Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2020/20

Advies nr. 2020/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op prenatale rechtsbescherming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Op 13 februari 2020 is bij de Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van prenatale rechtsbescherming (DOC 55 1029/001).

2. ANALYSE

Volgens de auteurs van het wetsvoorstel kan de ontwikkeling van het ongeboren kind ernstig in gevaar worden gebracht als de moeder bijvoorbeeld aan een zware alcohol- en/of drugsverslaving lijdt. Om ernstige schade na de geboorte te vermijden, zouden er al proactief beschermingsmaatregelen moeten kunnen genomen worden tijdens de zwangerschap. Daarom is er nood aan een wettelijke basis in het Burgerlijk Wetboek die voorziet in prenatale rechtsbescherming.

Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel hebben ouders het recht om hun kinderen naar eigen inzicht op te voeden en te verzorgen, maar daartegenover staat de verantwoordelijkheid van de ouders om hun kind de zorg te bieden die het nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. De auteurs van het voorstel stellen dat niet alle ouders in staat zijn om hun kinderen de zorgen te geven die nodig zijn voor hun ontwikkeling. Ze stellen vast dat een klein aantal van de zwangere vrouwen er niet in slaagt het kind dat zij verwachten voldoende te beschermen tegen schade in de ontwikkeling. Het ongeboren kind kan bijvoorbeeld ernstige schade oplopen door de alcohol- en/of drugsverslaving van de moeder.

Een andere problematiek betreft het intrafamiliaal geweld. Indien geweten is dat eerder geboren kinderen in het gezin reeds het slachtoffer werden van fysieke en/of psychische mishandeling, verwaarlozing, of seksueel misbruik, moet er dan ten aanzien van het toekomstig kind al niet op geanticipeerd worden door de hulpverlening?

In Nederland bevat het Burgerlijk Wetboek een algemeen geldende regel die het ongeboren kind rechtsbescherming biedt wanneer dit in zijn of haar belang is en op voorwaarde dat het levend wordt geboren. In België kennen we die algemene regel niet.

Wel geldt in het Belgisch recht ook het Romeinse adagium dat een kind vanaf de verwekking als reeds geboren wordt beschouwd telkens als dat in zijn of haar belang is. Het gaat om een juridische fictie: het verwekte kind is géén rechtssubject maar wordt enkel als zodanig beschouwd. Om beschermingsmaatregelen voor ongeboren kinderen mogelijk te maken, moet het adagium een juridische basis krijgen. De auteurs stellen voor om dezelfde algemene regel als in Nederland in het Burgerlijk Wetboek op te nemen, maar dan enigszins anders geformuleerd: “Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt vermoed reeds geboren te zijn, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Dit vermoeden geldt niet meer indien het dood ter wereld komt.”

Volgens de auteurs van het voorstel is de vrees dat deze regel zou leiden tot een beperking van het recht op zwangerschapsafbreking absoluut onterecht. Het gaat hier niet om bescherming van de foetus, maar van het toekomstige kind. Door proactief op te treden hopen de auteurs schade bij de ontwikkeling en dus ook bij het toekomstig kind te voorkomen.

De auteurs van het voorstel beroepen zich op de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, die onder meer de ernstige bedreiging van andermans leven of integriteit aanhaalt als mogelijke grond voor de vrederechter om gedwongen opname uit te spreken. In extreme gevallen kan het in het belang van het ongeboren kind noodzakelijk zijn de zwangere vrouw gedwongen op te nemen in een gesloten instelling. De rechtspraak zal de twee wetten zo moeten interpreteren en gecombineerd lezen dat dat de gedwongen opname ook kan opgelegd worden specifiek t.a.v. zwangere vrouwen die lijden aan een psychische stoornis, zoals een verslaving, en waardoor ze een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van hun toekomstig kind.

Overigens verwijzen de auteurs naar de bevoegdheid van de Gemeenschappen met betrekking tot uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen. In Vlaanderen bijvoorbeeld bepaalt het regeerakkoord: “De hulpverlening ontwikkelt bovendien een aanklampend zorgbeleid ten aanzien van zwangere vrouwen en moeders met een verslavingsproblematiek. Dit kan door te werken met een systeem van ondertoezichtstelling met gezinsvoogden die de (aanstaande) moeders begeleiden en proberen hun levensstijl positief te beïnvloeden. Bovendien wordt er ook in samenwerking met het federale niveau getracht om de gedwongen opname mogelijk te maken.” Indien de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling oordeelt dat het kind en de ouder(s) beter apart zouden wonen, moet de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen verlenen.

Artikel 2 van het wetsvoorstel voegt de volgende bepaling toe aan het Burgerlijk Wetboek: “Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt vermoed reeds geboren te zijn, zo dikwijls zijn belang dit vordert en onverminderd de wet van 15 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen. Dit vermoeden geldt niet meer indien het dood ter wereld komt.”

3. ADVIES

Ten eerste merkt de NHRPH op dat twee rechten hier met elkaar in conflict kunnen komen: het recht van het kind op levenskwaliteit en het recht van de vrouw op ouderschap.

De NHRPH is gekant tegen het wetsvoorstel. Hoewel in de toelichting herhaaldelijk het voorbeeld wordt genoemd van alcohol- of drugsverslaafde moeders of kinderen die in een gewelddadige omgeving zouden worden geboren, worden deze gevallen slechts als voorbeeld genoemd. Bovendien is artikel 2 van het wetsvoorstel zo geformuleerd dat er geen grenzen worden gesteld aan het belang van het kind, met uitzondering van het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking. De voorgestelde tekst bevestigt van toepassing te kunnen zijn op alle aanstaande moeders en ongeboren kinderen. Onder het voorwendsel om maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van het ongeboren kind van een alcohol- of drugsverslaafde vrouw, of ten aanzien van een ongeboren kind dat het slachtoffer zou kunnen worden van geweld, komt elk kind waarvan de autoriteiten menen dat zijn of haar omgeving "gevaarlijk is voor zijn of haar toekomst" in het vizier.

In zijn huidige vorm zou de tekst dus kunnen worden toegepast op aanstaande moeders van wie de lichamelijke of geestelijke toestand door de gerechtelijke autoriteiten als gevaarlijk voor het ongeboren kind wordt beschouwd. Dit wetsvoorstel, dat gebaseerd is op uitzonderlijke situaties, kan negatieve gevolgen hebben voor een bredere groep mensen: mensen met een handicap of mensen die in armoede leven.

Naar het oordeel van het NHRPH is dit wetsvoorstel in strijd met artikel 22 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap:Geen enkele persoon met een handicap zal, ongeacht zijn of haar woonplaats of woonsituatie, worden blootgesteld aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven, gezinsleven, woning of correspondentie, of andere vormen van communicatie, of aan onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en reputatie. Personen met een handicap hebben recht op wettelijke bescherming tegen dergelijke vormen van inmenging of aantasting.”

Dit wetsvoorstel is ook onverenigbaar met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarin staat dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen [1].

De NHRPH merkt ook op dat de auteurs van het wetsvoorstel niet voorzien in maatregelen om de moeders in hun nieuwe rol te ondersteunen. De NHRPH betreurt het dat het voor sommige mensen gemakkelijker is om de toegang tot het moederschap te verbieden dan om begeleiding te bieden. Voor de NHRPH is de rol van de staat ten opzichte van de zwakkeren nooit het ontnemen van hun fundamentele rechten. Het feit dat sommige mensen in de marge van de maatschappij leven is geen misdaad!

De NHRPH vraagt zich ook af wat de toegevoegde waarde van de wet is, aangezien de bevoegde deelgebieden reeds in beschermende maatregelen voorzien.

Ook moet de vraag worden gesteld of de maatregel in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Het gaat hier om de voogdij over een kind dat nog niet eens geboren is. In dit verband merkt de NHRPH op dat de rol van de vader van het toekomstige kind niet eens aan bod komt in het wetsvoorstel. Het algemene karakter van het beoogde voorstel, dat er indirect in bestaat de mogelijkheid te bieden om een kind nog voor zijn geboorte te plaatsen op grond van criteria van de bevoegde deelstaten, is een onevenredig middel om het door de opstellers van het wetsontwerp gestelde doel te bereiken.

[1] Zie Journal du droit des jeunes, maart 2020, blz. 13 en volgende: http://www.jeunesseetdroit.be/jdj/archives/JDJ-B393.pdf.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Patrick Dewael, Kamervoorzitter
  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info het UNCRPD-coördinatiemechanisme