvindt. Indien het traject bijgevolg wordt voortgezet na die periode bekomt het personeelslid nagenoeg hetzelfde statuut als een persoon die de klassieke stage volgt.

F. Gesprekken

Minstens vijf gesprekken dienen plaats te vinden tijdens het kennismakingstraject, namelijk: één kennismakingsgesprek, drie tussentijdse evaluatiegesprekken en één gesprek op het einde. De begeleider van het personeelslid is aanwezig tijdens dit gesprek tenzij het personeelslid verzaakt aan dit recht.

Naast het vastleggen van de verschillende doelstellingen en de beoordeling van de prestaties van het personeelslid bieden deze gesprekken de mogelijkheid om na te gaan of er bepaalde redelijke aanpassingen nodig zijn om de omgeving op de werkvloer af te stemmen op de specifieke situatie van het personeelslid.  Het gegeven dat in dit besluit reglementair wordt verduidelijkt dat redelijke aanpassingen tijdens de evaluaties aan bod moeten komen, betekent niet dat dergelijke aanpassingen in het kader van een klassieke statutaire of contractuele tewerkstelling niet moeten worden onderzocht. Deze verplichtingen volgen immers rechtstreeks uit zowel nationale als internationale wetgeving.

G. Benoeming

Het personeelslid wordt benoemd tot rijksambtenaar wanneer hij, na afloop van zijn kennismakingstraject, geen vermelding “onvoldoende” heeft gekregen of wanneer de evaluatiecommissie, zoals bepaald in artikel 26 van het evaluatiebesluit, zijn benoeming heeft voorgesteld in de klasse of graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.


4. ADVIES

Dit advies heeft enkel betrekking op het ontwerp van koninklijk besluit houdende het kennismakingstraject. Voor andere denkoefeningen over de stijging van de tewerkstellingsgraad in overheidsdiensten verwijst de NHRPH met name naar zijn advies 2023-02 over het ontwerp van koninklijk besluit houdende diverse maatregelen met het oog op de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties.

De NHRPH verheugt zich over het feit dat een grotere flexibiliteit wordt ingevoerd in het verloop van de stage. De NHRPH is ook tevreden over het feit dat bij wijze van aanvulling op de nieuwe mogelijkheden voor contractuele aanwerving voorbehouden voor personen met een handicap, een aanvulling wordt voorzien voor specifieke selecties die leiden tot een statutaire betrekking.

De NHRPH herinnert evenwel eraan dat, opdat de positieve acties conform zijn aan de voorschriften van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met name het volgende nodig is:

  1. Ervoor zorgen dat werkgevers de inzet van personen met een handicap niet beperken tot bepaalde beroepen, gereserveerde jobs of specifieke arbeidseenheden;
  2. Ervoor zorgen dat werkgevers personen met een handicap niet beperken in hun mogelijkheden voor promotie en loopbaanontwikkeling;
  3. Maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat werk dat in het kader van deze maatregelen wordt bevorderd, geen “schijnwerk” is, waarbij personen met een handicap door werkgevers in dienst worden genomen maar geen - of geen zinvol - werk verrichten op gelijke voet met anderen;
  4. Integratie van een handicap-, gender- en leeftijdsperspectief in de gehele organisatie.

(Zie Algemeen commentaar nr. 8 (2022) over het recht van personen met een handicap op werk en werkgelegenheid, pagina 10)

Het is dus van essentieel belang dat personen met een handicap niet worden beperkt tot bepaalde soorten beroepen of overeenkomsten en kunnen genieten van een volledig en dynamisch loopbaantraject. Het is ook uiterst belangrijk dat de betrekkingen die door middel van deze procedure worden voorgesteld niet zijn gebaseerd op clichés en vooroordelen ten aanzien van personen met een handicap. De persoon met een handicap mag in geen enkel geval worden geïnfantiliseerd.

Evenzo mag de aanwerving van personen met een handicap niet enkel via deze procedure verlopen. Personen met een handicap moeten toegang blijven hebben tot de gewone aanwervingsprocedure evenals de procedure die wordt voorzien bij koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage.  

De NHRPH vindt het positief dat het volgende wordt vermeld in de nota aan het College van Voorzitters van 13 december 2022: “elke federale overheidsinstantie zal een HR-beleid op maat uitwerken voor een gecoördineerde aanpak voor individuele begeleiding van sollicitanten (bv. startbaanovereenkomsten) en werknemers met een handicap en begeleiding van hun leidinggevenden en teams waar zij tewerkgesteld worden, op maat van de eigen organisatie. Om dit te faciliteren wordt een pilootproject of een Community of Practice opgezet met geïnteresseerde organisaties om voorbeeldtools uit te werken, op basis van het eDiv platform en in samenwerking met Unia en de FOD BOSA (bv.: een integratieprotocol, informatiebrochures), die nadien kunnen worden gedeeld en aangepast per organisatie. Op deze manier is er een gecoördineerde aanpak en kunnen goede praktijken gedeeld worden, terwijl alle federale overheden de nodige aanpassingen kunnen doen op basis van de noden, het profiel en middelen van de eigen organisatie.” De NHRPH vraagt om bij de denkoefening en de opvolging van dit pilootproject te worden betrokken.

De NHRPH stelt zich evenwel verschillende vragen over een aantal punten.

  • Een persoon met een handicap die niet is erkend in de zin van het koninklijk besluit van 2005 kan hiervan genieten.” Gaat het om categorieën van personen die zijn toegevoegd in het ontwerp van koninklijk besluit houdende diverse maatregelen met betrekking tot personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties (artikel 6)?
  • Wat betreft de aanwerving vraagt de NHRPH zich af welke kanalen zullen worden gebruikt om zoveel mogelijk personen met een handicap te bereiken. Wordt voorzien in samenwerkingen met verenigingen voor personen met een handicap?
  • “De aanwervende dienst kan zelf een verlichte en soepele selectievorm organiseren.” Welke elementen zullen de administraties die zich in deze oefening lanceren stimuleren? Zal deze procedure alle niveaus betreffen? 
  • “Dit betekent onder andere dat hij de vacature moet publiceren op zijn website. In het geval er meerdere kandidaten geïnteresseerd zijn in de vacature, moet de aanwervende federale dienst een mondelinge proef organiseren die leidt tot een rangschikking van kandidaten.” Waarom beperkt men zich tot een mondelinge proef? Zal deze proef een bepalend aanwervingscriterium zijn?
  • Wat betreft de begeleider vraagt de NHRPH zich af of het om een reeds aanwezig personeelslid gaat, om een lid van een vereniging voor personen met een handicap, een externe mantelzorger, … Indien het om een persoon van buiten de administratie gaat, hoe zal die worden bezoldigd?
  • De NHRPH leest het volgende: “Ten tweede is het traject gericht op een intensieve begeleiding en opleiding van het personeelslid tijdens het traject.” Zullen alle kosten ten laste worden genomen door het departement dat aanwerft of door de FOD Beleid en Ondersteuning (BOSA)?
  • De NHRPH zou willen weten of de redelijke aanpassingen tijdens de stage ook van toepassing zijn op opleidingen. Bijvoorbeeld: indien een opleiding plaatsheeft in Brussel en de werknemer is aangesteld in Brugge, in welke mate kan de werkgever hem een aangepast vervoer voorzien om zich naar de plaats van de opleiding te begeven?
  • Ook nog op het vlak van de redelijke aanpassingen: wat als de persoon met een handicap het openbaar vervoer niet kan nemen en nood heeft aan duurder aangepast vervoer om zich naar het werk te begeven? Zullen dergelijke uitgaven door de administratie ten laste kunnen worden genomen?

Ten slotte vreest de NHRPH dat de procedure voor het beëindigen van het kennismakingstraject (beëindigingsgronden) te veel onderworpen is aan de willekeur van de leidinggevende ambtenaar. Wordt deze procedure niet beter ondergebracht in het kader van de traditionele evaluatie? De NHRPH vraagt zich ook af in welke mate de procedures voor beroep voorzien door het statuut van toepassing zijn op het kennismakingstraject.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2023/04 - Rijbewijs met punten

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2023/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het rijbewijs met punten, besproken op de plenaire vergadering van 20/02/2023 en uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20/02/2023.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-Eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de heer Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering, belast met Administratieve Vereenvoudiging, Privacy en Regie der gebouwen
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-Eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De federale regering bereidt de invoering van een rijbewijs met punten voor, waarbij bepaalde overtredingen strafpunten opleveren. Vanaf een bepaalde grens zal het rijbewijs worden ingetrokken.


3. ANALYSE

Het idee van het rijbewijs met punten is niet nieuw. In 1990 werd het rijbewijs met punten onder Minister van Verkeerswezen Jean-Luc Dehaene in de verkeerswet ingeschreven, maar die wet bleef dode letter. Het idee werd in 2020 weer opgevist in het Regeerakkoord van de federale regering:
Een studie over de rol van het rijbewijs met punten in vergelijking met andere landen en over het gebruik van radarverklikkers zal worden uitgevoerd. De regering maakt werk van een structurele aanpak van hardnekkige recidive, ook voor overtredingen die doorgaans afgehandeld worden met een onmiddellijke inning. De wet betreffende het rijbewijs met punten vormt hiervoor de basis

In de meeste Europese landen bestaat er al een rijbewijs met punten. Na een studie van het mobiliteitsinstituut Vias naar de beste praktijken in het buitenland hebben de Ministers van Mobiliteit, Justitie en Binnenlandse Zaken een akkoord bereikt over de krijtlijnen voor het rijbewijs. Deze aanpak past binnen de regeringsdoelstelling om het aantal verkeersslachtoffers te verminderen. In een vergadering met het kabinet-Gilkinet vernam de NHRPH dat de regering hoopt nog deze legislatuur een wet over het rijbewijs met punten te laten goedkeuren.

Het principe: iedereen begint met nul punten. Voor een aantal verkeersovertredingen, in het bijzonder min of meer ernstige overtredingen die de verkeersveiligheid in gevaar brengen, worden punten toegekend. Vanaf 12 punten verliest de persoon zijn rijbewijs. De persoon kan een traject volgen om punten te laten schrappen. De lijst met overtredingen die strafpunten opleveren ligt nog niet vast, maar alcohol- en druggebruik in het verkeer, vluchtmisdrijf enz. zullen op de lijst staan. De politierechtbank zal de strafpunten toekennen.


4. ADVIES

  • Voldoende controles:

De NHRPH wijst erop dat het succes van de wet staat of valt met de kans dat de overtreder wordt betrapt. Als de pakkans laag is, kunnen hardleerse overtreders gevaarlijk blijven rijden zonder er zelf veel gevolgen van te ondervinden. Bij weinig controle duurt het immers wel even voor de 12 strafpunten bereikt zijn. Om een positieve impact op de verkeersveiligheid te hebben, moet het rijbewijs met punten vergezeld gaan van voldoende controles, zodat hardleerse overtreders de negatieve gevolgen voelen: verlies van rijbewijs of de dreiging ervan.

  • Onrechtmatig parkeren op plaatsen voorbehouden voor personen met handicap:

De NHRPH dringt eropaan dat ook parkeerovertredingen gelinkt aan parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor personen met een handicap op de lijst van verkeersovertredingen komen die aanleiding geven tot strafpunten op het rijbewijs.

Deze overtredingen worden nu reeds aanzien als een onrechtstreeks gevaar en de wet bestempelt die dan ook reeds als een tweedegraads overtredingen. Het is belangrijk om deze overtredingen niet over het hoofd te zien bij het bepalen van de lijst van overtredingen die aanleiding geven tot strafpunten, want dit is wel degelijk een kwestie van verkeersveiligheid!

De voorbehouden parkeerplaatsen zijn immers vaak speciaal aangepast aan de noden van de personen met een handicap. Ze bieden personen met een handicap de kans veilig in en uit te stappen en hun eventuele hulpmiddelen (rolstoel, protheses, witte stok, assistentiehond, …) in of uit te laden, wat doorgaans meer tijd en moeite kost dan bij personen zonder handicap.

Vaak zijn voorbehouden parkeerplaatsen breder en langer dan gewone parkeerplaatsen om personen met een handicap de mogelijkheid te bieden de (elektrische) rolstoel langs achteren in en uit de auto te laden, al dan niet automatisch.

De voorbehouden parkeerplaatsen zijn vaak in de directe omgeving van de bestemming: een hospitaal, een station, een warenhuis, overheidsdiensten, scholen, … Wanneer de persoon met een handicap geen nabijgelegen parkeerplaats vindt, moet hij een langer en soms gevaarlijker traject afleggen, terwijl hij al een beperktere mobiliteit heeft dan andere personen. Bovendien zijn lange verplaatsingen voor een persoon met een handicap om gezondheidsredenen vaak niet wenselijk of zelfs maar toegestaan.

  • Problemen met scan cars:

De NHRPH vraagt nadrukkelijk en dringend een oplossing voor de vele onterecht uitgeschreven parkeerboetes aan personen met een handicap. Momenteel scannen scan car immers niet de parkeerkaart voor personen met een handicap, maar de nummerplaat (zie advies 2022-19). Die vergissingen mogen uiteraard niet tot strafpunten leiden. De onterechte boetes schrikken nu al vrijwilligers af die personen met een handicap vervoeren. Als die vrijwilligers niet alleen boetes, maar ook nog strafpunten riskeren, is de kans groot dat ze verzaken aan vrijwilligerswerk.

  • Rechtsonzekerheid omtrent de parkeerregels:

De NHRPH wijst op de inconsistenties in de federale Wegcode en de verschillende gemeentelijke interpretaties die eruit voortvloeien. Zo stelt art. 27.4.1.§4 Wegcode dat de beperkingen van de parkeertijd in de blauwe zone niet gelden voor de voertuigen die gebruikt worden door personen met een handicap wanneer die de parkeerkaart gebruiken. De voorafgaande paragraaf (§3) bepaalt dat daar waar er parkeermeters of parkeerautomaten staan de regels gelden die op de toestellen zijn vermeld, m.a.w. de regels van de gemeente in kwestie.

De NHRPH is van mening dat §4 m.b.t. de parkeerkaart van personen met een handicap moeten worden geïnterpreteerd als een uitzondering op §3 inzake de mogelijkheid van gemeentelijke retributies. Evenwel is de interpretatie voorlopig nog dat gemeentelijke regels voorrang krijgen, waardoor er van de zogenaamde onbeperkte duur van het parkeren lokaal niet veel overblijft.

Hier ligt rechtsonzekerheid op de loer! De NHRPH herhaalt daarom zijn oproep om de parkeerregels – een gemeentelijke bevoegdheid – zo veel mogelijk te uniformiseren. In die context is de NHRPH voorstander van gratis parkeren zonder beperking in de tijd voor personen met een handicap bij gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap (zie advies 2015-20).

  • Digitale portefeuille

Tot slot vraagt de NHRPH aandacht voor de Europese digitale portefeuille die op komst is. Die Digitale portefeuille zal ook het digitale rijbewijs bevatten. De NHRPH vraagt dat de Digitale portefeuille toegankelijk is voor personen met een handicap. Aangezien niet alle digitale diensten, middelen en kanalen toegankelijk zijn voor personen met een handicap, vindt de NHRPH het belangrijk dat de keuze voor de Digitale portefeuille een vrije individuele keuze is, een keuze die bovendien omkeerbaar moet zijn. Voor de NHRPH moet er dus steeds een niet-digitaal, toegankelijk alternatief zijn, want de digitale kloof is voor veel personen met een handicap een feit. Op de brief van de NHRPH van 21/12/2022 antwoordde de heer Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering, belast met Administratieve Vereenvoudiging, Privacy en Regie der gebouwen, dat het gebruik van de Digitale portefeuille op vrijwillige basis zal gebeuren en dat er geen plannen zijn om de Digitale portefeuille te verplichten (brief van 20/02/2023). De NHRPH vraagt om te worden betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van de Digitale portefeuille.

  • Raadplegingen: 11

Advies 2023/01 - Bekwame helpers en mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2023/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over (1) het Voorontwerp van wet tot wijziging van artikel 124, 1°, van de WUG, teneinde de wetgeving betreffende de uitoefening van technische verpleegkundige verstrekkingen door een mantelzorger of door een bekwame helper en over (2) het Voorontwerp van wet tot invoering van een overlegprocedure in het kader van de uitoefening van technische verstrekkingen door bekwame helpers bedoeld in artikel 124, 1°, laatste lid van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 januari 2023 met verdere elektronische raadpleging tussen 19 en 26 januari .

Advies op eigen initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

(1) Het lid rond ‘mantelzorgers’ wordt aangepast en aangevuld. Daarnaast worden er twee nieuwe leden toegevoegd.
(2) De eerst zal betrekking hebben op ‘bekwame helpers’ die naar analogie met ‘mantelzorgers’ bepaalde verpleegkundige handelingen zullen kunnen stellen.
(3) De tweede heeft betrekking op het instellen van een overlegprocedure, op ondernemings- of sectoraal niveau, voorafgaand aan de invoering van de maatregel (rond bekwame helpers).


3. ANALYSE

Eerst worden de gedane aanpassingen toegelicht wat betreft de mantelzorgers en de bekwame helpers (A).

Dan volgt een overzicht (B) van punten in het wetsontwerp welke de vorige adviezen van de NHRPH gevolgd zijn (i) of niet gevolgd zijn (ii) en punten die onvoldoende uitgewerkt zijn (iii).

Vervolgens volgt een analyse van de punten die in de KB besproken worden en toegelicht werden door een vertegenwoordiger van het Kabinet Vandenbroucke tijdens de plenaire van 16 januari 2023 (C).

Laatst, wordt kort de nieuwe overlegprocedure geanalyseerd (D).

A. Aanpassingen – Toevoegingen wetsontwerp

i. In verband met de aanpassing van het lid rond ‘mantelzorgers’ wordt het lid aangepast.

  • Er wordt aan de huidige definitie van mantelzorger, expliciet de term ‘mantelzorger’ toegevoegd (toevoeging in het vet): “de mantelzorger, dat wil zeggen een persoon die deel uitmaakt van de omgeving van de patiënt”.
  • Verder zal het toestemmingsdocument van de arts of verpleegkundige niet enkel de bijkomende voorwaarden vermelden, maar ook “de waarschuwingscriteria door [hen] gesteld".
  • De laatste aanpassing is de toevoeging van de zin: “Een regelmatige herevaluatie van de situatie en de gezondheidstoestand van de patiënt wordt gemaakt door de arts of verpleegkundige die de toestemming aan de mantelzorger heeft gegeven".

ii. Wat betreft het nieuwe lid rond de ‘bekwame helpers’ zal deze als volgt luiden:

Deze is ook niet van toepassing op de persoon die, in het kader van een beroep of een vrijwilligersactiviteit, uitgeoefend buiten een zorgvoorziening, gehouden is een patiënt te verzorgen en die, volgens een door een arts of een verpleegkundige opgestelde procedure of zorgplan, van deze laatste de toelating krijgt om, in het kader van hulp bij het dagelijks leven, bij deze welbepaalde patiënt één of meer in artikel 46, § 1, 2°, bedoelde technische verstrekkingen uit te oefenen.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van de betreffende technische verstrekkingen, de voorwaarden voor de uitoefening en de instructie- of opleidingsvoorwaarden die voor deze toelating vereist zijn.

Een door de arts of de verpleegkundige opgesteld document vermeldt de identiteit van de patiënt en, in het geval van instructie wanneer de arts of verpleegkundige die haar da daartoe toestemming verleent dit nodig acht of in het geval van opleiding, de identiteit van de persoon die de toelating heeft gekregen. Dit document wijst eveneens de toegelaten document wijst eveneens de toegelaten technische verstrekking(en), de duur van de toelating, de eventuele bijkomende voorwaarden en waarschuwingscriteria aan die door de arts of de verpleegkundige gesteld worden voor het uitoefenen van de technische verstrekking(en), evenals de concrete modaliteiten van het overleg tussen de aldus geïdentificeerde bekwame helper en de arts of verpleegkundige die de toelating heeft gegeven. De schriftelijke toestemming van de betreffende deze toestemming is eveneens vereist.

Indien de bekwame helper wordt tewerkgesteld op grond van een arbeidsrelatie van statutaire of contractuele aard, met inbegrip van de stagiair(e)s, en de technische verstrekkingen uitoefent omwille van zijn/haar tewerkstelling bij een werkgever, wordt een kopie van het document zoals bedoeld in dit lid bezorgd aan en bewaard bij de werkgever.

Een regelmatige herevaluatie van de situatie en de gezondheidstoestand van de patiënt wordt gemaakt door de arts of verpleegkundige die de toestemming aan de bekwame helper heeft gegeven.

De aldus toegelaten technische verstrekking(en) mag/mogen niet uitgeoefend worden met het oogmerk de diagnose of de behandeling van de patiënt te wijzigen of aan te passen.

Onder "zorgvoorziening" wordt verstaan de instellingen bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, alsook de woonzorgcentra en de rust- verzorgingstehuizen zoals erkend door de bevoegde autoriteiten".

Verder wordt er ook verduidelijkt in art. 4 van het wetsontwerp dat de bekwame helper niet verplicht kan worden om verpleegkundige handelingen effectief te stellen en dat een weigering geen nadelige gevolgen mogen voortvloeien op vlak van bezoldiging en arbeidsvoorwaarden.

B. Vorige adviezen NHRPH:

i. Inzake deze twee leden merkt de NHRPH op dat er een paar adviezen gevolgd zijn:

  • Er wordt een evaluatie van de situatie ingevoerd, zowel bij de ‘mantelzorgers’ als bij de ‘bekwame helpers’ (Advies 2017/08);
  • Voor ‘bekwame helpers’ wordt ook de communicatie tussen de betrokkenen geformaliseerd (het toestemmingsformulier zal immers de modaliteiten van overleg tussen de bekwame helpers en de arts of verpleegkundige vermelden) (Advies 2017/08);
  • Er wordt duidelijkheid gegeven rond de aansprakelijkheidsregeling (hoewel enkel in de MvT) – de algemene rechtsbeginselen inzake aansprakelijkheid zijn van toepassing (Advies 2017/08);
  • Voor ‘bekwame helpers’ wordt er eindelijk een lijst bepaald van handelingen die gedelegeerd kunnen worden (i.p.v. een lijst van ondelegeerbare handelingen zoals vermeld in het Protocol van 2017) (Advies 2017/08 en Advies 2017/15);
  • En er wordt verduidelijking gegeven bij wat een zorginstelling is: ziekenhuizen, rusthuizen, woonzorgcentra (Advies 2017/15). Evenwel wordt er in punt B. iii. een waarschuwing gegeven inzake de uitsluiting van woonzorgcentra van het toepassingsgebied van ‘bekwame helpers’.

ii. Daarentegen zijn er ook een paar cruciale punten onbepaald gebleven.

  • Eerst, inzake de aansprakelijkheidsdekking van mantelzorgers. Voor bekwame helpers, die o.g.v. art. 5 Vrijwilligerswet en art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet enkel aansprakelijk zijn voor vaak voorkomende lichte fouten, zware fouten of bedrog, komt er een lijst van handelingen die delegeerbaar zijn. Dus niet alle handelingen zullen door een bekwame helper uitgeoefend kunnen worden, en deze die wel uitgeoefend kunnen worden, kunnen (zelden) tot aansprakelijkheid leiden.

    Niettemin zijn veel mantelzorgers niet per se vrijwilligers in de zin van de Vrijwilligerswet. Zij genieten niet van de aansprakelijkheidsdekking van art. 5 Vrijwilligerswet. Daarenboven zijn wat betreft mantelzorgers, ALLE handelingen delegeerbaar. Letterlijk ALLE, want art. 46, §1, 2° WUG definieert de delegeerbare handelingen als: “de technisch-verpleegkundige verstrekkingen, met of zonder medisch voorschrift (…).

Het lijkt de NHRPH niet correct dat mantelzorgers aan meer, en eventueel complexere, zorgkundige handelingen worden blootgesteld, zonder een aansprakelijkheidsdekking te hebben die minstens overeenkomt met deze van de bekwame helpers. Het tabel hieronder maakt duidelijk dat beiden zich in een gelijkaardige positie bevinden wat betreft het verlenen van zorg aan de patiënt.

MANTELZORGER

BEKWAME HELPER

Omgeving patiënt

Beroepsmatig of vrijwilligersactiviteit
& buiten een zorgvoorziening

Na opleiding

In het kader van een zorgplan

Toelating krijgen

Handelingen uit art. 46, §1, 2° WUG

Alle

Deze die KB toelaat

Toestemmingsdocument

Regelmatige herevaluatie situatie


Bijgevolg zou de NHRPH graag gezien hebben dat er gedacht werd om de aansprakelijkheidsregeling van mantelzorgers aan te passen naar voorbeeld van de vrijwilligers (Advies 2017/08). Anderzijds zou een verplichte verzekering burgerlijke aansprakelijkheid en lichamelijke letsels ook een oplossing kunnen zijn (Positienota Mantelzorg; Advies 2022/03).

  • Ten tweede is het punt rond de financiering van de één-op-één opleidingen is onbepaald gebleven.
    Nochtans is het te verwachten dat deze opleidingen (soms) enkele uren van de tijd van een arts of verpleegkundige in beslag zullen nemen. Komt dit ten laste van het RIZIV? Of wordt de last doorgeschoven naar de deelstaten?

Graag had de NHRPH een antwoord gehad op deze vraag die reeds eerder gesteld is geweest (Advies 2022/03; Advies 2017/08).

  • Laatst is er ook geen antwoord geboden op de vraag of de verpleegkundige handelingen gesteld door bekwame helpers ten laste zullen komen van het RIZIV, naar analogie met de situatie indien deze handelingen gesteld waren geweest door een arts of verpleegkundige?

Deze vraag is eveneens reeds eerder gesteld geweest (Advies 2017/08 en Advies 2017/15).

iii. Volgens het laatste paragraaf van het nieuwe lid rond ‘bekwame helpers’ zijn woonzorgcentra uitgesloten van het toepassingsgebied van de ‘bekwame helpers’. De NHRPH wil evenwel waarschuwen dat wegens een sterk tekort van plaatsen in de sector van personen met een handicap, veel mensen noodgedwongen wonen in woonzorgcentra.

Daarmede wil de NHRPH aankaarten dat de meeste Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR) geen verpleegkundigen in dienst hebben. Het is de NHRPH niet duidelijk of de CAR als een ‘zorgvorziening’ aangemerkt worden en bijgevolg uitgesloten worden van het gebruik van ‘bekwame helpers’. Evenwel zou dit niet mogen. De CAR moeten ook gebruik kunnen maken van bekwame helpers.

C. Koninklijk Besluit dat in opmaak is:

Zoals duidelijk werd bij de presentatie van het Kabinet op de plenaire, vormt het Gezamenlijk advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en van de Technische Commissie voor Verpleegkunde van 2019, de basis van de scheiding tussen de eenvoudige en complexere handelingen.

i. Lijst eenvoudige handelingen via instructie:

Toestemming enkel op naam indien arts of verpleegkundige dat nodig acht (nieuw lid, paragraaf 3).

Zo wordt voorzien dat het toedienen van medicatie via instructie kan gebeuren.
Volgens het advies van 2019 zouden de volgende handelingen ook overwogen worden als eenvoudige handelingen:

    • Hygiënische zorgen (geen wondzorg)
    • Geven van drank en voedsel aan een zorgvrager met slikproblemen
    • Verwijderen en terug aantrekken van kousen ter preventie en/of behandeling van veneuze aandoeningen
    • Toedienen van medicatie via orale weg aan de zorgvrager (niet via katheter)
    • Toedienen van oog-, oor- en neusdruppels
    • Toedienen van zetpillen, zonder opiaten
    • Aanbrengen van zalven, gels
    • Meten van parameters met automatische toestel
    • Meting van de glycemie door capillaire bloedafname
    • Bereiden, aanbrengen of verwijderen van warmwaterkruiken of ijszakken
    • Aanbrengen en verwijderen van medicatiepleisters, zonder opiaten
    • Zuurstoftoediening: de toedieningsmiddelen voor zuurstof afnemen en weer plaatsen

ii. Lijst complexere handelingen via opleiding:

Toestemming altijd op naam (nieuw lid, paragraaf 3). Het kabinet Vandenbroucke heeft reeds verduidelijk dat een opleiding of in de beroepsopleiding van sommige beroepen geïntegreerd zou worden of één op één zou gebeuren met de arts of verpleegkundige.

iii. Veel bredere lijst handelingen die mogelijk delegeerbaar zijn in tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden:

Wanneer iemand die thuis of in een instelling die geen zorginstelling is behandeld wordt, deze tijdelijk verlaat zodat de gebruikelijke arts of verpleegkundige de vereiste verrichtingen niet kan uitvoeren. Dan kan de gebruikelijke arts of verpleegkundige tijdelijk een bekwame helper machtigen de verrichtingen uit te voeren.

Hier opnieuw onderstreept de NHRPH het feit dat veel personen met een handicap noodgedwongen in een woonzorgcentrum leven.
Het zou in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 GW) om deze personen met een handicap, die zich in een gelijkaardige situatie bevinden als andere personen in een instelling, uit te sluiten van de mogelijke inzetbaarheid van bekwame helpers wanneer ze het woonzorgcentrum verlaten.

D. Laatst, inzake het nieuwe lid rond sociaal overleg wordt een nieuw lid toegevoegd dat betrekking heeft op de situatie van ‘bekwame helpers’ die worden tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst en de technische handelingen uitvoeren omwille van deze tewerkstelling.

  1. (Art. 4 §1) Instellingen/ondernemingen met een syndicale delegatie zullen een CAO moeten afsluiten die de nadere regels inzake de implementatie van de maatregel (rond ‘bekwame helpers’) bepaalt.
    Deze moet minstens de volgende aangelegenheden regelen:
    • De voorafgaandelijk te krijgen instructies en/of te volgen opleidingen van de werknemers;
    • De praktische implementatie van het uitoefenen van de technische prestaties;
    • De impact op de arbeidsorganisatie.

  2. (Art. 4 §2) Instellingen/ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging moeten het paritair (sub)comité inlichten over het gebruik van de maatregel.

  3. (Art. 5) Voorafgaandelijk dient de ondernemingsraad (of het comité voor preventie en bescherming op het werk of de vakbondsafvaardiging) te worden geïnformeerd en geraadpleegd.

  4. Binnen de 6 maand na het eerste gebruik moet nog een raadpleging worden geagendeerd.
    Ten minste 15 dagen voor de vergadering bezorgt de werkgever het inspraakorgaan informatie over:
    • Aantal betrokken werknemers en patiënten
    • Aard verstrekkingen
    • Gevolgde opleidingen / ontvangen instructies
    • Impact op de arbeidsorganisatie
    • Op de agenda staat ook de evaluatie van de toepassing van de maatregel
    Nadien wordt de bespreking jaarlijks gehouden.

  5. (Art. 6) Binnen het paritair comité van de werkgevers wordt de toepassing van het sociaal overleg rond de maatregel van ‘bekwame helpers’ jaarlijks besproken.
    Resultaat wordt ter kennis gebracht van de ministers van Volksgezondheid en Werk.

De NHRPH stelt zich de vraag of een dergelijke CAO bijgevolg in zijn geheel bepaalde handelingen zou kunnen weren van ‘uit te voeren door de tewerkgestelde bekwame helpers’. Zoals bv. het toedienen van voedsel aan personen met slikproblemen, dit neemt veel tijd in beslag zodat instellingen zouden kunnen overwegen deze handeling in zijn geheel niet te laten uitvoeren door hun bekwame helpers… Het is begrijpelijk dat een individuele ‘bekwame helper’ bepaalde handelingen kan weigeren, het is niet begrijpelijk dat men het op collectief niveau zou kunnen doen ook.

Daarnaast wenst de NHRPH te benadrukken dat de overlegprocedure zeer omslachtig is en zal bijgevolg een administratieve last zijn die vooral voelbaar zal zijn voor kleine voorzieningen en personen met een persoonlijke-assistentiebudget (PAB) die als werkgever fungeren voor eventuele ‘bekwame helpers’.
De vraag rijst of het niet administratief eenvoudiger kan voor de ‘kleine man’.


4. ADVIES

In het algemeen staat de NHRPH positief tegenover de (eindelijke) invoering/legalisering van de positie van ‘bekwame helpers’. De NHRPH hoopt ook sterk dat deze wetswijzigingen nog tijdens deze legislatuur kunnen doorkomen. Desalniettemin wil de NHRPH wijzen op het feit dat het KB (dat niet met de NHRPH gedeeld kon worden) heel veel belangrijke elementen zal preciseren, met name:

  • Voor welke verstrekkingen toestemming kan worden verleend,
  • De voorwaarden voor de uitoefening,
  • De eenvoudige handelingen die louter een instructie vereisen en de meer complexe handelingen die een opleiding vereisen.

De NHRPH onderstreept dat het jammer is dat het niet betrokken wordt in de discussie welke handelingen als eenvoudig en welke als complex aangezien worden en dat men dus eigenlijk enkel van plan is de lijsten mee te delen eenmaal deze al afgeklopt zijn.

Een algemene voorafgaande opmerking: de NHRPH is heel bezorgd rond de gelijkaardige positie van mantelzorgers en bekwame helpers (toelating, opleiding, zorgplan, vrijwilligheid), die verschillend behandeld worden. De regelgeving moet duidelijk vermelden waarom er voor de één een lijst is voor de andere niet.

--------------------------------------------------------------------------------------

Wat betreft het wetsontwerp, worden er 6 adviezen gegeven, geordend per thema: ‘zorgvoorziening’ (A); ‘mantelzorger-bekwame helper’ (B); ‘uitsluiting handelingen – CAO/vrijwilligheid’ (C); ‘overlegprocedure’ (D). Laatst worden 2 onbeantwoorde punten aangehaald (E).

A. Eerst en vooral wat betreft de uitsluiting van ‘zorgvoorzieningen’ van de inzetbaarheid van bekwame helpers:

De NHRPH wil de aandacht trekken op het feit dat veel personen met een handicap, wegens plaats tekort in de handicapsector, noodgedwongen wonen in woonzorgcentra. Het feit dat woonzorgcentra als zorgvoorziening aangemerkt worden, zodat bekwame helpers er niet aan de slag kunnen is bijgevolg problematisch op twee vlakken.

  1. Om te beginnen omdat de woonzorgcentra gekenmerkt worden door personeelstekort. In Vlaanderen is nog net in november 2022 zelfs een opnamestop ingevoerd geweest. Ook Wallonië kampt met dezelfde problemen. Daaruit volgt dat het feit dat er zorgkundig personeel aanwezig is (zou moeten zijn), niet direct tot de conclusie leidt dat dit personeel ook snel beschikbaar is. Dit is vooral van belang wat betreft niet al te technische verstrekkingen (zoals het toedienen van medicatie, aantrekken van steunkousen,…). Het wachten op de beschikbaarheid van verplegers voor dagelijkse handelingen medicaliseert het leven van de zorgbehoevende (zie eerdere adviezen: Advies 2014/06 en Advies 2017/08). Deze afhankelijkheid kan indruisen tegen het recht om zelfstandig te leven volgens eigen levenskeuzes en opvattingen (art. 19 UNCRPD en art. 8 EVRM).
    ⇒ Aldus zou de inschakeling van bekwame helpers, ook in woonzorgcentra, ten goede komen van de verwezenlijking van het recht op inclusie van de personen met een handicap (art. 22 ter GW).

  2. Daarenboven is het problematisch omdat zelfs wanneer de personen met een handicap het woonzorgcentrum verlaten, zij geen beroep kunnen doen op bekwame helpers, omdat zorginstellingen uitgesloten zijn van de lijst handelingen die mogelijk delegeerbaar zijn in tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden zorginstellingen. Dit is strijdig met het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 GW) omdat wanneer de personen met een handicap de woonzorgcentrum verlaten, ze zich in een gelijkaardige situatie bevinden als personen in de handicapsector.
    Bijgevolg vereisen art. 10 en 11 GW dat personen met een handicap, wanneer deze het woonzorgcentrum verlaten, ook een beroep kunnen doen op bekwame helpers, net zoals alle andere personen met een handicap.

Bovendien moeten bekwame helpers ook aan het werk kunnen in de Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR). Het is de NHRPH niet duidelijk of CAR als een ‘zorgvoorziening’ aangemerkt worden en bijgevolg uitgesloten zijn van het gebruik van bekwame helpers of niet…

B. Verder inzake de verschillende behandeling van mantelzorgers en bekwame helpers:

De NHRPH benadrukt dat mantelzorgers en bekwame helpers zich wat betreft het verlenen van zorg in een gelijkaardige situatie bevinden. Beiden verlenen immers zorg: met toestemming, i.h.k.v. een zorgplan, na een opleiding, vrijwillig…

Het verschil tussen de statuten momenteel komt eigenlijk neer op twee dingen: 1) de lijst van toegelaten/uitgesloten handelingen; 2) de aansprakelijkheidsdekking.

  1. Wat betreft de lijst van toegelaten/uitgesloten handelingen:
    Het is de NHRPH niet duidelijk waarom er één is voor bekwame helpers en niet voor mantelzorgers. Dit kan in praktijk voor verwarring zorgen die tot rechtsonzekerheid leidt. Men zou bijvoorbeeld de lijst van bekwame helpers als richtinggevend voor mantelzorgers kunnen gebruiken.
    ⇒ Bijgevolg vraagt de NHRPH dat er duidelijk in de regelgeving vermeld wordt waarom er voor de één een lijst is en voor de ander niet.

  2. Inzake de aansprakelijkheidsdekking:
    De NHRPH blijft erbij dat het niet correct is dat de mantelzorgers aan meer, en eventueel complexere, zorgkundige handelingen worden blootgesteld, zonder een gelijkaardige aansprakelijkheidsdekking te hebben als bekwame helpers. Deze laatsten hun aansprakelijkheid is immers begrensd o.g.v. art. 5 Vrijwilligerswet of art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet.

    Graag opvolging voor de adviezen van de NHRPH die reeds sinds 2017 gegeven worden inzake de herziening van de verzekeringsdekking.
    ⇒ Derhalve vraagt de NHRPH dat er of een aansprakelijkheidsbegrenzing komt voor mantelzorgers, naar analogie met vrijwilligers (Advies 2017/08). Of dat er een verplichte verzekering burgerlijke aansprakelijkheid en lichamelijke letsels komt voor mantelzorgers (Positienota Mantelzorg; Advies 2022/03). Deze laatste optie mag evenwel geen financiële last vormen voor mantelzorgers.

C. Voorts wat betreft mogelijke ‘uitsluiting van bepaalde handelingen’ en de impact op de continuïteit van zorg:

De NHRPH vestigt de aandacht op twee attentiepunten:

  1. Het kan niet de bedoeling zijn dat instellingen op collectief niveau bepaalde delegeerbare handelingen kunnen uitsluiten van het toepassingsgebied van hun bekwame helpers. Zo zou het verleidelijk zijn bijvoorbeeld om wegens tijdbesparende redenen het ‘toedienen van voedsel aan personen met slikproblemen’ uit te sluiten op collectief niveau.

    Dit geldt des te meer voor bepaalde beroepsgroepen (zoals bv. diensten gezinszorg). Zij mogen ‘langdurige’ handelingen zoals het geven van voedsel aan personen met slikproblemen niet weigeren uit te voeren.

  2. Het kan ook niet de bedoeling zijn dat werknemers die bekwame helper zijn o.g.v. een arbeidsrelatie (art. 4 Wetsontwerp) dagdagelijkse handelingen kunnen weigeren uit te voeren. De NHRPH denkt bv. aan het toedienen van medicatie (via instructie). De werkplanning en continuïteit van de zorg dienen immers gewaarborgd te worden. Zie ook de expliciete vraag om het beginsel van de continuïteit van de zorg te reglementeren (Advies 2017/08 en Advies 2017/15). Aldus moet het akkoord van de werknemers om dagdagelijkse handelingen uit te voeren elders verkregen te worden (bv. arbeidsovereenkomst?). Uiteraard kan een bekwame helper een handeling die specifiek aan een bepaalde zorgbehoevende is weigeren uit te voeren.

De NHRPH kan de regering enkel aanraden om ook een sensibiliseringscampagne op te zetten om de mogelijke ‘koudwatervrees’ inzake de uitvoering van bepaalde handelingen te counteren.

D. Inzake de overlegprocedure: vraagt de NHRPH om de overlegprocedure administratief te vereenvoudigen, althans voor kleine voorzieningen en ZEKER voor de personen met een PAB die als werkgever van eventuele ‘bekwame helpers’ fungeren.

E. Allerlaatst stelt de NHRPH vast dat er nog steeds geen antwoord is geboden op:

  1. De vraag wie er in zal staan voor de één-op-één opleidingen gegeven door de arts of verpleegkundige. Het RIZIV? Of komt dit ten laste van de deelstaten?
    ⇒ Graag had de NHRPH een antwoord gehad op deze vraag die reeds eerder gesteld is geweest (Advies 2022/03; Advies 2017/08).

  2. De vraag of de verpleegkundige handelingen gesteld door bekwame helpers ten laste zullen komen van het RIZIV, naar analogie met de situatie indien deze handelingen gesteld waren geweest door een arts of verpleegkundige?
    ⇒ Ook op deze ‘oude’ vraag wenst de NHRPH een antwoord te krijgen (Advies 2017/08 en Advies 2017/15).

--------------------------------------------------------------------------------------

Wat betreft het KB, is de NHRPH blij te vernemen dat een tal van handelingen door de bekwame helpers mogelijk zouden zijn (indien het Gezamenlijk advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en van de Technische Commissie voor Verpleegkunde van 2019 gevolgd wordt).

Namelijk:

  • Toedienen van voeding, vloeistoffen en medicatie via maagsonde
  • Toedienen van medicatie (wel via een door apotheker klaargezet distributiesysteem…)
  • Aanbrengen van zalven, toedienen van oog-, oor- en neusdruppels
  • Steunkousen aantrekken en verwijderen

Graag wil de NHRPH dat de volgende handelingen ook uitvoerbaar zijn door de bekwame helpers:

  • Sonderen en blaas ledigen (katheter)
  • Niet enkel via orale weg medicatie toedienen, maar bv. ook een spuitje tegen trombose (die vlak onder de huid wordt toegediend)
  • Het optrekken van bedhekken (in advies Verpleegkundige raad wordt dit als een bijzondere, voorbehouden handeling aangemerkt)

De NHRPH wenst ook zo spoedig mogelijk het ontwerp van de lijst met toegelaten handelingen te ontvangen.

Aldus wat is er nodig:

  • Bekwame helpers in woonzorgcentra, althans zeker wanneer een persoon met een handicap deze verlaat (uitzonderlijke en tijdelijke handelingen).
  • Bekwame helpers in centra voor ambulante revalidatie.
  • Duidelijkheid IN DE WET waarom er voor bekwame helpers een lijst is en voor mantelzorgers niet.
  • Aansprakelijkheidsdekking naar voorbeeld van art. 5 Vrijwilligerswet of art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet voor mantelzorgers; Alternatief: verplichte BA die niet financieel ten laste is van de mantelzorger.
  • Dagelijkse handelingen (zoals bv. voeden van een persoon met slikproblemen) mogen niet ‘uitgesloten’ kunnen worden op collectief niveau en ook niet op ‘individueel’ niveau van de bekwame helper indien dit deel uitmaakt van zijn/haar ‘beroep’; Er kan nood zijn aan een sensibiliseringscampagne op dat vlak.
  • Vereenvoudiging overlegprocedure (voor personen met een PAB, kleine voorzieningen).
  • Delegatie van de handelingen: sonderen en blaas legen; spuit geven tegen trombose; bedhekken optrekken.
  • Spoedige bezorging van de lijst van toegelaten handelingen.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2023/02 - Tewerkstellingsgraad in het openbaar ambt

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Koninklijk besluit houdende diverse maatregelen met het oog op de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties, uitgebracht na raadpleging via e-mail van de leden van de NHRPH tussen 27 januari 2023 en 3 februari 2023.

Advies op vraag van mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, op 20 januari 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan minister Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post en minister Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing.
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Vanuit het kabinet Ambtenarenzaken wordt een nieuw KB voorbereid dat werken bij de federale overheid aantrekkelijker moet maken voor personen met een handicap.


3. ANALYSE

Met het KB van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, werd de doelstelling vastgelegd om een quota van 3% tewerkstelling van personen met een handicap te halen in de federale overheidsdiensten.

Deze doelstelling werd vandaag de dag nog steeds niet gehaald. Integendeel, de tewerkstellingsgraad gaat net achteruit. In de grafiek hieronder zien we de cijfers van de afgelopen jaren die dit bevestigen.

Figuur 1: Cijfers BCAPH – zie ook voor meer details

Minister Petra De Sutter, die onder meer bevoegd is voor ambtenarenzaken, wilt een beleidsverandering doorvoeren en stelt daarom een hervorming voor om meer personen met een handicap tewerk te stellen in de federale overheidsdiensten. Ook  Minister Karine Lalieux wil de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap in de federale overheidsdiensten omhoog krijgen.[1]

Het ontwerp heeft de volgende doelstelling:

  • het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage te hervormen;
  • de aanwerving van personen met een handicap te stimuleren;
  • de overheidsdiensten die onder de toepassingsgebied van het KB van 2005 vallen in staat te stellen de 3%-quota op termijn te behalen;
  • de monitoring van personen met een handicap binnen het personeelsbestand van de federale overheid scherp te stellen;
  • de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt te hervormen;
  • een duidelijker kader te creëren omtrent het onderzoek naar redelijke aanpassingen bij selecties;
  • een voordeligere woon-werkverkeerregeling voor personen met een handicap te creëren.

De volgende concrete wijzigingen zouden zijn opgenomen in het nieuwe KB:

a) Uitbreiding van de definitie persoon met een handicap

De huidige definitie van persoon met een handicap inzake het quotum luidt als volgt:

  • "1° de persoon als dusdanig ingeschreven bij het 'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées', bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, voorheen het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, of die geniet van een Vlaamse Ondersteuningspremie toegekend door de VDAB (VOP vanaf 2008), bij de 'Service bruxellois francophone des Personnes handicapées' of bij de 'Dienststelle für Personen mit Behinderung';
  • 2° de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming geniet op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  • 3° de persoon die in het bezit is van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen;
  • 4° het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte die het bewijs kan voorleggen van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % afgeleverd door Fedris of de bevoegde geneeskundige dienst in het kader van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector of in een gelijkwaardig stelsel;
  • 5° het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht dat het bewijs kan voorleggen van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % naar aanleiding van een gerechtelijke beslissing;
    6° de persoon die in het bezit is van een attest van blijvende invaliditeitserkenning afgeleverd door zijn verzekeringsinstelling of door het RIZIV."

Met het KB dat nu voorligt, zou de definitie met de volgende zaken worden uitgebreid:

  • "7° personen in het bezit van hetzij:
    • een parkeerkaart voor personen met een handicap afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
    • een European disability card afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, het 'Agence pour une Vie de Qualité', de 'Service public francophone bruxellois' of de 'Dienststelle für Selbstbestimmtes Leben';
  • 8° personen die gewezen leerling zijn van het buitengewoon onderwijs en die hoogstens een getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs;
  • 9° personen die een arbeidspostaanpassing genieten waarvan de kosten worden terugbetaald door de VDAB, het 'Agence pour une Vie de Qualité',  de 'Service bruxellois francophone des Personnes handicapées' of de 'Dienststelle für Personen mit Behinderung';
  • 10° personen die zich re-integreren op basis van een re-integratieplan bedoeld in artikel I.4-74 van de Codex van 28 april 2017 over het welzijn op het werk (Personen die zich bevinden in een re-integratietraject waarvoor een re-integratieplan is opgemaakt);
  • 11° personen die beroep doen op de verminderde prestaties wegens medische redenen bedoeld in artikel 50 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of zich in een progressieve werkhervatting bevinden bedoeld in artikel 100, § 2, van de wet van 14 juli 1994  betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen" (Personen die zich beroepen op het verlofstelsel van verminderde prestaties wegens medische redenen of zich in een progressieve werkhervatting bevinden).

Ook het artikel over de berekening van de 3% van het personeelsbestand wordt aangepast: elke overheidsdienst moet het quotumhalen, maar over de omvang van dit personeelsbestand wordt voorgeschreven dat operationele functies van politiediensten, penitentiaire diensten of hulpdiensten niet in aanmerking worden genomen voor de berekening ervan.

b) Aanscherpen van de monitoring

c) Het kader omtrent redelijke aanpassingen tijdens selectieprocedures verduidelijken en optimaliseren

Nieuwe categorieën van kandidaten die naar redelijke aanpassingen mogen vragen zijn opgesomd : de lijst is indicatief, en zeker niet exhaustief. De lijst viseert de volgende personen: 

  • Personen met een handicap bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 ((zie a) hierboven);
  • Slachtoffers van een arbeidsongeval of beroepsziekte zonder dat hun arbeidsongeschiktheid moet voldoen aan het percentage van 66%;
  • Slachtoffers van een ongeval van gemeen recht zonder dat hun ongeschiktheid moet voldoen aan het percentage van 66%
  • Een attest of verslag van een arts specialist, een huisarts of Medex, het CLB, het PMS-centrum of Kaleido dat een leerstoornis of een situatie die overeenstemt met een handicap in de zin van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap vaststelt. Verslag aan de Koning zegt hierover dat het begrip handicap namelijk aan verandering onderhevig is en vloeit voort uit de wisselwerking tussen personen met functiebeperkingen en sociale en fysieke drempels die hen belet ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. Deze specialisten staan in de beste positie om te beoordelen of de specifieke situatie van de persoon overeenkomt met een handicap.
  • Personen die een attest afkomstig van een hogeschool of universiteit hebben ontvangen dat hen redelijke aanpassingen toekent, bijvoorbeeld: langer mogen werken, een andere examenvorm krijgen, …
  • Personen die een verklaring op erewoord afleggen dat zichzelf beschouwen als een persoon met een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke beperking die hen in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt. Het Verslag aan de koning duidt hierbij dat dit betekent dat als de persoon in kwestie zichzelf beschouwt als bijvoorbeeld een persoon met een handicap, hij via een verklaring op erewoord recht heeft om redelijke aanpassingen aan te vragen. De definitie heeft betrekking op personen die slecht zien of slecht horen.
  • Personen die niet onder een van de categorieën uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 vallen, maar waarvoor de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning het opportuun acht om hen bij een selectie redelijke aanpassingen toe te kennen. Het Verslag aan de koning verklaart hierover dat deze toevoeging tot doel heeft het onderzoek naar redelijke aanpassingen te vergemakkelijken voor personen die geen persoon zijn met een handicap in de zin van dit besluit, maar de zich in een situatie bevinden zoals omschreven in artikel 1 van het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en dit kunnen aantonen aan de hand van een bepaald document erkend door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.

d) Inachtneming van uitbesteding inzake de bepaling van het quotum

Het KB voorziet dat principieel elke overheidsdienst verplicht is personen met een handicap bedoeld in artikel 1 tewerk te stellen ten belope van minimum drie procent van zijn personeelsbestand. Een paar categorieën van werkers zijn ambtshalve in aanmerking genomen waaronder diegene die aan een kennismakingstraject meemaken (advies meer bepaald daarover volgt). Overheidsdiensten kunnen ook de tewerkstelling van 3 % invullen door taken uit te besteden aan bedrijven die zorgen voor aangepaste tewerkstelling van personen met een handicap. Het is voorzien dat elke overheidsdienst jaarlijks het aandeel van uitbesteed werk vast stelt en bezorgt deze gegevens aan de federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning

e) De BCAPH hernoemen naar "Commissie voor de Inclusie van Personen met een Handicap" en de samenstelling hervormen

f) Woon-werkverkeer met openbaar vervoer aantrekkelijker maken voor personen met een handicap

Het KB stelt voor om verder tussen te komen in het woon-werkverkeer. Ofwel kunnen personen met een handicap kiezen dat ze worden vergoed  ter waarde van een eersteklas ticket. Ofwel kunnen ze hun verplaatsingskosten vergoed zien ten belope van een compenserende vergoeding gelijk aan de kilometervergoeding, op voorwaarde dat zij dit aanvragen bij hun federale dienst. Als ze voor deze laatste optie kiezen, kunnen ze ook niet vragen naar een compensatie van zelfs een vergoeding van een ticket in tweede klasse.


4. ADVIES

a) Uitbreiding van de definitie ‘persoon met een handicap’ aanvullen in de geest van het VN-Verdrag

Op sommige vlakken lijken de uitbreidingshypotheses overbodig. Bijvoorbeeld bij artikel 6 d) 9° en art. 7 b) 9° inzake de financiering van de aanpassingen van de werkposten. Om aanspraak te kunnen maken op deze aanpassingen moet je ingeschreven zijn, dus overbodig in het licht van het niet gewijzigde lid 1°.
Zo lijken ook de punten van art. 6 d) 7° en art. 7 b) 7° overbodig in het licht van het niet gewijzigde lid 3°.
In ieder geval wenst de NHRPH verduidelijking over de reikwijdte van de aangehaalde uitbreidingen.

De NHRPH kan de uitbreiding via de punten 10° et 11° niet ondersteunen.

  1. Achter de wijziging van het KB zit de vraag "wat wordt verstaan onder personen met een handicap". Het UNCRPD zelf bepaalt dat: “Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving”. Het UNCRPD noemt een reeks cumulatieve criteria: beperkingen, duurzaamheid, negatieve gevolgen van de omgeving voor de persoon. Deze formulering van criteria maakt het mogelijk een situatie niet alleen vanuit medisch oogpunt te beoordelen, op basis van fysieke, intellectuele, zintuiglijke of cognitieve gebreken, maar deze ook economisch en sociaal te maken. De centrale vraag is daarom: in hoeverre vermindert de handicap van de betrokkene zijn of haar mogelijkheden om op de traditionele arbeidsmarkt en op een duurzame wijze te werken?
  1. Tegelijkertijd snapt de NHRPH de ernst van het grote aantal inactieven personen wegens gezondheidsredenen in België en herinnert het bij gelegenheid aan de dringende noodzaak om de werkgevers te responsabiliseren inzake het welzijn van de werknemers. Maar de ondersteuning van de re-integratie is een enorm vraagstuk dat het 3%-quotum niet zal oplossen. Het quotum kader van re-integratie  heeft zijn eigen doelstelling om duizenden mensen terug aan het werk te krijgen en heeft een specifieke visie: “In oktober 2021 hebben de leden van de regering een akkoord bereikt over de samenstelling van een evenwichtig pakket van empowermentmaatregelen. Deze brede en integrale aanpak is erop gericht zoveel mogelijk langdurig zieken – die kunnen en willen werken – weer aan het werk te krijgen. (…) Al degenen die de pech hebben gehad enige tijd “buiten de boot” te vallen”.[2] De NHRPH is van mening dat al deze mensen niet als personen met een handicap mogen worden beschouwd en dat er geen interactie mogelijk is tussen het "back to work"-plan “voor een gewone persoon in invaliditeit” en het quotum van 3%; deze maatregelen streven niet dezelfde doelstellingen na en moeten onafhankelijk van elkaar worden behandeld.
  1. De NHRPH is van mening dat deze uitbreiding, de maatregel van de gereserveerde plaatsen in de federale overheidsdiensten in diskrediet kan brengen. De NHRPH dringt er met klem op aan dat het kader, de grondslag en de organisatie van een procedure die afwijkt van de traditionele aanwerving, duidelijk moet worden gespecificeerd. Het begrip gereserveerde arbeidsplaatsen is een begrip dat zijn volle betekenis moet behouden. Voorbehouden tewerkstelling moet een mogelijkheid blijven voor mensen met een handicap die met dezelfde vaardigheden toegang willen krijgen tot een baan in een ‘gewone’ arbeidsomgeving, door middel van redelijke aanpassingen. In de huidige situatie op de arbeidsmarkt worden personen met een handicap gediscrimineerd. Daartegen moet de nieuwe KB vechten. Redelijke aanpassingen stellen de PMH in staat toegang te krijgen tot de selectie, hun vaardigheden te tonen en hun taken uit te voeren in overeenstemming met de verwachtingen en de functieomschrijving van de werkgever.
  1. Het idee achter het quotum is een mentaliteits- en aanpakverandering bij werkgevers en werknemers teweeg te brengen: hoewel veel werkgevers beweren inclusief te zijn, zorgen vooroordelen en excuses ervoor dat principes niet in concrete acties worden vertaald in het dagelijks leven; het is om dat tegen te gaan dat het quotum bestaat. Het quotum moet niet worden gezien als een einddoel, maar als een tussenliggende en noodzakelijke stap.[3]
  1. Zouden deze 2 punten 10 et 11 toch gehouden worden dan is het NHRPH van mening dat de ambitie van 3% op een significante wijze hoger gebracht moet worden.
  1. De NHRPH vraagt ook dat het quotum wordt toegepast in alle federale overheidsdiensten zonder uitzondering en met inbegrip van de departementen Defensie en Politie. Kandidaten met een handicap die voldoen aan de vereisten voor tewerkstelling in deze diensten kunnen niet op grond van hun handicap van de selectieprocedures worden uitgesloten.

b) Aanscherpen van de monitoring

De NHRPH verwelkomt elke inspanning om de monitoring van het beleid te verbeteren. Momenteel zijn er amper statistieken en gegevens omtrent de tewerkstelling van personen met een handicap in de federale publieke sector, maar in het algemeen is er een groot gebrek aan gegevens over personen met een handicap in België.

Het KB voorziet in een uitbreiding van de personen en van de redelijke aanpassingen waarvan de gegevens zullen/kunnen worden gemonitord maar de NHRPH zou ook graag concrete voorschriften zien hoe men die monitoring zou aanscherpen. Enkel de gegevensscope vergroten lijkt onvoldoende.

De NHRPH merkt wel op dat er ook effectief iets moet worden gedaan met de resultaten van de monitoring. Het beleid moet worden bijgestuurd waar nodig en er moeten concrete maatregelen worden genomen op basis van die monitoring, om het quotum (eindelijk) te halen. De NHRPH vindt daarover niets.

c) Het kader omtrent redelijke aanpassingen tijdens selectieprocedures verduidelijken en optimaliseren

De NHRPH snapt echter niet de noodzaak om de deur van de redelijke aanpassingen open te zetten voor zó veel mensen. Het gaat voor de NHRPH nogal ver dat mensen zelfs een verklaring op eer kunnen doen. Om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige beperkingen toelaatbaar zouden zijn en andere niet. Wie beoordeelt de gegrondheid van een verzoek? Hoe wordt een beroep behandeld (in het Verslag aan de Koning stelt men dat “de definitie betrekking heeft op personen die slecht zien of slecht horen."). Dezelfde bedenkingen in het kader van een beslissing genomen door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.

De NHRPH begrijpt evenmin dat verslagen van PMS kunnen worden aangevoerd: veel kinderen hebben op enig moment in hun leven behoefte aan ondersteuning gehad zonder dat zij in een situatie van permanente of zelfs tijdelijke handicap verkeerden.

De NHRPH is er voorstander van de toegang tot redelijke aanpassingen te beperken tot personen met een handicap van wie de handicap is vastgesteld en die in het bezit zijn van een officiële erkenning. Dit gezegd zijnde, de NHRPH begrijpt dat kandidaat-werknemers specifieke vragen kunnen hebben over de toegang tot de selectieprocedures, maar in dat geval gaat het niet om redelijke aanpassingen zoals bedoeld in de huidige reglementering. De NHRPH wenst de zekerheid dat deze uitbreiding niet strijdig is met de wetgeving inzake de redelijke aanpassingen. Moet naar aanleiding van de wijziging van het KB het begrip ‘redelijke aanpassingen’ worden herbekeken in de tewerkstellingssector? De NHRPH zal hierover een advies opstellen en aan Unia bezorgen.

De NHRPH wil opmerken dat de administratieve last niet groter mag worden voor de persoon in kwestie. De verschillende diensten die de attesten afleveren moeten rechtstreeks in contact staan met elkaar en de nodige gegevens uitwisselen indien dit mogelijk, om de persoon met een handicap niet op te zadelen met extra administratief werk.

d) Inaanmerkingneming van uitbesteed werk voor de vaststelling van het quotum

De wijziging van het KB verduidelijkt de berekening van de inaanmerkingneming van uitbesteed werk door maar één mogelijkheid over te laten. De NHRPH had graag vooraf de analyses ontvangen, zodat hij misschien een andere standpunt had kunnen innemen dan in zijn advies van 2016.
Het quotum van 3% arbeidsverplichting is al dramatisch laag ; de NHRPH blijft volledig gekant tegen het principe van uitbesteding om het quotum in te vullen.

In 2016 heeft de NHRPH deze gang van zaken al aan de kaak gesteld: advies 2016/15. De NHRPH legde al verschillende attentiepunten voor :

  • Zal het volume van de uitbestede taken voldoende zijn om een nettoverhoging van de tewerkstelling in de maatwerkbedrijven teweeg te brengen en niet alleen gevolgen van het macro-economisch type zoals het behoud van de tewerkstelling, het feit dat er geen economische werkloosheid is,… ?
  • Wat is het risico van buitenkanseffecten voor de reeds lopende onderaannemingscontracten?
  • Belang van te werken in overleg met de federaties van maatwerkbedrijven met het oog op een billijke geografische spreiding van de onderaanneming tussen de verschillende maatwerkbedrijven.

Ook hier is er verwarring tussen 2 doelstellingen en amalgaam met betrekking tot het gebruik van de resulterende gegevens: België zet zich in voor een proces van duurzame ontwikkeling; de Staat onderzoekt zelf de mogelijkheden om zijn opdrachten op een billijker manier uit te voeren en zal bijvoorbeeld de verzending van zijn post, het scannen van de dossiers van een administratie of zelfs een deel van zijn catering organiseren via maatwerkbedrijven. Deze tendens tot samenwerking houdt ook verband met de rationalisering van diensten die vroeger intern door overheidsdiensten werden verleend, juist door mensen van zeer laag opleidingsniveau - waaronder een zeer groot aantal personen met een handicap - en die niet langer kunnen werken op federaal niveau, aan te werven. (Zie analyse van de BCAPH-verslagen.) 

Het doel van het quotum is vooral de ontwikkeling van inclusie door werk. Het bereiken van een quotum door uitbesteding gaat onvermijdelijk voorbij aan deze doelstelling. Met name voor mensen met een verstandelijke beperking is er bijna nooit sprake van rechtstreekse indienstneming, alleen via maatwerkbedrijven (voornamelijk tuinieren, mailing of catering ).
Het ontwikkelen van directe werkgelegenheid betekent ook het handhaven/scheppen van functies die aangepast zijn aan meerdere profielen.
Om dit mogelijk te maken is het ook absoluut noodzakelijk om de selectieprocedures van SELOR, die bijzonder uitsluitend zijn (abstract redeneren, ontoegankelijk voor veel mensen (ook zonder erkende handicap!)), te hervormen.

e) De BCAPH hernoemen naar "Commissie voor de Inclusie van Personen met een Handicap" en de samenstelling hervormen

Een naamsverandering kan zorgen voor een nieuwe wind in de commissie indien deze naamsverandering gepaard gaat met een verandering van missies, filosofie van aanpak, enz.

De NHRPH vindt niets in die zin in het ontwerp van koninklijk besluit dat hem is voorgelegd. Van een "Commissie voor de integratie van personen met een handicap" mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij zich bezighoudt met aspecten die verder gaan dan werkgelegenheid in overheidsdienst, zoals de toegankelijkheid van de omgeving, de bevordering van opleidingen die tot kwalificaties leiden, enz. Hij is daarom van mening dat de naamsverandering niet per se een goede zaak is aangezien de originele naam niet voor verwarring kan zorgen. Wat wel van hoog belang is voor de NHRPH is  dat de link tussen degelijke opleiding  en tewerkstelling effectief gelegd wordt. Zie ook positienota werk van de NHRPH.  Het is noodzakelijk dat de deelstatelijke ministers die bevoegd zijn voor onderwijs en opleiding ook in de Commissie zetelen. 

f) Woon-werkverkeer met openbaar vervoer aantrekkelijker maken voor personen met een handicap

De NHRPH benadrukt nogmaals dat veel personen met een handicap geen wagen hebben en dat het openbaar vervoersnetwerk in haar geheel zeer ontoegankelijk is. Zie hierover de positienota toegankelijkheid van de NHRPH. Ze wil ook nogmaals benadrukken dat als één onderdeel van het traject ontoegankelijk is, het hele traject daarmee ontoegankelijk wordt voor de persoon met handicap. Vaak is een dienst nodig die van deur naar deur gaat. Die vervoerdienst is een redelijke aanpassing die noodzakelijk is om de job uit te voeren en de kosten hiervan zouden door de staat moeten worden gedragen, zonder de grens van het bedrag van een reis in eerste klas.
Voor reizen die toegankelijk zijn, is de NHRPH van mening dat de algemene voorschriften die voor alle overheidsambtenaren gelden, op de personen met een handicap moeten worden toegepast.  

Zelfs indien de PMH thuis kan werken, vraagt dit nog de nodige aanpassingen aan zijn of haar thuiswerkplek, wat veel kosten met zich meebrengt. De Raad pleit er dan ook voor dat er budget wordt vrijgemaakt voor een complete aanpassing van de thuiswerkplek.

De NHRPH wil er ook herinneren dat externe communicatie heel belangrijk is en dat er meer mensen op de hoogte moeten worden gebracht van het beleid in het openbaar ambt.

Ten laatste,

De NHRPH wenst de volgende verduidelijkingen:

  • Over de overweging : het advies van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het openbaar ambt, uitgebracht op 1 februari 2022. Welke advies was het? Ging dit advies over de huidige tekst ?
  • Over de formulering van artikel 6 c) : c) in de bepaling onder 6° wordt het woord “blijvende” opgeheven. Gaat het hier om een louter esthetische aanpassing ? Of verandert de reikwijdte ?

De NHRPH vraagt om de bevoegde regionale agentschappen in de tekst correct te identificeren (bijvoorbeeld: AViQ en niet AWIPH). Hij wijst ook op het verschil in formulering tussen het Nederlands en het Frans in artikel 6 d): “l’article est complété par les 7° à 12°, versus “het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° tot en met 11°,

Wat de samenstelling betreft, betreurt de NHRPH de uitsluiting van de externe handicapexperts. De deelname van verenigingen uit de sector die personen met een handicap bij hun zoektocht naar werk ondersteunen biedt immers een extra dimensie (feiten, voorbeelden van problemen enz.) die een meerwaarde is voor de denkoefeningen.

Ten slotte wil de NHRPH ook benadrukken dat de toegang tot werk een politiek project is van lange adem maar dat het een weg is die stap voor stap moet worden afgelegd, met concrete resultaten per stap. De NHRPH verwijst hiervoor ook naar haar laatste advies 2022/22 over het quotum. Verschillende vereisten zijn zonder gevolg gebleven: specifiek aanwervingsbudget, opleiding en ondersteuning, expertise van de verenigingen… en last but not least, verhoging van het quotum zelf.

[1] https://references.lesoir.be/article/-le-gouvernement-a-grandement-besoin-de-l-expertise-des-personnes-handicapees-/
[2] https://vandenbroucke.belgium.be/sites/default/files/articles/Persnota%20Frank%20Vandenbroucke%20-%20Terug%20Naar%20Werk_0.pdf
[3] Over de effectiviteit van quota werd enkele jaren geleden een Delphi-studie uitgevoerd met interessante resultaten en de nodige voorwaarden opdat het quotum effectief zijn. https://publications.tno.nl/publication/34636803/T9imJO/TNO-2020-R10976.pdf

  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/30 - Welvaartsaanpassing van de socialebijstandsuitkeringen

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2022/30 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de welvaartsaanpassing van de socialebijstandsuitkeringen 2023 - 2024, uitgebracht op 17 december 2022 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 16 december 2022 wegens de door mevrouw Karine Lalieux gevraagde dringende behandeling.

Advies uitgebracht op het verzoek per mail van 15 december 2022 van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een ontwerp van koninklijk besluit draagt bij tot de uitvoering van het advies van de sociale partners over de welvaartsaanpassing.

3. ANALYSE

Volgens de nota aan de Ministerraad draagt het ontwerp bij tot de uitvoering van de welvaartsvastheid 2023 - 2024, in het kader van de uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact. Hierdoor worden de bedragen van het leefloon en de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap voor hun respectieve categorieën van gerechtigden aangepast.

De basisbedragen voor het leefloon en de tegemoetkomingen worden daarom per 1 juli 2023 met 2 % verhoogd. (…)

De bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor de categorieën van gerechtigden voorzien in artikel 6, § 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden respectievelijk als volgt aangepast op 1 juli 2023:

Basisbedrag juli 2023

Jaarlijks bedrag geïndexeerd in juli 2023 (rekening houdend met de indexering ten gevolge van de overschrijding van de consumentenindex die normaal voorzien is in mei 2023)

Maandelijks bedrag in juli 2023 (rekening houdend met de indexering ten gevolge van de overschrijding van de consumentenindex die normaal voorzien is in mei 2023)

6.040,78

9.061,18

12.245,61

10.108,64

15.162,98

20.491,80

842,39

1.263,58

1.707,65


4. ADVIES

De NHRPH betreurt dat hij bij hoogdringendheid en dus via raadpleging per e-mail een advies moet uitbrengen. Het advies werd op donderdag 15 december 2022 om 17.25 uur gevraagd. Op verzoek van het NHRPH-secretariaat heeft het kabinet van de Minister belast met Personen met een handicap gevraagd het advies klaar te hebben tegen de ‘interkabinettenvergadering’ van maandag 19 december 2022. De NHRPH herinnert aan zijn advies 2021-42 over de procedure voor de raadpleging van de NHRPH.

Vanzelfsprekend staat de NHRPH positief tegenover dit ontwerp van koninklijk besluit. De NHRPH stelt vast dat deze verhoging bovenop de verhoging met 10,75 % komt die voorzien is bij het koninklijk besluit van 14 januari 2021 houdende verhoging van het bedrag van categorieën A, B en C van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (BS van 15 februari 2021) (advies 2020-22).

De NHRPH vraagt zich evenwel af of de armoedegrens in 2024 echt zal worden bereikt door deze laatste geplande verhoging, in combinatie met de automatische indexeringen en de verhoging waarin het koninklijk besluit van 14 januari 2021 voorziet. Volgens het Federaal Planbureau zou de jaarlijkse inflatie immers uitkomen op 9,6 % in 2022. De NHRPH wenst nauwkeurige berekeningen ter bevestiging.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2022/29 - Tussentijds verslag van het Federaal Actieplan Handicap

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/29 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Tussentijds Verslag van het Federaal Actieplan ten behoeve van personen met een handicap 2021-2024, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/11/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris, per e-mail van 10 november 2022.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan alle federale ministers en staatssecretarissen
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Voor opvolging aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In juli 2021 werd het “Federale actieplan handicap (2021 - 2024)” goedgekeurd door de Ministerraad. Het plan is een initiatief van de Minister bevoegd voor personen met een handicap en van de FOD Sociale Zekerheid, vanuit zijn rol als Belgisch coördinatiemechanisme en federaal aanspreekpunt voor het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Vóór de goedkeuring van het actieplan door de Ministerraad heeft de NHRPH op 24 juni 2021 een eerste advies over het actieplan uitgebracht (advies 2021/25).

Dit advies wordt uitgebracht in het kader van de uitvoering van het plan en de opvolging ervan.

3. ANALYSE

Het doel van het actieplan is om op gestructureerde manier een reeks uitdagingen waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd aan te pakken. Het plan werd hiervoor opgebouwd rond de zes assen van het regeerakkoord, waarbinnen de aandachtspunten voor de legislatuur werden geïdentificeerd op basis van de aanbevelingen van het VN-Comité inzake de rechten van personen met een handicap, en de aandachtspunten van de NHRPH en Unia.

De 145 maatregelen werden gekozen door de regeringsleden en raken alle aspecten van het leven: gezondheidszorg en sociale bescherming, werk en tewerkstelling, toegankelijkheid, mobiliteit, bestrijding van discriminatie, participatie aan cultuur en sport, enz.

Het actieplan voorzag in een eerste tussentijds verslag aan de Ministerraad en de Commissie Sociale Zaken in het najaar van 2022. De FOD Sociale Zekerheid heeft dit verslag voorbereid op basis van de bijdragen van het Federaal Netwerk Handicap (met vertegenwoordigers van alle beleidscellen en federale administraties). Het tussentijds verslag, dat momenteel voorlopig is (definitief aangekondigd eind december), heeft betrekking op de uitvoering van de maatregelen die zijn voorzien voor de eerste periode van het actieplan, d.w.z. van juli 2021 tot november 2022. Voor 2021-2022 zijn er 61 maatregelen gepland. Er zijn ook 40 maatregelen voorzien die doorlopend uitgevoerd dienen te worden, gedurende de hele periode van het actieplan. Vorderingen voor de maatregelen gepland voor 2023-2024 worden ook al in dit tussentijds verslag beschreven. Voor de periode 2023-2024 zijn er nog 44 maatregelen gepland, waarvan enkele voor 2023 reeds deels werden uitgevoerd.

Aan het einde van de legislatuur van de huidige regering (voorjaar 2024) zal een eindverslag van het Federaal Actieplan Handicap worden opgesteld.

4. ADVIES

Globaal genomen,
De NHRPH stelt vast dat het initiatief van het actieplan en het opstellen van de fiches inspelen op de uitdaging van de handistreaming. Het is ook de eerste keer dat een politieke en administratieve wil een concrete vorm aanneemt door middel van een grootschalig plan dat echt rekening wil houden met de verwachtingen van personen met een handicap (PMH). Het uitdenken en uitvoeren van het plan zijn bedoeld om heel wat situaties van uitsluiting en gebrek aan rechten in verband met de handicap recht te zetten. De NHRPH is zich ervan bewust dat deze planning een werk van lange adem is. De impact van de aangenomen maatregelen moet ook worden beoordeeld en hieruit moeten conclusies worden getrokken.

Halverwege de beoordeling wil de NHRPH enkele bemerkingen aanhalen, waarbij hij tevens op enkele bemoedigende aspecten wijst:

  • 56 % van de maatregelen heeft betrekking op regelgevende werkzaamheden en wijzigingen in administratieve processen. Dat is bemoedigend. De hoofdlijnen en de ontwerpteksten moeten evenwel steeds aan de NHRPH worden voorgelegd, zodat rekening kan worden gehouden met zijn advies. Dringende verzoeken om advies passen niet bij een kwaliteitsvol participatief werk. Zie advies 2018-25.
  • 44 % van de maatregelen zijn studies en bewustmakingsmaatregelen. De NHRPH is van mening dat de bewustmaking haar grenzen heeft bereikt en dat een beleidsmaatregel die deze naam waardig is concreet moet zijn. De studies zijn essentieel voor zover zij niet worden gebruikt als alibi voor de uitvoering van concrete maatregelen. Deze studies zouden steeds sterk in de tijd beperkt moeten zijn en de NHRPH moet erbij worden betrokken. De opdrachtgever zou zich er steeds toe moeten verbinden een concreet gevolg te geven aan de conclusies.
  • De NHRPH werd wisselend betrokken bij 60 maatregelen. De NHRPH herinnert eraan dat de betrokkenheid systematisch moet gebeuren en zodanig moet worden georganiseerd dat de uitwisseling en de co-constructie van een maatregel mogelijk zijn.
  • Heel wat maatregelen zijn een vertaling van het regeerakkoord; sommige maken de eisen van de UNCRPD concreet. De NHRPH herinnert eraan dat heel veel rechten niet toegankelijk zijn voor PMH en de prioriteiten van het regeerakkoord overstijgen. De NHRPH dringt sterk aan op zijn verzoek tot toetsing van de huidige federale regelgeving aan alle bepalingen van de UNCRPD.
  • Heel wat maatregelen zijn gericht op een betere toegang tot de arbeidsmarkt voor PMH, toegankelijkheid van de omgeving (verschillende domeinen; een groot aantal gezondheidsmaatregelen is gepland en zal in 2023-2024 worden afgerond) en de mobiliteit van PMH. Dit zijn essentiële prioriteiten voor de NHRPH. De uitvoering van deze prioriteiten vereist ook ontwikkelingen op het niveau van de deelgebieden. Het verband tussen het federaal plan en het interfederaal plan is duidelijk en noodzakelijk, aangezien PMH een globaal kader voor inclusie nodig hebben: het is dit globale kader voor toegang tot de rechten dat uiteindelijk ook hun keuze van woonplaats en activiteiten zal bepalen. Het is ook dit globale kader dat de institutionele overgang (zie positienota) mogelijk zal maken. Voor het ontwerpen en ontwikkelen van de beleidslijnen en de maatregelen tegen 2030 dringt de NHRPH aan op een eensluidend gebruik van de Europese structuurfondsen. 

Tegelijkertijd heeft de NHRPH fiches aangeduid die ambitie missen en die een “déjà vu”-gevoel oproepen, terwijl andere fiches te wazig zijn en vage voornemens lijken; ze gaan niet vergezeld van concrete maatregelen en zullen waarschijnlijk nooit worden uitgewerkt (“te plannen studie”, …). In veel gevallen wordt niet eens overwogen de NHRPH te raadplegen. De NHRPH herinnert eraan dat hij werd aangewezen als referentie-orgaan om formele adviezen te formuleren, zo nodig onder het zegel van geheimhouding; een eenvoudige vergadering volstaat soms om dringende maatregelen te bepalen, prioriteiten te stellen, te peilen naar belangrijke behoeften, een prioritair doelpubliek aan te wijzen. Dat is een win-win-benadering waarbij iedereen in zijn rol blijft: de NHRPH kan begrijpen dat politici om specifieke redenen van een advies afwijken. In dat geval wenst de NHRPH te vernemen waarom politici afwijken van het geformuleerde advies.

De NHRPH ziet nog heel wat domeinen waarin moet worden geïnvesteerd, want op het terrein en in de dagelijkse praktijk is het duidelijk dat PMH hun rechten niet altijd kunnen uitoefenen en dat zij zonder corrigerende acties niet vanzelfsprekend op voet van gelijkheid staan met andere burgers.

Zodoende onderscheidt de NHRPH vier grote domeinen die tot de federale bevoegdheid behoren:

  1. de digitalisering: die heeft gevolgen voor alle basisdiensten: overheidsdiensten (Tax-on-web, Itsme, My health), banken, energie, post en telecom, consumptie, zorg, vrijetijdsbesteding,… maar heel wat personen (en niet enkel personen met een handicap) lopen hun meest elementaire rechten mis, omdat de financiële, technische of intellectuele toegang niet gewaarborgd is; websites, instrumenten en informatie zijn niet toegankelijk en alternatieven (papieren versie, hulp aan het loket) worden doorgaans niet meer aangeboden.
  2. Ook de toegang tot de zorg wordt beperkt (personeel dat niet is opgeleid om met personen met een handicap om te gaan, niet-toegankelijke medische omgeving, aanbod van thuiszorg met zware tijdsdruk, …) en beperkt de facto de levenskeuzes van PMH op het gebied van opleiding, werk, keuze van woonplaats, enz.
  3. Er zijn onvoldoende investeringen op het gebied van preventie en ondersteuning: heel wat PMH zijn duidelijk beperkt in hun dagelijkse keuzes en kunnen niet langer elementaire dagelijkse handelingen uitvoeren. Bij gebrek aan aangepaste begeleiding wordt hun rechtsbekwaamheid soms ook te sterk verminderd: dit is een gevolg van de discrepantie tussen de door de omgeving opgelegde beperkingen en het gebrek aan empowerment van PMH. Dat is totaal onaanvaardbaar! De adviezen en brieven gericht aan de Minister van Justitie over de noodzaak om doeltreffende en waardige rechterlijke beschermingsmaatregelen te treffen, blijven zonder gevolg!
  4. De lessen van maatschappelijke en klimatologische evoluties worden niet getrokken: PMH worden totaal vergeten en lijden onder de veranderingen: COVID, overstromingen en hittegolven brengen ernstige tekortkomingen aan het licht. In dergelijke situaties die meer hulp en bijstand vereisen, bestaan er geen maatregelen voor PMH. België beschikt niet over globale gegevens over de behoeften van PMH; ze zijn niet gekend en daarom is het onmogelijk gerichte beleidsmaatregelen en acties te ontwikkelen. De aangekondigde noodplannen zijn dringend.

De NHRPH herinnert er uiteraard aan dat PMH zelf, via de NHRPH die hen vertegenwoordigt, bij het denkwerk en de besluitvorming moeten worden betrokken.

Meer specifiek,
De NHRPH wenst zich uit te spreken over een aantal fiches. Het analysewerk is enorm en de geformuleerde opmerkingen, denkoefeningen en verwachtingen zijn noodzakelijkerwijs verdeeld en op een bepaald moment T uitgebracht. Heel wat adviezen werden ook al eerder uitgebracht zonder daarom te zijn gevolgd; hieraan zal worden herinnerd zonder dat de inhoud ervan wordt gedetailleerd; de lezer wordt verzocht ze te raadplegen om zich (opnieuw) vertrouwd te maken met het standpunt van de NHRPH.

Onderstaande tekst bevat alle 145 fiches: de naam van de maatregelen zijn vetgedrukt en de uittreksels uit het tussentijds verslag zijn cursief gedrukt. Over de meeste maatregelen heeft de NHRPH een standpunt ingenomen of een opmerking geformuleerd (kader). De verwijzing naar een uitvoerig advies wordt soms toegevoegd. Over het algemeen vult advies 2021-25 ook het standpunt van de NHRPH aan.

001
Noodplannen bijwerken om rekening te houden met de behoeften van mensen met een handicap.

In het tussentijds verslag staat: Opgelet: onvoldoende info over nood- en interventieplannen.

De NHRPH betreurt dat er geen vooruitgang is geboekt op het vlak van het bijwerken van de noodplannen. De Covid-crisis, de klimaatverandering (overstromingen, hittegolven, …) maken duidelijk dat de zwaksten, waaronder personen met een handicap (PMH), moeten worden geïdentificeerd. De ervaring leert dat anticipatie noodzakelijk is. Sommige PMH weten immers niet hoe ze in zulke situaties moeten reageren. Het overleven van sommige personen hangt ook af van apparatuur waarvoor voortdurend elektrische stroom nodig is. Er is dringend behoefte aan identificatie, niet op basis van de handicap (bescherming van de privacy), maar op basis van de behoeften van personen. De NHRPH vraagt met aandrang een ontmoeting met alle ministers, de betrokken deelgebieden en het Comité voor bio-ethiek.

002
Ervoor zorgen dat de crisiscommunicatie steeds beschikbaar is in een aangepast en toegankelijk formaat.

Op basis van de lessen die opgedaan werden tijdens de coronacrisis, werkte het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) aan een meerjarenplan om toegankelijke en inclusieve crisiscommunicatie verder uit te bouwen. Het meerjarenplan beoogt:

  1. een hogere kennis van risico’s en het juiste gedrag in noodsituaties bij de algemene Belgische bevolking door middel van een risicocommunicatiestrategie, met extra aandacht voor kwetsbare doelgroepen; en
  2. een betere voorbereiding op noodsituaties en crisiscommunicatie door eenvoudig, kant-en-klaar communicatiemateriaal op te maken en te testen op de verschillende doelgroepen. Voor de volledige risicocommunicatiestrategie (met aandacht voor toegankelijke communicatie) is in 2022 voor 4 jaar een jaarlijks budget van 300.000 euro voorzien op de nucleaire en seveso-fondsen.

Momenteel werkt het NCCN volop aan het aanbestedingsdossier. Het dossier wordt opgedeeld in twee percelen: een communicatiecampagne en een perceel rond onderzoek. In beide delen vormt de aandacht voor kwetsbare doelgroepen een rode draad. Het middenveld zal worden aangesproken voor zowel de risicocommunicatie (per thema, in samenwerkingsverbanden met intermediaire verenigingen om zich te richten op specifieke doelgroepen) als de crisiscommunicatie (databank van kant-en-klaar of eenvoudig aanpasbaar communicatiemateriaal dat snel inzetbaar is en getest is bij de doelgroepen). Verwachting is dat we de administratieve procedure kunnen afronden in december 2022 of begin 2023. Zo kunnen we vanaf het voorjaar 2023 van start gaan. De campagne zal lopen van 2023-2026.

De NHRPH stelt vast dat het dossier vordert, maar maakt zich zorgen over het feit dat hij tot op heden niet werd geraadpleegd. Heel wat PMH hebben specifieke behoeften die moeten worden geïdentificeerd vanaf het begin van de denkoefening. Uit ervaring weet de NHRPH dat de aanbevelingen in zijn adviezen als niet meer ontvankelijk worden beschouwd omdat er al een politiek akkoord is en dat terwijl een vroege integratie ervan adequate oplossingen mogelijk zou hebben gemaakt.

003
In overleg met de deelstaten worden de bijzondere drempels voor de toegang tot gezondheidszorg voor personen met een handicap die zich situeren op de grens van de bevoegdheidsverdeling inzake volksgezondheid en welzijn in kaart gebracht (Bv. de nomenclatuur voor logopedie en kine gelinkt aan revalidatiecentra).

De NHRPH herinnert eraan dat heel veel soorten zorg (fysiotherapie, logopedie, …) niet toegankelijk zijn buiten de zorgtrajecten in revalidatiecentra. Deze situatie is onaanvaardbaar, omdat de centra volstrekt ontoereikend zijn. Bovendien zijn sommige zorgtrajecten procedureel te restrictief, waardoor de persoon gedwongen wordt een keuze te maken tussen toegang tot zorg en zijn levenskeuzes. De NHRPH stelt vast dat een studie is gepland voor 2024. Hij vraagt om vanaf het begin te worden betrokken bij de denkoefening en om deel uit te maken van de stuurgroep.

De NHRPH dringt in het bijzonder erop aan dat het probleem van het niet-terugbetalen van logopedie voor kinderen met een laag IQ wordt opgelost. Hij betreurt dan ook dat op dit punt geen vooruitgang is geboekt. Ter herinnering:

De verantwoording van deze beperking volgens het resultaat van de test is gebaseerd op het feit dat kinderen met een verstandelijke beperking (gewoonlijk) naar het buitengewoon onderwijs gaan. Deze scholen hebben binnen hun teams logopedisten, die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van behandelingen aan leerlingen.

Deze visie brengt drie grote problemen met zich mee:

  • Er is in het buitengewoon onderwijs geen enkele externe controle op de werkelijke verstrekking van de behandelingen. Wij horen regelmatig van ouders van wie kinderen geen behandelingen krijgen in hun instelling omdat de uren die normaliter voor logopedie worden uitgetrokken soms worden gebruikt voor andere soorten revalidatie (fysiotherapie, …).
  • Een dergelijke maatregel zorgt ervoor dat het zwakbegaafdere kind in het buitengewoon onderwijs vast blijft zitten, terwijl deze kinderen tegenwoordig net vaker worden geïntegreerd in gewone scholen. Het debat stelt hier natuurlijk niet de geschiktheid in vraag van het buitengewoon onderwijs ten opzichte van inclusief onderwijs in gewone scholen. Het gaat meer om de keuzevrijheid die gegarandeerd moet worden aan de gezinnen. Deze keuze zou gebaseerd moeten zijn op de bezorgdheid voor het welzijn van het kind en niet op financiële redenen. Wanneer een gezin ervoor kiest zijn kind in te schrijven in een gewoon onderwijsnet zou het gezin, zoals bij elk ander kind, moeten kunnen genieten van een terugbetaling van logopediebehandelingen. Dat is momenteel niet het geval. Overigens zijn er veel kinderen van wie het IQ lager is dan 86, die naar gewone scholen gaan en die geen toegang hebben tot logopediebehandelingen binnen hun school.
  • Bovendien zullen de kinderen die deze testen ondergaan zwakkere resultaten behalen als ze al spraakproblemen vertonen. Een betere toegang tot logopedie kan net hun cognitieve en communicatieve vaardigheden helpen verbeteren waardoor ze de test onder optimale omstandigheden kunnen afleggen. De specialisten begrijpen dit probleem natuurlijk heel goed en daarom, wanneer de situatie het toelaat, richten ze zich tot meer “genereuze” testen op gebied van punten om het kind te helpen die grens van 86 te overbruggen. Maar deze regelingen kennen hun grenzen en werken slechts gedurende een bepaalde tijd.

Bron: https://ongelijkheid.be/Geen-terugbetaling-van-logopedie

004
Nagaan hoe de rechten op vertolking in gebarentaal van personen met een sensoriële handicap binnen de gezondheidszorg kunnen gewaarborgd worden.

De NHRPH wijst op het belang hiervan in zorgcentra (ziekenhuizen, eerste lijn, …). De NHRPH stelt vast dat een studie is gepland voor 2024. Hij vraagt om vanaf het begin te worden betrokken bij de denkoefening en deel uit te maken van de stuurgroep.

005
Het verzekeren van toegang van personen met een handicap tot ziekteverzekering en ziekenfondsen op gelijke voet met anderen: aanpak van de problematiek van voorafbestaande toestanden.

Dit dossier houdt de NHRPH al vele jaren bezig. Ook artikel 100, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, voor zover dit het keerpunt vormt tussen sociale dekking en sociale bijstand, moet volledig worden herbekeken (zie advies 2020-16). De NHRPH kan niet aanvaarden dat de oorzaak van de handicap bepalend is voor de sociale dekking van de persoon: zowel een verlamming vanaf de geboorte als na een arbeidsongeval is voor de betrokkene een verlies van zelfredzaamheid dat hij of zij financieel moet compenseren. De vergoedingen verschillen evenwel sterk naargelang de persoon een RIZIV-uitkering, arbeidsongevallenuitkering of een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt. Bij deze hervorming zal noodzakelijkerwijs uitvoerig moeten worden ingegaan op de essentiële kwestie van de erkenning van de behoeften van de personen, wat verder reikt dan hun statuut. De sociale dekking moet zoveel mogelijk de gehele bevolking behelzen.

De NHRPH betreurt opnieuw dat dit dossier, ondanks zijn talrijke oproepen (memoranda, adviezen, …), geen vooruitgang boekt. Het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is nochtans zeer duidelijk en staat geen enkele discriminatie op grond van de oorzaak van de handicap toe. EN TOCH blijft het systeem in België van die aard dat het kind met een handicap zijn of haar hele leven in een residuair stelsel van sociale bescherming zal blijven en, in tegenstelling tot de werknemer wiens handicap tijdens zijn of haar loopbaan is ontstaan, zijn of haar hele leven verstoken blijft van een volledige sociale dekking. Dit verhoogt het risico om in armoede te leven aanzienlijk.

De NHRPH vraagt om bij de stuurgroep te worden betrokken van bij het begin van de werkzaamheden.

006
Hervorming van de wet van 26 juni 1990 “betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke” met respect voor de rechten van de patiënt met een handicap.

Volgens het tussentijds verslag zou een werkgroep zijn opgericht. De NHRPH heeft hier geen informatie over en vraagt om zo snel mogelijk te worden betrokken bij de werkgroep.

007
Verkenning van initiatieven in de diensten geestelijke gezondheidszorg in de ziekenhuizen voor meer humane zorg en het verminderen van de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen.

Een ontmoeting met de NHRPH om een aantal prioriteiten vast te stellen zou bijzonder nuttig zijn.

008
Revalorisatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming door het optrekken richting de armoedegrens.

De NHRPH werd bij de denkoefeningen betrokken. Hij herinnert eraan dat de armoedegrens een te bereiken minimum is, aangezien zelfs deze grens personen niet in staat stelt waardig te leven in een omgeving die totaal ontoegankelijk is en dus extra kosten met zich meebrengt voor PMH: verhoging van de uitkeringen tot het gewaarborgd minimuminkomen blijft een doelstelling voor de NHRPH.

009
Afschaffen van de “prijs van de liefde” door het loskoppelen van de hoogte van het inkomen van de personen met een handicap en hun partners voor de integratietegemoetkoming.

Zie advies 2020-23 van de NHRPH.

010
Evolueren naar de vrijstelling van de integratietegemoetkoming bij de berekening van de middelen voor het recht op maatschappelijke integratie.

De NHRPH is zeer tevreden over de maatregel.

011
Bestuderen van de mogelijkheid van een forfaitair en variabel deel voor de integratietegemoetkoming.

De NHRPH werd nog niet formeel geraadpleegd over de maatregel, maar werd betrokken bij een aantal voorbereidende werkzaamheden. Dankzij deze maatregel kunnen PMH die geen vervangingsuitkeringen ontvangen en dus een zeer beperkt budget hebben een klein deel van hun koopkracht  recupereren door middel van tariefverlagingen op basisdiensten: dit zal zeker de financiële druk en het risico op armoede enigszins verminderen. Het zal belangrijk zijn de maatregel zorgvuldig uit te werken, zodat hij geen averechtse effecten heeft. Deze maatregel is echter niet de optimale oplossing: de NHRPH vraagt reeds jaren dat de tegemoetkomingen worden verhoogd tot ten minste de armoedegrens en idealiter tot het gewaarborgd minimuminkomen. 

012
Evaluatie van de regeling van het ziektepensioen voor arbeidsongeschikte ambtenaren.

De NHRPH is niet betrokken bij de denkoefening.

013
Evalueren van de mogelijkheid om de vrijstellingen waarin de berekening van de IGO voorziet, uit te breiden tot steun die na de 6e staatshervorming aan de deelstaten werden overgedragen.

De NHRPH is niet betrokken bij de denkoefening.

014
Onderzoek van pistes om het tarief van 28% vermindering op de integratietegemoetkoming voor personen in een collectieve woonvoorziening te hervormen.

Deze maatregel zou moeten worden onderzocht binnen de IMC Personen met een handicap. De NHRPH vraagt om betrokken te worden bij de werkzaamheden.

015
Er zal onderzocht worden of de bestaande regelgeving van de wet van 1987 betreffende de IVT en IT en de wet van 2001 voor de IGO, nog aangepast is aan de moderne samenlevingsvormen (nieuwe vormen van cohousing en solidariteit zoals kangoeroewonen) en/of zorgformules en aan de keuzes van eenieder.

De NHRPH is tevreden over dit initiatief. Hij vraagt te worden geraadpleegd vanaf het begin van de werkzaamheden.

016
Mogelijkheid bestuderen om gebruik te maken van het actueel inkomensaspect bij de aanvraag van een erkenning.

In normale omstandigheden wordt gekeken naar het belastbaar inkomen van 2 jaar eerder. De FOD Sociale Zekerheid onderzocht de mogelijkheid om gebruik te maken van een actuele inkomensnotie die gebaseerd is op gegevensstromen die hoofdzakelijk afkomstig zijn van de openbare instellingen voor sociale zekerheid in België. https://socialsecurity.belgium.be/sites/default/files/content/docs/nl/sociaal-beleid-vorm-geven/belmod/4.2._proactieve_identificatie_ivt_en_it.pdf

Hieruit blijkt dat de inkomensnotie niet alle inkomenselementen kan bevatten die in de middelentoets voor het recht op IVT of IT in aanmerking worden genomen. Er is bijvoorbeeld geen actuele administratieve informatie over roerende goederen, onderhoudsuitkeringen of aftrekbare uitgaven. De huidige administratieve gegevens bevatten voornamelijk informatie over het arbeidsinkomen en het vervangingsinkomen. Dit betekent dat de huidige inkomensstromen niet bijzonder geschikt zijn voor een volledige automatische toekenning van tegemoetkomingen. Het kan echter wel dienen als basis voor een proactieve identificatie van potentiële uitkeringsgerechtigden. Volgens de ramingen zal 85% van de personen die op grond van de actuele inkomensnotie als potentieel rechthebbenden worden geïdentificeerd, dit ook daadwerkelijk zijn. Het doel is om tegen 2024 te evolueren naar de automatische identificatie van potentieel gerechtigden van IT-/IVT-tegemoetkomingen.

De NHRPH vraagt ZEER SNEL een presentatie van de studie, waarvan de conclusies al in juli 2022 werden ingediend. Wat is het standpunt van de politiek over deze studie?

017
Evolueren naar de automatische identificatie van potentieel gerechtigden van IT/IVT tegemoetkomingen (BELMOD-onderzoek).
Nieuwe administratieve instructies gebaseerd op het verslag van maatregel 16.
De volgende stap is het onderzoek naar hoe de nieuwe administratieve instructies geïmplementeerd kunnen worden in het nieuwe informaticasysteem TRIA. Dit onderzoek kan pas van start gaan wanneer TRIA operationeel is.

De NHRPH vraagt dat de manier waarop de potentiële kandidaten zullen worden geïdentificeerd hem wordt verduidelijkt.

018
Evaluatie van de wet van 1987 en formuleren van pistes ter hervorming om deze in lijn met de moderne visie op handicap te brengen.

Sommige maatregelen tot aanpassing van de wet 27 februari 1987 werden reeds genomen: afschaffing van de “prijs van de liefde”, aanpassing van de “prijs van de arbeid”, verhoging van de IVT in de richting van de armoedegrens. De NHRPH verwacht evenwel een algemenere hervorming van de wet, zodat deze beter aansluit bij de beginselen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Zo’n hervorming omvat voormelde maatregelen 7, 8, 9, 12, enz. maar gaat tegelijkertijd verder. Het tegemoetkomingsstelsel is onleesbaar geworden en de sector vraagt om duidelijkheid. Het stelsel moet volledig worden herschreven. De NHRPH is van oordeel dat er tijd nodig is voor een doordachte herziening, maar is ook van mening dat bepaalde wijzigingen nog mogelijk moeten zijn tijdens deze legislatuur – zeker ook omdat  het TRIA-instrument doeltreffender zal worden indien  noodzakelijke wijzigingen in de regelgeving nog kunnen worden aangebracht -  een nota daartoe werd in juni 2022 aan Minister Lalieux voorgelegd.

In juni 2022 heeft de NHRPH een nota ingediend met prioriteiten en acties die tijdens deze legislatuur nog kunnen worden ondernomen. De NHRPH stelde daarin een aantal maatregelen vast die ook de TRIA-ontwikkelingen zouden kunnen vereenvoudigen. De NHRPH neemt nota van het feit dat midden 2023 een werkgroep zal worden samengesteld. De NHRPH is van oordeel dat dit moment laat in de legislatuur komt en zou deze werkgroep van start willen zien gaan vanaf begin 2023. Hij vraagt uiteraard om aan deze werkgroep deel te nemen.

019
Modernisering van de erkenningsprocedure van handicap:

  1. ontwikkelen en toepassen van multidisciplinaire evaluaties teneinde met alle types handicap rekening te houden.
  2. ervoor zorgen dat de procedures voor mensen met een ongeneeslijke en onomkeerbare handicap worden vereenvoudigd in het kader van de verlenging van hun hulp.

Voor de modernisering van de erkenningsprocedure van handicap door de FOD Sociale Zekerheid is de ontwikkeling en toepassing van multidisciplinaire evaluaties voorzien door de DG Personen met een handicap. Hiervoor werden nieuwe teams aangeworven waarvan de opleiding opgestart werd op 1 september 2022. Een visienota over de multidisciplinaire werking werd voor advies voorgelegd aan de NHRPH. In een volgende stap zal de procedure aangepast worden om ervoor te zorgen dat deze vereenvoudigd zal worden voor mensen met een ongeneeslijke en onomkeerbare handicap.

De NHRPH herinnert eraan hoe belangrijk multidisciplinaire evaluaties zijn om de evaluatie van het verlies van zelfredzaamheid en - in iets mindere mate - het verlies aan verdienvermogen zo goed mogelijk in kaart te brengen (zie advies 2021-25). De NHRPH dringt aan op een snelle en volledige implementatie van de multidisciplinaire evaluaties: het is dringend noodzakelijk dat de rol van artsen en evaluatoren zodanig wordt verduidelijkt dat het verlies aan verdienvermogen en het verlies van zelfredzaamheid voor heel België op uniforme wijze worden vastgesteld. Bij de evaluaties moet rekening worden gehouden met de moeilijkheden die personen ondervinden om zelfstandig te leven en aan de samenleving deel te nemen.

020
Actieplan DG Personen met een handicap (DG HAN).

Voor de verbetering van de dienstverlening door DG Personen met een handicap werd een nieuw actieplan opgesteld. Dit programma ‘EXCEL HAN’ legt de nadruk op betere en inclusieve communicatie met de rechthebbenden, een betere toegang tot rechten, een actieve bestrijding van het niet-gebruik van rechten en een sterkere coördinerende rol van de lokale actoren. Hiervoor is gedurende 2022 onder meer de intakeprocedure bij aanvraag van erkenningen hervormd. Een nieuw Intakeformulier zal geïmplementeerd worden begin 2023. Het toezicht zal worden versterkt op de behandelingstermijnen van aanvragen, met een inkorting van de duur ervan. De regering maakte voor dit programma bijkomende middelen vrij, onder meer voor een versterking van het personeelsbestand.

De NHRPH heeft in 2021 een omstandig advies 2021-33 over het EXCEL HAN-plan ingediend. Hij stelde dat het programma Excel Han in de eerste plaats moet streven naar een fundamenteel betere toegang tot de rechten, een correcte toepassing van de reglementering en een gelijke behandeling van alle personen met een handicap. Dit vereist geharmoniseerde methoden en werkprocessen om binnen een redelijke termijn kwaliteitsvolle beslissingen te kunnen nemen. Het vereist ook een nieuw management, wat al jaren schromelijk ontbreekt in de DG HAN.

In december 2022, op het moment dat dit advies werd opgesteld, drong de NHRPH sterk aan op een snellere behandeling van de aanvragen. De laatste cijfers blijven de NHRPH zorgen baren. Voor heel wat nieuwe aanvragen bedraagt de behandelingstermijn meer dan een jaar. De situatie is des te zorgwekkender omdat de OCMW’s, waar potentiële rechthebbenden zich kunnen aanmelden, maar ook de ziekenfondsen overstelpt zijn. De NHRPH vreest dat sommige personen zonder inkomen vallen en vraagt dat de behandeling van nieuwe aanvragen absolute voorrang krijgt.

Daarnaast tracht de NHRPH de DG HAN te adviseren over tal van projecten en heeft hij de afgelopen jaren heel wat adviezen uitgebracht (zie voor meer details de adviezen over Intake, My Handicap, CityH@ndi, opvangcentra, multidisciplinaire evaluatie, de rol van de maatschappelijk assistenten enz.).

De NHRPH zal zich zo goed mogelijk blijven inzetten, maar herinnert eraan dat

  1. de leden van de NHRPH zelf vaak hun eigen professionele activiteiten hebben, dat de zitpenning helemaal geen compensatie is voor de investering;
  2. de medewerkers die het secretariaat de afgelopen jaren hebben verlaten, maar gedeeltelijk zijn vervangen: er ontbreekt een Franstalige FTE. Bovendien vereist de toenemende werklast een adequaat antwoord (versterking);
  3. de betrokkenheid bij elk project zo snel mogelijk moet gebeuren: de NHRPH geeft de verwachtingen op het terrein weer; een raadpleging bij een project dat reeds in ontwikkeling is, heeft weinig zin als er toch geen rekening meer kan worden gehouden met de verwachtingen.

021
Verbeteren van de samenwerking tussen DG HAN en de gemeentebesturen, teneinde drempels tot dienstverlening weg te werken.

Om de drempels voor de dienstverlening door de gemeenten en OCMW’s aan personen met een handicap weg te werken, werd in het najaar van 2021 een enquête afgenomen bij alle 581 gemeenten. Met de City H@ndi-enquête werden gegevens verzameld over de organisatie van de opvang van personen met een handicap in de gemeente, de impact van de COVID-19-crisis op deze opvang, en de specifieke ondersteuningsbehoeften van elke gemeente op basis van voorstellen van DG Personen met een handicap. Op basis hiervan zijn actieplannen in opmaak tegen begin 2023.

De NHRPH heeft het advies 2022-11 uitgebracht. Hij wenst te herinneren aan de wettelijke, oorspronkelijke en essentiële rol van de gemeenten en OCMW’s als bevoorrechte partners, dicht bij de burgers, bij de toegang tot hun rechten. Het is duidelijk dat het risico van non-take-up groot is voor personen die zonder enige vorm van begeleiding naar andere instellingen zouden worden doorverwezen. De NHRPH meent te hebben begrepen dat sommige gemeenten / OCMW’s hun wettelijke verplichting – helpen bij het indienen van de aanvragen - niet meer nakomen. Dat is uiteraard onaanvaardbaar. De lokale autoriteiten moeten ervoor zorgen dat de dienstverlening aan de gemeentebevolking in haar geheel goed functioneert.

De NHRPH zou thans het volgende willen weten:

  1. Welke concrete acties zullen worden ondernomen in de komende maanden om te voldoen aan de verwachtingen van de gemeenten en OCMW’s?
  2. Hoe zal deze enquête worden uitgebreid tot de ziekenfondsen en andere partners (ziekenhuizen, revalidatiecentra, verenigingen die My Handicap gebruiken, …)?

022
Versterken van het project INTAKE om de indiening van de aanvragen tot erkenning te vergemakkelijken en alle informatie vereist in één dossier te centraliseren.

Er was al advies 2022-11, maar de NHRPH herinnert ook aan het verband met het project “Intake Remake” (nieuwe aanvraagformulieren); beide projecten zijn aan elkaar gekoppeld: in de aanvraagformulieren moeten een aantal bezorgdheden worden geïntegreerd die in het kader van de City H@ndi-enquête werden geformuleerd.

Daarbij moet er aandacht zijn voor alle soorten handicap.

023
In kaart brengen van de specifieke hindernissen voor niet-Belgische inwoners met een handicap.

De NHRPH wijst erop dat alle soorten handicap in aanmerking moeten worden genomen.

024
Verbeteren en actualiseren van de bestaande sociale tarieven: telefonie, internet en gas en elektriciteit.

Het sociaal tarief voor diverse basisdiensten is een belangrijk instrument in het armoedebeleid. Het actieplan voorziet daarom een verbetering en actualisering van de bestaande sociale tarieven voor telefonie, internet, gas en elektriciteit. In het kader van de opmaak van het federaal actieplan armoede bepleitte het middenveld voor een uitbreiding van sociaal tarief gas en elektriciteit naar mensen met een verhoogde tegemoetkoming. Voor het sociaal tarief elektronische communicatie werd gepleit voor een automatisering van dit sociaal tarief.

De hervorming van het sociaal tarief elektronische communicatie is in voorbereiding. Begin 2022 vond een publieke raadpleging plaats. De beleidscel van de minister van Telecommunicatie heeft dit voorstel ook toegelicht aan de plenaire vergadering van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap. Op basis van de analyses van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie zou het automatisme van het sociaal telecommunicatietarief in de strikte zin voor personen met een handicap niet operationeel en dus mogelijk zijn krachtens het Europees wetboek voor elektronische communicatie. Daartoe moet het begunstigde publiek tot alle begunstigden van de verhoogde tegemoetkoming worden uitgebreid.

Het sociaal tarief voor energie zal hervormd worden op basis van het tussentijds verslag van experts van de Nationale Bank van België van 11 juni 2022. Gelet op de prijsstijging van de petroleumproducten werden daarnaast een reeks maatregelen genomen door de federale regering. Vanaf 1 oktober steeg het gemiddeld sociaal tarief voor elektriciteit met 7,8 % en voor aardgas met 9,9 %. De regering voorzag een verhoging van het Sociaal Stookoliefonds tot en met maart 2023, en een eenmalige uitbreiding van het gas- en elektriciteitsfonds voor 2022.

De NHRPH heeft een omstandig advies 2022-01 uitgebracht.

De NHRPH werd ook in kennis gesteld van het feit dat de Minister de mogelijkheid om bepaalde fiscale en sociale compensaties te genieten wil uitbreiden tot nieuwe groepen van personen met een handicap, via de forfaitaire IT. De NHRPH juicht deze opening toe en zou graag de waarborg krijgen dat deze ontwikkelingen budgettair onder controle blijven.

025
Garanderen van de retroactiviteit bij automatische toekenning van het sociaal tarief voor energie door te bestuderen hoe die kan opgevangen worden door een éénmalige premie om de tijd tot erkenning op te vangen.

De NHRPH heeft een advies 2020-25 uitgebracht, waarin hij met name wijst op de disfuncties van de processen die de automatische toekenning van het  sociaal tarief de facto onzeker maken: sinds het van kracht worden van de wet van 24 februari 2019 kunnen de rechthebbenden van het sociaal tarief dit tarief immers toegekend krijgen vanaf de datum van de erkenning van de handicap. Nu, bijna twee jaar later, blijkt dat de terugwerkende kracht nog steeds niet wordt toegepast. De NHRPH vraagt dat de betrokken actoren zo snel mogelijk technische oplossingen vinden om dit recht toe te passen.

Het is onaanvaardbaar dat de stromen bestaan, maar niet worden toegepast. Personen met een handicap betalen zo aanzienlijke geldbedragen die zij niet kunnen recupereren, terwijl zij daar wel recht op hebben.

026
Onderzoek naar het toepassen van het sociaal tarief voor personen met een handicap in zorginstellingen.

De NHRPH herinnert aan zijn advies 2015-22 en wijst erop dat het sociaal tarief gekoppeld moet worden aan de persoon met een handicap, en niet aan het huishouden of het adres.

027
Integratie van de handicapdimensie in het Plan Armoedebestrijding.

De NHRPH heeft gewezen op het belang om handicap- en armoedemaatregelen te integreren in een advies 2021-34. Hij dringt erop aan dat armoedebestrijding een hoofdprioriteit van deze regering en de volgende regeringen wordt. Kan de Minister die thans bevoegd is voor armoedebestrijding de mogelijkheid onderzoeken om de adviezen van deskundigen verplicht te maken (dienst Ondersteuning armoede / platform armoede) net zoals de adviezen van de NAR en de CRB? De maatregelen in de plannen moeten vergezeld zijn van duidelijke en meetbare indicatoren. Het is tenslotte dringend dat alle herstelplannen en het gebruik van de structuurfondsen de handistreaming toepassen in alle bedoelde beleidsmaatregelen en -acties. Zie advies 2021-09 en advies 2020-03.

028
Ervoor zorgen dat de specifieke noden van personen met een handicap geïntegreerd worden in het alomvattend moderniseringsplan om de kwaliteit van de dienstverlening van de overheid te verbeteren: garanderen en verbeteren van een toegankelijk onthaal en toegankelijke informatie voor personen met een handicap.

Het in de fiche vermelde advies 2021-33 heeft enkel betrekking op het ExcelHan-plan.

De NHRPH stelt vast dat de digitale kloof reeds een werkelijkheid op grote schaal is. Hij verwacht dat de structurele maatregelen in aanmerking worden genomen om de toegang van PMH tot alle overheidsdiensten te waarborgen, op de meest autonoom mogelijke manier. Hoewel de digitalisering een onomkeerbare trend is, moeten ook niet-digitale alternatieven worden aangeboden, en dit zonder meerkosten voor de PMH. Zie positienota over de digitale kloof.

029
Het opzetten van een pool van doventolken die beschikbaar gesteld wordt voor het publiek voor het gebruik van federale en administratieve diensten.

Het advies van de NHRPH werd gevraagd: zie advies 2022-26.

030
Bijzondere aandacht voor inclusieve dienstverlening bij de overheidsdiensten met rechtstreeks contact met de burger. Onder meer door aanvraag van redelijke aanpassingen mogelijk te maken en daarvoor de nodige interne middelen voorzien.

Handicap inclusieve publieke dienstverlening

Er bestaat heden geen exhaustief overzicht van alle acties en strategieën voor een handicap inclusieve publieke dienstverlening over het geheel van de federale overheid. In het kader van de rapportering over het federaal actieplan handicap gaven verschillende overheidsadministraties echter aan hoe zij bijkomende acties of actieplannen opzetten voor de inclusie van personen met een handicap. Enkele goede praktijken die vermeld kunnen worden:

  • Bij de FOD Financiën werd in september 2022 het actieplan voor personen met een handicap en integratie goedgekeurd.
  • De FOD Sociale Zekerheid ondernam, in samenwerking met INTER en AccesAndGo en in aanwezigheid van de Regie der gebouwen, een studie rond de toegankelijkheid van haar 11 regionale centra voor de evaluatie van handicaps (voor meer details, zie hoofdstuk 3.2.).
  • De FOD Buitenlandse Zaken voorziet analyses van obstakels voor de consulaire dienstverlening (ambassades, consulaten) wanneer er verbouwingswerken gepland worden, of bij verhuis van een diplomatieke of consulaire post. Gezien veiligheid van de bezoeker en de fysieke toegankelijkheid een prioriteit is, wordt hier steeds aandacht aan besteed en waar nodig – naargelang het project – wordt een ad hoc oplossing geboden.
  • De Federale Pensioendienst zal voor 2023 de mogelijkheden onderzoeken om proactief diensten aan doelgroepen aan te bieden met behulp van informatie uit andere overheidsdiensten waarnaar wordt verwezen.

De beschikbaarheid van gebarentaal tolken is een belangrijke vereiste voor de toegang tot publieke diensten voor doven en slechthorenden. De FOD Sociale Zekerheid schreef daarom een aanbestedingsprocedure uit voor een nieuw federaal kadercontract voor gebarentaal op persconferenties, vergaderingen, en dienstverlening aan burger.

De NHRPH herinnert aan zijn advies 2021-25: de redelijke aanpassingen moeten centraal komen te staan in de dienstverlening van alle overheidsdiensten. De NHRPH vraagt dat alle overheidsdiensten worden gescreend en de toegankelijkheid van hun dienstverlening wordt geanalyseerd. Een plan voor verbetering op korte/lange termijn moet worden opgesteld en tussentijdse voortgangsverslagen moeten worden opgelegd. De NHRPH wijst op de reële gevaren voor uitsluiting die worden veroorzaakt door de processen van digitale modernisering van de overheid: het is niet omdat het internet bijna algemeen verbreid is, dat de burgers daarom hun rechten kennen en de toekenningsprocessen voldoende begrijpen. Alternatieven voor de digitalisering moeten blijven bestaan: menselijke begeleiding zonder meerkosten moet mogelijk zijn voor iedere burger en op ieder moment in de processen.

031
We zetten een netwerk van ervaringsdeskundigen handicap op om de federale administraties te ondersteunen in het uitwerken van een meer inclusieve dienstverlening.

Rond het plan voor een federaal netwerk van ervaringsdeskundigen handicap werd door de administratie een voorlopige behoeften- en contextanalyse gemaakt. Het door de FOD BOSA ondersteunde federale diversiteitsnetwerk liet getuigen met een handicap spreken op een bewustmakingsvergadering. De maatregel werd nog niet uitgevoerd in deze vorm, voor 2023 worden de mogelijkheden overwogen.

De NHRPH vindt dat het kader voor de betrokkenheid van PMH bij de besluitvormingsprocessen nauwkeuriger en correcter moet worden bepaald. De zin: “Personen met een handicap, als ervaringsdeskundigen, zijn het best geplaatst om advies te geven over de impact van beleidsmaatregelen op hun leven” is dubbelzinnig. De NHRPH beveelt volgende formulering aan: “Personen met een handicap, in hun hoedanigheid van ervaringsdeskundigen, en de organisaties die PMH vertegenwoordigen, zijn het best in staat om uit te stijgen boven specifieke visies en adviezen te formuleren - door middel van de adviesraden die hen vertegenwoordigen - die rekening houdt met de uiteenlopende behoeften en verwachtingen.”. De NHRPH verwijst naar de positienota’s: /nl/positienota-s/participatie-van-personen-met-een-handicap-aan-besluitvormingsprocessen.

032
Veralgemenen van het gebruik van gebarentaal bij persconferenties van de federale regering.

Als algemeen principe staat de NHRPH positief tegenover het structurele gebruik van gebarentaal op persconferenties, maar hij vraagt om verder te gaan in de contacten tussen de overheid en de burgers. De NHRPH herinnert eraan dat alle informatie van de overheid en de politieke autoriteiten voor alle burgers toegankelijk moet zijn. Ook alle informatie waarmee de burger toegang kan krijgen tot zijn rechten zou verplicht moeten worden vertaald in gebarentaal (zie advies 2022/26).

033
Veralgemenen van het gebruik van easy-to-read versies van belangrijke documenten voor de burger.

De FOD Sociale Zekerheid heeft verschillende projecten geïnitieerd: “herschrijven brieven”, “nieuwe website DG HAN” en “nieuwe website EDC” die gebeuren volgens de easy-to-read methode. De doelstelling is dat de brieven en websites beter begrijpelijk zijn, waardoor mensen gemakkelijk de informatie vinden waar ze op zoek naar zijn. Ook bij de FOD Buitenlandse Zaken wordt erover gewaakt om in begrijpelijke taal te communiceren, met een inclusief taalgebruik. In toekomstige opleidingen die de Communicatiedienst verzorgt, zal daaraan aandacht worden besteed.

De NHRPH benadrukt dat een ander leesformaat, dat tijdens de Covid-crisis onmisbaar is geworden, de gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal (FALC: Facile à Lire et à Comprendre/easy-to-read) is.

Er moet een transversaal budget komen op het niveau van de werkingskosten van alle federale departementen en kabinetten om dit communicatie-instrument te systematiseren en een duurzaam karakter te geven. Het is voor de hele bevolking nuttig, omdat het duidelijk de rechten en plichten van iedere burger belicht. Het budget moet voldoende zijn om te voorzien in opleiding en het nalezen van teksten in FALC.

034
Onderzoek naar de mogelijkheid van een “speech to tekst” dienst gebaseerd op artificiële intelligentie voor automatische transcripties.

De NHRPH wenst snel de eerste aandachtspunten van de werkgroep te ontvangen.

035
Publiceren en vulgariseren van informatie over het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, inclusief de algemene commentaren van het VN-Comité, zodat deze in de 3 landstalen, in “easy-to-read” format en in gebarentaal toegankelijk zijn.

De NHRPH vindt de werkzaamheden voor bewustmaking bij het grote publiek en de personen die zich beroepsmatig hiermee bezighouden essentieel voor het concretiseren van de UNCRPD-vereisten.

036
Integreren van de handicapdimensie in projecten van het Belgisch plan voor herstel en veerkracht en het federaal relance- en transitieplan.

De NHRPH heeft op eigen initiatief advies 2021-09 uitgebracht.

De NHRPH hoopte dat het PHV een antwoord zou bieden op deze tekortkomingen inzake rechten en erkenning. Dat bleek niet het geval: het biedt geen antwoord op de huidige sociale uitdagingen en, erger nog, het zal de huidige kloof nog doen toenemen. Het PHV is immers globaal niet inclusief. De projecten die dichter bij de burger staan, zijn voor PMH technisch (renovatie van de openbare gebouwen alleen op het vlak van energie en zonder een luik toegankelijkheid) of financieel (oplaadpalen voor elektrische voertuigen) niet toegankelijk. Geen enkele minister heeft rekening gehouden met de vraag van de NHRPH om de geselecteerde projecten bij te sturen om ook aan de verwachtingen van PMH te voldoen.

037
Ervoor zorgen dat de vertegenwoordigende organisaties voor personen met een handicap betrokken worden bij het opstellen van het federaal relance- en transitieplan.  

Zie maatregel 036.

038
Prijs van de arbeid: hervorming van de berekening van de integratietegemoetkoming om deelname aan de arbeidsmarkt voor personen met een handicap te bevorderen.

De NHRPH betreurt dat de maatregel absolute voorrang heeft gegeven aan de PMH die de mogelijkheid heeft om te werken (zie advies 2021-35). In 2 voorgaande adviezen (2020-23 en 2021-17) heeft de NHRPH reeds de aanpak aan de kaak gesteld waarbij PMH die vervangingsuitkeringen ontvingen wegens ziekte (ziekenfonds), niet-inclusieve arbeidsmarkt (werkloosheidsuitkeringen) of het bereiken van de leeftijdsgrens (pensioen) de facto werden gestigmatiseerd. Ook al is de tewerkstelling van PMH een belangrijk streefdoel, de NHRPH is van mening dat, met gesloten enveloppe, een evenwicht moest worden gevonden tussen PMH die werken en PMH die niet werken. Een beter evenwicht zou net hebben bijgedragen tot het beperken van de impact van jobverlies (vaak om gezondheidsredenen) en tot het terugdringen van armoede.

039
Wegwerken van de obstakels tot arbeidsmarktparticipatie van IVT-gerechtigden.

Voor de begroting 2022-2023 zijn twee kennisgevingen gepland:

  • Ondersteunen van de ondernemingszin bij personen met een handicap, met name door de financiële grensbedragen voor toegang tot het sociaal statuut van zelfstandigen specifiek voor deze groep te verminderen.
  • Invoeren van een nieuw stelsel voor cumulatie van de inkomsten uit arbeid voor de langdurig werkzoekenden, begunstigden van het leefloon en begunstigden van de IVT.

De NHRPH heeft het advies uitgebracht (2022-31) over de eerste maatregel tijdens de plenaire vergadering van 19 december 2022 (nog niet gepubliceerd) en wacht op het verzoek om advies over de tweede maatregel.

040
Onderzoek naar de mogelijkheid van ontwikkeling van een simulatietool zodat personen met een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming op voorhand kunnen berekenen wat de gevolgen zijn van de cumulatie van uitkering en arbeidsinkomen.

Naast de effectieve gevolgen van bestaande regelgeving is ook onzekerheid over de concrete gevolgen van cumulatie arbeidsinkomen en uitkering een belangrijke hindernis voor gerechtigden op een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming. Daarom werd de mogelijkheid van ontwikkeling van een simulatietool onderzocht door de FOD Sociale Zekerheid en Smals. Op basis hiervan werd een prototype van rekeninstrument “cumul arbeidsinkomen – IT/IVT” ontwikkeld dat verder verfijnd werd aan de hand van drie gebruikersgroepen georganiseerd met als deelnemers personen met een handicap, personen in arbeidsongeschiktheid en medewerkers van de christelijke mutualiteit, Forem, GTB, Krasswerk, KVG, RIZIV en VDAB. De publicatie van dit rekeninstrument is voorzien voor begin 2023.

Gaat het om het rekeninstrument Belmod? Indien dat zo is, dan werd het project reeds aan de NHRPH voorgesteld die zijn bezorgdheid heeft geuit aan de betrokken ministers. Over het nut van dit instrument is de NHRPH uiteraard wel degelijk positief, voor zover het een persoon in arbeidsongeschiktheid of die uitkeringen ontvangt (wet van 27 februari 1987), toelaat precieze en zekere informatie te bekomen over de financiële gevolgen van een re-integratie op het werk.

Dit instrument moet evenwel ontworpen worden in een meer globale context en parallel met een fundamenteel werk voor een duurzaam en inclusief tewerkstellingsbeleid voor personen met een handicap die hun arbeidsgeschiktheid verliezen (ziekenfonds of DG Personen met een handicap) in de privésector en bij de overheid, en moet de drempels voor de werkgelegenheid en werkloosheidsvallen, de kwestie van artikel 100, enz. wegnemen.

041
Toezien op de implementatie van het KB van 11/02/2019 tot bepaling van de voorwaarden inzake positieve acties.

De NHRPH herinnert eraan dat de tewerkstellingsgraad van PMH in België veel lager is dan het Europees gemiddelde. De bewustmaking heeft haar grenzen bereikt. Het gaat erom de werkgevers te responsabiliseren en hen er via positieve acties toe te brengen de aanwerving voor PMH open te stellen.

042
Verbeteren van het Terug-Naar-Werk-proces van uitkeringsgerechtigde personen in het werknemersstelsel van de ziekteverzekering via de uitwerking van de terug-Naar-Werk-coördinatie.

De NHRPH werd niet geraadpleegd. Hij heeft op eigen initiatief advies 2021-31 uitgebracht.  

De NHRPH herinnert eraan dat het begeleiden van een PMH om opnieuw aan het werk te gaan bijkomende middelen vereist, met name personele middelen. De NHRPH wil de bevestiging krijgen dat PMH een aangepaste begeleiding krijgen die rekening houdt met hun behoeften.

043
Ontwikkeling van een simulatietool zodat personen met een invaliditeitsuitkering die deeltijds het werk hervatten op voorhand kunnen berekenen wat de fiscale gevolgen van de cumulatie van uitkering en arbeidsinkomen zijn.

Gaat het om het Belmod-project? Zo ja, zie fiche 040.

044
In overleg met de deelstaten, en met respect voor de bevoegdheidsverdeling, promoten van het gebruik van de module E-DIV van UNIA, ter sensibilisering over het recht op redelijke aanpassingen.

Dit dossier betreft vooral Unia. De NHRPH zou de voortgang van dit dossier willen kennen.

045
Bijzondere aandacht voor de noden van personen met een handicap bij de implementatie van de Work-life balance richtlijn.

De regering besteedt bijzondere aandacht aan de behoeften van personen met een handicap bij de omzetting en uitvoering van de richtlijn over het evenwicht tussen beroeps- en privéleven. De minister van Werk vroeg hierover het advies van de NHRPH. Het ontwerp van wet tot gedeeltelijke omzetting van de richtlijn werd ingediend in het parlement. Het ontwerp van wet tot gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn Work-Life-Balance regelt ook een aantal andere aspecten op het vlak van de verloven: in het bijzonder creëren van een nieuw zorgverlof in geval van weigering van toekenning (artikelen 7 en 30) en het recht om flexibele werkregelingen aan te vragen (Hoofdstuk 6).  

Om hieraan tegemoet te komen, werd een verlenging van het mantelzorgverlof goedgekeurd. Sinds 1 september 2021 zullen erkende mantelzorgers per zorgbehoevende persoon 3 maanden mantelzorgverlof kunnen opnemen in plaats van 1 maand. In geval van gedeeltelijke onderbreking wordt dat 6 maanden in plaats van 2 maanden.

Het mantelzorgverlof werd verlengd van 1 maand naar 3 maanden. Dit maakt het voor de mantelzorger mogelijk om zijn professionele en familiale leven beter op elkaar af te stemmen indien hij voor een bepaalde naaste wil zorgen. Middels dit verlof, kan de mantelzorger de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst schorsen of zijn prestaties verminderen om zorg te dragen voor of ondersteuning te bieden aan een persoon die, omwille van zijn gevorderde leeftijd, zijn gezondheidstoestand of zijn handicap kwetsbaar en zorgbehoevend is.

Artikel 6.2 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten zorgverlof kunnen toekennen aan de hand van een andere referentieperiode dan een jaar, per persoon die zorg of steun nodig heeft, of per gebeurtenis. De NHRPH is van mening dat de Belgische Staat in zijn wetgeving inzake verlof voor mantelzorg moet voorzien in de mogelijkheid om dit verlof per gebeurtenis aan te vragen. De mantelzorger heeft immers niet altijd een lange periode nodig om de zorgbehoevende persoon te verzorgen.
(…)
De NHRPH is van mening dat het bedrag van de uitkering toegekend voor een loopbaanonderbreking te laag is.
(…)
De NHRPH herinnert eraan dat heel wat personen, ouders of mantelzorgers, niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst en dus geen toegang hebben tot dit betaald verlof. Deze personen en deze gezinnen hebben ook begeleiding nodig. Zie verder in advies 2021-14.

046
Mantelzorgverlof.

De mogelijkheid voor 5 dagen verlof is van kracht sinds 1 september 2021. De NHRPH zou graag willen weten of andere ontwikkelingen zijn voorzien. In zijn advies 2021-21 behandelde de NHRPH een aantal dringende en belangrijke verwachtingen voor de huidige mantelzorgers.

047
Bijzondere aandacht voor de noden van personen met een handicap bij de uitwerking van de aanpassing van de re-integratieregeling.

De noden van personen met een handicap werden meegenomen in de uitwerking van de aanpassing van de re-integratieregeling. De codex over het welzijn op het werk werd aangepast met een versterking van het echt op redelijke aanpassingen in de re-integratie trajecten 2.0.

De NHRPH merkt op dat er zeer weinig wordt verwezen naar redelijke aanpassingen.
(…)
Zo’n aanpak is te simplistisch. De NHRPH wijst erop dat een persoon met een blijvende en onomkeerbare fysieke, zintuiglijke of verstandelijke handicap of chronische ziekte uiteraard helemaal niet op dezelfde manier weer aan het werk kan worden gezet als een werknemer die op het ogenblik van de integratiebeoordeling grotendeels weer zelfredzaam is. Meer in advies 2022-10.

048
Vanaf 2022, voorzien van een hoofdstuk over de uitvoering van de maatregelen in het kader van handistreaming in alle bestuursovereenkomsten van de federale administraties (eg toegankelijkheid van alle diensten voor iedereen, strijden tegen non-take-up, het gebruik van FALC en redelijke aanpassingen, % tewerkstelling van personen met een handicap, enz.). Een actieplan dient hieromtrent uitgewerkt te worden. Dit wordt vervolgens ter advies voorgelegd aan de BCAPH.

De NHRPH juicht deze structurele en transversale maatregel toe en vraagt te worden geraadpleegd over de handistreamingsprioriteiten die zullen worden opgelegd in de bestuursovereenkomsten, maar ook over de indicatoren, de middelen en het tijdschema die zullen worden bepaald. Verschillende FOD’s profileren zich in de inclusieve waarden, maar in de praktijk zijn de administraties onvoldoende toegankelijk, houden ze te weinig rekening met de behoeften van PMH enz.

049
De Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (BCAPH) zal een meer proactieve en adviserende rol opnemen in het uitwerken van voorstellen om de dienstelling van minimaal 3% tewerkstelling te halen.

Om het BCAPH een meer proactieve en adviserende rol te kunnen laten opnemen voor het behalen van de 3% tewerkstellingsnorm, vereist een versterking van het secretariaat van de Begeleidingscommissie. De rekruteringen hiervoor zijn lopende. In januari 2022 kon het BCAPH advies en sturing geven aan het federale “Terug naar werk”-beleid, over de re-integratie bij ziekte of ongeval en de tewerkstelling van personen met een handicap. 

De NHRPH is van oordeel dat het BCAPH moet evolueren naar een adviesraad, waarnaar politici luisteren. Die zouden systematisch de redenen moeten toelichten waarom zij een advies niet (kunnen) volgen.

050
Om de mogelijkheden om personen met een handicap te rekruteren in het federaal openbaar ambt te verbeteren:

  1. Analyse en hervorming van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 om bijvoorbeeld nieuwe vormen van tewerkstelling, waaronder stages, mogelijk te maken.
  2. Toezien op de correcte toepassing van de voorrangsregeling voor de aanwerving van geslaagde kandidaten met een handicap.
  3. Evaluatie van de aanwervingsprocedures bij SELOR voor personen met een handicap.

Voor de NHRPH moeten de federale administraties dringend voldoen aan de opgelegde quota. De Staat moet het goede voorbeeld geven!

Zie in de pers: Emploi des personnes handicapées : les administrations ne respectent pas les quotas imposés - rtbf.be – “In de administraties van de federale Staat bereikt enkel de FOD Werkgelegenheid en de Kruispuntbank het quotum van 3%. En de situatie is nog verslechterd.” Erger nog, het jaarverslag van het BCAPH 2021vermeldt slechts 1 administratie: de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. https://fedweb.belgium.be/sites/default/files/downloads/annual%20report%20BCAPH%20CARPH%202021_NL.pdf

051
Het gebruik van redelijke aanpassingen in de werkomgeving van de federale overheid vergemakkelijken.

  1. (Uitzonderlijke) financiering ter ondersteuning van werkgevers en federale werknemers met een handicap om telewerkstations in te richten.
  2. (Co-)financiering van diversiteitsprojecten die traditionele aanpassingen van de werkplek of bewustmakings- of coaching initiatieven in verband met het thema handicap mogelijk maken.

De NHRPH werd voor maatregel a. geraadpleegd: advies 2021-07. De NHRPH was in november 2022 van oordeel dat de maatregel onvoldoende ambitieus is: de antidiscriminatiewet bepaalt sinds 15 jaar dat het ontbreken van redelijke aanpassingen gelijk staat aan discriminatie: er zou geen sprake meer moeten zijn van aanmoedigen, maar van verplicht maken! De NHRPH vraagt om te worden geraadpleegd.

052

Sensibiliseren van de federale overheidsadministraties, inclusief mandaathouders en HR-ambtenaren over het recht op redelijke aanpassingen en het aanmoedigen van het nemen van initiatieven die een inclusieve werkomgeving bevorderen.

  1. De expertise bij FOD BOSA-diversiteit inzake redelijke aanpassingen op de werkvloer, re-integratie, subsidies, externe ondersteuning, etc. zal actief ter beschikking worden gesteld voor de gehele federale administratie.
  2. In samenspraak met het netwerk diversiteit en het middenveld van personen met een handicap worden sensibiliseringsacties opgezet voor een werkomgeving die inclusief is voor de verschillende soorten handicap.
  3. Er wordt een gids inzake inclusieve (digitale) vergaderingen ter beschikking gesteld.

De NHRPH stelt vast dat het beleid inzake bewustmaking zijn grenzen bereikt. Niemand beweert gekant te zijn tegen het aanwerven van PMH, maar de aanwervingsprocedures blijven zwaar en weinig doeltreffend. Bovendien moet vooraf worden gewerkt aan de opleiding van studenten met een handicap.

De IMC Tewerkstelling zou dit aspect moeten agenderen.

Ten slotte werken verschillende PMH in onzekere kaders (stages die met name weinig bezoldigd worden en niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid) die niet tot een traditioneel contract leiden. In een periode waarin de arbeidsvormen sterk veranderen, vraagt de NHRPH ook een hervorming van de arbeidsvoorwaarden waaronder sommige PMH werken.

De NHRPH is van oordeel dat hij moet worden geraadpleegd.

053
Onderzoek naar hoe het aantal personen met een handicap tewerkgesteld bij de federale overheidsdiensten beter in kaart kan gebracht worden.

De FOD BOSA onderzoekt hoe het aantal personen met een handicap tewerkgesteld bij de federale overheidsdiensten beter in kaart kan gebracht worden in samenhang met de hervorming van het KB BCAPH van 6 oktober 2005 (zie hierboven) dat de monitoring van deze cijfers bepaalt. FOD BOSA verzamelt de cijfers over personen met een handicap die in de federale overheidsinstellingen tewerkgesteld zijn. Deze verzameling is onderworpen aan de GDPR-richtlijnen en vereist de voorafgaande en individuele toestemming van de betrokken personen. De op deze basis uitgevoerde inventarisatie is niet representatief voor de werkelijkheid. Er wordt onderzocht hoe verschillende gegevensbronnen, die een handicap aantonen, ingezet kunnen worden om representatieve cijfers te bekomen, waar mogelijk geautomatiseerd.

De NHRPH vraagt te worden geïnformeerd over de methode en de resultaten.

De NHRPH herinnert eraan dat het van essentieel belang is dat de benadering van de handicap wordt overlegd met de NHRPH, in overeenstemming met de bepalingen van de UNCRPD.

054
Onderzoek naar hoe de vergoeding woon-werk verkeer aangepast kan worden aan de specifieke noden van personen met een handicap.

De NHRPH vraagt zeer snel te worden geraadpleegd.

055

Promoten van sociale economie, waaronder de tewerkstelling van personen met een handicap, binnen het actieplan “federaal aankoopbeleid”.
Bosa adviseert en ondersteunt de vragende klanten die in het bijzonder de sociale economie willen raken. Thans geen behoefte geïdentificeerd of geformuleerd.

Tussen 2014 en 2017 heeft de NHRPH verschillende adviezen uitgebracht over de noodzaak om sociale clausules te voorzien ter bevordering van de tewerkstelling van PMH in de overheidsopdrachten. Er gebeurt niets en de federale aankopers lijken geen instructie te hebben of passen ze in ieder geval niet toe.

Bepaalde diensten moeten systematisch worden uitbesteed aan sociale-economiebedrijven, ongeacht de omvang van de overheidsopdracht.

De NHRPH vraagt dringend een ontmoeting met de Minister.

056
Employer Branding, waarbij de federale overheid zich profileert als een inclusieve werkgever en personen met een handicap aangemoedigd worden om te solliciteren.
2021: bijwerking van de website selor.be om te evolueren naar een aantrekkelijker en inclusiever concept.
2022: lancering van een nieuwe website met nieuwe getuigenissen, met name van personen met een handicap.

057
Bevordering van de re-integratie van arbeidsongeschikte militairen.

058
Militairen die definitief als ongeschikt voor dienst als militair verklaard worden.

059
Sensibiliseren rond beeldvorming bij de rekrutering van gemeenschapswachten.

PMH zijn vaak gedesoriënteerd en eenzaam in een weinig toegankelijke omgeving. Gemeenschapswachten spelen een rol van “facilitator”. De NHRPH vraagt een ontmoeting met de Minister.

060
Ontwikkeling van een actieplan om de verhoging van de tewerkstelling van personen met een handicap richting 3% na te streven in de beheerscontracten of strategische plannen van bpost en Proximus en de Nationale Loterij.

Het quotum van 3% moet worden toegepast in zoveel mogelijk federale structuren, met inbegrip van de privédiensten van algemeen belang (bv.: banken, post, telecombedrijven, …). De NHRPH is vragende partij voor een ontmoeting.

061
Evaluatie van de maatregelen die zijn genomen voor de tewerkstelling van personen met een handicap of personen die hun normale functie binnen de Belgische spoorwegen niet meer kunnen uitoefenen en onderzoeken hoe de tewerkstellingsgraad kan worden verbeterd om richting 3% te gaan. De specifieke veiligheidscontext binnen de Belgische spoorwegen en de gevolgen voor de werkgelegenheid dienen in de beoordeling te worden betrokken.

Idem.

062
Opstellen van een actieplan binnen Skeyes, met maatregelen om de tewerkstelling van personen met een handicap te verbeteren om dichter bij 3% te gaan.

Idem.

063
Nagaan op welke manier het opstarten van een zelfstandige activiteit vereenvoudigd kan worden, met name via een vermindering van de financiële voorwaarden voor toegang tot het sociaal statuut der zelfstandigen voor personen met een handicap; of via de combinatie van een statuut van zelfstandige in bijberoep met tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

Op vraag van de Minister bevoegd voor Personen met een handicap en de Minister van Zelfstandigen wordt onderzocht hoe het opstarten van een zelfstandige activiteit vereenvoudigd kan worden voor personen met een handicap. Concreet gaat het over het toegankelijk maken van het statuut zelfstandigen in bijberoep voor IVT-gerechtigden, die op dit moment enkel de mogelijkheid hebben om zich als zelfstandige in hoofdberoep te installeren. Dit brengt hoge instapkosten met zich mee. Naast een aanpassing binnen het sociaal statuut der zelfstandigen wordt ook een aanpassing van de cumulregels tussen de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en inkomen uit een zelfstandige activiteit onderzocht, zodat het opnemen of opstarten van een tewerkstelling steeds loont.

De NHRPH werd niet geïnformeerd over het feit dat hierover workshops werden georganiseerd. Hij betreurt dit ten zeerste, aangezien de NHRPH al lang vragende partij is voor de mogelijkheid van cumulatie. De NHRPH heeft ondertussen een ontwerp van KB ontvangen waarover een advies werd uitgebracht (genomen tijdens de plenaire vergadering van 19.12.2022, maar nog niet gepubliceerd).

064
Opzetten van een informatiecampagne over het sociaal statuut van zelfstandigen met een handicap en de ondernemingsgeest bij deze doelgroep.+ Lanceren van een overheidsopdracht met het oog op het ondersteunen van projecten die ondernemerschap van personen met een handicap bevoordelen. Te bepalen op basis van de conclusies van de workshops van de FOD Sociale Zekerheid over dit thema.

065
Onderzoek naar de mogelijkheden tot een betere begeleiding van personen met een handicap bij het zoeken naar werk in het kader van een versterkt re-integratiebeleid op maat van de arbeidsongeschikte zelfstandige.

066
Garanderen van de toegankelijkheid van bankdiensten voor personen met een handicap.

De NHRPH heeft advies 2020-26 en advies 2021-30 uitgebracht; hij heeft ook meegewerkt met FEBELFIN aan de werkzaamheden voor het opstellen van een brochure ter verbetering van het onthaal van PMH en de toegankelijkheid van de diensten voor iedereen (brochure aangekondigd voor 2023).

De NHRPH keurt het initiatief om de geldautomaten te beperken totaal af. De NHRPH maakt zich grote zorgen om de digitale kloof die nog groter dreigt te worden in België.

De vier grote banken waarborgen dat 95% van de Belgische bevolking toegang tot een automaat zou hebben binnen een maximale straal van 5 km. 5 km betekent reeds een lange afstand. De afstanden lijken overigens in vogelvlucht te zijn genomen! De criteria die in aanmerking worden genomen voor de selectie van een plaats kunnen ook in vraag worden gesteld, aangezien sommige dorpen over geen enkele terminal beschikken. De NHRPH herinnert eraan dat een groot aantal personen met een handicap niet over een eigen vervoersmiddel beschikt; zij zijn afhankelijk van het openbaar vervoer (dat lang niet altijd toegankelijk is!) of van de hulp van een derde persoon om cash geld af te halen. Sommige burgers beschikken, als inkomen, enkel over prepaid kaarten aan de hand waarvan zij cash geld enkel per opeenvolgende schijven kunnen afhalen: dat is het geval voor bepaalde begunstigden van de OCMW’s en voor bepaalde personen die onder bewindvoering (goederen en persoon) zijn geplaatst. De NHRPH dringt erop aan dat de Regering tussenkomt om een financiële toegankelijkheid voor iedereen te waarborgen.

Zie ook persartikel: https://www.rtbf.be/article/suppression-des-distributeurs-de-cash-dans-le-centre-de-rixensart-les-autorites-communales-denoncent-une-politique-du-fait-accompli-11090004.

067
Het maken van afspraken, in overleg met de financiële sector (o.a. Febelfin) over de toegankelijkheid, waaronder de nabijheid van het banken- en bankautomatennetwerk.

Idem.

068
Ontwikkelen van een “uniek loket” voor burgers voor vragen in verband met consumentenzaken, dat “hybride-digitaal” is.

Het uniek loket moet voor iedereen toegankelijk zijn, met inbegrip van personen met een handicap, en rekening houdend met alle soorten handicap.

De NHRPH vraagt om op de hoogte te worden gehouden van de recentste ontwikkelingen van het project.

069
Onderzoeken hoe de NHRPH betrokken kan worden bij consumentenzaken en de bescherming van kwetsbare consumenten.

De NHRPH heeft hierover geen nieuws gekregen en vraagt een ontmoeting met de Minister.

070
Evaluatie van de uitbreiding van het recht om vergeten te worden voor personen met een handicap in verzekeringsmaterie (bv. bepaalde types van diabetes, …).

Over de uitbreiding van het recht om vergeten te worden in verzekeringsmaterie heeft de NHRPH een advies 2021-25 uitgebracht. De NHRPH merkt op dat het volstrekt ontoereikend en zelfs discriminerend is om het recht om vergeten te worden enkel voor te behouden voor diabetici.

071 tot 075

De NHRPH stelt vast dat in het ontwerp van tussentijds verslag hierover niets staat en betreurt dat.

071
Onderzoek naar de mogelijkheid om de huidige leeftijdsgrens van 65 jaar voor de erkenning als persoon met een handicap op fiscaal vlak te vervangen.

De NHRPH herinnert eraan dat de erkenning van de handicap voor het verkrijgen van fiscale verminderingen beperkt is tot de leeftijd van 65 jaar: een persoon die niet als persoon met een handicap werd erkend vóór de leeftijd van 65 jaar zal geen recht hebben op deze verminderingen. Deze beperking heeft geen bestaansreden meer en is totaal discriminerend (zie advies 2022-23).

072
Zoeken naar een wettelijke oplossing voor het probleem van de dubbele aanrekening van kinderen met een handicap inzake de belastingvrije som (hanteren van een minder restrictieve definitie van “handicap” voor deze belastingvermindering).

Waarover gaat het? Momenteel wordt een kind met een handicap voor twee personen ten laste geteld. De NHRPH vraagt om snel te worden geraadpleegd.

073
De NHRPH zal geraadpleegd worden in functie van de voorbereiding van de bredere fiscale hervorming en het onderzoek naar de aanpassing van de fiscaliteit aan “moderne samenlevingsvormen”.

074
Er wordt onderzocht of de terugbetaling van 6% btw bij aankoop van een auto voor bepaalde personen met een handicap versneld, of direct bij de aankoop, mogelijk is.
Terwijl de 6% btw die op de aankoop van een voertuig wordt betaald, kan worden terugbetaald, geldt dit niet voor onderdelen, aangepaste uitrustingen en accessoires.  Er zou een procedure voor terugbetaling van de btw voor deze goederen moeten worden overwogen.
De verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen, met name de NHRPH, moeten vanaf het begin bij de besluitvorming betrokken worden.

De NHRPH herinnert eraan dat terwijl de op de aankoop van het voertuig betaalde btw van 6% kan worden terugbetaald, dit niet het geval is voor onderdelen, aangepaste uitrustingen en accessoires. Er moet een procedure komen voor de terugbetaling van de btw voor deze goederen.

075
Er wordt onderzocht of, zonder een verzwaring van de bestaande procedures, handicap kan toegevoegd worden aan de bestaande inclusieve opvolging van de begroting (gender, etc.).

De verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen, met name de NHRPH, moeten vanaf het begin worden betrokken bij de besluitvorming. De NHRPH is van oordeel dat de Kafka-test geen inclusie van de behoeften van de betrokken groepen garandeert. De NHRPH vraagt dat de denkoefening zo snel mogelijk begint. Het gaat om een win-win-operatie voor PMH en politici.

076
Betrekken van de NHRPH bij de uitwerking van klimaat- en milieubeleid, teneinde een rechtvaardige transitie voor mensen met een handicap te waarborgen.

De NHRPH staat ter beschikking van de Minister.

077
Integratie van handicap in het federaal plan voor duurzame ontwikkeling 2021-2025.

Het principe “leave no one behind” werd gehanteerd bij de opmaak van het voorontwerp van het Federaal plan voor Duurzame Ontwikkeling (FPDO), met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder mensen met een handicap. In dit verband werden een aantal maatregelen opgenomen. De NHRPH werd geconsulteerd tijdens de opmaak van het plan. Bovendien werden bij de openbare raadpleging over het voorontwerp van het FPDO een aantal kwetsbare doelgroepen geïdentificeerd en heeft de Minister van Duurzame Ontwikkeling hen naar hun mening over het voorontwerp gevraagd. Er werd zoveel mogelijk rekening gehouden met de ontvangen inbreng.

Zie advies 2021-16. De NHRPH vraagt dat het BDF volwaardig lid wordt van de beslissingsorganen van het FRDO.

078
Sensibilisering over de gevolgen van klimaatverandering en de milieucrisis voor mensen met een handicap en ondersteuning van onderzoek en analyse in dit gebied.

De NHRPH vraagt zich af wat de inhoud van het project is.

079
Bevorderen van de toegang tot informatie over het klimaat-, milieu- en duurzame ontwikkelingsbeleid van de regering voor personen met een handicap.

Het Federaal instituut voor duurzame ontwikkeling hecht bijzondere aandacht aan de toegankelijkheid van publicaties rond duurzame ontwikkeling. Zo is het Federaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling een document dat hoofdzakelijk van administratieve aard is. Aangezien het echter een door de overheid goedgekeurd plan is en indirect veel doelgroepen betreft, werd er via WABLIEFT een beknopte brochure en een brochure waarin de van easy-to-read beginselen worden toegepast, gepubliceerd. Deze documenten zijn beschikbaar op de website. Gezien het politieke belang van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, werd bovendien besloten om een voor iedereen toegankelijke papieren versie te drukken, die telefonisch of via de website gratis besteld kan worden.

De NHRPH en de instellingen gespecialiseerd in toegankelijkheid (CAWaB, Inter) moeten worden geraadpleegd.

080
Opstellen van een inventaris van de toegankelijkheid van de federale gebouwen met daaruit voortvloeiend een plan van aanpak van de meest urgente noden.

De NHRPH moet ook worden geraadpleegd, niet over de technische aspecten, maar over de hoofdlijnen, onder andere het meerjarenplan van de Regie der Gebouwen.

081
Promoten van het gebruik van de toegankelijkheidsgids die werd opgesteld door de Regie der gebouwen door alle federale administraties.  
In het kader van de renovatie van bestaande gebouwen: het integreren van de meest relevante en actuele aanbevelingen voor de toegankelijkheid van de gebouwen op basis van de aanbevelingen in de diagnosefiche, door zich in een eerste fase te richten op enkele proefgebouwen (vast te stellen prioriteit; identificatie van de aanbevelingen en uitvoering van de werkzaamheden).
In het kader van de bouw van nieuwe gebouwen: het integreren van de aanbevelingen voor de toegankelijkheid van gebouwen op basis van de door de Regie der gebouwen opgestelde gids.

De NHRPH verheugt zich erover dat de gids die tot nog toe intern werd gebruikt: https://www.regiedergebouwen.be/nl/content/diversiteit-toegankelijkheid van toepassing wordt op de hele federale administratie. Dit was niets te vroeg, aangezien de gids reeds meer dan 7 jaar bestaat… De NHRPH vraagt ook dat regelmatig een evaluatie wordt uitgevoerd.

082
Formele aanduiding van referentiepersonen binnen de Regie, die dankzij een adequate opleiding kunnen functioneren als “adviseurs inzake toegankelijkheid”.

Deze maatregel is essentieel voor de NHRPH, aangezien hij in het verlengde ligt van de commentaar van fiche 081.

083
Digitalisering van een diagnosefiche voor de toegankelijkheid van gebouwen, en het sluiten van een overheidsopdracht voor de uitvoering van een diagnose op basis van deze fiche.

De NHRPH wijst op het voorbeeldige werk van de projectleider, de heer Jean-Marc Helson. Andere medewerkers hebben daar ongetwijfeld ook verdienste aan. De NHRPH vraagt dat middelen worden vrijgemaakt om hun aanpak uit te breiden tot de hele overheid.

084
Beroep doen op ervaringsdeskundigen en gespecialiseerde organisaties in toegankelijkheid om de toegankelijkheid van de inrichting van federale overheidsgebouwen te evalueren.
Wij hebben een beroep gedaan op de firma INTER (2018) om een audit inzake toegankelijkheid van onze gebouwen uit te voeren.  Op basis van de resultaten van deze audit hebben wij reeds acties in bepaalde gebouwen ondernomen. Wij integreren de tijdens de renovatiewerken geformuleerde opmerkingen zoals het geval was in Luik, Hasselt en Turnhout.  Wij hebben ze ook geïntegreerd in de voorontwerpen van renovatie van Charleroi, Brugge en Kortrijk.

De NHRPH heeft geen verzoek om advies ontvangen en de termijn is niet gekend.

085
De toegankelijkheid van de federale overheidsdiensten wordt online omschreven zodat burgers niet met onverwachte hindernissen geconfronteerd worden op het moment van hun bezoek.

De NHRPH heeft geen verzoek om advies ontvangen en de termijn is niet gekend.

086
Actieplan ter verbetering van de toegankelijkheid van federale musea en culturele instellingen (o.a. de Munt, Bozar, …).
BOZAR: Overeenkomstig haar maatschappelijk doel maakt de vereniging het Paleis voor Schone Kunsten toegankelijk voor alle socio-professionele categorieën van de bevolking en biedt zij met name aanzienlijke prijsverminderingen voor de volgende categorieën van personen: werklozen, personen die sociale bijstandsuitkeringen ontvangen (leefloon, inkomensgarantie voor ouderen en tegemoetkomingen voor personen met een handicap), personen die de verhoogde verzekeringstegemoetkoming ontvangen bedoeld in artikel 37, § 19, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, en jongeren. Daarnaast worden bijzondere acties ondernomen voor specifieke doelgroepen, met name via bevoorrechte overeenkomsten en partnerschappen die voorkeurs- en verlaagde tarieven mogelijk maken (art. 27, wijkhuizen, enz.). Ten slotte heeft Bozar hulpmiddelen ontwikkeld om dove bezoekers toegang te geven tot rondleidingen in gebarentaal, en blinde en/of slechtziende bezoekers om zowel van de voorstellingen als van de tentoonstellingen te genieten. Rondleidingen op maat zijn ook mogelijk, afhankelijk van het specifieke publiek. Momenteel wordt gewerkt aan een project met museumvoorschriften, gericht op een specifiek publiek met betrekking tot geestelijke gezondheid. Bozar ontwikkelt ook digitale instrumenten om culturele en artistieke inhoud toegankelijker te maken via zijn website en de verschillende digitale platforms waarover de instelling beschikt.

De NHRPH neemt aan dat deze maatregel gelinkt is aan het meerjarenplan inzake de toegankelijkheid van de gebouwen van overheidsdiensten.

087
Buitenlandse posten: evaluatie van de toegankelijkheid van de ambassades en de residenties.

088
Verzekeren dat de toekomstige kazernes toegankelijk zijn en aanpassingen voorzien zijn in alle bestaande kazernes waar dit nodig is.

089
Omzetting van de “European Accessibility Act” naar Belgische wetgeving en het betrekken van de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap bij dit proces.

De NHRPH herinnert eraan dat in zijn General Comment N° 2 (2014) over toegankelijkheid, het VN-Comité inzake de rechten van personen met een handicap het niet eens is met het begrip onevenredige last van toegankelijkheid. Het VN-Comité merkt het volgende op: "de verplichting om toegankelijkheid te implementeren is onvoorwaardelijk”.

In andere EU-wetgeving inzake de interne markt is dergelijke vrijstelling niet gebruikelijk.

Daarom moet België bij de omzetting dit artikel volledig schrappen of zeer zorgvuldig en nauwkeurig de gronden omschrijven waarop vrijstellingen kunnen worden verleend, overeenkomstig bijlage VI van de Richtlijn.

De NHRPH wijst op twee openingen: de eerste uitgedacht (zie advies 2022-27) maar niet bevestigd – door Minister De Sutter inzake bepaalde bevoegdheden van het BIPT (internetleveranciers) en de tweede in het kader van de elektronische kieskantoren (materiaal toegankelijk voor de verkiezingen van 2030 en volgende). De Minister van Economie heeft zich er ook toe verbonden van alle ondernemingen een gemotiveerd dossier voor de vrijstelling van het toegankelijk maken te eisen en jaarlijks lijsten op te stellen van de ondernemingen die dergelijke vrijstelling hebben aangevraagd.

De NHRPH wijst sterk op de enorme uitdaging van deze omzetting (met name in advies 2022-04, maar ook in andere adviezen): ze zal enkel geslaagd zijn indien de toegankelijkheid van de betrokken goederen en diensten ook voor PMH wordt gewaarborgd. De digitalisering is een beweging die niet meer zal stoppen: het is de verantwoordelijkheid van de politiek om die bevoegdheid niet volledig aan de ondernemerswereld over te laten of om op zijn minst laatstgenoemde ertoe te dwingen de behoeften van alle burgers in aanmerking te nemen. Naast de voorziene sancties heeft de NHRPH Minister Lalieux ook gevraagd een begeleidingsorgaan te creëren voor de ondernemers dat gespecialiseerd is in toegankelijkheid.

090
Alle publieke websites en applicaties dienen toegankelijk te zijn conform de meest recente EN301549 standaarden. Daartoe voorzien we:

  • Controle van mobiele toepassingen van federale overheidsinstanties, met als doel deze toegankelijker te maken.
  • Gunning van een overheidsopdracht voor ondersteuning in de materie van digitale toegankelijkheid zodat de websites en mobiele applicaties van federale, regionale en lokale overheden toegankelijker gemaakt worden.
  • Sensibilisering van de federale actoren die betrokken zijn bij e-toegankelijkheid (bv. E-toegankelijkheidsevenement).

De NHRPH vraagt ten minste om de toepassing van de W3C-norm en de FALC-taal.

De NHRPH herinnert ook aan zijn positienota over de digitale kloof.

091
Zoeken naar een oplossing om de universele toegankelijkheid van de draagbare betaalterminals die alleen een touchpad hebben te verzekeren.

De NHRPH herinnert aan zijn advies 2022-18. Zie ook de overwegingen die voorafgaan over de digitale projecten.

De draagbare terminals zonder touchpad ZIJN NIET TOEGANKELIJK voor een aantal gebruikers: dit hulpmiddel is een stap achteruit en maakt heel wat consumenten afhankelijk en kwetsbaar.

Er moet steeds een niet-digitaal alternatief worden voorzien.

092
Nagaan in welke mate de Belgische brandnormering en -wetgeving moet worden aangevuld om de evacuatie van personen met een handicap te vergemakkelijken.

De NHRPH herinnert eraan dat het noodzakelijk is alle behoeften in verband met de verscheidenheid van handicaps op te nemen. De NHRPH vraagt een dringende ontmoeting om de hindernissen en verwachtingen van PMH te verduidelijken.

093
Verbeteren van de huidige situatie inzake toegankelijkheid.

  1. Raadpleging van gespecialiseerde organisaties zoals de NHRPH en CAWaB, Inter vzw, Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid, voorzien in de dienst- en performantiecontracten van NMBS en Infrabel.
  2. De toegankelijkheid van stations en haltes verbeteren en versnellen.
  3. Verhoging van het aantal autonome stations die de volgende 5 criteria respecteren:
    • toegang tot platforms op een autonome manier mogelijk
    • perron op 76 cm
    • podotactiele geleidelijnen
    • toegankelijke/bruikbare kaartjesautomaten voor personen met beperkte mobiliteit
    • gereserveerde parkeerplaatsen
  4. Ervoor zorgen dat nieuwe investeringen in rollend materieel en infrastructuur voldoen aan de relevante toegankelijkheidsnormen.

Op het moment van deze tussentijdse rapportering zijn de beheerscontracten met NMBS en Infrabel nog in onderhandeling. In het huidige contractvoorstel, is een duidelijk traject voor de toegankelijkheid van de stations opgenomen. De doelstelling hiervan is om het toegankelijk maken van het spoornetwerk te versnellen en het percentage passagiers dat van deze verbeteringen profiteert aanzienlijk te verhogen. In de beheerscontracten wordt een transversale benadering van toegankelijkheid gehanteerd. Voor het rollend materieel en infrastructuur gaan de huidige bepalingen verder dan naleving van de toegankelijkheidsnormen van EU verordening 1300/2014 (TSI-PRM). Ook wat betreft reservatietermijnen voor reizigers met een beperkte mobiliteit, worden er stappen in de goede richting gezet. Verschillende stations zullen kortere reservatietermijnen en flexibelere reisregelingen hebben. Organisaties met expertise rond toegankelijkheid werden geconsulteerd over de bepalingen in de voorgestelde beheersovereenkomsten. Verder wordt het gebruik van de EDC-kaart (European Disability Card) besproken in het kader van de onderhandelingen met de NMBS.

Zie de talrijke adviezen van de NHRPH ter zake.

094
Het opnemen van doelstellingen voor de realisatie van toegankelijkheid voor reizigers met beperkte mobiliteit in het openbare dienstcontract met NMBS en het performantiecontract met Infrabel.

De NHRPH heeft vernomen dat de openbaredienstcontract NMBS en de performantiecontract Infrabel momenteel worden afgerond: welke maatregelen zijn voorzien om de toegankelijkheid te verbeteren? De NHRPH herinnert aan zijn advies 2022-24

Ondertussen publicatie: https://mobilit.belgium.be/nl/spoor/beheerscontracten/contracten

095
Verbeteren van het systeem van assistentie aan reizigers met beperkte mobiliteit, afhankelijk van de beschikbare middelen:

  1. Versoepeling van (reservatie)termijnen
  2. Uitbreiding van het assistentieaanbod
  3. Voorzien van assistentie in het geval van werken en omleidingen
  4. Verbeteren van mogelijkheden en procedures om assistentie te reserveren.

De NHRPH heeft heel wat adviezen uitgebracht die kunnen worden geraadpleegd op zijn website /nl/

Ter herinnering: er bestaat een Werkgroep NMBS-NHRPH die om de 3 maanden samenkomt. Verder is de NHRPH steeds beschikbaar voor medewerking. De NHRPH herinnert er ook aan dat dringend een Disability Manager bij Infrabel zou moeten worden aangesteld.

096
Aanbieden van een zorgvuldige opleiding aan het personeel, inclusief treinbegeleiders, over de omgang met reizigers met beperkte mobiliteit.

Zie bestaande adviezen.

097
Versterking van de systemen die passagiers met een handicap in staat stellen een ticket te kopen: website, app, toegankelijke ticketautomaten, aanwezigheid van een steward.

Voor de NRHPH is het verdwijnen van het personeel in de stations echt problematisch, aangezien er nog steeds personen met een handicap zijn die zich niet kunnen verplaatsen zonder hulp en begeleiding.

098
Het gebruik van de European Disability Card binnen het openbaar treinvervoer zal onderzocht worden.

De NHRPH is aangenaam verrast en verwijst naar zijn advies 2015-21.

099
Ervoor zorgen dat de aankoop van tickets zoveel mogelijk kan gebeuren via een eventuele menselijke tussenkomst als dat nodig is voor reizigers met een handicap en dat zonder een toeslag.

De NHRPH zou de bevestiging willen hebben dat het dus mogelijk zal zijn om de Helpdesk rechtstreeks te bereiken, waarna die kan helpen en zelfs de controle kan overnemen van de ticketautomaat. Mogelijkheid om aan te kopen in de trein bij de begeleider, zonder toeslag van ‘boordtarief’?

100
Een enquête ontwikkelen en organiseren in samenwerking met betrokken belanghebbenden om statistieken en gegevens te verkrijgen over problemen ondervonden tijdens het reizen, en de impact ervan op de keuze van vervoerswijze.
De enquête werd uitgevoerd en maakt het mogelijk becijferde informatie te hebben over de problemen die Belgen ondervinden tijdens hun verplaatsingen. Op basis van de enquête houden de geplande maatregelen beter rekening met de beleving van personen met een handicap.

De NHRPH wil weten wat er met de resultaten van de enquête zal gebeuren en wenst op de hoogte te worden gehouden.

101
De haalbaarheid en relevantie nagaan van een bewustmakingscampagne voor spoorweggebruikers, zoals een campagne “Wat als je in de situatie was van …”.

102

Hervorming van het systeem van parkeerkaarten.

  1. Verbeteringen in de procedure van toekenning van parkeerkaarten voor alle doelgroepen.
  2. Systematisch nieuwe parkeerkaarten met een QR code uitgeven.
  3. Uitwerken van een technische oplossing voor het ScanCars probleem in samenwerking met de gewesten, en lokale besturen.
  4. Betere dienstverlening aan leden van de internationale diplomatieke gemeenschap met een handicap.

Wat betreft de parkeerkaarten, worden alle nieuwe parkeerkaarten uitgegeven met een QR-code en is er een werkgroep actief om een oplossing uit werken voor het ScanCars probleem. Het verbeteringstraject voor de toekenning van parkeerkaarten moet nog opgestart worden. Om de dienstverlening aan leden van de internationale diplomatieke gemeenschap met een handicap te verbeteren, overweegt/bekijkt FOD BuZa of een veld/melding kan toegevoegd/geïntegreerd worden in het e-Protocol dat momenteel in ontwikkeling is en vanaf januari 2024 volledig operationeel zou zijn. In de tussentijd kunnen diplomatieke zendingen in België de informatie over hun personeelsleden met een fysieke beperking steeds vrijwillig meedelen aan de Directie Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken, die de informatie toevoegen aan het dossier van de betrokken persoon.

Wat betreft het systeem voor het afleveren van de parkeerkaarten vraagt de NHRPH hoe de toekenningsprocedure zal worden verbeterd en op basis van welke criteria.

De NHRPH dringt erop aan dat snel een oplossing wordt gevonden voor het probleem met de Scancars. De NHRPH is van oordeel dat het correcte gebruik van de parkeerkaart moet volstaan. Er moeten geen bijkomende (digitale) acties worden opgenomen.  Zie advies 2022-19.

103
Wijziging van de wegcode om het gebruik van busstroken en speciale oversteekplaatsen door voertuigen voor het collectief vervoer van personen met een handicap mogelijk te maken.

Zie advies 2021-13. In dit advies werden meerdere vragen gesteld, maar de NHRPH heeft geen antwoorden ontvangen.

104
Beliris: Afsluiten van een contract voor analyse van projecten vanuit het oogpunt van toegankelijkheid voor iedereen, en opstelling van een interne auditstrategie voor deze projecten, alsook een systematische evaluatie van projecten voor de herinrichting van de openbare ruimte door de commissie voor actieve modi opgericht binnen Brussel-Mobiliteit (Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

De NHRPH wenst de principiële conclusies en aanbevelingen zonder omwegen te ontvangen. Kunnen die op grotere schaal worden toegepast (op het niveau van alle overheidsgebouwen en privégebouwen van algemeen belang)?

105
Introduceren van een kader voor activiteiten van professionele bewindvoerders.

  1. Met betrekking tot kwaliteit van diensten: humaan beheer. Opleggen van vereiste opleiding / introductie van deontologie.
  2. Met betrekking tot tarificatie van diensten: kosten zijn voorzienbaar en redelijk.
  3. Oprichten van een orgaan dat controleert en bemiddelt bij professionele bewindvoering.

Zie advies 2022-21.

De NHRPH dringt aan op de opleiding van professionele bewindvoerders. Over deze maatregel wordt al verschillende jaren gesproken; de gezinnen wachten er al lang op. De NHRPH vraagt de Minister om dit dossier prioritair te behandelen.

De NHRPH is in het bijzonder voorstander van het idee dat indien de inkomsten van de beschermde persoon niet volstaan om de bezoldiging te betalen, de gemeenschap haar verantwoordelijkheid moet nemen en dit moet compenseren. De NHRPH spreekt zich niet uit over het beste middel om deze maatregel te financieren.

106
Evaluatie van de wet inzake voorlopige bewindvoering: rekening houden met problematiek gesignaleerd door organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen en hun vraag om vanuit de griffies een ondersteuning te bieden aan familiale bewindvoerders.

De NHRPH heeft een globaal advies 2022-14 opgesteld over de bewindvoering voor goederen en de persoon. Er moet rekening worden gehouden met dit advies voor het evalueren van de wet.

De NHRPH betreurt het dat het geen enkele feedback heeft gekregen van de Minister over de verwachtingen van de gezinnen in een dossier dat het dagdagelijkse leven van duizenden personen met een handicap en hun naasten betreft.

107
Digitalisering van de procedure van bewindvoering: Alle informatie en communicatie op één plaats, toegang voor alle partijen. Verminderde werklast voor de vrederechter, zodat deze tijd heeft voor menselijke aspecten.

Een centraal digitaal register voor bewindvoering is operationeel sinds juni 2021. In het centraal register voor de bescherming van personen (CRBP) kunnen alle bevoegde betrokken partijen de documenten van administratieve dossiers raadplegen en indienen. Zo kunnen burgers en personen met een handicap gemakkelijker een dossier beheren, ofwel op de eigen computer thuis of via een kiosk-PC die in iedere griffie geïnstalleerd werd.

In zijn advies 2022-14 somt de NHRPH de verschillende problemen op die de gebruikers van het Centraal register ondervinden, met name:

  • De praktijk verschilt zeer sterk van de ene vrederechter tot de andere;
  • De communicatiecampagne werd slecht uitgevoerd: het CRBP werd opgezet zonder enige betrokkenheid van organisaties van personen met een handicap. Organisaties werden na de invoering van het CRBP amper geïnformeerd. Zij krijgen geen medewerking van het kabinet/administratie Justitie om hun achterban te informeren en te ondersteunen bij het gebruik van het CRBP.
  • Het CRBP is moeilijk te gebruiken: de digitale kloof wordt vergroot. Men heeft kunnen vaststellen dat sommige familiale bewindvoerders afzien van hun mandaat en de aanstelling van een professionele bewindvoerder vragen. Meerdere vrederechters raden familiale bewindvoerders die niet mee zijn met de digitale ontwikkelingen aan om zich te laten vervangen door een professionele bewindvoerder.
  • Sommige vredegerechten eisen dat familiale bewindvoerders via het digitale platform gaan, wat evenwel niet wettelijk is. Dit is een voorbeeld – maar niet het enige - van de verschillen die de NHRPH vaststelt tussen vredegerechten;
  • De NHRPH wil de zekerheid dat de bescherming van de gegevens wordt gewaarborgd.

Deze problemen zijn aanzienlijk; voor heel wat gezinnen is het de mogelijkheid zelf om de functie van bewindvoerder in te vullen die in vraag wordt gesteld.

De NHRPH heeft meermaals om een ontmoeting met de Minister verzocht, maar al deze verzoeken zijn tot op heden zonder gevolg gebleven.

108
Digitaal beschikbaar maken van het register voor beëdigde vertalers en tolken voor het publiek en werken aan een stijging van het aantal tolken gebarentaal.

Voor de toegankelijke informatie van gerechtsprocedures, spelen tolken een belangrijke rol. Na een project in samenwerking met de Beheerraad Vlaamse Gebarentaal Tolken (BVGT), is er een verhoging van 3 naar 7 tolken voor de Vlaamse gebarentaal in het register voor beëdigde vertalers en tolken. Het register is digitaal beschikbaar op het adres https://justsearch.just.fgov.be/national-registry-search/translator. Een gelijkaardig project is gepland voor tolken voor de Frans-Belgische Gebarentaal.          

De NHRPH verheugt zich over het toenemend – maar nog steeds ontoereikend - aantal Vlaamse gebarentolken en hoopt dat dit ook vlug het geval zal zijn voor de Frans-Belgische gebarentaal.

Aangezien het om een gedeelde bevoegdheid met de deelgebieden gaat, wenst de NHRPH te weten hoever het staat met het overleg.

109
"Fluistersets" in de rechtbanken worden beschikbaar gemaakt.

Voor de toegankelijke informatie van gerechtsprocedures, spelen tolken een belangrijke rol. Na een project in samenwerking met de Beheerraad Vlaamse Gebarentaal Tolken (BVGT), is er een verhoging van 3 naar 7 tolken voor de Vlaamse gebarentaal in het register voor beëdigde vertalers en tolken. Het register is digitaal beschikbaar op het adres https://justsearch.just.fgov.be/national-registry-search/translator. Een gelijkaardig project is gepland voor tolken voor de Frans-Belgische Gebarentaal.

Er is voorlopig nog geen openbare aanbesteding uitgeschreven voor de aankoop van tolkenkoffers (fluistersets). In de tussentijd kunnen fluistersets wel gehuurd worden. Justitie, in samenwerking met het College van hoven en rechtbanken, informeerde alle rechtbanken en hoven van beroep dat fluistersets gehuurd kunnen worden in het kader van grote meerdaagse processen en in assisenzaken.

De NHRPH wenst meer informatie.

110
Door digitale aangiftes te promoten, bevorderen we de toegang tot politiediensten voor personen met beperkte mobiliteit.

De mogelijkheid om over te gaan tot digitale aangiftes kan een goede zaak zijn voor personen die problemen ondervinden om zich te verplaatsen. Maar dit mag in geen geval de mogelijkheid vervangen om aangiftes op het politiekantoor te doen. De NHRPH vreest voor de digitale kloof.

Zie ook de positienota over de digitale kloof.

111
Bevorderen van de bekendheid van de European Disability Card bij alle hulpdiensten.

De NHRPH herinnert aan zijn advies 2022-12.

Het is belangrijk dat het doel van de EDC en de vraag van de gebruikers zorgvuldig worden afgewogen: de EDC is een erkenning van de handicap met het oog op een vlottere toegang tot goederen en diensten (meer informatie op de website van het BDF dat de aanzet tot de EDC gaf). De NHRPH herinnert eraan dat de EDC geen informatie bevat over iemands gezondheidstoestand. Een bewuste keuze, om stigmatisering te voorkomen. De EDC geeft ook geen informatie over de persoon met een handicap noch over zijn behoeften. Wenst de betrokkene “zijn situatie en behoeften toe te lichten”, dan staat hem dit vrij of hij kan desgewenst andere informatie tonen die hij bij zich heeft. De EDC dient hier niet voor.

Maar de NHRPH heeft uiteraard geen enkel bezwaar tegen de sensibilisering van de urgentiediensten voor de verschillende soorten handicap, wel in integendeel!

112
Investering in de zorgéquipes voor personen met een handicap in het penitentiair systeem.

Gedetineerden met een handicap, meer specifiek geïnterneerden of mensen met een psychische of mentale kwetsbaarheid in de gevangenis, moeten dezelfde gezondheidszorg kunnen genieten als in de vrije samenleving. Hiervoor deed de regering een belangrijk investering in de zorgéquipes. Met een vernieuwd regime op de vleugels waar geïnterneerden verblijven en de aanwerving van extra zorgverleners de gevangenissen van Merksplas en Paifve om tot een correct zorgomkadering te komen (volgens de verhouding 0,33 VTE per geïnterneerde). Ook in de andere gevangenissen worden de zorgéquipes versterkt met extra zorgverleners. Het is een aandachtspunt om deze personeelskaders opgevuld te behouden.

Zie de positienota “Internering” van de NHRPH.

113
Bijzondere aandacht voor handicap binnen het actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld.

Het nieuw Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld (NAP) 2021-2025 (https://igvm-iefh.belgium.be/sites/default/files/downloads/20211125-nap-2021-2025-clean-nl.pdf), dat eind 2021 werd aangenomen door de regering, heeft aandacht voor de specifieke situaties van personen met een handicap. De maatregelen in het plan zijn gericht op preventie en bescherming van alle slachtoffers, ongeacht hun geslacht, leeftijd, afkomst, seksuele geaardheid, handicap, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging etc. Het plan beantwoordt aan internationale overeenkomsten en aanbevelingen. In de artikelen 25, 40, 43, 106, 107 en 113 van het plan gaat specifieke aandacht naar vrouwen en meisjes met een handicap. Het plan zal tegen 2025 samen met het maatschappelijk middenveld worden beoordeeld.

De NHRPH wenst meer informatie hierover.

114
Toegankelijkheid steunpunten seksueel geweld.

De NHRPH staat volledig achter het standpunt van het BDF, dat eraan herinnert dat, in het kader van de toepassing van CEDAW in België, de toegankelijkheid van steunpunten voor vrouwen met een handicap een prioriteit is.

115
Diagnose van de toegankelijkheid van de kiesprocessen teneinde verbeteringen voor de verkiezingen van 2024 voor te stellen.

Stemmen, zich verkiesbaar stellen, of de aanwijzing als bijzitter in een

stembureau zijn activiteiten die personen met een handicap in staat stellen deze politieke rechten daadwerkelijk uit te oefenen. Het laat hen bovendien actief participeren in de samenleving en, zelfs indirect, een invloed uitoefenen op beslissingen die hen kunnen aanbelangen.

In de praktijk blijven evenwel belemmeringen voor de daadwerkelijke uitoefening van deze rechten bestaan. Deze houden meer bepaald verband met de veelheid aan overheidsniveaus (gemeenteraads-, provinciale, regionale, gemeenschaps-, federale en Europese verkiezingen) en met het gebrek aan harmonisatie van de teksten, procedures en instrumenten op dat vlak. In de positienota “Deelname aan het politieke leven (verkiezingen)” zet de NHRPH de aandachtspunten tijdens het verkiezingsproces op een rijtje, alsook de aandachtspunten gerangschikt volgens de verschillende fasen van de verkiezingscyclus, namelijk de pre-electorale, de electorale en de postelectorale periode.

116
Garanderen van gratis vervoer van en naar het kieslokaal als redelijke aanpassing voor personen met een handicap.

In het kader van de verkiezingen in mei 2024, worden verschillende maatregelen gepland en voorbereid door Minister van Binnenlandse Zaken en de FOD Binnenlandse Zaken. Zo is er 65 000 euro begroot voor 2024 voor het voorzien van gratis vervoer van en naar het kieslokaal, als redelijke aanpassing voor personen met een handicap. In 2023 zullen contacten worden gelegd met gespecialiseerde vervoersbedrijven om deze operatie uit te voeren tijdens de verkiezingen van 2024.

Verder zullen er in de tweede helft van 2023 aanbevelingen en instructies opgemaakt worden rond a) de diagnose van de toegankelijkheid van de kiesprocessen, b) sensibilisering rond de participatie van personen met een handicap aan kiesprocessen en het belang van toegankelijke informatie en berichtgeving, c) wijziging van het systeem van gerechtelijke vervolging ter versterking van de controle van volmachten in het kader van verkiezingen en ter bestrijding van misbruik. Voor het laatste punt zal het ontwerp van koninklijk besluit in de tweede helft van 2023 ter goedkeuring worden voorgelegd. Om de schorsing van de uitoefening van het kiesrecht bij beschermde personen tot een minimum te beperken, werd een voorstel tot wetswijziging opgemaakt. De representatieve verenigingen van personen met een handicap en de vrederechters werden hiervoor geraadpleegd. Het wetsontwerp werd goedkeuring door de Ministerraad op 8 juli 2022 en is op het momenteel in behandeling bij de Raad van State.

Na de verkiezingen zal een enquête opgemaakt worden, in samenwerking met de representatieve verenigingen (CAWaB, Unia, NHRPH, Inter), om de verschillende maatregelen in het kader van de verkiezingen 2024 te evalueren.

Er bestaan lokale initiatieven, bijvoorbeeld: http://electionslocales.wallonie.be/electeur/transport-accessibilite.

Het is van fundamenteel belang om deze mogelijkheid te systematiseren.

117
Wijziging van het systeem van gerechtelijke vervolging ter versterking van de controle van volmachten en ter bestrijding van misbruik.
Wijziging van het koninklijk besluit tot vaststelling van het model van het volmachtformulier.

De NHRPH verkiest een betere toegankelijkheid voor PMH boven volmachten.

118
Sensibiliseren van burgers, politieke partijen en media over de participatie van personen met een handicap aan het kiesproces en over het belang van het aanbieden van verkiezingsprogramma’s en berichtgeving in toegankelijke vormen.

Zie de talrijke adviezen van de NHRPH.

119
Onderzoek naar hoe de schorsing van de uitoefening van het kiesrecht bij beschermde personen tot het minimum beperkt kan worden.

Er is een wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de bekwaamheid van de beschermde persoon betreft ingediend om de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet uit te oefenen. Het stemrecht is een burgerrecht, net als het recht op vrij verkeer, integriteit, enz. Rechters zouden personen met een handicap nooit het stemrecht mogen ontzeggen (tenzij zij door een rechtbank worden veroordeeld, wat geldt voor iedere burger). Rechterlijke beschermingsmaatregelen worden in de eerste plaats genomen om de persoon met een handicap te beschermen. Sommige personen zijn mogelijk niet in staat de handeling die ze stellen te begrijpen. Betekent dit dat zij door hun stem een gevaar voor zichzelf zijn? Ter vergelijking, zie hieronder de handelingen met betrekking tot de persoon waarover de rechter uitspraak moet doen. Het doel is dus niet om personen te verbieden te stemmen, maar wel om de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken. Zo moet iedere burger de nodige informatie krijgen om zijn stemrecht correct te kunnen uitoefenen, in een taal die voor hem of haar toegankelijk is (bijvoorbeeld politieke programma's in gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal, in gebarentaal, in braille).

Nu de raadplegingsfase is afgerond, wil de NHRPH graag weten welke hervormingen de Minister overweegt.

Alle informatie over het standpunt van de NHRPH kan worden geraadpleegd in advies 2022-14.

120
Garanderen van de representatieve deelname van personen met een handicap aan de voorziene burgerconsultatie. We zullen de mogelijkheid onderzoeken voor het ontwikkelen van audioteksten voor het platform om personen met een visuele handicap in staat te stellen de vragen en contextuele elementen te horen. Het zal mogelijk zijn om met de gewenste hulp op papier aan het online platform deel te nemen.

Met de burgerbevraging over de toekomst van België werden burgers, het middenveld, de academische wereld, scholen, experten én lokale besturen om hun mening, ideeën en aanbevelingen gevraagd over de Belgische staatstructuur en vernieuwingen van de democratische spelregels. Verschillende acties werden ondernomen om ook personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties toe te laten hieraan deel te nemen:

  • Er werd op toegezien dat de website van de burgerbevraging “Een land voor de toekomst” opgesteld werd conform de toegankelijkheidsnormen. Alle video’s op het platform werden ondertiteld in de 3 landstalen.
  • Het was mogelijk om telefonisch een papieren versie aan te vragen, en de antwoorden op papier aan de FOD BOSA te bezorgen. In totaal werden er 137 papieren formulieren telefonisch aangevraagd bij het callcenter van de FOD BOSA.
  • Er werd in de communicatiecampagne expliciet ingezet op het betrekken van verschillende doelgroepen. Zo werden ook gespecialiseerde organisaties die mensen met een handicap vertegenwoordigen geïnformeerd van dit participatieve initiatief. Van de 14.515 mensen die deelnamen, reageerden er 59 namens een organisatie die zij vertegenwoordigen. Er is momenteel geen uitsplitsing naar soort organisatie.

De NHRPH stelt vast dat de website geen informatie geeft over de mogelijkheid om deel te nemen “met de papieren versie”. Integendeel, de website verduidelijkt wel dat voor deelname een online inschrijving vereist is:

Kan ik deelnemen als ik niet geregistreerd ben op het platform?

Wanneer je niet geregistreerd bent op het platform kan je deelnemen aan face-to-face events en je kan voorstellen en reacties lezen. Reageren en voorstellen formuleren kan alleen wanneer je geregistreerd bent.

De NHRPH vreest dat heel wat PMH, maar ook burgers, niet hebben deelgenomen aan de online opiniepeilingen en ook nooit zullen kunnen deelnemen.

121
Het verzekeren van de betrokkenheid van de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap bij de voorbereiding van institutionele hervormingen.
In het kader van de uitvoering van het door de federale regering ontwikkelde online platform zullen we verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen, uitnodigen om input en adviezen te geven over de modernisering van de staatsstructuur.

De NHRPH stelt vast dat de participatiegraad niet erg hoog ligt. Werd er voldoende ruchtbaarheid aan gegeven? Waren de vragen begrijpelijk? De NHRPH had gevraagd dat de FOD Sociale zekerheid informatiesessies zou organiseren en informatiemateriaal ter beschikking zou stellen van personen met een verstandelijke handicap. De NHRPH had de FOD ook geïnterpelleerd over de digitale toegankelijkheid van de enquête, over de toegankelijkheid van de enquête op papier en over de toegankelijkheid van de informatie zelf. Zonder enige gepaste feedback van de FOD.

122
Evaluatie van federale antidiscriminatiewetten, met betrekking tot de specifieke aanbevelingen over de kwestie van handicap vanuit de Commissie voor de evaluatie van deze wetten.
De evaluatiecommissie van de federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie heeft de federale wetgeving geëvalueerd, met name vanuit het oogpunt handicap, en heeft in juni 2022 haar eindverslag gepubliceerd.
De door de commissie geformuleerde aanbevelingen in het verslag werden geanalyseerd, in het bijzonder wat betreft de kwestie van de handicap. Er werd besloten dat deze aanbevelingen geen wijziging van de antidiscriminatiewetten vereisen.
Zij betreffen immers de wijziging van artikel 150 van de Grondwet (dat thans herzien wordt) evenals de publicatie van statistische gegevens over de tewerkstelling van overheidspersoneel, de tewerkstellingsgraad van werknemers met een handicap bij de overheid en het opstellen van een interfederaal plan ter bestrijding van discriminatie tegen personen met een handicap. Deze maatregelen vallen hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de overheid en de sociale zekerheid.

De evaluatiecommissie van de federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie heeft de federale antidiscriminatiewetten geëvalueerd, in het bijzonder vanuit het oogpunt handicap, en heeft in juni 2022 haar eindverslag gepubliceerd:  https://igvm-iefh.belgium.be/nl/nieuws/eindverslag_van_de_commissie_voor_de_evaluatie_van_de_federale_antidiscriminatiewetten.

De aanbevelingen werden geanalyseerd en vereisen geen wijziging van de federale antidiscriminatiewetten op het vlak van handicap. Andere aanbevelingen rond handicap (wijziging van artikel 150 van de Grondwet, actie voor de 3% tewerkstelling bij de federale overheidsinstellingen, statistische gegevens overheidspersoneel, interfederaal plan ter bestrijding van discriminatie  tegen personen met een handicap) vallen voornamelijk onder de bevoegdheid van de FOD BOSA en de FOD Sociale Zekerheid en worden opgenomen via andere maatregel van dit actieplan of andere acties van de regering.

De NHRPH is verbaasd dat de analyse van een verslag wordt voorgesteld als een actiefiche. Dat is weinig ambitieus. Welke verandering wordt er gegenereerd in het leven van PMH en hun gezinnen?

123
Verbetering van de discriminatietoetsen en het uitvoeren van een academische monitoring van diversiteit en discriminatie op sectorniveau.

De NHRPH heeft geen opmerkingen over dit punt. Algemeen gesproken – en los van de kwestie van het nut van deze toets – wil de NHRPH vooral weten welke lessen hieruit worden getrokken op het vlak van het aanwerven van PMH in de privésector.

124
Aandacht voor de meervoudige discriminatie van vrouwen meisjes met een handicap, in de voorziene evaluatie van de gelijkheids- en mensenrechtenorganen, waaronder Unia.

De NHRPH is van oordeel dat deze maatregel enkel mikt op een aankondigingseffect: "Meervoudige discriminatie naar voren brengen" En nadien?

125
Verder uitrollen van de European Disability Card als instrument voor de toegang tot cultuur en vrijetijdsbesteding in binnen- en buitenland en promotie van het maximaal gebruik ervan bij de federale culturele en wetenschappelijke instellingen.

De European Disability Card (EDC-kaart) is een kaart die personen met een erkenning bij de FOD Sociale Zekerheid, DG Personen met een handicap of de regionale handicapagentschappen kan aanvragen die dient om de toegang tot cultuur en vrijetijdsbesteding te vergemakkelijken in België en de andere deelnemende Europese landen.

Voor de beheer van het project werd op initiatief van Minister voor Personen met een handicap, een werkgroep EDC opgericht met de deelgebieden binnen de Interministeriële conferentie handicap. Verder wordt de EDC-website, volledig hernieuwd en zal deze aan de hoogste normen van toegankelijkheid voldoen. De vernieuwde website wordt samen met een brede informatiecampagne gelanceerd eind 2022. De doelstelling hiervan is om zowel het aantal deelnemende partnerorganisaties, de doelgroep en het gebruik van de kaart uit te breiden.

De EDC-kaart wordt ook erkend bij de instellingen die afhangen van de federale overheid. De kaart is momenteel van kracht in alle zes Federale Wetenschappelijke Instellingen alsook het War Heritage Institute (WHI). Deze zijn opgenomen als partners op de website van de EDC-kaart en Federale Wetenschappelijke Instellingen vermelden het voordeel ook op hun website of bij de ingang. Binnen Defensie werd interne gecommuniceerd aan het personeel over EDC-kaart en zijn voordelen.

Meer informatie in advies 2022-12.

Volgens de NHRPH is het beperkte succes van de EDC niet zozeer te wijten aan de communicatiestrategie, maar vooral aan het gebrek aan erkenning door de openbare en privésector. Het grootste probleem is dat te weinig dienstverleners diensten op maat van personen met een handicap aanbieden, waardoor deze hun recht op ontspanning, opleiding, verplaatsing, … in de praktijk gewoonweg niet kunnen laten gelden. De diensten richten zich maar al te vaak uitsluitend op bepaalde groepen (vooral rolstoelgebruikers). Overigens vragen personen met een handicap en hun gezinnen niet in de eerste plaats een tariefvermindering, maar vooral concrete toegang tot goederen of diensten. Een tariefvermindering maakt goederen of diensten uiteraard niet fysiek toegankelijker! De toegankelijkheid van een dienst moet algemeen worden opgevat en beantwoorden aan de behoeften van alle personen met een handicap, ongeacht het type van handicap. De positienota "Toegankelijkheid en mobiliteit" van de NHRPH bevat de belangrijkste aandachtspunten. De NHRPH herinnert ook aan het belang van diensten te ontwikkelen in overleg met de bureaus voor toegankelijkheid (meer informatie op de websites van CAWaB en Inter). Een beperkt aantal goed toegankelijke domeinen is beter dan halfslachtige maatregelen op een groot aantal plaatsen.

De NHRPH neemt akte van de nieuwe website EDC die is aangekondigd voor 02/12/2022. De NHRPH verwacht dat de maatregelen die de erkenning en het gebruik van de kaart zullen versterken aan de NHRPH zullen worden voorgesteld.

126
Uitwerken van sportinitiatieven voor militairen en veteranen met een handicap.

De NHRPH kan zich niet uit spreken over het nut en de effecten van deze maatregel die hem overigens niet werd voorgesteld.

127
Ontwikkeling en implementatie van een inclusiviteits- en diversiteitsstrategie binnen Bozar.

De NHRPH heeft geen enkele kennis van deze projecten die hem overigens nooit werden voorgesteld.

128
Bevorderen van de toegang voor personen met een handicap tot voorstellingen van de Munt en het Nationaal Orkest van België.

De NHRPH heeft geen zicht op deze projecten.

129
Verlengen van het project “Improving Equality Data Collection in Belgium” om het uit te breiden met andere criteria van discriminatie, waaronder handicap.

Project beheerd binnen Unia.

130
Oprichten van een task force ter identificatie van de noden en mogelijkheden voor de verzameling van gegevens en statistieken met betrekking tot personen met een handicap (met aandacht voor andere criteria zoals geslacht, leeftijd, etc.).

De NHRPH is van oordeel dat de statistieken ook zouden moeten gaan over de behoeften en niet enkel over de aandoeningen.

De NHRPH vraagt om nauw betrokken te worden.

131
Ontwikkeling van statistieken over de omvang en aard van in- en uitstroom van IVT- en IT-gerechtigden.

Idem.

132
Bijzondere aandacht voor intersectionaliteit, in het bijzonder wat betreft leeftijd en geslacht, in de statistiekproductie inzake IVT en IT en cijfermatige analyses (vb. "Cijfers in de kijker") van de FOD Sociale Zekerheid.

Idem.

133
Opname van handicap binnen een hervorming van de RIA.
Een voorstel van actieplan voor de RIA werd opgesteld en werd toegelicht en besproken voor de eerste keer tijdens een informatief IKW op 01/07/2022. De doelstelling van dit actieplan is, onder andere, de impactanalyse correcter en dus kwalitatiever aan te vullen en dit door acties voor te stellen die op 4 assen werken (proces, inhoud, controle en beheer/bevordering).

De NHRPH verwacht dat het ontwerp hem wordt voorgesteld: het is een hervorming die op structureel vlak de implementering van de handistreaming zou kunnen versterken.

134
Uitbreiden van de betrokkenheid van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap in het beleidsproces.

Idem.

135
Versterken van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.

Zie advies 2018-04.

Indien men de betrokkenheid van de NHRPH in het beleidsproces wil uitbreiden, is het noodzakelijk de nodige financiële en personele middelen te bieden.

136
Aanbieden van een kant-en-klare opleiding over vandalisme voor de leden van de beleidscellen en de administratieve contactpunten voor handicap.

De NHRPH heeft geen enkele informatie over het project.

137
Creatie van een anti-vandalisme toolbox met de artikelen van de CRPD die België moet volgen bij de implementatie van zijn beleid zodat het beleid inclusief is en de fundamentele rechten van personen met een handicap eerbiedigt.

Idem.

138
België ondersteunt de werking van het VN-Comité inzake de rechten van personen met een handicap en verleent haar medewerking aan de periodieke rapportage over de implementatie van het verdrag in België.

De NHRPH is verbaasd dat deze maatregel van jaren geleden wordt voorgesteld als een actiemaatregel voor het FPH 2020-2024.

139
Sensibilisering tot rekening houden met handicapvraagstukken binnen de verschillende takken van de Raad van de EU.

De NHRPH wenst feedback te krijgen over de manier waarop de FOD Buitenlandse Zaken deze sensibilisering gaat realiseren. 

140
Bij acties ter promotie van het imago van België in het buitenland zullen Belgische personen met een handicap meer in de verf gezet worden.  

De NHRPH heeft geen enkel zicht op deze acties. De NHRPH wil weten hoe en via welke berichten er aandacht zal worden geschonken aan PMH.

141
Er wordt rekening gehouden met de handicapdimensie in de voorbereiding van de missies van defensie (Cf. artikel 11 UNCRPD).

De NHRPH heeft geen enkel zicht op deze acties. De NHRPH wil weten welke handicapprioriteiten op het gebied van defensie worden bedoeld.

142
Er wordt rekening gehouden met rechten van personen met een handicap in de programma’s van de Belgische ontwikkelingssamenwerking.

De NHRPH heeft geen enkel zicht op deze acties. De NHRPH wil weten welke handicapprioriteiten op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking worden bedoeld.

143
Zorgen voor een aangepaste beoordeling om de specifieke behoeften van asielzoekers met een handicap die in de opvangcentra en het aanmeldcentrum verblijven, snel en correct te kunnen vaststellen en opvolgen.

Niet van toepassing – Er is thans geen aparte registratie van de handicaps bij het Opvangnetwerk. We zullen onderzoeken hoe de registratie van handicap kan worden ingevoerd in Match-it en in een nieuwe toekomstige medische database. Dit zal gekoppeld worden aan het invoeren van een eenvoudige en gebruiksvriendelijke zoekmotor.

De NHRPH heeft geen enkel zicht op deze actie. Hij wil weten hoe de handicaps worden geregistreerd, op basis van welke criteria en hoe het staat met onzichtbare handicaps.

144
Bevordering van mobiliteit en aangepaste communicatie voor asielzoekers met een handicap die in opvangcentra wonen.

De NHRPH wil zicht hebben op wat al werd gerealiseerd.

145
In het geval van vrijwillige terugkeer, voorzien van bijstand bij re-integratie in het land van herkomst (hulp bij het zoeken naar werk, enz.).

De NHRPH wil zicht hebben op wat al werd gerealiseerd.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/31 - Ondernemerschap van personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2022/31 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegang van begunstigden van de inkomensvervangende tegemoetkoming tot de regeling voor zelfstandigen in bijberoep, uitgebracht in plenaire vergadering op 19/12/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer David Clarinval, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, bij brief van 2 december 2022.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing wil het ondernemerschap van personen met een handicap ondersteunen, met name door specifiek voor deze groep de financiële drempels voor toegang tot het sociaal statuut van de zelfstandigen te verlagen.

Een vertegenwoordiger van het kabinet van de Minister heeft de maatregel voorgelegd aan de NHRPH tijdens de plenaire vergadering van 19 december 2022.

3. ANALYSE

Volgens de aan de NHRPH gerichte adviesaanvraag worden voor personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) ontvangen, de drempels om zelfstandige in bijberoep te worden, opgeheven zonder dat dit gevolgen heeft voor hun sociale rechten op korte en lange termijn.

De voorwaarden voor de toekenning van tegemoetkomingen voor personen met een handicap sluiten de combinatie ervan met inkomsten uit arbeid niet uit. Zolang de inkomensgrenzen niet worden overschreden, kan de betrokkene (een deel van) deze financiële tegemoetkomingen blijven ontvangen terwijl hij of zij werkt.

In de praktijk stuiten mensen met een inkomensvervangende tegemoetkoming echter op financiële belemmeringen wanneer zij deze tegemoetkoming willen combineren met het uitoefenen van een zelfstandige activiteit. Dit is vooral het geval wanneer het om een kleine zelfstandige activiteit gaat die slechts beperkte inkomsten oplevert. In veel gevallen gaan deze mensen er financieel op achteruit door de sociale bijdragen die zij moeten betalen.

Volgens de huidige bijdrageregeling in het sociaal statuut van de zelfstandigen zijn personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen en een zelfstandige activiteit beginnen of deze (uitsluitend) uitoefenen, verplicht hun socialezekerheidsbijdragen als zelfstandige in hoofdberoep te betalen. Het gaat om een tarief van 20,5% op inkomsten tot € 63.297,86 en 14,16% op inkomsten tussen € 63.297,86 en € 93.281,02. Dit betekent ook een minimumbedrag van 751,25 euro per kwartaal, ongeacht de omvang van de zelfstandige activiteit of de inkomsten die daaruit voortvloeien.

Voor de eerste vier kwartalen als zelfstandige kan men als “primostarter” een vermindering van € 387,95 per kwartaal aanvragen.

Over het algemeen kunnen de betrokken personen het statuut van zelfstandige in bijberoep niet aanvragen.

Het ontwerp van koninklijk besluit verruimt het toepassingsgebied van artikel 37 zodat ook personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen ervan kunnen genieten. Bijgevolg kunnen deze personen, die slechts een laag inkomen als zelfstandige ontvangen (minder dan 7.678,69C), worden gelijkgesteld met zelfstandigen in bijberoep en zullen zij lagere socialezekerheidsbijdragen betalen.

Jaarlijks netto belastbaar inkomen

Socialezekerheidsbijdragen

< 1.621,72 €

1.621,72€<7.678,69 €

20,5%

 

Min: 83,11 €/T

 

Max : 393,53 €/T

7.569,70€<63.297,86 €

20,5%

 

Min: 751,25 €/T

63.297,86€<93.281,02 €

14,16%

>93.281,02 €

Max 4.305,42 €/T


4. ADVIES

De NHRPH is de maatregel bijzonder genegen. De NHRPH is ervan overtuigd dat deze maatregel de begunstigden van de IVT kan helpen om met meer vertrouwen een zelfstandige activiteit aan te vatten. Een aantal aspecten moet echter nog worden verduidelijkt.

De NHRPH heeft ook geleerd dat inkomsten uit een zelfstandige activiteit gecombineerd kunnen worden met de IVT (maatregel 063 van het Actieplan Handicap). De NHRPH vraagt zich echter af hoelang deze cumulatie mogelijk zal zijn. De regelgeving inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap moet hiervoor worden gewijzigd. De NHRPH wacht in dit verband op de adviesaanvraag van de Minister belast met Personen met een handicap.

De NHRPH merkt ook op dat deze maatregel alleen bestemd zou zijn voor begunstigden van de IVT en niet voor begunstigden van een invaliditeitsuitkering. De NHRPH weet dat de begunstigden van een invaliditeitsuitkering ook toegang hebben tot het statuut van zelfstandige in bijberoep, als "voormalige werknemer". De NHRPH vraagt zich echter af of de toegangsvoorwaarden en het bedrag van de te betalen bijdragen identiek zijn. Zo niet, bestaat er dan geen risico van discriminatie tussen twee categorieën van personen die in dezelfde levenssituatie verkeren?

De NHRPH vraagt ook om zorgvuldige communicatie: toekomstige zelfstandigen moeten begrijpen dat in geval van een stijging van hun inkomsten uit een zelfstandige activiteit, hun socialezekerheidsbijdragen ook kunnen stijgen. Zij hebben nood aan de precieze en geïndexeerde cijfers. Het is ook van essentieel belang eraan te herinneren dat de status van zelfstandige in bijberoep geen recht geeft op een pensioen. Ook moet volledige informatie worden verstrekt over de toegang tot afgeleide rechten. De informatiecampagne van de FOD Economie moet over al deze aspecten nauwkeurig en duidelijk zijn.

  • Raadplegingen: 20

Advies 2022/27 - European Accessibility Act - BIPT (bis)

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) inzake het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, met het oog op de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten en het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 2016 betreffende het op de markt aanbieden van radioapparatuur, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/10/2022.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het voorontwerp van wet waarborgt de omzetting van Richtlijn 2019/882 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten.

3. ANALYSE

Op 16 mei laatstleden heeft de NHRPH een volledig negatief advies 2022-20 uitgebracht over het voorontwerp van wet houdende wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ter gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Europese Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, en het ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 2016 betreffende het op de markt aanbieden van radioapparatuur.

Het kabinet van de Minister belast met Telecommunicatie heeft het initiatief genomen voor een ontmoeting met zowel het BIPT en de FOD Economie om mogelijke verbeteringen die in de tekst kunnen worden aangebracht te bespreken. Deze ontmoeting heeft op 5 oktober 2022 plaatsgehad. Naar aanleiding van deze ontmoeting heeft de NHRPH de volgende informatie ontvangen:

  • De opdrachten van het BIPT zijn onder andere de volgende:
    1. een gezonde concurrentie bevorderen en de toegang tot de markt vrijwaren;
    2. bijdragen tot de ontwikkeling van een interne markt van efficiënte netwerken en sterk presterende diensten;
    3. waken over de belangen van de gebruikers, rekening houdende met sociale inclusie, met een hoog niveau van bescherming, met duidelijke informatie en met transparantie.

  • Het toepassingsgebied van de richtlijn is zeer duidelijk en niet-bespreekbaar: toegankelijk maken van alle diensten en apparaten die golven uitzenden. Het gaat meer bepaald om radioapparatuur en telecomdiensten in heel België en mediadiensten in Brussel.
  • Het BIPT streeft naar een zo ruim mogelijke toegankelijkheid om in het kader van het EAA te ontwikkelen. Duidelijke en concrete toegankelijkheidscriteria ontbreken momenteel en er wordt nog gewacht op aanbevelingen voor standaardisering van de Europese Commissie, die samenwerkt met het CEN (dat zelf bestaat uit nationale bureaus voor normalisatie: het NBN voor België).
  • Het BIPT wacht op deze volgende stap, maar verzoekt nu ook om expertise inzake toegankelijkheid; deze richtlijn opent een actieterrein dat het zo goed en zo snel mogelijk wil benutten. De tekst is vatbaar voor interpretatie en vereist concrete verduidelijkingen, ook wat betreft de verwachtingen van de gebruikers met een zintuiglijke, lichamelijke of verstandelijke handicap. De Minister belast met Telecommunicatie staat volledig achter een samenwerkingskader en stelt de concrete vraag naar de vorm ervan: een wet, een samenwerkingsakkoord, …? Zij zal dit met het BIPT en met de Minister belast met Personen met een handicap onderzoeken.
  • In zijn hoedanigheid van controleorgaan zal het BIPT uitzonderingen op het toegankelijk maken goedkeuren; vrijstellingen zullen nooit automatisch gebeuren. Het BIPT onderzoekt een situatie gewoonlijk op basis van een aantal eensluidende klachten. Dit is een procedure die enkele maanden of jaren kan duren. Tegelijkertijd staat het BIPT ook volledig open voor een vorm van constructieve samenwerking met de NHRPH of iedere structuur die bevoegd is om technische adviezen over de toegankelijkheid uit te brengen.
  • Het BIPT is bereid de in het voorontwerp van wet gebruikte terminologie te herzien, mits die uiteraard overeenkomt met de draagwijdte van de richtlijn.

4. ADVIES

De NHRPH benadrukt de resoluut constructieve aanpak van de Minister van Telecommunicatie en van het BIPT. Uit de vergadering van 5 oktober is duidelijk gebleken dat het streven naar het waarborgen van de toegankelijkheid van goederen en diensten die onder de bevoegdheid van de Minister van Telecommunicatie en het BIPT vallen reëel is. De vergadering was toegespitst op de idee om voor de toekomst, uitgaande van de verwachtingen van de NHRPH, een concreet werkingsmodel “met en voor personen met een handicap” te bepalen. De NHRPH verwacht van alle kabinetten en administraties deze visie. De actielijnen inzake handicap in het kader van het Federaal Plan Handicap moeten hetzelfde participatieve model met de NHRPH volgen. Dit is overigens een win-winsituatie voor alle partijen.

De NHRPH zal niet beslissen over de juridische vorm die deze samenwerking moet aannemen: hij wenst dat deze duidelijk en permanent is, structureel maar ook eenvoudig en vlot om de uitwisseling van ideeën en de concretisering ervan mogelijk te maken. Dit overleg moet leiden tot precieze doelstellingen, duidelijke regels en concrete en uniforme praktijken tussen de operatoren. Een consument met een handicap die zich tot eender welke operator wendt, moet de diensten kunnen gebruiken zoals elke andere burger.

De NHRPH vraagt overigens dat de organen die binnen het BIPT belast zijn met het onderzoek naar de conformiteit van een goed of een dienst vanuit het oogpunt van toegankelijkheid worden samengesteld uit personen met een handicap via de instanties die hen vertegenwoordigen.

De NHRPH zal ook de teksten tot omzetting van de richtlijn in het kader van de bevoegdheid van het BIPT grondiger en binnen een redelijke termijn opnieuw onderzoeken.

In het verlengde van dit uitvoerig advies en meer in het algemeen richt de NHRPH zich opnieuw rechtstreeks tot de Minister van Economie, de staatssecretaris voor Consumentenbescherming en de FOD Economie, die de transcriptiewerkzaamheden coördineert. In een wereld die duurzamer en inclusiever wil zijn, moet toegankelijkheid voor iedereen (Universal Design) een reëel en belangrijk aandachtspunt zijn. Zo niet, dan blijft toegankelijkheid een slogan die diegenen die verandering beloofd was, verbittert.

De NHRPH heeft in 2021 en 2022 heel wat adviezen over het EAA uitgebracht, heeft ook zeer duidelijke verwachtingen en eisen geformuleerd met betrekking tot de toegankelijkheid en de toenemende digitalisering. De NHRPH herinnerde eraan dat de toegankelijkheid van goederen en diensten een even dringende prioriteit moet worden als de veiligheid. De NHRPH is van mening dat de aandacht voor de toegankelijkheid van goederen en diensten binnen het NBN aanzienlijk moet worden opgevoerd. De huidige samenstelling van de Raad van bestuur van het NBN en van de commissies voor normalisatie laat het niet toe dat toegankelijkheid als een belangrijk aandachtspunt wordt opgenomen. Nochtans herinnert het NBN zelf aan het belang van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen bij het op elkaar afstemmen van “duurzaam beleid en rendabele groei”.

Het is in deze context dat de NHRPH de Minister van Economie, de Staatssecretaris voor Consumentenbescherming, de FOD Economie en de Minister belast met Personen met een handicap, maar ook de Eerste Minister ondersteuning vraagt voor het volgende:

  1. de deelname van de NHRPH aan de normalisatiewerkzaamheden bij de commissies voor normalisatie van het NBN zelf;
  2. de oprichting van een volledig onafhankelijk controleorgaan voor de toepassing van het EAA, dat transversaal is voor alle toepassingsgebieden van het EAA en samengesteld is uit personen met een handicap via de officiële instanties die hen vertegenwoordigen.
  • Raadplegingen: 20

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.