Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2020/11

Advies nr. 2020/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toevoeging van een artikel 9quater aan het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, wegens uitzonderlijke hoogdringendheid (besluit bijzondere machten) uitgebracht op 04/05/2020 door het Bureau van de NHRPH.

Advies op verzoek van mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking (verzoek van 30/04/2020).

1. ONDERWERP

Gelijkstelling van de uitkering bij economische werkloosheid met het arbeidsinkomen voor de berekening van de vrijstelling bij personen met een handicap.

2. ANALYSE

Wat de werkwijze betreft:

Artikel 20 van de wet van 27 februari 1987 bepaalt dat de Koning het advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap inwint.

Artikel 6 van het huishoudelijk reglement van de NHRPH bepaalt dat de Raad pas geldig beslist op voorwaarde dat de helft van de leden aanwezig is.

Wanneer het vereiste aantal niet bereikt wordt, en in geval van een dringende adviesaanvraag, bereidt het Bureau een voorstel van advies voor en vraagt het aan de leden van de raad een reactie binnen een termijn van tien dagen na het opsturen van het voorstel. In dit geval beslist het Bureau, ook als het vereiste aantal niet bereikt wordt.

De Minister heeft het advies van de NHRPH gevraagd over een ontwerp tot wijziging van het KB van 6 juli 1987, dat in het Nederlands opgesteld is. Dit advies werd net voor het weekend van 1 mei per mail gevraagd, meer bepaald donderdag 30 april in de vroege avond. Het advies moest klaar zijn voor de vergadering van het Bureau van 4 mei om 10 uur. Het advies van de leden van de NHRPH kon dus niet worden gevraagd.

Wat de inhoud betreft:

Het ontwerp voegt een artikel 9quater toe aan het KB van 6 juli 1987, luidende:

Artikel 1. In het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt een artikel 9quater ingevoegd, luidende:

“Art. 9quater § 1. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in § 3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit.

§ 2. De maatregel bepaald in § 1 van dit artikel geldt van 1 maart tot en met 30 juni 2020.

§ 3. In afwijking van § 2 van dit artikel kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen dat de geldigheidstermijn van dit artikel wordt verlengd.”

Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3. De minister bevoegd voor Personen met een handicap is belast met de uitvoering van dit besluit.

3. ADVIES

Wat de werkwijze betreft:

De door de Minister gevraagde hoogdringendheid valt niet onder de huidige bepalingen tot regeling van de werking van de NHRPH (huishoudelijk reglement).

Gezien de huidige sociale en economische situatie is het begrijpelijk dat het advies van de NHRPH met hoogdringendheid wordt gevraagd: de regering moet dringende en dwingende maatregelen nemen om te proberen de gevolgen van de crisis voor de bevolking te beperken.

Voor de NHRPH is de bescherming van de reeds precaire financiële situatie van personen met een handicap een topprioriteit.

In de hierboven beschreven zeer specifieke en uitzonderlijke context kon het Bureau onmogelijk de overwegingen van de leden van de NHRPH verzamelen en formuleert het Bureau dus zelf dit advies.

Wat de inhoud betreft:

De NHRPH begrijpt dat de Minister de negatieve gevolgen van de vermindering of stopzetting van de activiteiten van de werkgever wegens de COVID-19-gezondheidscrisis voor de werknemer wil beperken. Voor de berekening van de tegemoetkomingen wenst de Minister de vrijstelling voor het arbeidsinkomen toe te passen op de uitkeringen voor economische werkloosheid. Deze maatregel zou gelden voor de aanvragen die tussen 1 maart en 30 juni 2020 worden ingediend, maar ook voor de reeds actieve dossiers waarvoor een tegemoetkoming wordt uitbetaald.

De NHRPH staat hier volledig achter, maar vindt dat de formulering van artikel 9quater, § 2 (De maatregel bepaald in § 1 van dit artikel geldt van 1 maart tot en met 30 juni 2020.) voor interpretatie vatbaar is en de bekommernis van de Minister niet goed weergeeft (volgens de formulering zou de gelijkstelling enkel gelden voor de nieuwe aanvragen die tussen 1 maart en 30 juni 2020 worden ingediend). Bijgevolg stelt de NHRPH de volgende formulering voor: Voor de berekening van de inkomsten voor het jaar 2020 geldt de maatregel bepaald in § 1 van dit artikel van 1 maart tot en met 30 juni 2020.

De NHRPH vindt 30 juni niet realistisch. Er werd weliswaar beslist het werk met onmiddellijke ingang te onderbreken; toch is het onwaarschijnlijk dat personen met een handicap ‘van de ene dag op de andere’ weer aan de slag kunnen: het werk zal na 30 juni waarschijnlijk geleidelijk aan hervat worden en voor sommigen zal dit zelfs niet mogelijk zijn (orderportefeuilles, kader van onderaanneming enz.). De NHRPH vindt het realistischer 31 december 2020 als datum vast te leggen, zodat de tekst over een paar weken niet opnieuw moet worden aangepast.

Ook wil de NHRPH dat in deze bewogen tijden de verplichting voor personen met een handicap om deze inkomenswijziging te melden wegvalt. De DG Personen met een handicap wordt hierover sowieso op de hoogte gebracht via de uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties.

Tot slot stelt de NHRPH vast dat bepaalde te vervullen formaliteiten ontbreken in de aanhef van het ontwerp van koninklijk besluit, met name het inwinnen van het advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en de impactanalyse van de reglementering, overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging.

De NHRPH vraagt zich ook af of het advies van de Raad van State moet worden ingewonnen en zo niet (gezien de hoogdringendheid) of dit in de aanhef van het ontwerp van besluit moet worden vermeld.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès; Eerste Minister;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan Unia.