Terug naar hoofdinhoud

Advies 2021/26 - Bevoegdheid van de Commissie voor sociaal hulpbetoon (CSH) aan personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap houdende de aanpassing van de bevoegdheid van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/09/2021.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap, door middel van haar brief van 22 juli 2021.

1. ONDERWERP

Het doel van dit voorontwerp is de aanpassing van de bevoegdheid van de Commissie voor sociaal hulpbetoon (CSH) aan personen met een handicap.

2. ANALYSE

De Commissie voor sociaal hulpbetoon heeft momenteel als opdracht, op basis van artikel 21 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, advies te verlenen aan de Minister belast met Personen met een handicap betreffende elke aanvraag tot het verzaken aan de terugvordering van een onverschuldigde betaling.

De adviesbevoegdheid van de CSH verandert op basis van dit voorontwerp van wet naar een beslissingsbevoegdheid. De beslissing omtrent de verzaking wordt niet meer genomen door de minister.

De CSH bestaat uit een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling. Elke afdeling is samengesteld uit een voorzitter en zeven leden die wegens hun activiteiten in verenigingen voor personen met een handicap of wegens hun maatschappelijke activiteiten bij uitstek geschikt zijn om in de CSH te zetelen. Deze samenstelling blijft ongewijzigd.

Concreet zullen de artikelen 16 en 21 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden aangepast.

Na goedkeuring van dit voorontwerp zal er ook een ontwerp van koninklijk besluit worden ingediend waarin artikelen 29 en 32 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden gewijzigd in het licht van dit wetsontwerp.

3. ADVIES

De NHRPH beschouwt dit project als positief, voor zover de CSH een plaats van kennis en expertise is. De NHRPH acht het tevens van belang dat het herschrijven van de wet en van het koninklijk besluit wordt aangegrepen om een aantal aspecten in verband met de werkprocedure van de CSH te verduidelijken. De NHRPH verzoekt derhalve

  • de beoordelingscriteria van de CSH openbaar te maken; het is belangrijk dat deze criteria in de Nederlandstalige Commissie en in de Franstalige Commissie gelijk zijn en op dezelfde wijze worden toegepast.
  • dat de beslissingen correct worden gemotiveerd.
  • een jaarlijkse zelfevaluatie van de praktijken van elke afdeling.

De NHRPH is overigens van mening dat een recht op (post-administratief) gerechtelijk beroep moet worden voorzien.

De NHRPH wil graag weten over welke werkingsmiddelen de CSH zal kunnen beschikken. Bijvoorbeeld: zal de CSH kunnen beschikken over een jurist(e)?

De NHRPH zou ook graag willen weten welke lessen er thans kunnen worden getrokken met betrekking tot het verzakingspercentage, het behoud van de gehele of gedeeltelijke terugvordering, het profiel van de personen, de hoogte van de schulden, enz.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 8

Samenvatting van het advies 2026/10: Hervorming van de ziekenhuizen

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp: 

De aanbevelingen door de expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap ‘Veranderen om te behouden (2026-2036)’

Standpunt van de NHRPH:

  • Algemeen is de NHRPH het eens met de door de IMC Volksgezondheid nagestreefde doelstelling om de toegankelijkheid, de kwaliteit, de betaalbaarheid en de duurzaamheid van het gezondheidszorgsysteem te willen vrijwaren. De NHRPH plaatst evenwel vraagtekens bij de relevantie van bepaalde aanbevelingen van de expertgroep om daartoe te komen.
  • De NHRPH maakt zich zorgen over de belangrijke verschillen tussen de noodzakelijke reistijden per provincie, wat een ongelijke behandeling tussen Belgen inhoudt en indruist tegen het beginsel van billijkheid dat nochtans wordt nagestreefd door het ontwerp van hervorming van de ziekenhuizen. De ongerustheid van de NHRPH betreft alle pathologieën waarvoor vertraagde zorg de risico’s op verworven invaliditeit en handicap doet toenemen.
  • De specialisatie van de toekomstige dagziekenhuizen vermindert de nabijheid voor de patiënt des te meer. Dit element heeft een impact op de gezondheidsopvolging van bepaalde handicaps.
  • De geplande hervorming van het ziekenhuislandschap, met de transfert van bepaalde klassieke ziekenhuiszorg is hoe dan ook gebaseerd op een toegenomen betrokkenheid van mantelzorgers.

Eisen van de NHRPH:

  • De NHRPH vraagt de herverdeling van de regionale algemene ziekenhuizen te herbekijken, niet enkel in functie van wat reeds bestaat, maar ook in functie van een billijke verdeling over het ganse grondgebied.
  • De NHRPH vraagt ook een bijkomende studie voor al de pathologieën waarvan een snelle zorg bepalend is voor de toekomstige prognose van de patiënt en, in het bijzonder, voor de preventie van verworven handicaps, of, indien deze studies reeds bestaan, de bijwerking ervan.
  • De NHRPH pleit voor een echt statuut dat leidt tot sociale rechten voor mantelzorgers.
  • De NHRPH herinnert aan de aanbevelingen van de VN-deskundigen geformuleerd aan België in 2024 en met name de zware aanbeveling 51: verplichte toegankelijkheidsnormen uitbreiden naar alle medische en paramedische infrastructuren en gezondheidsdiensten.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 13

Advies 2026/10: Hervorming van de ziekenhuizen

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2026/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanbevelingen door de expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap ‘Veranderen om te behouden (2026-2036)’, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/04/2026.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

  • Voor opvolging aan de Interministeriële Conferentie (IMC) Volksgezondheid
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan de heer Yves Coppieters, Waals minister van Volksgezondheid, Leefmilieu, Solidariteit en Sociale Economie
  • Ter informatie aan mevrouw Caroline Gennez, Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Ahmed Laaouej, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC)
  • Ter informatie aan de heer Dirk De Smedt, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de GGC
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Franse Gemeenschapscommissie (FGC)
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Van den Brandt, minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Gezondheid bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC)
  • Ter informatie aan mevrouw Lydia Klinkenberg, Ministerin für Familie, Soziales, Wohnen und Gesundheit van de Duitstalige Gemeenschap
  • Ter informatie aan de Conseil consultatif wallon des personnes en situation de handicap (CCWPSH)
  • Ter informatie aan de Conseil consultatif des personnes en situation de handicap van de Franse Gemeenschap
  • Ter informatie aan NOOZO, Vlaamse adviesraad voor en door personen met handicap
  • Ter informatie aan de Franstalige Brusselse Raad voor personen met een handicap (Brupartners)
  • Ter informatie aan de Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan de federale Ombudsman
  • Ter informatie aan de regionale ombudsmannen bevoegd voor Gezondheid
  • Ter informatie aan de Belgische patiëntenverenigingen
  • Ter informatie aan het Collectif Accessibilité Wallonie Bruxelles (CAWaB) en Inter (Vlaanderen)

2. ONDERWERP

In het kader van de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap kreeg een expertgroep de opdracht van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 19 maart 2025 om aanbevelingen ‘over de na te streven organisatie van het ziekenhuislandschap met als doelstelling kwaliteitsvolle zorg met doelmatigheid in de inzet van financiële en personen middelen[1] te formuleren.


2. ANALYSE

A. Diagnose van de experten

Algemeen

De door de IMC aangestelde expertengroep vertrekt vanuit de vaststelling dat financiële en demografische druk weegt op de toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en duurzaamheid van het gezondheidszorgsysteem in België. Volgens de prognoses van het RIZIV zal de gezondheidszorgbegroting van 45,22 miljard euro in 2025 stijgen naar 46,78 miljard in 2026. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zal dit cijfer de komende jaren nog toenemen door verschillende factoren: de vergrijzing van de bevolking en de toename van de multimorbiditeit enerzijds, en de evolutie van medische technologieën anderzijds. Volgens de door de IMC aangestelde experten zou een – onvermijdelijke - plafonnering van de overheidsuitgaven kunnen leiden tot een geneeskunde met twee snelheden ‘waarbij bepaalde zorg niet meer voor iedereen toegankelijk is’.

Deze toenemende behoefte aan gezondheidszorg gaat bovendien gepaard met een personeelstekort in de sector. Door de verwachte afname - of in het beste geval stagnatie - van de actieve bevolking is een toename van de tewerkstelling in de sector tegen 2040 niet te verwachten.

Wat specifiek de ziekenhuizen betreft, telt België er 103, verspreid over 189 sites, die als volgt zijn onderverdeeld: 132 sites met acute bedden[2], 38 sites met een chronisch profiel, 4 sites met een psychiatrisch profiel en 15 sites die enkel een dagziekenhuis of een polikliniek hebben en zich toeleggen op ambulante chirurgie of raadplegingen. Volgens het KCE is er een groot aanbod aan acute zorg: er zijn “te veel sites waarbij ‘iedereen alles doet, en dag en nacht open is’”. Deze fragmentatie van het aanbod is niet langer verenigbaar met de evolutie van de acute geneeskunde ‘die steeds meer gespecialiseerde expertise vereist’. De zoektocht naar een juiste diagnose kan ingewikkeld zijn en inzet van verschillende diagnostische technieken vergen.’

In hun analyse hebben de door de IMC aangestelde experten zich gebogen over de sterke punten, de zwakke punten en de opportuniteiten die het huidige Belgische ziekenhuislandschap kenmerken. Zij hebben ook de ‘bedreigingen’ die daarop wegen onderzocht. Hierna volgt een kort overzicht van de visie van de experten:

Sterke punten

  • Ziekenhuiszorg van hoge kwaliteit: het Belgische gezondheidssysteem is doeltreffend, het medisch-technologisch niveau is hoog en de zorg is van hoge kwaliteit.
  • Toegankelijkheid: dankzij een evenwichtige geografische spreiding en de nationale ziekteverzekering hebben burgers toegang tot medische prestaties tegen een voor de meeste personen betaalbare prijs.
  • Gekwalificeerde, bekwame en geëngageerde zorgverleners.
  • Moderne ziekenhuisstructuren: heel wat ziekenhuizen werden de afgelopen jaren verbouwd en/of gerenoveerd. Klinisch onderzoek en technologische innovatie spelen daarin een belangrijke rol.

Zwakke punten

  • Tekort aan zorgverleners, artsen en verpleegkundigen: het aantal beschikbare bedden wordt teruggeschroefd, opnames worden tijdelijk opgeschort en de wachtlijsten worden steeds langer. Sommige zorgverleners stoppen ermee wegens een te hoge werkdruk, stress en het gebrek aan aantrekkelijkheid van het beroep.
  • Verkeerd gebruik van spoeddiensten: enerzijds doen patiënten die zich in kritieke situaties bevinden te laat een beroep op spoeddiensten; anderzijds gaan andere patiënten erheen voor niet-dringende gezondheidsproblemen. De nabijheid van spoeddiensten, die groter is dan die van wachtposten, de soms weinig optimale organisatie van de wachtdienst en de toenemende overbelasting van de huisartsen die geen nieuwe patiënten meer aannemen, spelen een rol bij dit overgebruik van de spoeddiensten.
  • Kwaliteitsverschil tussen de spoeddiensten in ziekenhuizen: ‘niet alle ziekenhuizen beschikken permanent over de nodige specialisten of infrastructuur om alle dringende gevallen adequaat te behandelen. De kansen van de patiënt hangen dus af van de spoeddienst waar hij terechtkomt’.
  • Versnipperde zorg: patiënten met chronische aandoeningen worden vaak geconfronteerd met uiteenlopende zorgverleners, zowel in het ziekenhuis als in de ambulante zorg. Bovendien verschuift de zorg steeds meer naar de eerstelijnszorg[3].
  • Overaanbod van acute bedden, waarvan de bezettingsgraad onvoldoende is en waarvoor onnodige personele middelen worden ingezet.
  • Onvoldoende financiering.

Opportuniteiten

  • Een nieuwe patiëntgerichte aanpak, gebaseerd op de waarden en doelstellingen van de patiënt.
  • Een toenemende specialisatie in de ziekenhuizen en een transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar ambulante zorg.
  • De volledige informatisering van patiëntdata inzake gezondheid, wat perspectieven biedt voor meer samenwerking tussen zorgverleners, terwijl artificiële intelligentie en machine learning ‘zorgverleners kunnen ondersteunen bij triage, diagnose en voorspelling van ziekteverloop op basis van grote datasets’. Maar deze nieuwe tools doen de prijs van de zorg toenemen en ‘de risico’s op het vlak van patiëntveiligheid worden echter vaak onvoldoende geëvalueerd’.

Bedreigingen

  • De vergrijzing van de bevolking heeft een dubbele impact op de gezondheidszorg: enerzijds worden patiënten vaker getroffen door comorbiditeit (48 % van de bevolking van 15 jaar en ouder, 76,2 % van de 75-plussers); anderzijds nadert een aanzienlijk deel van de zorgverleners de pensioenleeftijd en dreigt hun vertrek het reeds zorgwekkende personeelstekort nog te verergeren.
  • De complexe verdeling van de institutionele bevoegdheden inzake gezondheidszorg tussen de federale Staat en de gewesten.
  • De budgettaire druk ingevolge een voortdurende stijging van de kosten.
  • De ontwikkeling van medische privépraktijken buiten het ziekenhuis: ‘een voor iedereen snel toegankelijke zorg aan conventietarieven kan hierdoor in het gedrang komen’.

Deze analyse brengt de door de IMC aangestelde experten tot de volgende conclusie: ‘we zullen dus moeten veranderen […] om een solidaire gezondheidszorg te behouden’. Deze verandering betekent: ‘de aanbodstructuur aanpassen’.

B. De voorgestelde hervorming: een herstructurering van het ziekenhuisaanbod

Quintuple Aim

Om de transformatie te begeleiden en te komen tot het resultaat van een systeem van geïntegreerde zorg dient een kompas met 5 doelstellingen als gids:

    • kwaliteit van zorg;
    • betaalbaarheid;
    • welzijn van patiënten;
    • welzijn van zorgverleners;
    •  billijkheid.

Het principe

Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zoals aangehaald in het Interfederaal plan voor geïntegreerde zorg is geïntegreerde zorg ‘een aanpak om gezondheidszorgsystemen waarin de mens centraal staat te versterken door een globale kwaliteitsvolle dienstverlening te bevorderen gedurende de hele levensloop, tegemoet komend aan de multidimensionale behoeften van de bevolking en het individu, en verleend door een gecoördineerd multidisciplinair team van professionals die werkzaam zijn in verschillende settings en op verschillende zorgniveaus. Het moet doeltreffend worden beheerd om optimale resultaten en een verantwoord gebruik van middelen te waarborgen op basis van de beste beschikbare gegevens, met feedbackmomenten, om de prestaties voortdurend te verbeteren en de oorzaken van slechte gezondheid in de beginfase aan te pakken en het welzijn te bevorderen door intersectorale en multisectorale acties’.
Voor de door de IMC aangestelde experten past de hervorming van het ziekenhuislandschap in een bredere ontwikkeling die gericht is op de invoering van dit model van geïntegreerde zorg, volgens het principe ‘nabije zorg waar mogelijk, geconcentreerde zorg waar nodig’. Het gaat concreet om het combineren van het volgende:

    • nabijheid door een gedecentraliseerd aanbod van dagziekenhuizen te veralgemenen, waar (bepaalde) chirurgische ingrepen en handelingen van interne geneeskunde zo dicht mogelijk bij de patiënten kunnen worden uitgevoerd;
    • en kritieke grootte die voldoet aan de behoeften van de acute geneeskunde door kennis, expertise en technologieën te bundelen.

Tijdschema

Er is een overgangsperiode van 10 jaar voorzien, opgesplitst in 2 perioden van 5 jaar (2026-2031, 2031-2036), met een tussentijdse evaluatie door de IMC Volksgezondheid.

Concreet: 4 types ziekenhuisstructuren

Het voorstel van de door de IMC aangestelde experten bestaat erin de bestaande ziekenhuizen, met uitzondering van psychiatrische en revalidatieziekenhuizen, op te delen in 4 aparte types en elk van deze types duidelijke taken toe te wijzen.

    • Regionaal algemeen ziekenhuis
      • Diagnoses en behandelingen van courante aandoeningen, inclusief materniteit en pediatrie.
      • Volwaardige medisch-technische infrastructuur, met inbegrip van spoed- en wachtdiensten.
      • 24/7 zorg.
      • Erkenning mogelijk als expertisecentrum voor bepaalde complexe aandoeningen, op voorwaarde dat het voldoet aan de vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit. De zorg moet kunnen worden gewaarborgd 24 uur op 24 en 7 dagen op 7.
      • Minstens 150 acute bedden in 2026.
      • Minstens 180 acute bedden in 2031.
      • Minstens 240 bedden in totaal in 2031.
      • Ten minste 600 bevallingen in 2031.
    • Universitair ziekenhuis
      • Dezelfde diensten en dezelfde groottevoorwaarden als een regionaal algemeen ziekenhuis, met bijkomende opdrachten op het vlak van onderzoek, innovatie en onderwijs.
      • Erkenning ook mogelijk als expertisecentrum voor bepaalde complexe aandoeningen, op voorwaarde dat het voldoet aan de vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit. De zorg moet kunnen worden gewaarborgd 24 uur op 24 en 7 dagen op 7.
      • Expertisecentrum voor bepaalde zeldzame ziekten waarbij het zich houdt aan de 3 prioriteiten van het Belgisch Plan voor zeldzame ziekten: snelle diagnose door o.a. een beroep te doen op artificiële intelligentie voor de analyse van elektronische medische dossiers; geïntegreerde zorgtrajecten die duidelijk definiëren wie wat doet; samenwerking tussen expertisecentra in België en in het buitenland.
    • Lokaal medisch centrum
      • Chirurgische dagopnames, met operatiekwartier, recovery en een volwaardig diagnostisch platform.
      • Kan ook internistische interventies[4], poliklinische consultaties, ‘low-care’ dialyses en opvolging van chronische zorg
      • Kan ambulante revalidatie, revalidatie in dagkliniek na ziekenhuisontslag, gezondheidseducatie (bv. rugschool), preventieprogramma’s en vaccinatiecentra organiseren.
      • Kan als basis voor thuishospitalisatie
      • Geplande en ambulante gespecialiseerde zorg.
      • Geen spoeddienst, noch een spoed eerste opvang.
      • Centrum mogelijk dat gespecialiseerd is in orthopedische chirurgie, met (weinig) opnamenachten indien noodzakelijk, op voorwaarde dat 5000 ingrepen / jaar worden gecumuleerd.
      • Verbonden aan een regionaal algemeen ziekenhuis of een universitair ziekenhuis, op dezelfde site of op een andere site.
      • Beschikt verplicht over protocollen voor urgenties en transferts.
    • Ziekenhuis voor intermediaire zorg
      • Intermediaire zorg of revalidatiezorg heeft tot doel patiënten hun zelfredzaamheid te laten terugwinnen of versterken na een ziekenhuisverblijf.
      • Hart- en longaandoeningen, locomotorische aandoeningen, neurologische aandoeningen, meerdere chronische aandoeningen, psychogeriatrische aandoeningen, palliatieve verzorging.
      • Verbonden aan een regionaal algemeen ziekenhuis of aan een universitair ziekenhuis, ongeacht of het op dezelfde of op een afzonderlijke site is.
      • Geen minimumvolume of -capaciteit indien het ziekenhuis voor intermediaire zorg op dezelfde site is gevestigd als een regionaal algemeen ziekenhuis.
      • Minstens 90 bedden indien de site afzonderlijk is, met inbegrip van eventuele psychiatriebedden voor volwassenen of kinderen.
      • Verplichting om structurele afspraken en protocollen te hebben om de toegang tot ter plaatse niet-beschikbare diensten te waarborgen, zoals een spoeddienst, een laboratorium, medische beeldvorming en specialistisch advies.

Gelijktijdige hervorming van de dringende medische hulpverlening

De dubbele vaststelling van het verkeerd gebruik van de spoeddiensten en de onvoldoende werking van het oproepnummer 1733 brengt de door de IMC aangestelde experten ertoe een gelijktijdige hervorming van de dringende medische hulpverlening te overwegen:

    • Geïntegreerde oproepstructuur voor het nummer 112 en het nummer 1733 om het hoofd te bieden aan het feit dat het nummer voor medische hulpverlening buiten de kantooruren (1733) nog onvoldoende bekend is, met verwijzing naar de juiste zorgverlener.
    • Continue triage 24 uur op 24, 7 dagen op 7.
    • Oprichting van een Federaal Agentschap voor hulpverlening voor het coördineren van alle noodoproepen.
    • Paramedische of verpleegkundige opleiding voor de medewerkers van beide nummers.
    • Continu doorsturen en analyseren van digitale gegevens (beelden, zuurstofsaturatie en hartritmemonitoring) door de centrale.
    • Protocollen voor triage en dispatching.
    • Interpretatie van het begrip ‘dichtstbijzijnde ziekenhuis’ als het ziekenhuis dat beschikt over de juiste infrastructuur voor de vermoedelijke pathologie.
    • Enkel overbrenging naar een regionaal algemeen ziekenhuis.
    • Locatie van de medische wachtposten op de site van een regionaal algemeen ziekenhuis of op de site van een lokaal medisch centrum wanneer de afstand tot een lokaal algemeen ziekenhuis te groot is.

C. Gevolgen van de hervorming

Verspreiding van de ziekenhuizen op het Belgische grondgebied

De ziekenhuizen die in 2026 het minimum van 150 acute bedden niet bereiken, moeten zich tegen 2029 omvormen tot een lokaal medisch centrum of een ziekenhuis voor intermediaire zorg, of een combinatie van beide. Van de 132 acute sites die België telt, bevinden zich er 29 in deze situatie, die als volgt zijn verspreid:

    • Vlaanderen: 17
    • Wallonië:18
    • Brussel: 4

26 sites voldoen aan de vereisten van 2026 en moeten zich ontwikkelen om te voldoen aan de voorwaarden van een regionaal algemeen ziekenhuis in 2031:

    • Vlaanderen: 14
    • Wallonië: 8
    • Brussel: 4

67 sites voldoen daarentegen al aan de cumulatieve vereisten van 2031 om regionale algemene ziekenhuizen te zijn, waaronder:

    • Vlaanderen: 38 (West-Vlaanderen 7, Oost-Vlaanderen 10, Antwerpen 15, Limburg 4, Vlaams-Brabant 2)
    • Wallonië: 21 (Henegouwen 8, Waals-Brabant 2, Namen 4, Luik 5, Luxemburg 1)
    • Brussel: 8

Indien alle ziekenhuizen die voldoen aan de vereisten 2026, maar nog verder moeten ontwikkelen om de eindvereisten te bereiken in 2031 hierin slagen, zullen de acute sites, met kraamkliniek en spoeddienst, als volgt tussen de 3 gewesten gespreid zijn[5]:

    • Vlaanderen: 52 voor 6 864 766 inwoners (1 ziekenhuis voor 132 014 inwoners)
    • Wallonië: 35 voor 3 704 990 inwoners (1 ziekenhuis voor 105 856 inwoners)
    • Brussel: 12 voor 1 255 795 inwoners (1 ziekenhuis voor 104 649 inwoners)

In de Duitstalige Gemeenschap bereiken noch Eupen, noch Sankt Vith de 150 acute bedden in 2026. Dit betekent dat zij geen van beide op termijn een regionaal algemeen ziekenhuis kunnen worden en zich zullen moeten omvormen tot een lokaal medisch centrum of een ziekenhuis voor intermediaire zorg. Zelfs in dat geval raden de experten het af om af te wijken van de norm van 150 acute bedden en zijn ze voorstander van het volgende: ‘Er worden garanties gegeven dat Duitstalige patiënten […] in het Duits zullen worden geholpen (bv. in het ziekenhuis van Verviers)’.

In het rapport wordt niet verduidelijkt hoeveel van de 29 ziekenhuizen die niet aan de vereisten 2026 voldoen evenmin 90 bedden kunnen rechtvaardigen, een noodzakelijke voorwaarde om een ziekenhuis voor intermediaire zorg te worden gesitueerd op een eigen site, apart van een regionaal algemeen ziekenhuis.

Reistijd om een regionaal algemeen ziekenhuis te bereiken

De door de IMC aangestelde experten hebben zich tevens gebogen over het percentage van de bevolking dat een regionaal algemeen ziekenhuis kan bereiken, voor en na de hervorming, in een gegeven reistijd. Op termijn zal immers enkel dit type van ziekenhuis een spoeddienst en een kraamkliniek aanbieden. De berekening van de door de IMC aangestelde experten is gebaseerd op een traject met een privévoertuig op een maandagochtend om 8 uur.

Op basis van de noodzakelijke tijd, uitgedrukt in minuten, opdat 100 % van de inwoners van een provincie een spoeddienst of een kraamkliniek kunnen bereiken, volgt hierna de verwachte impact van de hervorming:

 

Vóór de hervorming

Na de hervorming

 

België

25-30

35-40

 ↗

Brussel

10-15

10-15

 =

Antwerpen

25-30

25-30

 =

Limburg

20-25

20-25

 =

Vlaams-Brabant

20-25

25-30

 ↗

Oost-Vlaanderen

25-30

25-30

 =

West-Vlaanderen

20-25

20-25

 =

Waals-Brabant

20-25

20-25

 =

Henegouwen

20-25

40-45

↗ x2

Luik

25-30

35-40

 ↗

Luxemburg

35-40

40-45

↗ 

Namen

35-40

40-45

↗ 

Naar de maatstaf van België stijgt de reistijd om een spoeddienst of een kraamkliniek te bereiken, na de hervorming, met 40 %. Deze stijging voor België staat in schril contrast met de verslechtering van de situatie in Wallonië, waar alle provincies, behalve Waals-Brabant, uitkomen op een langer traject. Dit is zelfs verdubbeld in Henegouwen, waarbij het van 20 naar 40 minuten gaat in het beste geval. In Vlaanderen wordt enkel Vlaams-Brabant getroffen door de hervorming met een extra reistijd van 5 minuten.

Impact op de ziekenhuisinfrastructuren

Om de vereiste minima te bereiken, worden de ziekenhuizen aangemoedigd om te fusioneren. Evenwel, ‘het samenvoegen van sites gebeurt op één locatie’. Dit betekent bijgevolg werkzaamheden voor het vergroten van bestaande infrastructuren en aanpassingen aan de reeds bestaande bouw- of renovatieontwerpen. De ziekenhuisinfrastructuren waarvoor de deelgebieden bevoegd zijn, ‘worden verzocht hier soepel mee om te gaan’.

Oprichting van een Transitiefonds

De door de IMC aangestelde experten bevelen de oprichting van een Transitiefonds aan om een tijdelijke financiële bijdrage te leveren aan de ziekenhuizen tijdens deze hervorming. Dit Fonds zou worden gefinancierd door de afschaffing van universitaire bedden buiten de universitaire ziekenhuizen en door de vermindering van de beschikbare tijd van de ziekenhuizen die door het ontoereikende aantal acute bedden bestemd zijn om een lokaal medisch centrum te worden. 130 miljoen per jaar zou kunnen worden vrijgemaakt. Deze bedragen zouden, volgens de experten, kunnen worden toegewezen zowel voor de meerkosten van de werking wegens de hervorming (tijdelijke dubbele werking bijvoorbeeld) als voor de investeringen, zoals de infrastructuuraanpassingen of nieuwe apparatuur.

Nieuwe manieren van werken voor de zorgverleners

Teneinde het hoofd te bieden aan het personeelstekort suggereren de door de IMC aangestelde experten om nieuwe manieren van werken in te voeren.

    • Enerzijds stellen de experten voor om de samenwerkingsvormen binnen het zorgsysteem te herbekijken, en met name de Wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUGB), die vastlegt wie welke handelingen in de gezondheidszorg mag stellen. Op grond van verschillende studies[6] herinneren de experten eraan dat bepaalde medische taken kunnen worden gedelegeerd aan andere gezondheidszorgbeoefenaars, zoals apothekers, vroedvrouwen, verpleegkundigen en paramedici. ‘De focus moet liggen op competenties en verantwoordelijkheden, eerder dan louter op diploma’s. Dit is vooral belangrijk in onderbediende regio’s’.
    • Anderzijds bevelen de experten aan om de interdisciplinaire zorgteams te versterken die transmuraal samenwerken. Deze teams, die het ziekenhuis, de eerstelijnszorg en residentiële structuren samenbrengen, zijn rond de patiënt opgebouwd. Bij een groot aantal zorgverleners waarborgt een case manager de rol van spilfiguur en staat hij in voor de zorgcoördinatie en de algemene opvolging van de patiënt.

De invoering van een nationaal uniek elektronisch patiëntendossier

De volledige digitalisering van patiëntgegevens maakt de samenwerking en de coördinatie tussen de verschillende zorgverleners mogelijk. De experten bevelen daartoe de invoering van een verplicht, uniform, toegankelijk en uniek elektronisch patiëntendossier (EPD) aan, dat medische informatie bevat en de zorgplanning ondersteunt. Voor dit EPD is overigens de oprichting van een nationaal, interoperabel platform nodig, waartoe de zorgverleners, patiënten en hun mantelzorgers toegang hebben.

Teneinde ICT- en AI-oplossingen te kunnen implementeren, zou dit platform bovendien onderling moeten worden gekoppeld en interoperabel moeten zijn met administratieve databases, externe netwerken zoals eHealth, het RIZIV, de ziekenfondsen, PACSonWeb, ziekenhuisnetwerken en het globaal medisch dossier bij de huisarts. Andere gegevensbronnen zouden daarin ook kunnen worden geïntegreerd, zoals bepaalde nationale instellingen, bijvoorbeeld het Kankerregister.

Kwaliteitsindicatoren voor een vrije en weloverwogen keuze van de patiënt

Het rapport van de experten pleit ook voor de oprichting van een Interfederaal Kwaliteitsplatform. Dit platform zou een drieledige doelstelling vervullen:

    • kwaliteitsbeleid inzake gezondheidszorg afstemmen tussen de drie gewesten van land;
    • de zorgkwaliteit monitoren met concrete gevolgen bij nalatigheid, zoals het verlies aan erkenning;
    • het ziekenhuislandschap leesbaar maken voor de patiënt: ‘Burgers moeten kunnen zien waar ze kwalitatieve zorg kunnen krijgen’.

4. ADVIES

Gelet op de beperkte tijd voor het onderzoeken van het voorstel tot hervorming kon de NHRPH niet alle gewenste aspecten onderzoeken. Aangezien de hervorming betrekking heeft op een materie waarvoor de bevoegdheden zijn verdeeld tussen de federale Staat en de deelgebieden is het overigens mogelijk dat bepaalde van de volgende overwegingen soms de federale perimeter overschrijden en ook betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewesten en de gemeenschappen.

Algemeen is de NHRPH het eens met de door de IMC Volksgezondheid nagestreefde doelstelling om de toegankelijkheid, de kwaliteit, de betaalbaarheid en de duurzaamheid van het gezondheidszorgsysteem te willen vrijwaren. De NHRPH plaatst evenwel vraagtekens bij de relevantie van bepaalde aanbevelingen van de expertgroep om daartoe te komen.

A. Zal het verminderen van het aantal spoeddiensten niet leiden tot een toename van verworven handicaps?

Een handicap is niet altijd aangeboren. Een handicap kan het gevolg zijn van een ongeval en/of van een aandoening. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een beroerte/cerebrovasculair accident (CVA). Naast het feit dat beroertes wereldwijd de op één na belangrijkste doodsoorzaak zijn (7,7 % van de sterfgevallen in de Europese Unie volgens het rapport Gezondheidsoverzicht 2025 van de OESO[7]), vormt het CVA ook:

  • de 3de oorzaak van invaliditeit;
  • de 2de oorzaak van ernstige cognitieve stoornissen;
  • de belangrijkste oorzaak van verworven motorische handicap.

De Belgian Stroke Council schat dat in België 25.000 personen per jaar door deze ziekte worden getroffen. Volgens de patiëntenverenigingen zou dit cijfer dichter bij 30.000 per jaar zitten. Het Europees actieplan CVA 2018-2030 voorziet in een toename van 34 % van getroffen personen tussen 2015 en 2035.

Naast de onomkeerbare schade op de gezondheid kosten CVA’s de samenleving veel geld. De totale kosten van CVA’s voor de Europese Unie bedragen ongeveer 45 miljard, waarvan 20 miljard (44 %) toe te schrijven is aan directe kosten op het vlak van gezondheidszorg. De resterende 56 % is als volgt verdeeld:

  • bijna 16 miljard aan informele kosten (35 %), namelijk de kosten van de zorg die door naasten wordt verleend, wat overeenkomt met de kosten van de verminderde beroepsactiviteit van mantelzorgers;
  • 9,5 miljard (21 %) aan kosten van verloren productiviteit als gevolg van het overlijden (12 %) of de invaliditeit (9 %) van de patiënt.

Er kan nochtans wel worden gehandeld om de gevolgen van een CVA op de gezondheid van de patiënt op lange termijn te beperken. Immers, ‘de kans op een gunstig resultaat bij een patiënt met een […] beroerte wordt in eerste instantie bepaald door de snelle toegang tot de behandeling van de acute beroerte. Deze behandeling bestaat uit intraveneuze trombolyse met of zonder trombectomie.’ (Audit CVA 2025).

Jammer genoeg zijn de door het RIZIV gepubliceerde resultaten van de Audit CVA 2025 niet verheugend voor de Belgische bevolking:

  • België is een van de zeldzame Europese landen (3 op 27) dat geen nationaal CVA-plan
  • Het Belgische sterftecijfer op korte termijn bedraagt 11,9 %, wat hoger ligt dan de Europese aanbevelingen (minder dan 10 %).
  • De overlijdens in het ziekenhuis schommelen tussen 3 en 30 % naargelang de ziekenhuisinrichting waar de zorg plaatsheeft.
  • Er is geen neuroloog ter plaatse aanwezig 24 uur op 24 in 85 van de 96 ziekenhuizen[8].
  • Slechts 20 ziekenhuizen van de 96 in ons land hebben de capaciteit om een trombectomie uit te voeren.
  • Slechts 9 ziekenhuizen slagen erin een trombolyse toe te dienen aan ten minste 50 % van de patiënten binnen de 30 minuten volgend op hun aankomst in het ziekenhuis overeenkomstig de Europese aanbevelingen. Evenwel, ‘de trombolytische behandeling moet zo snel mogelijk worden toegediend.’

Tegenover deze verontrustende vaststelling verheugt de NHRPH zich erover dat een van de aanbevelingen van de geplande ziekenhuishervorming erin bestaat de acute zorg, de monitoring van de kwaliteitsindicatoren en de aanwezigheid van specialisten ter plaatse 24 uur op 24 te versterken teneinde de zorgkwaliteit te waarborgen. De NHRPH is evenwel verbaasd, bij het lezen van de voorwaarden om een spoeddienst en acute bedden bij een ziekenhuisinrichting te behouden, dat niet is voorzien in kwaliteitsvoorwaarden voor spoedzorg, bijvoorbeeld in het geval van CVA’s. Betekent dit dat de ‘CVA-eenheden’ (Stroke Unit) op termijn deel zullen uitmaken van de ‘expertisecentra voor bepaalde complexe aandoeningen’, die niet aanwezig zullen zijn in alle regionale algemene ziekenhuizen of universitaire ziekenhuizen, omdat ze zouden afhangen van vereisten inzake activiteitenvolume, uitkomstparameters, technische infrastructuur en multidisciplinaire zorgkwaliteit? Dit zou dus betekenen dat enkel sommige van de 93 regionale algemene ziekenhuizen en universitaire ziekenhuizen in België na de hervorming zouden uitgerust zijn met een Stroke Unit, wat de toegankelijkheid van deze eenheden nog meer zou beperken.

Wat CVA betreft, is de toegankelijkheid nochtans cruciaal: elke verloren minuut leidt tot de vernietiging van ongeveer 2 miljoen neuronen’. (Audit CVA 2025). In het ziekenhuislandschap zoals het vandaag bestaat verschillen de reistijden waarnaar de Audit CVA 2025 verwijst als volgt:

  • met privévoertuig naar een ziekenhuis dat trombolysesuitvoert: tussen 0 en 60 minuten
  • met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombolysesuitvoert: tussen 0 en 90 minuten
  • met de wagen rechtstreeks naar een ziekenhuis dat trombectomieënuitvoert: tussen 0 en 90 minuten
  • met de ziekenwagen rechtstreeks naar een ziekenhuis dat trombectomieënuitvoert: tussen 15 en 120 minuten
  • met de wagen tot een trombolysecentrum, vervolgens overbrenging met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombectomieën uitvoert: tussen 15 minuten en 1.15 uur
  • met de ziekenwagen naar een trombolysecentrum, vervolgens overbrenging met de ziekenwagen naar een ziekenhuis dat trombectomieën uitvoert: tussen 30 minuten en 2.30 uur.

De concentratie van acute ziekenhuizen zal een impact hebben op de tijd die nodig is om toegang te hebben tot een spoeddienst, aangezien deze diensten noodzakelijkerwijs zullen zijn ondergebracht ofwel in een regionaal algemeen ziekenhuis, ofwel in een universitair ziekenhuis. Volgens de Audit CVA 2025 komt evenwel bijna 60 % van de patiënten met een CVA met de ziekenwagen op de spoeddiensten toe. Als we uitgaan van de optimistische hypothese dat alle regionale algemene ziekenhuizen en universitaire ziekenhuizen in staat zullen zijn een trombolyse toe te dienen, kunnen we indicatieve reistijden met de ziekenwagen berekenen om toegang te hebben tot een spoeddienst die is uitgerust voor het toedienen van de eerste zorg voor een CVA[9].  

 

Na de hervorming, traject met privévoertuig

 

Na de hervorming, traject met de ziekenwagen = traject 1 + traject 2 + 15'

België

35-40

 ↗

1.25u-1.35u

Brussel

10-15

 =

35’-45’

Antwerpen

25-30

 =

1.05u-1.15u

Limburg

20-25

 =

55’-1.05u

Vlaams-Brabant

25-30

 ↗

1.05u-1.15u

Oost-Vlaanderen

25-30

 =

1.05u-1.15u

West-Vlaanderen

20-25

 =

55’-1.05u

Waals-Brabant

20-25

 =

55’-1.05u

Henegouwen

40-45

↗ x2 

1.35u-1.45u

Luik

35-40

 ↗

1.25u-1.35u

Luxemburg

40-45

 ↗

1.35u-1.45u

Namen

40-45

 ↗

1.35u-1.45u

Bij dit eerste tijdsverloop komt nog de tijd die nodig is om een beeldonderzoek te doen, om de gepaste behandeling te bepalen, de tijd om een trombolyse toe te dienen en een eventuele overbrenging naar een ander ziekenhuis dat een trombectomie kan uitvoeren, indien de diagnose dit aangeeft. Ter herinnering: slechts 20 Belgische ziekenhuizen bieden momenteel de mogelijkheid om te worden behandeld door middel van een trombectomie. Wetende dat iedere minuut telt, kan de impact van de reisduur met de ziekenwagen bepalend zijn voor de afloop van het CVA. Indien daarnaast geen enkel acuut ziekenhuis uitgerust met een spoeddienst een Stroke Unit heeft, zal de tijd die verloopt tussen de oproep naar het noodnummer en de aankomst in een acuut ziekenhuis dat is uitgerust voor de toe te dienen zorgen in geval van een CVA nog toenemen, wat de toekomstige gezondheidsprognose voor de patiënt nog meer zou hypothekeren. En de risico’s op invaliditeit en handicap, zelfs mortaliteit doen toenemen, betekent ook dat de kosten voor de patiënt, zijn mantelzorgers en de samenleving stijgen. Immers, ‘de snelheid waarmee de behandeling van een acute beroerte wordt gestart, bepaalt in grote mate de kans op een goed herstel en verkort de duur van de ziekenhuisopname en eventuele revalidatie’ (Audit CVA 2025).

Bovenstaande uiteenzetting betreffende CVA’s is slechts één voorbeeld tussen andere pathologieën waar snelle zorg beslissend is voor de toekomstige gezondheidsprognose van de patiënt. De ongerustheid van de NHRPH betreft alle pathologieën waarvoor vertraagde zorg de risico’s op verworven invaliditeit en handicap doet toenemen.  

De NHRPH maakt zich ook zorgen over de belangrijke verschillen tussen de noodzakelijke reistijden per provincie, wat een ongelijke behandeling tussen Belgen inhoudt en indruist tegen het beginsel van billijkheid dat nochtans wordt nagestreefd door het ontwerp van hervorming van de ziekenhuizen.

Bijgevolg vraagt de NHRPH het volgende:

  • Een bijwerking van de conclusies van de Audit CVA 2025 in functie van de geplande wijzigingen van het ziekenhuislandschap, en met name de waarschijnlijke afschaffing van de Stroke Unit of het verminderen van ziekenhuizen waar trombolyses en/of trombectomieën worden uitgevoerd, bij gebrek aan het benodigde aantal interventies om een expertisecentrum voor complexe aandoeningen te vormen.
  • Een bijkomende studie voor de andere pathologieën waarvan een snelle zorg bepalend is voor de toekomstige prognose van de patiënt en, in het bijzonder, voor de preventie van verworven handicaps, of, indien deze studies reeds bestaan, de bijwerking ervan.
  • Een aanvullende analyse rond de toegankelijkheid van/via het openbaar vervoer van de verschillende soorten ziekenhuisinrichtingen.
  • Minstens de invoering van een Stroke Unit in alle (toekomstige) acute ziekenhuizen, met toepassing van de acties van het Europees actieplan voor CVA 2018-2030.
  • Een integratie van de vereisten op het vlak van zorg voor CVA’s en andere pathologieën met een risico op handicap in de voorwaarden die vereist zijn om een ziekenhuis voor acute zorg te vormen.
  • Concrete maatregelen voor een echte territoriale billijkheid, onder andere:
    • De herverdeling van de regionale algemene ziekenhuizen herbekijken, niet enkel in functie van wat reeds bestaat, maar ook in functie van een billijke verdeling over het ganse grondgebied.
    • Minstens een oplossing voor de zones waarvoor de Audit CVA 2025 aangeeft dat ze te ver afgelegen zijn van ziekenhuizen om een trombolyse snel te kunnen toedienen (regio tussen Heist-op-den-Berg en Diest, regio ten noorden van Durbuy, grensregio’s).
    • Minstens een oplossing voor de zones waarvoor de Audit CVA 2025 aangeeft dat ze te ver afgelegen zijn van de ziekenhuizen die trombectomieën uitvoeren (kuststrook van De Panne tot Middelkerke, het noorden van Oost-Vlaanderen, het noorden van Limburg, regio ten westen van Mechelen, de Vlaamse Ardennen, het oosten van Waals-Brabant, het noorden van de Oostkantons, Andenne, Rochefort, Couvin, Bertrix en heel wat zones van de Waalse Ardennen).
    • Minstens een oplossing voor de zones die na de bijwerking van de Audit CVA 2025 als te ver afgelegen worden beschouwd van een ziekenhuiscentrum dat trombolyses toedient en trombectomieën uitvoert.
    • Minstens een oplossing voor de Duitstalige patiënten, zodat zij in hun moedertaal kunnen worden ontvangen: wanneer zich levensbedreigende urgentie voordoet, is het niet mogelijk om een beroep te doen op de eigen taalvaardigheden of een vertaler te zoeken.
    • Minstens een oplossing voor dove patiënten, zodat ze kunnen worden ontvangen in gebarentaal: wanneer zich levensbedreigende urgentie voordoet, kan het begrijpen van de informatie en de instructies van het zorgpersoneel cruciaal zijn en als dit niet het geval is, kan de reeds door het voorval opgewekte angst en stress toenemen.
    • Minstens een oplossing voor patiënten met een verstandelijke handicap die nood hebben aan gemakkelijk te begrijpen communicatie.

B. Is de transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis of ambulante zorg echt in het belang van de patiënt?

Een transfert van bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis, ongeacht of het voor chirurgische daghospitalisaties, ambulante zorg of revalidatie is, wordt door de door de IMC aangestelde experten als een opportuniteit gezien:

  • Het feit dat de patiënten geen nacht in het ziekenhuis verblijven, maakt ziekenhuiscapaciteit vrij, die beschikbaar wordt voor behoeften aan chronische of revalidatiezorg.
  • Dit maakt een efficiëntere inzet van verpleegkundigen
  • Dit komt tegemoet aan een toenemende vraag naar chronische, geriatrische en revalidatiezorg.
  • Dit maakt het mogelijk een toegankelijk en nabij medisch aanbod te waarborgen.
  • Daghospitalisatie en ambulante zorg zijn comfortabeler en zekerder voor de patiënt.

Dergelijke transfert omvat evenwel ook nadelen in de ogen van de experten:

  • ‘De verkorting van de verblijfsduur in het ziekenhuis leidt tot een grotere patiëntenrotatie, […] met een intensifiëring van de zorg en een toename van administratieve en logistieke taken, die wegen op de werklast van het ziekenhuispersoneel, dat reeds overbelast is.

Vanuit het oogpunt van de patiënt houdt de verschuiving van ziekenhuiszorg naar zorg in een dagziekenhuis serieuze nadelen in.

  • Zal de noodzakelijke verhoging van het aantal acute bedden om zich te vormen tot regionaal algemeen ziekenhuis, als compensatie, allereerst geen vermindering van het aantal revalidatiebedden met zich meebrengen?
  • Volgens het advies van de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) ‘zal het niet mogelijk zijn om alle pathologieën/specialismen in één dagziekenhuis te realiseren’ (FRZV/D/627-2[10]). Deze ‘specialisatie’ van de toekomstige dagziekenhuizen vermindert de nabijheid voor de patiënt des te meer. Dit element heeft een impact op de gezondheidsopvolging van bepaalde handicaps. Wat de visuele handicap betreft, kennen niet alle oftalmologen alle pathologieën die het zicht aantasten. Momenteel houden deze oftalmologen hun consultaties in de ziekenhuizen. Met de hervorming zullen bepaalde beschikbare specialiteiten niet meer in het ziekenhuis beschikbaar zijn waardoor personen met een visuele handicap verplicht zullen zijn grotere afstanden af te leggen voor een deskundige opvolging.
  • Nog steeds uit het advies van de FRZV: om kwaliteitsvolle revalidatiezorg te organiseren, is een multidisciplinair gespecialiseerd team noodzakelijk, dat revalidatiespecialisten, kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, psychologen, neuropsychologen, diëtisten, orthopedisch technici en maatschappelijk assistenten samenbrengt. ‘Het gespecialiseerd multidisciplinair revalidatieteam werkt niet exclusief voor de revalidanten die opgenomen zijn in het revalidatie dagziekenhuis, maar staat tevens in voor de revalidatie van gehospitaliseerde én ambulante revalidanten’ (FRZV/D/627-2). In het huidige ziekenhuislandschap wordt aan deze vereiste voldaan doordat nachthospitalisatie, daghospitalisatie, revalidatie en ambulante zorg op eenzelfde site zijn ondergebracht. Na de geplande hervorming zijn er twee situaties mogelijk: ofwel wordt het dagziekenhuis geïntegreerd in een regionaal algemeen ziekenhuis of een universitair ziekenhuis en sluit het aan bij een gecentraliseerd zorgaanbod, met lange reistijden voor de patiënt; ofwel moet het personeel van de revalidatieteams heen-en-weer pendelen tussen het dagziekenhuis en het regionaal algemeen ziekenhuis of het universitair ziekenhuis, wat de arbeidsomstandigheden van de zorgverleners nog minder comfortabel maakt dan ze nu al zijn. In beide gevallen heeft de maatregel een niet te verwaarlozen impact op het welzijn, hetzij van de patiënten, hetzij van het zorgteam.
  • Daarnaast, ‘het revalidatie dagziekenhuis moet worden geïntegreerd op een locatie waar patiënten ook worden gehospitaliseerd voor revalidatie. De focus ligt immers op het bevorderen van een vlotte doorstroming van gehospitaliseerde patiënten naar het dagziekenhuis’ (FRZV/D/627-2). Instemmen met dit principe komt nogmaals neer op het integreren van de dagziekenhuizen in structuren van regionale algemene ziekenhuizen of universitaire ziekenhuizen en op het verminderen van het zorgaanbod in de buurt. Hier niet mee instemmen betekent daarentegen dat het aantal zorgverleners moet worden vermenigvuldigd, dat het zorgtraject wordt gefragmenteerd met het risico dat het voor de patiënt onleesbaar wordt. Het doen toenemen van het aantal zorgverleners druist bovendien in tegen de behoeften van de patiënten van de derde en vierde leeftijd: zoals de Barometer van de levenskeuzes van de Koning Boudewijnstichting, gewijd aan deze twee leeftijdsschijven, aantoont, uiten deze patiënten de behoefte aan een opgevolgde vertrouwensrelatie met een vaste zorgverlener of een vast team, ongeacht of het gaat om een huisarts of iemand uit hetzelfde thuiszorgteam. Ook voor patiënten met een verstandelijke handicap is de continuïteit van de relatie een verzachtende factor die bijdraagt aan de zorgkwaliteit, wat essentiële prioriteit van de hervorming is.

Hierbij komt nog de bezorgdheid over de financiële toegankelijkheid van het dagziekenhuis, waarop meerdere adviezen van de FRZV nader en herhaaldelijk ingaan:

  • Wie zorgtraject en daghospitalisatie zegt, zegt de verplichting voor de patiënt om zich herhaaldelijk naar het zorgcentrum te begeven, wat de vervoerskosten sterk doet toenemen: ‘De FRZV wil […] wijzen op de kosten voor de patiënt die vaak met bepaalde trajecten gepaard gaan en een aanbod aan revalidatieactiviteiten […]. Bijzondere aandacht voor transportkosten voor de patiënt, zeker bij ambulante activiteiten, is geboden.’ (FRVZ/D/581-2[11]).
  • De hoge vervoerskosten kunnen de patiënt ertoe aanzetten af te zien van de revalidatiezorg: ‘De transportkosten zorgen ervoor dat nu de patiënten langer opgenomen blijven of dat ze hun revalidatietraject vroegtijdig stopzetten’ (FRVZ/D/581-2). In feite activeren de hospitalisaties de terugbetalingsoplossingen ten behoeve van de patiënt, terwijl het vervoer niet wordt terugbetaald. Deze onderbrekingen hebben niet enkel een kostprijs voor de patiënt en zijn gezondheidstoestand, maar ook voor de samenleving, die de kostprijs moet dragen van een zwaardere invaliditeit en van het tijdelijk of definitief verdwijnen van de patiënt van de arbeidsmarkt.
  • Voor de FRVZ moet een toename van de ziekenhuiscapaciteit voor de adaptieve herstelperiode inhouden dat financieringsoplossingen worden ingevoerd, ‘zodat patiënten de huidige financiële drempel zelf niet moeten dragen’ (FRVZ/D/627-2).
  • De klassieke hospitalisaties beperken en de factuur van de werkingskosten van de ziekenhuizen moet niet leiden tot het doorschuiven van de rekening naar de patiënten: ‘Er moet erover worden gewaakt dat een verblijf in het Revalidatie Dagziekenhuis voor de revalidant steeds goedkoper blijft dan een opname op een klassieke revalidatiehospitalisatie-afdeling, waarbij – vanuit patiëntenperspectief – steeds het totaalbeeld in rekening wordt gebracht’ (FRZV/D/627-2).
  • De FRZV vestigt in het bijzonder de aandacht op de patiënten die niet in staat zijn zich autonoom naar het dagziekenhuis te begeven en die nood hebben aan gespecialiseerd vervoer gedurende de ganse revalidatieperiode: ‘een financiële tussenkomst in deze vervoersregeling is essentieel’ (FRZV/D/627-2). Deze situatie heeft niet enkel betrekking op personen met beperkte mobiliteit, verduidelijkt de FRZV nog, maar ook op zeer jonge of bejaarde personen, evenals personen met cognitieve stoornissen, gedragsstoornissen of zwaar vermoeide personen.

De patiënten zijn niet in staat de door de Staat veroorzaakte besparingen te compenseren door het verminderen van de hospitalisaties waarbij ze sterk verhoogde vervoerskosten moeten dragen:

  • Allereerst, omdat de – zelfs essentiële – gezondheidszorg zwaar weegt op de portefeuille van de Belgische bevolking. Een enquête van Test-Aankoop onthult in 2026 dat één gezin op de vijf worstelt met het betalen van essentiële gezondheidskosten. In feite, volgens een studie van de FOD Sociale Zekerheid, wordt in België, in 2023 ongeveer 21,5 % van de totale gezondheidszorguitgaven door huishoudens gedragen. Dit is hoger dan het Europese gemiddelde (14,9 %), alsook de percentages in onze grootste buurlanden’. Voor het overige, nog steeds volgens deze studie, wordt het grootste deel van deze uitgaven net besteed aan ambulante zorg. Bovendien compenseren de aanvullende verzekeringen dit verschil niet: ‘in België is hun rol minder belangrijk dan bijvoorbeeld in Frankrijk of Nederland’.
  • Vervolgens, omdat chronisch zieken of personen met een handicap vaak gerechtigden op een vervangingsinkomen zijn, waarvan de bedragen lager zijn dan de armoedegrens. Zij hebben bijgevolg minder dan wie ook de capaciteit om de hoge kosten te wijten aan hun gezondheidstoestand te dragen.

Bijgevolg vraagt de NHRPH:

  • dat de nieuw opgerichte dagziekenhuizen (lokale medische centra en ziekenhuizen voor intermediaire zorg) de huidige capaciteit aan revalidatiebedden komen aanvullen en de omzetting van deze bedden in acute bedden niet louter compenseren;
  • dat de verdeling van de specialiteiten tussen de dagziekenhuizen zorgvuldig wordt onderzocht, gekoppeld aan de af te leggen afstanden, zodat het nabijheidsaanbod een realiteit wordt voor de patiënten, met inbegrip van de patiënten met een handicap met complexe pathologieën;
  • dat de spreiding van de expertisecentra over het Belgische grondgebied billijk is, met voor alle patiënten een voldoende geografische toegankelijkheid en betaalbare vervoerskosten, zodat de zorgvraag niet wordt ontmoedigd;
  • dat de fragmentering van het zorgtraject en de toename van het aantal zorgverleners zoveel mogelijk worden beperkt om zorgtrajecten met een menselijk gelaat te blijven waarborgen;
  • dat een systeem voor terugbetaling van de vervoerskosten wordt ingevoerd, volgens het model van de terugbetaling van de gezondheidsuitgaven, met inbegrip van het aangepast vervoer voor diegenen van wie de gezondheidstoestand het vereist;
  • dat een aanvullende analyse bij het huidige rapport van de door de IMC aangestelde experten wordt gedaan om de meerkosten voor de patiënt te meten die dit nieuwe zorgsysteem dat meer dan vroeger is gebaseerd op de dagziekenhuizen impliceert;
  • dat voorkeursprijzen worden gewaarborgd voor kansarme personen die onder de armoedegrens leven.

C. Gebeurt de transfert van een bepaalde ziekenhuiszorg naar het dagziekenhuis of ambulante zorg niet ten koste van de mantelzorgers?

Bepaalde klassieke ziekenhuiszorg overdragen naar het dagziekenhuis vereist de nodige bijstand van mantelzorger(s): ‘een repetitieve dagopname in een Revalidatie Dagziekenhuis heeft de volgende voordelen: […] een vroegtijdige en intensieve betrokkenheid van gezin en mantelzorgers’ (FRZV/D/627-2). Dat is misschien een voordeel voor het ziekenhuis, maar ongetwijfeld minder voor de naasten, die ertoe worden gebracht zich ‘intensief’ en ‘vroegtijdig’ – dus op langere termijn – bezig te houden met de verzorging van een dierbare. Hun hulp is immers cruciaal op meer dan één vlak:

  • Voor de terugkeer naar huis: ‘zodra de medische en verpleegkundige zorg minder prominent aanwezig is en de patiënt voldoende zelfredzaam is om ‘s avonds naar huis terug te keren (onder begeleiding van familie of mantelzorgers), kan de pluri- of multidisciplinaire revalidatie verlopen via daghospitalisatie’ (FRZV/D/627-2).
  • Voor het vervoer, verschillende keren per dag, verschillende keren per week: ‘De opname in het Revalidatie Dagziekenhuis heeft een repetitief karakter: de revalidant komt enkele dagen per week tot dagelijks, gedurende een afgebakende periode’ en ‘revalidanten moeten minstens 2 uur of 4 uur revalidatie aankunnen’ (FRZV/D/627-2). Men moet dus verschillende heen-en-terugtrajecten tijdens de week kunnen doen, die bovendien overdag zijn. Het is niet enkel een kwestie van afstand (zie hierboven), het gaat ook om een verplaatsingsprobleem:
    • ofwel wegens ‘geen vervoersmiddelen van en naar het revalidatiecentrum tijdens de kantooruren’ (FRZV/D/627-2);
    • ofwel dat de patiënt niet in staat is zich autonoom te verplaatsen, omdat zijn/haar gezondheidsproblematiek net de reden is waarom dit niet lukt.

Zoals de FRZV in zijn advies inzake revalidatiedagziekenhuizen opmerkt, hangt de revalidatie niet enkel af van de ernst van de functionele beperkingen, maar ook van externe factoren, waaronder de sociale omgeving, het feit van al dan niet alleen te wonen, de aanwezigheid van familie of vrienden, … kortom, van de mogelijkheid om te kunnen rekenen op mantelzorgers. Zodoende vrezen bepaalde personen met een handicap bijvoorbeeld een vroegtijdige terugkeer naar huis omdat ze alleen wonen en een of meerdere nachten in het ziekenhuis willen blijven voordat ze terug naar huis gaan.

De compensatie voor de tekortkomingen van de gezondheidszorgsector door mantelzorgers is niet nieuw. In de studie We care van 2022, uitgevoerd in het kader van de denkoefeningen over de toekomst van de gezondheidszorg in België, verklaren de zorgactoren het volgende:

  • ‘het informeel netwerk [van mantelzorgers] is in grote mate mee bepalend voor het vermogen/capaciteit van ons Belgisch zorg- en welzijnssysteem’;
  • ‘[dit is te wijten aan het feit dat] ons zorgsysteem niet over voldoende middelen en zorgcapaciteit beschikt om alle zorg professioneel op te nemen’;
  • ‘door de epidemiologische verandering naar meer en meer chronisch zieken en multimorbiditeit, […] zal de bijdrage van het informeel netwerk [van de mantelzorgers] sterk blijven toenemen.’

Op basis van deze vaststellingen vragen de gezondheidszorgactoren het volgende:

  • ‘het informeel netwerk [van de mantelzorgers] dient complementair te zijn aan het netwerk van professionals’;
  • structureel inkantelen [van informele zorg door mantelzorgers] in het systeem [van gezondheidszorg]’.

De geplande hervorming van het ziekenhuislandschap, met de transfert van bepaalde klassieke ziekenhuiszorg past hierin en is hoe dan ook gebaseerd op een toegenomen betrokkenheid van mantelzorgers. Deze hervormingspiste is evenwel niet zonder gevolg:

  • Voor de patiënt: wat gebeurt er indien laatstgenoemde niet op mantelzorgers kan rekenen?
  • Voor de mantelzorgers: de gedeeltelijke of totale opschorting van hun beroepsactiviteiten gedurende een min of meer lange tijd, zelfs op lange termijn in geval van handicaps met grote afhankelijkheid, weegt op hun inkomsten en heeft een invloed op hun toegang tot sociale rechten, met name op het vlak van pensioen.
  • Voor de samenleving: ter herinnering, 35 % van de kosten van een CVA komt overeen met zorg toegediend door naasten, wegens de vermindering van de beroepsactiviteit van deze mantelzorgers.

Bijgevolg vraagt de NHRPH:

  • dat de besparingen van de gezondheidszorgsector niet ten koste van de patiënten en hun mantelzorgers gebeuren;
  • een echt statuut dat leidt tot sociale rechten voor mantelzorgers (zie advies 2026/9 van de NHRPH hierover);
  • compenserende maatregelen ter ondersteuning van de patiënten die niet op een netwerk van mantelzorgers kunnen rekenen;
  • om de thuiszorg te versterken teneinde een alternatief te bieden voor de patiënten die niet in staat zijn zich voldoende regelmatig te verplaatsen om te genieten van een opvolging in een lokaal medisch centrum of in een ziekenhuis voor intermediaire zorg.

D. Maakt de hervorming van de medische wachtdienst deze zichtbaarder en toegankelijker?

De NHRPH waardeert de aanbevelingen van de experten voor:

  • Het versterken van de opleiding van de operatoren van de noodnummers;
  • Het definiëren van ‘het dichtstbijzijnde ziekenhuis’ als ‘het centrum dat over de geschikte infrastructuur voor de vermoedelijke pathologie beschikt’.

De NHRPH is daarentegen bezorgd over een exclusieve locatie van de wachtposten in het gebouw van de regionale algemene ziekenhuizen. Het nagestreefde doel is om de wachtposten te organiseren ‘complementair aan de spoeddienst van een RAZ [regionaal algemeen ziekenhuis]’. Deze aanbeveling stelt opnieuw de vraag van de geografische toegankelijkheid en de vervoersproblemen, met inbegrip van gespecialiseerd vervoer (zie hierboven), mogelijk op uren waarop de vervoersmiddelen beperkt zijn.

Bovendien vestigt de NHRPH de aandacht op het feit dat de spoeddiensten, naast het toedienen van eerstelijnszorg, ook een sociale functie vervullen. De betaling van verleende zorg in een spoeddienst gebeurt na ontvangst van de factuur, waardoor huishoudens die in financiële moeilijkheden verkeren, hun uitgaven kunnen spreiden en beter kunnen plannen.

Daarom vraagt de NHRPH:

  • de verdeling van de wachtposten, net als de spoeddiensten en de regionale algemene ziekenhuizen, te herzien, niet enkel in functie van wat reeds bestaat, maar ook in functie van een billijke verdeling over het hele grondgebied;
  • andere oplossingen voor de overbelasting van de spoeddiensten te overwegen, zoals dewelke werd ingevoerd door het UMC Sint-Pieter in Brussel dat inderdaad met patiënten in een precaire sociale situatie wordt geconfronteerd, ‘mannen en vrouwen die vaak geen deftig dak boven het hoofd hebben, en die daar bovenop kampen met verslaving en een ernstige psychische kwetsbaarheid. Ze lopen verloren in het klassieke zorgsysteem. Het invoeren van een meervoudige en geïndividualiseerde opvolging door een case manager maakt geïntegreerde zorg mogelijk, naast crisissituaties, waar medische zorg, psychologische ondersteuning en sociale interventie worden gecombineerd.
  • informatiecampagnes te organiseren om het nummer 1733 kenbaar te maken bij de bevolking. Een transversale bewustmaking tijdens het laatste humaniorajaar zou ook een concrete en dragende aanpak kunnen zijn.

E. Het verplicht uniek elektronisch patiëntendossier (EPD): welke toegang, voor wie en om wat te doen?

In hun rapport pleiten de door de IMC aangestelde experten voor een complete digitalisering van de patiëntengegevens, de invoering van een uniek en uniform nationaal EPD, en de invoering van een interoperabel nationaal platform. Een ruime verbinding tussen het EPD en andere systemen wordt aanbevolen: administratieve databases, eHealth, RIZIV, de ziekenfondsen, PACSonWeb, de ziekenhuisnetwerken en het globaal medisch dossier dat wordt beheerd door de huisarts met name. In het eindrapport We Care van 2022 dat tot doel heeft een interfederaal plan voor geïntegreerde steun en zorg op te stellen, dringen de zorgactoren aan op een globalere aanpak van de gezondheid die verder gaat dan loutere gezondheidszorg, genaamd ‘health in all policies’. Deze aanpak houdt een nog ruimere kennisdeling in, door middel van digitale hulpmiddelen, met de gemeenten, de lokale besturen, de OCMW’s en de verzekeringsmaatschappijen.

De NHRPH herinnert eraan dat gezondheidsgegevens gevoelige persoonsgegevens zijn en dat ze vallen onder de GDPR. De patiënt heeft dan ook:

  • het recht om te worden geïnformeerd over de finaliteit van het verzamelen van de persoonsgegevens, de bewaartermijn en de derden aan wie deze gegevens worden bezorgd en de juridische basis waarop de gegevens worden verwerkt;
  • het recht op de verklaring van vrijwillige toestemming, met dien verstande dat de verklaring wordt gedefinieerd als ‘elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt’ (Wat zijn mijn rechten? | Gegevensbeschermingsautoriteit);
  • het recht om zijn toestemming op ieder moment in te trekken zonder zich te moeten rechtvaardigen;
  • het recht op wissen, of het recht om vergeten te worden, met name wanneer de gegevens werden bekomen zonder expliciete toestemming of vanwege een minderjarige;
  • het recht om zich te kanten tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens, behalve dringende reden, en tegen geautomatiseerde beslissingen.

De NHRPH vraagt:

  • dat de burgerrechten op het vlak van bescherming van het privéleven strikt worden gevrijwaard;
  • dat de patiënt volledige toegang tot zijn gegevens heeft, met inbegrip van de mogelijkheid om opmerkingen en feedback toe te voegen;
  • dat de patiënt kan zien wie zijn gegevens heeft geraadpleegd;
  • dat het delen van gevoelige gezondheidsgegevens met derden die niet behoren tot het medisch personeel of de commercialisering ervan verboden zijn;
  • dat de strenge vereisten op het vlak van cyberbeveiliging worden toegepast teneinde iedere recuperatie van deze gevoelige gegevens door personen of groeperingen met slechte intenties te verhinderen.

In het rapport van de IMC-experten wordt ook overwogen om een beroep te doen op artificiële intelligentie (AI) en machine learning (ML) [die] innovaties bieden die zorgverleners kunnen ondersteunen bij triage, met name door de diensten voor dringende medische hulpverlening. De NHRPH herinnert daartoe eraan dat dit gebruik als hoog risico wordt beschouwd door de AI Act, die een aantal verplichtingen daartoe oplegt:

  • een risicomanagementsysteem invoeren, dat regelmatig wordt herzien en bijgewerkt gedurende de hele AI-levenscyclus;
  • volledige en foutloze, kwaliteitsvolle gegevens gebruiken om de bias te beperken en billijke en transparante resultaten te waarborgen;
  • nauwkeurige, robuuste en betrouwbare systemen ontwikkelen of gebruiken, die bestand zijn tegen fouten en mankementen;
  • relevante gebeurtenissen registreren met de bedoeling om de risico’s te identificeren en rekening te houden met substantiële wijzigingen;
  • menselijk toezicht waarborgen teneinde te de risico’s voor de gezondheid, de veiligheid en de fundamentele rechten te voorkomen of beperken; het personeel belast met dit toezicht bij de ontwikkelaar moet in staat zijn de toevertrouwde taak uit te voeren;
  • een actuele gedetailleerde technische documentatie bewaren om aan te tonen dat het systeem de wettelijke voorschriften naleeft;
  • duidelijke gebruiksinstructies en informatie over de mogelijkheden, de beperkingen en de mogelijke risico’s van het systeem verschaffen;
  • een impactanalyse over de fundamentele rechten uitvoeren;
  • een gedocumenteerd kwaliteitsmanagementsysteem invoeren;
  • een conformiteitsbeoordeling door een derde waarborgen;
  • de AI-systemen registreren in de centrale databank die wordt bijgehouden door de Europese Commissie en deze informatie toegankelijk maken voor het publiek.

De NHRPH eist:

  • dat alle maatregelen op het vlak van beveiliging en risicopreventie die zijn voorzien door de Europese regelgeving worden nageleefd;
  • dat het risicomanagementsysteem ook onderzoek naar de bias ten nadele van kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, inhoudt.

De NHRPH herinnert ten slotte eraan dat het gebruik van artificiële intelligentie in de gezondheidszorgsector enorm veel risico’s inhoudt; met sommige van deze risico’s moet absoluut rekening worden gehouden in de denkoefening rond de huidige hervorming. De NHRPH verwijst naar zijn recente positienota inzake AI en gezondheidszorg.

F. Welk concept van ‘geïntegreerde zorg’ in een context van een groeiende medische woestijn?

Een van de doelstellingen die door de experten, aangesteld door de IMC, wordt bepleit, is om in België een model van ‘geïntegreerde zorg’ in te voeren: ‘Bij een geïntegreerd zorgmodel staat niet langer ziekenhuiszorg centraal, maar wordt het één van de pijlers, binnen een systeem van gecoördineerde patiëntgerichte zorg’. Een dergelijk systeem berust, volgens de definitie van de WHO (zie hierboven), op multidisciplinaire teams. Deze omvatten o.a. het ziekenhuis, eerstelijnszorg en residentiële structuren.

Uit datzelfde advies van de door de IMC aangestelde experten komt evenwel het volgende: ‘de samenwerking met de eerste lijn verloopt […] soms ook moeizaam, wat een belangrijke hinderpaal is in de evolutie naar meer geïntegreerde zorg’. De experten wijzen ook op ‘een patiëntenstop bij een toenemend aantal huisartsen. Bepaalde zones van België hebben het op dit vlak erg moeilijk. Dat is het geval in de provincie Luxemburg, waar de medische dichtheid sterk is gedaald en dit grondgebied onder de kritieke schaarstedrempel is gedoken die op 90 actieve artsen voor 100 000 inwoners is vastgesteld[12]. Voor de FRZV ‘dient te worden ingezet op uitbouw van de eerstelijnszorg zodat continuïteit en kwaliteit van zorg gewaarborgd blijven (FRZV/D/627-2).

De schaarste treft ook de artsen-specialisten: psychiaters, geriaters, oncologen en reumatologen ontbreken op het appel, benadrukken de door de IMC aangestelde experten. In de laars van Henegouwen kan het overlijden van een specialist patiënten ertoe dwingen hun behandeling te onderbreken, wegens te grote af te leggen afstanden om een andere specialist te vinden die bereid is hun opvolging te waarborgen (‘Sommige patiënten beslissen hun behandeling stop te zetten’: in Chimay is de vrees om het ziekenhuis te zien verdwijnen reëel l - RTL Info).

De NHRPH vestigt de aandacht op het feit dat het tekort aan artsen en verzadiging van de bestaande kabinetten de wachttijden doet toenemen en bijgevolg de toegang tot zorg hypothekeren.

Bijgevolg vraagt de NHRPH:

  • een versterking van de eerstelijnszorg voorafgaand aan de inwerkingtreding van de ziekenhuishervorming;
  • een evaluatie en een hervorming van de numerus clausus die van kracht is voor geneeskundestudies.

De NHRPH pleit er ook al lang voor om de hele nomenclatuur aan te passen aan de situatie van personen met een handicap die aangepaste en omstandige raadplegingen nodig hebben. De NHRPH stelt vast dat dit aspect absoluut niet wordt vermeld in de hervorming. De NHRPH vraagt dat dit aspect in aanmerking wordt genomen:

  • De integratie in de hele nomenclatuur van de dimensie ‘toegankelijkheid van de informatie en de zorg’ voor personen met een handicap.

Ten slotte is de NHRPH bezorgd om het ontwerp tot herziening van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen die onder andere beoogt medische taken te delegeren aan andere gezondheidszorgverleners dan de artsen. Deze pseudo-oplossing, die naar voren wordt geschoven om het probleem van de onvoldoende bediende zones op te lossen, zou de facto akte nemen van een geneeskunde met 2 snelheden. Voor het overige is de hervorming van de thuiszorg, die onlangs werd doorgevoerd, in dezelfde richting gegaan zonder dat de impact van de hervorming ooit werd geëvalueerd. De NHRPH vraagt bijgevolg:

  • de evaluatie van de delegatie van medische zorg in het kader van thuiszorg alvorens over te gaan tot de uitbreiding van hetzelfde principe voor de invoering van het concept geïntegreerde zorg.

G. Andere verwachtingen van de NHRPH

Meer algemeen herinnert de NHRPH aan de aanbevelingen van de VN-deskundigen geformuleerd aan België in 2024 en met name de zware aanbeveling 51:

  • verplichte toegankelijkheidsnormen uitbreiden naar alle medische en paramedische infrastructuren en gezondheidsdiensten, en deze aanpassen aan leeftijd en gender;
  • ervoor zorgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en tegen betaalbare kosten toegang hebben tot gezondheidszorg, onder meer door specifieke uitkeringen toe te kennen aan personen met een handicap met een financiële achterstand en door deze uitkeringen te integreren in het algemene uitkeringsstelsel in alle gewesten;
  • ervoor zorgen dat het mensenrechtenmodel van handicap en respect voor de waardigheid, autonomie en behoeften van personen met een handicap systematisch worden opgenomen in de leerplannen voor de opleiding van alle medische en gezondheidsprofessionals.

Daarom herinnert de NHRPH aan een aantal concepten die in aanmerking zouden moeten worden genomen in het hervormingsproject: universeel ontwerp (universal design), redelijke aanpassingen, cognitieve en sensorische toegankelijkheid, digitale toegankelijkheid en ook de manier waarop de opleiding en de bewustmaking van zorgpersoneel moet worden versterkt om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap en hun omgeving.

De NHRPH vraagt dus met name:

  • dat de werkzaamheden voor het vergroten van bestaande infrastructuren en de aanpassingen van bouw- of renovatieprojecten van ziekenhuisinrichtingen verplichtingen op het vlak van toegankelijkheid integreren ten behoeve van alle soorten handicap en dat de toegekende sommen voor het toekomstige Transitiefonds hiervoor kunnen worden aangewend;
  • dat de zorgverleners worden opgeleid voor de bijzondere behoeften van personen met een handicap.

H. Conclusie

Voor de NHRPH blijven verschillende vragen onbeantwoord bij het lezen van het rapport van de door de IMC aangestelde experten, waardoor het niet mogelijk is de volledige impact van het project te vatten:

  • In de indeling volgens courante aandoeningen en complexe aandoeningen, welke pathologieën vallen onder de eerste en de tweede categorie?
  • Wat is de territoriale verspreiding van de expertisecentra die voortvloeit uit de hervorming en voor welke complexe aandoeningen?
  • Hoeveel van de 29 ziekenhuizen die niet aan de vereisten van 2026 voldoen, kunnen evenmin 90 bedden rechtvaardigen, wat een noodzakelijke voorwaarde is om een ziekenhuis voor intermediaire zorg gesitueerd op een eigen site te worden?
  • Wat is de geraamde impact van de fusies over de territoriale verspreiding van de ziekenhuizen?
  • Het rapport verzoekt de deelgebieden tot flexibiliteit op het vlak van vestiging, constructie en renovatie van de ziekenhuisinrichtingen: wat is het werkelijke flexibiliteitsvermogen van de deelgebieden en welke impact zal dit hebben op de territoriale verspreiding?
  • Wat is de gemiddelde reistijd met de ziekenwagen in iedere provincie om een spoeddienst te bereiken? En met het openbaar vervoer?
  • Wat zijn de voor- en nadelen van het delegeren van medische zorg aan zorgverleners die geen arts zijn, een reeds gevolgde mogelijkheid in het kader van de hervorming van de thuiszorg?

Indien we het hervormingsproject meten naar de vijf doelstellingen die als kompas hebben gediend voor de auteurs van het rapport, kunnen we alleen maar vaststellen dat er onvoldoende aan deze doelstellingen is voldaan:

  • Financiële toegankelijkheid: Het hervormingsproject beoogt weliswaar een meer houdbaar zorgsysteem voor de overheidsuitgaven, maar houdt ook hogere kosten voor de patiënten De verschuiving van klassieke ziekenhuiszorg naar een dagziekenhuis verhoogt de frequentie van de trajecten en impliceert dat patiënten vaker een beroep moeten doen op mantelzorgers. Hoewel de ziekenhuiszorg zelf wordt terugbetaald, geldt dit niet voor het vervoer. Om de daghospitalisatie te ondersteunen zullen mantelzorgers ertoe verplicht worden hun professioneel leven langer on hold te zetten, met een grotere impact op hun inkomsten en hun sociale rechten, waaronder het pensioen. Op termijn is het niet zeker dat de verschuiving van de kosten gunstig is voor de samenleving, aangezien het productiviteitsverlies van de mantelzorgers ook weegt op de financiën van de Staat.
  • Het gaat niet enkel om de financiële toegankelijkheid, maar ook om de geografische toegankelijkheid. De vermindering van het aantal ziekenhuizen voor acute zorg, spoeddiensten en wachtposten – indien deze zich concentreren op de sites van regionale algemene ziekenhuizen – heeft een grote negatieve impact op de toegang tot zorg, of het nu gaat om acute zorg, vitale zorg, raadplegingen buiten de daguren of onderzoeken of raadplegingen bij specialisten.
  • Zorgkwaliteit en welzijn van de patiënten: de zorgfragmentering en het toenemende aantal verschillende zorgverleners voor dezelfde patiënt dehumaniseren de zorgrelatie en hebben een negatieve impact op het welzijn van de patiënten.
  • Billijkheid: Door te vertrekken van wat bestaat in plaats van welke behoeften er zijn, creëert het hervormingsproject van een ongelijke ziekenhuisdekking tussen de gewesten en provincies, waarbij bepaalde zones zonder minimale dekking blijven, met vitale risico’s voor de inwoners ervan. En kiezen voor een delegatie van medische zorg aan zorgverleners die geen arts zijn om het probleem van de slecht bediende zones op te lossen, dat is opteren voor een geneeskunde met twee snelheden, in strijd met het billijkheidsbeginsel.

Als men dit hervormingsproject evalueert volgens de resultaten van de SWOT-analyse, blijkt dat de aangehaalde zwakheden, verre van opgelost of zelfs maar verminderd, nog groter worden door het hervormingsproject:

  • Enkel het overtollige aanbod van acute zorg wordt geherdimensioneerd.
  • Het hervormingstraject versterkt en bestendigt zelfs het tekort aan artsen, de fragmentering van de zorg, de ongelijke kwaliteit van spoedzorg en de geneeskunde met twee snelheden zonder oplossingen voor te stellen.
  • Het hervormingsproject lost de ontoereikende financiering niet op, maar schuift het de kosten door naar de patiënten, de mantelzorgers, en in fine naar de samenleving zelf.

Conclusie, hoewel het project tot hervorming van het ziekenhuislandschap positieve vooruitgang bevat, is de NHRPH van oordeel dat het project niet klaar is voor implementatie en ook kostelijk en onbillijk is.

Niet klaar voor implementatie, omdat:

  • het herdimensioneren van de ziekenhuisrol op basis van het model van geïntegreerde zorg in een context van een tekort aan eerstelijnsartsen een risico voor de volksgezondheid inhoudt, dat niet mag worden genegeerd;
  • ook omdat talrijke aspecten met betrekking tot de toegankelijkheid van de zorg en van de begeleiding niet in de denkoefening werden geïntegreerd. Deze aspecten zijn nochtans rechtstreeks gekoppeld aan 2 van de 5 doelstellingen van de hervorming: zorgkwaliteit en welzijn van de patiënt.

Kostelijk en onbillijk:

  • In het kader van de besparingen van de Staat, verhoogt de hervorming de kosten voor gezondheidszorg voor de patiënten, die reeds een groter deel van de gezondheidsuitgaven dragen dan hun Europese buren.
  • Om het tekort aan zorgverleners op te lossen, schuift de hervorming de zorglast door naar de mantelzorgers zonder statuut, die sociale rechten verliezen.

De NHRHP betreurt dat het hervormingsproject, dat vertrekt vanuit de bestaande toestand in plaats van de behoeften, tot een geografisch en financieel ontoegankelijkere zorg, een nog meer gefragmenteerd ziekenhuislandschap en een geneeskunde met twee snelheden leidt, terwijl de doelstelling ervan juist was om deze problemen te verhelpen.

Om al deze redenen vraagt de NHRPH de minister om de hervorming uit te stellen, teneinde het onevenwicht in de toegang en de begeleiding tot zorg in aanmerking te kunnen nemen in de denkoefening en de hervormingspistes concreet af te stemmen op het kompas met de vijf doelstellingen.


[1] Tenzij anders vermeld, verwijzen de citaten naar het rapport van de experten: Aanbevelingen door de expertgroep voor de hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap. Veranderen om te behouden (2026-2036).

[2] Een ziekenhuis voor acute zorg of algemeen ziekenhuis is, in tegenstelling tot een gespecialiseerd ziekenhuis, ‘een instelling voor gezondheidszorg waar medische onderzoeken en behandelingen gebeuren (geneeskunde, heelkunde en verloskunde). […] Patiënten verblijven er omdat hun gezondheidstoestand specifieke zorgen vereist. Hun ziektes of letsels worden er op een zo kort mogelijke tijd bestreden’ (De algemene ziekenhuizen | Vivalis).

[3] Onder primaire gezondheidszorg, of eerstelijnszorg, wordt verstaan: ‘de zorg op het eerste niveau, dat wil zeggen het zorgniveau dat de toegangspoort vormt tot het zorgsysteem, dat algemene, alomvattende, continue en geïntegreerde zorg biedt die toegankelijk is voor de hele bevolking, en dat de diensten coördineert en integreert die nodig zijn op andere zorgniveaus’ (Waarom primaire gezondheidszorg? - Fédération des maisons médicales).

[4] Interne geneeskunde is een medische specialiteit die zich richt tot patiënten met complexe, vaak meerdere gezondheidsproblemen of moeilijk te verklaren symptomen (Interne geneeskunde | CHU Brugmann).

[5] De volgende berekeningen zijn gebaseerd op de cijfers van Statbel op 01/01/2025 (Structuur van de bevolking | Statbel)

[6] Paier-Abuzahra M, Posch N, Jeitler K, Semlitsch T, Radl-Karimi C, Spary-Kainz U, et al. Effects of task-shifting from primary care physicians to nurses: an overview of systematic reviews. Hum Resour Health. 2024;22(1):74. Bomholt KB, Nebsbjerg MA, Burau V, Mygind A, Christensen MB, Huibers L. Task shifting from general practitioners to other health professionals in out-of-hours primary care - a systematic literature review on content and quality of task shifting. Eur J Gen Pract. 2024;30(1):2351807. Mekonnen AB, McLachlan AJ, Brien JA. Effectiveness of pharmacist-led medication reconciliation programmes on clinical outcomes at hospital transitions: a systematic review and meta-analysis. BMJ Open. 2016;6(2): e010003. Bourne RS, Jennings JK, Panagioti M, Hodkinson A, Sutton A, Ashcroft DM. Medication-related interventions to improve medication safety and patient outcomes on transition from adult intensive care settings: a systematic review and meta-analysis. BMJ Qual Saf. 2022;31(8):609-22.

[7] Het rapport bestaat niet in het Nederlands.

[8] Slechts 96 ziekenhuizen hebben deelgenomen aan de audit CVA.

[9] De ratio die in de Audit wordt gehanteerd om de reistijd met de ziekenwagen te berekenen, bestaat uit het optellen van de reistijd van de ziekenwagen om de patiënt op te halen bij de reistijd van de woning van de patiënt naar de spoeddienst, waaraan 15 minuten worden toegevoegd voor het uitstappen uit de ziekenwagen, en die vervolgens wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,2 om rekening te houden met eventuele verkeersproblemen. Aangezien de CVA-audit geen gedetailleerde reistijden per provincie geeft, gaan we uit van de reistijden per provincie voor privévoertuigen zoals vermeld in het rapport van de IMC-experten, die we vermenigvuldigen met twee om de heenreis naar de woning van de patiënt en de terugreis naar de spoeddienst te berekenen. We tellen daar de 15 minuten bij op voor het aanmelden bij de spoeddienst. Ten slotte laten we de coëfficiënt weg, aangezien verkeersopstoppingen al zijn meegenomen in de reistijd met een privévoertuig. Bij onze berekening gaan we er bovendien vanuit dat de ziekenwagen vertrekt vanaf de dichtstbijzijnde spoeddienst, wat niet altijd het geval is.

[10] Het gaat om de visienota van FRZV betreffende revalidatiedagziekenhuizen.

[11] Advies van de FRZV met betrekking tot de programmatie en het aanbod aan revalidatiezorg van 2023.

[12] Schriftelijke parlementaire vraag van mevrouw Mélissa Hanus aan de heer Yves Coppieters, Waals minister van Gezondheid, 12 maart 2026.

  • Raadplegingen: 33

Samenvatting van het advies 2026/12: Toegankelijke websites van de federale overheid

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

De controle op de toegankelijkheid van websites van de federale overheid door de FOD Beleid & ondersteuning (BOSA)

Standpunt van de NHRPH:

  • Alle websites en apps van de federale overheid die bestemd zijn voor het publiek moeten toegankelijk zijn voor iedereen, en dit zowel technisch als inhoudelijk.
  • De toegankelijkheidseis moet systematisch worden opgenomen in de aanbesteding voor het ontwerp van websites. Dit moet wettelijk afdwingbaar worden.
  • De digitale toegankelijkheid moet een hoge prioriteit zijn voor elke administratie en elke regering, aangezien steeds meer essentiële administratieve zaken online gebeuren.
  • In alle administraties en diensten moeten er volwaardige niet-digitale alternatieven blijven bestaan.

Eisen van de NHRPH:

  • Er moet een exhaustieve lijst komen van alle publieke federale websites van overheidsinstanties.
  • BOSA moet voldoende middelen en personeel krijgen voor een regelmatige en complete evaluatie van alle openbare overheidswebsites.
  • BOSA moet over sancties kunnen beschikken bij niet-naleving van de toegankelijkheidsvereisten.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 10

Advies 2026/12: Toegankelijke websites van de federale overheid

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Digitale kloof

Advies nr. 2026/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de controle op de toegankelijkheid van websites van de federale overheid door de FOD Beleid & ondersteuning (BOSA).

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18/05/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de FOD Beleid & Ondersteuning (BOSA)
  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan De heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan alle ministers van de federale regering
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Sinds 23 september 2020 moeten websites en mobiele applicaties van de Belgische overheidsdiensten toegankelijk zijn voor iedereen, en in het bijzonder voor de 15% van de bevolking die lijdt aan een visuele, auditieve, cognitieve of motorische handicap (wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties). In overeenstemming met artikel 8 van die wet is er een instantie die periodiek toezicht houdt op de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, nl. de FOD BOSA.


3. ANALYSE

Situatie

Er zijn 6 controle-instanties in België (federaal, gemeenschappen en gewesten) om de toegankelijkheid en de conformiteit van overheidswebsites volgens de EU-regels te monitoren. BOSA doet dit op federaal niveau, in overeenstemming met het Koninklijk besluit van 5 september 2019 tot aanduiding van de instantie die toezicht houdt op de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, en tot vaststelling van de toezichtmethodiek.

Elk jaar stelt BOSA een lijst van federale websites op die dat jaar zullen worden gecontroleerd. In 2026 zal BOSA meer dan 250 websites evalueren, met als doel zo veel mogelijk toegankelijke federale websites van de publieke sector voor zo veel mogelijk mensen te evalueren.

Enkele criteria:

  • Verschillende sectoren (financiën, volksgezondheid, bestuur, vrije tijd, …)
  • Prioritaire toegankelijkheidsbehoeften: websites die belangrijke informatie voor het grote publiek bevatten
  • Bezoekersaantallen

BOSA gaat o.a. na of de websites en apps conform zijn met de technische norm EN 301 549.

BOSA doet zowel vereenvoudigde als diepgaande audits. Wat deze laatste betreft, worden ongeveer 50 websites en applicaties gecontroleerd door toegankelijkheidsexperten. Er is ook opvolging na de audit, maar er zijn geen sancties bij niet-naleving.

BOSA beschikt over een lijst van openbare websites en apps van federale overheidsdiensten, maar die is niet exhaustief.

BOSA biedt ook hulp en instrumenten aan openbare instellingen bij het ontwikkelen van een toegankelijke website of het aanpassen van een minder toegankelijke website: inhoudsbeheer, het opstellen van een toegankelijkheidsverklaring (verklaring van de graad van toegankelijkheid van de website of app), een Accessibility Check, opleidingen enz.

BOSA wenst ook input van de handicapsector, omdat de sector weet en ervaart waar de tekorten en problemen inzake toegankelijkheid zich bevinden. BOSA stelde de NHRPH volgende vragen:

  • Welke openbare websites of mobiele apps zouden prioriteit moeten krijgen bij een toegankelijkheidsaudit, en welke daarvan zouden een grondige audit verdienen?
  • Welke openbare websites/mobiele apps zijn volgens de NHRPH op dit moment het moeilijkst te gebruiken voor personen met een handicap, en welke online handelingen (bijvoorbeeld een formulier invullen, een afspraak maken, inloggen op een account of een betaling uitvoeren) leveren de meeste problemen op? Heeft de NHRPH concrete voorbeelden hiervan?
  • Ontvangt de NHRPH klachten of meldingen over openbare websites die ingewikkeld of ontmoedigend zijn om te gebruiken?

Aangezien de NHRPH van mening is dat alle publieke websites van overheidsinstellingen toegankelijk moeten zijn, zal de NHRPH geen prioriteitenlijst opstellen voor een toegankelijkheidsaudit door BOSA. Uiteraard zijn sommige websites belangrijker voor het publiek en personen met een handicap dan andere. De NHRPH ontvangt immers regelmatig klachten over ontoegankelijke websites. Enkele voorbeelden van websites die het voorwerp waren van klachten of opmerkingen inzake toegankelijkheid:

  • Itsme – nochtans een zeer belangrijke website voor officiële identificatie – is niet toegankelijk voor iedereen. Op die manier blijven veel andere overheidswebsites die een identificatie vereisen ook ontoegankelijk.
  • De website voor de voorlopige bewindvoerders: Elk jaar moet de bewindvoerder een verslag van het bewind opstellen. Het systeem wordt echter niet door iedereen als gebruiksvriendelijk of intuïtief ervaren.

Algemeen stelt de NHRPH vaak de volgende problemen vast:

  • Ontoegankelijke formulieren
  • Slecht contrast
  • Onduidelijke namen van links
  • Ontbreken van bubbels met gebarentaal voor belangrijke informatie
  • Foto’s zonder beschrijving
  • Ontoegankelijke tabellen of pdf’s
  • Complex taalgebruik – ontbreken van eenvoudig te begrijpen taal

4. ADVIES

  • Het standpunt van de NHRPH is dat alle websites en apps van de federale overheid die bestemd zijn voor het publiek toegankelijk moeten zijn voor iedereen, en dit zowel technisch als inhoudelijk.
    De toegankelijkheid moet een hoge prioriteit zijn voor elke administratie en elke regering, aangezien steeds meer essentiële administratieve zaken online gebeuren.
    Daarnaast moeten er volwaardige niet-digitale alternatieven blijven bestaan. Het wettelijk vereiste alternatief (minimaal één niet-digitaal alternatief) is onvoldoende. De NHRPH pleit ervoor dat openbare diensten ook altijd bereikbaar blijven via post, telefoon en fysiek loket. De overheid moet het goede voorbeeld geven. De NHRPH verwijst hierbij naar zijn advies 2025-32 over de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties.
    • Van bij de conceptfase moet er rekening worden gehouden met integrale toegankelijkheid. Een website of app toegankelijk ontwerpen is efficiënter en goedkoper dan achteraf proberen te remediëren.
    • Zowel de verantwoordelijken voor de technische aspecten van de website als de verantwoordelijken voor de inhoud moeten de toegankelijkheidsvereisten kennen en naleven.
    • Dat betekent ook dat toegankelijkheid systematisch moet worden opgenomen in de aanbesteding voor het ontwerp van websites. Dit moet wettelijk afdwingbaar worden.
    • De toegankelijkheid van websites en apps moet wettelijk worden verankerd. Dat betekent ook dat er sancties moeten zijn bij niet-naleving van de toegankelijkheidsregels.
    • De NHRPH vraagt dat de klachtenprocedure duidelijker wordt vermeld op elke website en dat de administraties de klachten goed opvolgen en de indiener van de klacht op de hoogte houden.
    • De NHRPH roept de handicapsector op om niet-toegankelijke federale overheidswebsites te melden bij BOSA.
  • De NHRPH waardeert het werk van BOSA en vraagt de overheid om voldoende middelen te voorzien voor zijn opdracht.
    • Er moet een exhaustieve lijst komen van alle publieke federale websites van overheidsinstanties. Dit kan worden bereikt met een meldingsplicht voor nieuwe websites van overheidsdiensten.
    • BOSA moet voldoende middelen en personeel krijgen voor een regelmatige en complete evaluatie van alle openbare overheidswebsites.
    • BOSA moet over sancties kunnen beschikken bij niet-naleving van de toegankelijkheidsvereisten.

Zowel de ministers Matz, Van Peteghem als Beenders hebben al aangekondigd dat ze werk zullen maken van digitale toegankelijkheid. De NHRPH zal niet nalaten hen te herinneren aan hun beloftes.

  • Raadplegingen: 25

Samenvatting van het advies 2026/16: Vergoeding voor aangewezen artsen

Op vraag van Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap.

Onderwerp:

De vaststelling van het barema van de vergoedingen van de aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch-administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap

Standpunt van de NHRPH:

De NHRPH is verbaasd over het geringe financiële verschil tussen de verschillende soorten onderzoeken, wat artsen ertoe zou kunnen aanzetten de voorkeur te geven aan onderzoeken op basis van documenten; bepaalde medische of levenssituaties vereisen echter menselijk contact.

Eisen van de NHRPH:

  • Verduidelijking van het kader: Regels vaststellen die een fysiek raadpleging voorschrijven in plaats van een loutere analyse van documenten.
  • Eerlijke vergoeding: Financiële vergoeding voor reistijd, ongemak (parkeren, moeilijke bereikbaarheid) en de complexiteit van onderzoeken buiten de dokterspraktijk.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 9

Advies 2026/16: Vergoeding voor aangewezen artsen

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2026/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van ministerieel besluit tot vaststelling van het barema van de vergoedingen van de aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch-administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 22 juni 2026 en goedgekeurd via e-mail op 30 juni 2026.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, bij brief van 5 juni 2026 en met toepassing van de spoedprocedure.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter info aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter info aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
  • Ter info aan de federale ombudsman
  • Ter info aan de Nationale Arbeidsraad

2. ONDERWERP

Vaststelling van het barema van de vergoedingen van de aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch-administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.


3. ANALYSE

Het ontwerp van ministerieel besluit is meer bepaald vastgesteld ter uitvoering van artikel 20, § 1 van het ontwerp van het koninklijk besluit van XX XX 2026 (nog niet bekend) tot instelling van een administratief register van aangewezen artsen-evaluatoren, belast met het verrichten van medisch administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (zie advies 2026-15).

De voorziene vergoedingen dekken de verschillende categorieën handelingen die de artsen-evaluatoren namens de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid kunnen moeten verrichten, met name:

  • de beoordeling op stukken;
  • het onderzoek van de persoon na oproeping;
  • bezoeken in een instelling of aan huis;
  • onderzoeken in de privépraktijk van de arts-evaluator;
  • gespecialiseerde adviezen aan het multidisciplinaire team;
  • deelname aan gerechtelijke expertises;
  • deelname aan opleidings-, reflectie-, intervisie- of multidisciplinaire uitwisselingssessies georganiseerd door de Dienst

Het ontwerp verduidelijkt tevens dat de vastgestelde vergoedingen alle kosten dekken die verband houden met de betreffende handeling, met inbegrip van de voorbereiding, de analyse van het dossier, het verzamelen van aanvullende medische of paramedische informatie, alsook het opstellen en invoeren van het verslag of het advies in het door de Dienst voorgeschreven formaat. Het voorziet bovendien in een indexeringsmechanisme voor bepaalde bedragen.


4. ADVIES

Globaal stelt de NHRPH zich vragen bij de verhouding tussen de bedragen:

  • Evaluatie op stukken: 55 €
  • Oproep van de persoon naar de privéconsultatieruimte: 60 €
  • Oproep van de persoon naar het medisch centrum: 65 €
  • Bezoek aan huis of in een instelling: 70 €

Zal de arts niet in de verleiding komen om de voorkeur te geven aan onderzoek op basis van stukken? Laten alle gezondheids- en levenssituaties dit toe? Moet de arts in bepaalde gevallen niet worden ‘gedwongen’ om de persoon te raadplegen (bijv. bij tegenstrijdigheden in de documenten, twijfel, beoordeling van de reële gevolgen, complexe situaties…) of om zich naar diens woonplaats te begeven (bedlegerigheid, totale afhankelijkheid, ernstige psychiatrische stoornissen…)?

Soms rechtvaardigen de feitelijke leefsituatie (locatie, moeilijkheden die de persoon op die plek ondervindt…) en de gezondheidstoestand dat het bezoek thuis of op een andere verblijfplaats van de betrokkene plaatsvindt; zal een verschil van 5 of 10 € de arts ertoe aanzetten om erheen te gaan? Misschien speelt ook mee dat het bezoek langer duurt (ter compensatie van de verloren reistijd waarin de arts geen consulten houdt), of dat de omgeving onzeker is (bijvoorbeeld een moeilijk bereikbare woning), enz. Over het algemeen kost elke verplaatsing tijd, ongemak en kosten (bijvoorbeeld parkeerkosten): de NHRPH is van mening dat het bedrag voorzien voor bezoeken buiten het medisch centrum vragen oproept. Terwijl juist de mensen die zich niet kunnen verplaatsen, vaak degenen zijn die in het dagelijks leven met grote moeilijkheden kampen. Dit blijkt echter ook niet uit de stukken in het dossier. Het risico bestaat uiteindelijk dat de reële situatie wordt onderschat. De financiële omstandigheden van het onderzoek mogen geen belemmering vormen voor de volledige uitoefening van de rechten van de burger.

  • De NHRPH dringt erop aan dat het kader voor het onderzoek op basis van stukken en het onderzoek na consultatie duidelijk wordt gedefinieerd voor het gehele grondgebied, teneinde een gelijke behandeling van alle burgers te waarborgen.
  • De NHRPH vraagt om een billijke vergoeding voor de reistijd en de complexiteit van het onderzoek buiten de dokterspraktijk.

De NHRPH wenst bovendien twee verduidelijkingen:

  • Is er een vergoeding voorzien wanneer de arts een dossier moet heropenen?
  • Artikel 2, 10°: deelname aan opleidings-, reflectie-, intervisie- of multidisciplinaire uitwisselingssessies georganiseerd door de Dienst. Bedrag: 70 euro per uur met een standaard van 4u/maand. Op expliciete vraag van de Dienst kan van dit maximum afgeweken worden.

In één en dezelfde zin wordt gesproken over een minimum en een maximum. Is dat correct?

  • Raadplegingen: 26

Samenvatting van het advies 2026/15: Register van de aangewezen artsen van de DG HAN

Op vraag van Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap.

Onderwerp:

De instelling van een administratief register van aangewezen artsen‑evaluatoren, belast met het verrichten van medisch‑administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en formalisering van het statuut, de opdrachten, de verplichtingen en de waarborgen die van toepassing zijn op de aangewezen artsen-evaluatoren

Standpunt van de NHRPH:

  • Steun voor verduidelijking: De NHRPH  juicht de bereidheid toe om de contouren van het mandaat van de aangewezen artsen te verduidelijken en te versterken, om het systeem rechtvaardiger te maken.
  • Kritiek op ondergeschiktheid: De huidige tekst neigt te veel naar administratieve ondergeschiktheid van artsen, ten koste van hun medische onafhankelijkheid.
  • Vrees voor ontmoediging van artsen: De vrijwaringsclausule van de overheid (artikel 16) wordt juridisch gezien als te vergaand beschouwd en dreigt artsen ervan te weerhouden zich in het register in te schrijven.

Eisen van de NHRPH:

  • Waarborgen voor de burger: De eerbiediging van de rechten van de patiënt formeel in het besluit vastleggen (recht op begeleiding, toegankelijke praktijkruimte, gratis en automatische toegang tot het verslag).
  • Beperking van de kwaliteitscontrole: In artikel 3 verduidelijken dat de controle door de overheid uitsluitend betrekking heeft op de methodologie, zonder dat de diagnose of het medisch advies kan worden gewijzigd.
  • Oprichting van een onafhankelijk toezichtsorgaan: Een paritair ethisch en kwaliteitscomité oprichten om overtredingen te behandelen alvorens een beslissing tot administratieve schrapping wordt genomen.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 9

Advies 2026/15: Register van de aangewezen artsen van de DG HAN

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van koninklijk besluit (KB) tot instelling van een administratief register van aangewezen artsen‑evaluatoren, belast met het verrichten van medisch‑administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Besproken tijdens de plenaire vergadering van 22/06/2026 en goedgekeurd via e-mail op 30/06/2026.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), per e-mail van 5 juni 2026 en met toepassing van de spoedprocedure.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter info aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter info aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter info aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap
  • Ter info aan de federale ombudsman
  • Ter info aan de Nationale Arbeidsraad

2. ONDERWERP

Instelling van een administratief register van aangewezen artsen‑evaluatoren, belast met het verrichten van medisch‑administratieve voorbereidende handelingen in het kader van de toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en formalisering van het statuut, de opdrachten, de verplichtingen en de waarborgen die van toepassing zijn op de aangewezen artsen-evaluatoren.


3. ANALYSE

In de brief van de DG HAN bij het ontwerp van koninklijk besluit wordt verduidelijkt dat het ontwerp van koninklijk besluit tot doel heeft een verouderd contractueel systeem te vervangen door een transparant en objectief systeem dat in overeenstemming is met de beginselen van wettigheid, gelijke behandeling en goed bestuur. Het register definieert duidelijk de rol, de taken en de verplichtingen van de artsen-evaluatoren, terwijl hun medische onafhankelijkheid wordt gewaarborgd en de mechanismen voor kwaliteitscontrole worden versterkt. Er wordt ook verduidelijkt dat de inschrijving in het register de grondslag vormt voor een administratief mandaat dat deze artsen in staat stelt namens de DG Personen met een handicap op te treden, met behoud van hun medische onafhankelijkheid.

Het besluit legt de voorwaarden voor toegang tot het register vast; de DG HAN geeft aan dat deze voorwaarden gebaseerd zijn op objectieve criteria inzake kwalificatie, bekwaamheid, opleiding en naleving van de deontologische regels, evenals op de taalkundige vereisten die nodig zijn voor een dienst die toegankelijk is voor alle burgers. De DG HAN heeft ook gezorgd voor mechanismen voor toezicht, kwaliteitscontrole en permanente bijscholing, om de uniformiteit van de werkwijzen en de betrouwbaarheid van de opgestelde expertiseverslagen te waarborgen. Overgangsbepalingen maken de integratie mogelijk van artsen die reeds met de DG HAN hebben samengewerkt, waardoor de continuïteit van de evaluaties wordt gewaarborgd. Ten slotte regelt de tekst de modaliteiten inzake bezoldiging, aansprakelijkheid en vertrouwelijkheid, evenals de procedures voor schorsing of schrapping van de dokter van het register.

  • Artikel 1 – Definities
  • Artikel 2 – Instelling van het register
  • Artikel 3 – Vaststelling van de evaluatietaken en invoering van het recht van de administratie om de verslagen van artsen te controleren en aan te passen, met name wat betreft de kwaliteitscriteria en de richtlijnen
  • Artikel 4 – Elk dossier leidt tot de uitvoering van het mandaat.
  • Artikel 5 – Regelgevend kader
  • Artikel 6 – Toegang tot en voorwaarden voor het behoud van de erkenning
  • Artikel 7 – Medische onafhankelijkheid en medische beslissingen als onderdeel van de administratieve procedure 
  • Artikel 8 – Inschrijving in het register
  • Artikel 9, 10 – Toegangs- en toelatingsvoorwaarden, selectiecriteria
  • Artikel 11,12 – Vereiste competenties en evaluatiemodaliteiten.
  • Artikel 13, 14 – Afwijkingen voor reeds aangewezen artsen
  • Artikel 15 – Discretieplicht
  • Artikel 16 – Burgerlijke aansprakelijkheid
  • Artikel 17 – Schorsing en schrapping door de administratie
  • Artikel 18 – Verzoek tot schrapping door de arts
  • Artikel 19 – Toewijzing van opdrachten
  • Artikelen 20-21 – Vergoedingsbarema en indiening van de vordering
  • Artikel 22 - Inwerkingtreding op 01.01.2027

4. ADVIES

  1. De NHRPH herinnert eraan dat hij er altijd naar heeft gestreefd om adviezen te verstrekken die van hoge kwaliteit en zo volledig mogelijk zijn. Werken onder tijdsdruk kan de kwaliteit van het werk in het gedrang brengen. De NHRPH wijst er ook op dat het secretariaat nog steeds niet structureel is versterkt. De NHRPH dringt er nogmaals op aan dat op zijn minst de medewerkers worden vervangen die de afgelopen jaren het secretariaat hebben verlaten.
  1. De NHRPH juicht de bereidheid toe om de contouren en de modaliteiten van het mandaat van de aangewezen artsen te verduidelijken. Door duidelijkheid te scheppen over hun opdrachten en concrete taken kan ook de ambitie van de administratie en minister Beenders worden versterkt om het systeem rechtvaardiger, transparanter en doeltreffender te maken (zie visienota „Inclusie versterken, arbeid laten lonen“ – Kompas voor de hervorming van de wet van 1987 naar een inclusief en activerend handicapbeleid). Dit ontwerp van koninklijk besluit moet zich dus vanaf nu in deze logica inschrijven.
  1. Dat gezegd zijnde, begrijpt de NHRPH niet goed in hoeverre het ontwerp van koninklijk besluit tegemoetkomt aan de wens om „een verouderd contractueel systeem te vervangen door een transparant, objectief systeem dat in overeenstemming is met de beginselen van wettigheid, gelijke behandeling en goed bestuur” (zie brief van DG HAN). Volgens de NHRPH zouden bepaalde correcties en verduidelijkingen nuttig zijn als er rekening wordt gehouden met de hierna uiteengezette aandachtspunten.
  1. De tekst is opgesteld vanuit een puur administratieve invalshoek en bevat geen concrete waarborgen voor de burger.
    • De NHRPH dringt erop aan dat er doelstellingen worden toegevoegd die de rechtvaardigheid en transparantie van de processen waarborgen:
      • De kwetsbaarheid van aanvragers van tegemoetkomingen tijdens evaluatieonderzoeken is een vaak gemelde realiteit. Het KB zou de rechten van de patiënt moeten formaliseren en artsen hiervan bewust maken, zoals het recht om zich te laten begeleiden, met respect te worden ontvangen en vóór het bezoek inzage te hebben in het dossier.
      • De omgeving waarin de patiënt wordt ontvangen, is belangrijk: het is absoluut noodzakelijk dat de aangewezen arts die mensen in zijn privéconsultatieruimte ontvangt, ervoor zorgt dat zijn praktijk vanaf de drempel toegankelijk is. Ook de manier waarop de patiënt wordt aangesproken, is van doorslaggevend belang: duidelijke en begrijpelijke taal, toestemming om te worden begeleid door een derde, enz.
      • In het KB moeten de gebruikte evaluatie-instrumenten worden gespecifieerd.
      • In het KB moet worden vermeld dat de arts-evaluator rekening moet houden met de verslagen van de behandelende arts of met de multidisciplinaire verslagen (ergotherapeuten, psychologen) die door de uitkeringsgerechtigde zijn verstrekt, en dat hij de redenen moet vermelden waarom hij zou besluiten hiervan af te wijken.
      • Formele motivering van beslissingen: er moet worden vermeld dat de arts zijn beslissing moet baseren op klinische bevindingen en zich niet mag beperken tot vakjes aanvinken.
      • Kosteloos en automatisch recht op directe toegang tot het medisch verslag (door de aanvrager of zijn behandelend arts).
  1. De tekst, die zowel de onafhankelijkheid van de arts moet waarborgen als de kwaliteit van de evaluatie moet ondersteunen, vereist een evenwichtsoefening. De NHRPH is van mening dat dit evenwicht in de voorliggende tekst niet is bereikt en dat het ontwerp van koninklijk besluit te veel neigt naar administratieve ondergeschiktheid van artsen, waardoor het beginsel van transparantie en wettigheid wordt ondermijnd. Ook de voorziene controles en schrappingsprocedures zijn geconcentreerd in handen van de administratie. De NHRPH houdt aan de tekst de indruk over dat de overheid te veel macht heeft over de artsen, wat de essentiële rol van de beoordelende arts – die neutraal, onafhankelijk en transparant moet zijn en gelijke behandeling moet waarborgen – potentieel ondermijnt.

Zo is bijvoorbeeld in artikel 3, lid 2, sprake van de toepassing en naleving van de kwaliteitseisen van de medische expertise en voor de opvolging van de door de Dienst vastgestelde gedragslijnenEr worden regelmatig kwaliteitscontroles uitgevoerd op de handelingen die namens de Dienst worden verricht.
Artikel 17 bepaalt dat de Dienst een arts-evaluator kan schorsen of schrappen wegens ernstige schending van de kwalitatieve en operationele doelstellingen. Moet hier bijvoorbeeld onder verstaan worden dat de prestaties een reden voor schrapping zouden kunnen zijn? Is dit niet een manier om de medische onafhankelijkheid van de arts te ondermijnen?

    • De NHRPH vraagt om in artikel 3, § 2 te verduidelijken dat de kwaliteitscontrole uitsluitend betrekking heeft op de methodologische en de juridische motivering van het verslag, zonder dat de DG HAN de diagnose of het medische oordeel van de arts kan dicteren of wijzigen.
    • De NHRPH vraagt ook om een herformulering van artikel 17.
    • De NHRPH stelt voor om, met het oog op “goed bestuur”, een toezichtcommissie of een ethisch en kwaliteitscomité op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van de artsen, de overheid en idealiter externe deskundigen, met name vertegenwoordigers van de aanvragers van tegemoetkomingen. Dit orgaan zou de dossiers van kwalitatieve tekortkomingen (art. 17) moeten behandelen alvorens een beslissing tot schrapping wordt genomen.
  1. De tekst blijft te veel op de vlakte wat betreft belangenconflicten. Artikel 10, f) vereist louter de „afwezigheid van onverenigbaarheden”, zonder deze op te lijsten. Zou een arts-evaluator tegelijkertijd de behandelend arts van een aanvrager of de deskundige van een tegenpartij-verzekeringsmaatschappij kunnen zijn? Wat in geval van een belangenconflict? Er zou een verplichting moeten worden ingevoerd om elk belangenconflict te melden, op straffe van onmiddellijke schrapping.
    • De NHRPH vraagt dat artikel 10 in dit opzicht beter wordt gepreciseerd.
  1. Vastgestelde tekortkomingen – Gewenste toevoegingen en verduidelijkingen

Artikel 1: Aan de bestaande definities moeten nieuwe definities worden toegevoegd: wat bedoelt de DG HAN met

      • “de toepasselijke wettelijke bepalingen en de richtlijnen inzake evaluatie”
      • “de methodologische en kwalitatieve criteria” die van hen worden verwacht
      • “de kwaliteitseisen van de medische expertise”
      • “de kwaliteitseisen […] voor de opvolging van de door de Dienst vastgestelde gedragslijnen”
      • “kwaliteitscontroles uitgevoerd op de handelingen die namens de Dienst worden verricht”
      • enz. 

Artikel 11 (Selectiecriteria)er ontbreken verduidelijkingen over :

      • De vereiste specifieke deskundigheid op het gebied van medische expertise, met inbegrip van de beginselen uit het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
      • De kennis van de landstalen – het vereiste niveau moet worden gespecificeerd, in overeenstemming met de werkzaamheden en de noodzakelijke communicatie met patiënten, het multidisciplinaire team en collega’s
      • Het uittreksel uit het strafregister – het gewenste uittreksel moet worden gespecificeerd
      • Het begrip “resultaatgerichtheid” als beoordelingscriterium?

Artikel 15: verwijst naar de door de Minister vastgestelde barema’s voor de vergoeding van prestaties en reiskosten.

Artikel 19 (Wijze van toewijzing van opdrachten):
Lid 2 geeft de administratie opnieuw volledige discretionaire bevoegdheid.

      • Om gelijkheid te waarborgen, is de NHRPH van mening dat de toewijzing geautomatiseerd moet worden of door een transparant algoritme moet worden beheerd

Het ontwerp van koninklijk besluit laat na het multidisciplinaire werkkader, de plaats en de rol van de arts, afhankelijk van de mate van maturiteit van de teams, correct te specificeren en toe te lichten. 

      • De NHRPH dringt erop aan dat het KB het concrete kader voor de evaluatie beter verduidelijkt.
  1. Artikel 16, waarin een vrijwaringsclausule wordt ingevoerd, is twijfelachtig vanuit juridisch oogpunt. Artikel 16 ontslaat de DG HAN volledig van elke aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door artsen en verplicht hen om de Staat schadeloos te stellen in geval van een rechtsvordering. Deze clausule is juridisch gezien zeer agressief en onredelijk voor een socialebeschermingsstelsel dat gebaseerd is op een “stilzwijgend mandaat” van de Staat. De NHRPH vreest dat dit artsen zal ontmoedigen om zich in te schrijven.
    • De NHRPH vraagt om een verplichting tot het afsluiten van een medische aansprakelijkheidsverzekering in het KB op te nemen of te verduidelijken dat de Staat de gevolgen dekt van handelingen die te goeder trouw zijn verricht binnen de grenzen van de ontvangen richtlijnen.
  • Raadplegingen: 34

Samenvatting van het advies 2026/14: Behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen

Op vraag van Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap.

Onderwerp:

Diverse wijzigingen in het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap

Standpunt van de NHRPH:

  • Steun voor vereenvoudiging: De NHRPH steunt de afschaffing van de aangetekende brief voor het intrekken van aanvragen en de termijn voor het indienen van medische documenten.
  • Waarschuwing voor het terugtrekken van de Staat: De NHRPH hekelt de voortdurende overdracht van overheidsverantwoordelijkheden, nu eens naar particuliere aanbieders (mutualiteiten), dan weer naar gemeenten die al verstikt raken door de werkdruk.

Eisen van de NHRPH:

  • Voldoende personeel: De DG HAN de nodige personele middelen toekennen om zijn taken uit te voeren.
  • Juridische verduidelijkingen: De gevolgen preciseren van
    • een ”ingetrokken aanvraag“ voor de burger: verlies van rechten met terugwerkende kracht?, beroep bij de rechter?
    • de verplichting voor de burgemeester of de mutualiteit om de indiening van de aanvraag te regelen; sancties bij weigering?

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 7

Advies 2026/14: Behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende diverse wijzigingen in het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/05/2026.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een Handicap (DG HAN), bij brief van 8 mei 2026.

Het advies wordt gevraagd bij hoogdringendheid.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp van KB wijzigt het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkoming voor personen met een handicap. Het stelt met name als voorwaarde dat een aanvraag pas van kracht wordt als het dossier volledig is. Het voert ook een aantal bepalingen in om de administratieve formaliteiten te beperken en de rol van de ziekenfondsen te kaderen.


3. ANALYSE

A. Aanvraagformulier

De DG HAN verduidelijkt tijdens de plenaire vergadering van 18 mei 2026 dat de informatie die in het kader van het aanvraagformulier ("intake") moet worden verstrekt, uitsluitend betrekking heeft op de administratieve gegevens van het dossier en niet op medische informatie en verslagen. De DG HAN bevestigt uitdrukkelijk dat de persoon nooit het slachtoffer mag worden van vertragingen die te wijten zijn aan de organisatie van de zorg; de persoon kan elk document van sociaal-medische aard indienen zolang zijn dossier niet is onderzocht of het bezoek niet heeft plaatsgevonden. De NHRPH neemt kennis van deze belangrijke verduidelijking.

B. Datum van inwerkingtreding van een aanvraag

  • In het KB 2003 wordt een artikel 2/1 ingevoegd waarin wordt bepaald datde datum van ontvangst van de aanvraag [gelijk is aan] de datum waarop de persoon met een handicap de aanvraag heeft opgestart via de door de Dienst ter beschikking gestelde elektronische toepassing [...]. In afwijking van het eerste lid, voor zover de aanvraag niet volledig is ingevuld door de persoon met een handicap binnen 30 dagen na de dag waarop hij de aanvraag via de elektronische toepassing heeft opgestart, beschouwt de Dienst de datum van ontvangst van de aanvraag als de datum waarop de aanvraag volledig is ingevuld. Onder “volledig ingevuld” wordt verstaan dat alle door de elektronische toepassing gevraagde gegevens zijn verstrekt, zodat de aanvraag definitief kan worden ingediend. Indien de aanvraag niet volledig is ingevuld binnen 90 dagen na de datum waarop de persoon zijn aanvraag heeft opgestart, wordt deze als ingetrokken”.
    • Wat is de juridische betekenis van het woord ‘ingetrokken’: wordt de aanvraag geacht nooit te zijn ingediend, zonder dat er met terugwerkende kracht aanspraak kan worden gemaakt op tegemoetkomingen of sociale rechten? Wat zal de inhoud van de kennisgeving zijn; is er geen mogelijkheid tot beroep bij de rechter? Wat zijn de algemene gevolgen voor de betrokkene?

C. Wijze van indiening van een aanvraag en personen die bevoegd zijn om de aanvraag in te dienen

  • Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 september 2004 en 19 juli 2013, wordt vervangen door het volgende:
    “Art. 3. § 1. De aanvraag wordt rechtstreeks ingediend door middel van een elektronische toepassing door de Dienst ter beschikking gesteld.
    § 2. De aanvraag kan ook in naam van de persoon met een handicap worden ingediend door de burgemeester van de gemeente waar de persoon met een handicap zijn hoofdverblijfplaats heeft, of bij het ziekenfonds waarbij ze is aangesloten, of door personen die de aanvrager machtigt om zijn of haar belangen te verdedigen.
    In geen enkel geval mag de burgemeester of het ziekenfonds de indiening van een aanvraag weigeren.”
    • Heeft deze formulering effectieve sancties tot gevolg? Momenteel dienen bepaalde gemeenten, met name die met een personeelstekort, de aanvragen niet meer in voor de personen. Wat gaat de formulering aan deze situatie veranderen ?

Zodra de aanvrager de aanvraag definitief heeft ingediend, krijgt hij hier meteen een kopie van. De ingevulde aanvraag blijft eveneens digitaal beschikbaar in de elektronische toepassing maar kan niet meer gewijzigd worden.

    • Het overhandigen van de kopie van het ingevulde aanvraagformulier is uiteraard een noodzakelijke stap die de situatie vastlegt. De NHRPH stelt voor om de aanvrager zelf te laten kiezen hoe hij de informatie ontvangt: op papier, via e-mail of via de eBox.
    • De NHRPH vestigt ook de aandacht op de situatie van personen voor wie de indiening van de aanvraag bijvoorbeeld plaatsvindt tijdens een bezoek aan de woning van de persoon; het overhandigen van de papieren kopie zou dan onmogelijk kunnen blijken.

§ 3. Het toezenden van de stukken aan de persoon met een handicap gebeurt met post naar zijn hoofdverblijfplaats of op elektronische wijze via de eBox, zoals bedoeld in de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op verzoek dat aan de Dienst gericht wordt door de gerechtigde of één van de personen bedoeld in artikel 24, § 3, eerste lid.”.

    • De NHRPH begrijpt de verwijzing naar deze bepaling (die betrekking heeft op betalingen) niet. Betekent dit dat gevolmachtigden of ziekenfondsen in het kader van de door hen ingediende aanvragen niet kunnen vragen dat de verzending van documenten en de communicatie per post plaatsvinden?

D. Verzoek tot verzaking via elektronische weg

Aangetekende verzending is niet langer verplicht en de betrokkene of elke bevoegde persoon kan een aanvraag indienen via e-mail of via het elektronische formulier.


4. ADVIES 

A. Datum van inwerkingtreding van de aanvragen

De NHRPH waardeert de langere termijn die de persoon krijgt om de medische informatie te bezorgen; zij wenst bevestiging dat deze vrijstelling ook geldt voor verslagen met een medisch-sociale connotatie (school, maatschappelijk assistenten, enz.).

B. Wijze van indiening van aanvragen en bevoegde personen

De NHRPH staat positief tegenover alle maatregelen en procedures die de effectieve begeleiding van personen met een handicap bij het verkrijgen van hun rechten mogelijk maken. De NHRPH maakt zich echter zorgen over de voortdurende verschuiving van de verantwoordelijkheid van de Staat naar met name particuliere dienstverleners. Zien we niet het moment naderen waarop deze dienstverleners hun eigen voorwaarden zullen stellen? Bovendien zijn sommige gemeenten, in deze periode waarin de administratieve belasting sterk is toegenomen (hervorming van de werkloosheidsuitkeringen), volledig overbelast: zij kunnen mensen niet begeleiden bij het indienen van aanvragen en verwijzen hen nu al door naar hun ziekenfonds. Wat gaat er veranderen als er maatregelen worden opgelegd, maar de middelen niet volgen?

  • De NHRPH vraagt de federale regering om DG HAN de nodige personeelsmiddelen toe te kennen voor de uitvoering van haar taken

C. Verzoek tot verzaking via elektronische weg

  • De NHRPH steunt de maatregel
  • Raadplegingen: 25

Samenvatting van het advies 2026/13: Verhoging van de vrijstelling voor de integratietegemoetkoming

Op vraag van Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap.

Onderwerp:

Een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) met het oog op het verhogen van de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten bij de berekening van de integratietegemoetkoming in het kader van het plan voor sociale cohesie

Standpunt van de NHRPH:

  • Onrecht aan de kaak gesteld: De NHRPH herinnert eraan dat de integratietegemoetkoming (IT)) bedoeld is om de extra kosten in verband met de handicap te dekken. Het verlagen van de IT wanneer iemand zijn werk verliest en een vervangend inkomen ontvangt, is onterecht.
  • Technische inefficiëntie: De verhoging van de vrijstellingsdrempel wordt tenietgedaan door de "categorievrijstelling" (na aftrek van het bestaansminimum).
  • Beperkte impact: De hervorming zal geen enkele impact hebben op personen die structureel afhankelijk zijn van vervangingsinkomsten. Alleen samenwonenden zullen er in zeer beperkte mate baat bij hebben.

Eisen van de NHRPH:

  • Een uniform systeem:
    • Invoering van een berekening van de IT zonder onderzoek naar de inkomsten voor iedereen.
    • Bij gebrek daaraan: de vrijstellingsdrempel voor alle begunstigden, of ze nu werken of niet, uniform maken en verhogen.
  • Herziening van de vrijstellingformule:
    • Tegelijkertijd de vrijstellingsdrempel per categorie verhogen.
    • Artikel 9ter, § 5 van het koninklijk besluit wijzigen om de huidige drempel te vervangen en deze op correcte wijze te verhogen.
  • De hervorming van de referteperiode:
    • De huidige berekeningsregel op basis van de inkomsten van het jaar -2/-1 wijzigen en vervangen door de meest recente inkomsten.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 5

Advies 2026/13: Verhoging van de vrijstelling voor de integratietegemoetkoming

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2026/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) met het oog op het verhogen van de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten bij de berekening van de integratietegemoetkoming in het kader van het plan voor sociale cohesie, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 mei 2026.

Advies op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, n.a.v. haar brief van 30 april 2026 en met verzoek om spoedbehandeling.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • De heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Nationale Arbeidsraad

2. ONDERWERP

Het ontwerp van KB past artikel 9ter, § 4, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming aan en verhoogt de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten voor de berekening van de IT.


3. ANALYSE

Het federaal regeerakkoord bepaalt dat de regering ‘de cumulregeling voor IT met uitkeringen na tewerkstelling [verbetert] zodat een periode van tewerkstelling niet leidt tot verlies van de IT’. Het is in deze optiek dat het plan voor sociale cohesie, dat op 23 december 2025 werd aangenomen, voorziet in een maatregel met het oog op het verhogen van de vrijstellingsgrens voor vervangingsinkomsten voor de berekening van de integratietegemoetkoming. Een tweede maatregel, met betrekking tot de begeleiding van personen met een handicap in hun traject naar werk, moet nog worden geconcretiseerd en de modaliteiten hiervan zullen later aan de NHRPH worden voorgesteld en vermoedelijk in 2028 worden uitgevoerd.

De brief die het ontwerp begeleidt stelt overigens vast dat de vrijstellingsgrenzen voor de vervangingsinkomsten vandaag veel lager zijn dan voor de inkomsten uit arbeid en ongunstig voor alleenstaanden.

Het doel van de maatregel is te voorzien in een eerste verhoging van deze grenzen tot 11.288,91 euro (geïndexeerd bedrag) vanaf juli 2026, vervolgens in een tweede verhoging, tot 12.901,62 euro (geïndexeerd bedrag), vanaf januari 2029. Daartoe werd een budget van 4,2 miljoen euro voorzien voor 2026, verhoogd tot 8,225 miljoen euro in 2027 en tot 14,93 miljoen euro in 2029. In het verzoek om advies wordt verduidelijkt dat van de in 2028 en 2029 beschikbare bedragen de bedragen moeten worden afgetrokken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de tweede maatregel. Dit noodzakelijke budget wordt geraamd op ~1,1 miljoen euro in 2028 en 2029.

Volgens de huidige regelgeving verliezen personen die niet werken en vervangingsinkomsten ontvangen hun integratietegemoetkoming (IT) volledig of gedeeltelijk. Deze situatie heeft tot gevolg dat personen armer worden, maar ook worden ontraden terug te keren naar de arbeidsmarkt, aangezien iedere situatie van herval (ziekte of ontslag), zelfs onvrijwillig (sluiting van de onderneming), hen zal bestraffen vanuit het oogpunt van de berekening van hun IT.

Deze situatie wordt des te onrechtvaardiger ervaren omdat het doel van de IT is om de extra kosten met betrekking tot de handicap en een omgeving die grotendeels ontoegankelijk blijft te dekken. Wanneer personen hun werk verliezen, in sommige gevallen ook worden geconfronteerd met nieuwe kosten (als gevolg van een verslechtering van hun gezondheidstoestand) en daardoor geheel of gedeeltelijk hun IT verliezen, is er sprake van een nieuwe, onaanvaardbare vorm van discriminatie. De NHRPH hekelt al jaren deze onrechtvaardigheid en eist dat de IT volledig behouden blijft, ongeacht de aard en het niveau van de inkomsten van de persoon met een handicap.

Het ontwerp voorziet in een wijziging van artikel 9ter, § 4, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, en in de verhoging van de bedragen van de vervangingsinkomsten die voor de berekening van de IT worden vrijgesteld, en wel als volgt: 

  • het huidige bedrag van € 2.594,73 (niet-geïndexeerd) wordt op 1 juli 2026 verhoogd tot € 6.357,08 (niet-geïndexeerd);
  • dit bedrag wordt op 1 januari 2029 een tweede keer verhoogd tot € 7.265,24 (niet-geïndexeerd).

4. ADVIES

A. Wat betreft de personen die door de hervorming worden getroffen

Het plan voor sociale cohesie bepaalt op pagina 3 (in de Nederlandstalige versie):

Ook zorgen we ervoor dat de opgebouwde sociale rechten binnen de sociale zekerheid niet leiden tot een verlies van de integratietegemoetkoming, die de kosten gelinkt aan de handicap compenseert.

De NHRPH begrijpt deze zin als volgt: een periode van voltijdse arbeidsongeschiktheid zou nooit mogen leiden tot het verlies van de IT.

  • De NHRPH vraagt dat ofwel een IT-systeem zonder onderzoek naar de inkomsten voor iedereen wordt ingevoerd, ofwel dat de grens voor iedereen wordt geüniformiseerd en verhoogd: actieve en niet-actieve personen.

B. Wat betreft het principe van de verhoging van de vrijstelling

De maatregel lijkt een verhoogd deel van de IT te vrijwaren en de averechtse effecten op de IT van de persoon die is moeten stoppen met werken te verminderen. In werkelijkheid worden deze vrijstellingen geabsorbeerd door de categorievrijstelling (bestaansminimum/IVT-bedrag) die wordt afgetrokken. Zolang het bedrag van de vrijstelling kleiner is dan de categorievrijstelling kan de vrijstelling onbeperkt worden verhoogd, maar de uiteindelijke berekening zal voor de betrokken persoon hetzelfde resultaat opleveren. Met andere woorden, de maatregel heeft een licht positieve impact voor personen met een gecombineerd inkomstenprofiel waarvan het zwaartepunt bij de inkomsten uit arbeid ligt. Voor personen die structureel afhankelijk zijn van vervangingsinkomsten zal deze maatregel geen impact hebben.

Als we de minimumuitkeringen in het RIZIV-stelsel bekijken, zien we dat de minimumbedragen momenteel vanaf de 7de maand, op jaarbasis, € 16.854,24 (samenwonend), € 19.659,12 (alleenstaand) en € 24.807,12 (met personen ten laste) bedragen. Deze bedragen zijn de dagelijkse realiteit voor de overgrote meerderheid van de RIZIV-uitkeringsgerechtigden.

De categorievrijstellingen bedragen momenteel € 10.994 (samenwonend), € 16.820,84 (alleenstaand) en € 22 286,57 (met personen ten laste).

De geplande verhoging van de vrijstelling op het vervangingsinkomen zal, volgens het ontwerp, respectievelijk € 11.288,91 (1 juli 2026) en € 12.901,62 (1 januari 2029) bedragen. Dit zal bijgevolg een zeer lichte en beperkte impact hebben op samenwonenden. De andere categorievrijstellingen zijn namelijk hoger dan die van de vrijstelling op het vervangingsinkomen.

Een concreet voorbeeld zal dit beter illustreren:

Voorbeeld_berekening_IT.png

Dit resultaat is in tegenspraak met het beginsel van sociale bescherming voor personen die toch aan de arbeidsmarkt hebben deelgenomen!

  • De NHRPH vraagt dat, naast de verhoging van de vrijstellingsdrempel voor vervangingsinkomsten, ook de vrijstellingsgrens per categorie wordt verhoogd, teneinde daadwerkelijk een extra vrijstellingsmarge te creëren, ook voor personen zonder inkomen uit arbeid of met een zeer beperkt inkomen uit arbeid. Enkel een dergelijke aanpassing zal waarborgen dat de maatregel niet louter selectief ten goede komt aan personen die blijven deelnemen aan de arbeidsmarkt, maar dat hij ook een echte verbetering teweegbrengt voor de inkomens van personen die volledig afhankelijk zijn van een vervangingsinkomen.
  • De NHRPH stelt de volgende formulering van artikel 9ter, § 5, van het koninklijk besluit voor:
    De huidige formulering ‘Van het andere inkomen wordt vrijgesteld: het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen de categorievrijstelling, enerzijds, en de som van de genoten arbeidsvrijstelling en de genoten vrijstelling op het vervangingsinkomen, anderzijds’
    zou moeten worden vervangen door ‘van het andere inkomen worden vrijgesteld: het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen 102 % van de categorievrijstelling, enerzijds, en de som van de genoten arbeidsvrijstelling en de genoten vrijstelling op het vervangingsinkomen, anderzijds;’.
    Dit percentage zou natuurlijk veel hoger mogen zijn. Maar rekening houdend met de budgettaire beperkingen zal het waarschijnlijk dicht bij 100 % liggen, zonder uiteraard lager te zijn dan 100 %.

C. Wat betreft de gevolgen met betrekking tot de regel van jaar -2/-1

Gelet op de huidige regelgeving, die voor de berekening van de toekenning uitgaat van de inkomsten van jaar -2/-1 stelt de NHRPH vast dat het vertragingseffect van de maatregel in de praktijk ongewijzigd blijft. Met andere woorden, een werknemer die op 1 oktober 2026 ziek wordt, zal zijn situatie ten vroegste aangepast zien op 1 januari 2027 (inkomensdaling van 20 % tussen jaar -2 en -1) of op 1 januari 2028 (indien de daling minder dan 20 % bedraagt).

Indien de regering de tewerkstelling van personen met een handicap wil ondersteunen, moet zij tegelijkertijd ook de regel inzake de referteperiode van de inkomsten herzien.

  • De NHRPH vraagt dat de wijziging van de vrijstelling op de IT op hetzelfde moment en vanaf 1 januari 2026 gepaard gaat met een herziening van het kader van de referteperiode, zodat de persoon duidelijk de financiële gevolgen van de gewijzigde situatie kan ondervinden. 
  • Raadplegingen: 26

Samenvatting van het advies 2026/11: Stemrecht

Op verzoek van de voorzitter van de Kamercommissie Justitie

Onderwerp:

Het wetsvoorstel van 11 maart tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek ter rechtzetting van een ongewenste en onevenredige uitwerking van de wet van 28 maart 2023 ‘houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen’ op het stemrecht van personen met een mentale en/of psychische handicap

Standpunt van de NHRPH:

  • Volledige steun voor de noodzaak om een afkeurenswaardige praktijk te beëindigen. De huidige wetgeving leidt tot een vrijwel algemene en onevenredige ontzegging van het stemrecht aan personen met een verstandelijke of psychische handicap: dit is volledig in strijd met de tekst van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
  • Onvervreemdbaar recht. Het stemrecht is een grondrecht dat verbonden is aan het burgerschap. Alleen op grond van een zware strafrechtelijke veroordeling kan iemand dit recht worden ontnomen.

Eisen van de NHRPH:

  • Absoluut verbod: De vrederechter mag een persoon in geen geval het stemrecht ontnemen op grond van zijn of haar handicap.
  • Onmiddellijke toepassing: De toekomstige wet moet worden toegepast op alle lopende of afgeronde zaken waarin tot ontzegging van het stemrecht is besloten.
  • Automatisch herstel: Eerdere ontzeggingen moeten automatisch ongedaan worden gemaakt, zonder administratieve procedure, om te garanderen dat elke persoon met een handicap wordt opgeroepen voor de verkiezingen van 2029.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 6

Advies 2026/11: Stemrecht

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2025/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel van 11 maart tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek ter rechtzetting van een ongewenste en onevenredige uitwerking van de wet van 28 maart 2023 ‘houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen’ op het stemrecht van personen met een mentale en/of psychische handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 mei 2026.

Advies uitgebracht op verzoek van de voorzitter van de Kamercommissie Justitie van 21 april 2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de voorzitter van de Kamercommissie Justitie
  • Ter informatie aan mevrouw Annelies Verlinden, minister van Justitie
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het wetsvoorstel strekt tot opheffing van de verplichting voor de vrederechters om wanneer zij in het raam van een bewindregeling een beschermingsmaatregel uitspreken, stelselmatig te oordelen of de betrokkene bekwaam is zijn politieke rechten uit te oefenen.


3. ANALYSE

A. Huidige tekst

De wet van 28 maart 2023 ‘houdende diverse wijzigingen inzake verkiezingen’, door de Kamer aangenomen op de 16de van diezelfde maand, behelst namelijk de wijziging van artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek en van de lijst van bekwaamheden waarover de vrederechter verplicht moet oordelen bij onderbewindstelling, bedoeld bij artikel 8 van de Grondwet (nieuw 15° in paragraaf 1, derde lid).

De lijst, ingevoerd bij de wet van 17 maart 2013 waarbij artikel 492/1 werd ingevoegd in het oud Burgerlijk Wetboek, heeft als opzet dat de rechter een beschermingsstatuut op maat kan opleggen dat de werkelijke bekwaamheden van elke onder bewind gestelde persoon in acht neemt.

B. Averechtse effecten van de huidige tekst

De auteurs van het voorstel stellen vast dat de vrederechter zeer vaak handelingsonbekwaamheid voor de gehele lijst uitspreekt.

Deze ambtshalve boordeling heeft – op onevenredige wijze en haaks op de bedoelingen van de wetgever – tot gevolg dat onder bewind gestelde personen met een mentale en/of psychische handicap nagenoeg altijd hun stemrecht verliezen.

C. Nieuw voorstel

Gelet op de onverenigbaarheid van de bestaande tekst met de UNCRPD, art. 29 en de Belgische grondwet, artikel 22 ter, maar ook met de toepassing ervan door de rechterlijke macht, vragen de auteurs van het voorstel, waarbij ze in het bijzonder verwijzen naar de adviezen van de NHRPH en Unia, om de opheffing van 15° van het derde lid van paragraaf 1 van artikel 492/1.


4. ADVIES

A. Een fundamenteel en onvervreemdbaar recht

De NHRPH deelt de analyse van de indieners en stemt volledig in met het voorstel tot opheffing van 15°, § 1, derde lid in artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek.

De NHRPH vestigt de aandacht overigens op het feit dat het stemrecht een fundamenteel recht is dat verbonden is met de idee van burgerschap zelf en dat onvervreemdbaar is: dit betekent dat iedereen, ongeacht zijn of haar handicap, hetzelfde recht heeft als elke andere burger en dat zijn of haar mening een legitiem onderdeel is van de algemene wil. Personen met een handicap worden bovendien rechtstreeks geraakt door elk overheidsbeleid (gezondheid, toegankelijkheid, tewerkstelling, vrijetijdsbesteding, enz.). Door hen de mogelijkheid te bieden om te stemmen, wordt gewaarborgd dat hun specifieke belangen in iedere regelgeving vertegenwoordigd zijn.

Alleen een strafrechtelijke beslissing kan de politieke rechten van iemand ontnemen, niet omdat deze persoon een handicap heeft, maar omdat hij of zij een ernstig misdrijf of delict heeft gepleegd, dat bestraft kan worden met het intrekken van het stemrecht (corruptie, fraude, terrorisme, verlies van nationaliteit).

  • De NHRPH vraagt dat wordt voorzien in een absoluut verbod voor de vrederechter om personen met een handicap hun stemrecht te ontnemen.

B. Een recht dat voor de verkiezingen van 2029 moet gelden voor alle personen met een handicap

Rekening houdend met de redenering in punt A moet worden bepaald dat het ontnemen van het stemrecht waartoe de vrederechters beslisten, wordt vernietigd zonder dat een corrigerende beslissing nodig is, en dat de bij de FOD Binnenlandse Zaken gemelde ontzeggingen van het stemrecht worden opgeheven, zodat alle personen met een handicap daadwerkelijk hun oproep voor de komende verkiezingen ontvangen.

  • De NHRPH vraagt om de onmiddellijke toepassing van de wet op alle dossiers waarin een beslissing tot het ontnemen van het stemrecht werd genomen of hangende is.
  • Raadplegingen: 10

Samenvatting van het advies 2026/05: Online bevraging over de Europese strategie inzake handicap

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

Online bevraging over de Europese strategie inzake handicap 2026-2030

Standpunt van de NHRPH:

  • Ontoereikendheid van de bestaande maatregelen: De algemene doelstellingen blijven goed, maar de huidige maatschappelijke en ecologische uitdagingen vereisen nieuwe, dringende maatregelen voor de periode 2026-2030.
  • De concrete uitvoering van de rechten van personen met een handicap en hun gezinnen bevorderen: personen met een handicap en hun gezinnen verwachten een doeltreffende strategie met tastbare resultaten.

Eisen van de NHRPH:

  • Toegankelijkheid concreter integreren in een reeks domeinen: keurmerken, essentiële diensten, online reserveringen, overheidsopdrachten, bouw en renovatie van gebouwen, European Disability Card, European Accessibility Act, enz.
  • Handicap integreren in het Europees semester om de besteding van EU-middelen op het gebied van tewerkstelling, diensten, enz. te sturen.
  • Zorgen voor inclusieve klimaatmaatregelen die rekening houden met de behoeften van personen met een handicap
  • Handistreaming in alle Europese beleidsgebieden verzekeren

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 8

Advies 2026/05: Online bevraging over de Europese strategie inzake handicap

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2026/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de online bevraging van de Europese Commissie over de Europese strategie inzake de rechten van personen met een handicap.

Uitgebracht op initiatief van de NHRPH tijdens de plenaire vergadering van 19 januari 2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD


2. ONDERWERP

De Europese Commissie heeft een online bevraging geopend om de standpunten van het maatschappelijk middenveld en de burgers te verzamelen over de inhoud van de Europese strategie inzake handicap voor de periode 2025-2030.

De enquête loopt tot 6 februari 2026. Ze is online toegankelijk via de link EU-strategie handicap – 2025-2030: Raadpleging EC.

De NHRPH zal de bevraging beantwoorden met betrekking tot de belangrijke thema's voor Belgen met een handicap die tot de federale bevoegdheid behoren. Zoals voorzien bij de procedure Have your say van de Europese Commissie, zal de NHRPH zijn antwoord formuleren in de vorm van een tekst van 4000 tekens, ter samenvatting van dit advies. Het volledige advies zal bij dit antwoord worden gevoegd.


3. ANALYSE

  • De Europese Strategie inzake handicap biedt – met eerbiediging van de Europese bevoegdheden – een kader voor het beleid ten gunste van personen met een handicap in de lidstaten van de Europese De Strategie ondersteunt ook de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
  • De Europese Strategie inzake handicap werd oorspronkelijk vastgesteld voor een periode van tien jaar (2021-2030), maar de meeste acties beperkten zich tot de vorige Europese legislatuur.
  • Hoewel de globale doelstellingen van de Strategie relevant blijven, maken de huidige uitdagingen duidelijk dat nieuwe maatregelen nodig zijn in de periode 2026-2030 om de rechten en autonomie van personen met een handicap te versterken en hun participatie in de samenleving te vergroten.

4. ADVIES

De NHRPH vraagt een doeltreffende strategie met tastbare resultaten voor de burgers met een handicap en hun families en mantelzorgers.

Prioriteiten van de NHRPH:

A. Toegankelijkheid: hefboom voor rechten, autonomie en gelijkheid

  • Kerninitiatief nr. 1: effectief functioneren van het Europees Agentschap voor toegankelijkheid
  • Andere actie: Verordening 1107/2006 inzake de rechten van personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit die per vliegtuig reizen, herzien om instapweigeringen te voorkomen, snelle en billijke compensaties te waarborgen en de luchtvaartmaatschappijen volledige aansprakelijk te stellen in geval van beschadiging of verlies van mobiliteitsmateriaal
  • Andere actie: wetgeving inzake toegankelijke etikettering
  • Andere actie: wetgeving inzake gelijke toegang tot essentiële diensten
  • Andere actie: Verordening inzake Single Digital Booking and Ticketing Regulation voor vervoer
  • Andere actie: de Richtlijn inzake overheidsopdrachten herzien om de bepalingen inzake toegankelijkheid te versterken en te voorzien in een beroepsmechanisme voor burgers
  • Andere actie: de regels inzake staatssteun voor de financiering van de bouw en renovatie van toegankelijke woningen herzien om te voorkomen dat de lidstaten zelf bepalen welk bedrag van de diensten van algemeen economisch belang (SGEI) zij toewijzen aan investeringen in toegankelijkheid
  • Andere actie: wetgeving die tegen 2050 algemene toegankelijkheid op basis van Universal Design voorziet, met bindende tussentijdse stappen
  • Andere actie: een meer bindende planning voor het toegankelijk maken van de omgeving in alle EU-landen
  • Andere actie: de European Accessibility Act (EAA) evalueren en uitvoeren in elke lidstaat
  • Andere actie: de Webrichtlijn evalueren

B. Genot van de EU-rechten 

  • Kerninitiatief 3: Richtlijn om de volledige vrijheid van verkeer voor personen met een handicap te waarborgen
  • Andere actie: handicap integreren in het Europees semester om de aanwending van de EU-middelen te sturen

C. Menswaardige levenskwaliteit en zelfstandig leven

C.1. Toegang tot hoogwaardige en duurzame banen
  • De Europese Unie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat mensen over voldoende middelen beschikken  om  in  alle  omstandigheden  een waardig leven te kunnen leiden, zowel in het kader van werk als wanneer werk niet mogelijk is.
  • Andere actie: Verordening om het gebruik van algoritmen voor het beheer, de controle en de werving van werknemers te reguleren
  • Andere actie: aanbevelingen aan de lidstaten inzake de mogelijke cumulatie van invaliditeitstoelagen en andere vormen van inkomsten
  • Andere actie: studie over de extra kosten van levensonderhoud voor personen met een handicap
  • Andere actie: studie over de verschillen in inkomsten en pensioen voor informele mantelzorgers
  • Andere actie: de werkgevers verantwoordelijk stellen voor de effectieve werving van personen met een handicap
  • Andere actie: redelijke aanpassingen versterken, inclusief coaching op de werkplek
C.2. Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij
  • Kerninitiatief 5: EU-pakket over de keuze van de verblijfplaats
  • Andere actie: Europese middelen - studie over de toewijzing van de middelen voor de handicapsector in alle landen
  • Andere actie: aanbevelingen aan de lidstaten over goede praktijken voor de evaluatie van de handicap
  • Andere actie: studie over de impact van de overgang naar volwassenheid voor jongeren met een handicap

D. Gelijke toegang en non-discriminatie 

  • Kerninitiatief 7: bindende maatregelen om een einde te maken aan gedwongen sterilisatie
  • Andere actie: aanbeveling aan de lidstaten om het recht van personen met een handicap op een affectief en seksueel leven te waarborgen, inclusief het recht van vrouwen op anticonceptie en abortus
  • Andere actie: nationale gebarentalen erkennen in het kader van de meertalige Europese Unie; gelijkheid tussen gesproken talen en gebarentalen waarborgen; een Europese dag van de gebarentaal instellen
  • Andere actie: actieplan inzake gelijkheid en intersectionaliteit
  • Andere actie: bewustmakingscampagne over vrouwen met een handicap
  • Andere actie: aanbeveling over autonomie en ondersteunde beslissing voor personen met een handicap en ouderen
  • Andere actie: EU-studie over haatboodschappen en haatmisdrijven tegen personen met een handicap
  • Andere actie: personen met een handicap integreren in het migratie- en asielbeleid: richtsnoeren voor asielzoekers met een handicap in de asielprocedures
  • Andere actie: opleiding over toegang tot de rechter
  • Andere actie: gegevens of studie over geestelijke gezondheid
  • Andere actie: onderzoek van het Bureau voor de grondrechten (FRA) naar de grondrechten van personen met een handicap
  • Andere actie: actie inzake omgang met handicap in noodsituaties
  • Andere actie: GDPR en AI, een effectbeoordeling uitvoeren over de toegang tot diensten voor personen met een handicap 

E. Wereldwijde bevordering van de rechten van personen met een handicap

  • Kerninitiatief nr. 8: actieplan voor personen met een handicap in het kader van het externe optreden van de EU
  • Andere actie: een inclusieve klimaatactie voor personen met een handicap waarborgen
  • Andere actie: de personen met een handicap integreren in de humanitaire acties
  • Andere actie: de wederopbouw in Oekraïne blijven ondersteunen
  • Andere actie: personen met een handicap in conflictsituaties en fragiele Staten beschermen

F. Uitvoering van de strategie

  • De uitvoering van de acties en kerninitiatieven van de eerste helft van de strategie analyseren, met bijzondere aandacht voor de European Disability Card (EDC) en de European Accessibility Act (EAA)
  • Voor de ‘kerninitiatieven’ en ‘prioritaire acties’ voorzien in zekere middelen, indicatoren om de vooruitgang te meten, tussentijdse streefdata tegen 2030 en duidelijke verantwoordelijkheden, ook voor de lidstaten
  • De vertegenwoordiging in het handicapplatform (Disability Platform) verbeteren:
    • de lidstaten herinneren aan de verplichting om de representatieve organisaties bij de besprekingen te betrekken;
    • plaatsen voorbehouden voor jongeren met een handicap

De NHRPH benadrukt ook de volgende prioriteiten en beveelt een reeks acties aan.

G. Het goede voorbeeld geven

  • Ambitieuze tewerkstellingsquota in de Europese instellingen invoeren
  • De invoering van redelijke aanpassingen door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) verbeteren

H. Meting van de vooruitgang, governance, bewustmaking

  • Het kader voor de opvolging van de strategie voortzetten
  • Het functioneren van het kader voor de opvolging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) van de Europese Unie verbeteren
  • Een jaarlijks forum voor de rechten van personen met een handicap oprichten: technisch werk en uitwisseling over de uitvoering van het UNCRPD. Dit forum zou bestaan uit de Europese en nationale organisaties van personen met een handicap (nationale raden) en de UNCRPD-contactpunten, onafhankelijke mechanismen en beleidsmakers.

I. Zeer concrete handistreaming – de handicapkwesties in de andere strategieën van de Europese Unie integreren

  • Alle strategieën van de Europese Unie moeten de behoeften van de personen met een handicap integreren, in overleg met de personen met een handicap en hun representatieve organisaties tijdens de planning en uitvoering van de acties:
    • de EU-strategie voor gendergelijkheid,
    • de EU-strategie inzake de rechten van het kind,
    • het strategisch EU-kader voor gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma,
    • het EU-actieplan tegen racisme,
    • de Europese Green Deal,
    • de digitale EU-strategie,
    • de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering.
  • Raadplegingen: 11

Samenvatting van het advies 2026/07: Federaal Actieplan Handicap 2025-2029

Op verzoek van de heer Rob Beenders, minister van Personen met een handicap en Gelijke Kansen.

Onderwerp:

Federaal Actieplan Handicap 2025-2029

Standpunt van de NHRPH:

  • Een plan dat meer op actie is gericht, maar waarin de algemene ambitie in de zin van echte transversale inclusie ontbreekt. De NHRPH benadrukt dat het plan concrete doelstellingen bevat in plaats van louter intenties of vage studies. De NHRPH is echter ook van mening dat talrijke maatregelen ontoereikend blijven en niet volledig voldoen aan de verwachtingen van de VN-experten ten aanzien van België (zie rapport 2024), maar ook aan die van personen met een handicap.
  • De digitale transitie als schijnoplossing voor toegankelijkheid. De NHRPH herinnert eraan dat 40 % van de bevolking te maken heeft met de digitale kloof. De "volledig digitale aanpak" vereenvoudigt de procedures niet, maar versterkt de uitsluiting. Menselijk contact en begeleiding blijven op alle gebieden onmisbaar.
  • Het ontbreken van een begrotingskader. Zonder een bijbehorend begrotingskader wordt een adequate uitvoering van het plan ernstig in gevaar gebracht. Dit geldt in het bijzonder voor de hervorming van de wet van 1987 inzake tegemoetkomingen en de tienjarige visie op een toegankelijkere omgeving.

Eisen van de NHRPH:

  • Zorgen voor een waardig bestaan. De inkomensvervangende tegemoetkoming  (IVT) moet worden verhoogd tot ten minste de armoedegrens. De IVT moet ook worden toegekend zodra het beroepsinkomen wegvalt. De hervorming mag geen nadelige gevolgen hebben voor verschillende vormen van samenwonen.
  • Universele en bindende toegankelijkheid afdwingen. De doelstelling van volledige toegankelijkheid van alle gebouwen tegen 2036 moet gepaard gaan met strenge regels en sancties bij niet-naleving.
  • De NHRPH structureel betrekken en zijn middelen versterken. De NHRPH dringt aan op de spoedige vervanging van de vertrokken medewerkers van zijn secretariaat: het behoud van zijn adviserende functie staat op het spel. De NHRPH benadrukt dat hij vanaf het begin van het politieke denkproces moet worden betrokken; alleen op deze manier kan worden gegarandeerd dat de werkelijke uitdagingen worden aangepakt en de hervormingen worden doorgevoerd waar personen met een handicap en hun families op rekenen.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 10

Advies 2026/07: Federaal Actieplan Handicap 2025-2029

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2026/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de opmaak van het Federaal Actieplan Handicap voor de legislatuur 2025-2029.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/03/2026.

Advies op hoogdringende vraag van minister Rob Beenders per mail de dato 11/02/2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Voor opvolging aan de heer Bart De Wever, eerste minister;
  • Voor opvolging aan alle ministers van de federale regering;
  • Voor opvolging aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

In de Wet van 7 mei 2024 ter versterking van het federale beleid inzake handicap, is de verplichting voor een Federaal Actieplan Handicap expliciet verankerd en dit binnen het jaar na aanvang van de legislatuur. Op 11 februari 2026 heeft de NHRPH vanwege het kabinet van minister Beenders een ontwerp ontvangen van het nieuw Federaal Actieplan Handicap voor de legislatuur 2025-2029.


3. ANALYSE

A. Opbouw Federaal Actieplan Handicap

In het Federale Actieplan Handicap (kortweg ‘plan’) worden volgende fundamenten in herinnering gebracht:

  • De principes van het VN-Verdrag (waardigheid, autonomie, non-discriminatie, participatie, toegankelijkheid, gelijke kansen…).
  • Handistreaming: systematische aandacht voor de impact op personen met een handicap bij elk beleidsinitiatief.
  • Betrokkenheid van personen met een handicap via de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).
  • Interfederale samenwerking gezien de bevoegdheidsverwevenheid.

Het plan vermeldt de intentie om de integratie van de aanbevelingen die in 2024 door VN-deskundigen aan België alsook de aanbevelingen van de NHRPH en van Unia na te streven.

Governance en opvolging:

  1. Elke minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan binnen zijn/haar bevoegdheid.
  2. De minister bevoegd voor Personen met een Handicap coördineert en rapporteert.
  3. Er wordt gewerkt met politieke en administratieve aanspreekpunten handicap bij elke federale overheidsdienst (FOD) en Openbare Instelling van de Sociale Zekerheid (OISZ).
  4. In 2027 volgt een tussentijdse evaluatie.
  5. Begin 2029 volgt een eindevaluatie bestemd voor de Kamer.

De maatregelen zijn thematisch gegroepeerd onder 7 grote hoofdstukken:

  • Goed bestuur
  • Werk
  • Welvaart veiligstellen voor personen met een handicap
  • Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming
  • Gezondheidszorg
  • (Liberté in de FR versie), Veiligheid en gelijkheid voor de wet
  • Buitenlands beleid en defensie.

Algemeen gesproken stelt de NHRPH het volgende vast:

Een aantal van de voorgenomen maatregelen voldoet niet aan de verwachtingen van de VN-deskundigen, de NHRPH en Unia. Het plan beantwoordt aan bepaalde aanbevelingen, maar op zichzelf neemt het niet alle bezorgdheden weg die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen (zie overwegingen over rechtsbekwaamheid,werk  enz.).

  • Er is geregeld een discrepantie tussen de (over het algemeen correcte) bevindingen en de maatregelen (die onvoldoende zijn om de geconstateerde obstakels aan te pakken of soms zelfs helemaal geen verband houden met die obstakels).
  • Bij sommige maatregelen wordt er geen verantwoordelijke minister genoemd. Dit maakt de opvolging erg moeilijk. Moet de verantwoordelijkheid voor de opvolging dan worden toegekend aan de premier of aan de minister voor personen met een handicap?
  • Verschillende maatregelen gaan gepaard met een zeer concrete doelstelling (stemrecht, hervorming van de wet op de tegemoetkomingen). Enkele maatregelen nemen de vorm aan van studies. Deze laatste vormen echter een minderheid, wat doet vermoeden dat het huidige plan meer op actie gericht is dan eerdere actieplannen ‘handicap’.
  • Er is geen begrotingskader voor het plan. Het plan voor sociale cohesie voorziet in enkele begrote acties. Betekent dit dat de andere acties zonder begroting moeten worden uitgevoerd? Als dat het geval is, zullen deze acties wel worden gerealiseerd?

Als we meer in detail kijken naar de genoemde gebieden en de vastgestelde maatregelen, maakt de NHRPH de volgende opmerkingen:

1. Goed bestuur

1.1. Hervormingsfederalisme en democratische vernieuwing

Het plan wijst op de complexiteit van de federale staat en benadrukt de obstakels die deze complexiteit met zich meebrengt voor personen met een handicap. Er wordt een reeks maatregelen genomen op het gebied van statistieken en werking, maar deze zijn niet voldoende om deze obstakels te overwinnen.

De schrapping van het stemrecht uit de ‘checklist’ van vrederechters is een langverwachte maatregel.

1.2. Toegankelijkheid en universeel ontwerp (‘universal design’)

Het recht op toegankelijkheid is een van de fundamentele rechten van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Toegankelijkheid als concept houdt in dat gebouwen, producten, diensten en digitale inhoud zo ontworpen worden dat ze rekening houden met de diversiteit in functionele karakteristieken in de bevolking zodat deze zonder assistentie bruikbaar zijn voor een zo groot mogelijk aandeel van de populatie.

Wat de gebouwen betreft:

Ten eerste is er de erfenis van het verleden: veruit de meeste bestaande openbare gebouwen zijn niet toegankelijk. Zo zijn er bijvoorbeeld heel wat postkantoren die niet toegankelijk zijn. De aangehaalde redenen lopen uiteen: het is een beschermd gebouw dat niet mag worden aangepast, de omgeving is niet toegankelijk enz., maar in de praktijk komt het er steeds op neer dat een openbare dienst ontoegankelijk is.  

Ten tweede is er nog steeds te weinig aandacht voor toegankelijkheid bij de bouw van nieuwe gebouwen of de renovatie van bestaande gebouwen, ook omdat er amper sancties volgen bij het niet naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften.

Bij producten, diensten en digitale inhoud is het probleem dat er geen werk wordt gemaakt van universeel ontwerp: om toegankelijk te zijn moet een product in de eerste plaats toegankelijk worden ontworpen.

1.3. Inclusieve dienstverlening

Naast de toegankelijkheid voor alle handicaps (sensorieel, verstandelijk, fysiek enz.) is er de uitdaging van de digitalisering: producten krijgen een digitaal aspect (functionaliteiten, updates, digitale bijsluiters en gebruiksaanwijzingen, …) en veel diensten worden digitaal. Mensen die niet (voldoende) mee zijn met de digitale revolutie komen steeds meer in de problemen. Volgens de Barometer van de koning Boudewijnstichting gaat het om 40% van de bevolking. Er is een verplichting tot een niet-digitale oplossing voor publieke dienstverlening, maar vaak is dat er maar één.

Voor de rol van artificiële intelligentie: zie positienota van de NHRPH over artificiële intelligentie (09/02/2026).

In het Actieplan staat: “Er is heden geen plan met gemeenschappelijke aanpak voor de modernisering van de dienstverlening van de overheid voorzien, waarbinnen de handicap dimensie zou kunnen worden opgenomen. De realisatie van onderstaande maatregelen vindt dan ook plaats per administratie, met verschillen in prioriteiten en timing.” Dit is natuurlijk geen goede startpositie.

2. Tewerkstelling

Het plan gaat uit van de vaststelling dat er een groot verschil bestaat tussen de tewerkstelling van zogenaamde valide personen en personen met een handicap of ziekte.

Het is de bedoeling om een aantal directe oorzaken aan te pakken (bestrijding van discriminatie, versterking van redelijke aanpassingen, enz.), maar ook om te werken aan de kaders van de sociale zekerheid en de sociale bescherming en deze tot volwaardige hefbomen te maken. Het doel is een algemeen beleid van terugkeer naar werk, geïnspireerd op het RIZIV-stelsel en uitgebreid tot de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Dit is een prijzenswaardige ambitie, mits deze past in een planning met concrete acties die de oorzaken van de waargenomen kloof op de arbeidsmarkt aanpakken. Er ontbreken maatregelen op andere gebieden van het plan en maatregelen die specifiek de toegang tot werk ondersteunen voor mensen die door de samenleving zijn buitengesloten: toegang tot informatie, de status van mantelzorgers en de toegankelijkheid van goederen en diensten zijn essentiële domeinen.

3. Welvaart veiligstellen

Op het vlak van het veiligstellen van de welvaart omvat het plan drie werkgebieden: koopkracht en consumentenbescherming, mobiliteit over de weg en per spoor, klimaat en milieu met de ontwikkeling van noodplannen. Er worden bepaalde maatregelen verwacht, waaronder crisisbeheersingsplannen, voortdurende verbetering van de diensten van de NMBS en het recht om vergeten te worden op het gebied van verzekeringen, met de intentie om dit uit te breiden naar nieuwe pathologieën en domeinen.

4. Fatsoenlijke levensstandaard en sociale bescherming

Het plan benadrukt de noodzaak van hervormingen in de huidige sociale zekerheids- en beschermingsstelsels, en tegelijkertijd de bestrijding van armoede, waaraan personen met een handicap vaker blootstaan. De maatregelen hebben betrekking op de hervorming van de IGO, de verhoging van het pensioen voor effectieve werkperiodes, de herziening van artikel 100 van de wet inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, een geharmoniseerde beoordeling van arbeidsongeschiktheid, maar ook de herwaardering van het statuut van mantelzorgers, de hervorming van de wet op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en het kader voor sociale tarieven voor internet en energie.

Dit zijn allemaal belangrijke dossiers en de radicale en brutale hervorming van de werkloosheidsuitkeringen was een koude douche voor alle burgers; er zijn duizenden mensen uitgesloten zonder enig vooruitzicht op werk of hulp van het OCMW (en overigens ook zonder erkenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming/integratietegemoetkoming (IVT/IT)). Zullen de voorgestelde hervormingen een vergelijkbare trend van rationalisering volgen?

5. Gezondheidszorg

Het plan haalt een reeks aandachtspunten aan: geïnformeerde toestemming, financiële toegankelijkheid en non-discriminatie, maar ook opleiding van gezondheidswerkers in de behoeften van personen met een handicap.

Er wordt een reeks maatregelen genomen in het kader van de toegang tot tandheelkundige zorg, een nomenclatuur die is aangepast aan de benodigde consultatie- en behandeltijd, logopedische behandeling in uitzonderlijke gevallen, toegankelijkheid voor dove personen in ziekenhuizen, bewustmaking van softwareontwikkelaars over handicaps.

6. Justitie en veiligheid

Het plan stelt prioriteiten vast voor de bestrijding van geweld en het beheer van crisissituaties. Er is voorzien in opleiding voor de politie, maar ook in betere begeleiding van personen met een handicap door centra voor de behandeling van seksueel geweld. De gerechtelijke instanties zullen ook toezien op de toegankelijkheid van de procedures en de opleiding van het personeel. Het plan herinnert er terecht aan dat juridische beschermingsmaatregelen "alleen de nodige ondersteuning moeten bieden wanneer dat nodig wordt geacht. Het is verplicht om voorrang te geven aan ondersteunende maatregelen en beschermingsmaatregelen moeten worden aangepast aan de specifieke behoeften en capaciteiten van elk individu”. Het plan benadrukt ook de noodzaak van een hervorming van het kader voor internering in geval van verslechterende geestelijke gezondheid. Het herinnert aan de noodzaak om discriminatie (ook meervoudige en intersectionele discriminatie) te verminderen en het bewustzijn rond stigmatisering te vergroten. Ook wordt herinnerd aan de grondwettelijke verankering van redelijke aanpassingen (2021). Er zijn bepalingen opgenomen in het kader van de begeleiding van vluchtelingen met een handicap.

7. Buitenlands beleid en defensie

Het plan herinnert aan de ambitie van België om de mensenrechten te verdedigen in al zijn buitenlandse beleidsacties; op Europees niveau streeft België naar een tweede “ambitieuze” fase (blz. 59) van de strategie inzake handicap en verbindt het er zich in het algemeen toe "Belgen met een handicap zichtbaar te maken in imagocampagnes en andere campagnes."

Op het vlak van defensie verbindt België zich ertoe te zorgen voor de re-integratie van militairen die arbeidsongeschikt zijn en rekening te houden met de handicap bij de voorbereiding van missies in het buitenland

B. Duidelijke verwachtingen

De aanbevelingen van de VN-experten aan België zijn heel duidelijk en vragen een concrete aanpak in verschillende dossiers:

  • “Een harmoniseringsproces op te starten teneinde de volledige nationale wetgeving aan te passen aan de verplichtingen van het Verdrag, om een plan met betrekking tot personen met een handicap goed te keuren en uit te voeren en om de volwaardige participatie van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen in deze processen te garanderen”.
  • “De nodige middelen te voorzien voor de ondersteuning van de gezinnen van kinderen met een handicap,”
  • “Een juridisch kader met duidelijke en verplichte doelstellingen op het vlak van toegankelijkheid, waaronder de toegankelijkheid van gebouwen, wegen en vervoer, diensten en informatie- en communicatietechnologieën. (...) een concrete kalender voor die monitoring en in de evaluatie (...) ook sancties (...) met een nationaal plan en duidelijk becijferde doelstellingen op korte, middellange en lange termijn. (...) Daarbij hoort ook de toegang tot gebarentaal voor doven en slechthorenden in (...) de procedures in het kader van de toepassing van de wet en de gerechtelijke procedures”.
  • “Plannen met duidelijke tijdschema's, bevoegdheden, budgetten en controlemechanismen om het openbaar vervoer toegankelijk te maken”
  • “Alle vormen van vervangende besluitvorming af te schaffen en te vervangen door maatregelen voor ondersteunde besluitvorming die de wil en voorkeur van personen met een handicap respecteren”
  • “Dringend iets doen aan de overbevolking in gevangenissen en detentiecentra, en zorgen voor adequate ondersteunende maatregelen om re-integratie in de gemeenschap te vergemakkelijken”.

De NHRPH bracht vorig jaar het advies 2025-19 uit ook met duidelijke verwachtingen:

  • Vervangen van de personeelsleden die vertrokken zijn bij het secretariaat van de NHPH, zo niet komt de adviesfunctie in gevaar.
  • Hoog tijd om het platform Adviesraden ad hoc een secretariaat te verschaffen. Het Federaal Actieplan Handicap moet ambitieus en bindend zijn, waar nodig via de Interministeriële conferentie en het interfederaal plan Handicap.
  • Motiveringsplicht wanneer een advies niet wordt gevolgd.
  • Een inhaalbeweging om de rechten van personen met een handicap gelijk te trekken (tenuitvoerlegging van artikel 22ter van de Grondwet) en discriminatie te bestraffen wanneer deze zich voordoet. De opmerkingen die de VN-experten aan België hebben overgemaakt, moeten op zijn minst volledig en adequaat worden beantwoord in het Federaal Actieplan Handicap.
  • Gewaarborgde en menswaardige middelen van bestaan Hervorming van de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen voor personen met een handicap nl.,
    1. de inkomensvervangende tegemoetkoming optrekken tot minstens het niveau van de Belgische armoedegrens.
    2. De afgeleide rechten mogen niet verdwijnen.
    3. Werk aanmoedigen, rekening houdend met de multifactoriële oorzaken van inactiviteit.
    4. Betere bescherming bieden bij onvoorziene omstandigheden. De IVT moet direct beschikbaar zijn zodra een persoon met een handicap zonder arbeidsinkomsten valt. De IT moet de kosten dekken die voortvloeien uit een omgeving die ernstig tekortschiet op het gebied van toegankelijkheid en extra kosten met zich meebrengt
    5. Vrije keuze van woonplaats zonder vormen van cohousing (samenwoning) te bestraffen.
  • De toegang tot het minimumpensioen verzekeren, rekening houdend met een onderbroken carrière wegens ziekte of handicap of wegens de zorg voor personen met een handicap.
  • Geen uniformisatie via BelRAI (zorg evaluatietool) en IFC.
  • Interactie tussen het Federaal Actieplan Handicap en het Federaal Actieplan Armoedebestrijding.
  • Strijd tegen de non-take up van rechten: de toegang tot informatie verbeteren in een samenleving die in toenemende mate gedigitaliseerd: altijd Meerdere volwaardige niet-digitale alternatievenvoorzien en toegankelijke taal / FALC / easy-to-read veralgemenen.
  • Ondersteuning van werk van personen met een handicap en van hun familie: inzetten op redelijke aanpassingen, flexibele werktijden, toegankelijkheid, jobcoaching en aansprakelijkheid van de werkgevers, in alle sectoren positieve acties en sensibilisering verplichten, de bestaande CAO’s herevalueren. Zie positienota Tewerkstelling van de NHRPH (09/02/2026).
  • Een ONE STOP SHOP: de IMC Handicap moet een centraal punt creëren waar belanghebbenden worden geïnformeerd over hun rechten en het niveau van de steun inzake tewerkstelling.
  • De nodige wetgevende en beleidsmaatregelen voorzien om ouders van personen met een handicap in staat te stellen hun kinderen binnen het gezin op te voeden zonder de arbeidsmarkt te moeten verlaten. Mantelzorgersstatuut inhoudelijk en sterk maken.
  • Hervorming van de wet van 17/03/2013 inzake bewindvoering. Artikel 12 van het UNCRPD vraagt DRINGEND alle vormen van vervangende besluitvormingaf te schaffenen te vervangen door ondersteunde besluitvorming. Versterk begeleiding door de vrederechters.
  • Aandacht voor de negatieve gevolgen voor personen met een handicap en zieke personen in het kader van de strijd tegen de opwarming van de aarde.
  • Digitalisatie en artificiële intelligentie zijn geen antwoord op alle behoeftes: zie positienota ‘Artificiële intelligentie en gezondheidszorg (09/02/2026) en positienota digitale kloof
    1. Maak van de digitale aanpassing gebruik om het begrip handicap en de specificiteit en noden van personen met een handicap te integreren in de “sandboxes” zodat ook daar inclusie bestaat van bij het begin.
    2. Waak erover dat er ook altijd een persoonlijke en niet-digitale dienstverlening voorhanden is alsook menselijke controle van (generatieve) artificiële intelligentie.
    3. Controleer en bestraf de ontwikkeling van discriminerende applicaties.
    4. Gebruik gezondheidsgegevens enkel in het belang van de patiënt. Gelijke en betaalbare toegang tot gezondheidszorg: werk verschillen in hospitalisatieverzekeringen weg. Voorzie monodisciplinaire logopedie naast multidisciplinaire logopedie naargelang de behoefte van de persoon met een handicap. Hervorm de nomenclatuur zodat alle zorgen toegankelijk zijn.
  • Het beroep ‘tolk gebarentaal’ als knelpuntberoep (tekort aan tolken)
  • Verbod op vrijheidsberoving en onbeperkte opsluiting wegens een handicap. Zie ook de positienota Internering van de NHRPH.
  • Actieve politieke participatie, zoals het ondersteunen van kandidaten met een handicap. Zie de positienota van de NHRPH: Deelname aan het politieke leven - Verkiezingen.
  • Alle openbare gebouwen én alle openbare diensten toegankelijk; aanpassingen voor personen met een handicap bij renovatie en toepassing van het principe van universal design: standaardisering van criteria voor aangepaste woningen; een menselijk alternatief en persoonlijke assistentie in elk openbaar gebouw en in elke communicatie met de burger.
  • Toegankelijk openbaar vervoer, met toegankelijke stations en haltes, toegankelijke treinwagons, vlotte assistentie, vlotte overgangen tussen verschillende vervoerswijzen en een toegankelijke ticketverkoop.

4. ADVIES

Algemeen is de situatie als volgt:

Nr.

Aanbeveling NHRPH

Terug te vinden in ontwerp?

Beoordeling

Lacune / Opmerking

1

Mensenrechtenbenadering (UNCRPD als referentiekader)

Ja

✅ Gevolgd

Expliciete verwijzing aanwezig

2

Integratie VN-aanbevelingen 2024

Ja (algemene verwijzing)

⚠️ Gedeeltelijk

Geen systematische vertaling aanbeveling → maatregel

3

Handistreaming als transversaal principe

Ja (conceptueel)

✅ Gevolgd op principe

Weinig concrete instrumenten

4

Structurele handistreaming in alle kabinetten en administraties

Beperkt

❌ Niet structureel uitgewerkt

Geen verplicht contactpunt per administratie

5

Versterking secretariaat NHRPH (personeel)

Nee

❌ Niet gevolgd

Probleem uit advies niet opgelost

6

Structurele betrokkenheid NHRPH bij uitvoering en evaluatie betrekken

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

Participatie vermeld, maar geen formele rol in monitoring

7

Motiveringsplicht bij niet-volgen adviezen

Nee

❌ Niet gevolgd

Geen dergelijke bepaling in draft

8

Versterking IMC Handicap

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

Samenwerking vermeld, geen concrete versterking

9

Screening regelgeving op UNCRPD-conformiteit

Nee

❌ Niet gevolgd

Geen plan voor globale regelgevingsscreening

10

Hervorming wet 1987 (menswaardig inkomen)

Ja (als beleidsdoel)

⚠️ Gedeeltelijk

Ambitie aanwezig, maar weinig detail

11

IVT minstens op armoedegrens

Niet expliciet

❌ Niet duidelijk gevolgd

Geen expliciete armoedekoppeling

12

Werk stimuleren zonder rechtenverlies

Ja

✅ Grotendeels gevolgd

Progressief cumulmechanisme voorzien

13

Flexibele combinatie arbeid en IVT

Ja

✅ Gevolgd op beleidsniveau

Uitwerking nog onduidelijk

14

Toegankelijkheid federale gebouwen

Ja

✅ Gevolgd

Universal Design en renovatiebeleid

15

Toegankelijk openbaar vervoer

Ja (prioriteit)

⚠️ Gedeeltelijk

Geen volledige systematische aanpak

16

Niet-digitale toegang tot dienstverlening

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

Digitale inclusie vermeld, fysiek minder goed uitgewerkt

17

Bestrijding non-take-up

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

NTU vermeld maar weinig concrete maatregelen

18

Noodplanning aangepast aan handicap

Nauwelijks

❌ Niet zichtbaar

Geen specifieke noodplannen

19

Geweld tegen vrouwen met handicap

Zeer beperkt

❌ Onvoldoende zichtbaar

Geen aparte structurele as

20

Ondersteunde besluitvorming (hervorming bewindvoering)

Niet structureel

❌ Niet zichtbaar

Geen hervormingsplan art. 12 UNCRPD

21

ONE STOP SHOP werk

Niet expliciet

❌ Niet gevolgd

Geen centraal loket voor werkrechten

22

Versterking Unia en klachtenmechanismen

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

Geen specifieke maatregelen

23

Transparant evaluatie- en rapporteringsmechanisme

Beperkt

⚠️ Gedeeltelijk

Evaluatie niet duidelijk gestructureerd

24

Bindend, ambitieus en middelen-onderbouwd plan

Nog onduidelijk

⚠️ Onvoldoende uitgewerkt

Budgettaire koppeling ontbreekt

De NHRPH erkent de geleverde inspanning en is zeker verheugd enkele lang verhoopte maatregelen opgenomen te zien in het plan, zoals het schrappen van het stemrecht van de checklist voor de vrederechters, het behoud van monodisciplinaire logopedie, de hervorming van de wet van 1987, ….

Maar het mocht veel ambitieuzer, zeker gezien de broodnodige inhaalbeweging waarop ook het VN-Comité hamert.

Structurele punten blijven open (armoederisico, toegang tot rechten, sanctiemechanismen, monitoring, toegankelijkheid, begeleiding).

Voor veel maatregelen (hervorming van de wet van 1987, tewerkstelling, opleiding, enz.) ontbreekt een link met de deelstaten en de noodzakelijke boodschap om samenwerkingsovereenkomsten met hen te sluiten.

Opmerkingen en verwachtingen van de NHRPH per thema en maatregel:

1. Goed bestuur

1.1. Hervormingsfederalisme en democratische vernieuwing - Maatregel 1 tot en met 7

Algemene verwachting: het plan, dat de obstakels erkent die verband houden met de “complexiteit van onze staatsstructuur” (p. 11), zou verder moeten gaan dan deze constatering en zich moeten inzetten om actief aan deze situatie te werken vanuit het oogpunt van het handicapbeleid, met name via de IMC Handicap, maar ook door de behoeften van personen met een handicap te integreren in de andere IMC's (werk, mobiliteit, enz.). In dit stadium wijst de NHRPH op ten minste vier dossiers die dringend prioriteit hebben op het niveau van de IMC's:

  • de terugkeer naar de arbeidsmarkt van personen met een handicap;
  • de hervorming van de tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987);
  • de noodzaak van een plan ter ondersteuning van mantelzorgers;
  • de planning van de toegankelijkheid van de omgeving.

Er is een concrete impuls nodig van de IMC Handicap met een duidelijk tijdsdoel. Er moeten werkgroepen worden opgericht die zorgen voor integratie op alle bevoegdheidsniveaus van het land, zo niet zullen de hervormingen op federaal niveau negatieve gevolgen hebben voor de burger. Er had ook moeten worden voorzien in een screening van de bestaande wetgeving, op zijn minst op basis van de aanbevelingen van de VN-deskundigen en de aanbevelingen van Unia.

Maatregel 2. Het belang van betrouwbare statistieken is een uitdaging: de gegevens moeten coherent zijn en het mogelijk maken om de werkelijke behoeften te meten.

Maatregel 3. Het is dringend noodzakelijk om de NHRPH te versterken: sinds enkele jaren worden vertrekkende medewerkers niet vervangen. Er moeten structurele oplossingen komen die het secretariaat in staat stellen zijn adviesfunctie uit te voeren in een handistreaming-benadering.

Maatregel 6a). Het schrappen van het stemrecht van de lijst van de vrederechter is een langverwachte maatregel. De NHRPH vraagt ook dat de minister van Justitie de samenhang en de aanpak van de lijst, maar ook van het begeleidingssysteem voor personen met een handicap in zijn geheel herziet. Zie in dit verband de aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van de wet van 2013 inzake de rechtsbekwaamheid (rapport Wuyts-Dandoy).

Maatregel 6b). De NHRPH vraagt om betrokken te worden bij het denkproces en het opstellen van regelgeving om de uitoefening van politieke rechten effectief te maken.

Maatregel 7. De toegankelijkheid van het stemrecht voor personen met een handicap is een dringende kwestie. De alternatieven voor het traditionele stemmen in het stemlokaal moeten tegen 2029 worden uitgewerkt om de deelname van kiezers die zich niet kunnen verplaatsen te garanderen.

De NHRPH heeft een dossier opgesteld rond toegankelijke verkiezingen en vraagt o.a.

  • De mogelijkheid van online stemmen
  • Toegankelijke stembureaus in toegankelijke gebouwen en omgeving
  • Speciale aandacht voor personen met een visuele handicap die nog steeds niet autonoom kunnen stemmen
  • Vrije keuze van vertrouwenspersoon (dus niet systematisch de voorzitter van het kiesbureau of aangeduid door de voorzitter van het kiesbureau)
  • Alle info in toegankelijke formaten
  • Toegankelijke stemcomputers met bijzondere aandacht voor visuele handicap (headset, spraakfunctie, geen touchscreen enz. Zie advies 2026-04)
1.2. Toegankelijkheid en universeel ontwerp - Maatregel 8 tot en met 12

Algemene verwachting: de toegankelijkheidsregels van gebouwen zijn een regionale materie. Daarom vraagt de NHRPH om steeds en overal de strengste regionale norm te hanteren. Dat komt de uniformiteit en de toegankelijkheid voor allen ten goede.

Bij de Regie der Gebouwen loopt al enkele jaren een beloftevol, maar moeizaam vorderend project voor het toegankelijk maken van overheidsgebouwen.

De eerste stap is de beschrijving van de toegankelijkheid van de gebouwen. Maar dat mag uiteraard alleen maar een eerste stap zijn. Het einddoel moet zijn dat alle openbare gebouwen toegankelijk zijn voor iedereen. De Regie der Gebouwen moet de dynamiek dus volhouden en zelfs versnellen. Daarom is de NHRPH blij met Maatregel 10 - Opgedreven inspanningen en actieplan om de toegankelijkheid van de federale overheidsgebouwen te garanderen voor personen met een handicap.

Ook de dienst die het gebouw betrekt moet zijn diensten in het gebouw toegankelijk maken.

De NHRPH vraagt om niet te kiezen voor een minimale invulling van de EU-regels, want dat is een hypotheek op de toekomst. Wees ambitieus!

AANDACHTSPUNT: Het onthaal en de diensten in de gebouwen moeten ook steeds menselijke assistentie aanbieden, ook bij toegankelijke gebouwen of diensten.

AANDACHTSPUNT BPOST : Niet alleen zijn er in het recente verleden veel postkantoren gesloten, ook de toegankelijkheid van de nog bestaande postkantoren laat vaak te wensen over:

  • Niet in overeenstemming met de Europese en regionale regels
  • In een ontoegankelijke omgeving (bijv. drempels, onveilige verkeerssituatie voor blinde personen enz.)
  • Beschermde gebouwen met bijv. trappen of zware deuren waar geen aanpassingen mogen gebeuren.

Uiteraard mogen dat geen excuses zijn voor een ontoegankelijke dienstverlening. Indien een gebouw en de omgeving niet toegankelijk zijn of kunnen worden, moet er een gebouw worden gezocht dat wel voldoet. Dat geldt ook voor de partners van bpost: kiosken, benzinestations, kruideniers enz. die ook pakketten ontvangen voor klanten en postfuncties vervullen (bijv. postzegelverkoop). Deze winkels zijn voorlopig aan minder strenge toegankelijkheidsnormen onderworpen. Bpost mag hier echter niet zijn handen in onschuld wassen, want bpost gaat de partnerschappen aan en moet toegankelijkheid eisen.

Maatregel 8

Maatregel 8 is positief (volledig toegankelijkheid van alle openbare gebouwen tegen 2036), maar is nogal vrijblijvend geformuleerd: ‘initiatieven nemen’. Welke?

Hierbij alvast enkele aandachtspunten:

  • strengste regionale normen toepassen
  • Europese regels ambitieus toepassen
  • regels bindend maken en sancties voorzien
  • Het controleorgaan de middelen geven die nodig zijn voor de werking van de dienst
  • Bij het bepalen van prioriteiten voorrang voor diensten die burgers ontvangen
  • (potentiële) werknemers met een handicap niet vergeten

Maatregel 9

De oefening is nuttig, maar mag niet vrijblijvend zijn. Controle en sancties zijn nodig. Zie ook opmerkingen bij Maatregel 8.

Maatregel 10

  1. Dit is een eerste voorbereidende stap: het in kaart brengen van de situatie. Hier mag het werk niet stoppen.
  2. Idem
  3. Over welke gehuurde gebouwen gaat het dan? Welke werken zijn daar mogelijk?
  4. Regels volgen. Zie bijv. advies 2018-21 voor wat betreft signaletica.
  5. Waarop zullen de richtlijnen van Regie der Gebouwen worden gebaseerd? Kies voor een ambitieuze invulling van de Europese regels en kies ook steeds voor de strengste regionale regels in België. Bewaak ook de uniformiteit.
  6. De informatie moet ook niet-digitaal beschikbaar zijn.
  7. Dit moet een prioriteit zijn. De DG Personen met een handicap heeft een voorbeeldfunctie en ontvangt – vanzelfsprekend! - veel personen met een handicap.

Maatregel 11

  • De NHRPH is niet vertrouwd met Skeyes. Wat is Skeyes en wat houdt de toegewezen taak juist in?
  • Gaat dit enkel over de toegankelijkheid van de gebouwen van de luchthavens van ons land, zoals de website van Skeyes lijkt te suggereren?

Toegankelijkheid van digitale overheidsdiensten

Maatregel 12

“Recht op niet-digitale alternatieven” > De NHRPH vraagt om niet slechts één, maar minstens 3 niet-digitale kanalen voorzien: telefoon, post en een menselijk onthaal. Zie advies 2025-32.

  1. Opgelet, steeds de erkende technische koepels aanspreken m.b.t. de noden van de personen met een handicap (PMH). Bijv.: het volstaat niet om een of twee willekeurige rolstoelgebruikers, een blinde en een dove persoon uit te nodigen om exhaustieve technische info over integrale toegankelijkheid te krijgen.

Zie positienota over artificiële intelligentie (09/02/2026).

f) Zie hiervoor Web Accessibility Directive

ONTBREEKT:

De NHRPH vraagt nog aandacht voor een thema dat hier niet wordt vermeld, nl. het sociaal internettarief (zie advies 2026-02).

  • De NHRPH geeft de voorkeur aan een sociaal forfait in plaats van vaste sociale formules.
  • Er is nood aan een simulator die de voor de persoon interessantste keuzes toont aan de hand van zijn behoeften en wensen.
  • De uiteindelijke keuze van het tarief moet bij de persoon liggen.
1.3. Inclusieve dienstverlening

De NHRPH juicht de initiatieven voor inclusieve dienstverlening toe. Het is goed dat alle ministers en federale diensten worden betrokken, maar er moet toch telkens een aansturende en opvolgende minister worden aangeduid, zo niet zal het project verwateren.

De NHRPH heeft zijn reserves en aanbevelingen inzake AI genoteerd in zijn positienota over artificiële intelligentie (09/02/2026). AI heeft ongetwijfeld interessante toepassingen, maar een menselijk contact en menselijke controle, bijv. bij de medische erkenning van handicap, blijven noodzakelijk.

Maatregel 13 tot en met 16

Maatregel 13

De NHRPH is een groot voorstander van begrijpelijke taal en juicht dit project toe.

  • De oefening moet voor alle openbare documenten gebeuren, en dat in de 3 landstalen: Nederlands, Frans en Duits.
  • Gebarentaal in Vlaams, Frans en Duits /gebarentaalbubbels- en vertolking
  • Eenvoudig taalgebruik (FALC)
  • Rekening houden met de toegankelijkheid voor brailleleesregels en andere apparatuur. Leesapparatuur voor blinde en slechtziende personen kan moeite hebben met bepaalde genderinclusieve schrijfwijzen en woordbeelden (bijv. met punten en/of schuine strepen in het woord om aan te geven dat het geschrevene zonder onderscheid geldt voor mensen die zich als vrouw, man, non-binair enz. identificeren). In dat geval zijn formuleringen wenselijk die de leesapparatuur niet hinderen.

Maatregel 14 Toegankelijke communicatieformaten.

Dit is een noodzakelijke maatregel. Opgelet, de werkelijkheid van personen met een handicap is complexer dan een buitenstaander zou kunnen denken.

Bijv.

  • Niet alle blinde personen beheersen braille.
  • Niet alle dove personen kunnen liplezen.
  • Communicatie met doofblinde personen is wel degelijk mogelijk (te informeren bij de persoon of begeleider).

c) Tolken.

  • Het tolkentekort is een groot probleem. Vooral aan Franstalige kant is de situatie precair.
  • Er moeten op zijn minst voldoende gebarentolken komen voor de 3 officiële landstalen.

Maatregel 15-16:

Dit zijn prima maatregels, maar belangrijker dan de verminderde tarieven is de toegankelijkheid van de culturele en wetenschappelijke instellingen: fysieke toegankelijkheid (hellingen, geleidelijnen enz.), audiofuncties, onder- of boventitels en gebarentaal, bijv. voor theater, expo’s enz.

2. Werk

2.1. Toegang tot de arbeidsmarkt voor personen met een handicap - Maatregel 17 tot en met 31

Algemene verwachting: het plan biedt een zeer goed kader voor de uitdagingen en ongelijkheden vanuit het oogpunt van personen met een handicap. Het somt een reeks belangrijke acties op die de nadruk leggen op aspecten die rechtstreeks verband houden met tewerkstelling, waaronder de noodzaak van een sociale dialoog met de sociale partners, de hervorming van het arbeidsrecht en de versterking van het recht op redelijke aanpassingen, maar ook tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987) om de combinatie van werk en de noodzakelijke sociale bescherming te waarborgen.

De NHRPH benadrukt ook de noodzaak om de belemmeringen voor de toegang tot werk op een meer transversale manier te onderzoeken: personen met een handicap die willen werken, worden geconfronteerd met een omgeving die is ontworpen voor valide mensen. De belemmeringen in verband met vervoer, de noodzaak om zorg en werk te combineren, (bij)scholing en begeleiding door de regio’s, de toenemende digitalisering, enz. mogen niet worden vergeten, anders is elke hervorming die erop gericht is zoveel mogelijk personen met een handicap aan het werk te krijgen, gedoemd te mislukken (zie positienota tewerkstelling 2026). Het gaat er ook om de hele problematiek van mantelzorgers in de discussie te integreren en invulling te geven aan het begrip ‘redelijke aanpassingen door associatie’ (zie advies 2026-09 en het standpunt van Unia). De terugkeer naar de arbeidsmarkt van personen met een handicap of ziekte, ongeacht het stelsel waaronder zij vallen, moet het voorwerp uitmaken van een interfederale aanpak en planning. Dit is een noodzaak als België zijn verbintenissen op Europees (Europees semester) en internationaal (UNCRPD) vlak wil nakomen. De NHRPH wijst ook op de bestaande organisaties en verenigingen die personen met een handicap begeleiden bij het vinden van werk en waarvan de rol en betrokkenheid structureel zouden moeten worden.

Maatregel 19: De begeleiding beperken tot de bevoegdheid van de ministers Vandenbroucke en Beenders is misschien te simplistisch. De NHRPH vraagt zich ook af in hoeverre deze begeleiding beperkt moet blijven tot de aanpak van het RIZIV: deze aanpak is namelijk veel te medisch en houdt niet (voldoende) rekening met de omgevingsdimensie.

Maatregel 20: getrapte IVT – de NHRPH spreekt zich in dit stadium niet uit over deze specifieke maatregel; de hervorming van de wet van 1987 op de uitkeringen vormt een geheel.

Maatregel 23: Zeer goede maatregel waarbij de NHRPH betrokken wil worden vanaf het moment dat de doelstellingen en verwachtingen worden geformuleerd.

Maatregel 24: Dit initiatief is langverwacht en essentieel.

Maatregel 24.2: De NHRPH vraagt om verder te gaan dan de fasen “informeren en sensibiliseren”; de kwestie van quota is een noodzakelijke stap, net zoals dat het geval was voor het waarborgen van de gendergelijkheid.

Het aanmoedigen van goede praktijken en het opzetten van een fonds ter ondersteuning van toegankelijk werk is een andere concrete maatregel die serieus moet worden overwogen (voorbeeld van Frankrijk).

2.2. Tewerkstelling van personen met een handicap in de publieke sector - Maatregel 31 tot en met 35

Algemene verwachting: De NHRPH heeft in 2025 twee adviezen - advies 2025-24 en advies 2025-26 - uitgebracht waarin wordt gewezen op de tekortkomingen van de maatregelen in het plan. Kan minister Matz hiervan kennisnemen en haar maatregelen dienovereenkomstig aanpassen?

Maatregel 34: Het expertisecentrum voor redelijke aanpassingen dat binnen BOSA zal worden opgericht, is een goed signaal: de staat benadrukt het belang dat hij hecht aan de uitdaging van toegankelijkheid. Zullen de gespecialiseerde verenigingen (zoals de regionale koepelorganisaties CAWaB en Inter) betrokken worden bij de evaluatie van de gebouwde omgeving? Zal de dienst de nodige middelen krijgen voor zijn taak, met inbegrip van opvolgingcontrole? Zijn er sancties voorzien bij niet-naleving? Zal er een informatieve website komen die ook kan dienen om particuliere initiatieven te stimuleren?

3. Welvaart veiligstellen voor PMH

3.1. Economie, koopkracht en consumentenbescherming - Maatregel 36 tot en met 42

PMH zijn op meerdere manieren kwetsbaar als consumenten: ontoegankelijke producten, ontoegankelijke communicatie en procedures (bijv. klachten), afhankelijkheid enz. Situaties waarbij een PMH niet autonoom kan handelen of beslissen moeten worden vermeden. Bijv. codes van betaal- en andere kaarten moeten meedelen aan anderen, delicate audioboodschappen zonder headset (bijv. auditieve bevestiging van afhaling van geld). Er is altijd een toegankelijke technische oplossing mogelijk.

Informatie- en sensibiliseringscampagnes (bijv. tegen oplichting) moeten specifiek worden afgestemd op de behoeften van PMH.

Maatregel 37

Dit is een positieve maatregel. De NHRPH vraagt daarbij o.a. het volgende:

  • Toegankelijke signaletica;
  • Geleiding voor blinde personen;
  • Visuele en auditieve informatie;
  • Live beschrijving van de match, ook in gebarentaal;
  • Speciale aandacht voor PMH bij het opstellen van de veiligheidsplannen:
    • De PMH kunnen bereiken, fysiek en via toegankelijke communicatie.
    • Bereikbaar zijn voor iedereen, ongeacht de handicap.
  • Betrek de sector en de regionale toegankelijkheidskoepels.

Toegang tot bankdiensten

Maatregel 39

  • Goede spreiding van geldautomaten;
  • Kleine en afgelegen dorpen niet vergeten;
  • Mogelijkheid tot assistentie voorzien (hulplijn, loket, ...);
  • Toegankelijke geldautomaten ((aansluiting voor) headset, keuze van coupures (ook voor blinde personen), geen touchscreen, etc.).

Energiecontracten en -leveranciers

PMH willen welingelicht en weloverwogen een energieleverancier kiezen die het beste aanbod heeft voor hun wensen en behoeften.

Maatregel 40

1 toegankelijk fysiek contactpunt?

  • Dan moet het toegankelijk zijn voor iedereen, met ruime openingsuren.
  • Ook bereikbaar via 3 niet-digitale kanalen (post, telefoon, fysiek onthaal).

Maatregel 41

  • De informatie moet ook via niet-digitale weg toegankelijk zijn.
  • Voorzie een betrouwbare simulator om de interessantste formules op korte en langere termijn (bijv. om verleidelijke promoties van korte duur correct te duiden) te bepalen, rekening houdend met de eventuele sociale tarieven waarop de persoon recht heeft.
3.2. Mobiliteit - Maatregel 43 tot en met 54

Algemene verwachting: voor veel personen met een handicap is mobiliteit een uitdaging wegens de ontoegankelijke omgeving en het niet altijd toegankelijke openbaar vervoer.

Treinverkeer

De overheid en de NMBS willen voorrang geven aan het toegankelijk maken van de grote stations, omdat zo de meeste mensen worden geholpen. De NHRPH begrijpt dat, maar wijst er wel op dat dat geen onschuldige keuze is. Doorgaans zijn het net de kleinere stations die het minst toegankelijk zijn (tenzij recent aangepast in het kader van werken). Dit zijn vaak ook afgelegen stations die voor mensen uit de buurt de enige mobiliteitsoptie is. De NHRPH is van mening dat alle stations toegankelijk moeten worden gemaakt.

Overigens is de toegankelijkheid van Gent-Sint-Pieters, toch een groot station, nog steeds een uitdaging voor PMH door de werkzaamheden die al vele, vele jaren duren.

Verder waardeert de NHRPH al jaren de goede samenwerking met de NMBS en het feit dat de NMBS de NHRPH vrij systematisch raadpleegt, via een werkgroep, maar ook via het Raadgevend Comité van de Treinreizigers en het Platform Toegankelijk treinverkeer. De NHRPH heeft ook goede contacten met Infrabel, maar zou het toch waarderen dat de verantwoordelijke toegankelijkheid van Infrabel systematisch aan de vergaderingen van de werkgroep zou deelnemen.

Maatregel 42

De NHRPH verneemt tevreden dat toegankelijkheid expliciet wordt opgenomen als aandachtspunt in het evaluatierapport. De NHRPH vraagt zich af of het dan ook op dezelfde hoogte komt als evaluatiecriteria stiptheid en veiligheid.

Maatregel 43

Het Platform Toegankelijke Treinverkeer had onder de vorige regering een beloftevol project rond multimodaliteit / intermodaliteit opgezet met de stakeholders, waaronder de NMBS, maar ook de andere aanbieders van openbaar vervoer in België. Dit is een belangrijke thematiek, want de gaten tussen de vervoerswijzen zijn een zeer groot obstakel voor autonoom reizen voor PMH. Dit thema moet dus actief blijven.

Maatregel 44

Betrek de NHRPH.

Maatregel 45

Nog relevant voor dit Plan? (2025).

Maatregel 46

Dit is een belangrijk, maar doorlopend project. De communicatie moet toegankelijk zijn voor iedereen en beschikbaar via de verschillende kanalen en communicatievormen (zie hoger).

Maatregel 47

Dit is een belangrijk, maar doorlopend project. De NHRPH is voorstander van assistentie in alle stations, en dit bij voorkeur (zo goed als) zonder reservatietermijn vooraf. Hoewel er elk jaar vooruitgang wordt geboekt, is assistentie in meer dan de helft van de stations nog niet mogelijk.

Maatregel 48

De NHRPH waardeert deze maatregel. De NHRPH hecht veel belang aan menselijke aanwezigheid, informatie en assistentie. De NHRPH heeft wel reserves in het kader van de aanpassing van de openingstijden van loketten. Betrek steeds de handicapsector.

Maatregel 49

De NHRPH stelt vast dat deze analyse al vele jaren loopt (zie ook openbaredienstcontract van de NMBS), maar nog geen concrete resultaten heeft opgeleverd. Nochtans zijn er mogelijkheden, bijvoorbeeld om betalingen aan boord (zonder meerkosten) toe te laten op vertoon van de European Disability Card (EDC).

Maatregel 50

De NHRPH heeft een naam van een SPOC bij Infrabel, maar die gaat nog niet in op de uitnodigingen voor de werkgroepvergaderingen van de NMBS en de NHRPH. Nochtans is de SPOC NMBS ook vragende partij om zijn evenknie bij Infrabel systematisch te ontmoeten. (Infrabel nodigt de NHRPH uit op de rondetafels, maar die vergaderingen gaan niet zo vaak over toegankelijkheid.)

Maatregel 51

De NHRPH waardeert deze maatregel en rekent op een correcte uitvoering.

Transport en verkeersveiligheid

De NHRPH heeft al meerdere adviezen uitgebracht in het kader van de aanpassing van de Code van de openbare weg. Een aantal van de eisen van de NHRPH zijn nog steeds niet ingewilligd:

  • Het behoud van zebrapaden in de zone 30 (voor de veiligheid en het comfort van blinde personen en geleidehonden)
  • Verkeerslichten met rateltikkers (voor blinde en slechtziende personen) en trilfunctie (voor doofblinde personen).

Maatregel 52

Er zijn heel wat PMH die de fiets gebruiken. Soms gaat het om een aangepaste fiets, zoals een driewieler. Blinde personen rijden graag mee achteraan op tandems. Het fietsvervoer moet dus veilig zijn.

De NHRPH huldigt het principe: voor iedereen een eigen, veilige plaats op de weg: auto’s op de rijbaan, fietsen op het fietspad, voetgangers op het trottoir. De NHRPH kreeg al meerdere meldingen van intimidaties en (bijna-)ongelukken door fietsen en steps op het trottoir die PMH en assistentiehonden in gevaar brachten. Controle en sancties zijn dus nodig.

Maatregel 53

  • De NHRPH heeft het project handyPark van nabij gevolgd en heeft er meerdere adviezen over uitgebracht. Het standpunt van de NHRPH is duidelijk: zolang er geen gratis sms-functie komt voor PMH met een parkeerkaart en hun eventuele chauffeurs-vrijwilligers (die vaak moeite hebben met digitale toepassingen), is de app geen afdoende oplossing voor PMH en onterechte boetes. Ook moet er een hulplijn zijn voor gebruikers die moeilijkheden ervaren met de app of met vragen zitten.
  • De NHRPH verzet zich ook tegen recente initiatieven als de parkeerkaart voor beperkte mobiliteit van korte duur en parkeerkaarten voor instellingen van PMH.
  • De NHRPH heeft geen bezwaren tegen een elektronische parkeerkaart voor PMH, zolang de fysieke ook blijft bestaan en geldig blijft.
3.3. Klimaat en milieu

Wanneer er vaker extreme weersomstandigheden voordoen, zoals hitte, aanhoudende droogte, branden of overstroming, zijn PMH kwetsbaarder dan anderen.

> zie dossier veiligheid van het Federaal Plan Handicap.

In de strijd tegen vervuiling en opwarming kan een toegankelijk openbaar vervoer een rol spelen.

> zie dossier mobiliteit van het Federaal Plan Handicap

4. Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming

4.1. Adequate en toegankelijke sociale bescherming - Maatregel 57 tot en met 65

Algemene verwachting: Personen met een handicap lopen een groter risico op armoede dan anderen, omdat hun inkomsten (IVT) doorgaans onder de armoedegrens liggen en de extra kosten in verband met een ontoegankelijke omgeving enorm zijn. Het is van essentieel belang dat alle maatregelen worden ontworpen om de sociale bescherming te vergroten en bij te dragen aan een waardig leven gedurende de hele levensloop: toegang tot inkomsten die boven de armoedegrens liggen en tot kwalitatief hoogwaardige en betaalbare diensten is een basisbehoefte.

De NHRPH zou het positief vinden om, vooral in het kader van het sociale beschermingsbeleid, absolute prioriteit te geven aan een algemene verbintenis van de regering om de non-take-up van sociale rechten te bestrijden, in combinatie met maatregelen zoals de versterking van niet-digitale informatiebalies en de ontwikkeling van gegevensstromen.

Zie commentaren over 1.2 en 1.3.

Maatregel 56: het verminderen van de pensioensopbouw zal de armoede nog vergroten in een levensfase waarin de zorgbehoeften vaak toenemen.

Maatregel 57: Zie opmerkingen over inclusieve en toegankelijke communicatie (hierboven).

Maatregel 58: Het pensioenstelsel gunstig maken voor re-integratie door pensioenrechten proportioneel toe te kennen op basis van de daadwerkelijke hervatting van het werk. Dit is om verschillende redenen een zeer verontrustende benadering vanuit het oogpunt van PMH:

1. Ter herinnering: in veel situaties waarin daadwerkelijk wordt gewerkt, kunnen PMH geen sociale rechten opbouwen. Bijvoorbeeld: beroepsopleidingscontracten (CAP), stages, vrijwilligerswerk ...

2. De reguliere arbeidsmarkt is zeer weinig inclusief en ook de sociale economie kan niet alle PMH die willen werken opvangen. Het daadwerkelijk hervatten van werk, ongeacht de vorm ervan, zou sociale rechten moeten genereren.

3. Veel personen met een handicap kunnen bovendien geen volledige loopbaan doorlopen en moeten stoppen met werken vóór de wettelijke pensioenleeftijd.

Het De hervorming van de regering  gaat volledig voorbij aan deze realiteit, waartegen personen met een handicap niets konden doen.

Dit is een nieuwe dubbele straf (gedurende de theoretische arbeidsduur en op het moment dat het pensioen wordt ontvangen).

De NHRPH luidt de alarmbel en vraagt om een totale hervorming van deze maatregel, zoals overigens ook werd gevraagd tijdens een ontmoeting in september 2025 tussen het kabinet en de NHRPH.

Maatregel 59: helemaal niet duidelijk; een kopie van de recente hervorming van de OCMW's, die de kring van personen waarvan de middelen in aanmerking worden genomen voor de berekening van de steun, uitbreidt?

Wordt er rekening houden met de problematiek van ouders van kinderen met een handicap die gedwongen zijn hun werk geheel of gedeeltelijk op te geven om voor hun kind te zorgen en zo het gebrek aan aangepaste diensten te compenseren? Er is een impact op het pensioen. Er is ook een impact op het recht op werkloosheidsuitkering: vrijwillig minder gaan werken betekent het verlies van het recht op werkloosheidsuitkering.

Maatregel 62: Het gaat om het creëren van een volledig en duurzaam statuut dat alle profielen mantelzorgers ondersteunt, inclusief degenen die intensieve langdurige zorg verlenen die hun arbeidsvermogen op korte en middellange termijn, hun pensioen op lange termijn en hun toegang tot sociale rechten op continue basis hypothekeert. - zie advies 2026-09.

Maatregel 64: Hoe wordt de strijd gevoerd tegen de non-take-up van sociale rechten bij personen die geen zelfstandigen zijn?

Maatregel 65: Het sociale budget is sterk verminderd ten opzichte van eerdere welzijnsbudgetten; de twee geplande indexeringen zijn te zwakke compensatiemaatregelen.

Actie 69: Wat gebeurt er als er onvoldoende rechten zijn opgebouwd? Worden mensen dan aan hun lot overgelaten?

Maatregel 72 is niet voldoende. Hoe wordt gevolg gegeven aan de NTU-studie van 2024-2025 en de aanbevelingen van de NHRPH?

4.2. Federale tegemoetkomingen aan PMH - Maatregel 66 tot en met 74

Maatregelen 66 tot 73 worden regelmatig besproken door de NHRPH. De NHRPH is uitgenodigd om deel te nemen aan de werkgroepen en de klankbordgroep voor de hervorming.

4.3. Maatschappelijke integratie en armoedebestrijding - Maatregel 74 tot en met 78

Maatregelen 75 tot 78: De geplande betrokkenheid van de NHRPH wordt positief onthaald. De NHRPH dringt erop aan dat dit overleg al bij het begin van de beraadslagingen van start gaat: een advies aan het einde van een regelgevingsproces, zonder mogelijkheid om een ontwerp van reglementering te wijzigen, heeft geen enkel nut.

Maatregel 75: Rekening houden met de dimensie handicap binnen het Housing First Project. Bijv. toegankelijkheid en redelijke aanpassingen.

Maatregel 76: sociaal internetaanbod. Zie advies 2026-02.

Wat ontbreekt:

  • De NHRPH opnemen in de werkgroep die de modaliteiten moet bestuderen voor een sociaal register waarin alle vormen van sociale bijstand worden opgenomen
  • Maatregelen om de gezinssolidariteit te bevorderen en te voorkomen dat deze wordt benadeeld in het kader van het leefloon
  • De realiteit van zorg en terugval integreren in het “geïndividualiseerd traject voor sociale integratie” (PIS) dat bedoeld is om leefloonbegunstigden te activeren en hen te re-integreren op de arbeidsmarkt
  • Bonus-malusbeleid toegepast op de OCMW's: integratie van de specifieke kenmerken van werkzoekenden met een handicap om te voorkomen dat zij aan de kant worden gezet vanwege een langere begeleiding als gevolg van discriminatie op de arbeidsmarkt
  • De OCMW's verplichten om aan leefloonbegunstigden toegankelijke informatie ter beschikking te stellen, in easy to read, gebarentaal, toegankelijke websites, enz.

5. Gezondheidszorg - Maatregel 79 tot en met 84

Algemene verwachting: De NHRPH zou graag meer ambitie zien, namelijk een engagement voor toegankelijkheid in alle zorgsectoren, te beginnen met de ziekenhuizen (zie Welcome-dienst in de Citadelle-Luik), indien nodig in overleg met de deelstaten (IMC gezondheidszorg).

Er had ook aan moeten worden herinnerd dat in het kader van zorgtrajecten ook de kwaliteit van leven en de autonomie (UNCRPD, art. 19) – en de mogelijke afstemming op levenskeuzes, waaronder toegang tot werk - moeten worden gewaarborgd.

De situatie van de organisatie (frequentie, geschiktheid, enz.) van de thuiszorg moet ook ter discussie worden gesteld, omdat te veel mensen (hun beroep opgeven en) mantelzorger worden door een gebrek aan voldoende, geschikte en toegankelijke goederen en diensten aan huis.

Als de kwestie van toestemming een probleem is, dan geldt evenzeer voor de bescherming van de gegevens van patiënten met een handicap in het kader van de versnelde digitalisering. De verbetering van de cyberveiligheid van zorginstellingen moet ook worden ondersteund. De gevolgen van diefstal van persoonsgegevens, met inbegrip van gevoelige gegevens, zijn potentieel enorm voor zorgontvangers (zie de positienota van de NHRPH over artificiële intelligentie (09/02/2026)).

Maatregel 78: moet voorzien in toegankelijkheid van informatie (FALC, gebarentaal, toegankelijkheid van websites) en een specifieke, aangepaste opvang voor personen met een handicap.

Wat ontbreekt:

  • Herziening van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994
  • Maatregelen ter bestrijding van de digitale kloof in het kader van de digitalisering van de gezondheidszorg
  • Bescherming van gevoelige gezondheidsgegevens en ondersteuning van de cyberveiligheid van ziekenhuizen
  • Uitbreiding van het interfederale plan “Chronische ziekten” naar alle personen met een handicap

6. Veiligheid en gelijkheid voor de wet

6.1. Veiligheid - Maatregel 85 tot en met 95

Algemene verwachting:

Maatregelen 84 tot en met 95 zijn zeer welkom.

Maatregel 84

Hoe wordt de digitale melding van niet-spoedeisende – maar ook van spoedeisende - situaties georganiseerd?

Maatregel 85

Welke rol is er weggelegd voor de EDC-kaart?

Maatregel 86

Rekening houden met alle soorten handicaps.

Noodsituaties

ONTBREEKT: lanceren van lijst van PMH die hulp nodig hebben bij noodsituatie (vrijwillige intekening) en toevoegen aan noodplannen voor evacuatie of contactname.

Maatregel 94: contacteren van doofblinde personen in geval van ramp: bijv. specifieke trilfunctie.

6.2. Justitie en gelijkheid voor de wet - Maatregel 96 tot en met 101

Algemene verwachting: In de uitvoeringsmaatregelen ontbreekt duidelijk de menselijke dimensie van de begeleiding van justitiabelen. Videoconferenties kunnen weliswaar bepaalde verplaatsingen vermijden, maar bieden geen oplossing voor de begrijpelijkheid van rechten en procedures. Het is verontrustend om te zien dat digitale technologie een belangrijke rol krijgt toebedeeld als toegangspoort tot justitie, terwijl mensen vaak behoefte hebben aan menselijke begeleiding. In dit opzicht is de online hulpdienst Justhelp een volstrekt ontoereikende maatregel, aangezien deze zich per definitie beperkt tot het begeleiden van internetgebruikers.

De NHRPH zou graag bevestigd zien dat de rechtbanken en hoven een hoge prioriteit krijgen in het kader van het plan om de gebouwen van de Regie der Gebouwen toegankelijk te maken.

De NHRPH vraagt om zo snel mogelijk te worden betrokken bij het project “klare taaldat blijkbaar al is gestart – om de brieven van Justitie aan burgers begrijpelijker te maken.

Het is ook essentieel dat de minister een opleidingsplan opstelt voor magistraten en griffiers om hen bewust te maken van de behoeften van personen met een handicap, zoals de VN suggereert.

Ten slotte betreurt de NHRPH dat het idee van “multidisciplinaire sociale diensten” binnen de vredegerechten om financiële redenen niet is overgenomen. Dit is een zeer negatief signaal aan het adres van de hele bevolking: ter herinnering, rechtsbescherming betreft niet alleen personen met een handicap, maar ook alle personen die in meer of mindere mate begeleiding nodig hebben bij het beheer van hun vermogen of hun persoon. Het fenomeen van “volledige digitalisering” maakt de procedures niet eenvoudiger, maar juist ingewikkelder en sluit een groot aantal mensen uit, zelfs jongeren die volledig “valide” zijn.

Maatregel 96 c)

Zowel telefoon, klassieke post als fysiek onthaal aanbieden als niet-digitale toegang

Maatregel 97 a). Deze maatregel heeft een tweeledig aspect

Hij is welkom omdat hij echt essentieel is vanuit het oogpunt van gezinnen. Een groot aantal familiale bewindvoerders zien af van hun mandaat omdat de (digitale) rapportageprocedure niet toegankelijk genoeg is. Het zou ook wenselijk zijn om deze maatregel uit te breiden naar andere rechtsgebieden om PMH's, maar ook andere personen die ver afstaan van procedurele formaliteiten, te begeleiden.

Maar de maatregel is volstrekt ontoereikend gezien de vaststelling van het kabinet zelf – zie pagina 51 van het plan: het regime van bijstand (wordt) amper benut en (…) de mogelijkheden tot maatwerk op basis van de mogelijkheden en noden van personen met een handicap zeer beperkt (worden) gebruikt door vrederechters, die een erg hoge werkdruk kennen. De minister moet verder gaan dan het wettelijk verankeren van het steunpunt “bescherming”, zij moet ervoor zorgen dat de vrederechters voorzien in begeleidende maatregelen bij de besluitvorming in plaats van de uitoefening van een reeks rechten simpelweg te verbieden. Het rapport Wuyts-Dandoy stelt een reeks concrete maatregelen voor. De minister moet hiermee aan de slag gaan en, ook al ligt de prioriteit bij bezuinigingen, het initiatief nemen om de belanghebbenden rond de tafel te brengen om de uitvoering te bespreken van een paradigmaverschuiving die niets met economie te maken heeft, maar wel met een elementaire kwestie van toegang tot rechten.

Het aantal plaatsen in aangepaste zorginstellingen voor gedetineerden verhogen en al deze mensen dringend uit de gevangenissen halen.

6.3. Gelijke kansen en non-discriminatie - Maatregel 102 tot en met 105

Algemene verwachting: de NHRPH acht het essentieel om het begrip ‘redelijke aanpassingen door associatie’ wettelijk vast te leggen. Dit begrip is overigens erkend op supranationaal juridisch niveau. De NHRPH sluit zich volledig aan bij het standpunt van Unia, dat in dezelfde richting gaat: de minister voor Personen met een handicap moet de hervorming in gang zetten.

Maatregel 102. Het niet naleven van redelijke aanpassingen in het kader van bouw- of renovatiewerkzaamheden wordt momenteel niet vervolgd door het parket en onvoldoende bestraft door de rechtbanken. Unia zorgt voor een essentiële bewustmakingscampagne en ondersteunt voor de rechtbank symbolische zaken die een noodzakelijke paradigmaverschuiving vereisen. De NHRPH verwacht van minister Beenders dat hij de duidelijke verplichting tot redelijke aanpassingen in het toegankelijkheidsplan dat hij tegen 2036 voor ogen heeft, herhaalt en ondersteunt.

De NHRPH vraagt om strenger op te treden tegen verzoeken om uitzonderingen onder het voorwendsel dat het verzoek niet redelijk is + controle en sancties.

Maatregel 103: interessante benadering.

Verbod op gedwongen sterilisaties van PMH's en sancties bij overtreding.

6.4. Asiel en migratie - Maatregel 106 tot en met 109

Algemene verwachting: Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat alle procedures en contacten met vluchtelingen met een handicap op een duidelijke en toegankelijke manier verlopen.

7. Buitenlands beleid en defensie

7.1. Buitenlands beleid - Maatregel 110 tot en met 113

Geen bijkomende verwachtingen bij de voorgestelde maatregelen.

7.2 Defensie - Maatregel 114 tot en met 116

Geen bijkomende verwachtingen bij de voorgestelde maatregelen.

Conclusie:

  • In het algemeen herinnert de NHRPH aan zijn talrijke positienota's en adviezen waarin de verwachtingen van personen met een handicap worden uiteengezet en de gewenste beleidslijnen worden toegelicht.
  • Digitalisering is een valse oplossing op het vlak van toegankelijkheid (zie de studie van de Koning Boudewijnstichting, die wijst op de toenemende digitale uitsluiting van personen). Elke persoon met een handicap of “valide” burger heeft op alle gebieden van het leven recht op hulp en begeleiding: een menselijk loket, een maatschappelijk werker of een contactcentrum met toegewijde en efficiënte medewerkers zullen altijd nodig blijven; zij maken het ook mogelijk om de toegang tot rechten te verbeteren. De staat moet het goede voorbeeld geven
  • Elke persoon met een handicap heeft behoefte aan participatie en inclusie: elke minister en elke overheidsdienst moet op zijn of haar bevoegdheidsniveau de belemmeringen voor deze participatie in kaart brengen en de nodige aanpassingen ontwikkelen om deze belemmeringen weg te nemen.
  • Verder wenst de NHRPH structureel betrokken te worden en in de weken die volgen op de goedkeuring van het plan een vraag om medewerking te krijgen van elke minister rond de uitwerking van de voorziene maatregelen.
  • Vanuit het oogpunt van burgerparticipatie is het ook belangrijk om het plan ook in het Duits te vertalen en een gemakkelijk te lezen versie en een versie in gebarentaal te voorzien.
  • Raadplegingen: 29

Samenvatting van het advies 2026/01: Fusie van FOD Sociale Zekerheid, FOD Werk en POD Maatschappelijke Integratie

Op verzoek van de voorzitters van de overheidsdiensten.

Onderwerp:

Het actieplan voor de oprichting van de nieuwe FOD Werk en Sociale Bescherming

Standpunt van de NHRPH:

  • Risico op ontmenselijking en digitale kloof: De grootschalige digitalisering die in het kader van de fusie is gepland, mag van de overheid geen "dossierfabriek" maken die kwetsbare gebruikers uitsluit die niet over digitale middelen beschikken of daarvan zijn afgesneden.
  • Gevolgen van bezuinigingen: De geplande bezuinigingen mogen in geen geval de "eerstelijnsdiensten" verzwakken of de reeds lange doorlooptijden bij het DG Personen met een handicap verergeren. De openbare dienstverlening moet een dienst voor het publiek blijven.
  • Risico op verwatering van de aandachtspunten rond handicap: Het integreren van de federale adviesfunctie inzake handicap in een bredere sociale context brengt het risico met zich mee dat de specifieke uitdagingen rond handicap en de ontoegankelijkheid van de omgeving uit het oog worden verloren.

Enkele eisen van de NHRPH:

  • Dringende versterking van het secretariaat: Onmiddellijke vervanging van vertrokken of langdurig zieke medewerkers om de continuïteit van de wettelijke adviesopdrachten van de NHRPH te waarborgen.
  • Een specifiek organigram voor het secretariaat van de NHRPH: De logistieke ondersteuning van de NHRPH expliciet opnemen in de nieuwe FOD en eigen personeelsmiddelen aan het secretariaat toewijzen.
  • Betrokkenheid bij de transitie: De NHRPH betrekken vanaf de ontwerpfase (design) en gedurende het hele transformatieproces dat tot de fusie leidt.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 9

Advies 2026/01: Fusie van FOD Sociale Zekerheid, FOD Werk en POD Maatschappelijke Integratie

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2026/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het Actieplan Fusie FOD Werk, Arbeid en Sociaal overleg (WASO) - FOD Sociale zekerheid (SZ) - POD Maatschappelijke integratie (MI).

Uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/03/2026, op verzoek van de voorzitters van de FOD Sociale Zekerheid, de FOD WASO en de POD Maatschappelijke Integratie bij brief van 03/03/2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Ter opvolging aan de voorzitters van de FOD Sociale Zekerheid, de FOD WASO en de POD Maatschappelijke Integratie
  • Ter opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap

2. ONDERWERP

Actieplan dat fungeert als een volledig transformatieplan, voorzien van een tijdschema, dat moet leiden tot de fusie van de 3 departementen op 1 januari 2029.


3. ANALYSE

Het actieplan voor de oprichting van de nieuwe FOD Werk en Sociale Bescherming definieert de volgende doelstellingen en prioriteiten om de fusie, gepland voor januari 2029, te doen slagen.

Belangrijkste doelstellingen

  • Versterking van expertise en beleidscoherentie: synergie creëren tussen tewerkstelling, sociale zekerheid en sociale integratie om armoede beter te bestrijden en de arbeidsparticipatie te verhogen
  • De dienstverlening aan burgers en ondernemingen verbeteren: de toegang tot rechten vereenvoudigen, met name voor kwetsbare personen
  • Het niet-opnemen van uitkeringen (non-take-up) tegengaan en de harmonisatie van de gehanteerde begrippen  bevorderen
  • Werk als hefboom voor inclusie door meer in te zetten op haalbaar werk en aangepaste trajecten voor langdurig zieken, werklozen of personen met een handicap.
  • Strijd tegen sociale fraude: het beleid en de inspecties coördineren voor een doeltreffender regelgevend kader
  • Optimaliseren van middelen: schaalvoordelen realiseren zonder kerntaken in gevaar te brengen.

Strategische prioriteiten

  • Fysieke samenvoeging: alle diensten tegen eind 2028 verhuizen naar de Finance Tower (Finto) in Brussel om een gemeenschappelijke cultuur te bevorderen.
  • IT-integratie: IT-systemen op elkaar afstemmen en de bedrijfscontinuïteit waarborgen.
  • Verandermanagement: medewerkers begeleiden via een “Change Management”-structuur.
  • Harmonisatie van processen: de werkmethoden en kwaliteitsmanagementsystemen (ISO-normen) binnen de nieuwe structuur op één lijn brengen.

4. ADVIES

De NHRPH is van mening dat de beleidskeuze voor deze fusie, vanuit het oogpunt van de situatie van personen met een handicap, minimaal twee prioriteiten moet meenemen:

  • De kwaliteit van de dienstverlening aan burgers in het algemeen en aan personen met een handicap in het bijzonder
  • De noodzaak om de volwaardige adviserende functie van de NHRPH te waarborgen.

Wat betreft de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger

De NHRPH verwacht:

  • dat de belemmeringen voor tewerkstelling en de ontoegankelijkheid van de arbeidsmarkt daadwerkelijk worden weggenomen, maar ook een concrete toezegging voor een betere sociale bescherming van mensen die geen – of onvoldoende – toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Deze bescherming moet zowel tijdens de tewerkstelling als ook bij pensionering worden gewaarborgd (waarbij synergieën met de Federale Pensioendienst wenselijk zijn)
  • Wat betreft de harmonisatie van de medische evaluatie: naast dit momenteel gangbare idee (zie met name de opdrachten van het College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, zie de hervorming van de wet op de tegemoetkomingen van 27 februari 1987), moet het erom gaan de rechten die door de verschillende stelsels van sociale zekerheid en sociale bescherming worden voorzien, soepeler op elkaar af te stemmen. Deze harmonisatie in het kader van specifieke stelsels die verschillende doelstellingen nastreven, mag niet leiden tot een vermindering van de sociale bescherming.
  • De strijd tegen “Non-Take-Up” (niet-gebruik van rechten) mag geen afbreuk doen aan de naleving van de AVG.

De NHRPH heeft ook grote bezorgdheden:

  • Risico op ontmenselijking: Het plan legt enorm de nadruk op IT- (en digitale) integratie en kwaliteitsbeheer (ISO-normen). Voor een kwetsbare doelgroep bestaat het risico dat de overheid een “dossierfabriek” wordt waar menselijk contact en gepersonaliseerde analyse op de achtergrond raken.
  • Digitale kloof: De nadruk op een “geïntegreerde IT-omgeving” en digitalisering kan burgers uitsluiten die niet over de nodige vaardigheden of apparatuur beschikken (een risico dat al in de SWOT-analyse van het plan is vastgesteld).
  • Budgettaire druk: Het plan voorziet in structurele besparingen. Deze besparingen mogen geen invloed hebben op de “eerstelijnsdiensten”, noch op de diensten van DG Personen met een handicap (DG HAN) die al te maken hebben met onaanvaardbare doorlooptijden voor de dossierafhandeling (meer dan 6 maanden). De NHRPH sluit zich volledig aan bij de bezorgdheid van de Nationale Arbeidsraad (NAR) (zie advies 2.481) over de opeenvolging van substantiële en langdurige besparingen: in hoeverre kan de kwaliteit worden gewaarborgd? Dreigt er geen point of no return waarop het gewoon te veel wordt? De beleidsvisie op de dienstverlening aan de burger roept dan ook vragen op.
  • Instabiliteit tijdens de transitie (2026-2029): Een fusie van deze omvang leidt tot interne spanningen. De burger zou de gevolgen van deze reorganisatie (vertragingen, administratieve fouten enz.) kunnen ondervinden tijdens de transitiejaren, maar ook nog daarna.
  • De logica van schaalvoordelen mag niet ten koste gaan van de persoonlijke begeleiding die onmisbaar is voor de meest kwetsbare personen.

Wat betreft de gevolgen van het fusieplan voor de werking van de NHRPH en zijn secretariaat

De NHRPH vreest dat deze fusie zijn middelen nog verder zou kunnen uitputten en het secretariaat nog meer zou verzwakken. 

Het secretariaat kampt al twee jaar met grote instabiliteit: het kampt met een kritiek personeelstekort als gevolg van vertrek en langdurig ziekteverzuim dat niet is opgevangen. De bedreiging voor zijn wettelijke taken is reëel.

  • De NHRPH vraagt om de dringende vervanging van de vertrokken en zieke secretariaatsmedewerkers.
  • De NHRPH vraagt om een specifiek organigram zodat het secretariaat binnen de nieuwe structuur een aparte entiteit blijft, met eigen personeelsmiddelen.

Bovendien houdt de fusie niet alleen de samenvoeging van drie organisaties in, maar ook de totstandkoming van een geheel van versterkte, beter gecoördineerde en meer transversale taken. In dit verband moet de strategische personeelsplanning het mogelijk maken om de bestaande situatie in kaart te brengen (verdeling van functies, kritieke functies, …), overlappingen en dubbel werk binnen de ondersteunende diensten te identificeren, en de competentieprofielen en kritieke volumes te definiëren die nodig zijn voor de nieuwe geïntegreerde taken. (p.23). Ter herinnering: met name bij de FOD Sociale Zekerheid bestaan er verschillende adviesfuncties.

  • Zou dit de gelegenheid zijn om een sociale cluster op te richten die een transversale benadering van inclusie bevordert die verder reikt dan het beperktere kader van de handicap? De NHRPH is van mening dat de verwatering van de handicapmaterie er ook toe zou leiden dat de zichtbaarheid van deze maatschappelijke uitdaging, die nochtans zo noodzakelijk is (ontoegankelijke omgeving), verloren gaat
  • De NHRPH vraagt om vanaf de ontwerpfase die nu bezig is en gedurende het hele transformatieproces bij de zaak te worden betrokken.
  • De logistieke en administratieve ondersteuning van de nieuwe FOD aan de NHRPH moet expliciet worden vastgelegd in de nieuwe wettelijke basis van de gefuseerde organisatie.
  • Raadplegingen: 18

Samenvatting van het advies 2026/06: Fraudebestrijding en de verkoop aan boord van de trein

Op vraag van de NMBS in haar mail van 05/01/2026.

Onderwerp:

De plannen van de NMBS inzake de bestrijding van fraude en de toekomst van de verkoop aan boord

Standpunt van de NHRPH:

  • De NHRPH betreurt dat er niet meer zal kunnen worden betaald aan boord van de trein. Voor mensen met een handicap (bijv. een verstandelijke handicap) of een beperkte mobiliteit is het niet altijd evident om vooraf een vervoerbewijs te kopen.
  • De NHRPH vindt dat het woord ‘fraude’ niet van toepassing is op iedere persoon die zich zonder correct vervoerbewijs in de trein bevindt. Daar kunnen immers veel redenen voor zijn: netwerkproblemen, loket gesloten, file of vertraging met het openbaar vervoer, vergetelheid, net vervallen abonnement, verkeerde aankoop enz.
  • Eventuele toegangspoortjes naar de perrons zouden een obstakel vormen, in het bijzonder voor personen met een beperkte mobiliteit. De NHRPH is een tegenstander van de installatie van zulke toegangspoortjes.

Eisen van de NHRPH:

  • De NHRPH vraagt dat betalen aan boord mogelijk blijft, zowel contant als per kaart of digitaal, bijvoorbeeld op vertoon van de EDC-kaart.
  • De intercomfunctie op de nieuwe betaalautomaten moet toegankelijk zijn voor iedereen, dus ook voor visuele handicap, auditieve handicap (sms-functie, gebarentaal), verstandelijke handicap (eenvoudig te gebruiken, intuïtief, getraind en geduldig personeel aan de lijn), spraakproblemen…
  • De mogelijkheid van betalen aan boord van de trein moet minstens blijven tot de de nieuwe toegankelijke betaalautomaten operationeel zijn.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 7

Advies 2026/06: Fraudebestrijding en de verkoop aan boord van de trein

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Digitale kloof

Advies nr. 2026/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de plannen van de NMBS inzake de bestrijding van fraude en de toekomst van de verkoop aan boord.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 09/02/2026.

Advies op vraag van de NMBS in haar mail van 05/01/2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Jean-Luc Crucke, minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling
  • Voor opvolging aan Ombudsrail
  • Ter informatie aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan het Raadgevend Comité voor de treinreizigers
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

2. ONDERWERP

De NMBS stelt de laatste jaren een groeiend ‘fraudeprobleem’ (van 3 tot 7% in enkele jaren) vast bij haar diensten, nl. mensen die de trein nemen zonder over een geldig vervoerbewijs te beschikken. De NMBS plant daarom acties op 3 assen:

  • Intensivering van de controles
  • Hefbomen om op te treden tegen reizen zonder vervoerbewijs:
    • Grootschalige controleacties
    • De piste van poortjes in de grote stations onderzoeken (op vraag van de huidige federale regering)
    • Afschaffing van de verkoop aan boord (behalve op bepaalde internationale / grensoverschrijdende bestemmingen: EC, ECD, Ouigo, TGV, Kortrijk/Doornik naar Rijsel), vergezeld van een grootschalige communicatiecampagne ….
  • Hefbomen om op te treden tegen reizen met ongeldige vervoerbewijzen

3. ANALYSE

In de plannen van de NMBS ziet de NHRPH twee aspecten die een impact kunnen hebben op personen met een handicap:

  • De piste van poortjes in de grote stations
  • De afschaffing van de verkoop aan boord

A. Toegangspoortjes

De NMBS onderzoekt op vraag van de regering of er in de grote stations toegangspoortjes kunnen komen, zoals bijvoorbeeld op de luchthaven, de metro enz., waarbij een geldig vervoerbewijs de poortjes opent. Er vallen daarbij twee benaderingen te onderscheiden: poortjes die toegang geven tot het domein van de NMBS of toegangspoortjes naar een perron. De NMBS vermeldt dat de invoering van toegangspoortjes de facto de afschaffing van verkoop aan boord zou betekenen, aangezien reizigers zonder geldig vervoerbewijs niet eens op de trein zouden raken. Overigens heeft de NMBS de piste van toegangspoortjes al een keer onder de vorige legislatuur verkend en verlaten.

B. Einde van betalingen aan boord

Verordening (EU) 2021/782 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 betreffende de rechten en verplichtingen van treinreizigers, overweging (27) bepaalt:

Personen met een handicap moeten hun vervoerbewijs aan boord van de trein kunnen kopen, zonder extra kosten, indien er geen toegankelijke manier is om het vervoerbewijs te kopen vóór het instappen. Dit recht moet echter kunnen worden beperkt in omstandigheden die verband houden met de veiligheid of met verplichte reservering van een treinreis.

De NMBS haalt inderdaad veiligheidsredenen aan om verkoop aan boord te weigeren. Vanaf april 2023 aanvaardde de NMBS geen betalingen in baar geld meer op de trein, wel nog betalingen per kaart of online. De NHRPH verdedigde de mogelijkheid van betalingen in cash aan boord voor sommige personen met een handicap in zijn advies 2024-04 van 19/03/2024:

“Voor sommige mensen – bijv. mensen die onder financieel bewind staan - is baar geld het enige toegankelijke betaalmiddel. Wanneer loketten minder lang geopend zijn - voor aankoop of regularisatie van een aankoop aan boord van een trein - komen deze mensen in de problemen.

    • De NMBS moet ervoor zorgen dat ook mensen die enkel met cash betalen ook vlot een vervoerbewijs kunnen kopen. Voor de NHRPH blijft het loket daar de uitgelezen plaats voor, maar de NHRPH is eveneens voorstander van contante betalingen aan boord van de trein.”

Toen de wet-Dermagne (februari 2024) de verplichting van het aanvaarden van cash invoerde in fysieke aanwezigheid van verkoper en koper, besloot de NMBS om in juli 2026 over te gaan tot de volledige afschaffing van de verkoop aan boord, ook via kaart of online (behalve op bepaalde internationale / grensoverschrijdende bestemmingen: EC, ECD, Ouigo, TGV, Kortrijk/Doornik naar Rijsel). De reiziger moet dus steeds in het bezit van een geldig vervoerbewijs zijn voor hij in de trein stapt, zo niet is hij in overtreding. Een uitzondering is het opstappen in een station zonder (werkende) ticketautomaat.

De NMBS meent dat er voldoende alternatieve verkoopkanalen met een hoge klanttevredenheid bestaan: de app/website, de loketten en de betaalautomaten. De app/website en de automaten zijn in principe 24/7 beschikbaar. Op 550 stations zijn er nog 91 bemande loketten. Volgens de NMBS vertegenwoordigen de stations met loketten 85% van de reizigers.

Vanaf 2027 komen er naar verluidt nieuwe, toegankelijkere ticketautomaten met intercom. De automaten (TVM) beschikken over een functie voor hulp op afstand, waarbij een medewerker de controle over de machine kan overnemen tot het moment van betaling. Deze service zal dagelijks beschikbaar zijn van 7.00 tot 21.30 uur. Momenteel zijn er geen plannen om het aantal automaten te verhogen.

Volgens cijfers van de NMBS van 2023 tot mei 2025, zijn de tevredenheidscijfers over de verkoopkanalen, volgens verkoopkanaal (loket, automaat, website, app) en leeftijd (16-25, 26-40, 41-64, ouder) zeer positief.
De NHRPH stelt zich vragen bij de tevredenheidscijfers en vraagt zich af op welke manier het onderzoek is verlopen. Een online enquête? Interviews in de stations? De NHRPH vreest dat de meest kwetsbare personen niet zijn bereikt (bijv. digitale kloof) en dat zij mogelijk oververtegenwoordigd zijn in het minderheidssegment van de reizigers die minder tevreden zijn. Ook vindt de NHRPH vooral de zeer hoge scores van de oudste leeftijdsgroepen opmerkelijk, zelfs voor digitale kanalen (website en apps), en dat zelfs merkelijk meer dan de jongere bevolking. Zou het kunnen dat de enquête enkel die ouderen heeft bereikt die goed overweg kunnen met digitale toepassingen?

Tableau de la SNCB: Satisfaction du canal de vente (2023 - mai 2025)

De NMBS deelt nog mee dat de controleur bijna in real time kan nagaan of er een werkzame betaalautomaat in een bepaald station is om zo te beslissen om al dan niet een boete uit te schrijven. De persoon moet de situatie wel binnen de 14 dagen regulariseren. Wanneer de automaat defect is, wordt dat zo goed als in real time meegedeeld. Zelfs als de controleur de informatie nog niet heeft (bijv. bij een zeer recente panne), kan dat worden aangetoond en geregulariseerd achteraf, op initiatief van de reiziger.


4. ADVIES

A. Toegangspoortjes

De NHRPH wijst op de nadelen van eventuele toegangspoortjes:

  • Er zijn ruwweg twee methodes: poortjes tot het domein van de NMBS en poortjes naar de individuele perrons.
    • Bij toegangspoortjes naar de individuele perrons moet je in grote stations zoals Brussel-Zuid poortjes installeren aan alle toegangen naar alle perrons.
    • Bij toegangspoortjes tot het domein van de NMBS – het station als geheel – sluit je het station de facto af voor niet-reizigers, wat nefast is voor de handelszaken in de stations.
  • Zulke poortjes kunnen een obstakel vormen voor personen met een beperkte mobiliteit, zoals rolstoelgebruikers, mensen met een visuele handicap, mensen met een assistentiehond, mensen met een verstandelijke handicap enz.
  • Zulke poortjes kunnen een bottleneck worden bij reizigersbewegingen, met alle risico’s van dien.
  • Een constante menselijke aanwezigheid voor eventuele assistentie is dan noodzakelijk. Op de luchthaven heeft dat al problemen gegeven wanneer de assistent even weg moest. Het is dus denkbaar dat mensen hun trein missen als de assistent er niet is, al is het maar voor enkele minuten.
  • Ook de personen die gratis reizen en de gratis begeleider moet zonder meerkosten voorbij de poortjes raken, net als de eventuele aangevraagde assistentie.
  • Ervaringen bij MIVB/STIB hebben al aangetoond dat het systeem van de toegangspoortjes niet waterdicht is. Er zijn altijd personen die vlot de poortjes weten te passeren zonder geldig toegangsbewijs, bijv. door nog snel mee door het poortje te glippen met een reiziger die wel een toegangsbewijs heeft.
  • De NMBS heeft de piste van toegangspoortjes al verkend en verlaten in 2023. Waarom zouden de conclusies nu anders zijn?
    • De NHRPH raadt het gebruik van toegangspoortjes af. Indien die toch worden geïnstalleerd, dan moeten deze altijd integraal toegankelijk zijn voor alle reizigers met een geldig vervoerbewijs.
    • De eventuele installatie van toegangspoortjes ontslaat de NHRPH niet van de plicht om stationspersoneel op de perrons en treinbegeleiders in de trein te voorzien.

B. Einde van betalingen aan boord van de trein

  • De NHRPH betreurt dat er niet meer zal kunnen worden betaald aan boord van de trein. Voor mensen met een handicap (bijv. een verstandelijke handicap) of een beperkte mobiliteit is het niet altijd evident om vooraf een vervoerbewijs te kopen. Het is zelfs een bron van stress die sommige personen ontmoedigt om de trein te nemen.
    • De NHRPH blijft voorstander van de mogelijkheid van betalen aan boord, zowel cash als per kaart of digitaal, bijvoorbeeld op vertoon van de EDC-kaart.
  • Wat als het loket tijdens de openingsuren tijdelijk onbemand is, om welke reden dan ook?
    • Regularisatie moet in dat geval mogelijk zijn.
  • De NHRPH vindt het woord ‘fraude’ nogal sterk en niet van toepassing op iedere persoon die zich zonder correct vervoerbewijs in de trein bevindt. Daar kunnen immers veel redenen voor zijn: netwerkproblemen, loket gesloten, file of vertraging met het openbaar vervoer, vergetelheid, net vervallen abonnement, verkeerde aankoop enz.
  • De NMBS voorziet maximaal 14 dagen waarin reizigers zich moeten regulariseren in geval van een niet-betaling of boete. Naar verluidt zou dat ten vroegste 24 uur na het ontvangen van een kaart met QR van de treinbegeleider kunnen.
    • De regularisatie van een onmogelijkheid van betaling of een al dan niet betwiste boete moet snel, vlot en toegankelijk kunnen gebeuren, zelfs al in het station van aankomst als daar een loket is.
    • Wanneer de persoon niet in de mogelijkheid was om een ticket te kopen, mogen daar geen meerkosten aan worden verbonden.
  • Er is de laatste maanden veel veranderd bij de NMBS, zoals de nieuwe tarieven. Het publiek heeft moeite om bij te benen. Communicatie is dus essentieel.
    • Zorg dat iedereen wordt bereikt: eenvoudige taal, campagnes via de verenigingen, via de website, gebarentaal, papieren flyers, personeel enz.

C. Automaten

  • De NHRPH vindt het maar normaal dat er geen boete wordt uitgeschreven wanneer de betaalautomaat in het station niet werkt. Maar zelfs als de automaat werkt, is het gebruik ervan niet vanzelfsprekend: een wachtrij, een persoon met gebruiksmoeilijkheden, een moeilijk te vinden betaalautomaat (bijv. bij perrons die gescheiden worden door een overweg) enz. Reizigers in stations beschikken meestal niet over zeeën van tijd.
    • Ook in de hierboven vermelde gevallen is een boete onterecht.
    • Plaats duidelijke signaletica en podotactiele lijnen (via een veilig en toegankelijk traject) naar de automaat of automaten.
    • De NHRPH vreest dat er op piekmomenten wachtrijen aan de betaalautomaten kunnen ontstaan.
    • Er moet steeds een niet-digitaal alternatief beschikbaar zijn, zoals een bemand stationsloket of helpend personeel. 
  • De NHRPH waardeert de aangekondigde intercomfunctie op de automaten van 7.00 tot 21.30 uur.
    • De intercomfunctie moet toegankelijk zijn voor iedereen, dus ook visuele handicap, auditieve handicap (sms-functie, gebarentaal), verstandelijke handicap (eenvoudig te gebruiken, intuïtief, getraind en geduldig personeel aan de lijn), spraakproblemen…
    • De helpdesk zou beschikbaar moeten zijn van minimaal 30 minuten voor het vertrek van de eerste trein tot en met het vertrek van de laatste trein uit het laatste station. 24/07 zou nog beter zijn.
    • Mensen die een ticket in een station kopen, hebben meestal weinig tijd. De mensen die de intercom beantwoorden moeten dus meteen beschikbaar zijn.
  • Aanvaarden de nieuwe automaten betalingen in cash?
    • De automaten moeten ook betalingen in cash aanvaarden, zowel munten als biljetten. De automaten moeten ook correct wisselgeld teruggeven.
  • Het einde van de betalingen aan boord is voorzien voor juli 2026. De nieuwe ticketautomaten komen er pas in 2027.
    • De mogelijkheid van betalen aan boord van de trein mag niet verdwijnen vooraleer de nieuwe toegankelijke betaalautomaten operationeel zijn.
  • Raadplegingen: 11

Samenvatting van het advies 2026/09: Mantelzorgers

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

Mantelzorgers

Standpunt van de NHRPH:

  • Er zijn naar schatting 2 miljoen Belgen die de rol van mantelzorger vervullen. Onder hen bevinden zich familieleden van een ouder met een handicap en ouders van kinderen met een handicap.
  • Niemand kiest ervoor om mantelzorger te zijn. De mantelzorger neemt de verantwoordelijkheden op zich die de staat niet nakomt.
  • Mantelzorgers die langdurig intensieve zorg verlenen, hebben geen andere keuze dan hun beroepsactiviteit geheel of gedeeltelijk op te schorten, met grote gevolgen voor hun sociale rechten.
  • De recente wet-Lanjri biedt geen oplossing voor mantelzorgers die langdurig intensieve zorg verlenen.

Eisen van de NHRPH:

  • De voorgestelde oplossingen moeten worden afgestemd op de concrete en reële behoeften van mantelzorgers, met inbegrip van degenen die langdurig intensieve zorg verlenen.
  • De NHRPH dringt aan op een status voor mantelzorgers die hun sociale rechten waarborgt.
  • De NHRPH dringt er tevens op aan dat er met spoed een interfederaal plan voor mantelzorgers wordt ingevoerd.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 10

Advies 2026/09: Mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2026/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de problematiek van mantelzorgers, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/03/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Ter opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met de bestrijding van armoede
  • Ter opvolging van de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Ter info aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter info aan de Belgische politieke partijen, via hun onderzoekscentra
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het Coördinatiemechanisme van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap
  • Ter info aan de federale ombudsman
  • Ter info aan de Belgische verenigingen van mantelzorgers

2. ONDERWERP

De hervorming van de werkloosheidsuitkering en de beperking van de duur ervan heeft het lot van mantelzorgers terug onder de aandacht gebracht. De verenigingen die hen vertegenwoordigen hebben aan de alarmbel getrokken naar aanleiding van de drie aangekondigde golven van uitsluiting van de werkloosheidsverzekering. De partijen die deel uitmaken van het Belgische politieke landschap hebben meerdere voorstellen op tafel gelegd, gaande van de flexibilisering van de thematisch verloven tot de invoering van een volwaardig sociaal en juridisch statuut voor mantelzorgers.

De vraag is of de goedgekeurde maatregelen tegemoetkomen aan de reële behoeften van mantelzorgers.


3. ANALYSE

In de afgelopen tien jaar heeft de NHRPH een positienota en drie adviezen (2021-14, 2021-21 en 2025-20) aan de situatie van mantelzorgers gewijd. De bevindingen, conclusies en aanbevelingen daarin zijn over het algemeen nog steeds actueel.

A. Mantelzorg: een grote verscheidenheid aan situaties

Volgens de cijfers van Sciensano voor 2023-2024 vervult 13,3 % van de inwoners van België van 15 jaar en ouder de rol van mantelzorger door wekelijks informele hulp te bieden aan iemand uit de naaste omgeving. Achter dit percentage gaat het dagelijks leven schuil van maar liefst 1,34 miljoen Belgen. 11,7% van de bevolking besteedt hier minstens 20 uur per week aan. 6,5% van deze mantelzorgers is jonger dan 25 jaar. Mantelzorg is bovendien gendergerelateerd: volgens een Europese studie zijn 85% van de mantelzorgers vrouwen tussen 35 en 64 jaar[1].

Daarnaast zijn er nog de jongeren onder de 15 jaar, die in geen enkel officieel onderzoek ooit zijn geteld. Een studie van de Universiteit van Luik en de Christelijke Mutualiteit over middelbare scholen in de provincie Luik geeft echter aan dat zij gemiddeld 1 op de 5 leerlingen vertegenwoordigen[2]. Een Franse studie[3] heeft het aantal betrokken studenten in het hoger onderwijs bevestigd. We kunnen dus schatten dat er nog eens 220.000 jongeren bijkomen bij de cijfers van Sciensano, waardoor het totale aantal mantelzorgers op 700.000 komt in Wallonië, 150.000 in Brussel en 1,2 miljoen in Vlaanderen, ofwel meer dan 2 miljoen inwoners in totaal voor het hele land[4].

De term ‘mantelzorger’ dekt onmiskenbaar een veelheid aan verschillende situaties. Deze grote diversiteit kan een belangrijke hindernis lijken bij het uitwerken van een specifiek ondersteuningssysteem voor deze mensen die, uit genegenheid, morele verantwoordelijkheid of plichtsbesef, meer of minder talrijke maar altijd essentiële zorgtaken op zich nemen ten behoeve van een lid van hun gezin, hun familie of hun vriendenkring. En inderdaad, de noden van een mantelzorger die boodschappen doet voor een familielid dat door herstel aan de woning gekluisterd is, zullen anders zijn dan die van een mantelzorger die omgaat met het toenemende verlies aan zelfredzaamheid van een bejaarde ouder. De situatie van een mantelzorger die een naaste met terminale kanker begeleidt, is evenmin dezelfde als die van een mantelzorger die dagelijks zorgt voor een naaste met een grote zorgbehoefte.

Deze grote diversiteit kan echter worden benaderd aan de hand van twee hoofdcriteria die de geboden hulp kenmerken:

  • de frequentie: incidenteel of intensief
  • de duur: kortstondig of langdurig.

Door deze twee criteria te combineren, krijgen we vier mantelzorgprofielen:

Kortstondige incidentele zorg

Kortstondige intensieve zorg

Langdurige incidentele zorg

Langdurige intensieve zorg


Deze profielen omvatten weliswaar verschillende zorgsituaties, maar ze zijn vergelijkbaar wat betreft de aard van de inzet en de noden van de mantelzorgers. De volgende voorbeelden zijn niet exhaustief:

Kortstondige incidentele zorg

Familielid of naaste opgenomen in het ziekenhuis

Familielid of naaste is herstellende

Kortstondige intensieve zorg

Familielid of naaste in de terminale fase van een ernstige ziekte

Palliatieve zorg

Langdurige incidentele zorg

Bejaarde ouder met verminderende zelfredzaamheid

Langdurige intensieve zorg

Handicap

Chronische ziekte

Zwaar hulpbehoevend familielid of naaste

Veranderlijke en wisselende gezondheidstoestand


B. Het huidige ondersteuningssysteem voor mantelzorgers

Aan de hand van de matrix met de vier bovenstaande profielen kunnen de bestaande ondersteuningsmaatregelen voor mantelzorgers worden geanalyseerd en vergeleken met hun noden:

Kortstondige incidentele zorg

Langdurige incidentele zorg

Mantelzorgverlof (5 dagen/jaar, betaald)

Verlof om dwingende redenen (maximaal 10 dagen/jaar, onbetaald, telt niet mee voor pensioen)

Erkenning via het ziekenfonds, zonder toekenning van sociale rechten (incidentele zorg: begeleiding, huishoudelijke hulp, respijt, …)

Kortstondige intensieve zorg

Recht op aanpassing van de arbeidsvoorwaarden voor max. 12 maanden:

  • Vermindering van de arbeidstijd
  • Aanpassing van de werktijden
  • Telewerk

Mantelzorgverlof, hetzij voltijds (6 maanden, waarvan 3 maanden per patiënt) of deeltijds of 1/5 (12 maanden) via een erkenning door het ziekenfonds die sociale rechten opent

  • RVA-uitkering van 951,6 euro in 2025 voor een voltijdse onderbreking

Verlof voor medische bijstand van max. 12 maanden/patiënt of halftijds gedurende 24 maanden (48 maanden voor een alleenstaande werknemer die mantelzorg verstrekt aan een kind van max. 16 jaar)

  • RVA-uitkering van 951,6 euro in 2025 voor een voltijdse onderbreking

Voor werklozen: vrijstelling van het zoeken naar werk in geval van erkenning door het ziekenfonds voor:

  • Palliatieve zorg
  • Zorg voor 1 lid van het huishouden
  • Zorg voor een kind met een handicap tot 21 jaar
  • Uitkering van 390 euro per maand
  • Verlenging van het recht op werkloosheidsuitkering met maximaal 12 maanden

Langdurige intensieve zorg

Respijtdiensten … en ?


Het bestaande systeem
, dat de voorkeur geeft aan tijdelijke regelingen, biedt geen duurzame oplossing voor mantelzorgers die zich intensief en langdurig inzetten voor de begeleiding en/of informele verzorging van een naaste.

C. Wet-Lanjri: aanpassing van het bestaande systeem

De wet-Lanjri, die eind februari 2026 door de Commissie Sociale Zaken is aangenomen, tracht een antwoord te bieden op de verontwaardiging die bij het maatschappelijk middenveld en in de pers is ontstaan door de uitsluiting van mantelzorgers van een werkloosheidsuitkering. Deze mantelzorgers, in het bijzonder degenen die intensieve langdurige zorg verlenen, worden door de beperking van de werkloosheidsuitkering gedwongen om bij hun OCMW een leefloon aan te vragen, waarop ze mogelijk geen recht hebben als ze samenwonen, en om werk te gaan zoeken, terwijl ze door hun situatie als mantelzorger juist niet inzetbaar zijn.

Aan de hand van de matrix met de 4 mantelzorgprofielen kunnen we de verbeteringen van de wet-Lanjri in kaart brengen:

Kortstondige incidentele zorg

Geen wijziging

Kortstondige intensieve zorg

Mantelzorgverlof (via erkenning die sociale rechten opent):

  • tot 6 maanden voltijds per patiënt
  • op te splitsen in weken
  • 1/5 voor een maximale duur van 30 maanden
  • geen onderbreking in geval van opname in een zorginstelling, op voorwaarde dat de patiënt 1 dag/week of 30 dagen/jaar naar huis terugkeert
  • erkenning als mantelzorger voor 2 jaar, verlengbaar met 2 jaar
  • Voor werknemers. En voor de anderen?

Langdurige incidentele zorg

Geen wijziging

Langdurige intensieve zorg

Geen wijziging


De wet-Lanjri
voorziet in een grotere flexibiliteit van thematische verloven en richt zich op de situatie van mantelzorgers die geconfronteerd worden met intensieve en in de tijd beperkte zorg. De verbetering betreft werknemers in loondienst. Hoe zit het met ambtenaren en zelfstandigen? Bovendien biedt het wetsontwerp geen oplossing voor mantelzorgers die intensief en langdurig instaan voor de begeleiding en/of verzorging van een naaste.

D. Amendement op de hervorming van de werkloosheidsuitkering ten gunste van mantelzorgers

Op 26 februari 2026 hebben de Commissie Sociale Zaken en vervolgens de Kamer amendementen aangenomen om de uitsluiting van langdurig werkloze mantelzorgers van de werkloosheidsuitkering tijdelijk op te schorten. De maatregel voorziet in een snelle procedure met terugwerkende kracht tot 31 december 2025.

Het amendement is uitsluitend bedoeld voor werkzoekenden die door de RVA of hun ziekenfonds zijn erkend en geconfronteerd worden met de ziekte van een gezinslid, eventueel in palliatieve zorg, of met de handicap van een kind jonger dan 21 jaar of van een ander gezinslid. In de eerste drie gevallen blijven de criteria voor de vrijstelling van beschikbaarheid die in 2015 door de RVA is ingevoerd, van toepassing. In het 4de geval moet men bovendien erkend zijn als mantelzorger met sociale rechten afgegeven door het ziekenfonds krachtens de wet van 2014, herzien in 2019 en van kracht sinds september 2020. De vrijstelling van het zoeken naar werk en de hogere tegemoetkoming zijn tijdelijk, beperkt tot maximaal 12 maanden.

Kortstondige incidentele zorg

Geen wijziging

Kortstondige intensieve zorg

Vrijstelling voor werklozen die door het ziekenfonds als mantelzorger zijn erkend:

  • Voor palliatieve zorg, zorg voor 1 lid van het huishouden, zorg voor 1 kind met een handicap tot 21 jaar
  • Vereenvoudigde erkenningsprocedure tot 31 maart 2026
  • Opschorting van de uitsluiting van werkloosheid gedurende 12 maanden
  • Verhoging van de tegemoetkoming tot 761,02 euro per maand

Langdurige incidentele zorg

Geen wijziging

Langdurige incidentele zorg

Geen wijziging


Het amendement voorkomt tijdelijk, namelijk voor de duur van maximaal 12 maanden, uitsluiting van de werkloosheidsuitkering. Maar het biedt geen duurzame oplossing voor werkzoekenden die intensieve en langdurige mantelzorg verstrekken. De zorg voor een kind met een handicap jonger dan 21 jaar houdt immers niet op na 12 maanden, net zomin als die ophoudt wanneer het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt of voor elke andere persoon ouder dan 21 jaar met een handicap.

E. Men kiest er niet voor om mantelzorger te zijn wanneer de Staat zijn verantwoordelijkheden niet nakomt

Een ongeval, een ernstige ziekte of een handicap zijn onvoorspelbare gebeurtenissen waar niemand voor kiest, noch voor zichzelf, noch voor zijn naasten. Geconfronteerd met de onvermijdelijke tegenslagen van het leven, vertrouwt iedereen op zijn naasten en op de beschikbare sociale diensten. Die diensten moeten dan wel aangepast, toereikend, financieel betaalbaar en geografisch toegankelijk zijn.

Het tekort aan plaatsen in verzorgingstehuizen, opvangvoorzieningen, het bijzonder onderwijs, aangepaste kinderdagverblijven, enz. en het gebrek aan diverse vormen van thuiszorg is echter schrijnend. Zo wijst een recente studie van het KCE erop dat de mogelijkheden die aan gezinnen worden geboden op het vlak van palliatieve zorg ontoereikend zijn en dat deze situatie onvermijdelijk moet worden gecompenseerd door naasten/mantelzorgers, die hierdoor uitgeput raken. Naar aanleiding van deze vaststelling beveelt het KCE aan dat “naasten, vooral wanneer zij een mantelzorgrol op zich nemen, bijzondere aandacht moeten krijgen: zij hebben hun eigen voorkeuren en noden, en bij gebrek aan adequate ondersteuning lopen zij het risico uitgeput te geraken.” (p. 26).

Bij gebrek aan voldoende en aangepaste diensten is mantelzorger worden vaak de laatste uitweg in een ernstige en/of urgente situatie. Deze zorg kan op korte of lange termijn onverenigbaar blijken met een baan: “hoe kun je beschikbaar zijn voor werk als je dagelijks leven wordt bepaald door aanwezigheid en toezicht, zorg, noodsituaties en afspraken die onmisbaar zijn voor de gezondheid en het leven van de geholpen naaste?[5]Wanneer alle kortetermijn-verlofregelingen zijn uitgeput, rest de mantelzorger niets anders dan zijn of haar baan geheel of gedeeltelijk op te offeren om de dierbare die zorg nodig heeft, niet in de steek te laten. Deze laatste uitweg heeft zware gevolgen voor de huidige financiële middelen van de mantelzorger, maar weegt ook op zijn of haar toekomstige middelen door hem of haar te beletten pensioenrechten op te bouwen. Daardoor loopt de betrokkene op korte en lange termijn het risico op onzekerheid en zelfs armoede en materiële ontbering.

F. Het specifieke geval van ouders van een kind met een handicap

Binnen de groep van mantelzorgers nemen ouders van een kind met een handicap een bijzondere plaats in. Net als andere mantelzorgers hebben zij niet gekozen voor de gezondheidsproblemen van hun kind. De handicap van hun kind dwingt hen echter al heel vroeg in hun professionele loopbaan om hun job aan te passen aan de gezondheidsnoden van hun kind. Net als andere mantelzorgers worden ze geconfronteerd met een gebrek aan gespecialiseerde diensten en voorzieningen:

  • Wordt hun kind opgevangen in het reguliere onderwijs? Zo ja, is dat voltijds mogelijk? Als het deeltijds is, zijn er dan opvangvoorzieningen beschikbaar zodat de ouders tegelijkertijd kunnen werken?
  • Heeft hun kind veeleer behoefte aan bijzonder onderwijs?
  • Bevindt zich een dergelijke instelling op redelijke afstand van de woonplaats?
  • Zo ja, zijn er plaatsen beschikbaar in deze instelling?
  • Zijn er buitenschoolse opvangvoorzieningen die zijn aangepast aan de handicap van hun kind?
  • Wat zijn de zorgnoden van hun kind en, daaruit volgend, hoeveel medische en niet-medische afspraken moeten tijdens de week worden nagekomen?
  • Hoelang is de wachttijd voor toegang tot de voorzieningen die het kind nodig heeft? En hoelang duurt het om over te stappen wanneer de gezondheidstoestand en behoeften van het kind veranderen?
  • Zijn alle 'neen'-antwoorden op bovenstaande vragen, die gecompenseerd moeten worden, verenigbaar met het behouden van een job? Voltijds? Deeltijds? Op korte termijn? Op lange termijn? Zijn de thematische verloven toereikend?

De vader of moeder die zijn of haar job geheel of gedeeltelijk opgeeft, brengt zijn of haar financiële bestaanszekerheid in gevaar in geval van echtscheiding of overlijden van de andere ouder, en ondermijnt zijn of haar pensioenrechten des te meer naarmate deze beslissing aan het begin van de loopbaan wordt genomen en de handicap geen einddatum heeft. Met de aangekondigde pensioenhervorming zou het kunnen dat een dergelijke ouder een aanzienlijk aantal jaren gaat hebben die “niet meetellen”, zelfs wanneer er wel dagen zijn gewerkt, maar onvoldoende. En volgens de huidige wetgeving zal deze ouder, als hij of zij een gemengde loopbaan heeft met jaren als ambtenaar, waarschijnlijk niet in aanmerking komen voor het minimumpensioen. Door de afschaffing van het “gezinspensioen” zullen de hoge kosten van de beslissing genomen aan het begin van het ouderschap bovendien niet meer worden verzacht door de solidariteit binnen het ouderpaar. Het risico op armoede op korte, middellange en lange termijn is alomtegenwoordig.

G. Ook de actoren op het terrein in de gezondheidszorg roepen op tot een (her)waardering van mantelzorger

In het kader van de lopende debatten over de toekomst van de gezondheidszorg in België werd in 2022 het idee gelanceerd om een interfederaal Plan “Geïntegreerde zorg” op te zetten. Met het oog op de uitwerking van dit plan werd datzelfde jaar een studie uitgevoerd, getiteld We care. In deze studie, waaraan de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel, KPMG en WhoCares? hebben meegewerkt, werd met name het woord gegeven aan actoren uit de gezondheidszorg. Zij benadrukken onder meer wat volgt:

  • "het informeel netwerk [van mantelzorgers is] in grote mate mee bepalend voor het vermogen/de capaciteit van ons Belgisch zorg- en welzijnssysteem”,
  • "[dit komt doordat] ons zorgsysteem niet over voldoende middelen en zorgcapaciteit beschikt om alle zorg professioneel op te nemen",
  • "door de epidemiologische verandering naar meer en meer chronische ziekten en multimorbiditeit, zal […] de bijdrage van het informeel netwerk [van mantelzorgers] sterk blijven toenemen".

Op basis van deze vaststellingen vragen de actoren in de gezondheidszorg om:

  • "het informeel netwerk [van mantelzorgers] te beschouwen als complementair aan het netwerk van professionals",
  • "de informele zorg die door mantelzorgers wordt verleend, structureel in het [gezondheidszorg]systeem in te kantelen".

Daartoe roepen de actoren in de gezondheidszorg de overheid op om mantelzorgers te ondersteunen met actieve maatregelen, zoals:

  • de tijd die aan mantelzorg wordt besteed, te laten meetellen voor de berekening van het pensioen
  • de beschikbare verloven uit te breiden
  • mantelzorgers te helpen om een goed evenwicht te vinden tussen hun sociaal en hun professioneel leven.

[1] BIRTHA Madgi et HOLM Kathrin, “Être aidant en Europe aujourd’hui – Étude sur les besoins et les défis rencontrés par les aidants familiaux en Europe”, COFACE, Bruxelles, 2017, p. 7. Cité dans : D’ORTENZIO Anissa, LAHAYE Laudine, STULTJENS Éléonore, VIERENDEEL Florence “Aidant·e·s proches : tour d’horizon dans une perspective de genre” Etude FPS, 2021, URL: https://www.soralia.be/wp-content/uploads/2021/10/Etude2021_Aidants_Proche.pdf

[2] “Jeunes et aidants-proches : des chiffres pour témoignages”, 2023, Mutualité Chrétienne & ULiège.

[3] https://hal.science/hal-03976798v1/file/CAMPUS-CARE%20Prez%20webinaire%20VF%20pour%20diffusion.pdf

[4] https://wallonie.aidants-proches.be/le-nombre-daidants-proches-reste-eleve-en-wallonie/

[5] Odette TODO, Exclusion du chômage des aidantes et aidants proches : un véritable drame social, analyse Esenca 2026, online te raadplegen: Aidants-proches-Interpellation-publique-23012026.pdf


4. ADVIES

De NHRPH is verheugd dat de situatie van de mantelzorger (opnieuw) een politieke prioriteit wordt en verwelkomt de inspanningen van iedereen, zowel politieke partijen als het maatschappelijk middenveld, om passende oplossingen te vinden. De NHRPH wijst er echter op dat de aangebrachte oplossingen moeten aansluiten bij de concrete en reële behoeften van mantelzorgers en niet mogen blijven steken bij een pleister op een houten been.

Mantelzorger worden moet een echte keuze zijn: de Staat moet zijn verantwoordelijkheid nemen en ervoor zorgen dat er voldoende en gevarieerde oplossingen bestaan om deze keuze mogelijk te maken, maar ook om mantelzorgers in staat te stellen een waardig leven te leiden, zonder hun eigen gezondheid in gevaar te brengen door uitputting, en zonder financieel te worden afgestraft – ook op de lange termijn – vanwege hun inzet.

De zorgverlening is momenteel transversaal georganiseerd naargelang de aard van de interventies: schematisch gezien zijn er tegemoetkomingen en sociale diensten op federaal niveau en is er ondersteuning op het niveau van de deelgebieden. Deze onderverdeling mag zich niet tegen de betrokkene keren. En als dit advies soms verder gaat dan het strikte federale kader, dan is dat ook omdat er gewezen dient te worden op de noodzaak van oplossingen die moeten worden bedacht in verschillende levensdomeinen en op alle bevoegdheidsniveaus.

  • De NHRPH vraagt dat de statuutkwestie globaal wordt benaderd, zowel binnen de federale regering als op interfederaal niveau.
  • Er is dringend nood aan een interfederaal plan voor mantelzorgers.
    Zie het UNCRPD-verslag 2024 en de aanbevelingen van het Comité aan België, en in het bijzonder aanbeveling 39 a), namelijk: “Een effectieve de-institutionaliseringsstrategie uitdenken en uitvoeren, met tijdschema's, doelstellingen, financiering en toezicht, die voorziet in verschillende vormen van huisvesting om personen met een handicap een echte keuze te geven over hoe en waar te wonen, en ervoor zorgt dat diensten in de maatschappij beschikbaar zijn …”

In dit kader vraagt de NHRPH dat de voorgestelde oplossingen worden herzien in functie van de situatie en de noden van de 4 profielen van mantelzorgers.

A. Voor intensieve zorg

Voor situaties waarin de beroepsloopbaan (of gelijkgesteld) geheel of gedeeltelijk, definitief of tijdelijk, moet worden onderbroken of aangepast, moeten mantelzorgers niet alleen worden ondersteund door begeleidende maatregelen, maar ook naar behoren worden beschermd, zodat de professionele en sociale gevolgen van hun keuze niet nadelig voor hen zijn, zowel tijdens de periode van hun keuze als op de langere termijn.

Deze bescherming omvat, voor alle mantelzorgers – werknemers of gelijkgesteld – die intensieve mantelzorg verstrekken:

  • Een onvoorwaardelijk recht op een periode van opschorting van de beroepsactiviteiten, ongeacht de sociale sector: werknemer in loondienst, zelfstandige, werknemer in de publieke sector, arbeidsongeschikte werknemer, werkloze
  • Ontslagbescherming
  • Een (gratis) gelijkstelling met werkperiodes voor de rechten op kinderbijslag, werkloosheid, gezondheidszorg, arbeidsongeschiktheid en de berekening van pensioenen
  • Een bevoorrechte toegang tot alle loopbaanaanpassingen en -onderbrekingen voor alle werknemers (publieke en private sector)
  • Uitbreiding van het tijdskrediet tot de vastgestelde duur van de situatie van grote zorgbehoevendheid
  • Een belastingvoordeel voor mantelzorgers die inkomensverlies lijden 
  • De NHRPH vraagt concreet, binnen het kader van de federale bevoegdheden:
    • Wat betreft mantelzorgers die niet bij de sociale zekerheid zijn aangesloten: toegang tot een fatsoenlijk inkomen gedurende de periode van mantelzorgverstrekking;
    • Wat betreft loopbaanonderbrekingen:
      • Voor werkende mantelzorgers die geconfronteerd worden met een zware (en/of langdurige) zorgsituatie, blijkt het huidige loopbaanonderbrekingssysteem (privaat-publiek) ontoereikend om aan hun behoeften te voldoen. Voor deze groep moet het huidige systeem worden uitgebreid en moet voor deze periodes het principe van een fatsoenlijke uitkering worden ingevoerd, zodat zij een waardig leven kunnen leiden.
      • De bestaande maatregelen zijn interessant, maar ontoereikend en niet afgestemd op de levenssituatie van alle mantelzorgers; er moet worden nagedacht over de invoering van een specifieke en voldoende flexibele loopbaanonderbrekingsregeling voor de mantelzorger, met ontslagbescherming. Deze moet lang genoeg duren om de mantelzorger in staat te stellen continue en duurzame mantelzorg te verstrekken, in functie van de noden.
    • Wat geneeskundige verzorging en uitkeringen betreft:
      • Het principe van de continuïteit van de zorgdekking voor de mantelzorger in de regelgeving opnemen. De mantelzorger moet rechten hebben op basis van zijn laatste eigen statuut.
      • De mantelzorger die zijn beroepsactiviteit beëindigt, vrijstellen van de wachttijd voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
      • De beoordeling van de arbeidsongeschiktheid door de adviserend geneesheer: de functie van mantelzorger kan niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan de geschiktheid om het werk te hervatten.
      • Wat de thuiszorg betreft: een aanzienlijke uitbreiding van de respijtzorg en andere ondersteuning bij het dagelijks leven, aangeboden door het RIZIV
    • Wat de werkloosheidssector betreft:
      • De gevolgen van een mantelzorgsituatie opnemen in de regelgeving, zodat de dekking van de sociale zekerheid blijft lopen als men mantelzorger is.
      • Om in aanmerking te komen een werkloosheidsuitkering moet de werknemer een wachttijd doorlopen met een aantal gewerkte dagen binnen een referentieperiode; de mantelzorger is niet inactief en zou vanzelfsprekend gebruik moeten kunnen maken van het begrip “onmogelijkheid te werken als gevolg van overmacht”. De regelgeving zou expliciet moeten bepalen dat de referentieperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat de mantelzorgperiode omvat (door het principe van gelijkstelling).
      • Vrijstelling van de wachttijd (behoud van het recht op uitkering): gezien de arbeidsongeschiktheid wegens overmacht, zou de thans voorziene periode van één jaar moeten worden verlengd met het aantal dagen dat de periode van mantelzorg omvat.
      • Toekenning van een werkloosheidsuitkering aan de mantelzorger die zijn baan juist in zijn hoedanigheid van mantelzorger opzegt, voor zover deze situatie is ingegaan vóór de kennisgeving van zijn ontslag.
      • De wettelijke bepalingen met betrekking tot het opgeven van een baan niet van toepassing laten zijn wanneer de werknemer zich kan beroepen op het uitoefenen van een activiteit als mantelzorger wanneer hij een beroepsactiviteit beëindigt en een werkloosheidsuitkering aanvraagt. Dit is al het geval in de regelgeving voor andere situaties (bijvoorbeeld de werknemer die zijn activiteiten gedurende ten minste zes jaar heeft stopgezet om een kind groot te brengen). De Trampoline-maatregel, die toelaat om eenmaal in de loopbaan na vrijwillig ontslag een werkloosheidsuitkering te ontvangen om professioneel een nieuwe start te maken, moet beschikbaar blijven voor dit zuiver professionele doel. Het is noodzakelijk:
        • dat er een activeringsvrijstelling wordt voorzien tijdens de periode waarin mantelzorg nodig is (zonder gespecificeerde beperking in de tijd).
        • dat de mantelzorger aan het einde van de periode van noodzakelijke zorg het bewijs levert dat zijn vorige werkgever niet bereid is hem opnieuw in dienst te nemen.
    • Wat de pensioensector betreft:
      • Voor de berekening van het pensioen moet de mantelzorgperiode worden gelijkgesteld. Dit moet voor alle werknemers mogelijk zijn.
    • Wat de fiscale sector betreft:
      • Invoering van een belastingvoordeel voor werknemers of gelijkgestelden die een aanpassing van hun loopbaan aanvragen als mantelzorger in een situatie die intensieve zorg vergt.

B. Voor incidentele mantelzorgers

De NHRPH beveelt de volgende concrete maatregelen aan:

  • Wat betreft het thematisch verlof:
    • Dit moet flexibel en gemakkelijk aanpasbaar zijn. Het moet mogelijk zijn om het verlof op te splitsen in hele of halve dagen. Het is bijvoorbeeld niet nodig om een week vrijaf te nemen op het werk om een ouder te begeleiden bij een ziekenhuisonderzoek.
  • Wat betreft de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen:
    • Het combineren van periodes van arbeidsongeschiktheid of zwangerschapsverlof met de activiteit van mantelzorger, met instemming van de behandelende arts en op voorwaarde dat de adviserende arts verklaart dat de gezondheidstoestand de uitoefening van deze activiteit toelaat.
    • Indien de geholpen persoon dit wenst en met instemming van de mantelzorger(s), de identiteit van de mantelzorger(s) die de patiënt bijstaat/-staan opnemen in het globaal medisch dossier.
    • De ontwikkeling van begeleiding intensiveren naar gelang de noden van patiënten en mantelzorgers en formele chronische zorgdiensten financieel toegankelijker maken voor de zorgbehoevende.

C. Voor iedereen: behoefte aan informatie, verzekering en bescherming tegen discriminatie

De NHRPH adviseert om ervoor te zorgen dat steun- en zorgaanvragen van mantelzorgers worden begeleid en dat mantelzorgers informatie krijgen over thuiszorg en alle bestaande regelingen in het kader van georganiseerde thuisbegeleiding (verstrekken van informatie, advies, ondersteuning en bemiddeling, zodat mantelzorgers maximaal gebruik kunnen maken van de bestaande rechten en regelingen en om maximale toegang tot zorg te bieden).

Bovendien moet de wetgeving voorzien in een dekking voor burgerlijke aansprakelijkheid en lichamelijk letsel, waarbij de bescherming moet worden uitgebreid tot de gevolgen van ongevallen die zich voordoen in het kader van de mantelzorg, en die in het bijzonder de gederfde inkomsten dekt in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid. De mantelzorger moet gedekt zijn voor de risico's die hij loopt of aan derden toebrengt in het kader van zijn mantelzorgactiviteiten.

Ten slotte vraagt de NHRPH dat het beginsel van redelijke aanpassingen door associatie wordt opgenomen in de Belgische federale en regionale wetgeving. Op 11 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-38/24 Bervidi immers bevestigd dat het beginsel van non-discriminatie op het gebied van tewerkstelling en arbeid, zoals vastgelegd in Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ook indirecte discriminatie “door associatie” op grond van een handicap omvat, en dit ten gunste van werknemers die zelf geen handicap hebben, maar die essentiële bijstand verlenen aan hun kind of naaste met een handicap.

Het Hof heeft eraan herinnerd dat deze interpretatie kadert binnen verschillende internationale en Europese teksten waarin het beginsel van non-discriminatie en de bescherming van personen met een handicap zijn vastgelegd. Het Hof baseert zich met name op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 21 inzake non-discriminatie, artikel 24 inzake de rechten van het kind, artikel 26 inzake de integratie van personen met een handicap) en op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (artikelen 2, 5 en 7).

Bijgevolg heeft het Hof verduidelijkt dat de werkgever verplicht is redelijke aanpassingen door te voeren om de mantelzorger in staat te stellen zijn beroepsactiviteit te combineren met zijn rol als mantelzorger, voor zover deze maatregelen geen onevenredige last met zich meebrengen. Deze aanpassingen kunnen bijvoorbeeld een aanpassing van de werktijden of een herplaatsing (verandering van functie) omvatten.[1]

Vandaag voorziet het Belgische recht niet uitdrukkelijk in het recht op redelijke aanpassingen voor mantelzorgers die zelf geen handicap hebben. Alleen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft dit recht duidelijk in zijn juridisch kader opgenomen. Dit gebrek aan erkenning op federaal niveau en in de andere deelgebieden leidt tot:

  • rechtsonzekerheid voor werkgevers, die geen duidelijk kader hebben om op verzoeken om redelijke aanpassingen in te gaan;
  • ongelijke bescherming voor werknemers die mantelzorg verstrekken, ondanks de Europese erkenning van hun rechten door het Hof.

Unia benadrukt dit ook in haar advies 389: “Door een betere combinatie van het persoonlijk leven met het sociale leven van de mantelzorger (zowel op professioneel als op schoolgebied, enz.) mogelijk te maken, kunnen redelijke aanpassingen door associatie ongetwijfeld bijdragen tot een grotere inclusie van personen met een handicap.”

D. Er moet een geschikte oplossing kunnen worden geboden voor intensieve langdurige zorg

De NHRPH constateert met bezorgdheid dat er geen enkele regeling bestaat ter ondersteuning van mantelzorgers die zich intensief en langdurig inzetten voor de begeleiding en/of informele zorg voor een naaste. Noch de wet-Lanjri, noch de wijzigingen in de hervorming van de werkloosheidsuitkering bieden een oplossing voor deze situatie.

In werkelijkheid was werkloosheid, toen deze nog onbeperkt in de tijd was, de enige praktische oplossing voor deze intensieve langdurige mantelzorgers. Werkloosheidsuitkeringen zijn weliswaar niet bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, maar tot voor kort waren zij de enige beschikbare oplossing die min of meer tegemoetkwam aan de logistieke en financiële behoeften van deze mantelzorgers op korte en lange termijn, namelijk:

  • vrijgesteld zijn van arbeid om zich te kunnen wijden aan een naaste die ernstig en langdurig door ziekte of een handicap is getroffen;
  • beschikken over financiële middelen, hoe bescheiden ook, om de zorgkosten van deze naaste te kunnen dragen;
  • zijn rechten op een toekomstig pensioen behouden.

Ook het leefloon biedt geen oplossing voor deze mantelzorgers:

  • samenwonenden zijn hiervan uitgesloten
  • het is gekoppeld aan het zoeken naar werk
  • het vermindert de inkomsten aanzienlijk
  • het biedt geen mogelijkheid om pensioenrechten op te bouwen.

Volgens de NHRPH is het noodzakelijk dat de nieuw aan te nemen maatregelen op zijn minst de huidige leemte opvullen met een regeling ter ondersteuning van mantelzorgers die zich inzetten voor intensieve langdurige zorg.

Met het oog op een duurzame oplossing pleit de NHRPH ervoor dat aan mantelzorgers die langdurige intensieve zorg verlenen een sociaal en juridisch statuut wordt toegekend, dat recht geeft op aangepast verlof, sociale bescherming, een fatsoenlijk inkomen en een toereikend pensioen.

Dit statuut moet worden toegekend aan mantelzorgers, ongeacht of zij al dan niet bij de sociale zekerheid zijn aangesloten. De NHRPH beveelt in dit verband aan dat intensieve langdurige mantelzorg wordt gelijkgesteld met een job, zodat zij dezelfde sociale rechten opent als een job: recht op een vergoeding die ten minste gelijk is aan het minimumloon, recht op een werkloosheidsuitkering wanneer de mantelzorg eindigt, en recht op pensioen.

E. In het algemeen

De NHRPH pleit ervoor dat de IMC Handicap mantelzorg op de agenda zet, zodat de federale Staat en de Gewesten en Gemeenschappen zich kunnen coördineren in een gezamenlijke benadering van mantelzorg en kunnen voorkomen dat de ondersteuning van mantelzorgers verschilt naargelang de woonplaats.

Bovendien is het belangrijk dat geen enkele ondersteunings- beschermingsmaatregel voor mantelzorgers, inclusief het behoud van sociale rechten, voor de overheid een voorwendsel mag zijn om niet structureel te voorzien in professionele zorg en diensten die beantwoorden aan de noden van alle hulpbehoevende personen en van de mantelzorgers zelf.

[1] Deze jurisprudentie sluit aan bij het arrest-Coleman (C-303/06), waarin reeds directe discriminatie door associatie werd erkend.

  • Raadplegingen: 52

Advies 2025/35 - Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/35 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid.

Advies uitgebracht na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail tussen 12/12/2025 en 19/12/2025.

Advies op verzoek van de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding, per e-mail van 08/12/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Voor opvolging aan het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het Coördinatiemechanisme van het UNCRPD
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid heeft tot doel de activiteiten van het Nationaal College te bestendigen en de benoeming van twee vicevoorzitters mogelijk te maken.


3. ANALYSE

Het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid werd opgericht in december 2016. Het College heeft onder meer tot taak gestandaardiseerde methoden voor de evaluatie van arbeidsongeschiktheid voor te stellen met het oog op een harmonisatie van de evaluaties in de verschillende takken van de sociale zekerheid, namelijk de ziekteverzekering (RIZIV), de beroepsziekten (Fedris, ex-FBZ), de arbeidsongevallen (Fedris, ex-FAO) en de werkloosheid (RVA), alsook in het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (Directie-generaal Personen met een Handicap).

Daarnaast werd het College ook gevraagd zich te buigen over de opleiding en harmonisatie van het statuut van artsen die betrokken zijn bij de evaluatie van arbeidsongeschiktheid.

Alle instellingen en actoren die op federaal niveau actief zijn op het gebied van arbeidsongeschiktheid en/of de erkenning daarvan, zijn lid van het College. Ook de wetenschappelijke verenigingen van huisartsen, adviserende artsen, artsen-deskundigen en bedrijfsartsen maken deel uit van het College. De Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid is eveneens lid. De FOD Sociale Zekerheid zorgt voor de logistieke ondersteuning. Ondanks herhaalde verzoeken – zie adviezen 2015-10, 2015-32 en 2016-12, 2021/31 en 2023/10 - is de NHRPH geen lid van het College, terwijl de wet van 27 februari 1987 onder de harmonisatie valt en elke wijziging van de wet van 1987 of de bijbehorende besluiten verplicht de raadpleging van de NHRPH vereist.

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid bepaalt bovendien het volgende:

Het bureau heeft inzonderheid tot opdracht:

3° de door het College aangenomen voorstellen en aanbevelingen over te maken aan (…) de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.

In de bijna tien jaar dat het College bestaat, is er nog geen enkel document voorgelegd aan de NHRPH. 

Zich bewust van de voortgang van de werkzaamheden (zie Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid | Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid) heeft de NHRPH herhaaldelijk (per e-mail en telefoon) zijn verzoek herhaald om bij de werkzaamheden te worden betrokken en de documenten te ontvangen, in het bijzonder voor de projecten die betrekking hebben op de wet van 27 februari 1987 zelf. Zonder succes! Zijn er redenen om de NHRPH buiten het overleg te houden en de bepalingen van het koninklijk besluit niet toe te passen?


4. ADVIES

A. Wat betreft het ingediende hervormingsvoorstel

De NHRPH is voorstander van de voortzetting van de activiteiten van het College en heeft geen bezwaar tegen de benoeming van twee vicevoorzitters.

B. Wat betreft de opvolging van de werkzaamheden

De NHRPH vraagt om zo snel mogelijk de documenten te ontvangen over de voortgang van het overleg en werkzaamheden.

Gezien de lopende hervorming van de wet van 27 februari 1987, op initiatief van de Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen, is een gestructureerd overleg met de NHRPH voor de voortzetting van de werkzaamheden eveneens dringend noodzakelijk.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/18 - NHRPH-secretariaat

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de situatie van het secretariaat van de NHRPH, dat ook gemeenschappelijk is voor het BDF en het Interfederaal Overlegplatform Handicap.

Uitgebracht naar aanleiding van een raadpleging per e-mail van 12/12/2025 tot 18/12/2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Ter opvolging aan de heer Rob Benders, Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen
  • Ter info aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het Coördinatiemechanisme van het UNCRPD
  • Ter info aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Er werkt geen enkele jurist meer bij het secretariaat van de NHRPH en de aanwervingen zijn geblokkeerd, waardoor het secretariaat absoluut onderbezet is.


3. ANALYSE

In tien jaar tijd is het secretariaat sterk veranderd. Als we de samenstelling van het secretariaatspersoneel vergelijken met zijn opdrachten en taken, zien we een omgekeerd evenredige evolutie. Het personeelsbestand (en met name het personeel dat in staat is om analyse- en redactiewerkzaamheden uit te voeren, maar ook vergaderingen voor te bereiden en op te volgen) is blijven afnemen, terwijl de werkdruk alleen maar is toegenomen. 

Er zijn verschillende redenen voor de toename van het werk. Zij houden voornamelijk verband met de naleving van nieuwe wettelijke vereisten:

  • Ontwikkeling van verschillende partnerschappen vastgelegd in de regelgeving, waaronder: NMBS (beheerscontract), bpost (beheerscontract), Raadgevend Comité van de Treinreizigers (koninklijk besluit), Federale Commissie voor Verkeersveiligheid (koninklijk besluit), Commissie voor de inclusie van personen met een handicap (CIPH - voorheen CARPH - wet), coördinatiemechanisme in verband met het UNCRPD (wet), Unia (protocol). Sommige operatoren betrekken de NHRPH ook op vrijwillige basis bij hun activiteiten en organiseren regelmatig vergaderingen: bijvoorbeeld Febelfin, Brussels Airport en het Platform voor armoedebestrijding.
  • Verplichting om toe te zien op de uitvoering van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (art. 33.1)
    • Tijdig waarschuwen voor uitdagingen in plaats van "wachten op verzoeken": deze proactieve en transversale aanpak maakt het mogelijk om te anticiperen op uitdagingen in plaats van veronachtzaamheden te moeten herstellen
    • Effectieve invoering van handistreaming in alle federale en interfederale bevoegdheidsdomeinen
  • Grondwettelijke verplichting voor de wetgever om de inclusie van personen met een handicap in alle domeinen van het leven te realiseren – artikel 22 ter.
  • Verplichting om bij te dragen tot het Federale Actieplan Handicap en het op te volgen (wet van 7 mei 2024)
  • In 2023 en 2025 heeft de voorzitter van de IMC Welzijn, Gezinnen en Sport – afdeling Handicap, het interfederaal platform Handicap om advies gevraagd over twee interfederale dossiers: het interfederaal Actieplan Handicap en de uitvoering van de richtlijn European Disability Card en parkeerkaart. De noodzaak van het interfederaal adviesplatform Handicap is dus reëel (advies 2025-22).

De NHRPH is verheugd over deze positieve ontwikkeling in de richting van de implementatie van handistreaming, maar heeft uiteraard personeelsmiddelen nodig om hier zo goed mogelijk op te kunnen inspelen.
Het secretariaat van de NHRPH en het secretariaat van het Belgian Disability Forum (BDF – ambtshalve lid dat de Belgische verenigingen vertegenwoordigt bij het EDF) waren oorspronkelijk afzonderlijke organen en beschikten over vaste medewerkers:

  • het secretariaat van de NHRPH bestond uit 5 medewerkers, waaronder 3 juristen met een universitair diploma
  • dat van het BDF bestond uit 2 universitairen, waaronder 1 jurist

In 2010 werden de twee secretariaten geïntegreerd met het oog op de complementariteit; de respectieve taken bleven echter gescheiden.

In 2011 hebben de bestaande adviesraden voor personen met een handicap op federaal niveau en in de deelgebieden aangegeven dat er dringend in overleg moest worden gewerkt aan bepaalde interfederale dossiers: het secretariaat van de NHRPH/het BDF heeft de organisatie van de vergaderingen van het interfederaal adviesplatform Handicap ondersteund.

Zo zorgt het secretariaat, dat bij KB van 9 juli 1981 is opgericht, al meer dan tien jaar voor de werking en coördinatie van drie adviesstructuren:

  • De NHRPH is het officiële federale adviesorgaan op het gebied van handicap. De NHRPH vertegenwoordigt personen met een handicap en adviseert de federale overheden over alle kwesties die betrekking hebben op handicap.
  • Het BDF vertegenwoordigt de belangen van personen met een handicap op Europees en internationaal niveau en brengt hun rechten onder de aandacht van de Belgische en Europese instanties. Het brengt verslag uit aan het EDF (European Disability Forum) en de VN. Het BDF is de officiële Belgische vertegenwoordiger bij het EDF.
  • Het interfederaal platform bevordert het overleg tussen de adviesraden voor personen met een handicap van de verschillende Belgische entiteiten (federaal, gewesten, gemeenschappen) en brengt sinds twee jaar advies uit aan de IMC Handicap

Deze situatie is een realiteit die door de administratieve en politieke gesprekspartners systematisch wordt verzwegen.

Sinds 2017 zijn verschillende medewerkers met pensioen gegaan of vertrokken; sommigen zijn nooit vervangen.
Meer recentelijk hebben twee van de drie juristen die de dossiers behandelen het secretariaat verlaten, respectievelijk in 2023 en 2024. De laatste jurist is langdurig arbeidsongeschikt.

Sinds begin 2025 bestaat het team uit slechts vier medewerkers die daadwerkelijk adviezen, positienota's en de organisatie van de vergaderingen van de NHRPH/het BDF en het interfederaal platform voorbereiden: twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen en een coördinatrice. Het analyseren van teksten vereist regelmatig een juridische analyse: de teamcoördinatrice is juriste, maar moet jongleren tussen haar managementtaken en ondersteuning op juridisch vlak. Ze heeft geen andere keuze dan haar expertrol te reserveren voor uitzonderlijke, dringende en prioritaire situaties. Deze situatie is niet langer houdbaar.

Volgens de DG Personen met een handicap (DG HAN)/FOD Sociale Zekerheid – waaraan het secretariaat administratief is verbonden – laten de budgettaire beperkingen niet toe om vertrekkende medewerkers te vervangen. De talrijke contacten van de afgelopen maanden met de Minister bevoegd voor personen met een handicap, zijn kabinet en de DG HAN bieden geen perspectief op aanwervingen. Het enige voorstel betreft een formule van interne mobiliteit voor een maximale duur van 1 jaar (verlengbaar met 1 jaar). Als we bedenken hoeveel tijd het kost om een medewerker op te leiden in handistreaming, dan weegt een degelijke begeleiding gedurende meerdere maanden niet op tegen een investeringsrendement dat beperkt blijft tot enkele maanden.

De NHRPH erkent de inzet van Minister Beenders om oplossingen te vinden, maar die is helaas zonder succes gebleven.

DG HAN stelt ook vragen bij de financieringsbron van het secretariaat: in het kader van een transversale bevoegdheid op federaal niveau (handistreaming) wordt de begroting momenteel uitsluitend door DG HAN gedragen.

Ten slotte is het belangrijk eraan te herinneren dat de Eerste Minister in zijn algemene beleidsverklaring benadrukte dat "mensen met een handicap daadwerkelijk moeten kunnen deelnemen aan onze samenleving" (Federaal Regeerakkoord 2025-2029, p. 29). Ook de minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen benadrukte de sleutelrol van de NHRPH en deed een concreet engagement: “Ik zal in overleg met de NHRPH bekijken hoe hun werking en impact kan worden versterkt zodat de stem van personen met een handicap steeds wordt gehoord.” (Beleidsnota, pagina 13).


4. ADVIES

De NHRPH verzoekt DG HAN en de FOD Sociale Zekerheid om hun beslissing te herzien, en wel om de volgende redenen:

  • Het secretariaat kan niet langer de taken uitvoeren die aan de NHRPH zijn toegewezen in het kader van de verschillende regelgevingen, en zeker niet alle taken die in de loop der tijd zijn bijgekomen (integratie van de taken van het BDF en het Interfederaal Platform) 
  • De federale regering moet haar wettelijke en financiële verplichtingen nakomen met betrekking tot de ontwikkeling van handistreaming en de uitvoering van de mensenrechten van personen met een handicap 
    • Door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap te ratificeren, heeft België zich ertoe verbonden om nauw overleg te plegen met personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen (artikel 4.3). Het beleid inzake handistreaming is bovendien vastgelegd in een groot aantal teksten (waaronder de beleidsverklaringen van de regering 2025-2029). Het secretariaat afbouwen komt neer op het verzwakken van de politieke belangenbehartiging van de raadplegingsmechanismen die het internationaal recht vereist. Het is evenmin denkbaar dat de leden van de NHRPH zich meer zouden inzetten (door vergaderingen te organiseren, redactionele werkzaamheden te verrichten), aangezien geen enkele vereniging (waar het lid doorgaans onder valt) financiering ontvangt voor haar beleidsinzet.
    • De federale Staat schendt het . Het terugschroeven van het secretariaat binnen de financieringsprioriteiten van de FOD Sociale Zekerheid geeft een negatief signaal: het komt neer op een marginalisering van de bekommernissen van personen met een handicap.
    • Een inclusieve democratie kan niet worden opgebouwd zonder solide dialooginstanties die over voldoende personele en financiële middelen beschikken. 
  • De budgettaire en economische argumenten zijn tegenstrijdig.

Het budgettaire argument (een belangrijk criterium voor de federale regering 2025-2029) kan op zich nooit een achteruitgang van de participatierechten van personen met een handicap rechtvaardigen. Dat zou immers neerkomen op een schending van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van de mens, dat door België is geratificeerd, maar ook van de Belgische Grondwet, die nochtans in 2022 is versterkt (artikel 22ter).

Besparingen op de korte termijn brengen vaak langetermijnkosten met zich mee. De verzwakking van het secretariaat leidt tot een vermindering van de bewustmaking en dus tot een minder sterk beleid dat niet is afgestemd op de verwachtingen van de mensen, en dus op termijn duurder is:

    • invoering van ineffectieve maatregelen omdat ze niet zijn doorgesproken met het veld,
    • ontevredenheid van personen met een handicap en hun families (ter herinnering: 15 % van de burgers wordt getroffen door een handicap) en afwijzing van het beleid.

Omgekeerd

    • kan een kwalitatief hoogwaardige consultatie corrigerende maatregelen en onaangepast beleid voorkomen.
    • zijn de kosten van een secretariaat minimaal in vergelijking met de totale begrotingen voor het beleid voor personen met een handicap.
    • is deze budgettaire inspanning noodzakelijk om de doeltreffendheid en legitimiteit van het overheidsbeleid te waarborgen.
  • Argumenten in verband met evaluatie, transparantie en goed bestuur mogen niet worden genegeerd.

Het secretariaat is een structuur voor kennisopslag, coördinatie en expertise. De verzwakking ervan leidt tot:

    • verlies van cruciale informatie,
    • desorganisatie van de politieke belangenbehartiging,
    • verzwakking van de continuïteit en de relevantie van het beleid.

Om al deze redenen vraagt de NHRPH:

  1. Op zeer korte termijn, het herstel van het secretariaat van de NHRPH, door in 2026 de twee juristen die vertrokken zijn, te vervangen;
  2. Op middellange termijn, versterking van het secretariaat (2027) door de aanwerving van minimaal één extra medewerker met een universitair diploma;
  3. Op lange termijn, de garantie van een structureel en toereikend budget om de goede werking te verzekeren van de drie adviesorganisaties die het secretariaat ondersteunt: de NHRPH, het BDF en het Platform van de adviesraden;
  4. Het punt van een gemeenschappelijk secretariaat dat is aangepast aan de taken van het Interfederaal Adviesplatform voor personen met een handicap moet op de agenda van de volgende IMC Handicap wordt geplaatst (advies 2025-22);
  5. de onvoorwaardelijke garantie dat de onafhankelijkheid van de NHRPH behouden blijft. Het secretariaat, dat bestaat uit medewerkers van DG HAN, krijgt zijn prioriteiten opgelegd door de instanties van de NHRPH, het BDF en het platform van de adviesraden.

 

  • Raadplegingen: 10

Samenvatting van het advies 2026/08: Deontologische code van professionele bewindvoerders

Op verzoek van de strategische cel Justitie.

Onderwerp:

Het ontwerp van deontologische code voor de professionele bewindvoerders

Standpunt van de NHRPH:

  • Het bijstandsregime is geen prioriteit: De code houdt geen rekening met de inhoud en de filosofie van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Veel personen met een handicap behouden in de praktijk een zekere mate van zelfstandigheid.
  • Te veel vrijheid voor de professionele bewindvoerder: De NHRPH betreurt dat het behoud van vermogen nog steeds voorrang krijgt boven het respecteren van levenskeuzes. De NHRPH betreurt dat artikel 12 nog steeds spreekt over “belang en welzijn” in plaats van de wil van de persoon centraal te stellen.
  • Zorgen over daadwerkelijk toezicht: Het opstellen van een levensplan dat de wensen van de persoon onder bescherming respecteert, is geen vereiste; bovendien heeft de vrederechter vaak noch de tijd, noch de middelen om effectief toezicht uit te oefenen op de gebruikte instrumenten of methoden voor het beheer.

Eisen van de NHRPH:

  • Opstellen van een levensplan: De NHRPH vereist het opstellen van een plan om de rechten, de verzoeken en het persoonlijke levensplan van de persoon onder bescherming te respecteren.
  • Klachten- en sanctiemechanisme: De NHRPH vraagt om de invoering van transparante klachtenprocedures en duidelijke sancties in geval van niet-naleving van de deontologie of de beginselen van het UNCRPD.
  • Verplichte specifieke opleiding: De code moet een opleiding over handicap, UNCRPD-mensenrechtenaanpak of toegankelijke communicatiee verplicht stellen, niet alleen voor de medewerkers, maar ook voor de bewindvoerders zelf.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 6

Advies 2026/08: Deontologische code van professionele bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2026/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van deontologische code voor de professionele bewindvoerders (in uitvoering van de wet van 08.11.2023 - artikel 27 tot invoeging in het gerechtelijk wetboek van een artikel 555/23), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/03/2026.

Advies op verzoek van de administratie van de minister van Justitie per e-mail van 16/02/2026.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Benoit Cornélis van de FOD Justitie
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, minister van Justitie
  • Voor opvolging aan de ordes van advocaten
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de ombudsman verzekeringen
  • Ter informatie aan de Hoge Raad voor de Justitie

2. ONDERWERP

De wet van 8 november 2023 betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon heeft het statuut van professionele bewindvoerder aangepast. De wet vereist dat de kandidaat-professionele bewindvoerder voldoet aan een aantal voorwaarden voordat hij wordt opgenomen in het nationaal register van professionele bewindvoerders.

Een van deze voorwaarden betreft het naleven van een deontologische code.


3. ANALYSE

Het kabinet van de minister van Justitie heeft de ordes van advocaten gevraagd een ontwerp van deontologische code op te stellen. Het eerste ontwerp dateerde van 18 december 2024.

De NHRPH had hierop een advies uitgebracht, 2025-01 waarin hij

  1. stelde niet akkoord te kunnen gaan met de voorgestelde deontologische code en
  2. vroeg om onder andere de code te herzien in lijn met de mensenrechten (uitvoering van de UNCRPD-principes), participatie en vrije levenskeuze
  3. zijn bezorgdheid uit over het gebruik van generatieve artificiële intelligentie bij het behandelen van dossiers, maar ook de weinige plaats gegeven aan communicatie en overleg met de personen
  4. vroeg te mogen participeren aan een volgende denkoefening.

De administratie van de Minster Verlinden bracht een nieuw voorstel van deontologische code uit op 16 februari 2026 en vroeg het advies van de NHRPH voor 15 april 2026.

Algemeen aanpak en bepaalde artikels

De NHRPH benadrukt het herschrijfwerk van versie 2 en constateert dat sommige punten van zorg uit advies 2025-01 zijn overgenomen en andere niet, zoals het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de opmaak van de code.

Het advies 2025-01 vroeg om onderstaande zaken te implementeren maar dit is niet gebeurd: 

  • Het nieuwe voorstel van code maakt nog steeds geen onderscheid tussen de verschillende beschermingsniveaus, nl. bijstand versus vertegenwoordiging.
  • De code verwijst nergens expliciet naar het VN-verdrag of General Comment nr. 1, en ook de verplichting om een persoonlijk levensplan op te stellen ontbreekt, ondanks de expliciete vraag van de NHRPH.
    Integendeel, in het rapport aan de koning wordt vanaf het begin duidelijk gesteld dat:
    Pagina 2: De Code schrijft niet voor welke instrumenten of methoden moeten worden gebruikt voor het beheer van administratieve dossiers (bijvoorbeeld het gebruik van technologieën zoals kunstmatige intelligentie of het systematisch raadplegen van familieleden; het opstellen van een plan om de rechten na te leven die worden gegarandeerd door het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap), waardoor deze keuze wordt overgelaten aan de bewindvoerder onder toezicht van de vrederechter.
    • Voor de NHRPH laat deze formulering veel vrijheid aan de bewindvoerder in een werkomgeving waarin men heel goed weet dat de vrederechter noch de tijd, noch de middelen heeft om dit toezicht uit te oefenen.
    • Het opstellen van een plan is niet louter een instrument, maar ook een basis, een garantie, een essentiële stap naar een noodzakelijke, duurzame en loyale interpersoonlijke relatie waarin de verwachtingen van de persoon onder bescherming op passende wijze moeten worden beantwoord. De effectieve opvolging van het plan zou ook een indicator zijn voor de vrederechter.

Pagina 3: deze (de taak van de bewindvoerder) impliceert een menselijke en participatieve aanpak: telkens wanneer de persoon in staat is om zijn wensen en voorkeuren kenbaar te maken, moet hij kunnen worden geraadpleegd en betrokken bij de beslissingen die hem aangaan.
Deze deontologische eis past in een bredere context van universele waarden. De ethische normen die alle professionele bewindvoerders gemeen hebben, zijn gebaseerd op de beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. 

    • De NHRPH is verheugd over deze bevestiging, maar kan geen genoegen nemen met goede bedoelingen alleen en vraagt dat deze worden omgezet in concrete acties, met name:
      • Respect voor de levenskeuze van de persoon, parallel met het respect voor zijn vermogensbelangen;
      • Opstellen van een plan om de rechten en verzoeken te respecteren;
      • Regelmatige uitwisselingen, via alle mogelijke communicatiemiddelen. 
  • Art. 13 vermeldt dat de bewindvoerder rekening moet houden met levenskeuzes en voorkeuren, maar art. 12 blijft spreken over “belang en welzijn”. De door de NHRPH gevraagde omkering van prioriteit ontbreekt.
  • Art. 13 en 14 vermelden de vertrouwenspersoon, maar niet het familiaal netwerk, zoals nochtans gevraagd.
  • De NHRPH vroeg om de formulering “in de mate van het mogelijke” te schrappen, maar die komt zowel voor in de wet (pagina 7) als in het verslag aan de Koning.
  • Art. 17 voorziet wel opleiding voor medewerkers maar niet inhoudelijk over handicap, UNCRPD-mensenrechtenaanpak of toegankelijke communicatie. De NHRPH betreurt dat de opleiding enkel voor de medewerkers is voorzien. In de deontologische code moet ook worden opgenomen dat de bewindvoerders een opleiding moeten krijgen over het VN-Verdrag en zijn principes. (De wet van 2023 voorziet trouwens al een opleiding voor de bewindvoerders.)
  • De code voorziet nog steeds niet in een Bij een vertrouwensbreuk of onrechtmatige feiten gesteld door de bewindvoerder is er nog steeds niets voorzien om de persoon onder bewindvoering de mogelijkheid te bieden om de werking eenzijdig te stoppen.

Onderstaande vereisten werden gedeeltelijk vervuld:

  • Het Koninklijk Besluit is nu duidelijk: het is niet van toepassing op familiale bewindvoerders, noch op buitengerechtelijke mandatarissen.
  • Art. 7 verplicht verzekeringsovereenkomsten die de beroepsaansprakelijkheid en fraude dekken. 
    • De NHRPH vraag zich toch af of de regels van de deontologische code wel voldoende helder en precies zijn om de verzekeringen te laten tussenbeide komen bij niet-naleving. Bij onduidelijkheid bestaat het risico dat de verzekeringen nooit tussenbeide zullen komen.
  • Er wordt ook gepreciseerd dat bewindvoerders die de deontologische code niet naleven, geen toegang zullen krijgen tot het centraal register van bescherming van de personen (uiterlijk op 1 juli 2028 – art. 21).
    • De NHRPH wenst meer informatie over de manier waarop de nalevingsprocedure en de controle op de naleving van de nieuwe regels door de bewindvoerders zullen worden gewaarborgd.
  • Sommige bepalingen zijn nu concreter geworden (bv. verzekeringsplicht, communicatieplicht) maar veel formuleringen blijven algemeen (“zoveel mogelijk”, “rekening houden met”).
    • De NHRPH vraagt om de tekst nog meer te verduidelijken.

  • Art. 15 verplicht beschikbaarheid en contact met de beschermde persoon en de vertrouwenspersoon, maar zonder concrete frequentie of verplichtingen.
  • Bepaling van de rol voor vertrouwenspersoon en familiaal netwerk.
  • Art. 5 voorziet disciplinaire vervolging voor wat volgt: “Elke schending van de beginselen en verplichtingen die in deze code worden vermeld, vormt een deontologische tekortkoming en kan aanleiding geven tot tuchtrechtelijke vervolging. […] Herhaling van fouten of de volharding in nalatige praktijken kan daarentegen wijzen op een gebrek aan bekwaamheid of een minachting voor de beroepsvereisten” (Rapport aan de Koning, page 9). 
    • Over welke disciplinaire vervolging gaat het? De deontologische code moet expliciet verwijzen naar artikel 555/27 van het Gerechtelijk Wetboek die voorziet in een ‘schorsing’ of ‘schrapping uit het nationaal register’ van de professionele bewindvoerder (zie rapport aan de Koning, pagina 9).
    • Het niet respecteren van het UNCRPD inzake de levenskeuze van de persoon (op regelmatige basis of specifiek) moet bestraft worden. 
  • Art. 12 verwijst naar de verbetering van levenskwaliteit, maar behoud van vermogen blijft een belangrijke en onaanvaardbare beperking (art. 13) tegenover het UNCRPD: “De bewindvoerder houdt rekening met de levenskeuzes en voorkeuren van de beschermde persoon (...) Hij zorgt ervoor dat inkomsten worden toegewezen aan de uitvoering van de geuite keuzes en voorkeuren, voor zover deze toewijzing het behoud van het vermogen niet in gevaar brengt en, in voorkomend geval, de door de vrederechter vastgestelde grenzen in acht neemt.”
    • De NHRPH vraagt de volgende formulering: De bewindvoerder zorgt ervoor dat inkomsten worden toegewezen aan de uitvoering van de geuite keuzes en voorkeuren, voor zover die aanwending het behoud van het vermogen niet in het gedrang brengt 
  • Art. 13: Hij eerbiedigt de wens van de beschermde persoon om de banden te behouden met een familielid, een naaste of een derde persoon behalve als dat kennelijk nadelig of bij rechterlijke beslissing verboden is
    • Zo krijgt de bewindvoerder enorm veel macht!! De bewindvoerder moet zijn beslissing steeds concreet motiveren. 

Andere vereisten werden wel opgenomen in de nieuwe deontologische code:

  • Art. 11 bevat een uitgebreide antidiscriminatiebepaling.
  • Art. 14 verplicht uitleg over kosten en erelonen vanaf het aanvangen van het mandaat. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit nog geen forfaitaire vergoeding betreft zoals de NHRPH blijft vragen.

4. ADVIES

De nieuwe code neemt enkele praktische aanbevelingen van de NHRPH over, maar er moet nog aan de kern van het negatieve advies 2025-01 gewerkt worden.

Er blijven belangrijke tekortkomingen bestaan:

  • Geen onderscheid tussen de verschillende beschermingsregimes, nl. bijstand versus vertegenwoordiging. In verschillende artikels, met name artikelen 13-15 rond autonomie, informatieplicht en communicatie, ontbreekt een onderscheid naar de verwachtingen voor de bewindvoerder naargelang het om een bijstands- of vertegenwoordigingsregime gaat.
  • Geen verplichting voor de professionele bewindvoerder om de richtlijnen van het UNCRPD en de concrete aanbevelingen van algemene opmerking nr. 1 toe te passen;
  • Geen verplichting om een plan op te stellen om de rechten en wensen van de persoon te waarborgen;
  • De zorg om de continuïteit van het vermogen van de persoon te waarborgen, weegt zwaarder dan de zorg om zijn levenskeuze te respecteren;
  • Geen klachtenprocedure of ontslagprocedure (voor een bewindvoerder? > ontslag?)
  • Een volslagen ontoereikende verplichting tot opleiding rond UNCRPD.

De NHRPH vraagt minimaal het volgende:

  • Er dient geëxpliciteerd te worden dat er bijkomende verwachtingen zijn in het kader van een bijstandsregime, waarbij het initiatief bij de persoon ligt en de bewindvoerder een secundaire rol krijgt, met name de vervolmaking van de rechtsgeldigheid van een handeling gesteld door de beschermde persoon zelf (art. 494, e)).
  • Het bijstandsregime moet voorrang hebben op het vertegenwoordigingsregime, dat slechts kan worden bevolen ingeval de bijstand bij het verrichten van die handeling niet volstaat (art. 492/2). Conform artikel 12 van het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap en General Comment 1 van het VN-Comité dienen de (best mogelijke interpretatie van de) wil en voorkeuren van de persoon de leidende beginselen te zijn bij een ondersteunend regime.
  • Een aanpassing van de artikelen 1 en 5: De gedragscode moet uitdrukkelijk het beginsel van naleving van het UNCRPD in al zijn dimensies op het gebied van de mensenrechten bevatten. Het UNCRPD maakt sinds 2019 deel uit van ons juridisch arsenaal; de Grondwet van 2021 verplicht de wetgever en de Koning om de beginselen van zelfbeschikking en volledige inclusie van personen met een handicap volledig inhoud te geven. Geen enkel beschermingsstatuut kan een beperking van de rechten van personen met een handicap rechtvaardigen: het genot van rechten mag nooit worden beperkt, behalve in geval van een verbod door de vrederechter; de uitoefening van rechten moet indien nodig altijd worden begeleid.
  • Een aanpassing van artikel 10: De bewindvoerder respecteert de filosofie en de concrete reikwijdte van het UNCRPD in alle handelingen, of het nu gaat om het kader voor bijstand of vertegenwoordiging van een persoon met een handicap.
  • Een aanpassing van de artikelen 12 en 13: prioriteit voor de wil en voorkeur van de persoon onder bescherming; persoonlijk levensplan en autonomiegerichte begeleiding. Het KB moet worden aangepast om de verzoeken van de personen zelf te integreren: onder bescherming staan mag niet langer synoniem zijn met het afzien van zijn aspiraties, dromen of verzoeken. Het KB moet bepalen dat de verzoeken van personen met een handicap moeten worden gerespecteerd, zo niet is er sprake van discriminatie op grond van handicap. Ter herinnering: het UNCRPD bepaalt: het gaat immers veel meer om het respecteren van de keuze van de persoon, zijn waarden, zijn aspiraties, zijn al dan niet uitgesproken verzoeken.
  • Het schrappen van vage termen of termen die ruimte laten voor interpretatie, waardoor de reikwijdte van de verzoeken van personen met een handicap wordt afgezwakt (zie gedeelte analyse) .
  • Concrete verplichtingen rond participatie en communicatie (zie gedeelte analyse).
  • Opleiding rond handicaprechten en rond toegankelijke communicatie voor de professionele bewindvoerders en hun medewerkers. De deontologische code moet ook bepalen dat de bewindvoerders opgeleid moeten zijn over het VN-Verdrag et zijn principes. (Overigens voorziet de wet van 2023al een opleiding voor de bewindvoerders.)
  • Een grotere rol voor de familie en de vertrouwenspersoon.
  • Een duidelijk sanctiemechanisme en klachtenprocedure.
  • De concrete vraag voor de ombudsdienst van de verzekeringen: zijn de regels van de deontologische code voldoende duidelijk en nauwkeurig om bij niet-naleving een beroep te kunnen doen op de verzekeraar?
  • Op te nemen in het KB: een evaluatie van het koninklijk besluit zelf binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/03: Studie 'Definitie en beoordeling van de handicap inzake inkomensvervangende tegemoetkoming'

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de studie “Definitie en beoordeling van de handicap inzake inkomensvervangende tegemoetkoming” ( Prof. Daniel DUMONT, Prof. Philippe MAIRIAUX en Dr. Jean-Pierre SCHENKELAARS - september 2024), bekrachtigd door de elektronische raadpleging tussen 12 en 18 december 2025, na bespreking in de plenaire vergadering van 19 mei 2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directeur-generaal van DG Personen met een handicap (DG HAN)
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Prof. Daniel Dumont, Prof. Philippe Mairiaux en Dr. Jean-Pierre Schenkelaars
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter in formatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan Unia

2. ONDERWERP

De studie "Definitie en beoordeling van de handicap inzake inkomensvervangende tegemoetkoming" (Prof. Daniel DUMONT, Prof. Philippe MAIRIAUX en Dr. Jean-Pierre SCHENKELAARS) moest het mogelijk maken

  • de factoren te identificeren die ten grondslag liggen aan de uiteenlopende beslissingen over de beoordeling van het verlies van verdienvermogen;
  • een kader te bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen, en
  • wenselijke juridische hervormingen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) aan te bevelen overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).

3. ANALYSE

Het Centre de droit public et social van de ULB, onder leiding van dr. Dumont, dr. Schenkelaars en dr. Mairiaux, heeft in opdracht van de DG HAN een studie over het verlies van verdienvermogen in het kader van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) uitgevoerd. De studie is het resultaat van onderzoek van rechtsleer en rechtspraak, maar ook van getuigenissen van talrijke actoren. De NHRPH werd meermaals gehoord.

De professoren werden verzocht om

  • de factoren te identificeren die ten grondslag liggen aan de uiteenlopende beslissingen over de beoordeling van het verlies van verdienvermogen;
  • een kader te bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen, en
  • wenselijke juridische hervormingen voor de toekenning van de IVT aan te bevelen overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).

De eerste twee doelstellingen werden behandeld in de eerste fase van de studie van de bestaande wetgeving en praktijken. De studie liep van juni tot november 2022 en het rapport werd afgerond in juni 2023.

Vaststellingen van de studie op het vlak van wetgeving

  • Bij de beoordeling van de IVT wordt geen rekening gehouden met het UNCRPD. Bovendien is de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (de wet van 1987) op conceptueel vlak nauwelijks gewijzigd sinds deze werd aangenomen.
  • De wet van 1987 is nog (deels) gebaseerd op het medische handicapmodel, dat focust op de beperkingen van de persoon, in plaats van op het sociale UNCRPD-model, dat de nadruk legt op de interacties tussen personen met een handicap en hun omgeving.
  • De wet van 1987 biedt geen kader voor het centrale begrip 'verlies van verdienvermogen'.

Vaststellingen van de studie op praktijkvlak

  • De evaluatie op stukken of op basis van een onderzoek van de persoon door een arts geeft blijk van willekeur.
  • De beoordelingen van het verlies van verdienvermogen variëren sterk onder artsen en zijn niet coherent.
  • De evaluatoren hebben geen toegang tot bepaalde nuttige informatie.
  • De IVT wordt regelmatig toegekend voor een bepaalde duur, in situaties die niet zijn toegestaan bij de wet van 1987.

Hervormingsaanbevelingen van de professoren

In wezen is een mindshift in de evaluatie nodig:

  • Overeenkomstig artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moet het systeem in het algemeen afstappen van het idee van compensatie voor een handicap en inzetten op inclusie van personen met een handicap in de samenleving en op de arbeidsmarkt.
  • Er moet veel meer aandacht worden besteed aan wat de PMH wel kunnen en welke belemmeringen ze ondervinden.

De onderzoekers bevelen meer bepaald tien hervormingen aan:

  1. Betere toegang tot de informatie en kwaliteit van het dossier

De evaluatoren zouden betere toegang tot kwaliteitsvolle gegevens moeten hebben via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ). De dossiers van de aanvragers zouden aan kwaliteit moeten winnen door vollediger en meer digitaal beschikbaar te zijn, zodat ze later met behulp van artificiële intelligentie kunnen worden geanalyseerd. Er zou informatie beschikbaar moeten zijn over

    • de persoon zelf (kindertijd, gezinssituatie, schoolloopbaan, beroepsvaardigheden),
    • de socialezekerheidsrechten van de betrokkene,
    • een evaluatie van de eigen zelfredzaamheid door de persoon zelf,
    • een medisch dossier dat gericht is op de functionele capaciteiten van de aanvrager, zodat deze uiteindelijk een overzicht kan krijgen van de bijbehorende beroepsmogelijkheden en, indien nodig, een opleidings- en inschakelingsplan.
  1. Evaluatie: te gebruiken roosters, multidisciplinariteit en collegialiteit
    • Er zou een referentiekader moeten komen om de evaluatoren te helpen beslissen of een dossier op stukken of op basis van een persoonlijk onderzoek kan worden geëvalueerd.
    • De evaluatie moet worden uitgevoerd door multidisciplinaire teams, met gedeelde verantwoordelijkheid.
    • De evaluaties gebeuren met een geschikt instrument. Voor de professoren zijn dit gestandaardiseerde, internationaal erkende roosters die graduele evaluaties mogelijk maken. 
  1. Kwaliteitsnormen

De evaluatie zou aan kwaliteitsnormen moeten worden onderworpen. Er is een kwaliteitsaudit nodig en de beslissingen van de DG HAN moeten beter worden gerechtvaardigd. Een dergelijke motivering is zelfs verplicht krachtens de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘handvest’ van de sociaal verzekerde. 

  1. Combineerbaarheid van de tegemoetkoming met een inkomen uit arbeid

Het huidige schijvensysteem moet worden herzien omdat het tot een werkloosheidsval leidt. De bestaande cumulatiemaatregel voor wie minstens twee jaar geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, volstaat niet.             

  1. Jonge aanvragers

Jonge aanvragers (18 - 25 jaar) hebben een aangepast stelsel nodig.

    • Soms is het niet duidelijk of zij een reëel verdienvermogen hebben. In dit geval zou een overbruggingsuitkering mogelijk moeten zijn met een eventueel integratietraject.
    • Soms is het duidelijk dat zij slechts een gedeeltelijk verdienvermogen hebben. Zij zouden dan recht moeten hebben op een gedeeltelijke IVT, naast een gedeeltelijk inkomen uit arbeid.
    • Soms is er geen verdienvermogen. In dat geval moet de aanvrager een volledige IVT kunnen genieten.
    • Bovendien kan naast de IVT een premie worden ingevoerd om de opleidingsinspanningen van jongeren te ondersteunen. Sommige arbeidsbemiddelingsdiensten kennen dergelijke premies reeds toe. Overleg tussen de federale regering en de deelgebieden is noodzakelijk. 
  1. Evolutieve aandoeningen

Bij evolutieve aandoeningen zou een IVT van bepaalde duur mogelijk moeten zijn. 

  1. Zeer complexe aandoeningen

Bepaalde aandoeningen zorgen voor terugkerende evaluatieproblemen (autismespectrumstoornissen (ASS), chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), fibromyalgie, Ehlers-Danlos, ...). Voor deze aandoeningen worden schijnbaar tegenstrijdige beslissingen genomen. Er moet een referentiekader worden opgesteld.

  1. Maatschappelijke erkenning van de handicap

De maatschappelijke erkenning van de handicap loskoppelen van de financiële compensatie, maar toegang tot afgeleide rechten mogelijk maken. 

  1. Arbeidsrechtbanken en bemiddeling

Een bemiddelingsinstantie oprichten of het interne herzieningsmechanisme herbekijken door het juridisch te omkaderen en transparanter te maken.

  1. Administratief beheer van het systeem in de toekomst

Misschien moet het RIZIV, dat bevoegd is voor arbeidsongeschikte personen, ook de wetgeving voor personen met een handicap beheren? De grens tussen ongeschiktheid en handicap is soms vaag. In beide gevallen betreft het vaak personen met een handicap in de zin van artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Deze bevoegdheidsoverdracht zou ook een gelegenheid kunnen zijn om artikel 100 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen  te herzien om de vereiste ‘vooraf bestaande toestand’ te schrappen.


4. ADVIES

De NHRPH benadrukt het nut van deze studie in de context van een wet die volledig achterhaald is in vergelijking met de VN-beginselen van autonomie en inclusie.
De NHRPH onderschrijft ook volledig de vaststellingen in verband met de willekeur en incoherenties van de huidige medische beoordeling van de IVT.
De NHRPH neemt de aanbevelingen in acht. Hij deelt ze niet noodzakelijk allemaal, maar het strikte denkkader van de studie rechtvaardigt dat de NHRPH een reeks overwegingen over elke aanbeveling formuleert.

Globaal benadrukt de NHRPH het volgende:

  • De IVT ligt nog steeds onder de armoedegrens. Om een waardig leven te kunnen leiden, waarbij ook rekening wordt gehouden met de behoefte aan zorg en begeleiding, zijn ook voldoende bestaansmiddelen Volgens de NHRPH is dit minimaal het gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen. De kwestie van een correcte ‘medische’ beoordeling vormt dus slechts een deel van de bezorgdheid rond de IVT.
  • De studie richt zich op de analyse van de IVT in relatie tot arbeidsgeschiktheid en gaat uiteindelijk nauwelijks in op de situatie van al wie niet werkt en nooit zal kunnen werken. Deze groep verdiende ook een grondige analyse, die omgekeerd ook een goede analyse van arbeidsgeschikte personen mogelijk had gemaakt. Bij het onderzoeken van de arbeidsgeschiktheid moet immers worden bepaald in welke mate iemand geen volledig beroepsinkomen kan verwerven door beperkingen, al dan niet als gevolg van een onaangepaste omgeving.
  • In het algemeen betreft het zeer ambitieuze hervormingsvoorstellen, waarbij de rol van de DG HAN vaak ook aanzienlijk wordt uitgebreid. Deze uitbreiding vergt eerst nader onderzoek en overleg:
    • Wat wordt in de toekomst van de DG HAN verwacht?
    • Beschikt de DG HAN over voldoende middelen voor deze hervormingen?
    • Hoe kunnen eventuele nieuwe taken worden geïntegreerd in het kader van de huidige bevoegdheden? Veel domeinen behoren tot de bevoegdheid van de regio’s.
    • Moet het volledige kader van de sociale zekerheid en uitkeringen worden herzien in het kader van toeleiding naar werk?
  • Het zou interessant zijn geweest dat de studie had benadrukt hoe belangrijk het is rekening te houden met de situatie op het ogenblik dat iemand een aanvraag indient, en niet enkele maanden later, wanneer het multidisciplinaire team het dossier onderzoekt. Het tijdsaspect van het dossier is essentieel en zou moeten worden meegenomen tijdens het volledige dossierbeheer: economische, familiale, medische of andere wijzigingen zouden veel sneller in het dossier moeten worden opgenomen, en het uitkeringssysteem zou op zijn minst onmiddellijk weer in werking moeten worden gesteld wanneer iemands bestaansmiddelen verminderen (wie bijvoorbeeld stopt met werken, zou onmiddellijk moeten kunnen terugvallen op de IVT).
  • Op verschillende plaatsen gebruiken de onderzoekers het begrip ‘resterende capaciteiten’ van de persoon wanneer ze het hebben over verdienvermogen. Deze benadering ondersteunt de NHRPH niet in de context van de wet van 1987, die uitsluitend beoogt het verlies van verdienvermogen te compenseren en de erkende persoon financieel te ondersteunen. De denkoefening is daardoor helemaal anders dan de denkoefening in het kader van de tewerkstelling van personen, waarbij uiteraard de resterende capaciteiten aan de orde worden gesteld.

Door aan te bevelen het idee van compensatie van de handicap los te laten en zich uitsluitend te concentreren op de resterende arbeidsgeschiktheid in de context van inclusie, ontstaat de perceptie dat mensen kunnen werken, ook al is het maatwerk. In deze context wordt volledig voorbijgegaan aan de gevolgen van de handicap, de beperkingen van de arbeidsmarkt, de ontoegankelijkheid van de omgeving, de vooroordelen van werkgevers, … en de concrete gevolgen voor de persoon (minder werkuren, laag loon, weinig reële kansen op werk, ...).

De NHRPH vindt dat de huidige definitie, die naar de gewone arbeidsmarkt verwijst als indicator, behouden moet blijven.

Het begrip ‘resterende capaciteiten’ schept verwarring tussen de evaluatie van iemands sociale positie om die persoon maximaal kansen op werk te bieden (sociaal inclusieve benadering, de nodige ondersteuning inschatten, …) en een evaluatie die erop gericht is de gevolgen van de handicap op de arbeidsmarkt te compenseren.

Zelfs nu nog wordt iemand die voor 50 % arbeidsgeschikt is, doorgaans niet erkend als iemand met een arbeidsongeschiktheid van twee derde in vergelijking met een persoon zonder handicap. Deze persoon verdient dus maximaal de helft van een normaal inkomen. Het inkomen ligt vaak dicht bij het IVT-bedrag, en is soms zelfs lager. Deze verloning grenst aan het onfatsoenlijke, en bovendien heeft de betrokkene geen toegang tot de afgeleide rechten (sociale tarieven).

  • De NHRPH vindt dat de resterende capaciteit anders zou moeten worden benaderd:
    • met het recht op een volledige beoordeling van de arbeidsgeschiktheid (werk- en (re)integratiemogelijkheden, evaluatie door een arbeidsdeskundige, loonwaarde, arbeidsgeschiktheid),
    • met de afgifte van een erkenning (‘attest’) van een beroepshandicap, waarmee iemand
      • toegang kan krijgen tot de arbeidsmarkt en aanspraak kan maken op redelijke aanpassingen,
      • ook aanspraak kan maken op uitzonderingen op de arbeidswetgeving (bescherming tegen uitsluiting/de arbeidsmarkt toegankelijker maken),
      • en vlotter toegang kan krijgen tot de IVT en compensaties wanneer de arbeidsgeschiktheid schommelt wegens handicapgerelateerde gezondheidsproblemen.

Dit veronderstelt een uitgebreid team met veel expertise op dit gebied. Verder onderzoek moet bepalen waar een dergelijk team thuishoort en hoe lang een dergelijk attest geldig kan zijn.
Deze aanpak zou uitmonden in een soort certificering en een sterkere positie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt. Ze zouden een beter inzicht krijgen in hun eigen arbeidsmogelijkheden, dit met een attest aan derden kunnen aantonen, en aangepaste maatregelen kunnen genieten: het zou een soort garantie zijn in de strijd tegen uitsluiting op de arbeidsmarkt.

Het gaat ook erom alle belemmeringen in verband met het arbeidsrecht en de overeenkomst te identificeren. Zo is het recht op een gewaarborgd loon een mooi beginsel in het kader van sociale zekerheid, maar voor personen met een handicap vormt het in werkelijkheid een grote belemmering voor tewerkstelling, omdat de werkgever dit als een groter risico voor zichzelf beschouwt. Een erkenning zou het mogelijk maken een aangepast stelsel in te voeren, zoals bijvoorbeeld het geval is voor werknemers die toegelaten arbeid in het RIZIV-stelsel hervatten. Het is evenwel niet de bedoeling de basisregels van de arbeidsovereenkomst te omzeilen en ‘tweederangs’ werkkaders te aanvaarden (zie advies 2018-07).

De overheid moet reageren op de almaar toenemende uitsluiting van personen met een handicap op de arbeidsmarkt (zie Unia-rapport van 3 december 2025), te beginnen bij de jongste personen met een handicap die nog een lange loopbaan voor zich hebben.

  • In de praktijk zijn de ‘resterende capaciteiten’ bovendien slechts een deel van de uitdaging. Uiteraard is er ook de benadering van de werkgevers, die vaak onvoldoende gesensibiliseerd en geresponsabiliseerd worden voor de tewerkstelling van personen met een handicap. Bovendien zijn er nog veel vooroordelen. Daarnaast is er nog de dimensie van effectieve toegang tot werk: toegankelijkheid van gebouwen, vervoer, opleidingen, digitalisering, toegang tot informatie, … In deze ruimere context van gedeelde verantwoordelijkheid heeft de beoordeling van het verdienvermogen van personen met een handicap niet langer uitsluitend betrekking op de persoon zelf, op basis van zijn of haar schoolloopbaan en beroepservaring, maar ook op de moeilijkheden voor personen met een handicap op gebieden waarop ze geen invloed hebben. Dit aspect had moeten worden opgenomen in doelstelling 2 ‘een kader bieden om het begrip ‘verlies van verdienvermogen’ te beoordelen’.
  • Er werd te weinig aandacht besteed aan de inspanningen van personen met een handicap om deel te nemen aan het leven in de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het dagelijks leven van personen met een handicap of chronisch zieken (en hun omgeving) wordt gekenmerkt door de behoefte aan zorg, vermoeidheid, begeleiding, ..., wat uiteraard ook een impact op het werk heeft. Met dit aspect werd weinig rekening gehouden in de studie.

De NHRPH wil een aantal aanbevelingen toelichten en erop wijzen dat de standpunten van de leden van de NHRPH soms verdeeld en voorzichtig zijn, omdat de aanbevelingen automatisch contextgebonden zijn. Met andere woorden: de uitvoering van een aanbeveling kan positief zijn, maar ook negatief, afhankelijk van de context.

1. Kwaliteit van het dossier en betere toegang tot informatie

a) Hervorming 1: beslissingen over tegemoetkomingen voor personen met een handicap baseren op betrouwbare en rigoureuze informatie, in het bijzonder door gebruik te maken van het netwerk van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid

De NHRPH is verdeeld over deze aanbeveling.
In het kader van het administratieve beheer van een dossier is het idee interessant omdat het toelaat herhaalde verzoeken om informatie en onverschuldigde betalingen te beperken, en aanvragen sneller te behandelen door gebruik te maken van gegevens die elders al bestaan en als zodanig bruikbaar zijn.
Voor een medisch-sociale evaluatie moet het kader voor het delen van informatie evenwel zeer duidelijk zijn: welke informatie wordt gebruikt? Hoe wordt de informatie gebruikt? Wat is de draagwijdte ervan? Wordt de informatie gebruikt in het kader van een binaire benadering (ja/nee)? Is een menselijke beoordeling nodig? … In België bestaan verschillende handicapregelgevingen en elke regelgeving behandelt een of meer specifieke behoeften die beantwoorden aan precieze, niet overeenstemmende erkenningscriteria. Het is met andere woorden niet noodzakelijk correct te veronderstellen dat het multidisciplinaire team van de DG Personen met een handicap een erkenning door de VDAB als zodanig kan gebruiken om iemands verlies van verdienvermogen te beoordelen. De logica van gelijkstelling van erkenningen blindelings volgen zou zelfs tot ernstige fouten leiden: iemand van wie de arbeidsgeschiktheid wordt erkend door de VDAB, kan tegelijkertijd in aanmerking komen voor de medische erkenning van een IVT. De aard, inhoud en relevantie van de gegevens die zullen worden uitgewisseld, zijn dus cruciaal.
In het algemeen vindt de NHRPH dat gegevens die de toegang tot iemands rechten in gevaar brengen, nooit zou mogen worden gebruikt.
Ook moet de gegevensuitwisseling worden bekeken vanuit het oogpunt van privacybescherming. Er mag nooit worden verondersteld dat de betrokkene akkoord gaat met het gebruik van de gegevens die in een ander kader dan dat van de tegemoetkomingsaanvraag werden verzameld.
Ook mogen de ongewilde gevolgen van het uitwisselen en gebruiken van ‘uit de context gehaalde’, onvolledige en soms foutieve gegevens niet worden onderschat. Sterker nog, deze gegevens blijven onbekend voor de betrokkene totdat hij of zij via een beslissing verneemt welk statuut of welke kenmerken werden toegekend. Dit fenomeen wordt bovendien versterkt door de procedures voor evaluatie op stukken, wat nog meer het geval zal zijn wanneer artificiële intelligentie wordt gebruikt in de evaluatieprocessen. Wat ook gebeurt: wanneer de gevraagde bewijsstukken niet worden voorgelegd, leiden administraties daar vaak uit af dat iemand niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van het recht, wat uiteraard ook helemaal niet correct is!
De betrokkene moet dus altijd perfect en volledig op de hoogte worden gebracht van de gegevens die over hem of haar worden gedeeld en van de precieze inhoud ervan. Zolang dit niet het geval is, mogen gegevens niet worden gedeeld.

b) Hervorming 2: een nieuw gedigitaliseerd globaal dossier met alle gegevens over de schoolloopbaan en opleidingen, de sociaaleconomische situatie, het medisch dossier dat gericht is op capaciteiten, …

De NHRPH benadrukt dat het belangrijk is deze informatie te centraliseren, maar heeft tegelijk vragen over de aard van de gegevens die zullen worden verzameld en gebruikt. Net zoals bij hervormingsvoorstel 1.a) zou het gebruik van informatie dat leidt tot mathematische en ‘kille’ conclusies zonder nadenken en interpreteren een ramp zijn. Hier raken we aan het kader voor het gebruik en de vele uitdagingen van het globaal dossier:

    • Ontwerp van het dossier: Wie zal het dossier beheren? Wie zal het kunnen raadplegen? Zal de betrokkene toegang hebben en kunnen vragen het aan te passen? Hoe zal de GDPR worden toegepast? Hoe zal het gegevensgebruik op het gebied van onderzoek, beleidsplanning, ... in de huidige context van digitalisering worden afgebakend?
    • Juistheid van de informatie: Soms bevat het dossier tegenstrijdige medische verslagen, of onvolledige of foutieve diagnoses. De betrokkene kan nooit verkrijgen dat deze verslagen worden verwijderd, wat kan leiden tot verkeerde beslissingen.
    • Nut van de gegevens: In het kader van een globaal dossier moet men zich altijd afvragen waarvoor al deze gegevens zullen dienen en hoe ze zullen worden gebruikt. Wat is het belang van de taalvaardigheden? Van de opleidingsprogramma's? Van de studies? Van de situatie in de kindertijd, het gezinsverband? Zal dit de evaluatoren niet ertoe aanzetten het recht op de IVT te weigeren? Het zou simplistisch en onrechtvaardig zijn indien tegelijk ook geen rekening wordt gehouden met het algemene kader van de werkomgeving (toegang tot vervoer, tot informatie, situatie van de werkgevers, …).
    • Actuele gegevens: Volgens veel artsen van de DG Personen met een handicap kunnen personen die in een periode van hun leven hebben gewerkt of gestudeerd en een IVT-aanvraag indienen, vaak geen aanspraak maken op een IVT. Dit is een echt probleem: het is niet omdat iemand in het verleden heeft gewerkt, dat die persoon dit vandaag nog kan. Al te vaak worden arbeidsonderbrekingen niet correct gedocumenteerd. Ook het feit dat iemand een bepaald diploma heeft, betekent niet dat die persoon om het even welk werk kan doen. De betrokkene zou kunnen eisen dat deze gegevens niet in aanmerking worden genomen en uit het dossier worden verwijderd: er moet rekening worden gehouden met de werkelijke en actuele situatie op het ogenblik van de aanvraag!
    • Draagwijdte van de verzamelde gegevens: Gegevens in het kader van een IVT-aanvraag en gegevens in het kader van een opleiding of toeleiding naar werk zijn niet gelijk te stellen. Iemand kan een IVT aanvragen en zich tegelijk willen inschrijven in een opleidings- en tewerkstellingstraject. Hieruit mag geen conclusie worden getrokken over het reële verlies van verdienvermogen. Evenmin mag een erkenning van gedeeltelijke zelfredzaamheid worden beschouwd als iets dat een deel van het werk voor de beoordeling van de IVT zou kunnen vervangen. De erkenning mag dus nooit als basis voor de beoordeling worden gebruikt.
      Dat iemand medisch gezien arbeidsgeschikt is, betekent niet dat die persoon echt kan werken (enorme inspanning ten koste van de gezondheid, voorbereidingstijd, omstandigheden en duur van de verplaatsing, concrete werksituatie, discriminatie op de werkplek, sociale uitsluiting, …).
      Volgende getuigenis vat het goed samen: “Hoeveel tijd heb ik niet nodig voor mijn persoonlijke hygiëne, om me aan te kleden, huishoudelijke taken uit te voeren, me te verplaatsen? Ik kan alles grotendeels zelfstandig doen in een aangepaste omgeving. Maar soms ben ik al een halve werkdag kwijt voordat ik aan mijn bureau kan gaan zitten, enkel en alleen door mijn handicap.”
      Er zijn ook stereotypen: de ene situatie is de andere niet, en er kunnen nooit automatische conclusies worden getrokken.
    • Wil om de erkenning van de arbeidsongeschiktheid te harmoniseren (met inbegrip van het wettelijk stelsel van 1987): De NHRPH herinnert aan de lopende werkzaamheden rond harmonisatie binnen het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid waaraan hij nooit heeft kunnen deelnemen ondanks herhaalde verzoeken. Dit aspect is helemaal niet aan bod gekomen in de studie, hoewel een van de onderzoekers nochtans ook voorzitter is van het College dat de werkzaamheden uitvoert.
      • De NHRPH herinnert aan zijn verplichte adviserende bevoegdheid in het kader van de wet van 1987. Het UNCRPD verplicht ook de officiële organen die zich bezighouden met een domein dat van belang kan zijn voor personen met een handicap, ertoe personen met een handicap te betrekken via de organen die hen vertegenwoordigen. De NHRPH, die officieel werd opgericht in 1967, voldoet aan deze voorwaarde.
    • Gegevensbeheer en artificiële intelligentie: binnenkort wordt AI een instrument in het kader van gegevensbeheer. De NHRPH spreekt zich niet voor of tegen AI uit, maar heeft vragen over de procedures, richtlijnen, methodes en over de gebruikte technieken om de gegevens efficiënt te verzamelen, te organiseren, op te slaan en te benutten. Uiteraard moet AI ook worden begeleid: de beheerders zullen alle negatieve beslissingen moeten herzien en een negatieve AI-beslissing kunnen weigeren op basis van bijvoorbeeld een betwisting door de betrokkene.
      • De NHRPH herinnert aan zijn adviezen 2021-06, 2023-10 en 2024-05, waarin hij vroeg te worden betrokken bij de werkgroep die werd opgericht om de problematiek van het gebruik van artificiële intelligentie in de procedure voor de evaluatie van de handicap te onderzoeken. Dit verzoek is tot op heden onbeantwoord gebleven. Nochtans past het volledig in het kader van de verplichte raadpleging van de NHRPH zoals voorzien bij de wet van 27 februari 1987. 
    • In zijn beleidsverklaring (pagina 17) stelt de minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen vast dat “AI veelbelovende vooruitzichten biedt om de processen te optimaliseren en de kwaliteit van de dienstverlening en informatie aan burgers te verbeteren”. Hij is van plan te “laten onderzoeken hoe automatische gegevensuitwisselingen de administratieve last, zowel voor de burger als voor mijn administratie, kunnen verlichten”. 
      • De NHRPH vraagt bij dit project te worden betrokken vanaf het ogenblik dat wordt nagedacht over het bestek en gedurende het hele uitvoeringsproces.

De studie voorziet ook erin dat de persoon na de evaluatie het volgende zou moeten ontvangen:
Synthese van de evaluatie en inschakelingstraject
Uiteindelijk moet de sociaal verzekerde de volgende informatie krijgen:

    • een samenvatting van zijn of haar functionele capaciteiten,
    • een gedetailleerd rapport dat gericht is op de beroepsmogelijkheden die aansluiten bij zijn of haar vaardigheden en capaciteiten,
    • indien van toepassing een opleidings- en inschakelingsplan op basis van de conclusies van de evaluatie. Er moet in detail worden bekeken welke gevolgen de verdeling van de bevoegdheden inzake sociale zekerheid (federale overheid), tewerkstelling (Gewesten) en opleiding (Gemeenschappen) hierop heeft. 

Het idee is dus de aanvragers een volledig rapport te bezorgen over hun functionele capaciteiten en hun beroepsmogelijkheden. Bij volledige ongeschiktheid zou een volledige IVT worden toegekend.

Het ontvangen van het rapport en de uitleg over de beslissing met betrekking tot de gegrondheid van een IVT zou voortaan behoren tot de verplichtingen van de DG Personen met een handicap. Is dit een impliciete aanbeveling van de studie om de huidige bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de deelgebieden te herzien?

Het voorstel is dubbelzinnig, verontrustend en moet worden verduidelijkt:

    • De studie blijft vaag over de manier waarop de eindevaluatie tot stand komt.
    • De evaluatie zou beperkt blijven tot het gebruik van de verzamelde gegevens en AI. Welke rol blijft er dan nog voor het multidisciplinaire team of bepaalde artsen? Zal de menselijke beoordeling min of meer snel verdwijnen?
    • Wat als de betrokkene het rapport niet aanvaardt?
    • Hoe wordt de compensatie georganiseerd indien iemand wel kan werken, maar niet voltijds?
    • Bij deeltijdse tewerkstelling zullen er misschien meer globale middelen zijn, maar ook extra kosten volgens de graad van arbeidsgeschiktheid (verplaatsingskosten, bijkomende zorg op de werkplek, …). Hoe zal deze parameter worden meegenomen?
    • Er zijn ook de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt: er moet een kader worden geboden om te kunnen werken (zoals betaalbaar, vlot en toegankelijk vervoer van en naar het werk, hulp bij de activiteiten van het dagelijks leven tijdens het werk, indien nodig aanpassing van de werkplek, …). In welke mate zal hiermee rekening worden gehouden?

Indien de filosofie en wetgeving inzake IVT worden gewijzigd (ook in het kader van een overgang binnen het RIZIV bijvoorbeeld – parallel tussen langdurige arbeidsongeschiktheid en IVT), dan moet dit voorstel veel beter worden uitgewerkt en de NHRPH erbij worden betrokken. 

2. Collegiale evaluatie door multidisciplinaire teams

a)Hervorming 1: een referentiekader vaststellen in samenwerking met de teams van evaluatoren
b) Hervorming 2: evaluatie van de handicap door collegiale multidisciplinaire teams
c) Hervorming 3: evaluatie van de functionele beperkingen met behulp van gestandaardiseerde en internationaal erkende roosters

De DG Personen met een handicap zet zich sinds enkele jaren in voor een multidisciplinaire benadering van de handicap. In alle medische centra werden paramedische profielen aangeworven: voor het functioneren van de persoon vullen de teams thans de louter medische beoordeling van de aandoeningen aan. Dit is een zeer goede evolutie.

De toepassing van de International Classification of Functioning (ICF) laat weinig nuance toe: het is een ‘ja/nee’-logica. De interpretatiekaders zijn beperkt. De ICF moet worden beschouwd voor wat ze is: hooguit een denkkader en geen lijst met in te vullen items waarvan de conclusies op zichzelf bepalend zijn voor een erkenning of niet. Ook moet rekening worden gehouden met de subjectiviteit van de evaluator.
Bovendien houdt de ICF helemaal geen rekening met de eisen van de arbeidswereld, de aspecten die verband houden met de zwaarte van het werk, de te leveren inspanningen, de vermoeidheid en de gevolgen ervan voor het vermogen om min of meer intensief te werken. De De ICF houdt evenmin rekening met de organisatie van het leven rond werk: het zorgtraject, de begeleiding door naasten, de levenskwaliteit, …
Ook moet het stigmatiseren van personen met een handicap stoppen: het is vaak de huidige werkorganisatie die hen heeft uitgesloten. Het aanbod van thuiszorgdiensten bemoeilijkt ook de toegang tot werk (zorgroosters), om nog maar te zwijgen van het ontbreken van zorg op de werkplek (behoefte aan zorg, rust). Het openbaar vervoer is niet toegankelijk genoeg en maakt verplaatsingen vaak volledig onmogelijk.
Het idee van zelfevaluatie daarentegen gaat in de gewenste richting, omdat hiermee de aandacht wordt gevestigd op de uitdagingen die de betrokkenen in hun dagelijkse leven ervaren en die toegang tot of behoud van werk moeilijk of onmogelijk maken. In deze context is het belangrijk dat de evaluatie de zelfevaluatie van de betrokkene correct en volledig integreert en de redenen toelicht wanneer ze ervan afwijkt.

Ook hier heeft de NHRPH herhaaldelijk (adviezen 2021-06, 2023-10 en 2024-05) gevraagd betrokken te worden bij de werkzaamheden van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek werd nooit ingewilligd.

Tot slot wijst de NHRPH op de huidige realiteit van het dossierbeheer: een groot aantal dossiers wordt op stukken geëvalueerd (de NHRPH vraagt trouwens al jaren toegang tot de criteria) en heel wat IVT-dossiers bevatten uitsluitend louter medische verslagen zonder informatie over de zwaarte van het werk, de inspanningen, de vermoeidheid. De NHRPH maakt zich ook zorgen over de integratie van AI en het vermogen ervan om met deze factoren rekening te houden. De NHRPH vindt het gebruik van de ICF geen goede aanbeveling in de zoektocht naar rendabiliteit.

3. Kwaliteit van de evaluaties

a) Hervorming 1: een kwaliteitsaudit invoeren
b)
Hervorming 2: beslissingen motiveren

De NHRPH vraagt al lang gedocumenteerde en gepersonaliseerde beslissingen. Dit zou ook het aantal beroepen beperken. 

4. De ‘prijs van de arbeid’ nog verder verlagen

De professoren doen geen concreet hervormingsvoorstel. Ze wijzen evenwel op de noodzaak de mogelijkheid om de IVT te combineren met een inkomen uit arbeid verder te versoepelen om een zekerder traject naar werk te bieden (p. 58), en stellen vast wat in 2024 werd gedaan, maar slechts voor een handvol begunstigden. Het is daarom belangrijk om de drempeleffecten die het gevolg zijn van het feit dat een geleidelijke stijging van het beroepsinkomen niet gepaard gaat met een nettowinst, resoluter dan nu het geval is, te beperken. De financiële stimulans om weer aan het werk te gaan of een nieuwe baan te zoeken moet zo snel mogelijk worden gegeven.

    • De NHRPH ondersteunt deze aanpak en verdedigt de volgende ideeën:
      • IVT combineerbaar met inkomen uit arbeid;
      • geen nadelige gevolgen voor personen die hun activiteit niet kunnen voortzetten wegens hun handicap of ziekte;
      • de betrokkenen zouden altijd minstens de IVT (en de sociale compensaties) moeten ontvangen zodra ze stoppen met werken. 

5. Specifieke problemen voor jonge aanvragers (18-25 jaar)

a) Hervorming 1: verbetering van de toekenningswijze van een tegemoetkoming door het invoeren van een transitietegemoetkoming en wijzigingen van de IVT

Filosofisch gezien zou een overbruggingsuitkering ook vermijden dat jongeren onmiddellijk ‘vastzitten’ in het IVT-systeem zonder uitzicht op werk.
Jongeren tussen 18 en 25 jaar bevinden zich doorgaans in een opleidings- of leertraject, en hun verdienvermogen staat niet vast en is aan verandering onderhevig. Tegelijk zal het verdienvermogen niet plots duidelijk worden op 25-jarige leeftijd. Om die reden vindt de NHRPH dat er geen leeftijdsgrens zou mogen zijn. Integendeel, in elke levensfase zouden opleiding en leren financieel moeten worden aangemoedigd en ondersteund.
Tegelijk, en dit is echt essentieel, zou het IVT-systeem altijd een vangnet moeten bieden aan personen met een handicap, los van hun leeftijd. Studies zouden het vervullen van de basisbehoeften met andere woorden nooit in de weg mogen staan.

Het systeem zou ook werk moeten aanmoedigen, wat momenteel niet het geval is, los van de leeftijd: cf. bevestiging van de professoren dat de IVT wegvalt na zeven arbeidsdagen per maand. De IVT wordt niet opgeschort, maar geschrapt en dus niet automatisch opnieuw uitbetaald na afloop van een overeenkomst.

De NHRPH wil ook beter begrijpen wat de draagwijdte van deze overbruggingsuitkering is in het ruimere kader van de sociale bescherming. 

b) Hervorming 2: de IVT aanvullen met een premie om de opleidingsinspanningen van jongeren en hun inschakeling op de arbeidsmarkt te ondersteunen

Zal deze premie toegang geven tot de werkloosheidsuitkeringen en opleidingsvergoedingen waarop werkzoekenden in bepaalde gevallen recht hebben (wat nu vaak niet het geval is)? Is er een specifiek systeem nodig voor 18- tot 25-jarigen? Kan hun inclusie in de samenleving en op de arbeidsmarkt niet worden bereikt met gemeenschappelijke mechanismen voor alle personen met een handicap? Om deze hervorming verder uit te werken, moeten de deelgebieden snel worden betrokken.

6. Specifieke problemen voor verzekerden met een evolutieve aandoening

a) Hervorming: een wetswijziging invoeren voor de toekenningsduur van de IVT

Momenteel voorziet de wet niet in een tijdelijke erkenning, maar in de praktijk wordt de IVT reeds vaak voor een bepaalde duur erkend.
Het wettelijk verankeren van de mogelijkheid tot een tijdelijke erkenning zou de wetgever verplichten om de contouren ervan vast te leggen en de administratie om de toekenning duidelijker te motiveren dan nu het geval is.

    • De NHRPH heeft evenwel een belangrijk aandachtspunt: de wet mag in geen geval voorzien in een beslissing van bepaalde duur waarvan het einde van de toekenning wordt gerechtvaardigd door de pensioenleeftijd. Een erkenning van verlies van verdienvermogen van 2/3 stopt uiteraard niet op grond van leeftijd. De wet mag in geen geval erin voorzien dat een situatie die na 65 jaar alleen maar zal verslechteren, een einddatum krijgt wegens ‘veranderingen in het ziekteverloop’.

7. Moeilijkheden bij de evaluatie van zeer complexe aandoeningen

a) Hervorming: referentiecriteria vastleggen voor aandoeningen met terugkerende problemen

De NHRPH heeft geen standpunt over deze aanbeveling.

8. Maatschappelijke erkenning van de handicap versus toekenning van een financiële uitkering

a) Hervorming: een formele (maatschappelijke) erkenning, los van de IVT, toekennen aan alle verzekerden die ondanks hun beperkingen erin zijn geslaagd een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven

De aanbeveling stelt voor de sociaal-fiscale compensaties (blz. 150 e.v.) los te koppelen van de IVT alleen (blz. 64 van de studie) en zodoende de aanvragen voor erkenning die niet gemotiveerd zijn door de wens of aannemelijkheid om een tegemoetkoming te krijgen (wet van 27 februari 1987). Dit voorstel lijkt ingegeven te zijn door de wens van personen met een handicap om een IVT-erkenning voor werknemers te verkrijgen, zodat zij gebruik kunnen maken van de afgeleide rechten.
Dit is deels waar, maar tegelijk zou een correcte toekenning van een IVT-‘attest’ (zie hoger onder het punt ‘globaal’) hun ook erkenning waarborgen voor het ogenblik waarop werken niet langer mogelijk zou zijn. Dit gaat dus verder dan alleen het recht op sociaal-fiscale compensaties.

De NHRPH herinnert aan de verzekeringslogica (bijdragen van werkgevers en werknemers) die ten grondslag ligt aan het invaliditeitsstelsel en de logica van residuaire sociale bescherming zoals voorzien bij de wet van 27 februari 1987 (financiering door de Staat): beide benaderingen zijn nu volledig gescheiden op basis van de oorsprong van de handicap of ziekte (begrip ‘vooraf bestaande toestand’ - art. 100 van de wet van 14 juli 2014).

    • Dit leidt uiteraard tot discriminatie op basis van de oorsprong van de handicap en is in strijd met het UNCRPD: de NHRPH vraagt al jaren om een herziening van artikel 100 (advies 2022-10). Zolang het systeem ongewijzigd blijft, is de NHRPH om tal van redenen geen voorstander van de maatregel. Er worden meer afgeleide rechten voor uitkeringsgerechtigden onder het wettelijk stelsel van 1987 erkend dan voor sociaal verzekerden (bijvoorbeeld geen recht op sociaal tarief voor gas en elektriciteit voor deze laatsten).
      Bovendien worden de afgeleide rechten in het RIZIV-stelsel erkend op het ogenblik dat de betrokkene als invalide wordt erkend. Het recht op sociale compensaties voor sociale-uitkeringsgerechtigden hangt af van de toekenning van een IVT en/of een IT; een eenvoudige medische erkenning volstaat dus niet.
      Ook de financiering van deze maatregel moet worden onderzocht: het zou onaanvaardbaar zijn dat het hele beschermingsstelsel wordt herzien voor de IVT/IT-uitkeringsgerechtigden, zonder tegelijk de hoogte van de tegemoetkomingen in vraag te stellen. Ter herinnering: momenteel ligt de IVT ruim onder de armoedegrens en worden de erkende personen in dit stelsel niet ondersteund bij de toeleiding naar werk. 

9. Beroep bij de Arbeidsrechtbanken

a) Hervorming: oprichten van een bemiddelingsinstantie

De NHRPH wil procedures voor de rechtbank zoveel mogelijk vermijden omdat ze vaak langdurig, slopend en ook duur zijn (advocaatkosten ten laste van de betrokkene).

Er bestaat reeds een interne herzieningsprocedure, en misschien kan deze op bepaalde vlakken worden verbeterd. Deze procedure is alleen zinvol als de heropening van het dossier aanleiding geeft tot een grondig onderzoek en leidt tot een dialoog met de hoofdarts over de elementen die tot de beslissing hebben geleid.
Zijn er concrete cijfers over het aantal herzieningen dat tot nieuwe beslissingen leidt?

    • Er is nood aan een echte bemiddelingsfase, die volledig onafhankelijk en neutraal moet zijn ten opzichte van de betwiste beslissing. Wat wordt onder bemiddeling verstaan? Wordt deze uitgevoerd door de arts die de beslissing heeft genomen of door een externe persoon/instantie? De aanwezigheid van verenigingen van personen met een handicap in een herzieningscommissie zou een mogelijkheid kunnen zijn.
    • De DG Personen met een handicap zou als volgt te werk moeten gaan: "U wordt verzocht ons nieuwe informatie te verstrekken of precies uit te leggen waarom de beslissing volgens u niet juist is op basis van de informatie die je ons eerder hebt verstrekt. Vraag je behandelend arts (bijvoorbeeld je huisarts) of je ondersteunende dienst om op te schrijven waarom onze beslissing niet juist zou zijn en voeg bewijzen toe (bijvoorbeeld (para)medische verslagen of verslagen van ondersteunende diensten).”

Valt de bemiddeling niet in het voordeel van de persoon uit, dan moet uiteraard ook een beroep op de rechter mogelijk blijven. Indien nodig wordt dan een onafhankelijke deskundige aangesteld op kosten van de Staat. 

10. Wat heeft de toekomst in petto voor het administratieve beheer van tegemoetkomingen voor personen met een handicap?

“Misschien moet het RIZIV, dat bevoegd is voor arbeidsongeschikte personen, ook de wetgeving voor personen met een handicap beheren? De grens tussen ongeschiktheid en handicap is soms vaag. In beide gevallen betreft het vaak personen met een handicap in de zin van artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Deze bevoegdheidsoverdracht zou ook een gelegenheid kunnen zijn om artikel 100 van Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te herzien om de vereiste ‘vooraf bestaande toestand’ te schrappen.”

Artikel 100 leidt inderdaad tot een ongezonde situatie waarvan veel personen het slachtoffer zijn. De NHRPH is van mening dat artikel 100 niet langer relevant is vanuit het oogpunt van het UNCRPD, dat geen onderscheid maakt op basis van de oorsprong van de handicap. Deze wettelijke discriminatie moet dringend in vraag worden gesteld. Voorlopig wordt de vereiste 'vooraf bestaande toestand’ gebruikt als belemmering om mensen de toegang tot sociale zekerheid te ontzeggen. Een waardige tegemoetkoming voor alle personen met een handicap is de échte uitdaging.

De uitdaging is uiteraard politiek in een omgeving waarin de huidige regering onder meer het kader voor sociale bijstand en tewerkstelling wil herzien. De studie opent de deur voor een politiek kader dat verder gaat dan het loutere beheer van de IVT, omdat zij de huidige werking en ideale toekomst van de IVT ter discussie stelt.

Een werkgroep bij het RIZIV analyseerde de kwestie van de vooraf bestaande toestand van artikel 100. De NHRPH werd niet erbij betrokken. Wat zijn de conclusies?

In zijn algemene beleidsnota (blz. 15) zegt de minister van Sociale Zaken het volgende: “In samenspraak met de minister van Personen met een handicap zal ik een oplossing uitwerken voor de problematiek van vooraf bestaande aandoeningen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering, waardoor personen met een handicap die de stap naar werk zetten, nadien uitgesloten worden van socialezekerheidsrechten.” 

    • De NHRPH vraagt zo snel mogelijk te worden betrokken.

Ter afsluiting

De NHRPH is van mening dat de studie de basisvoorwaarden om in aanmerking te komen voor de IVT ook opnieuw ter discussie heeft gesteld door zich te richten op de hervorming van de evaluatiemethode. Dat was waarschijnlijk onvermijdelijk. Gezien het onzekere evaluatiekader, dat deels aan de beoordeling van de evaluatieteams wordt overgelaten, zijn er steeds meer criteria bijgekomen zonder dat het regelgevingskader daarin voorziet (het feit dat de persoon werkt of studeert, …).
Gelet op deze vaststelling is het begrijpelijk dat de multidisciplinaire teams een correct en volledig kader nodig hebben om deze evaluatie uit te voeren. Personen met een handicap moeten de beslissingen die op hen van toepassing zijn ook kunnen begrijpen.
Meer in het algemeen heeft de studie ook benadrukt dat de wijziging van de wet van 27 februari 1987 ook een deel moet bevatten over de beoordeling en draagwijdte van de erkenning, in het ruimere kader van de inclusie van personen met een handicap in de samenleving.

Maar volgens de NHRPH heeft de studie haar primaire opdracht niet volledig afgerond. 

  • De studie formuleert geen concrete aanbevelingen om de factoren aan te pakken die ten grondslag liggen aan de verschillende beoordelingen van het verlies van verdienvermogen. Integendeel, zij stelt een nieuwe evaluatie voor die volgens de NHRPH niet concreet genoeg is en belangrijke risico’s inhoudt voor het waarborgen van een correcte vergoeding bij verminderd arbeidsvermogen (de nadruk ligt op de resterende arbeidsgeschiktheid).
  • Waar blijft het (concrete) kader voor de beoordeling van het begrip ‘verlies van verdienvermogen’?
  • Het doel om het systeem te hervormen in overeenstemming met het UNCRPD, werd benaderd, maar niet volledig bereikt omdat geen rekening wordt gehouden met de omgevingsfactoren die de belemmeringen in stand houden. Het UNCRPD eist een toegankelijke en inclusieve omgeving, wat absoluut niet het geval is in België.

De NHRPH had ook graag een veel uitgebreidere uiteenzetting gezien over de hoogte en de rechtsgrondslag van de IVT (de kwestie van artikel 100 werd hoogstens aangestipt). Gelet op de huidige regelgeving en barema's durft de NHRPH te spreken van een dubbele straf: gezondheid én bestaansmiddelen! Met vrijwel geen toekomstperspectief. De NHRPH pleit voor een tegemoetkoming die een waardig leven mogelijk maakt! Dat is ook wat het UNCRPD vraagt.

In de economische context waarin inclusie op de arbeidsmarkt van cruciaal belang is, is het een gemiste kans om de evaluatie niet uit te breiden tot een volledig en grondig onderzoek van de capaciteiten (om het recht op de IVT correct te bepalen) en een attest af te leveren om aangepaste arbeidsomstandigheden en maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid mogelijk te maken.

  • Raadplegingen: 13

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.