Terug naar hoofdinhoud

Advies 2025/06 - Vermindering van de financiering van Unia

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de in het regeerakkoord 2025-2029 aangekondigde vermindering van de middelen voor Unia.

Advies uitgebracht op eigen initiatief tijdens de plenaire vergadering van 17 maart 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan de Voorzitter van het federaal Parlement
  • Voor opvolging aan de ministers van de federale regering
  • Ter informatie aan de adviesraden inzake handicap in de deelgebieden
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het regeerakkoord 2025-2029 (blz. 86) voorziet in een vermindering van de financiering van Unia met 25 %.


3. ANALYSE

In het hoofdstuk over armoedebestrijding stelt de regering dat ze een inclusieve samenleving en een vereenvoudiging van de mensenrechtensector wil. Ze presenteert enkele ontwikkelingen met betrekking tot discriminatie op basis van gender, handicap en seksuele identiteit. Ze streeft naar een A-status voor heel België, via een samenwerkingsakkoord tussen de bestaande mensenrechteninstellingen. Ze voorziet in een audit van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) en “een vermindering van de financiering van Unia met 25 %”.


4. ADVIES

De NHRPH geeft een volledig negatief advies over deze vermindering van middelen.
De NHRPH vindt Unia een absoluut noodzakelijke pijler in de strijd voor rechten en gelijkheid voor iedereen en voor non-discriminatie.
De aangekondigde vermindering van de financiering is enorm: 25 % van de financiering, zonder verdere details.

De NHRPH herinnert eraan al jaren nauw samen te werken met Unia. In 2013 werd deze samenwerking geformaliseerd in een samenwerkingsprotocol. Voorbeelden van behandelde dossiers zijn de definitie en de uitvoering van redelijke aanpassingen, tewerkstelling, bewindvoering van personen met een handicap, collectieve leefomgevingen, toegankelijkheid van treinen (NMBS), huisvesting en het gebruik van de parkeerkaarten voor personen met een handicap in een digitale omgeving. Samenwerking en synergieën worden zorgvuldig afgestemd, opgebouwd en ondersteund, wat regelmatig resulteert in gezamenlijke brieven of communiqués van de NHRPH en Unia.

Unia investeert veel in het domein van de handicap omdat dit echt nodig is: de rechten van personen met een handicap blijven nog vaak dode letter, en het sociale handicapmodel, dat is gebaseerd op de naleving van de mensenrechten en een inclusieve samenleving, wordt niet snel genoeg uitgerold. Dit blijkt haarscherp uit het feit dat handicap in 2023 de op één na meest voorkomende reden voor meldingen bij Unia is.

Maar ook andere gebieden blijven nog aanzienlijk achter op het vlak van rechten: in minder dan vier jaar, tussen 2019 en 2023, is het aantal meldingen met 43 % gestegen. Deze trend op zich wijst op de noodzaak om een instelling te behouden waartoe elke burger zich moet kunnen wenden.

Tot slot, wat voor de NHRPH zeker even belangrijk is, heeft Unia ook de taak om toe te zien op de naleving van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: het in 2011 opgerichte onafhankelijke mechanisme voert deze opdracht uit in overeenstemming met de beginselen van Parijs en de NHRPH zetelt erin, samen met andere actoren van het maatschappelijk middenveld.

De NHRPH poneert de volgende overwegingen:

  • Elke minderheid in België moet worden gerespecteerd en ondersteund; discriminatie op grond van bepaalde beschermde kenmerken is door de wet verboden er is geen hiërarchie in de beschermingsnormen volgens de specifieke kenmerken van personen.
  • Unia voorziet in een meldingsprocedure. Dit is een krachtig en noodzakelijk instrument dat de democratie en de rechtsstaat versterkt. Zonder Unia zouden slachtoffers van discriminatie zich rechtstreeks tot de rechtbank moeten wenden, wat ingewikkeld, duur en uiteindelijk ook vaak ontmoedigend zou zijn.
  • De expertise van Unia is gebaseerd op objectieve gegevens en analyses. Dit maakt het tot een referentie in de strijd tegen discriminatie.
  • Unia werkt samen met het maatschappelijk middenveld, bedrijven en overheden om passende oplossingen voor te stellen. Indien nodig onderneemt Unia juridische stappen. Dit is een manier om de verschillende betrokkenen op lange termijn te responsabiliseren.
  • Uiteindelijk komt de werking van Unia de hele samenleving ten goede, want minder discriminatie betekent meer gelijke kansen, meer inclusie, meer rechtvaardigheid en sociale vrede.
  • Unia beperkt zich niet tot de behandeling van klachten: het speelt ook een sleutelrol in de bewustmaking van het publiek.
    • Het biedt opleidingen en educatieve hulpmiddelen om bedrijven, scholen en administraties te helpen inclusieve praktijken in te voeren.
    • Het voert bewustwordingscampagnes tegen haatspraak en vooroordelen.
      In deze turbulente tijden waarin de uitvoering van de mensenrechten in gevaar zijn, zou het werk van Unia juist meer dan ooit beter bekend moeten zijn bij de burger en beter worden ondersteund door de Staat.
  • De aankondiging van de vermindering van de middelen en de informatie die in de pers circuleert over mogelijke ontslagen, veroorzaken veel stress bij het personeel. Dit zijn geen goede werkomstandigheden.

De NHPRH benadrukt dat er, onder de vele uitdagingen, minstens drie essentiële zijn:

  • De bestaande organen moeten samenwerken, omdat meervoudige discriminatie steeds reëler wordt. Dit is een hoge prioriteit, waarop ook de VN-experts België in 2024 gewezen hebben (zie punt 67 van de opmerkingen). 
  • De zichtbaarheid van Unia moet worden versterkt voor de meest kwetsbare groepen, die minder vlot de weg vinden naar de klachtenmechanismen en van wie de rechten heel vaak worden geschonden. 
  • Er duikt een nieuwe vorm van discriminatie op: algoritmische discriminatie[1]. Unia moet tegelijk voldoende expertise hierover opdoen, personen met een handicap bewust maken van deze discriminatie, en in staat zijn hun bij schending passende hulp te bieden. Het heeft extra middelen nodig om deze nieuwe vorm van discriminatie te bestrijden.

[1] Beslissingen op grond van AI kunnen op verschillende manieren leiden tot discriminaties. 5 manieren waarop AI onbedoeld een discriminatie met zich kan meebrengen: 1. Het bepalen van de doelvariabele en de klassenlabels; 2. Het labelen van het leermateriaal; 3. De selectie van het leermateriaal; 4. De selectie van de eigenschappen; 5. De keuze van de indirecte gegevens. AI-systemen kunnen ook bewust worden ingezet voor discriminerende doeleinden. https://rm.coe.int/etude-sur-discrimination-intelligence-artificielle-et-decisions-algori/1680925d84

  • Raadplegingen: 8

Advies 2025/01: Deontologische code van professionele bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van deontologische code van de professionele bewindvoerders (in uitvoering van de wet van 08.11.2023 - artikel 27 tot invoeging in het gerechtelijk wetboek van een artikel 555/23), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/01/2025.

Advies uitgebracht op verzoek van de administratie van de minister van Justitie per e-mail van 18 december 2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Benoit Cornélis van de FOD Justitie
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, minister van Justitie
  • Voor opvolging aan de ordes van advocaten
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Hoge Raad voor de Justitie

2. ONDERWERP

De wet van 8 november 2023 betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon heeft het statuut van professionele bewindvoerder aangepast. De wet vereist dat de kandidaat-professionele bewindvoerder voldoet aan een aantal voorwaarden voordat hij wordt opgenomen in het nationaal register van professionele bewindvoerders.

Een van deze voorwaarden betreft het naleven van een deontologische code.

Het kabinet van de minister van Justitie heeft de orde van advocaten gevraagd een ontwerp van deontologische code op te stellen.


3. ANALYSE

  1. De minister van Justitie heeft de ordes van advocaten gevraagd een ontwerp van deontologische code voor professionele bewindvoerders op te stellen.

  2. Het ontwerp van code kaart, in vage en algemene termen, enkele aspecten aan, waaronder de volgende:

    1. bevorderen van de autonomie en handelingsbekwaamheid van de beschermde persoon – naleven van de UNCRPD, zonder discriminatie van de persoon en zijn of haar meningen, met inachtneming van al zijn of haar vrijheden. In de mate van het mogelijke wint de bewindvoerder het advies in van de beschermde persoon over belangrijke beslissingen en maatregelen met betrekking tot zijn of haar goederen of persoon;
    2. beheren van de dossiers met behulp van generatieve AI, waarbij de resultaten aan menselijke kritiek worden onderworpen;
    3. beheren van de contacten tussen de beschermde persoon en de vertrouwenspersoon. In de mate van het mogelijke moet voorrang worden gegeven aan het schriftelijk mededelen van essentiële beheersbeslissingen en, ook in de mate van het mogelijke, moet worden gezorgd voor duidelijke, begrijpelijke en passende informatie;
    4. verbeteren van de kwaliteit van het beheer. Er is bepaald dat de bewindvoerder blijk moet geven van stiptheid en behoorlijke beroepsuitoefening en de goederen moet gebruiken om de materiële en morele toestand van de aan zijn zorg toevertrouwde persoon te verbeteren.
  3. De bepalingen zijn ook van toepassing op professionele buitengerechtelijke mandatarissen, maar sommige bepalingen zijn uitdrukkelijk niet van toepassing op buitengerechtelijke bewindvoerders. Waarom deze verduidelijking, gelet op het feit dat de code is bestemd voor professionele bewindvoerders? Is dit om te zeggen dat bepaalde bepalingen van de code ook van toepassing zijn op familiale bewindvoerders?


4. ADVIES

Het advies van de NHRPH is in verschillende opzichten volledig negatief.

A. Over het verzoek aan de ordes van advocaten

  • De ordes van advocaten hebben aan deze deontologische code gewerkt op verzoek van de minister van Justitie. De NHRPH betreurt het ten zeerste dat de ordes geen andere actoren van het maatschappelijk middenveld bij dit proces hebben betrokken. Noch de NHRPH, noch de vertegenwoordigers van de familiale bewindvoerders werden geïnterpelleerd: met hun expertise over de evoluties in de sector zouden diverse organisaties voor personen met een handicap ook belangrijke bijdragen kunnen hebben geleverd. Dat was overigens ook het advies van de Kamercommissie Justitie die de wet betreffende het statuut van bewindvoerder had voorbereid.
  • Op kwalitatief vlak beantwoordt deze code niet aan de verwachtingen van de beschermde personen en hun families. De begeleiding van de persoon met een handicap wordt immers voorgesteld als een ontmenselijkte taak, een opeenvolging van administratieve handelingen die vooral zijn ingegeven door de behoeften van het dossier en niet zozeer door de behoeften van de persoon. Er is geen enkele resultaatsverplichting voor de bewindvoerders; de bewindvoerders kunnen eenzijdig beslissen welke middelen ze inzetten, zonder enige verplichting om de persoon te raadplegen. De vage beschrijving van het kader maakt geen enkele evaluatie mogelijk. Indien de code ongewijzigd blijft, ziet de NHRPH niet goed wat de meerwaarde zal zijn voor de kwaliteit van de bewindvoering. De tekst blijft hangen in het stadium van algemeenheden die overigens vaak reeds verplichtingen zijn voor advocaten.
  • In de code wordt ook totaal voorbijgegaan aan een VN-beginsel dat hoger staat in de hiërarchie van prioriteiten: de levenskeuzes van de persoon zijn wel degelijk belangrijker dan het materieel of moreel belang van de persoon. Er is sprake van het respecteren van de individuele vrijheden, de burgerrechten, de integriteit van de beschermde persoon, zijn of haar persoonlijke levenssfeer, … maar op geen enkel moment wordt verduidelijkt welke concrete vorm deze principes in het dagelijks leven aannemen. Het zou beter zijn geweest om te verduidelijken dat de bewindvoerder, vanaf het begin, verplicht een plan moet opstellen, in overleg met de beschermde persoon, de vertrouwenspersoon en het netwerk van de persoon: dit plan moet verduidelijken wat belangrijk is voor de persoon. Zo zou er bijvoorbeeld in kunnen worden verduidelijkt dat de persoon zijn of haar hobby’s wil blijven uitoefenen, dat hij of zij vrienden wil ontmoeten en daar vervoer voor nodig heeft, dat hij of zij graag naar de kapper gaat, … Voor al deze aspecten moeten afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat ze in de praktijk worden uitgevoerd. Het zijn vaak deze aspecten die aanleiding geven tot klachten.
  • Betekent het feit dat het schrijven van de tekst werd toevertrouwd aan de ordes van advocaten dat de rol van professionele bewindvoerder het voorrecht is van advocaten alleen? Is dat het geval? Of kan de opdracht worden opengesteld voor andere beroepen? Moet dit niet in een luik “voorwaarden om professionele bewindvoerder te zijn” worden verduidelijkt?

B. Over de algemene inhoud van de code – wat in de code ontbreekt 

  • Een deontologische code is een ethische code die een kader verschaft waarin een persoon kan handelen en denken. Deontologie biedt een houvast: “hoe het best handelen in verschillende situaties?”. De code is immers tegelijkertijd een kader voor de uitoefening van het mandaat van bewindvoerder en een bescherming van de beschermde persoon.
  • De code profileert zich als een tekst die overeenstemt met artikel 12 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Het zou getuigen van juridische en morele loyaliteit als de tekst van het Verdrag, en ook de General Comment nr. 1 die hiervan werd afgeleid, duidelijk als inspiratiebronnen in de tekst van de code worden vermeld. Deze dimensie ontbreekt op heel wat plaatsen in de voorgestelde code.
  • Het ontwerp dat de NHRPH wordt voorgelegd is te vaag en te weinig bindend. Sommige professionele bewindvoerders leveren uitstekend werk. Maar voor sommige anderen zijn jammer genoeg concrete regels noodzakelijk. De obstakels waarmee personen met een handicap en hun families al jarenlang te maken krijgen, worden niet voldoende in aanmerking genomen in het ontwerp van deontologische code:
    • moeilijke communicatie – de bewindvoerder is vaak onvoldoende bereikbaar voor de onder bescherming geplaatste persoon en/of zijn netwerk;
    • onvoldoende respect voor de cultuur en de mening van de persoon die onder bewindvoering staat en zijn natuurlijk (familiaal) netwerk;
    • onvoldoende verdediging van de belangen, behoeften en verlangens van de beschermde persoon;
    • onvoldoende kennis van de sector, met als gevolg dat niet alle rechten in aanmerking worden genomen. De administratieve obstakels waarop de personen stuiten, worden ook te weinig in aanmerking genomen. Zeker wanneer de bewindvoerder zich ook bezighoudt met de bescherming van de persoon, is er een uitgebreide communicatie met de persoon en zijn netwerk en een grondige kennis van het domein van onder andere de geneeskundige verzorging nodig. Deze elementen ontbreken vaak. Enkele voorbeelden:
      • Een professionele bewindvoerder in Vlaanderen zal doorgaans hoofdzakelijk het persoonsvolgende budget (PVB) willen gebruiken om verzorging bij een erkend zorgverlener te bekostigen. De bewindvoerder is van oordeel dat de andere opties voor het gebruik van het PVB, bijvoorbeeld door middel van persoonlijke assistenten, veel te complex zijn en moeilijk te verenigen met zijn eigen beroep.
      • Wanneer het gaat om een opinie over de kwaliteit van de hulp, wordt vaak het advies van het personeel van een instelling gevraagd en gevolgd. Die aanpak is veel te beperkt.
    • Het snel cumuleren van geld wordt vaak bevoorrecht ten opzichte van de levenskwaliteit of de wensen van de persoon. De persoon ontvangt vaak een te laag bedrag voor een waardig leven, zelfs als zijn of haar inkomsten toereikend zijn. Er wordt weinig aandacht besteed aan de wensen van de persoon op het vlak van vrijetijdsbesteding en aankopen. De beschermde persoon wordt niet op de hoogte gebracht van het budget dat beschikbaar is voor zijn of haar hobby’s en/of heeft niets te zeggen over de manier waarop het wordt uitgegeven.
    • Naast de – voortaan forfaitaire – honoraria proberen professionele bewindvoerders zo veel mogelijk bijkomende prestaties te zoeken die ze kunnen factureren.
  • In deze deontologische code had ook de manier waarop de waarden en de beheersprincipes moeten worden omgezet in concrete acties en taken moeten staan door de professionele bewindvoerders en eventuele medewerkers die hen omringen. De begeleidende maatregelen moeten zowel formeel als informeel zijn (zie General Comment nr. 1). In de code komt deze dimensie totaal niet ter sprake.
  • De tekst is doorspekt met “in de mate van het mogelijke”. Dit zwakt de tekst volledig af en zal gegarandeerd als handig excuus worden gebruikt door de bewindvoerders om hun verantwoordelijkheid voor een essentieel luik van hun opdracht af te schuiven: communiceren met de persoon en zijn of haar mening vragen!!! Indien de traditionele communicatie bijvoorbeeld moeilijk verloopt, tijd vraagt, … kan de bewindvoerder immers eenvoudigweg aangeven dat het “niet mogelijk” is. De NHRPH vraagt om de formule “in de mate van het mogelijke” overal te schrappen.
    • Personen met meervoudige, zeer ernstige handicaps kunnen ook communiceren. Voor deze personen in het bijzonder is het belangrijk dat op zijn minst de vertrouwenspersoon of het familiale netwerk actief betrokken wordt.
    • De opleiding van bewindvoerders zou een vorming in FALC (gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal) moeten omvatten. Het uitdenken van het opleidingsprogramma moet in overleg met de representatieve organisaties voor personen met een handicap gebeuren.
  • Het is niet goed om de vertrouwenspersoon/het familiaal netwerk pas in artikel 10 te vermelden. Deze twee verdienen een belangrijkere plaats. De bewindvoerder moet er ook op toezien dat er effectief een vertrouwenspersoon wordt aangesteld wanneer er nog geen was.
  • Nergens in de deontologische code komt de relatie tussen de bewindvoerder en de vertrouwenspersoon ter sprake. Dat is een ernstig tekort. 
  • De tekst maakt geen enkel onderscheid naargelang de bewindvoerder optreedt in een regeling van bijstand of van vertegenwoordiging. Brengt de rol van bewindvoerder in de regeling van bijstand geen bijkomende verplichtingen voor de bewindvoerder met zich mee? Zoals: in duidelijke taal het belang van een handeling toelichten, de beschermde persoon helpen om een geïnformeerde beslissing te nemen (zich niet beperken tot een eenvoudige raadpleging zoals vereist in een regeling van vertegenwoordiging), de persoon stimuleren om geleidelijk zijn of haar autonomie te vergroten, enz. Nog belangrijker is dat er reeds vooraan in de code aan moet worden herinnerd dat bijstand altijd voorrang moet hebben op vertegenwoordiging. Deze oproep wordt ook herhaald in de universitaire studie van 2024 gericht aan de vrederechters, aangezien het aantal bijstandsdossiers verwaarloosbaar laag blijft (pagina 117). Alleen met bijstand heeft de persoon de kans om zo zelfstandig mogelijk en zonder grote risico’s voor zichzelf een rol in de maatschappij op te nemen. 
  • De NHRPH hamert sterk op de noodzaak van een “menselijke en sociale” opleiding voor professionele bewindvoerders: de inhoud en de reikwijdte van de UNCRPD en FALC (gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal) zijn noodzakelijke pijlers voor deze opleiding (zie advies 2023-07).
  • Er ontbreekt duidelijk een artikel over de gevolgen van het niet-naleven van de code. Gezien de vage bewoordingen van de code zal het onmogelijk zijn om aan te duiden op welke manier de code niet is nageleefd.
  • Er zou ook een artikel over het einde van de bewindvoering moeten worden toegevoegd. Sommige bewindvoerders houden hardnekkig vast aan hun dossier, ook al zijn ze duidelijk in conflict met de beschermde persoon. In deze situaties zijn het vaak de beschermde personen zelf die – wanneer ze de middelen daartoe hebben – een procedure moeten starten om van bewindvoerder te veranderen. Is een relatie van bewindvoering niet in de eerste plaats een vertrouwensrelatie en een opdracht ten dienste van de persoon?! Vanuit dit oogpunt is het de plicht van de bewindvoerder zelf om zich terug te trekken indien de vertrouwensband is verbroken en de persoon van bewindvoerder wil veranderen. Een goede “werkrelatie” tussen de beschermde persoon en zijn of haar bewindvoerder moet een ethisch principe zijn. Indien dit niet het geval is, zou de bewindvoerder stappen moeten ondernemen om zijn of haar mandaat in te leveren in overleg met de persoon en de vrederechter. Deze procedure mag geen kosten met zich meebrengen voor de beschermde persoon.
  • De NHRPH vraagt zich af wat het toepassingsgebied van de deontologische code is. Waarom die enkel op de professionele bewindvoerders toepassen, en niet op de familiale bewindvoerders?

C. Over de precieze inhoud van de artikelen
(te lezen als aanvulling bij de overwegingen in punt B)

Artikel 1:

De bewindvoerder respecteert, in de mate van het mogelijke, de beginselen waarvoor de beschermde persoon heeft gekozen in zijn of haar voorkeursverklaring.

Deze terminologie is ontoereikend. De NHRPH stelt de volgende fomulering voor: De bewindvoerder respecteert het beginsel van “doelgerichte zorg”. De benadering “doelgerichte zorg” vertrekt van de persoon die nood heeft aan ondersteuning en gaat uit van zijn levensdoelen en van wat echt telt voor de persoon in zijn of haar leven. Het gaat om het positief benaderen van de doelen van een persoon en het verbeteren van zijn of haar vermogen om deze levenskwaliteit te maximaliseren. Bewindvoering is een dynamisch proces gebaseerd op de dialoog over de levensdoelen en de te nemen beslissingen, waarin de interpretatie en de denkoefening de nodige aandacht krijgen. Voorkeuren kunnen in de loop van de tijd evolueren en aanzienlijk verschillen van het referentiekader van de bewindvoerder. Het volstaat dus niet in deze juridische tekst te spreken van “het belang van de beschermde persoon”, aangezien dat belang in het referentiekader van de bewindvoerder beduidend kan verschillen van wat de beschermde persoon zelf belangrijk vindt of wat hij of zij wenst.

Er moet veel vaker een regeling van bijstand bij het nemen van beslissingen worden ingevoerd.

De communicatiewijze van een persoon mag geen obstakel zijn om hulp te krijgen bij het nemen van beslissingen, zelfs wanneer deze communicatiewijze niet conventioneel is of slechts wordt begrepen door een zeer klein aantal personen (General Comment nr. 1). Beschermde personen kunnen hun wensen op heel wat andere manieren duidelijk hebben aangegeven (bv. in een begeleidingsplan). Enkel verwijzen naar de verklaring van voorkeur is niet voldoende. De NHRPH is overigens van oordeel dat het familiale netwerk hier ook een rol moet spelen. Ook al zijn de ouders of de broers en zussen, om de ene of de andere reden, niet aangeduid als bewindvoerder(s), toch zijn zij vaak zeer betrokken en zouden zij op zijn minst moeten worden gehoord en erbij worden betrokken. De verplichting voor de bewindvoerder om te raadplegen betreft ook de vertrouwenspersoon, zeker wanneer de beschermde persoon een verstandelijke handicap heeft.

Naast de mondelinge communicatie is er ook steeds een schriftelijke communicatie nodig. Dit maakt het ook voor derden (een begeleidingsdienst, een naaste) mogelijk te weten wat de bewindvoerder van goederen heeft meegedeeld. En op dezelfde manier moet dit aan de beschermde persoon op een begrijpelijke manier worden gecommuniceerd.

De bewindvoerder waakt erover, voor zover mogelijk, de autonomie van de beschermde persoon te bevorderen.
Het universitaire onderzoek van 2024 (pagina 211) bevestigt dat maatwerk bij de organisatie van een rechterlijke bescherming een uitzondering blijft. Deze vaststelling gaat totaal in tegen de vereisten van art. 12 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de opmerkingen die de VN in 2014 aan België richtten (pagina 8)!

Er moet meer worden aangedrongen op de noodzaak om de autonomie te ontwikkelen op basis van het principe van bijstand: de bewindvoerder moet er ook op toezien dat de persoon een verstandige beslissing kan nemen.

De bewindvoerder oefent zijn mandaat uit in het belang van de beschermde persoon en legt daarbij de nodige omzichtigheid, nauwgezetheid en diligentie aan de dag.
De General Comment nr. 1 verduidelijkt dat de bewindvoerder moet handelen overeenkomstig de wil van de persoon. Wanneer het na aanzienlijke inspanningen niet mogelijk blijkt de wil en de voorkeuren van een individu vast te stellen, moet de “beste interpretatie van wil en voorkeuren” de “beste belangen” vervangen. Dit eerbiedigt de rechten, de wil en de voorkeuren van het individu, overeenkomstig artikel 12, paragraaf 4. Het principe van de “hogere belangen” is op zich alleen geen garantie overeenkomstig artikel 12.

Alle vormen van begeleiding in het uitoefenen van de handelingsbekwaamheid, met inbegrip van intensievere vormen van begeleiding, moeten gebaseerd zijn op de wil en de voorkeuren van de persoon, en niet op wat objectief gezien in zijn of haar hogere belang wordt geacht. Dit is een ABSOLUUT essentieel aspect dat moet worden opgenomen in de tekst van de code op het niveau van de belangrijkste vereisten. Met andere woorden, de wens van de persoon moet voorrang krijgen op zijn hogere belang. We kunnen ons niet langer voorstellen dat we de keuze van de persoon niet respecteren wegens een handicap, want dat zou een discriminatie inhouden van personen met een handicap ten opzichte van zogenaamd “valide” personen.  

De bewindvoerder oefent zijn mandaat uit met respect voor… De volgende tekst moet worden toegevoegd: “leidende beginselen van het VN-Verdrag: participatie in de samenleving en in het politieke leven, zelfstandig wonen, inclusie, non-discriminatie en zelfbeschikking.”

Het respect voor de non-discriminatie van de beschermde persoon op grond van … Hoe zit het met de andere discriminatiecriteria die beschermd worden door de antidiscriminatiewet (in het bijzonder ‘vermogen’!!)?

De bewindvoerder mag niet optreden als raadsman van de beschermde persoon.

In geval van een belangenconflict met de te beschermen persoon verzoekt de bewindvoerder de bevoegde rechtbank om de aanstelling van een bewindvoerder ad hoc om de rechtshandeling in kwestie te verrichten. De bevoegde rechtbank beoordeelt de opportuniteit van deze aanstelling.

De NHRPH vindt deze toevoeging nutteloos, aangezien dit element reeds bepaald is in artikel 497/4 van het gerechtelijk wetboek.

Artikel 2:  /

Artikel 3: /

Artikel 4: /

Artikel 5: /

Artikel 6:

De NHRPH stelt verbaasd vast dat er plaats is voorbehouden voor artificiële intelligentie (AI): bewindvoering is vooral een menselijke en relationele zaak! Bewindvoering is niet louter een administratieve of commerciële taak. Voor het beheer van de rekeningen, de boekhoudkundige verrichtingen, enz. kan een bewindvoerder een beroep doen op allerlei soorten ICT-applicaties. Maar de communicatie met de beschermde personen, het invoeren van een besluitvormingsprocedure, het evalueren van de wensen en verwachtingen, enz. mogen in geen enkel geval worden overgenomen door AI!

Zelfs in de veronderstelling (en dit is zeer waarschijnlijk, aangezien advocaten al gebruik maken van AI voor heel wat van hun repetitieve taken) dat AI een beheerstool is die een beter beheer en een betere opvolging van de dossiers, maar ook toegankelijkere teksten in een duidelijke en aangepaste taal mogelijk maakt, een tool die het ook mogelijk zou maken de non-take-up te verminderen, en zelfs een tool die het mogelijk zou maken noden op te sporen in de communicatie met de beschermde persoon, … , dan zal dit er ook toe leiden dat de globale tijd van het beheer zal verminderen ten opzichte van de huidige situatie. Zullen deze innovaties, door het verminderen van repetitieve of administratieve taken, ertoe leiden dat professionele bewindvoerders meer tijd zullen besteden aan menselijke begeleiding? Dit zou het geval moeten zijn en dat is een bijkomende reden om in de code op te nemen dat de bewindvoerder tijd moet besteden aan formele en informele face-to-facecontacten, op regelmatige en constante basis.

De NHRPH stelt zich ook vragen bij de vergoeding van de bewindvoerder ten opzichte van de automatisering van de taken. Het forfaitair bedrag als dusdanig zou het beheer van een bewindvoering ruim moeten dekken.

Er moet hoe dan ook in de code worden verduidelijkt dat de bewindvoerder steeds aansprakelijk blijft voor ieder ongewenst gevolg in de bewindvoering dat te wijten is aan het gebruik van AI.

Artikel 7: /

Artikel 8:

De NHRPH vraagt om het volgende idee toe te voegen: “Het beheer van het financieel vermogen van de beschermde persoon maakt deel uit van de hoofdtaak van de bewindvoerder. Daartoe ontvangt de bewindvoerder een forfaitaire vergoeding. De kosten gekoppeld aan bijvoorbeeld de automatisering van de boekhouding mogen niet ten laste van de beschermde persoon zijn. De honoraria voor bijkomende dienstverlening moeten worden gerechtvaardigd.”

Artikel 9: /

Artikel 10:

De tekst moet meer onderbouwd worden:

  • Het aantal dossiers dat door één bewindvoerder wordt beheerd, mag geen belemmering vormen voor de goede uitvoering van zijn of haar opdracht. Daartoe moet een minimum aan omkadering gewijd aan het beheer van de bewindvoeringsdossiers worden voorzien (de cijfers moeten nog worden bepaald, maar aan de hand hiervan kunnen richtlijnen voor het beheer worden vastgesteld in plaats van het aantal dossiers in absolute aantallen te beperken.
  • De NHRPH stelt vast dat artikel 499/1, § 3, bepaalt dat de bewindvoerder de persoon “op regelmatige tijdstippen en ten minste eenmaal per jaar” ontmoet. Voor de NHRPH is deze relatie gebaseerd op vertrouwen en dit kan enkel door middel van regelmatige en spontane uitwisselingen en communicatie. De minimaal voorziene frequentie is zeer laag. Bovendien moeten de vertrouwenspersoon en de beschermde persoon hun vragen in alle vertrouwen en spontaniteit kunnen stellen.
  • Het volgende idee toevoegen: “De bewindvoerder handelt in het beste belang van de beschermde persoon en in het licht van het ontplooien en verbeteren van zijn of haar levenskwaliteit. Hij respecteert zijn of haar keuzes en meningen en handelt in overleg met de beschermde persoon en/of zijn of haar vertrouwenspersoon.” De beslissingen van de bewindvoerder zijn gebaseerd op objectieve elementen (financiële draagkracht, eventueel in gevaar zijn van de persoon, enz.). De bewindvoerder respecteert de waarden en keuzes van de beschermde persoon zonder een moreel oordeel te vellen.
  • De bewindvoerder correspondeert rechtstreeks met de beschermde persoon (...) en de vertrouwenspersoon. De NHRPH zou hier het volgende aan willen toevoegen: “Indien er geen vertrouwenspersoon is, maar het familiale netwerk (een deel van) de zorg van de beschermde persoon op zich neemt, moeten deze personen ook op de hoogte worden gebracht van belangrijke elementen betreffende de bewindvoering.”

Artikel 11:

De bewindvoerder gebruikt de hem toevertrouwde goederen in de eerste plaats om de materiële en morele toestand van de aan zijn zorg toevertrouwde persoon te verbeteren.
Hoe moet de uitdrukking “de materiële en morele toestand van de hem toevertrouwde persoon” worden geïnterpreteerd? De inkomsten van de persoon moeten dienen voor een leven van de best mogelijke kwaliteit en niet voor het zo veel mogelijk sparen ten voordele van latere (verre) erfgenamen.

De materiële en morele toestand verbeteren volstaat overigens niet voor de UNCRPD: het gaat wel degelijk in de eerste plaats om het respecteren van de keuze van de persoon, zijn of haar waarden, verwachtingen en al dan niet geformuleerde wensen.
Aan de doelstellingen moet een punt "levenskwaliteit" worden toegevoegd, aangezien dat begrip ruimer is dan de materiële en morele toestand.
Het verbeteren van de materiële situatie van de persoon moet in verhouding zijn met de inkomsten en een waardige levenskwaliteit. De NHRPH ontvangt zorgwekkende getuigenissen waarin de persoon een zeer laag bedrag voor zijn levensonderhoud ontvangt en een zeer beperkt budget voor hobby’s dat niet in verhouding is met zijn - objectief gezien - vrij aanzienlijke inkomsten. Deze personen leven in armoede, niet omdat ze over onvoldoende middelen beschikken, maar omdat ze ertoe worden gedwongen.

Voor de NHRPH ontbreekt er een artikel in de code over de gevolgen voor de bewindvoerders die zich niet naar de code schikken.
De NHRPH zou graag willen dat de volgende bepaling wordt toegevoegd: “Het niet-naleven van de code zal leiden tot het schorsen van de bewindvoerder, het schrappen van zijn naam uit het register, het tijdelijk stopzetten van zijn opdracht of het ontslaan van de bewindvoerder”. De vraag is ook wie daarover zal oordelen. Hoe kunnen de beschermde personen en hun families bezwaar / klacht indienen? De NHRPH vraag dat daartoe een ethisch comité wordt gecreëerd. 

De NHRPH vraagt het volgende:

    • Het kader van de denkoefening moet veel ruimer zijn en worden uitgebreid tot een aantal bezorgdheden, principes en waarden op het vlak van mensenrechten. De levenskeuze van de persoon overstijgt zijn of haar financieel belang (of dat van zijn of haar erfgenamen). Het huidige ontwerp van code moet volledig worden herschreven.
    • De waarden en principes moeten worden omgezet in duidelijke taken en concrete acties die goed gepreciseerd moeten worden in de deontologische code.
    • De NHRPH en de verenigingen die regelmatig contact hebben met personen die onder een beschermingsstatuut staan en hun families moeten structureel worden betrokken bij de hele denkoefening en het herschrijven en beoordelen van de deontologische code.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2025/15 - Stemmen per brief

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Besluitvormingsprocessen, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2025/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het stemmen per brief voor kiezers met een ziekte of beperking en de kiezers van 75 jaar of ouder, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/05/2025.

Advies op vraag van de Commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers (brief van 29/04/2025).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Goffin, voorzitter van de commissie voor Grondwet en Institutionele vernieuwing
  • Voor opvolging aan de heer Bernard Quintin, Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de bespreking aangevat van de samengevoegde voorstellen:

  • Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, teneinde het stemmen per brief voor deze verkiezingen mogelijk te maken voor de kiezers met een ziekte of beperking en de kiezers van 75 jaar of ouder (DOC 56 0806);
  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek, teneinde het stemmen per brief voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers mogelijk te maken voor kiezers met een ziekte of beperking en voor kiezers van 75 jaar of ouder (DOC 56 0807);
  • Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement, teneinde het stemmen per brief voor deze verkiezingen mogelijk te maken voor de kiezers met een ziekte of beperking en voor de kiezers van 75 jaar of ouder (DOC 56 0808);
  • Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, teneinde het stemmen per brief mogelijk te maken voor kiezers met een ziekte of beperking en voor kiezers van 75 jaar of ouder voor de verkiezingen van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement (DOC 56 0809).

3. ANALYSE

Doelgroep

“Kunnen hun stemrecht per briefwisseling uitoefenen:
1° de kiezer die op de dag van de stemming 75 jaar of ouder is;
2° de kiezer die wegens ziekte of gebrekkigheid niet in staat is om zich op de dag van de stemming naar het stembureau te begeven of er naartoe gevoerd te worden. Deze onbekwaamheid moet blijken uit een medisch attest. (…)

De kiezers van 75 jaar of ouder en de kiezers die wegens ziekte of gebrekkigheid niet in staat zijn om zich op de dag van de stemming naar het stembureau te begeven of er naartoe gevoerd te worden ontvangen bij hun oproepingsbrief een kiesomslag waarin de volgende documenten zijn opgenomen:

  • een retouromslag A;
  • een neutrale omslag B met daarin een stembiljet;
  • een formulier waarop de kiezer vermeldt dat hij zijn stem per briefwisseling zal uitbrengen en verklaart dat hij het stembiljet persoonlijk zal invullen;
  • de onderrichtingen voor de kiezer.

Op de retouromslag A wordt het adres van de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring waartoe de kiezer met een beperking en de kiezer van 75 jaar of ouder behoort, vermeld. De neutrale omslag B dient om daarin het stembiljet, dat op de keerzijde gemerkt is met een stempel die de datum van de verkiezing draagt en de vermelding “stemming van de kiezer per brief”, te plaatsen. Er is ook een formulier nodig dat dient om de persoon die het stembiljet opstuurt naar het betrokken kiesbureau, te identificeren. Ten slotte bevat de kiesomslag de kiesonderrichtingen die aangeven welke stappen de kiezer moet volgen om zijn stem geldig uit te brengen (…)

De kiezers die in aanmerking komen, moeten hun aanvraag indienen bij de gemeente waar ze op de kiezerslijst zijn ingeschreven om per brief te kunnen stemmen.

(…)

Deze kiezer brengt zijn stem uit op het stembiljet en plaatst dit behoorlijk dichtgevouwen in de neutrale omslag B, die hij zorgvuldig sluit. Deze neutrale omslag B plaatst de kiezer in de retouromslag A, samen met het bovenvermelde ingevulde en ondertekende formulier. De retouromslag A dient de kiezer uiterlijk de achtste dag voor de dag van de verkiezing aan de voorzitter van het hoofdkieskringbureau te bezorgen.”

De NHRPH heeft op 17/01/2022 al een advies uitgebracht over een eerdere versie van de samengevoegde wetsvoorstellen, nl. advies 2022/05. De aanbevelingen in dat advies zijn nog steeds relevant.


4. ADVIES

A. Met betrekking tot de adviesvraag en het principe van stemmen per brief:

B. Wat betreft de doelgroep:

  • Het voorstel spreekt over “de kiezer die wegens ziekte of gebrekkigheid niet in staat is om zich op de dag van de stemming naar het stembureau te begeven of er naartoe gevoerd te worden. Deze onbekwaamheid moet blijken uit een medisch attest.” De NHRPH stelt zich daar vragen bij. Volstaat een erkenning als persoon met een handicap en zo ja, onder welke voorwaarden en via welke instanties? Of moet de persoon bij elke verkiezing een medisch attest aanvragen, bijvoorbeeld bij de huisdokter?
    De aanvraagprocedure voor het stemmen per brief moet eenvoudig zijn.
    De NHRPH wijst er ook op dat de term ‘gebrekkigheid’ niet in overeenstemming is met de waardigheid van de persoon. De term ‘handicap’ is te verkiezen.
  • In het voorstel staat: “Indien zij [de doelgroep n.v.d.r.] ervoor opteren om per brief te stemmen, is die keuze definitief en kunnen zij vanzelfsprekend geen gebruik meer maken van de andere stemwijzen.
    De NHRPH gaat ervan uit dat deze ‘definitieve’ keuze voor de brief enkel geldt voor de eerstvolgende verkiezingen.
    Iedereen moet het recht hebben om bij volgende verkiezingen voor een andere stemwijze te kiezen, ook als die persoon eerder voor stemmen per brief koos.
  • De NHRPH vreest dat de voorgestelde werkwijze met de verschillende omslagen niet toegankelijk is voor iedereen, bijvoorbeeld voor personen met een visuele handicap.
    De procedure met de verschillende omslagen lijkt nodeloos complex.
    De NHRPH vraagt speciale aandacht voor personen met een ernstige visuele handicap: deze mensen kunnen nog steeds niet zelfstandig stemmen, hoewel er technische oplossingen bestaan. Voor hen brengt per brief stemmen ook geen autonomie.
    Toegankelijke onlineformulieren, vervolgens afgedrukt of online verzonden, kunnen een oplossing zijn voor blinde en slechtziende personen.

C. Wat betreft alternatieven:

  • Iedere persoon met een handicap moet zelf kunnen kiezen hoe hij of zij stemt.
    Opties zoals stemmen bij volmacht, per brief, via assistentie, in extra stembureaus in grote instellingen en verzorgingstehuizen, enz. moeten ook beschikbaar en toegankelijk zijn.
  • Verder herhaalt de NHRPH zijn vraag om werk te maken van online stemmen, bijvoorbeeld via de eigen pc of smartphone, en dat ten laatste tegen de volgende verkiezingen. Online stemmen kan al in het buitenland, bijvoorbeeld in Estland. Ook in andere landen zijn onlineverkiezingen veilig en vlot verlopen. De technologie om online stemmen veilig, anoniem en zonder risico op inmenging of hacking te laten verlopen bestaat al.
    De NHRPH stelt dan ook met genoegen vast dat de heer Bernard Quintin, minister van Veiligheid en Binnenlandse zaken, erop alludeert in zijn beleidsverklaring inzake de verkiezingen: “Op initiatief van mijn diensten zijn er tussen 2020 en 2023 drie studies uitgevoerd om na te denken over de toekomst van het stemmen met behulp van computertechnologieën in België, zowel door middel van een evolutie van het elektronisch stemmen zoals we dat vandaag kennen als door middel van online stemtechnologieën. Deze studies bieden interessante en gedetailleerde mogelijkheden om één of meerdere richtingen te kiezen voor de organisatie van toekomstige verkiezingen in België.
    De NHRPH wenst dat personen met een handicap ook online kunnen stemmen, bijv. via itsme. Op wetgevend vlak moet daar dringend werk van worden gemaakt, zodat het mogelijk is tegen de volgende federale verkiezingen.
  • Daarnaast stelde de NHRPH vast dat de verkiezingen van 9 juni 2024 nog steeds onvoldoende toegankelijk waren voor personen met een handicap: slechte bewegwijzering naar het verkiezingslokaal of naar het aangepaste stemhokje, stemhokjes met schermen die te hoog waren geplaatst voor personen in een rolstoel en personen die klein zijn van gestalte, … Naar aanleiding daarvan bracht de NHRPH advies 2024/14 uit met aanbevelingen voor toegankelijke verkiezingen voor allen.
  • De mogelijkheid van stemmen per brief mag geen excuus worden om de toegankelijkheid van fysiek stemmen te verwaarlozen.
    Ook fysiek stemmen moet integraal toegankelijk zijn voor allen.
    Zie ook de andere eisen van de NHRPH inzake toegankelijke verkiezingen, zoals opgenomen in advies 2022-05 en advies 2024-14.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/14 - Toegankelijke bankdiensten

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Digitale kloof

Advies nr. 2025/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van guidelines inzake toegankelijke bankdiensten in het kader van de overzetting van de EU-richtlijn 2019/882.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/05/2025.

Advies op vraag van de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw (brief van 24/04/2025).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan de Directie-generaal van de Economische Inspectie
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 17 april 2019 werd in de Europese Unie de Richtlijn Toegankelijkheidsvoorschriften aangenomen. Door deze richtlijn moeten de lidstaten van de Europese Unie ervoor zorgen dat alle producten en diensten die staan opgesomd in deze richtlijn toegankelijker worden voor consumenten. De bankdiensten vallen hier ook onder. De Belgische wetgever heeft verschillende wetswijzigingen doorgevoerd om hieraan tegemoet te komen. Ook werd een ontwerp van guidelines opgesteld met als doel om de wetgeving over de toegankelijkheid van bankdiensten te verduidelijken.


3. ANALYSE

A. Wat betreft de adviesvraag

Een wetgeving over de toegankelijkheid van bankdiensten is zeker niet overbodig. De NHRPH ontvangt geregeld klachten van personen met een handicap inzake de gebrekkige toegankelijkheid van bankdiensten: sluiten van loketten, digitalisering, ontoegankelijke automaten, …

Als slecht voorbeeld haalt de NHRPH de problematische introductie van het Batopin-netwerk van merkloze bankautomaten aan. Eerst lieten de deelnemende banken hun oude automaten verdwijnen. Pas weken later verschenen de nieuwe automaten, zodat klanten plots zonder toegang tot cash zaten. In principe moest het nieuwe netwerk volstaan, maar in de praktijk viel dat tegen. In grote steden nam het aantal automaten sterk af, wat tot lange wachtrijen leidde. In kleinere en afgelegen gemeentes was er soms geen automaat te vinden. Bovendien was er niet gericht gecommuniceerd naar de bevolking, zodat velen niet wisten waar ze terechtkonden. Dit was een serieus probleem voor de burger, en nog veel meer voor de personen met een handicap. De NHRPH heeft toen een persbericht gelanceerd. Uiteindelijk is de bevoegde minister zelf in actie gekomen en heeft hij een betere dienstverlening opgelegd.

B. Opbouw van de guidelines

In Punt 1 van de guidelines wordt het toepassingsgebied verduidelijkt. De guidelines zijn van toepassing op alle aanbieders van bankdiensten in België. De geviseerde bankdiensten zijn opgesomd: kredietovereenkomsten, beleggingsdiensten en -activiteiten, betalingsdiensten, elektronisch geld en aan de betaalrekening verbonden diensten.

In Punt 2 komen de Toegankelijkheidsvoorschriften aan bod, in Punt 3 de uitzonderingen, in punt 4 de Informatieverplichtingen. Verder nog Bijzondere situaties (Punt 5) en Termijnen (Punt 6).

Punt 7 behandelt de handhaving. Voor de controle op de naleving van de guidelines is de Economische Inspectie aangeduid.

Punten 8 tot 10 zijn bijlagen, waarbij vooral Bijlage 3 (Punt 10): criteria onevenredige last aandacht verdient.


4. ADVIES

A. Algemeen

  • De NHRPH is tevreden dat de Minister het advies van de NHRPH heeft gevraagd. Op vraag van de minister wordt het ontwerp van guidelines niet bijgevoegd bij het advies, al maakt dat het wel moeilijker om te verwijzen naar de tekst.
  • De NHRPH is tevreden dat de toegankelijkheid van bankdiensten verplicht wordt en vindt het ontwerp een goed startpunt.
  • De NHRPH meent wel dat de aangehaalde minimumtoegankelijkheid niet volstaat.
  • Ook vreest de NHRPH dat de mogelijke uitzonderingen op de naleving en de criteria voor onevenredige last in de praktijk vaak als excuus zullen dienen voor het niet toegankelijk moeten maken van de bankdiensten. 

⇒ De NHRPH vraagt de Economische Inspectie om streng toe te zien op de naleving van de guidelines.

B. Toepassingsgebied

Voor de toegankelijkheidsnormen verwijst het ontwerp van de guidelines naar de website van Belgian Web Accessibility.

⇒ De NHRPH vindt deze regels niet ambitieus genoeg. Ze volstaan niet om een integrale toegankelijkheid voor iedereen te garanderen.

Een van de betalingsdiensten die tot het toepassingsgebied wordt gerekend, is “geld op een betaalrekening kunnen opnemen”.

⇒ De NHRPH vraagt zich af of warenhuizen waar je extra cash kan opvragen bij het afrekenen onder deze guidelines vallen. In dat geval zouden bijvoorbeeld touchscreens die ontoegankelijk zijn voor blinde en slechtziende personen niet meer mogen worden gebruikt.
⇒ De NHRPH verwijst hierbij naar zijn advies 2021/05 over de toegankelijkheid van draagbare betaalterminals in winkels.

C. Toegankelijkheid van producten en diensten

Meermaals staat in het ontwerp van guidelines dat consumenten via minstens twee verschillende zintuigen de informatie moeten kunnen waarnemen. “Een tekst moet je dus niet alleen kunnen zien, maar ook kunnen horen of voelen.” De NHRPH vindt die omschrijving ontoereikend en vaag.

Enkele voorbeelden:

  • Voor dove personen zijn zowel geschreven tekst als gebarentaal nodig, aangezien niet elke dove persoon kan lezen en/of gebarentaal beheerst.
  • Niet elke blinde persoon beheerst braille. Veel mensen worden op latere leeftijd slechtziend of blind. Vaak lukt het dan niet meer om braille aan te leren.
  • Doofblinde personen kunnen communiceren, maar zijn niet geholpen met visuele of auditieve informatie.
    ⇒ De NHRPH vraagt dat bankdiensten voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de handicap(s). Voorzie dus naast geschreven tekst ook braille, gebarentaal (op website bijv. via gebarentaalballonnetjes), spraakfunctie, eenvoudig taalgebruik (FALC) enz.
    ⇒ De NHRPH verwijst naar het concept van universal design.
  • In het voorstel wordt gewezen op de toegankelijkheidsproblemen met onlineformulieren. Vaak zijn die onvoldoende toegankelijk. Denk maar aan blokkerende menu’s (bijv. bij het niet-invullen van een irrelevante vraag), navigatieproblemen (ontoegankelijke kaders, onmogelijk om naar eerdere vragen te gaan, …), vage en ontbrekende keuzemogelijkheden, de onmogelijkheid om te pauzeren zonder verlies van eerdere antwoorden, …
    ⇒ Online-enquêtes moeten voor iedereen toegankelijk zijn.
  • De guidelines spreken van ondersteunende diensten om de consument verder te helpen. “Indien een dienstverlener zo’n ondersteunende dienst aanbiedt, dan moet deze dienst ook vragen kunnen beantwoorden over de toegankelijkheid.
    ⇒ De NHRPH meent dat alle dienstverleners op wie de guidelines van toepassing zijn, een ondersteunende dienst moeten aanbieden.
  • Het ontwerp spreekt meermaals van minimale toegankelijkheidsvereisten. Het is natuurlijk belangrijk dat die worden bepaald, maar meestal volstaat dat minimum niet om een integrale toegankelijkheid te garanderen.
    ⇒ De NHRPH vraagt om minimale toegankelijkheidsvereisten ambitieus in te vullen en integrale toegankelijkheid na te streven.
  • In het ontwerp wordt de term ‘fundamentele wijzigingen’ geduid en gebruikt. De NHRPH vraagt zich af of dit begrip nodig is.
    ⇒ De NHRPH vraagt om expliciet naar de reeds bestaande wetgeving over de redelijke aanpassingen te verwijzen.

D. Toegankelijkheid van informatie

  • In de guidelines wordt als taalniveau niveau B2 naar voren geschoven. Voor heel wat mensen is ook dat niveau nog te complex.
    ⇒ Bied belangrijke informatie ook in eenvoudig te begrijpen taal (FALC, easy to read) aan.
  • Hoewel de digitalisering – mits toegankelijk toegepast – veel mogelijkheden biedt, is de digitale kloof een groeiend probleem voor veel personen met een handicap en hun omgeving. Zelfs wie een menselijk telefonisch contact wil, moet eerst een geautomatiseerd keuzemenu doorlopen. Telefonische keuzemenu’s zijn vaak complex en ongeschikt voor de concrete vraag van de consument. Mensen zijn bang om zich te vergissen, om te laat te antwoorden enz. Voor personen met een auditieve handicap zijn zulke audiomenu’s niet toegankelijk/ Via de smartphone is het niet altijd eenvoudig om snel een virtueel toetsenbord te openen om je keuze door te geven, zeker niet voor personen met een visuele handicap.
    ⇒ Zorg naast digitale bronnen ook altijd voor een menselijk telefonisch onthaal en bemande loketten.
    ⇒ Zorg dat keuzemenu’s toegankelijk zijn door zowel stem- als toetsenbordbevestiging mogelijk te maken.
  • Het ontwerp heeft aandacht voor helder en eenvoudig taalgebruik. Nochtans bevat de tekst zelf een aantal zinnen – vaak met meerdere negaties - die ruimte voor interpretatie laten:
    • Het ontbreken van een document in dit overzicht betekent niet dat dit document niet begrijpelijk moet zijn.” (Voorstel: “Alle documenten bestemd voor het publiek moeten toegankelijk zijn. Dat geldt ook voor documenten die niet zijn vermeld in het overzicht.”)
    • Indien één van deze twee gevallen zich voordoet en de dienstverlener dus een uitzondering kan krijgen, dan betekent dit niet dat de dienstverlener helemaal geen rekening meer moet houden met de toegankelijkheid van de diensten voor consumenten.” De NHRPH wenst te weten wat dat dan wel betekent.
      ⇒ De NHRPH wenst duidelijke guidelines die geen interpretatiemarge laten.
    • De gebruikte terminologie is niet altijd consequent. Zo wordt er in de Nederlandse versie bijvoorbeeld gesproken over minimum toegankelijkheidsvoorschriften (twee woorden), minimumtoegankelijkheidsvoorschriften (één woord), minimumvoorschriften, minimum toegankelijkheidsvereisten en minimum toegankelijkheidsvoorwaarden.
      ⇒ De NHRPH wenst een duidelijke en uniforme terminologie, zowel in de Franse als de Nederlandse versie.

E. Uitzonderingen

  • Het ontwerp voorziet in de volgende uitzonderingen waarbij de minimum toegankelijkheidsvereisten niet moeten worden gerespecteerd:
    • een fundamentele wijziging van de dienst: dit betekent dat de dienstverlener de dienst inhoudelijk zo ingrijpend zou moeten wijzigen waardoor de dienst uiteindelijk onherkenbaar of onuitvoerbaar wordt;
    • een onevenredige last: dit betekent dat de kosten voor de dienstverlener om aan deze voorschriften te voldoen te hoog zijn in verhouding met het toegankelijkheidsvoordeel voor de consument.
      ⇒ De NHRPH wenst geen uitzonderingen, want bankdiensten moeten toegankelijk zijn voor iedereen zonder meerkosten voor de persoon met een handicap.
  • Het is aan de dienstverlener om de fundamentele wijziging van de dienst of de onevenredige last aan te tonen. De NHRPH stelt zich echter vragen bij het gegeven voorbeeld: “Indien de toepassing van de minimum toegankelijkheidsvoorschriften echter tot gevolg heeft dat bijvoorbeeld een papieren cheque volledig moet gedigitaliseerd worden, dan kan dit wel gezien worden als een fundamentele wijziging waarvoor een uitzondering geldt.” Doorgaans is de wijziging net de omgekeerde beweging: de papieren versie verdwijnt en er is enkel nog de - vaak weinig toegankelijke - digitale optie.
    ⇒ De NHRPH vraagt om dit onrealistische voorbeeld te schrappen of aan te passen.
  • indien de dienst aan een derde wordt uitbesteed, moet de dienstverlener er blijven op toezien dat de minimum toegankelijkheidsvoorschriften worden gerespecteerd.” De uitbestedende dienstverlener blijft dus verantwoordelijk.
    ⇒ Hoe wordt de toegankelijkheid van de uitbestede dienst opgevolgd? Wie doet de controle? De dienstverlener zelf? Is die daartoe bekwaam en gemotiveerd? Of enkel de Economische Inspectie?
  • “Mediabestanden die op voorhand werden opgenomen en een bepaalde duur hebben hoeven niet te voldoen aan de minimum toegankelijkheidsvoorschriften indien ze al voor 28 juni 2025 (of 2030 bij micro-ondernemingen) op de website stonden gepubliceerd.”
    ⇒ De NHRPH eist dat ten minste de essentiële informatie altijd beschikbaar is voor iedereen, ongeacht de handicap.

F. Handhaving

  • De Economische Inspectie is bevoegd om de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften bij bankdiensten te controleren. In de guidelines wordt de consument aangeraden bij problemen eerst contact op te nemen bij de dienstverlener. Indien een oplossing uitblijft, kan de consument terecht bij de Economische Inspectie.
    ⇒ De NHRPH vraagt zich af of de Economische Inspectie de nodige middelen en expertise krijgt om de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften bij bankdiensten te controleren.
    ⇒ Wordt de handhaving een prioriteit voor de Economische inspectie? Zonder controle dreigt de naleving van de toegankelijkheidsvereisten af te hangen van de goede wil van de bankinstellingen.
  • Consumenten kunnen ook een beroep doen op andere instanties als die laatste bereid en bekwaam zijn om te handelen in naam van de consument. De NHRPH stelt vast dat het ontwerp van guidelines slechts een beperkt aantal – voornamelijk Vlaamse - instanties vermeldt, ook in de Franstalige versie, VZW Dito, STAN – Trefpunt Verstandelijke Handicap, GRIP vzw, Onafhankelijk Leven vzw en Licht en Liefde.
    ⇒ De NHRPH doet nog enkele niet-exhaustieve suggesties: Unia, Vlaams Mensenrechteninstituut, de federale ombudsman, CAWaB, Inter, Symfoon, …

 G. Tot slot

  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/09 - Aftrekbaarheid van giften

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2025/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aftrekbaarheid van giften, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17 maart 2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Voor opvolging aan de heer Jan Jambon, vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In het regeerakkoord staat het voornemen om de aftrekbaarheid van giften te verminderen.


3. ANALYSE

In het regeerakkoord wordt het volgende vermeld:

Het grote aantal aftrekposten, uitzonderingen en vrijstellingen in de personenbelasting vergroot de complexiteit van de personenbelasting. De regering wil zorgen voor een belastingstelsel dat eenvoudiger te begrijpen is, zodat belastingplichtigen gemakkelijker kunnen voldoen aan hun verplichtingen zonder onnodige complicaties.
(...)
De belastingaftrek van de giften gaat van 45 % naar 30 %.

In een opiniestuk in La Libre wordt erop gewezen dat deze keuze een bedreiging vormt voor 2.500 verenigingen en stichtingen die afhangen van de solidariteit van de burger om hun activiteiten in het algemeen belang uit te voeren. Ook verenigingen die zich inzetten voor personen met een handicap worden bedreigd. Een vergelijkbaar opiniestuk verscheen ook in De Morgen

Volgens hetzelfde opiniestuk in La Libre deden Belgen in 2023 giften van minstens 40 euro voor samen 362 miljoen euro – een verdubbeling in tien jaar tijd. In 2013 bedroegen de giften ongeveer 175 miljoen euro. Deze maatregel zal rechtstreeks gevolgen hebben voor de 1,04 miljoen Belgische huishoudens die gemiddeld meer dan 350 euro per jaar schenken aan 2.500 verenigingen of stichtingen, die bij de wet zijn aangewezen of die fiscaal erkend zijn.

Deze wijziging zal de staatskas nauwelijks iets opleveren. Volgens minister Jambon in de Kamer zou het om een besparing van 40,26 miljoen euro per jaar gaan op een te realiseren begrotingsbesparing van enkele miljarden euro – een druppel dus op de gloeiende plaat van de overheidsfinanciën.


4. ADVIES

De NHRPH is volstrekt tegen de geplande maatregel van de regering. De verenigingen voor personen met een handicap dreigen zwaar te worden getroffen door de verlaging van de aftrekbaarheid van giften: veel verenigingen overleven dankzij giften, omdat zij over het algemeen geen of weinig subsidies ontvangen. Werknemers lopen bovendien het risico te worden ontslagen.

Op gewestelijk niveau heeft de Waalse regering beslist over te schakelen op een structurele financiering voor vijf jaar, dus permanent voor bepaalde verenigingen (zie ook pagina 11 van de Waalse gewestelijke beleidsverklaring). Hoewel de intentie goed lijkt, zorgt dit voor onzekerheid bij de bestaande verenigingen: "wie wordt geselecteerd en onder welke voorwaarden?” Vlaanderen volgt al jaren de trend om de steun aan de verenigingssector te verminderen. Door de verlaging van de fiscale aftrekbaarheid en de onzekerheid over de subsidies wordt de hele sector die zich inzet voor personen met een handicap getroffen.

Bovendien zijn de besparingen die deze maatregel oplevert, peanuts in vergelijking met de vereiste besparingen. En de werknemers die worden ontslagen, kunnen in de werkloosheid belanden. In België is de sociale economie goed voor 17.700 ondernemingen die voor werk zorgen, en 400.000 voltijdse equivalenten, ofwel 1 op 8 banen! De activiteiten van de sociale-economieondernemingen zijn zeer gevarieerd. De sector van de volksgezondheid en sociale dienstverlening alleen al genereert meer dan de helft van de banen in de sociale economie (52,1 %).

Bovendien ondersteunen veel verenigingen de sociale economie en vrijwilligerswerk.

Verenigingen voor personen met een handicap nemen opdrachten en taken op zich die essentieel zijn voor de goede algemene werking: begeleiding van personen met een handicap, zieken en gezinnen, opvolging van administratieve dossiers, inschakeling in het arbeidsproces, … Als de verenigingen minder giften ontvangen, zal een deel van deze opdrachten en taken niet meer kunnen worden uitgevoerd. Voor sommige verenigingen kan dit zelfs de doodsteek betekenen. De begunstigden worden rechtstreeks getroffen en aan hun lot overgelaten.

Vrijwilligerswerk vormt ook een aanvulling op de uitvoering van bepaalde overheidsbeleidslijnen. Vrijwilligers maken het de Staat en de lokale overheden mogelijk de openbare dienstverlening uit te breiden, door initiatieven te ondersteunen op gebieden zoals onderwijs, gezondheid of sociale inclusie, zonder aanzienlijke extra kosten voor de overheidsfinanciën.

Op initiatief van de Koning Boudewijnstichting werd een studie over vrijwilligerswerk in België uitgevoerd. De resultaten werden in december 2020 gepubliceerd.

  • Minstens 736.000 personen doen vrijwilligerswerk voor organisaties, d.i. 8 % van de bevolking.
  • 200 uur/jaar: gemiddelde tijdsinvestering van een vrijwilliger per jaar, d.i. 4 uur/week.
  • 143 miljoen uur per jaar: totaal aantal uur dat vrijwilligers aan organisaties besteden.

Dezelfde studie toonde aan dat dagelijks 40.000 activiteiten worden uitgevoerd door vrijwilligers in België.

Vrijwilligerswerk maakt de Belgische samenleving inclusiever, solidairder en dynamischer en ondersteunt tegelijk ook cruciale dienstverlening in belangrijke domeinen.

Door de fiscale aftrekbaarheid te verlagen wordt een heel deel van de samenleving ondermijnd, en de Staat zal dit op geen enkele manier opvangen.

Tot slot moet, meer dan ooit, solidariteit tussen iedereen worden aangemoedigd. Het verlagen van de aftrekbaarheid zal de ongelijkheden daarentegen verder vergroten en de maatschappelijke betrokkenheid verzwakken.

Het verlagen van de aftrekbaarheid van giften brengt deze sociale constructie in gevaar. Heeft de regering de impact van haar hervorming goed ingeschat?

De NHRPH eist dat de maatregel om het aftrekpercentage van giften te verlagen, wordt ingetrokken.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/04 - Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2025/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorbereiding van het Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling 2025, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/02/2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Interdepartementale Commissie Duurzame ontwikkeling
  • Ter informatie aan de heer Jean-Luc CRUCKE, Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie
  • Ter informatie aan de heer Rob BEENDERS, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling
  • Ter informatie aan de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De wet bepaalt dat de federale regering een Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling indient binnen de 12 maanden volgend op de vorming van de federale regering.

Overeenkomstig de 17 VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap zal het plan van België de specifieke behoeften van personen met een handicap in aanmerking moeten nemen.


3. ANALYSE

A. Voorbereiding van het plan

De Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling is belast met het voorbereiden van het ontwerp van Federaal Plan 2026-2029.

B. Getrokken lessen uit het plan 2021-2024

Uit de analyse van het rapport 2021-2024 blijkt dat handicapsituaties veel te fragmentarisch of te algemeen in aanmerking werden genomen om te kunnen spreken van “handistreaming in de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen”:  

    • B.3.1.5. Diversiteitsmaatregelen binnen het openbaar ambt (streefcijfer van 3% voor tewerkstelling van personen met een handicap bij overheidsdiensten);
    • C.1.1.2. Toegang tot sociale rechten (blootstelling van personen met een handicap aan de non-take-up);
    • C.1.4.1 Strijd tegen discriminatie en ongelijkheden (“bv. vrouwen met een migratieachtergrond, vrouwen met een handicap, enz.”);
    • C.1.4.2 Verbeteren van de gegevensverzameling over gelijkheid (verbeteren van de gegevensverzameling over specifieke onderwerpen en uitsplitsen van de verzamelde gegevens volgens gender, leeftijd, handicap, enz.);
    • Bijlage 2: verwijzing naar het Actieplan voor universele toegankelijkheid (SDG 10);
    • Bijlage 2: Interfederale Strategie Handicap 2021-2030 en Federaal Actieplan Handicap 2021-2024 (SDG 8-10-11-16).

Uit de analyse van het Federaal Rapport 2024 van het Planbureau, “De SDG’s tegen 2030 realiseren: de tijd dringt”, Federaal Rapport inzake duurzame ontwikkeling 2024. Stand van zaken en evaluatie, Juni 2024, blijkt dat de werkzaamheden voor het ontwerpen van het plan 2021-2024 op geen enkele handicapindicator zijn gebaseerd, hoewel personen met een handicap heel wat gevolgen ondervinden van een aantal doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (inclusie in de domeinen onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, vrijetijdsbesteding, enz.). Een rapport van de VN (2024) vestigt de aandacht op het volgende:

    1. ondanks hun verbintenis om de SDG’s aan te nemen, zetten de ondertekenende landen zich niet (voldoende) in voor de inclusie van personen met een handicap;
    2. personen met een handicap blijven blootgesteld aan heel wat discriminaties en barrières.

Een ander rapport van 2022 vestigde nochtans de aandacht op de manier waarop de verschillende betrokken partijen konden bijdragen aan de transformatie van de diensten voor personen met een handicap.


4. ADVIES

De NHRPH herinnert eraan dat België zich, door het aannemen van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, ertoe heeft verbonden die om te zetten in concrete acties voor alle personen met een handicap en dat in alle domeinen van het leven.

De NHRPH vraagt dus dat bij het opstellen van het Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling 2025-2029 rekening wordt gehouden met alle aspecten uit het leven van personen met een handicap.

Daartoe vraagt de NHRPH dat handicapspecifieke indicatoren worden opgenomen in de lijst met indicatoren die worden gebruikt om de voortgang van België te beoordelen wat betreft het realiseren van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen tegen 2030. Om de uitdagingen op het vlak van de inclusie van personen met een handicap te identificeren, verzoekt de NHRPH zijn website te raadplegen. Ten minste de volgende doelstellingen moeten worden opgenomen door middel van een aantal concrete acties:

Doelstelling 1 – Geen armoede

Heel wat personen met een handicap leven in armoede. Om deze armoede te verminderen is het volgende nodig:

    • Het bedrag van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap moet worden opgetrokken tot boven de armoedegrens en ten minste tot het niveau van het gewaarborgd minimuminkomen.
    • Er moet een kadaster van de factoren voor armoede van personen met een handicap worden opgesteld.
    • De specifieke behoeften van personen met een handicap moeten worden geïntegreerd in ieder beleid voor armoedebestrijding en voor tewerkstellingsbegeleiding: met een tewerkstellingsgraad van minder dan 40% van de personen met een handicap is België de slechtste leerling van de Europese Unie (zie met name de studie van de Koning Boudewijnstichting 2024).
    • De wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap moet worden hervormd: ze beantwoordt niet meer aan de huidige behoeften (huisvesting, tewerkstelling, enz.).
    • De toegang tot de rechten effectief maken: het ontbreken van een toegankelijke omgeving, de toenemende digitalisering en het verminderen/ het ontbreken van alternatieven voor menselijke begeleiding doen de “non-take-up” aanzienlijk toenemen (zie adviezen 2018-09, 2024-17).

Doelstelling 2 – Geen honger

Aanzienlijk wat personen met een handicap worden geconfronteerd met inkomensproblemen. Heel wat van hen leven van tegemoetkomingen waarvan de bedragen onder de armoedegrens liggen. De inflatie van de afgelopen jaren heeft de situatie nog versterkt (zie doelstelling 1). Deze problemen worden versterkt doordat mensen heel wat maatschappelijke barrières tegenkomen en het hoofd moeten bieden aan extra kosten wegens hun handicapsituatie.

    • Zij zullen dus wellicht sneller goedkopere producten met een minder goede voedingskwaliteit kopen.
    • De actie van België op het vlak van SDG’s legt heel erg de klemtoon op landbouw, in de zin van landbouw op mensenmaat, en op het stimuleren van gezonde voeding.
      Er zijn daarentegen geen aandachtspunten over het voedseldistributiesysteem. Nochtans lijkt het voedseldistributiesysteem aan de basis te liggen van de buitensporige ontwikkeling van extreem intensieve landbouw en voeding van slechte kwaliteit in termen van voedingswaarde (slechte vetten, te veel suiker, additieven en andere bewaarmiddelen). Het verband tussen ziekte – of zelfs handicap – en voeding is duidelijk.
    • Daar komt nog bij dat groothandels over het algemeen wat beter toegankelijk zijn dan buurtwinkels. Personen met een handicap hebben nochtans belang erbij om, dicht bij hun woonst, kwaliteitsvolle en perfect toegankelijke winkels te vinden.

Doelstelling 3 – Goede gezondheid en welzijn

Om het voor alle personen met een handicap mogelijk te maken in goede gezondheid te leven en eenieders welzijn op iedere leeftijd te bevorderen, is het volgende nodig:

    • het financieringssysteem van de gezondheidszorg moet worden herbekeken: het is onaanvaardbaar dat in een zogenaamd “ontwikkeld” land heel wat personen een keuze moeten maken tussen zich voeden, zich verwarmen of zich verzorgen;
    • mits naleving van de rechten van de patiënt:
      • afschaffen van iedere discriminatie gebaseerd op de handicap (zie bv. toegang tot monodisciplinaire logopedie die niet wordt terugbetaald in geval van verstandelijke handicap);
      • waarborgen van de financiële toegankelijkheid tot verzorging voor alle burgers;
      • installeren van medische structuren die het hele land billijk dekken: personen met een handicap moeten de verzorging krijgen die ze nodig hebben, ook thuis wanneer het noodzakelijk is. Collectieve diensten zouden veel toegankelijker moeten zijn en handicapspecifieke diensten (met name respijtzorgdiensten) veel talrijker;
      • ervoor zorgen dat de medische infrastructuren voldoen aan de vereisten van de universele toegankelijkheid, met inbegrip van de bewegwijzering en de toegang met een assistentiehond. Zorginfrastructuren moeten toegankelijk zijn;
      • waarborgen dat in de gezondheidsinfrastructuren en bij medische raadplegingen rekening wordt gehouden met de nodige specifieke communicatiebehoeften, met inbegrip van gebarentaal en gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal (FALC);
      • ervoor zorgen dat het medisch en paramedisch personeel wordt opgeleid voor het onthaal van en de relatie met personen met een handicap;
      • ervoor zorgen dat zorgverleners over de nodige tijd beschikken om een kwaliteitsvolle behandeling die voor al hun patiënten begrijpelijk is te waarborgen. De nomenclatuur zou dit aspect moeten opnemen.
    • er moeten concrete maatregelen worden genomen om te voldoen aan de toenemende behoefte van thuiszorgdiensten: verpleegkundigen, zorgkundigen, enz., maar ook de behoefte aan begeleiding in het dagelijks leven voor activiteiten waarvoor men “de deur uit moet”: vervoer, tewerkstelling, opleidingen, hobby’s, …
    • het responsvermogen bij rampen moet worden verbeterd: situaties als covid en de overstromingen hebben aangetoond dat de kwetsbaarste personen zwaarder worden getroffen dan de bevolking in het algemeen:
      • bij rampenplannen moeten de behoeften van personen anticipatief, voortdurend en globaal worden geïdentificeerd;
      • het “triage” aan het onthaal of vooraf bij de spoeddiensten mag in geen enkel geval gebeuren op basis van criteria die gekoppeld zijn aan de handicapsituatie van de betrokken persoon: handicap en ziekte mogen niet met elkaar worden verward (oorzaak van comorbiditeit)
      • een situatie van “gezondheidscrisis” kan niet dienen als voorwendsel om essentiële verzorging, zoals kinesitherapie, chemotherapie, logopedie, … voor bepaalde personen met een handicap uit te stellen.

Doelstelling 4 – Kwaliteitsonderwijs (niet het bevoegdheidsdomein van de NHRPH: communautaire aangelegenheid)

In een transversale logica van continuïteit en gelijke kansen ter bevordering van de toegang tot tewerkstelling is het belangrijk dat personen met een handicap toegang kunnen hebben tot kwalificerend onderwijs en dat redelijke aanpassingen effectief worden aangebracht in het onderwijs van hun keuze.

Doelstelling 5 – Gendergelijkheid

Voor personen met een handicap in België betekent “Gendergelijkheid” het volgende:

    • de slechte behandelingen die vrouwen met een handicap ondergaan moeten gestopt worden (in België worden vrouwen met een handicap momenteel nog veel vaker verkracht of aangerand dan zogenaamd valide vrouwen);
    • de praktijken van gedwongen anticonceptie, zelfs sterilisatie zonder geïnformeerde toestemming, moeten worden verboden; de geïdentificeerde praktijken moeten aanleiding geven tot veroordelingen;
    • er moet een einde worden gemaakt aan de situaties van financiële en materiële afhankelijkheid van vrouwen met een handicap;
    • er moet werkelijke vooruitgang worden geboekt op wettelijk vlak voor een concrete integratie van de bevoegdheden van Unia en van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen;
    • onderwijs en opleiding van jonge meisjes met een handicap en de opvolging in de schoolomgeving moeten worden verbeterd;
    • onderricht in het relationele, affectieve en seksuele leven moet worden aangepast volgens de specifieke behoeften.

Doelstelling 8 – Waardig werk en economische groei

Voor de situatie van personen met een handicap in België betekent “Waardig werk en economische groei” het volgende:

    • Er moet een echt tewerkstellingsbeleid worden uitgewerkt: een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers, met name via een concrete uitvoering van de wet “positieve acties”.
    • Werkgevers moeten bewust worden gemaakt van de noodzaak om de aanwerving inclusief te maken.
    • De sociale partners moeten hun rol spelen, door de tewerkstelling van personen met een handicap te ondersteunen in het kader van het opstellen van collectieve arbeidsovereenkomste
    • Over de voorbereiding van dit tewerkstellingsbeleid moet vanaf het begin overleg worden gepleegd met de structuren die personen met een handicap vertegenwoordigen.
    • Er moeten concrete regelgevende en stimulerende maatregelen, worden genomen om het recht op tewerkstelling van personen met een handicap te waarborgen, in de privé- en overheidssector, door te zorgen voor een doeltreffende bescherming tegen discriminatie, een voortgezette beroepsopleiding, een aangepaste toegankelijkheid en de noodzakelijke redelijke aanpassingen.
    • De stagecontracten en andere arbeidsvormen “buiten contract” moeten worden onderworpen aan de sociale zekerheid.
    • De inclusiebeginselen mogen niet worden toegepast in het nadeel van diegenen die ze zouden moeten beschermen: heel wat personen met een handicap willen werken, maar hebben nood aan specifieke begeleidende maatregelen om op een doeltreffende manier werk te zoeken.
    • Er moeten maatregelen worden genomen om het effectief naleven van de tewerkstellingsquota in de overheidssector te waarborgen.
    • Er moeten maatregelen worden genomen opdat de overgang van aangepast werk naar werk in een gewone omgeving wordt vereenvoudigd, vanuit inclusief perspectief.
    • Er moeten concrete maatregelen worden genomen om de “hindernissen voor werk” en “werkloosheidsvallen” in de verschillende wetten en reglementeringen te identificeren en te elimineren.
    • Er moeten maatregelen worden genomen om het voor personen met een handicap mogelijk te maken hun arbeidstijd te verminderen wegens hun gezondheidstoestand, zonder dat zij een globaal inkomensverlies lijden.
    • Er moeten concrete maatregelen worden genomen om de averechtse effecten van de maatregel “back to work” weg te werken: de persoon moet concreet worden begeleid naar werk, maar ook de werkgevers moeten hun verbintenissen nakomen door de terugkeer naar het werk haalbaar te maken, door middel van werkpostaanpassingen en de noodzakelijke redelijke aanpassingen. Indien de terugkeer naar het werk gebeurt op basis van een arbeidsduurvermindering moet dit gebeuren zonder loonverlies.
    • Er moeten maatregelen worden genomen, opdat de bij wet voorziene redelijke aanpassingen concreet worden toegepast in het domein van de tewerkstelling.
    • België moet correct worden bediend door toegankelijk openbaar vervoer. Deze maatregel heeft ook een gunstig effect op het klimaat.
    • De coördinatie tussen de verschillende diensten belast met het tewerkstellingsbeleid moet coherent gebeuren, ten dienste van de gebruikers.

Doelstelling 10 – Ongelijkheid verminderen

Voor de situatie van personen met een handicap in België betekent “Ongelijkheid verminderen” het volgende:

    • Er moet rekening worden gehouden met de diversiteit van de handicapsituaties: aan alle aspecten van de toegankelijkheid moet zijn voldaan op ieder bevoegdheidsniveau en op alle gebieden.
    • De organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen moeten worden betrokken bij het uitstippelen van het beleid en het opstellen van de regelingen inzake verkiezingen die een impact kunnen hebben op het leven van personen met een handicap en hun gezin.
    • Iedere informatie en communicatietool moet toegankelijk worden gemaakt: in alle domeinen van het leven zou alle essentiële informatie moeten bestaan in “Gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal” (FALC), braille en gebarentaal.
    • In de wetgeving moet op een duidelijke manier het recht op begeleiding worden ingeschreven, dit wil zeggen het recht van personen met een handicap om zich te laten begeleiden door de vertrouwenspersoon van hun keuze.
    • Er moet worden voorzien in de mogelijkheid van redelijke aanpassingen in alle domeinen van het leven, zonder meerkosten en ongeacht de handicap.
    • Van geen enkele persoon met een handicap mag het stemrecht wordt afgenomen op basis van de handicapsituatie. Een persoon met een handicap verbieden om te stemmen mag enkel uitzonderlijk gebeuren. Welk gevaar houdt het voor de persoon met een handicap of de samenleving in als hij/zij stemt?
    • Er moet erop toegezien worden dat personen met een handicap nooit anders worden behandeld tijdens het daadwerkelijk uitoefenen van hun rechten: ieder verschil in behandeling op grond van een handicap is een discriminatie die STEEDS MOET worden verboden.
    • de toegang tot het volledige stemtraject moet worden gewaarborgd: verkiezingsinformatie, stemmodaliteiten, partijprogramma’s, media-opvolging, stembureaus, … moeten volledig zelfstandig begrijpelijk zijn. De informatie moet in de verschillende formaten en steeds in FALC beschikbaar zijn.
    • De verkiesbaarheid van personen met een handicap en de nodige ondersteuning van personen met een handicap die houder zijn van een mandaat ingevolge een verkiezing moet worden gewaarborgd.
    • In de media moet er aandacht zijn voor de zichtbaarheid van personen met een handicap, niet op grond van hun handicap, maar met een focus op hun levenskeuzes en hun maatschappelijke participatie.

Doelstelling 11 – Duurzame steden en gemeenschappen

Voor de situatie van personen met een handicap betekent “Duurzame steden en gemeenschappen” het volgende:

    • De infrastructuren moeten worden gebouwd of aangepast met naleving van de principes van universele toegankelijkheid. Het toegankelijk maken van huisvesting is een prioriteit. Er bestaan reeds jaren regels voor het niet-residentieel park. Ze werden slechts zeer zelden toegepast, doorgaans omdat er onvoldoende wordt gecontroleerd en geen sancties volgen.
    • Personen met een handicap moeten de mogelijkheid hebben huisvesting met goede energieprestaties te kunnen verwerven of huren, die voldoen aan hun specifieke behoeften en in de buurt van toegankelijke winkels en diensten.
    • Iedere persoon moet de mogelijkheid worden geboden de eigen leefomgeving te kiezen.
    • De grote steden moeten zodanig worden ingericht dat ze toegankelijk zijn op fysiek, verstandelijk en digitaal niveau.
    • De winkels, diensten, sport-, culturele en toeristische infrastructuren moeten volledig toegankelijk worden gemaakt voor iedereen.
    • Personen met een handicap moeten zich onbelemmerd kunnen verplaatsen: ze moeten dit volledig zelfstandig kunnen en, zo nodig, kwaliteitsvolle begeleiding krijgen, en dit zonder aanvraagtermijn. De multimodaliteit moet effectief zijn.
    • De financiële diensten moeten voor zoveel mogelijk personen toegankelijk blijven, ook in niet-elektronische vormen, op een redelijke afstand van de woonst.
    • Een globaal transformatieproces van de collectieve leefomgevingen (voorzieningen moet worden ontwikkeld, gebaseerd op de levenskwaliteit en het naleven van de rechten van personen met een handicap: “thuis wonen”, ongeacht of het in een individuele of collectieve huisvesting is, moet de norm worden. De Staat is verplicht om een gevarieerd aanbod te ontwikkelen zodat personen met een handicap een echte keuze kunnen maken die is aangepast aan hun behoeften in iedere fase van hun leven.
    • Nieuwe beroepen die de begeleiding van personen met een handicap ondersteunen in hun levenskeuzes moeten worden gecreëerd.
    • Er moeten interventieplannen, “rampenplannen” op basis van een concrete kennis van de behoeften van personen met een handicap, worden uitgewerkt.

Tot slot herinnert de NHRPH er nog eens aan dat het vastleggen van de prioriteiten en indicatoren moet gebeuren samen met de personen met een handicap door middel van de raden die hen vertegenwoordigen. Gelet op het belang van de uitdagingen is het noodzakelijk een planning op te stellen, ook wat betreft de dringende aangelegenheden en zeker ook met de betrokken adviesraden.
Ter herinnering, op ieder competentieniveau is er een adviesraad inzake handicap, die nauw betrokken moet worden (volledige lijst van adviesraden inzake handicap).

  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/02: Toegang tot logopedie

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over 4 wetsvoorstellen inzake de toegang tot logopedie:

  • Wetsvoorstel teneinde logopedie toegankelijker te maken [DOC 56 0468]
  • Wetsvoorstel tot verruiming van de voorwaarden voor de terugbetaling van logopedische verstrekkingen [DOC 56 0407]
  • Wetsvoorstel tot wijziging van de terugbetalingscriteria voor de toegang tot logopedie [DOC 56 0585]
  • Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 8 mei 2019 betreffende de tenlasteneming van de logopedische verstrekkingen en van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, teneinde de logopedische verstrekkingen te verbeteren voor kinderen met een intelligentiestoornis [DOC 56 0157]

Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 20/01/2025, uitgebracht op 07/02/2025 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 28/01/2025.

Advies uitgebracht op verzoek van de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zoals gevraagd in haar e-mail van 10/01/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De 4 voorstellen hebben tot doel de toegankelijkheid tot logopedie te verbeteren door de terugbetalingsvoorwaarden in het kader van bepaalde pathologieën te herzien.


3. ANALYSE

A. Algemene opmerkingen

Hoewel de vier wetsvoorstellen lichtjes verschillende memories van toelichting hebben, is hun doel hetzelfde en stellen ze dezelfde wijziging van de nomenclatuur voor, namelijk: de afschaffing van de verwijzing naar het IQ-criterium voor de toegang tot logopedie in de RIZIV-nomenclatuur (Art. 36). De NHRPH zal dus een enkel advies verstrekken over de ingediende voorstellen samen.

B. Over de afschaffing van het IQ-criterium

De NHRPH is het eens met de wetgever dat het al dan niet toekennen van een terugbetaling voor een zorgprestatie op basis van een intelligentietest een vorm van discriminatie is die duidelijk in strijd is met de verplichtingen van België in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

C. Over de noodzaak om de cumulatievoorwaarden uit te breiden

De afschaffing van het IQ-criterium volstaat evenwel niet op zich om kinderen met een verstandelijke handicap en/of met autisme toegang te garanderen tot deze logopedische verstrekkingen zolang de huidige cumulatieregels voorzien bij artikel 36, §3 strikt zijn.

Zodoende komt de verplichte verzekering niet tussen wanneer de rechthebbende (en dit ongeacht zijn of haar IQ):

    • buitengewoon onderwijs volgt. Deze beperking geldt alleen voor logopedische behandelingen voor de stoornissen B2, B3 en F.
    • wordt gerevalideerd in een inrichting die met het RIZIV of met de deelgebieden een overeenkomst heeft gesloten die met name de behandeling door een logopedist dekt. Deze uitsluiting geldt niet voor de rechthebbenden met stoornissen omschreven in § 2, b), 6°, 6.3; § 2, d) en e).
    • zie alle uitsluitingscriteria https://www.riziv.fgov.be/SiteCollectionDocuments/nomenclatuurart36_20240801_01.pdf (vanaf p. 16).

D. Over het behoud van de discriminatie ten opzichte van kinderen met autisme

Artikel 36, § 2 f) voorziet ook in een uitsluiting van kinderen met autisme van de terugbetaling van logopedie (door middel van de vermelding van pervasieve ontwikkelingsstoornis). Deze uitsluiting vormt, net als het IQ, een overduidelijke discriminatie.

De Conseil Consultatif Wallon des personnes en situation de handicap (Waalse Adviesraad voor Personen met een Handicap) – CCWPSH - (ook geïnterpelleerd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers om zijn advies uit te brengen) heeft ook een advies 0038 over dezelfde wetsvoorstellen uitgebracht.


4. ADVIES

De NHRPH herinnert aan de adviezen die hij reeds sinds 2016 heeft uitgebracht (waarin hij de willekeur en het totale gebrek aan wetenschappelijke basis van het IQ aan de kaak stelt, maar ook het discriminerende karakter van een maatregel die duidelijk wordt gerechtvaardigd door de handicap) en die nog steeds volledig relevant zijn: adviezen 2016-13 en 2023-21 waarin de veelvuldige discriminaties in de huidige regeling en de noodzakelijke hervormingen worden benadrukt.

A. Over de afschaffing van het IQ-criterium

De NHRPH brengt dus een volledig positief advies uit over de voorstellen met het oog op de afschaffing van het gebruik van IQ-tests om toegang te krijgen tot de terugbetaling van monodisciplinaire logopedie. De wetsvoorstellen maken het mogelijk om een discriminatie op te heffen en fundamentele rechten te doen gelden.

De nieuwe diagnostische criteria van de WGO sluiten een IQ-score zonder meer uit als een betrouwbaar criterium voor het diagnosticeren van een verstandelijke beperking. Verschillende studies stellen overigens dat de IQ-scores van kinderen hun huidige vaardigheden weerspiegelen en geenszins hun potentieel voor het aanleren van taal (zie meer details in advies 2023-21). Advies 0038 van de CCWPSH gaat in dezelfde richting.

Ieder IQ, ongeacht de weerhouden drempel, is wel degelijk een discriminerend criterium, in rechtstreeks verband met de handicap. Iedere reglementaire maatregel die de persoon met een handicap in een specifiek statuut brengt ten opzichte van andere personen is discriminerend en dus in strijd met de mensenrechten. Het invoeren van een IQ, ongeacht van welk niveau, creëert hiërarchieën tussen patiënten; deze hiërarchieën zijn afkeurenswaardig.

De NHRPH herinnert ook aan artikel 22ter van de Grondwet: “Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen”. Het tweede deel van artikel 22ter (“De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”) legt positieve verplichtingen op aan de overheden. Iedere wetgever moet, in zijn bevoegdheidsdomein, het grondrecht voor volledige inclusie van personen met een handicap implementeren en de hindernissen voor deelname van personen met een handicap doen verdwijnen.

De NHRPH herinnert eraan dat communicatie ook een fundamenteel recht is van de persoon met een handicap (artikel 24 van het internationaal Verdrag inzake de mensenrechten en artikelen 2 en 21 van de UNCRPD). De Staten hebben ook de plicht om ervoor te zorgen dat communicatie makkelijker wordt aangeleerd en gebruikt. Dankzij communicatie kunnen zowel kinderen als volwassenen een positieve relatie met zichzelf en hun omgeving ontwikkelen.

Ten slotte herinnert de NHRPH aan een van de fundamentele beginselen van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, namelijk het recht op participatie, dit is het recht van kinderen om gehoord te worden, betrokken te worden en in aanmerking te worden genomen bij beslissingen die hen betreffen. Om effectief te kunnen participeren, moeten kinderen met name de kans krijgen om zich uit te drukken.

De NHRPH wijst op de fundamentele rol van logopedie in deze triangulatie “communicatie die participatie en inclusie mogelijk maakt”: ongeacht de leeftijd of pathologie van de persoon is logopedie een springplank naar een betere communicatie, de mogelijkheid om zijn of haar keuzes, interesses en weigeringen uit te drukken en zo deel uit te maken van de maatschappij.

B. Over de noodzaak om de cumulatievoorwaarden uit te breiden

De mogelijkheid om te cumuleren zou altijd mogelijk moeten zijn. Het beoordelingscriterium zou ALTIJD de ontwikkeling van het kind moeten zijn. De NHRPH is het in dit opzicht volledig eens met het standpunt van de CCWPSH, die ook van mening is dat het doel is “te voorkomen dat volwassenen wegzakken in sociale uitsluiting enkel en alleen omdat ze hun recht op communicatie niet (meer) kunnen uitoefenen” (pagina 3 van advies 2025-01 van de CCWPSH).

De noodzaak van intensievere opvolging op het vlak van logopedie – om met name de taalvaardigheid te ontwikkelen (zie punt A.) – vereist ook vaak een monodisciplinair therapeutisch kader, waardoor het kind regelmatige en intensieve zorg kan krijgen. Helaas is deze aanpak extreem duur voor gezinnen en moeten zij, rekening houdend met de huidige beperkingen op terugbetalingen, alle kosten zelf dragen. Zodoende zouden ouders die kiezen voor multidisciplinaire zorg deze keuze niet moeten maken ten koste van monodisciplinaire zorg, die in sommige gevallen noodzakelijk is. 

Ook ter herinnering: er zijn absoluut onvoldoende centra voor ambulante revalidatie (CAR) en de wachttijden lopen soms op tot meer dan 2 jaar (p. 3 en 4).

C. Over de noodzaak om de Belgische regelgeving in overeenstemming te brengen met de behoeften op het terrein

De NHRPH vraagt dat de wetsvoorstellen worden aangevuld om de 

    1. cumulatie monodisciplinaire logopedie/buitengewoon onderwijs toe te staan.

Logopedie in instellingen voor buitengewoon onderwijs:

      • gebeurt niet systematisch, aangezien de scholen voor buitengewoon onderwijs niet noodzakelijk logopedie aan hun leerlingen aanbieden. De scholen kunnen immers het paramedische team dat zij nodig hebben kiezen. Sommige scholen hebben daarom gekozen voor fysiotherapeuten, neuropsychologen of ergotherapeuten, maar niet voor logopedisten.
      • wordt in ieder geval niet op continue basis verstrekt, aangezien de opvolging stopt tijdens de schoolvakanties.
      • bereikt niet hetzelfde kwaliteitsniveau, omdat logopedie in scholen voor buitengewoon onderwijs vaak in groepssessies wordt gegeven in plaats van individueel.
    1. de cumulatie monodisciplinaire logopedie / CAR toe te staan.

Opgevolgd worden in een CAR zou ook geen criterium mogen zijn voor uitsluiting van terugbetaling van monodisciplinaire logopedie. Deze voorzieningen zouden elkaar moeten aanvullen en niet uitsluiten. Sommige kinderen krijgen bijvoorbeeld soms slechts één uur ergotherapie per week en hebben daarom geen recht op een terugbetaling bij het RIZIV voor logopedie. Het aanvullende karakter zou beantwoorden aan de verschillende behoeften van de kinderen en tegelijkertijd de CAR’s ontlasten van de opvolging die elders gedaan zou kunnen worden. De CCWPSH vraagt daartoe “een gezamenlijk actieplan van het WG (Wallonië)  en de FWB (Franse Gemeenschap), teneinde enerzijds te zorgen voor de opleiding van nieuwe logopedisten en anderzijds voor gepaste ontwikkeling en ontplooiing van logopediediensten in heel Wallonië” (advies 2025-01, pagina 4).

D. Over het behoud van de discriminatie ten opzichte van kinderen met autisme

Artikel 36, §2 f) voorziet ook in een uitsluiting van kinderen met autisme van de terugbetaling van monodisciplinaire logopedie (door middel van de vermelding van pervasieve ontwikkelingsstoornis). Deze uitsluiting vormt, net als het IQ, een overduidelijke discriminatie op basis van de handicap.

De NHRPH vraagt dat de wetsvoorstellen ook de huidige tekst van artikel 36 als volgt aanpassen:

"§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 3 mag de verzekeringstegemoetkoming worden verleend voor zover de behandeling kan bijdragen tot een verbetering van de stoornissen:
f) aan de rechthebbende met dysfasie, dit wil zeggen ernstige expressieve en/of receptieve taalstoornissen die hardnekkig blijven voortduren na de vijfde verjaardag en die ernstig interfereren met de sociale communicatie en/of dagelijkse activiteiten waarbij mondeling taalgebruik komt kijken, in afwezigheid van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, een gehoorstoornis (het gemiddeld gehoorverlies bedraagt aan het beste oor niet meer dan 40 dB HL), een intelligentiestoornis (performantieel of non-verbaal IQ of OQ (ontwikkelingsquotiënt) van 86 of meer, gemeten met een individuele test voorkomende op een door de Overeenkomstencommissie logopedisten-verzekeringsinstellingen goedgekeurde limitatieve lijst."

E. Noodzakelijke verduidelijking

De IQ-drempel en de modaliteiten voor toegang tot logopedie werden gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juli 2024, maar dit KB zou het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep bij de Raad van State.
Hoe nemen de wetsvoorstellen de huidige situatie in aanmerking die onzeker is, gelet op de beroepen bij de RvS?
Er wordt verder verwezen naar de IQ-grens van 86, die nochtans door dit KB werd gewijzigd. Waarom?

Conclusie,

De NHRPH herinnert eraan dat het absoluut noodzakelijk is dat de wetgever de situatie onderzoekt vanuit het oogpunt van de behoeften van personen met een handicap en hun gezin.  

    1. De huidige regeling is discriminerend en de reden is wel degelijk het IQ of de handicap: wegens hun IQ of hun specificiteit (pervasieve ontwikkelingsstoornis) hebben deze personen geen toegang tot terugbetalingen voor monodisciplinaire logopedie onder dezelfde voorwaarden als de andere patiënten.
    2. Ook al blijft de multidisciplinaire tenlasteneming een centrale voorziening in het traject van kinderen met een verstandelijke handicap, ze is op zich niet voldoende. Een gemengde tenlasteneming zou mogelijk moeten worden gemaakt voor alle gezinnen, los van hun financiële middelen, omdat de ontwikkeling van het kind het rechtvaardigt.
    3. Het is absoluut noodzakelijk af te stappen van een zorgpadlogica en in plaats daarvan een complementaire relatie op te bouwen tussen beide soorten tenlastenemingen. De doelstelling is immers de ontwikkeling te ondersteunen, onderbrekingen in de begeleiding te voorkomen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat gedurende het hele leven de meest geschikte formule wordt gekozen.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2025/07 - Project Chronisch Zieke Jongeren

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de ontwerpaanbevelingen van het project "Chronisch (Zwaar) Zieke Jongeren, uitgevoerd door de Hogeschool PXL - expertisecentrum Zorginnovatie in samenwerking met Esperity in opdracht van de FOD - Sociale Zekerheid.

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht tijdens de zitting van 17 maart 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Hogeschool PXL - expertisecentrum Zorginnovatie en Esperity
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen.
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het Coördinatiemechanisme van de UNCRPD
  • Ter info aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In augustus 2024 heeft de FOD Sociale Zekerheid de Hogeschool PXL opdracht gegeven om in samenwerking met Esperity een onderzoek uit te voeren naar de begeleidende maatregelen die nodig zijn voor chronisch zieke jongeren die regelmatige en soms zware zorg nodig hebben, maar tegelijkertijd een actief leven willen aanvatten, met name op het gebied van opleiding en werk. De consultant heeft op 12 maart 2025 een ontwerp van aanbevelingen ingediend.


3. ANALYSE

Na verschillende maanden van onderzoek (enquêtes, werkgroepen en vergaderingen) en met de deelname van talrijke verenigingen in het veld en belanghebbenden (instanties, ziekenfondsen, ...) formuleerden de consultant en aantal aanbevelingen:

  1. Verbetering van de toegang van jongeren tot sociale rechten door gecentraliseerde informatie en proactieve begeleiding
  2. Herziening van de koppeling tussen inkomen en toegang tot sociale rechten voor jongeren met chronische ziekten
  3. Verbeteren van de consistentie en communicatie bij de beoordeling van de zelfredzaamheid voor aanvragen van inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT)
  4. Versterking van de rol van de ziekenfondsen bij de ondersteuning van jongeren met een chronische ziekte
  5. Verbetering van de samenwerking tussen instanties en overheden
  6. Scholen en universiteiten sensibiliseren voor ondersteunende maatregelen voor studenten met chronische ziekten en stigmatisering tegengaan
  7. Betere ondersteuning en gelijke kansen voor studenten met een chronische ziekte in het hoger onderwijs
  8. Tewerkstellingskansen op maat bieden aan jongeren met een chronische ziekte
  9. Progressieve werkhervatting en financiële steun voor alle jongeren met een chronische ziekte
  10. Inclusieve werkplekken en ondersteuning voor werkgevers
  11. Bescherming tegen discriminatie bij sollicitaties en tewerkstelling

4. ADVIES

Over het geheel van de aanbevelingen,

De NHRPH neemt kennis van het brede spectrum aan aanbevelingen en de vereiste actie op een groot aantal gebieden:

  • toegang tot informatie,
  • de huidige regelgeving betreffende de erkenning en beoordeling van zelfredzaamheid,
  • de rol en organisatie van de belanghebbenden en de noodzakelijke onderlinge samenwerking,
  • rekening houden met de ziekte in de huidige kaders van onderwijs, werkgelegenheid en aanwerving, milieu en toegankelijkheid.

De NHRPH benadrukt de noodzaak van een multifocale aanpak van de begeleiding van jongeren met een chronische ziekte, omdat een jongvolwassene in staat stellen om met succes een opleidings- en tewerkstellingstraject te volgen een kwestie van levenskeuze en inclusie is die veel verder gaat dan alleen de kwestie van het levensonderhoud en de toegang tot inkomen, terwijl die kwestie  uiteraard ook inbegrepen is.

De NHRPH herinnert ook aan een andere studie over de non-take-up met betrekking tot de diensten van de DG Personen met een handicap, die zich momenteel in de fase van de impactanalyse bevindt en waarvan het eindverslag op 26 maart 2025 wordt verwacht. Uit dit onderzoek komen zeer gelijkaardige bevindingen naar voren: gebrek aan kennis van rechten, versnipperde informatie, gevoel van uitsluiting, mentale belasting door repetitieve procedures, enz.

Achter de bevindingen gaat een zeer sterk signaal schuil van een oproep tot actie voor de komende jaren, bij de DG Personen met een handicap maar ook bij de andere vermelde stakeholders, op federaal niveau of in de deelgebieden. Een politieke en administratieve planning op federaal niveau is noodzakelijk, vergezeld van concrete middelen en regelmatige evaluaties. Het is aan de bevoegde federale ministers om samen te werken en ook de deelgebieden te betrekken via de IMC Handicap en de IMC Tewerkstelling.

Over bepaalde specifieke aanbevelingen,

Aanbeveling 1: Verbeteren van toegang tot sociale rechten voor jongeren door gecentraliseerde informatie en proactieve begeleiding.

  1. De eerste suggestie is een centraal informatieportaal te ontwikkelen dat alle relevante sociale rechten en ondersteuningsmaatregelen samenbrengt, met duidelijk gestructureerde en toegankelijke informatie vanuit verschillende bronnen zoals sociale zekerheid, gezondheidsfondsen en overheidsinstanties zou hiertoe een oplossing kunnen zijn.

De NHRPH wijst erop dat deze aanbeveling in overeenstemming is met de conclusies van de IMC Handicap van 5 december 2023:

      • De IMC Handicap heeft de WG Tewerkstelling en de bevoegde overheden belast met de taak om alle obstakels in kaart te brengen waarmee personen met een handicap geconfronteerd worden op het vlak van tewerkstelling. Het doel is om een gedetailleerde lijst op te stellen van de belemmeringen die men ondervindt, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen om ze te overwinnen, met het oog op het garanderen van een eerlijke toegang tot de arbeidsmarkt voor personen met een handicap.
      • De leden van de IMC Handicap vragen de WG Tewerkstelling en de betrokken administraties om een repertorium aan te leggen van goede praktijken bij de verschillende administratieve niveaus om werknemers met een handicap effectief te integreren in de publieke sector. De WG moet de beste aanpak vinden om deze goede praktijken te verspreiden en bekend te maken.
      • De IMC Handicap draagt de WG Werkgelegenheid en de betrokken administraties op om een exhaustieve lijst samen te stellen van de hulp en andere maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid die beschikbaar zijn voor personen met een handicap en werkgevers, in alle openbare en private bedrijven. De WG wordt gevraagd op zoek te gaan naar de beste manier om deze informatie/gegevens te delen en te publiceren, zodat alle betrokkenen, werknemers zowel als werkgevers, er gemakkelijker voordeel uit kunnen halen.

De NHRPH herinnert in dit verband ook aan opmerking 57 van de VN-experten aan België:

Het Comité beveelt aan dat de Staat die partij is, in nauw overleg met en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, op alle federale bestuursniveaus toegankelijke informatie verstrekt over de beschikbare maatregelen met betrekking tot de terugkeer naar regulier werk, over redelijke aanpassingen, beschikbare uitkeringen, en over verenigingen die gespecialiseerd zijn in specifieke werkgebieden, en structurele maatregelen neemt om een effectieve samenwerking te waarborgen tussen alle entiteiten die betrokken zijn bij de ondersteuning van personen met een handicap op de arbeidsmarkt.

De NHRPH merkt op dat in het ontwerp van aanbevelingen meteen ook de haalbaarheid van de maatregel ter discussie wordt gesteld:

… moet de haalbaarheid en kosten-batenanalyse zorgvuldig worden overwogen. Het creëren van een nieuw platform dat voor één specifieke doelgroep bedoeld is, kan kostenintensief en moeilijk te implementeren zijn. Een meer haalbare benadering is het verbeteren van de bestaande infrastructuur, zodat mensen uit diverse doelgroepen, zoals jongeren, ouderen, mensen met een handicap en andere kwetsbare groepen, gemakkelijker toegang hebben tot de benodigde informatie. Dit kan bijvoorbeeld door het optimaliseren van de huidige digitale platforms en het samenbrengen van informatie vanuit verschillende bronnen.

De NHRPH is van mening dat het verslag hiermee de maatregel bij voorbaat een fatale slag toebrengt. De vraag naar de haalbaarheid van een maatregel is veeleer een zaak van de politiek, die deze moet beoordelen in het licht van haar eigen doelstellingen en de middelen die zij ervoor uittrekt of zal uittrekken.

In dit verband wijst de NHRPH erop dat alle Belgische regeringen tegen 2030 een werkgelegenheidsgraad van 80% willen bereiken, wat neerkomt op 636.000 extra werknemers. De HRW (pagina 20) merkt op dat de werkgelegenheidskloof tussen mensen met en zonder handicap of ziekte momenteel 33,1% bedraagt en dat deze moet worden teruggebracht tot 24,5%.

De NHRPH herinnert aan de conclusies over handicaps van het diversiteitsrapport 2024 van de FOD WASO; deze conclusies geven aan dat de uitdaging aanzienlijk is:

De werkzaamheidsgraad van personen met een handicap is laag – ook wanneer ze geen tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangen en wanneer ze een diploma hoger onderwijs hebben – en hun werkloosheids- en inactiviteitsgraden liggen hoog. Zeker die laatste blijft toenemen met de leeftijd. Wanneer ze werken, werken personen met een beperking minder vaak voltijds. Bovendien zijn we er het afgelopen decennium niet in geslaagd hun arbeidsparticipatie structureel te verbeteren, en dat geldt voor quasi alle sectoren, de overheid inbegrepen.

In 2024 identificeerde de Koning Boudewijnstichting (KBS) zelf het gebrek aan informatie bij kandidaat-werknemers en werkgevers als een van de belemmeringen voor tewerkstelling, en deed een reeks aanbevelingen, waarvan de eerste aanbeveling aan de Staat (pagina 35) was dat er betere informatie dient te worden verstrekt aan personen met een handicap en hun naasten om hen te helpen navigeren doorheen de institutionele lasagne ... (tegemoetkomingen, begeleiding, enz.) en dat bedrijven beter dienen te worden geïnformeerd over steunmaatregelen.

De NHRPH dringt er daarom sterk op aan dat volledige, duidelijke en geïntegreerde informatie een hoge en absolute prioriteit krijgt. Momenteel stelt de NHRPH vast dat de informatie versnipperd is, wat leidt tot verwarring, verlies van informatie en van rechten, en soms zelfs tot averechtse effecten voor de kandidaat-werknemers en de werkgevers. De toegang tot correcte en geïntegreerde informatie brengt een basiskost met zich mee, maar de voordelen zijn veelvoudig, zowel voor de betrokkene als voor de werkgever en uiteindelijk ook voor de sociale zekerheid in haar geheel. De overheid, die de prioriteit verdedigt om grote aantallen mensen terug aan het werk te krijgen, heeft ook de verantwoordelijkheid om alle belanghebbenden daartoe de nodige middelen en instrumenten te bieden.

  1. Een andere suggestie is de rol van de ziekenfondsen versterken: het idee is om hen een begeleidende rol te laten spelen via een vaste contactpersoon.

De NHRPH vestigt ook de aandacht op de verenigingen voor personen met een handicap of verenigingen die personen met een handicap ondersteunen op de arbeidsmarkt: deze verenigingen hebben echte expertise die moet worden gebruikt.

Aanbeveling 8: Tewerkstellingskansen op maat aanbieden: dit omvat het aanmoedigen van job coaching, het voorzien in een centraal contactpunt en het bevorderen van hybride werkregelingen en telewerk.

De NHRPH is van mening dat een hybride benadering van telewerk wenselijk is: veel mensen zouden een baan kunnen aanvaarden die grotendeels van thuis uit kan worden gedaan, waardoor periodes van zorg en rust wegens ziekte of handicap flexibeler kunnen worden gecombineerd. We herinneren eraan dat ook het openbaar vervoer nog steeds onvoldoende toegankelijk is, waardoor werkdagen nog vermoeiender en ingewikkelder worden.

De NHRPH benadrukt ook de noodzaak om nieuwkomers op de werkplaats te begeleiden. Job coaching zoals het nu bestaat is ontoereikend, gefragmenteerd en zeer vaak onregelmatig om de betrokkene effectieve ondersteuning op lange termijn te bieden. Er is ook behoefte aan een serieuze, structurele versterking van de synergieën tussen bestaande administratieve en verenigingsmaatregelen: sommige verenigingen hebben gespecialiseerde begeleidingsdiensten ontwikkeld. Deze diensten zouden veel beter ondersteund moeten worden, zodat ze kunnen samenwerken met de administratieve structuren, die vaak een bredere opdracht hebben. Het is essentieel om de specialisatie te behouden, daar werknemers met chronische ziekten of handicaps uiteenlopende noden hebben. Het is deze koppeling die op lange termijn professioneel succes waarborgt en de werkgever geruststelt over de mogelijkheid om personen met een handicap in het algemeen in dienst te nemen.

De NHRPH benadrukt ook het belang van initiatieven zoals "duo for a job", met een grote mate aan vertrouwen tussen jongeren en hun coach: de NHRPH verdedigt het idee omdeze coaching uit te breiden naar personen met chronische ziekten en handicaps.

Aanbeveling 9: Introductie van het idee van geleidelijke tewerkstelling: het idee bestaat erin om een passend sociaal statuut te creëren en tijdelijke bijstand te verlenen tijdens perioden van onderbreking, een formule van tijdelijke opschortingsperioden in te voeren, van verminderde uren zonder verlies van verworven rechten. Het idee is ook om een systeem van sociale bescherming te creëren dat financiële steun biedt aan jongeren die geen werkervaring of socialezekerheidsrechten hebben kunnen opbouwen.

De NHRPH staat volledig achter deze aanpak: het huidige statuut van de werknemer die gebonden is aan een overeenkomst met bindende prestaties staat haaks op de concrete gevolgen van chronische ziekte of handicap voor het dagelijkse leven. Momenteel moeten deze mensen vaak buiten hun wil om stoppen met werken, en wanneer ze toch werken, zijn de gevolgen van een terugval dramatisch op financieel vlak (verlies van tegemoetkomingen onder de wet van 27 februari 1987). Bij twijfel stoppen mensen met werken. Een statuut dat het mogelijk maakt werk en tegemoetkomingen te combineren tijdens dagen van ziekteverlof zou beschermend zijn voor de werknemer en geruststellend voor de werkgever (geen gewaarborgd loon). Dit aspect zou moeten worden herzien in het kader van de hervorming van wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen.

Aanbeveling 10: Inclusieve werkplekken en ondersteuning van werkgevers - de kwestie van redelijke aanpassingen.

De NHRPH herinnert ook aan de richtsnoeren van de Raad van de Europese Unie van 2023 die elke Staat als volgt moet toepassen:

(...) de oprichting van een gemeenschappelijk fonds voor redelijke aanpassingen dat door de werkgevers wordt gefinancierd en beveelt aan dat naleving van de relevante internationale verdragen een voorwaarde is voor de toekenning van stimulansen voor staatssteun.

De NHRPH vestigt ook de aandacht op het rapport van de HRW (blz. 20), dat de verplichting benadrukt om de nodige maatregelen te nemen (redelijke aanpassingen op het werk, begeleiding, enz.) om de doelstelling te bereiken om de tewerkstellingskloof tussen personen met een handicap en andere werknemers te verkleinen.

Tot slot vestigt de NHRPH de aandacht op de waarschuwingen van de FOD WASO in zijn Diversiteitsrapport 2024, waarvan sommige bijzonder relevant zijn in het kader van dit advies: 

p. 362: Wel is het belangrijk voor ogen te houden dat daarbij vaak niet alleen gezondheidsfactoren, maar ook andere elementen een rol spelen, zodat een geïntegreerde aanpak nodig is, die vertrekt vanuit een sterk en een goed multidimensionaal preventiebeleid. Daarbij moet ook aan een trajectperspectief worden gedacht: wie ondanks een drempel toch een baan aanvaardt, moet ook weten wat er zal gebeuren indien de drempel problematischer wordt – als het medische probleem bijvoorbeeld verergert. Zijn minder werkuren, verdere aanpassingen, … dan mogelijk?

p. 363: onze systemen zijn zo ingewikkeld dat de gebruikers ze niet meer begrijpen – en dan werkt de incentive niet.

Ook aan de belemmeringen die maken dat mensen niet of niet meer op zoek gaan naar een baan, moet worden gewerkt. Weten dat de hulp die we beschreven beschikbaar is, gaat daar natuurlijk aan bijdragen.

Onduidelijke financiële incentives … maken dat zeer moeilijk en leiden tot een keuze voor het zekere boven het onzekere.

… [Ervoor zorgen dat uitkeringen] niet abrupt wegvallen zodra iemand een baan aanneemt, zou een logische stap moeten zijn.

… als het recht op een uitkering niet terug kan worden opgenomen als de (re)integratie in de arbeidsmarkt mislukt, zullen sommigen het risico niet nemen. Factoren die de beschikbaarheid beperken, zoals onvoldoende of onbetrouwbaar openbaar vervoer, te dure of niet vlot toegankelijke kinderopvang of een gebrek aan huisvesting (probeer als dakloze maar eens een baan te vinden) moeten ook worden aangepakt. Ook alle vormen van stereotypen moeten daarbij bestreden worden. Dat begint vanzelfsprekend in het onderwijs, maar het eindigt daar niet. En tenslotte – uiteraard – moet er voor wie niet (meer) kan werken gezorgd worden.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2024/18 - Postassignaties

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2024/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de afschaffing van de assignaties betaald door bpost, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16 december 2024, op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Lejoly, directrice van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk, belast met Relance en Strategische Investeringen, en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij
  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Federale Adviesraad voor Ouderen (FAVO)

2. ONDERWERP

De NHRPH heeft er kennis van genomen dat vanaf december 2025 geen postassignaties meer kunnen worden uitgegeven door het verdwijnen van de 679-rekeningen bij bpost.


3. ANALYSE

A. Rapport van de Federale Overheidsdienst Financiën

In een rapport van de Federale Overheidsdienst Financiën van 2 december 2024 aan het college van de voorzitters wordt het volgende vermeld:

14 juli 2017: “De ministerraad geeft het mandaat aan de Minister van Financiën een nieuwe overeenkomst aan bpost op te leggen voor een duur van vijf jaar. Hierbij wordt geopteerd voor een financiële enveloppe ongeacht het aantal financiële transacties, namelijk een enveloppe van 39 miljoen euro voor 2018 en 2019 en een enveloppe van 38 miljoen euro voor 2020, 2021 en 2022. Bijkomend dient bpost de federale overheid te begeleiden in het realiseren van verdere efficiënties en verdere cashpooling (= techniek die ondernemingen binnen eenzelfde financiële groep toepassen om kasverrichtingen te centraliseren; met cashpooling kunnen hun financiële boekingen worden gecentraliseerd en alle rekeningen van deze ondernemingen in evenwicht worden gebracht) (…)”.

Na jaren van projectvoorbereiding en het opmaken van een overheidsopdracht werd op 3 mei 2024 BNP Paribas Fortis definitief belast met de overname van de 679-rekeningen. (…)

De DAEB-(post)assignaties zaten klassiek niet in de scope daar wij niet bevoegd zijn om hier aan te raken. Echter, door het wegvallen van de 679-rekeningen bij bpost kunnen de postassignaties daar niet meer worden uitgegeven. Aldus dringt een aanpassing van het wettelijk kader zich op.

Echter lijkt ons dit een opportuniteit om de afschaffing van de postassignaties te bepleiten en hier het komende jaar werk van te maken.

Er wordt dus aan het college van de voorzitters gevraagd om dit voorstel goed te keuren zodat wij een jaar de tijd hebben om de postassignatie af te schaffen en een nieuw product (vermoedelijk de klassieke circulaire cheque) uit te werken. (…)

Conclusie: er wordt gevraagd dat het college van de voorzitters akkoord gaat met de volgende zaken

(...) 3. Akkoord verlenen aan de projectleiding om het voorstel verder uit te werken om de postassignatie af te schaffen en een nieuw product (vermoedelijk de klassieke circulaire cheque) uit te werken.

B. Vergadering bpost - NHRPH

Tijdens een vergadering op 23 september 2024 tussen leden van bpost en leden van de NHRPH, heeft bpost aangekondigd dat het zevende beheerscontract in december 2026 afloopt. bpost gaf aan geen zicht te hebben op het (toekomstige) proces voor de betaling van tegemoetkomingen voor personen met een handicap en pensioenen aan huis, en ook niet op de verwachtingen van de Staat.

C. Betalingen aan huis

Wat betreft de tegemoetkomingen voor personen met een handicap is de regelgeving duidelijk: artikel 24, § 4 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt:

In afwijking van § 2, en op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de gerechtigde, kan de uitbetaling ook gebeuren door postassignaties waarvan het bedrag ten huize betaalbaar is in handen van de gerechtigden.

Zie ook de websites van bpost en de Federale Pensioendienst.

D. Situatie met betrekking tot de dossiers van tegemoetkomingen voor personen met een handicap

Volgens de DG HAN werden in augustus 2024 nog 2.983 personen met een handicap per postassignatie betaald.


4. ADVIES

A. Met betrekking tot het verzoek om advies

Het rapport van de FOD Financiën werd op 10 december 2024 aan het secretariaat van de NHRPH bezorgd. Hierdoor had het secretariaat zeer weinig tijd om het advies voor te bereiden. Niettemin wil de NHRPH mevrouw Julie Clément bedanken dat zij de nota heeft voorgelegd. Het verzoek om advies had evenwel van de FOD Financiën moeten komen. De FOD Financiën had de NHRPH en de andere betrokken adviesraden (bijvoorbeeld de Federale Adviesraad voor Ouderen m.b.t. de pensioenregeling) moeten raadplegen. 

⇒ De NHRPH wenst voldoende tijd om de nota's, verslagen, ontwerpbesluiten, … te analyseren die voor advies worden voorgelegd. Een termijn van enkele dagen strookt niet met de definitie van ‘voldoende tijd’.
⇒ De NHRPH had moeten worden uitgenodigd op de voorbereidende vergaderingen voor de hervorming. Er zijn veel personen met een handicap die hun tegemoetkomingen per postassignatie ontvangen. Achter deze betalingswijze schuilt doorgaans een realiteit die verklaart waarom er geen rekening kan worden geopend. De voorbereidende vergaderingen hadden een gelegenheid kunnen zijn om dit aspect te bestuderen.

B. Met betrekking tot de afschaffing van de postassignaties

Met het postassignatiesysteem kunnen personen in bepaalde gevallen thuis worden betaald door de postbode. Gebeurt de betaling evenwel niet meer thuis, dan moet betrokkene de tegemoetkoming bij de bank gaan innen. Aangezien er steeds minder bankkantoren zijn, moet de persoon zich steeds verder verplaatsen. Sommige personen met een handicap hebben geen voertuig, en moeten dus iemand anders vragen hen te brengen.

Heel wat personen met een handicap ervaren financiële uitsluiting, vaak onafhankelijk van hun wil, om diverse redenen die verband houden met hun leefomgeving en/of opleidingsniveau.

Dit aantal stijgt nog als we rekening houden met de toegang tot betaalkaarten of bankdiensten die nodig zijn om een ‘normaal’ leven te leiden:

  • Door de digitalisering van banken is het voor laaggeletterden steeds moeilijker hun rekeningen zelfstandig te beheren.
  • Zonder loketten, papieren rekeninguittreksels en toegankelijke automaten voor bankverrichtingen zijn duizenden mensen thans financieel uitgesloten. Tussen 2018 en 2019 voerde de vzw Lire et écrire bij 109 personen die een alfabetiseringscursus volgden, een enquête uit over hun toegang tot digitale technologieën en hun gebruik ervan. Uit de resultaten bleek dat 66 % van hen geen elektronische overschrijvingen kan uitvoeren en 21 % geen geld kan opnemen bij een geldautomaat.
  • De ontwikkeling van het Batopin-netwerk voldoet evenmin aan de vereisten van nabijheid en toegankelijkheid voor geldopnames en rekeningbeheer.

Deze mensen dwingen hun levensgewoonten te veranderen, is hen blootstellen aan een zekere financiële uitsluiting. In al deze situaties is het begrip ‘basisbankdienstverlening’ uiteraard niet geloofwaardig, aangezien naast de relatief lage toegangskosten ook het probleem van de digitale kloof blijft bestaan.

De NHRPH kant zich volledig tegen de afschaffing van postassignaties: iedereen heeft het recht om zelf te kiezen hoe hij zijn financiële zaken kan regelen op een manier die aansluit bij zijn mogelijkheden en capaciteiten EN die hem niet afhankelijk maakt van een derde.

C. Met betrekking tot de vervanging van postassignaties door een andere formule, zoals de circulaire cheque

Gebeurt de betaling per circulaire cheque, dan moet de persoon deze bij de bank innen. Maar,

  • er zijn steeds minder bankkantoren en op sommige plaatsen is er enkel nog een postkantoor beschikbaar. Hierdoor moeten personen zich steeds verder verplaatsen. Sommige personen met een handicap bezitten geen voertuig, en moeten dus iemand anders vragen hen te brengen.
  • Sommige banken rekenen kosten aan voor het innen van circulaire cheques (tussen 5 en 6 euro per cheque - wat neerkomt op 60 euro per jaar), terwijl postassignaties gratis zijn voor personen met een handicap. En naar welke bank moeten personen zonder bankrekening gaan?
  • Ter herinnering: op 1 januari 2024 heeft het Brussels Gewest ook de circulaire cheque afgeschaft. Algemener kan deze oplossing dus op korte termijn in het gedrang te komen. Na de afschaffing van de postassignatie en de circulaire cheque zal dus nog enkel de bankrekening overblijven. Het is een schande dat mensen in een systeem worden gedwongen dat niet toegankelijk voor hen is! Deze manier van werken versterkt het fenomeen van de non take-up!

De NHRPH kant zich volledig tegen elke vorm van betaling ter vervanging van de postassignatie zonder er de voordelen van te hebben: betaling aan huis op verzoek van de persoon moet altijd mogelijk blijven.
Postassignaties of het equivalent ervan moeten gratis blijven.

  • Raadplegingen: 13

Advies 2024/17 - Non-take-up

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de door de DG Personen met een handicap (DG HAN) bestelde studie over de oorzaken van de non-take-up bij personen met een handicap.

Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 18/11/2024 en uitgebracht per e-mail op 21/11/2024.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Syenave, de heer Stéphane Le Grand en de heer David Van Dieren van adviesbureau Antares Consulting, belast met de studie
  • Voor opvolging aan het Studiebegeleidingscomité, de heer Peter Samyn, mevrouw Julie Clément, mevrouw Esther Mulkers, mevrouw Véronique Bocken, de heer Joachim Lommelen, de heer Pablo Calvo Gil, mevrouw Stéphanie Jacquet, de heer Edouard Jacquin, mevrouw Valérie Weber, de heer Nico Meulebrouck, mevrouw Natascha Van Mechelen en de heer Arne Depoortere
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN)
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het adviesbureau Antares Consulting werd door de DG HAN belast met het voeren van een studie over de oorzaken van de non-take-up bij personen met een handicap, met als doel zo efficiënt mogelijk te strijden tegen het niet-opnemen van de rechten (non-take-up, NTU) bij het doelpubliek van de DG HAN.


3. ANALYSE

A. Specifieke doelstellingen van de studie

De studie telt vijf specifieke doelstellingen:

  1. een NTU-definitie in de handicapcontext overeenkomen;
  2. inventariseren van de reeds door de DG HAN genomen initiatieven om de NTU terug te dringen;
  3. in kaart brengen van de interacties van personen met een handicap met de ondersteunende systemen om de voornaamste obstakels die de NTU versterken te identificeren;
  4. gerichte acties voorstellen om de NTU terug te dringen;
  5. een methode ontwikkelen om de impact van de acties van de DG HAN tegen de NTU te beoordelen.

B. De stappen van de studie

Teneinde deze doelstellingen te bereiken, zijn de volgende stappen voorzien:

1. Een literatuuronderzoek

Dit literatuuronderzoek heeft een drieledig doel: de NTU definiëren, de oorzaken ervan afbakenen en goede praktijken identificeren dankzij een benchmarking bij andere Europese landen.

In zijn rapport stelt het literatuuronderzoek voor om de NTU te definiëren op basis van de typologie die werd vastgesteld door socioloog Wim Van Oorschot. In deze typologie bestaan er 7 soorten NTU:

  1. Primaire NTU heeft betrekking op de begunstigden die geen gebruik maken van hun rechten wegens onwetendheid, stigmatisering, onvoldoende informatie of complexe procedures. Deze vorm van NTU heeft plaats wanneer personen die in aanmerking komen ervoor kiezen geen uitkeringen aan te vragen of niet erin slagen ze op te eisen wegens cognitieve bias en sociale drempels, zoals uitstelgedrag of vergeten van de aanvraagprocedure.
  2. Secundaire NTU heeft plaats wanneer de personen die in aanmerking komen de aanvraagprocedure voor een uitkering aanvatten, maar deze uiteindelijk niet ontvangen. Dit kan voortkomen uit gedragingen van de aanvrager, zoals moeilijkheden om de procedure te begrijpen of de vereiste informatie te verzamelen, of administratieve fouten.
  3. Volledige NTU duidt op een situatie waar een mogelijke begunstigde geen enkele uitkering waarop hij recht heeft, ontvangt.
  4. Gedeeltelijke NTU verwijst naar het geval waarbij een persoon die in aanmerking komt slechts een gedeelte van de verschuldigde uitkering ontvangt, vaak wegens onvoldoende informatie of administratieve fouten.
  5. Permanente NTU duidt op de situatie waarin een persoon nooit zijn rechten opeist tijdens de periode dat hij daarvoor in aanmerking komt.
  6. Tijdelijke NTU betreft de gevallen waar er een termijn is voordat de begunstigde zijn uitkeringen aanvraagt of ontvangt.
  7. Frictionele NTU komt overeen met de tijd die is verstreken tussen het begin van de aanvraagprocedure en het bekomen van de uitkering, vaak te wijten aan administratieve termijnen of de complexiteit van de te ondernemen stappen.

N. Van Mechelen en J. Janssens identificeren nog een achtste soort NTU, de tertiaire NTU. Deze dekt de gevallen van begunstigden die niet altijd wettelijk toegang hebben tot hun rechten wegens toekenningscriteria. Tertiaire NTU slaat dus niet op het feit dat er geen aanvragen zijn om het recht te doen gelden, maar is eerder een formele uitsluiting van de ondersteunende systemen. Het gaat om een complex verschijnsel, omdat het te maken heeft met uitsluiting, vaak gekoppeld aan strikte criteria die niet altijd overeenkomen met de realiteit van de meest kwetsbare personen.

Volgens Wim Van Oorschot worden deze verschillende soorten NTU beïnvloed door 3 categorieën factoren: 

  1. Beleid: deze categorie van factoren omvat de beleidsbeslissingen en de regelgeving die de toegang tot sociale uitkeringen omkaderen. Het beleid kan complex zijn, met veelvuldige en/of vage regels en richtlijnen die het voor mogelijke begunstigden moeilijk kunnen maken om hun rechten en de noodzakelijke procedure om toegang ertoe te krijgen te begrijpen. De strikte criteria om in aanmerking te komen, de beleidshervormingen en de wijzigingen van de sociale programma’s kunnen ook een invloed hebben op het NTU-percentage door bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen uit te sluiten of de uitkeringen minder toegankelijk te maken.
  2. Administratief: deze tweede categorie factoren betreft de administratieve processen en procedures die de toegang tot sociale uitkeringen sturen. De complexiteit van de aanvraagformulieren, de verwerkingstermijnen, de administratieve fouten en onvoldoende ondersteuning om de aanvragers te helpen bij het navigeren in het systeem zijn de belangrijkste barrières.
  3. Begunstigden: deze derde categorie factoren omvat de eigenschappen en de percepties van mogelijke begunstigden. De stigmatisering die gepaard gaat met het verzoek om maatschappelijke bijstand, de onwetendheid over rechten en mogelijke uitkeringen, de taalbarrières en het beperkt vermogen om de complexe formulieren in te vullen, kunnen allemaal bijdragen tot de NTU.

In het rapport worden vervolgens een aantal goede praktijken uit de literatuur en Europese voorbeelden toegelicht. Deze goede praktijken worden aangenomen op basis van de 3 categorieën van factoren: beleid, administratief of betreffende de begunstigde.

2. Ontmoetingen met actoren uit de sector

Met het oog op het opstellen van een bijgewerkt overzicht van de NTU hebben de consultants van Antares Consulting diverse actoren op het terrein ontmoet: artsen en maatschappelijk assistenten van de DG HAN, vertegenwoordigers van instellingen (Unia, AVIQ, Phare, Iriscare, FOD Maatschappelijke Integratie, VAPH) en verschillende verenigingen, zowel in België als in andere Europese landen (Frankrijk, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Finland).

3. Een kwantitatieve analyse

De kwantitatieve analyse is gebaseerd op een enquête die werd verspreid tussen 12 september en 18 oktober 2024 voor de Nederlandstalige en Franstalige versies, tussen 27 september en 18 oktober 2024 voor de Duitstalige versie, hoofdzakelijk online. Er werden papieren versies ter beschikking gesteld van de centra voor de erkenning van de handicap – 250 exemplaren per centrum, enkel in het Nederlands en het Frans. Het doel van de enquête is om de rechthebbenden  die zich in een situatie van NTU bevinden te identificeren, de oorzaken van het niet-opnemen van rechten op te sporen voor iedere dienst van de DG HAN en om feedback te verzamelen over de ervaring van de begunstigden teneinde de dienstverlening te verbeteren. Om de toegankelijkheid te waarborgen, werd de inhoud van de enquête nagelezen door verschillende ervaringsdeskundigen en door de dienst communicatie van de FOD Sociale Zekerheid. Bovendien volgt de gebruikte software SmartSurvey van de onlineversie de richtlijnen WCAG 2.2 AA, die de toegankelijkheid voor iedereen waarborgt, met inbegrip van blinde en slechtziende gebruikers. Daarnaast werd het thema uitgedacht om verenigbaar te zijn met een aantal schermlezers. Voor personen met een visuele beperking werd ook over het kleurcontrast nagedacht. De soorten vragen beogen een compatibiliteit van 100% met de WCAG 2.2 AA-normen. De invultijd van de vragenlijst werd beperkt tot maximum 10 minuten. Ten slotte werd de enquête via de volgende kanalen verspreid: website van de DG HAN, verschillende nieuwsbrieven, van de DG HAN en van partnerinstellingen zoals de Phare, het AVIQ, de Fédération des Maisons Médicales, enz.


4. ADVIES

A. Wat betreft de studie in het algemeen

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) onthaalt met enthousiasme het initiatief van de DG HAN om de oorzaken van de NTU beter te willen begrijpen teneinde dit te verhelpen en haar dienstverlening te verbeteren. Het niet-opnemen van de rechten is een problematiek waar de NHRPH reeds verscheidene jaren de volle aandacht voor heeft, zoals blijkt uit zijn advies 2018/09. In dit advies benadrukte de NHRPH reeds “de tegenstrijdigheid tussen de onmiskenbare nood aan erkenning van rechten […] en de omslachtige procedures, die een obstakel vormen voor de toegang tot de rechten” en herinnerde eraan dat “het fenomeen van non-take-up van rechten betrekking heeft op alle burgers en alle domeinen van het leven”. Voor de NHRPH was en blijft deze situatie onaanvaardbaar: “personen zonder rechten worden onzichtbaar; onzichtbaarheid leidt tot marginalisatie en achteruitgang”. Iedere poging om het fenomeen van de NTU beter te begrijpen teneinde dit te verhelpen, wordt positief onthaald door de NHRPH.

Daarnaast heeft de NHRPH het gewaardeerd dat hij zich kon uitspreken tijdens gesprekken als actor op het terrein en dat hij werd uitgenodigd op verschillende sleutelmomenten van het project: zowel voor de presentatie van het literatuuronderzoek als voor de presentatie van de enquête. De NHRPH betreurt het evenwel dat hij een rol van toeschouwer toebedeeld kreeg tijdens de presentatie van de enquête en niet kon deelnemen aan het nalezen van de vragenlijst teneinde verbeteringen te kunnen voorstellen (zie hieronder).

B. Wat betreft het literatuuronderzoek

De NHRPH leert met ongerustheid dat “de NTU een fenomeen is dat verspreid is in heel wat Europese landen, met percentages van het niet opnemen van de rechten die vaak hoger liggen dan 30%”. De NHRPH stemt voor een groot deel in met de vaststellingen van het literatuuronderzoek en zal er hieronder enkele nuanceren en andere illustreren met realiteiten op het terrein.

1. Op beleidsniveau

Vaststellingen

De NHRPH deelt de vaststelling dat evaluatiecriteria op basis van een medisch model de toegang tot de rechten bemoeilijken. Allereerst omdat de medische benadering niet volstaat om de gevolgen van bepaalde pathologieën, bijvoorbeeld autisme, correct te beoordelen. Ten tweede, de multidisciplinariteit, die dit probleem deels zou kunnen wegwerken, raakt maar moeizaam geïmplementeerd. Ten derde, de manier waarop de evaluatieprocedures voor de handicap verlopen kunnen begunstigden ontmoedigen. Sommigen voelen zich vernederd of slecht behandeld tijdens medische onderzoeken en zien af van verdere stappen.

De fragmentering van het socialebeschermingsstelsel en het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende diensten bemoeilijken de toegang tot de rechten van personen met een handicap. Zo verschillen uitkeringen, zoals de mantelzorgpremie, naargelang de provincies. Ander voorbeeld: een persoon met een handicap die verhuist van het ene gewest naar het andere, bijvoorbeeld van Wallonië naar Vlaanderen, moet vaak de hele administratieve procedure herbeginnen om sociale uitkeringen te bekomen. Wat betreft jongeren heeft een wetswijziging de leeftijd om rechten te doen ontstaan verlaagd van 21 naar 18 jaar en dit creëert incoherenties met de regionale kinderbijslag, waarbij een student bijvoorbeeld verder uitkeringen blijft ontvangen die bestemd zijn voor kinderen en tegelijk in aanmerking komt voor rechten van volwassene. Jammer genoeg zijn de interministeriële conferenties – belangrijke ontmoetingsplaatsen voor coördinatie en overleg – niet bindend en laten ze de deelgebieden vrij in hun keuze om al dan niet samen te werken.

Deze fragmentering gaat trouwens verder dan het eenvoudig delen van bevoegdheden in een geheel dat coherent zou willen zijn; in de loop der tijd heeft dit ook geleid tot verschillende en soms radicaal tegengestelde benaderingen m.b.t. de persoon met een handicap. Zo zal een persoon met een handicap die wenst te werken, bij het indienen van zijn dossier bij de DG HAN, moeten benadrukken wat bijdraagt aan zijn verlies van verdienvermogen, terwijl het dossier dat hij op regionaal niveau zal indienen om begeleiding te bekomen zijn competenties en vaardigheden zal moeten benadrukken. Met de toenemende digitalisering van de dossiers en het delen van gegevens raken steeds meer personen verstrikt in een kader dat gewoonweg schizofreen is en dat ook de facto een verlies van rechten genereert: een toenemend aantal artsen van de DG HAN weigert een medische erkenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) aan een persoon die in het verleden heeft gewerkt (“wie het eens kon, kan het altijd”) of aan iemand die een opleiding heeft gevolgd zonder werk te vinden (“wie is opgeleid, moet werk zoeken”). Bij de beoordeling van de IVT in de zin van de wet van 1987 is de vraag evenwel niet of men heeft gewerkt of een opleiding heeft gevolgd, maar wel: heb ik op de algemene arbeidsmarkt ten minste 33% kans om te werken, rekening houdend met de realiteit van mijn handicap (behandelingen, inspanningen, …) en de werk- en sociale omgeving in mijn regio (benadering van werkgevers, toegankelijkheid van vervoer, …)?  Met andere woorden, het is mogelijk dat een persoon goed opgeleid is of al enige werkervaring heeft, maar dat tegelijkertijd de mogelijkheden op de arbeidsmarkt zeer beperkt zijn.

Naast de in het literatuuronderzoek opgesomde vaststellingen, vraagt de NHRPH ook aandacht voor andere reële kwesties uit de praktijk. Zo voorziet de huidige reglementering van de wet van 1987 niet in terugwerkende kracht, wat de toegang tot rechten ook beperkt. Verder wordt bij de berekening van het bedrag van de uitkering rekening gehouden met de inkomsten van het jaar -2/-1, wat betekent dat op het moment van de aanvraag geen rekening kan worden gehouden met de werkelijke financiële situatie van de persoon. Op dezelfde manier heeft het in aanmerking nemen van het statuut van samenwonende gevolgen voor de sociale uitkeringen waarop de persoon met een handicap aanspraak kan maken. Meer in het algemeen kunnen we dus zeggen dat de starheid van de wet van 1987 en de ontoereikendheid ervan ten opzichte van de reële levenssituaties een bron van uitsluiting van rechten.

Verder legt de NHRPH sterk de nadruk op de ongewenste effecten van de digitalisering, die altijd werd voorgesteld als een middel om de situatie van personen met een handicap te verbeteren, maar die uiteindelijk ongewenste effecten heeft: slechte (samen)werking van administraties, starheid, automatische uitsluiting, enz.

Concrete wensen

  • Een maximale vereenvoudiging van procedures om alle mogelijk obstakels te voorkomen.
  • Iemand die zich meldt bij een federaal of gewestelijk loket moet behandeld worden op basis van zijn hele situatie. De tool Mygov.be, en meer in het algemeen de digitalisering, vervangt de maatschappelijk werkers niet. Deze laatsten zouden nog proactiever moeten zijn ten opzichte van personen die van de radar zijn verdwenen. Ze verdienen ook meer waarderingen en ondersteuning, door de reeds aangehaalde digitale tools, maar ook door een intensere netwerking. 
  • De hervorming van de wet van 27 februari 1987 is dringend nodig en moet een van de prioriteiten van de nieuwe federale regering zijn. Met de huidige wet blijven personen met een handicap in een kwetsbare situatie (met een IVT onder de armoedegrens en de integratietegemoetkoming (IT) die de meerkosten van de handicap niet compenseert): over het algemeen is de doeltreffendheid van IVT/IT-tegemoetkomingen beperkt (Handilab-studie van 2012) en het verband tussen handicap en armoede, door de NHRPH in heel wat adviezen aan de kaak gesteld, is grotendeels bevestigd door de academische wereld. De wet zou het mogelijk moeten maken om enerzijds te erkennen dat een persoon een handicap heeft en waarschijnlijk regelmatig de gevolgen daarvan zal ondervinden, met een loopbaan die verloopt met ups en downs, en anderzijds te erkennen dat diezelfde persoon op bepaalde momenten in zijn of haar loopbaan in staat is te werken; met andere woorden, de wet moet het mogelijk maken om het vermogen van de persoon om bij te dragen aan de samenleving te erkennen, terwijl tegelijkertijd bescherming wordt geboden tijdens perioden van inactiviteit en situaties van uitsluiting van rechten worden vermeden.

2. Op administratief niveau

Vaststellingen

De NHRPH is het eens met de auteurs van het literatuuronderzoek wanneer zij benadrukken hoe lang, ingewikkeld en strikt de aanvraagprocedures zijn.

De NHRPH beschouwt de behandelingstermijnen voor de aanvragen als een bepalende NTU-factor. De wet van 1987 voorziet in een termijn van 6 maanden, wat reeds erg lang is voor een persoon die over weinig of geen middelen beschikt. In werkelijkheid bedraagt deze termijn vaak 8 tot 12 maanden. De wachttijden zijn lang en kunnen soms leiden tot een weigering van het recht. Heel wat personen verliezen de moed en geven onderweg op wegens de lange procedures.

De procedures zijn ook ingewikkeld: de complexiteit en de onbegrijpelijkheid van de informatie, met name in de administratieve formulieren, vormen een groot obstakel voor de toegang tot diensten en rechten. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een persoon met een schuld bij de DG HAN niet begrijpt dat een aanvraag tot verzaking kan worden ingediend of dat op zijn minst om meer details over de omvang kan worden gevraagd, en het is pas na ontvangst van een invorderingsbrief van de DG HAN dat deze persoon de ernst van de situatie inziet. Verder kan het grote aantal betrokken diensten de ontvangen informatie onduidelijk en zelfs incoherent maken. Vaak moeten personen zich tot verschillende actoren wenden (maatschappelijke werkers, ziekenfondsen, informatiecentra), maar deze beschikken soms niet over de middelen of de opleiding om de gepaste ondersteuning te bieden. Het call center van de DG HAN is bijvoorbeeld niet altijd in staat om precieze antwoorden te geven die op de hele situatie zijn afgestemd en de antwoorden zijn vaak te gecompartimenteerd. Personen worden dan doorverwezen naar andere loketten. De OCMW’s kennen ook niet altijd alle bestaande regelgevingen; sommige aanvragen zouden moeten worden doorverwezen naar de ziekenfondsen, maar dit gebeurt niet altijd correct, waardoor het NTU-probleem nog groter wordt. Bovendien is de informatie die personen met een handicap soms krijgen onvolledig. Aangezien veel rechten niet automatisch worden toegekend, zijn personen bijgevolg verplicht om ze aan te vragen zonder dat ze weten of ze er zelfs maar voor in aanmerking komen. De dienstverleners zelf (OCMW’s, ziekenfondsen, soms de DG HAN zelf) zijn niet altijd op de hoogte van alle bestaande regelgevingen en hebben momenteel noch de tijd, noch de competentie om alle problemen die personen tegenkomen uit te spitten. De complexiteit van de wetgeving speelt ook een rol, zoals blijkt uit de vaagheid rond de criteria om in aanmerking te komen voor het attest voor het verlaagde btw-tarief voor personen met een handicap bij de aanschaf van een auto, dat maar door weinig professionals duidelijk kan worden uitgelegd. Ten slotte kan het gebrek aan informatie over wetswijzigingen er ook toe leiden dat personen hun rechten niet opnemen. Zodoende hebben wetswijzigingen, zoals de prijs van de arbeid en de prijs van de liefde, geleid tot massale onderbescherming van personen met een handicap, omdat ze niet op de hoogte waren van het ontstaan van het recht.

Onvoldoende opleiding van maatschappelijk werkers en administratief personeel leidt tot fouten en een slecht beheer van aanvragen, wat kan resulteren in onjuiste beoordelingen of onterechte afwijzingen. Dossiers waarin een toestand niet is veranderd (of juist is verslechterd), krijgen soms een aanzienlijke depreciatie (van 3 punten of meer). Het feit dat de DG HAN geen intern controlesysteem opzet voor deze dossiers is onbegrijpelijk. Aangezien de meeste personen met een handicap niet op de hoogte zijn van de verweer- en beroepsprocedures blijven ze dus onderbeschermd tot iemand hen kan helpen om de zaken recht te zetten. Diegenen die wel op de hoogte zijn van de beroepsmogelijkheden aarzelen soms om administratieve stappen te ondernemen of procedures te kiezen die hun situatie zouden kunnen verbeteren - maar ook financiële risico’s (advocaatkosten) met zich meebrengen - , uit angst om een toch al bescheiden inkomen te verliezen.

Naast voormelde obstakels die in het literatuuronderzoek zijn geïdentificeerd, wil de NHRPH de aandacht vestigen op andere barrières die een impact hebben op de NTU.

De toegankelijkheid van de plaatsen en de afstand die moet worden afgelegd om er te geraken, vormen een extra fysieke barrière.

Bovendien wordt de toename van het aantal gesprekspartners deels veroorzaakt door een verschuiving van bepaalde verantwoordelijkheden van overheidsdiensten naar verenigingen. Dergelijke verzwakking van de rol van de Staat vergroot de onzekerheid en verwarring in de administratieve stappen, aangezien de betrokkenen hierdoor van het kastje naar de muur worden gestuurd, waarbij de actoren soms blijven doorverwijzen naar andere instanties en personen in fine verstoken blijven van de gepaste sociale bescherming. Daarbij mogen we niet vergeten dat de verenigingen geen subsidie ontvangen voor deze werklast, die nochtans tot de verantwoordelijkheid van de Staat behoort.

In deze algemene context van multifactoriële NTU moet de NHRPH de aandacht vestigen op wat misschien een voor de hand liggend punt lijkt, maar dat niettemin onaangeroerd blijft op het vlak van de administratieve aanpak: naast het medische traject, dat vaak lang duurt en soms zeer moeizaam verloopt, is er het administratieve traject, dat kan aanslepen voor onbepaalde duur. De erkenning van uitkeringen en afgeleide rechten is nooit definitief en is altijd onderhevig aan herzieningen, nieuwe bewijsstukken, invulformulieren enz. Deze situatie voegt vaak een contraproductieve druk toe aan het leven van de persoon en kan worden ervaren als “de laatste druppel” in een toch al moeizaam zorg- en rehabilitatieproces. Het is ook een factor om rekening mee te houden in de strijd tegen de NTU. Ook om deze reden is het essentieel en dringend dat de wet van 27 februari 1987 wordt herzien, ook vanuit dit perspectief.

Concrete wensen

Om de administratieve oorzaken van de NTU te verminderen, pleit de NHRPH ervoor dat de begunstigden begrijpelijke, leesbare, zo volledig en nauwkeurig mogelijke informatie krijgen, zodat ze zich bewust worden van hun rechten, met inbegrip van de mogelijkheden om in beroep te gaan. Overeenkomstig artikel 21 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat bepaalt dat de informatie in toegankelijke formaten moet worden verstrekt, is de NHRPH van mening dat deze leesbaarheid noodzakelijkerwijs het systematische gebruik van duidelijke taal die gemakkelijk te lezen en te begrijpen is, braille en ondertiteling van eventuele audiovisuele media inhoudt om deze informatie voor iedereen toegankelijk te maken. De nauwkeurigheid van de informatie betekent ook dat deze moet zijn afgestemd op de levensfase waarin de persoon zich bevindt: welke rechten heeft een kind met een handicap op het vlak van school? Quid vrije tijd, vervoer, de impact van de overgang tussen verschillende uitkeringen en statuten? Enz.

Daartoe beveelt de NHRPH aan dat maatschappelijke werkers beter worden opgeleid en geïnformeerd, zodat ze in staat zijn om deze volledige, nauwkeurig en leesbare informatie te verstrekken en om geldige en effectieve begeleiding te bieden aan de begunstigden.

De NHRPH vraagt de DG HAN ook om alles in het werk te stellen om te zorgen voor een betere coördinatie, overleg en communicatie tussen de verschillende betrokken diensten. Dit overleg zou een eind moeten maken aan de huidige tegenstrijdigheden die hierboven werden vastgesteld met betrekking tot de verhouding tussen de onbekwaamheden (voor de federale evaluatie) en de resterende mogelijkheden (op regionaal niveau). Het gaat om het uit de “of-of”-val te geraken en een “én-én”-situatie te creëren, zodat de persoon periodes van werken en niet werken kan afwisselen en tijdens deze laatste beschermd kan worden.

In geval van administratieve fouten dringt de NHRPH erop aan dat personen niet het slachtoffer worden van onvolledige of onjuiste procedures en dat de situatie in alle gevallen in hun voordeel wordt rechtgezet, zonder verlies van rechten, en met terugwerkende kracht.

In dit verband vraagt de NHRPH de DG HAN in het bijzonder om een intern controlesysteem op te zetten om te voorkomen dat dossiers waarin de omstandigheden ongewijzigd of zelfs verslechterd zijn, worden onderworpen aan aanzienlijke depreciaties, die in sommige gevallen kunnen oplopen tot 3 punten of meer.

De NHRPH pleit ten slotte voor kortere termijnen en een evaluatie die altijd gebaseerd is op een werkelijk multidisciplinaire aanpak, dit wil zeggen een aanpak die rekening houdt met de concrete gevolgen van de handicap op het dagdagelijkse leven, naast de louter medische vaststellingen inzake de ziekte of de handicap.

3. Op het niveau van de begunstigden

Vaststellingen

De NHRPH sluit zich aan bij de auteurs van de studie door te wijzen op de belangrijke gevolgen die voormelde politieke en administratieve factoren kunnen hebben voor de begunstigde: onvoldoende kennis van de rechten, veel energie en tijd verspillen bij het vinden en begrijpen van de nodige informatie en het ondergaan van evaluatietests, onvoldoende geschikte ondersteuning (zie hierboven).

Wat betreft de impact van de opgedane ervaringen tijdens vorige soortgelijke procedures, is de NHRPH bezorgd over klachten van verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen over een gebrek aan respect voor de begunstigde door bepaalde artsen van de DG HAN. De betrokken personen durven niet erover praten, wegens hun afhankelijkheid van het resultaat van de evaluatie of uit angst voor een latere afspraak met een slechter resultaat. Zij durven ook geen beroep aantekenen of een latere aanvraag wegens verergering van hun situatie indienen.

Deze factoren creëren ook psychologische barrières van angst en wantrouwen die bijdragen aan de NTU. Zoals de angst om rechten te verliezen: personen die op de grens zitten om in aanmerking te komen voor bepaalde rechten (bv. personen met een score van 7/9 punten) zijn bijvoorbeeld terughoudend om een herziening aan te vragen uit angst om punten te verliezen of geconfronteerd te worden met lange wachttijden of zware administratieve lasten. Soms zijn zelfs de tussendiensten (zorgverleners) terughoudend om aan te raden onderzoeken te vragen indien de situatie verergert, aangezien ze de uitkomst van een medisch onderzoek niet van tevoren betrouwbaar kunnen inschatten en bang zijn om de sociale situatie van hun patiënt te verslechteren. Begunstigden met een evoluerende handicap vrezen soms dat bepaalde keuzes die ze vandaag maken hun rechten van morgen in gevaar kunnen brengen. Er is ook de angst om een toch al bescheiden inkomen te verliezen: deze angst kan personen ervan weerhouden administratieve stappen te ondernemen of overgangen te maken die hun situatie zouden kunnen verbeteren, maar die ook financiële risico’s met zich meebrengen. De verschillende benaderingen van de handicap naargelang de overheidsniveaus (zie hierboven) zijn allemaal bronnen van verwarring, wantrouwen en angst.

Daaraan wil de NHRPH nog de onzekerheid rond het toekomstige beleid toevoegen, die ook bijdraagt tot het in stand houden van de angst en het wantrouwen van begunstigden ten opzichte van diensten en instellingen. De mogelijke regionalisering van – bijvoorbeeld – de tegemoetkomingen verontrust personen met een handicap. Een regionalisering zou kunnen leiden tot financiële problemen voor de begunstigden, met name wat betreft het betalen van thuishulp.

De NHRPH benadrukt ten slotte in het bijzonder de aanzienlijke invloed van de digitalisering op het fenomeen van de NTU. In 2022 heeft de NHRPH een positienota over de digitale kloof en de gevolgen ervan uitgebracht, met name over het niet-opnemen van de rechten. In deze nota is onder andere sprake van een studie van de Koning Boudewijnstichting volgens dewelke 40% van de Belgen het risico loopt op digitale uitsluiting en 32% van hen zwakke digitale vaardigheden heeft. De NHRPH heeft het in zijn positienota over de financiële en technische obstakels en onvoldoende digitale kennis als oorzaak van de digitale kloof en toont aan hoe deze elementen het niet-opnemen van de rechten aanwakkert.

Concrete wensen 

  • Teneinde de angst om hun rechten te verliezen bij personen met een handicap terug te dringen, pleit de NHRPH voor een grotere transparantie m.bt. de ontvangen en te verwachten bedragen.
  • Om de oorzaken van slechte ervaringen en de gevolgen ervan op het niet-opnemen van de rechten te bestrijden, beveelt de NHRPH aan een korte tevredenheidsenquête af te nemen na de raadplegingen. Hierdoor zouden eventuele disfuncties sneller aan het licht komen en zou men vervolgens kunnen overgaan tot de nodige aanpassingen. Deze praktijk zou, bij uitbreiding, kunnen worden toegepast voor de hele front office van de DG HAN.
  • Wat betreft de digitalisering verwijst de NHRPH naar artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) dat het volgende beoogt: “personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en -systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek. [...] Deze maatregelen, die mede de identificatie en bestrijding van obstakels en drempels voor de toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toepassing op: informatie, communicatie en andere diensten met inbegrip van elektronische diensten en nooddiensten.” Op basis hiervan dringt de NHRPH erop aan de digitalisering van de overheidsdiensten niet op te vatten als een doel op zich, maar eerder als een middel ten dienste van de personen, als aanvulling op de menselijke kanalen die op een kwalitatieve manier moeten worden behouden: ruime openingsuren voor het contactcentrum, maatschappelijk assistenten die in netwerk werken, enz. Het is van cruciaal belang dat de overgang naar digitale technologie gebeurt in het belang van de begunstigden, zonder nieuwe vormen van uitsluiting te veroorzaken. Gebruikers moeten worden ondersteund, zodat ze ten volle kunnen profiteren van de voordelen van digitalisering zonder de nadelen ervan te ondervinden. In het bijzonder beschouwt de NHRPH elke vorm van uitsluiting door ontwerp – d.w.z. dat personen geen toegang krijgen tot een dienst wegens een ontwerpfout– als onaanvaardbaar. En als dit het geval blijkt te zijn, moeten de processen in staat zijn om de uitgesloten personen met terugwerkende kracht terug te halen. De NHRPH dringt eropaan dat krachtige algoritmen worden gebruikt voor de verwerking van persoonlijke dossiers, en dat wordt gecontroleerd of deze correct werken, zodat de nodige aanpassingen kunnen worden aangebracht zodra anomalieën in de verwerking worden vastgesteld. Daartoe beveelt de NHRPH aan om de afgewezen dossiers te bewaren, samen met de gegevens die tot afwijzing hebben geleid.
  • De wet van 27 februari 1987 zou deel moeten uitmaken van een globaal en coherent model dat werk bevordert wanneer het mogelijk is en personen die nooit of slechts sporadisch zullen kunnen werken, niet benadeelt. In deze context zou ook artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, dat het heeft over het begrip ”vroegere toestand”, moeten worden opgenomen in de denkoefening. Op zijn minst zou dit in overeenstemming zijn met de UNCRPD-teksten en de Belgische Grondwet, want beiden eisen gelijkheid tussen personen met en zonder een handicap, alsook tussen personen met een handicap onderling, ongeacht de oorsprong van de handicap.

4. Voorstel van goede praktijken om de NTU te verminderen

De NHRPH is het eens met de meeste voorstellen voor goede praktijken in het literatuuronderzoek, maar wenst toch een aantal aandachtspunten aan te halen.

De NHRPH staat positief tegenover volgende goede praktijken:

  • Een betere verspreiding van een duidelijkere informatie door meer formaten en talen aan te bieden (duidelijk taalgebruik, FALC, braille, audio, gebarentaal, enz.)
  • Gerichte bewustmakingsprogramma’s voor het publiek
  • Een betere coördinatie tussen de verschillende administraties, diensten en ondersteunende systemen, met name door de oprichting van unieke loketten of contactpunten, eventueel gebaseerd op het model van Integrated Rights Practices dat reeds in Vlaanderen werd getest. In dit verband zou de NHRPH graag een concrete evaluatie ontvangen, met name wat betreft de kwaliteit van de antwoorden, de daadwerkelijke toegang tot rechten, enz.
  • De perceptie van de handicap doen evolueren van strikt medisch naar multidisciplinair; van preventie van zogenaamd overmatig gebruik van sociale uitkeringen naar een concept dat gebaseerd is op mensenrechten, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD)
  • De noodzaak om te beschikken over precieze cijfergegevens waarmee de doeltreffendheid van het sociaal beleid, met name op het vlak van de NTU, kan worden gemeten
  • De vereenvoudiging van de aanvraagprocedures, formulieren en het verminderen van het aantal voor te leggen documenten
  • De opleiding van ondersteunend personeel van de eerste lijn en met name het bewustmaken van de realiteit en de behoeften van de verschillende soorten handicap, met inbegrip van de minst zichtbare
  • Aanmoedigen van thuisbezoeken van de maatschappelijk werkers om een holistisch beeld te krijgen van de behoeften van personen met een handicap

Andere goede praktijken die in de studie naar voren komen, geven aanleiding tot een aantal opmerkingen.

Wat de integratie en het delen van gegevens betreft, dringt de NHRPH aan op de toepassing van de “Only once”-wet van 5 mei 2014 die in 2016 in werking is getreden en tot doel heeft te voorkomen dat burgers dezelfde informatie herhaaldelijk moeten verschaffen en “postbode moeten spelen” tussen verschillende overheidsdiensten. Hoewel de studie van de KUL, vermeld op pagina 22 van het rapport, waarin de mogelijkheid wordt onderzocht om potentiële begunstigden van sociale bijstand automatisch te identificeren op basis van de informatie die beschikbaar is in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), inderdaad een veelbelovend idee lijkt, stelt de NHRPH zich vragen bij de modaliteiten voor de implementatie ervan, in mei 2024, in Mygov.be. Immers, “de KSZ heeft samen met haar partners een systeem ontwikkeld waarmee een digitaal overzicht van de toegekende sociale statuten voor een persoon of zijn kinderen jonger dan 12 jaar kan worden gegenereerd. Deze persoonlijke werkwijze, die reeds beschikbaar was via de toepassing MyBEnefits, is nu ook mogelijk in het kader van de digitale portefeuille MyGov.be. De app biedt de burger ook de mogelijkheid om deze lijst van sociale statuten, die in real-time gegeneerd werd, lokaal op te slaan op zijn telefoon. Bij elk statuut staat er een QR-code met een geldigheidsduur van 15 dagen. Via de QR-code kan de burger op een veilige manier de strikt noodzakelijke informatie meedelen en kan hij nagaan of hij in aanmerking komt voor een sociaal voordeel.”
(Voortaan vind je ook de sociale statuten terug op MyGov.be | News.belgium). Deze nieuwe functionaliteit van MyGov.be gaat zeker in de richting van een toepassing van de “Only once”-wet, maar de unieke gegevensinzameling berust op het persoonlijk initiatief van de burger en sluit de facto de burgers uit die weinig of geen digitale vaardigheden hebben. Er zijn nog andere vragen: zal deze tool alle gewenste functionaliteiten vervullen? Heel wat organisaties wisselen hun gegevens nog niet uit: zal dit de doeltreffendheid van het instrument niet ondermijnen?

Bovendien moet het “Only once”-principe worden geanalyseerd in het licht van de bestaande algemene structuur, waarvan de “tegenstrijdige en schizofrene” dimensie in dit advies werd bekritiseerd. Het hangt er immers van af waar de aanvraag toekomt. Hoewel de NHRPH het principe ondersteunt, mag het zich nooit tegen de persoon keren; hierboven werd toegelicht dat deze garantie totaal onbestaande is, gezien de regelgevende constellatie die verschillende doelstellingen nastreeft.

Wat de automatisering betreft, verwijst de NHRPH naar zijn advies van 2018 n.a.v. de publicatie van het rapport van 2016 van het Brussels Observatorium voor gezondheid over de NTU. De essentiële vraag die werd gesteld in het rapport was de volgende: Is de automatisering van de rechten de oplossing voor de toegang tot de rechten? De conclusies van dit werk hebben geleid tot de vaststelling dat “terwijl digitalisering in theorie de efficiëntie en beschikbaarheid van gegevens zou moeten bevorderen en verbeteren, zorgt digitalisering in de praktijk voor een grotere bewijslast, codeerfouten en blokkeringen wegens niet eensluidende gegevens. De blokkeringen staan haaks op het recht op informatie, het recht om vragen te stellen, het recht op rechtstreekse en onrechtstreekse toegang, het recht op rechtzetting, enz.”
In zijn advies van 2018 concludeerde de NHRPH het volgende: “Automatisering van rechten is een deel van het antwoord op de noden: begeleiding moet versterkt worden, omdat op die manier een totaalbeeld van de crisissituatie verkregen kan worden, en er globaal of indien nodig specifiek werk van gemaakt kan worden, wat automatisering uiteraard niet vermag. Hervormingen van de overheidsdiensten gaan niet in die richting en leiden tot kwaliteitsverlies. Erger nog: de meest kwetsbare burgers kunnen niet meer “gevonden” worden. […] Automatisering moet een instrument blijven voor inclusie en “herstel”. Zij mag de inclusie van personen in de maatschappij niet belemmeren.

Wat betreft het beroep doen op artificiële intelligentie verwijst de NHRPH nogmaals naar zijn positienota over de digitale kloof. De NHRPH verwijst ook naar de Europese richtlijn over webtoegankelijkheid die de organisaties van de overheidssector oplegt de Europese norm EN 301 549 toe te passen op hun websites en online tools, en vraagt dat de vier fundamentele beginselen worden nageleefd, namelijk:

  1. Beginsel van waarneembaarheid: de inhoud moet zodanig aan de gebruiker worden gepresenteerd dat hij toegang ertoe kan hebben, dankzij ten minste één van zijn zintuigen. Bijvoorbeeld, de afbeeldingen zijn beschreven met behulp van een vervangende tekst bestemd voor de gebruikers met een visuele handicap.
  2. Beginsel van bedienbaarheid: de inhoud kan worden gecontroleerd dankzij verschillende tools. Bijvoorbeeld, personen die niet in staat zijn een muis te gebruiken, kunnen toegang hebben tot de inhoud door enkel gebruik te maken van het toetsenbord.
  3. Beginsel van begrijpelijkheid: er moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt, evenals voorspelbare en coherente interfaces. Dit is heel belangrijk voor personen met een cognitieve handicap of een leeshandicap.
  4. Beginsel van robuustheid: de website of de applicatie moet correct werken op de verschillende browsers, toestellen en platformen, met inbegrip van de assistentietechnologieën.

Daarnaast vraagt de NHRPH de toepassing van “inclusieve conceptie”, dit wil zeggen dat “de volledige diversiteit van mensen optimaal gebruik [kan] maken van [digitale] informatie- en communicatiemiddelen” (https://inclusie.gebruikercentraal.nl/over-de-toolkit-inclusie/wat-is-ontwerpen-voor-inclusie/). Daartoe verwijst hij naar de aanbevelingen van het Digital Open-netwerk van de FOD Beleid & Ondersteuning (BOSA):

  1. Faciliteer de eerste stappen: zorg voor instructies bij de start.
  2. Voorzie opties: zorg ervoor dat er een keuze is voor elk type gebruiker.
  3. Stel de gebruiker gerust doorheen het proces: vertel mensen dat er rekening wordt gehouden met hun acties.
  4. Zorg voor coherentie tussen platformen: zorg voor een visuele herkenbaarheid.
  5. Vereenvoudig het niveau van informatie: zorg voor een duidelijke een eenduidige boodschap.
  6. Faciliteer de navigatie: denk bij het ontwerpen aan de algemene samenhang tussen de diensten.

Ten slotte sluit de NHRPH zich aan bij de 8 effectiviteitsprincipes voor een caring technology van de Koning Boudewijnstichting:

  1. Zorg ervoor dat de rol van technologie en het gebruik van data faciliterend en ondersteunend blijven, dat ze ten dienste staan van de mens en de samenleving. Maximaliseer de mogelijkheden van burgers om zelf beslissingen te nemen vanuit hun zorgnoden, ondersteuningsbehoeften en gezondheidswensen.
  2. Stimuleer continue samenwerking tussen alle actoren door de creatie van een geïntegreerd technologisch ecosysteem waarin interoperabiliteit, gestandaardiseerde protocollen en open source (basis) technologie vanzelfsprekend zijn. Ondersteun patiënten en burgers om optimaal te participeren in de ontwikkeling en de inzet van dit ecosysteem.
  3. Geef eerlijke, betrouwbare, transparante en bevattelijke informatie over zorg- en gezondheidsinnovaties. Zorg ervoor dat mensen op een autonome manier echte geïnformeerde keuzes (true consent) kunnen maken door het nut, de toepasbaarheid, de pro’s en contra’s van innovaties objectief weer te geven waardoor mensen vertrouwen kunnen hebben in de producten waar ze voor kiezen.
  4. Versterk het vertrouwen van mensen en organisaties in het gebruik van data en de ontplooiing van hierop gebaseerde innovaties door hen eigenaarschap te geven over hun eigen data. Ondersteun burgers om deze data op een veilige manier te delen en in te zetten als hefboom voor persoonlijk welzijn en voor het algemeen belang.
  5. Bevorder de technologiegeletterdheid, gezondheidscompetenties en participatie van alle burgers. Zet in op levenslang leren voor iedereen. Zie erop toe dat iedereen mee is, inclusief kwetsbare en kansarme mensen en mensen die bijzondere aandacht vragen. Innovatie moet gericht zijn op het dempen van de digitale én de gezondheidskloof, in plaats van ze verder uit te diepen.
  6. Ontwikkel een participatieve en adaptieve governance van het innovatiesysteem. Stimuleer burgers en stakeholders om hieraan actief deel te nemen. Stuur beleid flexibel, maar niettemin krachtdadig bij, geïnformeerd door data, ervaring, evidence en groeiende expertise.
  7. Ontplooi systemen voor kwaliteitsborging van het innovatieproces, d.w.z. voor, tijdens en na de ontwikkeling van technologie, het gebruik van data en de implementatie van technologie. Controle moet plaatsvinden op vlak van inhoud, veiligheid, transparantie van informatie, traceerbaarheid, nut en effectiviteit. Hierbij moet ervaringskennis hand in hand gaan met wetenschappelijke bewijsvoering. Voer kwaliteitslabels in om de resultaten van deze controles en evaluaties te communiceren.
  8. Monitor en evalueer dat acties coherent blijven met de gestelde gezondheids- en zorgdoelstellingen in een breder preventief, ethisch en duurzaam kader. Integreer duurzaamheidsdoelstellingen en gepaste ethische principes (o.a. de rechten van de mens) in het groeipad van innovatie.

Meer in het algemeen vestigt de NHRPH de aandacht op het feit dat de digitale technologieën ontoereikend kunnen zijn om deelname van eenieder mogelijk te maken, omdat zij vaak ontmenselijkt zijn. Dit is met name het geval bij “chatbots”: een informaticaprogramma dat gesprekken tussen personen simuleert en verwerkt, opdat de personen die over digitale apparaten beschikken kunnen communiceren alsof ze met een echte persoon praatten. Heel wat personen met een handicap hebben nood aan menselijke en onmiddellijke hulp. Daarom is het behouden van bemande loketten en menselijke gesprekspartners absoluut noodzakelijk voor de toegankelijkheid van de overheidsdiensten. De loketbedienden beschikken over ervaring en knowhow op het vlak van administratieve procedures die niet kan worden vervangen door digitale middelen.

Ten slotte voegt de NHRPH zich bij de auteurs van het rapport als ze wijzen op de risico’s van het gebruik van artificiële intelligentie: bias, discriminaties, ondoorzichtigheid van de beslissingen die betwistingen bemoeilijken. Geïnspireerd op voormelde principes roept de NHRPH op tot extreme voorzichtigheid, met als doel een inclusieve en toegankelijke invoering van deze nieuwe tool.

C. Wat betreft de ontmoetingen met actoren uit de sector

De NHRPH verwijst naar de ontmoeting van 17 juli 2024 tussen mevrouw Gisèle Marlière en de heer Maarten Ruymen, respectievelijk voorzitster en ondervoorzitter van de NHRPH, en de consultants van Antares Consulting.

D. Wat betreft de enquête

(Opmerking: bij het valideren van het advies tijdens de plenaire vergadering van 18 november 2024 door de NHRPH, beschikt laatstgenoemde enkel over de gedeeltelijke resultaten die zijn opgesteld op basis van de gegevens van 30 september 2024.)

De NHRPH erkent de drieledige doelstelling die door de enquête wordt nagestreefd: de begunstigden in een NTU-situatie identificeren, de oorzaken van NTU voor iedere dienst van de DG HAN opsporen en ervaringen van begunstigden verzamelen teneinde de dienstverlening te verbeteren. De NHRPH stelt zich evenwel vragen bij de overeenstemming tussen deze doelstellingen en de aangewende middelen om daartoe te komen.

Ten eerste betreurt de NHRPH dat oorspronkelijk enkel de Nederlandstalige en Franstalige versies van de vragenlijst werden voorzien en dat een Duitstalige versie uitsluitend online werd verspreid, en dit twee weken na het aanvatten van de enquête. Dit heeft de antwoordtijd voor de Duitstaligen van 5 weken naar slechts 3 weken gebracht.

De NHRPH vindt het ook jammer dat zijn verzoek van 26 juli 2024 – tijdens de voorstelling van het literatuuronderzoek –om de enquête in Easy-to-read en gebarentaal ter beschikking te stellen niet werd ingewilligd.

De NHRPH is van oordeel dat een werkvergadering wenselijk was voor een raadpleging van de NHRPH, en ook van de verenigingen op het terrein, teneinde de vragen en vertakkingen van de enquête uit te denken en de relevantie en toegankelijkheid ervan te verbeteren. De NHRPH betreurt hierbij dat de vragenlijst hem werd voorgesteld tijdens een algemeen webinar, zonder mogelijkheid om er op voorhand kennis van te nemen en correcties voor te stellen. De NHRPH heeft wel degelijk opgemerkt dat de bedenkingen van een maatschappelijk assistente van de DG HAN, van de dienst Communicatie en van verschillende ervaringsdeskundigen van de FOD Sociale Zekerheid hun weerslag vonden in de vragenlijst. Deze bijdragen zijn wel degelijk nuttig, maar niet noodzakelijk voldoende. De NHRPH vindt het jammer dat de laatste vraag van de enquête de respondenten slechts de mogelijkheid gaf één enkele verandering te vermelden die zou kunnen bijdragen tot een betere toegang tot de diensten van de DG HAN. Behalve dat de formulering van de vraag weinig FALC is, meent de NHRPH dat de DG HAN zichzelf op die manier een belangrijke bron van informatie heeft ontnomen om een van de doelstellingen van de studie te bereiken: haar dienstverlening verbeteren.

De NHRPH stelt overigens vast dat de deelnemers voor het bekomen van begeleiding aan de enquête vooraf een e-mail moesten sturen om toegang te hebben tot telefonische begeleiding. De NHRPH stelt zich vragen bij de keuze van dergelijke methode waarbij een digitale tool wordt voorgesteld voordat men menselijke ondersteuning kan genieten. Deze methode druist in tegen de vaststellingen van het literatuuronderzoek en haar aanbevelingen door, in het kader van de enquête, de gehekelde oorzaken van de NTU te herhalen.

Ten slotte heeft de NHRPH met belangstelling kennis genomen van de gedeeltelijke resultaten van de enquête, gebaseerd op de gegevens van 30 september 2024. De NHRPH merkt op dat 60% van de respondenten in rechtstreeks contact staat met de DG HAN, namelijk begunstigden van sociale steun bij de ziekenfondsen of de OCMW’s. De NHRPH stelt zich vragen over de relevantie van de gekozen verspreidingskanalen, gelet op de doelstelling om niet enkel de redenen voor de secundaire, gedeeltelijke of frictionele, NTU, maar ook de redenen voor tertiaire, permanente en volledige, NTU te begrijpen. Een samenwerking met de ziekenhuizen, opvangcentra, enz. had waardevol kunnen zijn om de personen die ver af staan van de sociale diensten te bereiken.

Ten slotte en gelet op voormelde opmerkingen is de NHRPH van oordeel dat het initiatief van de enquête interessant is, maar dat de methode en de gekozen middelen hun doel deels voorbijschieten.

  • Raadplegingen: 16

Advies 2024/19 - Kaart kosteloze begeleider

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Mobiliteit, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de herziening van de toekenningsvoorwaarden van de kaart ‘kosteloze begeleider’ door de NMBS.

Besproken tijdens de plenaire zitting van 16/12/2024 en per mail goedgekeurd op 18/12/2024.

Advies op vraag van de NMBS op 08/10/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, CEO van de NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Pour suite utile à la DG Personnes handicapées (DGHAN)
  • Voor opvolging aan Ombudsrail
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan De Lijn
  • Ter informatie aan Tec
  • Ter informatie aan MIVB

2. ONDERWERP

De NMBS reikt de kaart ‘kosteloze begeleider’ uit op grond van erkenningsvoorwaarden m.b.t. handicap van o.a. de DG Personen met een handicap (DGHAN). Met de kaart reist de begeleider van de kaarthouder gratis mee met de trein.

De persoon die in aanmerking komt moet de kaart zelf aanvragen bij de NMBS. De toetsing van de voorwaarden gebeurt via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.

De kaart ‘kosteloze begeleider’ staat op naam van de persoon met een handicap. Zo is de persoon met een handicap niet afhankelijk van één vaste begeleider. De begeleider kan enkel gratis meereizen als hij of zij de persoon vergezelt.

De kaart wordt behalve door de NMBS ook erkend door De Lijn, MIVB en Tec.


3. ANALYSE

A. Context

De voorwaarden voor het afleveren van de kaart ‘kosteloze begeleider’ werden in september 1997 vastgelegd door de NMBS, samen met het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

Sinds 1997 is de relevante wetgeving meermaals gewijzigd en – in het kader van de recentste staatshervorming op het vlak van de gezondheidszorg - deels geregionaliseerd.

B. Klachten

Via zijn leden ontving de NHRPH recent meerdere klachten van personen van wie de kaart ‘kosteloze begeleider’ niet werd vernieuwd, hoewel hun toestand niet was verbeterd. Het ging vooral om personen jonger dan 21 jaar. Het lijkt erop dat de NMBS haar regels in het verleden soepeler toepaste, vooral bij jongeren. Met een vereiste van 6 punten in pijler 1 in het kader van de erkenning voor de verhoogde kinderbijslag voorkinderen met een handicap of andere aandoening vallen veel jongeren uit de boot die gebaat zouden zijn bij kosteloze begeleiding in het openbaar vervoer.

Het verlies van de kaart ‘kosteloze begeleider’ heeft een grote impact: de betrokken personen verliezen die kaart immers niet alleen voor hun treinreizen via de NMBS, maar ook voor het vervoer via De Lijn, Tec en MIVB!

Ook Ombudsrail ontving klachten van jongeren met een handicap die hun recht op een kaart ‘kosteloze begeleider’ verloren. Ombudsrail vroeg om uitleg bij de NMBS. Ombudsrail vroeg ook het advies van de NHRPH in een e-mail van 26/09/2024.

De NMBS liet de NHRPH weten aan een herziening van de voorwaarden te werken, aangezien het wettelijk kader van de handicap sinds de lancering van de kaart aanzienlijk was veranderd.

C. NMBS-voorstel voor nieuwe voorwaarden

In een brief van 08/10/2024 vroeg de NMBS de NHRPH om zijn advies m.b.t. de plannen van de NMBS om de voorwaarden voor de toekenning van de kaart ‘kosteloze begeleider’ te herzien. De NMBS suggereerde volgende voorwaarden:

Als voorwaarden om een kaart ‘kosteloze begeleider’ te verkrijgen, moet de persoon met een beperking voldoen aan één van onderstaande voorwaarden:

  • Minimaal 12 punten op de schaal van zelfredzaamheid;
  • Een blijvende invaliditeit of arbeidsongeschiktheid van minstens 80 %;
  • Een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en die leidt tot een invaliditeitsgraad van minstens 50 %;
  • Totale verlamming of amputatie van de bovenste ledematen;
  • Een integratietegemoetkoming van categorie III of hoger;
  • Blindheid van minstens 90% of volledige blindheid;
  • Minimaal 12 punten op de psychosociale schaal met een minimum van 4 punten op pijler 1.

4. ADVIES

A. Met betrekking tot de voorgestelde nieuwe voorwaarden:

  • De NHRPH waardeert dat de NMBS de voorwaarden voor de kaart ‘kosteloze begeleider’ moderniseert en daarbij tracht rekening te houden met de reële noden van de personen met een handicap.
  • De voorwaarde “Minimaal 12 punten op de psychosociale schaal met een minimum van 4 punten op pijler 1” moet worden opgesplitst in 2 voorwaarden die op zichzelf kunnen volstaan om recht te geven op de kaart, ook als de andere voorwaarde niet is vervuld:

Als voorwaarde om een kaart ‘kosteloze begeleider’ te verkrijgen, moet de persoon met een handicap voldoen aan minimaal één van onderstaande voorwaarden:” 

    • Minimaal 12 punten op de schaal van zelfredzaamheid;
    • Een blijvende invaliditeit of arbeidsongeschiktheid van minstens 80 %;
    • Een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en die leidt tot een invaliditeitsgraad van minstens 50 %;
    • Totale verlamming of amputatie van de bovenste ledematen;
    • Een integratietegemoetkoming van categorie III of hoger;
    • Blindheid van minstens 90% of volledige blindheid;
    • Minimaal 12 punten op de psychosociale schaal;
    • Minimaal 4 punten op pijler 1 van de psychosociale schaal. 

De NHRPH vernam al van de NMBS dat die akkoord gaat met deze wijziging.

  • AANDACHTSPUNT:
    In het huidige voorstel is er nog een aantal keren sprake van handicappercentages (80 %, 50 %, 90%) in plaats van punten.

⇒ De FOD Sociale zekerheid hanteert bij zijn evaluaties geen percentages meer, maar punten. Pas zo nodig de toekenningsvoorwaarden voor de kaart ‘kosteloze begeleider’ in die zin aan.
Gelieve wel na te gaan of de regelgevingen die met percentages werken nog van kracht zijn en of er nog mensen zijn die in die stelsels zitten.

  • In de toekomst kan de wetgeving rond de tegemoetkomingen uiteraard nog veranderen.

⇒ Er moet over worden gewaakt dat de voorwaarden voor de kaart ‘kosteloze begeleider’ actueel worden gehouden. Hiervoor moet er contact worden gehouden met de bevoegde instanties en de handicapsector.

B. Met betrekking tot de communicatie

  • De NMBS reikt de kaart ‘kosteloze begeleider’ uit, maar behalve de NMBS erkennen ook De Lijn, Tec en de MIVB de kaart.

⇒ Zorg dat de potentiële aanvrager weet waar hij de kaart moet aanvragen.
⇒ Vergemakkelijk de aflevering van de kaart. Dat moet kunnen zonder fysiek bezoek aan een NMBS-loket, bijvoorbeeld per post.
⇒ Deel de nieuwe voorwaarden mee in een begrijpelijke taal.
⇒ Betrek bij aanpassingen van de toekenningsvoorwaarden voor de kaart ‘kosteloze begeleider’ niet alleen de relevante erkenningsinstanties en de NHRPH, maar ook De Lijn, Tec en MIVB.

C. Met betrekking tot het gebruik van de kaart

  • De begeleider kan enkel gratis reizen terwijl hij of zij de houder van de kaart ‘kosteloze begeleider’ begeleidt. Het gebeurt echter vaak dat de begeleider de persoon enkel tijdens de heen- of terugreis begeleidt: om de persoon weg te brengen of om die op te halen, bijv. van of naar school of werk. De reis alleen in de andere richting moet de begeleider wel betalen, hoewel ook die reis in het kader van de begeleiding van de persoon met een handicap gebeurt. Voor mensen die geregeld iemand begeleiden, bijv. mantelzorgers, lopen de kosten zo al snel op.

 De NHRPH vraagt dat de NMBS een formule uitwerkt om de begeleider ook kosteloos te laten reizen tijdens het deel van het traject waarbij de persoon met een handicap niet aanwezig is.

  • Raadplegingen: 16

Advies 2024/20 - Fiche van de Regie der Gebouwen

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Leefomgeving

Advies 2024/20 - 

Advies nr. 2024/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het model voor de standaardfiche van de Regie der Gebouwen ter evaluatie van de toegankelijkheid van haar gebouwen.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/12/2024.

Advies op vraag van de Regie der Gebouwen in haar brief van 08/05/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Regie der Gebouwen
  • Voor opvolging aan de heer Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering, belast met Administratieve Vereenvoudiging, Privacy en de Regie der Gebouwen, toegevoegd aan de Eerste minister
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Regie der Gebouwen wil informatie verschaffen aan het publiek over de toegankelijkheid van de openbare gebouwen die ze beheert en van de diensten die zich in die gebouwen bevinden. Daartoe wil ze eerst een overzicht hebben van de huidige toegankelijkheid van die gebouwen. Daarom werkt de Regie der Gebouwen aan een modelfiche waarin de toegankelijkheid van het gebouw gedetailleerd wordt beschreven.


3. ANALYSE

A. Algemeen

Bij de Regie der Gebouwen is er sinds een aantal jaren aandacht voor de toegankelijkheid van de door haar beheerde gebouwen. In 2015 vroeg de Regie der Gebouwen al een advies in het kader van de toegankelijkheidsregels: advies 2015/34.

Het huidige advies gaat specifiek over de beschrijving van de toegankelijkheid van gebouwen. De Regie der Gebouwen bezorgde de NHRPH een ontwerp van modelfiche voor commentaar. De commentaar van de NHRPH betreft uiteraard de toegankelijkheidsfiche van de Regie der Gebouwen, maar in veel gevallen zullen zijn raadgevingen vooral nuttig zijn voor de diensten die het gebouw betrekken. Die raadgevingen kunnen worden opgenomen in de fiche.

Op de modelfiche ter bepaling van de toegankelijkheid van een gebouw komen 3 aspecten aan bod:

  • Het gebouw (bevoegdheid van de Regie der Gebouwen, voor zover het gebouw door de Regie der Gebouwen wordt beheerd)
  • De inrichting van het gebouw (bevoegdheid van de instantie die het gebouw betrekt)
  • De onthaalfunctie/het personeel (bevoegdheid van de instantie die het gebouw betrekt)

Voorlopig is er enkel een Franstalig ontwerp van de fiche.

De fiche is opgevat als informatie voor de bezoeker van het gebouw. De fiche bevat immers over de graad van toegankelijkheid volgens het type handicap. De bezoeker met een beperkte mobiliteit doet er dus goed aan de fiche vooraf te raadplegen.

Er is o.a. nadrukkelijk aandacht voor:

  • Eventuele werkzaamheden in het gebouw en de alternatieve toegang
  • Toegankelijkheid van de website + briefwisseling en brochures: FALC, zeker voor de belangrijkste diensten en producten
  • Toegankelijkheid van het contact center
  • Openbaar vervoer in de buurt
  • Het type van handicap of beperkte mobiliteit:
    • Ik kan niet (goed) zien.
    • Ik heb moeite met begrijpen en spreken.
    • Ik verplaats me met een assistentiehond.
    • Ik verplaats me in een rolstoel.
    • Ik heb een onzichtbare handicap.
    • Ik gebruik gebarentaal.
    • Ik hoor niet goed.
    • Ik ben doof.
    • Ik heb bewegingsmoeilijkheden. (Met inbegrip van specifieke handelingen zoals een deur openen)
    • Ik heb een heel jong kind bij me.

4. ADVIES

A. Algemeen

  • De NHRPH waardeert het initiatief van de Regie der Gebouwen om uniforme informatiefiches te ontwikkelen voor de gebouwen die ze beheert.
  • De NHRPH wenst ook zijn waardering uit te spreken voor het werk van de heer Jean-Marc Helson, architect werkzaam bij de Regie der Gebouwen die zich al jaren inzet voor de toegankelijkheid van de gebouwen van de Regie der Gebouwen.
  • De NHRPH benadrukt dat de informatiefiche geen einddoel mag zijn.

⇒ De informatiefiche moet een eerste stap in de richting van toegankelijke gebouwen worden. Er moet dus over worden gewaakt dat de fiche geen louter informatieve formaliteit wordt voor de diensten die het gebouw betrekken, maar net een aansporing om het gebouw toegankelijk te maken.
De fiche kan een interessant document zijn voor het opstellen van een lastenboek voor toegankelijkheidswerkzaamheden.

B. Evaluatie van de toegankelijkheid

  • Voor het invullen van de fiches wordt er een beroep gedaan op de diensten die het gebouw bezetten. De personeelsleden van die diensten zijn echter niet altijd voldoende opgeleid om een grondige toegankelijkheidsanalyse te maken.

⇒ Raadpleeg steeds de technische bureaus (CAWaB, Inter) voor een professionele toegankelijkheidsanalyse van een dienst.
De personen die instaan voor de evaluatie van de toegankelijkheid moeten een gedegen opleiding in toegankelijkheid hebben gevolgd.

C. Communicatie

  • Dankzij de toegankelijkheidsfiche kan de bezoeker weten waar hij of zij zich bij het bezoek aan kan verwachten en welke voorzorgen er eventueel te nemen zijn: assistentie, gebarentolk enz.

⇒ Zorg er dus voor dat de bezoeker vooraf toegang heeft tot de informatie. Plaats de fiche vlot vindbaar op de website van de dienst en neem die informatie op in de correspondentie met de bezoeker of verwijs naar de website (via een link), zeker bij een eerste bezoek.
⇒ Vermeld altijd een telefoonnummer met een contactpersoon in de correspondentie met de persoon.
⇒ Vermeld tijdens werkzaamheden niet alleen de tijdelijke alternatieve toegang, maar ook de bijkomende hinder die personen met een beperkte mobiliteit tijdens de werken kunnen ervaren. Bied zo nodig een oplossing, zoals assistentie.
⇒ Zorg ervoor dat de website van de dienst en van de Regie der Gebouwen toegankelijk is, en zeker de informatie over de toegankelijkheid van de dienst.
⇒ Vermeld niet alleen de nabijheid van het openbaar vervoer, maar ook de toegankelijkheid van het traject van de verschillende vormen van openbaar vervoer naar de dienst en terug. De dichtstbijzijnde vorm van openbaar vervoer is immers niet altijd de toegankelijkste.
⇒ Naast handicaps is er in de fiche ook aandacht voor andere vormen van beperkte mobiliteit, zoals een klein kind meedragen. Er zijn echter nog veel andere vormen van beperkte mobiliteit die bijzondere behoeften met zich meebrengen, zoals zwangerschap, ouderdom, bagage, ... Hou ook daar rekening mee.
⇒ Hou de fiche actueel, in het bijzonder bij werkzaamheden.
⇒ Ook met een toegankelijk gebouw en een goede fiche is assistentie ter plaatse nog nuttig en zelfs nodig. Een goed onthaal dat weet hoe het moet omgaan met personen met een handicap is dus belangrijk.
⇒ De dienst moet de persoon met een handicap ook de mogelijkheid bieden om tijdig zijn of haar behoeften mee te delen ter voorbereiding van het bezoek.

D. Categorieën van handicap:

  • Voor een correcte beschrijving van de toegankelijkheid van een gebouw is het belangrijk om aandacht te hebben voor alle types en gradaties van handicap, bijvoorbeeld fysiek, sensorieel, verstandelijk, … Aangezien elke handicap gepaard gaat met eigen noden, is het belangrijk om bij de beschrijving van de toegankelijkheid aandacht te hebben voor alle types van handicap. Hieronder een niet-exhaustieve lijst van aandachtspunten.

⇒ Hou rekening met ALLE handicaps.
⇒ Maak zeker het onderscheid tussen slechtziende en blinde personen. Hoewel beide groepen baat hebben bij geleidelijnen en een obstakelvrij parcours, hebben ze ook verschillende behoeften. Slechtziende personen hebben bijvoorbeeld nood aan voldoende contrast en licht; blinde personen aan tactiele en auditieve informatie.
⇒ Maak ook een onderscheid tussen moeite hebben met begrijpen en moeite hebben met spreken. Mensen die moeite hebben met begrijpen hebben baat bij een heel eenvoudige uitleg. Bij mensen die moeite hebben met spreken kan zo’n zeer eenvoudige uitleg echter betuttelend overkomen.
⇒ Ook rolstoelgebruikers zijn een zeer gevarieerde groep. Bijvoorbeeld: sommigen kunnen autonoom een rolstoel gebruiken in een toegankelijke omgeving, anderen hebben assistentie nodig. Sommige rolstoelgebruikers kunnen gedurende een korte tijd autonoom de rolstoel verlaten en stappen of blijven staan, anderen niet. De voertuigen zelf verschillen ook onderling: manuele rolstoelen, elektrische rolstoelen, scootmobielen enz. Zeker de elektrische voertuigen en scootmobielen kunnen breed en zwaar zijn, wat soms problemen geeft met de toegang tot de lift, het gebruik van draaipoortjes, het traject van de parking naar het gebouw en omgekeerd enz.
⇒ Bied zowel Vlaamse als Frans-Belgische gebarentaal aan.
⇒ Opgelet, ook een assistentiehond heeft behoeftes. Voorzie een plasplaats of plasweide in de directe omgeving.
⇒ Opgelet: roltrappen zijn gevaarlijk voor honden! Bied dus een toegankelijk alternatief aan, zoals een lift.

  • De ontwerpen van de fiches hebben het ook over onzichtbare handicaps. Terecht, want het overgrote deel van de handicaps en aandoeningen zijn niet (meteen) zichtbaar. Een niet-exhaustieve lijst met voorbeelden: gehoorproblemen, autisme, chronische aandoeningen, verstandelijke handicap, psychische problemen, kleurenblindheid, snel vermoeid zijn, bepaalde spier- en botproblemen, interne ziektes …

⇒ Definieer ‘onzichtbare handicap’ goed en heb aandacht voor de verschillende vormen van onzichtbare handicaps. Elke handicap heeft zijn uitdagingen en vraagt specifieke oplossingen.

E. Federale gebouwen die niet door de Regie der Gebouwen worden beheerd

  • Een aantal gebouwen van federale diensten worden niet door de Regie der Gebouwen beheerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de gebouwen van Defensie en Buitenlandse zaken.

⇒ Informeer de betrokken diensten over de toegankelijkheidsproblematiek en spoor hen aan om hun gebouwen toegankelijk te maken volgens, bij voorkeur volgens dezelfde criteria als de Regie der Gebouwen. Hier is ook een rol weggelegd voor de betrokken ministers.

F. Gebouwen van andere beleidsniveaus

  • Er zijn ook nog de vele openbare gebouwen en gebouwen van openbaar nut op regionaal en lokaal vlak. Vanzelfsprekend is de Regie der Gebouwen niet verantwoordelijk of zelfs maar bevoegd voor die gebouwen, maar voor de gebruiker zou het wel interessant zijn dat ook die gebouwen toegankelijk zijn. Daarbij moet uniformiteit worden nagestreefd. Zowel op federaal als regionaal vlak bestaan er al waardevolle initiatieven zoals toegankelijkheidshandboeken.

⇒ Een structureel overleg met de andere beleidsniveaus is noodzakelijk.
Indien er verschillende normen gelden op de verschillende beleidsniveaus, moet er voor de strengste norm worden gekozen.

G. Raadpleging:

  • De NHRPH waardeert het dat de Regie der Gebouwen de NHRPH om advies vraagt.

⇒ De NHRPH vraagt om geraadpleegd te worden in dossiers die personen met een handicap aangaan, zoals de toegankelijkheid van gebouwen die openstaan voor het publiek.
De NHRPH vraagt om ook rekening te houden met personeelsleden met een handicap. Ook hun werkplaats moet toegankelijk zijn. De NHRPH herinnert hierbij aan de wetgeving inzake redelijke aanpassingen.

  • Tot slot wil de NHRPH nogmaals benadrukken dat de toegankelijkheid van de gebouwen van de Regie der Gebouwen een absolute prioriteit en een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een kwalitatieve dienstverlening.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2024/16 - Federaal Actieplan Handicap 2024-2029

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) inzake het toekomstig Federaal Actieplan Handicap 2024-2029, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/10/2024.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan het coördinatiemechanisme van de FOD Sociale Zekerheid
  • Voor opvolging aan de heer Bart De Wever, formateur
  • Voor opvolging aan de partijen die bij de regeringsvorming zijn betrokken
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 18 september 2024 heeft het UNCRPD-coördinatiemechanisme van de FOD Sociale Zekerheid een werkvergadering georganiseerd met de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld teneinde het toekomstig Federaal Actieplan Handicap voor te bereiden.


3. ANALYSE

A. Wettelijke basis

De wet van 7 mei 2024 bepaalt, in haar artikel 3, het volgende: “Binnen twaalf maanden na de installatie van een regering na de volledige vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt een Federaal plan handicap opgesteld. Het Federaal plan handicap beschrijft de maatregelen die elke minister en staatssecretaris op federaal niveau moet nemen om het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap uit te voeren, alsook de verwezenlijking van het recht op inclusie van personen met een handicap, zoals vervat in art 22ter van de Grondwet, in alle domeinen van het federale beleid.” In artikel 4 van voormelde wet wordt het volgende verduidelijkt: “Het maatschappelijk middenveld van personen met een handicap, in het bijzonder de Nationale hoge raad [voor personen met een handicap], en de onafhankelijke instantie worden bevraagd over de prioriteiten voor het actieplan.”

B. Het Federaal Actieplan Handicap 2021-2024

Het Federaal Actieplan Handicap 2021-2024 van de vorige legislatuur, dat goedgekeurd werd in juli 2021 door de toenmalige Ministerraad, was opgebouwd rond de zes assen van het regeerakkoord en omvatte 145 maatregelen die te maken hadden met alle aspecten van het leven van personen met een handicap en, desgevallend, hun omgeving: onder andere gezondheid en sociale bescherming, werk en werkgelegenheid, toegankelijkheid, mobiliteit, strijd tegen discriminaties en deelname aan het cultuur en sport. Een tussentijds voortgangsverslag werd in het najaar van 2022 gepubliceerd en een eindverslag, aan het eind van de legislatuur, in 2024.

De NHRPH heeft zijn advies uitgebracht over het Plan en zijn twee verslagen: advies 2021/25 voordat het Plan werd goedgekeurd, advies 2022/29 naar aanleiding van de publicatie van het tussentijds verslag en advies 2024/08 over de publicatie van het eindverslag.

In zijn recent advies 2024/08 onderzocht de NHRPH achtereenvolgens de realisaties, de maatregelen die nog vragen deden rijzen, de mislukkingen en de nog geplande maatregelen waarover de NHRPH zijn verwachtingen formuleerde. De NHRPH sloot af met aandachtspunten voor de toekomst. Onder andere de volgende aandachtspunten kwamen aan bod:

  • Handistreaming: een werkelijk resultaatgerichte handistreaming vereist een proactieve analyse en visie, planning en concrete uitvoering, opvolging en evaluatie op grond van indicatoren. Het zou, in dit perspectief, wenselijk zijn dat de beleidscellen systematisch voorzien in een contactpersoon Handicap.
  • De reglementering: in het licht van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en vooral art. 22ter van de Grondwet moet de wetgever de bestaande wetgeving aftoetsen aan de principes van inclusie, redelijke aanpassingen en autonomie en, zo nodig, wijzigingen aanbrengen aan de wetgeving.
  • De statistieken: het is noodzakelijk over data en statistieken te beschikken om een onderbouwd beleid uit te stippelen. Het bijhouden van deze data moet structureel gebeuren voor de belangrijke maatregelen (zoals het stemrecht van personen met een handicap, personen die in een instelling verblijven, tewerkstellingsmaatregelen, statistieken betreffende vrijetijdsbesteding, enz.). Dit vereist een gecoördineerde aanpak met de deelgebieden.
  • De rol van de NHRPH: de rol van de NHRPH wordt steeds meer erkend. Jammer genoeg wordt de NHRPH nog lang niet altijd structureel geraadpleegd, veeleer sporadisch en willekeurig. Daarnaast wordt nog te vaak enkel een beroep gedaan op de NHRPH in de laatste fase van de totstandkoming van de maatregelen. De huidige bezetting van het secretariaat volstaat niet om de dossiers, ontmoetingen en adviezen voor te bereiden, de vergaderingen te volgen en de leden van de NHRPH te ondersteunen telkens dat nodig is.

Voor meer informatie over dit thema kan u advies 2024/08 raadplegen.

C. Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

In augustus 2024 heeft het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap (UNCRPD-Comité), voor de tweede keer sinds 2009, de voortgang van de Belgische staat bij het uitvoeren van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap onderzocht. Daartoe heeft het Belgian Disability Forum (BDF) een alternatief verslag aan het Comité bezorgd als aanvulling bij het door België opgestelde verslag. In het verslag van het BDF werd onder andere op de volgende punten gewezen: bewustmaking, toegankelijkheid, openbaar vervoer en het belang van de ondersteunende diensten, met name in een context van toenemende digitalisering.

De slotopmerkingen van het UNCPRD-Comité over de gecombineerde tweede en derde verslagen van België waren in grote mate een weerspiegeling van de in het alternatief verslag van het BDF geformuleerde verwachtingen.


4. ADVIES

A. Wat betreft de verplichting van de regering om een Federaal Actieplan Handicap op te stellen (wet van 7 mei 2024)

De NHRPH waardeerde de “Consultatieworkshop met het maatschappelijk middenveld rond de aanbevelingen van het VN-Comité inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD)” op 18 september 2024, georganiseerd door het UNCRPD-coördinatiemechanisme van de FOD Sociale Zekerheid. Deze raadpleging van het maatschappelijk middenveld past in het kader van de algemene principes en verplichtingen van de lidstaten die het UNCRPD-Verdrag hebben ondertekend. De NHRPH heeft met grote tevredenheid de constructieve deelname van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld aan de workshop van 18 september genoteerd, en waardeerde de boeiende uitwisselingen tussen de deelnemers. De NHRPH betreurt evenwel dat de tijd die aan deze uitwisselingen werd besteed te kort was.

De NHRPH betreurt daarnaast dat er geen enkele feedback van het UNCRPD-coördinatiemechanisme naar de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld was voorzien. In het kader van het naleven van voormeld principe van “nauwe raadpleging van de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen” vraagt de NHRPH dat het coördinatiemechanisme alle deelnemers een verslag van alle voorgestelde acties van 18 september bezorgt en dat het aan iedereen het ontwerp van federaal plan handicap dat is opgesteld aan de hand van de opmerkingen voorlegt teneinde hun feedback te verzamelen.

B. Wat betreft het opstellen van het plan

De NHRPH herinnert aan de aandachtspunten uit zijn advies 2024/08:

  • De noodzakelijke invoering van een volwaardige handistreaming, dit wil zeggen een proactieve analyse, implementatie, opvolging en evaluatie op basis van indicatoren van alle overwogen – en vervolgens geïmplementeerde – beleidsmaatregelen.
  • Het instellen van een contactpersoon Handicap in alle beleidscellen teneinde de handistreaming echt in werking te doen treden.
  • De behoefte aan data en statistieken om een onderbouwd beleid uit te stippelen. De NHRPH vraagt dat het bijhouden van deze data op een structurele manier gebeurt voor de belangrijke maatregelen (zoals het stemrecht voor personen met een handicap, personen die in een instelling verblijven, tewerkstellingsmaatregelen, statistieken betreffende vrijetijdsbesteding, enz.) en dat dit gecoördineerd wordt aangepakt met de deelgebieden.
  • De behoefte om de bestaande wetgeving te toetsen aan de principes van inclusie, redelijke aanpassingen en autonomie, en de nodige wijzigingen aan te brengen aan de wetgeving overeenkomstig de vereisten van het UNCRPD en de aanbevelingen van de deskundigen. Daartoe vraagt de NHRPH dat alle aanbevelingen 2024 van de deskundigen van het UNCRPD-Comité worden opgenomen in het toekomstig Federaal Plan Handicap, dat ze worden omgezet in concrete acties en gekoppeld worden aan de nodige adequate om ze te realiseren.

De NHRPH dringt aan op de noodzaak om de NHRPH de komende dagen en maanden te betrekken bij alle stadia van de denkoefening en het opstellen van het plan. De NHRPH stelt voor dat het coördinatiemechanisme een werkgroep opricht waaraan de NHRPH met veel overtuiging zal deelnemen.

De NHRPH wijst overigens op de noodzaak om de interministeriële subconferentie handicap te reactiveren teneinde de werkzaamheden inzake het Interfederaal Plan Handicap 2022-2030 voort te zetten en de maatregelen tussen de verschillende overheidsniveaus te coördineren, ook in het licht van de aanbevelingen van de deskundigen van september 2024.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2024/07 - Code van de openbare weg

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2024/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassing van de Code van de openbare weg, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/09/2024.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De nieuwe Code van de openbare weg werd op 20 september 2024 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar pas op 1 september 2026 treedt de nieuwe code in werking. 

Op die datum vervangt de Code van de openbare weg het Koninklijk besluit van 1 december 1975 betreffende het algemeen reglement op de politie over het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg, doorgaans “Wegcode” genoemd. 

Gezien de verdeling van de bevoegdheden op dit gebied, wordt de Code van de openbare weg aangevuld met drie regionale codes die de geregionaliseerde bepalingen bevatten. Het Vlaams verkeersreglement en de Brusselse Code van de openbare weg zijn al gepubliceerd ; de Waalse code zal binnenkort worden gepubliceerd. Ze worden allemaal van kracht op 1 september 2026.

De termijn van ongeveer twee jaar voor de inwerkingtreding van de nieuwe Code van de openbare weg is bedoeld om voldoende tijd te voorzien voor de nodige aanpassingen, voornamelijk op het gebied van regelgeving, IT en onderwijs, die voortvloeien uit de herziening van het koninklijk besluit van 1975.

De Code van de openbare weg gaat vergezeld van een zeer gedetailleerd verslag aan de koning. Er werd ook een pagina volledig gewijd aan de nieuwe regelgeving ontwikkeld : https://www.wegcode.be/nl/code-van-de-openbare-weg.

(Informatie Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer)


3. ANALYSE

Op de website van de FOD Mobiliteit en Vervoer staat over de aanpassing van de wegcode te lezen:

“Het belangrijkste doel van de nieuwe Code van de openbare weg is ervoor zorgen dat elke weggebruiker, ongeacht zijn leeftijd of opleidingsniveau, begrijpt wat er van hem verwacht wordt en onduidelijkheden vermijden. Een voortdurende zorg: informatie plaatsen waar men die verwacht te vinden.
Daarom werden meerdere bepalingen geordend volgens gebruikerscategorieën, voornamelijk met betrekking tot hun plaats op de openbare weg. Afhankelijk van hun vervoerswijze kunnen weggebruikers dus gemakkelijker de regels terugvinden die van toepassing zijn op de delen van de openbare weg die zij gebruiken.” 

Ook wordt er een modernisering van de verkeersborden doorgevoerd:

“De meeste borden zijn aangepast om aan een aantal doelstellingen te voldoen:  

  • in overeenstemming zijn met het Verdrag van Wenen en internationaal geharmoniseerd zijn;  
  • zo zichtbaar mogelijk zijn (met een witte of zwarte rand);  
  • genderneutraal zijn; 
  • moderner zijn.”  

Contrast is belangrijk. In het bijzonder de borden met enkel rood en blauw (zoals de borden inzake parkeren) hadden te weinig contrast.

De NHRPH vroeg o.a. al in zijn advies 2021/39 meer aandacht voor personen met een handicap in het verkeer, want zij lopen meer risico op ernstige ongevallen dan anderen door de gebrekkige toegankelijkheid van de publieke ruimte.

VIAS, het kennisinstituut ter verbetering van de verkeersveiligheid, mobiliteit, veiligheid en gezondheid, lanceerde begin 2023 een enquête met de vraag welke verkeersovertredingen het risico op een dodelijk ongeval ernstig verhoogden en in welke mate. Eerder is er een bevraging geweest over de gevaarlijkste verkeersovertredingen. De NHRPH heeft toen het advies 2023/13 over de risico’s in het verkeer voor personen met een handicap, (plenaire zitting van 19/06/2023) uitgebracht. Daarin had de NHRPH aandacht voor de risico’s die personen met een handicap lopen, zoals

  • Overtredingen van andere weggebruikers, zoals dronkenschap achter het stuur, negeren van de voorrangsregels en het gebruik van de parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor personen met een handicap
  • Gevaarlijke situaties zoals shared spaces, geruisloze elektrische wagens en het ontbreken van zebrapaden in zone 30
  • Obstakels, vooral op de stoep, zoals rondslingerende of geparkeerde fietsen en deelsteps en kabels van laadpalen

Met sommige vragen en eisen van de NHRPH lijkt bij het aanpassen van de Code van de openbare weg enigermate rekening gehouden. De NHRPH stelt echter vast dat er ook nieuwe bepalingen zijn die net meer risico’s voor personen met een handicap inhouden. Daarom besloot de NHRPH om dit advies op te stellen.

De nieuwe Code van de openbare weg bevat ook een aantal wijzigingen voor de fietsers. In bepaalde gevallen mogen fietsers nu op de stoep rijden.

A. Fietsers

  • Een nieuw bord kan worden geplaatst om een niet verplicht fietspad aan te duiden, zodat fietsers de rijbaan mogen gebruiken als ze daar de voorkeur aan geven;
  • Fietsen op de stoep is toegestaan tot en met de leeftijd van 11 jaar (voorheen was dat enkel voor kinderen van minder dan 10 jaar);
  • Er wordt een nieuwe mogelijkheid geboden aan fietsers (en tweewielige bromfietsen) om tussen twee rijstroken door, langs stilstaande of langzaam rijdende auto’s te rijden, ook aan de rechterkant;
  • Wanneer het B22-verkeersbord aanwezig is, mogen fietsers en speedpedelecs nu door rood of oranje licht rijden om linksaf te slaan (naast de mogelijkheid om rechtsaf te slaan of rechtdoor te gaan, op voorwaarde dat ze voorrang verlenen aan andere weggebruikers);
  • Wanneer er geen ruimte is om een fietspad aan te leggen, maar fietsen op de rijbaan gevaarlijk kan zijn, kan de wegbeheerder fietsen op de stoep toestaan. In dit geval behouden voetgangers de absolute voorrang op de stoep;
  • Wanneer tweewielers (fietsen, bromfietsen, motorfietsen) op de stoep mogen parkeren, moet er minstens 1,5 m vrije ruimte zijn om voetgangers niet te hinderen.

B. Speedpedelecs 

Speedpedelecs hebben nu toegang tot voetgangerszones, waarbij ze stapvoets rijden en voetgangers en andere weggebruikers respecteren. 

C. Stilstaanverbod

  • Het stilstaanverbod wordt o.a. toegevoegd aan het parkeerverbod op parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met een handicap;  
  • Het stilstaanverbod komt bovenop het parkeerverbod (voor fietsen, steps) op blindegeleidetegels

D. Voor personen met een beperkte mobiliteit

De minimumleeftijd voor het gebruik van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen (inclusief elektrische steps) wordt afgeschaft. Gebruikers mogen ermee stapvoets rijden op de stoep en er parkeren.


4. ADVIES

A. Wat betreft de vereenvoudiging

De NHRPH staat positief tegenover de pogingen tot vereenvoudiging van de wegcode. Het groeperen van de bepalingen per vervoerswijze is een stap voorwaarts die mensen toelaat om de relevante verkeersregels gegroepeerd terug te vinden.

De NHRPH vraagt om de wijzigingen aan de code van de openbare weg tijdig mee te delen aan het ruime publiek via de verschillende kanalen. Om toegankelijk te communiceren is er nood aan auditieve en visuele boodschappen, braille, gebarentaal, eenvoudig taalgebruik, toegankelijke websites enz.

B. Wat betreft het delen van de stoep

Eerder liet de NHRPH al weten negatief te staan tegenover gedeelde zones (zie o.a. advies 2022/15 over de zogenaamde shared spaces), want het onveiligheidsgevoel neemt toe wanneer verschillende types weggebruikers zones delen. Dat geldt in het bijzonder voor de zwakste weggebruikers zoals personen met een handicap. De kans bestaat dat die de risicoplaatsen zullen mijden en zich uiteindelijk niet meer in het verkeer durven te begeven.

Als de overheid fietsers beter wil beschermen, dan moet ze zorgen voor veilige fietspaden.

Als algemeen principe hanteert de NHRPH dat ieder vervoermiddel zijn vaste plaats moet hebben: de rijbaan, het fietspad of de stoep. De stoep is voor de voetgangers.
De NHRPH vraagt dat enkel voertuigen die stapvoets rijden – in het bijzonder mobiliteitshulpmiddelen zoals (elektrische) rolstoelen en scootmobielen - op de stoep mogen rijden.
De NHRPH vraagt met aandrang meer veilige fietspaden en trottoirs. Die moeten gescheiden zijn. Gedeelde stroken voor fietsers en voetgangers houden risico’s in, in het bijzonder voor personen met een handicap.
Op termijn wenst de NHRPH een meer doordachte en conflictvrije indeling van kruispunten met aangepaste voorzieningen, in het bijzonder voor zwakke weggebruikers zoals personen met een handicap.
De NHRPH verzet zich tegen het parkeren van voertuigen zoals fietsen en speedpedelecs op de stoep.

C. Wat betreft de modernisering van de verkeersborden

De NHRPH staat positief tegenover de harmonisering van de verkeersborden volgens internationale afspraken en de verbetering van het contrast van verkeersborden door de introductie van een witte contrastlijn.

D. Wat betreft het stilstaanverbod

De NHRPH is verheugd dat het stilstaanverbod wordt toegevoegd aan het parkeerverbod op parkeerplaatsen voor personen met een handicap en op delen van de openbare weg die door voetgangers worden gebruikt. Net als parkeren kan stilstaan immers hinder veroorzaken voor personen met een handicap. Als een wagen stilstaat op een parkeerplaats voor personen met een handicap, is deze plaats niet beschikbaar en bovendien lijkt die parkeerplaats dan in gebruik.

De NHRPH is ook blij met het parkeerverbod voor fietsen en steps op geleidelijnen. De essentie van geleidelijnen is dat ze obstakelvrij zijn en blijven, zodat personen met een visuele handicap die veilig kunnen volgen.

Nog een kleine opmerking over de gehanteerde terminologie:
In de Nederlandstalige versie van de wettekst staat als benaming “blindengeleidetegels”. Het is niet opportuun om het woord “blinden” aan deze benaming te koppelen. Dit om volgende redenen:

  • Geleidelijnen worden niet alleen door blinde maar ook door slechtziende personen gebruikt.
  • In andere talen (bijv. in het Engels), die bijvoorbeeld worden gehanteerd bij internationale en Europese normen met betrekking tot dit onderwerp, wordt die koppeling niet gemaakt.
  • Bij de andere podotactiele aanpassingen, bijvoorbeeld “waarschuwingsstroken”, wordt die koppeling evenmin gemaakt (er wordt bijv. ook niet gesproken over “blindenwaarschuwingstegels”).
  • In de Franse versie is er sprake van “dalles podoctactiles” (podotactiele tegels), wat te verkiezen valt.

In België worden overigens drie soorten podotactiele aanpassingen toegepast:

  1. Ribbels (deze worden gebruikt voor de geleidelijnen)
  2. Noppen (deze worden gebruikt voor de waarschuwingsstroken)
  3. Verende tegels (deze worden gebruikt voor de informatie-/oriëntatievlakken)

Deze drie soorten hebben als gezamenlijke benaming: “podotactiele aanpassingen”.
Ter verduidelijking kan in de wettekst vermeld worden: “podotactiele aanpassingen (ribbels, noppen, verende tegels) voor blinde en slechtziende personen”.

De NHRPH vraagt wel om het stilstaanverbod breed toe te passen, dus ook op rubberen informatietegels en waarschuwingstegels (noppentegels).
Overtredingen moeten worden bestraft.
Het is belangrijk om in de wettekst een correcte terminologie te gebruiken: podotactiele lijnen, geleidelijnen, waarschuwingstegels, informatie-/oriëntatievlakken enz.

E. Wat betreft rateltikkers

De NHRPH maakt van de gelegenheid gebruik om te herinneren aan het belang van rateltikkers met trilfunctie bij verkeerslichten. Rateltikkers laten personen met een visuele handicap toe om veilig over te steken. Als de rateltikkers voorzien zijn van een trilfunctie, kunnen ook doofblinde personen er veilig gebruik van maken. Er zijn relatief weinig kruispunten met rateltikkers in ons land en het aantal rateltikkers lijkt zelfs af te nemen. Apps en andere technologische ontwikkelingen vereisen een performante, opgeladen smartphone, zijn niet altijd even efficiënt of toegankelijk voor iedereen en zijn soms betalend. Ze ontslaan de overheid dus niet van de opdracht om de verkeersinfrastructuur toegankelijk te maken.

De NHRPH vraagt om systematisch rateltikkers met trilfunctie te voorzien op kruispunten met verkeerslichten.

F. Wat betreft zebrapaden in de zone 30

De NHRPH herinnert ook aan het belang van zebrapaden, ook in de zone 30. Personen met een visuele handicap vertrouwen op de zebrapaden – bij voorkeur te vinden via geleidelijnen – om veilig over te steken. Immers, in principe maakt een zebrapad deel uit van een obstakelvrij parcours. Bovendien worden geleidehonden opgeleid om aan het zebrapad over te steken.

De NHRPH vraagt om zebrapaden te behouden, ook in de zone 30.

G. Wat betreft de rood-witte stok voor doofblinde personen

Internationaal neemt de erkenning toe voor de rood-witte stok. De rood-witte stok geeft aan dat de gebruiker een auditieve en een visuele handicap heeft

De NHRPH vraagt dat - behalve de witte stok voor blinde en zwaar slechtziende personen - ook de rood-witte stok ook in België wordt erkend en in de wetgeving wordt opgenomen.

H. Wat betreft de eerdere eisen van de NHRPH

De NHRPH verwijst naar zijn eerdere adviezen inzake verkeersveiligheid en de Code van de openbare weg:

I. Wat betreft het raadplegen van de NHRPH

Voorafgaand aan de aanpassing van de Code van de openbare weg werden de stakeholders – waaronder de NHRPH - geraadpleegd via verschillende kanalen.

Toch had de NHRPH een vraag om advies gewaardeerd inzake het finale ontwerp. Dan had de NHRPH kunnen wijzen op punten die problemen kunnen veroorzaken voor personen met een handicap. Handistreaming vereist immers dat bij elke beleidskeuze rekening wordt gehouden met de impact op personen met een handicap.

De NHRPH vraagt om systematisch te worden geraadpleegd bij beleidsbeslissingen op federaal vlak die een impact hebben op personen met een handicap.
De NHRPH vraagt de opstellers van de nieuwe Code van de openbare weg om gebruik te maken van de ongeveer twee jaar voor de inwerkingtreding ervan om de elementen die nadelig zijn voor personen met een handicap weg te werken.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2024/05 - Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg

Advies nr. 2024/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/09/2024.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken, in zijn brief van 22/08/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid werd de NHRPH voorgelegd.


3. ANALYSE

Het ontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel de aanwijzing van twee ondervoorzitters voor het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid mogelijk te maken en het bedrag van het presentiegeld te indexeren.


4. ADVIES

A. Wat betreft het ontwerp van koninklijk besluit

De NHRPH heeft geen bijzondere opmerkingen over het ontwerp van koninklijk besluit.

B. Wat betreft eerdere verzoeken van de NHRPH

Zie adviezen 2023-10 en 2021-06. De geformuleerde verzoeken zijn zonder gevolg gebleven en zijn dus nog steeds relevant. Deze verzoeken zijn bijzonder belangrijk voor de NHRPH: de NHRPH herhaalt deze dus en hoopt dat er deze keer wel gevolg aan wordt gegeven.

  • De NHRPH vraagt zich af of het niet wenselijk zou zijn een permanent karakter te geven aan het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid. De arbeidswereld verandert voortdurend en het welzijn van werknemers blijft de komende jaren een uitdaging.
  • De NHRPH heeft er nota van genomen dat de Minister het Nationaal College gevraagd had 9 fiches op te stellen in 2023 en 11 nieuwe fiches in 2024. De NHRPH herhaalt zijn verzoek om deze te kunnen raadplegen.
  • Wat betreft de terugkeer naar werk van arbeidsongeschikte personen wijst de NHRPH nogmaals op de volgende realiteit: het opnieuw tewerkstellen van personen met een blijvende en onomkeerbare lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap of chronisch zieken, kan uiteraard niet op dezelfde manier gebeuren als bij een werknemer die een groot deel van zijn zelfredzaamheid heeft teruggevonden na de invaliditeits- of ongeschiktheidsperiode. De wetgeving inzake de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid maakt overigens een onderscheid naargelang de oorsprong of het tijdstip van het begin van de handicap, of de persoon al dan niet heeft gewerkt enz. Het is niet langer aanvaardbaar (cf. Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bekrachtigd door België in 2009) dat 2 personen met dezelfde handicap verschillend worden behandeld. De beoordelingsmethodes moeten dringend op elkaar worden afgestemd. Overigens, na verschillende jaren en fasen van aanpassing van de “Back to work”-maatregel wenst de NHRPH graag een evaluatie van deze maatregel te zien: aantal opnieuw tewerkgestelde personen, profiel, aangebrachte aanpassingen, betrokkenheid van de werkgevers, enz.

C. Wat betreft het gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) in de procedure voor het beoordelen van de handicap

Op 6 maart 2024 werd een conferentie over AI in de sociale zekerheid en de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid georganiseerd door de FOD Sociale Zekerheid, onder leiding van het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en met de medewerking van de EUMASS.

⇒ De NHRPH herhaalt zijn verzoek om over de stukken van het colloquium te kunnen beschikken.
De NHRPH vraagt nogmaals om deel uit te maken van de werkgroep die m.b.t. deze problematiek werd opgericht. De NHRPH herinnert eraan erg begaan te zijn met de kwestie van de evaluatie van het verlies van het verdienvermogen, in het bijzonder m.b.t. de wet van 27 februari 1987 (stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap) ten aanzien waarvan het raadplegen van de NHRPH verplicht is sinds 1987.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2024/15 - Lijst van mobiliteitshulpmiddelen voor aanvraag parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Mobiliteit, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wijziging van de lijst van mobiliteitshulpmiddelen voor aanvraag van de parkeerkaart via de verkorte aanvraagprocedure.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/09/2024.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clement, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De DG HAN heeft de lijst van de mobiliteitshulpmiddelen die in aanmerking komen voor de uitreiking van de parkeerkaart via de verkorte procedure gewijzigd.


3. ANALYSE

A. Waarover gaat het:

De parkeerkaart voor personen met een handicap is bedoeld voor personen met een beperkte mobiliteit – zie Aanbeveling nummer 3 van de Raad van 4 juni 1998 inzake een parkeerkaart voor mensen met een handicap.

De aanvrager moet dan ook aan strikte voorwaarden voldoen die bepaald worden in Artikel 1. 1° MB van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap. Zoals DG HAN het zelf zegt, is meestal een evaluatie nodig.

Er is evenwel een verkorte aanvraagprocedure mogelijk voor hen bij wie een arts van het ziekenfonds of de Vlaamse Sociale Bescherming de aankoop heeft goedgekeurd van een mobiliteitshulpmiddel dat in aanmerking komt voor de verkorte procedure. Daar bestaat een lijst met nomenclatuurnummers van.

B. Waarom is er een wijziging:

DG HAN stelt dat de lijst is herzien om controle te behouden dat mensen die een parkeerkaart krijgen ook effectief voldoen aan de wettelijke criteria. “Ook willen we vermijden dat er misbruik wordt gemaakt van de verkorte procedure om de parkeerkaart te bekomen via het ziekenfonds of de Vlaamse Sociale Bescherming (VSB).”, aldus DG HAN.

C. Hoe is de wijziging gebeurd:

DG HAN stelt dat de lijst is herzien in nauwe samenwerking met de artsen en ergotherapeuten/kinesisten van het multidisciplinaire team voor de evaluatie van de handicap van de DG HAN. Het is evenwel bizar dat er niet overlegd wordt met de actoren die rechtstreeks bij de maatregel betrokken zijn, namelijk de mutualiteiten en de VSB.

De aanpassing is tijdens een maandelijks overleg van DG HAN met de mutualiteiten toegelicht. Maar de verdere communicatie valt niet vlot te noemen. Noch intern bij de mutualiteiten, noch extern: buiten een HandiPro zending, valt er amper nieuws over de maatregel te vinden.

Hoewel het om een ‘technische’ aanpassing gaat, is de maatregel toch vrij aangrijpend (zie hierboven). Het is dan ook jammer dat er geen betere overleg is gebeurd met zowel de mutualiteiten en de VSB, als de NHRPH.

D. Wijziging – inhoud:

1. Algemeen:

    • Alle manuele rolstoelen zijn verwijderd;
    • Elektronische rolstoelen voor gebruikers waarvoor een rolstoel met een zitbreedte van minder/meer dan 36 cm noodzakelijk is zijn geschrapt.

 

‘Oude lijst’

‘Aangepaste lijst'

I.           Rechthebbende vanaf de 18de verjaardag

 

 

MANUELE ROLSTOELEN

Modulaire

Geschrapt

Verzorgingsrolstoel

Actief rolstoel

Actief rolstoel met individuele maatvoering

ELEKTRONISCHE ROLSTOELEN

Binnenshuis gebruik

 


idem

Binnen- en buitenshuis gebruik

idem



Buitenshuis gebruik


idem

 

II.         Rechthebbende tot de 18de verjaardag

 

 

MANUELE ROLSTOELEN

Modulaire duwwandelwagen

Geschrapt

Manueel actief kinderrolstoel

ELEKTRONISCHE KINDERROLSTOELEN

Binnenshuis gebruik

 



idem

Binnen- en buitenshuis gebruik

idem

 

III.      Rechthebbende onder categorie I en II

 

 

Stasystemen

Elektrische statafel


idem

 

Rolstoel met stafunctie

Rolstoel met mechanische stafunctie

 

 

Rolstoel met elektrische stafunctie

Onderstel voor zitschelp

 


idem

 

 

Onderstel voor aanpasbare modulaire stoel


Het is vooral de eerste beslissing die op bepaalde vlakken moeilijk te verklaren is. Hoewel de modulaire manuele rolstoelen talrijk in aantal zijn, en de schrapping ervan dus goed kadert binnen de doelstelling van DG HAN om misbruik tegen te gaan, is hetzelfde niet waar voor verzorgingsrolstoelen en actieve rolstoelen.

Voor zowel de actieve rolstoelen als de verzorgingsrolstoelen wordt immers in de regelgeving vereist dat er een bewezen, definitief en volledig verplaatsingsstoornis is (ICF typering 4). Eenzelfde vereiste die geldt voor elektronische rolstoelen – die wel in de lijst zijn blijven staan.

RIZIV

Vlaanderen

Brussel

Wallonië

Duitstalige Gemeenschap

Oude RIZIV voorwaarde

Overgenomen

Overgenomen

Overgenomen

Overgenomen

 

    • Hoe wordt de verschillende behandeling van mobiliteitsproblemen met eenzelfde ernst gerechtvaardigd?
    • Waarom is de (manuele) rolstoel met mechanische stafunctie wel op de lijst blijven staan? Dit creëert een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen personen met een handicap die eenzelfde ernstige mobiliteitsprobleem ervaren, maar waarbij de ene een stafunctie heeft aangevraagd, en de andere niet…

2. Ontbreken Vlaamse nomenclaturen:

    • Waarom staat er geen enkele Vlaamse nomenclatuur bij de stasystemen vermeld? Is dit een fout of worden deze niet erkend, terwijl het wel het geval is in de andere regio’s?

4. ADVIES

A. Met betrekking tot de aanpassing van de lijst:

De NHRPH zou graag de rechtvaardiging willen weten achter de verschillende behandeling van op het eerste gezicht dezelfde categorie personen – namelijk zij die een bewezen, definitief en volledig verplaatsingsstoornis (ICF typering 4) hebben.

Hoe moet men dit onderscheid uitleggen aan de personen met een handicap met een dergelijk zware mobiliteitsprobleem: zij komen niet in aanmerking voor een verkorte procedure, maar zij die een stafunctie hebben aangevraagd en/of een elektrische rolstoel hebben wel…

B. Wat betreft de gebrekkige overleg en communicatie rond/van de maatregel:

Aangezien de ‘technische’ maatregel tot gevolg heeft dat personen met een even ernstige mobiliteitsbeperking mogelijks verschillende procedures moeten doorlopen, moest de doelstelling en reden van wijziging deftig gecommuniceerd worden en besproken worden met alle betrokken actoren. Dit is jammer genoeg niet gebeurd.

  • Raadplegingen: 12

Advies 2024/14 - Toegankelijke verkiezingen

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2024/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van de verkiezingen van 09/06/2024, de verkiezingen van 13/10/2024 en de verkiezingen in 2029.

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht op 28/08/2024 na raadpleging van de leden via e-mail van 06/08/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee;
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan de FOD Binnenlandse zaken;
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
  • Ter informatie aan het Agentschap Binnenlands Bestuur (Vlaanderen);
  • Ter informatie aan Brussel - Plaatselijke Besturen
  • Ter informatie aan de SPW Intérieur (Openbare Dienst Wallonië – Binnenlandse zaken);
  • Ter informatie aan de heer Oliver Paasch, Minister-president en Minister van Lokale Besturen, Financiën, Ruimtelijke Ordening (Duitstalige Gemeenschap)
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de Hoge Raad voor de Justitie.

2. ONDERWERP

Van zijn leden vernam de NHRPH dat de verkiezingen van 9 juni 2024 nog steeds onvoldoende toegankelijk waren voor personen met een handicap: slechte bewegwijzering naar het verkiezingslokaal of naar het aangepaste stemhokje, stemhokjes met schermen die te hoog waren geplaatst voor personen in een rolstoel en personen die klein zijn van gestalte, …


3. ANALYSE

De NHRPH heeft in het verleden al menig overleg met de FOD Binnenlandse zaken gehad over het toegankelijk maken van de verkiezingen. Naar aanleiding van de voorbije verkiezingen van 9 juni 2024 en de nakende lokale en provinciale verkiezingen van 13 oktober 2024 maakt de NHRPH een stand van zaken op.

  1. Stemmen is een grondrecht. In 2009 ratificeerde België het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap. In artikel 29 van dat verdrag staat: “De Staten die Partij zijn garanderen personen met een handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen uit te oefenen, en verplichten zich te waarborgen dat personen met een handicap daadwerkelijk en ten volle kunnen participeren in het politieke en openbare leven, hetzij rechtstreeks, hetzij via vrij gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van het recht, en de gelegenheid, voor personen met een handicap hun stem uit te brengen en gekozen te worden.
  1. Personen met een handicap moeten op zelfstandige basis én op gelijkwaardige basis met personen zonder handicap kunnen stemmen. Artikel 22 ter van de Grondwet stelt immers: “iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen.”
  1. Maatregel 119 van het Federaal Actieplan Handicap luidt: onderzoeken hoe de opschorting van de uitoefening van het stemrecht door beschermde personen tot een minimum kan worden beperkt.
  1. Er zijn ook enkele concrete maatregelen voor personen met een handicap genomen:

De NHRPH betreurt niet te zijn geraadpleegd over deze koninklijke besluiten.

Ondanks het bestaan van wetgeving en allerlei initiatieven voor toegankelijke verkiezingen deed de NHRPH na afloop van de verkiezingen van 9 juni 2024 de volgende vaststellingen:

  • Er wordt nog te weinig rekening gehouden met de specifieke noden van personen met een handicap. Enkele voorbeelden:
    • Er is niet altijd een stemhokje met een lage tafel die geschikt is voor rolstoelgebruikers en personen die klein zijn van gestalte.
    • Hoewel er technische oplossingen bestaan zoals spraaksynthese en hoofdtelefoons, kunnen personen met een visuele handicap nog steeds niet autonoom stemmen in België.
  • Er kan nog steeds niet vanop afstand gestemd worden, bijvoorbeeld van thuis. Er bestaan nochtans technische oplossingen voor veilige identificatie zoals Itsme. Het excuus dat stemmen op afstand technisch niet veilig zou zijn is niet houdbaar. Er wordt immers nu ook al veilig elektronisch gestemd in stemlokalen. Via Itsme gebeuren al persoonlijke handelingen in een veilige omgeving. Ook betalingen verlopen veilig vanop afstand, bijv. via de pc of de smartphone. Het argument van beïnvloeding is evenmin overtuigend, want beïnvloeding is nooit uit te sluiten.
  • Ook stemmen per brief is nog niet veralgemeend. Nochtans bestaat die optie al voor Belgen in het buitenland.
  • Als er met de verkiezingen van juni 2024 al een toegankelijke route was naar het stemlokaal, dan was deze vaak niet duidelijk genoeg aangeduid.
  • De NHRPH sprak zich in zijn adviezen 2024/01 en 2024/09 al negatief uit over het feit dat vrederechters vaak personen met een handicap die onder bewind worden geplaatst hun stemrecht afnemen bij het bepalen welke handelingen zij niet meer kunnen verrichten. Nochtans zijn heel wat personen onder bewind in staat om te gaan stemmen, al dan niet met bijstand. Voorlopig is dit probleem nog niet opgelost. Overigens ziet de NHRPH niet in hoe het afnemen van het stemrecht de persoon of de maatschappij zou beschermen.
  • De site van de FOD Binnenlandse Zaken is nog niet volledig toegankelijk voor personen met een handicap. De website heeft dan ook nog geen AnySurferlabel. Zo ontbreken beschrijvingen bij de foto’s, tekstballonnen in gebarentaal, easy-to-read De meeste federale overheidssites zijn trouwens onvoldoende toegankelijk, met inbegrip van die van de FOD Sociale Zekerheid en de DG Personen met een handicap.
  • De media - die toch elke burger zouden moeten instrueren over de verkiezingen - richten zich vooral tot de modale burger. Er is te weinig aandacht voor gebarentaal, easy-to-read, braille enz. Ook is het aanbod van gebarentolken te laag voor de behoefte, vooral in Franstalig België.
  • In het algemeen hebben de verschillende politieke partijen zeer weinig tot geen moeite gedaan om voor iedereen toegankelijke partijprogramma’s op te stellen. Het Belgian Disability Forum stelt in zijn Alternatief verslag voor de gecombineerde 2de en 3de periodieke rapporten van België: “Verkiezingsinformatie is weinig toegankelijk. Op de websites van de politieke partijen zijn geen easy-to-read teksten te vinden, noch gebarentaalvideo’s. Er zijn geen pamfletten in braille beschikbaar.”
  • Personen met een handicap zijn nog steeds ondervertegenwoordigd in de politieke wereld.

4. ADVIES

De NHRPH heeft al verschillende adviezen uitgebracht over het belang van toegankelijke verkiezingen voor iedereen en vraagt om rekening te houden met deze adviezen. Zie adviezen 2024/01, 2024/09, 2022/05 en het dossier ‘Stemrecht en deelname aan de verkiezingen’.

Overeenkomstig met art. 4 (3) UNCRPD vraagt de NHRPH de FOD Binnenlandse zaken en de FOD Justitie om steeds geraadpleegd te worden inzake wijzigingen aan de kieswet die een impact hebben op personen met een handicap.

  1. Voor de verkiezingen van 13 oktober 2024 vraagt de NHRPH met aandrang het volgende:
    • Iedereen die wil stemmen, moet kunnen stemmen. Een persoon mag alleen politieke rechten worden ontzegd als straf.
    • Kosteloos aangepast vervoer van en naar het stembureau voor personen met een beperkte mobiliteit, en dit bij alle volgende verkiezingen.
    • Toegankelijke bewegwijzering naar het juiste stembureau.
    • De burger moet bij het ontvangen van oproepingsbrief informatie krijgen over de toegankelijkheid van het stembureau en de omgeving.
    • Toegankelijke stemlokalen en een omgeving zonder obstakels voor allen: rolstoelgebruikers, personen met een visuele, auditieve of verstandelijke handicap, … Hiertoe zijn redelijke aanpassingen nodig. Gelieve hiervoor zo nodig de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.
    • Assistentie aan/vanaf de ingang van het stemlokaal.
    • De mogelijkheid om te kunnen zitten in de wachtrij zonder zijn of haar beurt kwijt te raken.
    • Speciale aandacht voor toegankelijk stemmen voor personen met een visuele handicap, aangezien zij nog steeds niet autonoom kunnen stemmen.
    • Er moeten stembureaus zijn in structuren voor collectief wonen (rusthuizen of centra waar PMH kunnen verblijven). Mobiele steminitiatieven zijn ook een optie.
    • De volgende generatie van stemcomputers moet toegankelijk zijn voor iedereen.
    • De partijen moeten hun verkiezingsbrochures en info aan de burger ook in easy-to-read-formaat, gebarentaal en braille aanbieden. Een wetgevend initiatief op dit vlak zou welkom zijn.
    • Middelen moeten worden aangewend om iedere persoon met een handicap de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken zijn of haar stemrecht uit te oefenen. Meer en meer wordt in de zorg of in de wetgeving gewerkt aan informed decision making. Ook bij de verkiezingen moet dit de norm worden.
    • De NHRPH wenst statistieken over het aantal personen met een handicap van wie het stemrecht is afgenomen. Deze statistieken hadden nu al beschikbaar moeten zijn om de impact van de opname van het stemrecht op de checklist van de vrederechter te kunnen opvolgen (zie advies 2024-09).
    • Er zijn ook statistieken nodig over het aantal personen dat in de onmogelijkheid verkeert te stemmen, met uitsplitsing naar reden van onmogelijkheid.
    • Personen met een handicap moeten worden gesensibiliseerd voor actieve deelname aan het politieke leven. Tegelijk moeten ook de politieke partijen worden gesensibiliseerd voor het thema handicap en de participatie van personen met een handicap aan het politieke leven, bijvoorbeeld door het verkiesbaar stellen van geëngageerde personen met een handicap.
    • Personen die via een medisch certificaat kunnen aantonen dat ze zelfs met ondersteuning moeilijk of niet in de taak van bijzitter kunnen opnemen, moeten kunnen worden vrijgesteld van deze taak.
  1. Voor de verkiezingen in 2029 vraagt de NHRPH het volgende:
    • De mogelijkheid om op afstand te stemmen – bijvoorbeeld van thuis – via elektronische weg (zoals pc of smartphone) of via de post. Dit zou voor veel personen met een beperkte mobiliteit in het bezit van een pc/smartphone – en voor anderen - een welkome oplossing zijn. De randapparatuur en software moeten dan wel toegankelijk zijn.
    • Stemrecht voor iedereen, ook voor personen onder bewind.
    • De aandachtspunten voor de verkiezingen van 13 oktober 2024 gelden uiteraard ook voor de verkiezingen van 2029.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2024/12 - Armoedeplan en handicap

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2024/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de evaluatie van het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid 2019-2024 (luik handicap).

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 17/06/2024.

Advies op vraag van POD Maatschappelijke Integratie (POD MI).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Helena Bex, Directeur-generaal Beleidsvoorbereiding en -uitvoering aan de POD maatschappelijke Integratie
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De NHRPH heeft een lijst van 5 vragen ontvangen van de POD MI ter evaluatie van het luik handicap binnen het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid.


3. ANALYSE

A. Handicapdimensie in het Plan tegen armoede en ongelijkheid:

Het woord ‘handicap’ komt in totaal 9 keer voor in het Plan tegen armoede en ongelijkheid.

  • Éénmaal onrechtstreeks, ter versterking van het punt dat vrouwen over het algemeen meer blootgesteld zijn aan het armoederisico.
    Er wordt evenwel niet dieper ingegaan op de specifieke situaties van vrouwen met een handicap en/of vrouwen die zorgdrager zijn van een familielid/kind met een handicap.

  • Vijf keer valt het woord handicap in de context van arbeidsparticipatie. Er wordt gemeld dat het opleidingsniveau een grote bron van ongelijkheid is.
    Er wordt evenwel niet ingegaan op de specifieke situatie van personen met een handicap (en het verschil tussen bv. een regulier traject en het buitengewoon onderwijs).
    Verder wordt er vermeld dat werken voor personen met een handicap niet altijd lonend is en er wordt verwezen naar het Federaal Actieplan Handicap voor de oplossing. De link naar het onderzoek van 2019 van de POD MI (p. 129-140) is wel heel interessant.
    Het is jammer dat in geen van de twee federale plannen de concrete valkuilen van aan het werk gaan met een IVT/IT (inkomensvervangende/integratietegemoetkoming) toegelicht worden.
    Tot slot wordt nog ingegaan op de Europese indicator van armoede, namelijk ‘huishoudens met een zeer lage werkintensiteit’. In 2022 was België op dat vlak de slechtste leerling van de EU (ook op vlak van hoogste interregionale verschillen binnen het land). De situatie is bijzonder matig voor laaggeschoolden, ouderen, personen met een migratieachtergrond en personen met een handicap.
    Er wordt opnieuw jammer genoeg niet concreter ingegaan op de specifieke situatie van personen met een handicap.

  • Eenmaal worden personen met een handicap vermeld als een categorie van personen die niet altijd in staat zijn te werken en moeten kunnen rekenen op een sterke sociale bijstand.

  • Er zijn slechts 2 acties voorzien: afschaffing van de prijs van de liefde (actie 61) en de prijs van de arbeid (actie 42) bij de berekening van de IT.
    Actie nummer 2 van het Federaal actieplan tegen armoede en ongelijkheid is meer bekendheid geven aan zorgcentra na seksueel geweld.
    Deze maatregel wordt niet gekaderd en er wordt geen link met armoede / handicap gelegd.
    Actie 44 spreekt over initiatieven om de inzet van maatwerkbedrijven door de federale overheid te vergroten.

    Er is ook geen contextuele omkadering hiervan.

B. Federaal Actieplan Handicap en Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid:

De voorziene acties 61, 42, 71 en 79 in het Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid stemmen overeen met maatregel 9, 38, 11 en 8 van het Federaal Actieplan Handicap (afschaffing prijs van de liefde en van de arbeid, forfaitair en variabel deel van de IT, optrekken van de IVT richting armoedegrens).

Meerdere acties zijn gelijklopend, zie bijvoorbeeld:

  • Acties 14 en 20 van het Federaal ‘Armoedeplan’ en Maatregel 17 van het Federaal ‘Handicapplan’: beide focussen op de bestrijding van de non-take-up en de mogelijke automatisering van rechten.
  • Actie 15 en Maatregel 48: beide spreken over het voorzien van maatregelen over de aanpak van de non-take-up in bestuursovereenkomsten van de verschillende federale overheidsdiensten.
  • Actie 52 en Maatregel 40: beide betreffen een simulatietool voor het inschatten van de gevolgen van een cumul van een IVT/IT met een arbeidsinkomen.
  • Actie 57 en Maatregel 39: beide betreffen de tijdelijke combinatie van IVT met een arbeidsinkomen tijdens de overgang van inactiviteit naar werk.
  • Actie 60 en Maatregel 15: beide gaan over de aangepastheid van de relevante wetten aan de moderne samenlevingsvormen.
  • Actie 121 en Maatregelen 76 en 77: beide gaan over de handicapdimensie binnen de federale milieubeleidslijnen en -plannen.

4. ADVIES

A. Met betrekking tot de 1ste vraag die luidt: “Denkt u dat het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid in overeenstemming is met het Federaal Actieplan Handicap?:

Zoals blijkt uit analyse deel B, zijn er in beide plannen gelijklopende acties/maatregelen voorzien.

Het zou evenwel heel nuttig zijn mochten er kruisverwijzingen zijn tussen beide plannen of minstens kruisverwijzing naar de verantwoordelijke voor de actie/maatregel. Dit vergemakkelijkt de opvolging door het middenveld.

Zoals reeds opgemerkt bij de analyse en in Advies 2024/08 over het eindrapport van het Federaal Actieplan Handicap, zou het draagvlak van de voorziene acties/maatregelen vergroten als de plannen die daarin voorzien goed de context schetsen. Dat wil zeggen: de probleemstelling (beleidsmatig, wetenschappelijk) en waarom precies deze oplossing gekozen is.

Voor de volgende actieplan zou de NHRPH graag van in het begin betrokken worden bij de opstelling ervan. Zo kan niet enkel het luik handicap beter geschetst worden in het Plan tegen armoede en ongelijkheid, maar ook een zekere coherentie voorzien worden tussen beide plannen (zeker dat de wet van 2 mei 2024 nu ook voorziet om de gestructureerde aanpak van de handicap dimensie doorheen de federale beleidsdomeinen in de wet te verankeren door middel van een Federaal plan handicap voor elke zittingsperiode).

B. Wat betreft de 2de vraag die luidt: “Vindt u dat de handicapdimensie geïntegreerd is in de acties van het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid?:

Uit analyse van deel A is gebleken dat er slechts zijdelings gesproken wordt over handicap in het Plan tegen armoede en ongelijkheid. Daarentegen bleek uit analyse deel B dan wel dat er heel wat gelijklopende maatregelen zijn met het Federaal Actieplan Handicap.

Daaruit volgt dat de omkadering van de maatregelen en de specifieke focus op de handicapdimensie in de strijd tegen armoede veel gedetailleerder kan. Handicap is niet slechts één van de ‘kwetsbare groepen’ (migratieachtergrond, laaggeschoolden…). Vaak gaat het net om een cumul van deze kwetsbaarheden. Het is dan ook belangrijk om daar de focus op te leggen.

Misschien kan er in het volgende plan bovendien een apart hoofdstuk ‘Handicap’ voorzien worden?

C. Inzake vraag 3, die luidt “Wat zijn de sterke punten van het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid vanuit het handicapperspectief?:

Zie antwoord op de andere vragen.

D. Over vraag 4, die luidt: “Wat zijn de gemiste kansen van het 4de Federaal Plan tegen armoede en ongelijkheid vanuit het handicapperspectief?:

Voor verschillende werkdomeinen in het plan had de specifieke situatie van personen met een handicap moeten worden onderzocht.

⇒ In zaken zoals de toegang tot de nieuwe technologieën, toegang tot gezondheidszorg, kwesties met betrekking tot een duurzaam milieu … moeten de 2 plannen in dialoog treden en elkaar versterken.

⇒ Het zou goed zijn als het Plan meer zou lijken op het Federaal Actieplan Handicap, met benoeming van de verantwoordelijke minister, een opvolging en ook een eindrapport over wat er bereikt is.

E. Met betrekking tot vraag 5, die luidt: “Welke handicapgerelateerde aanbevelingen zou je willen doen aan de volgende regering bij het opstellen van het 5e plan?:

  • Een grotere focus op toegankelijkheid van zorg voor personen met een handicap. Uit verschillende rapporten blijkt dat personen met een handicap vaker zorg uitstellen om financiële redenen dan personen zonder handicap.[1]

  • Een grotere focus op het feit dat de handicap op zich meer kosten meebrengt en dus ook meer risico op armoede. Bv. zorg (soort en frequentie), maar ook mobiliteit (nood aan aangepast vervoer…), verschillende andere aanpassingen (assistentie, hulpmiddelen, begeleiding…). Lopend onderzoek toont aan dat de minimale kosten voor gezinnen met een kind met zorgbehoeften 1.7 tot 2.5 keer hoger zijn dan de kosten voor gezinnen met een kind zonder zorgbehoeften.[2] Dit komt deels doordat de overheid vooral ‘gespecialiseerde’ trajecten financiert, ouders moeten de ‘inclusieve trajecten vaker zelf zien te financieren.[3]

  • Een meer in detail uitgewerkte focus op arbeid en handicap: de activiteitsval van IVT-gerechtigden (p. 129-131), het verlies van afgeleide rechten, …

[1] AVIQ, ‘Réflexions de cadrage de constats de l’accès à la santé et aux soins de santé’, 2023, p. 61-66. https://www.aviq.be/fr/actualites/reflexions-de-cadrage-de-constats-de-lacces-la-sante-et-aux-soins-de-sante ; Statistiek Vlaanderen, ‘Rapport 2022/1: Maatschappelijke positie en participatie van personen met een handicap’, 2022, p. 84-85. https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/47710 ; Institut Solidaris, Le report des soins de santé – Edition 2022 : « la situation des personnes en incapacité de travail qui reste particulièrement problématique : elles sont deux tiers à avoir dû reporter au moins un soin en 2022 ». https://www.institut-solidaris.be/index. php/report-soins-2022/.  

[2] Steunpunt welzijn volksgezondheid en gezin, ‘Financiële ondersteuning voor kinderen met zorgbehoeften intersectoraal harmoniseren. Deel 1. Referentiebudgetten voor gezinnen van kinderen met specifieke zorgbehoef­ten’, 2023, p. 108. https://cdn.nimbu.io/s/5s8z9pq/channelentries/yfz8tgy/files/1701682675517/2023_09-1_rapport_19-1_swvg_mjp_14_rapport-zorgbehoefte-ondersteunen_deel_1.pdf?le8a07a.   

[3] Ibid, p. 109 en p. 114. 

  • Raadplegingen: 10

Advies 2024/10 - Multimodaal reizen

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2024/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van het Belgische standpunt over het voorstel van passagiersrechten in het kader van multimodaal reizen (29 november 2023) van de Europese Commissie.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/04/2024.

Advies op vraag van de FOD Mobiliteit en Vervoer in zijn e-mail van 29/03/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Premier
  • Ter informatie aan mevrouw Lydia Peeters, Vlaams Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan de heer Philippe Henry, Waals Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan mevrouw Elke van den Brandt, Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid
  • Ter informatie aan NOOZO, de Vlaamse adviesraad inzake handicap
  • Ter informatie aan de Conseil consultatif wallon des personnes en situation de handicap (CCWPSH)
  • Ter informatie aan de Brusselse Raad voor personen met een handicap
  • Ter informatie aan de Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung van de Duitstalige Gemeenschap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan Ombudsrail

2. ONDERWERP

Op 29/11/2023 publiceerde de Europese Commissie het Voorstel van passagiersrechten in het kader van multimodaal reizen. De teksten liggen momenteel voor ter discussie in de Working Party on Transport - Intermodal Questions and Networks van de Raad van de Europese Unie. De FOD Mobiliteit en Vervoer bereidt samen met de experts Passagiersrechten van de verschillende vervoersmodi het officieel standpunt van België voor dat door de Directie-generaal Europese Zaken en Coördinatie (DGE) zal worden gevalideerd. Voor de aspecten die specifiek de personen met een handicap en de personen met een beperkte mobiliteit betreffen vraagt de FOD Mobiliteit en Vervoer het advies van de NHRPH over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende passagiersrechten voor multimodale reizen - COM(2023) 752, meer bepaald over hoofdstuk IV Personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit, artikelen 12 tot en met 16.


3. ANALYSE

Hoewel de focus in dit advies ligt op hoofdstuk IV van COM(2023) 752, heeft de NHRPH parallel ook de rest van het document doorgenomen en eveneens COM(2023) 753 voor zover het handicap betrof, echter zonder op elk afzonderlijk punt in te gaan.

In COM(2023) 752 staat: “Personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit krijgen geen hulp bij overstappen tussen verschillende vervoerswijzen”: 50 % van de respondenten (69 van de 138) is het ermee eens dat dit een belangrijk probleem is, terwijl 16 % (22 van de 138) het er helemaal of enigszins niet mee eens is. 14 % (19 van de 138) is neutraal en 20 % (28 van de 138) heeft geen mening. In de openbare raadpleging is 57 % van de respondenten (95 van de 167) van mening dat het om een belangrijk probleem gaat. Het thema leeft dus bij een groot deel van de bevolking. Op federaal vlak vraagt de NHRPH al jaren aandacht voor dit probleem.

A. Definities

In het voorstel van verordening wordt een multimodale reis als volgt gedefinieerd: “een reis van een passagier tussen een vertrekpunt en een eindbestemming, die ten minste twee vervoersdiensten en ten minste twee vervoerswijzen omvat”. Volgens die definitie vallen trajecten te voet of met een eigen voertuig – wagen, fiets, step, elektrische scooter, … – buiten de multimodale reis, aangezien er geen vervoersdienst betrokken is bij dat deel van de reis.

Enerzijds is dat logisch, want de reiziger is zelf verantwoordelijk voor die delen van het traject. Anderzijds is het wel belangrijk dat de reiziger zijn eventuele eigen voertuig kan parkeren of meenemen bij het volgende deel of delen van de reis waarbij wel een vervoersdienst is betrokken.

Het is niet duidelijk of ‘multimodaliteit’ en de elders gebruikte term ‘intermodaliteit’ synoniemen zijn. De NHRPH meent van wel, maar gebruikt voortaan de term ‘multimodaliteit’.

Het begrip ‘vervoersdienst’ wordt vrij vaag geformuleerd en mag niet worden verward met ‘vervoerder’:

vervoerder”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die geen tussenpersoon is, die aan het grote publiek vervoersdiensten aanbiedt

vervoersdienst”: een dienst voor passagiersvervoer die volgens een dienstregeling wordt geëxploiteerd tussen terminals, met inbegrip van vervoersdiensten die worden aangeboden voor vervoer langs een andere route

persoon met een handicap” en “persoon met beperkte mobiliteit”: een persoon die een blijvende of tijdelijke fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die het in de interactie met diverse barrières kan bemoeilijken om op voet van gelijkheid met andere reizigers volledig en doeltreffend gebruik te maken van vervoer, of wiens mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van zijn leeftijd;

Voor de multimodale vervoersovereenkomsten wordt het volgende onderscheid gemaakt:

  • enkele multimodale overeenkomst: een vervoersovereenkomst voor een multimodale reis die opeenvolgende vervoersdiensten omvat die door een of meer vervoerders worden geëxploiteerd
  • gecombineerd multimodaal vervoerbewijs: een of meer vervoerbewijzen voor een multimodale reis die afzonderlijke vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen, die door een vervoerder of tussenpersoon op eigen initiatief worden gecombineerd en die door de passagier worden gekocht door middel van één enkele betaling
  • afzonderlijke multimodale vervoerbewijzen: vervoerbewijzen voor een multimodale reis die afzonderlijke vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen, die door een vervoerder of tussenpersoon gezamenlijk worden aangeboden en die door de passagier worden gekocht door middel van afzonderlijke betalingen

Multimodale knooppunten zijn punten waar verschillende vervoerswijzen – vaak van verschillende vervoersdiensten – samenkomen en op elkaar aansluiten.

Multimodaal passagiersknooppunt”: een knooppunt tussen ten minste twee vervoerswijzen voor passagiers waar toegang tot openbaar vervoer en overstappen tussen vervoerswijzen, met inbegrip van P+R-faciliteiten (park & ride, nvdr) en actieve vervoerswijzen, worden gewaarborgd en die als interface tussen stedelijke knooppunten en netwerken voor langeafstandsvervoer fungeert.

Typische voorbeelden van multimodale knooppunten zijn de grotere stations, passagiersluchthavens enz. die zich vaak in of nabij de grotere steden bevinden. Er is dan ook speciale aandacht voor de stedelijke knooppunten.

(16) Vervoerders en beheerders van multimodale knooppunten moeten actief samenwerken met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen teneinde vervoersdiensten toegankelijker te maken. Om de toegang tot multimodale passagiersdiensten voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit te vergemakkelijken, moeten de lidstaten, vervoerders en terminalbeheerders nationale centrale contactpunten opzetten om de informatie en bijstand in multimodale knooppunten voor personenvervoer in een aantal grote stedelijke knooppunten te coördineren.

In de Bijlagen bij het voorstel van verordening vinden we een lijst van stedelijke knooppunten voor de lidstaten. Voor België zijn dat – in alfabetische volgorde – Antwerpen, Aarlen, Brugge, Brussel, Charleroi, Gent, Hasselt, Leuven, Luik, Namen en Ottignies-Louvain-la-Neuve.

De lidstaten moeten vervoerders en terminalbeheerders ook kunnen verplichten om nationale centrale contactpunten op te zetten teneinde informatie en bijstand te coördineren in andere multimodale knooppunten voor personenvervoer.

B. Toepassingsgebied

Passagiersrechten voor reizen per vliegtuig, trein, bus en touringcar (voor langeafstandsreizen), over zee en over binnenwateren zijn al vastgelegd in het EU-recht; alleen stadsvervoer en vervoer over korte afstand vallen nog grotendeels onder de bevoegdheid van de lidstaten. Dit voorstel wil het gebrek aan rechten verhelpen voor passagiers die deze vervoerswijzen tijdens een reis combineren. (Achtergrond van het voorstel, 2. Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid))

Het toepassingsgebied wordt bepaald in artikel 2 van het ontwerp van verordening.

  1. Deze verordening is van toepassing op multimodale reizen waarvan alle betrokken vervoersdiensten onder het toepassingsgebied van de Uniewetgeving inzake passagiersrechten vallen en die door vervoerders of tussenpersonen aan passagiers worden aangeboden in de vorm van:
    1. een enkele multimodale vervoersovereenkomst,
    2. een gecombineerd multimodaal vervoerbewijs,
    3. afzonderlijke multimodale vervoerbewijzen.
  2. Deze verordening is van toepassing op vervoerders, tussenpersonen en terminalbeheerders. Ze is ook van toepassing op beheerders van multimodale knooppunten die centrale contactpunten beheren in multimodale passagiersknooppunten in de in bijlage I vermelde stedelijke knooppunten.

Er worden ook uitzonderingen geformuleerd in artikel 2, lid 3 t.e.m. 5. Volgens de informatie van de NHRPH vallen het openbaar stadsvervoer en busritten van minder dan 250 km buiten het toepassingsgebied.

C. Hoofdstuk III Gemiste aansluitingen

Artikel 7

  1. Als tijdens een multimodale reis, gesloten in het kader van een enkele multimodale overeenkomst, een aansluiting op een volgende vervoersdienst wordt gemist of dat redelijkerwijs kan worden verwacht als gevolg van een vertraging of annulering van een voorgaande vervoersdienst uit hoofde van diezelfde overeenkomst, biedt de contractuele vervoerder de passagier onmiddellijk de keuze uit een van de volgende opties:
    1. terugbetaling van de volledige kostprijs van het vervoerbewijs, op dezelfde wijze waarop het was betaald, voor de niet gemaakte gedeelten van de reis en voor de reeds gemaakte gedeelten als de reis in het licht van het oorspronkelijke reisplan van de reiziger geen zin meer heeft, samen met, voor zover relevant, een retourdienst naar het eerste vertrekpunt bij de vroegste gelegenheid;
    2. voortzetting van de reis of vervoer langs een andere route naar de eindbestemming bij de vroegste gelegenheid en onder vergelijkbare vervoersomstandigheden;
    3. voortzetting van de reis of vervoer langs een andere route naar de eindbestemming op een latere datum wanneer het de reiziger schikt en onder vergelijkbare vervoersomstandigheden.
  2. Bij het aanbieden van een alternatieve dienst verlenen aanbieders van vervoersdiensten langs een andere route personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit een niveau van bijstand en toegankelijkheid dat vergelijkbaar is met de gemiste vervoersdienst. Aanbieders van vervoersdiensten langs een andere route letten er in het bijzonder op dat personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit alternatieve diensten krijgen die passen bij hun behoeften en die verschillen van die welke aan andere reizigers worden aangeboden.

Artikel 9 Bijstand

  1. Als tijdens een multimodale reis, gesloten in het kader van een enkele multimodale overeenkomst, een aansluiting op een volgende vervoersdienst wordt gemist als gevolg van een vertraging of annulering van een voorgaande vervoersdienst uit hoofde van diezelfde overeenkomst, biedt de contractuele vervoerder de passagiers gratis het volgende aan:
    1. Maaltijden en verfrissingen (…)
    2. Een hotel of een ander verblijf en vervoer (…). Waar mogelijk wordt rekening gehouden met de toegangseisen van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit en met de behoeften van assistentiehonden.
  2. Bij de toepassing van lid 1 besteedt de exploiterende vervoerder bijzondere aandacht aan de behoeften van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, alsook aan die van begeleiders en assistentiehonden.

D. Personen met een handicap

Het ontwerp van verordening wijdt een heel hoofdstuk specifiek aan personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit, namelijk Hoofdstuk IV:

  • Artikel 12 - Recht op vervoer
  • Artikel 13 - Informatie over toegankelijkheid voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit
  • Artikel 14 - Bijstand voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit
  • Artikel 15 - Centrale contactpunten voor bijstand in multimodale passagiersknooppunten
  • Artikel 16 - Vergoeding voor mobiliteitsuitrusting, hulpmiddelen en assistentiehonden

E. HOOFDSTUK V

Kwaliteit van de dienstverlening
Artikel 18, lid 2
Nadere informatie over de klachtafhandelingsprocedure moet toegankelijk zijn voor het publiek, inclusief voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.


4. ADVIES

A. Met betrekking tot COM(2023) 752 en 753:

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie presenteren een voorstel voor een verordening betreffende passagiersrechten voor multimodale reizen. De NHRPH is tevreden dat er een reglementering komt voor multimodaal reizen en dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan de personen met een handicap en de personen met een beperkte mobiliteit. De NHRPH vindt wel dat het huidige voorstel op sommige vlakken niet vergenoeg gaat.

⇒ De NHRPH vraagt al jaren om werk te maken van toegankelijke multimodaliteit en in het bijzonder van de voortzetting van de assistentie tussen twee vervoersmodi. Bijvoorbeeld: personen kunnen assistentie vragen bij het nemen van de trein of de bus, maar de assistentie die is aangevraagd bij – bijvoorbeeld – de NMBS, leidt niet tot aan de bushalte, zelfs niet als de bushalte zich aan het station bevindt. En vice versa. De continuïteit van de assistentie moet worden gegarandeerd.
⇒ De NHRPH vraagt dat er steeds assistentie mogelijk Zonder assistentie tussen de vervoersmodi is multimodaliteit niet mogelijk voor veel personen met een handicap.
⇒ De NHRPH vraagt om de term ‘vervoersdienst’ te verduidelijken.
⇒ De NHRPH wijst op het belang van toegankelijke parkeergelegenheid voor auto’s, fietsen, steps etc. bij knooppunten. Voldoende voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap zijn een must.
⇒ De NHRPH sluit zich ook aan bij de analyse van het European Disability Forum (EDF) van 07/02/2024: New proposals on passenger rights: what is in it for us?
Het EDF wijst bijvoorbeeld op de (voorlopig) beperkte positieve impact voor de multimodale reiziger met een handicap.
An important shortcoming of the proposed regulation is its limited scope, as it will only affect 0.7% of the number of passengers covered by existing passenger rights regulations. Besides, the highest level of protection will only apply for a specific type of ticket: single multimodal contract – when someone buys a single ticket that contains multiple journeys in different transport modes. Currently, this type of contract is still rare and only represents 5% of the multimodal market. This regulation does not apply to multimodal trips if, for example, you buy a train ticket from Brussels to an airport in Paris through the train company and then a flight to Croatia through the airline. As a result, the application of passengers with disabilities rights in multimodal journeys will be limited.
De NHRPH vraagt dat alle reizigers met een handicap bescherming genieten bij al hun multimodale reizen, en dit gedurende de hele reis.

Artikel 2 bepaalt het toepassingsgebied van het ontwerp van verordening.

⇒ Volgens de lezing van de NHRPH vallen het openbaar stadsvervoer en busritten van minder dan 250 km buiten het toepassingsgebied van het ontwerp van verordening. Voor die diensten zijn het Belgische federale niveau en de regio’s bevoegd. De NHRPH vraagt de bevoegde niveaus om het nodige te doen om deze vervoerswijzen toegankelijk te maken en de aansluiting op andere vervoerswijzen en de eventueel noodzakelijke assistentie te faciliteren.
⇒ Wat de reizen betreft die wel onder het voorstel van verordening vallen, vindt de NHRPH dat het voorstel van verordening niet ver genoeg gaat. De NHRPH vraagt de bevoegde instanties in België om bij de toepassing verder te gaan dan wat de verordening eist.
⇒ De NHRPH wenst te weten of multimodaliteit en intermodaliteit synoniemen zijn.

In Artikel 5 Reisinformatie voor passagiers staan de informatieverplichtingen voor de vervoerders en tussenpersonen vermeld. Zij moeten de persoon o.a. informeren over de mogelijkheden, prijzen, vertragingen, klachtenprocedures, assistentieregels en de minimale overstaptijden.

⇒ De NHRPH vraagt om rekening te houden met de individuele behoeften van personen met een handicap. Uiteraard moet er voldoende tijd worden voorzien voor overstappen, zeker voor personen met een handicap, MAAR niet alle personen met een handicap hebben even veel tijd nodig. Terwijl er voor een persoon in een zware elektrische rolstoel soms een mobiel platform moet worden gehaald, volstaat het voor een blinde persoon vaak al om die een begeleidende arm te bieden. Het heeft in dat laatste geval geen zin om een zeer lange overstaptijd te voorzien, waarbij de persoon misschien snellere aansluitingen mist. Voor een assistentie op maat is dus overleg vooraf met de reiziger nodig. Ook moeten de verschillende assistenties van de verschillende vervoerders goed op elkaar zijn afgesteld. De reiziger moet een uniek telefoonnummer kunnen bellen als hij vragen heeft of als er iets misloopt.
⇒ De informatie moet beschikbaar zijn in verschillende toegankelijke vormen, zodat iedereen toegang heeft tot actuele en begrijpelijke informatie. Dat houdt in

    • dat informatie niet enkel digitaal wordt aangeboden
    • dat er rekening wordt gehouden met zintuiglijke handicaps zoals visuele en auditieve handicaps
    • dat de informatie (ook) in eenvoudige taal wordt aangeboden.

In Hoofdstuk III, Artikel 7 wordt de terugbetaling en vervoer langs een andere route in geval van een gemiste aansluiting behandeld.

⇒ De NHRPH waardeert het dat de persoon de keuze krijgt tussen terugbetaling, verderzetting of reizen op een latere datum, maar vindt wel dat er ook in de 2 laatste gevallen minstens een gedeeltelijke terugbetaling verschuldigd is.

In Artikel 9 komt de assistentie (bijstand) aan bod.

⇒ De NHRPH meent dat de assistentie ALTIJD gratis moet zijn, dus zonder meerkosten voor de reiziger.
⇒ Wanneer er iets misloopt met de assistentie, waardoor de reiziger in de problemen komt (aansluiting missen, ergens stranden, …), moet er meteen een oplossing worden geboden zonder meerkosten voor de persoon met een handicap, bijvoorbeeld een gratis taxirit naar de bestemming, een gratis overnachting in een hotel.
⇒ De NHRPH vindt de formulering “Waar mogelijk wordt rekening gehouden met de toegangseisen van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit en met de behoeften van assistentiehonden.” te vrijblijvend.

HOOFDSTUK IV

Artikel 12

  1. Vervoerders die enkelvoudige multimodale overeenkomsten aanbieden en beheerders van multimodale knooppunten stellen niet-discriminerende toegangsregels vast voor het vervoer van personen met een handicap en van personen met beperkte mobiliteit. Die regels zijn in overeenstemming met de relevante bepalingen betreffende de beperking van het vervoer van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in het Unierecht betreffende passagiersrechten.
  2. Reserveringen en vervoerbewijzen voor multimodale reizen in de vorm van een enkele multimodale overeenkomst, een gecombineerd multimodaal vervoerbewijs of afzonderlijke multimodale vervoerbewijzen, worden aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten. Een vervoerder of tussenpersoon mag niet weigeren een reservering te aanvaarden van of een vervoerbewijs af te geven aan een persoon met een handicap of een persoon met beperkte mobiliteit of eisen dat hij door een andere persoon wordt begeleid, tenzij dat strikt noodzakelijk is om aan de in lid 1 bedoelde toegangsregels te voldoen.

⇒ De NHRPH vreest dat de uitzondering van lid 2 (zie ook lid 6) door vervoerders en tussenpersonen misbruikt zal worden om de dienstverlening niet toegankelijk te maken en de personen met een handicap te weigeren.

  1. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde toegangsregels worden representatieve organisaties van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit en, in voorkomend geval, vertegenwoordigers van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit actief betrokken.
  2. Vervoerders die enkelvoudige multimodale overeenkomsten aanbieden en beheerders van multimodale knooppunten publiceren de in lid 1 bedoelde toegangsregels en verstrekken die op verzoek in een toegankelijk formaat.

⇒ De NHRPH vraagt dat dat de toegankelijke formaten zo veel mogelijk spontaan worden aangeboden door de vervoerders.

  1. Als een vervoerder eist dat een persoon met een handicap of een persoon met beperkte mobiliteit wordt begeleid door een andere persoon die de overeenkomstig lid 2 vereiste bijstand kan verlenen, heeft de begeleider het recht om kosteloos te reizen en, indien haalbaar, een zitplaats te krijgen naast de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit.
    COM(2023) 753 gaat in zijn motivering verder: “In andere vervoerswijzen dan het luchtvervoer moet een vervoerder die van een persoon met een handicap verlangt dat hij samen met een begeleider reist, de begeleider kosteloos laten reizen. De regels die tot doel hebben de toegankelijkheid verder te verbeteren voor de verschillende vervoerswijzen, zoals uiteengezet in artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), moeten verder op elkaar worden afgestemd en worden uitgebreid tot het luchtvervoer. Als een luchtvaartmaatschappij van een persoon met een handicap verlangt dat hij vergezeld gaat van een begeleider om te voldoen aan de wettelijke eisen inzake luchtvaartveiligheid, moet de luchtvaartmaatschappij worden verplicht de begeleider kosteloos te vervoeren. Voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit is dit een belangrijke voorwaarde om op vergelijkbare wijze gebruik te kunnen maken van luchtvervoer. Dit zal dan ook een belangrijke stap zijn om de toegankelijkheidsverplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in het EU-recht op te nemen.”
    In de overwegingen van COM(2023) 753 lezen we:

    (17) In het licht van artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en teneinde personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit mogelijkheden voor luchtvervoer te bieden die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers, moeten luchtvaartmaatschappijen, agenten of touroperators die eisen dat een persoon met een handicap of een persoon met beperkte mobiliteit wordt begeleid door een andere persoon die in staat is de bijstand te verlenen die vereist is op grond van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften die zijn vastgesteld in het internationale, Unie- of nationale recht of door de bevoegde autoriteiten, de begeleider kosteloos laten reizen. Voorts moet dit recht worden afgestemd op de bestaande rechten voor de vervoerswijzen per spoor, autobus en touringcar en over water in de Unie. Daarnaast moet informatie aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in toegankelijke formaten worden verstrekt overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, zoals de toegankelijkheidseisen van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/882.

⇒ Voor de NHRPH gaan deze formuleringen nog lang niet ver genoeg. De persoon met een handicap of een beperkte mobiliteit moet zelf kunnen beslissen of hij een begeleider nodig heeft voor zijn (multimodale) reis, ook per vliegtuig. Ook als de vervoerder de persoon met een handicap of de persoon met een beperkte mobiliteit niet verplicht om te reizen met een begeleider die hem of haar kan bijstaan, moet deze begeleider gratis kunnen meereizen en (desgewenst) altijd naast de persoon kunnen zitten die hij of zij begeleidt, ook in het vliegtuig.

Artikel 13 van COM(2023) 752 bepaalt: Vervoerders en tussenpersonen die namens een of meer vervoerders vervoersovereenkomsten aanbieden en beheerders van multimodale knooppunten verstrekken personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit informatie over de toegankelijkheid van het multimodale knooppunt en de bijbehorende faciliteiten en diensten. Die informatie wordt in een toegankelijk formaat verstrekt.

⇒ De NHRPH is het daarmee eens, maar dat volstaat niet. Het is noodzakelijk dat er wordt geïnformeerd over de toegankelijkheid van het multimodale knooppunt en de bijbehorende faciliteiten en diensten, maar deze moeten ook toegankelijk worden gemaakt wanneer dat niet zo is. De verantwoordelijken moeten streven naar toegankelijkheid voor allen.

In Artikel 14 staat het volgende:

Bijstand voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit

In het geval van een enkele multimodale overeenkomst werken vervoerders, terminalbeheerders en tussenpersonen samen om kosteloos bijstand te verlenen aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig de in artikel 12, lid 1, bedoelde toegangsregels, en bieden zij een enkel kennisgevingsmechanisme aan, in overeenstemming met het volgende:

a) er wordt bijstand verleend als de vervoerder, de tussenpersoon bij wie een enkele multimodale overeenkomst is aangekocht, de terminalbeheerder of het centrale contactpunt als bedoeld in artikel 15, indien van toepassing, ten minste 48 uur voordat de bijstand nodig is, in kennis is gesteld van de behoefte van de passagier aan dergelijke bijstand; voor elke reis is een afzonderlijke kennisgeving vereist; de kennisgeving wordt doorgestuurd naar alle vervoerders, terminalbeheerders en centrale contactpunten die bij de reis betrokken zijn.

⇒ De NHRPH vraagt met nadruk dat bijstand in multimodale knooppunten onder art. 15 ook gratis is.
⇒ De NHRPH vindt de termijn van ten minste 48 uur veel te lang voor de aanvraag van assistentie. Die termijn is een ernstig obstakel voor het vrije verkeer van personen met een handicap. De NHRPH wenst dat assistentie zonder termijn vooraf kan worden aangevraagd.
⇒ Ook is de NHRPH voorstander van gratis assistentie bij elke multimodale reis, en niet alleen de enkele multimodale reizen. Aangezien er Single Points of Communication worden voorzien, moet een enkele assistentievraag voor elke multimodale reis mogelijk zijn (zie ook artikel 15).
⇒ Verder is de NHRPH van mening dat multimodale reizen zo eenvoudig en toegankelijk mogelijk moeten verlopen voor de reiziger. Idealiter wordt alles dus geïntegreerd in één ticket, kaart of toepassing. Fysieke kaarten zoals de MOBIB-kaart hebben het voordeel dat ze meerdere vervoersbewijzen en abonnementen kunnen bevatten, terwijl het voor de gebruiker om één enkele drager gaat.
⇒ De NHRPH wijst op een dubbelzinnigheid in de Nederlandse versie: “voor elke reis is een afzonderlijke kennisgeving vereist”. Daarom verwijzen we naar de Engelse versie: “a single notification per journey shall be required”. De NHRPH suggereert de volgende vertaling: “voor elke reis is een enkele kennisgeving vereist”.

Artikel 15 verplicht het opzetten en exploiteren van centrale contactpunten voor personen met een handicap in multimodale passagiersknooppunten. In België zijn dat er 11.

⇒ De NHRPH eist uiteraard dat personen met een handicap ook elders kunnen worden geholpen via deze contactpunten, en niet enkel in de 11 locaties.

Artikel 16 regelt de vergoeding voor mobiliteitsuitrusting, hulpmiddelen en assistentiehonden in geval van schade en verlies.

B. Met betrekking tot de binnenlandse werkzaamheden rond multimodaliteit:

De NHRPH is al vele jaren vragende partij voor een degelijk beleid rond toegankelijk multimodaal reizen. Op vraag van de NHRPH en andere organen zoals CAWaB en Unia bracht de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit, alle aanbieders van openbaar vervoer in België, de gewesten en vertegenwoordigers van de handicapsector samen rond de tafel op een speciale zitting van het Platform Toegankelijk Spoorverkeer. Het initiatief werd algemeen gewaardeerd en er leek goede wil te zijn bij alle betrokkenen. Er was dan ook een algemene wens om dit project te bestendigen. De FOD Mobiliteit en Vervoer verklaarde alvast daar werk van te willen maken, wat alvast blijkt uit zijn werkzaamheden rond het voorstel van verordening en de adviesvraag aan de NHRPH.

⇒ De NHRPH vraagt de FOD Mobiliteit en Vervoer om de verordening ambitieus toe te passen, in het bijzonder hoofdstuk IV.
⇒ De NHRPH vraagt dat de betrokken maatschappijen in België (NMBS, De Lijn, Tec, MIVB, de luchthavens, …) samen naar oplossingen op maat van de reiziger met een handicap of met een beperkte mobiliteit zoeken, nl. multimodale reizen die toegankelijk zijn voor iedereen.
⇒ De NHRPH vraagt dat alle bevoegde beleidsniveaus - zowel federaal, gewestelijk als lokaal - werk maken van de multimodaliteit voor personen met een handicap en de Europese verordening ambitieus uitvoeren voor de punten die onder hun bevoegdheid vallen.
⇒ De NHRPH vraagt dat de overheden de huidige dynamiek in de multimodaliteitsproblematiek benutten en voortzetten, zodat het project niet doodbloedt na de huidige legislatuur. Het Belgische Voorzitterschap is een uitstekende gelegenheid om het thema op de Europese en de Belgische agenda te houden.
⇒ De NHRPH vraagt dat multimodale reizen zo veel mogelijk met één enkel vervoersbewijs kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door de multimodale reis op één kaart te laden, ook internationaal.
⇒ De NHRPH vraagt dat de adviesorganen van de handicapsector systematisch wordt geraadpleegd voor alle plannen die een impact kunnen hebben op personen met een handicap, en dit van concept tot ingebruikstelling en evaluatie, zoals ook bepaald in Artikel 12, lid 3. Op federaal vlak is dat orgaan de NHRPH.

C. Tot slot

De NHRPH had maar enkele weken om een advies uit te brengen, wat het de leden moeilijk maakte om een grondig onderzoek en debat te voeren.

 De NHRPH vraagt om in de toekomst meer tijd te krijgen voor het uitbrengen van een advies.

De NHRPH heeft al veel adviezen over mobiliteit en multimodaliteit uitgebracht, o.a. over de NMBS.

⇒ De NHRPH verwijst naar zijn adviezen inzake mobiliteit en zijn positienota Toegankelijkheid en Mobiliteit.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2024/09 - Stemrecht

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2024/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 28 maart 2023 houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen; artikel 492/1, §1, °15 BW en artikel 7 van het Kieswetboek.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH tijdens de plenaire van 15 april 2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee;
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing;
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de Hoge Raad voor de Justitie.

2. ONDERWERP

In België kunnen kwetsbare personen rekenen op de bijstand van een bewindvoerder. De groep is divers: van geïnterneerde mensen over personen met een verstandelijke handicap tot personen met dementie. Die vorm van bescherming, die wordt uitgesproken door een vrederechter, kan gelden voor de goederen van een persoon en/of voor de persoon zelf.

Art. 7 Kieswetboek

In de uitoefening van kiesrecht worden geschorst en tot de stemming mogen niet worden toegelaten zolang die onbekwaamheid duurt :

1° [De beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk onbekwaam werden verklaard om hun politieke rechten uit te oefenen en [de geïnterneerde personen die uitdrukkelijk onbekwaam verklaard werden om hun politieke rechten uit te oefenen krachtens artikel 9, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering].

De kiesonbekwaamheid houdt op tegelijk met de beëindiging van de onbekwaamheid krachtens artikel 492/4 van het Burgerlijk Wetboek of met de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde.]

2° [1 zij die voor een bepaalde duur ontzet zijn van de uitoefening van het kiesrecht door veroordeling.]

Artikel 492/1 (Oud) Burgerlijk Wetboek

§ 1: de vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking.

Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon.

De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot:

(…)

15°
[de uitoefening van de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet;]


3. ANALYSE

De NHRPH heeft al verschillende adviezen uitgebracht over het stemrecht. Zie adviezen 2024/01 et 2022/14.

Ook het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap heeft in de List of Issues van 2019 gevraagd naar maatregelen die genomen zijn om art. 7 Kieswetboek en de relevante artikelen in het Burgerlijk Wetboek te herzien.

De enige andere personen dan personen met een handicap aan wie het stemrecht kan ontnomen worden, zijn veroordeelde criminelen.

In zijn laatste advies benadrukte de NHRPH dat het stemrecht een mensenrecht van de hoogste orde is, d.w.z. een "recht - vrijheid". Dit zou alleen ontnomen mogen worden als aan heel strikte en precieze wettelijke voorwaarden is voldaan. Helaas stelt de NHRPH vast dat er geen (referentie)normen noch richtlijnen voor de vrederechters bestaan. De NHRPH krijgt signalen dat veel vrederechters een persoon met een – meestal verstandelijke - handicap automatisch het stemrecht ontnemen (op basis van de checklist van art. 492/1 Burgerlijk Wetboek). Daarbij heeft de Hoge Raad voor Justitie in een auditrapport van 2019 vastgesteld dat de vrederechters met tijds- en geldgebrek kampen, waardoor ze onvoldoende onderzoek kunnen voeren naar de persoonlijke omstandigheden van personen onder bewindvoering.

Daarmee rekening houdend is het plaatsen van het stemrecht op de checklist van art. 492/1 Burgerlijk Wetboek een duidelijke stap achteruit in vergelijking met de vorige situatie. Dit in tegenstelling tot wat werd aangekondigd in het Federaal Actieplan Handicap (maatregel 119: onderzoeken hoe de opschorting van de uitoefening van het stemrecht door beschermde personen tot een minimum kan worden beperkt).

Bewindvoering is bedoeld om de betrokken persoon te beschermen. Het is de NHRPH niet duidelijk hoe en waartegen het ontnemen van politieke rechten de persoon beschermt. Daarop antwoordde de Beleidscel Binnenlandse Zaken met Unia en de NHRPH op 6 maart 2024 het volgende:

  • Na de evaluatie van de verkiezingen van 2019 wilde de Beleidscel het de persoon onder bewindvoering gemakkelijker maken door het elimineren van het risico op bestraffing wegens het niet nakomen van de stemplicht, en dit op vraag van de vrederechters en de bewindvoerders.
  • De Beleidscel Binnenlandse Zaken denkt dat het voorleggen van een medisch attest niet voldoende bescherming biedt tegen fraude met volmachten, want de volmachthebber kan de stem naar eigen goeddunken inzetten.
  • Tevens meent de Beleidscel dat de verplichting om - telkens als er verkiezingen zijn - een briefje bij de dokter te moeten halen, het de bewindvoerders extra moeilijk maakt.

Deze argumenten zijn totaal onaanvaardbaar voor de NHRPH:

  • De personen onder bewindvoering werden niet gehoord bij voornoemde evaluatie van de verkiezingen van 2019. Dit terwijl het hen rechtstreeks aanbelangt. Deze aanpak gaat totaal in tegen het UNCRPD – anderen beslissen wat goed is voor een ‘onbekwame’ persoon met een handicap. Daarbij heeft een onderzoek uitgevoerd door Unia in 2019 het volgende aangetoond:
    • Mensen met een handicap hebben dezelfde interesse in politiek als elke andere burger en sommigen bereiden zich goed voor op verkiezingen.
    • Het gebrek aan informatie en begrijpelijke documentatie weerhoudt mensen ervan zich voor te bereiden op de verkiezingen en te gaan stemmen.
    • Stembureaus zijn niet altijd aangepast aan de behoeften van de betrokkenen: stembiljetten en instructies zijn moeilijk te begrijpen en de omgeving kan een bron van stress zijn voor mensen met psychische problemen.
  • Indien men vreest voor fraude met volmachten, moeten de volmachten worden gecontroleerd. Dit wordt momenteel voor niemand gedaan. Het is de NHRPH onduidelijk waarom enkel personen met een handicap tegen fraude beschermd zouden moeten worden.
  • In lijn met art. 29 UNCRPD moet België als staat er net voor zorgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de verkiezingen. Als ze door hun handicap niet kunnen of willen gaan stemmen, moet de politiek een redelijke aanpassing voorzien in de vorm van niet-sanctionering voor het verzaken aan de stemplicht.

Gezien al het voornoemde voelt de NHRPH zich verplicht een nieuw advies uit te brengen.


4. ADVIES

Het stemrecht is een recht dat nauw verbonden is met burgerschap. Daarom kan je enkel uit je politieke rechten ontzet worden indien je schuldig bent aan bepaalde (meestal zware) strafrechtelijke misdrijven – zie art. 31 Strafwetboek. Deze straf werd ingevoerd om de rechtspositie, eer en goede naam van een veroordeelde ernstig aan te tasten en zo de maatschappelijke orde te beschermen tegen nieuwe misdrijven. Een handicap is geen misdrijf, maar het ontnemen van het stemrecht heeft wel hetzelfde effect als de straf: aantasting van de rechtspositie, het gevoel van een onzichtbare burger te zijn.

Het is onduidelijk waarom het verlies van politieke rechten voor een valide persoon een straf is en voor de persoon met een handicap een bescherming.

Naast de stigmatisering is het ontnemen van het stemrecht ook problematisch op de volgende twee vlakken. Eerst en vooral het feit dat je omwille van je handicap voor de vrederechter jouw ‘kiescapaciteit’ en politieke kennis/interesse zou moeten kunnen bewijzen, terwijl een valide persoon dit niet moet doen. Bovendien treft dit veelal personen met een verstandelijke handicap wat voor een verschillende behandeling zorgt van de personen met een handicap onderling. Voor deze personen is het daarnaast bijna onmogelijk om het stemrecht terug te krijgen eenmaal het ontnomen is, want je moet evolutie in je toestand kunnen aantonen. Dit terwijl een persoon altijd wel interesse kan ontwikkelen voor de politiek.

Aldus is het systeem van ontzegging van stemrecht via de vrederechter niet aangepast aan de veranderende persoonlijke interesses van een persoon.

Art. 29 UNCRPD is duidelijk: personen met een handicap moeten op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan het publieke leven in het algemeen en aan de verkiezingen in het bijzonder. Dit houdt onder andere in: begeleiding, bijstand waar nodig, toegankelijke informatie en dito kiesinfrastructuur en -materiaal. In plaats van dit te verwezenlijken, worden veel personen (veelal met een verstandelijke handicap) monddood gemaakt. En wordt bijstand door de bewindvoerder expliciet verboden in art. 497/2, °26 Burgerlijk Wetboek.

Welke maatregelen zijn er - buiten het voorzien van aangepast vervoer naar het stemloket - genomen om de verkiezingen toegankelijker te maken?
Worden er mobiele steminitiatieven georganiseerd? Wordt digitale stemoptie voorzien? Stemming per brief?
Worden er verkiezingsbrochures in easy-to-read-formaat of gebarentaal of braille voorzien?
⇒ Sinds 2021 staat art. 22ter in onze Grondwet: personen met een handicap hebben recht op volledige inclusie in de maatschappij en hebben recht op redelijke aanpassingen. In het licht van deze nieuwe grondwettelijke waarborg kan het niet dat personen enkel wegens hun handicap het stemrecht kunnen verliezen.

Om al deze redenen is het advies van de NHRPH als volgt:

DE VREDERECHTER MAG EEN PERSOON MET EEN HANDICAP NOOIT uit het stemrecht ontzetten. Alle personen met een handicap moeten hun stemrecht terugkrijgen.
Een persoon met een handicap die ziek is of zich niet kan verplaatsen tijdens de stemperiode, moet zich kunnen laten verontschuldigen door middel van een medisch attest. Ontzetting uit het stemrecht is niet wenselijk.

⇒ Anno 2024 en in het licht van het nieuwe art. 22ter Grondwet moet de kieswet de deur net openzetten richting meer zelfbeschikking en informed decisionmaking in plaats van het ontnemen van stemrecht.
Middelen moeten worden aangewend om iedere persoon met een handicap de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken zijn stemrecht uit te oefenen.
⇒ Iedereen - niet alleen personen met een handicap - moet beschermd worden tegen fraude met volmachten.
⇒ De vrederechters moeten meer tijd, personeel en financiële middelen hebben om de noden van de persoon onder bewindvoering te onderzoeken en gepaste bijstand te voorzien. Dit kan verwezenlijkt worden door een sociale dienst binnen de vredegerechten te voorzien. Daarnaast moet de uitleg waarom iemand voor een bepaalde actie onbekwaam verklaard wordt transparant zijn in het vonnis.
⇒ Verder is er nood aan statistieken die opvolgen aan hoeveel personen met een handicap het stemrecht ontnomen is. Deze hadden nu al beschikbaar moeten zijn om de impact van de opname van het stemrecht op de checklist te kunnen opvolgen. Voor de toekomst zijn er ook statistieken nodig over het aantal personen dat in de onmogelijkheid verkeert te stemmen, met uitsplitsing naar reden van onmogelijkheid.
De NHRPH eist om steeds op de hoogte gehouden te worden inzake wetswijzigingen die een impact hebben op personen met een handicap in lijn met art. 4 (3) UNCRPD.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2024/06 - Parkeerkaart voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Ministerieel Besluit (MB) van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor personen met een handicap.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18/03/2024.

Advies op vraag van DG Personen met een handicap op 23/02/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clement, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het gaat om aanpassingen van het MB waarbij namen van instanties worden geüpdatet en lacunes bij handhaving worden weggewerkt.


3. ANALYSE

A. Aanpassing van de naam van de bevoegde instantie:

Doorheen de tekst wordt ‘het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie’ vervangen door ‘Directie-generaal Personen met een handicap’ (DG HAN).

B. Teruggave parkeerkaart:

Tot nog toe voorziet art. 5 (4) MB enkel in de teruggave via het gemeentebestuur; het voorstel van aanpassing voorziet daarnaast een rechtstreekse teruggave aan DG HAN.

C. Handhaving:

Art. 5 (4) MB spreekt momenteel van een optionele kaartinhouding door een agent indien de kaart niet tijdig ingeleverd wordt. Het voorstel van aanpassing voorziet dat de kaart verplicht ingehouden moet worden. Daarnaast wordt verduidelijkt dat de kaart na overlijden niet langer geldig is en het verboden is deze verder te gebruiken.

D. Duplicaten:

In art. 6 MB wordt verduidelijkt dat het verboden is een teruggevonden kaart te gebruiken na ontvangst van een duplicaat.

Een voorstel van toevoeging van een 5de lid bij art. 6 MB betreft het aanvragen van meerdere duplicaten binnen de tijdspanne van 1 jaar. Een 3de duplicaat wordt pas na een wachtperiode van 3 maanden afgeleverd, tenzij DG HAN akkoord gaat met een uitzondering.


4. ADVIES

De NHRPH dringt er sterk op aan dat elk gebruik van de parkeerkaart gebeurt in naleving van de regels. Misbruik of oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen en zo nodig bestraft. De voorgestelde wijzigingen zijn hiermee in overeenstemming en worden dan ook volledig door de NHRPH gesteund.

A. Met betrekking tot de teruggave van de parkeerkaart:

De NHRPH wijst op zijn advies 2015/20 waarin gevraagd werd dat DG HAN zelf een vraag tot teruggave van de parkeerkaart verstuurt aan de betrokkenen. Dit omdat er bij een overlijden vaak veel speelt voor de familieleden, waarbij de teruggave van een parkeerkaart vaak geen prioriteit zal genieten de eerste maanden na overlijden.

B. Wat betreft de handhaving en de duplicaten:

Zoals ook vermeld in advies 2015/20 is de NHRPH voorstander van strengere controles. De voorgestelde verduidelijkingen en aanpassingen passen dan ook in dat kader.

Het nieuwe 4de lid bij art. 6 MB zou bepalen dat de geldigheid van een kaart slechts vervalt 7 dagen na de aflevering van een duplicaat. Stel dat iemand zijn kaart in die tussenperiode van 7 dagen terugvindt, dan bezit hij een geldige kaart die hij niet mag gebruiken. Het is onnodig het ingewikkelder te maken dan ‘het duplicaat is de enige geldige kaart’.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2024/08 - Eindverslag van het Federaal Actieplan Handicap

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het eindverslag inzake het Federaal Actieplan Handicap 2021-2024.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/04/2024.

Advies op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan alle federale ministers en staatssecretarissen
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Voor opvolging aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In juli 2021 werd het Federaal Actieplan Handicap (2021-2024) goedgekeurd door de Ministerraad. Voorafgaand aan de goedkeuring ervan heeft de NHRPH advies 2021/25 opgesteld.

Eind 2022 volgde een tussentijdse rapportering waarover de NHRPH advies 2022/29 heeft verstrekt.

Dit advies betreft het eindrapport inzake de uitvoering van het actieplan.


3. ANALYSE

Er waren 145 maatregelen gepland, 111 ervan vereisten een eenmalige uitvoering en 34 een doorlopend uitvoering.
Wat de eenmalige maatregelen betreft, zijn er 82 volledig uitgevoerd en 15 gedeeltelijk. Dit komt neer op een verwezenlijkingsgraad van 74%.
Van de doorlopende maatregelen werd het engagement enkel voor 21 ervan volledig nagekomen en voor 9 deels. Dat betekent dat 62% van de engagementen nagekomen is.

Van de 145 maatregelen zijn er 105 rechtstreeks gericht op personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties. Nochtans is de NHRPH slechts bij 67 maatregelen geconsulteerd geweest.

In advies 2022/29 heeft de NHRPH al gewezen op verschillende tekortkomingen van het Federaal Actieplan Handicap (maatregelen die ambitie missen of vage doelstellingen) en van het raadplegingsproces (niet-raadpleging van de NHRPH, te late raadpleging pro forma, …).

Gezien dit een eindverslag is, zal niet elke maatregel opnieuw overlopen worden. De focus wordt gelegd op de bepaalde verwezenlijkingen (A), maatregelen waar er nog vragen bij rijzen (B) en op wat er (soms manifest) gefaald is (C). Desalniettemin staan er nog een aantal belangrijke maatregelen gepland voor 2024; daar zal de NHRPH zijn verwachtingen over uitspreken (D). Het advies wordt afgesloten met enkele aandachtspunten voor de toekomst (E).


4. ADVIES

A. Met betrekking tot bepaalde verwezenlijkingen:

Maatregelen met betrekking tot de berekeningswijze van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (8, 9 en 38):

Over de afschaffing van de prijs van de liefde en de prijs van de arbeid heeft de NHRPH reeds adviezen uitgebracht (advies 2020/23, advies 2021/17 en advies 2021/35). Gezien de wetshistoriek waren dit grote maatregelen. De prijs van de arbeid betekent voor veel personen met een handicap die niet werken slechts een kleine stap vooruit.

Het optrekken van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) in de richting van de armoedegrens was ook een bescheiden stap vooruit, maar de maatregel is lang niet voldoende om een waardig bestaan te garanderen.

Zo blijft de NHRPH veel vragen krijgen van bezorgde personen die een veel kleinere of zelfs geen IVT ontvangen omdat ze samenwonen met hun partner. Ter voorbeeld een bezorgde ouder: “Het resultaat is dat [onze dochter] enkel nog recht heeft op de integratietegemoetkoming (IT). Voor haar betekent dat, dat zij de toekomst in moet met een kleine 400 euro per maand. Haar vriend moet niet alleen de zorg, maar ook alle financiële lasten op zich nemen.”

Ook de lage vrijstellingen van vervangingsinkomen baren veel personen met een handicap zorgen. Zie een bezorgde partner: “Hoe graag [mijn man] ook zou WILLEN gaan werken, momenteel is dit nog steeds niet mogelijk en daarvoor wordt hij dus extra gestraft (en de rest van het gezin erbij...).
De eerste jaren na zijn ongeval werd er gekeken naar beroepsinkomsten en kreeg hij WEL een IT/IVT, nu de laatste 3 jaren niks meer omdat hij niet KAN werken ...

⇒ De NHRPH dringt dan ook aan op een volledige en grondige hervorming (of zelfs herschrijving met het oog op de overzichtelijkheid) van de wet op de tegemoetkomingen (1987). De hervorming moet absoluut deel uitmaken van het regeerakkoord en effectief van start gaan onder de volgende regering zodat alle personen met een handicap, en niet enkel zij die binnen een bepaalde categorie vallen, kunnen kiezen waar en met wie zij samenleven en dit in maximale financiële zekerheid kunnen doen.

Maatregel 11: forfaitaire IT:

In zijn advies 2023/18 heeft de NHRPH gesteld dat hij de forfaitaire IT beschouwt als het enige huidige middel om de onrechtvaardigheid tussen de personen die werken en diegenen die niet werken terug te dringen. Helaas werd de maatregel niet ondersteund tijdens het budgettaire conclaaf van oktober 2023.

⇒ In lijn met de voorgaande vaststelling moet bij de hervorming van de wet van 1987 ingezet worden op het wegwerken van de schrille contrasten tussen zij die nog kunnen werken en zij die dat niet kunnen. Zij het door hun handicap, zij het door de nog sterk aanwezige discriminatie en vooroordelen op de arbeidsmarkt.

Maatregel 19 inzake de modernisering van de erkenningsprocedures:

De uitrol van de multidisciplinaire evaluaties werd aan de NHRPH voorgesteld tijdens de plenaire van 16 oktober 2023.
De NHRPH heeft toen reeds gemeld dat de raad blij is met de vooruitgang, maar dat het gebrek aan autonomie de kernzaak dient te zijn en niet het bestaan van een of meerdere pathologieën (wat nu als basis voor een multidisciplinaire evaluatie wordt genomen).

Daarnaast vroeg de NHRPH met nadruk om ook andere profielen te betrekken zoals bv. maatschappelijke assistenten. De vraag ging onderzocht worden. Ook benadrukte de NHRPH dat de arts niet langer het middelpunt van de evaluatie dient te zijn; de expertise van het multidisciplinaire team dient erkend te worden.

Zoals gevraagd op de plenaire van 16.10.2023, zou de NHRPH graag op de hoogte gehouden worden over de evaluatie van de teams die plaats zou vinden in maart 2024.

Maatregel 35: UNCRPD en vertalingen:

De vertaling van het UNCRPD, de rapporten en conclusies van het Comité en de algemene opmerkingen bij het UNCRPD is gebeurd in de 3 landstalen.

Het UNCRPD is ook in easy-to-read formaat beschikbaar gesteld.

⇒ Er ontbreekt wel vertaling in gebarentaal, terwijl dit door het UNCRPD-Comité gevraagd werd (eindconclusies 2014, punt 52). De algemene commentaren, rapporten en eindconclusies zijn ook niet in easy-to-read formaat

⇒ Daarnaast zou de NHRPH het belang willen benadrukken van het ter beschikking stellen van belangrijke beleidsdocumenten zoals het Federaal Actieplan Handicap in gebarentaal en easy-to-read formaat.

Maatregel 40 en 63: Jobcalc en statuut van zelfstandige:

De NHRPH is voorstaander van een one-stop shop waar zowel werknemers met een handicap, zelfstandigen met een handicap als werkgevers terechtkunnen. Zie voor meer info: advies 2023/14.

Het contactpunt moet informatie kunnen verschaffen over federale en regionale uitkeringen, premies, mogelijkheden op het vlak van werk (formele én informele werkhervatting) en studies.

Met maatregel 63 werd een verminderde bijdrageregeling voor IVT-gerechtigden die een beperkte zelfstandige activiteit uitoefenen voorzien. Zie advies 2022/31. Deze maatregel is verwezenlijkt.

⇒ De NHRPH gelooft in het potentieel van het activerende karakter van de maatregel, maar er moet veel meer ingezet worden op toegankelijkheid (als in vlotte beschikbaarheid) van informatie en sensibilisatie om personen met een handicap naar werk te begeleiden.

⇒ De NHRPH hoopt ook dat de inventaris van bestaande werkgelegenheidsmaatregelen die binnen de IMC Handicap voorbereid wordt, ook rekening houdt met zelfstandige activiteit en simulatietools zoals Jobcalc.

Maatregel 41: KB positieve acties:

De NHRPH is tevreden over de opvolging van het KB positieve acties van 11 februari 2019. 5 jaar later zijn de opgerichte actieplannen helaas op één hand te tellen en wordt er nog altijd gewacht op het eerste tweejaarlijkse evaluatierapport.

Het is hoog tijd dat de NHRPH betrokken wordt bij de aangekondigde aanpassingen van het KB.

Maatregelen 48-52: personen met een handicap en de federale overheid als werkgever:

De NHRPH is blij met de stappen die reeds gezet zijn en hoopt dat de ambities enkel opgevoerd zullen worden en de engagementen in resultaatsverbintenissen zullen worden omgezet.

⇒ De NHRPH vindt het nodig dat de administraties/instanties die de 3% niet halen en/of geen actieplan handistreaming hebben geresponsabiliseerd worden.

⇒ Verder is het nodig dat er redelijke aanpassingen verstrekt worden doorheen de carrière, en niet enkel bij de selecties en de aanpassing van de werkpost. Dat wil zeggen dat er veel meer ingezet moet worden op redelijke aanpassingen bij bv. het leerproces en groei van de werknemer met een handicap

⇒ Er moet voorzien worden in effectieve en regelmatige begeleiding van de persoon met een handicap die er nood aan heeft. Dit moet ook zo reglementair voorzien worden binnen de overheidsdiensten.
De functie van begeleider moet voldoende omschreven worden in de functiebeschrijving van de aangeduide begeleider, zodat deze voldoende tijd kan besteden aan de optimale invulling van deze rol.

Maatregelen 76 – 79: klimaat en milieu – maatregelen van Minister Khattabi:

De NHRPH is tevreden over de vlotte raadplegingen door Minister Khattabi. Zoals het werk rond de rechtvaardige transitie laat uitschijnen, lijden kwetsbare bevolkingsgroepen zoals de personen met een handicap nu al meer onder de verschillende crisissen. Zonder adequate maatregelen op tal van domeinen zullen de reeds bestaande ongelijkheden enkel groter worden, en dit op vlak van de digitale kloof, toegang tot gezondheidszorg, koopkracht, toegankelijk productaanbod, toegankelijke crisiscommunicatie, mobiliteit (de capaciteit om autonoom ergens te raken, plannen rond lage-emissiezones (LEZ) etc.),… Het is dan ook jammer dat er niet gespecificeerd is hoe de samenwerking met de NHRPH structureel voortgezet zal worden bij de implementatie van de rechtvaardige transitie.

Klimaat- en milieuverandering treft dus tal van domeinen. De NHRPH vraagt om blijvend te worden betrokken bij de zoektocht naar en formulering van oplossingen.

Maatregelen 80-85: Toegankelijkheid van openbare gebouwen:

De NHRPH eist al lang dat openbare gebouwen toegankelijk worden gemaakt voor personen met een handicap (zie advies 2015/34), niet alleen de openbare delen, maar ook de delen die enkel toegankelijk zijn voor het personeel. Immers, personeelsleden kunnen ook een handicap hebben. Er zijn de voorbije jaren vooral voorbereidende stappen gezet: een inventaris, actieplannen, een toegankelijkheidsgids, het aanduiden van referentiepersonen, ... Daarbij mag de jarenlange inzet van de heer Jean-Marc Helson (Regie der Gebouwen) niet worden vergeten.

Nu komt het eropaan om de gebouwen daadwerkelijk toegankelijk te maken. Dat is in de eerste plaats de rol van de Regie der Gebouwen (algemene toegankelijkheid) en in de tweede plaats die van de dienst die de gebouwen in gebruik neemt of heeft (toegankelijke inrichting, signaletiek, …). We zullen pas in de volgende jaren zien of de toegankelijkheid van de openbare gebouwen daadwerkelijk verbetert.

De NHRPH vraagt de Regie der Gebouwen en de betrokken instanties om op de hoogte te worden gehouden.

Maatregelen 95-101: mobiliteit:

In het algemeen onderhoudt de NHRPH al vele jaren een constructieve dialoog met de NMBS, o.a. via zijn werkgroep en andere ontmoetingen en consultaties, o.a. over de unieke perronhoogte, de toegankelijkheid van stations en de assistentieverlening. De NMBS zet stappen naar een snellere en betere assistentie aan personen die erom vragen. Ook heeft de NMBS geluisterd naar de handicapsector om het nieuwe M7-rijtuig toegankelijker te maken voor personen met een handicap. Voor de NHRPH mag het allemaal wat sneller en ambitieuzer, maar er wordt wel degelijk vooruitgang geboekt.

Het onderzoek naar het gebruik van de European Disability Card (EDC) binnen het openbaar treinvervoer (Maatregel 98), bijvoorbeeld m.b.t. de vrijstelling van het boordtarief (advies 2023/08) of het aanvaarden van baar geld op de trein, heeft voorlopig nog niets concreets opgeleverd voor personen met een handicap. Hopelijk komt dat nog.

Ook betreurt de NHRPH dat de NMBS hem niet altijd heeft geraadpleegd, bijvoorbeeld bij operationele beslissingen in het kader van het openbaredienstcontract, zoals de aanpassing (lees: vermindering) van de openingsuren van de loketten (advies 2024/04).

B. Over de maatregelen waar nog vragen bij rijzen:

Maatregel 24: verbetering van bestaande sociale tarieven:

Het is onduidelijk of het recht op het sociale internetaanbod geautomatiseerd is of niet. Op het VRT-nieuws meldde Minister De Sutter van wel en dit is ook wat Testaankoop beweert. Op de officiële website van de FOD Economie wordt dit evenwel tegengesproken.

Potentiële rechthebbenden moeten geïdentificeerd worden en minstens gecontacteerd worden zodat zij op de hoogte zijn van het bestaan van dit aanbod.

De NHRPH ontvangt signalen dat personen bang zijn om hun oude sociale telecomtarief kwijt te raken (omdat het tariefplan wijzigt, de operator het niet langer aanbiedt, de persoon verhuist, …).

Er is nood aan betere informatie over en vergelijking van abonnementen om personen gerust te stellen: de vroegere korting van 11,5 EUR zal vast niet de ‘goedkoopste’ en de ‘beste’ optie zijn in vergelijking met een maximumprijs die nu gesteld wordt voor vast internet en bundels. Maar dit moet ook op een begrijpelijke manier aan de burger overgemaakt worden.

Maatregel 27: handicap en het Plan Armoedebestrijding:

De NHRPH heeft hierover advies 2021/34 uitgebracht. In het Plan Armoedebestrijding worden personen met een handicap slechts vernoemd. Er is geen grondige of volwaardige focus op personen met een handicap en hun grotere risico op armoede, noch zijn er specifieke acties.

Voorzie in het toekomstige Plan Armoedebestrijding volwaardige handistreaming met een grondige focus op de specifieke armoederisico’s die gepaard gaan met het hebben van een handicap.

Zoals gevraagd in advies 2022/29 is er nood aan opvolgingsindicatoren bij de acties en meer betrokkenheid van het Platform Armoede, de Nationale Arbeidsraad (NAR), de NHRPH, …

Maatregel 39: verlengde cumulperiode van de IVT met arbeidsinkomsten :

De NHRPH heeft advies 2023/20 uitgebracht over de maatregel die betrekking had op een cumulperiode van de IVT met arbeidsinkomsten voor hen die 2 jaar voor de tewerkstelling geen arbeidsinkomen hadden. In het uiteindelijke KB van 31/01/24 werd de maatregel evenwel anders verwoord: in de Nederlandse versie was er sprake van 2 jaar voor de werkhervatting. In de Franse versie stond wel: ‘avant la (re)mise au travail’.

Ondertussen heeft de NHRPH op 11 april een adviesaanvraag gekregen van DG Personen met een handicap (DG HAN) over de rechtzetting van deze taalkundige fout. Zie bij deze advies 2024/11.

Maatregel 86: de verbetering van de toegankelijkheid van culturele instellingen:

De NHRPH is blij te vernemen dat Bozar maatregelen ondernomen heeft.

De NHRPH mist evenwel een website waar personen met een handicap op basis van hun ondersteuningsbehoeften kunnen zoeken welke museum voor hen toegankelijk is. Nu moet je museum per museum nagaan welke ondersteuning er geboden wordt, wat complex is. Het zou ook handig zijn mochten daarin niet enkel federale musea opgenomen zijn, maar ook die van de deelstaten.

Uiteraard zou het nog handiger zijn als deze zoekbrowser niet enkel musea zou omvatten, maar ook sportinfrastructuur, toneelzalen, cinemazalen, speeltuinen en andere plekken van vrijetijdsbeleving.

Dit zou passen binnen de optimalisering van de EDC-website. Daar kan men reeds op grote categorieën van ‘hulp’ filteren (bv. korting, voorrang, aangepaste voorzieningen, …); maar nog niet op specifieke ondersteuningsbehoefte (lift, hellende vlakken, voelplaten, gebarentaal, easy-to-read, gespecialiseerde gidsen, …).

Maatregel 102: hervorming van het systeem van de parkeerkaarten:

De NHRPH volgt de werkzaamheden in het kader van het uitwerken van een oplossing voor het probleem van de scan cars die gebruikers van de parkeerkaart voor personen met een handicap onterecht beboeten. Er wordt aangekondigd dat de oplossing toegankelijk en snel zal zijn, maar de NHRPH zit nog met een reeks vragen (zie advies 2024/03). De gemeentes hebben de keuze om in het project te stappen of niet en hebben ook de vrijheid om hun eigen parkeerbeleid uit te stippelen. De NHRPH verdedigt een uniform beleid voor alle gemeentes.

Maatregel 105: tarificatie van de diensten van professionele bewindvoerders:

Op 1/12/2023 heeft de Minister van Justitie, Paul Van Tighelt, een nieuw advies gevraagd over het voorontwerp van KB inzake het inkomen dat in overweging wordt genomen bij de bepaling van de vergoeding van de professionele bewindvoerder.
De NHRPH heeft daarover advies 2023/28 uitgebracht.

Hiervoor werd de NHRPH reeds geraadpleegd door de Minister van Justitie, Vincent Van Quickenborne, op 06/01/2022. De NHRPH heeft hierover advies 2022/08 uitgebracht.

Beide adviezen stellen duidelijk dat uitkeringen bestemd voor de compensatie van de gevolgen van een handicap of de verminderde zelfredzaamheid, nooit als inkomen aanzien mogen worden.

Het KB is nog niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en de NHRPH hoopt dan ook dat er nog rekening gehouden zal worden met zijn eis.

Maatregel 140 inzake de promotie van het imago van België in het buitenland:

De NHRPH zou graag meer inzet willen zien op vlak van conferenties die direct gelinkt zijn aan handicap – bv. UNCRPD COSP.

C. Wat betreft de tegenvallers:

Maatregelen 1 en 2 die zich focussen op noodplannen en crisiscommunicatie:

Ondanks dat de COVID-gezondheidscrisis en de overstromingen 2021 hebben aangetoond dat België slecht voorbereid was/is op crisissituaties, is de aanpak van de noodplannen geen prioriteit geweest tijdens deze legislatuur. Momenteel is er enkel BE-Alert, waarop mensen kunnen intekenen om in geval van nood informatie te krijgen (via sms, gesproken telefoonbericht of e-mail) van de (lokale) overheid over wat er is gebeurd en wat je zelf kan doen om je in veiligheid te brengen.

Actieve plannen om bijvoorbeeld geregistreerde personen met een handicap in veiligheid te brengen bestaan nog steeds niet.

Zelfs na meermaals aandringen om betrokken te worden bij de hervormingen, is de NHRPH nooit geraadpleegd geweest.

Maatregel 4, 29, 32 en 33 inzake gebarentaal en easy-to-read versies van documenten:

Net zoals het KCE het belang van eenvoudige taal in de gezondheidszorg benadrukt heeft, is ook de beschikbaarheid van gebarentaal belangrijk.
Gezien het belang van informatieverstrekking en -verwerking in de gezondheidszorg in het algemeen en in het bijzonder voor personen met een handicap, betreurt de NHRPH dat deze vrij eenvoudige maatregel 4 niet verwezenlijkt is.

⇒ Ook zijn er nog altijd geen richtlijnen over gebruik van gebarentaal en vereenvoudigde taal voor de overheid in het algemeen, terwijl de overheid alle burgers aanbelangt en dus met alle burgers toegankelijk dient te communiceren.
Zoals gevraagd in advies 2022/29 is het nodig dat gebarentaal niet enkel bij persconferenties voorzien wordt, maar ook bij het contact van de overheid met een persoon die gebarentaal gebruikt. Voor die personen is dat immers vaak hun moedertaal.

Er moet dringend ingezet worden op het promoten van de opleiding van tolken gebarentaal. Een probleem om op de betrokken IMC aan te pakken?

Maatregel 5 en de aanpak van de problematiek van de vooraf bestaande toestand:

De NHRPH vernam eind 2023 dat het aanslepende dossier niet vorderde omdat er onzekerheid was over de kwestie of sommige IT-gerechtigden niet slechter af zouden zijn in de ziekteverzekering gezien de lage cumuldrempel. Het probleem zou zich vooral stellen voor ‘onregelmatige’ werkers, waardoor de uitkering van het RIZIV ongeveer gelijk zou lopen met een IVT.

DG HAN heeft begin 2024 bevestigd dat op grond van art. 9ter, §5 KB IVT/IT men niet slechter af kan zijn. Er is ook een eerste ontmoeting met het RIZIV geweest.

Het is jammer dat de zaak zo laat in de legislatuur in gang geschoten is. De NHRPH hoopt dat de uitwerking van een oplossing geen halt toegeroepen zal worden met het einde van de legislatuur.

Maatregel 12: ziektepensioen ambtenaren

Het ziektepensioen voor ambtenaren wordt gemoderniseerd richting een ‘inactiviteitsuitkering’. Het ziektepensioen kampte met de ‘prijs van tegenslag’: een verminderd inkomen, verlies van IT door terugval op vervangingsinkomsten, verlies van verhoogde tegemoetkoming in medische kosten en verlies van afgeleide rechten.

⇒ De hervorming is bezig, maar de NHRPH heeft tot op de dag van vandaag (15/04/24) moeten vaststellen dat de prijs van de tegenslag niet zal verdwijnen bij de modernere inactiviteitsuitkering.

Maatregel 28 en 30: alomvattend plan voor de modernisering van de publieke dienstverlening + handicap inclusie

De NHRPH vindt het jammer dat er geen alomvattend plan is gekomen en dat er geen exhaustief overzicht beschikbaar is van de genomen initiatieven door de verschillende administraties.

De NHRPH stelt vast dat het inzamelen van informatie van de verschillende administraties en het opvolgen van het vorderingsproces van de maatregelen van het Federaal Actieplan Handicap soms moeizaam verloopt.

Gezien het de bedoeling is om het Federaal Actieplan wettelijk te bestendigen, hoopt de NHRPH dat er ingezet zal worden op het tot stand brengen van een bepaalde rapporteringsprocedure met aanduiding van focal points, deadlines voor rapportering en een hub waar minstens de betrokkenen en belanghebbenden kunnen volgen hoever de maatregelen staan en bij wie meer info kan ingewonnen worden.

Maatregel 91 inzake de toegankelijkheid van draagbare betaalterminals met enkel een touchpad:

Touchpads zijn niet toegankelijk voor blinde en zwaar slechtziende personen. Jammer dat dit dossier geen prioriteit geweest is van de bevoegde ministers en dat de voorziene studie nog altijd niet uitgevoerd is.

D. Inzake de nog geplande maatregelen:

De NHRPH stelt dat er voor 37 maatregelen een formeel advies van de NHRPH is opgesteld of in de loop van 2024 zal worden aangevraagd. Op 15 april heeft de NHRPH nog 6 verzoeken om advies ontvangen. De NHRPH wijst erop dat de regering over minder dan 1 maand overgaat tot lopende zaken en dat wijzigingen in de regelgeving met een financiële impact niet meer zullen worden toegestaan. De NHRPH herhaalt dan ook dat het nodig is om vanaf het begin van de discussie betrokken te worden. Een adviesaanvraag pro forma heeft immers niet veel nut.

Maatregel 3 inzake de problemen van bevoegdheidsverdeling in gezondheidszorg (nomenclatuur kine/logopedie die gelinkt is aan revalidatiecentra):

Het eindrapport spreekt van een oplossing die gevonden is inzake de toegang tot logopedie voor personen met een IQ lager dan 86. Dit is maar gedeeltelijk zo, want de IQ-ondergrens is slechts één kant van de medaille. Zoals het nieuwsbericht van Minister Vandenbroucke het zelf stelt: “Wanneer het IQ van een kind zo laag is, wordt verwacht dat het terecht kan in een CAR of in het buitengewoon onderwijs.” Aldus staat er bijna letterlijk dat deze kinderen vaak naar buitengewoon onderwijs gaan. Daardoor zijn ze o.g.v. art. 36, §3, °1 nog altijd uitgesloten van terugbetaling, want deze uitzondering is voorlopig niet aangepakt geweest.

Zie voor meer info advies 2023/21.

De NHRPH eist dat de studie die het KCE dient op te stellen zich aldus op het grotere geheel focust en niet louter op de IQ-ondergrens. Alle relevante omstandigheden dienen in acht te worden genomen: buitengewoon onderwijs, revalidatiecentra, beschikbare plaatsen daarin en wachtlijsten, geografische spreiding, afwezigheid de facto van logopedisten, vrije keuze van een zorgverstrekker, aanpassingsmogelijkheden van kinderen, overlap van de IQ-ondergrens en de uitsluiting van terugbetaling bij het gaan naar buitengewoon onderwijs,…

Maatregel 15 en 18: hervorming wet op de tegemoetkomingen van 1987:

De NHRPH is verheugd te zien dat er een rapport over samenlevingsvormen in de loop van 2024 verwacht wordt en dat er tegen eind 2024 scenario’s voor hervorming voorbereid worden. Tot nu toe is de NHRPH nog niet betrokken geweest bij deze werkzaamheden en vraagt daarom met nadruk om zo snel mogelijk betrokken te worden.

Input van de NHRPH kan reeds in de brainstormfase nuttig zijn. Vroege betrokkenheid is de beste garantie op constructieve feedback, dit in tegenstelling tot de situatie waarbij een maatregel reeds voorligt voor akkoord.

E. Ter afsluiting enkele aandachtspunten voor de toekomst:

Het nut van het Federaal Actieplan Handicap: Handistreaming kan niet gewoon in een wet voorzien worden. Deze vereist immers proactieve analyse, ontwerp, implementatie, opvolging en evaluatie van maatregelen. Zonder een plan en zonder monitoring kan er geen sprake zijn van volwaardige handistreaming.

Inhoud van het Federaal Actieplan Handicap:
Het huidige plan bevatte 30 maatregelen gericht op het wijzigen van regelgeving. Dit is erg weinig in vergelijking tot het bestaande geheel van regelgeving. In het licht van het UNCRPD en zeker in het licht van het (nog vrij nieuwe) art. 22ter GW is het aan de wetgever om de bestaande wetgeving te toetsen aan de principes van inclusie, redelijke aanpassing en autonomie en waar nodig veranderingen aan te brengen. Het is belangrijk dat personen met een handicap effectief ‘voelen’ hoe de maatschappij evolueert richting meer inclusie en dit onder andere door de grotere invoering van inclusieve regelgeving.

Voor de volgende actieplan zou de NHRPH graag van in het begin betrokken worden bij de opstelling ervan.

De keuzes voor bepaalde maatregelen zouden best gemotiveerd worden (beleidsmatig, wetenschappelijk); zo bouw je niet alleen begrip en steun op bij de personen met een handicap, de actoren op het terrein, maar ook bij de andere bevoegde instanties. Dit vergroot de slaagkansen van die maatregelen.

Ook zouden reeds bij de selectie van de maatregelen ervaringsdeskundigen en experten betrokken kunnen worden, een debat georganiseerd worden, om in te zien welke maatregelen echt relevant zijn, niet alleen nu voor acute problemen, maar ook op lange termijn voor de toekomst en dus welke maatregelen de legislatuurtermijn zullen overstijgen.

Bereidheid tot handistreaming van de beleidscellen:
De beleidscellen moeten bereid zijn om de handicapdimensie te integreren in hun dagelijkse werking. Binnen elk Beleidscel moet er zo een focal point voor handicap aangeduid worden; dit moet voldoende kennis hebben van inclusie en de draagwijdte van de rechten van personen met een handicap. Het focal point moet niet enkel intern contact onderhouden en de verschillende maatregelen evalueren op de noodzaak van advies van de NHRPH, maar ook extern in contact staan met de andere focal points, de NHRPH, Unia, …

Erkenning van de rol van de NHRPH:
De rol van de NHRPH wordt meer en meer erkend. Helaas is de raadpleging van de NHRPH nog lang niet structureel te noemen, maar eerder sporadisch en willekeurig. Daarnaast wordt er nog te vaak enkel een beroep gedaan op de NHRPH in de laatste fase van de totstandkoming van de maatregelen.

Het is ook verrassend dat voor een groot aantal maatregelen binnen het Federaal Actieplan Handicap een beroep werd gedaan op ‘maatschappelijke organisaties’ en niet op de NHRPH. In de toekomst zou de NHRPH altijd op zijn minst moeten worden geraadpleegd. De NHRPH beschikt misschien niet over een ‘speciale’ expertise op alle gebieden, maar kan waar nodig altijd doorverwijzen naar contacten die de expertise wel bezitten.

Het secretariaat van de NHRPH:
Het secretariaat van de NHRPH moet de nodige middelen krijgen om efficiënt te functioneren. De huidige bezetting volstaat niet om adviezen voor te bereiden, vergaderingen op te volgen en de NHRPH waar vereist te vertegenwoordigen. Er is meer personeel nodig. Zeker als de handistreaming verder uitgerold wordt en er meer adviezen gevraagd zullen worden.

Behoefte aan data en statistieken:
De noodzaak aan data en statistieken voor onderbouwde beleidsvorming begint steeds meer erkend te worden en men is de afgelopen jaren goed gestart met het verzamelen en analyseren van gegevens. Het bijhouden van data moet structureel gebeuren voor belangrijke maatregelen (zoals stemrecht van personen met een handicap, personen die in instellingen verblijven, tewerkstellingsmaatregelen, statistieken op gebied van vrijetijdsbesteding die momenteel amper bestaande zijn, maar onder invloed van EDC wel relevant kunnen zijn, …). Dit vereist een gecoördineerde aanpak met de deelstaten.

De reeds beschikbare gegevens moeten worden verfijnd en effectief worden gebruikt voor beleidsontwikkeling.

Behoefte aan aangepaste communicatie voor en naar personen met een handicap
De COVID-crisis en de overstromingen van 2021 hebben duidelijk gemaakt dat de communicatie in alle overheidsdiensten moet worden aangepast. Dit is een belangrijk aandachtspunt waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling van alle maatregelen en acties van de volgende regering. De NHRPH wil daar van bij het begin bij worden betrokken.

Het belang van opvolging en evaluatie van acties en beleid
Ontwikkeling impliceert voor de NHRPH ook opvolgingsindicatoren en tussentijdse evaluatiemomenten.

Dit is essentieel om de implementatie van het UNCRPD in België te waarborgen over de legislaturen en domeinen heen.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2024/04 - Openingstijden van de NMBS-loketten

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Digitale kloof

Advies nr. 2024/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassing van de openingstijden van de NMBS-loketten in stations, uitgebracht na de plenaire zitting van 19/03/2024.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 12/01/2024 kondigde de NMBS aan dat de openingstijden van de stationsloketten vanaf 01/03/2024 veranderen. De NMBS heeft bij die gelegenheid gecommuniceerd over haar motivatie voor die beslissing. Voor 54 stations betekent de beslissing dat de loketten minder lang open zullen zijn dan voorheen. De NMBS besliste dit naar aanleiding van de veranderingen in reizigersgedrag, nl. de daling van de verkoop aan de loketten: van 55% in 2015 naar minder dan 10% vandaag (cijfers van de NMBS). Volgens de NMBS worden er geen loketten definitief gesloten, wat in het verleden wel is gebeurd, bijv. in 2021. De NMBS behoudt een aanwezigheid ten dienste van haar klanten in 91 stations.

Het nieuwe model van de NMBS is gebaseerd op polyvalente personeelsleden ("mobiliteitsgidsen") die verspreid in het station aanwezig zijn (niet alleen achter hun loket) om de verkoop te verzorgen (klanten helpen bij het gebruik van de verkoopautomaten of indien nodig een verkoop afsluiten aan het loket) en om verschillende taken van assistentie aan reizigers in het station op zich te nemen (reizigersonthaal, personen met een beperkte mobiliteit (PBM’s) die geen rolstoel nodig hebben en groepen assisteren, advies geven over vervoerbewijzen, reisadvies geven bij verkeersstoringen, vragen van reizigers beantwoorden enz.). Het nieuwe model zal vanaf eind 2024 verder worden uitgerold.

Volgens de NMBS zullen de wijzigingen geen impact hebben op de assistentie aan PBM’s, zoals die momenteel wordt verleend in 132 stations (met rolstoelen)/159 stations (zonder), aangezien die assistentie immers via andere kanalen wordt aangevraagd.


3. ANALYSE

A. Openbare dienstverlening van de NMBS

Het openbaredienstcontract 2023-2032 van de NMBS bepaalt de wederzijdse rechten en verplichtingen van NMBS en de Belgische Staat. NMBS is belast met de exploitatie van openbaar personenvervoer per spoor op het grondgebied. In het kader van dienstverlening aan personen met een beperkte mobiliteit en dienstverlening aan het loket zijn de delen III.4. Distributie van vervoerbewijzen en V. Vlot reizen van deur tot deur erg belangrijk.

De NHRPH betreurt het dan ook dat de loketten minder lang open zullen zijn, wat op zich de dienstverlening niet ten goede kan komen.

De NMBS verdedigt haar beslissing door te wijzen op de evolutie van de verkoop. Er is inderdaad al jaren een afname van de loketverkoop, tegenwoordig voornamelijk ten voordele van onlineverkoop. De coronapandemie heeft die tendens nog versneld.

De NMBS verwijst ook naar de tevredenheidscijfers over de aanschafmethodes: “De reiziger is tevreden en soms zelfs meer tevreden over de andere kanalen dan over de loketten: de loketten komen op een tevredenheidspercentage van 86%, de automaten op 89%, de website op 88% en de app op 85%.

De NHRPH erkent de evolutie en het nut van de andere alternatieven, maar wil wel nuanceren. Wanneer er minder beschikbare loketten zijn, zal de aankoop aan het loket natuurlijk nog meer afnemen. De beslissing van de NMBS versterkt dus de bestaande tendens.

Ook zou het interessant zijn om na te gaan wie de 11 à 15% ontevredenen zijn. Misschien wel net de groep van de personen met een handicap die minder en minder aan het loket worden geholpen?

B. Digitale kloof

De NHRPH heeft al vaker gewezen op de digitale kloof die alleen maar wijder lijkt te worden met de jaren, in het bijzonder voor een deel van de personen met een handicap, maar evenzeer voor ouderen, mensen met beperkte middelen, mensen die niet computerminded zijn, … In 2022 publiceerde de NHRPH een positienota over de digitale kloof. Meer specifiek over de NMBS ging het dan over het einde van contante betalingen aan boord van de trein zonder meerkosten (boordtarief), de sluiting van loketten, duurdere tickets behalve via onlineverkoop, ...

Het verminderen van de openingsuren van de loketten dwingt mensen om naar de alternatieven te gaan, zoals betaalautomaten, de website, apps, … De NMBS onderneemt acties om haar digitale toepassingen toegankelijk te maken, maar voor een flink deel van de bevolking blijven die ontoegankelijk. Die geven vaak de voorkeur aan menselijke hulp, aan het loket of elders.

Menselijke assistentie kan niet zomaar worden vervangen door ICT. De evolutie is natuurlijk al langer bezig en heel wat mensen – ook veel personen met een handicap - verkiezen de digitale alternatieven, maar niet iedereen kan mee.

In het kader van de digitale kloof verwijst de NHRPH naar de Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2022 over de digitale kloof: de maatschappelijke ongelijkheid als gevolg van de digitalisering. Zo wijst het Europees Parlement er in artikel 7 op “dat veel alledaagse diensten een niet-digitale oplossing moeten bieden teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van burgers die niet over de vaardigheden of kennis beschikken om onlinediensten te gebruiken, liever gebruikmaken van offlinediensten of geen toegang hebben tot digitale apparaten en toepassingen”. Bovendien is dat ook een verplichting die is vastgelegd in artikels 8 en 29 van het VN-Verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap: de uitrol van digitale opties mag de menselijke assistentie nooit volledig vervangen.

C. Reacties

De NHRPH staat niet alleen met zijn kritiek. Het Raadgevend Comité van de Treinreizigers – waarin de NHRPH vertegenwoordigd is – publiceerde op 09/02/2024 al een open brief over de aanpassing van de openingsuren van de NMBS-loketten. Ook in de pers werd er veel over bericht.


4. ADVIES

A. Dienstverlening:

i. Loketten

De NHRPH betreurt het dat openingstijden van de stationsloketten verminderen.

De NHRPH vraagt dat er geen loketten meer definitief worden gesloten. Verder moeten de loketten minstens open zijn op de gebruikelijke tijdstippen. Veel mensen geven de voorkeur aan menselijke assistentie, zeker personen met een handicap.

De NHRPH vraagt dat in het bijzonder de loketten die toegankelijk zijn voor personen met een handicap open blijven.

De NHRPH vraagt dat de NMBS blijft investeren in toegankelijke alternatieven voor de verkoop aan het loket, zowel digitaal als niet-digitaal.

ii. Contant geld

Loketten worden stilaan de enige plaatsen waar nog met contant geld kan worden betaald. Sommige automaten laten het ook nog toe, maar op de trein is het niet meer mogelijk, al is een regeling achteraf mogelijk, bijvoorbeeld… via een NMBS-loket.

Voor sommige mensen – bijv. mensen die onder financieel bewind staan - is baar geld het enige toegankelijke betaalmiddel. Wanneer loketten minder lang geopend zijn - voor aankoop of regularisatie van een aankoop aan boord van een trein - komen deze mensen in de problemen.

De NMBS moet ervoor zorgen dat ook mensen die enkel met cash betalen ook vlot een vervoerbewijs kunnen kopen. Voor de NHRPH blijft het loket daar de uitgelezen plaats voor, maar de NHRPH is eveneens voorstander van contante betalingen aan boord van de trein.

iii. Polyvalente medewerkers

De NMBS wil inzetten op polyvalente medewerkers in stations die verspreid over het station mensen kunnen helpen en informeren. Hun aanwezigheid komt ook de veiligheid van de reizigers ten goede.

De NHRPH staat principieel positief tegenover de aanwezigheid van personeel in de stations, maar vraagt zich wel af over hoeveel mensen het gaat (afhankelijk van station, tijdstip, weekdag, …) en of die mensen even vlot te vinden zullen zijn als een medewerker achter het loket. Het is ook maar de vraag in welke mate die personeelsleden de tijd gaan hebben om daadwerkelijk te helpen bij de aankoop van een vervoerbewijs.

iv. Informatie

De NMBS kondigt begeleidende maatregelen aan om de wijzigingen voor het publiek op te vangen.

    • informatievergaderingen over de verkoopautomaten
    • brochures over de werking van de verkoopautomaten en over de digitale kanalen, verspreid in de stations waar de loketten in 2021 gesloten werden en waar de openingstijden van de loketten sinds 01/03/2024 worden beperkt

De NHRPH vraagt dat deze informatie tijdig, via de gebruikelijke kanalen en op toegankelijke wijze wordt verspreid.

B. Raadpleging van de NHRPH

De NHRPH betreurt niet te zijn geraadpleegd over de aanpassing van de openingsuren van de stationsloketten, terwijl dit toch een dossier is dat een invloed heeft op personen met een handicap. De NMBS moet zich aan het openbaredienstcontract houden, maar is vrij om zelf te beslissen over de wijze waarop ze haar verplichtingen nakomt. In dat kader wijst de NHRPH nadrukkelijk op artikel 51 van het contract:

“NMBS draagt bij tot de implementering van een inclusieve mobiliteit. Ze voorziet in noodzakelijke redelijke aanpassingen voor effectieve toegang tot de spoorwegmobiliteit voor mensen met een lichamelijke, cognitieve of zintuiglijke handicap. Zij verbindt zich ertoe het Raadgevend Comité van de treinreizigers (RGCT) en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) te raadplegen bij het ontwerp van de inrichtingsprojecten of de herziening van de toegepaste standaarden. Deze consultatie betreft onderwerpen zoals de toegankelijkheid van de stations, het rollend materieel, de informatie en de aankoop van vervoerbewijzen.”

De NHRPH vraagt de NMBS-top nadrukkelijk om geraadpleegd te worden bij beleidsbeslissingen die een impact hebben op reizigers met een handicap.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2024/11 - Rechtzetting maatregel cumul IVT-arbeidsinkomen

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/11  van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over rechtzetting maatregel cumul IVT-arbeidsinkomen.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/04/2024.

Advies op vraag van DG Personen met een handicap van 11/4/2024.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clement, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Ontwerp van KB tot wijziging van het KB IVT/IT van 6 juli 1987 met het oog op de verduidelijking van de maatregel ingevoerd bij het KB cumul IVT-arbeidsinkomen van 31 januari 2024.


3. ANALYSE

Op de voorbije plenaire vergadering van de NHRPH, die plaats vond op 18 maart 2024, kwam een probleem naar boven bij de interpretatie van de cumul maatregel.

Op 19 maart 2024 werd er een vraag naar uitklaring gestuurd naar de Beleidscel Lalieux, en een verduidelijking werd achterna gestuurd op 9 april 2024, waarbij het volgende gemeld werd:

De NHRPH heeft Advies 2023/20 verstrekt over de maatregel. Daarin werd gesproken over “IVT-begunstigden, die geen inkomen uit arbeid hebben ontvangen in de twee jaar voorafgaand aan hun tewerkstelling (…)”. De maatregel werd ook in de Commissie Sociale Zaken van 19/9/2023 (zie minister Lalieux op p. 20) zo voorgesteld. 

In het uiteindelijk KB van 31/1/24 wordt evenwel gesproken van 2 jaar voor de werkhervatting. Of is dit een slechte vertaling naar het Nederlands? In de Franse tekst van het KB staat immers: “(…) la personne handicapée qui ne dispose pas d'un tel revenu au moins vingt-quatre mois avant sa (re)mise au travail (…)“.

Op de website van DG HAN wordt de maatregel ook omschreven als: “de combinatie van IVT en arbeidsinkomsten vergemakkelijken voor wie terug aan de slag gaat na minstens twee jaar inactiviteit.” Verder wordt er evenwel weer gesproken over: “Iedereen die een IVT ontvangt en die besluit om na twee jaar zonder arbeidsinkomsten een beroepsactiviteit uit te oefenen, kan van deze maatregel genieten.”

Belangrijk is om uit te klaren wat precies de doelgroep is: zij die 2 jaar geen arbeidsinkomsten hebben gehad (zoals de NHRPH het voor had) of zij die na hun laatste tewerkstelling al 2 jaar geen arbeidsinkomsten hebben gehad?

⇒ Uitklaring is nodig zowel in de KB als op de webpagina van DG HAN.
De NHRPH wenst een vergelijking van data te ontvangen over het aantal potentieel begunstigden van de maatregel zoals geformuleerd voor het advies 2023/20 (tewerkstelling) en na het advies (werkhervatting).

Op 11 april 2024 heeft DG HAN een adviesaanvraag doorgestuurd inzake een ontwerp KB voor een wetgevingstechnische/taalkundige rechtzetting.

Er wordt aan de Nederlandse tekst toegevoegd dat het niet enkel om werkhervatting gaat, maar ook om tewerkstelling. In het Franse luidde de tekst reeds ‘(re)mise au travail’.

Er wordt toegevoegd dat het arbeidsinkomen dat verworven wordt na 24 maanden zonder, normaal aanleiding zou geven tot een ambtshalve herziening o.g.v. art. 23, §1bis, °1 KB procedure tegemoetkomingen van 22 mei 2003 (maar is vrijgesteld…).

De titel van het KB wordt gewijzigd:
In de Franse versie wordt het woord reprendre gewijzigd naar: “(re)prendre le chemin du travail”.
In de Nederlandse versie wordt ‘opnieuw aan het werk te gaan’ gewijzigd naar: “(opnieuw) aan het werk te gaan”.


4. ADVIES

De NHRPH ondersteunt de verduidelijking volledig en is blij met deze snelle rechtzetting. De huidige aanpassing ligt helemaal in lijn met de oorspronkelijk gecommuniceerde intentie van de maatregel aan de NHRPH.

⇒ De NHRPH vraagt dat ook de website van DG HAN aangepast wordt zodat het te allen tijde duidelijk is wie de doelgroep van de maatregel is. Dat wil zeggen dat er bij elke vraag van de ‘FAQ’ taalkundig rekening gehouden wordt met het feit dat het gaat zowel om hen die opnieuw aan het werk gaan, als personen die voor het eerst aan het werk gaan.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2024/03 - Parkeerregistratie en - controle

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2024/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorgestelde procedure voor de parkeerregistratie van houders van de parkeerkaart voor personen met een handicap in het kader van de parkeercontrole door scan cars, uitgebracht na bespreking op de plenaire zittingen van de NHRPH van 19/02/2024 en 18/03/2024.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Gwendolyn Rutten, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten
  • Voor opvolging aan de Union des Villes et Communes de Wallonie
  • Voor opvolging aan Brulocalis, de vereniging van stad en gemeenten van Brussel
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Om te voorkomen dat personen die in het bezit zijn van een parkeerkaart voor personen met een handicap ten onrechte worden beboet na parkeercontrole door scan cars, wordt er een procedure uitgewerkt waarbij de personen met een handicap zich registreren voor het parkeren.


3. ANALYSE

A. Historiek

Sinds enige tijd laten veel steden en gemeenten parkeercontroles uitvoeren door middel van scan cars, auto’s die de nummerplaten van geparkeerde wagens automatisch scannen op parkeerovertredingen.

Een nadeel van die scan cars is dat ze geen rekening houden met de parkeerkaart voor personen met een handicap. Bij gebruik ligt die kaart immers achter de voorruit van de geparkeerde wagen, buiten het bereik van de scan cars. Hierdoor krijgen personen met een handicap vaak onterechte boetes, vooral in de zones voor betalend parkeren.

Na klachten van personen met een handicap die onterecht waren beboet, publiceerde de NHRPH in 2020 een eerste advies over de scan cars. Voor de NHRPH moet het correct gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap voldoende zijn om van het parkeerrecht te kunnen gebruik maken. Er zouden er in de daaropvolgende jaren nog enkele adviezen over scan cars volgen: advies 2021/32 en advies 2022/19.

De wegcode is federaal, de erkenning van de handicap en de toekenning van de parkeerkaart zijn dat ook, maar de gemeentes kunnen zelf hun parkeerbeleid bepalen. Het parkeerbeleid kan tussen gemeentes dan ook sterk verschillen, wat aanleiding geeft tot onbedoelde parkeerovertredingen en boetes.

De gemeentes begonnen los van elkaar procedures te ontwikkelen voor de parkeercontrole en het gebruik van scan cars. In de meeste gevallen ging het om een digitale administratieve registratie bij de gemeente zelf. Dat gaf meerdere problemen:

  • De kaarthouder moest zich registreren bij elke gemeente waar hij parkeerde.
  • De procedure was gelinkt aan de nummerplaat, niet aan de parkeerkaart. Heel wat personen met een handicap rijden echter niet steeds met dezelfde wagen (mee), bijvoorbeeld de personen met een visuele handicap.
  • De registratieprocedure was omslachtig en niet altijd erg toegankelijk voor personen met een handicap.

De NHRPH interpelleerde Minister Lalieux en Minister Gilkinet over deze problematiek. Daarop startte Minister Lalieux een dialoog met de verschillende verenigingen van steden en gemeenten van België, de Kruispuntbank, de FOD Sociale zekerheid, de NHRPH, Unia en andere stakeholders. Er werd overeengekomen om te streven naar één enkel systeem voor alle gemeentes die wensen deel te nemen. Dat systeem moest zo eenvoudig mogelijk zijn voor de gebruiker.

Na een onderzoeksfase werd een procedure gekozen. Die wordt ontwikkeld door de stad Antwerpen met de financiële steun van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, mevrouw Gwendolyn Rutten. De website/app die nu in ontwikkeling is heet handyPark.be (niet te verwarren met Handi2Park, het systeem ter controle van de geldigheid van parkeerkaarten van personen met een handicap). Momenteel bedraagt de toegankelijkheid van de applicatie al WCAG AA (Web Content Accessibility Guidelines), maar er wordt gestreefd naar WCAG AAA.

In een persbericht van 7 december 2023 communiceerde Minister Lalieux over Een oplossing om de digitale controle van parkeerkaarten voor mensen met een handicap te verbeteren en onterechte boetes door het gebruik van scan cars te voorkomen. Er was ook een persvoorstelling van de plannen.

Die presentatie is ook gegeven aan de leden van de plenaire vergadering van de NHRPH van 18/12/2023 door de heer Guido Slangen van het Autonoom Gemeentebedrijf Mobiliteit en Parkeren van de stad Antwerpen. De hierna volgende informatie over het project is grotendeels gebaseerd op die presentatie.

Het project telt vele federale, regionale en lokale partners, waaronder Brulocalis, de FOD Sociale Zekerheid, Minister Lalieux, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Belgische Lokale Besturen, de Union des Villes et Communes de Wallonie, Stad Antwerpen, Stad Brussel, het Agentschap Binnenlands Bestuur Vlaanderen, Unia en de NHRPH.

Aangezien parkeercontrole een lokale bevoegdheid is, beslissen de steden en gemeentes over de aanpak. Zij kunnen dus niet worden verplicht tot deelname aan het project. Ondertussen zouden de grotere Vlaamse steden al toegezegd hebben om deel te nemen aan het project, net als Brussel, Luik, Namen en Charleroi. Verwacht wordt dat er nog zullen volgen.

Volgens de huidige planning zal het project live gaan in het najaar van 2024. In de eerste fase gebeurt dat slechts in enkele steden en gemeentes, zodat kinderziektes kunnen worden weggewerkt voor een ruimere implementatie. In afwachting van de implementatie van de procedure is de gemeentes gevraagd om geen nieuwe initiatieven te nemen op het vlak van de parkeercontrole.

B. Doelstellingen

Het project heeft als bedoeling om een vlot, onmiddellijk en onbeperkt wisselen tussen nummerplaten toe te laten, want ongeveer 30% van de houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap rijden niet altijd met dezelfde wagen (mee). Aan de kust ligt dat percentage nog hoger. De meeste huidige registratiesystemen laten maar 2 nummerplaten toe. Daarbij kwam nog dat het wisselen tussen nummerplaten in sommige steden en gemeenten meerdere werkdagen op zich kon laten wachten.

Een andere motivatie voor het project is het tegengaan van fraude met de parkeerkaarten. Een registratie met ongeldige parkeerkaarten is in principe niet mogelijk: vervallen kaarten kunnen niet meer worden gebruikt in dit systeem. Ook kan een parkeerkaart nooit voor meer dan één parkeerbeurt tegelijk worden gebruikt. Wanneer een gebruiker een parkeerrecht wil laten ingaan terwijl er al een lopende parkeerbeurt is geregistreerd voor die kaart, dan krijgt de gebruiker daar een melding van. De persoon kan op dat moment niet parkeren met de kaart, maar wel de nodige stappen ondernemen tegen het misbruik, zoals het laten annuleren van de gecompromitteerde account.

C. Procedure

De applicatie vertrekt van een sterke authenticatie via eID of Itsme. Bij de eerste registratie wordt een account gecreëerd voor die persoon via een versleutelde unieke relatie tussen aanmelder en kaartnummer. Hierbij wordt de GDPR gerespecteerd. Personen die dat wensen kunnen zich hiervoor laten bijstaan aan het loket van een deelnemende stad of gemeente.

Eens de persoon een account en een unieke code heeft, verlopen de volgende authenticaties eenvoudiger.

Het is ook mogelijk om na eerste aanmelding een andere code te kiezen, zoals een eigen, vlotter te onthouden code of een biometrische herkenning, zoals een vingerafdruk.

De webapplicatie onthoudt de laatste 5 gebruikte nummerplaten, wat het wisselen tussen auto’s vereenvoudigt. Ook nieuwe nummerplaten zijn steeds mogelijk.

De applicatie is beschikbaar in 4 talen: Nederlands, Frans, Duits en Engels. Ook buitenlanders in het bezit van een geldige parkeerkaart voor personen met een handicap kunnen gebruik maken van deze procedure.

De procedure maakt een onderscheid tussen het lange parkeerrecht en een kort parkeerrecht. Het lange parkeerrecht is gekoppeld aan de geldigheid van de parkeerkaart. Voor personen die steeds hetzelfde voertuig gebruiken – bijvoorbeeld een eigen al dan niet aangepast voertuig of de wagen van een vaste begeleider – volstaat het lange parkeerrecht. Ook dit recht kan worden aangepast indien nodig, bijvoorbeeld bij vervanging van de wagen.

Het korte parkeerrecht is van toepassing wanneer een persoon met verschillende wagens (mee)rijdt. Het korte parkeerrecht duurt maximaal een dag. Een persoon kan gebruik maken van meerdere korte parkeerrechten per dag, bijvoorbeeld bij verschillende parkeerbeurten. Het korte parkeerrecht schort het lange parkeerrecht tijdelijk op. Het lange parkeerrecht hervat automatisch na het eindigen van het kort parkeerrecht. Een kort parkeerrecht kan worden geactiveerd per sms.

De database met de parkeerrechten is beschikbaar voor alle handhavende instanties. Dit gebeurt met respect voor de bescherming van privacy. De instanties kunnen via deze database nummerplaten controleren. De database zal geregeld opgefrist worden. Daarbij worden de kaartnummers die niet meer in gebruik (mogen) zijn verwijderd uit de database.

Er is ook sprake van het toekennen van speciale parkeerrechten aan de erkende mantelzorgers die zijn opgenomen in de database van Tria. Die koppeling zal later gebeuren.


4. ADVIES

A. Wat betreft het principe

De NHRPH is nooit vragende partij geweest voor parkeercontroles met scan cars. Voor de NHRPH zou het plaatsen van de geldige parkeerkaart achter de voorruit voldoende moeten zijn, zoals ook wettelijk is vastgelegd. Het parkeerrecht is gelinkt aan de parkeerkaart, niet aan de nummerplaat.

Desalniettemin waardeert de NHRPH het dat er wordt gezocht naar een eenvoudige en toegankelijke oplossing voor personen met een handicap. De NHRPH wijst er wel op dat geldig parkeren met de nieuwe procedure moeilijker en omslachtiger wordt voor personen met een handicap. Reglementair is deze extra procedure niet nodig.

⇒ In ieder geval eist de NHRPH dat de procedure toegankelijk is voor alle personen met een handicap.

B. Wat betreft de uitvoering

De NHRPH vraagt om meerdere toegankelijke kanalen - digitaal en fysiek - te voorzien voor de eerste registratie en voor het wijzigen van de nummerplaat bij het gebruik van een andere wagen.

  • Een persoon met een handicap moet een andere nummerplaat kunnen ingeven via meerdere digitale dragers. De sms-functie lijkt voor de meeste personen met een handicap de handigste oplossing.
  • Ook het fysieke gemeenteloket is belangrijk en moet een mogelijkheid blijven, zeker voor mensen die niet (goed) kunnen werken met digitale oplossingen.
  • Het signaleren van een andere nummerplaat moet ook telefonisch mogelijk zijn.
  • De kaarthouder moet zich desgewenst kunnen laten bijstaan bij het registreren van het parkeerrecht en bij het aanpassen van de nummerplaat.
  • Bij de identificatie via Itsme duikt er een hindernis op voor sommige personen met een handicap. De app vraagt bij het inschrijven een persoonlijk bankrekeningnummer. Echter, o.a. personen onder voorlopig bewind hebben geen persoonlijke bankrekening.

De NHRPH zit nog met vragen:

  • Geldt de aangekondigde procedure enkel voor parkeren buiten de blauwe zones en de voorbehouden plaatsen?
  • Is er nog een rol weggelegd voor de parkeerautomaten?
  • Hoe zal er worden gecommuniceerd over deze procedure?
  • Hoe worden buitenlanders met een Europese parkeerkaart bereikt?
  • Kan de registratie ook na het parkeren nog gebeuren, en zo ja, hoe lang erna? Dit kan handig zijn bij dringende interventies en bij last minute beslissingen. In Antwerpen zou de controle van het parkeerrecht pas na 24 uur gebeuren. Dat kan een manier zijn om onterechte boetes te voorkomen.

⇒ De NHRPH vraagt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de communicatie rond de lancering van de app en het gebruik ervan, niet enkel naar personen met een handicap, maar ook naar de andere autogebruikers. Tijdens de soft launch (dit najaar, in een beperkt aantal steden en gemeenten) is een beperkte informatiecampagne nodig in de betrokken gemeentes. Na deze proefperiode en het wegwerken van eventuele kinderziektes is een ruime informatiecampagne nodig naar het brede publiek.

C. Wat betreft de aanpak van fraude

De NHRPH vindt fraudebestrijding belangrijk en waardeert de intentie om geregeld de database aan te passen om zo vervallen parkeerkaarten uit het systeem te verwijderen.

Toch heeft de NHRPH bedenkingen.

  • Wanneer iemand onrechtmatig gebruik zou maken van het parkeerrecht van een persoon met een handicap, kan de kaarthouder tijdens het onrechtmatige gebruik zelf geen gebruik meer maken van zijn parkeerrecht. Hij kan dat dan enkel via het gemeenteloket rechtzetten.
  • Wanneer de overtreders mensen uit de omgeving van de persoon met een handicap zijn, zal de persoon het misbruik waarschijnlijk niet melden.

In beide gevallen is de persoon met een handicap het slachtoffer.

⇒ De NHRPH wenst dat overtreders zwaar worden bestraft.

D. Wat betreft de procedure voor mantelzorgers

De NHRPH vernam dat ook erkende mantelzorgers speciale parkeervoorwaarden kunnen krijgen in het kader van de dienstverlening aan de personen met een handicap. Hiervoor zou de bestaande Tria-databank met geregistreerde mantelzorgers gebruikt worden. Positief is dat dit de erkenning van mantelzorg een boost kan geven. De NHRPH heeft hier enkele vragen bij:

  • Over welke mantelzorgers gaat het ? Enkel over de mantelzorgers beschreven in het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger?
  • Wat als de gegevens ontbreken in de Tria-databank?
  • Gaat het in de context van de mantelzorgers enkel over het parkeren buiten de blauwe zone met een vergelijkbaar parkeerrecht als personen met een handicap?
  • Is deze procedure enkel geldig in het kader van hun taak als mantelzorger? Hoe te controleren?
  • Gaat het hier over een persoonlijk parkeerrecht voor mantelzorgers dat volledig losstaat van de parkeerkaart?
  • Het gaat hier toch niet over het gebruik van de parkeerkaart van een persoon met een handicap wanneer de persoon niet wordt vervoerd?
  • Staat deze optie ook open voor andere mensen uit de thuiszorg?

⇒ De NHRPH herinnert eraan dat het gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap strikt beperkt is tot het vervoer van de persoon met een handicap De kaart mag enkel gebruikt worden voor het vervoer van de persoon met een handicap.

E. Wat betreft de bevoegdheden

De grote verscheidenheid van gemeentelijke verkeersreglementen m.b.t. het parkeerbeleid voor kaarthouders zorgt al zeer lang voor rechtsonzekerheid. In sommige gemeentes mag je met de kaart gratis parkeren buiten de blauwe zones en buiten de voorbehouden plaatsen, op andere moet er toch worden betaald of is de parkeertijd zeer beperkt.

De personen met een handicap kunnen niet worden geacht alle gemeentelijke parkeerreglementen te kennen. Het is ook niet altijd duidelijk waar de ene gemeente eindigt en de andere begint. Personen met een handicap moeten voorlopig dus eigenlijk bij elke parkeerbeurt de website van de respectieve gemeente bezoeken of de gemeente telefoneren. De verschillende systemen die gemeentes ontwikkelden voor de registratie van personen met een handicap vergroten de onduidelijkheid nog. Bovendien kunnen gemeentes beslissen om niet aan het hier besproken project deel te nemen en hun eigen koers te varen met een eigen parkeerreglement.

De NHRPH wil rechtszekerheid. Personen met een handicap moeten ondubbelzinnig en gemakkelijk hun rechten kennen. De NHRPH wenst daarom een uniforme benadering voor heel België waarbij personen met een handicap mits gebruik van hun parkeerkaart in alle gemeentes voor onbepaalde tijd gratis kunnen parkeren zonder dat ze daarvoor een moeilijke registratieprocedure moeten doorlopen. Bij voorkeur wordt dit wettelijk verankerd.

Mogelijk biedt de toekomstige EU-richtlijn inzake European Disability Card (EDC) en Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (zie advies 2023/26) op dit vlak perspectieven. Daarbij benadrukt de NHRPH dat de Europese parkeerkaart en de European Disability Card twee zeer verschillende kaarten zijn met een verschillend toepassingsgebied:

  • De Europese parkeerkaart voor personen met een handicap heeft relatief strenge toekenningscriteria en bevindt zich bij gebruik achter de voorruit van de geparkeerde wagen.
  • De European Disability Card is een Europese kaart met ruimere erkenningscriteria dan de parkeerkaart. De EDC bewijst dat de drager in zijn of haar land erkend is als persoon met een handicap. Op vertoon van de EDC kan een persoon met een handicap toegang tot bepaalde maatregelen, aanpassingen en compensaties krijgen in deelnemende EU-landen. De persoon moet de kaart dus bij zich hebben.

De NHRPH vindt het belangrijk dat deze twee kaarten ook aparte kaarten blijven. De toekenningsvoorwaarden voor de EDC zijn lichter dan die van de parkeerkaart. De EDC mag dan ook nooit dienst doen als parkeerkaart voor personen met een handicap.

F. Wat betreft het overleg met de handicapsector

De NHRPH waardeert het dat er een breed overleg met de verschillende stakeholders – waaronder de handicapsector – heeft plaatsgevonden voor het vinden van een breedgedragen oplossing. Het is wel jammer dat dat pas gebeurde toen de introductie van de scan cars al lang een feit was en personen met een handicap ondertussen jarenlang onterecht werden beboet.

De NHRPH vraagt de bevoegde instanties om rekening te houden met dit advies en eist betrokken te blijven bij de evolutie van dit dossier.

  • Raadplegingen: 11

Advies 2024/02 - Vrijstelling presentiegeld voor de berekening van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2024/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, met betrekking tot de vrijstelling van specifieke types van presentiegelden voor de berekening van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht in de plenaire vergadering van 19 februari 2024.

Advies op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap (brief van 12 januari 2024).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het presentiegeld dat wordt ontvangen als lid van een adviesorgaan vrijstellen voor de berekening van een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT).


3. ANALYSE

Het ontwerp van KB voorziet in de vrijstelling van presentiegeld van adviesorganen opgericht bij een wet, decreet, ordonnantie, besluit of reglement voor de berekening van de IVT. Volgende tekst wordt voorgesteld:

KB, artikel 8, § 2, 2°: er wordt geen rekening gehouden met presentiegelden die de betrokkene ontvangt als lid van een provincieraad, een gemeenteraad of een raad voor maatschappelijk welzijn; of van een adviesorgaan dat opgericht werd bij wet, decreet, ordonnantie, verordening of besluit – met inbegrip van besluiten genomen door een provincieraad, gemeenteraad en (of in de Franstalige versie)  raad voor maatschappelijk welzijn. Onder ‘adviesorgaan’ moet worden begrepen alle raden, commissies, comités, werkgroepen en andere organen onder gelijk welke benaming, die, in hoofdzaak, onder hun bevoegdheden tot taak hebben uit eigen beweging of op verzoek, advies te verlenen aan de instantie die het adviesorgaan heeft opgericht.

Het ontwerp van KB wil zich afstemmen op andere socialezekerheidsstelsels (meer bepaald werkloosheid, maatschappelijke integratie).

In het ontwerp wordt eraan herinnerd dat vrijwilligersvergoedingen reeds belastingvrij zijn, voor maximaal 1.659,22 euro in 2024. De DG Personen met een handicap wijst er eveneens op dat werkenden (met of zonder handicap) ook niet worden belast op hun presentiegeld in een adviesfunctie. Deze informatie lijkt niet correct gelet op de wettelijke bepalingen voor het fiscaal statuut van presentiegeld voor burgers.

Het ontwerp wordt voorgesteld als onderdeel van artikel 29 van de UNCRPD, en beoogt een vlottere toegang tot het politieke en openbare leven voor personen met een handicap door de ontvangen bedragen te neutraliseren voor de berekening van de IVT.

De budgettaire impact van deze maatregel is niet bekend, aangezien er op dit moment geen lijst bestaat van de mandatarissen die tegemoetkomingen ontvangen in het kader van de wet van 27 februari 1987.

Uit onderzoek [1] van de DG Personen met een handicap blijkt dat het presentiegeld maximaal 37 euro bedraagt voor de gemeenteraad en 125 euro voor de provincieraad (niet-geïndexeerde bedragen van 2005). Deze bedragen moeten worden aangepast op basis van de toe te passen indexen.

De maatregel treedt in werking op 1 januari 2024.

[1] Op federaal niveau

  • Commissie voor sociaal hulpbetoon: dezelfde vergoeding als de leden van de NHRPH
  • Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt: geen vergoeding
  • Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen: geen antwoord

Op gewestelijk niveau

FR

  • Conseil économique, social et environnemental de Wallonie (Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië): 10-20 euro
  • Observatoire wallon de la santé (Waals Observatiecentrum inzake gezondheid): geen vergoeding
  • Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap bij de lokale en provinciale besturen: geen antwoord
  • Conseil de stratégie et de prospective (Raad inzake strategie en prospectief onderzoek): geen reactie
  • Adviesraad van de Office de la naissance et de l'enfance: geen vergoeding
  • Conseil wallon de l’économie sociale (Waalse Raad voor sociale economie): 20 euro

NL

  • Vlaamse Jeugdraad: 10-20 euro
  • Mobiliteitsraad van Vlaanderen: 53 euro (voorzitter: 100 euro)
  • Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen: 25 euro
  • Strategische adviesraad onderwijs en vorming: 60-70 euro

Op gemeentelijk niveau

FR

  • Adviesraad voor personen met een handicap Manage (gemeente): geen vergoeding
  • Adviesraad voor ouderen Manage: geen vergoeding
  • Adviesraad voor personen met een handicap Stad Brussel: geen vergoeding
  • Gemeentelijke adviesraad voor ouderen Dison: geen vergoeding
  • Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit Herve: 12,5 euro als lid - 25 euro als voorzitter
  • Gemeentelijke adviesraad voor ouderen en personen met een handicap Herve: geen vergoeding
  • Gemeentelijke adviesraad voor ontwikkelingssamenwerking Herve: geen vergoeding

NL

  • Toegankelijkheidsraad Nazareth: 25 euro
  • Mondiale Raad Brugge: geen presentiegeld (wel andere vergoeding)

4. ADVIES

A. Wat de geschiktheid van de maatregel betreft

Elke maatregel die deelname van personen met een handicap aan de samenleving vergemakkelijkt of bevordert, moet worden aangemoedigd. Er kan redelijkerwijs van worden uitgegaan dat op dit moment weinig personen met een handicap deelnemen aan het politieke en openbare leven. De maatregel past dus wel degelijk in het kader van de ondersteuning van het politiek engagement van personen met een handicap.

Toch wenst de NHRPH ook twee gedachten te delen.

  1. Hoewel de gemeentelijke adviesraden voor personen met een handicap grotendeels uit personen met een handicap bestaan, is er volgens de NHRPH geen geïntegreerde informatie over het aantal dergelijke adviesraden in België, de werkingsvoorwaarden ervan, het aantal personen met een handicap dat erin zetelt, het bedrag van het ontvangen presentiegeld, of ze een IVT ontvangen, … Het is dus moeilijk de impact van de maatregel ten opzichte van de huidige situatie en het potentieel ervan te beoordelen.
    Vast staat evenwel dat voor de personen met een handicap die in de adviesraden zetelen en een IVT ontvangen, de neutralisatie van het presentiegeld vanuit het oogpunt van de IVT een teken van erkenning voor hun politiek engagement zou zijn. Deze neutralisatie zou hen ook aanmoedigen zich politiek te engageren terwijl zij zonder extra voorwaarden een IVT blijven ontvangen, los van de onzekerheden waarover men geen controle heeft, bijv. gezondheidsgerelateerd (opschorting van deelname) of in verband met het engagement zelf (onregelmatige vergaderingen, politieke veranderingen, …).

In het ontwerp is er sprake van een volledige vrijstelling van het IVT-bedrag van het presentiegeld. De NHRPH blijft sceptisch. Voor de meeste adviesmandaten op gemeentelijk en provinciaal niveau is het presentiegeld op dit ogenblik waarschijnlijk representatief voor de inzet van de mandatarissen. Op andere niveaus is de situatie evenwel minder duidelijk en onzekerder, meer bepaald wanneer het presentiegeld wordt vastgesteld door de algemene vergadering. Zo kan bijvoorbeeld de Nationale Loterij door speciale comités op te richten 1.000 euro presentiegeld aanbieden en vergoedingen die, na berekening, oplopen tot 1.000 euro per uur. Al deze vergoedingen zijn volkomen legaal. "De wet van 2002 bepaalt dat de algemene vergadering de bezoldiging vaststelt die de leden van de raad van bestuur genieten uit hoofde van hun mandaat als bestuurder”, staat er te lezen in het verslag van 2022 van de Nationale Loterij.

De NHRPH staat dus terughoudend tegenover de opname van de formulering ‘deelname aan een adviesorgaan dat opgericht werd bij wet, decreet, ordonnantie, verordening of besluit.
Daarnaast wil de NHRPH personen ondersteunen die zich inzetten voor een mandaat dat naar behoren wordt vergoed voor een effectief uitgevoerd werk. 

  1. De neutralisatie van het presentiegeld voor de berekening van de IVT is één aspect van de uitdaging van de politieke participatie en zal op zichzelf het politieke en openbare leven niet toegankelijker maken. Ook de omgeving moet toegankelijk zijn. De omstandigheden waarin het mandaat wordt uitgeoefend, zijn eveneens essentieel: heeft de persoon toegang tot gebarentaal en wordt dit financieel gedragen door de adviesraad? Kan de persoon zich laten begeleiden? Is toegankelijk vervoer mogelijk en wordt het ten laste genomen door de adviesraad, …?

Concrete wens: dringende noodzaak om de omgeving toegankelijk te maken: vervoer, gebouwen, informatie, … Verplichting voor de adviesraad om de noodzakelijke aanpassingen voor participatie voor zijn rekening te nemen.

B. Wat de inhoud van de maatregel betreft

  1. De voorgestelde tekst van artikel 8, § 2, 2° is zeer ruim: de gemeentelijke en provinciale adviesraden handicap, maar ook elk adviesorgaan dat opgericht werd bij wet, decreet, ordonnantie, verordening of besluit worden beoogd.
    Volgens de NHRPH opent de laatste toevoeging de deur voor adviesorganen die op alle economische, sociale, ethische en andere gebieden worden opgericht. Hoewel dit als een inclusieve benadering kan worden beschouwd, is het begrip ‘adviesorgaan’ tegelijk zeer ruim; deze organen werken regelmatig met vaak variërend presentiegeld (dat wordt vastgelegd naar aanleiding van de jaarlijkse balansen). De NHRPH had financiële informatie over een meer gediversifieerd bereik van adviesorganen op prijs gesteld, evenals een volledige lijst van alle betrokken organen. Wenst de Koning het presentiegeld volledig te neutraliseren zonder het bedrag te kennen, wetende hoe bepaalde structuren te werk gaan (cf. ontwikkelingen Nationale Loterij in punt A.1.)?

Concrete wens: voorzien in de mogelijkheid van een plafond voor de aftrekbare bedragen voor de berekening van de IVT; voor de NHRPH mag dit plafond even hoog zijn als dat voor de aftrek op het inkomen uit arbeid [2].

  1. Het KB beoogt ook afstemming op andere regelingen die reeds presentiegeld neutraliseren voor het berekenen van de uitkeringen (werkloosheid, leefloon). Maar hoe zit het met de IGO, de ziekenfonds- en arbeidsongevallenuitkeringen, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, …?

Concreet verzoek: de NHRPH vindt dat de oorzaak van de handicap en de erkenningsregeling de berekeningswijze niet mogen beïnvloeden. Het presentiegeld zou in alle regelingen op dezelfde manier moeten worden bekeken.

  1. De NHRPH vestigt ook de aandacht op de noodzaak van een duidelijke fiscale en sociale regeling van de ontvangen presentiegelden/vergoedingen als lid van een adviesraad. Uit informatie van de NHRPH blijkt presentiegeld fiscaal belastbaar en op zijn minst onderworpen aan sociale bijdragen voor een activiteit als zelfstandige in bijberoep.

Concrete wens: wie een openbaar mandaat aanvaardt, moet duidelijke fiscale en sociale informatie krijgen.

--------------------------------

Tot slot vestigt de NHRPH de aandacht op twee laatste belangrijke aspecten.

  1. Het advies 2023/19, waarin wordt gewezen op de noodzaak om de samenstelling van de NHRPH te herzien en om geen personen meer, maar wel verenigingen die de rechten en belangen van personen met een handicap behartigen, als leden aan te wijzen. Ook het presentiegeld moet in deze context worden bekeken.

Concrete wens: prioriteit verlenen aan de herziening van het KB tot oprichting van de NHRPH en in dit kader ook de kostenvergoeding voor de vertegenwoordigers van de NHPRH bekijken.

  1. Hoewel het huidige ontwerp weliswaar de verkiesbaarheid van personen met een handicap ondersteunt, bestaat er ook een recente maatregel die de vrederechter de bevoegdheid geeft om personen met een handicap hun stemrecht te ontnemen. In de praktijk blijkt deze maatregel rampzalig, omdat hij vaak lineair wordt doorgetrokken naar alle personen onder bescherming. De rechter oordeelt dat iemands stem de persoon zelf of de omgeving kan schaden! Door deze maatregel wordt iemands meest fundamentele recht op een eigen mening en meningsuiting ontnomen, wat een regelrechte achteruitgang is. Bovendien is het een ernstige schending van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in een dergelijke situatie bepaalt dat betrokkene moet worden begeleid om zijn of haar stem uit te brengen en in geen geval het recht hierop mag verliezen (advies 2024/01).

Concrete wens: de NHRPH vraagt deze maatregel dringend af te schaffen en begeleiding te bieden aan personen met een handicap die hun stem willen uitbrengen.

[2] Op 1 maart 2023: 50 % van de schijf van 0 tot 5.072,64 euro en 25 % van de schijf van 5.072,64 tot 7.608,95 euro.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2023/28 - Vergoeding van de bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2023/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en de ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd, uitgebracht op 15/12/2023 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 01/12/2023 wegens de hoogdringendheid gevraagd door de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee, in zijn e-mail van 1 december 2023.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Minister van Justitie wenst een advies over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd. Het voorontwerp is gewijzigd sinds de vorige versie.


3. ANALYSE

A. Context

Op 16 oktober 2023 heeft de NHRPH een advies uitgebracht over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de inkomsten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerders alsook van de kosten die als uitzonderlijk en ambtsverrichtingen die als buitengewoon kunnen worden beschouwd (advies 2023/25). In een mail van 1 december 2023 deelt het kabinet van de Minister van Justitie de NHRPH mee dat het voorontwerp werd gewijzigd en vraagt het kabinet het advies van de NHRPH over de nieuwe versie van het voorontwerp, dit tegen uiterlijk 15 december. Gelet op het feit dat de eerstvolgende plenaire vergadering van de NHRPH gepland is op 18 december vraagt het secretariaat van de NHRPH het kabinet om de termijn voor het advies naar 21 december te verplaatsen. Jammer genoeg laat het kabinet weten dat het niet kan garanderen dat het advies nog nuttig in aanmerking kan worden genomen als het na 15 december toekomt.

B. Wijzigingen inzake de inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait bedoeld in artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek (artikel 1)

De volgende wijzigingen zijn o.a. aangebracht:

  • de uitkeringen van een zorgverzekering worden in aanmerking genomen, enkel met uitzondering van de terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen;
  • nieuwe uitkeringen zijn aan de lijst toegevoegd:
    • het leefloon voor studenten of andere studietoelagen voor de beschermde persoon;
    • de aanvullende pensioenen uit verzekeringsproducten, volgens de tabel van de evolutie van de levensverwachting in geval van uitkering in kapitaal;
    • de meerwaarde op de geschatte prijs volgens het schattingsverslag van de verkoop van een onroerend goed;
    • (de integratietegemoetkoming die reeds voorzien was in de vorige versie) en de extra ondersteuningsnoden, met uitzondering van vrij te besteden uitkeringen;
    • (de hulp aan bejaarden die reeds voorzien was in de vorige versie) en het zorgbudget voor ouderen met zorgnood en de inkomensgarantie voor ouderen.
  • De volgende uitkeringen worden met name toegevoegd aan de lijst met inkomsten die niet in aanmerking komen als berekeningsbasis voor het forfait:
    • huursubsidies betaald aan de beschermde persoon;
    • de kinder- of wezenbijslag, de studiebeurzen van de kinderen van de beschermde persoon en de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek.
  • De uitgesloten uitkeringen zijn niet exhaustief (cf. titel art.1, § 2.) Onder meer volgende inkomsten komen niet in aanmerking als berekeningsbasis voor het forfait:
    onderhoudsuitkering voor de kinderen en de kinder- of wezenbijslag van de kinderen van de beschermde personen alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek worden niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de inkomensbasis.

C. Wijzigingen inzake de buitengewone ambtsverrichtingen (artikelen 2 en 3)

De volgende wijzigingen zijn onder andere aangebracht:

  • Wat betreft de ambtsverrichtingen die als buitengewoon worden beschouwd (artikel 2, § 1):
    • het indienen van een verzoekschrift bij de vrederechter, voor zover de machtiging gemotiveerd, ontvankelijk en niet manifest ongegrond is;
    • de vertegenwoordiging in rechte in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, buiten het kader van het bewinddossier;
    • het beheer van de sociale situatie van de beschermde persoon wordt niet meer vermeld;
    • het beheer en de opvolging van de sociale uitkeringen van de persoon is daarentegen behouden;
    • het afsluiten van een bewinddossier, anders dan bij vervanging van de bewindvoerder door tekortkomingen in zijn beheer.
  • Een indicatieve lijst vermeldt de ambtsverrichtingen die niet als buitengewoon worden beschouwd (artikel 2, § 2):
    1. contacten onderhouden met de beschermde persoon, de familie, de instelling, …;
    2. de lopende rekeningen betalen;
    3. de inkomsten ontvangen en kwijting geven;
    4. het openen en sluiten van financiële rekeningen of het overdragen ervan naar een andere financiële instelling en de overdracht van gelden tussen rekeningen;
    5. verzekeringscontracten afsluiten en opzeggen;
    6. onverminderd paragraaf 1, 7°, de onroerende goederen onderhouden en eventuele herstellingen laten uitvoeren;
    7. de kosten van medische behandeling en verzorging betalen;
    8. zorgen voor sociale voorzieningen, zoals thuiszorg, OCMW-maaltijden, parkeerkaarten, enz.;
    9. het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, …;
    10. de schulden betalen en afbouwen op een verantwoorde wijze;
    11. bijstand verlenen bij alle rechtshandelingen, tenzij anders bepaald in de aanstellingsbeschikking;
    12. het opstellen van het aanvangsverslag, het jaarverslag en het eindverslag;
    13. jaarlijks de aangifte van de personenbelasting invullen en opvolgen, wanneer dit geen invulling van bijkomende gegevens met zich meebrengt;
    14. diverse administratieve taken;
    15. een bankkluis beheren;
    16. alle eenvoudige machtigingen, zoals een loutere machtiging tot geldafhaling van de spaarrekening;
    17. het onderhoud met de vrederechter over het dossier van de beschermde persoon, al dan niet in aanwezigheid van de beschermde persoon;
    18. het onmiddellijk melden van een adreswijziging of het overlijden van de beschermde persoon.
  • Een artikel 3 over de uitzonderlijke kosten is ingevoegd:
    Worden als uitzonderlijk beschouwd: de kosten waarvan het bedrag het normaal te verwachten bedrag in het kader van het dagelijks beheer of in de uitvoering van een buitengewone ambtsverrichting waarop ze betrekking hebben significant overstijgt. 
    De uitzonderlijke kosten van meer dan € 500 worden alleen terugbetaald als de bewindvoerder vooraf toestemming van de rechter heeft gekregen om deze kosten te maken.

Eerst stond in artikel 2, § 1, 17° dat als uitzonderlijke kosten werden beschouwd de kosten die significant hoger zijn dan het normaal te verwachten bedrag voor de uitvoering van de handeling waarop ze betrekking hebben.


4. ADVIES

A. Wat betreft het verzoek om advies

  • De NHRPH bedankt het kabinet en de administratie om hem dit nieuwe voorontwerp van koninklijk besluit voor te leggen.
  • De NHRPH betreurt dat het advies met hoogdringendheid wordt gevraagd en derhalve niet meer tijdens de plenaire vergadering kan worden besproken. De ideeën die tijdens plenaire vergaderingen worden uitgewisseld zorgen ervoor dat de NHRPH volledigere adviezen kan uitbrengen. Een bespreking met alle leden samen is altijd rijker dan individuele denkoefeningen.

De NHRPH zou willen dat de procedure voor het verzoek om dringend advies zo weinig mogelijk wordt gebruikt, zodat de leden en het secretariaat over de nodige tijd beschikken om het verzoek tijdens de plenaire vergadering te onderzoeken en zodoende een volledig advies kunnen opstellen (advies 2018/25).

B. Wat betreft de wijzigingen inzake de inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait (artikel 1)

  • De NHRPH stelt vast dat rekening werd gehouden met bepaalde door hem geformuleerde overwegingen in zijn advies 2023/25. Bijvoorbeeld de onderhoudsuitkering voor de kinderen en de kinder- of wezenbijslag van de beschermde persoon alsook de onderhoudsbijdragen bedoeld in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek staan niet meer in de lijst met inkomsten.
  • De integratietegemoetkoming en het zorgbudget voor ouderen staan daarentegen nog steeds in de lijst met inkomsten. De NHRPH is overigens van oordeel dat artikel 1, § 1, 15° onduidelijk is. Worden beschouwd als inkomsten: de tegemoetkomingen aan ouderen, zoals het zorgbudget voor ouderen met zorgnood en de inkomensgarantie voor ouderen. Worden de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden, gestort door het AVIQ en Iriscare, ook bedoeld met dit artikel?

De NHRPH dringt sterk aan op het volgende: de integratietegemoetkoming, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en het zorgbudget voor ouderen zijn geen inkomsten! Het gaat om uitkeringen bestemd voor het compenseren van het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. In dit verband verwijst de NHRPH naar zijn persbericht van 23 oktober 2023. 

  • De NHRPH merkt op dat “de uitkeringen van een zorgverzekering in aanmerking worden genomen enkel met uitzondering van de terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen”. Betekent dit dat de tegemoetkoming voor hulp van derden toegekend door het RIZIV onder de in aanmerking genomen inkomsten valt? Deze tegemoetkoming heeft hetzelfde doel als de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden: een compensatie voor verminderde zelfredzaamheid.

De NHRPH is van oordeel dat de tegemoetkoming voor hulp van derden net als laatstgenoemde tegemoetkomingen zou moeten worden uitgesloten van de berekening. 

  • De NHRPH merkt op dat artikel 1, § 1 als volgt is opgesteld:
    De inkomsten van de beschermde persoon die als berekeningsbasis dienen voor het forfait bedoeld in artikel 497/5, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek zijn de netto inkomsten van de beschermde persoon, zoals: (…)
    Het woord “zoals” laat uitschijnen dat andere uitkeringen in aanmerking zouden kunnen worden genomen, behalve indien zij zijn opgenomen in artikel 1, § 2.

De NHRPH dringt aan op het volgende: de formulering van deze bepaling moet worden herzien, want ze leidt sterk tot verwarring. De bepaling zou als volgt kunnen worden opgesteld: “De inkomsten van de beschermde persoon (…) zijn de hieronder vermelde netto inkomsten van de beschermde persoon”.

  • Artikel 1, § 2 vermeldt de inkomsten die niet in aanmerking komen voor de berekening van het forfait.

De NHRPH dringt erop aan dat de volgende uitkeringen worden toegevoegd:

      • de integratietegemoetkoming
      • de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden
      • de tegemoetkoming voor hulp van derden
      • het zorgbudget voor ouderen
      • het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden
      • het zorgbudget voor mensen met een handicap
      • het basisondersteuningsbudget
      • het « budget d’assistance personnelle » van het AVIQ
      • het persoonlijk assistentiebudget van Iriscare
      • het persoonsvolgend budget

Al deze uitkeringen zijn immers bedoeld om de gevolgen van een handicap of van een verminderde zelfredzaamheid te compenseren en mogen niet worden beschouwd als inkomsten.

C. Wat betreft de wijzigingen aangebracht in de lijst met buitengewone ambtsverrichtingen (artikel 2)

  • De NHRPH stelt vast dat heel wat wijzigingen werden aangebracht in dit artikel. Hij verheugt zich met name over het feit dat een niet-indicatieve lijst met ambtsverrichtingen die niet mogen worden beschouwd als buitengewone ambtsverrichtingen werd toegevoegd. De NHRPH stipt in het bijzonder de volgende ambtsverrichtingen aan:
    • contacten onderhouden met de beschermde persoon, de familie, de instelling, …;
    • het openen en sluiten van financiële rekeningen of het overdragen ervan naar een andere financiële instelling en de overdracht van gelden tussen rekeningen;
    • het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, ziekte-uitkeringen, …;

De NHRPH is immers van oordeel dat het gaat om ambtsverrichtingen die vallen onder het dagelijks beheer en die dus moeten worden gedekt door het forfait.

⇒  De NHRPH is van oordeel dat de tekst nog moet worden verduidelijkt.

  • De NHRPH is van oordeel dat bepaalde punten het best verduidelijkt worden:
    • jaarlijks de aangifte van de personenbelasting invullen en opvolgen, wanneer dit geen invulling van bijkomende gegevens met zich meebrengt. Een aangifte invullen zonder inkomsten toe te voegen is een daad van normaal beheer. Wordt “inkomsten toevoegen” “ een buitengewone ambtsverrichting?
    • het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, … is een daad van normaal beheer. Beheer en opvolging van sociale uitkeringen van de persoon maakt dan weer deel uit van een buitengewone ambtsverrichting (art. 2, §1). Waar ligt de grens tussen beide? 
  • De NHRPH merkt op dat het beheren en opvolgen van sociale uitkeringen, zoals het budget van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap nog steeds wordt beschouwd als een buitengewone ambtsverrichting. De NHRPH wenst 2 verduidelijkingen:
    • Wat moet worden verstaan onder de begrippen “beheer en opvolging”? Op welke manier is het beheer van de sociale uitkeringen een buitengewone ambtsverrichting? De NHRPH is van oordeel dat het indienen van een aanvraag en het antwoorden op vragen van de administraties onder het dagelijks beheer en een opvolging als “goede huisvader” valt. Artikel 2, §2 bepaalt overigens dat het aanvragen van sociale uitkeringen, zoals de integratietegemoetkoming, de ziekte-uitkeringen, … geen buitengewone ambtsverrichting vormt. Het indienen van een beroep zou daarentegen als buitengewone ambtsverrichting kunnen worden beschouwd.
    • Wat moet worden verstaan onder “zoals”? Welke andere sociale uitkeringen worden met dit artikel bedoeld? Gaat het om de persoonlijke assistentiebudgetten van het Waals Gewest en Iriscare?

⇒ De NHRPH blijft bij zijn standpunt: hij eist dat het beheren en opvolgen van het VAPH-budget, van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en andere inkomsten die op regelmatige basis worden ontvangen gedekt zijn door het forfait. 

  • De NHRPH leest met verbazing dat “het afsluiten van het dossier, anders dan bij vervanging van de bewindvoerder door tekortkomingen in zijn beheer”, wordt beschouwd als een buitengewone ambtsverrichting. Dit zal de onder bewind geplaatste persoon waarschijnlijk ontmoedigen om een andere bewindvoerder aan te vragen, omdat de tekortkomingen in zijn beheer niet noodzakelijkerwijs zijn vastgesteld. Er kunnen ook - en dit komt vaak voor – communicatieproblemen zijn. Het valt ook te vrezen dat de vrederechter terughoudend zal zijn om tekortkomingen in het beheer vast te stellen van een bewindvoerder die hij zelf heeft aangesteld. Bovendien bestaat het risico dat een uit zijn functie ontheven bewindvoerder een zeer hoge prijs zal factureren voor zijn eindverslag.

De NHRPH vraagt dat het afsluiten van het dossier niet wordt opgenomen in de lijst met buitengewone ambtsverrichtingen.

Algemeen herinnert de NHRPH het kabinet en de wetgever aan de noodzaak om bepaalde andere aspecten dringend te herzien: het opleiden van bewindvoerders, de menselijke middelen in de vredegerechten, de begeleiding van de familiale bewindvoerders in het kader van de jaarlijkse rapportage en de administratieve stappen via de website. De wet van 2013 moedigt de begeleidende maatregelen voor de personen niet voldoende aan; de procedures voor volledige vertegenwoordiging zijn nog ruim in de meerderheid, wat in tegenspraak is met wat de UNCRPD voorschrijft.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2024/01 - Stemrecht

  • Jaartal advies: 2024
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2024/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 28 maart 2023 houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 15/01/2024.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Paul Van Tigchelt, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De NHRPH werd op 13 december 2023, via een van zijn leden en een van de leden van de werkgroep “Rechtsbekwaamheid” op de hoogte gebracht van het feit dat de wet van 28 maart 2023 houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen met name artikel 492/1, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek was gewijzigd. De NHRPH werd over deze wijziging nooit geraadpleegd. Het kabinet van mevrouw Lalieux, Minister belast met personen met een handicap, liet de NHRPH weten zelf ook niet te zijn geraadpleegd of geïnformeerd over de wijziging van de wetgeving.


3. ANALYSE

A. De wet van 28 maart 2023 houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen

Artikel 3 van de wet van 28 maart 2023 bepaalt het volgende:

In artikel 492/1, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, wordt de bepaling onder 15° hersteld als volgt:
"15 ° de uitoefening van de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet;".

Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt het volgende:

In artikel 7, eerste lid, 1°, van het Kieswetboek, laatstelijk gewijzigd bij artikel 90/1, a), van de wet van 5 mei 2014, zelf ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "zij die geïnterneerd zijn met toepassing van de bepalingen van de wet van 5 mei 2014 houdende de internering" vervangen door de woorden "de geïnterneerde personen die uitdrukkelijk onbekwaam verklaard werden om hun politieke rechten uit te oefenen krachtens artikel 9, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering".

B. Gecoördineerde wetgevingen

  • Burgerlijk Wetboek

Art. 492/1. § 1. De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon.
De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot:
(…)
15° de uitoefening van de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet;
(…) 

  • Kieswetboek

Art. 7. In de uitoefening van kiesrecht worden geschorst en tot de stemming mogen niet worden toegelaten zolang die onbekwaamheid duurt:
1° De beschermde personen de krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk onbekwaam werden verklaard om hun politieke rechten uit te oefenen en de geïnterneerde personen die uitdrukkelijk onbekwaam verklaard werden om hun politieke rechten uit te oefenen krachtens artikel 9, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
De kiesonbekwaamheid houdt op tegelijk met de beëindiging van de onbekwaamheid krachtens artikel 492/4 van het Burgerlijk Wetboek of met de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde.
2° zij die voor een bepaalde duur ontzet zijn van de uitoefening van het kiesrecht door veroordeling.


4. ADVIES

A. Wat betreft het niet verzoeken om een advies

De NHRPH herinnert eraan dat hij, krachtens het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), geraadpleegd had moeten worden over deze wetswijziging.

Artikel 4.3 UNCRPD: Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

Ook is het kabinet van Minister Lalieux niet geraadpleegd of geïnformeerd over de wetswijziging en het feit dat een handeling is toegevoegd aan de lijst van handelingen waarover de vrederechter zich moet uitspreken. De NHRPH betreurt deze situatie. Mevrouw Lalieux stuurt en coördineert als Minister het Handicap-actieplan. Zij moet op de hoogte gehouden worden van alle maatregelen die rechtstreeks of onrechtstreeks een impact hebben op de rechten van personen met een handicap.

⇒ De NHRPH eist te worden geraadpleegd over iedere wetgevende of reglementaire wijziging die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op de rechten van personen met een handicap.
⇒ De NHRPH dringt er sterk op aan dat de Minister die verantwoordelijk is voor personen met een handicap geïnformeerd en geraadpleegd wordt over alle maatregelen die op federaal niveau worden genomen en die een impact kunnen hebben op personen met een handicap.

B. Over de invoeging van de uitoefening van politieke rechten in artikel 492/1. § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek

De NHRPH herinnert aan zijn advies 2022/14 over de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid.

De NHRPH wijst er ook op dat artikel 29 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) bepaalt dat de staten die partij zijn bij dit verdrag personen met een handicap het genot van politieke rechten garanderen, alsmede de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen uit te oefenen, (...).

Verder staat in artikel 22 ter van de Grondwet: iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

Het gaat hier dus om een duidelijke schending van het grondwettelijke recht van personen met een handicap op volledige inclusie in de samenleving.

In tegenstelling tot wat werd aangekondigd in het Federaal Handicapplan (maatregel 119: onderzoeken hoe de opschorting van de uitoefening van het stemrecht door beschermde personen tot een minimum kan worden beperkt), betekent de hervorming dus een duidelijke stap achteruit in vergelijking met de vorige situatie.

Het stemrecht is een burgerrecht, net als het recht op vrij verkeer, integriteit, enz. Rechters zouden personen met een handicap nooit het stemrecht mogen ontzeggen (tenzij zij door een rechtbank worden veroordeeld, zoals het geval is voor iedere andere burger). Rechterlijke beschermingsmaatregelen worden in de eerste plaats genomen om de persoon met een handicap te beschermen. Sommige personen zijn misschien niet in staat de handeling die ze stellen te begrijpen. Betekent dit dat zij door hun stem een gevaar voor zichzelf kunnen creëren? Het gaat dus niet erom personen te verbieden te stemmen, maar wel om de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken. Zo moet iedere burger de nodige informatie kunnen krijgen om zijn stemrecht correct te kunnen uitoefenen, in een taal die voor hem of haar toegankelijk is (bijvoorbeeld politieke programma’s in gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal, in gebarentaal, in braille).

Bovendien blijkt in de praktijk dat vrederechters de neiging hebben om “alle vakjes” aan te vinken, wat betekent dat de persoon voor al deze handelingen als onbekwaam wordt beschouwd. Bovendien wordt de optie om te kiezen voor "bijstand" in plaats van "vertegenwoordiging" zelden gebruikt. Nu de uitoefening van politieke rechten is opgenomen in de lijst van handelingen, wordt dit vakje ook snel aangevinkt als "onbekwaam". Het gevolg is dat een groot aantal mensen die onder bewind van goederen en/of personen worden geplaatst mogelijk hun stemrecht verliezen. Het aantal mensen dat geen stemrecht meer heeft, kan zo explosief toenemen. Sommige van deze mensen werken in het onderwijs, de opvang, enz. rond het thema van de verkiezingstijd en zijn dus bekwaam om goed voorbereid naar de stembus gaan.
Overigens kan de vrederechter, na contact te hebben opgenomen met de persoon die onder bewind staat en zijn of haar netwerk, deze handeling toevoegen aan de beslissing indien nodig. De rechter moet dan de redenen geven waarom hij of zij van mening is dat de persoon niet in staat is om te stemmen.

⇒ De NHRPH eist dat het recht om politieke rechten uit te oefenen wordt verwijderd uit de lijst van handelingen die de onder bewind geplaatste persoon niet in staat is te verrichten (lijst in artikel 492/1. § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek).
⇒ De NHRPH vraagt dat middelen worden aangewend om iedere persoon met een handicap de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken zijn stemrecht uit te oefenen.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2023/24 - Rechtvaardige transitie

  • Jaartal advies: 2023
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2023/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de bijdrage van het georganiseerd maatschappelijk middenveld over de Staten-Generaal van de Rechtvaardige Transitie, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/10/2023.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal.
  • Ter info aan Eerste Minister Alexander De Croo
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

België heeft zich ertoe verbonden om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn. Van september 2022 tot maart 2023 werden gegevens verzameld en besprekingen gehouden met het georganiseerd maatschappelijk middenveld (vakbonden, werkgevers, ngo’s, enz.). Het Federaal Instituut voor duurzame ontwikkelingen heeft de ideeën en aanbevelingen gebundeld in een rapport.

Dit rapport werd vijf adviesraden en instellingen bevoegd voor specifieke thema’s voor advies voorgelegd.

De NHRPH werd niet gevraagd een advies uit te brengen. Gelet op de fundamentele veranderingen die de rechtvaardige transitie ook voor personen met een handicap met zich meebrengt, is de NHRPH van oordeel dat het absoluut noodzakelijk is om een advies op eigen initiatief uit te brengen.


3. ANALYSE

Het werk werd opgedeeld in 4 fasen.

1. Fase 1: raadpleging van de belanghebbenden (memoranda)

    1. identificeren van de belanghebbenden: vakverenigingen, werkgevers en maatschappelijk middenveld;
    2. versturen van een vragenlijst en deze online beschikbaar stellen, zodat diegenen die niet eerder werden geïdentificeerd die kunnen invullen.

2. Fase 2: voorbereiding van het Forum

    1. interview van 19 actoren uit de academische wereld, Europese instellingen, bedrijvenkoepels, vakbonden, ngo’s (lijst pagina 29);
    2. identificeren van 5 uitdagingen (pagina 29):
      • potentiële impact van de ecologische transitie op werkgelegenheid;
      • moeilijkheid om de verschillende actoren samen te brengen om het gesprek te voeren over de vele kwesties die op het spel staan;
      • moeilijkheid om de voorbeelden van andere landen op België toe te passen gelet op zijn bijzonder federalisme: risico om bepaalde sectoren of structuren te discrimineren die niet over de nodige omstandigheden beschikken om deze best practices toe te passen;
      • financiering van de rechtvaardige transitie in de context van de veelheid van verschillende machtsniveaus;
      • verschil dat blijft bestaan tussen economische ontwikkeling en ecologische transitie.
    3. Identificatie van de 4 middelen om deze 5 uitdagingen aan te gaan:
      • planning;
      • participatie;
      • financieringsbronnen, met name het belang van Europese transitiefondsen;
      • institutionele coördinatie op meerdere niveaus: om de hindernissen van het Belgische institutionele systeem te overstijgen, moet het transversale karakter van de bevoegdheden op verschillende machtsniveaus worden bevorderd.

3. Fase 3: organisatie van de rondetafelgesprekken

    1. Forum georganiseerd op 14 en 28 maart 2023;
    2. waarbij 100 vertegenwoordigers van het verenigingsleven, de werkgevers en de vakbonden werden samengebracht;
    3. 28 rondetafelgesprekken georganiseerd rond 4 systemen:
      • landbouw en voeding;
      • zorg;
      • mobiliteit en transport;
      • gebouwenstock
    4. … en 7 aandachtspunten:
      • werkgelegenheid;
      • onderwijs en opleiding;
      • financiering en investeringen;
      • hulpbronnen en energie;
      • gender;
      • armoedebestrijding;
      • internationale solidariteit.
    5. op basis van een methodologie ter bevordering van de participatie
    6. Het doel was om de kwesties, aandachts- en convergentiepunten te identificeren en de te nemen maatregelen te richten op het bereiken van de doelstellingen tegen 2050. Uit het rapport blijkt dat in geen enkele fase, op geen enkel gebied, rekening is gehouden met de uitdagingen van de inclusie van personen met een handicap (PMH).

4. Fase 4: afrondende conferentie in november 2023 en goedkeuring van maatregelen.


4. ADVIES

A. Wat betreft de methodologie

De NHRPH was niet op de hoogte van het raadplegingsproces voor 2022-2023 en heeft dus niet de mogelijkheid gehad zijn visie, gedachten en aanbevelingen te formuleren.
De NHRPH is de officiële federale adviesraad m.b.t. personen met een handicap. De NHRPH brengt regelmatig adviezen, positienota’s en memoranda uit over een hele reeks aspecten van het leven van personen met een handicap. Op verschillende momenten van de huidige legislatuur heeft de Ministerraad zich ertoe verbonden de NHRPH te betrekken bij het denkwerk en de besluitvorming; voor een onderwerp als dat van de klimaatuitdagingen had dit zonder enige aarzeling het geval moeten zijn.
De NHRPH had dus moeten worden geïdentificeerd als essentiële gesprekspartner over handicapkwesties. De NHRPH wijst erop dat geen enkele persoon die is opgenomen in de lijst met 19 ondervraagde actoren uit de academische wereld, Europese instellingen, bedrijvenkoepels, vakbonden, ngo’s een diepgaande kennis had over handicapsituaties. De NHRPH had uitgenodigd moeten worden voor de workshops of gehoord moeten worden.
Dit wijst op een totaal gebrek aan belangstelling voor een aanzienlijke bevolkingsgroep. Het risico is dan ook zeer groot dat de prioriteiten en maatregelen die zullen worden genomen geen rekening zullen houden met de rechten en behoeften van personen met een handicap.
Ter herinnering: personen met een handicap vertegenwoordigen minstens 12% van de Belgische bevolking. Dit is dus een grote bevolkingsgroep.
Op te merken valt het feit dat het online plaatsen van de oorspronkelijke enquête niet garandeert dat alle organisaties er kennis van nemen. Dit is in het bijzonder het geval voor organisaties voor PMH: het handicapgebied omvat alle aspecten van het leven in de samenleving en het is onmogelijk om alles wat op het internet wordt gepubliceerd voortdurend te volgen.

De NHRPH betreurt dat hij niet kan deelnemen aan de Conferentie van 8 en 9 november 2023. De NHRPH zou eraan herinnerd hebben dat de behoeften van PMH moeten worden geïdentificeerd in alle levensdomeinen en dat de rechtvaardige transitie de uitdagingen in verband met de inclusie van PMH niet mag negeren. De leden van de NHRPH worden vaak in beslag genomen door hun verplichtingen in het verenigingsleven en zijn helaas niet altijd in de mogelijkheid om aan bepaalde verzoeken te voldoen. De uitdaging van de Rechtvaardige Transitie is evenwel zeer belangrijk voor de NHRPH. Daarom vraagt de NHRPH om te worden betrokken bij de werkzaamheden die volgen op de Conferentie.

De NHRPH vraagt dat de behoeften van PMH in aanmerking worden genomen bij het definiëren van het ganse klimaatplan – en niet enkel voor het gedeelte “zorgsysteem”.
Dit advies is een eerste stap. De NHRPH vraagt op een gestructureerde manier te worden betrokken bij de verdere denkoefening en uitvoering. 

B. Wat betreft de kern van de bezorgdheden

  • Het structureel betrekken van de NHRPH en van de andere adviesraden voor personen met een handicap

De NHRPH wil allereerst benadrukken dat het veel minder duur en energieverslindend is om correct uitgewerkte oplossingen in te voeren dan om ze a posteriori te moeten corrigeren. De verdeling van de bevoegdheden in België is van die aard dat politici en administraties moeten overleggen met de adviesraden voor personen met een handicap naargelang van de behandelde domeinen.

De NHRPH vraagt dat de praktische modaliteiten voor een complete en doeltreffende raadpleging zo snel mogelijk worden vastgelegd voor de in België bestaande adviesraden voor personen met een handicap.

  • Wat betreft de lijst met uitdagingen

De NHRPH betreurt dat er geen uitdaging “handicapsituatie” of “obstakels voor de participatie aan het maatschappelijk leven” is opgenomen. Heel wat PMH kunnen momenteel immers niet op gelijke voet met de anderen deelnemen aan de samenleving. Dat is het geval voor heel wat PMH voor wie de omgeving totaal ontoegankelijk is. Indien het transitieproces niet vanaf het begin rekening houdt met deze realiteit, zal ze het reeds in de samenleving bestaande onevenwicht op catastrofale wijze verergeren. Werken aan het wegnemen van obstakels zou zeker een structureel verschil maken. Voor meer informatie over het toegankelijk maken, zie de positienota van de NHRPH over de toegankelijkheid.
Het rampzalige voorbeeld van de digitale transitie spreekt voor zich: haastig ontwikkeld, voornamelijk gestuurd door commerciële motieven, laat de digitalisering hele bevolkingsgroepen volledig uit de boot vallen. Erger nog, nu de machine in gang is gezet, lijkt het steeds moeilijker, zo niet onmogelijk, om de koers te corrigeren.
In het dagelijks leven komen er steeds meer situaties van uitsluiting voor: de onmogelijkheid om nog papieren facturen te bekomen (bv. Proximus), de scanprocedure voor drank in blikjes in Vlaanderen die ontoegankelijk is voor blinde personen, … Sinds 2020 heeft de NHRPH meerdere adviezen uitgebracht waarin de problemen in verband met de digitale kloof worden belicht. In de positienota over de digitale kloof van 20/06/2022 komt de problematiek uitgebreid aan bod.

De NHRPH benadrukt ook het verband met de uitdagingen van de inclusie van de behoeften van PMH, zowel op het gebied van vervoer, verzorging, huisvesting, opleiding en werk als op het gebied van goederen en diensten in het algemeen.  

De NHRPH vraagt dat de uitdagingen van de digitale transitie en van het toegankelijk maken van de omgeving worden toegevoegd aan de lijst met prioritaire uitdagingen.

  • Landbouw en voedselsysteem

De NHRPH stelt vast dat het rapport veel elementen geeft over de organisatie van de landbouw, in de zin van landbouw op mensenmaat en het stimuleren van gezonde voeding. Het geeft daarentegen weinig aanbevelingen of aandachtspunten over het voedseldistributiesysteem. Toch lijkt het grootdistributiesysteem aan de basis te liggen van de buitensporige ontwikkeling van extreem intensieve landbouw en voeding van slechte kwaliteit in termen van voedingswaarde (slechte vetten, te veel suiker, additieven en andere bewaarmiddelen). Het verband tussen ziekte – of zelfs handicap – en voeding is duidelijk. Is het geen groot risico om het ene te willen verbeteren zonder het andere te corrigeren?

Heel wat PMH worden geconfronteerd met inkomensproblemen. Velen onder hen leven van tegemoetkomingen waarvan de bedragen onder de armoedegrens liggen. De inflatie van de afgelopen 2 jaar heeft de situatie nog verergerd.
Deze problemen worden benadrukt door het feit dat de vele maatschappelijke barrières ervoor zorgen dat personen extra kosten hebben wegens hun handicapsituatie. Zij zullen dus wellicht minder dure producten met een minder goede voedingskwaliteit kopen.
Daar komt nog bij dat groothandels over het algemeen wat beter toegankelijk zijn dan buurtwinkels. PMH hebben er nochtans belang bij om, dicht bij hun woonst, perfect toegankelijke winkels te hebben.

De NHRPH vraagt om kwaliteitsproducten financieel toegankelijk te maken voor personen met een handicap.
De NHRPH vraagt om buurtwinkels toegankelijk te maken voor PMH.

  • Residentiële en niet-residentiële gebouwenstock

Voor veel PMH is de keuze waar ze willen wonen theoretisch: de fysieke toegankelijkheid van het gebouw en de omgeving, de financiële toegankelijkheid, de beschikbaarheid van kwaliteitszorg aan huis,… zijn allemaal criteria die belangrijk zijn voor de persoon, in die mate dat die geen echte keuze heeft.
Veel PMH zijn geen eigenaar. Zij kunnen hun woonst dus niet energiezuiniger maken. Zij kunnen ook niet van eventuele steun genieten. Rekening houdend met de hoge huurprijzen wonen zij vaak in gebouwen met lage energie-efficiëntieprestaties.
De titel verwees naar residentiële en niet-residentiële gebouwenstock. De aanbevelingen hebben geen betrekking op het niet-residentiële.

De NHRPH vraagt om van de toegankelijkheid van huisvesting een prioriteit te maken. Er bestaan al jaren regels voor het niet-residentieel park. Ze worden slechts zelden toegepast, doorgaans door een gebrek aan controle en toepasbare sancties. De NHRPH wil dat overtreders worden bestraft.
De NHRPH wenst dat voortaan in alle nieuwbouw- en renovatieprojecten normen voor aanpasbaarheid worden opgenomen, zodat een woonst bewoond door een persoon zonder specifieke behoeften gemakkelijk en zonder noemenswaardige kosten kan worden verkocht of verhuurd aan een persoon met dergelijke behoeften.
De NHRPH wenst dat PMH een energiezuinige woonst kunnen kopen of huren, die voldoet aan hun specifieke behoeften en in de buurt van toegankelijke winkels en diensten ligt.

  • Zorgsysteem

PMH maken globaal genomen heel vaak gebruik van het zorgsysteem. Dit kan rechtstreeks worden gelinkt aan hun handicapsituatie of er een onrechtstreeks gevolg van zijn: handicapsituatie – laag inkomen – slechte huisvesting – voeding van mindere kwaliteit – afzien van nochtans essentiële verzorging (bv. tandarts)… Sommige personen belanden in een zeer negatieve spiraal.
De fysieke en intellectuele toegang tot zorg toegang tot zorg is ontoereikend. Het “algemeen” zorgpersoneel heeft vaak onvoldoende kennis van de behoeften van personen met een handicap.

De NHRPH eist dat PMH de verzorging kunnen krijgen die ze nodig hebben binnen een redelijke afstand van hun woonplaats. Zorginfrastructuren moeten toegankelijk zijn en zorgverleners moeten de tijd en de kennis hebben om een kwalitatieve en voor al hun patiënten begrijpelijke behandeling te waarborgen.

  • Mobiliteit en transportsysteem

De NHRPH stelt vast dat het toegankelijk maken van het openbaar vervoer veel te traag verloopt.
In te veel omstandigheden kan de persoon met een handicap geen gebruik maken van het openbaar vervoer op gelijke voet met de andere reizigers: verplichte voorafgaandelijke aanvraag van assistentie in stations, ontoegankelijkheid van materieel en haltes, ontoereikende intermodaliteit, …  Voor te veel personen is helaas de enige oplossing nog steeds om zich individueel te verplaatsen.
Het lijkt erop dat de digitalisering die wordt voorgesteld als een vooruitgang in feite enkel aangewend wordt als gelegenheid om de personeelskosten te verminderen: de dienstverlening wordt verminderd, terwijl de vrijgekomen tijd een betere begeleiding mogelijk zou moeten maken…

De NHRPH verwacht dat een van de prioriteiten op de planning op hoog niveau zal zijn dat PMH zich zonder belemmeringen moeten kunnen verplaatsen naar de bestemmingen van hun keuze, met inbegrip op Europees niveau. Zij moeten zich kunnen verplaatsen op het tijdstip van hun keuze, zonder enige voorafgaande reservatietermijn van de assistentie. De persoon moet zelfstandig kunnen reizen en indien nodig kwalitatieve begeleiding krijgen, en dit zonder reservatietermijn.

Bij wijze van conclusie dringt de NHRPH er sterk op aan dat de vanuit kilmaatoogpunt noodzakelijke transitie niet langer de behoeften van PMH negeert. Ze moet voortaan gebeuren op basis van gestructureerd en regelmatig overleg met PMH via de bestaande adviesraden voor personen met een handicap.

  • Raadplegingen: 9

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.