Terug naar hoofdinhoud

Advies 2021/40 - Internering

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2021/40 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, uitgebracht op de plenaire zitting van 22/11/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Het wetsontwerp om justitie menselijker, sneller en straffer te maken wijzigt enkele artikelen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.

2. ANALYSE

A. De wet van 5 mei 2014 betreffende de internering

Artikel 2 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt dat de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel is die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt.

Artikel 9 van de wet bepaalt:
§ 1. De onderzoeksgerechten, tenzij het gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn, en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon:
   1° die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en
   2° die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en
   3° bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen.
   Het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht beoordeelt op met redenen omklede wijze of het feit de fysieke of psychische integriteit van derden heeft aangetast of bedreigd.
§
2. De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek.

Artikel 11 van de wet luidt:
Indien [1 de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde] op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting beveelt, vindt de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.

Artikel 35 van de wet bepaalt dat indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, zij bepaalt naar welke inrichting de geïnterneerde persoon moet worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit de volgende inrichtingen:

  • de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
  • het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;
  • de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een Gemeenschap of een Gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorg te verstrekken en die een overeenkomst betreffende de plaatsing zoals bedoeld in 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet.

B. Het wetsontwerp om justitie menselijker, sneller en straffer te maken

De NHRPH vernam in de pers (Franstalig artikel) dat het wetsontwerp om justitie menselijker, sneller en straffer te maken verschillende bepalingen van de wet van 5 mei 2014 wijzigt.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bepaalt het volgende:

Door te bepalen dat geïnterneerde personen enkel geplaatst kunnen worden in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, een FPC (forensisch psychiatrisch centrum) of een externe psychiatrische voorziening, is er een tekort aan plaatsen ontstaan waar deze plaatsingsbeslissingen op korte termijn kunnen worden uitgevoerd. De geïnterneerde personen die aangehouden zijn, blijven, wanneer er geen plaats is in de door de KBM (kamer tot bescherming van de maatschappij) aangewezen inrichting, opgesloten in de psychiatrische afdeling van een gevangenis. Deze problematiek situeert zich vooral in Wallonië, in afwachting van de ingebruikname van de voorziene FPC’s. De Belgische Staat werd in voornoemde hypothese reeds verschillende keren veroordeeld om een einde te stellen aan het onwettige verblijf in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.

Het spreekt voor zich dat een opname in overtal in de door de KBM aangewezen inrichting geen oplossing kan zijn voor het probleem. Dit zou een nefaste impact hebben op de behandelingsmogelijkheden. Om een kwalitatieve zorgverlening te garanderen, is het zeer belangrijk dat er geen overbevolking ontstaat in deze inrichtingen, zodat aan elke patiënt voldoende tijd en zorg kan worden besteed.

Ook een invrijheidstelling kan niet overwogen worden als oplossing om een einde te stellen aan het onwettig verblijf in de psychiatrische afdeling van de gevangenis. Als een geïnterneerde persoon onmiddellijk wordt opgesloten of is aangehouden, betekent dit dat er een veiligheidsprobleem is. Het zou nefast zijn voor de openbare veiligheid om die geïnterneerde, in afwachting van het vrijkomen van een plaats in de aangewezen inrichting, in vrijheid te stellen. Bovendien mag ook de noodzaak om ten aanzien van deze kwetsbare groep van personen te voorzien in de vereiste van continuïteit van zorg niet uit het oog verloren worden.

Anderzijds kan de bestaande situatie ook niet blijven duren. In die situatie lopen gevangenisdirecteurs immers het risico gedagvaard te worden vanwege een onwettige detentie. Deze mensen, die voor de FOD Justitie werken, moeten de wet volgen, maar het is moeilijk te verantwoorden dat zij het risico lopen persoonlijk verantwoordelijk te worden gesteld voor het in gebreke blijven van de uitvoerende macht. Het is aan deze laatste om ervoor te zorgen dat er voldoende beschikbare plaatsen zijn in de gepaste inrichtingen, of dat nu inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, FPC’s of externe psychiatrische inrichtingen zijn.

De regering voorziet uiteraard om dit capaciteitsprobleem zo snel mogelijk aan te pakken. Het is echter tevens belangrijk dat er, in afwachting daarvan, een oplossing wordt gezocht voor onbillijke of ongewenste situaties, waarmee zowel overbevolking in de psychiatrische zorg wordt bedoeld, als het feit dat directeurs persoonlijk gedagvaard worden, als het risico op het in het leven roepen van veiligheidsproblemen als iemand die duidelijk een gevaar betekent voor de maatschappij vrijgelaten zou moeten worden.

De NHRPH stelt dus vast dat de reglementering wordt herzien om de Staat te beschermen tegen gerechtelijke vervolging wegens willekeurige detentie: de wetswijziging moet het mogelijk maken detentie van personen met een geestesstoornis in gevangenissen toe te staan, in plaats van hen op te nemen in inrichtingen die beter afgestemd zijn op hun zorg- en begeleidingsbehoeften.

C. Het regeerakkoord

In het verslag van de formateurs staat op bladzijde 50: 

Er is aangepaste capaciteit nodig op het vlak van forensisch psychiatrische centra en gevangenissen. De uitvoering van de masterplannen voor gedetineerden en geïnterneerden wordt voortgezet en geactualiseerd na evaluatie.

Bij de uitvoering van de masterplannen gaat de eerste prioriteit uit naar de bouw van de nieuwe forensisch psychiatrische centra (Aalst, Paifve en Waver). Bij de evaluatie van de masterplannen zal er rekening gehouden worden met het feit dat geïnterneerden niet in de gevangenis thuishoren.

De regering brengt de geestelijke gezondheidszorg voor gedetineerden en geïnterneerden die onder de bevoegdheid van de penitentiaire administratie vallen op het niveau van deze in de vrije samenleving en laat zich hiervoor o.a. inspireren door de forensisch psychiatrische centra. Zij neemt dit mee in de evaluatie van de masterplannen.

In overleg met de deelgebieden wordt onderzocht of bijkomende capaciteit mogelijk is op het vlak van maatschappelijke begeleiding en hulpverlening, alternatieve sancties en elektronisch toezicht.

3. ADVIES

In de eerste plaats betreurt de NHRPH het ten zeerste niet over het wetsontwerp te zijn geraadpleegd, met name over het gedeelte betreffende de internering. De NHRPH kan de gekozen oplossing – een gemeenrechtelijke opsluiting zonder aangepaste verzorging – en de aangevoerde, schandelijke redenen – de Staat vrijwaren van een nieuwe veroordeling en de staat WETTELIJK vrijstellen van zijn verplichting om personen met een geestesstoornis te begeleiden – niet onderschrijven! Moeten wij eraan herinneren dat België het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap heeft goedgekeurd, en ondertussen al ontelbare keren werd veroordeeld?

De NHRPH herinnert aan het engagement van de volledige regering om de NHRPH te raadplegen wanneer de overwogen maatregelen gevolgen kunnen hebben voor personen met een handicap.

Meer in het bijzonder herinnert de NHRPH eraan dat België herhaaldelijk werd veroordeeld door het Europees Hof voor de rechten van de mens. In zijn pilootarrest van 6 september 2016 (arrest W.D. versus België) is het Hof van oordeel dat de nationale autoriteiten te weinig hebben gedaan voor de gezondheidstoestand van de eiser, waardoor die in een situatie terechtkwam die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag. Zijn verdere verblijf in een psychiatrische vleugel zonder realistische hoop op verandering, zonder een passend medisch kader en gedurende een aanzienlijke periode, vormt een bijzonder schrijnende beproeving die hem meer ontredderd heeft dan het onvermijdelijke lijden dat inherent is aan vrijheidsberoving.

Bovendien is het Hof van mening dat de internering van de eiser in een plaats die niet afgestemd is op zijn gezondheidstoestand, de bij artikel 5, § 1, e), van het Verdrag vereiste relatie tussen het doel van de vrijheidsberoving en de omstandigheden waarin deze plaatsvindt, heeft verbroken en dat er derhalve sprake is van een schending van artikel 5, § 1, van het Verdrag.

Sindsdien heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens soortgelijke gevallen behandeld. België werd telkens veroordeeld. Het laatste arrest over dit onderwerp dateert van 6 april 2021. Telkens veroordeelt het Hof de omstandigheden waarin geïnterneerde personen in gewone gevangenissen van hun vrijheid worden beroofd, aangezien deze hun elk vooruitzicht op re-integratie ontnemen, wegens gebrek aan aangepaste therapeutische zorg (De belangrijkste arresten inzake handicap, onder leiding van Isabelle Hachez en Jogchum Vrielink, Ed. Larcier, p. 779).

De NHRPH is zich er terdege van bewust dat extra plaatsen in aangepaste inrichtingen niet zomaar van de ene dag op de andere kunnen worden gecreëerd. Sinds 2016 hadden er evenwel snel alternatieve oplossingen moeten kunnen worden gevonden. De wet van 2014 voorziet namelijk in het afsluiten van overeenkomsten met psychiatrische ziekenhuizen voor de tenlasteneming van geïnterneerden. Volgens de Belgische afdeling van het Internationaal Observatorium voor het Gevangeniswezen werden tot dusver nog geen overeenkomsten ondertekend.

De NHRPH herinnert aan zijn positienota Internering van 19 december 2016:

De NHRPH pleit ervoor dat de interneringsmaatregel bij voorkeur ‘extra muros’ uitgevoerd wordt. Wordt een geïnterneerde van zijn vrijheid beroofd, dan mag dit enkel in de gevallen en volgens de regels van de wet. In overeenstemming met de beginselen in de internationale verdragen bevestigt de NHRPH dat geïnterneerden niet in de gevangenis thuishoren. De NHRPH staat achter de wetswijziging inzake internering – waardoor geïnterneerden in specifiek daartoe voorziene inrichtingen geplaatst worden, maar blijft erover waken dat de overheid de rechten naleeft van geïnterneerden die reeds van hun vrijheid beroofd zijn op het ogenblik dat deze wetswijziging in werking treedt. Hij vraagt dat de recente inspanningen voor een nauwe samenwerking tussen de departementen van Justitie en Volksgezondheid (bijv. federaal meerjarenplan voor geestelijke gezondheid, investeringen in zorg voor geïnterneerden, toename van het aantal opvangplaatsen in gespecialiseerde inrichtingen, opleiding en preventie, …) de komende jaren voortgezet en zelfs versterkt worden, met de bedoeling geïnterneerden geleidelijk aan uit de gevangenis te halen en hun aangepaste verzorging te bieden door middel van de traditionele zorgcircuits.

De NHRPH stelt vast dat het regeerakkoord bepaalt dat bij de uitvoering van de masterplannen de eerste prioriteit uitgaat naar de bouw van de nieuwe forensisch psychiatrische centra (Aalst, Paifve en Waver). De NHRPH vraagt zich af of bestaande, maar leegstaande gebouwen een andere bestemming zouden kunnen krijgen om te worden omgevormd tot forensisch psychiatrische centra. Uiteraard moeten de gebouwen voldoen aan de toegankelijkheidsnormen. Een persoon met een geestesstoornis kan immers ook een andere handicap hebben (bijv. een lichamelijke handicap).

De NHRPH vraagt dat ondertussen zo snel mogelijk samenwerkingsovereenkomsten tussen de gevangenissen waar de geïnterneerden verblijven en de psychiatrische ziekenhuizen worden afgesloten, zodat de geïnterneerden aangepaste verzorging krijgen. Algemeen benadrukt de NHRPH de zware en vaak onomkeerbare gevolgen op middellange en lange termijn van een opsluiting van personen met een handicap of personen met een geestesstoornis die geen toegang (meer) hebben tot gepaste verzorging.

De NHRPH vraagt ook dat de bepalingen betreffende de geïnterneerden in het regeerakkoord zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Voor opvolging aan mevrouw Éliane Tillieux, voorzitster van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 12

Advies 2021/43 - Verlenging tijdelijke werkloosheid wegens overmacht

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/43 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 13 december 2021.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), in zijn e-mail van 9 december 2021.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd aan de NHRPH heeft tot doel de maatregel te verlengen die beoogt de tijdelijke werkloosheidsuitkeringen wegens overmacht ontvangen door personen met een handicap gelijk te stellen met het arbeidsinkomen voor de berekening van de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap.

2. ANALYSE

Het oorspronkelijke koninklijk besluit voorzag in de invoeging van een artikel 9quater in het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming. Dit artikel vermeldt het volgende: “voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in §3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit.” De maatregel was oorspronkelijk voorzien tot en met 30 juni 2020, en werd vervolgens verlengd tot en met 30 juni 2021.

Het oorspronkelijke koninklijk besluit werd reeds door de NHRPH behandeld in advies 2020-11 en advies 2021-03.

Een eerste verlenging, tot en met 30 september 2021, was noodzakelijk, aangezien de negatieve effecten van de COVID-19-gezondheidscrisis bleven bestaan na 30 juni 2021. De NHRPH heeft al het advies 2021-24 over deze verlenging uitgebracht.

Een tweede verlenging, tot en met 31 maart 2022, is opnieuw noodzakelijk, omdat de negatieve effecten van de COVID-19-gezondheidscrisis nog steeds aanwezig zijn.

3. ADVIES

De NHRPH is tevreden met de verlenging van de maatregel omdat de onzekerheden met betrekking tot de hervatting van de activiteiten in heel wat sectoren blijven aanhouden.

In zijn advies 2020-11 had de NHRPH een probleem met een formulering in het ontwerp van koninklijk besluit aangehaald. Het betrof de zin “de maatregel, bepaald in §1 van dit artikel, is van toepassing op de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid, die toegekend worden voor de periode van 1 maart tot 30 juni 2020”. De NHRPH vreesde dat alleen nieuwe aanvragen ingediend tussen 1 maart en 30 juni 2020 van deze gelijkstelling zouden kunnen genieten. Op 3 juni 2021 werd de NHRPH evenwel door de DG HAN op de hoogte gebracht van het feit dat de maatregel geldt voor bestaande rechthebbenden en nieuwe rechthebbenden in de loop van deze periode. De NHRPH gaat er bijgevolg van uit dat deze interpretatie ook geldt voor de nieuwe verlenging van de maatregel.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG HAN
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/37 - Interministeriële Conferenties en het belang van handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/37 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het belang van handicap in de Interministeriële Conferenties, meer bepaald in de Interministeriële Conferentie Welzijn, sport en familie, deel Personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 oktober 2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH vraagt dat de Interministeriële Conferentie Welzijn, sport en familie, deel Personen met een handicap, zo snel mogelijk weer bijeenkomt. De NHRPH vraagt ook dat de handicapdimensie in de andere IMC's wordt opgenomen.

2. ANALYSE

In het verslag dat de basis vormt voor de vorming van de nieuwe federale regering (regeerakkoord) staat dat de regering het overleg en de samenwerking met de deelstaten (onder andere IMC) zal versterken (…). Voorts wordt vermeld dat de regering zal garanderen dat de essentiële interministeriële conferenties regelmatig samenkomen en dat zij zich engageert voor een betere werking van de IMC’s, met inbegrip van de aanduiding van de voorzitterschappen.

Er staat veel op het spel en de recente gebeurtenissen (gezondheidscrisis, overstromingen, …) hebben duidelijk gemaakt dat het overleg tussen de federale Staat en de deelgebieden moet worden versterkt.

Achtergrond

Overeenkomstig artikel 31bis van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen heeft het overlegcomité van 15 september 2004 beslist Interministeriële Conferenties op te richten voor volgende aangelegenheden:

  1. institutionele hervormingen,
  2. economie en energie,
  3. mobiliteit, infrastructuur en telecommunicatie,
  4. wetenschapsbeleid en cultuur,
  5. buitenlands beleid,
  6. buitenlandse handel,
  7. financiën en begroting,
  8. binnenlandse zaken,
  9. tewerkstelling, vorming en sociale economie,
  10. ambtenarenzaken en modernisering van de overheidsdiensten,
  11. landbouwbeleid,
  12. volksgezondheid,
  13. leefmilieu,
  14. integratie in de maatschappij,
  15. stedelijk beleid en huisvesting,
  16. welzijn, sport en familie.

Een onderdeel van de IMC Welzijn, sport en familie behandelt het beleid voor personen met een handicap.

Sindsdien werd de lijst van de IMC's uitgebreid. Zes nieuwe IMC’s werden toegevoegd als gevolg van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen. Op dit moment bestaan 22 Interministeriële Conferenties, die tijdens het overlegcomité van 18 december 2020 werden goedgekeurd (bron : 2050.pdf (parlement-wallon.be):

  1. Institutionele hervormingen,
  2. Economie, kmo’s, zelfstandigen en energie,
  3. Mobiliteit, infrastructuur en telecommunicatie,
  4. Wetenschapsbeleid en cultuur,
  5. Buitenlands beleid,
  6. Buitenlandse handel,
  7. Financiën en begroting,
  8. Binnenlandse zaken,
  9. Veiligheids- en handhavingsbeleid,
  10. Arbeidsmarktbeleid, socioprofessionele en sociale inschakeling,
  11. Ambtenarenzaken en modernisering van de overheidsdiensten,
  12. Landbouwbeleid,
  13. Volksgezondheid,
  14. Leefmilieu,
  15. Duurzame ontwikkeling,
  16. Grootstedenbeleid, integratie en huisvesting,
  17. Welzijn, sport en familie,
  18. Justitiehuizen,
  19. Statistiek,
  20. Strategische investeringen,
  21. Vrouwenrechten,
  22. Racismebestrijding.

Het beleid voor personen met een handicap wordt nog steeds behandeld door een onderdeel van de IMC Welzijn, sport en familie.

3. ADVIES

De NHRPH stelt vast dat handicap een onderdeel is gebleven van de IMC Welzijn, sport en familie, ook nog na de recente hervorming van de IMC’s. Voor vrouwenrechten en racismebestrijding daarentegen werd een afzonderlijke IMC opgericht. De NHRPH wenst zich niet uit te spreken over de noodzaak van een afzonderlijke IMC Handicap. Gelet op de noodzaak van inclusie van personen met een handicap in alle levensdomeinen vraagt de NHRPH wel dat de federale ministers en de ministers van de deelgebieden die bevoegd zijn voor handicap, over een overlegforum kunnen beschikken om een aantal problemen in het dagelijkse leven van personen met een handicap concreet op te lossen.

Heel wat – soms zeer recente – tekortkomingen tonen de prangende noodzaak van een dergelijk overlegforum aan:

  • Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 1 februari 2021 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, zaten jongeren met een handicap en hun gezinnen met heel wat vragen, want er was geen of weinig overleg tussen het federale niveau en de deelgebieden (advies 2020-27):
    • Bestaat er een systeem van verworven rechten op het niveau van de deelgebieden? Is een anticumulatieregel mogelijk?
    • Zal worden onderzocht wat de gunstigste situatie is voor jongeren met een handicap en hun gezin om te weten, nl. of ze beter hun bijkomende kinderbijslag behouden of dat ze net beter tegemoetkomingen voor personen met een handicap aanvragen?
    • Hoe zit het met de afgeleide rechten die gelinkt zijn aan het studentenstatuut (studiebeurs, fiscaal statuut, …)? Kunnen deze in het gedrang komen indien de jongere een IVT/IT krijgt? Telt de IVT/IT van de jongere mee in de berekening van het gezinsinkomen bij de toekenning van studiebeurzen?
    • In Vlaanderen en Brussel moeten personen met een handicap en hun gezin een stelsel kiezen zonder zicht te hebben op hoe het juridisch zit met hun rechten. De NHRPH vindt dit ongehoord voor een hervorming die al meer dan zes maanden geleden in werking is getreden!
  • Bij koninklijk besluit van 15 oktober 2017 is de onderwerping van overeenkomsten voor beroepsomscholing en overeenkomsten voor beroepsopleiding aan de sociale zekerheid afgeschaft. De inwerkingtreding van dit besluit heeft tot grote problemen geleid voor een aantal personen met een handicap. Voor zover de NHRPH weet, is dit probleem nog steeds niet opgelost (advies 2021/20).
  • De invoering van lage-emissiezones en het gebruik van scan cars in de Gewesten heeft tot soms kafkaiaanse toestanden geleid voor houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap (verplichting om het kenteken van een of twee voertuigen te registreren, terwijl de kaart gekoppeld is aan de persoon en niet aan een voertuig - zie advies 2020-04 en advies 2020-32). Dit probleem moet beslist zo snel mogelijk worden opgelost.
  • De NHRPH stelt ook vast dat er nog steeds geen gevolg is gegeven aan het protocolakkoord van 19 december 2017 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet inzake de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt/cliënt en gezondheidszorgbeoefenaars buiten een zorgvoorziening (BS van 12 februari 2018 - protocol ‘verpleegkundige handelingen’).
  • De overheveling van de bevoegdheden inzake de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) is zeer moeizaam verlopen. Zo heeft de NHRPH vernomen dat inwoners van Wallonië die na hun 65e een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of integratietegemoetkoming ontvingen, een tijdlang een THAB bij het AViQ konden aanvragen. Er bestaan nog andere procedureproblemen, hoewel de bevoegdheden al meer dan drie jaar geleden werden overgedragen.

Gezien de transversale dimensie van handicap hoeven bovenstaande punten niet noodzakelijk door een aparte IMC Handicap te worden behandeld, maar ze moeten dan wel beslist worden geagendeerd in andere IMC’s (bijv. IMC Tewerkstelling, IMC Gezondheid).

Voor zover de NHRPH weet, werden bij de IMC Welzijn, sport en familie – deel Personen met een handicap, verschillende werkgroepen opgericht en hebben de daar behandelde dossiers nooit tot een eindresultaat geleid. Het betreft onder meer:

  • het oprichten van een ‘uniek loket’ voor personen met een handicap;
  • het opstellen van relevante statistieken over personen met een handicap;
  • het invoeren van een verplichting om personen met een handicap in dienst te nemen in de privésector;
  • het bestrijden van de werkloosheidsvallen;

De NHRPH vestigt ook de aandacht op andere dossiers waar overleg volledig gerechtvaardigd zou zijn omdat de bevoegdheden versnipperd zijn over de federale Staat en de deelgebieden. Zonder afgestemd overleg worden personen met een handicap en hun gezinnen geconfronteerd met onbegrijpelijke inlichtingen, ongewenste gevolgen, situaties waarin zij hun rechten verliezen en zelfs terugbetalingen van ten onrechte ontvangen bedragen. Geen enkel bevoegdheidsgebied ontsnapt aan deze tekortkomingen inzake handicap! Enkele voorbeelden:

  • (on)toegankelijkheid van het openbaar vervoer (zoals intermodaliteit tussen de verschillende vervoerswijzen) en van de infrastructuur;
  • integratie en re-integratie van personen met een handicap op de werkplek;
  • De European Disability Card (EDC) bestaat ondertussen al een paar jaar en is een groot succes bij de gebruikers. Toch is er nu overleg nodig om het aantal partners in de sport-, vrijetijds- en cultuursector te verhogen en hen aan te moedigen om hun dienstenaanbod af te stemmen op de behoeften van personen met een handicap en hun gezin.

De NHRPH vraagt om op de hoogte te worden gehouden van de verschillende dossiers die in de IMC’s of andere overlegorganen worden behandeld, op de gepaste tijdstippen te worden geraadpleegd, en zeker bij het analyseren van de problemen waarmee personen met een handicap en hun gezinnen worden geconfronteerd.

Meer nog dan de vorm die het overlegforum zal aannemen (IMC, werkgroepen, …) vindt de NHRPH het belangrijk dat het overlegplatform tussen de federale Staat en de deelgebieden er daadwerkelijk komt en dat het ook efficiënt werkt.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 11

Advies 2021/34 - Federaal plan tegen armoede en ongelijkheid 2021-2024

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2021/34 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het federaal plan tegen armoede en ongelijkheid 2021-2024, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/10/2021.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris stelt een federaal plan tegen armoede en ongelijkheid op voor de periode 2021-2024.

2. ANALYSE

Op voorstel van de Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris, mevrouw Karin Lalieux, is de Ministerraad op 16 juli 2021 principieel akkoord gegaan met de strategie voor de uitwerking van het federaal plan tegen armoede en ongelijkheid.

Het plan zal worden opgebouwd rond vier hoofdlijnen:

  • Armoede voorkomen en vroegtijdig opsporen: het is belangrijk dat situaties waarbij personen in armoede dreigen te belanden zo vroeg mogelijk worden opgespoord en op gepaste wijze aangepakt.
  • Inzetten op duurzame tewerkstelling als essentiële hefboom in de strijd tegen armoede, en een waardig leven garanderen door toegang tot sociale bescherming te bieden: er moet actie worden ondernomen om voor iedereen menswaardige omstandigheden te verzekeren, met name op de arbeidsmarkt, of door de gewaarborgde toegang tot sociale uitkeringen.
  • De emancipatie en inclusie van iedereen in een veranderende samenleving waarborgen, in overeenstemming met artikel 23 van de Belgische Grondwet, dat een reeks basisrechten opsomt: recht op huisvesting, recht op juridische bijstand, recht op gezondheid, …
  • Op een niveau dat het nationale overstijgt: de Europese sociale agenda beïnvloeden en bouwen aan een solidaire wereld, omdat armoede een gezamenlijke aanpak op Europees en internationaal niveau vereist.

Naast deze vier hoofdlijnen zal ook rekening worden gehouden met vier transversale prioriteiten:

  • Rekening houden met de genderkwestie in het beleid tegen armoede, zodat betere oplossingen tegen armoede bij vrouwen kunnen worden voorgesteld
  • Het programma tegen kinderarmoede integreren in het plan
  • Het plan uitwerken in samenwerking met de armoedeverenigingen, om vervolgens actieplannen te kunnen uitstippelen die de doelgroep en hun specifieke situatie centraal stellen
  • De blijvende ambitie van de regering om armoede duurzaam aan te pakken wettelijk verankeren door een wetsontwerp in te dienen dat voor elke legislatuur de opmaak van een federaal plan armoedebestrijding vastlegt

De Ministerraad heeft de Minister belast met Armoedebestrijding de opdracht gegeven om, in samenwerking met de bevoegde ministers en staatssecretarissen, concrete acties uit te werken in het kader van het federaal plan voor armoedebestrijding en dit plan ter goedkeuring voor te leggen aan de Ministerraad.
De Ministerraad vraagt de Minister ook om de organisaties die personen in armoede vertegenwoordigen, het Steunpunt tot bestrijding van armoede en de OCMW-federaties actief bij de uitwerking van het plan te betrekken.
Alle ministers en staatssecretarissen moeten binnen hun beleidscel een medewerker aanduiden als politiek contactpersoon die moet opvolgen of rekening wordt gehouden met de armoededimensie bij het ontwerp en de uitvoering van hun beleid. Ze moeten hun departement ook de opdracht geven de voorstellen uit te werken die onder hun bevoegdheid vallen, onder coördinatie van de Minister belast met Armoedebestrijding.

3. ADVIES

Vanuit het oogpunt van de levensomstandigheden van personen met een handicap (PMH) zijn verschillende acties nodig. In het verleden heeft de NHRPH al adviezen uitgebracht in het kader van de armoedebestrijding. De vaststellingen van de laatste jaren gelden nu meer dan ooit en de adviezen zijn nog steeds relevant. Handicap leidt tot armoede en omgekeerd genereert armoede ziekte en handicap (zie adviezen 2016-092016-062012-05). De NHRPH herinnert aan zijn algemene aanbevelingen, opgenomen in de bundel Handicap en armoede in België (2019). De NHRPH herinnert er ook aan dat het overleg met de verenigingen die armoede bestrijden op een gestructureerde en ruim participatieve manier moet gebeuren via het platform Armoede en dat het federale actieplan een echt plan moet zijn met middelen en indicatoren, en geen inventaris van maatregelen uit het verleden.

Het is uiteraard ook nodig dat de acties van het Federaal Plan Handicap (zie advies 2021-25) en van het Plan voor herstel en veerkracht (zie advies 2021-09) op elkaar aansluiten.

De NHRPH zou graag bepaalde nodige acties willen benadrukken:

  • Verdere verhoging van de sociale minima tot en boven de armoedegrens; op zijn minst moeten de COVID-premies worden omgezet in structurele verhogingen van de sociale uitkeringen
  • Hervorming van de wet van 27 februari 1987 die noch tewerkstelling, noch inclusie bevordert
  • Erkenning van de rechten van personen op basis van hun inkomen en niet alleen op basis van een statuut. (bijv.: de COVID-premies waren beperkt tot bepaalde categorieën uitkeringsgerechtigden met een specifiek statuut, terwijl andere personen in het kader van andere stelsels een even laag inkomen hadden)
  • De personen die sowieso nooit zullen kunnen werken wegens hun handicap of ziekte niet benadelen
  • De statuten van de rechten herzien in het licht van nieuwe samenlevingsvormen
  • Het activeringsbeleid moet gericht zijn op het wegwerken van de belemmeringen voor duurzame en kwaliteitsvolle tewerkstelling: ongeschikte arbeidsomstandigheden, versnippering van bevoegdheden, onvoldoende toegankelijke omgeving (onvoldoende openbaar vervoer en opleiding voor PMH, enz.).
  • Toepassing van de wet-Peeters “positieve acties” voor PMH m.b.t. tewerkstelling in de privésector
  • Naleven van de tewerkstellingsquota in overheidsdiensten
  • Versterken van de toegang tot hernieuwbare energie en fiscale premies, ook voor niet-belastingplichtige PMH en voor PMH die huurder zijn
  • Voorzien in alternatieven voor diensten die enkel digitaal toegankelijk zijn
  • De strijd tegen de non take-up moet gepaard gaan met zeer duidelijke alternatieven voor de digitalisering: fundamenteel moeten er meer maatschappelijk assistenten komen in alle federale departementen.
  • In alle departementen moeten eensluidende statistieken worden opgesteld, ook vanuit het oogpunt van PMH. De behoeften van PMH moeten in kaart worden gebracht.
  • Collectieve ondersteunings- en verzorgingsdiensten moeten toegankelijk zijn voor PMH. Wanneer deze collectieve diensten ontbreken, moeten de gespecialiseerde diensten financieel toegankelijk zijn.
  • De wachtlijsten voor verzorging worden steeds langer en sommige patiënten hebben geen toegang tot multidisciplinaire therapieën in revalidatiecentra. De terugbetalingen voor verzorging moeten ook worden uitgebreid en aangepast aan de noden van de patiënten.
  • De nomenclatuur is ook een probleem. Bijvoorbeeld: een terugbetaling van logopediekosten voor kinderen met een laag IQ of voor alzheimerpatiënten moet voorzien worden.
  • Mantelzorgers van PMH moeten een sociaal en fiscaal statuut krijgen en hun sociale zekerheid op korte en lange termijn behouden.
  • Privédiensten van openbaar nut moeten ook acties uitwerken voor een betere toegang tot hun producten (COMEOS, Febelfin, enz.).
  • De interministeriële conferenties ‘handicap’ en ‘armoede’ moeten zo snel mogelijk worden hervat, want er zijn maatregelen nodig op elk bevoegdheidsniveau en op elk levensdomein: onderwijs, huisvesting, vervoer, tewerkstelling enz.
  • De btw op verzorgingsmateriaal, technische hulpmiddelen en aanpassingen aan woningen tot 6% moet worden verlaagd.


4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/31 - Back to work

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Leefomgeving

Advies nr. 2021/31 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de Back to work-hervorming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 september 2021.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De regering wil de tewerkstellingsgraad verhogen, o.a. door meer in te zetten op de terugkeer naar het werk van personen met gezondheidsproblemen.

2. ANALYSE

De procedure voor de terugkeer naar het werk van werknemers in arbeidsongeschiktheid ligt al verschillende jaren bij de opeenvolgende federale regeringen op tafel.

De lijnen van de hervorming waren al uitgetekend en de NHRPH heeft deze in het verleden uitvoerig van commentaar voorzien (zie adviezen 2015-10, 2015-32 et 2016-12).

De Minister van Sociale Zaken wilde de slagkracht van de wedertewerkstelling opdrijven en verkreeg van de regering extra financiële middelen voor de uitvoering en de opvolging van de re-integratietrajecten.

Hij heeft al eerder een beroep gedaan op verschillende actoren en belanghebbenden, waaronder de NHRPH (2 ontmoetingen: met het Bureau van de NHRPH op 12 april 2021 en met de WG Tewerkstelling van de NHRPH op 23 mei 2021).

Tijdens deze ontmoetingen heeft hij de nadruk gelegd op enkele essentiële aspecten:

  • De bestaande procedures zullen worden verbeterd, vereenvoudigd en versterkt.
  • Het traject is gebaseerd op een multidisciplinaire benadering.
  • Preventiedoelstelling: voorkomen dat nieuwe personen die in arbeidsongeschiktheid belanden lang arbeidsongeschikt blijven
  • Steun verlenen aan ondernemingen en werknemers
  • Responsabilisering van alle actoren (en nader vast te leggen financiële stimulansen) en snelle onderlinge koppeling
  • RIZIV-samenwerkingsakkoorden met gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling
  • Snelle identificatie van steun en noodzakelijke aanpassingen

De NHRPH heeft geen hier enkele tekst over ontvangen en vernam het aannemen van de maatregel door de Ministerraad en van enkele aspecten ervan via de pers. Naar verluidt zou de federale regering de eerste jaren ongeveer 18.000 personen per jaar helpen, daarna 24.000. De coaching voor wedertewerkstelling zou worden gelanceerd na 3 maanden ongeschiktheid. Een honderdtal “weer aan het werk”-coördinatoren zouden worden aangeworven in 2022-2023, enz.

3. ADVIES

De NHRPH betreurt dat hij niet werd geraadpleegd bij het opstellen van de teksten.

Ook al kan de NHRPH de voorgestelde doelstellingen en principes onderschrijven (zie analyse), hij had het op prijs gesteld de teksten te ontvangen om een volledig en gedetailleerd advies te kunnen uitbrengen. De NHRPH verzoekt de Minister van Sociale Zaken hem de teksten zo spoedig mogelijk toe te zenden.

De NHRPH benadrukt alvast een onmiskenbare realiteit: een persoon met een definitieve en onomkeerbare lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap of een chronische ziekte opnieuw tewerkstellen verloopt uiteraard heel anders dan de terugkeer van een werknemer die na de periode van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid een groot deel van zijn autonomie heeft teruggekregen:

  • Soms is een langere periode van begeleiding nodig, omdat de uitdagingen in verband met de handicap nog bovenop de klassieke uitdagingen van het einde van de ‘traditionele’ ongeschiktheid komen.
  • De wedertewerkstelling vereist bovendien een precieze kennis van de behoeften van de werknemer met een handicap. Zo zijn er o.a. de toegankelijkheid van de weg naar het werk, de werktijden die worden beïnvloed door terugkerende behandelingen, grotere vermoeidheidsproblemen van de werknemer, het risico op terugval dat soms groter is, enz.)
  • Bij het organiseren van een opleidingstraject moet ook erop worden toegezien dat dit traject toegankelijk is, dat de werknemer de opleiding ook effectief kan volgen (bijv. aangepaste hulpmiddelen).
  • Enz.

De NHRPH stelt zich daarom een hele reeks vragen, waaronder:

  • Welke middelen krijgen de ziekenfondsen om het re-integratietraject van PMH in goede banen te leiden?
  • De pers vermeldt de functie van “terug naar werk”-coördinatoren: krijgen die een dwingende bevoegdheid in de procedure?
  • Hoe zijn de multidisciplinaire teams samengesteld?
  • Wat is het kader van de mogelijke opleidingstrajecten? Sommige van de huidige opleidingstrajecten zijn al verzadigd; andere trajecten leiden soms moeilijker tot tewerkstelling. Wat zal het keuzekader zijn voor de werknemer met een handicap?
  • Zal de PMH dezelfde prioriteit en aandacht krijgen als valide werknemers? Met andere woorden, zal de ingevoerde procedure kunnen voorkomen dat de ziekenfondsen voorrang geven aan begeleiding van werknemers die gemakkelijker opnieuw in het arbeidsproces kunnen worden ingeschakeld?
  • Hoe zal de samenwerking tussen het RIZIV, de bureaus voor arbeidsbemiddeling en de gewestelijke diensten voor begeleiding aan werknemers met een handicap (AVIQ, VDAB, …) worden georganiseerd?
  • Hoe zal de tenlasteneming worden geregeld van de materiële steun die de PMH nodig heeft om zijn werk te kunnen uitvoeren? Zullen de aanvragen die verder gaan dan de traditionele hulpmiddelen door het RIZIV ten laste worden genomen en zonder bijdrage voor de werknemer?
  • Wat zullen de gevolgen zijn van deze “weer aan het werk”-regeling op de tegemoetkomingen voor personen met een handicap?
  • Wanneer telewerk mogelijk is, wie neemt dan het materiaal bij de PMH thuis ten laste?
  • Is er een evaluatie van het systeem voorzien? De NHRPH vraagt om zo spoedig mogelijk te worden betrokken bij de lessen die kunnen worden getrokken uit de re-integratietrajecten van werknemers met een handicap.
  • Hoe zullen de uitwisselingen tussen de belanghebbenden verlopen? Telefonisch? Per e-mail? Communicatie en communicatietools, lokalen, opleidingsmateriaal, … moeten toegankelijk zijn (gebarentaal, gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal, enz.).

De NHRPH wenst de aangenomen reglementaire teksten en de eerste feedback van de Minister zo snel mogelijk te ontvangen.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 14

Advies 2021/35 - Prijs van de arbeid

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/35 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming houdende beperking van de gevolgen van de ‘prijs van de arbeid’, met spoed uitgebracht na raadpleging van de leden van de NHRPH via e-mail op 30 september en 1 oktober 2021.

Advies uitgebracht op 1 oktober 2021 op verzoek van de heer André Gubbels, Directeur-generaal, in zijn brief van 29 september 2021.

1. ONDERWERP

Een nieuw ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming houdende beperking van de gevolgen van de “prijs van de arbeid” zal aan de Ministerraad worden voorgelegd.

2. ANALYSE

Het huidige advies verwijst naar de adviezen 2020-23 en 2021-17.

Ter herinnering: 5 opties werden besproken; de aanvankelijk gekozen optie 2 werd verlaten voor optie 3.

Optie 

Vrijstelling arbeids-inkomen

%

 

Begunstigden

 

Kostprijs

Vrijstelling vervangings-inkomen

%

 

Begunstigden (gecumuleerd aantal)

 

Gecumuleerde kosten

Huidige situatie

23.356,97

 

 

 

3.336,23

 

 

 

Optie 1

28.612,29

23%

2.536

2,85

4.086,88

23%

40.957

29,7

Optie 2

40.874,70

75%

4.482

9,07

3.885,00

16%

41.122

29,8

Optie 3

63.000,00

170%

5.338

12,07

3.780,00

13%

40.867

29,8

Optie 4

 

87.048,00

273%

5.533

13,08

3.770,00

13%

41.010

29,8


Het gaat er dus om de huidige vrijstelling op het arbeidsinkomen met 170% en de huidige vrijstelling op het vervangingsinkomen met 13% te verhogen.

Het ontwerp schaft ook de vrijstelling af op de helft van het resterende saldo van het arbeidsinkomen na toepassing van de forfaitaire vrijstelling. 

De inwerkingtreding is gepland voor 1 oktober 2021.
Voor de nieuwe aanvragen, die gedurende de 3 maanden die volgen op de publicatiedatum van dit besluit worden ingediend, en voor welke dit besluit een nieuw feit is dat de toekenning van de uitkering rechtvaardigt, kan het recht retroactief worden toegekend vanaf 1 oktober 2021 (artikel 2).

3. ADVIES

De NHRPH kan echt niet begrijpen waarom voor deze optie is gekozen: deze optie geeft absolute prioriteit aan de persoon met een handicap (PMH) die de mogelijkheid heeft om te werken. In zijn 2 vorige adviezen, 2020-23 en 2021-17, heeft de NHRPH de benadering aan de kaak gesteld die PMH die een vervangingsinkomen ontvangen - wegens ziekte (ziekenfondsuitkeringen), de niet-inclusieve arbeidsmarkt (werkloosheidsuitkeringen) of wegens leeftijdsgerelateerde beperking (pensioen) - de facto stigmatiseerde.

De in de nota aan de Ministerraad vermelde motivering, nl. dat de hervorming tot doel heeft armoede en de impact van jobverlies te verminderen, is volledig onjuist. Voor PMH die uitsluitend een vervangingsinkomen ontvangen, heeft de vrijstelling geen enkele impact, aangezien ze wordt afgetrokken van de categorievrijstelling.

Ook al is de tewerkstelling van PMH een belangrijk streefdoel, de NHRPH is van mening dat, met gesloten enveloppe, een evenwicht moest worden gevonden tussen PMH die werken en PMH die niet werken. Een beter evenwicht zou net hebben bijgedragen tot het beperken van de impact van jobverlies en het terugdringen van de armoede.

De NHRPH herinnert aan het bijzonder ongunstige aspect van de maatregel voor alleenstaande personen.

De NHRPH heeft ook gevraagd om de vrijstelling van 50% op het saldo van het in aanmerking genomen inkomen na de categorievrijstelling te behouden. De vrijstelling van 50% op het saldo schrappen, dat is PMH die werken bestraffen op grond van werkregime of loopbaanontwikkeling. Dit doet de vraag rijzen wat de gevolgen zullen zijn voor de motivatie van deze PMH. De NHRPH is overigens van mening dat het standstill-beginsel met voeten is getreden. 

Ten slotte wordt de term “nieuwe aanvragen” (artikel 2) niet gedefinieerd. De DG HAN is van oordeel dat enkel personen met een dossier in uitbetaling kunnen genieten van de terugwerkende kracht. Dat is een restrictieve interpretatie zonder rechtsgrondslag. De NHRPH is van mening dat de dossiers waarin PMH medisch zijn erkend ook zouden kunnen vallen onder de terugwerkende kracht.

Gelet op de evolutie van de denkoefening en de besluitvorming in dit dossier concludeert de NHRPH dat er geen rekening is gehouden met de argumenten die hij in de vorige 2 adviezen heeft geformuleerd en die tot op heden niet werden tegengesproken. De NHRPH vraagt zich af of hij wel erkend wordt in zijn werking. De NHRPH vraagt zich verder af waarom zijn advies wordt gevraagd, terwijl zijn eerste twee adviezen duidelijk niet zijn opgevolgd en dit voorstel nog onevenwichtiger is dan het voorstel dat al werd behandeld in het tweede advies. Bovendien wordt in de nota niet uitgelegd waarom de regering het laatste advies van de NHRPH niet volgt.

De NHRPH is van mening dat een ingenomen regeringsstandpunt alle partijen van de regering verbindt. De NHRPH benadrukt dat het niet volstaat zich ertoe te verbinden “niemand achter te laten”, maar dat ook moet worden voorkomen dat de bestaande discriminaties nog toenemen.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de voltallige federale regering
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 13

Advies 2021/30 - Universele bankdienst

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2021/30 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de invoering van een universele bankdienst (UBD).

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Het doel van de universele bankdienst is om iedere burger die geen toegang heeft tot online bankdiensten op een andere manier toch toegang te geven tot deze diensten: papieren versie, fysiek contact, ...

2. ANALYSE

Overeenkomstig het regeerakkoord heeft de federale regering met de federatie van de financiële sector (Febelfin) op 19 juli 2021 een akkoord bereikt over een charter dat tot doel heeft een universele bankdienst in te voeren. Dit charter zal van toepassing zijn tot 30 juni 2024.

Een "universele bankdienst" (UBD) wordt voorgesteld als een alternatief voor de personen die niet de mogelijkheid hebben online verrichtingen uit te voeren. De UBD neemt de vorm aan van een betaalrekening in euro die is inbegrepen in een pakket. De UBD mag niet worden verward met de basisdienst bestemd voor personen die, om diverse redenen, niet kunnen beschikken over een zichtrekening bij een bank. De basisdienst voorziet voor deze personen in de toegang tot een zichtrekening met een debetkaart (https://economie.fgov.be/nl/themas/financiele-diensten/betalingsdiensten/basisbankdienst).

Het UBD-pakket omvat ten minste de volgende diensten:

  • minstens 60 manuele verrichtingen per jaar;
  • een debetkaart;
  • minstens 24 geldafhalingen in euro per jaar aan de geldautomaten van de bank;
  • de mogelijkheid om facturen gratis via domiciliëring te betalen (bv. energie, water, telecommunicatie, …) en gratis doorlopende betalingsopdrachten in te voeren (bv. huur). De medewerkers van het kantoor zullen de klanten hierbij individueel bijstaan en hen helpen indien zij dat vragen.

Het pakket omvat ook de afhaal van rekeninguittreksels (automaten, loketten of verzending per post).

De forfaitaire kost mag maximum € 60,00 bedragen en jaarlijks met maximum € 6,00 worden verhoogd. De bijkomende manuele verrichtingen worden vastgesteld op maximum € 1,00 per verrichting. Geldafhalingen aan de automaten zijn gratis; de kosten voor verzending en verwerking zijn betalend (maximumbedrag).

De UBD is beschikbaar sinds 19 juli 2021 en de banken zullen vanaf 1 januari 2022 informatie moeten verschaffen over hun aanbod van diensten “tegen laag tarief” (UBD en basisdienst) via de website en in de kantoren. Zij zullen ook een gemakkelijke overstap van de klanten naar een andere bank moeten waarborgen.

De verenigingssector heeft via een persbericht het volgende laten weten: hij betreurt “ten zeerste het vrijblijvende, niet-juridische karakter van het charter. Dit staat haaks op de openbare dienstverplichtingen waaraan de banken moeten voldoen.” De verenigingen hebben hun ontevredenheid geuit over de basisprijs, de verwerking van rekeninguittreksels, het ontbreken van een kredietkaart en van een prijskader dat voor alle bankdiensten geldt.

Tijdens een werkvergadering op 26/05/2021 met het kabinet van Staatssecretaris Eva De Bleeker had de NHRPH zelf nog het kabinet gewezen op de absolute noodzaak om in de UBD een antwoord te bieden op de uitdagingen van de toegankelijkheid van de bank- en financiële diensten voor alle burgers. Vanuit het oogpunt van de behoeften van personen met een handicap (PMH) vestigde de NHRPH de aandacht van de Staatssecretaris op verschillende punten:

  • Wat toegankelijk is voor PMH is toegankelijk voor een aanzienlijk deel van de personen die moeilijk toegang hebben tot de digitale wereld.
  • PMH zijn geen tweederangsburgers; sommige PMH wonen zelfstandig, hebben een job, willen hun levensprojecten uitvoeren en zelfstandig levenskeuzes maken. Zij willen dit doen zonder bijstand en hebben dus nood aan toegankelijke collectieve goederen en diensten.
  • De inkomens van PMH zijn vaak beperkt; dat neemt niet weg dat zij consumenten zijn.

Met het oog op de toenemende digitalisering van de samenleving en de standaardisering van het elektronische betaalverkeer engageren de regering en Febelfin zich in dit charter ook tot initiatieven op het vlak van digitale vorming.

Parallel met deze digitaliseringsbeweging herinnert de NHRPH eraan dat de banksector al jarenlang zijn tarieven jaarlijks verhoogt (zie 2020-01), zijn beleid inzake het beheer van kantoren en geldautomaten volledig heeft veranderd (zie advies 2020-26) en samen met Comeos (commerciële distributiesector) nadrukkelijk aanstuurt op de veralgemening van elektronische betalingen, waardoor het voor sommige personen gewoonweg onmogelijk wordt om aankopen te betalen (zie advies 2021-05). De tendens tot sluiting van kantoren, die al jaren geleden is ingezet, zet zich onverminderd voort. Geldautomaten zijn niet langer gekoppeld aan een bank, maar aan een strategische geografische ligging (handelscentra, plaatsen voor vrijetijdsbesteding, enz.): er zou sprake zijn van de garantie dat 95% van de bevolking tegen 2024 over een geldautomaat binnen een straal van 5 km van de woning zal beschikken. Dit project houdt dus het verdwijnen in van de terminals voor manuele verrichtingen (overschrijvingen, rekeninguittreksels afdrukken enz.).

3. ADVIES

In de huidige context van toenemende digitalisering van de samenleving kan de NHRPH het door de overheid en het bankwezen opgestelde charter volstrekt niet ondersteunen. Het charter mist ambitie en er wordt onvoldoende rekening gehouden met de behoeften van kansarme personen. Met de COVID-gezondheidscrisis is het online winkelen enorm toegenomen en hebben steeds meer handelszaken (aangemoedigd door Comeos) betaalterminals geïnstalleerd – vaak met de functie “contactloos betalen”. Deze nieuwe vormen van consumptie en betaling, flink aangemoedigd door de politieke en economische wereld, zijn in feite discriminerend en leiden tot uitsluiting: personen met een lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, maar ook ouderen en zelfs jongeren, kunnen niet altijd mee. Dit kan te wijten zijn aan een gebrek aan opleiding, maar ook aan het feit dat de instrumenten totaal niet zijn aangepast. In de praktijk kunnen deze personen, ook al zijn zij consumenten, werknemers, zelfstandigen enz., niet meer zelfstandig handelen, terwijl zij toch bijdragen aan het ontwikkelen en het spijzen van de economie. Deze situatie is totaal onaanvaardbaar.

De NHRPH herinnert eraan dat het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) in zijn artikel 9 inzake toegankelijkheid het volgende eist:

“Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en -systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden.”

Ter herinnering: de regering heeft zich ertoe verbonden “niemand achter te laten”. Voor de NHRPH betekent dit dat ieder beleid en alle middelen die worden geïmplementeerd, het volgende mogelijk moeten maken:

  • Zelfstandig leven: zo veel mogelijk voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op derden, maar wel begeleiding waarborgen wanneer dat nodig is.
  • Een echte inclusie in het maatschappelijk leven. Dat betekent ook toegang tot alle privédiensten van openbaar nut. PMH zijn geen tweederangsburgers en verdienen beter dan halfslachtige oplossingen.
  • Wat mogelijk is voor iedere andere klant, moet mogelijk zijn voor iedere PMH. Omgekeerd geldt dat wat toegankelijk is voor PMH nuttig is voor iedere klant.

Op te merken valt ook dat heel wat PMH een beperkt inkomen hebben, maar dat neemt niet weg dat zij consumenten zijn. Zij moeten een zo ruim mogelijke toegang tot bankdiensten hebben.

Bij de universele bankdienst moet er rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van bepaalde gebruikers/klanten:

    1. Een persoon met een verstandelijke handicap die onder beschermingsstatuut wordt geplaatst: heel wat PMH hebben geen bankkaart en gebruiken enkel baar geld. Diegenen die een debetkaart bezitten, kunnen over het algemeen kleine sommen afhalen, maar slechts een aantal keren per maand. Deze personen kunnen geen overschrijvingen uitvoeren en zijn afhankelijk van de kantoorbediende, wat gepaard gaat met extra kosten.
    2. Personen met een visuele handicap zijn vaak slachtoffer van de digitale kloof. Zij moeten betalen om toegang te hebben tot bankdiensten. Dat is een discriminatie, aangezien de banken in de praktijk gewoon niet toegankelijk zijn voor deze personen!
    3. Sommige PMH wonen zelfstandig of semi-zelfstandig: zij handelen zonder begeleiding en moeten dan kunnen rekenen op een toegankelijkheid in overeenstemming met de normen.
    4. De inkomens van PMH die IVT en/of IT ontvangen liggen onder de armoedegrens. Deze personen hebben geen toegang tot sommige producten: leningen, verzekeringen, kredietkaarten, enz. De UBD moet worden uitgebreid om hier een antwoord op te bieden. Zo niet zullen deze mensen geen leven kunnen opbouwen volgens hun eigen keuzes en wensen.

De NHRPH vraagt dat de UBD op mensenmaat wordt gemaakt, dus zeker ook op maat van PMH die leven onder het statuut van beperkte bescherming en die over een beperkt inkomen beschikken. Het zou ontzettend onrechtvaardig zijn om deze personen - die zelfstandig willen leven - financieel te straffen.

Kortom, de NHRPH vraagt dat de UBD op zijn minst de volgende doelstellingen garandeert:

  • Toegang tot de rekeningen: gemakkelijk toegankelijke verrichtingen.
  • Overschrijvingen en rekeninguittreksels: voor blinde/slechtziende personen en personen met een verstandelijke handicap: mogelijkheid om de documenten in braille en groot lettertype te krijgen. En dat zonder extra kosten. Mogelijkheid van gratis begeleiding aan het loket.
  • Soepele formules die zijn aangepast aan de behoeften van PMH – geen extra kosten in het aanbod van de UBD voor PMH, ook niet als de behoeften het basisaanbod overschrijden.
  • Digitalisering
    • Websites, apps en betaaltools toegankelijk maken voor alle PMH.
      • Voldoen aan de Webrichtlijn en aan de aanbevelingen van AnySurfer is een minimum.
      • Comeos en betaalterminals in handelszaken: Comeos moet de winkeliers verplichten terminals te voorzien die voor iedereen totaal toegankelijk zijn.
        • Digitale terminals (met touchscreen) zijn niet toegankelijk voor blinde en slechtziende personen, ouderen, personen met spasmofilie, enz. Deze mensen kunnen hun aankopen niet meer zelfstandig doen. Deze technologie druist volledig in tegen inclusie!
    • Toegang mogelijk tot alle producten via een terminal (Self) indien de persoon niet over een digitaal instrument beschikt
    • De fysieke toegankelijkheid van de terminal: zelfs als het toestel toegankelijk is, dan is de locatie dat niet altijd. Dit probleem zal nog toenemen met het beleid dat de automaten verhuist naar ‘drukbezochte’ plaatsen die nochtans niet altijd toegankelijk zijn!
  • Zo ruim mogelijke toegankelijkheid van informatie met concrete ondersteunende middelen: gebarentaal, gemakkelijk te lezen en te begrijpen, enz. Dit mag echter niet de minste extra kosten voor de klanten genereren.
  • Toegang tot kantoren en automaten (Batopin en Jofico)
    • Fysieke nabijheid: een straal van 5 km kan een enorme afstand zijn wanneer iemand zijn zelfredzaamheid verliest en afhangt van zijn omgeving voor de verplaatsingen (openbaar vervoer en omgeving zijn niet voldoende toegankelijk).
    • Rekening houden met de regels en het charter inzake toegankelijkheid (toegankelijkheid van de omgeving van het toestel en van de wegen ernaartoe).
    • Werken met CAWaB en Inter voor alle technische aspecten in verband met de communicatie en de begeleiding van de klanten, de installatie van de automaten en de inrichting van lokalen, de informatiebrochures, enz.
    • Opleiding van het personeel: het cliënteel via verschillende kanalen informeren over de beschikbare diensten
  • Acties plannen om personen te bereiken die het fysiek of verstandelijk moeilijk hebben om gebruik te maken van de diensten.

De NHRPH vraagt zich ook of hoe de UBD zal worden geëvalueerd. Wat werd er voorzien?

Tot slot: wat is de draagwijdte van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de banken en van de Staat op het vlak van de digitale opleiding? De NHRPH is bezorgd over de zeer beperkte aangeboden middelen en sensibilisering. Wat is de ambitie? Welke concrete middelen komen er en welke verplichtingen zullen de banken moeten naleven?
De NHRPH is van mening dat dit gedeelte ook in 2024 beoordeeld moet worden.

De NHRPH betreurt het dat hij niet is geraadpleegd toen het charter werd opgesteld; dit overleg had de werkzaamheden van de regering duidelijker kunnen maken.
Hierbij herinnert de NHRPH aan de wil van de regering om het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap toe te passen en haar verbintenis om de NHRPH bij de denkoefeningen en de besluitvorming te betrekken.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming, toegevoegd aan de Minister van Justitie en Noordzee
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/17 - Prijs van de arbeid

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) houdende de inperking van de gevolgen van de ‘prijs van de arbeid’, besproken op de plenaire vergadering van 21 juni 2021 en per e-mail van 5 tot 9 juli 2021.

Advies uitgebracht op 10 juli 2021 op verzoek van de heer André Gubbels, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), per brief van 26 april 2021.

1. ONDERWERP

Een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming houdende de inperking van de gevolgen van de ‘prijs van de arbeid’ zal worden voorgelegd aan de Ministerraad.

2. ANALYSE

Nota aan de Ministerraad

Volgens de nota aan de Ministerraad:

In het regeerakkoord wordt voorgesteld “een beleid op maat [te] voeren waarbij rekening wordt gehouden met kwetsbare groepen die al dan niet minder mobiel zijn en met de specifieke behoefte van personen met een handicap". Tevens bepaalt het regeerakkoord dat wie niet actief is op de arbeidsmarkt, onder wie personen met een handicap, zal worden aangemoedigd de stap naar werk te zetten. Daartoe zullen ook "drempels voor werkgelegenheid en om (meer) te werken worden weggenomen".

Om deze doelstellingen te bereiken, moet de regelgeving inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap op twee niveaus worden aangepast:

  • Enerzijds is het absoluut noodzakelijk de vrijstellingsdrempel van de beroepsinkomsten voor het behoud van de IT te verhogen, zodat werken financieel voordelig is. Momenteel wordt, zodra een werknemer met een handicap een belastbaar inkomen heeft van meer dan 23.356 euro per jaar, zijn of haar integratietegemoetkoming geheel of gedeeltelijk verlaagd (dit is de zogenaamde prijs van de arbeid).
  • Anderzijds is het van essentieel belang het plafond van de vervangingsinkomens op te trekken om de wijdverspreide armoede bij personen met een handicap te bestrijden en ook om te voorkomen dat zij dubbel worden gestraft (verlies van werk en verlies van IT). Aangezien de inhouding op vervangingsinkomens zoals werkloosheid, invaliditeit of pensioenen veel ongunstiger is dan de inhouding op lonen, wordt de situatie van werknemers met een handicap die niet meer kunnen werken precair. In een advies van november 2020 over deze kwestie merkte de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap in dit verband het volgende op: "Uitkeringsgerechtigden die niet meer werken, worden echt dubbel benadeeld: ze verliezen hun arbeidsinkomen terwijl hun gezondheidskosten vaak stijgen wanneer ze weer ziek worden. Wie een relatief goede gezondheid heeft en kan blijven werken, krijgt een volledige IT, terwijl wie om gezondheidsredenen niet meer kan werken, ook nog eens een (aanzienlijk) deel van zijn IT verliest.”

Voor de financiering van deze maatregelen is een budget van 29 miljoen euro uitgetrokken. Met behulp van de simulatietool BELMOD van de FOD Sociale Zekerheid werden vier opties voor de wijziging van de huidige tegemoetkomingen bekeken vanuit het oogpunt van hun impact op het aantal begunstigden en de uitgaven.

Optie

Vrijstelling arbeids-inkomens

%

Begunstigden

Kostprijs

Vrijstelling vervangings-inkomens

%

Begunstigden (cumulatief aantal)

Kostprijs cumulatief

Huidige situatie

23.356,97

   

 

3.336,23

   

 

Optie 1

28.612,29

23%

2.536

2,85

4.086,88

23%

40.957

29,7

Optie 2

40.874,70

75%

4.482

9,07

3.885,00

16%

41.122

29,8

Optie 3

63.000,00

170%

5.338

12,07

3.780,00

13%

40.867

29,8

Optie 4

87.048,00

273%

5.533

13,08

3.770,00

13%

41.010

29,8


Van deze verschillende opties lijkt optie 2 op basis van de volgende overwegingen het meest evenwichtig:

  • Optie 1, hoewel de meest egalitaire, beantwoordt slechts gedeeltelijk aan de doelstelling van de regering om arbeid financieel aantrekkelijk te maken en aan het aantal werknemers met een handicap dat de maatregel zou kunnen genieten.
  • Optie 2 stelt iedereen die voltijds werkt tegen een gemiddeld loon, in staat zijn volledige IT te behouden, en heeft als bijkomend voordeel dat zoveel mogelijk mensen er baat bij hebben.
  • Bij de opties 3 en 4 ligt het totale aantal begunstigden lager dan bij optie 2, maar vooral is het zo dat de extra werknemers die de maatregel genieten, een loon hebben dat meer dan 50 % hoger ligt dan het gemiddelde loon, terwijl degenen die de maatregel niet genieten, in veel precairdere situaties leven.

Het bijgevoegde ontwerp van koninklijk besluit is derhalve gebaseerd op optie 2 en voorziet in de volgende aanpassingen:

  • een verhoging van 75 % van de huidige vrijstelling op het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap; dit wordt verhoogd tot € 28.619,73 per jaar, wat overeenkomt met een bedrag van € 40.874,70 per jaar bij het huidige indexcijfer;
  • een verhoging van 16 % van de huidige vrijstelling op het vervangingsinkomen van de persoon met een handicap; dit wordt verhoogd tot € 2.720,21 per jaar, wat overeenkomt met € 3.885 bij het huidige indexcijfer.

Het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt ook dat voor nieuwe aanvragen die binnen de drie maanden na de datum van bekendmaking van dit besluit worden ingediend, het recht met terugwerkende kracht kan worden toegekend vanaf 1 januari 2021. De inwerkingtreding van het ontwerp van koninklijk besluit is gepland voor 1 januari 2021.

Het ontwerp schaft ook de vrijstelling op de helft van het saldo van het arbeidsinkomen na toepassing van de forfaitaire vrijstelling af.

Opvolging

Op zijn plenaire vergadering van 17 mei 2021 heeft de NHRPH het ontwerp van koninklijk besluit een eerste keer besproken. Wegens het gebrek aan informatie over de voor- en nadelen van de nieuwe maatregel voor de verschillende mogelijke situaties werd beslist het punt uit te stellen tot de vergadering van juni 2021 en bijkomende informatie te vragen aan de administratie.

De NHRPH heeft de DG HAN op 18 mei 2021 een aantal vragen (cursief) gesteld. De DG HAN heeft op 4 juni geantwoord:

1/ Kunnen we – voor de vijf IT-categorieën – berekeningssimulaties krijgen voor personen met een handicap die een arbeidsinkomen ontvangen en voor personen met een handicap die een vervangingsinkomen ontvangen (met nadruk op de situatie van alleenstaanden)?

    • Wij willen graag een duidelijke vergelijking van de financiële situaties van alleenstaande en samenwonende personen met een handicap en van personen met een handicap die een arbeidsinkomen of een vervangingsinkomen krijgen.

De administratie heeft een bestand verstuurd met 25 voorbeelden van verschillende combinaties van inkomsten van het jaar 2019, gebaseerd op gegevens uit reële dossiers (zie onderstaande tabel). Met het bijgevoegde bestand SimulatietoolBedragenIVTIT_Optie2 kunnen nog andere combinaties worden berekend.

 

 

 

 

 

 

Huidig

Voorstel

 

GC

IT-cat.

PMH_Arbeid

PMH-Verv

PMH_Ander

Partn_Ink

IVT

IT

IVT

IT

Verschil

A

1

33128,15

 

 

 

0

0

0

1297,28

1297,28

A

2

4238,15

16328,78

 

 

0

0

0

0

0

A

3

2798

10378,42

 

 

0

1527,62

0

1527,62

0

A

4

 

11732,18

 

 

0

6064,99

 

6064,99

0

A

5

5603,45

7241,88

 

 

0

7337,55

0

7886,32

548,77

B

1

21324,87

 

 

 

0

1297,28

0

1297,28

0

B

1

 

15731,04

 

 

0

0

0

0

0

B

2

8976,15

12375,86

 

 

0

0

0

0

0

B

2

 

15744,27

 

 

0

366,56

0

366,56

0

B

2

 

15549,84

 

 

0

560,99

0

560,99

0

B

3

6325,84

8614,17

 

 

443,66

3704,02

443,66

3704,02

0

B

4

 

19817,65

 

 

0

1919,51

0

1919,51

0

B

5

2421,65

10829,16

 

 

494,07

9812,34

494,07

9812,34

0

C

1

13522

 

 

43627,63

0

1297,28

0

1297,28

0

C

1

21504,32

2338,22

 

16005,95

0

811,23

0

1297,28

486,05

C

2

26423,21

 

1567,44

30521,73

0

1190,32

0

2723,44

1533,12

C

2

24564,32

2047,48

 

15722,9

0

1639,73

0

2243,4

603,67

C

2

20217,07

2599,52

 

51766,01

0

4290,88

0

4290,88

0

C

3

 

14832,17

 

51388,19

0

6824,08

0

6824,08

0

C

3

53694,28

 

 

 

0

0

0

414,19

414,19

C

3

24118,01

7349,16

215,85

15775,09

0

0

0

0

0

C

3

19596,43

 

 

 

0

3201,58

0

3201,58

0

C

4

 

9322,25

4877

24789,96

0

9917,21

0

9917,21

0

C

4

21504,32

2338,32

 

49902,41

0

7353,21

0

7353,21

0

C

5

 

12346,44

 

32859,74

0

11243,2

0

11243,2

0


Legende
GC: gezinscategorie
IT-cat.: categorie integratietegemoetkoming
PMH_Arbeid: arbeidsinkomsten van de persoon met een handicap
PMH_Verv: vervangingsinkomsten van de persoon met een handicap
PMH_Ander: andere inkomsten
Partn_Ink: inkomsten van de partner

    • Hoeveel begunstigden, in verhouding tot het aantal betrokken begunstigden, zullen hun IT zien stijgen en hoeveel zullen er worden benadeeld in het kader van de verhoging van de vrijstelling op het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap (optie 2) voor elk van de vijf IT-categorieën, te kruisen met de gezinscategorieën?

Antwoord van de administratie: verdeling, gebaseerd op optie 2 aan de hand van de BELMOD-gegevens. Er zijn 41.122 personen die een voordeel hebben bij de nieuwe maatregel en 159 personen die een nadeel hebben. Procentueel gezien behoren het grootste aantal winnaars tot de categorieën B (personen met een handicap die alleen wonen) en C (personen met een handicap die een huishouden vormen). Bij de verliezers zien we dat niemand behoort tot categorie B en dat het procentuele aantal verliezers in de categorieën A (samenwonenden) en C ongeveer gelijk is (meer details over de categorieën: https://handicap.belgium.be/nl/mijn-dossier/gezinscategorie.htm).

Winnaars - procentuele verdeling (aantal: 41.122)

 

 

GC

 

 

 

 

 

 

A

B

C

 

Totaal

Categorie IT

1

3,00%

4,00%

12,00%

 

19,00%

 

2

3,00%

5,00%

13,00%

 

21,00%

 

3

3,00%

8,00%

11,00%

 

22,00%

 

4

3,00%

13,00%

5,00%

 

21,00%

 

5

3,00%

11,00%

3,00%

 

17,00%

 

Totaal

15,00%

41,00%

44,00%

 

100,00%

Verliezers - procentuele verdeling (aantal: 159)

 

 

GC

 

 

 

 

 

 

A

B

C

 

Totaal

Categorie IT

1

12,00%

0,00%

56,00%

 

68,00%

 

2

31,00%

0,00%

1,00%

 

32,00%

 

3

0,00%

0,00%

0,00%

 

0,00%

 

4

0,00%

0,00%

0,00%

 

0,00%

 

5

0,00%

0,00%

0,00%

 

0,00%

 

Totaal

43,00%

0,00%

57,00%

 

100,00%

 

 

Aantal

Totaal

Winnaars

41.122

29.854.613

Verliezers

159

134.221

 

2/ Kunnen wij een simulatie krijgen met de mogelijkheid de vrijstelling van 50 % op het excedent van de arbeidsinkomsten te behouden naast de nieuwe vrijstellingen?

Antwoord van de administratie: voor simulaties met het behoud van de vrijstelling van 50 % op het excedent van de arbeidsinkomsten is er het bestand:

SimulPrVDAMet50Pct

3/ Hebben wij het goed begrepen dat het nieuwe systeem van vrijstellingen niet nadelig mag zijn voor personen met een handicap die een IT ontvangen? De IVT/IT wordt niet verminderd indien de DG HAN deze bij de herziening wegens de toepassing van de nieuwe regel ‘prijs van de arbeid’ om een andere reden had moeten verlagen (in het kader van een vijfjaarlijkse herziening, die niet plaatsvond terwijl dat wel had gemoeten). Het dossier wordt dan later zonder nadelige terugwerkende kracht herzien. Moet het wel degelijk zo worden begrepen?

Antwoord van de administratie: het is niet de bedoeling dat de tegemoetkoming wordt verminderd of afgeschaft enkel en alleen omdat het dossier wordt herberekend overeenkomstig de nieuwe maatregel ‘Prijs van de arbeid’. Als de nieuwe maatregel aanleiding zou geven tot een vermindering of afschaffing, zal de administratie de herziening annuleren. Als er echter een ander motief voor herziening is of bij de eerstvolgende vijfjaarlijkse herziening zullen we uiteraard de regels toepassen die op de uitwerkingsdatum van toepassing zijn.

4/ Hoe wordt rekening gehouden met de leeftijds- en loopbaangebonden loonevolutie? Wat zijn de ongewilde gevolgen voor de berekening van de IT en de afgeleide rechten met het verstrijken van de tijd?

Antwoord van de administratie: de evolutie van het arbeidsinkomen kan worden gesimuleerd aan de hand van de twee bijgevoegde tools. Het volstaat om de arbeidsinkomsten in de cel E4 van het bijgevoegde bestand te laten variëren om het effect te zien van een stijging van dit inkomen.

5/ Mag de DG HAN in het algemeen de algemene lessen en specifieke aandachtspunten die uit de simulaties naar voren zijn gekomen, vaststellen en mededelen aan de NHRPH?

Antwoord van de administratie:

  • Uit de BELMOD-simulatie blijkt dat bijna niemand nadeel heeft van de maatregel tot verhoging van de vrijstelling op het arbeidsinkomen (slechts 159 verliezers tegenover 41.122 winnaars).
  • De verliezers situeren zich uitsluitend in de IT-categorieën 1 en 2 en er is niemand getroffen in de categorie B (alleenstaanden).
  • De beperkte verhoging van de vrijstelling op de vervangingsinkomsten (om binnen het beschikbare budget te blijven) blijft een risico als men na een periode van tewerkstelling terugvalt op een vervangingsinkomen.

De NHRPH heeft in de plenaire vergadering van 21 juni ook aangedrongen op een simulatie op basis van het behoud van de vrijstelling op de helft van het saldo van het arbeidsinkomen na toepassing van de forfaitaire vrijstelling.

Antwoord op 5 juli:

Uit de BELMOD-simulatie blijkt dat, bij een supplementaire vrijstelling van 50 % van het deel dat € 40.874,70 overschrijdt, de vrijstelling op het vervangingsinkomen € 3.865,00 kan bedragen (dus € 20,00 minder dan het voorgelegde scenario). De budgettaire kostprijs bedraagt in dat geval € 29.992.800,00 op jaarbasis (tegenover € 29.720.392,00 in het voorstel dat voorligt voor advies).
Het aantal personen dat voordeel zou hebben bij deze simulatie, bedraagt 41.264 (tegen 41.122).

Het invoeren van de 50 % betekent dus opnieuw een verlaging van de grens van het vrijstellingsplafond van het vervangingsinkomen.

De NHRPH heeft op zijn beurt 6 leefsituaties geselecteerd met als datum 01/01/2021, waarbij de persoon met een handicap al dan niet voltijds werkt, al dan niet een vervangingsinkomen ontvangt, een huishouden vormt of alleenstaand is. Om de vergelijking te vergemakkelijken, gaan we ervan uit dat de persoon met een handicap in elke hypothese in IT 3 wordt erkend (simulatie).

De simulator op de website van de DG HAN werd gebruikt:

Simulator DG HAN

  1. Hypothese 1: de persoon met een handicap vormt een huishouden (categorie C) en werkt voltijds: netto-inkomen van € 40.000 ⇒ Hij zal een volledige IT krijgen: € 6.824,08/jaar. Ter herinnering: er wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner, tot een maximumbedrag van € 1.000.000 (prijs van de liefde - advies 2020-23).  
  2. Hypothese 2: dezelfde persoon met een handicap (C) valt volledig onder een vervangingsuitkeringenstelsel (werkloosheid, ongeschiktheid, pensioen) en krijgt 60 % van het arbeidsinkomen, d.w.z. € 24.000 (realistische prognose voor een persoon met een handicap die gewoonlijk voltijds werkt) ⇒ Hij krijgt geen IT en verliest het jaar erop dus € 22.824,08 (16.000 + 6.824,02), terwijl zijn ziektekosten ondertussen misschien hoger zijn.
  1. Hypothese 3: zelfde hypothese (C), maar de persoon met een handicap heeft deeltijds gewerkt en krijgt een vervangingsinkomen van € 20.000 ⇒ Hij krijgt een verminderde IT van € 2.798,01.
  1. Hypothese 4: de persoon met een handicap is alleenstaand (categorie B), heeft deeltijds gewerkt, en krijgt enkel nog een vervangingsinkomen (werkloosheid, ongeschiktheid, pensioen) dat met 50 % is verminderd ten opzichte van het arbeidsinkomen (€ 20.000) ⇒ Hij verliest zijn volledige IT. Als alleenstaande kan hij enkel op zichzelf rekenen.
    Indien hij voltijds had gewerkt, had hij ook zijn volledige IT verloren (hypothese 2).
  1. Hypothese 5: idem als hypothese 4, maar met een inkomensverlies van 60 %, d.w.z. een vervangingsinkomen van € 16.000 ⇒ de PMH krijgt een verminderde IT van € 2.644,03.
  1. Hypothese 6: de persoon met een handicap is alleenstaand, werkt (€ 20.000) en krijgt een inkomensvervangende tegemoetkoming (€ 10.000) ⇒ hij krijgt een verminderde IT van € 709,08.

3. ADVIES

De NHRPH stelt het op prijs dat rekening werd gehouden met zijn advies 2020-23 en dat werd beslist de vrijstelling van het vervangingsinkomen te verhogen. Het maandbedrag stijgt evenwel zeer weinig. Het ontwerp van koninklijk besluit dat in november 2020 aan de NHRPH werd voorgelegd, voorzag in een vrijstelling van € 2.548,13 voor het vervangingsinkomen (niet-geïndexeerd jaarlijks bedrag), wat overeenkomt met € 215,34 per maand. Het huidige ontwerp van koninklijk besluit voorziet in een jaarlijkse vrijstelling van € 2.720,21 (niet-geïndexeerd bedrag), wat neerkomt op een bedrag van € 226,68 per maand.

Het totale inkomen van werkende personen met een handicap die vervolgens hun werk verliezen, daalt sterk aangezien de vrijstelling op het vervangingsinkomen vrij laag blijft: de zes werkhypothesen uit het deel Analyse geven een eerste indicatie. Voor de NHRPH moet de simulatie van de DG HAN beslist veel vollediger zijn, met volgende variabelen: gezinscategorieën, medische categorieën, arbeidsinkomen, vervangingsinkomen, mix van arbeids- en vervangingsinkomen.

De NHRPH blijft ervan overtuigd dat een grotere vrijstelling op het vervangingsinkomen moet worden toegepast omdat alle personen met een handicap vroeg of laat, door onvoorziene omstandigheden in hun beroepsloopbaan (werkloosheid of ongeschiktheid) of gewoon door pensionering, enkel op een vervangingsinkomen zullen terugvallen. Bovendien - en dit in tegenstelling tot ‘gezonde’ werknemers - krijgen PMH bij inactiviteit vaak te maken met hogere handicapgebonden medische en bijstandskosten. Personen met een handicap worden dus twee keer benadeeld. De NHPRH herinnert er nogmaals aan dat de grote meerderheid van de personen met een handicap er niet voor kiest om niet te (blijven) werken. Bij de werkgever weegt handicap nog vaak zwaarder door dan competenties. Bovendien maakt het ontbreken van redelijke aanpassingen de werkomgeving de facto ontoegankelijk.

De NHRPH vindt dat de vrijstelling van 50 % op het in aanmerking genomen inkomenssaldo na de categorievrijstelling ook moet blijven behouden, omdat de gevolgen voor de tegemoetkomingen en de afgeleide rechten dan minder groot zijn. Personen met een handicap kunnen dan een voltijdse baan of een promotie aanvaarden zonder het risico te lopen al hun tegemoetkomingen en afgeleide rechten te verliezen. Anderzijds leidt het afschaffen van de vrijstelling van 50 % op het inkomenssaldo tot discriminatie tussen personen met een handicap die volgens hun werkregeling werken.  

De maatregel wordt nog onevenwichtiger naargelang de persoon alleenstaand is of samenwoont. Door de afschaffing van de ‘prijs van de liefde’ (advies 2020-23) behoudt een persoon met een handicap die samenwoont met een partner met een hoog inkomen in de overgrote meerderheid van de gevallen een volledige integratietegemoetkoming, terwijl een alleenstaande persoon met dezelfde handicap niet kan rekenen op de steun van een partner (cf. de zes werkhypothesen in het deel Analyse).

Voor alleenstaanden maakt de onzekerheid om op elk moment van een arbeidsinkomen terug te vallen op een vervangingsinkomen veel levenskeuzes vrijwel onmogelijk. Zo zal een alleenstaande, ook al werkt hij, doorgaans niet het risico nemen een hypothecaire lening aan te gaan. Alleenstaanden ervaren dit als zeer onrechtvaardig.

Dit voorstel voor de prijs van de arbeid leidt tot nieuwe discriminatie: niet langer voornamelijk tussen alleenstaanden en samenwonenden, maar tussen personen die wel en personen die niet kunnen werken. De nieuwe begroting is bedoeld voor personen met een beroepsinkomen. Vallen zij terug op een vervangingsinkomen, dan verliezen zij hun integratietegemoetkoming volledig of grotendeels. Deze discrepantie bestond al, maar wordt nog groter met het huidige voorstel. Wie onderbeschermd was, zal dat evenzeer blijven in de voorgestelde hervorming.

In de zes werkhypothesen in het deel Analyse wordt het probleem van de grenzen duidelijk. Momenteel is dit het geval voor arbeidsinkomsten vanaf ongeveer € 25.000 (er moet € 1.743 van het recht op IT worden afgetrokken ⇒ er blijft een recht over vanaf een IT 2).
Met een arbeidsinkomen van € 25.000 heeft de werknemer met een handicap recht op een dagbedrag dat iets lager ligt dan de gewaarborgde minimumdaguitkering, maar verliest hij zijn volledige IT 2 (hij behoudt enkel een deel van zijn IT wanneer hij als IT 3 wordt erkend)!

De ‘vroegere’ bovengrens komt dus overeen met een lager inkomen dan de minimumtegemoetkoming van het RIZIV (de laagste bescherming!).
Voor de vervangingsuitkeringen zal een hogere vrijstelling enkel gevolgen hebben voor de gemengde inkomens (arbeids- en vervangingsinkomen). De vrijstelling heeft geen enkele impact op wie uitsluitend vervangingsinkomens ontvangt, aangezien deze vrijstelling wordt afgetrokken van de categorievrijstelling.

In zijn eigen overwegingen tot nu toe is de NHRPH dan ook van mening dat enkel wie (deeltijds) werkt, baat heeft bij het nieuwe voorstel. Zolang de vrijstelling op het vervangingsinkomen voor de IT lager is dan de categorievrijstelling (voor een alleenstaande: € 11.510), heeft een hogere vrijstelling geen impact op de berekening (tenzij bij een gemengd inkomen: arbeids- en vervangingsinkomen). In het nieuwe voorstel kunnen de twee vrijstellingen nu blijkbaar worden gecombineerd? Kan dit worden bevestigd?

Dit betekent ook dat enkel dossiers (in de simulaties: in het geel) met een combinatie van arbeids- en vervangingsinkomens. Voor veel personen met een handicap is deze situatie noodgedwongen tijdelijk, aangezien zij zich vaak in een overgangsperiode bevinden. Twee jaar later zal minstens een deel van hen enkel een vervangingsinkomen hebben en de IT verliezen.

Ondanks de antwoorden blijven er nog te veel onzekerheden. De NHRPH kan zich dus niet volledig uitspreken over alle concrete gevolgen van deze maatregel. De kwestie van de loonevolutie en, bijgevolg, het bijhorende risico op verlies van de tegemoetkoming (en dus van de afgeleide rechten), is evenmin opgehelderd.

Bij wijze van besluit

De NHRPH merkt op dat het voorstel het gewicht van de factor ‘werk’ nog vergroot: het feit dat iemand kan werken is echt bepalend voor de toegang tot een fatsoenlijk inkomen (vrijstelling IVT), ter compensatie van de handicapgebonden meerkosten (vrijstelling IT) en de vergoedingen in de andere regelingen (afgeleide rechten). Zolang de vrijstelling van het vervangingsinkomen lager blijft dan de categorievrijstelling, worden personen met een handicap die niet meer kunnen werken, gestraft, terwijl hun handicap en de daarmee gepaard gaande kosten even hoog blijven of zelfs stijgen.
De NHRPH stelt voor op zijn minst de vrijstelling van het vervangingsinkomen te kunnen combineren met de categorievrijstelling, zodat de kloof tussen het arbeidsinkomen en het vervangingsinkomen enigszins kleiner wordt.

Meer fundamenteel is het duidelijk dat de vragen die rijzen door het voorstel ‘prijs van de arbeid’, iconisch zijn voor de verwachtingen op het terrein: de pijlers van de verouderde wet – die een groot aantal personen met een handicap gevangenhoudt in een reglementair en financieel kader met ongewilde en willekeurige gevolgen – moeten dringend worden herzien.  
Welke plaats is voorbehouden voor personen met een handicap in onze sociale constructie? Hoe worden zij ondersteund bij hun toegang tot werk? Hoe worden zij trouwens ondersteund wanneer zij niet (meer) werken? Hoe kunnen zij – qua rechten en middelen – de mogelijkheid krijgen om zo zelfstandig mogelijk te leven en zich te integreren in de samenleving, ongeacht of ze werken of niet? Voor sommigen is werk een waarde op zich en een levensdoel; voor veel personen met een handicap is het een hele strijd om aan de slag te gaan en te blijven. Hoelang nog blijft een juridisch kader behouden dat personen met een handicap financieel benadeelt omdat zij wegens hun handicap niet kunnen werken of niet gewild zijn op de arbeidsmarkt?

De NHRPH vraagt Minister Karine Lalieux nogmaals zo snel mogelijk terug te komen op al deze vragen.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/27 - Fiscale hervorming

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Leefomgeving

Advies nr. 2021/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van fiscale hervorming van de Minister van Financiën, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 10/10/2021.

Advies uitgebracht op verzoek van de Minister van Financiën van 22 juli 2021.

1. ONDERWERP

De Minister van Financiën wil een fiscale hervorming op gang brengen.

2. ANALYSE  

De Minister van Financiën heeft begin juni 2021 een dialoog op gang gebracht over de fiscale hervorming die de Vivaldi-coalitie wil doorvoeren. Hij hield een gedachtewisseling met de commissie Financiën van de Kamer, waarin de meerderheids- en oppositiepartijen hun eerste lijnen hebben uitgetekend.

De aangekondigde ambitie is om “het belastingstelsel te moderniseren, vereenvoudigen en meer rechtvaardig en meer neutraal te maken” (regeerakkoord). Het aangekondigde tijdschema is om in 2022 een eerste ontwerp te hebben voor een visie die in 2030 volledig van toepassing zal zijn.

De werkzaamheden zullen betrekking hebben op drie gebieden: belasting op arbeid, belasting op vermogen en belasting op verbruik. 

De Hoge Raad van Financiën heeft hierover adviezen uitgebracht. Er zijn ook internationale aanbevelingen van de OESO en het IMF.

De Minister wil ook de verwachtingen van organisaties, verenigingen, belangengroepen en burgers horen.

Op 22 juli 2021 heeft Minister Van Peteghem een aantal verenigingen uit het maatschappelijk middenveld samengebracht die gezinnen, vrouwen, jongeren, ouderen, kansarmen en klimaatbeschermers vertegenwoordigen. De NHRPH was ook aanwezig.

3. ADVIES

De NHRPH wil in dit stadium aan een aantal vaststellingen herinneren. Ze zijn niet exhaustief:

  1. Heel wat personen met een handicap (PMH) werken niet of hebben een onregelmatig en soms kort professioneel parcours: zij betreden de arbeidsmarkt later – vaak door een gebrek aan opleiding of door vooroordelen – en verlaten die vroeger – vaak om gezondheidsredenen.
  2. Heel wat PMH zijn niet belastingplichtig
  3. Zij hebben lage inkomens (vaak tegemoetkomingen waarop geen socialezekerheidsbijdragen zijn verschuldigd).
  4. Zij zijn niet vaak de eigenaar van hun woonst.
  5. Alle sociale rechten zijn momenteel gekoppeld aan een statuut.
  6. Kinderen met een handicap vergen een zeer grote investering van de ouders. De omgeving is doorgaans niet toegankelijk en er zijn geen aangepaste diensten. Een van beide ouders offert vaak zijn of haar loopbaan op. De alleenstaande ouder heeft niet de mogelijkheid tijd te investeren in zijn of haar loopbaan. Over het algemeen zien mantelzorgers van PMH zich genoodzaakt hun arbeidstijd gedurende verschillende jaren te verminderen.
  7. De fiscale erkenning van de handicap is beperkt tot de leeftijd van 65 jaar. Ze is een voorwaarde voor de toegang tot de afgeleide rechten. Deze beperking heef geen reden van bestaan meer. Ook zijn er te weinig fiscale stimuli om de gezinnen aan te moedigen senioren en ouders te begeleiden.
  8. Samenwoonst wordt zwaar gepenaliseerd.
  9. Het btw-stelsel houdt geen rekening met de behoeften van PMH: de btw voor verzorging en hulp bedraagt momenteel 21%.

Deze vaststellingen wekken de volgende verwachtingen op. Het gaat om een eerste, niet-exhaustieve lijst:

  1. Een belastingaftrek voor PMH en mantelzorgers invoeren – de idee is om de extra financiële kosten die verband houden met de niet-toegankelijke en niet-inclusieve omgeving (niet-aangepaste collectieve diensten, niet-toegankelijk vervoer, enz.) te compenseren.
  2. De koopkracht verbeteren, ook door middel van de directe belastingen.
  3. Ook PMH die huurder zijn en/of die niet belastbaar zijn toegang geven tot het kader van de energiefiscaliteit.
  4. De toegang tot eigendom voor PMH verbeteren.
  5. De sociale rechten koppelen aan een inkomensniveau en niet langer aan een statuut: het komt vaak voor dat, bij gelijke sociale situaties en gelijke inkomens, sommige personen geen toegang hebben tot bepaalde rechten, omdat zij niet het statuut hebben dat hun er toegang toe verleent. De COVID-premie van 50 euro was bijvoorbeeld niet van toepassing op bepaalde steuntrekkers van sociale zekerheid, terwijl hun inkomen soms lager was dan dat van diegenen die deze premie wel ontvingen.
  6. De verhoogde aftrekbaarheid voor kinderen met een handicap behouden.
  7. Een fiscaal statuut voor mantelzorgers voorzien – de vrijstelling op de inkomens verhogen.
  8. De steun aan eenoudergezinnen met een kind met een handicap opvoeren.
  9. De aftrekbaarheid van de kosten voor opvang voor PMH, ongeacht de leeftijd, voorzien.
  10. Het afschaffen van de belastbaarheid van de vergoeding voor inhaalrust in verband met handicap of ziekte. Dit zou de mensen helpen die er het meest behoefte aan hebben.
  11. De huidige voorziene aftrek voor de opvang van ouderen uitbreiden tot alle familieleden – graad 1 en 2 –, ongeacht de leeftijd van het opgevangen familielid.
  12. De dubbele aftrek voorzien voor kinderen met een handicap uitbreiden tot de vervangingsinkomens.
  13. De fiscaliteit op de ongeschiktheid en invaliditeit harmoniseren. 
  14. Een grotere aftrekbaarheid van dienstencheques en schenkingen voor personen met een laag inkomen voorzien.
  15. Kapitaalinkomsten in aanmerking nemen voor de berekening van de IVT (wet van 27 februari 1987)
  16. De evoluerende en niet-vaste woonvormen integreren – samenwoonst niet bestraffen.
  17. De btw op zorguitrusting, technische hulpmiddelen en aanpassingen aan woningen verlagen tot 6%.
  18. De administratieve vereenvoudiging verbeteren via automatisering van rechten – bijvoorbeeld: niet langer een verzoek moeten doen om een vermindering te hebben op de onroerende voorheffing.
  19. Vrijwilligerswerk in verenigingen voor PMH ondersteunen.
  20. In het kader van duurzame ontwikkeling en de maatschappelijke doelstellingen: de voor iedereen toegankelijke transportmiddelen fiscaal aantrekkelijk maken.

Over het algemeen wil de NHRPH dat de maatregelen die worden genomen in het kader van de hervorming steeds terdege rekening houden met het standpunt van de PMH. De NHRPH waarschuwt ook met nadruk voor mogelijke averechtse gevolgen van de maatregelen als gevolg van de verdeling van de bevoegdheden in België.

4. ADVIES BESTEMD 

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/39 - Verkeersveiligheid

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2021/39 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het verbeteren van de verkeersveiligheid voor personen met een handicap, wegens hoogdringendheid uitgebracht na raadpleging per e-mail van 10/11/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH. 

1. ONDERWERP

De Federale Commissie voor de Verkeersveiligheid bereidt een Federaal Actieplan Verkeersveiligheid voor dat het verkeer in België veiliger moet maken voor iedereen. In het kader van ‘Go for Zero’, dat streeft naar nul verkeersslachtoffers, was er al een bevraging van het publiek en de stakeholders. De NHRPH zetelt als stakeholder in deze Commissie.

De NHRPH zet in dit advies de wensen en aandachtspunten van de handicapsector op een rijtje.

2. ANALYSE

Via de Federale Commissie Verkeersveiligheid vernam de NHRPH dat er al heel wat aanbevelingen voor bijsturing van dit reglement werden verzameld. Dit gebeurde onder meer via de verschillende burgerpanels die door Vias Institute werden georganiseerd. Tijdens het burgerpanel ‘Samen op (de) weg’ dat op 21 september 2021 plaatsvond te Leuven werden, naast andere beleidsaanbevelingen, ook voorstellen gedaan voor bijsturingen van het federaal verkeersreglement.

Mobiele personen hebben talloze opties voor hun verplaatsingen op de openbare weg. Naast de wagen en de (elektrische) fiets hebben ook de scooter en andere vervoerswijzen de laatste jaren aan populariteit gewonnen. Zelfs voor afstanden van minder dan 3 km kiezen mensen de wagen, de fiets of de scooter. Minder mobiele mensen, inzonderheid de PMH, hebben die keuze vaak niet. Mensen die te voet geen grote afstanden kunnen afleggen zijn voor hun verplaatsingen vaak afhankelijk van de wagen. Blinde en slechtziende personen en personen met een verstandelijke handicap kunnen dan weer geen wagen besturen en zijn aangewezen op het openbaar vervoer.

Voor degenen die zich met de wagen verplaatsen, is de bruikbaarheid van (al dan niet voorbehouden) parkeerplaatsen voor personen met een handicap zeer belangrijk zodat zij niet te ver moeten stappen om hun plaats van bestemming te bereiken.

Ongeacht het gebruikte vervoermiddel is iedereen die zich op de openbare weg begeeft soms ook voetganger. Het voor- en natransport geschiedt in de meeste gevallen immers te voet. Zich te voet op de openbare weg begeven en anticiperen op het verkeer vergt heel wat cognitieve, motorische en sensoriële vaardigheden. Mensen die in een of meer van deze vaardigheden beperkt zijn, zijn extra kwetsbaar.

Via VIAS kreeg de NHRPH cijfers over gebruikers van (elektrische) rolstoelen en andere vervoershulpmiddelen voor personen met een handicap (zie statistieken 1 tot 3) die slachtoffer werden van een ongeval. De cijfers zijn verhoudingsgewijs vrij hoog. En er zijn natuurlijk nog veel andere personen met een handicap die ook zwakke weggebruikers zijn: personen met een visuele of auditieve handicap, personen met een verstandelijke handicap, mensen die moeizaam stappen, ... Uit studies uit het buitenland blijkt dat blinde en slechtziende personen vaak oververtegenwoordigd zijn in de statistieken van verkeersslachtoffers.

1. Ongevallen met lichamelijk letsel ‘persoon met een handicap in een rolstoel’, 2011-2020

Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium) - Infografie : Vias institute

 

Ongelukken met lichamelijk letsel

Overleden binnen de 30 dagen

Slachtoffers

2011 25 0 22
2012 14 0 12
2013 8 0 7
2014 20 1 17
2015 14 1 13
2016 12 0 12
2017 12 0 9
2018 21 0 16
2019 17 0 17
2020 14 1 12

 

2. Ongevallen met lichamelijk letsel ‘persoon met een handicap in een elektrische rolstoel’, 2016-2020

Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium) - Infografie : Vias institute

 

Ongelukken met lichamelijk letsel

Overleden binnen de 30 dagen

Slachtoffers

2016

19

0

15

2017

18

0

14

2018

29

0

21

2019

24

1

20

2020

20

0

17

 

3. Ongevallen met lichamelijk letsel ‘gemotoriseerd voortbewegingstoestel’, 2016-2020

Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium) - Infografie : Vias institute

 

Ongelukken met lichamelijk letsel

Overleden binnen de 30 dagen

Slachtoffers

2016

3

0

2

2017

8

0

7

2018

25

0

18

2019

53

0

39

2020

72

0

51


Op te merken valt dat ‘bijna-ongevallen’ en eenzijdige ongevallen (zonder tweede partij, bijvoorbeeld valpartijen) ontbreken in de statistieken. Nochtans hebben bijna-ongevallen en eenzijdige ongevallen vaak een bepalende impact op personen met een handicap. Niet zelden besluiten ze om zich niet meer in het verkeer te wagen, waardoor hun autonomie nog afneemt en hun isolement vergroot. Terwijl het verkeer net veilig voor iedereen zou moeten zijn, zeker voor de kwetsbare groepen. De bijna-ongevallen, eenzijdige ongevallen en de groep van PMH en andere kwetsbare personen die zich niet meer in het verkeer wagen wegens de ontoegankelijke en gevaarlijke omgeving creëren een blinde vlek en een serieuze onderschatting van de onveiligheid in het verkeer. Het verkeer moet veiliger worden zonder mensen uit te sluiten.

Bij de hervorming van de wegcode zal voortaan rekening worden gehouden met de elektrische step. Maar uit niets blijkt dat er duidelijkheid zal komen over de elektrische rolstoelen en scooters. Nochtans zullen die aantallen hoogstwaarschijnlijk toenemen als gevolg van de vergrijzing (zie de situatie in de buurlanden).

Verder wijst niets erop dat de situatie van de gedeelde ruimtes op de weg zal worden verduidelijkt, terwijl de gevaren en ongemakken daar ernstig zijn.

3. ADVIES

ALGEMEEN

De NHRPH vraagt zich bezorgd af of er terdege rekening zal worden gehouden met de mobiliteit van PMH. Voor de NHRPH is het van essentieel belang dat er rekening wordt gehouden met een reeks aspecten en situaties en dat er oplossingen komen. Zo niet zal de omgeving een bron van gevaren blijven voor de PMH. Erger zelfs: als er geen actieve verbetering van de verkeersveiligheid voor PMH komt, zullen deze laatsten de openbare omgeving steeds meer verlaten.

Vanzelfsprekend is er een verband tussen verkeersveiligheid en aanpassingen. Ook al zijn aanpassingen aan wegen een regionale bevoegdheid, toch kan de federale overheid richtlijnen geven om de regio’s te begeleiden bij de herziening van hun wetteksten inzake de aanpassing van wegen (code van de wegbeheerder, Règlement régional d’Urbanisme, lastenboek, …).

De NHRPH vraagt om de sector van de personen met een handicap te bevragen in het kader van de verkeersveiligheid en de sector ook intensief te betrekken bij het uitwerken van maatregelen voor een veiliger verkeer, volgens het principe ‘Niets over ons zonder ons’.

Er zijn ook meer en specifiekere statistieken nodig over de risico’s voor personen met een handicap in het verkeer. Daarbij is een onderscheid tussen de verschillende handicaps nodig. Ook moeten de PMH worden bevraagd naar hun beleving van de verkeerssituatie. Zo krijgen we ook een zicht op het onveiligheidsgevoel, het deels of volledig vermijden van deelname aan het verkeer en eenzijdige en bijna-ongelukken bij PMH.

Ook is het belangrijk om de wegcode begrijpelijker en eenvoudiger te maken. Momenteel lijkt het er niet op dat bij de vereenvoudiging van de wegcode rekening zal worden gehouden met de behoeften van PMH op het vlak van ondersteuning en toegankelijke informatie.

Ook de rijexamens moeten worden aangepast aan de persoon. Bijv.: een dove of slechthorende persoon heeft daarbij aangepaste begeleiding nodig.

Overleg met de andere bestuursniveaus is essentieel voor een geïntegreerde en coherente aanpassing van het verkeerreglement en een grotere verkeersveiligheid.

Een van de beleidsaanbevelingen die in de conclusies van het burgerpanel te Leuven werd opgenomen in het kader van de voorbereidingen van het Federaal Actieplan Verkeersveiligheid, is: maatregelen nemen voor een betere toegankelijkheid en veiligheid van de openbare weg voor mensen met een handicap. Als voorbeeld werden twee concrete maatregelen genoemd: de toegankelijkheid van voetgangerslichten voor blinde en slechtziende personen en de aanleg van zebrapaden in zone 30.

De Nationale Hoge Raad van Personen met een Handicap verzoekt nadrukkelijk om de beleidsaanbeveling “maatregelen nemen voor een betere toegankelijkheid en veiligheid van de openbare weg voor personen met een handicap” toe te voegen aan het federaal Actieplan Verkeersveiligheid.

VERKEERSREGLEMENT (Wegcode)

Voor een hogere verkeersveiligheid zullen aanpassingen aan het verkeersreglement nodig zijn.

De NHRPH stelde al in 2016 een reeks aanbevelingen voor wijzigingen aan de wegcode op in het kader van de toenmalige herziening van het federale verkeersreglement. Hoewel de aanbevelingen werden bezorgd aan de toenmalige bevoegde Minister, werd er geen gevolg aan gegeven. Aangezien een aantal van die aanbevelingen ondertussen verouderd zijn, volgen hier actuele aanbevelingen voor wijzigingen aan de wegcode.

TITEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN – ARTIKEL 2: Bepalingen

De weggebruikers in een elektrische rolstoel worden de ene keer tot de categorie van de voetgangers gerekend en dan weer tot de fietsers, waarbij er soms twijfel mogelijk is. Nochtans zijn heldere bepalingen essentieel, onder andere:

  • Voor een goed begrip van de regels en het correct weggebruik
  • Bij de regeling van geschillen (verantwoordelijkheden, schadeloosstellingen, verzekerbaarheid, …).

Zulke meervoudige interpretaties kunnen zware gevolgen hebben en mogen niet blijven bestaan. Daarom moeten de gebruikers van manuele rolstoelen (en elektrische rolstoelen met de snelheid van een voetganger) en gebruikers van elektrische rolstoelen die sneller rijden dan een voetganger gemakkelijk kunnen weten welke regels op hen van toepassing zijn zonder dat er interpretatiemarge is. Daarvoor moet elk mogelijk gebruik systematisch worden behandeld in alle artikelen die te maken hebben met het gebruik van fietspaden, (gemengd gebruik of niet), trottoirs, …

Het begrijpelijker maken van de Wegcode moet een onderdeel zijn van het Federaal Actieplan Verkeersveiligheid. Om deze doelstelling te halen moeten er preciseringen worden toegevoegd aan een hele reeks artikelen van de huidige wegcode.

TITEL II. REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG

Artikel 22quinquies punt 3

« Wanneer verkeersborden F99b en F101b aangebracht zijn, moeten de gebruikers het deel van de weg volgen dat hun aangewezen is. Zij mogen evenwel het andere deel van de weg volgen op voorwaarde dat ze de doorgang vrij laten voor de gebruikers die er zich op regelmatige wijze op bevinden. »

Deze verkeerstekens zijn louter visueel, zodat personen met een visuele handicap die niet kunnen eerbiedigen. Zie ook de opmerking bij TITEL III. VERKEERSTEKENS - Artikel 60: Algemene bepaling.

Artikel 22sexies.1. Tot voetgangerszones hebben alleen voetgangers toegang.

Evenwel:
Een hele reeks voertuigen en gebruikers mogen zich in deze zones begeven en er parkeren, maar de houders van een parkeerkaart voor PMH zijn niet opgenomen in deze lijst van uitzonderingen. Aangezien de voetgangerszones steeds grotere oppervlakten in beslag nemen en de te overbruggen afstanden te groot worden voor heel wat mensen die – bijvoorbeeld – minder goed kunnen stappen, moeten houders van een parkeerkaart voor PMH toegang hebben tot deze zones en er kunnen parkeren.

Artikel 23. Stilstaan en parkeren – Artikel 23.3

« Fietsen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerzones bedoeld in artikel 75.2 opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3°.f. »

Deze bepaling moedigt parkeren van dergelijke voertuigen op de trottoirs aan. Niet alleen houdt dat risico’s in voor personen met een visuele handicap, het beperkt ook de vrije doorgang en belemmert aldus de toegang en veiligheid van heel wat PMH.  

Artikel 24. Stilstaan en parkeerverbod

« Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid: (…)
4° op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 5 meter voor deze oversteekplaatsen »

Deze bepaling volstaat niet om de veiligheid te garanderen van – onder andere – personen met een auditieve handicap en personen in een rolstoel wanneer een hoog voertuig het zicht deels belemmert.Net als voor de punten 9 en 10 moet voor dit punt 4 een precisering over de hoogte van het voertuig worden opgenomen.

Het artikel voorziet verder nog in uitzonderingen op basis van plaatselijke reglementering. Deze uitzonderingen worden gefaciliteerd door middel van verkeersborden, vermeld onder artikel 70.2.1., waarmee kan worden aangegeven dat geheel of gedeeltelijk parkeren op het trottoir of de berm is toegestaan.

Aangezien de beschikbare breedte op voetpaden en begaanbare bermen zelden voldoende is om geheel of gedeeltelijk parkeren op deze voetgangerswegen toe te laten zonder de voetgangers daarbij te hinderen of in gevaar te brengen, beveelt de NHRPH sterk aan om deze uitzonderingsregel en de verkeersborden die deze faciliteren uit het verkeersreglement te schrappen. Ondanks de verplichting uit artikel 24 dat de bestuurder 1,5 m vrije breedte moet laten voor de voetganger, gebeurt dit in de praktijk vaak niet. Voor de voetganger impliceert dit dat de doorgang is versperd, hij de voetgangersweg moet verlaten en op het fietspad of de rijbaan moet stappen. Dit is voor geen enkele voetganger een veilige situatie.

Controle van het gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap

Artikel 27.4. regelt de parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap en het gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap. Artikel 27quater voorziet in de mogelijkheid van een elektronisch toezichtsysteem voor het parkeren. Het artikel bepaalt dat het elektronisch toezicht gebeurt op basis van de kentekenplaat van het voertuig.

Aangezien de parkeerkaart voor personen met een handicap niet is gekoppeld aan een kentekenplaat, leidt de invoering van het elektronisch toezichtsysteem tot problemen. Houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap krijgen hierdoor onterechte parkeerboetes.

Om te voorkomen dat er op lokaal niveau oplossingen worden bedacht die van gemeente tot gemeente verschillen, beveelt de NHRPH aan om een structurele oplossing in te bedden op federaal niveau. Deze oplossing dient besproken met de NHRPH en opgenomen in artikel 27quater aangaande het elektronisch toezicht (zie ook advies 2021-32 Scancars).

Witte of gele stok

Artikel 40.2. vermeldt dat de bestuurder “dubbel voorzichtig” moet zijn “ten aanzien van kinderen, bejaarden of personen met een handicap, inzonderheid blinden met een witte of een gele stok en de personen met een handicap die een voertuig besturen dat zijzelf voortbewegen of dat uitgerust is met een elektrische motor waarmee niet sneller dan stapvoets kan gereden worden.”

De gele stok werd vijftien jaar geleden afgeschaft door de wet van 26 november 2006 tot wijziging van de wet van 16 februari 1954 betreffende de bescherming van de blindenstok en tot opheffing van de wet van 4 juli 1991 tot bescherming van de slechtzienden en erkenning van de gele stok (B.S. 15/12/2006).

De vermelding van de gele stok in de Wegcode dient bijgevolg geschrapt. Aangezien het gebruik van de witte stok met voormelde wet uit 2006 werd verruimd, dienen de gebruikers van de witte stok in de Wegcode benoemd als “blinde en slechtziende personen”.

Overigens zijn niet alle handicaps zichtbaar voor de medeweggebruikers. Personen met een auditieve handicap kunnen een voertuig vaak niet opmerken wanneer dat zich achter hen bevindt of aan het zicht wordt onttrokken door obstakels, zoals beplanting of andere stadsmeubels of -uitrusting. Dat maakt hen erg kwetsbaar. Dat geldt ook voor personen met een verstandelijke handicap die niet altijd in staat zijn om gevaren correct in te schatten of onduidelijke informatie juist te interpreteren.

Veilig oversteken in zone 30

Met de invoering van de voorrangsregel voor voetgangers ter hoogte van oversteekplaatsen ontstond een uitdoofbeleid ten aanzien van zebrapaden in zone 30. Mensen met een tragere reactie- of stapsnelheid en mensen met een visuele handicap hebben echter nood aan de juridische bescherming van een gemarkeerde oversteekplaats.

Dat geldt ook voor bepaalde personen met een verstandelijke handicap die soms moeite hebben met het correct inschatten van gevaren en voor personen met een auditieve handicap die niet meer kunnen rekenen op plaatsen zonder zichtbelemmerende obstakels om over te steken.

Bovendien leren geleidehonden tijdens de training om een zebrapad te zoeken.

Een bezwaar van de wegbeheerder tegen de aanleg van een zebrapad in een zone 30 is onder meer dat dit de bewegingsvrijheid van de voetgangers zou inperken. Hieraan kan worden tegemoetgekomen door een aanvulling van artikel 42.4.1. “(…) Wanneer er op minder dan ongeveer 20 meter afstand een oversteekplaats voor voetgangers is, moeten de voetgangers deze oversteekplaats volgen.”

We bevelen aan om aan dit artikel volgende zin toe te voegen: “Deze regel geldt niet in de zone 30.”.

Veilig oversteken van tramsporen/-beddingen

Artikel 42.4.6. vermeldt: “Behalve indien het hun toegestaan is door verkeerslichten, mogen de voetgangers zich niet op een oversteekplaats voor voetgangers begeven waarover een tramspoor of een eigen trambedding loopt, wanneer een tram nadert.”

Het oversteken van tramsporen en -beddingen is erg risicovol voor kwetsbare weggebruikers, in het bijzonder voor blinde en slechtziende personen. Mensen met een visuele beperking kunnen immers de afstand en de snelheid van een naderende tram niet inschatten of zien de tram niet aankomen.

> De NHRPH heeft hieromtrent volgende 2 aanbevelingen:

  1. Aanvulling van artikel 76 met betrekking tot de dwarsmarkeringen met een punt 76.5. dat de verplichting oplegt om oversteken over tramsporen/-beddingen op het wegdek te voorzien van rood-witte markeringen zoals omschreven in:
    • Het Internationaal Verdrag inzake de verkeerstekens, Wenen, dd. 08/11/1968
    • De Europese Overeenkomst tot aanvulling van dit verdrag, Genève, dd. 01/05/1971
    • Het Protocol inzake de wegmarkeringen tot aanvulling van de Europese Overeenkomst van 1971, Genève, dd. 01/03/1973.

Deze 3 verdragen werden door de Belgische overheid goedgekeurd bij Wet van 30/09/1988 (B.S. 28/1/1989) en zijn in werking getreden op 07/01/1990. De rood-witte markering werd echter niet opgenomen in het verkeersreglement, waardoor ze weinig wordt toegepast.

  1. De toevoeging van een nieuw artikel onder Hoofdstuk I: Verkeerslichten: ‘Signaallicht met geluidssein’, namelijk: verplichting tot het installeren van een detectiesysteem voor naderende trams ter hoogte van oversteekplaatsen over tramsporen/-beddingen die niet zijn voorzien van voetgangerslichten. Dit detectiesysteem moet een visueel en akoestisch signaal genereren om voetgangers te waarschuwen voor een naderend tramvoertuig.

TITEL III. VERKEERSTEKENS

Artikel 60: Algemene bepaling

De meeste van de verkeerstekens onder Titel III zijn enkel visueel waarneembaar. Nochtans moeten alle weggebruikers in staat zijn de verkeersregels te respecteren waaraan ze zijn onderworpen. Dat is niet mogelijk als die de tekens niet kunnen waarnemen of begrijpen. Daarom, in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van de PMH, moet er worden toegevoegd aan de algemene bepaling dat de signalisatie waarneembaar moet zijn met drie zintuigen: het gezichtsvermogen, het gehoor en de tastzin.

Het artikel 60 lijkt zich ook goed te lenen voor de invoering van een breed en algemeen kader (om buiten de regionale en gemeentelijke bevoegdheidsdomeinen te blijven) over de plaatsing en eigenschappen van signalisatiemateriaal. Nog te vaak gebeurt het dat signalisatiemateriaal zoals verkeersborden de vrije doorgang en het zicht belemmert en risico’s op botsingen inhoudt. En dan zijn er nog de ongelukkige plaatsingen die de begrijpelijkheid niet altijd ten goede komen.

Toegankelijkheid van voetgangerslichten

Artikel 63.1. omschrijft voetgangerslichten als volgt:

  1. Voetgangerslichten zijn tweekleurig.
  2. De lichten van deze tekens hebben de volgende betekenis: 1° rood licht betekent dat het verboden is zich op de rijbaan te begeven; 2° groen licht betekent dat het toegelaten is zich op de rijbaan te begeven. Als aanwijzing kan het einde van deze toelating door het knipperen van het groene licht worden aangekondigd.

In het verkeersreglement wordt geen rekening gehouden met het feit dat blinde en slechtziende voetgangers de verkeerslichten niet kunnen zien of niet kunnen herkennen.

De NHRPH beveelt sterk aan om dit artikel uit te breiden met het verplicht uitrusten van de voetgangerslichten met drukknoppen voor de aanvraag van een akoestisch signaal. De installatie dient een trage tik- of bieptoon te genereren bij rood voetgangerslicht en een snelle tik- of bieptoon bij groen voetgangerslicht.

  • Aanbeveling: tactiel signaal via een vibrerend medium:
    De geluidscontext in stedelijke omgevingen is vaak nadelig voor een goed begrip. Geschikte vibrerende toestellen bestaan al en zijn al in heel wat landen ingevoerd.
  • De NHRPH vraagt ook de verplichte synchronisatie van de sonore verkeerslichten voor de oversteekbewegingen van voetgangers die in meerdere fasen gebeuren of – wanneer dat niet mogelijk is – de installatie van fysieke aanpassingen die de veiligheid van personen met een visuele handicap garanderen (zonder in detail te treden over de concrete aanpassingen, uit respect voor de bevoegdheidsdomeinen).

TITEL IV. ALLERHANDE BEPALINGEN - Art. 78. Signaleren van werken en verkeersbelemmeringen

In dit artikel moet de veiligheid van zwakke weggebruikers centraal staan - uiteraard opnieuw met respect voor de regionale en gemeentelijke bevoegdheden -, al was het maar door de voorgestelde toevoegingen in artikel 60 van titel III te herhalen.

Tot slot nog dit: de NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt nadrukkelijk om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking.

De NHRPH wenst vanwege de bevoegde Minister opvolging en feedback m.b.t. de aanbevelingen en verwachtingen geformuleerd in dit advies van de NHRPH.

4. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan de Federale Commissie voor de Verkeersveiligheid
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

  • Raadplegingen: 11

Advies 2021/33 - Excel HAN

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/33 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het routeplan van het programma Excel HAN, uitgebracht op de plenaire vergadering van 20/09/2021.

Advies op verzoek van Minister Karine Lalieux, per brief van 10 september 2021.

1. ONDERWERP

Het programma Excel HAN is gericht op het verbeteren van het kwaliteitsbeheer van de DG Personen met een handicap (DG HAN). 

2. ANALYSE

Op 7 juli 2021 hebben de toezichthoudende Minister, Karine Lalieux, en de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid, de heer Peter Samyn, een presentatie van 30 minuten over het programma Excel HAN aan de NHRPH gegeven. Daarna volgde een vraag- en antwoordsessie.

Op vrijdag 10 september 2021 om 19.46 uur werd het routeplan van het programma Excel HAN ter kennis van de NHRPH gebracht, met het verzoek een advies te formuleren tegen 20 september 2021 (d.w.z. binnen de vijf werkdagen). Dit eentalige NL document telt 250 pagina’s en ondersteunt een financieringsaanvraag voor de diensten van de FOD Sociale Zekerheid (meer bepaald de DG HAN) op het begrotingsconclaaf eind september.

Op de plenaire vergadering van 20 september 2021 hebben de voorzitter van de FOD en de projectleider de grote lijnen van het routeplan toegelicht, met een sterke nadruk op de ‘kwaliteit van de processen’ en ‘ondersteuning van de personen’ van het programma Excel HAN.

Beknopte samenvatting

P. 4: het programma Excel HAN beoogt een betere dienstverlening van de DG HAN aan personen met een handicap en andere sociale actoren. In het routeplan worden de draagwijdte en het beheer van het programma voor de komende twee jaar beschreven. Het betreft vooral:

  • het proces van toekenning van de ondersteuning verbeteren;
  • inclusief en vooral proactief communiceren, ook met onze partners in het werkveld;
  • gelijke rechten garanderen.

P. 5: fraudebestrijding, vermijden van fouten bij de aanvragers en bij de administratie (genoemde inspiratiebron: onderzoek Verenigd Koninkrijk)

Excel HAN voorziet in het volgende (p. 9 e.v.)

  1. Evaluatie van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap
  2. Versterking van het transversaal handicapbeleid è uitvoering van het Federaal Actieplan Handicap
  3. Versterking van het multidisciplinaire karakter van de evaluatie
  4. Modernisering van de erkenningsprocedure voor personen met een handicap:
    1. laagdrempelige aanvraagprocedure,
    2. proactieve aanpak bij de eerstelijnsdiensten,
    3. beheer van de behandelingstermijnen (zie Federaal Actieplan Handicap).
  5. Continuïteit van de evaluatie van de handicap
  6. Strijd tegen de non take-up (NTU)
  7. Verbetering van de toegankelijkheid van het onthaal en de informatie
  8. Toegang tot cultuur en vrijetijdsbesteding – European Disability Card
  9. ‘Handistreaming’ doorheen het federaal beleid
  10. Op cijfers en statistieken gebaseerde besluitvorming
  11. Gebruikers in het centrum van onze actie plaatsen
  12. Internationale promotie van de rechten van personen met een handicap

Ter herinnering: veel van deze maatregelen zijn ook prioriteit voor de minister (cf. federaal actieplan handicap van Minister Lalieux en advies 2021-25).

Excel HAN vertaalt alle ambities naar zeven werven.
Door middel van zeven werven – werkgebieden – wil Excel HAN de politieke ambities, bepaalde verwachtingen van de NHRPH en deze van de DG HAN zelf inlossen.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen optimalisatie- en projectinitiatieven (p. 16): de eerste vereisen geen organisatie, maar wel monitoring; voor de tweede is een specifiek werkkader nodig.

De zeven werven waarvoor actie vereist is:

1. Wegwerken van knelpunten in het proces: werk maken van

    • de toegang tot de nodige informatie en kwaliteit van de intake,
    • de wijze van evalueren en de kwaliteit van de evaluatie,
    • de ondersteunende IT-systemen.

2. Proactieve en inclusieve communicatie als antwoord op non take-up (NTU)

    • op die kanalen aanwezig zijn die de doelgroep verkiest,
    • de samenwerking en informatie-uitwisseling met de partners structureel organiseren,
    • intern beter afstemmen en communiceren.

3. Interne organisatie om een kwaliteitsvolle bijdrage te kunnen leveren aan het beleidsproces

    • de opvolging van het internationale beleid inzake personen met een handicap en de coördinatie in België van het VN-verdrag ter zake,
    • het coördineren en ondersteunen van het federale en interfederale beleid inzake personen met een handicap,
    • het onderzoeken, voorbereiden en evalueren van beleidsvoorstellen met betrekking tot de toekenning van tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

4. Nieuwe interne organisatie om efficiënter en effectiever te werken

De NHRPH vermeldt hier een zeer belangrijke passage uit het routeplan (p. 17): Om de ambities van Excel HAN te realiseren en de DG HAN op een hoger niveau te tillen, is een sterkere en meer gestructureerde interne werking nodig. Het gaat daarbij om degelijke planning, een heldere organisatiestructuur, leiderschap en communicatie, en kwaliteits- en databeheer.

Het inrichten van deze interne werking is een noodzakelijke voorwaarde om duurzame effecten te sorteren die met Excel HAN worden beoogd.

    • Databeheer en -exploitatie binnen een strategisch kader om de eigen werking te kunnen verbeteren en via kruising met data van anderen onderbouwde beleidsvoorstellen te kunnen formuleren
    • Het uitbouwen van een kwaliteitsbeleid op diverse vlakken: administratieve beslissingen, front office (contacten met het publiek) en evaluatie van de handicap
    • Het begeleiden van het personeel om te kunnen transformeren conform de ambities van Excel HAN
    • Het hertekenen van de organisatiestructuur om planmatiger en meer gestructureerd te werken

5. Stroomlijnen van de werkwijze om iedereen gelijke kansen te garanderen in de toekenning van rechten

De NHPRH citeert hier ook volgende passage (p. 18): de afgelopen jaren (...) reorganisatie van de dienstverlening in basisteams per regio en een evolutie naar zelforganiserende basisteams. Het ontbrak echter aan een eenheid van visie op dienstverlening en aan een afstemming op het niveau van de processen, van de kwaliteit en kwantiteit van de interne werking en van governance (aansturing en opvolging).

    • de processen van toekenning van rechten eenvormig maken en opvolgen, en transparantie hierover bereiken binnen en over de basisteams heen;
    • de beslissingsgronden voor de toekenning van rechten op elkaar afstemmen door middel van informatie- en kennisdeling, en door een kwaliteitsbeleid te introduceren;
    • de verantwoordelijkheid en de accountability van de procesmedewerkers en -eigenaars definiëren. 

6. Goede dienstverlening gegarandeerd, ook in het anders werken in het postcoronatijdperk:

    • flexibele werking voor de werknemers.

7. Versterken van de werking dankzij de samenwerking met de centrale diensten:

    • communicatie,
    • adequate ICT-middelen,
    • het behalen van de drempel van 3 % op het vlak van inclusieve tewerkstelling.

De zeven werven worden in het routeplan toegelicht en technisch verder uitgediept in de dossiers bij het routeplan.

Link Excel HAN en TRIA (p. 19)
TRIA is een programma naast Excel HAN en maakt er dus geen deel van uit. Maar het ICT-systeem van de DG HAN is daar wel onlosmakelijk mee verbonden . Momenteel is dit nog Tetra voor de administratieve opvolging van de dossiers, maar tegen 2023 is de overgang naar TRIA gepland. In de scope van TRIA is voorzien dat in een eerste fase tot 2023 een kopie van Tetra wordt gemaakt (benadrukt de NHRPH) binnen de nieuwe technologie. Nadien kunnen aanpassingen en ontwikkelingen aan TRIA nog worden geïmplementeerd, maar deze moeten nog duidelijk worden ingepland, geprioriteerd en gebudgetteerd. TRIA wordt nu geconcipieerd volgens het principe van build for change, zodat verbeteringen in de processen gemakkelijker dan voorheen kunnen worden verwerkt.

Noodzakelijke investeringen (p. 20) 

Van de 129 extra VTE's (voltijds equivalenten) die worden gevraagd, is het overgrote deel medewerkers die de grote nood aan begeleiding van de kwetsbare groep moeten opvangen (42 maatschappelijk assistenten en 2 medewerkers met focus op non take-up) en om te evolueren naar multidisciplinaire evaluaties (31 assistenten in evaluatie). Goed voor ongeveer 60 % van alle aangevraagde VTE’s. Voor het gemeenschappelijk secretariaat van de NHRPH en het BDF zijn drie extra universitaire attachés (2 NL en 1 FR) voorzien.

Governance (p. 22)

Verschillende principes; de NHRPH wijst op de volgende: 

  • integratie van de werven en de acties,
  • betrokkenheid van externe stakeholders, onder wie de NHRPH:
    • p. 25: De NHRPH is als officieel adviesorgaan betrokken bij de werking van de DG HAN. Het is dan ook meer dan normaal dat we transparant naar hen communiceren en hun advies meenemen en cours de route.
      Concreet door:
      • hun advies te vragen over het routeplan van Excel HAN,
      • hen structureel te informeren over de vooruitgang van Excel HAN,
      • waar opportuun hun advies te vragen rond de uitwerking van de onderliggende projecten en optimalisaties,
      • hen op te nemen in het op te richten expertenpanel ter begeleiding van Excel HAN.
  • het organiseren en beheersen van de operationele activiteiten van de DG HAN maakt geen deel uit van Excel HAN; dit behoort toe aan het management van de DG HAN,
  • vooraf vastgestelde kwaliteitsnormen,
  • de organisatie en beheersing van het programma Excel HAN is in handen van een management board, een programmateam en de verschillende projectteams,
  • raadplegen van de stakeholders: systematisch de toezichthoudende minister, de NHRPH als lid van een expertenpanel.

De zeven werven leiden tot 38 geïdentificeerde gewenste effecten (p. 27 e.v.). 

Definiëren van de KPI's - indicatoren (p. 29 e.v.) 

Communicatie met het personeel en change management (p. 31 e.v.)

Projectfiches - bijlagen 

3. ADVIES 

Een zeer technisch advies over de werking en het beheer van de DG HAN. Om redenen van vertrouwelijkheid mag in het advies niet worden verwezen naar de werknota – roadmap – waarop het advies is gebaseerd. De NHRPH is zich ervan bewust dat het advies hierdoor moeilijker te lezen is. 

Een advies dat in een veel te korte tijd moet worden uitgebracht 

De voorgelegde documenten beslaan ongeveer 250 A4-pagina’s in één taal. De NHRPH kon onmogelijk alle documenten naar behoren analyseren binnen een tijdsbestek van vijf werkdagen. Dit is onaanvaardbaar gelet op het belang van het programma Excel HAN. 

Over de noodzaak van het plan

In de inleiding van het document leest de NHRPH over de ambitie om met dit programma fraude te bestrijden en fouten bij de administratie en de aanvragers te vermijden. Er worden cijfers over de situatie in Groot-Brittannië vermeld. Volgens de NHRPH moeten we oppassen met extrapolaties op basis van studies uit een specifieke context. De NHRPH zou daarentegen graag beschikken over de cijfers voor de DG HAN en in het bijzonder het aantal fouten bij de administratie (dat in Groot-Brittannië bijzonder laag is). Het is bovendien algemeen bekend dat bestrijding van sociale fraude de Staat veel minder opbrengt dan bestrijding van fiscale fraude met een strenge aanpak en middelen. Niettemin vindt de NHRPH dat wie de doelstelling van de reglementering omzeilt, moet worden gestraft. 

De NHRPH vindt dat het programma Excel HAN in de eerste plaats moet streven naar een fundamenteel betere toegang tot de rechten, een correcte toepassing van de reglementering en een gelijke behandeling van alle personen met een handicap. Dit vereist geharmoniseerde methoden en werkprocessen om binnen een redelijke termijn kwaliteitsvolle beslissingen te kunnen nemen. Het vereist ook een nieuw management, wat al jaren schromelijk ontbreekt in de DG HAN. 

Verschillende projecten, die overigens in het routeplan zijn opgenomen, werden opgestart maar niet afgerond of hebben nauwelijks vooruitgang geboekt, bij gebrek aan middelen en een duidelijk onderzoekskader. Op verschillende punten is de NHRPH het ook helemaal niet eens met de analyse van 3.5 (p. 13 e.v.). Twee punten kan de NHRPH niet zomaar laten passeren: 

  1. de stijging van de werklast is vooral te wijten aan een stijging van het aantal aanvragen voor een erkenning van de handicap en de voordelen die eraan gekoppeld zijn è dit suggereert dat het hebben van het statuut van persoon met een handicap toegang geeft tot ‘een mooi leven’! Nogmaals: personen met een handicap krijgen geen voordelen maar – zeer gedeeltelijke – compensaties (cf. Handilab-studie) voor een omgeving vol belemmeringen.
  2. de voorbije jaren werd de toenemende werklast in combinatie met een vermindering van de resources gecompenseerd door een stijging van de productiviteit è uit de cijfers die maandelijks aan de NHRPH worden verstrekt, blijkt dat de achterstand gestaag groeit: thans duurt het voor meer dan 15.000 dossiers langer dan zes maanden voor ze zijn behandeld.

Het programma is opgebouwd rond verschillende assen – kwaliteit van de beslissingen en processen, gegevens, strijd tegen NTU en multidisciplinaire evaluatie (massale werving), communicatie en loonsverhoging voor de artsen. Deze prioriteiten gaan gepaard met ambitieuze middelen om geschikt personeel te werven. De NHRPH wijst erop dat het belangrijk is om bij wervingen rekening te houden met de werkelijke belangstelling van de kandidaten voor de uitdagingen in verband met zelfredzaamheid en inclusie van personen met een handicap, en deze factor zwaar te laten doorwegen. Dit is essentieel voor het welslagen van de projecten. De NHRPH vestigt ook de aandacht op de bestaande expertise in veel verenigingen voor de rechten van personen met een handicap en op de mogelijkheid om dienstverleningsovereenkomsten voor bepaalde opdrachten te onderzoeken. 

De NHRPH vindt dat het programma Excel HAN in dit opzicht de doelstellingen van de Minister (cf. Federaal Actieplan Handicap) ondersteunt, die op hun beurt voortvloeien uit het regeringsakkoord. Dit programma biedt ook een gedeeltelijk antwoord op de kritiek (kwaliteit, toegang tot de rechten, …) van de opeenvolgende verslagen van de externe consultants, de federale interne audit (FIA) en het Rekenhof van de laatste jaren. De NHRPH herinnert eraan dat al deze opeenvolgende verslagen gewag maakten van de noodzaak het management van de dossierbehandelende teams te verbeteren. Het programma Excel HAN is evenwel geen managementplan voor zelfsturende teams. Dit is nochtans een even essentiële prioriteit volgens de NHRPH, waarop hij later zal terugkomen bij de nieuwe directeur-generaal die zal worden aangewezen. In dit verband wil de NHRPH uitleg bij p. 16: er wordt een onderscheid gemaakt tussen optimalisatie- en projectinitiatieven: de eerste vereisen geen organisatie, maar wel monitoring; voor de tweede is een specifiek werkkader nodig. De NHRPH wil weten wat de optimalisatieprojecten zijn.

Het plan zal twee jaar duren. Wat gebeurt daarna op het vlak van opvolging van de projecten, teams, het nieuwe management?   

De NHRPH benadrukt dat het, indien het budget niet wordt verkregen, essentieel is prioriteit te geven aan de projecten die de kwaliteit van de beslissingen direct beïnvloeden: wordt niet voldaan aan deze indicator, dan rijst de vraag of het project moet blijven behouden.

Over de doelstellingen van het plan – de zeven werven

Bepaalde projecten of bepaalde aspecten ervan zijn niet duidelijk voor de NHRPH. Het is evenwel onmogelijk om binnen het tijdsbestek een uitputtende lijst van vragen en aanbevelingen voor elk project op te stellen. Op de volgende pagina’s beperkt de NHRPH zich tot enkele aspecten die volgens hem van groot belang zijn in het vroegste stadium van de uitvoering van het project.

1. ‘Knelpunten’

Volgens de NHRPH zijn de vastgestelde knelpunten juist, maar wellicht niet exhaustief. Hoe werden ze geïdentificeerd? Werden andere knelpunten vermeld maar niet behouden? 

Voor het knelpunt ‘toegang tot informatie’ herinnert de NHRPH, wat communicatie betreft, aan het belang van easy to read en gebarentaal, en aan de zorg die moet worden besteed aan communicatie op het internet en via de partners. De NHRPH wijst ook op de versnippering van bevoegdheden en de noodzaak om gezinnen duidelijk te informeren over ‘wie wat doet’ in België. 
De communicatie van de DG HAN moet worden afgestemd op de communicatie van de Gewesten en veel vroeger plaatsvinden. Het recente voorbeeld van de verlaging van de minimumleeftijd voor de inkomensvervangende tegemoetkoming/integratietegemoetkoming (IVT/IT) naar 18 jaar toont de noodzaak aan van een geïntegreerde en proactieve communicatie om het pingpongspel tussen de deelgebieden na de inwerkingtreding van de maatregel te vermijden.

De NHRPH gaat ook in op de termen in de externe en interne communicatie!
In het document is er vaak sprake van klanten en voordelen: NEEN!!!! We spreken over burgers en compensaties
De maatschappij is immers niet inclusief: het openbaar vervoer is niet toegankelijk, de werkgevers erkennen onvoldoende de competenties van personen met een handicap, er zijn geen aangepaste lokalen en geen aangepast onderwijs op school, ... De huidige maatschappij leidt tot uitsluiting en armoede voor personen met een handicap! Er is een tussenkomst van de Staat nodig om dit recht te trekken. Er worden geen ‘voordelen’ verstrekt aan ‘klanten’, wel compensaties aan mensen die net als de anderen burger willen zijn en toegang willen krijgen tot de goederen en diensten die in theorie voor iedereen zijn! Er moet werk worden gemaakt van de vertegenwoordiging van de handicap in de FOD – op alle niveaus van de hiërarchie. De verbintenis op het vlak van werving van personen met een handicap moet dus ook worden nagekomen. De NHRPH neemt nota van de wil om de doelstelling van de drempel van 3 % tegen 2024 te behalen.

Voor het knelpunt ‘medische evaluatie’ herinnert de NHRPH aan zijn advies 2020-12. Het baart de NHRPH overigens zorgen 16 maanden na zijn advies nog steeds geen nieuws te hebben over de eerste resultaten. Uit feedback van het werkveld blijkt dat bepaalde artsen het verlies van verdienvermogen nog steeds op een heel eigen manier interpreteren. Zo is er volgens sommigen geen sprake van verlies van verdienvermogen bij personen in maatwerkbedrijven, personen met aangepast werk of personen die in een zeer specifieke context werken (aangepaste uren, aangepaste werkplek, …). Evenzo wordt wie aangepast werk zou kunnen doen, niet erkend (om hen niet te ‘ontmoedigen’ om werk te zoeken!), worden studenten niet erkend omdat zij nog geen diploma hebben of net omdat zij een opleiding volgen! In het verleden had het voorbeeld van iemand met 16 punten voor de IT die niet werd erkend als iemand die 2/3 van zijn verdienvermogen had verloren, zeer felle reacties in de sector uitgelokt! 
De NHRPH hamert op nuttige samenwerkingsverbanden met de referentiecentra die de behoeften van hun gebruikers goed kennen. Een dergelijke samenwerking zou veel tijd kunnen besparen in het evaluatieproces.  

De NHRPH staat ook stil bij het juridische knelpunt van de toepassing van de wet van 27 februari 1987. Dit aspect komt nauwelijks aan bod in het programma, terwijl de verwachtingen van het werkveld al jaren hooggespannen zijn. In veel adviezen wijst de NHRPH erop dat de tekst, die onbegrijpelijk is geworden en waarvan de toepassing ongewenste gevolgen met zich meebrengt, volledig moet worden hervormd. Deze hervorming moet beslist verder gaan dan de reeds uitgevoerde evaluatie. Een ‘nuttige’ herschrijving van de wet veronderstelt ook minder administratieve – want momenteel erg omslachtige – controles, zodat de dossiers sneller kunnen worden behandeld (cf. lopende BELMOD-studie waarvan de resultaten volgend jaar worden verwacht).

Tot slot heeft de NHRPH voor het IT-knelpunt in twee brieven aan de Minister en de voorzitter van de FOD zijn grote bezorgdheid geuit over de resultaten van de werkzaamheden voor TRIA. De NHRPH verwijst naar de inhoud van deze twee brieven en wacht op een vergadering met de administratie en het kabinet van de Minister.  

2. Communicatie en strijd tegen NTU 

De acties hebben betrekking op de communicatiekanalen, maar hoe zit het met de acties betreffende de inhoud zelf van de informatie: reglementering, procedures, deskundigheid van de medewerkers, kwaliteit van de informatie, aandacht voor de afgeleide rechten, …?

Voor cruciale informatie moet FALC en gebarentaal worden veralgemeend en moet altijd worden gelet op de benaderingswijze van personen met een handicap: het is belangrijk de juiste woorden – burgers en compensaties in plaats van klanten en voordelen – en beelden (valkuilen bij visuele en schriftelijke communicatie: het stereotype van de PMH als rolstoelgebruiker, paternalisme, …) te gebruiken.

Deze communicatie gaat verder dan de dienstverlening van de DG HAN en moet worden uitgebreid tot de hele FOD (en de hele regering, zoals het trouwens in het Federaal Actieplan Handicap staat): is dit geen opdracht die ook door de FOD zou kunnen worden uitgevoerd en waarvoor ook extra personele middelen nodig zijn? 

3. Interne organisatie om een bijdrage te leveren aan het beleidsproces

Het zou nuttig zijn gestructureerd samen te werken met het Belgian Disability Forum (BDF) en de NHRPH om het nationale en internationale beleid op te volgen en te verrijken: het is in het belang van de Minister en haar administratie om standpunten te verdedigen die de verwachtingen van personen met een handicap en hun gezin inlossen. In het verleden hebben de NHRPH en het BDF in de pers gereageerd op standpunten die anders hadden kunnen uitvallen indien zij vooraf met het maatschappelijk middenveld waren besproken. Uiteraard zijn voor dit participatieproces ook personele middelen (nota's, overleg, …) nodig.

4. Nieuwe interne organisatie om efficiënter en effectiever te werken

De NHRPH stelt nadrukkelijk dat het beheer van de aanvragen tot sociale tegemoetkomingen en compensaties de hoofdtaak van de DG HAN blijft. Momenteel is de kwaliteit van de beslissingen niet gewaarborgd: in zijn verslag van 2018 wees de FIA met name op een verschillend dossierbeheer tussen taalrollen, niet overeenstemmende medische evaluaties, administratieve methoden die verschillen naargelang de teams, …: deze manier van werken garandeert geen gelijke toegang tot rechten tussen burgers (cf. advies 2019-02). Uit het project Ambassadeur van DG HAN zelf bleek dat slechts 6 op de 10 beroepsbeoefenaars tevreden waren over de kwaliteit van de informatie van de DG HAN. 

De NHRPH maakt zich ook zorgen over de toegenomen achterstand bij het behandelen van dossiers: momenteel overschrijdt de behandelingstermijn voor bijna 15.000 dossiers zes maanden. Meer dan 5.000 personen met een handicap wachten zelfs al meer dan een jaar op een beslissing. 

De NHRPH volgt met aandacht de ontwikkeling van het statistische deel. Vooralsnog ontbreekt dit schromelijk, waardoor beleidsprogrammering en anticipatie niet mogelijk zijn. De NHRPH herinnert ook aan de noodzaak om de databanken te harmoniseren en te integreren in de databanken van de Gewesten en vraagt om zeer snel bij de denkoefening te worden betrokken. 

Tot slot benadrukt en onderschrijft de NHRPH volledig het programma op p. 17: Om de ambities van Excel HAN te realiseren en de DG HAN op een hoger niveau te tillen, is een sterkere en meer gestructureerde interne werking nodig. Het gaat daarbij om degelijke planning, een heldere organisatiestructuur, leiderschap en communicatie, en kwaliteits- en databeheer. Het inrichten van deze interne werking is een noodzakelijke voorwaarde om duurzame effecten die met Excel HAN worden beoogd, te sorteren. Voor alle duidelijkheid: het volstaat met andere woorden niet nieuwe profielen te werven, ook het niveau van de reeds aanwezige werknemers moet worden opgetrokken. Dit gebeurt gedeeltelijk ook door middel van partnerschappen met gebruikersorganisaties. 

5. Stroomlijnen van de werkwijze om iedereen gelijke kansen te garanderen in de toekenning van rechten

De – zelfsturende – teams die op gedecentraliseerde standplaatsen en voornamelijk op afstand werken (telewerk), hebben duidelijke doelstellingen nodig, medewerkers die zeer zelfstandig (strenge opleidingen, geïntegreerde werkmethoden, ...) maar ook als team kunnen werken, zelfs op afstand. Intensieve coaching is broodnodig. De NHRPH wil erop wijzen dat hij zich bewust is van de goede wil van de medewerkers en van hun professionele inzet; de voorbije jaren hebben ze zich zeer flexibel moeten opstellen om de opeenvolgende projecten te integreren (management, IT, vertrekken naar aanleiding van de staatshervormingen). Hoe reageren de teams op deze nieuwe aangekondigde hervorming? Personele middelen voor de begeleiding van de oudere werknemers zijn zeker nodig. De nieuwe procedures moeten regelmatig worden opgevolgd en geëvalueerd, en de NHRPH moet reacties uit het werkveld kunnen overbrengen. Is dit opgenomen in Excel HAN?  

6. Goede dienstverlening gegarandeerd, ook in het postcoronatijdperk

Voor de NHRPH moeten flexibiliteit, begeleiding en opvolging zeer goed op elkaar worden afgestemd. Alle studies die pleiten voor telewerk, wijzen ook op de beperkingen ervan: interpersoonlijke fysieke contacten zijn een meerwaarde voor het werk die virtuele contacten niet bieden. De menselijke dynamiek van de groep zal bepalend zijn in de hervorming van de werven door de DG HAN. 
Bovendien werden tijdens de gezondheidscrisis steeds meer dossiers op stukken geëvalueerd. Werden hieruit lessen op lange termijn getrokken?  

7. Versterken van de werking dankzij de samenwerking met de centrale diensten

De NHRPH heeft geen opmerkingen. Hij vestigt de aandacht op het belang van de vertaaldienst omdat de NHRPH zijn documenten minstens in het Frans en het Nederlands moet verstrekken, en het BDF daarnaast ook vaak in het Engels. 

In het kader van het thema samenwerking wil de NHRPH ook de samenwerking en onderaanneming met verenigingen aansnijden. Voor heel wat projecten beschikken de verenigingen over knowhow (behoeften van de personen met een handicap, uitdagingen, angsten, verwachtingen, …). Het zou nuttig zijn deze regelmatig uit te wisselen met de diensten van de DG HAN en de FOD in het algemeen. Zijn samenwerkingsverbanden in die zin te overwegen? 

Over de link Excel HAN – TRIA

De NHRPH wijst erop dat het belangrijk is dat TRIA op termijn de gevolgen van veranderingen als gevolg van Excel HAN kan integreren. De NHRPH vreest dat het TRIA-project in een eerste (kortere of langere?) fase enkel de TETRA-schermen zal integreren. Dit was niet zo gepland! Hoe flexibel zal de tool zijn? Hoe zal TRIA de bijdragen van de Excel HAN-projecten kunnen integreren? Wat zullen de gevolgen zijn voor personen met een handicap? Hoe zullen zij toegang krijgen tot hun dossier (TETRA laat dit nauwelijks toe), ...? In het verleden heeft de NHRPH zeer vaak te horen gekregen dat brieven, beslissingen, My Handicap niet konden worden gewijzigd met de TETRA-informaticatool ... Als de ambitie van TRIA niet overeenkomt met die van Excel HAN, zal de burger beslist niets voelen van de administratieve vereenvoudiging die het project Excel HAN nastreeft.

Over de vereiste investeringen

De NHRPH stelt vast dat de versterking van de sociale teams in het werkveld een belangrijke prioriteit is. Er werd eindelijk gehoor gegeven aan deze oude eis, die al vaak in de adviezen werd herhaald (cf. onder meer advies 2016-08)! De NHRPH benadrukt ook de noodzaak om samen te werken met de gebruikersorganisaties – die uiteraard goed op de hoogte zijn van de uitdagingen in het werkveld – en om echte partnerschappen op te zetten. Deze gebruikersorganisaties worden niet genoemd in de nota. Dit is een grote lacune. 

Ook de multidisciplinaire teams zullen sterk worden uitgebreid. De NHRPH dringt erop aan dat er niet alleen paramedische profielen worden gekozen, maar wel vooral personen die het dagelijkse leven van personen met een handicap kennen alsook hun concrete moeilijkheden om hun zelfredzaamheid te doen gelden en aan de samenleving deel te nemen. De NHRPH dringt nogmaals aan op nuttige samenwerkingsverbanden met de referentiecentra. Dit zou de kennis van de multidisciplinaire teams aanzienlijk kunnen vergroten en de behandelingstijd van dossiers verkorten. 

De NHRPH zou ook graag weten door welke profielen de werven 4 (interne organisatie) en 5 (stroomlijnen van de processen) zullen worden begeleid.

De NHRPH merkt tevens op dat gehoor werd gegeven aan een van zijn verwachtingen sinds jaren: de aanwerving van 3 VTE’s bij het gezamenlijke secretariaat van de NHRPH en het BDF ter vervanging van de verdwenen collega’s van de afgelopen jaren (pensioneringen en overplaatsingen van personeel).

De NHRPH vraagt om aan de motivering in punt 5.2 toe te voegen dat de werving bij het gezamenlijke secretariaat van de NHRPH en het BDF beantwoordt aan de nieuwe uitdagingen van de ontwikkeling van de Excel HAN-werven, maar ook en vooral aan de uitvoering van het UNCRPD, het Federaal Actieplan Handicap, de groeiende uitdagingen van de participatieve democratie. De NHRPH wijst er ook op dat het secretariaat momenteel niet acht, maar zeven werknemers telt. 

Over de governance

De integratie van de werven en projecten is uiteraard essentieel voor het slagen van het programma Excel HAN. In het verleden werden projecten ‘uit het niets’, zonder visie, zonder opvolging (bijv. project Gallery, nudging-project) voorgelegd aan de NHRPH. Na een periode van communiceren volgde doorgaans een lange stilte, zonder duidelijkheid over wat er ging gebeuren. Voor de burgers veranderde er met deze projecten niets of bijna niets. 

Uiteraard leidt de betrokkenheid van de stakeholders tot een betere afstemming van de projecten op de behoeften van de burger. Daartoe moet de communicatie duidelijk zijn, moet actie volgen op de uitwisselingen, en moet het project tijdens de uitvoering ervan ook regelmatig worden afgetoetst bij de verenigingen en de personen met een handicap zelf. Om een zeer concreet, bij de NHRPH goed gekend voorbeeld te geven: de European Disability Card. Het volstaat niet te communiceren over het bestaan van deze kaart, ook de scope ervan moet worden uitgebreid en de partners moeten worden aangemoedigd hun dienstverlening toegankelijker te maken.

De NHRPH leest dat ‘het organiseren en beheersen van de operationele activiteiten toebehoort aan het management van de DG HAN’. Hij wijst op de overlappingen, het ‘niemandsland’ en de mogelijke grijze zones voor de werven 4 (interne organisatie) en 5 (rationaliseren van de processen). Om een concreet voorbeeld te nemen voor het beheer: wie is verantwoordelijk voor de organisatie van de teams en de doelstellingen van de dossierbehandeling? 
De NHRPH acht het nuttig om van meet af aan de respectieve actiekaders te identificeren. De NHRPH wenst te weten welke verantwoordelijkheden aan Excel HAN en de DG HAN zullen worden toegekend. Voorts wil de NHRPH graag uitleg bij de zin (p. 23): “Waar de governance van de projecten wordt geïntegreerd in de projectwerking zelf, zal de governance van de optimalisatie-initiatieven geïntegreerd worden in deze van Excel HAN.” Concrete voorbeelden zouden welkom zijn.

De NHRPH wil graag weten welke normen de cel EPMO van de FOD Sociale Zekerheid aanbeveelt voor de opvolging van de werven en acties (projectmethodologie, tools en modellen, opvolging en verslagen, communicatie en change, ...). De NHRPH wil weten in welke mate deze normen rekening houden met de specifieke behoeften van alle personen met een handicap, ongeacht hun handicap.

De NHRPH herinnert aan zijn reglementaire opdracht: het advies van de NHRPH moet altijd worden gevraagd en de NHRPH moet structureel worden betrokken bij de opvolging van de dossiers.
Het is van wezenlijk belang dat de NHRPH een correct en volledig beeld van de governance-cyclus kan krijgen. De NHRPH moet zijn adviserende rol vervullen met volledige kennis van de situatie. Een zetel in het expertenpanel is niet de geschikte plaats. Ook begrijpelijke informatie is essentieel voor de NHRPH. De NHRPH wil de zeer teleurstellende en onvruchtbare ervaring van het TRIA-stuurcomité niet herbeleven: de raadpleging van het stuurcomité was een voorwendsel; de strategische beslissingen werden systematisch hogerop genomen.
Voor de NHRPH mag het expertenpanel niet enkel uit artsen bestaan, maar moeten er ook beroepsbeoefenaars uit het werkveld (maatschappelijk assistenten, mantelzorgers, revalidatiecentra, …) in zitten. 

De NHRPH hamert er nogmaals op dat de conclusies van de auditverslagen, meer bepaald van de FIA en het Rekenhof, hoognodig moeten worden geïntegreerd.

Over het risicobeheer 

De fasering lijkt erg zwaar. Er mag niet meer energie in controle worden gestoken dan in actie. 
Een regelmatige, volledige en eerlijke, informelere, maar reële rapportage aan de verschillende stakeholders daarentegen zou zeer op prijs worden gesteld en motiverend werken. 

Over de verwachte gevolgen

De 38 voorgestelde gevolgen zijn a priori bevredigend, maar voor elk gevolg moet zeker worden onderzocht wat ze betekenen (sommige gevolgen zijn verrassend of vragen op het eerste gezicht meer uitleg, bijv. 7, 31, 33) en wat de draagwijdte ervan is. De NHRPH kan dit aspect niet behandelen in dit advies (tijdgebrek) en vraagt een ontmoeting over dit onderwerp.

Over de indicatoren 

Ook hiervoor is er te weinig tijd. Er moet van gedachten worden gewisseld met de NHRPH over de verduidelijking en vaststelling van de indicatoren.

Over de communicatie met het personeel en change management 

De NHRPH dringt aan op begeleiding bij de verandering (weerstand, stress, begrip, ...) in de bijzondere context van telewerk. Deze dimensie vindt de NHRPH onvoldoende terug in de projecten. Tegelijk valt deze bevoegdheid misschien buiten Excel HAN en zal de directeur-generaal deze op zich nemen. De NHRPH wenst opheldering hierover.  

Over de gekozen projecten – fiches – bijlagen

Wegens tijdgebrek kunnen de projectfiches niet worden geanalyseerd. 

De NHRPH stelt vast reeds adviezen over bepaalde projecten te hebben uitgebracht, te hebben deelgenomen aan workshops en informeel aanbevelingen te hebben geformuleerd (zonder officieel advies gezien de evolutie van het project) in het kader van de ‘operationele prioriteiten 2020 - 2021’ van de DG HAN. Heel wat projecten worden thans verlengd en waarschijnlijk beter omkaderd via Excel HAN.

De NHRPH hamert erop dat voor de projecten die worden voortgezet of hervat, de verwachte gevolgen goed moeten worden afgestemd op de werkelijke en niet de veronderstelde behoeften van de personen met een handicap. 

Over wat de NHRPH ook belangrijk vindt om in het programma te vermelden en wat hij er niet (of onvoldoende) in terugvindt 

  1. Een sterker engagement voor de hervorming van de wet van 27 februari 1987. Een evaluatie van de wet volstaat niet meer. Deze vond trouwens een paar jaar geleden reeds plaats en er werden conclusies uit getrokken. De Minister en de voorzitter van de FOD weten wat de NHRPH verwacht. De NHRPH herhaalt dat de tegemoetkomingen ver onder de armoedegrens liggen en dat de wet geen levensprojecten voor personen met een handicap mogelijk maakt. De NHRPH benadrukt dit sterk, omdat personen met een handicap hun zelfredzaamheid waarschijnlijk voor het leven verloren hebben: hun situatie is niet tijdelijk.
  2. Prioritering van de Het programma is omvangrijk en het budget moet eerst naar projecten gaan die een kwaliteitsvolle toekenning van de tegemoetkomingen waarborgen (efficiëntie, doeltreffendheid en snelheid).
  3. Opvolging van de betrokkenheid van het personeel bij de nieuwe hervormingen. Zal de directeur-generaal hiervoor bevoegd zijn?
  4. Gestructureerde samenwerkingsvormen met gebruikersorganisaties en referentiecentra om de daar aanwezige expertise te benutten.
  5. De vervanging van het verdwenen personeel bij het gemeenschappelijk secretariaat is toegezegd. De NHRPH benadrukt dat het ook een persoonlijke verbintenis van de Minister is. In ieder geval moet deze worden gerespecteerd.

Bij wijze van besluit 

Het is de eerste keer dat een document werd opgesteld met uitleg over de visie van de FOD en de middelen om de doelstellingen te behalen. Indien de aanpak echt vernieuwend is en er lering werd getrokken uit de tegenslagen van eerdere actieplannen en projecten, zal het programma tot resultaten leiden. 

Het is duidelijk dat de FOD en de Minister ‘de koe bij de hoorns moeten vatten’ en de middelen voorzien om verandering mogelijk te maken: de vele disfuncties bij de DG HAN die de voorbije jaren werden vastgesteld door de audits en de opeenvolgende ministers, vereisen een duidelijke visie, met doelstellingen en acties waarvoor noodzakelijkerwijs personele middelen nodig zijn. De programmering sluit aan bij het credo van de regering: ‘niemand achterlaten’. Het is duidelijk dat het wantrouwen op het werkveld ten opzichte van de DG HAN steeds tastbaarder wordt. Een strikt management is essentieel om het imago van de DG bij het betrokken publiek – personen met een handicap en stakeholders – op te krikken.

De NHRPH beschouwt deze hervorming dus als een blijk van groot respect voor de inzet van de werknemers van de DG HAN – zij hebben zich in het verleden ingespannen om het beste van zichzelf te geven. Dit plan zorgt ervoor dat zij beter zullen worden ondersteund. 
Het is ook een teken van respect voor de partners rond de DG HAN: ziekenfondsen, verenigingen, OCMW's en gemeenten, sociale diensten in de ziekenhuizen, rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen (RVT’s), … Zonder hen zouden personen met een handicap niet kunnen worden begeleid bij het activeren van hun rechten. 
Tot slot ook een teken van respect voor de personen met een handicap en hun gezin: de reglementering voorziet in een toekenningssysteem om personen met een handicap meer zelfredzaam te maken. Door hun gemakkelijk toegang tot hun rechten te geven en de bestaande voorzieningen correct uit te voeren, kunnen zij tijd en energie vrijmaken voor de echte uitdagingen in hun leven: een opleiding volgen, werken, een gezin stichten. En zich gewoonweg ook volwaardig burger voelen.

De NHRPH vraagt ook de externe visie van de FIA, die het verleden van de DG HAN goed kent.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Peter Samyn, voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste minister, en aan de vice-eersteministers
  • Ter informatie aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 14

Advies 2021/32 - Scan cars

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/32 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de scancars en het gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap, wegens hoogdringendheid uitgebracht na raadpleging van de leden per e-mail van 28/10/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH ontvangt steeds vaker klachten van personen met een handicap die beboet worden voor het parkeren met een parkeerkaart voor personen met een handicap na parkeercontrole door een zogenaamde scancar.

2. ANALYSE

De NHRPH heeft de kwestie van de scancars, de lage-emissiezones (LEZ) en de impact ervan op de personen met een handicap (PMH) al uitgebreid besproken in zijn advies 2020-04. De NHRPH herhaalde zijn standpunt in zijn advies 2021-25 over het Federaal Actieplan Handicap van Minister Lalieux.

Jammer genoeg stelt de NHRPH vast dat de problemen voor PMH alleen maar zijn toegenomen.

Over het parkeerbeleid voor PMH bracht de NHRPH al in 2015 het advies 2015-20 uit. De toepassing van het parkeerbeleid is de bevoegdheid van de steden en gemeenten. Dat brengt met zich mee dat de parkeerregels van gemeente tot gemeente zwaar kunnen verschillen en dat de PMH nooit zeker is van de geldende regels over de gewone parkeerplaatsen, voorbehouden plaatsen voor PMH, het prijskaartje (gratis of niet?), de duur (beperkt in tijd of niet?), de bewonerskaart enz. De rechtsonzekerheid is dus aanzienlijk.

Zo zijn er zogenaamde ‘rode zones’ waar je voor een zeer beperkte tijd tegen betaling mag parkeren, bijvoorbeeld 2 uur, zoals in Koksijde. Voor PMH en personen met een beperkte mobiliteit in het algemeen is dat simpelweg te weinig tijd, bijvoorbeeld voor boodschappen. Ook in andere steden verschijnen rode zones.

In zones waar de bewonerskaart van kracht is kunnen PMH zonder bewonerskaart helemaal geen gebruik maken van hun parkeerkaart voor PMH. Overtredingen leiden daarbij tot boetes.

De verschillende beleidskeuzes van gemeentes maken correct parkeren al jaren erg moeilijk, want de gemeente- en stadsgrenzen zijn meestal niet goed aangeduid. Denk maar aan de verschillende gemeentes van Brussel.

De auto wordt ook steeds meer geweerd uit de centra van gemeenten en steden, bijvoorbeeld in voetgangerszones, waarbij parkeerplaatsen verdwijnen, ook die voor PMH.

Hier komt dus nu nog bij dat gemeentes steeds vaker parkeercontroles uitvoeren via scancars. Scancars scannen niet de Europese parkeerkaart voor PMH, maar de nummerplaat van de wagen. Op die manier gaat men na of de auto met die geregistreerde nummerplaat ergens al dan niet mag parkeren en onder welke voorwaarden. Mensen moeten hun nummerplaat dus ook vooraf registreren bij de gemeente.

De Europese parkeerkaart voor personen met een handicap is echter niet gelinkt aan een nummerplaat, maar aan de persoon. PMH hebben niet altijd een eigen wagen en doen vaak een beroep op vrienden en familie voor hun verplaatsingen. Daarbij mogen zij de kaart gebruiken bij het parkeren. Controle van de kaart is trouwens eenvoudig geworden dankzij een webapplicatie.

Steeds meer steden en gemeenten in het hele land vragen om één of maximaal 2 nummerplaten op te geven om te mogen parkeren als PMH. En dat dus voor elke aparte stad of gemeente! De facto wordt het gebruik van de parkeerkaart zo onderworpen aan bijkomende beperkende voorwaarden: een beperking van het aantal auto’s (en dus van vrienden en familieleden die de PMH mogen vervoeren) voor het persoonlijk vervoer en een verplichte registratie in elke stad en gemeente waar de PMH wil parkeren. Deze gemeentelijke regels hollen het principe van de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap uit.

De NHRPH verneemt wel dat PMH die een boete krijgen na een scancarcontrole die boete vaak succesvol kunnen laten kwijtschelden, toch wanneer de andere lokale parkeerbepalingen zijn gerespecteerd. Dat vraagt dan wel het initiatief van de PMH zelf. En wanneer de PMH niet tijdig terug is van zijn uitstap of een andere lokale beperking niet heeft gerespecteerd, dan moet hij de boete alsnog betalen.

Deze situatie is zeer nadelig voor de PMH van België. En voor buitenlandse PMH - bijvoorbeeld op bezoek of op doorreis - wordt correct parkeren al helemaal ondoenbaar. Nochtans is hun Europese parkeerkaart hier ook geldig. De boete aanvechten wordt voor buitenlandse PMH al helemaal moeilijk.

De NHRPH herinnert eraan dat de omgeving het openbaar vervoer nog steeds onvoldoende toegankelijk zijn voor PMH. De parkeerkaart voor PMH is een beperkte compensatie voor deze situatie om verplaatsingen te vergemakkelijken en een inclusief leven mogelijk te maken. Deze compensatie mag niet worden uitgehold.

3. ADVIES

Voor de NHRPH blijft het onaanvaardbaar en zelfs in strijd met de reglementering dat de controle door scancars beperkende voorwaarden verbindt aan het gebruik van de parkeerkaart voor PMH. Het kan niet dat scancarcontroles automatisch een boete genereren zonder zelfs maar de parkeerkaart voor PMH te controleren. Het feit dat de boete vaak wordt kwijtgescholden is positief, maar verandert niets aan de essentie van het probleem, nl. dat PMH hun parkeerkaart niet ten volle kunnen benutten.

De NHRPH is van mening dat PMH met hun geldige parkeerkaart bij voorkeur gratis en onbeperkt mogen parkeren, niet enkel op de parkeerplaatsen voor PMH, maar ook op andere parkeerplaatsen. Zeker nu de toegang tot de centra van steden en gemeenten wordt herbekeken, is dit van essentieel belang. Want de toegang tot de centra - met de administratieve diensten, hospitalen, monumenten, winkels, horeca, sportinfrastructuren, musea, bioscopen en theaters, … - moet gevrijwaard blijven, ook voor PMH. Als steden en gemeenten met hun beleid het gebruik van de Europese parkeerkaart bemoeilijken en beperken, dan komt dat in feite neer op het weren van PMH uit de stad of gemeente!

Overleg tussen het federale niveau, de regio’s en de gemeentes is nodig. Enkel zo kan er een harmonisering van het lokale parkeerbeleid komen. Hierbij moet het recht op bewegen van de PMH centraal staan. De erkenning en het gebruik van de kaart zijn onderworpen aan strikte regels. De technologie moet de toepassing van dit recht ondersteunen, niet tegenwerken of bemoeilijken.

Indien steden en gemeenten ruimte vrijmaken voor zachte mobiliteit (rode zones, voetgangerszones enz.), dan moeten ze PMH ook toelaten om vlakbij commerciële en maatschappelijke activiteitenzones te parkeren.

Verder verwijst de NHRPH naar de aanbevelingen van zijn advies 2020-04.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Premier
  • Voor opvolging aan de Vereniging van Steden en Gemeenten
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan de gewestelijke adviesraden
  • Ter informatie aan de directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

  • Raadplegingen: 17

Advies 2021/36 - Verlenging van de COVID-premie

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/36 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verlenging van de COVID-premie, uitgebracht op 05/10/2021 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 03/10/2020, wegens de gevraagde zeer dringende behandeling.

Advies op verzoek van de heer André Gubbels, directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) op 01/10/2021.

1. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet verlengt de periode waarin een tijdelijke premie kan worden toegekend aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.

2. ANALYSE

Het voorontwerp van wet verlengt de periode waarin de tijdelijke premie – bedoeld in het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen – kan worden toegekend aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.

Deze maandelijkse premie van 25 euro wordt toegekend van oktober tot en met december 2021.

3. ADVIES

Globaal is de NHRPH voorstander van de verlenging van de maatregel. De NHRPH herinnert er evenwel nogmaals aan dat deze maatregel ruimschoots ontoereikend is, zeker nu de premie met 50 % is verlaagd.

In zijn adviezen 2020/24, 2021/08 en 2021/23 betoogt de NHRPH dat het bedrag van de maandelijkse premie geenszins de kosten voor de nieuwe leefsituatie van personen met een handicap en hun gezin dekt. Naast de gezondheidscrisis is er ook een sociale crisis: de prijzen voor energie, grondstoffen, dienstverlening, ... stijgen aanzienlijk. In het advies 2020/24 zijn ook andere extra kosten opgenomen.

In dezelfde adviezen wijst de NHRPH ook op de vele vergeten groepen: volledig werklozen, personen in ziekte-invaliditeit, rechthebbenden op een inschakelingsuitkering, gepensioneerden met een klein inkomen die geen recht hebben op de IGO.

Ter herinnering: de wet van 27 februari 1987 kent tegemoetkomingen toe die ver onder de armoedegrens liggen. Dit is niet langer houdbaar. De wet moet dringend worden hervormd.

4. ADVIES BEZORGD 

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal van de Directie-Generaal Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 7

Advies 2021/28 - Vergaderingen en opleidingen op afstand

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Digitale kloof

Advies nr. 2021/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over vergaderingen en opleidingen op afstand, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20/09/2021.

Advies op vraag van de heer Jean-Marc Helson, Toegankelijkheidsraadgever bij de Regie der Gebouwen, in zijn brief van 28/04/2021.

1. ONDERWERP

Sinds de COVID-19-pandemie en de gerelateerde restricties gebeuren vergaderingen en opleidingen steeds vaker op afstand, door middel van onlinetoepassingen. Deze tendens zal niet verdwijnen wanneer de pandemie voorbij zal zijn.

Daarom is het des te belangrijker dat deze vergaderingen en opleidingen toegankelijk zijn voor iedereen, ook voor personen met een handicap.

De heer Jean-Marc Helson, Toegankelijkheidsraadgever bij de Regie der Gebouwen, verzamelde informatie rond dit thema en bundelde die in een document “Aanbevelingen – Vergaderingen en opleidingen op afstand” dat als praktische gids en leidraad moet dienen voor toegankelijke vergaderingen en opleidingen online.

De NHRPH brengt een overwegend principieel advies uit over de ontwerpnota en spreekt zich in dit advies niet uit over de vrij technische bijlage “Microsoft Translator”.

2. ANALYSE

A. Voordelen van onlinevergaderingen en -opleidingen

Vóór de gezondheidscrisis waren onlinevergaderingen en -opleidingen nog niet erg ingeburgerd in ons land en bij de meeste personen met een handicap (PMH). Nochtans kunnen goed georganiseerde onlinevergaderingen en -opleidingen voordelen bieden aan personen met een handicap, al verschilt dat van handicap tot handicap.

  • Sommige digitale platformen laten het gebruik van bepaalde toepassingen voor PMH toe. De PMH kan eventuele toepassingen op zijn of haar pc dan ook vlotter gebruiken tijdens de opleidingen en vergaderingen.
  • Voor mensen met een beperkte mobiliteit is het handig dat de verplaatsingen wegvallen.
  • Als de vergaderingen en opleidingen normaal gezien doorgaan in gebouwen die onvoldoende toegankelijk zijn, valt ook dat obstakel weg. Het aanbieden van onlinevergaderingen kan dan als redelijke aanpassing worden gezien. Nochtans mag de mogelijkheid van onlinevergaderingen geen excuus zijn om gebouwen ontoegankelijk te laten. Het niet hebben van de keuze tussen vergaderingen en opleidingen ter plaatse of op afstand houdt immers ook een discriminatie in.
  • Voor slechthorende personen kunnen vergaderingen en opleidingen online aangenamer en minder vermoeiend zijn dan op verplaatsing, zeker als er veel deelnemers zijn. Er zijn minder storende achtergrondgeluiden en de spreker is steeds goed in beeld.
  • Voor personen met autisme, spasmen enz. is de drempel voor deelname vaak lager bij onlinevergaderingen en -opleidingen op afstand.

B. Aandachtspunten

De NHRPH wijst ook nadrukkelijk op enkele zeer reële nadelen.

  • De digitale kloof is reëel bij een flink deel van de PMH. Vaak zijn onlinetoepassingen onvoldoende toegankelijk voor PMH, bijvoorbeeld als er moet worden geklikt op een link, als vertaling of vertolking niet beschikbaar is enz.
  • De organisator moet ervoor zorgen dat de onlinevergadering of -opleiding toegankelijk is voor iedereen, zo niet ontstaat er een discriminatie
  • Niet iedereen kan zich een pc en een goede wifi veroorloven.
  • Een scherm kan nooit de fysieke aanwezigheid van mensen vervangen. Een deel van de niet-verbale communicatie van het publiek (niet begrijpen, niet akkoord gaan, gebrek aan aandacht, …) gaat verloren.

C. Ontwerpnota “Aanbevelingen – Vergaderingen en opleidingen op afstand”

De NHRPH is blij met deze ontwerpnota, want die beantwoordt aan een reële behoefte.

In de nota is aandacht voor de complexiteit en diversiteit van de verschillende handicaps. Desondanks focust de nota vooral op sensoriële handicap. Er is minder aandacht voor motorische handicap, verstandelijke handicap enz. In het deel “Advies” somt de NHRPH een aantal wenselijke aanvullingen op.

Inhoudelijk is de nota erg interessant, maar de taal is vrij complex. Dat is niet zo erg, aangezien de tekst in de eerste plaats voor de organisatoren van vergaderingen en opleidingen is bestemd. Het wordt wel een probleem wanneer er suggesties worden gedaan voor de communicatie naar de deelnemers van de vergaderingen en opleidingen. Volgend fragment is bijvoorbeeld moeilijk te begrijpen, in het bijzonder in de Nederlandstalige versie:

Voorzie standaard in uw uitnodiging bijvoorbeeld volgende zin:
“Indien u een bijzondere aanpassing voor onze ontmoeting op afstand wenst wegens een bijzonder functioneren als gevolg van slechthorendheid, doofheid, slechtziendheid of blindheid, gelieve mij dat te laten weten in uw antwoord op mijn bericht. We zullen samen de redelijke aanpassingen overlopen die het meest geschikt zijn voor u”.

De suggestiezin is lang, complex en beperkend. Hij bevat veel abstracte begrippen, waarbij afwisselend in de eerste persoon enkelvoud en meervoud worden afgewisseld (wij-ik). Bovendien bevat de zin veel overbodige informatie. Een mogelijk alternatief:

Hebt u speciale noden voor de onlinevergadering? Laat het ons weten.

Eventueel kunnen beschikbare opties en contactgegevens tussen haakjes worden vermeld.

3. ADVIES

De NHRPH waardeert en steunt de nota “Aanbevelingen – Vergaderingen en opleidingen op afstand” van de Regie der Gebouwen en feliciteert de heer Helson met dit initiatief. Deze nota is een interessante leidraad voor het organiseren van toegankelijke vergaderingen en opleidingen online.

De NHRPH heeft de volgende opmerkingen en suggesties:

  • Het is belangrijk om aandacht te hebben voor alle handicaps. Naast sensoriële handicaps verdienen ook motorische, verstandelijke, psychische, … handicaps aandacht. Ga er niet te snel van uit dat mensen met bepaalde handicaps niet aan vergaderingen kunnen deelnemen. Afhankelijk van de aard en ernst van de handicap en de beschikbaarheid van geschikte hulpmiddelen worden vergaderingen toegankelijk voor heel wat extra mensen.
  • De digitale kloof is helaas een realiteit, niet in het minst bij een deel van de personen met een handicap. De mogelijkheid om fysiek deel te nemen mag dus niet wegvallen. Daarom stelt de NHRPH voor om een fragment van deze strekking toe te voegen aan het document: “Organisatoren moeten veel systematischer de mogelijkheid bieden om opleidingen en vergaderingen ook op afstand aan te bieden, ook wanneer de gezondheidssituatie fysieke vergaderingen weer toelaat zonder beperkingen. Een gemengde vorm geniet de voorkeur. Zo kunnen een zo groot aantal personen met een handicap, een chronische ziekte of een beperkte mobiliteit volwaardig deelnemen. Dit ontslaat de organisatoren echter niet van het toegankelijk maken van hun vergaderingen en opleidingen, de gebouwen en de communicatie.
  • Vooraf moet de organisator nagaan welk kanaal, welk programma en welke apps de grootste mogelijke toegankelijkheid bieden aan de doelgroep. Veel hangt af van de toegankelijkheid van het gebruikte programma zelf (Teams, Zoom, Meet, Skype, …). Alle deelnemers moeten de kans krijgen om vertrouwd te raken met het programma en zo nodig aangepaste software op hun toestel (pc, smartphone, …) te (laten) installeren. Bij het begin van de vergadering – en ook tijdens - moet de organisator nagaan of de verbinding stabiel is en blijft, of iedereen de microfoon en beeldfunctie in werking krijgt en de verschillende functies (chat, het woord vragen, het scherm delen enz.) beheerst. Er bestaan interessante analyses en goede praktijken in binnen- en buitenland.
  • Elke dienst zou ter gelegenheid van een vergadering een of meerdere bemande telefoons voor bijstand moeten voorzien voor mensen die problemen hebben bij het aanmelden of andere problemen ervaren. Voor personen met een auditieve handicap is een actieve sms-functie of chat nodig.
  • De communicatie naar de deelnemers moet helder, eenduidig en eenvoudig zijn en in overeenstemming met het geviseerde publiek. Er bestaan veel hulpmiddelen en instanties voor een goede communicatie: eenvoudig taalgebruik/FALC, AnySurfer, de toolkits van het European Disability Forum voor toegankelijke Word-documenten en powerpointpresentaties (Engels).
  • De toegankelijkheid van vergaderingen en opleidingen, zowel op afstand als ter plaatse, vereist verschillende voorwaarden die allemaal vervuld moeten zijn:
    • Bereikbaarheid
    • Betreedbaarheid
    • Bruikbaarheid
    • Begrijpbaarheid
    • Betaalbaarheid
  • Enkele specifieke bepalingen voor personen met een auditieve handicap:
    • Er is een voldoende krachtige wifi nodig, zowel bij vergaderingen en opleidingen op afstand als ter plaatse of in gemengde vorm. Voor personen die een beroep doen op een gebarentolk op afstand is dat essentieel.
    • Bij vergaderingen in meerdere (gesproken) talen moeten er vertaling en gebarentaalvertolking beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via een bepaalde toegangscode. Hou er rekening mee dat ook horende gebarentolken vaak ook behoefte hebben aan simultaanvertaling. Ook de gebarentolken moeten dus van de simultaanvertaling gebruik kunnen maken!
  • De NHRPH vraagt de heer Helson om de NHRPH op de hoogte houden van de vordering van de ontwerpnota en de implementatie ervan.
  • Voor het uitwerken van technische oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen, nl. CAWaB en Inter.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Helson, Toegankelijkheidsraadgever bij de Regie der Gebouwen
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan de heer Alexander De Croo, Premier
  • Ter info aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie en Werk
  • Ter info aan mevrouw Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter info aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/29 - Beheerscontract bpost

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2021/29 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het 7e beheerscontract van bpost, met spoed uitgebracht op 23/08/2021 na raadpleging van de leden van de NHRPH via e-mail van 10/08/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Het zesde beheerscontract van de bpost liep tot in 2020. De federale regering heeft op vrijdag 23 juli het zevende beheerscontract met bpost goedgekeurd, waarna het moet worden goedgekeurd door de Europese Commissie.

2. ANALYSE

De NHRPH heeft in 2016 een advies (2016-11) uitgebracht over het 6e beheerscontract dat toen in onderhandeling was. In 2018 volgde een advies (2018-03) over de postkantoren die onvoldoende toegankelijk waren voor personen met een handicap.

Voor personen met een handicap waren in het 6e bpost-beheerscontract vooral artikel 12 (Toegankelijkheid en continuïteit) en artikel 13 (Toegankelijkheid voor mindervaliden) van belang. Overigens vraagt de NHRPH om voortaan de uitdrukking “personen met een handicap” (Frans: “personnes en situation de handicap”) te gebruiken.

In het 6e beheerscontract, artikel 13, wordt ook de NHRPH vermeld:

Met betrekking tot postkantoren, (…) zal bpost tegelijkertijd een nieuwe benadering uitwerken voor toegankelijkheid van de postkantoren waarin belangrijke werken worden uitgevoerd. In dat kader zal bpost ernaar streven om ze volledig toegankelijk te maken voor personen met verschillende types van handicaps, rekening houdend met de stedenbouwkundige reglementering en op basis van normen die worden bepaald na overleg met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (hierna: “Hoge Raad”). bpost zal een contactpersoon aanduiden die zal instaan voor het contact met de Hoge Raad.

Let op de subtiele nuance in artikel 13: er staat niet dat de normen voor toegankelijkheid worden bepaald IN overleg met de NHRPH, maar NA overleg met de NHRPH. De NHRPH betreurt deze nuance.

Ook moest de NHRPH jammer genoeg vaststellen dat de contacten met bpost sinds de bezoeken aan de postkantoren in 2018 zeer sporadisch en niet systematisch waren. Daarna vielen de contacten zelfs volledig stil.

In artikel 13.2 (b) lezen we over de postwinkels of postpunten (uitgebaat door een derde, dus niet bpost zelf, bijv. kiosken, krantenwinkels, warenhuizen, …) het volgende:

Teneinde de toegankelijkheid van postwinkels voor mindervaliden te verbeteren, zal bpost de kosten cofinancieren die de postwinkels moeten maken om hun toegankelijkheid te verbeteren.

De NHRPH vernam dat de uitbaters van de postwinkels bijna geen gebruik maken van deze mogelijkheid tot cofinanciering, m.a.w.: de uitbaters ondernemen geen stappen om hun postwinkels toegankelijk(er) te maken.

De NHRPH heeft in het kader van het vorige - overigens weinig ambitieuze - beheerscontract enkele vragen voor de bevoegde Minister en bpost. Werden de toegankelijkheidsdoelstellingen van het 6e bpost-beheerscontract gehaald? Was tegen 2017 het aandeel van de postkantoren dat moeilijk toegankelijk is tot 10% teruggebracht? Volgens welke criteria? En hoe zit het met de postwinkels? Deze laatste vraag is essentieel aangezien heel wat postkantoren in voorbije jaren zijn gesloten en vervangen door postwinkels.

Op 18 mei 2021 heeft het kabinet van Minister Petra De Sutter, voogdijminister van bpost, vergaderd met een delegatie van de NHRPH. Bij die gelegenheid heeft de NHRPH zijn visie gegeven op de werking van bpost, met de focus op een betere toegankelijkheid voor personen met een handicap. De belangrijkste punten waren:

  • De toegankelijkheid van 90% (cijfer van bpost!): volgens welke criteria? De criteria dienen te worden bepaald in samenwerking met de NHRPH en de technische bureaus (CAWaB-Inter)
  • Redelijke aanpassingen
  • Het opstellen van een technisch handboek voor toegankelijke postkantoren en -diensten, naar het voorbeeld van Revalor (NMBS)
  • Toegankelijke postwinkels, bij voorkeur volgens dezelfde normen als de postkantoren
  • Toegankelijkheid voor ALLE personen met een handicap > rekening houden met de verschillende handicaps: fysiek, sensorieel, verstandelijk, …
  • Noodzaak van menselijke assistentie
  • Rekening houden met de beperkingen van de digitalisering (digitale kloof): digitale toepassingen moeten voor iedereen toegankelijk zijn, zonder meerkost voor de klant

3. ADVIES

  • De NHRPH wenst een ambitieus 7e bpost-beheerscontract en vraagt de federale regering om erop toe te zien dat het ook ambitieus wordt uitgevoerd. De NHRPH herinnert hierbij aan artikel 22ter van de Belgische Grondwet: Art. 22ter: Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met begrip van het recht op redelijke aanpassingen.
  • De NHRPH betreurt het dat hij het volledige ontwerp van het beheerscontract niet vooraf kon bestuderen bij het opstellen van dit advies.
  • Het management van bpost moet doordrongen zijn van de noodzaak van een toegankelijke dienstverlening voor iedereen. bpost is er niet enkel – en zelfs niet in de eerste plaats! - voor de aandeelhouders; bpost heeft een maatschappelijke taak en levert een dienst van openbaar nut.
  • De NHRPH vraagt om rekening te houden met de opmerkingen van de adviezen 2016-11 en 2018-03.
  • De toegankelijkheid van gebouwen en diensten vereist verschillende voorwaarden die allemaal vervuld moeten zijn:
    • Bereikbaarheid
    • Betreedbaarheid
    • Bruikbaarheid
    • Begrijpbaarheid
    • Betaalbaarheid
  • Personen met een handicap moeten toegang hebben tot alle informatie, en dat via voor hen toegankelijke kanalen. Zie ook de positienota over toegankelijkheid van de NHRPH.
  • De mogelijkheden van digitalisering zijn niet onbeperkt. Daarom moeten ook traditionele kanalen (telefoon, brief, loket, ...) behouden blijven, en dit zonder meerkost voor de klant.
  • Voor veel kwetsbare personen zoals ouderen en personen met een handicap, zeker die voor wie isolement dreigt, is het contact met de postbode belangrijk, soms zelfs levensbelangrijk. Het is wenselijk dat de postbode bij hulpbehoevende mensen wat extra taken kan vervullen, bijv. als contactpersoon, op het vlak van administratie enz. Op dat vlak is ook menselijke assistentie in een nabijgelegen, toegankelijk (!) postkantoor belangrijk. Deze opties mogen niet worden afgebouwd. Andere kanalen, zoals digitale toepassingen, hebben hun nut als ze voldoende toegankelijk zijn, maar zelfs dan kunnen ze nooit het menselijk aspect (de postbode aan huis of de loketbediende) vervangen. Voor sommige mensen blijft menselijke assistentie altijd nodig. De NHRPH raadt bpost dan ook aan om het personeel dat in contact komt met klanten een opleiding te laten volgen over de omgang met de verschillende handicaps.
  • De NHRPH vraagt bpost om het toegankelijk maken van postwinkels niet te laten afhangen van de goede wil van de uitbaters van de postwinkels. Toegankelijkheid moet een noodzakelijke vereiste zijn voor postwinkels en een noodzakelijk criterium zijn bij de selectie van partners voor de uitbating van postpunten.
  • De NHRPH vraagt om een concreet en ambitieus stappenplan op te stellen voor een dienstverlening die klantvriendelijk is, op maat van de individuele klant en toegankelijk is voor iedereen.
  • De NHRPH dringt erop aan dat er snel werkt wordt gemaakt van het minimale tewerkstellingspercentage van 3% voor personen met een handicap over het totale personeelsbestand. Het is ook essentieel dat dit percentage wordt behaald voor het totaal van de personeelsleden van de postkantoren.
  • De NHRPH vraagt bpost om een "Disability Coordinator" aan te stellen om de verbetering van de toegankelijkheid van de verschillende diensten van bpost voor personen met een handicap te coördineren. Opgelet, dit is een fulltimebaan, niet iets dat een werknemer er zomaar tussendoor kan bijnemen.
  • De NHRPH vraagt bpost om een systematisch contact met de NHRPH te onderhouden, minstens tweemaal per jaar. Daarbij is het belangrijk om tijdig contact op te nemen bij nieuwe plannen, namelijk vanaf het uitwerken van die plannen. Zo kunnen de juiste indicatoren, aandachtspunten en prioriteiten worden vastgelegd. Immers, na de uitvoering – en een eventueel negatief advies – nog gebreken proberen wegwerken is moeilijker, minder efficiënt en meestal duurder dan de toegankelijkheid en het overleg van in het begin inplannen.
  • De NHRPH vraagt een tweejaarlijkse openbare rapportering van de vooruitgang op het vlak van toegankelijkheid van bpost. Zo’n rapportering verhoogt de betrokkenheid van de politiek, het middenveld en het publiek in het algemeen.
  • Voor het uitwerken van technische oplossingen vraagt de NHRPH bpost om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen, nl. CAWaB en Inter.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Voor opvolging aan de heer Dirk Tirez, CEO bpost
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 12

Advies 2021/12 - Verzekering elektrische rolstoelen

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2021/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verzekering van elektrische rolstoelen, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/06/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH heeft kennis genomen van het arrest nr. 15/2021 van 28 januari 2021 van het Grondwettelijk Hof over artikel 43 van de wet van 2 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake economie (artikel 2bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen).

2. ANALYSE

Arrest van het Grondwettelijk Hof

Er werden verschillende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof, waaronder de volgende: 

  1. Schendt artikel 43 Wet van 2 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake economie, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in zoverre deze bepaling de verzekeringsplicht handhaaft voor bromfietsen klasse A, zoals omschreven in art. 2.17.1 Wegverkeersreglement, doch niet voor voertuigen die niet onder het toepassingsveld van art. 2.17.1 Wegverkeersreglement sorteren en een autonome snelheid van maximaal 25 km/u hebben, doch via ondersteuning een hogere snelheid kunnen halen en bijgevolg een evenwaardige dan wel grotere kinetische energie hebben dan bromfietsen klasse A? 
  1. Schendt artikel 43 Wet van 2 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake economie, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in zoverre deze bepaling de verzekeringsplicht handhaaft voor bromfietsen klasse A, zoals omschreven in art. 2.17.1 Wegverkeersreglement, doch niet voor voertuigen die niet onder het toepassingsveld van art. 2.17.1 Wegverkeersreglement sorteren en een autonome snelheid van maximaal 25 km/u hebben, doch gemiddeld een grotere massa hebben dan bromfietsen klasse A en bijgevolg een grotere kinetische energie hebben dan bromfietsen klasse A?

Het Hof herinnerde aan het volgende:

Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Het Hof leidde hieruit het volgende af:

B.3.3 De wetgever had met de in het geding zijnde bepaling de bedoeling de bestuurders van bepaalde motorrijtuigen alsnog als zwakke weggebruikers in de zin van artikel 29bis te beschouwen, en hen vrij te stellen van de verzekeringsplicht voor motorrijtuigen.

(…)

Hoewel de definitie van een bromfiets klasse A, zoals is vermeld in B.2.6, op zich niet verwijst naar de massa van het voertuig, maar enkel betrekking heeft op het vermogen en de snelheid, is het niet onredelijk te oordelen dat de bestuurder van een voertuig dat aan die definitie voldoet, tot de niet-zwakke weggebruikers behoort, omdat de inverkeerstelling van het voertuig in kwestie op zich een gevaar betekent voor de andere gebruikers van de openbare weg. Bijgevolg is het niet zonder redelijke verantwoording om bromfietsen klasse A, waarvan de massa, in combinatie met de toegelaten maximale snelheid, over het algemeen tot een grotere kinetische energie leidt, te onderwerpen aan de verzekeringsplicht.

B.3.4 Gelet op de in B.3.3 vermelde doelstelling is het daarentegen niet redelijk verantwoord dat voor alle andere voertuigen die niet aan de definitie van een bromfiets klasse A voldoen, wel een vrijstelling van de verzekeringsplicht geldt, ongeacht hun massa, louter op basis van hun maximale autonome snelheid. Uit de niet-exhaustieve opsomming van de voertuigen in de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever veronderstelt dat alle andere voertuigen die een maximale snelheid van 25 km/u hebben, noodzakelijk een minder grote massa hebben dan bromfietsen klasse A. Anderzijds veronderstelt de wetgever dat voor die voertuigen, die toch een grotere massa hebben en die bijgevolg een motorische aandrijving vereisen om eenvoudig hanteerbaar te zijn, de autonome snelheid aanzienlijk lager zal zijn dan 25 km/u, wat zou verantwoorden dat zij eveneens worden uitgesloten

Niet-exhaustieve lijst van bedoelde voertuigen:

Voorbeelden van geviseerde motorrijtuigen: de elektrische rolstoel, die reeds werd uitgesloten van artikel 29bis, het hoverboard, de zelfbalancerende toestellen, het elektrisch skateboard, de elektrische fiets, de miniquad, de minimoto, voor zover ze rijden met een maximumsnelheid van 25 km/u. Deze lijst is geenszins exhaustief en louter indicatief.

Het Grondwettelijk Hof besluit hieruit het volgende:

Artikel 2bis, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals ingevoegd bij artikel 43 van de wet van 2 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake economie, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, eerste lid, die door de mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden, zijn uitgezonderd van de verzekeringsplicht bedoeld in artikel 2, § 1, van de voormelde wet van 21 november 1989, zonder de massa van die motorrijtuigen in aanmerking te nemen.

Opvolging

Tijdens zijn plenaire vergadering van 15 maart 2021 heeft de NHRPH kennis genomen van dit arrest en beslist een aantal vragen te stellen aan de Minister van Economie en de Minister van Mobiliteit. In een brief van 26 mei 2021 liet de Minister van Economie weten dat de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moet worden aangepast als gevolg van het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Op 10 juni 2021 heeft een deskundige van de NHRPH deelgenomen aan een vergadering van de Commissie voor verzekeringen hierover. Er werd met name verwezen naar een voorstel om de richtlijn motorrijtuigenverzekering te herzien, teneinde de regels van de Europese Unie inzake motorrijtuigenverzekering aan te scherpen, de slachtoffers van verkeersongevallen beter te beschermen en de rechten van de verzekerden te verbeteren. Er werd ook gezegd dat ‘kwetsbare weggebruiker’ een Belgisch begrip is, en dat nog moet worden bekeken of een dergelijk begrip een plaats kan hebben in de verwachte nieuwe Europese regels. Een vertegenwoordiger van de verzekeringssector pleitte voor een bindende nationale en Europese regelgeving inzake het beginsel van verplichte verzekering voor alle motorrijtuigen. Hij vermeldde ook het beginsel van uitzondering voor voertuigen die niet sneller rijden dan 14 km/u. Boven die snelheid zou rekening worden gehouden met de massa van het voertuig.

3. ADVIES

  • De NHRPH vraagt zich af of er een verzekering komt voor elektrische rolstoelen en scooters voor personen met een handicap op de openbare weg. Zo ja, dan vindt de NHRPH dat een familiale aansprakelijkheidsverzekering moet volstaan.
  • Betaalbaarheid van verzekeringen is immers een essentieel aspect voor personen met een handicap, die doorgaans geen aanzienlijk inkomen hebben. BA-autoverzekeringen zijn evenwel over het algemeen duurder.
  • De bestuurder van een elektrische rolstoel of scooter met een kinetische energie van maximaal 25 km/u moet bij een ongeval altijd als zwakke weggebruiker worden beschouwd (in de zin van de verzekeringswetgeving). De rolstoel (of aangepaste scooter) van een persoon met een handicap heeft immers niets te maken met een motorrijtuig, zelfs al heeft die een motor: de rolstoel, een soort ‘prothese’ of ‘uitbreiding’ van het lichaam, is een verlengstuk van de persoon. Het is geen mobiliteitskeuze, maar een noodzaak.
  • Tijdens de vergadering van de Commissie voor verzekeringen verklaarde een verzekeringsdeskundige dat uitzonderingen wellicht mogelijk zijn voor alle motorrijtuigen met een kinetische energie van maximaal 14 km/u. Volgens hem moet vanaf 14 km/u rekening worden gehouden met de massa om te bekijken welke uitzondering mogelijk is. Dit is belangrijk, aangezien een elektrische rolstoel al gauw meer dan 100 kg weegt. De NHRPH wenst meer informatie hierover. Op welke basis werd het criterium van 14 km/u gekozen?
  • Volgens informatie van de Minister van Mobiliteit bepaalt artikel 7bis van de Wegcode dat gebruikers van voortbewegingstoestellen waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, met ‘voetgangers worden gelijkgesteld’, terwijl gebruikers van voorbewegingstoestellen waarmee sneller dan stapvoets wordt gereden, ‘met fietsers worden gelijkgesteld’. Afhankelijk van de snelheid moeten personen met een handicap in een elektrische rolstoel of een scooter (die door de bouw niet sneller dan 25 km/u kan rijden) dus de regels van de Wegcode volgen die gelden voor voetgangers of fietsers. Is het trottoir of de berm onbegaanbaar, dan mogen voetgangers de andere delen van de openbare weg gebruiken, meer bepaald het fietspad of de rijbaan (bij gebruik van de rijbaan moeten voetgangers zich zo dicht mogelijk bij de rand van de rijbaan houden en behoudens bijzondere omstandigheden links in de door hen gevolgde richting gaan). Aangezien voetgangers en fietsers zwakke weggebruikers zijn, is het des te belangrijker dat gebruikers van elektrische rolstoelen en scooters voor personen met een handicap altijd als zwakke weggebruikers worden beschouwd in de zin van de verzekeringswetgeving, indien zij niet sneller rijden dan 25 km/u.
  • Voor de NHRPH moet de huidige wetgeving behouden blijven, mits aanpassing naar aanleiding van het arrest van het Grondwettelijk Hof. Zij biedt veel voordelen. Sinds 2019 zijn gebruikers van kleine elektrische voertuigen automatisch gedekt door hun familiale verzekering. Bovendien worden zij voortaan beschouwd als zwakke weggebruiker. Zij zijn dus beter beschermd omdat zij altijd recht hebben op een vergoeding voor hun lichamelijke letsels indien zij het slachtoffer zijn van een verkeersongeval, waarbij bijvoorbeeld een auto is betrokken.                        
  • Tot slot wil de NHRPH op de hoogte worden gehouden van de stand van zaken van de voorgestelde herziening van de richtlijn motorrijtuigenverzekering tot aanscherping van de EU-regels inzake motorrijtuigenverzekering.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 13

Advies 2021/25 - Federaal Actieplan Handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het Federaal Actieplan Handicap van Minister Karine Lalieux, uitgebracht op 28/06/2021 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 26/06/2021 wegens de door mevrouw Lalieux gevraagde urgentie.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris in haar brief van 24/06/2021 om 20 uur.

1. ONDERWERP

Om de handistreaming en de uitvoering van de rechten van personen met een handicap (PMH) op federaal niveau te waarborgen, heeft de Minister belast met personen met een handicap een federaal plan handicap opgesteld (hierna “plan” genoemd).

Wegens de omvang van de tekst en om het lezen te vergemakkelijken, zal het deel “advies”, bij wijze van uitzondering, voorafgaan aan het deel “analyse”.

2. ADVIES

De NHRPH heeft bij hoogdringendheid kennisgenomen van dit plan en moest binnen de 72 uur na de kennisgeving een advies uitbrengen, wat grotendeels samenviel met het weekend. De NHRPH betreurt deze situatie. De NHRPH had het op prijs gesteld zijn opdracht te kunnen vervullen door zijn standpunten te staven met de talrijke adviezen die hij op alle behandelde vakgebieden heeft uitgebracht, aangezien het plan de volledige regeerperiode beslaat. De NHRPH zal dus een globaal, niet-gedetailleerd advies uitbrengen. Uiteraard zijn alle thematische adviezen beschikbaar op zijn website: /nl/adviezen.

Over de noodzaak van het plan

  • De NHRPH vindt het ontwerp van plan een goed signaal. Er is een daadkrachtig beleid met prioriteiten, concrete acties, budgetten en planning nodig voor empowerment en sociale inclusie van personen met een handicap. Bepaalde verwachtingen van de NHRPH werden niet of slechts zeer gedeeltelijk ingelost. De NHRPH hoopt dat er nog andere maatregelen mogelijk zijn in de loop van de regeerperiode. Temeer omdat het werk dat wordt aangevat andere, nog niet genoemde behoeften aan het licht kan brengen. Wijzigingen kunnen nodig zijn. Misschien moet de reglementering worden aangepast. Het zou jammer zijn dat dit een belemmering vormt voor grondig werk.
  • De NHRPH herinnert eraan dat het nu essentieel en dringend nodig is om handistreaming in concrete beleidslijnen en acties om te zetten: COVID-19 heeft een aantal gewoonten grondig door elkaar geschud (toegenomen digitalisering in een aantal domeinen), de uitdagingen groter gemaakt (toegang tot mobiliteit, werk, zorg, ...) en de reeds bestaande kloof inzake toegang tot rechten, goederen en diensten nog vergroot. Het plan heeft de verdienste zo veel mogelijk van deze uitdagingen te willen aangaan.
  • Naast politieke acties zullen ook de administraties (die veel minder ter sprake komen in het plan) moeten worden gemobiliseerd. Federale regeringen zijn ‘onstabiele structuren’; het plan wordt ook bedreigd door een eventuele val van de regering of plotse dwingende prioriteiten. De NHPRH vraagt het plan vast te leggen in een ‘moderniseringswet’, een ‘handicapwet’, die meer ‘garanties’ biedt dat het plan wordt voortgezet, ongeacht wat er gebeurt. De NHRPH dringt erop aan deze reglementering ten minste op de belangrijke beginselen te baseren. Evenzo moet een aantal handistreamingpijlers (toegankelijkheid van alle diensten voor iedereen, easy read en redelijke aanpassingen, 3 %-quota, strijd tegen non take-up, ...) uitdrukkelijk worden opgenomen in alle overheidsdiensten- of bestuursovereenkomsten met overheidsdiensten en diensten van algemeen nut.
  • Het is van essentieel belang dat het federale handicapnetwerk doeltreffend functioneert: de handicapaanspreekpunten van de administraties en kabinetten moeten worden opgeleid in handistreaming, luisteren naar de verwachtingen van personen met een handicap en een echt initiatiefrecht hebben. Een concrete coördinatie tussen het handicapaanspreekpunt en de administratieve of politieke autoriteit is noodzakelijk.

Over de inhoud en draagwijdte van het plan

  • Het plan is beknopt opgevat en vermeldt verbintenissen en hoofdmaatregelen, maar concretisering of planning ontbreken. De NHRPH verwacht dat de concrete verbintenissen en maatregelen al in september 2021 aan de NHRPH worden voorgesteld.
  • Bepaalde voorstellen blijven beperkt tot vage verbintenissen (verbeteren, analyseren, de haalbaarheid evalueren, ... zijn vage begrippen omdat ze intrinsiek geen kader, termijn, procedure, ... inhouden), wat niet bevredigend is.
  • De NHRPH verwacht dat elke maatregel gepaard gaat met een regelmatige, concrete en meetbare planning en evaluatie (de NHRPH beveelt de SMART-methode aan). De beoogde verbintenissen en maatregelen zullen dus echt wel in perspectief moeten worden geplaatst en geconcretiseerd ten opzichte van de verwachtingen van de NHRPH. De NHRPH vraagt een procedure waarbij hij betrokken wordt om zijn advies te geven voor elke oriënterings- of uitvoeringsfase.
  • Er moet ingezet worden op redelijke aanpassingen bij de openbare diensten. De NHRPH vraagt dat alle overheidsdiensten worden gescreend en de toegankelijkheid van hun dienstverlening wordt geanalyseerd. Een plan voor verbetering op korte/lange termijn moet worden opgesteld en tussentijdse voortgangsverslagen moeten worden opgelegd.
  • Mevrouw Lalieux had herhaaldelijk bevestigd dat de Interministeriële Conferentie (IMC) Handicap zou worden heropgestart om de acties en maatregelen van het federale handicapplan voort te zetten met de betrokkenheid en deelname van de deelgebieden. De NHRPH is verbaasd dat de IMC Handicap niet wordt vermeld in het plan.
  • De NHRPH zou het bijzonder interessant vinden na te denken over een eventuele integratie van de regeling voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap (wet 1987) in de socialezekerheidsregeling.
  • De NHRPH zou graag hebben dat er structureel en systematisch een zeer concreet verband wordt gelegd met andere bestaande en toekomstige plannen, zodat het handistreamingbeginsel volledig kan worden verwezenlijkt. De NHRPH denkt in het bijzonder aan het herstelplan, het plan voor duurzame ontwikkeling en het armoedebestrijdingsplan.
  • In de Franse versie van het plan worden verschillende termen voor PSH gebruikt. Dit moet worden geharmoniseerd: het zijn personnes en situation de handicap en zeker geen personnes souffrantes de handicap of porteuses de handicap.

Over de deelname van de NHRPH aan de opvolging van dit plan

De NHRPH vestigt de aandacht op volgende passage in het punt Betrokkenheid van personen met een handicap op bladzijde 5 van het plan:
Personen met een handicap, als ervaringsdeskundigen, zijn het best geplaatst om advies te geven over de impact van beleidsmaatregelen op hun leven. Om ervoor te zorgen dat hun participatie effectief is, is de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) bevoegd voor het onderzoeken van alle materies op federaal niveau die een invloed hebben op personen met een handicap. Hij kan hierover op vraag of op eigen initiatief advies geven.

De NHRPH vindt dat het kader voor de betrokkenheid van de personen met een handicap bij de besluitvormingsprocessen nauwkeuriger en correcter moet worden vastgelegd. De zin Personen met een handicap, als ervaringsdeskundigen, zijn het best geplaatst om advies te geven over de impact van beleidsmaatregelen op hun leven is dubbelzinnig. De NHRPH beveelt volgende formulering aan: Personen met een handicap, in hun hoedanigheid van ervaringsdeskundige, of de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, zijn het best in staat om uit te stijgen boven specifieke handicaps en advies te geven dat rekening houdt met de uiteenlopende behoeften en verwachtingen. De NHRPH verwijst naar de positienota Participatie.

De NHRPH verwacht ook meer informatie over de procedures voor overleg met de NHRPH. De NHRPH herinnert eraan dat zijn leden hoofdzakelijk actieve pijlers van organisaties, werkenden, … zijn. Het ondersteunend secretariaat is onderbemand. Indien de NHRPH door alle administraties en kabinetten wordt geïnterpelleerd, zullen er veel vragen om advies zijn, sommige ervan dringend. De NHRPH vraagt nogmaals om een secretariaat met voldoende personeel om de uitdagingen aan te gaan en aan de verwachtingen te voldoen.

Over een aantal concrete maatregelen

De NHRPH wenst reeds de aandacht te vestigen op de integratie van bepaalde fundamentele uitdagingen. Volgende opsomming is niet uitputtend.

  • Inzake toegankelijkheid en mobiliteit
    • Van bij het begin van de COVID-19-gezondheidscrisis had de NHRPH de federale regering gewezen op het belang van toegankelijke informatie voor personen met een handicap. Toegankelijke informatie is echt een transversale vereiste voor alle departementen en kabinetten. In wezen gaat het erom de burgers een betere toegang hun rechten te geven en het aantal geschillen, terugvorderingen van onverschuldigd betaalde bedragen, ... te verminderen.
    • De NHRPH verheugt er zich over dat bij het bijwerken van de noodplannen rekening werd gehouden met de behoeften van personen met een handicap. De NHRPH wijst op drie grote aandachtspunten: toegang tot nooddiensten, federale gebouwen – met inbegrip van bestaande en nieuwe gevangenissen – en toegankelijkheid van nooduitgangen in tunnels: momenteel voldoen deze laatste helemaal niet aan de toegangsnormen voor personen met een handicap.
    • De NHRPH hamert erop dat ook rekening moet worden gehouden met wie geen toegang tot digitalisering heeft. Dienstverlening wordt steeds meer gedigitaliseerd. Er gaapt een echte digitale kloof in de Belgische bevolking. De mogelijkheid om bijvoorbeeld via een bibliotheek toegang te krijgen tot een computer mag niet als een afdoende oplossing worden beschouwd.
    • Het stemt de NHRPH tevreden dat alle persconferenties van de federale regering voortaan in gebarentaal worden vertaald. Zo sluit België zich aan bij de vele landen die dit inclusieve communicatiemodel toepassen. Voorts vraagt de NHRPH dat politieke debatten tijdens verkiezingsperiodes ook in gebarentaal worden vertaald, dat deze persconferenties en politieke debatten ook worden ondertiteld en dat visuele informatie (video, foto's, instructies, ...) van een audiodescriptie worden voorzien.
    • Een ander leesformaat, dat door de COVID-19-crisis onmisbaar is gebleken, is easy read. Er is een transversale begroting nodig voor de werkingskosten van alle federale departementen en kabinetten om deze communicatiewijze te systematiseren en te bestendigen. Easy read is nuttig voor de hele bevolking omdat zowel de rechten als de plichten van iedere burger begrijpelijk worden verwoord. Er moet voldoende budget komen voor opleidingen en het nalezen van teksten in easy read.
    • De NHRPH herinnert er ook aan dat de mobiele sites en applicaties van de overheidsdiensten volledig toegankelijk moeten zijn overeenkomstig de richtlijn inzake de toegankelijkheid van de websites. Dit is momenteel niet het geval. Er worden nieuwe websites en apps ontwikkeld die niet toegankelijk zijn (cf. BOSA-verslagen over het toezicht op websites).
    • België is de European Accessibility Act (EAA) aan het uitvoeren. De federale coördinatoren (FOD Economie) hebben negatief geantwoord op de vraag van de NHRPH om te worden betrokken bij de voorbereiding van de verschillende aspecten van de uitvoering van de EAA. Dit staat haaks op het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat België in 2009 heeft aangenomen.
    • Het is verdedigbaar dat er een planning komt voor het toegankelijk maken van de vele federale openbare gebouwen, maar op termijn moeten alle openbare gebouwen toegankelijk worden!
    • Ook erkent de NHRPH dat het nuttig is dat toegankelijkheidsadviseurs worden opgeleid door expertisebureaus inzake toegankelijkheid. De toegankelijkheid van deze gebouwen daarentegen moet worden gevalideerd door de expertisebureaus inzake toegankelijkheid (zoals CAWaB en Inter), en dat vanaf het ontwerpstadium. Alle middelen om de communicatie voor allen te waarborgen, met name op het vlak van gebarentaal en redelijke aanpassingen, moeten worden ingezet. De NHRPH zal erover waken dat de belofte van een inclusieve overheidsdienst wordt ingelost en dat de bevoegde administraties een kadaster en planning opstellen.
    • De NHRPH hoopt dat de nodige middelen voor vertolking in gebarentaal worden voorzien, zodat dove en slechthorende personen zoals alle burgers toegang krijgen tot alle overheidsdiensten, ziekenhuizen, diensten voor arbeidsbemiddeling, postkantoren, informatieloketten, ... Hier is echt vraag naar vanuit het middenveld. En om het met de woorden van de regering zelf te zeggen, “om niemand in de kou te laten staan”, moet ook rekening worden gehouden met blinde en slechtziende personen die specifieke hulpmiddelen nodig hebben om zich te verplaatsen.
    • Wat de uitbreiding van de European Disability Card naar andere domeinen betreft, is de NHRPH verbaasd over de titel in het Frans – carte européenne d’invalidité- : gaat het wel degelijk over de European Disability Card?
    • De NHRPH vraagt hoe de procedure voor de toekenning van parkeerkaarten zal worden verbeterd en op basis van welke criteria.
    • In zijn advies 2020/04 heeft de NHRPH zich uitgesproken over ScanCars. ScanCars zijn een typisch voorbeeld van de ongewilde effecten van digitalisering: veel personen met een handicap krijgen een boete, hoewel zij hun parkeerkaart correct gebruiken. De NHRPH verwacht een snelle oplossing, waarbij de rechten van de – Belgische én Europese – houders van een parkeerkaart worden nageleefd.
    • De NHRPH herinnert aan zijn twijfels en vragen bij een eventuele wijziging van de wegcode om collectief vervoer van personen met een handicap gebruik te laten maken van busstroken (advies 2021/13). De NHRPH vreest dat de busstroken ook snel verzadigd zullen zijn. Er moet een structurele oplossing komen voor het collectief vervoer van personen met een handicap.
    • De NHRPH hamert al jaren op het multidimensionale aspect van toegankelijkheid bij bpost: hij vraagt dat de bestuursovereenkomst 2022 - 2030 waarover momenteel wordt onderhandeld, toegankelijkheidscriteria bevat, evenals de verplichting om een disability manager aan te stellen en de verplichting te voorzien in zowel alternatieven voor digitalisering als in toegankelijke postpunten. De NHRPH vraagt ook geregeld te worden geraadpleegd, en dat vanaf het uitwerken van toegankelijkheidsmaatregelen.
    • Bij de NMBS moet toegankelijkheid een pijler van de bestuursovereenkomst worden, net zoals veiligheid of stiptheid. Toegankelijke treinen en perrons zorgen overigens voor vlottere en veiligere verplaatsingen. Er moeten extra begrotingsmiddelen worden vrijgemaakt voor toegankelijkheid. Het argument dat het netwerk oud is en toegankelijkheid bemoeilijkt, is niet langer aanvaardbaar: het Nederlandse en Zwitserse netwerk werden toegankelijk gemaakt omdat de politieke wil er was en er middelen werden vrijgemaakt. De NHRPH betreurt overigens dat er zelfs in de nieuwe regelingen voor reizigers met een handicap nog steeds tekortkomingen en extra kosten zijn. Zo is de reservatie van de kust-Express, het nieuwe treinaanbod naar de kust, alleen online mogelijk (/nl/nieuws-amp-pers/25-06-2021-sommige-treinen-zijn-niet-toegankelijk-voor-personen-met-een-handicap).
    • De NHRPH heeft vernomen dat voor de universele bankdiensten besprekingen met de banksector aan de gang zijn, maar de NHRPH wordt er niet bij betrokken. De NHRPH stelt ook vast dat andere grootschalige acties worden gestart zonder enige vorm van overleg met de handicapsector. Zo zullen 1.400 boekhandels vanaf 2022 bankdiensten kunnen aanbieden. Dit is op zich geen slecht idee, maar deze verkooppunten moeten op zijn minst toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Heeft iemand daaraan gedacht? Ter herinnering: boekhandelaars zijn over het algemeen zelfstandige ondernemers of franchisenemer – en soms ook postpunten – die, om zo veel mogelijk mensen te bereiken (wat een goede insteek is!), openbare diensten of diensten van openbaar nut aanbieden, maar tegelijk ontsnappen aan de reglementeringen inzake toegankelijkheid van openbare gebouwen!
    • De overheid wil de administratieve lasten met 30 % verminderen door in te zetten op digitalisering van dienstverlening. De NHRPH is ook voorstander van vereenvoudiging, maar dringt erop aan dat de openbare dienstverlening tegelijkertijd op fysiek en menselijk vlak toegankelijker wordt. De COVID-19-crisis heeft het belang onderstreept van duidelijke communicatie en menselijke begeleiding. De non take-up is nog nooit zo hoog geweest; mensen vallen uit de boot en geraken niet meer in het stelsel van sociale zekerheid en sociale bijstand (cf. studies van het Observatorium voor gezondheid in Brussel)! De Staat moet het goede voorbeeld geven.
    • Voor de toegankelijkheid van ziekenhuizen vestigt de NHRPH de aandacht op zijn positienota Toegankelijkheid van ziekenhuizen en positienota Gezondheidszorg.
    • Lage-emissiezones (LEZ’s): de NHRPH vraagt een uniforme reglementering en toepassing van de lage-emissiezone voor personen met een handicap, met integratie van het begrip redelijke aanpassingen, op basis van het beginsel dat persoonlijk vervoer een ‘recht’ moet zijn binnen de grenzen van de financiële middelen van personen met een handicap (bijvoorbeeld door uitzonderingen op de emissienormen toe te staan) of door het aanbieden van een betaalbaar alternatief (voor hen toegankelijk en niet duurder dan het gewoon openbaar vervoer).
    • De NHRPH is van mening dat in het algemeen bij elk toegankelijkheidsproject rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen en vragen van personen met een handicap en de technische aanbevelingen van expertisebureaus inzake toegankelijkheid zoals CAWaB en Inter.
    • De NHRPH vindt dat de informatie over het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in de drie landstalen beschikbaar moet zijn.

  • Inzake gezondheidszorg en sociale bescherming
    • De NHRPH stelt tevreden vast dat het onthaal van dove personen in de zorgstructuren beter wordt en dat gebarentaal mogelijk zal zijn. De NHRPH dringt ook aan op specifieke maatregelen voor slechthorende personen: eliminatie van storend lawaai, kwaliteitsvolle verlichting, liplezen, ondertiteling, ... Voorts herinnert de NHRPH eraan dat ook blinde en slechtziende personen begeleiding nodig hebben bij hun verplaatsingen.
    • Er wordt overwogen de specifieke drempels voor toegang tot de gezondheidszorg voor personen met een handicap te bestuderen. een analyse is nuttig, maar moet worden gevolgd door prioriteiten en planning. De NHPRH vraagt meer uitleg.
    • De NHRPH herinnert eraan dat kinderen met een laag IQ en alzheimerpatiënten die logopedie nodig hebben, geen recht hebben op terugbetaling in de verplichte verzekering. Ook de nomenclatuur moet worden herzien, omdat de huidige terugbetalingen niet meer overeenstemmen met de realiteit van het leven. Van de kinderen met een verstandelijke handicap krijgen enkel kinderen met een bepaald IQ logopedie terugbetaald indien zij naar een revalidatiecentrum gaan. Bij de ziekte van Alzheimer wordt logopedie helemaal niet terugbetaald.
    • Verpleegkundige handelingen komen niet aan bod in het plan. De huidige protocollen moeten worden herzien om zorgkwaliteit en levenskeuze op elkaar af te stemmen. Er moet worden voldaan aan de noden van personen met een handicap in hun leefomgeving, welke dat dan ook moge zijn, en aan de noden van hun gezinnen, die soms als het ware gegijzeld worden door de zorgnood van hun familielid. De veiligheid van verpleegkundige zorg mag evenwel niet in het gedrang komen.
    • De NHRPH is verheugd dat de Minister van Volksgezondheid overweegt art. 100 en de vroegere toestand te herbekijken. De NHRPH vestigt alvast de aandacht op de capaciteiten en mogelijkheden van de personen met een handicap, zoals bepaald in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
    • De NHRPH wenst zo snel mogelijk te worden betrokken bij de denkoefeningen over de hervorming van de wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
    • De NHRPH herinnert aan de rol van de mantelzorgers (waarvan het belang nog meer bleek tijdens de COVID-19-crisis!). De NHRPH verdedigt de verlenging van het mantelzorgverlof tot zes maanden. De recente verlenging tot drie maanden is een eerste stap, maar volstaat niet gezien de realiteit van de levenssituaties. De NHRPH verdedigt ook het idee van een ‘jaarlijkse vakantiepot’ voor onvoorziene omstandigheden als gevolg van de medische situatie en de afhankelijkheid van de geholpen persoon (advies 2021-14).
    • Personen met een ongeneeslijke en onomkeerbare handicap moeten doorgaans bij elk verzoek tot vernieuwing van hun mobiliteitshulpmiddel geactualiseerde medische documenten indienen en specialisten raadplegen. Deze omslachtige procedure is onaanvaardbaar.
    • Op het vlak van de inkomensvervangende en integratietegemoetkomingen (IVT/IT) voor personen met een handicap + DG Personen met een handicap (DG HAN): de NHRPH is uiteraard ingenomen met alle aangekondigde maatregelen, maar heeft toch enkele opmerkingen:
      • De maatregel inzake de prijs van de liefde is van kracht sinds 1 januari 2021. De NHRPH heeft indertijd het advies 2020/23 geformuleerd en volgt de uitvoering van de maatregel op.
      • Voor de prijs van de arbeid dringt de NHRPH nogmaals aan op een billijke verdeling van de vrijstellingen tussen werkende personen met een handicap en personen met een handicap die een vervangingsinkomen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en pensioen) ontvangen. De NHRPH herhaalt nogmaals zijn oude vraag om de IT los te koppelen van het inkomen en herinnert aan zijn voorstel om te voorzien in een forfaitair en variabel deel voor de IT: zo zouden de afgeleide rechten kunnen behouden blijven wanneer het inkomen stijgt. Deze maatregel zou een echte stimulans zijn om te beginnen werken.
      • De NHRPH is zeer verheugd dat wordt overwogen het laatste inkomen te gebruiken bij de aanvraag van een tegemoetkoming.
      • Voor de IVT moet de vrijstelling voor de vervangingsinkomens worden verhoogd.
      • De gezinscategorie moet worden herzien (van A naar B alleenstaand) voor personen in pleeggezinnen of geplaatste personen.
      • De NHRPH dringt erop aan de erkenning van de handicap verder te actualiseren, met name door multidisciplinaire evaluaties in te voeren. Er werd reeds werk gemaakt van de medische evaluatie, ... > dit actualiseren en zeker niet opnieuw vanaf nul beginnen.
      • Mentale aandoeningen moeten in de vragenlijst worden opgenomen.
      • De NHRPH herinnert eraan dat de doelstelling van activering voor de arbeidsmarkt niet mag interfereren met de beoordeling van de handicap of de rechten ervan. Al te vaak worden personen met een ernstige arbeidsbeperking niet voor twee derden arbeidsongeschikt erkend, omdat zij aangepast werk hebben of (misschien?) nog kunnen vinden. Dit wordt altijd ingegeven door de gedachte dat men niemand wil ontmoedigen aan de slag te gaan of te blijven. Erkenning zou dan de werkloosheidsval zijn! Zodoende zijn deze personen onderbeschermd omdat zij geen toegang tot afgeleide rechten hebben.
      • BELMOD-project: de NHRPH vraagt zich af hoe potentieel gerechtigden van de IVT/IT automatisch zullen worden geïdentificeerd.
      • Hervorming van de wet van 1987: de NHRPH vraagt al jaren om een herziening van deze wet. Het betreft de genoemde maatregelen 7, 8, 9, 12, ... maar gaat ook verder. De tegemoetkomingsregeling is een kluwen geworden en de sector vraagt duidelijkheid. Het stelsel moet volledig worden herschreven. De NHRPH beseft dat dit tijd vraagt, maar dringt erop aan de nodige tijd te besteden aan de betrokkenheid en denkoefening van het maatschappelijk middenveld, zodat het een uitgewerkt en weloverwogen advies kan uitbrengen. Bovendien houdt de NHRPH zich hiermee bezig (in het najaar van 2021 buigt een werkgroep zich hierover).
      • Afgeleide rechten: de NHRPH hoopt dat de reglementering over het sociaal tarief wordt geactualiseerd en vraagt de bevoegde ministers om een duidelijke planning van alle in het plan aangekondigde maatregelen. De potentieel gerechtigden blijven al veel te lang op hun honger. Er moet dringend een oplossing komen voor de financiële uitdagingen van de toenemende digitalisering van goederen en diensten waarmee personen met een laag inkomen te maken krijgen.
    • Over de DG HAN
      • Multidisciplinaire evaluaties: de NHRPH vraagt een duidelijke planning van de acties om de erkenningsprocedure te moderniseren, zoals aangekondigd in het plan.
      • De NHRPH vraagt ook een tijdschema voor de uitwerking van het toekomstige actieplan van de DG HAN. De NHRPH legt sterk de nadruk op de effectieve uitvoering van de projecten, de afstemming ervan op de verwachtingen van de burgers en de integratie ervan in de nieuwe informaticatool TRIA.
      • De NHRPH verwacht dat de nieuwe informaticatool TRIA gepaard zal gaan met een duidelijk communicatiebeleid met de personen met een handicap en de andere stakeholders die de personen met een handicap helpen hun aanvraag in te dienen.
      • De NHRPH rekent ook continu op gedetailleerde statistieken. Verschillende studies hebben aangetoond dat de non take-up zeer hoog is in de IVT/IT-regeling: de NHRPH vindt dat dringend moet worden onderzocht waarom zo veel personen met een handicap hun aanvraagprocedure niet volledig doorlopen.
      • De NHRPH herhaalt zijn verzoek om alle personeelsleden van de DG HAN van meet af aan bij de denkoefeningen te betrekken.
      • De NHRPH vraagt ook dat bij elke hervorming wordt gewaarborgd dat de rechten van elke burger op voet van gelijkheid worden geëvalueerd.
      • De NHRPH herinnert ook aan het belang van de behandeling van de aanvragen en dossiers (op dit moment is er een zeer grote voorraad te behandelen dossiers). De NHRPH vindt dit niet terug in het plan.

  • Inzake werkgelegenheid
    • De NHRPH kan zich vinden in de in het plan genoemde obstakels, maar merkt er nog een op: het in aanmerking nemen van het huidige inkomen voor de berekening van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Heel wat personen met een handicap durven niet te werken omdat dit een impact kan hebben op hun tegemoetkoming. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het uitwerken van de simulatietool waarmee de fiscale gevolgen van de cumulatie van de tegemoetkoming met inkomsten uit arbeid op voorhand kunnen worden berekend.
    • De NHRPH dringt ook aan op de uitvoering van het koninklijk besluit van 11 februari 2019 tot bepaling van de voorwaarden inzake positieve acties. Dit was een zeer positief signaal van de beleidsmakers, maar jammer genoeg gaan de werkgevers niet unaniem akkoord met de toepassing van deze wet (tot nu toe vier vragen van ondernemingen). De NHRPH vraagt dat deze reglementering op de voorgrond wordt gebracht en dat de beleidsmakers er alles aan doen om deze toe te passen en te evalueren.
    • Het tewerkstellingsquotum van 3 % voor personen met een handicap wordt bijlange na niet gehaald in het federaal openbaar ambt. De NHRPH gaat akkoord met de verplichting tot tewerkstelling van personen met een handicap in de beheerscontracten van alle overheidsbedrijven en spoort alle ministers aan deze verplichting concreet vorm te geven in de federale overheidsdiensten waarvoor zij bevoegd zijn. Het is de hoogste tijd voor een krachtig beleid, want de trend blijft zeer negatief.
    • Het idee om werk te creëren via stages is aantrekkelijk, maar volledige tewerkstelling voor personen met een handicap moet altijd het doel blijven!
    • Er moet meer ingezet worden op uitbesteding aan maatwerkbedrijven, maar dan wel bovenop de doelstelling om 3 % van de personen met een handicap te werk te stellen.
    • In alle administraties benadrukt de NHRPH de noodzaak om dagelijkse begeleiding te organiseren en het isolement van personen met een handicap te bestrijden. De NHRPH beveelt meer bepaald de oprichting aan van een assistentiepool voor de begeleiding van personen met een handicap die zich niet zelfstandig kunnen verplaatsen.
    • De aangekondigde medefinanciering voor redelijke aanpassingen moet een terugkerend karakter hebben; werkgevers en personen met een handicap moeten zonder belemmering redelijke aanpassingen aan hun werkplek kunnen vragen.
    • Voor de maatregel back to work (terug naar het werk) vraagt de NHRPH begeleiding en middelen. De werkgevers moeten worden geresponsabiliseerd en aangemoedigd in het re-integratieproces, maar ook de procedurele stappen om op de arbeidsmarkt terug te keren (het ziekenfonds) moeten worden vereenvoudigd.
    • Voor de uitvoering van een richtlijn over het evenwicht tussen werk en privé verwijst de NHRPH ook naar de rol van mantelzorgers die willen of niet anders kunnen dan werken. Veel mantelzorgers zijn werknemers met een gemiddeld of bescheiden inkomen. De vergoeding voor dit verlof is vaak lager dan hun loon en in de praktijk gebeurt het vaak dat wie het het hardst nodig heeft (zoals alleenstaande ouders), er geen recht op heeft.
    • Meer fundamenteel vraagt de NHRPH verder na te denken over de vermindering van de collectieve arbeidsduur, omdat dit alle werknemers en mantelzorgers aangaat.
    • De NHPRH is ingenomen met de maatregel om het statuut van zelfstandige in bijberoep te combineren met een tegemoetkoming voor personen met een handicap. De NHRPH wijst erop dat een uitkeringsgerechtigde persoon met een handicap momenteel niet mag starten met een zelfstandige nevenactiviteit of activiteit als kunstenaar.
    • De NHRPH vraagt ook dat de omscholings- en beroepsopleidingsovereenkomsten van personen met een handicap weer worden onderworpen aan de sociale zekerheid, in overleg met de deelgebieden.
  • Inzake herstel en consumptie
    • In zijn advies 2021/09 heeft de NHRPH reeds zijn bevindingen en bezorgdheden geuit naar aanleiding van het Plan voor herstel en veerkracht (PHV), dat de Europese Commissie onlangs heeft ingediend en goedgekeurd. Bovendien werd de NHRPH nauwelijks betrokken bij het opstellen van het PHV. Hij herhaalt dat voor de inclusie van personen met een handicap noodzakelijkerwijs budget op het terrein nodig zal zijn om de omgeving toegankelijk te maken, de digitale kloof te verkleinen en niemand uit te sluiten.
    • Met betrekking tot de ontwikkeling van een uniek loket voor burgers voor vragen in verband met consumentenzaken vraagt de NHRPH zich af hoe dit in de praktijk zal worden uitgevoerd? Is het een gecentraliseerd loket? Of een netwerk van bestaande diensten die ‘met elkaar zouden overleggen’? Het unieke contactpunt voor vragen in verband met consumentenzaken mag niet gewoon een informatiepunt zijn, zoals dit bij de meeste loketten reeds het geval is. Een echt loket moet naar de burger luisteren en rekening houden met de opgemerkte problemen en deze aan het juiste adres doorgeven. Indien nodig moet het loket de burgers ook actief doorverwijzen naar de ombudsmannen, omdat zij deze vaak niet kennen.
    • Hoe ziet de betrokkenheid van de NHRPH concreet eruit bij het ‘onderzoeken hoe de NHRPH meer en beter betrokken kan worden bij consumentenzaken en de bescherming van kwetsbare consumenten’?
    • De NHRPH merkt op dat het volstrekt ontoereikend en zelfs discriminerend is de uitbreiding van het recht om vergeten te worden in verzekeringsmaterie voor te behouden voor diabetici.
  • Inzake fiscaliteit en justitie
    • De NHRPH vraagt welke oplossing de beleidsmakers in gedachten hebben voor het probleem van de ‘dubbele aanrekening van kinderen met een handicap’.
    • De NHRPH vindt dat de handicapdimensie systematisch moet worden onderzocht in de budgettaire opvolging van de dienstverlening aan de bevolking. Veel personen met een handicap hebben ook zeer weinig bestaansmiddelen (enkel sociale tegemoetkomingen) en hebben technische, personele en financiële aanpassingen nodig om bijvoorbeeld toegang tot justitie te krijgen.
    • De NHRPH kijkt ernaar uit mee te werken aan de hervorming van de bescherming van geesteszieken en de opheffing van de vrijheidsberovende maatregelen voor personen met een handicap.
    • Met betrekking tot het kader voor activiteiten van de professionele bewindvoerders merkt de NHRPH op dat het begrip ‘redelijke kosten’ relatief is. Meer fundamenteel is de NHRPH de wet van 2013 inzake rechtsbekwaamheid aan het evalueren met een aantal deskundigen (gezinnen en verenigingen, vrederechters, ...). Er staat een ontmoeting met het kabinet Justitie gepland en de NHRPH hoopt met het kabinet te kunnen voortwerken aan de gewenste hervormingen waarop de personen met een handicap en hun gezinnen wachten.
  • Inzake institutionele hervorming en democratische vernieuwing
    • De NHRPH verwerpt categorisch het idee om personen met een handicap hun stemrecht te ontnemen wegens hun handicap. Burgers met een handicap zijn geen tweederangsburgers. Zij moeten hun mening en verwachtingen kunnen uiten en toegang hebben tot de beleidsprogramma's, in easy read.
    • De NHRPH eist dat het stemproces toegankelijk is voor personen met een handicap, in het bijzonder blinden en slechtzienden: toegankelijkheid van de stemcomputer of stembiljetten, en onderzoek of stemmen op afstand via computer mogelijk is voor personen met een handicap (of voor alle burgers?).
    • Om een representatieve deelname van personen met een handicap aan de burgerconsultatie te waarborgen, mag de toegankelijkheid voor doven/slechthorenden niet uit het oog worden verloren.
    • De NHRPH is verbaasd dat de zevende staatshervorming niet in het plan wordt genoemd. Hij is niet naïef en eist vanaf het begin te worden betrokken bij de denkoefening over de reorganisatie en de overdrachten.

  • Inzake gegevensmonitoring
    • De NHRPH vraagt meer informatie over het project Improving Equality Data Collection in Belgium

3. ANALYSE

De NHRPH had mevrouw Lalieux op 20 april 2021 aanbevelingen voor het toekomstig federaal plan handicap bezorgd (kolom 1). In kolom 2, met een perspectief, staan de verschillende maatregelen die door de bevoegde ministers worden overwogen:

Federale bevoegdheidsdomeinen – noden en verwachtingen van de NHRPH

Acties van de federale regering + actoren

Verzamelen van Statistieken

 

Uitgaan van de noden en niet meer van de pathologieën

126. Verlengen van het project “Improving Equality Data Collection in Belgium”  om het uit te breiden met andere criteria van discriminatie, waaronder handicap.
Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit - Cel Gelijke Kansen

127. Oprichten van een task force ter identificatie van de noden en mogelijkheden voor de verzameling van gegevens en statistieken met betrekking tot personen met een handicap (met aandacht voor andere criteria zoals geslacht, leeftijd, enz.).
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken - Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie en Werk - FOD Sociale Zekerheid - Statbel

128. Ontwikkeling van statistieken over de omvang en aard van in- en uitstroom van IVT- en IT-gerechtigden.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap

129. Bijzondere aandacht voor intersectionaliteit, in het bijzonder wat betreft leeftijd en geslacht, in de statistiekproductie inzake IVT en IT en cijfermatige analyses (vb. "Cijfers in de kijker") van de FOD Sociale Zekerheid.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap

Er zijn momenteel verschillende schalen en erkenningen mogelijk. Eenzelfde persoon heeft meerdere beoordelingen naargelang de plaatsen van erkenning. Met behoud van de specificiteit van de verschillende bijstandsregelingen zou meer uniformiteit en samenwerking de lasten voor personen met een handicap kunnen verlichten, de administratieve efficiëntie en duidelijkheid kunnen verbeteren, het beleid en de gegevensverzameling transparanter kunnen maken, en ook de onderbenutting van de rechten door PMH kunnen verminderen.

 

De noden van PMH integreren -  De NHRPH systematisch daarbij betrekken

 

1. Vaststelling van de werkprocedure voor de betrokkenheid PMH vanaf het begin van het project

2. Invoering impactanalyse handicap

117. Garanderen van de representatieve deelname van personen met een handicap aan de voorziene burgerconsultatie.
David Clarinval, Minister van Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing - Annelies Verlinden, Minister van Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing

 

Toegang hebben tot middelen om fatsoenlijk te kunnen leven

 

De IVT optrekken tot ten minste de armoedegrens

1. Een fatsoenlijk inkomen voor de personen die wegens hun handicap niet voltijds kunnen werken.
Het leefloon is bedoeld om een tijdelijke situatie te overbruggen. De IVT is een soortgelijk bedrag, maar voor personen die niet in een tijdelijke situatie zitten. Het zou goed zijn de IVT op te trekken tot het niveau van de armoederisicodrempel om personen met een ernstige handicap die hun beroepsactiviteit beperken een waardig leven te waarborgen. Verwijzing naar de referentiebudgetten van het CEBUD voor een waardig inkomen, die wetenschappelijk zijn onderbouwd om het minimuminkomen te bepalen dat nodig is om volledig aan de samenleving te kunnen deelnemen.
Het leefloon en de IVT zijn overlevingsbedragen. Het houdt personen in een constante staat van armoede.
Het zou goed zijn de IVT systematisch te verhogen.
Een eerste stap zou kunnen zijn om ze tot op het niveau van de IGO op te trekken.  

2. Boven de armoedegrens! Voor heel wat personen gaat het niet om een tijdelijk vangnet, maar om de enige bron van inkomsten.

17. Modernisering van de erkenningsprocedure van handicap door het ontwikkelen en toepassen van multidisciplinaire evaluaties teneinde met alle types handicap rekening te houden.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap

7. Revaluatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap tot aan de armoedegrens.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap

15. Evolueren naar de automatische identificatie van potentieel gerechtigden van IT/IVT- tegemoetkomingen (BELMOD-onderzoek).
Karine Lalieux, Minister van Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid - POD Maatschappelijke Integratie 

12. Hervorming van het tarief van 18% IT vermindering voor personen in een collectieve woonvoorziening.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid 

Vlaanderen: DG HAN keuze IVT/IT of BKB (decumul)

Kiezen voor de beste keuze volgens de PMH: BKB en BOB versus IVT/IT, door tijd te geven om de gevolgen van deze keuze af te wegen, op basis van een advies en een algemeen beeld van de situatie.

 

De IT niet langer in aanmerking nemen voor de berekening van het leefloon en andere door het OCMW erkende steun

Motivatie:
Voor diegene die geen IVT ontvangt, maar wel een IT, wordt de IT in mindering gebracht op het leefloon. De IT is een vergoeding voor de kosten die verband houden met de handicap, geen uitkering voor levensonderhoud.

Dit geldt ook voor de BKB. De huidige teksten zijn helemaal niet duidelijk. Er mag geen ruimte zijn voor interpretatie

 

Herzien wet 1987

Op administratief vlak en op het vlak van de medische evaluatie

16. Evaluatie van de wet van 1987 en formuleren van pistes ter hervorming om deze in overeenstemming met de moderne visie op handicap te brengen.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap

Administratieve prioriteiten:

- Meer transparantie en billijkheid in de statuten. De nieuwe vormen van huisvesting moeten hun plaats vinden in de toepassing van sociale rechten op een eerlijke manier. De benadering van het begrip inkomen moet zoveel mogelijk worden aangepast en geautomatiseerd en op geactualiseerde wijze worden vastgesteld.

- De woonsituatie (samenwonen, alleen wonen, verwantschap) moet worden aangepast aan de nieuwe vormen van huisvesting. En de bepaling van deze situatie moet eenvormig gebeuren, zonder enige ruimte voor interpretatie door de steden en gemeenten. Op dit moment worden nieuwe vormen van huisvesting vaak verschillend gedefinieerd, afhankelijk van de gemeente of stad waarin men woont.  Dit leidt tot onderbescherming (en soms het tegenovergestelde, maar beide zijn oneerlijk).

- Referentiejaar van de inkomens

- Ontkoppeling tussen informatica en inkomens

- Mogelijkheid van een geleidelijke terugkeer naar het werk, waarbij de uitkering niet volledig verloren gaat. Personen enige zekerheid geven, wanneer zij de stap naar de arbeidsmarkt willen zetten. (cf. RIZIV-reglementering: 20 % van de tegemoetkoming wordt behouden)

13. Aanpassing van de wet van 1987, en de wet van 2001 betreffende de Inkomensgarantie Ouderen, aan de nieuwe woonvormen.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid

18. Opstellen van een nieuw actieplan van DG HAN ter verbetering van de dienstverlening voor de burgers: inclusieve communicatie met de rechthebbende wordt ontwikkeld: de intake procedure bij aanvraag erkenningen wordt hervormd. Er wordt onderzoek gevoerd naar hoe de dienstverlening toegankelijk kunnen maken voor diverse doelgroepen. Informatiestromen tussen de verschillende regionale antennes, OCMW’s en gemeentes worden geoptimaliseerd opdat een harmonisatie van de beslissingen en een gelijkwaardige behandeling van de aanvragen gegarandeerd wordt.  De tijd die nodig is voor de behandeling van de aanvragen monitoren en verkorten en streven naar de strategische doelstelling om het aantal geschillen te verminderen.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid 

19. Garanderen van een inclusieve en heldere communicatie met de burgers en rechthebbenden door DG HAN.  

20. Verbeteren van de samenwerking tussen DG HAN en de gemeentebesturen, teneinde drempels tot dienstverlening weg te werken.

22. In kaart brengen van de specifieke hindernissen voor niet-Belgische inwoners met een handicap.

8. Afschaffen van de “prijs van de liefde” door het loskoppelen van de hoogte van het inkomen van de personen met een handicap en hun partners voor de integratietegemoetkoming.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - FOD Sociale Zekerheid

37. Hervorming van de berekening van de integratietegemoetkoming door een hogere vrijstelling voor arbeidsinkomen en het versterken van het vangnet bij verlies van werk.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap

40. Ontwikkeling van een simulatietool zodat personen met een invaliditeitsuitkering die deeltijds het werk hervatten op voorhand kunnen berekenen wat de fiscale gevolgen van de cumulatie van uitkering en arbeidsinkomen zijn.
Frank Vandenbroucke Minister van Sociale Zaken -  Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën

67. Onderzoek naar de mogelijkheid om de huidige leeftijdsgrens van 65 jaar voor de erkenning als persoon met een handicap op fiscaal vlak te vervangen
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - FOD Financiën

68. Zoeken naar een wettelijke oplossing voor het probleem van de dubbele aanrekening van kinderen met een handicap (hanteren van een minder restrictieve definitie van “handicap” voor deze belastingvermindering).
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën FOD Financiën

Bijkomende maatregel Timing Regeringslid Administratie

69. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap zal geraadpleegd worden in functie van de voorbereiding van de bredere fiscale hervorming en het onderzoek naar de aanpassing van de fiscaliteit aan “moderne samenlevingsvormen”.
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - FOD Financiën

De koopkracht van niet-belastingplichtige PMH versterken

 

In aanmerking nemen van de noden van PMH in het armoedeplan

26. Integratie van de handicap in het Plan Armoedebestrijding.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap en Armoedebestrijding - POD Maatschappelijke Integratie

Vorige staat - Artikel 100 §1 van de wet betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, als kantelpunt tussen de sociale dekking en de sociale bijstand

 

De toegang tot de afgeleide rechten verhogen om

 

De factuur van PMH met een laag inkomen te verminderen

Btw op voertuigen: het zou interessant zijn het voertuig direct te kunnen kopen tegen 0 %, aangezien momenteel de btw van 6 % moet worden betaald bij aankoop, die later – na heel wat stappen – wordt terugbetaald. De 6 % moet worden gefinancierd door de PMH, terwijl ze later worden terugbetaald.

70. Er wordt onderzocht of de terugbetaling van 6% btw bij de aankoop van een auto voor bepaalde personen met een handicap versneld, of direct bij aankoop, kan.     
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - FOD Financiën

Deelnemen aan het maatschappelijk leven -> een sociaal tarief voor internet en Smartphone creëren

23. Verbeteren en actualiseren van de bestaande sociale tarieven: telefonie, gas en elektriciteit.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - Petra De Sutter, Minister van Telecommunicatie - Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Tinne Van der Straeten, Minister van Energie - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumenten-bescherming - POD Maatschappelijke Integratie

24. Garanderen van de retroactiviteit bij automatische toekenning van het sociaal tarief voor energie door te bestuderen hoe die kan opgevangen worden door een éénmalige premie om de tijd tot erkenning op te vangen.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Tinne Van der Straeten, Minister van Energie  

Meer werkgelegenheid van goede kwaliteit

Verantwoordelijkheid creëren bij de werkgevers – back-to-work

39. Verbeteren van het Terug-Naar-Werk-proces van uitkeringsgerechtigde personen in het werknemersstelsel van de ziekteverzekering via de uitwerking van de Terug-Naar-Werk-coördinatie.
Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken – RIZIV - FOD Sociale Zekerheid

Er moet ook worden voorzien in een quotum van PMH in privéondernemingen (en/of een beroep worden gedaan op BWA’s). Invoering van een progressief quotum met compensatie in een fonds voor opleiding, indien het quotum niet wordt bereikt.

 

 

Verplicht maken van redelijke aanpassingen en positieve acties op de werkplek

In het beste geval, mits het gebouw een bouwvergunning heeft en voldoet aan de GSV-toegankelijkheidsvereisten, is enkel de voordeur van de werkplek en de eventuele toegang tot de receptie toegankelijk. Alles zal afhangen van de interpretatie die aan het “publiek” wordt gegeven (zie hieronder).

Parallel hiermee vermeldt de code inzake welzijn op het werk weliswaar de aanwezigheid van een aangepast toilet, maar legt geen beperkingen op ten aanzien van de toegankelijkheid van de lokalen.

Hoe kunnen we dan de werkgelegenheid voor PMH bevorderen als gebouwen niet of slechts beperkt toegankelijk zijn? En dit geldt ook voor de overheidsdiensten, die een quotum moeten naleven in termen van tewerkstelling van PMH.

De behoeften van PMH zouden moeten worden geïntegreerd in wetteksten zoals de Code over het welzijn op het werk.

 

48. Het gebruik van redelijke aanpassingen in de werkomgeving van de federale overheid vergemakkelijken:
a. (Uitzonderlijke) financiering ter ondersteuning van werkgevers en federale werknemers met een handicap om telewerkstations in te richten.
b. (Co-)financiering van diversiteitsprojecten die traditionele aanpassingen van de werkplek of bewustmaking of coaching in verband met het thema handicap mogelijk maken.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting - FOD BOSA

De toegang tot werk vergemakkelijken (inwerken op fysieke, digitale omgeving, enz.)

Vervoer dat ook financieel toegankelijk is

 

49. Sensibiliseren van de federale overheidsadministraties, mandaathouders en HR-ambtenaren over het recht op redelijke aanpassingen en het aanmoedigen van het nemen van initiatieven die een inclusieve werkomgeving bevorderen.
- De expertise bij FOD BOSA-diversiteit inzake redelijke aanpassingen op de werkvloer, re-integratie, subsidies, externe ondersteuning, etc. zal actief ter beschikking worden gesteld voor de gehele federale administratie.
- In samenspraak met het netwerk diversiteit en het middenveld van personen met een handicap worden sensibiliseringsacties opgezet voor een handicap inclusieve werkomgeving.
- Er wordt een gids inzake inclusieve (digitale) vergaderingen ter beschikking gesteld.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit - FOD BOSA - FOD Sociale Zekerheid

De quota bij de overheid naleven

46. De Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt zal een meer proactieve rol opnemen in het uitwerken van voorstellen om de doelstelling van minimaal 3% tewerkstelling te halen.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit - FOD BOSA - FOD Sociale Zekerheid

Stages en tewerkstellingsformules voor PMH integreren in de sociale zekerheid

47. Om de mogelijkheden om personen met een handicap te rekruteren in het federaal openbaar ambt te verbeteren.
- Analyse en hervormen van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 om bv. nieuwe vormen van tewerkstelling, waaronder stages, mogelijk te maken.
- Toezien op de correcte toepassing van de voorrangsregeling voor de aanwerving van geslaagde kandidaten met een handicap.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting - FOD BOSA

Een quotum van PMH zou ook moeten worden voorzien bij de federale politie en het leger (met aangepaste posten)

53. Employer Branding, waarbij de federale overheid zich profileert als een inclusieve werkgever en personen met een handicap aangemoedigd worden om te solliciteren.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - FOD BOSA - Alle administraties

54. Bevordering van de re-integratie van arbeidsongeschikte militairen.
Ludivine Dedonder, Minister van Defensie

55. Militairen die definitief als ongeschikt voor dienst als militair verklaard worden, een functie binnen het civiel personeel van defensie toe te kennen.
Ludivine Dedonder, Minister van Defensie

56. Sensibiliseren rond beeldvorming bij de rekrutering van gemeenschapswachten. Bekijken met de opleidingscentra voor gemeenschapswachten wat eventueel zou kunnen verbeterd worden opdat alle functionaliteiten en voorzieningen aanwezig zijn zodat personen met een handicap eveneens in staat zijn om een vormingsattest te behalen.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken -  FOD Binnenlandse Zaken

Thans kan iemand die enkel een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt (geen inkomsten uit werkloosheid, ziekenfonds, …) niet als zelfstandige in bijberoep beginnen. Hij moet dus zelfstandige in hoofdberoep zijn, waardoor hij zeer hoge sociale bijdragen moet betalen.

59. Nagaan op welke manier het opstarten van een zelfstandige activiteit vereenvoudigd kan worden, met name via een vermindering van de financiële voorwaarden voor toegang tot het sociaal statuut der zelfstandigen voor deze specifieke doelgroep ; of via de combinatie van een statuut van zelfstandige in bijberoep met tegemoetkomingen voor personen met een handicap. 2021-XXXX
David Clarinval, Minister van zelfstandigen - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - FOD Sociale Zekerheid - Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen

Maatregel Timing Regeringslid Administratie

61. Onderzoek naar de mogelijkheden tot een betere begeleiding aan personen met een handicap bij het zoeken naar werk binnen een versterkt re-integratiebeleid op maat van de arbeidsongeschikte zelfstandige.
David Clarinval, Minister van zelfstandigen

Rechtsbekwaamheid en toegang tot de rechter

 

De uitvoering van de wet van 2013 op de rechtsbescherming evalueren

101. Introduceren van een kader voor activiteiten van professionele bewindvoerder
a. met betrekking tot kwaliteit van diensten: humaan beheer
Opleggen van vereiste opleiding/introductie van deontologie
b. met betrekking tot tarificatie van diensten: kosten zijn voorzienbaar en redelijk
c. Instellen van orgaan dat professionele bewindvoerder controleert.   
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - FOD Justitie

102. Evaluatie van de wet inzake voorlopige bewindvoering: rekening houden met problematiek gesignaleerd door organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen.
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - FOD Justitie

103. Digitalisering van de procedure van bewindvoering:
Alle informatie en communicatie op één plaats, toegang voor alle partijen.
Verminderde werklast voor de vrederechter, zodat deze tijd heeft voor menselijke aspecten.
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - FOD Justitie

Stemrecht

113. Garanderen van gratis vervoer van en naar het kieslokaal als redelijke aanpassing voor personen met een handicap.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - FOD Binnenlandse Zaken

114. Wijziging van het systeem van de volmachten om het systeem te versterken zodat misbruik voorkomen wordt.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - FOD Binnenlandse Zaken

115. Sensibiliseren van burgers, politieke partijen en media over de participatie van personen met een handicap aan het kiesproces en het belang van het aanbieden van verkiezingsprogramma’s en berichtgeving in toegankelijke formaten.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - FOD Binnenlandse Zaken

Begeleiding van de vrederechters

 

Toegang tot gebouwen en procedures

105. Digitaal beschikbaar maken van het register voor beëdigde vertalers en tolken voor het publiek en werken aan een stijging van het aantal tolken gebarentaal.
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - FOD Justitie

106. “Fluistersets” in de rechtbanken worden beschikbaar gemaakt.
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - FOD Justitie

107. Digitale aangiftes bij politiediensten voor personen met beperkte mobiliteit worden mogelijk gemaakt en gepromoot.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - FOD Binnenlandse Zaken

108. Bevorderen van de bekendheid van de European Disability Card bij politiediensten.
Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - FOD Binnenlandse Zaken

Internering in een gevangenisomgeving

 

Een betere samenwerking en een betere uitwisseling tussen de instellingen bij dewelke een klacht kan worden ingediend wegens discriminatie teneinde niet te kunnen kiezen welk element het zwaarst weegt in een geval van gekruiste discriminatie, bijvoorbeeld, handicap = Unia, vrouw = instituut voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen

119. Evaluatie van federale antidiscriminatiewetten met aandacht voor:
- Het beschermd criterium van handicap
- Bijzondere vormen van discriminatie
- Invulling van redelijke aanpassingen
Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit - Cel Gelijke Kansen

120. Verbetering van de antidiscriminatietesten en de monitoring van deze.
Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit - Pierre-Yves Dermagne, Minister van Werk - FOD Justitie - FOD WASO

121. Aandacht voor de meervoudige discriminatie van vrouwen en meisjes met een handicap, in de voorziene evaluatie van de gelijkheids- en mensenrechtenorganen, waaronder Unia. 
Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit

De toegang tot geneeskundige verzorging verbeteren en afstemmen op de levenskwaliteit

 

Cartografie van de behoeften

 

3. In overleg met de deelstaten worden de bijzondere drempels voor de toegang tot gezondheidszorg voor personen met een handicap die zich situeren op de grens van de bevoegdheidsverdeling inzake volksgezondheid en welzijn in kaart gebracht (Bv. nomenclatuur voor logopedie en kine gelinkt aan revalidatiecentra).
Frank Vandenbroucke, Minister van Volksgezondheid -  FOD Volksgezondheid

Het aanbod van algemene diensten vergroten

 

De toegang tot ziekenhuizen versterken

5. Het verzekeren van toegang van personen met een handicap tot ziekteverzekering en ziekenfondsen op gelijke voet met anderen: aanpak van de problematiek van voorafbestaande toestanden.
Frank Vandenbroucke, Minister van Volksgezondheid - FOD Volksgezondheid

Voor de gezinnen en mantelzorgers, enorme respijtbehoeften in de thuiszorg

 

Opleiding van het personeel en informatie

 

Zo lang mogelijk thuis blijven wonen -> beantwoorden aan de specifieke behoeften van PMH en gezinnen – een screening van de behoeften doen

6. Hervorming van de wet van 26 juni 1990 “betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke” met respect voor de rechten van de patiënt met een handicap.
Er zullen vernieuwende initiatieven verkend worden in de diensten geestelijke gezondheidszorg in de ziekenhuizen voor meer humane zorg en verminderen van de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie - Frank Vandenbroucke, Minister van Volksgezondheid - FOD Justitie - FOD Volksgezondheid

Te strenge nomenclatuur (kine en logopedie) in verband met zorgtrajecten in revalidatiecentra; niet aangepast aan de situaties van het gezinsleven, zonder nog te spreken van het feit dat revalidatiecentra, scholen, dagcentra, … soms zeer ver weg zijn.

 

 

Protocol verpleegkundige handelingen – het verbod van bepaalde verpleegkundige zorg door mantelzorgers of niet-professionele personen opheffen (criterium van de levenskwaliteit)

 

Rietjes voor eenmalig gebruik

 

Verzorging is ook financieel ontoegankelijk voor heel wat PMH: kiezen tussen zich verwarmen/eten/zich verzorgen (zie studies van verenigingen)

 

 

Regeerakkoord: interfederaal plan chronische ziekten -> uitbreiden tot PMH

 

Ondersteuning van PMH en gezinnen

 

De erkenning van het werk van mantelzorgers op het vlak van sociale rechten verhogen

 

Universele toegankelijkheid – Rechten van de consumenten – bescherming van PMH

 

 

Definitie van een voor het publiek toegankelijke plaats

In de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen (onder andere wetteksten) zijn de voorschriften van toepassing op de “voor het publiek toegankelijke plaatsen”, “openbare of voor het publiek toegankelijke voorzieningen” … In geen enkele van deze teksten kan evenwel een definitie van dit “publiek” worden teruggevonden. Daaruit vloeit voort dat iedere lezer het begrip zelf interpreteert.

Deze mogelijkheid tot interpretatie heeft zware gevolgen. Onder andere:

De analyse van het naleven van de wettelijke voorschriften inzake toegankelijkheid van ganse of een gedeelte van de gebouwen tijdens het onderzoek van de stedenbouwkundige vergunning wordt al dan niet uitgevoerd volgens de aan het begrip “publiek” gegeven interpretatie (aangezien het toepassingsgebied van deze teksten niet altijd een antwoord biedt);

De impact op de afwezigheid van toegankelijkheid in de meeste werkplaatsen;

In Zwitserland, bijvoorbeeld, definieert de LHand (federale wet inzake de gelijkheid voor PMH) deze “openbare ruimten – voor het publiek toegankelijke ruimten…” waarbij het op die manier iedere mogelijkheid tot interpretatie schrapt. Het al dan niet bindende karakter van het toegankelijk maken van de infrastructuren lijkt bijgevolg duidelijk.

Het aanbrengen van dergelijke verduidelijking in onze wetteksten zou een grote hulp zijn bij het toegankelijk maken van de bebouwde omgeving.

27. Ervoor zorgen dat de specifieke noden van personen met een handicap geïntegreerd worden in het alomvattend moderniseringsplan om de kwaliteit van de dienstverlening van de overheid te verbeteren: garanderen en verbeteren van een toegankelijk onthaal en toegankelijke informatie voor personen met een handicap.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken FOD BOSA - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap

29. Bijzondere aandacht voor inclusieve dienstverlening bij de overheidsdiensten met rechtstreeks contact met de burger. Onder meer door aanvraag redelijke aanpassingen mogelijk te maken en daarvoor de nodige interne middelen voorzien.
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - Andere Regeringsleden - FOD Financiën - Andere administraties

 

Brandveiligheid in de gebouwen

In België zijn de federale overheden, de gemeenschappen, de gewesten en zelfs de gemeentebesturen om verschillende redenen verantwoordelijk  voor brandpreventie of -bescherming.

Thans worden de behoeften van PMH niet in aanmerking genomen in de geldende wetteksten.

De voor het publiek open gebouwen, gebouwd na 1975 (verschijnen van de eerste federale wet inzake toegankelijkheid van gebouwen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning moest worden aangevraagd), zouden toegankelijk moeten zijn. De wetgeving inzake brandveiligheid in de gebouwen heeft dus geen criterium ingevoegd om meer bepaald de veiligheid van PMH in de gebouwen te waarborgen.

Het volgende kan evenwel worden vastgesteld:

Zelfs indien, sinds 1975, de gebouwen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning moest worden aangevraagd toegankelijk moeten zijn, vormt dit geen realiteit;

De thans geldende gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen (waarvan de  voorschriften inzake toegankelijkheid van PMH niet zijn geharmoniseerd terwijl de behoeften van PMH identiek zijn) nemen de behoeften van personen in een rolstoel essentieel in aanmerking en niet de behoeften van personen met sensoriële, cognitieve, … beperkingen.

De veiligheid van PMH in een gebouw mag enkel berusten op de voorschriften van de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen.

De behoeften van PMH moeten dringend worden geïntegreerd in de verschillende reglementaire en normatieve teksten inzake brandveiligheid in de gebouwen.

76. Opstellen van een inventaris van de toegankelijkheid van de federale gebouwen met daaruit voortvloeiend een plan van aanpak van de meest urgente noden.
Mathieu Michel, Staatssecretaris belast met de Regie der gebouwen - Regie der Gebouwen - Alle administraties

77. Promoten van het gebruik van de toegankelijkheidsgids die werd opgesteld door de Regie der gebouwen door alle federale administraties.
In het kader van de renovatie van bestaande gebouwen: de meest relevante en actuele aanbevelingen voor de toegankelijkheid van de gebouwen integreren op basis van de aanbevelingen in de diagnosestaat, door zich in een eerste fase te richten op enkele proefgebouwen (vast te stellen prioriteit; identificatie van de aanbevelingen en uitvoering van de werkzaamheden).
In het kader van de bouw van nieuwe gebouwen: de aanbevelingen voor de toegankelijkheid van gebouwen integreren op basis van de door de Regie der gebouwen opgestelde gids.
Mathieu Michel, Staatssecretaris belast met de Regie der gebouwen - Alle regeringsleden        

78. Formele aanduiding van referentiepersonen binnen de Regie, en hun opleiding als “adviseur toegankelijkheid”.
Mathieu Michel, Staatssecretaris belast met de Regie der gebouwen

79. Digitalisering van de diagnosefiche voor toegankelijkheid van gebouwen, en het sluiten van een openbare aanbesteding voor de uitvoering van een diagnose op basis van deze fiche.
Mathieu Michel, Staatssecretaris belast met de Regie der gebouwen

80. Beroep doen op ervaringsexperten om de toegankelijkheid van de inrichting van federale overheidsgebouwen te evalueren.
Alle regeringsleden

81. De toegankelijkheid van de federale overheidsdiensten wordt online omschreven zodat burgers niet met onverwachte hindernissen geconfronteerd worden op het moment van hun bezoek.

82. Actieplan ter verbetering van de toegankelijkheid van federale musea en culturele instellingen (o.a. de Munt, Bozar).
Thomas Dermine, Staatssecretaris belast met Wetenschapsbeleid - Sophie Wilmès, Minister van de Federale Culturele Instellingen

83. Buitenlandse posten: evaluatie van de toegankelijkheid van de ambassades en de residenties.
Sophie Wilmès, Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Buitenlandse Handel - FOD Buitenlandse Zaken

84. Verzekeren dat de toekomstige kazernes toegankelijk zijn en aanpassingen voorzien in alle bestaande kazernes waar dit nodig is.
Ludivine Dedonder, Minister van Defensie

Algemeen zouden de behoeften van PMH systematisch moeten worden opgenomen in de algemene preventieprincipes (werven…). Dit is thans absoluut niet het geval.

 

Toegang tot de bebouwde en niet-bebouwde, openbare en privé- omgeving van openbaar nut:
Naleven van de regels inzake toegankelijkheid en vervolgen van de inbreuken.

 

Uitvoering EAA

85. Omzetting van de “European Accessibility Act” naar Belgische wetgeving en het betrekken van de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap bij dit proces.
Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Sophie Wilmès, Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Buitenlandse Handel - Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - Petra De Sutter, Minister van Telecommunicatie - Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken - Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering - FOD Economie (Piloot + omzetting) - FOD Sociale Zekerheid (Piloot) - FOD Buitenlandse Zaken (Eurocoördinatie) - FOD Mobiliteit - Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie - FOD Mobiliteit en Vervoer - Autoriteit voor Financiële diensten en Markten - FOD Binnenlandse Zaken - FOD Kanselarij

Privédiensten van algemeen belang: Bpost, Proximus, banken, COMEOS
-> Universeel toegankelijke dienst, ook financieel, en die een maatschappelijke participatie en een autonoom leven mogelijk maakt 

57. De quota van 3% tewerkstelling wordt opgenomen in de beheerscontracten van de publieke ondernemingen.
Petra De Sutter, Minister van Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post

58. Evaluatie van de maatregelen die zijn genomen voor de tewerkstelling van personen met een handicap of personen die hun normale functie binnen de Belgische spoorwegen niet meer kunnen uitoefenen en onderzoeken hoe de tewerkstellingsgraad kan worden verbeterd om richting 3% te gaan.
De specifieke veiligheidscontext binnen de Belgische spoorwegen en de gevolgen voor de werkgelegenheid dienen in de beoordeling te worden betrokken.
Petra De Sutter, Minister van Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post

62. Garanderen van de toegankelijkheid van basisbankdiensten voor personen met een handicap.
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumentenbescherming - FOD Financiën - FOD Economie

63. In overleg met de financiële sector (o.a. Febelfin) worden afspraken gemaakt over de toegankelijkheid, waaronder de nabijheid van het banken- en bankautomatennetwerk.
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën -  Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumentenbescherming - FOD Financiën - FOD Economie

87. Zoeken naar een oplossing om de universele toegankelijkheid van de draagbare betaalterminals die alleen een touchpad hebben te verzekeren.
Vincent Van Peteghem, Minister van Financiën - Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie FOD Financiën - FOD Economie

Uitvoeren richtlijn web

 

Universele conceptie = standaard.  Maakt deel uit van het architectuuronderwijs en vormt een voorafgaande voorwaarde voor de constructie/renovatie van nieuwe gebouwen.

 

Mobiliteit

 

Vervoer PMH moet toegankelijk zijn, fysiek en/of financieel

Ofwel zien wij erop toe dat het openbaar vervoer zo toegankelijk mogelijk wordt dankzij redelijke aanpassingen, en/of wordt aangevuld met financiële maatregelen  voor de personen voor wie enkel individueel vervoer mogelijk is  (naar het voorbeeld van de diensten voor aangepast vervoer in Vlaanderen, hoewel dit ook nog in heel wat opzichten moet worden verbeterd). Zolang dit niet het geval is, moeten wij, op bepaalde domeinen, vertrouwen op de verantwoordelijkheid van de diensten om hun diensten toegankelijk te maken voor personen met beperkte mobiliteit. Voorbeeld: toegankelijkheid van gespecialiseerde diensten (terugbetaling van het individueel transport met een compensatie/aanvaardbare prijs), naar het voorbeeld van de organisatie van de COVID-vaccinaties.

89. Verbeteren van de toegankelijkheid van treinen en stations
a. Raadpleging van gespecialiseerde organisaties zoals de NHRPH en CAWaB + Enter vzw, Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid, in de dienst- en performantiecontracten van de NMBS en Infrabel.
b. De toegankelijkheid van stations en haltes verbeteren en versnellen.
c. Verhoging van het aantal autonome stations aan de hand van de volgende 5 criteria:
- toegang tot platforms op een autonome manier mogelijk

- 76 cm platform
- podotactiele lijnen
- toegankelijke/bruikbare kaartjesautomaten voor personen met beperkte mobiliteit
- gereserveerde parkeerplaatsen
d. ervoor zorgen dat nieuwe investeringen in rollend materieel en infrastructuur voldoen aan de relevante toegankelijkheidsnormen.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

92. Aanbieden van een zorgvuldige opleiding van het personeel over de omgang met reizigers met beperkte mobiliteit, inclusief treinbegeleiders.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

NMBS – Toegankelijke treinen

De NHRPH betrekken bij het opstellen van het nieuwe openbare dienstcontract

Zie voormelde maatregel 89

90. Het opnemen van doelstellingen voor de realisatie van toegankelijkheid voor reizigers met beperkte mobiliteit in het dienstcontract met NMBS en het performantiecontract met Infrabel.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

91. Verbeteren van het systeem van assistentie aan reizigers met beperkte mobiliteit:
a. Versoepeling van (reservatie)termijnen
b. Uitbreiding van het assistentieaanbod
c. Assistentie voorzien in het geval van werken en omleidingen
Verbeteren van mogelijkheden en procedures om assistentie te reserveren.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

NMBS – Afschaffing reservatietermijnen

93. Versterking van de systemen die passagiers met een handicap in staat stellen een ticket te kopen: website, app, toegankelijke ticketautomaten, aanwezigheid van een steward.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

Intermodaliteit

 

EDC
- De verspreiding bij de BE dienstverleners uitwerken
- De huidige draagwijdte van de EDC uitbreiden tot 27 lidstaten (maar niet uitbreiden tot een sociale dekking op straffe van het afzien van de tool)

 

94. Het gebruik van de European Disability Card binnen het openbaar vervoer zal onderzocht worden. Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - FOD Mobiliteit - FOD Sociale Zekerheid

122. Verder uitrollen van de European Disability Card als instrument voor de toegang tot cultuur en vrije tijdsbesteding in binnen- en buitenland – en promotie van het maximaal gebruik ervan bij de federale culturele en wetenschappelijke instellingen.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - Sophie Wilmès, Minister van de Federale Culturele Instellingen - Ludivine Dedonder, Minister van Defensie - Thomas Dermine, Staatssecretaris belast met Wetenschapsbeleid - FOD Sociale Zekerheid

Bijkomende maatregelen Timing Regeringslid Administratie

123. Uitwerken van sportinitiatieven voor militairen en veteranen met een handicap.
Ludivine Dedonder, Minister van Defensie

Scan Cars, lage-emissiezones en kilometerheffing

98. Hervorming van het systeem van parkeerkaarten
a. Verbeteringen in de procedure van toekenning van parkeerkaarten voor personen met een handicap.
b. Er wordt een technische oplossing uitgewerkt voor het ScanCars probleem, in samenwerking met de gewesten en lokale besturen.
c. Betere dienstverlening aan leden van de internationale diplomatieke gemeenschap met een handicap.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een Handicap - Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - Sophie Wilmès, Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Buitenlandse Handel - FOD Sociale Zekerheid - FOD Mobiliteit - FOD Buitenlandse Zaken

 

99. Wijziging van de wegcode om het gebruik van busstroken en speciale oversteekplaatsen voor het collectief vervoer van personen met een handicap mogelijk te maken.
Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit - FOD Mobiliteit

De toegang tot informatie vergemakkelijken – strijden tegen de non take-up

 

Toegankelijke websites

86. Alle publieke websites en applicaties dienen toegankelijk te zijn conform de meest recente EN301549-standaarden. Daartoe voorzien we:
- Nalevingscontrole van de toegankelijkheid van mobiele toepassingen van federale overheidsinstanties, met als doel deze toegankelijker te maken.
- Gunning van een overheidsopdracht voor ondersteuning van digitale toegankelijkheid om de mobiele sites en applicaties van federale, regionale en lokale overheden toegankelijker te maken.
Sensibilisering van de federale actoren die betrokken zijn bij e-toegankelijkheid (bv. e-toegankelijkheidsevenement).

Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering - FOD BOSA

Fysieke omgeving van het gebouw en van de omgeving toegankelijk voor alle PMH (ongeacht welke deficiëntie ze hebben)

 

 

“Makkelijk te lezen en te begrijpen” systematiseren

32. Veralgemenen van het gebruik van easy-to-read versies van belangrijke documenten voor de burger.
Alle regeringsleden - Alle administraties

De vertaling in gebarentaal voorzien

30. We zetten een netwerk van ervaringsdeskundigen handicap (NHRPH denkt dat het over de gebarentolken gaat) op om de federale administraties te ondersteunen.
Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting - FOD BOSA

 

De grenzen van alles wat digitaal is – in de overheidsdiensten voldoende personeel voorzien om de personen op te zoeken die door de mazen van de socialezekerheids- en socialebeschermingsregelingen zijn geglipt

 

64. Ontwikkeling van een “uniek loket” voor burgers voor vragen in verband met consumentenzaken, dat “hybride-digitaal” is.
Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumentenbescherming - FOD Economie

65. De betrokkenheid van de NHRPH bij consumentenzaken en de bescherming van kwetsbare consumenten verbeteren/versterken.
Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumentenbescherming       

66. Evaluatie van de uitbreiding van het recht om vergeten te worden voor personen met een handicap in verzekeringsmaterie in lijn met die van bepaalde types van diabetes.
Pierre-Yves Dermagne, Minister van Economie - Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Consumentenbescherming - FOD Economie

Herstelplan en Green deal

 

De herstelmaatregelen (PVH) en de maatregelen op het vlak van de bestrijding van de klimaatopwarming moeten PMH ook ten goede komen

35. Integreren van de handicapdimensie in projecten van het Belgisch plan voor herstel en veerkracht en het federaal relance- en transitieplan.
Thomas Dermine, Staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen - FOD BOSA

36. Ervoor zorgen dat de vertegenwoordigende organisaties voor personen met een handicap betrokken worden bij het opstellen van het federaal relance- en transitieplan.
Thomas Dermine, Staatssecretaris voor Relance en Strategische Investering

 

72. Betrekken van de NHRPH bij de uitwerking van klimaat- en milieubeleid, teneinde een rechtvaardige transitie voor personen met een handicap te waarborgen.
Zakia Khattabi, Minister van Duurzame Ontwikkeling – FIDO

73. Integratie van handicap in het federaal plan voor duurzame ontwikkeling 2021-2025.
Zakia Khattabi, Minister van Duurzame Ontwikkeling - FIDO

Ondersteunen van de werkzaamheden van PMH-verenigingen en onderzoekswerk

 

Schenkingen aan erkende verenigingen zouden, net als in Frankrijk, in aanmerking moeten komen voor een vrijstelling van 66 % (bij ons slechts 40 %) en dit voor schenkingen aan verenigingen en ook in het kader van onderzoek

 

Institutionele hervormingen 2024

 

Betrokkenheid van de NHRPH om de handistreaming van de behoeften van PMH te waarborgen

131. Uitbreiden van de betrokkenheid van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap in het beleidsproces.
Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap - Mathieu Michel, Staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging - FOD Sociale Zekerheid

 


Een aantal andere verbintenissen en maatregelen worden ook voorzien, met name:

  • Bevordering van de sociale economie, waartoe ook de tewerkstelling van personen met een handicap behoort, in het actieplan “federaal beleid inzake overheidsopdrachten”.
  • Bevordering van de re-integratie van militairen met een handicap op de arbeidsmarkt.
  • De NHRPH betrekken bij de uitwerking van klimaat- en milieubeleid om te zorgen voor een rechtvaardige overgang voor personen met een handicap.
  • Een passende opleiding verstrekken voor personeel dat omgaat met passagiers met beperkte mobiliteit, met inbegrip van het boordpersoneel. Zorgen voor een vaste prijs voor papieren en digitale tickets wanneer een persoon met een handicap een ticket koopt.
  • Evaluatie van de haalbaarheid en de relevantie van een bewustmakingscampagne voor spoorweggebruikers zoals de campagne ‘Wat als u in de situatie van... zat’.
  • Aandacht voor de handicap in het kader van het actieplan tegen huiselijk geweld.
  • De toegankelijkheid van opvangcentra en opvangcentra voor seksueel geweld voor personen met een handicap beoordelen en waarborgen.
  • Benadrukken van de meervoudige discriminatie waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd door instanties voor gelijkheid en mensenrechten, waaronder Unia.
  • Ervoor zorgen dat personen met een handicap voor voren worden gebracht in acties ter bevordering van het imago van België in het buitenland.

Sommige verzoeken van de NHRPH bleven daarentegen onbeantwoord (kolom 2 leeg).

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan alle federale ministers en staatssecretarissen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 17

Advies 2021/20 - Beperking van plastic rietjes voor eenmalig gebruik

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2021/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beperking van plastic rietjes voor eenmalig gebruik, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/06/2021.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2019/904 van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu moeten de lidstaten het in de handel brengen van in deel B van de bijlage vermelde kunststofproducten voor eenmalig gebruik en van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen verbieden. Tot deze producten behoren rietjes, tenzij ze onder het toepassingsgebied van Richtlijn 90/385/EEG of Richtlijn 93/42/EEG vallen.

Een ontwerp van koninklijk besluit betreffende producten voor eenmalig gebruik en ter bevordering van herbruikbare producten teneinde richtlijn 2019/904 toe te passen, wordt momenteel besproken.

2. ANALYSE

De NHRPH heeft reeds een advies hierover uitgebracht in 2020 (zie advies 2020-19 van 21 september 2020). De NHRPH heeft ook verschillende ministers geïnterpelleerd door middel van een brief van 29 maart 2021.

Ingevolge deze brief heeft de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu informeel een ontwerp van koninklijk besluit betreffende producten voor eenmalig gebruik en ter bevordering van herbruikbare producten voorgelegd.

Artikel 5 van het ontwerp bepaalt het volgende:

Het is verboden de kunststofproducten voor eenmalig gebruik in bijlage 1 de eerste keer op de markt de brengen.

De producten 1°, 2° en 3° van Bijlage 1 mogen de eerste keer op de markt gebracht worden tot en met 30 september 2023.

Kunststofproducten voor eenmalig gebruik vermeld in bijlage 1 van het ontwerp van koninklijk besluit zijn met name:

4 ° Katoenen wattenstaafjes, tenzij die binnen het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad, vallen. De minister bevoegd voor het milieu kan, indien nodig, de voorwaarden bepalen voor het op de markt brengen van deze producten.

7° Rietjes, tenzij die binnen het toepassingsgebied van het Koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de Verordening (EU) 2017/745 van 5 april 2017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad vallen. De minister bevoegd voor het milieu kan, indien nodig, de voorwaarden bepalen voor het op de markt brengen van deze producten.

3. ADVIES

De NHRPH herinnert eraan dat plastic rietjes voor eenmalig gebruik voor sommige personen met een handicap absoluut noodzakelijk zijn. Personen die verlamd zijn als gevolg van een neuromusculaire ziekte of last hebben van aanzienlijke onwillekeurige bewegingen en spierstijfheid als gevolg van een hersenverlamming zijn niet in staat hun bovenste ledematen te gebruiken en kunnen niet anders dan hun toevlucht nemen tot dit waardevolle hulpmiddel om hun enige mate van zelfredzaamheid te waarborgen.

Het niet kunnen verkrijgen van plastic rietjes voor eenmalig gebruik is zeer problematisch en kan ernstige gevolgen hebben voor de personen die ze nodig hebben. Deze personen kunnen de vervangingsmiddelen die op de markt beginnen te komen niet gebruiken om verschillende redenen:

  • Wat het vervangingsmateriaal betreft:
    • Metalen en bamboe rietjes zijn te hard en kunnen niet worden gebogen: zij kunnen aldus de mond verwonden, vooral bij personen met onwillekeurig bewegingen. Deze verwondingen kunnen zeer ernstige medische gevolgen hebben.
    • Kartonnen rietjes zijn te soepel, gaan te gemakkelijk stuk tussen de tanden of het tandvlees en kunnen niet worden gebruikt bij warme dranken. Ze veranderen de smaak van de drankjes. Bovendien kunnen ze niet worden gebogen.
  • Wat de hygiëne betreft:
    • Herbruikbare rietjes doen vrezen voor virussen en bacteriën (luchtwegen, herpes, schimmels, …).
    • Ze moeten zeer zorgvuldig worden gereinigd. De gebruiker moet hiervoor een beroep doen op anderen, wat de afhankelijkheid verhoogt.
    • Het lijkt erg moeilijk siliconen rietjes doeltreffend te reinigen.
    • Veel mensen die rietjes nodig hebben, beschikken niet over een vaatwasser.
  • Wat de kostprijs betreft:
    • Wie rietjes nodig heeft, heeft er veel nodig. Plastic rietjes zijn handig omdat ze zeer goedkoop zijn.
    • Iemand betalen om herbruikbare rietjes te reinigen heeft ook een prijskaartje, al is dit zeer moeilijk in te schatten.
    • De kosten voor het reinigen komen boven op de aankoop.

De NHRPH vestigt er ook de aandacht dat een totaalverbod problematisch kan zijn voor ziekenhuizen, verzorgingscentra en verblijfscentra voor personen met een handicap en/of ouderen.

Het verheugt de NHRPH dus dat plastic rietjes voor eenmalig gebruik niet zonder meer worden verboden. Volgens het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt de Minister bevoegd voor het Leefmilieu de modaliteiten voor het op de markt brengen van deze producten.

De NHRPH begrijpt perfect dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen het milieu-aspect en het medische aspect. Misbruik van de uitzondering moet worden vermeden. De inzet is hoog en de middelen om dit evenwicht te bereiken moeten toereikend zijn.

Een specifieke vermelding op de verpakking zou de verkoop van het product wettelijk beperken tot bepaalde “gemedicaliseerde” plaatsen. De NHRPH is van mening dat de verkoopplaatsen beperkt moeten blijven tot apotheken. Parafarmacie is immers vrij toegankelijk. De verkoop in apotheken mag de toegang tot deze producten echter niet financieel bemoeilijken. Er moeten oplossingen worden gevonden, zodat de verkoopprijs aanvaardbaar blijft.

De toegang tot deze producten moet worden beperkt tot geaccrediteerde patiënten: de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid zal in deze kwestie dus een rol moeten spelen. Hij zal ervoor moeten zorgen dat de accreditatie wordt erkend voor een aanzienlijke en gemakkelijk verlengbare periode.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/19 - Toekenning van parkeerkaarten voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wijziging van de procedure voor de behandeling van prioritaire aanvragen voor de toekenning van parkeerkaarten voor personen met een handicap, uitgebracht op 22/07/2021 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 30/06/2021.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer André Gubbels, directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN).

1. ONDERWERP

DG HAN acht het noodzakelijk haar procedure voor het verkrijgen van een parkeerkaart te wijzigen voor personen met een handicap (PMH) die zich in de progressieve en terminale fase van hun ziekte bevinden.

2. ANALYSE

Project

Volgens DG HAN moet deze procedurele wijziging op korte termijn worden doorgevoerd: niet alleen moet de kaart nog worden opgenomen in het TRIA-programma, ze moet ook sneller worden uitgereikt aan PMH die de kaart zeer snel en voor een beperkte periode nodig hebben.

Volgens DG HAN bedraagt de huidige gemiddelde termijn voor de afgifte van een parkeerkaart 3 maanden, met inbegrip van de indiening van een volledige aanvraag, de analyse van medische gegevens, het eventuele medische onderzoek, het nemen van een beslissing en de productie en verzending van de kaart.

Voor sommige personen met een handicap die lijden aan een progressieve ziekte met een ongunstige levensprognose op korte termijn, is de uitgiftetermijn van 3 maanden moeilijk te verdedigen. Wegens hun pathologie hebben deze mensen de parkeerkaart op zeer korte termijn nodig, en dit voor een beperkte periode aan het einde van hun leven. Zo zijn in 2020 van de in totaal 69 675 mensen die een parkeerkaart hebben aangevraagd, 4 914 mensen, of 7%, overleden binnen de twaalf maanden na hun aanvraag.

DG HAN stelt een versnelde en prioritaire procedure voor de afgifte van een parkeerkaart voor personen met een handicap met een progressieve pathologie met een ongunstige levensprognose op korte termijn (6 maanden) voor.

De principes van deze aangepaste procedure zijn als volgt:

  • Voor mensen met een progressieve ziekte met een levensprognose van 6 maanden
  • Indiening van de aanvraag via een onlineformulier (intake)
  • Geen voorafgaand medisch onderzoek door een evaluerende arts, maar voorlegging van de nodige medische documenten
  • De levertijd wordt teruggebracht tot twee weken
  • Geldigheid beperkt tot één jaar
  • Controle achteraf

Voor DG HAN gaat het er niet om de parkeerkaart af te leveren op eenvoudig verzoek, maar de afgifte ervan onder bepaalde strikte voorwaarden te vergemakkelijken, door de mededeling van inlichtingen die nodig zijn om deze voorwaarden na te gaan, en een controle achteraf mogelijk te maken.

Volgens DG HAN kan deze versnelde procedure wettelijk worden uitgevoerd op grond van de artikelen 3 en 4 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap. De documenten die de (ernstige) medische situatie van de betrokkene aantonen, worden namelijk opgenomen in zijn of haar medisch dossier. Hierin bevinden zich de elementen voor de toekenning van de kaart zodat in dat stadium geen medisch onderzoek nodig is.

Opvolging

Tijdens zijn plenaire vergadering van 17 mei 2021 heeft de NHRPH een reeks vragen gesteld aan de vertegenwoordiger van DG HAN. Ook achteraf, via e-mail, werden vragen gesteld.

De volgende vragen werden beantwoord:

  • Hoe lang duurt het nu minimaal om een parkeerkaart te krijgen?

    De nationale gemiddelde termijn voor het verkrijgen van een "normale" parkeerkaart (d.w.z. met medisch onderzoek) bedraagt 2,5 maanden voor de maand mei, vanaf de indiening van de aanvraag tot de afgifte ervan.
    De minimumtermijn voor het verkrijgen van een parkeerkaart is niet uniform en varieert volgens verschillende factoren, met als belangrijkste 3: het betrokken regionaal centrum (en de middelen waarover het beschikt), de volledigheid van de ingediende aanvraag en het bepalen van de prioriteiten voor de behandeling van dossiers.

  • Zal de verwerkingstijd voor niet-prioritaire parkeerkaartaanvragen door de invoering van deze nieuwe procedure langer worden?

    De geplande invoering van de procedure voor prioritaire aanvragen van parkeerkaarten zal niet leiden tot een algemene vertraging van de reguliere aanvragen, aangezien de voorgestelde procedure alleen een snellere behandeling van sommige gevallen mogelijk maakt en er geen reden is om aan te nemen dat dit tot een toename van het aantal aanvragen zal leiden.

  • Hoe wordt het criterium "urgentie" of "verwachting" gedefinieerd? Moet het overlijden binnen een jaar te verwachten zijn? Hoe zit het met mensen die zich nog wel kunnen voortbewegen, maar met zeer slechte (korte) vooruitzichten?

    In de voorbereidende nota werken we met een prognose van overlijden binnen de 6 maanden. Maar er komt ook een breder en complexer kader van evolutieve ziekten, waarvoor wellicht andere oplossingen nodig zijn.

3. ADVIES

De NHRPH kan geen definitief advies uitbrengen over het voorstel tot wijziging van de procedure, omdat verschillende vragen onbeantwoord blijven. De NHRPH heeft zijn twijfels over de huidige voorgestelde richtsnoeren en/of criteria, aangezien ethiek en deontologie hier evenzeer in het geding zijn als het menselijke element.

Welke opleiding krijgen de personen die de verstrekte documenten zullen onderzoeken? Volgens de door DG HAN voorgestelde procedure zal er geen voorafgaand medisch onderzoek door een evaluerende arts plaatsvinden. Betekent dit dat er een controle van de medische documenten zal zijn door een niet-arts? Door een lid van het multidisciplinaire team? Of verder stroomopwaarts, door de administratieve dossierbeheerder, zodra de aanvraag is ontvangen? Er moet voor worden gezorgd dat de persoon die de documenten controleert, ook is opgeleid om de medische gegevens te begrijpen en de reikwijdte ervan te vatten.

De NHRPH herinnert eraan dat medische gegevens gevoelige gegevens zijn die onderworpen zijn aan de regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De NHRPH wenst derhalve te vernemen hoe de toegang tot deze documenten zal worden geregeld.

Zou het, in het licht van het dringende karakter en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, niet beter zijn te werken met een formulier waarvan het kader duidelijk is omschreven en dat door de arts van de patiënt kan worden ingevuld zonder dat de medische documenten in detail moeten worden geraadpleegd? 

Gezien de delicate situatie moet het document zeker adequaat en tactvol worden geformuleerd. De NHRPH is bezorgd over de formulering van de vragen. Mensen kunnen immers verbaasd of zelfs geschokt zijn dat de geldigheid van de parkeerkaart beperkt is tot één jaar. Het moet zeer duidelijk worden gemaakt dat de duur van de parkeerkaart kan worden verlengd. En als de persoon na een jaar nog in leven is, moet er dan een nieuwe aanvraag worden ingediend? Zo ja, op welke manier?

Bovendien rijst de vraag (en deze is niet nieuw) waarom het ook in normale omstandigheden zo lang duurt om een aanvraag voor een parkeerkaart te verwerken. Het hele parkeerkaartbeleid moet worden herzien. Er dreigt een ongelijke behandeling van de aanvragers.

Voorts blijkt uit de aan de NHRPH ter beschikking gestelde cijfers dat op een totale stock van 13.533 af te handelen aanvragen voor parkeerkaarten per 1 mei 2021, 4.263 aanvragen minder dan een maand geleden waren ingediend, 2.391 minder dan 3 maanden geleden, 242 minder dan 6 maanden geleden, 60 minder dan 12 maanden geleden en zelfs 506 meer dan 12 maanden geleden. De NHRPH vraagt zich af hoe het mogelijk is dat de afhandeling van veel aanvragen meer dan 3 maanden duurt, en dat terwijl veel aanvragen gewoon op stukken en dus zonder oproeping van de persoon worden beoordeeld.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 16

Advies 2021/14 - Richtlijn over verlof mantelzorg

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2021/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de richtlijn 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad uitgebracht in plenaire zitting op 17/05/2021.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Pierre-Yves Dermagne, Minister van Werk, door middel van zijn brief van 08/03/2021.

1. ONDERWERP

De richtlijn 2019/1158 gestemd door het Europees Parlement heeft tot doel de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te versterken wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft.

2. ANALYSE

Een vertegenwoordigster van de FOD Werkgelegenheid heeft de richtlijn voorgesteld aan sommige leden en deskundigen van de NHRPH. Tijdens deze presentatie werd de aandacht gevestigd op de volgende punten:

  • De richtlijn heeft tot doel te komen tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft. Ze wil het voor werknemers die ouders of mantelzorgers zijn mogelijk maken om werk en gezinsleven beter te combineren. De richtlijn moderniseert het bestaande wetgevingskader en werkt het verder uit. In de richtlijn ligt de klemtoon namelijk op de rechten van vaders en het recht op uitkeringen. De nadruk wordt ook gelegd op de mogelijkheid om flexibele werkregelingen in te voeren.

  • De richtlijn bepaalt minimumvoorschriften met betrekking tot individuele rechten, evenals beschermingsmaatregelen:
    • ouderschapsverlof
    • vaderschapsverlof (geboorteverlof)
    • zorgverlof
    • verlof om dwingende reden
    • het recht om flexibele werkregelingen aan te vragen
  • De richtlijn is van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst of een arbeidsbetrekking, zoals vastgelegd in iedere lidstaat, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Voor België is ze dus van toepassing op:<
    • werknemers van de privésector met een arbeidsovereenkomst
    • werknemers van de overheidssector met een arbeidsovereenkomst
    • statutair personeel van de overheidssector

In het verzoek om advies aan de NHRPH wordt in het bijzonder verwezen naar artikel 5.8 van de richtlijn, dat het volgende bepaalt:

De lidstaten beoordelen of de voorwaarden voor en de nadere regelingen voor de toepassing van ouderschapsverlof moeten worden aangepast aan de behoeften van adoptieouders, ouders met een handicap en ouders van kinderen met een handicap of langdurige ziekte.  

Overweging 37 bepaalt het volgende:

Niettegenstaande de verplichting om te beoordelen of de voorwaarden en wijze van toepassing van ouderschapsverlof moeten worden aangepast aan de specifieke behoeften van ouders in bijzondere probleemsituaties, worden de lidstaten aangemoedigd om te beoordelen of de voorwaarden en wijze van toepassing van het recht op vaderschapsverlof, zorgverlof en flexibele werkregelingen moeten worden aangepast aan bijzondere behoeften, zoals die van alleenstaande ouders, adoptieouders, ouders met een handicap, ouders van kinderen met een handicap of langdurige ziekten, of ouders in bijzondere omstandigheden, zoals die in verband met meerlingen- en vroeggeboortes.

Wat betreft het ouderschapsverlof

Artikel 5 bepaalt het volgende:

  • een recht op verlof van 4 maanden/werknemer (waarvan 2 niet-overdraagbaar)
  • wegens de geboorte of de adoptie van een kind om voor het kind te zorgen;
  • op te nemen voordat het kind een bepaalde leeftijd bereikt, tot maximaal de leeftijd van 8 jaar;
  • de mogelijkheid om het verlof op flexibele wijze te nemen;
  • de weigering van de werkgever moet schriftelijk worden gemotiveerd.

De lidstaten hebben de volgende mogelijkheden tot aanpassing:

  • de leeftijdsgrens van het kind;
  • de termijn voor het indienen van het verzoek;
  • de mogelijkheid om het verlof afhankelijk te maken van een werk- of anciënniteitsperiode van maximum 1 jaar;
  • het uitstellen van het verlof, schriftelijk gemotiveerd, gedurende een redelijke termijn omdat de opname van ouderschapsverlof in de aangevraagde periode een goed functioneren van de werkgever ernstig zou verstoren.

De richtlijn bepaalt dat de werknemer recht heeft op een uitkering of een bezoldiging gedurende 2 maanden.

In België heeft iedere werknemer recht op 4 maanden ouderschapsverlof per kind (niet-overdraagbaar) wegens de geboorte of de adoptie van een kind, om voor het kind te zorgen. De modaliteiten zijn als volgt:

  • of 4 maanden onderbreking (mogelijkheid om per maand op te splitsen);
  • of 8 maanden halftijdse vermindering van de voltijdse prestaties (in periodes van 2 maanden of een veelvoud daarvan);
  • of 20 maanden met 1/5e vermindering van de voltijdse prestaties (in periodes van 5 maanden of een veelvoud daarvan);
  • of 40 maanden met 1/10e vermindering van de voltijdse prestaties mits akkoord van de werkgever (in periodes van 10 maanden of een veelvoud daarvan).

Overstappen van de ene vorm van ouderschapsverlof naar een andere is mogelijk.

De leeftijdsgrens van het kind is vastgesteld op 12 jaar. Bij wijze van afwijking is deze vastgesteld op 21 jaar:

  • wanneer het kind een fysieke of mentale handicap van 66% heeft;
  • wanneer het kind een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat minstens 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de reglementering van de kinderbijslag;
  • of dat minstens 9 punten worden toegekend aan het kind in de drie pijlers samen van de medisch-sociale schaal.

De werknemer moet in de 15 maanden die aan de aanvraag voorafgaan gedurende 12 maanden door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever verbonden zijn. De werkgever hoeft zijn weigering momenteel niet te motiveren.

De werknemer heeft recht op uitkeringen van de RVA gedurende 4 maanden (voor geboorten vanaf 8/3/2012). De uitkering is een forfaitair bedrag. Het brutobedrag in geval van schorsing voor een voltijdse werknemer is bijvoorbeeld vastgesteld op € 851,59/maand. Wanneer de werknemer alleenstaand is, bedraagt het € 1400,01/maand.

Wat betreft het zorgverlof

De richtlijn voorziet in de mogelijkheid om 5 werkdagen verlof per jaar toe te kennen

  • om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of aan een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als de werknemer dat of die om een ernstige medische reden zoals gedefinieerd door elke lidstaat, behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun;
  • voor de bloedverwanten in de opgaande lijn en afstammelingen tot de eerste graad, de echtgenoot of de geregistreerde partner en de leden van hetzelfde huishouden als de werknemer.

De lidstaten hebben de volgende mogelijkheden tot aanpassing:

  • het verlof toekennen aan de hand van een andere referentieperiode; dan een jaar, per persoon die zorg of steun nodig heeft, of per gebeurtenisl;
  • nadere regels vaststellen betreffende het toepassingsgebied en de voorwaarden;
  • voor uitoefening van dat recht kan een passende onderbouwing als voorwaarde worden gesteld.

In België zijn er verschillende soorten “zorgverlof”:

  • het palliatief verlof – momenteel 2X 1 maand;
  • het verlof voor mantelzorg – thans 1 maand; een aangekondigd koninklijk besluit zou voorzien in 6 maanden per geholpen persoon;
  • het verlof voor medische bijstand:
    • om bijstand te verlenen of verzorging toe te kennen aan een lid van hetzelfde huishouden of een familielid, dat lijdt aan een zware ziekte;
    • 12 maanden onderbreking of 24 maanden verminderde prestaties met 1/2 of met 1/5 per patiënt;
    • Voor de alleenwonende werknemer wordt de maximale periode verdubbeld, in geval van zware ziekte van zijn kind van maximum 16 jaar;
    • duur van de volledige onderbreking: per periode van minimum 1 maand en maximum 3 maanden; (de periodes van volledige onderbreking bekomen in het kader van de medische bijstand kunnen al dan niet opeenvolgend worden verlengd tot maximum 12 maanden);
    • specifieke regels voor de bijstand of verzorging van een minderjarig kind tijdens of net na de hospitalisatie van het kind omwille van een zware ziekte;
    • de periode van minimale onderbreking kan worden ingekort, mits akkoord van de werkgever, tot hetzij een week, hetzij twee weken, hetzij drie weken.

De richtlijn bepaalt overigens dat flexibele werkregelingen kunnen worden ingevoerd, met het oog op het verstrekken van zorg aan de gezinsleden.

  • Flexibele werkregelingen bestaan in de mogelijkheid om de werkpatronen van de werknemers aan te passen, ook door middel van telewerkregelingen, flexibele werkschema’s of vermindering van de werkuren.
  • De werkgevers onderzoeken de verzoeken om flexibele werkregelingen en beantwoorden ze binnen een redelijke termijn, rekening houdend met hun eigen behoeften en die van de werknemers. De weigering of het uitstel moet door de werkgever worden gemotiveerd.
  • De flexibele werkregelingen kunnen worden toegekend aan de werknemers met kinderen tot een bepaalde leeftijd, die ten minste acht jaar bedraagt, en mantelzorgers.

De lidstaten hebben de volgende mogelijkheden tot aanpassing:

  • de duur van die flexibele werkregelingen kan aan een redelijke beperking worden onderworpen;
  • de antwoordtermijn van de werkgever;
  • de mogelijkheid om het recht om verzoeken om flexibele werkregelingen afhankelijk te stellen van een werk- of anciënniteitsperiode van ten hoogste 6 maanden(Member States may make the right to request flexible working arrangements subject to a period of work qualification or to a length of service qualification, which shall not exceed six months).

In België bestaan de flexibele werkregelingen reeds in het kader van het recht op ouderschapsverlof:

  • recht om een aangepaste werktijdregeling of aangepaste werkuren te vragen voor de periode die volgt op het einde van het ouderschapsverlof (maximum 6 maanden);
  • regels over het verzoek van de werknemer en het antwoord van de werkgever.

Er moeten ook beschermende maatregelen worden voorzien:

  • behoud van de verworven rechten en de rechten in wording;
  • garantie van terugkeer in dezelfde of een gelijkwaardige functie + het recht op elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden;
  • bescherming tegen ontslag en maatregelen ter voorbereiding van een dergelijk ontslag;
  • verbod op discriminatie;
  • doeltreffende sancties.

3. ADVIES

De NHRPH is van mening dat deze richtlijn de lidstaten ruime perspectieven biedt en hoopt dat de Belgisch werknemers hun voordeel ermee zullen kunnen doen. De NHRPH vraagt dat België bij de omzetting ervan inspanningen van de ouders van kinderen met een handicap en van de mantelzorgers van personen met een handicap of zieke personen concreet erkent. De NHRPH herinnert eraan dat de zorg voor een kind of een naaste niet altijd een keuze is, maar aan de familie en vrienden wordt opgedrongen door de feiten, omdat de goederen en diensten op het vlak van zorg en begeleiding niet toereikend zijn en niet zijn aangepast aan de behoeften van de personen en de gezinnen. Bovendien houdt de handicap of de ziekte niet op wanneer een kind meerderjarig wordt. De NHRPH dringt er dus ook op aan dat de regering de steunregelingen voor personen en gezinnen op alle gebieden van het leven (zorg, vervoer, werkgelegenheid, enz.) versterkt. Zie positienota mantelzorg.

Wat betreft het zorgverlof:

Artikel 6.2 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten zorgverlof kunnen toekennen aan de hand van een andere referentieperiode dan een jaar, per persoon die zorg of steun nodig heeft, of per gebeurtenis. De NHRPH is van mening dat de Belgische Staat in zijn wetgeving inzake verlof voor mantelzorg moet voorzien in de mogelijkheid om dit verlof per gebeurtenis aan te vragen. De mantelzorger heeft immers niet altijd een lange periode nodig om de zorgbehoevende persoon te verzorgen. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn om de zorgbehoevende persoon te vergezellen naar een chemotherapiesessie. Een of twee vrije dagen zijn dan noodzakelijk, maar deze begeleiding moet regelmatig worden herhaald.

De NHRPH stelt zich ook vragen bij de draagwijdte van artikel 100 ter van de herstelwet. Daarin staat met name het volgende:

§ 3. De periode tijdens welke de werknemer de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen, wordt vastgesteld op één maand per zorgbehoevende persoon als bedoeld in § 1.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de duur van deze periode verlengen tot maximum zes maanden en hiervoor de nadere voorwaarden en regels vastleggen.

Momenteel wordt deze bepaling als volgt door de RVA geïnterpreteerd:

Het recht op de volledige schorsing bedraagt maximum zes maanden over de gehele beroepsloopbaan of maximum 12 maanden in geval van opname in een halftijdse of 1/5 onderbreking.

Een werknemer kan volgens de huidige reglementering slechts 1 maand voltijds verlof voor mantelzorg (of 2 maanden halftijds of 1/5) nemen per zorgbehoevende persoon.

Met andere woorden, hij kan in totaliteit wel 6 maanden voltijds verlof voor mantelzorg nemen, maar dan voor 6 verschillende zorgbehoevende personen.

Over het algemeen staan mantelzorgers geen 6 personen bij. Vaak worden een of twee personen door de werknemer geholpen. De NHRPH heeft geen weet van gevallen van mantelzorgers die gelijktijdig of achtereenvolgens 6 personen zouden hebben verzorgd. Daarnaast is de NHRPH van mening dat dit niet de geest is die de parlementsleden in deze bepaling wilden leggen. Het zou dus zeer wenselijk zijn, dat hetzij de wet wordt verduidelijkt, hetzij een besluit wordt getroffen om de duur van de termijn van een maand te verlengen tot 6 maanden.

Over het algemeen:

De NHRPH is van mening dat het bedrag van de uitkering toegekend voor een loopbaanonderbreking te laag is (851,59 euro per maand voor een volledige onderbreking) om te voldoen aan overweging 37 van de richtlijn. Alleenstaande ouders, alleenstaande adoptieouders, alleenstaande mantelzorgers, ouders met een handicap of ouders van kinderen met een handicap hebben over het algemeen een laag inkomen. De personen die geen of weinig spaargeld hebben, kunnen ook geen verlof voor mantelzorg of verlof voor medische bijstand aanvragen. Voor personen met een laag of gemiddeld inkomen is een uitbetaling van het volledige loon een voorwaarde voor het gebruik van de maatregel. Zonder deze voorwaarde zal de maatregel enkel effectief beschikbaar zijn voor koppels of alleenstaanden met zeer hoge lonen.

De NHRPH vraagt dat de maatregelen waarin zal worden voorzien soepel worden toegepast (administratieve lasten, rapportage van bewijzen, aanvraag niet noodzakelijk beperken tot de ernst van de gezondheidstoestand of tot de eis van herstel van de gezondheidstoestand, spreiding van het verlof, enz.). De NHRPH is van mening dat het nuttig zou zijn een reserve van 5 verlofdagen per gebeurtenis dat deel uitmaakt van de mantelzorgactiviteit (in ruime zin, bijvoorbeeld een wekelijkse medische behandeling die 2 uur ondersteuning vereist) en per jaar. Dit verlof (of afwezigheid van enkele uren) zou los staan van het medisch zorgverlof. Het moet zeer gemakkelijk toegankelijk zijn, enkel op basis van de erkenning van mantelzorger in de zin van het koninklijk besluit van 16 juni 2020 tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger. Met andere woorden, het zou niet nodig moeten zijn om tegenover de werkgever de reden te rechtvaardigen waarom de afwezigheid wordt gevraagd.

De NHRPH herinnert eraan dat heel wat personen, ouders of mantelzorgers, niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst en dus geen toegang hebben tot dit betaald verlof. Deze personen en gezinnen hebben ook begeleiding nodig.

De NHRPH wijst ook met nadruk op de conclusies van het laatste colloquium van de ASBL Aidants Proches (oktober 2020) waaronder de uitputting van de gezinnen en de noodzaak om sommige van onze sociale diensten opnieuw uit te vinden. En om deze vzw te citeren (pagina 57): “Concreet beschouwd, gaan wij binnenkort een terugkeer naar het “normale” beleven (op te vatten als “de tijd van vroeger”) of naar de “norm” (dit wil zeggen “wat ons stuurt, in het perspectief van het algemeen welzijn”)?

De NHRPH is in kennis gesteld van het feit dat de wet “mantelzorger” momenteel wordt geëvalueerd. De NHRPH wenst bij de evaluatie te worden betrokken.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 14

Advies 2021/21 - Evaluatie van de wet op mantelzorg

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2021/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de evaluatie van de wet van 17 mei 2019 tot erkenning van de mantelzorgers, uitgebracht in plenaire vergadering op 21 juni 2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Door middel van een vragenlijst wil de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid de nodige informatie verzamelen bij de betrokken instellingen met het oog op de evaluatie van de wet van 17 mei 2019 tot erkenning van de mantelzorgers. In de wet zelf is bepaald dat de evaluatie ervan vóór 31 december 2021 aan de wetgevende kamers zal worden voorgelegd.

2. ANALYSE

Met het oog op een grondige evaluatie van deze wet wenst de Federale Overheidsdienst Sociale Zaken de nodige input te krijgen van de betrokken actoren.

Aanvankelijk werd de NHRPH niet geraadpleegd. Nadat het secretariaat van de NHRPH door enkele van zijn leden op het bestaan van deze vragenlijst was gewezen, heeft het deze na een aantal e-mails te hebben uitgewisseld, kunnen bemachtigen.

3. ADVIES

Hieronder worden de vragen van de enquête en de antwoorden van de NHRPH samengevat.

  • Welke feedback heeft u vanuit de praktijk/vanop het veld, bijvoorbeeld over de erkenning van mantelzorgers, de duur van de procedure, de rechten van mantelzorgers?

Deze eerste vraag is nogal vaag. Het grootste deel van de feedback komt bij de volgende vragen aan bod. 

In het algemeen is de handicapsector van mening dat de erkenning van mantelzorgers de verdienste heeft te bestaan. Het is een eerste stap. Voorlopig lijkt deze erkenning nog een "lege doos". Afgezien van het zorgverlof is er geen enkel voordeel verbonden aan de erkenning die is ingevoerd bij de wet van 17 mei 2019 tot erkenning van de mantelzorgers. Voor mutualiteiten en andere actoren op het terrein is het moeilijk uit te leggen welke voordelen aan deze erkenning verbonden zijn.

Het is voor de actoren ook moeilijk om aan individuen en gezinnen de verschillen tussen de twee soorten erkenning uit te leggen: eenvoudige erkenning via attest op erewoord en attest voor de toekenning van sociale rechten. De mensen zien het nut niet van het indienen van een eenvoudige erkenning, aangezien er geen rechten aan zijn verbonden.

Het is niet voldoende te zeggen "vul dit formulier in"; het is ook nodig te weten of de persoon de erkenning wenst om recht te hebben op zorgverlof.

De procedure voor de eenvoudige erkenning is vrij simpel. De procedure is ingewikkelder voor erkenningen voor de toekenning van sociale rechten.

De RVA ervaart problemen met het attest voor de toekenning van sociale rechten voor de mantelzorger, omdat de naam van de zorgbehoevende niet wordt vermeld (een controle is nodig voor de toekenning van zorgverlof, wat enkel mogelijk is voor 6 verschillende zorgbehoevenden). 

  • Wat zijn de verwachtingen van de mantelzorgers in verband met de erkenning als mantelzorger?

Momenteel leidt erkenning alleen tot de mogelijkheid om zorgverlof op te nemen. Hieraan zouden echter meer voordelen moeten worden gekoppeld. Het kan zowel gaan om financiële als om niet-financiële voordelen: onkostenvergoeding, een ongevallenverzekering voor mantelzorgers, flexibele werktijden, recht op verlof om dwingende redenen enz. Het is wenselijk dat de erkenning automatisch toegang geeft tot bepaalde compensaties.

  • Zijn er naar jullie kennis weigering van aanvragen van het statuut van mantelzorger? Zo ja, wat is hiervoor de meest voorkomende reden?

Op het terrein zijn enkele weigeringen vastgesteld, maar die houden vooral verband met de procedure. Sommige professionelen uit de sector (artsen) begrijpen het formulier niet en vullen het daarom verkeerd in. Sommige mensen beseffen niet dat er een termijn van 30 dagen is voor het invullen van het formulier; wordt de termijn van 30 dagen overschreden, dan moet de procedure opnieuw worden opgestart. Overigens is het niet wenselijk de termijn te verlengen; belangrijker is een goed begrip van dit statuut en zijn betekenis.

Over het algemeen vinden de mensen van de sector en aanvragers de formulieren ingewikkeld en verwarrend.

  • Bent u op de hoogte van de voordelen voor mantelzorgers (bijv. niet-federale voordelen)

Wij weten dat sommige gemeenten voordelen toekennen aan mantelzorgers: Etterbeek, Sint-Pieters-Woluwe, Sint-Genesius-Rode.

Er is geen wijdverbreide communicatie over de wetgeving geweest. Dit kan verklaren waarom er zo weinig compensaties aan mantelzorgers zijn toegekend.

Een platform dat de concrete erkenningen van de verschillende machtsniveaus zou centraliseren, zou nuttig zijn voor mantelzorgers. 

  • Ondervinden mantelzorgers praktische moeilijkheden met de erkenningsaanvraag? Zo ja, op welk gebied? Administratief, praktisch, met het ziekenfonds?

Zie boven: complex formulier. 

  • Zou u er voorstander van zijn dat de federale regering andere voordelen/rechten toekent, zo ja, welke?

De term "mantelzorger" wordt momenteel onderverdeeld in twee categorieën:

    • De mantelzorger die intensieve zorg verleent met grote intensiviteit;
    • De mantelzorger die kan worden opgeroepen voor een persoon voor wie er een reëel risico bestaat dat hij of zij spoedeisende zorg nodig heeft.

De twee categorieën moeten in aanmerking komen voor verschillende soorten van voordelen.

De heer Pierre-Yves Dermagne, Minister van Werk, heeft de NHRPH geïnterpelleerd over de richtlijn 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad Van Europa van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (NHRPH-advies 2021-14, nog niet gepubliceerd). Artikel 6, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten zorgverlof kunnen toekennen op basis van een andere referentieperiode dan een jaar, per persoon die zorg of bijstand behoeft, of per gebeurtenis. De NHRPH is van mening dat de Belgische Staat in zijn wetgeving inzake zorgverlof voor naaste familieleden moet voorzien in de mogelijkheid om dit verlof per gebeurtenis aan te vragen. De NHRPH is van mening dat het nuttig zou zijn een "reserve" per verzorger te creëren van 5 verlofdagen per gebeurtenis die deel uitmaakt van de functie van mantelzorger (in de ruime zin, bijvoorbeeld een wekelijkse medische behandeling waarvoor 2 uur ondersteuning nodig is) en per jaar. Dit verlof (of een afwezigheid van enkele uren) moet los staan van het medisch verlof van de mantelzorger. Het verlof moet zeer vlot toegankelijk zijn, louter op basis van de erkenning van mantelzorger in de zin van het koninklijk besluit van 16 juni 2020 tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorgers en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorgers. Met andere woorden, het mag niet nodig zijn om tegenover de werkgever de reden te rechtvaardigen waarom de afwezigheid wordt gevraagd.

Verlof voor mantelzorgers moet flexibeler. Momenteel kan het verlof enkel voltijds of deeltijds worden gekozen. Bovendien is een maand niet genoeg. De NHRPH neemt kennis van de goedkeuring door de ministerraad op 11 juni 2021 van een ontwerp van koninklijk besluit dat als doel heeft de duur van het verlof voor mantelzorg te verlengen. Het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat de duur van het verlof voor werknemers die erkend mantelzorger zijn van een zorgbehoevende persoon wordt verlengd van één naar drie maanden volledige schorsing van de uitvoering van de voltijdse of deeltijdse arbeidsovereenkomst per zorgbehoevende persoon en van twee naar zes maanden vermindering van de voltijdse arbeidsprestaties met 1/5e of de helft. Het wettelijk voorziene maximum blijft behouden. Dat wil zeggen dat het verlof voor mantelzorg over de gehele beroepsloopbaan van de werknemer niet méér mag bedragen dan (het equivalent van) zes maanden volledige schorsing. De NHRPH zou echter graag zien dat de duur van het verlof voor werknemers die erkend zijn als mantelzorger van een zorgbehoevende persoon wordt verlengd tot 6 maanden volledige schorsing van de uitvoering van de voltijdse of deeltijdse arbeidsovereenkomst.

Het ontwerp van koninklijk besluit legt hiervoor ook de nadere regels vast. Het bepaalt enerzijds dat de volledige schorsing kan worden opgesplitst in maanden en de vermindering van de arbeidsprestaties in periodes van twee maanden of een veelvoud ervan en, anderzijds, dat per kennisgeving aan de werkgever een enkele aaneengesloten periode van verlof voor mantelzorg kan worden gevraagd.

De NHRPH is van mening dat het bedrag van de toelage voor een loopbaanonderbreking te laag is (851,59 euro per maand voor een volledige onderbreking) om te voldoen aan overweging 37 van de richtlijn. Alleenstaande ouders, alleenstaande adoptieouders, alleenstaande mantelzorgers, ouders met een handicap of ouders van kinderen met een handicap hebben over het algemeen een laag inkomen. Mensen die geen of weinig spaargeld hebben, kunnen ook geen zorgverlof of medisch verlof aanvragen. Voor mensen met een laag of modaal inkomen is een volledige doorbetaling van het loon een voorwaarde voor het gebruik van de maatregel. Zonder deze voorwaarde zal de maatregel effectief enkel beschikbaar zijn voor koppels of alleenstaanden met een zeer hoog inkomen.

  • Kan u ons een schatting geven van het totale aantal mantelzorgers dat momenteel in België actief is (dus niet alleen de erkende)?

Er is zeker een verschil tussen het aantal mensen dat officieel wordt erkend en degenen die in de schaduw werken. Dit houdt verband met het gebrek aan een concrete erkenning bij het “eenvoudige” statuut van mantelzorger. Met de coronacrisis werd de druk op de mantelzorgers nog groter.

  • Kan u een beoordeling van het welzijn van mantelzorgers (voor en na de wet van 17 mei 2019) geven?

Het is erg moeilijk om het welzijn van mantelzorgers voor en na de wet te beoordelen. Het enige meetbare criterium is immers het aantal mensen dat zorgverlof heeft opgenomen. Bovendien heeft de coronacrisis dit welzijn zeker negatief beïnvloed.

Naar onze mening heeft de wetgeving niet bijgedragen tot het welzijn van mantelzorgers, behalve misschien voor degenen die de maatschappelijke erkenning erg belangrijk vinden. 

  • Kunt u uw visie op de plaats van de mantelzorgers in de samenleving (voor en na de wet van 17 mei 2019) met ons delen?

Er is geen fundamentele verandering geweest. Bovendien bewijzen het gebrek aan communicatie en de verwarring tussen de twee soorten erkenning dat de mantelzorger maatschappelijk onzichtbaar blijft.  

Zonder mantelzorgers zou de wereld van personen met een handicap en ouderen er heel anders uitzien: reizen, begeleiding bij activiteiten, enz. Als dit alles altijd door professionals zou worden verzorgd, zou het noch betaalbaar noch anoniem zijn. Hoeveel mensen zouden zonder mantelzorgers in eenzaamheid en isolement sterven? Zonder informele steun zouden veel van deze mensen in instellingen belanden. Deze informele hulp is van groot belang voor de geestelijke gezondheid van degenen die alleen wonen.

Mantelzorgers moeten een betere maatschappelijke status krijgen. De huidige communicatie is ontoereikend en is tekenend voor de tweederangsplaats van mantelzorgers. Met een betere communicatie kunnen ze een betere maatschappelijke positie krijgen.

  • Kan u een beeld geven van de populatie van personen die geholpen worden? Wie zijn het? Wat is hun mate van hun afhankelijkheid? Waarom doen zij een beroep op een mantelzorger?

Er zijn veel uiteenlopende profielen: zij die hulp nodig hebben met vervoer, ondersteuning bij doktersbezoek, of die hulp nodig hebben bij alle dagelijkse taken. Dankzij de beschikbaarheid van mantelzorgers kunnen veel mensen thuis blijven wonen, in hun vertrouwde omgeving en dicht bij hun dierbaren.

Het is ook belangrijk dat mensen met geestelijke gezondheidsproblemen worden geholpen om te voorkomen dat hun gezondheid verder verslechtert of dat zij in een instelling moeten worden opgenomen.

Ondersteuning kan ook puur psychologisch zijn: met iemand praten maakt al deel uit van de rol van mantelzorger.

Het voordeel van de wetgeving is dat men geen familielid van de zorgbehoevende persoon hoeft te zijn om als mantelzorger te worden erkend.

Er is geen profiel of situatie die meer aandacht verdient dan een ander. Elke situatie van bijstand vermindert het risico op een vorm van professionele bijstand die invasiever is. Dankzij de mantelzorger behoudt de verzorgde persoon een zekere mate van autonomie. 

  • Wat is de band tussen de mantelzorger en de persoon die wordt geholpen? Wat is het gemiddeld aantal mantelzorgers per aantal personen dat wordt geholpen naar gelang van hun mate van hulpbehoevendheid.

In een bepaalde leeftijdscategorie hebben mensen mogelijk vier familieleden die vragen voor zorg en begeleiding . Je kiest er niet voor om mantelzorger te worden, maar je wordt er wel mee geconfronteerd.

Op dit moment zijn er geen statistieken beschikbaar. Een kruiscontrole tussen de gegevensbanken van de ziekenfondsen is nodig, zonder de bepalingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uit het oog te verliezen. Er is ook een onderzoek nodig om de huidige omvang van de situatie in dit kader te meten.

  • Wat is uw visie omtrent de steun voor mantelzorgers? Is er (reeds) sprake van integratie van de mantelzorgondersteuning in het zorgnetwerk rond de geholpen persoon?

Thuiszorgdiensten en verenigingen voor informele hulp kunnen psychosociale steun en informatie over sociale rechten bieden aan de afhankelijke persoon en de mantelzorger. Vanwege de weinige rechten die aan de mantelzorger worden toegekend, biedt deze wet weinig materiële meerwaarde in het netwerk van de mantelzorger. Hoeveel verzoeken om zorgverlof worden er jaarlijks ingediend? Is nagegaan voor welke taken het verlof wordt aangevraagd?

  • Wat zijn volgens u de positieve punten van de wetgeving omtrent de mantelzorg?
    • Sociale erkenning van de mantelzorger
    • Het profiel van mensen die mantelzorger kunnen worden, is zeer breed en kan verder gaan dan het gezin
    • Het feit dat mensen zijn ingeschreven bij een ziekenfonds maakt het mogelijk hen op te sporen. Als bijvoorbeeld mantelzorgers voorrang hadden gekregen bij de vaccinatie, hadden zij zo gemakkelijk kunnen worden benaderd.
    • Deze wet vormt een eerste basis voor de toekenning van sociale rechten door de federale Staat, de deelgebieden en de lokale overheden.
    • De invoering van zorgverlof voor mantelzorgers
    • Uitgebreide lijst van erkende attesten van zorgbehoevendheid
  • Wat zijn volgens u de negatieve punten van de wetgeving omtrent mantelzorg?
    • Er is te weinig communicatie geweest over de nieuwe wetgeving (weinig weerklank bij behandelende artsen, sociale werkers, gezondheidswerkers, ...)
    • Het beperkte aanbod van sociale rechten
    • Het bedrag van de toelage voor zorgverlof is te laag.
    • Het feit dat de persoon aan wie bijstand wordt verleend in België moet verblijven (de persoon aan wie bijstand wordt verleend mag niet langer dan 29 dagen, al dan niet aaneengesloten, per kalenderjaar in het buitenland verblijven).
    • De uitzondering op het verblijf in het buitenland voor tijdelijke opname in een ziekenhuis of een andere inrichting voor gezondheidszorg is niet duidelijk.
    • Verlenging moet jaarlijks worden aangevraagd.
    • De wetgeving is niet duidelijk over de vraag of de betrokkene nog door een erkende mantelzorger kan worden bijgestaan wanneer hij naar een instelling gaat
    • Algemene erkenning blijft symbolisch. Het vereist een zeer omslachtig proces voor zeer weinig rechten
    • Het probleem van de verzorgde persoon die geen wettelijke vertegenwoordiger heeft en niet kan tekenen. Is het niet mogelijk om de handtekening van de mantelzorger officieel aanvaardbaar te maken, bijvoorbeeld vergezeld van een document van de behandelende arts dat bevestigt dat de verzorgde zelf niet kan tekenen?
    • De wetgeving voorziet niet in een rechtsmiddel in geval van betwisting van een negatieve beslissing (weigering).
    • De manier waarop de lijst van attesten wordt voorgesteld, is dubbelzinnig: waarom wordt het criterium toegevoegd van het krijgen van een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) of een integratietegemoetkoming (IT) met een erkende afhankelijkheidsgraad van 12 punten of meer, wanneer de persoon zich reeds in een situatie van afhankelijkheid bevindt die door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid of de adviserende geneesheer van het ziekenfonds op 12 punten of meer wordt geschat?
    • De bestaande schalen maken het niet noodzakelijkerwijs mogelijk om rekening te houden met alle realiteiten van het leven (zie hierboven, geestelijke gezondheidskwesties).
    • Deze wetgeving blijft een lege doos en sommige mantelzorgers vallen erbuiten. Als er een automatische verzekering van de Staat was, zouden we een heel ander beeld van de werkelijkheid kunnen hebben. Dankzij het statuut is identificatie mogelijk, maar de vragen voor erkenning blijven beperkt in vergelijking met de situatie op het terrein. In België bijvoorbeeld zijn 10.000 aanvragen voor een erkenning ingediend (= 10.000 geholpen personen en misschien iets minder mantelzorgers); in de praktijk zijn er alleen al in Vlaanderen 600.000 mantelzorgers, en zijn 19.000 mensen geregistreerd in het kader van het "zorgbudget".
  • Zijn er in de teksten begrippen die niet duidelijk zijn of voor interpretatie vatbaar zijn?
    • De hulp van een professionele mantelzorger wordt verkeerd geïnterpreteerd. Mensen denken dat de mantelzorger daadwerkelijk/fysiek aanwezig moet zijn tijdens de mantelzorg. De lijst van attesten van zorgbehoevendheid, met het "automatisch" criterium, is erg verwarrend. Bovendien wordt geen enkel recht "automatisch" toegekend, aangezien het sociale zekerheidsattest nog moet worden aangevraagd. Hetzelfde attest wordt in de lijst verschillende keren genoemd, waardoor de burger het gevoel krijgt dat hij de nuances van de lijst niet begrijpt. Dit maakt mensen afhankelijk bij het invullen van een eenvoudige aanvraag!
    • Wat betekent het om een vertrouwensrelatie of een hechte relatie te hebben? Kunnen er voorbeelden worden geven?
    • Wat is de definitie van "residentiële structuur"?
    • Wat betekent werken met een professionele zorgverlener in de praktijk?
    • "Wanneer de zorgafhankelijkheid voorbij is": moeilijke formulering
    • "Bijstand en hulp om de autonomie te vergroten": idem
  • Heeft u voorstellen of suggesties voor wijzigingen in de teksten of aanvraagformulieren voor de erkenning als mantelzorger? Welke?
    • Er zijn tegenstrijdigheden tussen het aanvraagformulier en de wetgeving. Volgens de wetgeving wordt een persoon die bijstand van een derde ontvangt en van wie de mate van afhankelijkheid op ten minste 12 punten is geraamd, automatisch beschouwd als een persoon die bijstand ontvangt zonder verdere beoordeling. In het formulier wordt vermeld dat rekening kan worden gehouden met de persoon die wordt bijgestaan en die van het forfait zorgverlening voor chronische aandoeningen profiteert. Het forfait chronische aandoeningen wordt echter toegekend aan personen die een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden ontvangen met een autonomiegraad van minstens 11 punten.
    • De lijst van attesten van zorgbehoefte als bewijs van zorgbehoevendheid moet inhoudelijk worden gehandhaafd, maar moet in het aanvraagformulier worden vereenvoudigd om het begrijpelijker te maken.
    • De vraag over de aanwezigheid van een professionele verzorger duidelijker formuleren. Ook kan worden vermeld dat de aanwezigheid van een globaal medisch dossier (GMD) van de zorgbehoevende al voldoende is: een GMD wijst op de aanwezigheid van een vaste huisarts die de zorg thuis ondersteunt.
    • Mantelzorgattesten vervallen na 90 dagen residentieel verblijf van de zorgbehoevende. De wet geeft niet aan wat een "residentieel verblijf" is. Hoe zit het bijvoorbeeld met personen met een handicap in residentiële structuren die in het weekend naar huis gaan?
  • Zijn de schalen voor de beoordeling van de mate van afhankelijkheid volgens u relevant? Zijn ze, naar uw mening, gelijkwaardig?
    • De wetgever heeft het aantal erkende verzorgers willen beperken, waardoor bepaalde groepen mensen niet in aanmerking worden genomen: dit is bijvoorbeeld het geval voor mensen met een psychische of verstandelijke handicap.
  • Heeft u andere vragen/opmerkingen die u met ons wenst te delen?
    • Het zou fijn zijn als de mantelzorger een arbeidsongevallen-verzekering kon afsluiten. Misschien zou dit meer mensen aanmoedigen zich te registreren.
    • Werknemers in de private sector en contractuele werknemers in overheidsdienst kunnen zorgverlof aanvragen en hebben daar automatisch recht op als aan de voorwaarden is voldaan. Statutaire ambtenaren (personen in vaste dienst) van de deelgebieden hebben er niet automatisch recht op. Zij moeten contact opnemen met hun werkgever om te weten of zij er recht op hebben. En wie een ziekte- of moederschapsuitkering ontvangt, moet eerst het akkoord van de adviserend arts krijgen.
    • Europese ambtenaren zijn uitgesloten van het systeem, aangezien zij hun eigen socialezekerheidsstelsel hebben.
    • In het algemeen is het verlofstelsel niet flexibel genoeg; het is niet gekoppeld aan de ziekte van de verzorgde persoon.
    • De financiële compensatie van het zorgverlof is ontoereikend; kwetsbare gezinnen, alleenstaande ouders, enz. hebben er geen toegang toe.


4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 10

Advies 2021/18 - Contracten NMBS en Infrabel

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het nieuwe openbaredienstencontract voor de NMBS en het nieuwe performantiecontract voor Infrabel, besproken tijdens de plenaire zitting van 17/05/2021 en goedgekeurd op 9 juli 2021 na raadpleging van de leden via e-mail.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De regering-De Croo en de NMBS bereiden het nieuwe openbaredienstencontract voor. Het vorige contract, toen nog beheerscontract genoemd, dateert van 2008. Het liep tot 2012 en werd daarna - in licht aangepaste vorm - verlengd. Er wordt ook een performantiecontract onderhandeld tussen de federale regering en Infrabel.

2. ANALYSE

De NHRPH heeft in het verleden al enkele adviezen (2014-08 en 2015-30) over het toekomstige openbaredienstencontract van de NMBS gepubliceerd en ook in andere adviezen kwam het thema ter sprake. Uiteindelijk is er in die periode geen nieuw openbaredienstencontract gesloten.

Momenteel wordt een nieuw openbaredienstcontract voorbereid. De federale overheid publiceerde al een lijst van Voorafgaande specificaties van de doestellingen, het voorwerp en de reikwijdte van de toekomstige concessie.

Bij het lezen van dit document wil de NHRPH toch 2 begrippen verduidelijken: toegankelijkheid en inclusie.

Het eerste is toegankelijkheid, dat in de specificaties foutief lijkt te worden gebruikt in de te algemene betekenis van ‘toegang’. Toegankelijkheid houdt in dat iedere persoon, ook iedere persoon met een beperkte mobiliteit en iedere persoon met een handicap, autonome, volledige en volwaardige toegang heeft tot goederen en diensten. De NHRPH wijst er hier nog eens op dat personen met een beperkte mobiliteit (ouderen, zwangere vrouwen, kinderen, mensen met een gebroken been, …) en personen met een handicap 2 groepen zijn die maar gedeeltelijk overlappen.

Voor een goede toegankelijkheid moeten de 5 B’s vervuld zijn:

  • Bereikbaarheid: vlotte en autonome oriëntatie en verplaatsing in de stationsomgeving naar en van het station;
  • Betreedbaarheid: vlotte en autonome oriëntatie en verplaatsing in het station, naar de perrons en op, in en van de trein;
  • Bruikbaarheid: vlot en autonoom kunnen gebruik maken van de apparaten en diensten door de NMBS zelf geleverd en in aanneming
  • Begrijpbaarheid: vlotte en autonome toegang tot informatie, zowel digitaal als andere;
  • Betaalbaarheid: het niet door- of aanrekenen van de kosten voor de dienstverlening aan personen met een handicap (bv. gebarentolk, braillebrochure, assistentie, …) aan de klant met een handicap.

Inclusie houdt in dat de nodige redelijke aanpassingen worden voorzien om iedere persoon, ook iedere persoon met een beperkte mobiliteit en iedere persoon met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen volwaardig te laten deelnemen aan alle aspecten van het maatschappelijk leven.

Artikel 2 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap definieert ‘redelijke aanpassingen’ als volgt: noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen.

Behalve het openbaredienstencontract met de NMBS onderhandelt de federale regering ook een performantiecontract met Infrabel. De federale overheid publiceerde hierover een reeks Voorafgaande specificaties van de doelstellingen, het voorwerp en de reikwijdte van het contract dat met Infrabel moet worden afgesloten.

De NHRPH herinnert eraan dat de toegankelijkheid en het succes van het spoorverkeer een belangrijke troef kunnen zijn in de strijd tegen o.a. luchtvervuiling en de opwarming van het klimaat.

3. ADVIES

De NHRPH is een vurig pleitbezorger van integrale autonome toegankelijkheid voor allen en vraagt dat dit begrip wordt opgenomen als criterium voor de beoordeling van de NMBS, op hetzelfde niveau als stiptheid en veiligheid. Toegankelijkheid – zie definitie onder 3. Analyse - moet een voorwaarde sine qua non worden voor openbare aanbestedingen en investeringsdomeinen van de NMBS: rijtuigen, gebouwen, dienstverlening, verkooppunten, …

De NHRPH herinnert eraan dat dit openbaredienstencontract past binnen een kader van duurzame ontwikkeling en non-discriminatie. Sommige fondsen zullen immers afkomstig zijn van het Plan voor Herstel en Veerkracht (met toegangsclausule voor kwetsbare groepen).

De NHRPH vraagt de onderhandelaars van het nieuwe NMBS-openbaredienstcontract (de federale regering en de NMBS) om rekening te houden met de volgende documenten en reglementeringen:

  • Advies 2021-02 van de NHRPH, een advies met 10 prioriteiten voor de NMBS:
    1. Toegankelijke informatie voor reizigers;
    2. Toegankelijke treinen;
    3. Toegankelijke stations en haltes;
    4. Assistentie;
    5. Toegankelijke ticketverkoop;
    6. Toegankelijke omgeving;
    7. Intermodaliteit;
    8. Sensibilisering en training van het personee;l
    9. Sensibilisering van de passagiers;
    10. Overleg met de handicapsector;
  • Adviezen 2015-30 en 2014-08 van de NHRPH over de beheerscontracten van de NMBS-Groep;

  • De Resolutie betreffende het garanderen van de toegankelijkheid van het Belgisch treinverkeer van 15/04/2021;

  • Technical specifications for interoperability (TSI) 1300/2014, waarin ook de verplichting wordt opgenomen dat de lidstaten een toegankelijkheidstrategie uitwerken in samenwerking met de spoorwegoperatoren (NMBS), de infrastructuurbeheerder (Infrabel) en de belangenorganisaties voor personen met een handicap;

  • De andere Europese richtlijnen, zoals de webrichtlijn en de European Accessibility Act;

  • Artikel 20 van het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap. Met betrekking tot mobiliteit bepaalt artikel 20 van het VN-Verdrag:

De staten die partij zijn nemen doeltreffende maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen, onder meer door:

      • de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap te vergemakkelijken op de wijze en op het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs;
      • de toegang voor personen met een handicap tot hoogwaardige mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten, ondersteunende technologieën en vormen van hulp door mens of dier en tot bemiddeling te vergemakkelijken, onder meer door deze beschikbaar te maken tegen een betaalbare prijs;
      • personen met een handicap en gespecialiseerd personeel dat met personen met een handicap werkt, training in mobiliteitsvaardigheden te verschaffen;
      • instellingen die mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten en ondersteunende technologieën produceren, aan te moedigen rekening te houden met alle aspecten van mobiliteit voor personen met een handicap.

De NMBS moet een toegankelijkheidsnormering toepassen, en die moet gepaard gaan met objectieve metingen. De NHRPH vraagt in dit kader het gebruik van eenduidige en goed gedefinieerde begrippen in het openbaredienstencontract.

De NMBS moet een langetermijnvisie op toegankelijkheid hanteren met een concrete en ambitieuze kalender, zoals bepaald in de door de TSI opgelegde toegankelijkheidsstrategie.

  • Elke nieuwe aankoop, dienst, aanbouw en renovatie moet toegankelijk zijn.
  • Wat nog niet toegankelijk is, moet op middellange termijn ook toegankelijk worden. Hiervoor zijn concrete deadlines nodig.
  • Voor de toegankelijkheid moet de NMBS de nodige middelen uittrekken.

Twee aspecten die daarbij niet mogen worden vergeten zijn de oriëntatie en het informeren van de reiziger met een handicap. Daarnaast vraagt de NHRPH dat assistentie blijvend wordt gegarandeerd. Er zullen altijd reizigers zijn die ongewild afhankelijk blijven van persoonlijke assistentie, ook wanneer stations en treinen autonoom toegankelijk worden. De voorkeur gaat dan naar assistentie door opgeleid personeel dat ter plaatse aanwezig is. Ook kan er voor de NHRPH geen sprake zijn van een toegankelijk station als er geen assistentie wordt geboden.

Daarbij moet ook dringend werk worden gemaakt van een reeds oude vraag van de NHRPH: menselijke assistentie van de trein naar andere vervoersmodaliteiten (bus, taxi, metro, tram, …), ook wanneer de assistentie zo deels buiten het terrein van de NMBS valt. Hiervoor is overleg met de andere aanbieders van (openbaar) vervoer en de bevoegde overheden noodzakelijk.

In het vorige beheerscontract werd verwezen naar de rol van de NHRPH als geprivilegieerde gesprekspartner op federaal niveau voor toegankelijkheid voor personen met een handicap of een beperkte mobiliteit. In het kader van de inclusie – zie definitie onder 3. Analyse - van personen met een handicap wenst de NHRPH dat de rol van de NHRPH als geprivilegieerde gesprekspartner op federaal niveau voor toegankelijkheid voor personen met een handicap of een beperkte mobiliteit ook in het nieuwe contract wordt opgenomen. De NHRPH verwacht te worden geraadpleegd voor alle projecten die een impact kunnen hebben op personen met een handicap. De NHRPH heeft een uitstekende samenwerking met de NMBS via zijn interne werkgroep, maar de ervaring van de laatste jaren leert dat niet alle handicapgerelateerde dossiers aan de werkgroep werden voorgelegd. Voor de NHRPH is dat niet langer aanvaardbaar: de NHRPH mag niet als excuus dienen en moet een volwaardige handicapgesprekspartner zijn. Om deze samenwerking te vertalen naar concrete verwezenlijkingen, verwijst de NHRPH opnieuw naar de toegankelijkheidsstrategie zoals opgelegd door de TSI en de hiertoe voorziene middelen.

De NHRPH wenst ook te worden betrokken bij de aanpassingen aan Revalor, het toegankelijkheidshandboek van de NMBS.

De NHRPH vraagt om te streven naar universal design.

De NHRPH vraagt om de Europese Technical specifications for interoperability (TSI) als minimumnorm te hanteren.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

De NHRPH wenst dat voor het nieuwe GEN-RER-netwerk dezelfde voorwaarden gelden als voor de rest van het spoorwegnetwerk, zoals opgelegd door de TSI.

De NHRPH vraagt de onderhandelaars van het nieuwe Infrabel-prestatiecontract (de federale regering en Infrabel) om rekening te houden met de voorgaande documenten en reglementeringen, voor zover die van toepassing zijn op Infrabel.

Hoewel de NMBS verantwoordelijk is voor de toegankelijkheid van treinen, stations en haltes, hebben ook de beslissingen van Infrabel een impact op de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

Enkele voorbeelden:

  • De toegankelijkheid van overwegen;
  • De toegankelijkheid van tunnels en sporen, bijvoorbeeld wanneer de trein moet worden ontruimd in geval van een panne, of noodsituatie;
  • Het vermijden van hindernissen op de perrons, zoals onder meer bovenleidingspalen, seinpalen, …
  • Standaardisatie van de gebruikte materialen zoals kleur van geleidelijnen.

Bovendien moet Infrabel ook rekening houden met het openstellen van het Belgische spoorwegnet voor alle treinverkeer binnen Europa in het kader van het creëren van één Europese spoorwegruimte en de liberalisering van het spoorverkeer. Infrabel moet ervoor zorgen dat ook buitenlandse spoorwegmaatschappijen een vlotte toegang hebben tot het Belgische spoornetwerk. Op haar beurt moet de NMBS haar perrons autonoom toegankelijk maken voor de passagiers van treinen van andere firma’s.

Het overleg tussen de NMBS en Infrabel moet beter.

Infrabel moet een Disability Manager aanduiden die systematisch overleg pleegt met de Disability Manager van de NMBS.

De NHRPH vraagt de onderhandelaars om het nieuwe artikel 22ter van de Grondwet ambitieus te implementeren:

Art. 22ter. Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen.

Er zijn goede praktijkvoorbeelden van een toegankelijk spoorverkeer te vinden in het buitenland. Landen als Nederland en Zwitserland hebben de toegankelijkheid wettelijk verankerd, met inbegrip van de afdwingbaarheid ervan. Daar staat tegenover dat de overheid ook de nodige middelen vrijmaakte voor een toegankelijk spoorverkeer. Hier is dus een zeer belangrijke rol weggelegd voor de federale regering.

4. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Benoît Gilson, ceo van Infrabel
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan Ombudsrail
  • Ter info aan het Raadgevend Comité van de Treinreizigers

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/22 - Verhoging inkomensvervangende tegemoetkoming

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2021-22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, §6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies uitgebracht op verzoek van de minister per e-mail van 19 mei 2021.

Advies uitgebracht op 20/05/2021 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 20/05/2021, wegens de absolute urgentie die wordt ingeroepen.

1. ONDERWERP

Een ontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij artikel 6, §1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap met 2 % te verhogen met toepassing van het interprofessioneel akkoord 2021.

2. ANALYSE

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien voor de sociale bijstandsuitkeringen.

In het kader van de verdeling van de welvaartsenveloppe hebben de sociale partners op 19 april 2021 hun advies over de verhoging van de sociale uitkeringen overgemaakt aan de regering, die zich heeft geëngageerd om het zo snel mogelijk uit te voeren. Het advies voorziet in een aanpassing van 2 % van de inkomensvervangende tegemoetkomingen voor personen met een handicap op 1 juli 2021.

Om deze aanpassing uit te voeren dient het bedrag voorzien in artikel 6, §1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap opgetrokken te worden met 2 %. Artikel 6, §6 van dezelfde wet geeft de machtiging om dit via koninklijk besluit te doen.

Dit resulteert concreet in de wijziging van het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming voorzien in artikel 6, §1, eerste lid van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Rekening houdend met de planning over de periode 2021-2024 van opeenvolgende verhogingen van de IVT (zie advies 2020-22) preciseert het ontwerp van KB, omwille van de duidelijkheid, de respectieve bedragen (door de verhoging met 2% op 1 juli 2021 te integreren) per gezinscategorie voor voormelde periode op de volgende manier.

Artikel 1. In artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de bedragen als volgt vervangen:

1° ‘5.517,41’ door ‘5.627,76’;

2° ‘8.276,12’ door ‘8.441,64’;

3° ‘11.184,66’ door ‘11.408,35’.

 Artikel 2. In artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de bedragen als volgt vervangen:

1° ‘5.627,76’ door ‘5.775,05’;

2° ‘8.441,64’ door ‘8.662,57’;

3° ‘11.408,35’ door ‘11.706,93’.

 Artikel 3. In artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de bedragen als volgt vervangen:

1° ‘5.775,05’ door ‘5.922,33’;

2° ‘8.662,57’ door ‘8.883,51’;

3° ‘11.706,93’ door ‘12.005,50’.

Artikel 4. In artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de bedragen als volgt vervangen:

1° ‘5.922,33’ door ‘6.069,62’;

2° ‘8.883,51’ door ‘9.104,44’;

3° ‘12.005,50’ door ‘12.304,08’.

Art. 5. Artikel 1 treedt in werking op 1 juli 2021.

Artikel 2 treedt in werking op 1 januari 2022.

Artikel 3 treedt in werking op 1 januari 2023.

Artikel 4 treedt in werking op 1 januari 2024.

3. ADVIES

De NHRPH is verheugd over deze verhoging van de IVT. De NHRPH herinnert aan zijn eis om de tegemoetkomingen minstens tot de armoedegrens op te trekken. De NHRPH blijft ook hameren op de noodzaak om de wet van 27 februari 1987 grondig te herzien, aangezien deze wet het niet mogelijk maakt voor personen met een handicap om zelfstandig en inclusief te leven. De NHRPH verwacht van de Minister een hervorming die wordt opgenomen in het Handicapplan dat zij nu voorbereidt.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/16 - Voorontwerp van het federaal plan voor duurzame ontwikkeling

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2021/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van het federaal plan voor duurzame ontwikkeling (FPDO) dat aan de bevolking werd voorgelegd via een openbare raadpleging van 9 april tot 8 juni 2021

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling heeft een voorontwerp van het federaal plan voor duurzame ontwikkeling opgesteld, dat openbaar kan worden geraadpleegd van 9 april tot 8 juni 2021.

2. ANALYSE

Het federaal plan voor duurzame ontwikkeling (FPDO) bevat acties en maatregelen die op federaal niveau moeten worden genomen om de komende vijf jaar te voldoen aan de internationale en Europese verplichtingen en aan de doelstellingen van de federale strategische langetermijnvisie voor duurzame ontwikkeling.

Het FPDO wordt in vier fasen uitgewerkt:

  • eerste fase: uitwerking van het voorontwerp door de Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling en medewerking van deskundigen van verschillende federale administraties;
  • tweede fase: elektronische raadpleging en advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling over dit voorontwerp;
  • derde fase: feedback van de raadpleging en aanpassing van de ontwerptekst + verzending naar de federale regering;
  • vierde fase: goedkeuring van het FPDO door de federale regering.

De federale administraties ondersteunen de acties van het FPDO. De volledige cyclus van het plan zal in theorie op het einde van de regeerperiode worden afgesloten. De Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling (ICDO) bereidt het FPDO voor, coördineert de uitvoering ervan en zorgt voor de opvolging ervan. Tijdens de cyclus brengt de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling (FRDO), het orgaan dat het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigt, adviezen uit over het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Tegelijkertijd evalueert de taskforce Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau het plan en publiceert het om de twee jaar prospectieve en evaluatieverslagen.
Op het einde van de cyclus publiceert de ICDO een afsluitend verslag van het FPDO, het ‘verslag van de leden’, waarin wordt geschetst hoe het staat met de uitvoering van de acties van het plan.

Er zijn vier richtlijnen, die bedoeld zijn voor de federale en programmatorische overheidsdiensten:

  1. actie ondernemen om duurzame ontwikkeling centraal in het federale beleid te verankeren,
  2. zorgen voor beleidscoherentie,
  3. de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) bekendmaken en praktische tools voor de implementatie ervan voorstellen,
  4. de voorbeeldrol van de federale Staat versterken.

Er zijn interdepartementale acties gepland om deze richtlijnen uit te voeren. Ze zullen worden verwezenlijkt dankzij samenwerkingen tussen federale overheidsdiensten (FOD’s), en soms andere federale instellingen:

  • het leave no one behind-principe toepassen, d.w.z. niemand achterlaten;
  • de weerbaarheid (veerkracht) tegen risico's versterken;
  • de Belgische economie hervormen;
  • het mobiliteitsmodel veranderen;
  • de transformatie financieren;
  • bijdragen aan de SDG’s op het internationale toneel.

Hier vindt u meer details over elke richtlijn en interdepartementale actie.

3. ADVIES

De NHRPH verheugt zich over dit voorontwerp en dringt erop aan het toekomstige FPDO een gecoördineerd en geïntegreerd interfederaal plan wordt.

In het voorontwerp wordt blijk gegeven van bereidheid om transversaal werk te maken van de inclusie van personen met een handicap (PMH’s). Er worden verschillende positieve aspecten voor personen met een handicap genoemd. De NHRPH wenst deze te onderstrepen, maar ook aan te vullen en de aandacht te vestigen op wat niet wordt vermeld, maar niettemin bepalend is voor inclusie en daadwerkelijke toegang tot rechten. Het is belangrijk dat handicapgerelateerde uitdagingen van bij de uitwerking van dit plan goed in kaart worden gebracht, zodat er rekening mee kan worden gehouden bij het uitwerken van de interdepartementale acties.

  1. De NHRPH benadrukt verschillende elementen bij de prioriteiten en richtlijnen van het plan:
    • Het leave no one behind-principe. Maar al te vaak wordt in het beleid en de maatregelen voorbijgegaan aan kwetsbare groepen, onder wie de PMH’s. Het Belgische herstelplan dat onlangs bij de Europese Commissie werd ingediend, is hier een voorbeeld van: bij heel wat maatregelen werd geen rekening gehouden met de behoeften van PMH’s (advies 2021-09). Men moet zich steeds afvragen of de maatregel ook toegankelijk zal zijn voor PMH’s. Anders gezegd: zullen PMH’s ook gebruik kunnen maken van dit project? Zijn hier specifieke aanpassingen voor nodig?
    • Het principe van veerkracht in onze sociale, economische, medische, ... werkwijzen. Er dient aan herinnerd dat de COVID-19-gezondheidscrisis de reeds bestaande situaties inzake toegang tot goederen en diensten heeft verergerd (advies 2020-09). ‘Niet te weten’ of ‘niet te meten’ mogen in de toekomst niet meer als excuus worden gebruikt: er moeten nu al nieuwe mechanismen en processen worden gecreëerd om te allen tijde – crisis of niet – kwaliteitsvolle goederen en diensten aan alle PMH’s en hun gezinnen te bieden.
    • De transformatie van de Belgische economie “die onder meer zal worden bereikt door de ontwikkeling van duurzame economische modellen, zoals de circulaire economie, de functionaliteitseconomie, de sociale economie en de samenwerkingseconomie”. De NHRPH herinnert aan het belang van de rol van maatwerkbedrijven, waar een groot deel van de PMH’s zijn tewerkgesteld: het is van fundamenteel belang overheidsopdrachten voor maatwerkbedrijven open te stellen door onder meer de bodemprijs voor toegang te verlagen (andere aanbevelingen in het advies 2016-03). Voorts moeten systematisch ambitieuze sociale clausules worden opgenomen en toegepast. Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat België kan rekenen op de nieuwe richtlijn European Accessibility Act om zijn economie te transformeren en nieuwe niches van goederen en diensten te creëren die voor iedereen toegankelijk zijn (news BDF EAA).
    • Het veranderen van het mobiliteitsmodel: het openbaar vervoer kan pas weer in de gratie van de bevolking komen indien het voor zo veel mogelijk personen toegankelijk wordt. Momenteel kunnen PMH’s en PBM’s (personen met beperkte mobiliteit) doorgaans niet gemakkelijk de trein nemen wegens diverse toegankelijkheidsobstakels (cf. de ‘NMBS-adviezen’ van de NHRPH). Er is nog geen doeltreffende programmering van de toegankelijkheid van stations en treinen, met duidelijke en bindende indicatoren. Het huidige ontwerp van openbaredienstcontract van de NMBS is niet duidelijk over het toegankelijkheidsaspect (advies wordt voorbereid): dit ontwerp wordt geacht de komende tien jaar te bestrijken. De NHRPH vraagt dat artikel 9 van het UNCRPD en de ambitie van de onlangs in de Kamer aangenomen resolutie worden nageleefd.
    • De financiering van de transformatie: nogmaals, elke burger moet de veranderingen in het FPDO in zijn dagelijks leven kunnen ‘voelen’. Toegankelijkheid kan niet worden afgedwongen, het moet tot stand komen: er moet worden voorzien in bepaalde aanpassingen, en bepaalde technische, administratieve, financiële, ... belemmeringen moeten uit de weg worden geruimd. Anders zullen PMH’s en hun gezinnen de boot missen en aan hun lot worden overgelaten.
  1. Voor de interdepartementale acties wijst de NHRPH op verschillende passages in het voorontwerp waar PMH’s als doelgroep worden genoemd. Het betreft:
    • de integratie van PMH’s in het diversiteitskader,
    • de diversiteit bij aanwerving in het openbaar ambt en het te behalen quotum van 3 %,
    • de structurele verbintenis voor de aanwerving van PMH's,
    • de toegankelijkheid van opleidingen voor PMH’s,
    • de coaching met redelijke aanpassingen voor PMH’s,
    • het niet gebruiken van rechten,
    • de monitoring van gegevens: gender en handicap.

Er zijn dus geen acties gepland in het kader van de klimaatcrisis, de Europese Green Deal (en andere Europese klimaatbeleidslijnen), e-commerce, de circulaire economie, de digitale omgeving en mobiliteit.
De NHRPH vraagt ook te voorzien in acties in die domeinen om PMH’s concreet te sensibiliseren, te informeren en te betrekken. Hierover werden verschillende adviezen uitgebracht, met name het advies over het algemene regeringsprogramma (advies 2020-21) en het specifiekere advies over de handicapprioriteiten (advies 2020-25).

  1. Over specifiekere acties

A. Niemand achterlaten (blz. 33 tot 36 van het voorontwerp)

    • Wat het principe van leave no one behind betreft, acht de NHRPH een transversale en interdepartementale actie essentieel die gepaard gaat met een maximale activering van het gebruik van rechten. In zijn advies 2018/09 onderstreept de NHRPH dat het verschijnsel van non take-up alle burgers en alle gebieden van het leven raakt. Steeds meer PMH's hebben moeite om toegang te krijgen tot hun sociale rechten: het is nog steeds niet mogelijk om met digitalisering de potentiële begunstigden te identificeren die onder de IT-radar blijven. Helaas neemt dit fenomeen elk jaar verder toe.
      De NHRPH moedigt bijvoorbeeld de oprichting aan van advocatenkantoren met multidisciplinaire teams (met sociale werkers die een goede kennis hebben van het middenveld) . Volgens de NHRPH kan een precieze manier van werken met PMH’s worden vastgelegd in een handvest (gebarentaal beschikbaar stellen; wetteksten herschrijven met de easy-readmethode (duidelijke en eenvoudige taal), mogelijkheid om teksten in braille aan te passen).
      De oprichting van een nationaal contactpunt (blz. 35) in de vorm van een elektronisch justitieplatform om zo veel mogelijk burgers te helpen hun sociale rechten te doen gelden, is een interessant maar om twee redenen onvolledig idee:
      1. Niet iedereen heeft toegang tot digitale technologie en er moet alternatieve begeleiding worden voorzien.
      2. Er moet koste wat kost worden nagedacht over de toegankelijkheid van dit contactpunt voor PMH’s op verschillende niveaus: toegang tot gebarentaal, toegang voor blinde en/of slechtziende personen – vooral voor de lokale fysieke contactpunten die in 2022 zijn gepland (blz. 36). Toegankelijke gebouwen moeten een prioriteit zijn; voorlopig zijn de meeste vredegerechten niet toegankelijk. Ook moet worden bepaald of dit uniek loket enkel op federaal niveau actief zal zijn of dat het een geïnterconnecteerd netwerk wordt. De NHRPH herinnert eraan dat het idee van een uniek loket reeds meer dan 40 jaar bestaat en dat het de hoogste tijd is om er een echte inhoud aan te geven.
    • De NHRPH ijvert reeds jaren voor een sociale uitkering boven de armoedegrens. De NHRPH wacht dan ook de beoordeling van de verhoging voor bepaalde bedragen af (blz. 37 tot 49). De NHRPH vraagt te worden betrokken bij de denkoefening van een inkomensafhankelijke progressieve sociale bijstand voor personen (die niet meer afhankelijk is van het statuut). Voorts herinnert de NHRPH aan zijn positienota over de sociale voorzieningen.

B. Zorgen voor optimale werkomstandigheden voor iedereen (blz. 38)

    • Op het vlak van tewerkstelling is het belangrijk het werkkader voor PMH's te herzien. Zij willen immers behoorlijk werk vinden om in hun persoonlijke en gezinsbehoeften te voorzien. Teneinde de huidige arbeidsstatuten (blz. 41) tegen eind 2022 in één enkel kader te kunnen omzetten, herinnert de NHRPH eraan dat de huidige sociale dekking van werkende PMH's soms zeer onzeker is. Het unieke kader moet absoluut de gelegenheid zijn om een einde te maken aan de huidige discriminatie van PMH’s die stageovereenkomsten aaneenrijgen (advies 2018-20). De NHRPH herinnert ook eraan dat PMH's aanpassingen nodig hebben om hun activiteiten uit te oefenen. De afvlakking waartoe het unieke (en ook automatische) kader dreigt te leiden, mag geen excuus zijn om redelijke aanpassingen af te schaffen. Wat het veralgemenen van telewerk betreft, moeten uiteraard procedures worden uitgewerkt om snel alle nodige aanpassingen in de woningen van PMH’s uit te voeren. Niettemin is begeleiding nodig bij telewerk, in het bijzonder voor PMH’s, om eenzaamheid te voorkomen. De NHRPH dringt erop aan redelijke aanpassingen zeer ruim te interpreteren (advies 2021/07).
    • De NHRPH dringt aan op een optimale begeleiding van PMH’s tijdens het volledige aanwervingsproces bij het federaal openbaar ambt. De NHRPH vraagt dat rekening wordt gehouden met elke handicap met het oog op toegankelijkere opleidingen en aanwervingen voor PMH’s.
    • In het Lumen-aanbod van de FOD Beleid en Ondersteuning (BOSA) (blz. 29 tot 30) zullen gebarentaal en de easy-readmethode (eenvoudige en duidelijke taal) worden gebruikt. Dat is een uitstekend initiatief voor zowel de interne werking van de organisaties als om de burger dichter bij de Staat te brengen.
    • De NHRPH onderstreept dat het belangrijk is rekening te houden met de handicapdimensie in de toekomstige studie die de POD Wetenschapsbeleid (Belspo) zal financieren (blz. 42) en waarin de negatieve en positieve impact van verschillende telewerkvormen zal worden beoordeeld. PMH's hebben bijzondere behoeften om hun werk te kunnen uitvoeren. Daarmee moet rekening worden gehouden. Hoe zullen de PMH's worden geraadpleegd?
    • Als lid van de BCAPH (Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt) dringt de NHRPH erop aan zo snel mogelijk maatregelen te treffen om de vereiste 3 % PMH’s aan te werven in het federaal openbaar ambt. Uit het laatste jaarverslag van de BCAPH blijkt dat we hier nog ver van verwijderd zijn (1,22 % in 2019). De NHRPH herinnert aan zijn nota over tewerkstelling.

C. Bouwen aan een grotere sociale cohesie (blz. 42)

    • De NHRPH wenst te benadrukken dat vrouwen met een handicap zeer vaak het slachtoffer zijn van een dubbele discriminatie. De NHRPH vraagt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan vrouwen en meisjes met een handicap tijdens het eerste seminarie in 2022 om de FOD’s te sensibiliseren (blz. 44) en bij het opstellen van het handvest.
    • De NHRPH juicht het monitoren van gegevens toe en vraagt dat het criterium handicap systematisch in de nationale gegevens wordt opgenomen.
    • De NHRPH vraagt al jaren om de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (IVT/IT) op te trekken tot boven de armoedegrens. De NHRPH kan het interdepartementale gedetailleerde plan (blz. 49) over hoe en binnen welk tijdskader de minima kunnen worden opgetrokken richting de Europese armoedegrens, dat de FOD Sociale Zekerheid en de POD Maatschappelijke Integratie voor 2022 hebben voorgesteld, alleen maar toejuichen.
    • Door de recente bepaling over de prijs van de liefde (advies 2020/23) is het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt, volledig vrijgesteld. Niettemin blijven er nog veel incoherenties met betrekking tot het statuut van samenwonende die PMH’s zwaar benadelen in hun levenskeuzes. De NHRPH benadrukt dat sociale en fiscale zekerheid dringend moeten worden gegarandeerd voor alle samenwonenden (blz. 50).

D. Systematisch bestrijden van alle aspecten van armoede (blz. 47)

    • Op het gebied van toegang tot informatie heeft de COVID-19-gezondheidscrisis de situatie van PMH’s verslechterd. Veel PMH’s begrijpen de informatie en maatregelen niet omdat de informatie niet in een toegankelijk formaat (gebarentaal, easy read, ...) beschikbaar is, of omdat zij geen toegang hebben tot internet of niet weten hoe zij de verschillende nieuwe onlinetoepassingen en websites moeten gebruiken. De dienstverlening wordt steeds meer gedigitaliseerd, ondanks de reeds bestaande digitale kloof binnen de Belgische bevolking. De NHRPH dringt er bij de overheid op aan rekening te houden met de digitale kloof en vraagt dat een alternatieve oplossing altijd wordt voorzien aan de elektronische handtekening (blz. 71).
    • De aanpak van de huidige pandemie heeft deze digitale kloof in de verf gezet, o.a. bij de toegang tot vaccinatie: sommigen ontvangen die informatie niet omdat zij geen toegang hebben tot digitale technologie. De NHRPH is voorstander van het idee van een nationale strategie op het vlak van volksgezondheid (blz. 51 tot 55). Door de COVID-19-crisis is het aantal mentale problemen alleen maar toegenomen. En dat niet alleen: in zijn advies 2020/13 beschrijft de NHRPH de obstakels waarmee PMH’s tijdens de eerste lockdown werden geconfronteerd. De NHRPH hamert er nogmaals op dat de reeds bestaande tekortkomingen bij de toegang tot rechten, goederen en diensten werden verergerd door de COVID-19-crisis.
    • De NHRPH stelt ook de reglementering inzake sociale tarieven aan de kaak: momenteel moet aan strikte voorwaarden worden voldaan om recht te hebben op het sociaal tarief voor elektriciteit en/of aardgas en telefonie. De NHRPH vraagt een sociaal abonnement voor mobiele telefonie en internet. Dit sociaal abonnement moet PMH’s kwaliteitsvolle diensten bieden zodat zij, zoals elke andere burger, opleidingen kunnen volgen, zich kunnen informeren en kunnen werken. De NHRPH herinnert in dit verband aan zijn adviezen 2020-21, 2015-22 en 2020-25.
    • Wat het nationaal actieplan inzake hormoonverstoorders betreft (blz. 60 tot 63), moet absoluut worden voorkomen dat personen in armoede in een spiraal van ziekte -> handicap terechtkomen. De NHRPH roept op tot zeer concrete maatregelen op het gebied van huisvesting, inkomen en gezondheidszorg. Tot de topprioriteiten behoren gezonde huisvesting, een inkomen dat toelaat om zich behoorlijk te kunnen voeden en te verzorgen, en toegankelijke collectieve gezondheidszorg voor alle PMH’s.

E. Mobiliteit en duurzame producten

    • De NHRPH herinnert eraan dat alle vervoer toegankelijk moet zijn, voor PMH’s, maar ook voor PBM’s in ruime zin. De NHRPH is uiteraard voorstander van alle regelgeving die leidt tot een lager energieverbruik, maar er moet ook rekening worden gehouden met de behoeften van de hele bevolking. Hieraan herinnert de NHRPH in zijn advies 2020/04 over het invoeren van regelgeving inzake lage-emissiezones (LEZ). Hij herinnert aan de ambitieuze resolutie van het Parlement, dat nu in prioriteiten en acties moet worden omgezet.
    • Artikel 5 van de EU-Richtlijn 2019/904 van 5 juni 2019 voorziet in een verbod op het in de handel brengen van plastic producten voor eenmalig gebruik. In zijn advies 2020/19 vestigt de NHRPH de aandacht erop dat sommige PMH’s plastic rietjes nodig hebben om minimaal zelfredzaam in hun dagelijks leven te blijven.
    • In zijn advies 2021/09 betreurt de NHRPH dat het plan voor herstel en veerkracht (PHV) globaal niet inclusief is. De projecten die dichter bij de burger staan, zijn voor PMH’s technisch (renovatie van openbare gebouwen alleen op het vlak van energie en zonder een luik ‘toegankelijkheid’) of financieel (oplaadpalen voor elektrische voertuigen) immers niet toegankelijk genoeg. PMH’s worden over het hoofd gezien in een aantal projecten.
    • De NHRPH dringt erop aan dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) wordt meegenomen in de concrete invulling van de SDG’s. Dit is absoluut nodig opdat geen enkele PMH uit de boot valt. Alle mechanismen van alle deelgebieden moeten dringend worden geactiveerd en op elkaar worden afgesteld om tot een globaal en coherent werk te komen. De Interministeriële Conferentie (IMC) Handicap moet snel een vergaderrooster opstellen.
  1. De NHRPH heeft verschillende vragen over het opvolgingsproces:
    • Zal de NHRPH de acties concreet mee kunnen opvolgen?
    • Zal de NHRPH kunnen worden betrokken bij de in het voorontwerp beschreven analysen en studies, wetende dat de uitdagingen voor de PMH’s zo vroeg mogelijk in de veranderingstrajecten moeten worden geïdentificeerd?
    • Er wordt ook over indicatoren gesproken. Hoe zullen deze worden vastgesteld en opgevolgd?
    • Er dient te worden gecommuniceerd over de opvolging van het plan en elke burger moet concreet en regelmatig worden geïnformeerd om steun op lange termijn te waarborgen.

Er zijn andere plannen op het federale niveau voorzien in deze regeerperiode, zoals het plan voor de inclusie van PMH’s en het armoedebestrijdingsplan. Deze verschillende federale en nationale plannen moeten worden geïntegreerd.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal
  • Voor opvolging aan de Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling (ICDO)
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/24 - Verlenging tijdelijke werkloosheid wegens overmacht

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.

Advies op vraag van de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), in zijn e-mail van 19 mei 2021.

Advies uitgebracht op 20/05/2021 na consultatie van de leden van de NHRPH per email van 20/05/2021, wegens de hoge urgentie.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd aan de NHRPH heeft tot doel de maatregel te verlengen die beoogt de tijdelijke werkloosheidsuitkeringen wegens overmacht ontvangen door personen met een handicap gelijk te stellen met het arbeidsinkomen voor de berekening van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

2. ANALYSE

Het oorspronkelijke koninklijk besluit voorzag in de invoeging van een artikel 9quater in het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming. Dit artikel vermeldt het volgende: “voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in §3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit." De maatregel was oorspronkelijk voorzien tot 30 juni 2020, en werd vervolgens verlengd tot en met 30 juni 2021.

Het oorspronkelijke koninklijk besluit werd reeds door de NHRPH behandeld in advies 2020-11 en 2021-03.

3. ADVIES

De NHRPH is tevreden met de verlenging van de maatregel omdat de onzekerheden met betrekking tot de hervatting van activiteiten in heel wat sectoren blijven aanhouden.

In zijn advies 2020-11 had de NHRPH een probleem met een formulering in het ontwerp van koninklijk besluit aangehaald. Het betrof de zin “de maatregel, bepaald in §1 van dit artikel, is van toepassing op de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid, die toegekend worden voor de periode van 1 maart tot 30 juni 2020”. De NHRPH vreesde dat alleen nieuwe aanvragen ingediend tussen 1 maart en 30 juni 2020 van deze gelijkstelling zouden kunnen genieten. De NHRPH kreeg hierop nog geen antwoord en zou er graag van verzekerd zijn dat de maatregel gedurende de ganse looptijd van de maatregel ook wordt toegepast op alle betalingsdossiers.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG HAN
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 10

Advies 2021/23 - Verlenging van de COVID-premie

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verlenging van de “COVID-premie”.

Advies op verzoek van de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) van 19/05/2021.

Advies uitgebracht op 20/05/2021 na consultatie van de leden van de NHRPH per e-mail van 20/05/2021, wegens de hoge urgentie.

1. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet verlengt de periode waarin de tijdelijke premie kan worden toegekend aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen.

2. ANALYSE

Het voorontwerp van wet verlengt de periode waarin, aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen, de tijdelijke premie toegekend kan worden, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID−19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen.

Deze maandelijkse premie van 50 euro zal worden toegekend tot en met september 2021.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 bepaalde het volgende:

een tijdelijke premie wordt met ingang vanaf 1 juli 2020 gedurende zes opeenvolgende maanden toegekend aan de gerechtigde op:

  1. een gewaarborgd inkomen voor bejaarden bedoeld in de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
  2. een inkomensgarantie voor ouderen bedoeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
  3. een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  4. een leefloon krachtens artikel 14, §1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  5. een financiële hulpverlening krachtens artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en waarvan deze steun terugbetaald is door de Staat krachtens artikel 1 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven.

Het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 werd goedgekeurd door de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen tot toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus (II).

De memorie van toelichting van het voorontwerp van wet bepaalt het volgende:

Deze tijdelijke premie werd voorzien om de negatieve gevolgen en bijkomende kosten op te vangen die de COVID-19-pandemie voor deze kwetsbare categorieën veroorzaakt en werd oorspronkelijk toegekend van juli 2020 tot en met december 2020.

Er is echter gebleken dat deze kwetsbare categorieën nog steeds extra ondersteuning nodig hadden, gelet op de heropleving van de epidemie en de strengere maatregelen genomen door de overheid. Daarom werd, krachtens artikel 21 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, de toekenning van de premie verlengd tot en met maart 2021.

De regering heeft, in het kader van de verlenging van het breed sociaaleconomisch steunpakket dat zij op 12 februari 2021 heeft voorgesteld, besloten om de periode voor de toekenning van deze maatregel aan de meest kwetsbare personen opnieuw te verlengen, ditmaal tot en met september 2021.”

3. ADVIES

Globaal genomen brengt de NHRPH een gunstig advies uit over de verlenging van de maatregel. De NHRPH herinnert er evenwel nog eens aan dat deze maatregel onvoldoende is.

In zijn advies 2020/24 en 2021/08 betoogde de NHRPH dat het met het bedrag van de maandelijkse premie absoluut niet mogelijk is de extra kosten voor de nieuwe leefsituatie van personen met een handicap en hun gezin te dekken.

De extra kosten als gevolg van de gezondheidscrisis zijn immers zeer hoog voor personen met een handicap. Deze lange en pijnlijk crisis heeft de gebruikelijke uitsluiting, waarvan personen met een handicap de grootste slachtoffers zijn, nog verergerd. De NHRPH verzoekt de Regering de lijst met voorbeelden van extra kosten vermeld in advies 2020/24 te herlezen.

In datzelfde advies wees de NHRPH op het feit dat heel wat personen werden vergeten. De NHRPH zou het logisch hebben gevonden dat de maatregel wordt uitgebreid naar andere categorieën van personen die ook op zijn minst een deel van de extra kosten ondervinden.

  • De “onregelmatige werknemers” met een handicap ontvangen het bedrag van het leefloon als arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar werden vergeten bij de maatregel van 50 euro.
  • Wie voor 01/03/2020 ziek werd, had ook hogere kosten door de COVID-situatie. Wie daarentegen na 01/03/2020 ziek werd, krijgt een hogere uitkering (geplafonneerd basisloon + 10%). Wie vóór 01/03/2020 ziek werd, kreeg bovendien ook de premie van 50 € niet.

De econoom Philippe Defeyt wees ook op deze anomalie. Volgens hem stelt deze premie op zich voor niemand een probleem. Maar wanneer het leefloon structureel wordt verhoogd, worden gewoonlijk alle andere minimumuitkeringen (de vervangingsinkomens van de sociale zekerheid) en ook de werkloosheidsuitkeringenverhoogd, opdat de socialezekerheidsuitkeringen steeds hoger zouden blijven dan de sociale bijstandsuitkering. In dit geval heeft men de andere mechanismen voor sociale bescherming echter niet aangepast (zie de website van de RTBF).

Algemeen gesproken sluit de NHRPH zich aan bij het voorstel van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN) om een snelle uitbreiding met terugwerkende kracht van de maatregel voor financiële steun in het kader van COVID-19 “12 x 50” te vragen voor volledig werklozen, voor personen in ziekte-invaliditeit, voor rechthebbenden op een inschakelings- of beschermingsuitkering, en voor gepensioneerden met een klein inkomen die geen recht hebben op de IGO.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 8

Advies 2021/15 - Recht op mobiliteit

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2021/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorgestelde herziening van artikel 23 van de Grondwet teneinde dat artikel aan te vullen ter bekrachtiging van het recht op mobiliteit, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 april 2021.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Özlem Özen, Voorzitter van de Kamercommissie Grondwet en Institutionele Vernieuwing, per e-mail van 23 maart 2021.

1. ONDERWERP

In het Parlement is een voorstel ingediend om artikel 23 van de Grondwet te herzien en daarin het recht op mobiliteit op te nemen.

2. ANALYSE

Artikel 23 van de Grondwet luidt als volgt:

Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.
Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.
Die rechten omvatten inzonderheid:

    1. het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
    2. het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
    3. het recht op een behoorlijke huisvesting;
    4. het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
    5. het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;
    6. het recht op gezinsbijslagen.

De Toelichting van het voorstel omvat met name de volgende elementen:

Behalve arbeid, sociale zekerheid, een behoorlijke huisvesting, de bescherming van de gezondheid en dies meer, brengt de evolutie van onze samenleving nieuwe behoeften mee. Die dienen te worden beschouwd als essentieel, als noodzakelijk, ja zelfs als een conditio sine qua non voor de ontplooiing van onze vrijheden. Wij denken hierbij aan de noodzaak zich te kunnen verplaatsen, die inherent is aan onze moderne samenleving.

(…). De onmogelijkheid om zich te verplaatsen belemmert enerzijds een belemmering de ontvoogding en ontplooiing van alle mensen; anderzijds vergalt ze ook het dagelijks leven en valt ze niet te rijmen met het beginsel van gelijke kansen en levensomstandigheden.

Veeleer dan genoegen te nemen met het recht op vrijheid van verkeer, bepleiten wij een recht op feitelijke mobiliteit met inachtneming van het algemeen belang, met name via de toegang tot een universele dienstverlener inzake openbaar vervoer. Het recht op mobiliteit heeft niet zomaar betrekking op ongeacht welke vorm van mobiliteit.

(...) vooral dat wij willen meewerken aan een billijke verdeling van de openbare ruimte tussen de verschillende gebruikers.

Onder het recht op feitelijke mobiliteit met inachtneming van het algemeen belang dient het recht te worden verstaan op een mobiliteit die sociaal, geografisch en fysiek toegankelijk is.

Het recht op een fysiek toegankelijke mobiliteit behelst in de eerste plaats de toegang van personen met een beperking tot de verschillende vervoermiddelen. Fysiek toegankelijke mobiliteit inschrijven in de Grondwet impliceert dat de integratie van die personen in onze samenleving verder wordt doorgetrokken.

(...) Het is een vorm van mobiliteit die de Staat ertoe moet aanzetten om, op grond van kwaliteits- en veiligheidscriteria, openbaarvervoersmodi uit te bouwen en die onafgebroken te waarborgen.

Universele dienstverlening maakt deel uit van een algemeen beleid inzake gelijke voorwaarden met het oog op een gewaarborgde toegang voor iedereen, tegen een redelijke prijs, zelfs in de verste uithoeken van een bepaald gebied, tot een reeks diensten die door de overheid van algemeen belang worden geacht. Universele dienstverlening wordt vaak beschouwd als een minimale “kerntaak” van de overheidsdienstverlening.

De bekrachtiging van het recht op universele dienstverlening inzake mobiliteit houdt onvermijdelijk in dat wordt verwezen naar de minimale verplichtingen die de openbaarvervoersbedrijven (NMBS, De Lijn, MIVB, TEC) qua openbare dienstverlening moeten nakomen. In het licht van met name de marktrisico’s lijkt het ons onontbeerlijk dat de toegang tot die diensten gewaarborgd blijft.
Het zou ons streven echter te kort doen in de Grondwet alleen maar een recht op universele dienstverlening inzake mobiliteit te erkennen, in plaats van het recht op mobiliteit met inbegrip van het recht op universele dienstverlening inzake openbaar vervoer.

… niet alleen de Staat, maar ook de gewesten en nog meer de gemeenten, hun verantwoordelijkheid op zich moeten nemen door een verdeling van de openbare ruimte te waarborgen onder alle soorten gebruikers. Concreter wil dat zeggen dat het recht op mobiliteit meer is dan de trein of de bus nemen tegen een schappelijke prijs in welbepaalde kwalitatieve en veiligheidsomstandigheden; het gaat er ook om te kunnen wandelen op voldoende brede voetpaden, te kunnen fietsen op veilige fietspaden, te zorgen voor een beveiligd en onderhouden wegennet enzovoort.

In de Grondwet het recht op mobiliteit opnemen, met name via toegang tot universele dienstverlening inzake openbaar vervoer, heeft geen directe invloed op die rechten als dusdanig. Wel hangt er voor de verschillende entiteiten een verplichting aan vast om de uitoefening van die rechten te waarborgen.

De indieners van het voorstel stellen daarom voor artikel 23, lid 3, van de Grondwet aan te vullen met een 7°, dat als volgt luidt

7° het recht op feitelijke mobiliteit met inachtneming van het algemeen belang, met name door middel van toegang tot universele dienstverlening inzake openbaar vervoer.

3. ADVIES

De NHRPH is van mening dat het recht op mobiliteit voor iedereen een fundamenteel recht is. Dit recht is een belangrijk aandachtspunt voor de NHRPH. In dit verband verwijst hij naar zijn standpuntnota "Toegankelijkheid en mobiliteit", en naar de talrijke adviezen die hij op dit gebied heeft uitgebracht (bijvoorbeeld advies 2021-02 over de toegankelijkheid van de NMBS voor personen met een handicap).

De NHRPH herinnert eraan dat het recht op toegankelijkheid voor personen met een handicap reeds wordt gewaarborgd door het nieuwe artikel 22ter van de Grondwet.

Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de invoeging van artikel 22 ter is herhaaldelijk benadrukt dat het recht op volledige inclusie zowel universele toegankelijkheid als redelijke aanpassingen vereist, die uitdrukkelijk zijn vastgelegd. Zo wordt in het verslag dat namens de Commissie voor grondwet en institutionele vernieuwing is opgesteld, met name melding gemaakt van wat volgt: 

Weliswaar is sprake van een recht op redelijke aanpassingen, maar in dat verband mag niet worden vergeten dat de overheid gebonden is door een resultaatsverplichting inzake toegankelijkheid, zoals gewaarborgd door het VN-Verdrag. Het is de bedoeling dat de Grondwet voortaan de Federale Staat en de deelstaten ertoe verplicht om, elk binnen hun bevoegdheden, op te treden met het oog op de implementering van die nieuwe grondwetsbepaling.
Daardoor zullen die overheden positief discriminerende maatregelen moeten nemen, teneinde te waarborgen dat het gelijkheidsbeginsel ook de mensen met een handicap ten goede komt. (p. 5)

De NHRPH herinnert er tevens aan dat dit de filosofie is van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), waaraan artikel 22ter een constitutionele verankering biedt door het samen te vatten in een compacte formule: het recht op volledige inclusie.

Artikel 9 bepaalt dat België, net als elke andere Staat die het Verdrag heeft geratificeerd, passende maatregelen moet nemen:

… om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden. Deze maatregelen, die mede de identificatie en bestrijding van obstakels en drempels voor de toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toepassing op:

    1. gebouwen, wegen, vervoer en andere voorzieningen in gebouwen en daarbuiten, met inbegrip van scholen, huisvesting, medische voorzieningen en werkplekken;
    2. informatie, communicatie en andere diensten, met inbegrip van elektronische diensten en nooddiensten.

Met betrekking tot mobiliteit bepaalt artikel 20 van het VN-Verdrag:

De staten die partij zijn nemen doeltreffende maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen, onder meer door:

    1. de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap te vergemakkelijken op de wijze en op het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs;
    2. de toegang voor personen met een handicap tot hoogwaardige mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten, ondersteunende technologieën en vormen van hulp door mens of dier en tot bemiddeling te vergemakkelijken, onder meer door deze beschikbaar te maken tegen een betaalbare prijs;
    3. personen met een handicap en gespecialiseerd personeel dat met personen met een handicap werkt, training in mobiliteitsvaardigheden te verschaffen;
    4. instellingen die mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten en ondersteunende technologieën produceren, aan te moedigen rekening te houden met alle aspecten van mobiliteit voor personen met een handicap.

In de Toelichting wordt niet verwezen naar het VN-Verdrag en artikel 9 daarvan, noch, a fortiori, naar General Comment nr. 2 van het Comité voor de rechten van personen met een handicap van 11 april 2014 over toegankelijkheid.

Ter herinnering, de General Comment stelt:

1. Toegankelijkheid is essentieel voor personen met een handicap om onafhankelijk te kunnen leven en op voet van gelijkheid volledig aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen. Zonder toegang tot de fysieke omgeving, vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatiesystemen en -technologieën, en andere faciliteiten en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek, hebben personen met een handicap geen gelijke kansen om deel te nemen aan hun respectieve samenlevingen. Het is geen toeval dat toegankelijkheid een van de beginselen is die ten grondslag liggen aan het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (art. 3, onder f). De beweging van personen met een handicap heeft er steeds op gewezen dat toegang tot de fysieke omgeving en tot het openbaar vervoer een voorwaarde is voor het genot door personen met een handicap van het recht op bewegingsvrijheid dat is neergelegd in artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

De NHRPH wijst voorts met name op de volgende punten:

§ 7. Zonder toegankelijk vervoer kunnen personen met een handicap niet genieten van sommige van hun basisrechten, zoals het recht om werk te zoeken of het recht op gezondheidszorg.

§ 29. Het is nuttig toegankelijkheidsnormen op te nemen in wetgeving die de verschillende gebieden omschrijft die toegankelijk moeten zijn, bijvoorbeeld de fysieke omgeving in wetten inzake bouw en planning, vervoer in wetten met betrekking tot openbaar lucht-, spoor-, weg- en watervervoer en zeevervoer, en informatie en communicatie en diensten aan het publiek in wetten met betrekking tot deze gebieden.

§ 39. Zonder toegankelijk vervoer naar school, toegankelijke schoolgebouwen en toegankelijke informatie- en communicatiemiddelen zouden personen met een handicap niet in staat zijn hun recht op onderwijs uit te oefenen.

§ 40. Diensten van geneeskundige verzorging en sociale bescherming zouden voor personen met een handicap buiten bereik blijven als de gebouwen waar deze diensten worden verleend, niet toegankelijk zouden zijn. Ook al zijn de gebouwen waarin deze diensten worden verleend zelf toegankelijk, zonder toegankelijk vervoer zullen personen met een handicap die diensten niet kunnen bereiken.

§ 41. Naast een fysiek toegankelijke werkplek hebben personen met een handicap ook toegankelijk vervoer en ondersteunende diensten nodig om op het werk te komen.

Indien de wijziging van artikel 23 ten gunste van de erkenning van het recht op mobiliteit er komt, moet dit volgens de NHRPH gezien worden als een dubbele terugkeer naar de politieke agenda van de dringende noodzaak om vooruitgang te boeken bij de tenuitvoerlegging van het recht op toegankelijkheid, met inbegrip van de "mobiliteitsdimensie" daarvan, ten behoeve van personen met een handicap.

De invoering van dit recht zou onderworpen zijn aan het standstill-beginsel dat in de huidige versie van artikel 23 wordt erkend. Dankzij deze bepaling kan de rechter controleren of de overheid de waarborging van de grondrechten niet substantieel terugdraait ten opzichte van het vorige niveau zonder voldoende rechtvaardiging in functie van het algemeen belang (zie met name: de standstill, of hoe de rechters het mogelijk hebben gemaakt de grondrechten beter te beschermen door de mogelijkheden tot terugdraaiing te beperken, door Isabelle Hachez, Justice en ligne, 12 februari 2016)

Voorts zou de NHRPH het op prijs hebben gesteld indien de opstellers van het voorstel de vraag of het recht op mobiliteit en op een universele dienstverlening een rechtstreekse werking zou kunnen hebben, hadden besproken of althans opengelaten. Een positief antwoord zou een gunstig effect kunnen hebben voor personen met een handicap, zeker tijdens een gezondheidscrisis, maar bijvoorbeeld ook voor leerlingen met een handicap van wie bekend is dat zij soms uren met het openbaar vervoer moeten reizen om op school te raken. (Toch wordt op blz. 6 gesteld dat de universele dienstverlening gelijk staat met “met ten minste de gewaarborgde toegang tot openbaarvervoermiddelen waarmee men tegen een redelijke prijs in het hele land terecht kan.”)

Een andere vraag die moet worden gesteld: gaat het recht op mobiliteit - en dus op toegankelijk vervoer - voor de opstellers van het voorstel gepaard met een recht op toegankelijke vervoermiddelen voor mensen met een handicap (veilige en aangepaste voorzieningen) en een toegankelijke omgeving? Immers, zonder het recht op toegankelijke vervoermiddelen en een toegankelijke omgeving zal de doeltreffendheid van dat recht slechts een illusie zijn. Op blz. 6 wordt gesproken over een toegankelijke omgeving, maar zonder specifieke verwijzing naar mensen met een handicap.

De NHRPH betreurt ook dat in de Toelichting van het voorstel niet wordt verwezen naar zijn talrijke adviezen over toegankelijkheid en mobiliteit, of naar de aanbevelingen van Unia.

Voor personen met een handicap en hun organisaties is het, gezien de reeds bestaande internationale en grondwettelijke rechtsmiddelen, niet zozeer van belang dat een reeds erkend recht in de Grondwet wordt bevestigd, als wel dat er een overheidsbeleid wordt opgesteld dat dit recht concreet gestalte geeft, een nood die door de gezondheidscrisis eens te meer naar voren komt.

De NHRPH hamert dan ook op een duidelijke grondwettelijke basis als duidelijke en krachtige hefboom voor een concrete implementatie op het niveau van de verschillende maatschappijen die het openbaar vervoer in België verzorgen. De NHRPH is het er volledig mee eens dat de mobiliteit van iedere burger afhangt van de eerbiediging van het algemeen belang (met inbegrip van het milieu) en (in het bijzonder) van de toegang tot een universele dienstverlening op het vlak van openbaar vervoer. Is dit de betekenis die de opstellers bedoelden?  

De NHRPH herinnert eraan dat elke universele dienstverlening een krachtige hefboom is om de bestaansonzekerheid te verminderen wanneer zij kwalitatief is en aan de concrete behoeften van de mensen voldoet. Op sommige gebieden (energie, financiële producten, ...) is de universele dienstverlening echt zeer beperkt en stelt zij mensen niet in staat een waardig leven te leiden en levenskeuzes te maken op dezelfde manier als andere burgers. De NHRPH zou graag zien dat de opstellers van het voorstel nagaan in hoeverre het begrip “hoge kwaliteit van de universele dienstverlening” in de formulering kan worden opgenomen.

Ter herinnering: veel personen met een handicap beschikken niet over een eigen voertuig en hebben geen andere keuze dan met het openbaar vervoer te reizen: de financiële toegankelijkheid van deze universele dienstverlening is dus ook een bepalende factor. Moet dit niet in het voorstel worden gespecificeerd?

De NHRPH herinnert ook aan de bepalingen inzake redelijke aanpassingen. Het is in dit verband van belang op te merken dat het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ook bepaalt dat het niet verstrekken van redelijke aanpassingen een vorm van discriminatie is. Redelijke aanpassingen zijn ook noodzakelijk wanneer zij slechts een klein aantal personen met een handicap betreffen. Redelijke aanpassingen zijn dus geen voordelen of gunsten, maar een recht voor personen met een handicap! Aanpassingen zijn in de eerste plaats een compensatie om de uitsluitende gevolgen van een ontoegankelijke omgeving te verminderen.

Concluderend is de NHRPH van mening dat er daadwerkelijk actie moet worden ondernomen, met name ten behoeve van personen met een handicap. Momenteel is het openbaar vervoer nog lang niet voor alle personen met een handicap toegankelijk. Het is van belang dat de betrokken organisaties, zoals openbaarvervoersmaatschappijen, over de middelen beschikken om het vervoer voor iedereen toegankelijk te maken, rekening houdend met alle soorten handicaps (lichamelijk, zintuiglijk en verstandelijk). Zij moeten ook de wil hebben om dat te doen. De toevoeging van dit voorstel zou in ieder geval de beweging van de klimaatneutrale en sociale transformatie van onze samenlevingen kunnen aanzwengelen.

Bovendien heeft het recht op mobiliteit niet alleen betrekking op het openbaar vervoer. Zo moeten bijvoorbeeld ook aangepaste taxidiensten worden versterkt en financieel toegankelijk worden gemaakt.

De NHRPH is zich er terdege van bewust dat de federale Staat niet de enige is die bij het mobiliteitsvraagstuk betrokken is. Gewesten en lokale overheden moeten ook hun deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen.

Tenslotte herinnert De NHRPH aan de zuiver economische dimensie van toegankelijkheid: een persoon met een handicap die zich verplaatst is ook een persoon met een handicap die consumeert!

De NHRPH dankt professor Isabelle Hachez voor haar bijdrage aan de totstandkoming van dit advies.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Özlem Özen, Voorzitter van de Kamercommissie Grondwet en Institutionele Vernieuwing.
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 14

Advies 2021/10 - Verlenging tijdelijke werkloosheid wegens overmacht

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, uitgebracht op 1 maart 2021 na raadpleging van de NHRPH-leden per e-mail van 26 februari 2021 wegens de vraag van de heer André Gubbels, directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN), om een dringende behandeling.

Advies op verzoek van de heer André Gubbels, directeur-generaal van DG HAN.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming heeft tot doel de negatieve effecten van de regeling van de tijdelijke economische werkloosheid ingevolge de gezondheidscrisis te voorkomen, en wijzigt de regels voor de berekening van de integratietegemoetkoming.

2. ANALYSE

Naar aanleiding van het advies 2020/09 van de NHRPH over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de crisis veroorzaakt door COVID-19, werd een voorstel ingediend om de regeling inzake de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (IVT/IT) aan te passen. De NHRPH had een herziening van de regels voor de berekening van de IVT/IT gevraagd om de negatieve effecten van de regeling van de tijdelijke economische werkloosheid te voorkomen.

Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de NHRPH wordt voorgelegd, herziet de regels voor de berekening van de IT. Het bepaalt dat de vrijstelling die van toepassing is op de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld wordt met de vrijstelling die van toepassing is op het arbeidsinkomen bij de berekening van de integratietegemoetkoming. De gelijkstelling geldt voor de periode van 1 maart 2020 tot 30 juni 2021.

Dit dossier werd in het verleden reeds ingediend bij de Ministerraad (punt 22 op 6 juni 2020 en punt 18 op 3 juli 2020). Het betrof toen de oorspronkelijke periode van gelijkstelling van 1 maart tot 30 juni 2020 en de eerste verlenging van deze periode tot en met 31 december 2020. Deze besluiten werden evenwel niet aan de Koning voorgelegd ter ondertekening. Beide besluiten zullen moeten worden vervangen door het huidige besluit, waarbij de gelijkstelling geldt tot en met 30 juni 2021. Op deze manier wordt rechtszekerheid voor de burger gecreëerd.

De NHRPH heeft op 4 mei 2020 een advies uitgebracht (advies 2020/11) over een ontwerp van koninklijk besluit dat voorziet in de gelijkstelling van de uitkering bij tijdelijke werkloosheid met het arbeidsinkomen, voor een periode die loopt van 1 maart 2020 tot 30 juni 2020. Vervolgens heeft de NHRPH op 18 januari 2021 een advies uitgebracht (advies 2021/03) over een ontwerp van koninklijk besluit waarbij deze maatregel tot en met 31 maart 2021 wordt verlengd.

Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de NHRPH wordt voorgelegd, luidt als volgt:

Artikel 1. In het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 september 2018, wordt een artikel 9quater ingevoegd, luidende:

"Art. 9quater. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt het vervangingsinkomen dat wordt ontvangen wegens tijdelijke werkloosheid wegens overmacht omwille van het Covid-19-virus in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2021, gelijkgesteld met het arbeidsinkomen bedoeld in artikel 9ter, § 3, en wordt het onder dezelfde voorwaarden vrijgesteld.”

Art. 2 Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021.

3. ADVIES

De NHRPH is verheugd dat het huidige ontwerp van koninklijk besluit een einde maakt aan de rechtsonzekerheid. De NHRPH is ook ingenomen met de verlenging van de maatregel. Gezien de evolutie van de crisis is de NHRPH van mening dat de situatie moet worden opgevolgd en dat in juli moet worden bekeken of de maatregel opnieuw moet worden verlengd, eventueel met terugwerkende kracht.

De NHRPH stelt vast dat de formulering is gewijzigd ten opzichte van het eerste ontwerp van koninklijk besluit dat aan de NHRPH werd voorgelegd. Het eerste ontwerp luidde immers als volgt:

Art. 9quater. § 1. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in § 3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit.
§ 2. De maatregel, bepaald in § 1 van dit artikel, is van toepassing op de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid, die toegekend worden voor de periode van 1 maart tot 30 juni 2020.

Ter herinnering: de NHRPH heeft in zijn advies 2020-11 gevraagd het ontwerp als volgt te formuleren:

§ 2. Voor de berekening van de inkomsten voor het jaar 2020 geldt de maatregel bepaald in § 1 van dit artikel van 1 maart tot en met 30 juni 2020.

Volgens de formulering van het ontwerp van koninklijk besluit zou de gelijkstelling, volgens de NHRPH, immers enkel gelden voor nieuwe aanvragen die tussen 1 maart en 30 juni 2020 werden ingediend.

Het huidige ontwerp luidt als volgt:

Art. 9quater. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt het vervangingsinkomen dat wordt ontvangen wegens tijdelijke werkloosheid wegens overmacht omwille van het Covid-19-virus in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2021, gelijkgesteld met het arbeidsinkomen bedoeld in artikel 9ter, § 3, en wordt het onder dezelfde voorwaarden vrijgesteld.

De NHRPH heeft nog enkele vragen bij deze verschillende formuleringen:

  • Zal de maatregel van toepassing zijn op de dossiers die op 1 maart 2020 in behandeling of in uitbetaling zijn? Of enkel op de eerste of nieuwe aanvragen? In het laatste geval vraagt de NHRPH de formulering te herzien, zodat met alle dossiers rekening wordt gehouden.
  • Kan de procedure tot ambtshalve herziening worden toegepast op dossiers die in behandeling of in uitbetaling zijn, of moeten de betrokkenen een nieuwe aanvraag indienen? Hoe zal de DG HAN de betrokkenen op de hoogte brengen indien een nieuwe aanvraag moet worden ingediend?
  • Hoe zal de DG HAN de betrokken dossiers identificeren indien de procedure tot ambtshalve herziening wordt toegepast?

De NHRPH zou graag zo spoedig mogelijk een antwoord op deze vragen krijgen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 9

Advies 2021/13 - Bord busstrook

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van een kaart of bord dat voertuigen voor het gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap toelaat om de busstrook op de rijweg te gebruiken, besproken tijdens de plenaire zitting van 15/03/2021 en goedgekeurd op de plenaire zitting van 19/04/2021.

Advies op vraag van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid, FOD Mobiliteit en Vervoer, in de mail van 22/01/2021.

1. ONDERWERP

In het kader van toekomstige aanpassingen van de Wegcode wordt een piste onderzocht waarbij voertuigen bij het georganiseerd vervoer van personen met een handicap op de voorbehouden busstrook van de rijbaan mogen rijden mits het duidelijk zichtbaar aanbrengen van een nog te creëren kaart.

2. ANALYSE

Het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid, FOD Mobiliteit en Vervoer, vraagt het advies van de NHRPH over het volgende ontwerp: het pictogram van een persoon in een rolstoel (zwart) tegen een gele achtergrond met zwart kader. Dit bord is in lijn is met vergelijkbare borden voor het gebruik van de busstrook.

Pictogram van een persoon in een rolstoel (zwart) tegen een gele achtergrond met zwart kader

Vanuit de handicapsector komt op dit pictogram de kritiek dat het pictogram onvoldoende inclusief zou zijn voor personen met een handicap die geen rolstoel gebruiken: mensen met een sensoriële handicap, mensen met een verstandelijke handicap, mensen met een fysieke handicap die geen gebruik maken van een rolstoel, ... En inderdaad, hoewel dit pictogram alle handicaps vertegenwoordigt, beïnvloedt het de beeldvorming van handicap bij het grote publiek. Een mogelijk alternatief is een bord met extra pictogrammen, zoals hieronder (ter illustratie). Hierop staan pictogrammen voor verstandelijke, fysieke, visuele en auditieve handicap.

Alternatieve pictogrammen voor verstandelijke, fysieke, visuele en auditieve handicap

alternatieve pictogrammen (voorbeeld, niet de juiste kleur): verstandelijke, fysieke, visuele en auditieve handicap

Voorlopig zijn die pictogrammen nog niet universeel gekend, wat de keuze voor meerdere pictogrammen minder geschikt maakt. Bovendien circuleren er alternatieven voor die pictogrammen. Ook wordt het bord met meerdere pictogrammen erg druk en zal het dan nog niet alle mogelijke handicaps afbeelden.

De keuze van het ontwerp voor kaart of bord is een onderdeel van het ruimere dossier van het gebruik van de busstrook door voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap.

Relevante bepalingen uit het Belgisch verkeersreglement

Artikels 72.5. en 72.6. van het Belgisch verkeersreglement (KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, “verkeersreglement”, Belgisch Staatsblad, 9 december 1975, versie in voege vanaf 1 oktober 2020), voorzien in de mogelijkheid voor de wegbeheerder om op de openbare weg afgebakende rijstroken te voorzien voor bepaalde voertuigen. Deze afgebakende rijstroken worden langs de weg aangeduid door volgende verkeersborden:

Bord 'busstrook'

‘busstrook’ (bord F17 - art. 72.5.)

 Bord 'bus- en tramstrook'

‘bus- en tramstrook’ (bord F18 - art. 72.6.)

Volgende voertuigen mogen volgens het huidige verkeersreglement (eventueel) gebruikmaken van deze afgebakende rijstroken: “voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, taxi’s en voertuigen voor schoolvervoer (…). Fietsers, bromfietsers, motorfietsers, voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en de voertuigen bestemd voor het woon-werkverkeer (…) behorend tot de categorieën M2 en M3, bedoeld in het technisch reglement van de auto's”. (Deze laatste categorieën zijn het type voertuigen waarmee - bijvoorbeeld - bedrijven werknemers aan huis laten ophalen voor gemeenschappelijk vervoer naar de werkplek.)

De bedoelde voertuigen mogen slechts van de afgebakende rijstroken gebruikmaken als dat ter plaatse is aangegeven door het overeenkomstige pictogram op een onderbord van het betrokken verkeersbord.

Voorbeeld: het signalisatiebord voor het woon-werkverkeer is 40 op 40 cm groot en bevat een zwart pictogram op een gele achtergrond. De voorstellen van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid stemmen hiermee overeen.

Bord 'woon-werkverkeer'

‘woon-werkverkeer’

Dit bord moet volgens het verkeersreglement verder ook “goed zichtbaar op het linkergedeelte vooraan en achteraan op het voertuig aangebracht zijn” en goed herkenbaar zijn.

Wetgevend werk

Via de pers vernam de NHRPH dat de Brusselse Minister bevoegd voor mobiliteit, mevrouw Elke Van den Brandt, de procedure voor de invoering van de kaart in 2020 heeft gelanceerd en dat het Kabinet van Minister Gilkinet de zaak nu onderzoekt. Dit dossier beperkt zich dus niet tot het federale niveau.

Op federaal niveau dienden mevrouw Laurence Zanchetta c.s. op 02/02/2021 een wetsvoorstel in tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, teneinde de aan het openbaar vervoer voorbehouden beddingen open te stellen voor het schoolvervoer van leerlingen met een beperking. Artikel 2 van dit wetsvoorstel luidt als volgt:

In artikel 72.6 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 2012, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden “, alsook aan voertuigen voor schoolvervoer als bedoeld in artikel 39bis, van personen met een beperking.”.

Controle

De verkeers- of wegpolitie zal de voertuigen controleren, niet de personen die ermee vervoerd worden. De verantwoordelijkheid voor het reglementair gebruik van de voertuigen op de afgebakende rijstroken ligt, net zoals dat bijvoorbeeld ook het geval is bij woon-werkverkeer, in de eerste plaats bij de vervoerder.

De NHRPH stelt zich meerdere vragen.

  • Is de impact van deze uitbreiding van het gebruik van de busstrook berekend?

    Er moet over worden gewaakt dat de strook niet verzadigd raakt en daardoor zijn functie verliest. Het verkeersreglement citeert al veel groepen die potentieel gebruik mogen maken van de strook.

  • Hoe wordt de kaart uitgereikt?

    De kaart zou door de gemeente worden uitgereikt. Wordt de kaart gelinkt aan iets of iemand (personen, instellingen en/of voertuigen/nummerplaten) of is die vrij te gebruiken? Zal de kaart vrij te verkrijgen komen of zijn er voorwaarden?

  • Zal er voldoende controle gebeuren?

    Zonder controle dreigt misbruik. Het kan bijvoorbeeld niet de bedoeling zijn dat het voertuig met de kaart op de busstrook rijdt wanneer het niet wordt gebruikt voor het gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap.

    De NHRPH verwijst in dit kader naar de problemen met de speciale parkeerkaart voor personen met een handicap. Lange tijd was er nauwelijks controle en dat zette de deur open voor misbruik.

    Met betrekking tot het signalisatiebord op de voertuigen voor het woon-werkverkeer vermeldt het verkeersreglement: “het moet verwijderd of afgedekt worden wanneer het voertuig niet gebruikt wordt voor woon-werkverkeer”. Dezelfde bepaling zal wellicht ook gelden voor (het signalisatiebord van) voertuigen die worden gebruikt voor het gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap. Controle is nodig.

4. ADVIES

Wat de maatregel betreft:

Hoewel de NHRPH op zich positief staat tegenover het idee dat voertuigen voor het gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap – waaronder gemeenschappelijk schoolvervoer van kinderen met een handicap - ook gebruik zullen kunnen maken van de busstrook, heeft de NHRPH toch ook grote twijfels en bedenkingen:

  • De NHRPH vreest dat deze maatregel ten gronde weinig verandert aan de situatie van personen met een handicap. Op langere termijn zullen ook de busstroken verzadigd raken, zeker tijdens de spitsuren. Een grondige analyse van de impact van het openstellen van de busstrook aan deze nieuwe groep van gebruikers is wenselijk.

  • Mogelijk vergroot deze maatregel de stigmatisering van personen met een handicap. Andere chauffeurs zouden kunnen denken dat de personen met een handicap ‘weer eens voordelen krijgen’, terwijl het natuurlijk gaat over compensaties voor een ontoegankelijke omgeving en maatschappij. Inclusieve maatregelen, zoals autonoom toegankelijk openbaar vervoer voor iedereen en vlot bereikbare scholen en instellingen, zijn doorgaans te verkiezen boven uitzonderingsregimes en specifieke maatregelen.

De NHRPH stelt zich nog vragen over de toepassing van de maatregel.

  • Wat valt er onder gemeenschappelijk vervoer voor personen met een handicap? Wat met familieleden of vrijwilligers die een of meer personen met een handicap vervoeren? Wat met een familielid dat een of meer kinderen met een handicap dagelijks naar school voert met de wagen? Moeten er meer dan 8 zitplaatsen zijn?
  • Moet het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer zijn? Of komt gelegenheidsvervoer ook in aanmerking?
  • Moet het vervoer aan een bepaald type van activiteit zijn gelinkt, zoals school, ontspanning, cultuur, toerisme, werk, …?
  • Is een minimumbezetting vereist?
  • Wat met vervoer dat zonder personen met een handicap onderweg is van of naar een afhaalpunt van personen met een handicap?
  • Ook de vraag naar de toegankelijkheid van de voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap kan worden gesteld. Zijn er minimumvereisten?
  • De signalisatie die aangeeft dat gemeenschappelijk vervoer voor personen met een handicap toegelaten is op de busstrook moet zeer duidelijk en ondubbelzinnig zijn en zo nodig worden herhaald. De signalisatie die het einde van het toepassingsgebied aangeeft moet ook zeer duidelijk en ondubbelzinnig zijn.

Dit dossier verbergt nog een aantal belangrijkere problematieken:

  • Het tekort aan geschikte scholen, zowel inclusieve als speciale scholen, voor kinderen met een handicap op aanvaardbare en bereikbare afstand van de woonplaats van het kind. Veel kinderen met een handicap zijn uren onderweg van en naar de school.
  • Het tekort aan diensten en instellingen voor personen met een handicap op aanvaardbare en bereikbare afstand van de woonplaats. Vooral voor mensen met een handicap die een deel van de dag/ week in een instelling verblijven is dat een groot probleem.
  • De gebrekkige toegankelijkheid van het openbaar vervoer die de autonomie van personen met een handicap in de weg staat.

Wat het ontwerp van de kaart betreft:

  • Indien de kaart er komt, moet het ontwerp moet aansluiten bij de bestaande borden voor het gebruik van de busstrook.

  • De wettelijke normen en toegankelijkheidsnormen (contrast, helderheid, …) moeten worden nageleefd.

  • De NHRPH geeft de voorkeur aan een pictogram dat duidelijk herkenbaar is voor:
    • de wegbeheerders die beslissen over de inrichting van de openbare weg;
    • de toezichthoudende instanties (verkeers- of wegpolitie) die de controle uitoefenen over het reglementaire gebruik van de openbare weg;
    • de weggebruikers.

Aangezien het pictogram met rolstoel universeel gekend is en de specifiekere pictogrammen (nog) niet, is het pictogram van de persoon in een rolstoel voorlopig waarschijnlijk de beste keuze. Een inclusiever logo is meer op zijn plaats, maar dat moet internationaal worden bepaald. België kan daar wel een voortrekkersrol bij spelen.

Overleg en advies

  • Overleg met de verschillende bevoegde instanties op de betrokken beleidsniveaus is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van de plannen.

  • De handicapsector moet actief in het overleg worden betrokken. De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Velen van hen zijn wegens hun handicap nog meer dan andere personen aangewezen op gemeenschappelijk vervoer. Universele toegankelijkheid is dus een must.

  • De NHRPH wenst opvolging en feedback m.b.t. het dossier en de aanbevelingen en verwachtingen geformuleerd in zijn advies.

  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

Communicatie

Als de voorgestelde regel wordt ingevoerd, moet er ruim en duidelijk over worden gecommuniceerd naar het publiek. Deze communicatie moet via de verschillende kanalen en in de verschillende formaten (visueel, auditief, gebarentaal, eenvoudig taalgebruik, …) gebeuren, zodat de informatie toegankelijk is voor iedereen, ongeacht de handicap.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid, FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan mevrouw Elke Van den Brandt (Groen), Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid
  • Ter info aan mevrouw Lydia Peeters, Vlaams Minister van Mobiliteit en Openbare Werken
  • Ter info aan de heer Philippe Henry, Waals Minister van mobiliteit
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

  • Raadplegingen: 12

Advies 2021/11 - Ministeriële besluiten houdende delegatie van bevoegdheden

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende drie ministeriële besluiten houdende delegatie van bevoegdheden, uitgebracht in plenaire zitting op 15/03/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Op 4 februari 2021 zijn drie ministeriële besluiten ondertekend waarbij bevoegdheden worden overgedragen aan de Directie-generaal Personen met een Handicap (DG HAN).

2. ANALYSE

  • Het ministerieel besluit van 4 februari 2021 houdende delegatie van de bevoegdheid over de toekenning van tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 15.02-2021, 2de ed.) bepaalt:
    De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of diens gemachtigde wordt ermee belast de beslissing te treffen over de aanvragen om tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

    Bij dit ministerieel besluit wordt het ministerieel besluit van 30 oktober 1987 ingetrokken dat bepaalde:
    "De directeuren, plaatsvervangend adviseurs en administratief secretarissen van de Dienst Tegemoetkomingen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg zijn ermede belast te beslissen over de aanvragen om tegemoetkomingen aan gehandicapten.”

  • Het ministerieel besluit houdende delegatie van bevoegdheden voor verblijfsvergunningen voor meer dan 90 dagen in het buitenland met betrekking tot tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 16/02/2021) bepaalt:
    “De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid wordt ermee belast de aanvragen betreffende verblijf in het buitenland van meer dan 90 dagen van de begunstigden van een tegemoetkoming voor personen met een handicap te behandelen.”

    Ter herinnering, artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bepaalt:

    Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, in België te hebben, de gerechtigde die er zijn hoofdverblijfplaats heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft.

    Met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België wordt gelijkgesteld:
    1. het verblijf in het buitenland gedurende maximaal 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;
    2. het verblijf in het buitenland ten gevolge van de opname ter verpleging in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgenverstrekking;
    3. het verblijf in het buitenland om beroepsredenen;
    4. het verblijf bij een bloed- of aanverwant die verplicht is, of wiens echtgenoot of de persoon met wie de bloed- of aanverwant wettelijk samenwoont, verplicht is, tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat;
    5. het verblijf in het buitenland gedurende meer dan 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat de Minister hiertoe zijn toelating heeft verleend.

De persoon met een handicap die het Koninkrijk verlaat, is verplicht de Minister daarvan ten minste één maand voor zijn vertrek in te lichten, met vermelding van de vermoedelijke duur van het verblijf in het buitenland en, in de gevallen bedoeld in 2° tot en met 5°, de redenen daarvan.

  • Het ministerieel besluit van 4 februari 2021 houdende delegatie van de bevoegdheid om te beslissen over de terugvordering van onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 01.03-2021, 2e) bepaalt:
    "De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid wordt ermee belast de aanvragen om verzaking aan de terugvordering van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap te behandelen.”

    Ter herinnering, het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt als volgt:

    "De Minister kan, in behartenswaardige gevallen en na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de personen met een handicap, voor het geheel of voor een gedeelte afzien van de terugvordering van de tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald werden, ingeval de schuldenaar geen enkele fout of nalatigheid treft.
    De Minister gaat niet over tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag lager is dan 335,00 EUR op voorwaarde dat de schuldenaar geen bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen heeft begaan en dat er geen vervallen en nog niet uitbetaalde achterstallen van tegemoetkomingen voorhanden zijn. In dat laatste geval wordt schuldvergelijking toegepast. (…)”

3. ADVIES

Over de vorm:

In de eerste plaats is de NHRPH totaal verbijsterd door de gang van zaken en betreurt ten zeerste niet te zijn geraadpleegd over deze ministeriële besluiten. De NHRPH herinnert eraan dat artikel 20 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten bepaalt dat:
“Ter beoefening van de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden, wint de Koning het advies in van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.”

Wat voor de Koning geldt, geldt a fortiori voor de Minister. De Minister belast met personen met een handicap had de NHRPH om advies moeten vragen alvorens haar bevoegdheden te delegeren.

Het NHRPH herinnert er ook aan dat artikel 4, lid 3, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt dat:
“1. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.”

De NHRPH is van mening dat de verschillende besluiten bijgevolg ongeldig zijn en dat de genomen administratieve beslissingen, althans sommige ervan, nietig dreigen te worden verklaard wegens vormgebreken.

Over de inhoud:

  • De inhoud van het eerste ministerieel besluit levert voor de NHRPH geen enkel probleem op.

  • Wat het tweede besluit betreft, herinnert de NHRPH eraan dat de heer Kris Peeters, toenmalig Minister van Werk, belast met Personen met een handicap, de NHRPH in 2019 om advies had gevraagd over een project om de administratie toe te staan zelf beslissingen te nemen over de toelating van een verblijf in het buitenland van meer dan 90 dagen, al dan niet aaneengesloten, per kalenderjaar, op voorwaarde dat uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen (zie advies 2019-05). De Minister stelde een korte lijst van gevallen van overmacht voor waarin de administratie mag beslissen. Deze lijst zag er als volgt uit:

    • In geval van overmacht (bijvoorbeeld: een aardbeving onderbreekt het luchtverkeer, waardoor de duur van de toegestane 90 dagen wordt verlengd);
    • Om medische redenen, wanneer de arts van de DG Personen met een handicap bevestigt dat het verblijf in het buitenland noodzakelijk of gunstig is voor de gezondheid van de persoon (er is bijvoorbeeld een verband tussen het klimaat en de aandoening);
    • Voor de assistentie van een patiënt, bloed- of aanverwante tot de 2e graad, op voorwaarde dat een medisch attest van de ziekte door de behandelende arts wordt verstrekt (bijvoorbeeld een moeder die in Marokko verblijft voor palliatieve zorg);
    • Om familiale of sociale redenen, indien wordt aangetoond dat de afwezigheid van de betrokkene ernstige familiale of sociale gevolgen zou kunnen hebben.

De NHRPH herinnert aan enkele elementen van zijn advies:

De NHRPH is van mening dat in de tekst moet worden verduidelijkt dat voor de assistentie van een zieke, bloed- of aanverwante tot de 2e graad (3e punt), de toestemming in de tijd moet beperkt zijn en dat het moet gaan om een ernstige ziekte die de ondersteuning van de persoon vereist, waarbij het duidelijk is dat de langdurige ondersteuning nooit een reden voor rechtvaardiging zal zijn. De NHRPH is van mening dat de maximale duur nooit meer dan 6 maanden mag bedragen en niet verlengbaar mag zijn voor eenzelfde bloed- of aanverwante.

De NHRPH wenst aan de lijst het geval toe te voegen van de persoon die tegemoetkomingen ontvangt en die in het buitenland wil studeren. De toelating moet dan beperkt zijn tot de duur van de studie.

De NHRPH vraagt zich af welke juridische vorm deze interpretatie van het begrip "uitzonderlijke omstandigheden" zal aannemen. Ze zal ten minste aan bod moeten komen in een omzendbrief die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Daarnaast plaatst de NHRPH vraagtekens bij het principe zelf van de delegatie van de bevoegdheid van de Minister aan de administratie. Zijn er genoeg gevallen om dit te rechtvaardigen? De NHRPH is van mening dat het noodzakelijk is om een of andere vorm van opvolging van deze verblijfsvergunningen in het buitenland door een andere instantie dan de administratie te behouden.

In dit verband zou kunnen worden overwogen het onderzoek van de aanvragen om vrijstelling toe te vertrouwen aan de Commissie Sociale Zaken (die thans de aanvragen voor verzaking voor onverschuldigde uitbetalingen onderzoekt). Het zou uiteraard noodzakelijk zijn om een koninklijk besluit op te stellen waarbij de bevoegdheden van de Commissie worden uitgebreid. De NHRPH ziet dit als een garantie voor de continuïteit en de eenvormigheid van de beslissingen, die verder reikt dan de opeenvolgende ministers.

 De NHRPH vraagt dan ook dat een nieuw ministerieel besluit in die zin wordt opgesteld en dat het voor advies aan hem wordt voorgelegd.

  • Het derde ministeriële besluit bepaalt dat de Directeur-generaal voortaan verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om te verzaken aan de terugvordering van onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Voorheen was het de Minister die hiermee belast was. De Directeur-generaal (of zijn afgevaardigde) is ook bevoegd om te beslissen over aanvragen voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Dezelfde persoon neemt dus beide soorten beslissingen. De Directeur-generaal is zowel rechter als partij en het risico van belangenconflicten is dus reëel.

    In vele sectoren beslist een andere instantie over verzoeken om verzaken aan de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Zo is op het gebied van de invaliditeitsuitkeringen het beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen bevoegd om te beslissen over de aanvragen tot kwijtschelding (zie de verordening van 17 maart 1999 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde). In pensioenzaken is de Raad voor uitbetaling van de voordelen bevoegd (zie artikel 62 en volgende van de wet van 18 maart 2016 betreffende de federale pensioendienst).

    De NHRPH verzoekt derhalve ook dit ministerieel besluit te herzien. Hij stelt voor dat de Commissie voor sociaal hulpbetoon beslist of de onverschuldigde betaling moet worden teruggevorderd, of dat het advies van deze commissie bindend is.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap
  • Ter informatie de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 13

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.