Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2020/23


Advies nr. 2020/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) houdende de inperking van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van de arbeid’.

Advies uitgebracht op 05/11/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 31/10/2020 wegens de gevraagde dringende behandeling.

Advies op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking (per mail van 27/10/2020). Het ontwerp werd op 30/10/2020 ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd.


1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit in kwestie beoogt het inperken van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van de arbeid’.


2. ANALYSE

Over de vorm

In een mail van 27 oktober 2020 heeft de DG Personen met een handicap (DG HAN) een verzoek om een dringend advies van de Minister belast met Personen met een beperking doorgezonden. Het advies werd voor 29 oktober gevraagd (goedkeuring door de Ministerraad op 30 oktober). In een mail van 27 oktober heeft de voorzitster van de NHRPH erop gewezen dat het voor de NHRPH-leden absoluut onmogelijk is in minder dan 48 uur een advies te verstrekken over een materie waar voor personen met een handicap enorm veel op het spel staat.

Over de inhoud

Dit ontwerp van koninklijk besluit (KB) beoogt het inperken van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van het werk’. Het treedt op 1 januari 2021 in werking.

Het ontwerp van KB betreft drie wijzigingen die betrekking hebben op de berekening van de integratietegemoetkoming (IT). Deze wijzigingen worden aangebracht in het tweede, derde en vierde lid van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming:

  1. Het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt, is volledig vrijgesteld (‘prijs van de liefde’).
  2. Van het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap wordt € 60.949,45 bruto op jaarbasis vrijgesteld. Het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap boven de € 60.949,45 bruto wordt in mindering gebracht (‘prijs van de arbeid’).
    De arbeidsinkomensgrens voor een persoon met een handicap komt overeen met het dubbele van het gemiddelde brutojaarloon in 2018 van een voltijds bediende in de privésector. Het gemiddelde brutomaandloon bedraagt € 3.627 per maand (bron: Statbel). Het dubbele op jaarbasis bedraagt € 87.048. Het huidige niet-geïndexeerde bedrag beloopt € 60.949,45.
  3. De vrijstelling voor het vervangingsinkomen wordt ook aangepast. Het plafond van de vrijstelling wordt vastgesteld op € 2.548,13.

Het doel van deze drie amendementen is personen met een handicap in staat te stellen integraal deel te nemen aan de samenleving. (Extra) werk moet financieel altijd aantrekkelijk zijn voor de betrokkene en zijn gezin.

Voor de nieuwe aanvragen die worden ingediend gedurende de drie maanden die volgen op de inwerkingtredingsdatum van het KB, kan het recht met terugwerkende kracht worden toegekend vanaf 1 januari 2021.

Het KB is van toepassing:

  1. op alle aanvragen die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, alsook op alle personen van wie het recht op de integratietegemoetkoming vanaf 1 januari 2021 ambtshalve wordt herzien;
  2. op alle personen voor wie nog geen administratieve beslissing voor hun recht op integratietegemoetkoming werd genomen op 1 januari 2021.


3. ADVIES

Over de vorm: het dringend verzoek om advies (advies gevraagd binnen 48 uur)

De NHRPH herinnert eraan dat elke hervorming van de wet van 27 februari 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan voor advies aan de NHRPH moet worden voorgelegd. Het onderzoeken van een adviesaanvraag vergt noodzakelijkerwijs een minimumduur die niet oneindig kan worden ingekort zonder het raadplegingsproces zinloos te maken. Opdat het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk daarbij zou worden betrokken, is het van essentieel belang dat het over de juiste en noodzakelijke tijd beschikt om zijn advies uit te brengen, de tijd voor:

  1. de behandeling van de aanvraag: het secretariaat stelt het ontwerp van advies op en informeert de leden van de plenaire vergadering grondig;
  2. de vragen en reflecties die de voorgestelde wijzigingen met zich brengen: deze uitwisseling vereist een contact tussen de leden – de maandelijkse plenaire vergaderingen zijn de geschikte plaats bij uitstek voor deze uitwisselingen. Een advies moet de aanleiding blijven voor een debat in de plenaire vergadering en voor een gedachtewisseling met de Minister die de hervorming voorstaat. De NHRPH maakt er altijd een erezaak van de aandachtspunten op het terrein in het debat op te nemen. Dit is de bestaansreden zelf van de NHRPH.
  3. de definitieve opmaak: de gedachtewisselingen moeten in het oorspronkelijke ontwerpadvies worden opgenomen. Ter herinnering: de NHRPH is een federaal orgaan en zijn adviezen moeten op zijn minst in het Nederlands en in het Frans worden opgesteld; idealiter zouden ze ook in het Duits moeten worden opgemaakt.

Dit proces, dat bedoeld is om opbouwend en participatief te zijn, vereist daarom altijd enkele dagen of zelfs weken.

Het KB tot oprichting van de NHRPH bepaalt dat de adviezen binnen de drie maanden na de aanvraag moeten worden uitgebracht. De NHRPH heeft zijn adviezen steeds binnen deze termijn verstrekt.

Sinds enkele jaren stelt de NHRPH vast dat duidelijk meer dringende adviezen worden gevraagd. Om aan deze dringende verzoeken tegemoet te komen, heeft de NHRPH een overlegprocedure per e-mail tussen het secretariaat en de twintig leden ingesteld. Deze procedure zorgt voor enorme frustratie omdat ze de interactie bemoeilijkt. De NHRPH voelt zich ook soms misbruikt: het advies werd gevraagd, maar de politieke reflectie is afgesloten, er is een akkoord over het dossier tijdens een voorafgaande interkabinettenvergadering en de ministers zullen de beslissingen van de kabinetsdirecteurs meestal goedkeuren. Het advies van de NHRPH zal het debat niet heropenen. Zoveel gemiste kansen voor een echte integratie van de behoeften en verwachtingen van personen en gezinnen in de politieke besluitvorming!

De NHRPH begrijpt zeer goed het principe van de scheiding der machten: de beslissingsmacht ligt bij de politiek. Het is haar taak om een beslissing te nemen. Maar vanaf het moment dat de minister het formalisme van de raadpleging moet onderschrijven, moet hij ook ervoor zorgen dat een kader wordt nageleefd dat deze raadpleging effectief mogelijk maakt! De NHRPH vragen een advies – dat overigens WETTELIJK VERPLICHT is – in enkele uren of dagen te verstrekken, getuigt werkelijk van weinig respect voor zijn rol. Het besluit in kwestie is overigens een uitvoering van de begrotingswet die het Parlement een maand geleden werd voorgelegd.

Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat België het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) op 2 juli 2009 heeft bekrachtigd: de aandachtspunten die de NHRPH hierboven aansnijdt, sluiten rechtstreeks aan bij de verbintenissen die België op het internationale toneel is aangegaan.

België heeft op 12 juni 2019, ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de bekrachtiging van het UNCRPD via zijn ambassadeur het woord gevoerd op de Tribune van de Verenigde Naties: het is ook belangrijk te wijzen op de noodzaak van een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld om de uitvoering van het Verdrag te waarborgen. De betrokkenheid van personen met een handicap en van hun representatieve organisaties bij de uitwerking van het beleid dat hen betreft, kan nog worden geconsolideerd, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

Ter herinnering, artikel 4.3 van het UNCRPD bepaalt het volgende:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

en de considerans o):

Overwegend dat personen met een handicap in de gelegenheid moeten worden gesteld actief betrokken te zijn bij de besluitvormingsprocessen over beleid en programma’s, met inbegrip van degenen die hen direct betreffen,

Deze twee bepalingen zijn duidelijk: de deelname van de adviesorganen aan de besluitvorming moet actief en gestructureerd zijn gedurende het hele proces, ook in de eerste reflectiefase.

Over de inhoud

De NHRPH neemt nota van het verdwijnen van de prijs van de liefde en van het uitbreiden van de prijs van de arbeid. Dit lijkt aantrekkelijk, maar de modaliteiten roepen een aantal inhoudelijke vragen op.

Een kleine herinnering

In theorie moet de IT de extra kosten dekken waarmee iemand door zijn verlies aan zelfredzaamheid te maken krijgt als gevolg van een grotendeels ontoegankelijke omgeving die zo meerkosten met zich meebrengt:

  • Het openbaar vervoer is niet toegankelijk genoeg. Heel wat personen met een handicap moeten zich per taxi verplaatsen.
  • De collectieve zorg- en begeleidingsvoorzieningen zijn onvoldoende aangepast aan de behoeften van personen met een handicap. De respijt- en thuisbegeleidingsvoorzieningen zijn specifieke, en duurdere voorzieningen.
  • ICT biedt geen formaten en software die zijn aangepast aan alle doelgroepen. Een smartphone of pc ‘op maat’ is altijd duurder dan een informaticatool voor het ‘grote publiek’.

In de praktijk volstaan de tegemoetkomingen voor personen met een handicap hooguit om te voorzien in hun basisbehoeften (Handilab-studie 2012).

Wat het principe betreft, is het niet logisch dat personen met een handicap hun IT verliezen wanneer zij werken of een huishouden vormen met iemand die een inkomen heeft. Zolang de omgeving ontoegankelijk is, verdwijnen de kosten wegens verlies van zelfredzaamheid immers niet. Het is overigens ook niet logisch dat de OCMW's rekening houden met de IT bij de evaluatie van de maatschappelijke hulp die aan personen met een handicap wordt toegekend.

1. Prijs van de liefde

  1. Alle inkomens van de partner worden vrijgesteld, ongeacht de aard of de omvang ervan. De NHRPH had een plafond per IT-categorie op prijs gesteld, waarboven het inkomen in mindering van de IT zou worden gebracht. De NHRPH herinnert eraan dat het stelsel van de tegemoetkomingen residuair is en dat alle uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op een menswaardige minimale levensstandaard. De NHRPH vraagt zich ook af of het inkomen van de partner steevast geneutraliseerd moet worden, ongeacht de aard ervan.
  2. Het afschaffen van de prijs van de liefde is een belangrijk signaal voor personen met een handicap die als koppel samenwonen. Tegelijk vertegenwoordigen zij 40 % van de personen met een handicap die een tegemoetkoming ontvangen; de resterende 60 % woont dus alleen of samen met familieleden (bloed- en aanverwanten). Voor hen werd niets extra’s voorzien, afgezien van een verhoging van het bedrag van de IVT (advies 2020-22)! Tenzij ze werk hebben, wat voor de meeste personen met een handicap niet het geval is (cf. prijs van de arbeid).

2. Prijs van de arbeid

  1. Afhankelijk van het feit dat de persoon werkt of niet, is de vrijstelling totaal verschillend.
  2. De NHRPH staat volledig achter de ondersteuning van het werk van personen met een handicap: vrijstelling voor het arbeidsinkomen is een krachtige stimulans.
    Tegelijk keurt de NHRPH het belachelijk lage bedrag van de symbolische bijkomende vrijstelling (iets meer dan € 120 extra per maand) af voor wie heeft gewerkt, maar een sociale uitkering (ziekenfonds, werkloosheid) ontvangt op het ogenblik waarop zijn of haar recht wordt berekend. Uitkeringsgerechtigden die niet meer werken, worden echt dubbel benadeeld: ze verliezen hun arbeidsinkomen terwijl hun gezondheidskosten vaak stijgen wanneer ze weer ziek worden. Wie een relatief goede gezondheid heeft en kan blijven werken, krijgt een volledige IT, terwijl wie om gezondheidsredenen niet meer kan werken, ook nog eens een (aanzienlijk) deel van zijn IT verliest.
    Heel concreet zal wie een
    • minimale invaliditeitsuitkering ontvangt, respectievelijk € 913, € 618 of € 3.312 van zijn of haar IT verliezen (dit geeft geen recht op een IT1), afhankelijk of hij of zij alleenstaand is, samenwoont met familieleden (bloed- en aanverwanten), of personen ten laste heeft;
    • maximale invaliditeitsuitkering ontvangt, respectievelijk € 5.965 (mogelijk vanaf een IT3), € 8.992 (mogelijk vanaf een IT4) en € 9.315 (mogelijk vanaf een IT4) verliezen.
  3. De NHRPH pleit voor een vrijstelling die evolueert volgens het bedrag van de IVT, omdat de gevolgen op het vervangingsinkomen dan gunstiger zijn voor wie niet kan werken: de vrijstelling zou dan respectievelijk € 2.558 (samenwonend met familieleden (bloed- en aanverwanten)), € 3.838 (alleenstaand) en € 5.187 (persoon ten laste) bedragen.
    De NHRPH herinnert eraan dat het recht op de IT een recht voor alle uitkeringsgerechtigden zou moeten zijn, zeker voor de uitkeringsgerechtigden met de laagste bestaansmiddelen (ongeacht de aard ervan).
  4. Er dient ook op gewezen dat bij pensionering de erkenning voor IT volledig wegvalt voor wie een (beperkte) IT zou behouden (prijs van de arbeid), want de inkomsten uit arbeid worden vervangen door niet-professionele inkomsten. De NHRPH vraagt ook deze valkuil zo snel mogelijk weg te werken.
  5. De toegang tot de gewone arbeidsmarkt is zeer exclusief voor personen met een handicap, en slechts 23 % van hen heeft werk (tegenover 63 % van de zogenaamde valide bevolking) (https://statbel.fgov.be/nl/nieuws/23-van-personen-met-een-handicap-heeft-werk).
    Heel wat personen met een handicap kunnen niet werken wegens ongunstige omgevingsfactoren (vooroordelen, onzekere contracten, weinig kwalificerende opleidingen, …); anderen hebben al meermaals geprobeerd te werken, maar moesten hiervan afzien door een zwakke gezondheid of herval. Al deze personen krijgen een inkomensvervangende tegemoetkoming, niet uit vrije keuze maar uit noodzaak. Wie een werkloosheids- of ziekenfondsuitkering krijgt, is in eerste instantie iemand die wou werken. Hij of zij heeft er niet voor gekozen zijn of haar overeenkomst te beëindigen: dat gebeurde wegens de (economische) omgeving of de gezondheidstoestand.

De NHRPH vestigt de aandacht erop dat personen met een handicap ook tegelijk slachtoffer kunnen zijn van de ‘prijs van de arbeid’ en de ‘prijs van de liefde’. Het is het onderzoeken waard of ook daar een plafond moet voor worden bepaald.

Tot slot heeft de NHRPH een vraag over de financiering van beide maatregelen. De tegemoetkomingen van de reeds erkende personen zullen worden verhoogd, maar er zullen ook nieuwe rechthebbenden zijn, rechthebbenden die voordien werden geweigerd (wegens de inkomensplafonds) of die nog geen tegemoetkoming hadden aangevraagd. Is er een inschatting van het aantal personen dat in aanmerking kan komen? De NHRPH vraagt dus formeel een grondige controle van de cijfers en budgettaire uitdagingen, alsook van de haalbaarheid van de maatregelen.

De NHRPH wil ook weten hoe de bekendmaking rond deze twee hervormingen zal worden georganiseerd.

De NHRPH merkt immers op dat personen met een handicap er belang bij hebben hun aanvraag zo snel mogelijk in te dienen, omdat er vanaf 1 januari 2021 een terugwerkende kracht geldt voor de nieuwe aanvragen die worden ingediend gedurende de drie maanden die volgen op de inwerkingtredingsdatum van het KB. Betekent dit in de praktijk dat wie twintig jaar getrouwd is en zijn aanvraag op 15 juni 2021 indient, vanaf 1 juli een tegemoetkoming krijgt, terwijl eenzelfde aanvraag die op 15 februari 2021 wordt ingediend, vanaf 1 januari 2021 met terugwerkende kracht geldt? Is deze bepaling niet discriminerend?

Samengevat

De NHRPH is niet gekant tegen de maatregelen als zodanig: het werk van personen met een handicap ondersteunen en hen tot vrije relationele levenskeuze in staat stellen zijn uiteraard signalen van erkenning die in de goede richting gaan. Tegelijk leiden de twee huidige hervormingen ‘prijs van de arbeid’ en ‘prijs van de liefde’, die afzonderlijk werden aangenomen, tot nieuwe, grote spanningen tussen de categorieën van uitkeringsgerechtigden. Het is nooit wenselijk groepen tegenover elkaar te stellen. Zeker niet in deze moeilijke periode die de sociale en gezondheidscrisis betekent voor de meeste personen met een handicap.

Personen met een handicap en hun gezinnen wachten al jarenlang op een meer omvattende hervorming, die ook geldt voor personen met een handicap en samenwonenden (de grote meerderheid van de uitkeringsgerechtigden) en personen met een handicap die niet kunnen werken. Ook moeten de berekeningswijze voor de tegemoetkomingen (momenteel jaar -2/-1), de gezinscategorieën (die niet meer overeenkomen met de huidige samenlevingsvormen), de levenssituatie van wie in collectieve woonvoorzieningen verblijft, de redenen voor herziening, ... worden herzien.

Personen met een handicap willen, net als elke burger, kiezen waar ze willen wonen en maximale financiële onafhankelijkheid verwerven. De wet van 27 februari 1987 laat deze keuzes niet toe. Personen met een handicap die in het stelsel van de tegemoetkomingen terechtkomen, zien hun streven naar materiële welstand en zelfstandigheid afgegrendeld. Deze wettekst is volledig in tegenspraak met de UNCRPD-tekst die België in 2009 heeft bekrachtigd.

De NHRPH herinnert eraan dat er een globale tekst bestaat: die werd opgesteld op basis van de behoeften van personen met een handicap en werd door de verenigingen onderschreven. De NHRPH hoopt van harte dat de huidige Minister belast met Personen met een beperking de hervorming van de wet van 27 februari 1987 tot de top van haar sociale prioriteiten zal verheffen (advies 2014-04).

De NHRPH wenst het standpunt van de Minister belast met Personen met een beperking te kennen over deze specifieke vraag: "Is de Minister van plan de wet van 27 februari 1987 grondig te hervormen?"

============

Opmerking over de procedure: het secretariaat van de NHRPH verneemt bij de afronding van dit advies (5 november 2020) dat het ontwerpbesluit uiteindelijk niet aan de Ministerraad werd voorgelegd op 30 oktober 2020. Het secretariaat heeft geen verdere informatie.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme