Terug naar hoofdinhoud

Advies 2025/34 - Arbeidsintegratiejobs

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2025/34 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs.

Uitgebracht na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail tussen 12/12/12/2025 en 19/12/2025.

Advies op vraag van de voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen per e-mail van 24/10/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen vraagt het advies van de NHRPH over het wetsvoorstel tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs.


3. ANALYSE

Algemeen kader

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) merkt op dat dit voorstel een copy-paste is van een eerder voorstel met dezelfde titel (Doc 54 2375/001). De NHRPH diende toen een omstandig advies (advies 2018-07) in, waarvan blijkbaar geen enkele aanbeveling werd overgenomen.

De adviezen van de NHRPH zijn niet noodzakelijk bindend, maar de NHRPH wenst nog eens te wijzen op zijn rol als adviesraad en partner in de reflectie en besluitvorming in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (art. 4.3). Het is jammer dat de parlementsleden niet op zijn minst hebben uitgelegd waarom ze de aanbevelingen van de NHRPH niet hebben opgevolgd.

Toegegeven, er zijn wel enkele actualisaties aan de tekst gebeurd:

- het voorstel legt een minimum van het nationaal minimumloon omgezet naar uurloon + vakantiegeld voor en noemt expliciet €12,29/uur (mei 2024) als referentie. Maar het is de NHRPH niet duidelijk waarom er een maximum uurloon van €30 geïntroduceerd wordt. Is het ingevoerd om excessen te vermijden? Dit is pure discriminatie want in geen enkel ander wetsvoorstel wordt er een maximum uurloon vastgesteld en al zeker nooit in een privaatrechtelijke arbeidsrelatie. Ten tweede: indien het brutoloon per uur €12,29 is en er moet 25% compenserende bijdrage met bevrijdende werking op betaald worden maar ook nog eens 15% bedrijfsvoorheffing, dan blijft er nog maar €7,83 netto per uur over terwijl de werkgever er met 15,36 euro per uur een heel goedkope werkkracht bij heeft.

MAAR, onverminderd de aanbevelingen die de NHRPH al verwoordde in zijn advies 2018-07 wenst de NHRPH de aandacht erop te vestigen dat:

- de NHRPH de term “persoon met een handicap” verkiest of in het Frans “personne en situation de handicap”.
- dit wetsvoorstel nóg minder bescherming biedt aan de meest kwetsbare werknemers dan aan een reguliere werknemer

Het voorstel laat mondelinge arbeidsintegratieovereenkomsten toe. Dat betekent:

  • Geen schriftelijk bewijs van werkafspraken.
  • Geen afdwingbare rechten (uren, loon, takenpakket…).
  • De werkgever kan altijd ontkennen dat het werk is verricht bijgevolg dat er loon verschuldigd is.
  • Geen enkele basis om naar de arbeidsrechtbank te stappen.
  • De werknemer staat volledig machteloos tegenover onrechtmatig ontslag.

De raamovereenkomst moet idealiter in Dimona worden geregistreerd, maar het voorstel voorziet geen sanctie bij niet-registratie waardoor een werkgever personen met een handicap onzichtbaar kan laten werken.

  • Het voorstel laat flexibele, losse, kortdurende opdrachten toe zonder omkadering.
  • Er zijn geen minimale werkuren voorgesteld, wel een maximum van 11 (!) uur.
  • Er is geen verplichting voor de werkgevers om uurroosters op te geven.
  • Er is geen recht op rusttijden vermeld tenzij men die expliciet vraagt.
  • Er zijn geen sancties in hoofde van de werkgever bij last-minute annulaties.
  • De werkgever wordt geen maximum aantal dagcontracten opgelegd.
  • De werkgever kan voortdurend dagcontracten vernieuwen zonder enige verplichting naar de werknemer toe.

Er is geen enkele bescherming voor de werknemer opgenomen:

  • Bij mondeling contract is onderbetaling moeilijk te bewijzen.
  • Het contract van de werknemer die klaagt, kan onmiddellijk worden stopgezet.
  • De werkgever kan goedkoop personeel inzetten zonder verplichting tot vaste tewerkstelling.
  • Er is in het wetsvoorstel geen sprake van redelijke aanpassingen of enige andere bescherming of ondersteuning.
  • Quid verzekering? 13e maand? Extralegale voordelen voor de werknemer?

p. 11, Administratief beheer

“De beheers- en uitbetalingsinstellingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering en het DG Personen met een Handicap blijven tijdens de uitoefening van de arbeidsintegratiejobs inkomensvervangende uitkeringen berekenen en uitbetalen alsof er niet werd gewerkt. Ze dienen dus geen ingewikkelde herberekeningen te maken van de uitkeringen op basis van de diverse onregelmatige prestaties. Maar deze instellingen hebben wel, in functie van een efficiënte controle, volledige toegang tot alle Dimona’s van hun uitkeringsgerechtigden. Ze kunnen ook de code aanpassen die aangeeft dat de betrokkene gerechtigd is om te werken via een arbeidsintegratiejob en wat het toepasselijk percentage aan compensatiebijdrage is”.

De NHRPH herhaalt dat het beleid in België nog een grote inhaalbeweging dient te maken voor ze in lijn is met het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap (UNCRPD). Zie hiervoor de aanbevelingen van het VN-Comité aan België. Het narratief van de frauduleuze persoon met een handicap dat momenteel in zwang is, is respectloos en miskent de situatie waar personen met een handicap zich in bevinden.

Het delen van (gezondheids)gegevens moet eveneens in lijn zijn met het GDPR-principe.


4. ADVIES

De NHRPH herhaalt en actualiseert zijn eerdere stellingname: het idee van arbeidsintegratiejobs bevat potentieel positieve elementen voor inclusie en re-integratie, maar zonder harde juridische waarborgen bestaat een substantieel risico dat het stelsel mensen in precair, gedifferentieerd werk houdt of reguliere jobs verdringt. Het geactualiseerde wetsvoorstel verbetert enkele parameterwaarden (hogere minimumreferentie, operationele verduidelijkingen) maar lost niet alle structurele bezwaren op die in advies 2018-07 werden aangehaald.

Werknemers moeten kunnen werken in overeenstemming met de arbeidswetgeving en kunnen rekenen op redelijke aanpassingen (flexibele werktijden, aangepaste werkplek, coaching, enz.). De enige denkoefening die moet worden gemaakt, is die over het gewaarborgd loon, dat zou kunnen worden vervangen door RIZIV-uitkeringen of de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT), afhankelijk van het socialezekerheidsstelsel waaronder de werknemer valt.

  • Raadplegingen: 16

Advies 2025/21 - European Accessibility Act

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2025/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) en van het Platform van adviesraden inzake handicap (hierna “Platform”) over de omzetting in Belgisch recht en de inwerkingtreding van de Europese richtlijn (EU) 2019/882 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, beter gekend onder de naam European Accessibility Act (EAA) (hierna “EAA-richtlijn”).

Advies uitgebracht op initiatief van het Platform.

Advies uitgebracht in naam van het Platform en meer bepaald:

  • Conseil consultatif wallon des personnes en situation de handicap (CCWPSH)
  • NOOZO – Vlaamse adviesraad voor en door personen met een handicap
  • Brusselse Raad voor personen met een handicap (RPH)
  • Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH)
  • Conseil consultatif des personnes en situation de handicap de la Communauté française
  • Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung
  • Belgian Disability Forum (BDF)

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de heer Maxime Prévot, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking
  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan mevrouw Eléonore Simonet, minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s
  • Voor opvolging aan mevrouw Caroline Gennez, Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen 
  • Voor opvolging aan mevrouw Nawal Ben Hamou, staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, belast met Huisvesting en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de heer Yves Coppieters, ministre wallon de la Santé, de l'Environnement, des Solidarités et de l'Économie sociale 
  • Voor opvolging aan de heer Yves Coppieters, ministre de la Fédération Wallonie-Bruxelles en charge de la Santé, de l’Égalité des chances et des Droits des femmes
  • Voor opvolging aan mevrouw Lydia Klinkenberg, Ministerin für Familie, Soziales, Wohnen und Gesundheid
  • Voor opvolging aan de Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie (FOD Economie) voor de e-handelsdiensten en bankdiensten
  • Voor opvolging aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT)
  • Voor opvolging aan de FOD Binnenlandse Zaken (IBZ), Civiele Veiligheid 
  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Voor opvolging aan de Vlaamse overheid – Consumentenzaken 
  • Voor opvolging aan de Service public de Wallonie 
  • Voor opvolging aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Voor opvolging aan de Fédération Wallonie-Bruxelles
  • Voor opvolging aan de Deutschsprachige Gemeinschaft Belgiens 
  • Voor opvolging aan de verschillende overheidsdiensten die betrokken zijn bij de procedures voor het controleren van de uitvoering van de EAA (de lijst hernemen die is opgesteld onder punt 2.)
  • Ter informatie aan de heer Bart de Wever, eersteminister 
  • Ter informatie aan de heer Matthias Diependaele, minister-president van de Vlaamse regering 
  • Ter informatie aan de heer Adrien Dolimont, Ministre-Président de la Wallonie
  • Ter informatie aan de heer Rudi Vervoort, minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Ter informatie aan Elisabeth Degryse, Ministre-présidente de la Fédération Wallonie-Bruxelles
  • Ter informatie aan Oliver Paasch, Ministerpräsident, Regierung der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens 
  • Ter informatie aan Unia 
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Vlaamse Ombudsdienst 
  • Ter informatie aan de gemeenschappelijke bemiddelingsdienst van de Fédération Wallonie-Bruxelles en het Waals Gewest
  • Ter informatie aan Ombuds Brussel
  • Ter informatie aan de Ombudsdienst der Deutschsprachigen Gemeinschaft

2. ONDERWERP

De Europese richtlijn betreffende de toegankelijkheid (European Accessibility Act – EAA) is op 28 juni 2025 in werking getreden.

Ze legt de ondernemingen op toegankelijke diensten en producten te waarborgen, die begrijpelijk en bruikbaar zijn voor iedereen.

Dit betreft in het bijzonder:

  • Producten:
    • informaticasystemen voor consumenten (computers, tablets, draagbare computers) en besturingssystemen;
    • betaalterminals;
    • zelfbedieningsterminals met betrekking tot door de richtlijn gedekte diensten (geldautomaten, ticketautomaten, incheckautomaten en interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals);
    • apparatuur voor gebruik door consumenten met interactieve computerfuncties, die gebruikt wordt voor diensten inzake elektronische communicatie (smartphones, tablets waarmee getelefoneerd kan worden);
    • apparatuur voor gebruik door consumenten met interactieve computerfuncties voor toegang tot audiovisuele mediadiensten;
    • Elektronische lezers (e-readers of e-lezers).
  • Diensten:
    • diensten voor elektronische communicatie;
    • diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten;
    • bankdiensten voor consumenten;
    • e-books;
    • e-handelsdiensten;
    • de specifieke elementen van de vervoersdiensten met betrekking tot informatie en ticketdiensten, met uitzondering van de stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten waarvoor enkel de zelfbedieningsterminals zijn gedekt door deze richtlijn.

Omzetting en uitvoering van de EAA-richtlijn door België

De uiterste datum voor de nationale omzetting was 28 juni 2022.

Voor de EAA-richtlijn was een complex omzettingswerk noodzakelijk, gelet op het feit dat ze producten en diensten beoogt die verdeeld zijn over verschillende overheids- en bestuursniveaus.

De lijst met de 20 in België goedgekeurde teksten voor de omzetting van de EAA-richtlijn is online beschikbaar op de website van de Europese Unie: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/NIM/?uri=CELEX:32019L0882&qid=1749635261991

Wat de uitvoering betreft, voorzien de Belgische omzettingsteksten, sinds 28 juni 2025, met name erin dat de ondernemingen het volgende moeten doen:

  • duidelijke en toegankelijke informatie over hun diensten verstrekken;
  • waarborgen dat hun digitaal platform toegankelijk, begrijpelijk en bruikbaar is voor en door alle personen met een handicap: iedere consument moet alle informatie kunnen begrijpen (zie afdeling III van Bijlage I van de richtlijn);
  • nuttige informatie geven over de toegankelijkheid van hun diensten;
  • compatibiliteit van hun diensten met de bijstandstechnologieën waarborgen.

Belangrijke beperking: de “micro-ondernemingen” met minder dan 10 werknemers en een omzet of een balans van minder dan 2 miljoen euro, beschikken over een termijn van 5 extra jaren om hun dienstverlening toegankelijk te maken (28 juni 2030).

Controle van de uitvoering van de EAA in België

De overheden die bevoegd zijn om de uitvoering van deze wetgeving te doen naleven zijn:

Indien de door de EAA-richtlijn opgelegde verplichtingen niet worden nageleefd, zijn administratieve sancties voorzien. Voor ernstigere inbreuken kunnen deze sancties oplopen tot 200.000 euro of 6 % van de jaaromzet van de onderneming.

De FOD Economie heeft richtsnoeren (guidelines) gepubliceerd om ondernemingen te helpen te voldoen aan de nieuwe verplichtingen van de EAA-richtlijn.


3. METHODOLOGISCHE OPMERKING 

Voor de punten “4. Analyse” en “5. Advies” is een methodologische verduidelijking noodzakelijk: dit advies is het resultaat van langdurig redactiewerk waarbij alle adviesraden betrokken waren.

Tijdens de vergadering van het interfederaal platform van adviesraden (“het Platform”) van 5/12/2025 werden enkele laatste toevoegingen voorgesteld. De deelnemers aan de vergadering vonden deze relevant en in overeenstemming met alle standpunten die door de respectieve instanties van elke adviesraad waren goedgekeurd. Deze elementen werden geïntegreerd, met vermelding van de adviesraad die de toevoeging had voorgesteld.


4. ANALYSE 

Het Platform wijst op een aantal overwegingen en stelt ook verschillende vragen.

a) Raadpleging van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen

De uitvoering van het principe van “handistreaming” in België, gebaseerd op het voorschrift van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, bepaalt dat de overheden de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen moeten raadplegen in de besluitvormingsprocessen die de personen die zij vertegenwoordigen betreffen. De EAA-richtlijn maakt per definitie deel uit van de beoogde processen.

De omzetting werd globaal door de FOD Economie beheerd. Op aandringen van de NHRPH, het Platform van adviesraden, het BDF en CAWaB werden de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen bij het proces betrokken. Deze betrokkenheid was evenwel louter formeel (pro forma).

  1. De NHRPH en het BDF werden uitgenodigd voor en hebben deelgenomen aan twee plenaire vergaderingen in de loop van het jaar 2021 (02/04/2021 en 23/09/2021). Deze vergaderingen bleken zonder werkelijk belang te zijn, aangezien iedere vraag of verzoek werd afgewimpeld met een van de volgende antwoorden:
    1. “… hierover hadden we reeds een akkoord met de verschillende betrokken deelgebieden, het is onmogelijk dit akkoord te wijzigen…”;
    2. “… dit maakt deel uit van de besprekingen en onderhandelingen die zullen plaatshebben in de werkgroep …”. De organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen kregen niet de mogelijkheid om aan deze vergaderingen deel te nemen en, zodra de werkgroep tot een akkoord was gekomen, was het niet meer mogelijk er ook maar een komma aan te veranderen krachtens voormeld antwoord a);
    3. “… België zal de richtlijn omzetten door zich strikt te beperken tot wat verplicht is gemaakt door de tekst van de EAA-richtlijn. Het zal niet verder gaan dan wat is vervat in de tekst van de richtlijn…”.
  2. De NHRPH heeft op 19 november 2021 een verzoek om advies gekregen van de minister van Economie over de omzetting van het deel van de omzetting dat afhangt van de FOD Economie. In antwoord daarop heeft de NHRPH op 17/01/2022 advies 2022/04
  3. De NHRPH heeft een verzoek om advies gekregen van de minister van Economie (brief van 23 mei 2025). Dit verzoek had betrekking op het “ontwerp van guidelines voor toegankelijke e-handelsdiensten”. In antwoord daarop heeft de NHRPH op 23/06/2025 advies 2025/17 De andere deelgebieden belast met de omzetting van het deel dat hen aanbelangt, hebben geen advies van de bevoegde adviesraad inzake handicap voor hun overheidsniveau gevraagd.
    Op te merken valt dat dit advies enkel gaat om een klein deel van de aspecten inzake de omzetting van de EAA-richtlijn en dat de adviesraden van de gewesten en de gemeenschappen niet werden geraadpleegd voor de aspecten waarvoor zij bevoegd zijn.

Wat de omzetting betreft die zou worden beheerd door het BIPT: er werd geen enkel advies gevraagd aan de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, noch werden ze op een andere manier geraadpleegd.

Het Platform stelt zich vragen bij de geldigheid van een procedure die bedoeld is om de toegankelijkheid van goederen en diensten voor personen met een handicap te waarborgen, maar die niet echt rekening houdt met de verwachtingen van de betrokkenen door zich te beperken tot een gedeeltelijke en “pro forma” raadpleging.

b) Draagwijdte van de richtlijn

De richtlijn heeft als titel “European Accessibility Act”. Deze titel, die doet denken aan de titel “American Disability Act”, brengt een verkeerde perceptie met zich mee bij mogelijk belanghebbende personen. Deze titel laat immers verstaan dat de richtlijn de universele toegankelijkheid waarborgt voor alle producten en diensten in Europa.

Dit is evenwel niet het geval en de draagwijdte van de EAA is beperkter: ze betreft hoofdzakelijk de producten en diensten die elektronisch worden geleverd en de online beschikbare informatie over de producten en diensten.

c) Informatie op het niveau van de FOD Economie, volledige informatie voor “leveranciers”

Het Platform stelt vast dat de website van de FOD Economie een aantal toelichtingen geeft aan de dienstverleners over de verplichtingen die op hen van toepassing zijn sinds de inwerkingtreding van de richtlijn.

Deze informatie zit vervat in twee pdf’s die de normen inzake toegankelijkheid niet naleven:

d) Informatie op het niveau van de FOD Economie, zeer beknopte informatie voor “gebruikers”

Het Platform stelt vast dat, hoewel de informatie ter attentie van de leveranciers correct aanwezig is op de website van de FOD Economie, de informatie ter attentie van de eindgebruikers (personen met een handicap) van de bedoelde diensten zeer minimalistisch is of ontbreekt. De informatie is in elk geval moeilijk te vinden:

  • Een zoekopdracht naar “EAA-richtlijn” op de website geeft 5 resultaten waarvan er slechts twee nuttig zijn.
    • Het eerste relevante resultaat verwijst naar de pagina https://news.economie.fgov.be/251717-richtlijn-over-toegankelijkheid-een-stap-dichter-naar-een-inclusieve-samenleving/. Die pagina geeft een goede globale presentatie van de richtlijn, die zeer duidelijk gericht is op de “ondernemingen”, maar die wat losse informatie bevat die de consumenten interesseert.
    • Het tweede relevante resultaat verwijst naar de pagina https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/guidance/wettelijk-kader-over.
      Deze pagina geeft bepaalde algemene informatie over de toegankelijkheid van bankdiensten en/of e-handelsdiensten: erop toezien dat de informatie op ten minste twee zintuiglijke manieren (bijv. audio, visueel, braille, …) wordt verschaft, op een begrijpelijke manier, dat de beelden worden beschreven, dat het lettertype kan worden aangepast, enz.
      Ze geeft ook de links naar een richtsnoer voor toegankelijke bankdiensten (Guidelines “Toegankelijke bankdiensten” (pdf, 602.64 KB)) en een richtsnoer voor toegankelijke e-handelsdiensten (Guidelines “Toegankelijke e-handelsdiensten” (pdf, 546.42 KB)).
      Ze verduidelijkt dat de verleners van bankdiensten of e-handelsdiensten niet moeten voldoen aan deze vereisten, wanneer de noodzakelijke aanpassingen “een onevenredige last inhouden” of een fundamentele wijziging vereisen die de dienst ingrijpend zou transformeren. In deze beide gevallen moet de onderneming dit melden aan de Economische Inspectie door middel van een formulier dat online toegankelijk is via een brede donkergroene band met in witte letters het opschrift “formulier”.

      De pagina biedt de mogelijkheid om de Economische Inspectie te melden wanneer een bankdienst of e-handelsdienst onvoldoende toegankelijk is. Dit kan gebeuren door middel van een internetlink, door middel van een e-mail naar een daartoe bestemd adres of per brief. Het valt hier op dat er geen gelijkaardige grote band is als dewelke wordt gebruikt voor een verzoek tot afwijking…
      Ten slotte identificeert deze pagina de andere instellingen die belast zijn met het doen naleven van de uitvoering van de richtlijn… De toename van het aantal toezichthoudende instanties is een Belgische realiteit, maar dit maakt de zaken heel erg ingewikkeld voor de gebruikers…
  • Een zoekopdracht op de sleutelwoorden “bescherming van de consumenten” geeft geen enkel resultaat in verband met de uitvoering van de EAA-richtlijn en de modaliteiten om een klacht in te dienen in geval van onvoldoende toegankelijkheid. Nochtans zal een consument met een handicap die wordt geconfronteerd met bijvoorbeeld onvoldoende toegankelijke bankdiensten waarschijnlijk een zoekopdracht op deze termen doen… Overigens bestaat wel de pagina “ConsumerConnect”. Een link naar deze pagina zou nuttig zijn.

e) Informatie op het niveau van het BIPT

Een zoekopdracht uitgevoerd op de website van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) op basis van de woorden “EAA”, “European Accessibility Act” en “Europese richtlijn (EU) 2019/882” leverde geen enkel resultaat op.

Om een klacht in te dienen bij het BIPT is de enige weg die werd gevonden het volgende formulier: https://www.bipt.be/consumenten/publicatie/klacht-tegen-een-dienstverlening-van-het-bipt. Via het formulier kan je een klacht indienen tegen een dienstverlening van het BIPT, maar niet tegen een leverancier van producten zoals nochtans aangekondigd op de website van de FOD Economie. De procedure is dus niet duidelijk en de eventuele opvolging is verre van gewaarborgd.

f) Informatie op het niveau van de Gemeenschappen

Op het niveau van de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap was het niet mogelijk aan de hand van een bezoek aan de respectieve websites te identificeren welke procedure er bestaat om een klacht in te dienen.

g) Informatie op het niveau van het vervoer

De internetpagina https://mobilit.belgium.be/nl/contact/algemene-info van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer biedt de gebruikers:

  • de essentiële informatie over de verplichtingen van vervoersdiensten die voortvloeien uit de EAA-richtlijn;
  • de modaliteiten om klacht in te dienen voor het niet-naleven van de bepalingen van de EAA-richtlijn op het vlak van vervoer;
  • informatie over de modaliteiten op het vlak van verwerking en opvolging van de klacht.

Om deze internetpagina te vinden, zal de gebruiker evenwel de afkorting “EAA” of de referentie van de EAA-richtlijn: “Europese richtlijn (EU) 2019/882” moeten kennen. Het invoeren van de term “toegankelijkheid” in de zoekmotor maakt het niet mogelijk deze nuttige pagina te vinden.

Deze informatie is enkel beschikbaar in het Nederlands en het Frans. De Duitstalige Belgen hebben dus geen toegang tot de informatie en hebben niet de mogelijkheid hun rechten in hun moedertaal te doen gelden.

h) Informatie op het niveau van het noodoproepnummer 112

De FOD Binnenlandse Zaken (IBZ) is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van de EAA-richtlijn voor het noodnummer 112. De website https://ibz.be/nl geeft geen enkele informatie over de toegankelijkheid van het oproepnummer 112. Ze verduidelijkt evenmin de modaliteiten voor het indienen van een klacht bij een gebrek aan toegankelijkheid.

Tot nu toe kan het nummer 112 niet worden gebruikt door dove personen die als moedertaal gebarentaal hebben, aangezien de software voor de noodoproep en de software voor het vertalen van en naar gebarentaal onderling niet compatibel zijn. Tijdens een noodoproep krijgen de tolken of de dove persoon een wit scherm: de persoon zal de voor hem/haar vitale informatie niet krijgen…

Hoewel de EAA-richtlijn de leveranciers van telecommunicatiediensten ertoe verplicht de omzettingen in Real Time Text over te brengen tijdens een spraakoproep vanaf 2027, voorziet ze overigens in geen enkele verplichting inzake het versturen van videoberichten. De persoon die gebarentaal als moedertaal heeft en niet kan lezen, kan dus niet autonoom een noodbericht doorgeven.

i) Verlengde uitvoeringstermijn voor micro-ondernemingen

Wat de uitvoering betreft, beschikken micro-ondernemingen over een extra termijn van 5 jaar, hetzij tot en met 28 juni 2030. Dit is niet ongevaarlijk, aangezien micro-ondernemingen de overgrote meerderheid van de ondernemingen in België vertegenwoordigen: https://statbel.fgov.be/nl/nieuws/structurele-ondernemingsstatistieken-van-2022-959-van-de-belgische-bedrijven-zijn-micro.

De NHRPH merkt voor het overige met heel veel enthousiasme de wil op van de minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s om de deelname van kmo’s aan overheidsopdrachten meer te faciliteren. Indien kmo’s meer toegang tot overheidsopdrachten krijgen, moeten ook zij, net als de grootste ondernemingen, de EAA naleven.

j) De stakeholders hebben gemeenschappelijke behoeften

Tijdens zijn algemene vergadering van 27/11/2025 heeft het Belgian Disability Forum kennisgenomen van de conclusies van de thesis Breaking barriers: stakeholders-based approaches to evaluating and enhancing inclusivity in digital transport services die werd verdedigd aan de VUB aan de faculteit toegepaste economische wetenschappen. De heer Hannes DELAERE[1] vestigt daarin de aandacht op de volgende behoeften die gemeenschappelijk zijn voor alle “stakeholders”:

  • de “stakeholders” zijn de verschillende betrokken actoren. In dit geval gaat het om consumenten en leveranciers van goederen en diensten, met inbegrip van de overheidsdiensten;
  • alle “stakeholders” hebben nood aan een duidelijk en stabiel wettelijk kader;
  • alle “stakeholders” moeten beschikken over volledige, toegankelijke en inclusieve informatie;
  • het wettelijk kader moet worden aangevuld door één of twee normen;
  • het wettelijk kader moet voorzien in een eenvoudige, inclusieve, toegankelijke en doeltreffende “klachtenprocedure” om de gebreken op het vlak van conformiteit te identificeren. Het belangrijkste op dit niveau is niet zozeer om te “straffen”, maar om de problemen te identificeren en op te lossen;
  • “Heel wat diensten voldoen niet aan de behoeften van kwetsbare personen wegens leemtes in de wettelijke kaders, een beperkte samenwerking tussen de stakeholders, onvoldoende kennis over kwetsbare gebruikers en het ontbreken van inclusieve ontwerppraktijken”[2].

Het Belgian Disability Forum heeft hier deze beschouwingen die voor hem relevant leken in het kader van de uitvoering van de EAA willen hernemen.

[1] Delaere (H.), Breaking barriers: Stakeholder-based approaches to evaluating and enhancing inclusivity in digital transport services, Brussels, 2025. [PhD Thesis, Vrije Universiteit Brussel]. https://researchportal.vub.be/en/publications/breaking-barriers-stakeholder-based-approaches-to-evaluating-and-/
[2] DELAERE (H.), Ibid, Abstract.


5. ADVIES

Het Platform van adviesraden:

Stelt vast dat België zich, voor al zijn deelgebieden, systematisch beperkt tot een minimale omzetting van de Europese richtlijnen. Nochtans is het principe dat de basis vormt voor de logica van de “Europese harmonisatierichtlijnen” om bij te dragen aan het vastleggen van een gemeenschappelijke minimale wettelijke pijler. Niets verhindert een lidstaat om verder te gaan dan de minimumvereisten van de richtlijn.

  • vraagt dat de omzettingen van richtlijnen die een invloed hebben op het leven van personen met een handicap ambitieus worden uitgevoerd teneinde betekenisvolle vooruitgang te boeken voor personen met een handicap.
  • vraagt om, in het specifieke geval van de EAA-richtlijn, verder te gaan dan het beperkende kader van de vereisten van de richtlijn: om de toegankelijkheid van de diensten en de producten te verbeteren, is het mogelijk en noodzakelijk verder te gaan dan de minimumvereisten die zijn voorzien door de EAA-richtlijn.

Stelt vast dat de voorziene raadpleging tijdens de omzettingsfase van de EAA-richtlijn, waarin de door België aangegane verbintenissen moeten worden nageleefd in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, zich heeft beperkt tot een onvolledige en “pro forma” benadering.

  • vraagt dat voor iedere toekomstige omzetting van een Europese richtlijn met een impact op personen met een handicap een echt overleg wordt georganiseerd met de adviesraden inzake handicap die bestaan op de verschillende beleidsniveaus in België.

Het Belgian Disability Forum:

  • vraagt dat - in het kader van dit overleg - de adviesraden inzake handicap die op de verschillende beleidsniveaus in België bestaan mogen deelnemen aan de plenaire vergaderingen, maar ook aan de verschillende werkgroepen die de formele beslissingen die tijdens plenaire vergaderingen moeten worden genomen voorbereiden.
  • vraagt dat de adviesraden inzake handicap die op de verschillende beleidsniveaus in België bestaan worden betrokken bij alle overlegvergaderingen inzake de implementatie van de EAA-richtlijn die zullen plaatshebben in 2026 en 2027.

Stelt vast dat er weinig informatie wordt gegeven aan de eindgebruikers met een handicap door de federale overheidsdiensten en de overheidsdiensten van de gewesten en de gemeenschappen over de uitvoering van de EAA.

Het correct informeren van de eindgebruikers is absoluut noodzakelijk, opdat de EAA-richtlijn werkelijk effect heeft.

Zonder een correct klachtenbeheer zullen de bevoegde overheden overigens geen kennis hebben van de gebreken bij de uitvoering en zullen ze dit niet kunnen oplossen.

  • vraagt dat informatie voor het grote publiek wordt voorzien in 2026 over de EAA, de impact ervan voor personen met een handicap en de verplichtingen die eruit voortvloeien voor de betrokken dienstverleners.
  • vraagt de oprichting van een uniek online platform (logica van “één-loket”) voor het melden van gebreken in de uitvoering van de richtlijn door leveranciers van goederen en diensten. Dit platform zal de klachten doorsturen naar de bevoegde controle-instanties.
  • vraagt dat de procedure voor het registreren van klachten kwaliteitsvol, zichtbaar en toegankelijk is voor iedere persoon met een handicap. Dit houdt het volgende in:
    • duidelijke instructies publiceren, in de drie landstalen met inbegrip van gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal (FALC) en in de drie nationale gebarentalen, in toegankelijke formaten, die de WCAG-normen naleven;
    • dat deze instructies verduidelijken waar en hoe een klacht kan worden ingediend, welke informatie en eventuele bijlagen moeten worden toegevoegd, welk gevolg zal worden gegeven aan het indienen van een klacht.
    • het recht om een klacht in te dienen actief bevorderen door middel van informatiecampagnes georganiseerd door de overheidsdiensten of de organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen en de aanbieders van toegankelijkheidsdiensten, door middel van een ad hoc financiering.

Stelt vast dat de verschillende diensten belast met het controleren van bepaalde aspecten van de uitvoering van de EAA zich op een verschillende manier kwijten van hun controle-opdracht. Sommige bieden geen enkel middel om een klacht in te dienen. Geen enkele betrokken pagina over deze verschillende websites is overigens zelf in overeenstemming met de EAA-richtlijn of de richtlijn over webtoegankelijkheid.

  • vraagt dat een unieke portaal wordt opgericht voor de gebruikers. Deze unieke portaal zal in een duidelijke taal en in gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal alle nuttige informatie moeten vermelden over de draagwijdte van de EAA-richtlijn en een formulier om klacht in te dienen, in het Nederlands, het Frans en het Duits evenals in de overeenstemmende gebarentalen.
  • vraagt dat de betrokken overheidsdiensten hun websites in overeenstemming brengen met de EAA-richtlijn.
  • vraagt dat de betrokken overheidsdiensten hun websites en – prioritair – de pagina’s gewijd aan de uitvoering en de controle van de EAA-richtlijn in overeenstemming brengen met de wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties die tot doel heeft de Europese richtlijn (EU) 2016/2102 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties om te zetten.
  • vraagt dat de bevoegde overheidsdiensten proactieve controles verrichten, zodat de toegankelijkheid effectief is en de last voor het controleren van de naleving van de regels van de EAA-richtlijn niet berust op de burgers en op de organisaties die hen vertegenwoordigen.
  • vraagt dat de procedures voor het opvolgen van de klachten worden verduidelijkt en transparant worden gemaakt voor de eindgebruikers en voor de organisaties die hen vertegenwoordigen.
  • vraagt dat een jaarlijkse evaluatie van de klachten openbaar wordt gemaakt en het aantal uitgevoerde controles, het aantal ingediende klachten, het aantal opgelegde sancties en de opvolging van de vastgestelde inbreuken wordt vermeld.
  • vraagt dat in geval van niet-naleving de nodige sancties worden genomen en openbaar worden gemaakt teneinde de volledige inclusie van personen met een handicap te waarborgen.

NOOZO:

Stelt vast dat alle informatieprocessen van de stakeholders en controleprocessen voor de uitvoering van de EAA-richtlijn totaal worden verdraaid.

  • vraagt dat de informatie bestemd voor de eindgebruikers evenals de formulieren voor het indienen van een klacht dringend worden aangepast om te voldoen aan de vereisten van de WCAG-normen. De dringendheid is hier een noodzaak, aangezien deze aspecten al in orde moesten zijn sinds 28 juni 2025.
  • vraagt dat de regels inzake toegankelijkheid duidelijk en concreet worden toegelicht, zodat de ondernemingen ze kunnen naleven. Deze regels zullen gepaard gaan met voorbeelden van relevante goede praktijken.

Stelt vast dat de logica voor het opstellen van de richtlijn is gebaseerd op drie opeenvolgende hoofdlijnen: verplichtingen – controle – sanctie. Dergelijke benadering is niet bevorderlijk voor remediëring. De prioriteit, vanuit het standpunt van het Platform van adviesraden, moet gaan in de richting van “remediëring” in plaats van “schadeloosstelling” in de vorm van een straf of boete.

  • vraagt dat het proces voor de uitvoering van de richtlijn gaat in de richting van een positieve correctie op basis van 4 opeenvolgende hoofdlijnen: te bereiken doelstellingen – evaluatie – correctie – sanctie. De stap “sanctie” zou idealiter nooit moeten worden geactiveerd.

Stelt vast dat de EAA-richtlijn de technologie Real Time Text verplicht maakt in de uitwisselingen tijdens oproepen naar het noodnummer “112”. De richtlijn voorziet evenwel in geen enkele verplichting inzake het gebruik van videoconferentie voor uitwisselingen in het kader van oproepen naar het noodnummer “112”.

  • vraagt dat België verder gaat dan de vereisten van de EAA-richtlijn op het vlak van oproepen naar het noodnummer “112”, zodat personen het kunnen gebruiken door zich uit te drukken in een van de nationale gebarentalen.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap:

  • vraagt dat de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) die toegang kunnen hebben tot de overheidsopdrachten ook alle regels inzake toegankelijkheid moeten naleven.
  • Raadplegingen: 15

Samenvatting van het advies 2026/02: Hervorming van het sociaal internetaanbod

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

Hervorming van het sociaal internetaanbod

Standpunt van de NHRPH:

  • De NHRPH kan zich vinden in de aanbevelingen van de studie, maar meent dat deze niet volstaan om te beantwoorden aan de reële internetbehoeften van personen met een handicap.
  • De non-take-up van het sociaal tarief internet (meer dan 90%) moet worden aangepakt.
  • Beter een sociaal forfait dan een sociaal tarief: zo kunnen de rechthebbenden zelf een formule op maat kiezen.

Enkele eisen van de NHRPH:

  • Het sociaal forfait/sociaal tarief moet worden geïndexeerd.
  • Er moeten degelijke neutrale simulatoren komen voor de keuze van het interessantste internettarief.
  • Ook met een sociaal forfait voor internet moet de overheid steeds valabele en kosteloze niet-digitale alternatieven aanbieden voor een toegankelijke dienstverlening: telefoon, fysiek onthaal en post.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 8

Advies 2026/02: Hervorming van het sociaal internetaanbod

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof

Advies nr. 2026/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de hervorming van het sociaal internetaanbod.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/01/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Dienst Sociaal internetaanbod, Afdeling Telecom & Post, AD Economische Reglementering van de FOD Economie
  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Ombudsdienst voor Telecommunicatie
  • Ter informatie aan de Consumentenombudsdienst

2. ONDERWERP

In België bestaat er een sociaal internetaanbod, een gunstig tarief voor vast internet. In het kader van de openbare raadpleging over de hervorming van het sociaal internetaanbod heeft de FOD Economie een aanvullende analyse over de non-take-up van het recht op het sociaal internettarief opgesteld en verspreid. De openbare raadpleging liep tot 30/11/2025. De NHRPH heeft zijn leden bevraagd over het thema en wil toch nog enkele aanbevelingen en opmerkingen overmaken.


3. ANALYSE

A. Bevindingen van de studie

“De hervorming van maart 2024 heeft een nieuw regelgevend kader ingevoerd, het zogenaamde sociaal internetaanbod (SIA), dat bepaalt dat de drie operatoren met een vast netwerk in België een dienst moeten aanbieden voor toegang tot een vaste verbinding onder de volgende voorwaarden:

  • een downloadsnelheid van minstens 30 Mbps;
  • een uploadsnelheid van minstens 4 Mbps;
  • een minimumvolume van 150 GB per maand;
  • een korting van 50% op de installatiekosten.”

Dit betekent dat operatoren zonder vast netwerk – bijvoorbeeld Orange - in België geen sociaal internetaanbod moeten aanbieden. In het geval van Orange is dat des te opmerkelijker, aangezien VOO sinds oktober 2010 in handen is van Orange Belgium.

“Ter herinnering: rekening houdend met de technische minimumdrempels die zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 20 september 2023, bieden de telecomoperatoren het sociaal internetaanbod aan in de volgende vormen:

  • Proximus biedt een internetverbinding aan met 30 Mbps en 150 GB;
  • Telenet biedt 100 Mbps en 150 GB;
  • VOO biedt 75 Mbps en 500 GB.

Het take-uppercentage van die specifieke producten blijft echter uiterst beperkt: 21.697 begunstigden, ofwel 4% van de ongeveer 550.000 personen met een sociaal statuut dat hen recht geeft op dit aanbod, maken er daadwerkelijk gebruik van. Dat take-uppercentage moet worden genuanceerd, aangezien kan worden aangenomen dat binnen eenzelfde huishouden meerdere personen aan de voorwaarde van sociaal statuut voldoen. Hoe dan ook, in de onrealistische hypothese dat elke potentiële rechthebbende deel uitmaakt van een huishouden samen met een ander potentiële rechthebbende, zou het basiscijfer door twee moeten worden gedeeld, wat in extremis een take-uppercentage van 8% zou betekenen.

Die structurele kloof tussen het beschikbare recht en de effectieve take-up roept vragen op over zowel de opzet van de regeling als de concrete voorwaarden voor de activering en het gebruik ervan. Het doel van deze analyse is dan ook de volgende zaken te onderzoeken:

  • de doeltreffendheid van de momenteel vastgelegde technische drempels (snelheid van 30 Mbps, volume van 150 GB);
  • de geschiktheid van deze voorwaarden voor gedifferentieerde gebruikersprofielen (huishoudens met kinderen, ouderen, blinden of slechtzienden);
  • en de mogelijkheid om het toepassingsgebied van de wettelijke verplichtingen uit te breiden (bv. vaste telefonie voor ouderen, mobiel aanbod aangepast aan personen met een visuele handicap).

Het uiteindelijke doel is om analyse-elementen aan te reiken die inzicht geven in de oorzaken van het take-uppercentage, zodat de capaciteit van het SIA kan worden verbeterd om beter in te spelen op de essentiële digitale behoeften van zijn potentiële begunstigden.”

De studie is zeer interessant en bevestigt ook een aantal bevindingen van de NHRPH:

  • Het sociaal tarief wordt algemeen als ontoereikend beschouwd voor een normaal gebruik. (Volgens de studie hoeft dit niet zo te zijn, aangezien de mogelijkheid bestaat om bij bepaalde operatoren toegang te krijgen tot een aanbod van 500 GB.)
  • De veelheid aan opties, tarieven, bundels, profielen, sociale situaties en – meestal tijdelijke - promoties maken het moeilijk om de ideale keuze te maken om tegemoet te komen aan de eigen noden. Dit geldt ook voor maatschappelijk assistenten, mantelzorgers, bewindvoerders enz.
  • Klassieke telecombundels worden vaak als competitiever beschouwd dan een afzonderlijk sociaal aanbod, vooral wanneer ze mobiele telefonie, televisie en internet omvatten. (De studie spreekt dat overigens tegen: “In werkelijkheid is het afsluiten van één enkel bundel financieel niet het voordeligst”.)

De enorme non-take-up van het sociaal internetaanbod (meer dan 90%) en de hardnekkige digitale kloof zijn des te verontrustender omdat digitale technologie steeds vaker onvermijdelijk wordt om toegang te krijgen tot rechten, informatie of essentiële diensten. Nochtans is een evenwaardige en toegankelijk niet-digitaal alternatief een verplichting en een noodzaak.

B. Aanbevelingen uit de studie

  • Verhoging van de minimumdrempels

Er wordt hoofdzakelijk aanbevolen om de instellingen van het systeem aan te passen door de technische drempels voor snelheid en volume te verhogen, om het voordeel dat de begunstigde er uithaalt te vergroten en zo automatisch te leiden tot een stijging van het take-uppercentage. […]

Ten slotte moet de vermindering van de installatiekosten met 50% worden herzien. Momenteel is het gebruikelijk dat de installatie kosteloos is of dat er commerciële promoties gelden. Het feit dat een kwetsbare groep een hoog bedrag moet betalen in verhouding tot hun maandbudget, maakt dit aanbod veel minder aantrekkelijk dan een gelijkwaardig commercieel aanbod van betere kwaliteit, waarvan de hogere maandelijkse kost regelmatig wordt gecompenseerd door het ontbreken van instapkosten.”

  • De hindernissen tussen aanvrager en operator verminderen

“Elk door de gebruiker gebruikt kanaal moet een directe activering van het sociaal aanbod mogelijk maken, zonder doorverwijzing. Dankzij het computersysteem van de overheid kan onmiddellijk worden gecontroleerd of iemand in aanmerking komt, waardoor het technisch mogelijk is om onmiddellijk een contract af te sluiten, ongeacht het gebruikte kanaal”.

  • Activering van het recht via eerstelijnswerkers

Door de eerstelijnswerkers te informeren en te motiveren kunnen de rechthebbenden vlotter de meest geschikte formule vinden. Bovendien kunnen ook de eerstelijnswerkers baat hebben bij een efficiënte digitale connectie met hun publiek.

C. Bedenkingen van de NHRPH

De NHRPH wijst erop dat de internetbehoeften van personen met een handicap onderling enorm kunnen verschillen, volgens leeftijd, handicap, enz. Een standaard sociaal tarief is dus niet altijd de juiste keuze. Enkele voorbeelden:

  • Dove personen die online in gebarentaal communiceren hebben meer bandbreedte nodig.
  • Blinde personen met leesapparatuur moeten zich vaak door lange gesproken teksten werken om te vinden wat ze zoeken. Dat vraagt tijd en bandbreedte.
  • De behoeften van frequente internetgebruikers liggen hoger dan die van mensen die maar sporadisch online gaan.

4. ADVIES

De NHRPH is van mening dat de non-take-up van het sociaal tarief moet worden aangepakt. De NHRPH kan zich vinden in de aanbevelingen van de studie (zie 3.B), maar wenst zelf ook enkele aanbevelingen te formuleren.

A. Beter een sociaal forfait dat een sociaal tarief

  • Aangezien een standaard sociaal tarief voor veel personen met een handicap niet de beste oplossing is, pleit de NHRPH voor een sociaal forfait, een bedrag dat wordt toegekend voor toegang tot internet en eventuele aanverwante diensten zoals televisie, online en vaste telefonie.
    • Met dat bedrag zouden personen met een handicap zelf kunnen kiezen welke formule voor hen de beste is bij de operator van hun keuze, en dit bij voorkeur ook bij andere operatoren dan de 3 operatoren met een vast netwerk in België (Proximus, Telenet en VOO).
    • Dat forfaitbedrag moet worden geïndexeerd.

B. Simulatoren

  • Er bestaan veel verschillende formules, bundels enz. Het is niet eenvoudig om de meest geschikte formule te kiezen. Degelijke, neutrale simulatoren zijn dus van belang.
  • Promoties van operatoren zijn vaak van tijdelijke duur en dus niet altijd de interessantste oplossing op langere termijn.
    • Maak simulaties mogelijk voor verschillende periodes en voor de langere termijn.
  • Er moet in het bijzonder aandacht zijn voor nieuwe gebruikers die nog niet weten wat er bestaat en wat de mogelijkheden zijn.

C. Adviesvraag

  • De NHRPH ontving de analyse in het kader van een openbare raadpleging van de sector.
    • De NHRPH had een specifieke adviesvraag aan zijn adres geapprecieerd. Op die manier had de NHRPH sneller en efficiënter kunnen antwoorden.

D. Niet-digitaal alternatief

  • De NHRPH maakt van de gelegenheid gebruik om de digitale kloof in herinnering te brengen.
    • Het toekennen van een sociaal forfait ontheft de overheid GEENSZINS van het voorzien van een valabel en kosteloos niet-digitaal alternatief. De overheid moet voor al haar diensten een valabel en kosteloos niet-digitaal alternatief voorzien.
    • Een menselijk contactpunt is een noodzaak.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2025/33 - Hervorming van de wet van 1987

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/33 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de visienota van minister Beenders betreffende de hervorming van de wet van 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Uitgebracht na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail tussen 12/12/2025 en 19/12/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan de ganse regering De Wever
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De NHRPH werd door het kabinet van minister Beenders gevraagd opmerkingen te formuleren over de eerste versie van de visienota over de hervorming van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.


3. ANALYSE

De oriëntatienota bevat een aantal intenties die op zich interessant kunnen zijn, zoals het zoeken naar een coherenter systeem en de aandacht voor het recht op werk van personen met een handicap, maar er is onvoldoende duidelijkheid, verankering, participatie, budgettaire impact en er zijn onvoldoende garanties.

De NHRPH deelt zijn analyse in vier grote blokken op:

A. De algemene visie en de basisprincipes;
B. De bescherming van de rechten en de bestaanszekerheid van personen met een handicap (PMH);
C. Evaluatie, administratie en toegang tot rechten;
D. Beleid, budget, federaal en interfederaal kader.

Binnen deze blokken identificeert de NHRPH de elementen die:

  • PRIORITAIR zijn voor de NHRPH: het gaat om cruciale eisen die expliciet en zonder ambiguïteit moeten worden opgenomen in deze visienota;
  • ONAANVAARDBAAR zijn: zij druisen in tegen de fundamentele mensenrechten, het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap (UNCRPD) of gewoonweg de “bestaanszekerheid”;
  • OPGEHELDERD moeten worden: zij zijn te vaag, onvoldoende duidelijk of zouden weleens verkeerd kunnen worden geïnterpreteerd, indien ze op deze manier worden geformuleerd.

A. Algemene visie en fundamentele principes

  • Onvoldoende participatie – PRIORITEIT van de NHRPH

Personen met een handicap, hun gezinnen en hun mantelzorgers worden niet betrokken bij het online onderzoek dat wordt gevoerd door Möbius voor rekening van de DG Personen met een handicap (DG HAN) over hun behoeften en hun verwachtingen betreffende de hervorming van de wet van 27 februari 1987.

De NHRPH wijst op het belang van:

      • de co-creatie vanaf het begin, en vanuit de verwachtingen van de personen met een handicap ;
      • een toegankelijke (in het Duits, in gebarentaal, in FALC, …) en inclusieve raadpleging;
      • de vertegenwoordiging van zeer uiteenlopende handicaps en levensomstandigheden;
      • de erkenning van expertise door ervaring als gelijkwaardig aan professionele expertise.

Hoe zal dit worden gecorrigeerd om de waarde van het eindresultaat te behouden?

  • Problematische nadruk op fraude/stilte over de non-take-up (NTU) – ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH

De visienota legt de nadruk op fraude zonder cijfers te geven over de omvang, aspecten, verhoudingen of context ervan. Ten eerste is er een groot verschil tussen een vergissing en fraude (uitgesproken, met de bedoeling om regelgeving te omzeilen) en, ten tweede zijn alle professionals het erover eens dat de regelgeving complex en onuitvoerbaar is geworden.

Tegelijkertijd wordt de niet-toegang tot rechten (NTU) nauwelijks vermeld, terwijl dat juist de echte en belangrijkste maatschappelijke uitdaging is die door de DG HAN zelf is vastgesteld: 30 % van de PMH komen niet in beeld; een van de uitdagingen van de hervorming is om hen te identificeren!  Zie adviezen 2024-17 en 2025-11.

De NHRPH beschouwt het discours over fraude als:

      • stigmatiserend;
      • polariserend;
      • en zelfs potentieel gevaarlijk voor de toegang tot de rechten zelf (criteria om fraude tegen te gaan zouden ook de NTU kunnen voeden);
      • in strijd met artikelen 5 en 19 van de UNCRPD (respect voor de menselijke waardigheid).

De hervorming moet uitgaan van het principe van volledige inclusie voor iedereen, toegankelijkheid van de tegemoetkomingen voor iedereen die, wegens zijn of haar handicap, niet kan werken, niet autonoom kan leven of zonder hulp niet kan deelnemen aan het maatschappelijk leven.

  • Onvoldoende concretisering – MOET WORDEN OPGEHELDERD

De nota bevat concepten als:

      • “uniek dossier”
      • “arbeidspotentieel”
      • “reële noden”
      • “overgangsuitkering”
      • “ nieuwe evaluatieschalen”

Geen enkel van deze concepten is gedefinieerd. Het is dan ook onmogelijk de concrete impact ervan te beoordelen. De NHRPH zou willen dat deze concepten correct worden voorgesteld en uitgewerkt, zodat een correcte beoordeling mogelijk wordt.

Ander aandachtspunt: de integratie van AI (artificiële intelligentie) in het dossierbeheer: op welke gebieden zal AI worden gebruikt in het kader van de beoordeling en het administratief beheer van de dossiers? Dit zal onvermijdelijk een gevolg hebben voor de toegang tot rechten en de uitvoering ervan.

B. Rechten en bestaanszekerheid

  • Individualisering van de rechten – PRIORITEIT voor de NHRPH

De NHRPH wijst erop dat:

      • het ondergeschikt maken van de IVT/IT (inkomensvervangende en integratietegemoetkoming) aan het inkomen van de partner of van het gezin indruist tegen artikel 28 van de UNCRPD;
      • het statuut van samenwonende moet worden afgeschaft;
      • het recht op een individuele IVT essentieel is voor de autonomie en de financiële zelfredzaamheid;
      • het statuut van gezinshoofd moet worden behouden wanneer er geen andere inkomsten in het gezin zijn. 
  • De IVT onder de armoedegrens houden – ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH

In de visienota wordt het probleem van ontoereikende tegemoetkomingen erkend, maar nergens wordt gewaarborgd dat de IVT op zijn minst gelijk zal zijn aan de armoedegrens. Dit maakt een waardig bestaan niet mogelijk en dus is deze aanpak ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH. Een groot aantal personen zal nooit kunnen werken: deze verplichting om te leven met een tegemoetkoming onder de armoedegrens is een vorm van discriminatie op grond van de handicap. Ter herinnering: in hun opmerkingen aan België hebben de VN-deskundigen duidelijk gevraagd om de tegemoetkomingen met spoed op te trekken tot ten minste de armoedegrens.

De hervorming mag in geen enkel geval een besparingsmaatregel zijn! Personen met een handicap moeten, al dan niet in afwachting van werk, kunnen rekenen op middelen die hen in staat stellen een waardig leven te leiden, wat vandaag absoluut niet het geval is.

  • IT gekoppeld aan de “werkelijke kosten” – ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH

De NHRPH herinnert eraan dat de samenleving is ontworpen voor valide personen: de samenleving is helemaal niet toegankelijk en brengt, in heel wat levensdomeinen, heel wat extra – zowel directe als indirecte – kosten met zich mee voor personen met een handicap.

Hierna volgen voorbeelden van extra kosten als gevolg van een ontoegankelijke samenleving:

Huisvesting

      • Niet iedere woning is toegankelijk: een eerste verdieping zonder lift, een kleine studio, een appartement dat ver van winkelcentra gelegen is, … zijn vaak niet geschikt zijn voor personen met een motorische of cognitieve handicap.
      • Slecht geïsoleerde en energieverslindende woningen: heel wat personen met een handicap, die vaak een laag inkomen hebben, zijn ook genoodzaakt om in slecht geïsoleerde woningen te leven.
      • Toenemende energiekosten: bepaalde gezondheidsproblemen of het gebruik van medische apparatuur kunnen een hogere constante woningtemperatuur vereisen, wat leidt tot hogere verwarmingsfacturen.

Vervoer

Door het ontbreken van toegankelijk openbaar vervoer is men verplicht duurdere alternatieven te vinden. 

      • Aangepast privévervoer: frequent een beroep doen op speciale taxi’s of aankoop en onderhoud van een aangepast eigen voertuig.
      • Extra kosten voor begeleiding: betalen van bijstandsdiensten om zich te verplaatsen of het openbaar vervoer te nemen. 

Dagelijks leven en vrijetijdsbesteding

Ontoegankelijkheid heeft een kostprijs wat betreft de deelname aan het maatschappelijk en cultureel leven. 

      • Buurtdiensten en bezorging: in slecht bereikbare landelijke gebieden of ontoegankelijke gebouwen kunnen personen afhankelijk zijn van bezorgdiensten tegen betaling (boodschappen, maaltijden), terwijl anderen zich te voet of met de fiets kunnen behelpen.
      • Culturele activiteiten en reizen: moeilijke toegang tot niet-aangepaste musea, theaters of bioscopen, of extra kosten om gespecialiseerde reisaanbieders te vinden.

Deze extra kosten, die vaak cumulatief zijn, dragen bij tot een toegenomen risico op bestaansonzekerheid en armoede voor personen met een handicap. De IT maakt het mogelijk een deel van deze kosten te compenseren. Aangezien de IVT onder de armoedegrens ligt, dient de IT ook voor heel wat personen voor voedsel, huisvesting, …. Heel wat personen met een handicap hebben geen sociaal of cultureel leven, niet omdat ze daarvoor kiezen, maar omdat ze gewoonweg de middelen niet hebben.

Het Verenigd Koninkrijk heeft een rapport opgesteld dat jaarlijks wordt bijwerkt en waarin het gemiddeld bedrag van 1095 £ (1252 euro) naar voren wordt geschoven,  https://www.scope.org.uk/campaigns/disability-price-tag

Een onderzoek 'Handilab' (2012) vestigde de aandacht op heel wat bezorgdheden, onder andere:

        • Als er een objectieve indicator van “rondkomen” wordt gebruikt (= met het beschikbaar inkomen door te besparen op verschillende uitgavenposten en bepaalde behoeften niet te vervullen), hebben huishoudens met één IVT/IT-gerechtigde maandelijks € 189 extra nodig.
        • De extra kosten om een aantal basisbehoeften te vervullen, lopen op tot € 661 per maand.
        • De indicator van levensstandaard die weergeeft in welke mate men zich een aantal consumptiegoederen kan veroorloven, neemt een tussenpositie in. De extra kosten bedragen dan € 412.
        • 86 % neemt nooit deel aan activiteiten van verenigingen en 57 % is het afgelopen jaar niet op restaurant geweest.
        • De meervoudige deprivatie vertaalt zich ook in het niet kunnen vervullen van een aantal basisbehoeften. 1 op 5 kan het zich niet veroorloven om om de twee dagen vlees, kip, een vismaaltijd (of een vegetarisch equivalent) te eten. 23 % kan het zich niet veroorloven om de woning voldoende te verwarmen. 71 % kan het zich niet veroorloven om jaarlijks een week op vakantie te gaan.

Heel wat zeer recente studies van de ziekenfondsen, maar ook van verenigingen, Unia, het IWEPS, enz. vestigen allemaal de aandacht op de gevolgen van een handicap wat betreft de noodzaak aan prijzige en niet-gedekte bijstand; heel wat personen met een handicap stellen hun behoeften zelfs uit wegens onvoldoende middelen.

De NHRPH herinnert ook eraan dat in heel wat situaties aan dit gebrek aan bijstand dan wordt tegemoetgekomen door een of meer mantelzorgers, heel vaak ten koste van hun eigen loopbaan, wat op zijn beurt de armoede in de entourage van de PMH doet toenemen.

Iedere vorm van rechtvaardiging van “extra uitgaven” of verantwoordingsplicht druist in tegen:

      • het compensatiebeginsel (art. 19 UNCRPD);
      • het principe van zelfredzaamheid;
      • het principe van vrije keuze;
      • de beperking van de administratieve lasten voor PMH;
      • het gelijkheidsbeginsel zoals beschreven in artikel 22ter van de Grondwet.

De plicht om behoeften en verzoeken te rechtvaardigen, stelt personen ook bloot aan afwijzingen: bepaalde behoeften zullen op grond van de regelgeving al dan niet in aanmerking komen; ook bij de evaluatie van de persoon zullen bepaalde behoeften een geldigheidsgraad toegekend krijgen. Bijvoorbeeld, hoe zal de situatie van een persoon worden beoordeeld die zijn IT gebruikt om sport- of culturele activiteiten te financieren ten opzichte van diegene die zijn IT zal gebruiken voor werkzaamheden in de tuin, thuishulp, de aankoop van platen of boeken? Zal de situatie van een persoon die zijn of haar IT besteedt aan taxikosten om een sociaal leven te kunnen leiden minder worden aanvaard dan die van de persoon die zijn of haar IT besteedt aan fysiotherapie of een psychologische behandeling? Welke administratie, welke professional kan zich het recht toe-eigenen om te (be)oordelen in de plaats van de burger die zo goed mogelijk wil leven in een omgeving die niet voldoende of geen rekening houdt met hem of haar?

  • Ten minste 28 % in een instelling – ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH

De NHRPH bevestigt opnieuw dat deze maatregel discriminerend en achterhaald is en volledig moet worden afgeschaft. De regering moet deze kwestie rechtstreeks met de instellingen regelen en niet ten koste van personen met een handicap.

  • Werk, cumulatie en activatie – MOET WORDEN OPGEHELDERD

De NHRPH steunt het recht op werk zoals beschreven in artikel 27 van de UNCRPD, maar waarschuwt voor:

      • de impliciete verplichting om te werken en de vermindering van de rechten voor diegenen die een theoretische arbeidsgeschiktheid hebben;
      • de onzekerheid over het behoud van de rechten in geval van herval, arbeidsongeschiktheid en onvoldoende gewerkte jaren om hun pensioen te rechtvaardigen;
      • de onderschatting van de ontoegankelijkheid met betrekking tot werk (ontoegankelijkheid vervoer, ICT, vooroordelen, discriminatie in de tewerkstelling) en de veranderingen die in de regio’s aan de gang zijn. Wat gebeurt er wanneer personen met een handicap die zouden willen werken volgens de federale regering een “arbeidspotentieel” hebben, maar niet genieten van regionale begeleiding naar werk of als deze begeleiding mislukt? De overheden moeten een zeer geavanceerd en onderling op elkaar afgestemd beleid voeren, dat gaat van de wil om te werken tot de effectieve geschiktheid om te werken. Dat is de enige manier om te komen tot een volledige inclusie op de arbeidsmarkt. Iedere overheid moet haar verantwoordelijkheid opnemen op het vlak van begeleiding naar werk. De NHRPH wijst op de noodzaak van een interfederaal plan Handicap dat alle betrokken beleidsdomeinen omvat.
      • het risico dat de cumulatiemaatregelen leiden tot een verlies van bestaanszekerheid;
      • het vergeten van personen met een handicap die nooit zullen kunnen werken.

Het cumuleren van de IVT met een loon of een vervangingsinkomen mag niet langer een extra belemmering vormen. Duidelijkheid en een voorspelbaar systeem zijn een absolute noodzaak!

De nota gaat helemaal niet in op al deze kwesties. De NHRPH vraagt dringend om toelichtingen.

C. Evaluatie en toegang tot rechten

  • Verschillende beoordeling door artsen en onvoldoende multidisciplinariteit – PRIORITEIT voor de NHRPH

De realiteit vestigt de aandacht op:

      • grote verschillen in de evaluaties: dossiers op stukken en overeenstemmende criteria, IVT/IT die wordt voortgezet na de pensioenleeftijd…;
      • grote verschillen tussen de regio’s;
      • onvoldoende kennis of consensus onder de artsen over bepaalde handicaps;
      • te beperkte samenstelling van dossiers en onvoldoende psychosociale input;
      • een tendens tot voortdurende toename van nieuwe aanvragen tot erkenning.

De NHRPH wijst op het belang van multidisciplinaire teams, transparante criteria en een beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening.

Volgens de prognoses zal het aantal erkende personen met een handicap enkel maar toenemen. Iedere persoon heeft recht om zijn of haar handicap te laten erkennen en de administratie mag deze erkenning op geen enkele manier belemmeren, om zelf niet de voorwaarden voor de NTU te creëren.

De criteria voor de medische erkenning op eender welke manier naar beneden bijstellen zou onaanvaardbaar zijn in het licht van de UNCRPD: iedere persoon met een handicap of een (blijvende) ziekte waarvan de omgeving de gevolgen niet (voldoende) kan integreren, moet in aanmerking komen.

De budgettaire middelen die het mogelijk maken om voor iedereen een fatsoenlijk inkomen te waarborgen, moeten beschikbaar worden gesteld zonder besparingsmaatregel, zonder de toegang tot rechten te beperken, zonder personen met een handicap uit te sluiten van sociale bijstand.

Over de optie van het uniek dossier en de bezorgdheid om samen te werken met andere socialezekerheidsstelsels of met de gewestelijke kantoren voor de integratie van de informatie voor het dossierbeheer zou heel duidelijk moeten worden overlegd met de NHRPH.

  • Procedures en NTU – PRIORITEIT voor de NHRPH

De NHRPH herinnert eraan dat administratieve belemmeringen, zoals:

      • de samenstelling van het dossier (erg veel documenten en bewijsstukken),
      • lange behandelingstermijnen voor een dossier,
      • het systeem voor het berekenen van het inkomen -2/-1,
      • de complexe regelgeving en het gebrek aan toegankelijke en menselijke hulp (bij aanvragen en opvolging) en
      • de zware beroepsprocedures voor de rechtbanken

bijdragen aan het niet-gebruik van bijstand en aan structurele armoede.

De NHRPH eist een vereenvoudiging en de toegankelijkheid van alle bijstandsdiensten. De behandelingstermijn voor een dossier moet sterk worden teruggedrongen tot drie maanden. Iedere nieuwe aanvraag tot herziening van het dossier moet worden aanvaard en leiden tot een snelle beslissing: een nieuw onderzoek van zijn dossier mag de persoon nooit worden geweigerd. 

  • Evaluatiesysteem – MOET WORDEN OPGEHELDERD

De visienota laat heel wat vragen open:

      • Komt er een nieuw evaluatie-instrument? De NHRPH hecht veel meer belang aan de kwaliteit van het onderzoek, aan consensus tussen artsen en tussen de regio’s en aan de transparantie van de gemotiveerde multidisciplinaire beslissing dan een aan nieuw evaluatie-instrument.
      • Hoe zal de multidisciplinariteit worden gewaarborgd in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD)? De multidisciplinaire evaluatie van de dossiers is momenteel ontoegankelijk en laat de NHRPH niet toe te meten hoe de criteria met betrekking tot het verlies van zelfredzaamheid worden beoordeeld door de multidisciplinaire teams; uit gegevens van de DG HAN blijkt dat de arts nog steeds over heel wat dossiers “beslist”. Meer informatie zou nuttig zijn in het kader van de hervorming.
      • Hoe zal de coherentie tussen de artsen en de duidelijkheid van de beslissingen worden gewaarborgd?
      • Hoe kan overlapping met de BelRAI- of RIZIV-systemen worden voorkomen in een “only once”-aanpak?

D. Budget, beleid en interfederaal kader

  • Interfederale coördinatie – PRIORITEIT voor de NHRPH

De implementatie van loopbaantrajecten, toegankelijkheid, mobiliteit, onderwijs en begeleiding gebeurt grotendeels op regionaal niveau.

De NHRPH herhaalt nadrukkelijk dat een interfederaal plan Handicap absoluut noodzakelijk is.

  • Gesloten of quasi gesloten enveloppe – ONAANVAARDBAAR voor de NHRPH

De levenssituatie van personen met een handicap is momenteel zeer moeilijk: de meesten leven onder de armoedegrens en kunnen gewoonweg hun levenskeuzes niet realiseren, noch voorzien in hun basisbehoeften op het vlak van voeding, huisvesting en gezondheidszorg.

De besparingen die deze regering wil doorvoeren, mogen op geen enkele manier negatieve gevolgen hebben voor deze personen.

Een hervorming in het kader van een gesloten budget houdt het volgende in:

      • een herverdeling tussen de personen met een handicap;
      • een verlies van rechten voor sommigen;
      • een risico op verarming en uitsluiting;
      • het niet structureel kunnen strijden tegen armoede.

De NHRPH eist dat extra middelen worden ingezet om te strijden tegen de NTU EN OOK om de toenemende groep PMH in staat te stellen een waardig leven te leiden, en dat minstens boven de armoedegrens. Een handicap en een ontoereikend inkomen cumuleren, vormt een dubbele straf.

  • Ontbreken van budgettaire simulaties – MOET WORDEN OPGEHELDERD

De nota vermeldt niets over het volgende:

      • scenario’s;
      • kostenramingen;
      • budgettaire hypothesen;
      • de impact van de voorstellen op personen met een handicap;
      • de kwestie van de verworven rechten en de uitvoering van het standstillbeginsel.

De NHRPH vraagt dat de simulaties met en zonder extra budget verplicht worden gepubliceerd vóór de politieke besluitvorming.


4. ADVIES

De NHRPH formuleert de volgende bindende prioriteiten:

Visie en participatie

  • Alle relevante artikelen van de UNCRPD expliciet verankeren in de hervorming. De achterstand moet DRINGEND worden ingehaald en de mentaliteit ten aanzien van inclusie moet worden veranderd.
  • Structurele participatie van PMH, gezinnen en mantelzorgers organiseren.
  • Een coherente architectuur van de hervorming voorstellen, met inbegrip van overgangsprocessen.

Rechten en bestaanszekerheid

  • De IVT moet ten minste hoger zijn dan de armoedegrens. Minder zou onaanvaardbaar zijn.
  • De IT moet totaal worden losgekoppeld van de reële kosten en forfaitair zijn, zonder rechtvaardiging.
  • De PMH beslist zelf welke behoeften voor hem of haar prioritair zijn en niet de wetgever of het multidisciplinaire team in het kader van de evaluatie.
  • De regel van -28 % definitief afschaffen.
  • Het statuut van samenwonende afschaffen.
  • Het statuut van gezinshoofd behouden.

Werk, activatie en cumulatie

  • Er mag geen enkele vorm van verplichting tot werken of impliciete druk zijn. Werken indien dat mogelijk is.
  • Een degressieve cumulatie zonder beperking in de tijd invoeren.
  • De arbeidsmarkt, de omgeving en schommelingen in de gezondheidstoestand moeten steeds in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de IVT.
  • Een flexibele socialezekerheidsregeling invoeren. Zorgen voor een correcte dekking in alle gevallen, met of zonder werk, tijdens de loopbaan en later bij pensionering.
  • De ontoegankelijkheid van de samenleving compenseren, zoals voorzien in artikel 22ter van de Grondwet.

Evaluatie en administratie

  • Erop toezien dat de evaluatieprocedures en de beslissingen transparant, multidisciplinair en menselijk zijn.
  • De administratieve lasten beperken volgens het “only once”-principe.
  • De persoon met een handicap kan zoveel herzieningen aanvragen als hij of zij noodzakelijk acht.
  • De -2/-1-regel hervormen om te komen tot een inkomen op basis van actuele gegevens of een inkomen per kwartaal.
  • In een flexibele cumulatieregeling IVT/loon voorzien. In geval van hospitalisatie of herval mag de persoon met een handicap niet plots zonder inkomen komen te zitten. De IVT moet onmiddellijk beschikbaar zijn indien de persoon geen aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een werkloosheidsuitkering.

Budget en beleid

  • Personen met een handicap de autonomie en de middelen waarborgen om te kiezen waar ze wonen, met wie, waar en wanneer ze werken en voor wie.
  • De budgettaire simulaties publiceren voordat de visienota wordt afgerond.
  • Geen hervorming zonder extra budgettaire middelen.
  • Parallel werken aan het federaal actieplan Handicap teneinde ook de inclusie in andere beleidsdomeinen te realiseren. Solidariteit is een taak die alle overheidsniveaus moeten vervullen.
  • Interfederale samenwerking moet verplicht worden verankerd.

Kortom,

De NHRPH erkent dat de visienota aanzet tot reflectie, maar stelt vast dat het document niet voldoende garanties biedt om de rechten op autonomie en inclusie, levenskwaliteit en bestaanszekerheid voor personen met een handicap te waarborgen.

De NHRPH zal geen enkel beleid aanvaarden dat het terugschroeven van rechten inhoudt. Indien de budgettaire context geen verbetering van de financiële situatie van alle personen met een handicap toelaat, dan mag de hervorming van de wet van 1987 nu niet worden aangevat.

De NHRPH wijst op de verantwoordelijkheid van de Staat om geen enkel risico te nemen waardoor personen met een handicap het weinige waarover ze momenteel beschikken om van te leven, zouden kunnen verliezen.

Zonder duidelijke definities, zonder extra middelen, zonder structurele participatie en zonder het behouden van niet-onderhandelbare principes kan deze hervorming niet in overeenstemming worden gebracht met de verplichtingen van België krachtens de UNCRPD.  

De NHRPH vraagt de minister om een volledig herwerkte versie voor te leggen, waarin alle voormelde voorwaarden zijn opgenomen.

  • Raadplegingen: 15

Samenvatting van het advies 2026/04: Toekomstige verkiezingen

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

Toekomstige federale verkiezingen in België

Standpunt van de NHRPH:

  • Iedereen moet autonoom kunnen stemmen, ongeacht de handicap.
  • Ook personen met een visuele handicap moeten autonoom kunnen stemmen, wat nu nog niet het geval is.
  • De overheid moet ervoor zorgen dat personen met een handicap veilig online thuis kunnen stemmen via pc of smartphone.

Eisen van de NHRPH:

  • Er moet snel duidelijkheid komen over hoe de volgende verkiezingen zullen verlopen: via nieuwe stemcomputers, via de oude stemcomputers of op papier.
  • De aangekondigde nieuwe stemcomputers moeten autonoom toegankelijk zijn.
  • De overheid moet rekening houden met de positienota van de NHRPH over toegankelijke verkiezingen.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 10

Advies 2026/04: Toekomstige verkiezingen

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2026/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toekomstige verkiezingen in België.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/01/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Bernard Quintin, minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Met het oog op de verkiezingen van 2029 ging de ministerraad op 05/12/2025 op voorstel van minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken Bernard Quintin akkoord met het vaststellen van de stemmethoden die bij de volgende verkiezingen zullen worden gebruikt.


3. ANALYSE

Op de ministerraad van 05/12/2025 werden een aantal zaken met betrekking tot de verkiezingen voor de periode 2026-2029 beslist. Normaal gesproken vinden de volgende federale verkiezingen in 2029 plaats.

In het kader van de organisatie van de volgende verkiezingen, werd vastgesteld dat het elektronische stemsysteem met papieren bewijsstuk vanaf begin 2027 niet meer bruikbaar zal zijn (met uitzondering van de mogelijkheid van een verlenging van de elektronische stemsystemen van de tweede generatie).

In 2024 waren zowel stemcomputers van de eerste als van de tweede generatie in gebruik.

Met het oog op de correcte organisatie van de verkiezingen die onder de federale bevoegdheid vallen in de periode 2026-2029, worden de meerjarige kredieten goedgekeurd voor de ontwikkeling van een nieuw offline elektronisch stemsysteem.”

Er zullen dus nieuwe stemcomputers worden ontwikkeld. De NHRPH vernam dat de openbare aanbesteding loopt tot januari 2027. De NHRPH heeft er bij de FOD Binnenlandse zaken al meermaals op aangedrongen dat deze computers toegankelijk moeten zijn, wat niet het geval was bij de oude stemcomputers.

Hierbij wordt ook rekening gehouden met diverse beheersmaatregelen ingeval het nieuwe systeem niet voor het volgende verkiezingsjaar 2029 operationeel zou zijn. Daarnaast krijgt de FOD Binnenlandse Zaken het mandaat om een interfederaal stuurcomité op te richten dat zal focussen op: 

  • de ontwikkeling van een nieuw offline elektronisch stemsysteem en de tenlasteneming van de desbetreffende kosten daarvan door de verschillende stakeholders
  • het al dan niet verlengen van het gebruik van het elektronisch stemmateriaal van de tweede generatie vanaf januari 2027 tot en met midden 2031 en de tenlasteneming van de daaraan verbonden kosten door de verschillende stakeholders

De nabije toekomst is dus onzeker! Volgende situaties zouden zich kunnen voordoen:

  • Het nieuwe offline elektronisch stemsysteem is tijdig operationeel en wordt ingezet bij de volgende federale verkiezingen.
  • Het nieuwe offline elektronisch stemsysteem is niet tijdig operationeel en dan zijn de volgende scenario’s mogelijk:
    • Het gebruik van het elektronisch stemmateriaal van de tweede generatie wordt verlengd vanaf januari 2027 tot en met midden 2031. Waar er elektronisch stemmateriaal van de tweede generatie werd gebruikt, blijft dat zo voor de volgende verkiezingen. De NHRPH vernam dat dat enkel het geval is in 17 Brusselse en 9 Duitstalige gemeentes. Elders wordt er op papier gestemd.
    • Het gebruik van het elektronisch stemmateriaal van de tweede generatie wordt NIET verlengd. Er wordt overal opnieuw op papier gestemd.

De NHRPH is betrokken bij een werkgroep rond toegankelijke verkiezingen van de FOD Binnenlandse zaken. Daar pleit de NHRPH o.a. voor de mogelijkheden om van thuis te stemmen, bijvoorbeeld via smartphone of computer, teneinde iedere burger zijn recht om autonoom en geheim te kunnen stemmen te garanderen. Mensen met een handicap die beschikken over aangepaste randapparatuur of software op hun pc of smartphone zouden op die manier geheim kunnen stemmen. Ook de heer Bernard Quintin, minister van Veiligheid en Binnenlandse zaken, alludeert erop in zijn beleidsverklaring inzake de verkiezingen: “Op initiatief van mijn diensten zijn er tussen 2020 en 2023 drie studies uitgevoerd om na te denken over de toekomst van het stemmen met behulp van computertechnologieën in België, zowel door middel van een evolutie van het elektronisch stemmen zoals we dat vandaag kennen als door middel van online stemtechnologieën. Deze studies bieden interessante en gedetailleerde mogelijkheden om één of meerdere richtingen te kiezen voor de organisatie van toekomstige verkiezingen in België.”


4. ADVIES

A. Toegankelijke verkiezingen

De NHRPH hecht veel belang aan toegankelijke verkiezingen voor iedereen en verwijst naar zijn positienota en adviezen over dit thema.

B. Volgende verkiezingen

De NHRPH maakt zich zorgen over de volgende verkiezingen. De kans bestaat dat de stemprocedure voor de volgende verkiezingen minder toegankelijk wordt voor personen met een handicap, in het bijzonder voor blinde personen.

  • Voor de NHRPH is het niet aanvaardbaar dat de toegankelijkheid van de verkiezingen nog zou afnemen in de toekomst, ongeacht welke stemprocedure wordt gekozen.
  • De NHRPH verwijst hierbij naar de aanbevelingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap aan België van september 2024, en in het bijzonder artikel 61: de aanbeveling om “in nauw overleg met en actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties de toegankelijkheid van het stemmen te waarborgen, met inbegrip van de fysieke omgeving en de verstrekking van verkiezingsmateriaal en -informatie in toegankelijke formaten, voor alle personen met een handicap”.
  • Indien er op papier wordt gestemd, moet dat op een toegankelijke en autonome wijze gebeuren. Daarbij mogen de personen met een visuele handicap niet worden vergeten. De NHRPH herinnert er tevens aan dat niet alle blinde en zwaar slechtziende personen braille beheersen.

C. Nieuw offline elektronisch stemsysteem

De NHRPH eist dat het nieuwe offline elektronische stemsysteem toegankelijk zal zijn voor iedereen, zodat iedereen autonoom en geheim kan stemmen.

  • De NHRPH vraagt daarbij bijzondere aandacht voor personen met een ernstige visuele handicap. Zij kunnen nog steeds niet autonoom stemmen en moeten hun vertrouwen stellen in een persoon van eigen keuze of de voorzitter van het kiesbureau. Nochtans bestaat de vereiste technologie om een stemcomputer aan te passen. Randapparatuur- en software (bijvoorbeeld mogelijkheid tot vergroting, audioweergave met plug-in voor oortjes, pc-bediening zonder muis, …) zijn een basisvereiste voor inclusief stemmen met de stemcomputer.
  • Het lijkt de NHRPH dat er nog voldoende tijd is om het nieuwe stemsysteem te ontwikkelen voor de volgende verkiezingen. Mocht dat niet zo zijn, dan verwacht de NHRPH dat er voorrang wordt gegeven aan de toegankelijkheid ten koste van de timing, zodat de volgende verkiezingen wel toegankelijk zullen zijn.

D. Thuis stemmen - online stemmen

  • De NHRPH herhaalt zijn vraag om werk te maken van thuis te stemmen, bijvoorbeeld via de eigen pc of smartphone, en dat ten laatste tegen de volgende verkiezingen. Dat kan al in het buitenland, bijvoorbeeld in Estland. Ook in andere landen zijn onlineverkiezingen veilig en vlot verlopen. De technologie om online stemmen veilig, anoniem en zonder risico op inmenging of hacking te laten verlopen bestaat al. Op die manier zouden personen met een handicap (visuele handicap, beperkte mobiliteit, …) in het bezit van een pc/smartphone niet langer moeten stemmen bij volmacht of met assistentie.
  • De mogelijkheid van thuis stemmen ontslaat de overheid niet van de plicht om fysiek stemmen integraal toegankelijk te maken.
  • Naast stemmen per smartphone of computer zijn er nog alternatieven mogelijk zoals stemmen per brief, mobiele stembureaus, stembureaus in instellingen enz. Bij het ontwikkelen van deze alternatieven moet er aandacht zijn voor integrale toegankelijkheid en autonomie voor allen. Als een procedure te complex is, is ze niet toegankelijk (zie bijv. advies 2025-15).
  • Raadplegingen: 12

Samenvatting van het advies 2026/03: Parkeerkaart voor instellingen

Op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).

Onderwerp:

Voorstel van resolutie betreffende de invoering van een parkeerkaart voor instellingen die personen met een handicap opvangen van 9 december 2025 

Standpunt van de NHRPH:

  • Het advies van de NHRPH over het voorstel van resolutie is over de hele lijn negatief.
  • Parkeerkaarten voor personen met een handicap moeten aan een persoon met een handicap zijn gelinkt, en niet aan een kentekenplaat of voorziening of instelling.
  • Een parkeerkaart voor instellingen en voorzieningen is niet nodig. Als een kaarthouder wordt vervoerd, kan de kaart van de persoon in kwestie worden gebruikt, ook door de voorziening. 

Enkele eisen van de NHRPH:

  • Er moet prioriteit worden gegeven aan het creëren van meer en beter toegankelijke (nabijheid, grootte etc.) parkeerplaatsen voor personen met een handicap.
  • De NHRPH had moeten worden geraadpleegd. Niets over ons zonder ons.

Lees het volledige advies

  • Raadplegingen: 5

Advies 2026/03: Parkeerkaart voor instellingen

  • Jaartal advies: 2026
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2026/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie betreffende de invoering van een parkeerkaart voor instellingen die personen met een handicap opvangen van 9 december 2025.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/01/2026.

Advies op initiatief van de NHRPH.

Lees de samenvatting van het advies


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Taton c.s., indieners van het voorstel
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de DG Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan de IMC Handicap
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De indieners van het voorstel willen de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap uitbreiden tot instellingen die personen met een handicap opvangen. Overigens verkiezen de NHRPH en veel andere handicapverenigingen in het Nederlands de term ‘voorziening’ boven ‘instelling’.


3. ANALYSE

A. Bedoeling

In België kunnen voorlopig enkel personen met een handicap een Europese parkeerkaart voor personen met een handicap krijgen, op voorwaarde dat ze aan de voorwaarden voldoen. De indieners van het ontwerp van resolutie formuleren het als volgt: “Enkel de kaarthouder mag ze gebruiken, ofwel iemand anders op voorwaarde dat die kaarthouder zich in het voertuig bevindt.” Dit klopt echter niet. Uiteraard moet de kaarthouder tijdens het parkeren niet in het voertuig blijven, anders zou de parkeerkaart weinig zin hebben. Het volstaat dat de parkeerkaart reglementair achter de voorruit wordt geplaatst. (In sommige steden en gemeenten is ook een registratie via handyPark nodig.)

Met dit voorstel van resolutie willen de indieners bewerkstelligen dat welbepaalde instellingen een parkeerkaart voor PBM [personen met ene beperkte mobiliteit] gekoppeld aan de kentekenplaat mogen gebruiken, zoals in onze buurlanden. De invoering van die kaart zou zorgen voor meer duidelijkheid, rechtszekerheid en administratieve efficiëntie, zonder dat het Europese rechtskader in het gedrang komt. Nauwkeurig omschreven criteria moeten een oordeelkundig gebruik van die kaart en een eenvoudige controle door de politie mogelijk maken.

“Momenteel mogen voertuigen van opvangcentra die in de begeleiding van PBM zijn gespecialiseerd, niet parkeren op die [voorbehouden] plaatsen.”

Dit laatste klopt niet helemaal. Voorzieningen mogen de parkeerkaart van een persoon met een handicap nu al gebruiken als die persoon zelf rijdt of meerijdt. Als de voorzieningen meerdere kaarthouders tegelijk vervoeren in hetzelfde voertuig, moeten ze slechts één parkeerkaart van een vervoerde persoon gebruiken bij het parkeren. De opstellers van het voorstel zien echter problemen:

Die centra hebben namelijk niet altijd de parkeerkaarten voor de betrokkenen in hun bezit, maar bovendien willen de wettige voogden of de familie die belangrijke documenten niet aan hen doorgeven, vaak uit angst dat ze zoek zullen geraken of ongepast zullen worden gebruikt. En zelfs als een instelling erover kan beschikken, moet ze dagelijks met verschillende persoonlijke kaarten jongleren en telkens de kaart van iemand die daadwerkelijk meerijdt op het dashboard plaatsen. Dat vergroot de kans op vergissingen, doet tijd verloren gaan en verhoogt het risico op non-conformiteit bij controle. Een dergelijke werkwijze is gecompliceerd, tijdverslindend en ongepast.

De indieners van het voorstel van resolutie menen dat de gewesten en gemeenschappen bevoegd moeten zijn voor het beheer en de afgifte van de parkeerkaarten:
“Om dit voorstel van resolutie om te zetten in Belgische wetgeving, moeten bepaalde (ministeriële of koninklijke) besluiten worden gewijzigd. Tegelijk moeten de gewesten en gemeenschappen belast worden met het beheer en de afgifte van de parkeerkaarten voor BPM, in overeenstemming met de nieuwe regelgeving.
Gelet op de bevoegdheidsverdeling op het gebied van mobiliteit en parkeren zouden de afgifte en het praktische beheer van die parkeerkaart onder de bevoegdheid van de gewesten en gemeenschappen vallen, op basis van duidelijke federale wettelijke bepalingen.”

Vooralsnog is de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale zekerheid bevoegd.

B. Voorbeelden van buurlanden

Ter staving van hun voorstel verwijzen de opstellers naar Nederland, Duitsland en in mindere mate ook Frankrijk die een regeling hebben voor voorzieningen.
In Duitsland en Nederland mogen voertuigen die door centra en structuren voor PBM worden gebruikt, vandaag parkeren op de PBM-parkeerplaatsen.
Hoewel de parkeerkaarten in Duitsland op naam zijn, kunnen diensten voor het vervoer van personen met een handicap een speciale parkeervergunning krijgen, gelinkt aan de kentekenplaat van het dienstvoertuig. Die vergunning verleent binnen welbepaalde zones soortgelijke rechten als de PBM-kaart.
In Frankrijk is de parkeerregeling voor PBM eveneens gebaseerd op kaarten op naam (Carte Mobilité Inclusion, CMI). De Franse wetgeving voorziet echter in bepaalde aanpassingen voor gespecialiseerde instellingen; die kunnen een specifieke sticker op hun dienstvoertuigen aanbrengen waardoor ze op voorbehouden plaatsen mogen parkeren wanneer ze mensen vervoeren die voor de CMI in aanmerking komen.
In Nederland worden de kaarten eveneens op naam van de persoon met een handicap uitgereikt, maar bestaan er daarnaast ook specifieke kaarten voor bepaalde instellingen. Ook in Nederland is de kaart aan de kentekenplaat van het voertuig gekoppeld.
De kaart wordt uitgereikt aan gespecialiseerde instellingen, die dan mogen parkeren op plaatsen die aan PBM zijn voorbehouden, zelfs als de begunstigde niet in het voertuig zit wanneer het stilstaat en wordt geparkeerd. (…) De kaart geldt enkel in Nederland”.


4. ADVIES

Het advies van de NHRPH over het voorstel van resolutie is over de hele lijn negatief. De NHRPH blijft het principe verdedigen dat parkeerkaarten voor personen met een handicap moeten zijn gelinkt aan een persoon met een handicap, en niet aan een kentekenplaat of voorziening.

A. Geen meerwaarde

De NHRPH ziet geen meerwaarde in een parkeerkaart voor voorzieningen.

  • De bestaansreden voor de parkeerkaart is om het de persoon met een handicap enigszins gemakkelijker maken in een omgeving die al te vaak ontoegankelijk is. De parkeerkaart is echter niet bedoeld als een handig gadget voor voorzieningen die overal vlot willen parkeren.
  • Als een kaarthouder wordt vervoerd, kan de kaart van de persoon in kwestie worden gebruikt, ook door de voorziening. Voorbeeld: bij een busreis volstaat het dat één enkele persoon in de bus een parkeerkaart heeft om die te mogen gebruiken.
  • De kaart is gelinkt aan de persoon, en niet aan de voorziening of aan de familie of de bewindvoerder van de persoon. Als de persoon in een voorziening verblijft, heeft het geen zin dat de familie of bewindvoerder de parkeerkaart achterhouden, want die kunnen en mogen die dan niet gebruiken.
  • Het risico op beschadiging of verlies van de parkeerkaart is geen valabel argument voor een parkeerkaart voor voorzieningen. Wanneer iemand zijn kaart verliest, kan er immers een duplicaat worden aangevraagd, waarna de oude kaart ongeldig wordt.
  • Wat voor de NHRPH absoluut onaanvaardbaar zou zijn, is dat voorzieningen op voorbehouden plaatsen kunnen parkeren ZONDER dat een menselijke kaarthouder wordt vervoerd.
  • De NHRPH vreest een toename van het aantal misbruiken, bijv. het gebruik van de kaart door voorzieningen zonder dat de persoon met een handicap wordt vervoerd, maar zogezegd wel in het kader van de hulp aan de personen met een handicap (boodschappen enz.). Dat zou bovendien moeilijk te controleren zijn.
  • Zoals reeds aangegeven in meerdere adviezen, vindt de NHRPH het essentieel dat de parkeerkaart gelinkt is aan de persoon, en niet aan een kentekenplaat (of aan een voorziening). Veel kaarthouders hebben geen eigen wagen en laten zich vervoeren door meerdere mensen uit hun omgeving, elk met een andere kentekenplaat. Een parkeerkaart gelinkt aan één kentekenplaat zou hen zwaar beperken in hun bewegingsvrijheid.
  • Algemeen gesproken zijn er te weinig parkeerplaatsen voor personen met een handicap (zie bijv. de Conceptnota voor nieuwe regelgeving over het aantal aangepaste parkeerplaatsen voor personen meteen verminderde mobiliteit of met een handicap – Vlaams Parlement 08/12/2025). Vaak wordt zelfs de regionale richtnorm niet gehaald. Dit voorstel van resolutie zou het tekort voor de personen met een handicap mogelijk nog verergeren.
    • Er moet prioriteit worden gegeven aan het creëren van meer en betere parkeerplaatsen voor personen met een handicap.
  • Voorbehouden parkeerplaatsen bevinden zich doorgaans extra dicht bij de bestemming (station, hospitaal, luchthaven enz.), om de toegankelijkheid ervan te vergroten. Wie zal er baat bij hebben als de voorzieningen parkeerkaarten krijgen? De persoon met een handicap? Of het personeel van de voorziening? Het is niet logisch dat het personeel van de voorziening systematisch gebruik kan maken van de parkeerfaciliteiten ten koste van personen met een handicap die hier zelf veel meer nood aan hebben.
  • De controle van het juiste gebruik van parkeerkaarten geeft nu al problemen (te weinig controles, scan cars die de kaart niet lezen, …). De NHRPH ziet niet hoe het uitbreiden van de parkeerkaart tot instellingen die situatie zou kunnen verbeteren.
  • Met de parkeerkaart heeft de kaarthouder ook andere parkeerfaciliteiten, bijvoorbeeld gratis en/of voor onbepaalde duur parkeren op gewone parkeerplaatsen. Is het echt nodig dat voorzieningen die faciliteiten krijgen? Ter herinnering: ze krijgen die faciliteiten al als ze een kaarthouder vervoeren.

B. Welke voorwaarden?

  • Het voorstel van resolutie zegt hierover: “Nauwkeurig omschreven criteria moeten een oordeelkundig gebruik van die kaart en een eenvoudige controle door de politie mogelijk maken”, maar de indieners beperken zich tot het verwijzen naar de buitenlandse voorbeelden. Het is daarbij niet duidelijk welke voorzieningen in aanmerking zouden komen en welke niet.
    • Concrete criteria ontbreken in het ontwerp van resoluties.
    • De keuze van voorwaarden kan mogelijk een oneerlijke concurrentie tussen de verschillende voorzieningen Het valt te verwachten dat de kleinere spelers in het nadeel zouden zijn.
  • Van de aangehaalde buitenlandse voorbeelden heeft enkel Nederland een echte parkeerkaart op naam van de voorziening. Die kaart is enkel in Nederland geldig. De NHRPH vraagt zich af of die kaarten op naam van voorzieningen mogelijk straffeloos worden gebruikt in het buitenland.

C. Raadpleging van de NHRPH

  • De NHRPH, is belast met het onderzoeken van alle materies op federaal niveau die een invloed hebben op het leven van personen met een handicap. Voor dit ontwerp van resolutie is de NHRPH echter niet om advies gevraagd. Hadden de indieners tijdig de NHRPH om advies gevraagd, dan had die sneller op de risico’s en problemen van het voorstel kunnen wijzen.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2025/32 - Websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2025/32 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties en van de wet van 4 mei 2016 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie.

Uitgebracht na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 12/12/2025.

Advies op vraag van mevrouw Vanessa Matz, Minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid in haar brief van 07/11/2025, na hierom te zijn verzocht door de Ministerraad op 17/10/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, Minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, vice-eersteminister en minister van Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Minister vraagt het advies van de NHRPH over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties en van de wet van 4 mei 2016 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie.


3. ANALYSE

A. Algemeen kader

In de beschrijvende fiche van de geïntegreerde impactanalyse staat:

Het wetsontwerp heeft tot doel de verplichting van overheidsinstanties om een niet-digitaal kanaal aan te bieden, wettelijk vast te leggen. Het gaat hier niet om een nieuwe verplichting, aangezien deze verplichting een toepassing is van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van gelijke toegang tot openbare diensten, die deel uitmaken van de beginselen van behoorlijke bestuur, waarin wordt bepaald dat alle gebruikers van een openbare dienst die zich in dezelfde situatie bevinden, gelijk moeten worden behandeld. Ze voorkomen dat een burger gedwongen wordt om alleen via een digitaal kanaal toegang te krijgen tot openbare diensten en daardoor gediscrimineerd wordt.

Art. 2. In het opschrift van de wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties worden de woorden “en de beschikbaarheid van overheidsinstanties via niet-digitale kanalen” toegevoegd.

Volgens de memorie van toelichting:

Dit artikel wijzigt het opschrift van de wet van 19 juli 2018 inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties om te verduidelijken dat de wet ook betrekking heeft op de beschikbaarheid van instellingen in de publieke sector via niet-digitale kanalen.

De term "beschikbaarheid" heeft de voorkeur boven de term "toegankelijkheid" omdat laatstgenoemde in de wet is gedefinieerd in artikel 3.9 en zich specifiek richt op websites en mobiele applicaties. Deze definitie komt uit de Europese richtlijn die door de wet werd omgezet, en kan daarom niet worden gewijzigd.

De NHRPH vindt de formulering van de memorie van toelichting verwarrend en heeft hier vragen en bedenkingen bij.

  • Is de term ‘beschikbaarheid’ werkelijk te verkiezen boven ‘toegankelijkheid’?
  • Welke van de twee termen richt zich specifiek op websites en mobiele applicaties?
  • Zelfs als een term in de wet is gedefinieerd, kan die wet worden aangepast.
  • Een Europese richtlijn stelt een minimumtoepassing voor, maar landen hebben het recht om verder te gaan.

Nog volgens de memorie van toelichting zal er nu dus staan: “Wet inzake toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties en de beschikbaarheid van overheidsinstanties via niet-digitale kanalen”.

Op de website van de Belgische overheid lezen we:

De ministerraad keurt op voorstel van de minister belast met Digitalisering, Vanessa Matz, een voorontwerp van wet goed dat alle federale overheidsdiensten verplicht om minimaal één niet-digitaal communicatiemiddel zonder meerkost [voor de gebruikers] in te voeren waarmee burgers met de overheid kunnen communiceren en administratieve procedures kunnen uitvoeren.

Het gaat om de verankering van dit principe in de wet, niet om een nieuwe verplichting. Deze verplichting is immers een toepassing van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van gelijke toegang tot openbare diensten. De maatregel voorkomt dat een burger gedwongen wordt om alleen via een digitaal kanaal toegang te krijgen tot openbare diensten en daardoor gediscrimineerd wordt.

Er is ook voorzien dat de overheidsdiensten, naast het behoud van ten minste één niet-digitaal kanaal, hun doelgroep begeleiden bij het uitvoeren van onlineprocedures.

Ten slotte wordt er een controle ingesteld om na te gaan of de verplichting daadwerkelijk wordt nageleefd.

Voor een goed begrip vermelden wij hier nog het artikel 7 van de oorspronkelijke wet van 19 juli 2018. Dit artikel handelt over de toegankelijkheidsverklaring en wordt niet geviseerd in het voorliggende voorontwerp van wet:

Art. 7.§ 1. De overheidsinstanties verstrekken een gedetailleerde, alomvattende en duidelijke toegankelijkheidsverklaring over de conformiteit van hun websites en mobiele applicaties met deze wet, en werken die verklaring regelmatig bij. Zij voorzien eveneens voor elke website en mobiele applicatie in een feedbackmechanisme dat elke persoon in staat stelt bij de betrokken overheidsinstantie melding te maken van eventuele niet-naleving op haar website of mobiele applicatie van de in artikel 5 bedoelde toegankelijkheidseisen, en om uitgesloten informatie op te vragen. De overheidsinstanties geven binnen een redelijke termijn een adequaat antwoord op de melding of het verzoek, en communiceren via het feedbackmechanisme hoe lang deze termijn maximaal kan bedragen.

§ 2. Voor websites wordt de toegankelijkheidsverklaring verstrekt in een toegankelijk formaat, waarbij gebruik wordt gemaakt van de in Richtlijn (EU) 2016/2102 bedoelde modeltoegankelijkheidsverklaring, en wordt zij op de desbetreffende website gepubliceerd.

Voor mobiele applicaties wordt de toegankelijkheidsverklaring verstrekt in een toegankelijk formaat, waarbij gebruik wordt gemaakt van de in Richtlijn (EU) 2016/2102 bedoelde modeltoegankelijkheidsverklaring, en is zij beschikbaar op de website van de overheidsinstantie die de betrokken mobiele applicatie heeft ontwikkeld, of samen met andere informatie die bij het downloaden van de applicatie beschikbaar is.

De verklaring omvat de volgende elementen:

    1. een toelichting over de delen van de inhoud die niet toegankelijk zijn, de redenen daarvoor, en in voorkomend geval, de toegankelijke alternatieven waarin is voorzien;
    2. een beschrijving van, en een link naar, het in paragraaf 1 bedoelde feedbackmechanisme;
    3. een link naar een handhavingsprocedure zoals beschreven in artikel 8, die kan worden toegepast in geval van een onbevredigend antwoord op de melding of het verzoek.

In de nota van 16/10/2025 aan de Ministerraad geeft de minister nog volgende informatie:

In het kader van zijn controleopdracht met betrekking tot de digitale toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties van openbare diensten, zoals bepaald in de huidige wet, voert de FOD Beleid en Ondersteuning de controles uit en brengt hij verslag uit.

Er is gekozen ervoor dat de FOD Beleid en Ondersteuning controleert of er ten minste één niet-digitaal kanaal aanwezig is voor communicatie en voor het uitvoeren van administratieve procedures, zoals vermeld in de toegankelijkheidsverklaring.

In dit verband wordt voorgesteld om binnen de FOD Beleid en Ondersteuning een speciaal team op te richten, dat zich aansluit bij het team dat reeds de digitale toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van de federale overheidsdiensten controleert, maar met een specifieke taak die een aanvulling vormt op de huidige controles.

De precieze controlevoorwaarden zullen worden vastgelegd in een koninklijk uitvoeringsbesluit.

B. Inhoud van de artikels van het voorontwerp

  • Artikel 4

In dezelfde wet [van 19 juli 2018] wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 8/1. §1. Met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en onverminderd andersluidende bepalingen in of krachtens de wet, voorzien de overheidsinstanties voor natuurlijke personen ten minste één mogelijkheid om te communiceren en om administratieve procedures te realiseren op een andere manier dan via websites en mobiele applicaties, zonder dat dit extra kosten voor de gebruiker met zich meebrengt.

§ 2. De overheidsinstanties passen hun mogelijkheden aan op basis van hun diensten, hun administratieve procedures en hun doelgroep, en informeren de natuurlijke personen hierover in de toegankelijkheidsverklaring bedoeld in artikel 7.” 

  • Artikel 5

In artikel 8 §5 van de wet van 19 juli 2018 gaat het over “opleidingsprogramma's in verband met de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties, ten behoeve van relevante belanghebbenden, waaronder het personeel van overheidsinstanties, die ontworpen zijn om hen op te leiden om de toegankelijke inhoud van websites en mobiele applicaties te maken, te beheren en bij te werken.

Het voorliggende voorontwerp van wet bepaalt:

In dezelfde wet [van 19 juli 2018] wordt een artikel 8/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 8/2. De overheidsinstanties zorgen ervoor dat zij ondersteuning bieden die is afgestemd op hun diensten en hun doelgroep, zodat communicatie met overheidsinstanties of het uitvoeren van administratieve procedures via websites en mobiele applicaties mogelijk wordt.”

C. Impact

De NHRPH vraagt al jaren dat de overheid systematisch niet-digitale alternatieven zou aanbieden in de contacten tussen haar diensten en het publiek, in het bijzonder naar de groepen toe voor wie de digitalisering vaak een uitdaging is, zoals – maar niet uitsluitend – personen met een handicap. Volgens de memorie van toelichting gaat het om 40% van de Belgische bevolking. De groep van de personen met een handicap is oververtegenwoordigd in dit percentage. Hoewel de digitalisering zeker mogelijkheden biedt, ook voor sommige personen met een handicap, kan ze ook een bron van uitsluiting zijn. De NHRPH heeft al in tal van adviezen gewezen op de digitale kloof en vraagt al vele jaren om steeds een toegankelijk niet-digitaal alternatief aan te bieden.

Uit de geïntegreerde impactanalyse van 02/09/2025 onthoudt de NHRPH vooral:

  • Kansarmoedebestrijding – positieve impact

Het ontwerp heeft tot doel natuurlijke personen een niet-digitale toegang tot de overheid te garanderen en zo de digitale kloof te verkleinen. Personen die met een digitale kloof worden geconfronteerd, zullen namelijk contact kunnen blijven opnemen met de federale overheidsdiensten en hun procedures op niet-digitale wijze kunnen afhandelen.
Bovendien wil het project overheidsinstanties verplichten om ondersteuning te bieden aan burgers die wel gebruik willen maken van digitale hulpmiddelen, maar daarbij begeleiding nodig hebben.

  • Gelijke kansen en sociale cohesie – positieve impact

Het wetsontwerp heeft tot doel een niet-digitaal kanaal te garanderen om contact op te nemen met de federale overheidsdiensten. Het doel is ervoor te zorgen dat natuurlijke personen niet verplicht worden om digitale hulpmiddelen te gebruiken om contact op te nemen met de federale overheidsdiensten en dus niet worden gediscrimineerd op basis van hun computervaardigheden, hun vermogen om computerapparatuur aan te schaffen, enz.

  • Kmo’s – Er is een negatieve impact

Het wetsontwerp heeft geen betrekking op rechtspersonen. Rechtspersonen zijn verplicht om digitaal te communiceren met de federale overheidsdiensten. Dit kan dus een negatieve impact hebben op bedrijven met beperkte digitale vaardigheden.

Als voorbeelden van niet-digitale kanalen vermeldt de minister in de memorie van toelichting telefoondienst, een contactpunt per post en fysieke onthaalpunten.

Opmerking: de maatregel is beperkt tot natuurlijke personen. Volgens de memorie van toelichting: Deze maatregel is beperkt tot natuurlijke personen. Verschillende wetten sluiten namelijk al vandaag de dag personen met een ondernemingsnummer uit van de mogelijkheid om andere kanalen dan digitale kanalen te gebruiken. (…) De Raad van State heeft niet vastgesteld dat er sprake is van discriminatie, aangezien dit onderscheid is gebaseerd op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bezit van een ondernemingsnummer. (…) Een natuurlijke persoon die ook een ondernemingsnummer heeft, moet zich daarom bewust zijn van de context waarin hij of zij met een overheidsinstantie interageert.

Overigens is het overgrote deel van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties van België nog steeds niet conform de Europese Richtlijn 2016/2102, zoals blijkt uit het Rapport over de digitale toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties van het Koninkrijk België – 2024:
Het percentage niet-conforme websites is gedaald van 76% in 2021 tot 72% in de nieuwe periode [2022-2024]. Dit is een zeer kleine verbetering.


4. ADVIES

A. Algemeen kader

  • Hoewel de NHRPH het waardeert dat zijn advies wordt gevraagd, zoals bepaald in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, vraagt de NHRPH zich af in welke mate er nog rekening zal kunnen worden gehouden met zijn advies, aangezien de Ministerraad het voorontwerp al heeft goedgekeurd op 17/10/2025. 
    • Gelieve steeds tijdig het advies van de NHRPH in te winnen, nl. in het begin van de beleidsgesprekken en bij het opstellen van de teksten, wanneer die nog terdege kunnen worden bijgestuurd. Niets over ons zonder ons!

B. Voorontwerp

  • Artikel 4
    • De NHRPH vindt het vanzelfsprekend dat overheidsdiensten de aangehaalde niet-digitale alternatieven - telefoondienst, een contactpunt per post en fysieke onthaalpunten – verplicht alle drie tegelijk en zonder meerkosten voor de burger aanbieden - en niet minimaal één.
      • Een fysiek loket met degelijk opgeleid personeel dat kennis heeft van omgang met personen met een handicap: gebarentaal, begeleiding, begrip voor de handicap enz.
      • Een gratis telefoonnummer met een menselijk contact. Het gratis telefoonnummer moet ook bereikbaar via een gebarentolkendienst op afstand.
        Opgelet: keuzemenu’s met nummerkeuze of spraakbevestiging zijn niet altijd toegankelijk.
      • Een postadres met goede en snelle opvolging van de correspondentie.
    • De 3 niet-digitale alternatieven moeten onafhankelijk van elkaar kunnen worden gebruikt, zonder dat ze naar elkaar doorverwijzen.
    • De NHRPH wijst in het bijzonder op het belang van kanalen met direct intermenselijk contact, zoals telefonisch contact en een fysiek menselijk onthaal (met opgeleid personeel), waarbij ook moet worden gedacht aan gebarentaal en eenvoudig taalgebruik. Die kanalen zijn doorgaans veel toegankelijker, directer, sneller en interactiever dan briefwisseling.
    • Bij de digitale opties benadrukt de NHRPH het belang van een vlotte correspondentie per e-mail en het belang van toegankelijke onlineformulieren.
    • De NHRPH vindt artikel 4 §2 (De overheidsinstanties passen hun mogelijkheden aan op basis van hun diensten, hun administratieve procedures en hun doelgroep) te vrijblijvend en meent dat overheidsinstanties hun mogelijkheden in de eerste plaats moeten aanpassen aan de doelgroep. Als de overheidsdiensten en hun administratieve procedures niet toegankelijk zijn, moeten ze daar werk van maken!
    • De NHRPH betreurt dat de maatregel is beperkt tot natuurlijke personen, aangezien het een extra obstakel creëert voor ondernemers met een handicap en andere ondernemers die digitaal minder sterk staan. Dit punt kwam ook aan bod in de geïntegreerde impactanalyse (zie hoger).
  • Artikel 5

Artikel 5 gaat over opleidingsprogramma's in verband met de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties voor de doelgroep, nl. het publiek dat moeite heeft met het digitale niveau.

    • Hoewel de NHRPH de mogelijke waarde van digitale kanalen erkent – nogmaals: steeds naast een niet-digitaal alternatief – en van opleidingen, moeten de digitale kanalen integraal toegankelijk zijn voor iedereen. Het kan dus ook niet de bedoeling zijn dat de toegang tot de overheid afhankelijk is van bijv. het volgen van een opleiding.
    • De kosten van eventuele opleidingen, bijv. begeleiding bij het gebruik van de smartphone, mogen niet voor rekening van de persoon met een handicap
    • Er moet dringend werk worden gemaakt van het toegankelijk maken van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties in België: zij moeten minimaal voldoen aan de Europese Richtlijn 2016/2102. Momenteel is een minderheid van de websites en applicaties conform.
    • België mag ambitieuzer zijn in de uitvoering van de richtlijn. De richtlijn is een minimumnorm. En zelfs die wordt niet gehaald
  • Artikel 6

Artikel 8 van de wet van 19 juli 2018 handelt over het controleorgaan en de controlemodaliteiten. Artikel 6 van het voorliggende voorontwerp van wet voegt hier o.a. wat volgt aan toe: “Iedereen kan een inbreuk op de verplichtingen van artikel 8/1 onder de aandacht van de controle-instantie brengen.

    • De NHRPH waardeert de aanvulling, maar wijst erop dat het succes van deze toevoegingen afhangt van de efficiëntie van de controle-instantie en de mogelijkheid van concrete sancties bij niet-naleving.
      • Welke middelen krijgt de controle-instantie voor deze opdracht, gezien het feit dat het voorontwerp begrotingsneutraal zou zijn?
      • Zijn er sancties voorzien? Zo ja: welke? Of blijft het bij louter rapportage en eventueel opvolging?
    • De NHRPH dringt aan op de oprichting van een controle-instantie die voldoende middelen heeft om haar controletaak efficiënt uit te oefenen, de toegankelijkheid af te dwingen en zo nodig remediërende sancties op te leggen.
    • De NHRPH vraagt om een strikt koninklijk uitvoeringsbesluit waarin de precieze controlevoorwaarden helder en ambitieus worden vastgelegd, zonder uitzonderingen of achterpoortjes.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/31 - Online bevraging over de hervorming van de wet van 1987

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/31 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de online bevraging van de DG HAN in het kader van de hervorming van de wet van 27 februari 1987.

Uitgebracht na e-mail raadpleging tussen 12.12 en 18.12.2025.

Advies op eigen initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding;
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister;
  • Ter informatie aan de voltallige regering De Wever;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

De online bevraging die de DG HAN lanceerde in het kader van de geplande hervorming van de wet van 27 februari 1987 inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.


3. ANALYSE

  • Geen voorafgaand overleg met de NHRPH

Op maandagavond 03.11.2025 werd vanuit de DG HAN een mail verstuurd om te vragen of de NHRPH tegen de vrijdag erop (07.11) om 12u commentaar kon geven op het voorstel van de consultant.

De NHRPH heeft op 07.11 meerdere bedenkingen doorgegeven aan de DG HAN en aan het kabinet Beenders. De algemene boodschap was:

    • deze enquête is niet rijp; wat is de visie van de hervorming?  
    • waarom zijn de personen met een handicap en hun familie niet bevraagd ?
    • meerdere prioriteiten zijn niet voorgelegd alhoewel ze enorm van belang zijn.

De DG HAN heeft de ontvangst bevestigd van de brief van de NHRPH die op 7 november is gestuurd zonder verdere uitleg. De NHRPH kan echter helemaal niet nagaan in hoeverre haar aanbevelingen in aanmerking zijn genomen:  de online enquête die op 10 november is gepubliceerd, weerspiegelt niet de bezorgdheid van de NHRPH. De NHRPH heeft ook geen uitleg gekregen over de redenen waarom haar bezorgdheid en verwachtingen niet in aanmerking zijn genomen. Het geeft de indruk dat de NHRPH “voor niets” heeft gewerkt.

Deze werkwijze is totaal in strijd met:

  • De enquête is niet bestemd voor de personen met een handicap en hun families

De eerste betrokkenen — personen met een handicap (PMH) en hun gezinnen — werden niet vanaf het begin betrokken (krijgen de enquête niet en worden niet uitgenodigd op de ateliers van 15 en 16 december), terwijl zij de primaire gebruikers van het systeem zijn ; alleen administraties en professionelen worden bevraagd en uitgenodigd.

Door de complexiteit van de enquêtevragen, het gebrek aan informatie over verschillende concepten in de enquête en het zeer strakke tijdschema kunnen de verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen geen overleg plegen met hun leden. Dit is met name nodig bij bepaalde voorstellen die nog nooit eerder zijn besproken.

  • Geen participatieve processtructuur want:
    • de enquête laat niet toe om de visie van de gebruikers te reconstrueren. Er zijn veel aspecten die niet aan bod komen en er is geen manier waarop respondenten zorgen kunnen melden die niet in de vragen aan bod komen.
    • de enquête mag niet gedeeld worden, wat de participatie volledig ondermijnt.
    • De enquête vertrekt ook helemaal niet vanuit de gebruiker: geen toegankelijke taal (geen begeleidingsbrief voorzien, geen uitleg van de gebruikte concepten), geen enkele begeleiding voorzien bij het invullen.
    • Er werd ook geen ontvangstdag georganiseerd om personen met een handicap die geen e-mailadres hebben, de kans te geven hun stem te laten horen en zo aan de enquête deel te nemen. Dit is een flagrant voorbeeld van het niet-uitoefenen van rechten voor personen die geen toegang hebben tot het internet.
    • er is geen duidelijkheid over wat met de antwoorden gebeurt – scoring van antwoorden voor de professionelen komt niet per se overeen met die van de PMH.
  • De enquête voldoet niet aan vorm- en inhoudvereisten

De inhoud van de enquête en de gestelde prioriteiten en vragen:

    • vertrekken niet van de ervaring van personen met een handicap;
    • zijn vaak tendentieus, reducerend of onduidelijk (zie terminologie hieronder);
    • het overleg lijkt een gesloten proces;
    • mist een grondige analyse van het huidige systeem;
    • is niet ingebed in een globale visie op sociale bescherming;
    • laat geen ruimte voor een integrale hervorming;
    • Vragen met scores zijn makkelijk voor de verwerker van de enquête, niet voor de gebruiker. Nuances gaan verloren. Een gemiste kans bij een hervorming van dergelijke omvang.
  • Problematische terminologie en logica
    • De enquête vernoemt concepten zonder ze uit te leggen: hoe kan de persoon zich verhouden tot een concept zonder de inhoud en reikwijdte ervan te begrijpen? Bijvoorbeeld: “nieuwe beoordelingsschalen”, “overgangstoelage”, “sociale erkenning” ...
    • Andere voorbeelden zijn: “begin van de zaak”, “versnellen van de behandeling indien volledig dossier”: deze formulering vertrekt vanuit een administratieve logica, niet vanuit gebruikersnoden. Betekent dit bijvoorbeeld dat onvolledige dossiers in de toekomst zullen worden geweigerd? Deze maatregel zou volledig in strijd zijn met de strijd tegen de non-take-up!
    • Er wordt vaak over tegemoetkomingen gesproken zonder onderscheid te maken tussen de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming en soms worden er ook dingen door elkaar gehaald.
    • Schalen kunnen verwarrend zijn bij cognitieve beperkingen of concentratieproblemen. Context en begeleiding zijn broodnodig als men wil spreken van een breed gedragen onderzoek.
    • Er is veel sprake van het uitwisselen van gegevens. De NHRPH herinnert eraan dat de regelgeving specifieke en niet-overlappende doelstellingen nastreeft en dat de verstrekte gegevens moeten worden gebruikt en begrepen binnen een soms strikt kader; één enkel dossier om deuren te openen en sneller toegang te krijgen tot rechten, ja! maar niet om ongewenste effecten te veroorzaken. Concreet voorbeeld: iemand die door de VDAB naar een baan wordt begeleid, kan daarom nog steeds aanspraak maken op een IVT.
  • Algemene filosofie van de hervorming

Welke visie? “Werk moet lonen”? Dit is niet de eerste prioriteit voor een persoon die de rest van zijn leven dagelijks geconfronteerd wordt met zijn ziekte of handicap. Prioriteit geven aan inclusie door werk is een belediging voor iedereen die nooit zal kunnen werken, het is ook een stigmatisering, terwijl toegang tot werk volledig buiten de wil van de persoon zelf ligt! We leven bovendien in een maatschappij die niet de minimale toegankelijkheid voor mogelijke participatie en inclusie biedt.

De eerste stap in de bevraging had moeten zijn: vragen aan de PMH zelf wat ze verwachten van de wet en hoe deze wet concreet kan helpen om de aanbevelingen van het UNCRPD concreet uit te werken.

  • Het gehanteerde standstill-principe
    • De NHRPH benadrukt nogmaals dat tijdens de hervorming geen afbreuk mag worden gedaan aan bestaande rechten en tegelijkertijd moet de hervorming leiden tot een hoger beschermingsniveau.
    • De NHRPH benadrukt dat het uiteindelijke beschermingsniveau aanzienlijk hoger moet zijn, aangezien een grote meerderheid van de personen met een handicap in onwaardige omstandigheden leeft en te maken heeft met extra kosten als gevolg van een omgeving vol obstakels.
    • De NHRPH benadrukt dat het uiteindelijke beschermingsniveau ten minste equivalent moet blijven en idealiter aanzienlijk hoger moet liggen: wat is anders het nut van een hervorming voor de PMH ?
    • De persoon met een handicap moet over de autonomie beschikken om zelf te beslissen hoe hij zijn inkomen aanwendt (UNCRPD) . Het kan niet de bedoeling zijn dat de persoon met een handicap zijn kosten moet bewijzen.
    • De tegemoetkomingen liggen ver onder de armoedegrens er is geen automatisch terugvallen op de IVT mogelijk na tewerkstelling en niet iedereen kan werken. De enquête laat voorkomen alsof je ofwel werkt ofwel bijstand verleend krijgt. Er wordt niet gesproken over oplossingen tussenin ofwel oplossingen op maat van elke persoon met een handicap.
    • De NHRPH vraagt dat afgeleide rechten (bijv. fiscale en andere sociale rechten gekoppeld aan IT) niet verloren gaan door technische regels bij het berekenen van of kleine wijzigingen in het inkomen. Deze compensaties kunnen overigens ook nooit worden gelijkgesteld met financiële middelen.
  • De hervorming kan niet slagen zonder bredere structurele maatregelen

De NHRPH benadrukt dat een hervorming van de wet 1987 nooit zal volstaan zolang de volgende domeinen niet mee evolueren:

    • Onderwijs

Zonder inclusief onderwijs en kwalitatief gespecialiseerd onderwijs blijven jongeren later vastlopen in opleiding, werk en participatie.

    • Werk en arbeidsmarkt

Vandaag de dag zijn er:

      • geen verplichtingen voor werkgevers om PMH aan te werven;
      • onvoldoende redelijke aanpassingen;
      • discriminatie en vooroordelen;
      • gebrek aan ondersteuning en begeleiding naar werk en op de werkvloer.

De IVT moet een stabiele veiligheidsbasis vormen – ook bij onderbroken of onzekere loopbanen.

    • Grondrechten & autonomie

Personen met een handicap moeten zelf keuzes kunnen maken over wonen, mobiliteit, zorg, studie, werk.
Wanneer gezinnen niet over voldoende middelen beschikken, worden zij gedwongen richting residentiële voorzieningen of andere ongewenste opties.

De hervorming moet daarom vertrekken van en streven naar :

      • autonomie;
      • keuzevrijheid;
      • bijstand in plaats van vertegenwoordiging;
      • ondersteuning en inclusie  in de samenleving in plaats van institutionalisering.

4. ADVIES

De NHRPH herhaalt dat een hervorming van deze wet dringend, noodzakelijk en onvermijdelijk is (zie advies 2025-13): het huidige stelsel is niet aangepast aan de realiteit van vandaag, druist in tegen de verplichtingen van de UNCRPD en houdt structureel armoede en uitsluiting in stand voor een grote groep personen met een handicap.

Een hervorming is dus zeer welkom, maar de manier waarop deze hervorming werd aangepakt, baart de NHRPH grote zorgen.

De NHRPH vraagt dat:

  • De enquête wordt stopgezet of grondig herwerkt, met voorafgaand overleg met de NHRPH.
  • Personen met een handicap en hun families vanaf het begin en doorheen het hele traject betrokken worden.
  • De hervorming moet gebaseerd zijn op actuele cijfers en data en de spiegel zijn van de verwachtingen van de PMH en hun familie.
  • De hervorming wordt ingebed in een globale visie op inclusie, armoedebestrijding en grondrechten. Naast de hervorming van de wet van 1987 moet er ook worden geïnvesteerd in andere domeinen, zoals redelijke aanpassingen, begeleiding naar en op de werkplek, verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, versterking van de thuiszorg voor en na het werk, enz. Het federale plan voor personen met een handicap, dat begin 2026 wordt verwacht, moet de nodige antwoorden bieden. De ICM Handicap moet zorgen voor de interfederale uitvoering ervan.
  • Het uiteindelijke beschermingsniveau niet wordt verminderd, maar wordt verhoogd voor elke persoon met een handicap. De IVT moet minimaal de armoedegrens bereiken en worden geactiveerd tijdens elke periode van inactiviteit, ongeacht de reden. De IT moet rekening houden met de ontoegankelijkheid van onze omgeving en alle extra kosten die daarmee gepaard gaan op alle mogelijke vlakken van het leven.
  • De doelstellingen van de hervorming worden herzien zodat de wet beantwoordt aan de doelstellingen van zelfstandig en inclusief leven. De strijd tegen armoede en NTU moet een absolute prioriteit zijn; de overheid moet over de nodige personele middelen en instrumenten beschikken om uitkeringsgerechtigden te identificeren en te begeleiden.
  • De NHRPH op structurele wijze tijdens alle fasen van het denk-, uitwerkings- en evaluatieproces van de wet en de bijbehorende koninklijke besluiten betrokken wordt, met inbegrip van de evaluatie van de toegekende budgetten. Daartoe is het dringend noodzakelijk dat dat de NHRPH over voldoende en bekwaam personeel beschikt om dit proces in de komende maanden en jaren op te volgen.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/27 - Zomerakkoord 2025

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2025/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de programmawet van 18 juli 2025 (“zomerakkoord”) van de regering–De Wever.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/09/2025.

Advies op eigen initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding;
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister;
  • Ter informatie aan de voltallige regering-De Wever;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

Zomerakkoord 2025” van de federale regering : de federale regering heeft meerdere hervormingen genomen in de programmawet van 18 JULI 2025 :ze hebben een rechtstreekse invloed op de personen met een handicap en hun familie.


3. ANALYSE

Het Zomerakkoord 2025 werd tussen de federale regeringspartijen bereikt, als onderdeel van de uitvoering van het regeerakkoord van 31 januari 2025. Het doel van dit akkoord is om — binnen enkele maanden — een stevig pakket van sociaaleconomische hervormingen te realiseren rond drie centrale pijlers:

  • Werken aantrekkelijker maken (via hogere netto-inkomens);
  • Een flexibelere arbeidsmarkt;
  • Een betaalbare, duurzame sociale zekerheid en dito pensioenstelsel.

In het regeerakkoord 2025 staat te lezen dat het Belgische begrotingstekort verminderd moet worden en structurele hervormingen (pensioenen, belastingen, uitgavenbeperkingen) nodig zijn om de toename ervan te keren. Met dit zomerakkoord wil de federale regering tegemoet komen aan die ambitie.

Helaas moet de NHRPH het volgende vaststellen:

  • De NHRPH is niet om advies gevraagd bij het tot stand komen van deze programmawet van 559 pagina’s.
  • Artikel 4.3 van het UNCRPD verplicht nochtans de Staten die Partij zijn om personen met een handicap en hun organisaties te betrekken bij beleid en wetgeving en wel zo via vroege betrokkenheid in het beleidsproces, structurele dialoog (geen eenmalige consultatie), toegankelijke formats en communicatie en via het betrekken van representatieve organisaties volgens het Niets Over Ons Zonder Ons-principe.
  • Het is aan de uitvoerende macht erop toe te zien dat de naleving van Artikel 22ter van de Gecoördineerde Grondwet gegarandeerd wordt, met andere woorden dat dit wordt geïntegreerd in het zomerakkoord.
  • Er wordt helaas met geen enkel woord over handicap gerept. België heeft nochtans zowel internationale, Europese als nationale verplichtingen ten aanzien van personen met een handicap. Deze verplichtingen zijn juridisch bindend en vormen de basis voor beleid, wetgeving en maatschappelijke inclusie. België werd ook reeds meerdere keren op de vingers getikt door het VN-comité inzake de rechten van personen met een handicap wegens tekortkomingen wegens het ontbreken van een uniform beleid (door bevoegdheidsversnippering tussen het federale niveau en de gemeenschappen en gewesten), trage implementatie van toegankelijkheid en van redelijke aanpassingen, en instellingszorg in plaats van inclusie in de gemeenschap. 

Hoewel personen met een handicap niet expliciet worden vermeld, heeft deze programmawet wél impact op hen via fiscale, sociale en administratieve bepalingen.


4. ADVIES

A. Raadpleging

De NHRPH eist betrokken te worden bij het opstellen van de wetteksten die voortvloeien uit het zomerakkoord zoals artikel 4.3 van het UNCRPD gebiedt.

De NHRPH wenst al nu zich uit te drukken over een paar items.

B. Inzake tewerkstelling

  • De vereenvoudiging van tewerkstellingsmaatregelen en versoepeling van de cumulatie tussen loon en tegemoetkomingen kunnen de toegang tot werk voor personen met een handicap verbeteren.

Echter, er zijn geen specifieke maatregelen om ouders of familieleden van een persoon met een handicap op de arbeidsmarkt te houden.

Nochtans stond in het Regeerakkoord van 2025 duidelijk gestipuleerd:

“We verlagen de drempel naar een job door te voorzien in een eenvoudige en voorspelbare cumulregeling voor inkomsten uit arbeid en versterken zo ook de ondersteuning om de uitstroom of terugkeer naar werk te bevorderen. 

Dit geldt in het bijzonder voor personen met een handicap gerechtigd op een IVT. We ontwikkelen een getrapt systeem, rekening houdend met een verhoogde werkhervatting en dus hogere arbeidsinkomsten. Er wordt rekening gehouden met alle (beroeps- of vervangings-) inkomsten van de begunstigden, ook met inkomsten uit roerende en onroerende goederen. Om de opstap naar werk te stimuleren, wordt voor personen met een handicap een bepaald bedrag van het arbeidsinkomen vrijgesteld. We verbeteren de cumulregeling voor IT met uitkeringen na tewerkstelling zodat een periode van tewerkstelling niet leidt tot verlies van de IT”. 

    • Het wordt dringend tijd om maatregelen uit te werken voor personen met een handicap, maar er is niets bepaald in het zomerakkoord. Is de inclusie van personen met een handicap (en dan vooral de hervorming van de wet van 27.02.1987) geen prioriteit?
  • Ongeveer 9% van de 15 – 64-jarigen heeft een handicap en van hen werkt momenteel ongeveer 23 %. Op ongeveer 6 miljoen 15 – 64-jarigen in België zijn dat circa 540.000 personen met een handicap, waarvan plus minus 124.000 personen werken[1].
    • De NHRPH vraagt dringend alle arbeidsvallen weg te werken zodat alle vormen van werken lonen en meetellen voor de opbouw van sociale rechten.
    • De overheid moet het goede voorbeeld geven met een quotum van minimum 3% in de federale overheidsdiensten dat effectief gerespecteerd wordt. 3% is dan nog heel laag.
    • De overheid dient te sensibiliseren, positieve acties te faciliteren, redelijke aanpassingen op het werk te verplichten onder de vorm van flexibele uurroosters, telewerken en begeleiding van bij aanwerving tot aan het pensioen.
    • De overheid dient een one-stop-shop te creëren waar alle mogelijke incentives raadpleegbaar zijn zowel voor de werknemer als de werkgever.
    • Bij werkverlies moeten de tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987) direct weer beschikbaar zijn om geen inkomensimpasse te creëren voor de persoon met een handicap en zijn gezin.
    • Werkgevers hebben vooroordelen en dit probleem moet op dit niveau worden aangepakt. Er moet een nationale campagne worden gevoerd rond de vertegenwoordiging, opleiding en tewerkstelling van personen met een handicap.
    • De kwestie van het quotum voor tewerkstelling in de privésector moet op de agenda worden gezet: zonder taboes en met het expliciete doel om de tewerkstellingsgraad te verhogen.
    • Het statuut van de mantelzorger moet worden versterkt en gepaard gaan met een echte opbouw van sociale rechten. Zie hiervoor ook de positienota mantelzorg van de NHRPH.
    • Handicap verdwijnt niet met de leeftijd: vooral de ouders moeten kunnen rekenen op een waardig en toereikend verlofpakket zolang ze kinderen of verwante met een handicap ten laste hebben.

Alle adviezen van de NHRPH inzake tewerkstelling van personen met een handicap vindt u hier: Tewerkstelling - Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap.

  • Verontrustende passages in het zomerakkoord:
    • “Het waarborgen van het recht op sociale zekerheid ontzegt de wetgever niet de bevoegdheid om een beleid te voeren en te oordelen over hoe dat recht op de meest adequate wijze in de toekomst moet worden gewaarborgd (Grodwethof 20 juli 2023, 112/2023, B.5.4; F. LAMBINET, “Mise en œuvre du principe de standstill dans le droit de l’assurance chômage: quelques observations en marge de l’arrêt rendu par la Cour de cassation le 5 mars 2018”, Chr. D.S. 2020, liv. 3-4-5, blz. 102). Het komt dan ook aan de wetgever toe om te oordelen in hoeverre het opportuun is maatregelen te nemen met het oog op besparingen inzake sociale zekerheid (GwH 30 november 2017, 135/2017, B.19)”.
    • “Het voorliggende wetsontwerp beoogt om het regeerakkoord van 31 januari 2025 uit te voeren door het stelsel van de werkloosheidsuitkeringen fundamenteel te hervormen tot een ware verzekering”.
    • “De beperking van het recht op werkloosheidsuitkeringen gaat gepaard met compenserende maatregelen zoals een verhoging van de financiering van de OCMW’s en een versterking van de tewerkstellingskansen in de sociale economie, om de bescherming van kwetsbare groepen te waarborgen”. 
    • De overheid zal inzetten op de maatwerkbedrijven”. 

Deze passages in de programmawet verontrusten de NHRPH ten zeerste.

    • Niet iedereen met een handicap in staat om te werken of om aan het werk te blijven. Ze worden de toegang tot hun sociale rechten ontzegd indien ze niet aan het vereiste aantal werkdagen toekomen.
    • Dit is een bijkomende drempel voor personen met een handicap die toch willen proberen om de arbeidsmarkt te betreden. Indien zij hierin niet slagen wegens onder meer de ontoegankelijkheid van de openbare ruimte, de werkplek (tekort aan redelijke aanpassingen en flexibiliteit) en het openbaar vervoer, vallen zij terug op een leefloon zonder afgeleide rechten die ze voorheen misschien wel hadden toen ze een tegemoetkoming genoten.
    • Niet alle gemeenten beschikken over voldoende middelen of expertise om aangepaste compensatie via OCMW of sociale economie te bieden aan personen met een handicap.
    • Werkloosheidsuitkeringen zijn rechten, OCMW-steun is voorwaardelijk en variabel van gemeente tot gemeente. Dit verlaagt de rechtszekerheid voor personen met een handicap.
    • De toegang tot maatwerkbedrijven moet in de eerste plaats voorbehouden zijn aan kandidaten met een handicap die niet op de reguliere arbeidsmarkt terechtkunnen. Als iedereen met een werkbeperking toegang krijgt tot werk in een maatwerkbedrijf, bestaat het risico dat mensen met een handicap buiten de boot vallen.
    • De sector kan een massale toestroom van werknemers niet aan: de markt voor aangepaste werkbedrijven is momenteel beperkt wat betreft activiteiten. Bovendien besteden maar weinig werkgevers werk uit naar de maatwerksector.
    • Maatwerk kan geen doel op zich worden maar moet dienen als springplank naar regulier werk.
    • Elke werknemer met een handicap moet kunnen rekenen op aangepaste begeleiding.
  • Het is voorzien dat de annualisering van de arbeidstijd zou toelaten om in bepaalde periodes meer en in andere periodes minder te werken, op voorwaarde dat de gemiddelde arbeidsduur op jaarbasis wordt gerespecteerd.
    • Personen met een handicap hebben vaak een onregelmatig parcours wegens zorgtrajecten, behandelingen, onderzoeken, ziekenhuisopnames enzovoort. Het is dus van essentieel belang dat gedurende periodes van onderbreking (heel vaak gepaard gaande met stijgende medische kosten) de persoon met een handicap kan terugvallen op uitkeringen en tegemoetkomingen.

C. Inzake inkomen

  • De inkomensvervangende (IVT) en integratietegemoetkomingen (IT) worden aangepast en verhoogd maar concreet wordt de indexeringsperiode voor sociale uitkeringen verlengd van één tot drie maanden…
    • De NHRPH eist opheldering hieromtrent. Eenmalige actie of nieuwe algemene regel voor de toekomst?

    • De NHRPH vraagt nogmaals om de tegemoetkomingen op te trekken tot aan de Europese armoedegrens.

D. Inzake zorg

  • Er is steeds maar weer sprake van digitalisering van dossiers.
    • De NHRPH vraagt met aandrang dat er steeds een persoonlijke begeleiding is voor personen met een handicap en dat de vrijgekomen middelen door digitalisering ten goede komen aan extra zorg voor de persoon met een handicap. 
    • Ook dringend : de uitbreiding en de versterking van het zorgaanbod voor personen met een handicap ; meer toegang tot algemene zorg en uitbreiding van aangepaste zorg om werk en zorg compatibel te maken.
  • De indexeringsperiode voor wedden van de ambtenaren wordt verlengd van twee tot drie maanden. 

Uitzondering: federale publieke sectoren gezondheidszorg. Zonder een dergelijke afwijking zou de maatregel een ongelijkheid in behandeling creëren, namelijk een verhoging van de termijn van indexering van de lonen en wedden, tussen de werknemers in de openbare gezondheidszorg en de werknemers in de private gezondheidszorg.

Onder “federale publieke sectoren gezondheidszorg” wordt verstaan: de openbare instellingen die onderworpen zijn aan de wet op de ziekenhuizen, met uitzondering van de categorale ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven voor beschut wonen. Ook inbegrepen zijn de openbare diensten voor thuisverpleging en de openbare wijkgezondheidscentra”.

    • De NHRPH vraagt De CSNPH vraagt om opheldering over het verschil in behandeling tussen zorgverleners en hulpverleners. Is dit geen discriminatie op basis van de doelgroep van patiënten?

E. Inzake toegankelijkheid

  • Toegankelijkheid wordt algemeen erkend als belangrijk, maar er zijn geen concrete maatregelen of normen opgenomen in het zomerakkoord.
  • Nochtans zijn er verschillende mogelijkheden om dit aan te pakken: fiscale voordelen voor initiatieven van beschut wonen, kangoeroewonen, aangepast wonen, quota opleggen in de privésector voor de aanwerving van personen met een handicap etc.
    • De NHRPH vraagt een planning voor algemene toegankelijkheid op gelijke voet met personen zonder handicap zoals artikel 22ter van de Grondwet verordent (inclusie). Zonder toegankelijke openbare ruimtes, toegankelijke diensten, toegankelijk openbaar vervoer is er geen deelname aan de maatschappij mogelijk, laat staan gaan werken.
  • Met het afbouwen van de als een knelpunt ervaren complexiteit worden bovendien substantiële efficiëntiewinsten verwacht bij de instellingen belast met de uitvoering en daaruit volgend een betere dienstverlening aan de sociaal verzekerde beoogd, inzonderheid op het vlak van digitalisering en automatisering”.
    • De NHRPH vraagt extra aandacht voor de toegankelijkheid van openbare diensten. De trend is om fysieke loketten af te schaffen (zie NMBS, bpost…), zonder ook maar één garantie van toegang voor wie digitaal niet mee kan.
    • Er moet steeds alternatieven voor digitalisering worden aangeboden.
    • Easy to read (FALC/facile à lire et écrire) en gebarentaal moeten steeds ter ondersteuning aanwezig zijn bij communicatie die eveneens verplicht toegankelijk moet zijn.

Conclusie

  • De NHRPH blijft op zijn honger zitten. De programmawet en het zomerakkoord worden voorgesteld als een win-win voor iedereen: de overheid bespaart, de werkende wordt meer beloond, maar over personen met een handicap wordt er niet gesproken…
    • De NHRPH vraagt nogmaals met aandrang om handistreaming doorheen het beleid!
  • Het VN-Comité bekritiseerd België omdat 1. Participatie van de PMH vaak niet of te laat gebeurt; 2. Betrokkenheid symbolisch of oppervlakkig is.
    • De aanbevelingen van het UNCRPD en van de experten moeten nu toegepast worden.
    • Artikel 22ter van de Grondwet moet ook toegepast worden en de maatregelen die de rechten en de inclusie van de personen met een handicap bevorderen, moeten dringend worden genomen.
    • een concrete en structurele samenwerking met de NHRPH te systematiseren voor alle regelgevingen die gaan worden beslist n.a.v. het zomerakkoord maar ook om concreet en structureel de andere luiken van het regeerakkoord uit te werken.

[1] Werkgelegenheid en werkloosheid | Statbel

  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/28 - Welvaartsenveloppe

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Mantelzorgers, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies uitgebracht op 4 november 2025 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 31 oktober 2025 wegens de ingeroepen urgentie.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap, per mail van 28 oktober 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) van categorie B met +2 % op 1 januari 2026 en op 1 januari 2028.


3. ANALYSE

A. Een gevolg van het regeerakkoord 2025 - 2029

  • Het federale regeerakkoord 2025 - 2029 van 31 januari 2025 voorziet dat de welvaartsenveloppe wordt vervangen door een specifieke enveloppe voor de meest kwetsbare groepen.

Volgens de analyse die werd uitgevoerd met de microsimulatietool BELMOD, is het armoederisico van alleenstaanden die een inkomensvervangende tegemoetkoming van categorie B (alleenstaande) ontvangen, bijna 6,5 keer hoger dan dat van de Belgische bevolking in haar geheel.

De regering wil dit verhelpen door het IVT-bedrag van categorie B met +2 % te verhogen op 1 januari 2026 en op 1 januari 2028.
Op basis van de huidige statistieken zou deze maatregel een impact hebben op ongeveer 56.000 personen.

De budgettaire kost van deze maatregel per jaar (tot het einde van deze legislatuur) wordt als volgt geraamd:

    • 23,7 miljoen euro in 2026,
    • 24,9 miljoen euro in 2027,
    • 52,2 miljoen euro in 2028,
    • 53,6 miljoen euro in 2029.
  • De NHRPH neemt akte van het enorme armoederisico waaraan alleenstaanden zijn blootgesteld in vergelijking met de gehele bevolking, namelijk een verhouding van 6,5. Aangezien in 2024 11,4 % van de Belgische bevolking een beschikbaar inkomen onder de armoedegrens heeft, betekent dit dat het risico voor de IVT-gerechtigden van categorie B 6,5 × 11 % ≈ 71,5 % zou bedragen. Is dit inderdaad de situatie?

B. Een volledige en recente analyse van de impact van de tegemoetkomingen op de armoedesituatie 

  • De NHRPH benadrukt ook de vaststellingen uit het laatste rapport, De adequaatheid van bijstandsuitkeringen. Impactanalyse van recente verhogingen van uitkeringsbedragen en mogelijkheden voor verbetering – 2024. Daarin staat onder meer:
    • Ook na de recente verhogingen blijven de socialebijstandsuitkeringen onder de armoedegrens.
    • Er is nog steeds een aanzienlijk risico op monetaire armoede.
    • De recente verhogingen van deze uitkeringsbedragen hebben een positief effect gehad op het armoederisico voor de gerechtigden en in geringe mate ook voor de volledige bevolking.
    • Het is wenselijk dat de uitkeringen nog meer worden opgetrokken, wat het armoederisico nog verder zou doen dalen.
    • Daarnaast is het wenselijk dat de verhoudingen tussen de verschillende bedragen worden herbekeken. In de huidige situatie is het armoederisico voor samenwonenden bijvoorbeeld vaak veel groter dan voor alleenstaanden (...).
    • Ook de bijkomende kosten die gepaard gaan met het opvoeden van kinderen, zijn niet of onvoldoende weerspiegeld in de uitkeringsbedragen. Bijgevolg kampen gezinnen met kinderen met een groter armoederisico.
    • Ten slotte kan de sociale bescherming enkel adequaat zijn als deze ook toegankelijk is en wordt opgenomen door iedereen die er recht op heeft. Vanwege de uitkeringsbedragen die onder de armoedegrens liggen, zou een volledige take-up met de huidige bedragen slechts een kleine impact hebben op het armoederisico, maar alvast de kloof wel een stuk verkleinen. Wellicht zou het effect van maatregelen ter bestrijding van non take-up op het armoederisico groter zijn als de uitkeringen tegelijkertijd verder worden opgetrokken.
      • De NHRPH wenst te vernemen in welke mate met deze overwegingen, met name met betrekking tot de situatie van samenwonenden en huishoudens met kinderen, rekening is gehouden tijdens de beraadslagingen.

4. ADVIES

  • Het verzoek aan de NHRPH, waarbij urgentie werd ingeroepen 

De NHRPH betreurt opnieuw dat er sprake is van een spoedeisend verzoek om advies, dat geen ruimte laat voor een grondige analyse.
De NHRPH had het op prijs gesteld om voorafgaand aan het denkproces te worden geraadpleegd. Dit had een zo efficiënt mogelijke gezamenlijk uitgewerkte oplossing mogelijk gemaakt, rekening houdend met de beschikbare budgetten.

    • Bij elke toekomstige beslissing over personen met een handicap is het absoluut noodzakelijk dat alle kabinetten, zonder uitzondering, echt overleggen met de NHRPH. 
  • Alle IVT-categorieën moeten worden opgetrokken. 

De NHRPH herinnert aan de urgentie om de IVT minstens tot de armoedegrens op te trekken voor alle gezinscategorieën.

Op 1 februari 2025 varieerde het verschil tussen de armoedegrens en de IVT tussen 12 en 25 % of zelfs meer.

  Plafond IVT/maand Armoedegrens/maand
IVT – cat. A – samenwonen met familieleden en gelijkgesteld 898,21 Begrip economisch huishouden: 2.284 (minstens twee volwassenen)
IVT – cat. B – alleenstaand 1.347,25 1.520
IVT – cat. C – samenwoning – zonder rekening te houden met kinderen ten laste

1.820,83

Verschilt volgens samenstelling
Twee volwassenen in een huishouden zonder kinderen: 2.284
Twee volwassenen en twee kinderen: 3.197

 

Zie details van de IVT-gezinscategorieën: https://handicap.belgium.be/nl/erkenning-van-je-handicap/verandering-persoonlijke-situatie/wonen-en-gezin
Zie armoedegrensbedragen: https://statbel.fgov.be/nl/nieuws/meer-dan-21-miljoen-belgen-lopen-het-risico-op-armoede-sociale-uitsluiting

De NHRPH betreurt dat de regering zich beperkt tot afwegingen in plaats van alle categorieën op te trekken: het gaat hier immers om het beschikken over voldoende middelen om niet in bestaansonzekerheid te leven. Dit is een fundamentele zorg die rechtstreeks verband houdt met het naleven van de mensenrechten, die België nochtans heeft onderschreven. Wat heeft het voor zin teksten te verdedigen zonder ze uit te voeren?! 

    • De wetgever moet de verhoging van alle IVT-tegemoetkomingen tot minstens de armoedegrens zo snel mogelijk bekrachtigen. 
  • De hervorming van de wet van 1987 betreffende de tegemoetkomingen

Het is absoluut noodzakelijk de minimumbedragen van de tegemoetkomingen opnieuw in vraag te stellen in het kader van de hervorming van de wet van 1987 betreffende de tegemoetkomingen.

    • Er zijn tegemoetkomingen nodig die een waardig leven tijdens of buiten het werk mogelijk maken.
    • De tegemoetkomingen mogen de persoon niet bestraffen voor de gekozen leefomgeving: of iemand nu kiest om alleen of in gemeenschap te leven, met een partner of met familie, in alle omstandigheden moet de persoon een waardig bestaan kunnen leiden.
  • Een bijkomende uitdaging: hervorming van het mantelzorgstatuut 

In heel wat situaties kan de persoon met een handicap niet rekenen op collectieve diensten om zelfredzaam te kunnen leven. In die situaties is de beschikbaarheid van mantelzorgers vaak cruciaal, en een groot aantal van hen onderbreekt hun beroepsloopbaan voor een bepaalde, soms zeer lange tijd. 

    • Het mantelzorgstatuut moet gepaard gaan met sociale en fiscale rechten.
  • Alle sociale minima snel optrekken

De NHRPH verwerpt het idee om ‘armen tegen elkaar uit te spelen’.

    • Het optrekken moet een van de topprioriteiten van de regering zijn.
    • Alle tegemoetkomingen en uitkeringen moeten minstens tot de armoedegrens worden opgetrokken. 
  • De verhoging verankeren in een transversale wettekst
    • De wetgever moet zo snel mogelijk het principe vastleggen dat alle uitkeringen in het kader van sociale zekerheid en sociale bescherming minimaal even hoog moeten zijn als de armoedegrens.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2025/29 - Parkeerfaciliteiten voor personen met tijdelijke invaliditeit

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2025/29 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie van de Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen betreffende de toekenning van parkeerfaciliteiten aan personen met tijdelijke invaliditeit.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 17/11/2025.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de heer Jean-Luc Crucke, minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling
  • Voor opvolging aan de heer Peter Samyn, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

2. ONDERWERP

De Commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de bespreking aangevat van het voorstel van resolutie betreffende de toekenning van parkeerfaciliteiten aan personen met tijdelijke invaliditeit (DOC 56 1072). In dit voorstel van resolutie wordt gevraagd dat personen met tijdelijke invaliditeit tijdens hun herstelperiode parkeerfaciliteiten krijgen.


3. ANALYSE

A. Inhoud voorstel

De opstellers wensen parkeerfaciliteiten voor personen met een tijdelijke vermindering of tijdelijk verlies van mobiliteit, bijvoorbeeld na een operatie of een breuk van een onderste ledemaat.

In dit voorstel van resolutie wordt daarom gevraagd dat personen met tijdelijke invaliditeit tijdens hun herstelperiode parkeerfaciliteiten krijgen dankzij een voorlopige parkeerkaart. Onder tijdelijke invaliditeit wordt verstaan elk substantieel verlies of vermindering van mobiliteit als gevolg van een grote chirurgische ingreep of een breuk van een onderste ledemaat, indien die leidt tot een aanzienlijke maar tijdelijke beperking van de mogelijkheid om zich te verplaatsen.

Volgens de initiatiefnemers is hun voorstel in lijn met het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap:
Een dergelijk initiatief sluit naadloos aan bij het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat door België en de Europese Unie werd geratificeerd en dat het beginsel van universele toegankelijkheid benadrukt: de lidstaten moeten de gepaste maatregelen nemen om eenieder met een al dan niet blijvende functionele beperking in de mogelijkheid te stellen ten volle aan het gemeenschapsleven deel te nemen.

B. Impact voorstel

  • Prioriteit

De initiatiefnemers wijzen zelf op het risico voor de huidige houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap:

Waarborgen dat de parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap behouden blijven
Deze regeling strekt er geenszins toe de rechten van de personen met een blijvende handicap in te perken.
Het komt er inderdaad op aan een duidelijke regel vast te stellen die de toegang tot de voorbehouden parkeerplaatsen regelt en daarbij voorrang geeft aan de personen met een erkende blijvende handicap.

De NHRPH vraagt zich af hoe zo’n regel er zou uitzien. Als een persoon met een tijdelijke parkeerkaart op een voorbehouden plaats zou parkeren, is die plaats niet beschikbaar voor personen met een klassieke parkeerkaart voor personen met een handicap. Welke opties zijn er dan nog? Wegjagen? Wegslepen?

  • Aantal parkeerkaarten

In België zijn er meer dan 500.000 parkeerkaarten voor personen met een handicap in omloop, waarvan 78.000 werden uitgereikt in 2024.

Er zijn inderdaad een aanzienlijk aantal parkeerkaarten in omloop. Een veel groter probleem is dat er te weinig voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap zijn. De steden en gemeenten beslissen autonoom waar ze parkeerplaatsen voor personen met een handicap aanleggen en hoeveel dat er worden.

De initiatiefnemers willen aan deze groep dus nog een groep van personen met een tijdelijke vermindering of tijdelijk verlies van mobiliteit toevoegen, bijvoorbeeld na een operatie of een breuk van een onderste ledemaat. De NHRPH vraagt zich af of de initiatiefnemers wel goed inschatten over hoeveel mensen dit kan gaan. Alleen al het aantal botbreuken per jaar wordt voor België op 175.000 geschat.

Ook al gaat het hier om parkeerkaarten die beperkt zijn in de tijd, het voorstel van resolutie houdt onvermijdelijk in dat het aantal personen met een parkeerkaart zal toenemen, met bovendien enkele jaarlijkse pieken, zoals na de skivakanties. Op die manier zal er voor personen met een handicap vaak geen vrije voorbehouden parkeerplaats meer te vinden zijn in de buurt van hun bestemming.

  • Criteria

Voor de nieuwe groep moeten dus criteria worden bepaald als de nieuwe parkeerkaart er zou komen. In het voorstel is sprake van personen met een tijdelijke vermindering of tijdelijk verlies van mobiliteit, bijvoorbeeld na een operatie of een breuk van een onderste ledemaat.

Er bestaan echter nog factoren die tot een tijdelijke vermindering of tijdelijk verlies van mobiliteit leiden, zoals tijdelijke sensoriële invaliditeit (bijv. na operatie tijdelijk slechtziend of blind). Wat met gebruikers van medicatie die rijden negatief beïnvloedt en die een chauffeur moeten nemen? Waar zal men de grens trekken? Wat met personen met tijdelijke psychische problemen zoals een depressie, burn-out of rouw? Wat met ouderen? En zwangere vrouwen? De groep van de personen met een beperkte mobiliteit is erg ruim.

De NHRPH wijst erop dat ook nu al niet alle personen met een erkende handicap recht hebben op de parkeerkaart voor personen met een handicap. Dreigen zij niet benadeeld te worden tegenover de personen met een tijdelijke invaliditeit?

  • Werklast

Die constante aanvoer van nieuwe aanvragen van een tijdelijke parkeerkaart brengt onvermijdelijk een hogere werklast met zich mee voor de bevoegde overheidsdiensten. De initiatiefnemers willen dat de nieuwe tijdelijke parkeerkaart sneller wordt uitgereikt dan de reeds bestaande, omdat de invaliditeit zelf en de behoefte aan een parkeerkaart onmiddellijk en tijdelijk zijn. In de huidige besparingscontext is er echter een wervingsstop bij de DG Personen met een handicap die de parkeerkaarten toekent. De nieuwe kaart zou betekenen dat de verwerkingstijden per dossier zullen oplopen. Die verwerkingstijden zijn trouwens al vrij lang. Dit dreigt onbeheersbaar te worden. Moeten personen met een tijdelijke invaliditeit bij de dossierbehandeling dan echt voorrang krijgen op mensen met een handicap?

  • Tijdelijk versus onbepaalde duur

Het voorstel van resolutie bepleit een tijdelijke parkeerkaart voor mensen met een tijdelijke invaliditeit. De NHRPH wijst erop dat er ook nu al – naast de parkeerkaarten van onbepaalde duur – tijdelijke parkeerkaarten (met een vervaldatum) bestaan, o.a. voor tijdelijke situaties.

  • Controle en herkenbaarheid

In de praktijk zou het gaan om een specifieke sticker die gemakkelijk te herkennen is dankzij een duidelijke kleur en een QR-code. Onder meer de vervaldatum moet worden vermeld. Dat visuele onderscheid is cruciaal om verwarring met de parkeerkaart voor personen met een blijvende handicap te voorkomen.

Onderscheid met de traditionele parkeerkaart zou zeker nodig zijn. Als de kaart er zou komen, is er immers ook controle van de kaart nodig. Dat betekent dat ook deze tijdelijke kaarten in de Kruispuntbank moeten worden opgenomen en ook weer worden verwijderd na het verstrijken van de geldigheid. Controle van de geldigheid van de tijdelijke parkeerkaart via Handi2Park moet zeker mogelijk zijn om misbruik te voorkomen.

Er is tegenwoordig echter een grotere uitdaging. Veel gemeentes zetten scan cars in voor hun parkeercontroles. Die scan cars scannen niet de parkeerkaart, maar de nummerplaat van de wagen. Om niet onterecht beboet te worden moeten die mensen de app handyPark (niet te verwarren met Handi2Park) downloaden en hun parkeerkaart koppelen aan een of meer nummerplaten. Zo kunnen ze reglementair parkeren in de deelnemende gemeentes. Voor een tijdelijke invaliditeit lijkt dit toch wel een zware procedure. Overigens heeft de NHRPH al meermaals gewezen op de beperkingen en tekortkomingen van handyPark, o.a. in zijn persbericht van 06/05/2025.

  • Europa versus België

Op Europees niveau staat het België volledig vrij om te voorzien in specifieke ondersteuning voor de personen die tijdelijk beperkt mobiel zijn, voor zover de toegekende faciliteiten ertoe strekken hun autonomie, sociale integratie en deelname aan het maatschappelijk leven te waarborgen.

België heeft enige vrijheid inzake het parkeerbeleid voor personen met een handicap, maar sowieso moet België de EU-voorwaarden voor de parkeerkaart respecteren, ook wat de lay-out betreft. Gaat de nieuwe kaart het Europese model volgen of komt er een apart ontwerp dat losstaat van de EU-regelgeving? De NHRPH wijst meteen op een essentieel verschil met de traditionele parkeerkaart voor personen met een handicap: de parkeerkaart voor tijdelijke invaliditeit zou enkel in België gebruikt kunnen worden, terwijl de Europese kaart voor personen met een handicap in de hele Europese Unie wordt erkend.

  • Alternatieven

Voor de in de resolutie geviseerde doelgroep met een tijdelijke invaliditeit bestaan er momenteel geen parkeerfaciliteiten. Wel bestaan er lokale initiatieven met gratis of betaalbaar vervoer voor personen met een beperkte mobiliteit, vaak ook als die tijdelijk is.


4. ADVIES

A. Algemeen

De NHRPH brengt een negatief advies uit over het voorstel van resolutie. De NHRPH meent dat de beperkte baten van het project de kosten niet kunnen verantwoorden.

  • De houders van de klassieke parkeerkaart dreigen het slachtoffer te worden van de nieuwe tijdelijke kaart. Meer mensen zullen aanspraak kunnen maken op de voorbehouden plaatsen die vaak schaars zijn. Bovendien kan die toename van gebruikers van de parkeerkaart het maatschappelijk draagvlak van de parkeerkaart voor personen met een handicap en van de voorbehouden parkeerplaatsen schaden.
  • Administratief dreigt het onbeheersbaar te worden. De bijkomende aanvragen dreigen de achterstand in de dossierbehandeling te vergroten. Gezien de acute en zeer tijdelijke aard van de invaliditeit zouden deze personen dan ook nog voorrang moeten krijgen op mensen met een ernstigere, vaak permanente handicap. Dat kan niet de bedoeling zijn.
  • Er is de kwestie van de noodzaak van controle en het gebruik van de handyPark-app in de deelnemende gemeenten.
  • De criteria voor zo’n tijdelijke kaart dreigen te ruim te worden. Niet alle personen met een handicap of een beperkte mobiliteit hebben recht op een parkeerkaart. Die is er voor de mensen die de kaart echt nodig hebben.
  • Hoewel er beperkte alternatieven bestaan voor een nieuwe kaart voor tijdelijke invaliditeit, zoals lokale initiatieven en de bestaande parkeerkaart van bepaalde duur, zijn deze momenteel nog niet voor iedereen toereikend. De NHRPH heeft begrip voor de vraag van deze mensen en vraagt dan ook dat alle betrokken actoren – de verschillende overheidsniveaus, aanbieders van openbaar vervoer en openbare diensten, Regie der Gebouwen, horeca en handel, … - versneld werk maken van een toegankelijke omgeving. Daar is iedereen bij gebaat.

B. Raadpleging

Het is de bedoeling dat er overleg komt met de verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen, alsook een proefperiode die naderhand wordt geëvalueerd. Aldus zal erop worden toegezien dat de regeling is afgestemd op de behoeften.
In voorkomend geval kunnen de nodige aanpassingen worden doorgevoerd.

Mooie woorden, maar helaas is het advies van de NHRPH niet gevraagd geweest! Nochtans bepaalt het oprichtings-KB van de NHRPH dat de NHRPH belast is met het onderzoek van alle problemen inzake personen met een handicap die tot het federale niveau behoren. De NHRPH mag ook op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde Ministers adviezen geven of voorstellen doen, onder meer met het oog op de rationalisatie en coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen. In het geval van dit voorstel van resolutie gaat het toch duidelijk over een federale materie die rechtstreeks de personen met een handicap aanbelangt.

Werden wel om advies gevraagd (met als deadline vrijdag 28/11/2025):

  • Brulocalis
  • Centrex
  • Collectif Accessibilité Wallonie Bruxelles
  • College van procureurs-generaal
  • FOD Mobiliteit
  • FOD Sociale Zekerheid
  • Grip vzw
  • Hoge Gezondsheidsraad
  • Koninklijk Verbond van de vrede- en politierechters
  • minister van Mobiliteit
  • Nationaal Intermutualistisch College
  • Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming
  • Union des Villes et Communes de Wallonie
  • Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten
  • VIAS
  • Vlaams Gewest
  • Waals Gewest
  • Collège Intermutualiste National

De NHRPH vindt het uitblijven van een adviesvraag des te frappanter aangezien het voorstel van resolutie verwijst naar een advies van de NHRPH, nl advies 2024-03. Het advies werd aangehaald om te verwijzen naar de relatieve autonomie van gemeentes om zelf hun parkeerbeleid te bepalen.

De NHRPH maakt hier van de gelegenheid gebruik om nog eens te pleiten voor een harmonisering van de gemeentelijke parkeerreglementen. Met al die verschillende gemeentelijke parkeerreglementeringen dreigen mensen onbewust overtredingen te begaan. In de ene gemeente mag je met de parkeerkaart gratis en zonder beperking in de tijd parkeren, in andere gemeentes word je dan beboet. Die informatie is niet altijd vlot te vinden. Deze situatie leidt tot rechtsonzekerheid.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/26 - Nota over tewerkstelling bij de federale overheid

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling

Advies nr. 2025/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de nota “Nouvelle politique pour l’emploi de personnes en situation d’handicap dans l’administration fédérale” van de minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid.

Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/09/2025.

Advies op vraag van de beleidscel-Matz de dato 23/07/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan Mevrouw Vanessa Matz, Federaal Minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid;
  • Voor opvolging aan de heer Bernard Quintin, Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken;
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, Minister van Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met de strijd tegen armoede;
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan de CIPH (Commissie voor Inclusie van Personen met een Handicap);
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman;
  • Ter informatie aan het Coördinatiemechanisme van het UNCRPD.

2. ONDERWERP

In de nota “Nouvelle politique pour l’emploi de personnes en situation d’handicap dans l’administration fédérale” van de Minister van Ambtenarenzaken verklaart de minister het volgende na te streven:

  • De toegang tot het openbaar ambt verruimen;
  • Redelijke aanpassingen systematiseren;
  • Monitoring versterken en de definitie uitbreiden naar chronische ziekten;
  • Een betere samenwerking met maatwerkbedrijven stimuleren;
  • Sanctiemechanismen voorzien voor federale diensten die structureel in gebreke blijven.

3. ANALYSE

A. Kader en internationale verplichtingen

“The Committee is concerned:

That rates of employment of persons with disabilities are low and remain below the European average, and that there has been no discernible progress towards an inclusive labour market, the majority of employed persons with disabilities working in sheltered workshops”

“Recalling its general comment No. 8 (2022), the Committee recommends that the State party, in close consultation with and with the active involvement of persons with disabilities, through their representative organizations:

          (a)     Develop and implement a strategy and action plan, applicable at the federal and regional levels, to facilitate the transition of persons with disabilities, including women with disabilities, from unemployment, or from employment in sheltered workshops, to inclusive employment in the open labour market;

          (b)     Promote employment opportunities and strengthen programs to increase the employment rate of persons with disabilities, including women with disabilities, in both the private and the public sectors, and improve assistance for finding, obtaining, maintaining and returning to employment;

          (c)      Adopt effective legal mechanisms to implement and monitor implementation of the Act of 10 May 2007 on combating certain forms of discrimination, including denial of reasonable accommodation, including complaint mechanisms”.

  • De Europese Unie  en de Europese Raad leggen de nadruk op het verhogen van de arbeidsparticipatie van personen met een handicap en vragen van lidstaten meetbare vooruitgang.
  • België hinkt zwaar achterop: amper 1,36% in de federale overheidsdiensten tegenover het vereiste quotum van 3%, en daarbij ook nog eens ver onder dat van de buurlanden (bv. Frankrijk: 6% wettelijk, 5,93% effectief).

B. Positieve elementen

  • Er wordt erkend dat België dringend werk moet maken van een inhaalbeweging voor men van totale inclusie kan spreken.
  • Redelijke aanpassingen worden erkend als een grondwettelijk recht (art. 22ter) en verankerd in beleid. De oprichting van een federaal expertisecentrum en een inclusie-toolbox zijn goede maatregelen.
  • Er is aandacht voor maatwerkbedrijven en sociale clausules in openbare aanbestedingen: dit sluit aan bij het EU-beleid inzake “social return”.
  • Er wordt gepleit voor het opstellen van selectieprocedures specifiek voor personen met een handicap.
  • Het plan legt de nadruk op samenwerking met Unia, de CIPH en middenveldorganisaties, wat in lijn is met de UNCRPD-verplichting tot dialoog met betrokkenen. De NHRPH dringt erop aan om ook betrokken te worden bij elke maatregel die impact heeft op personen met een handicap.

C. Tekortkomingen en risico’s

  • Zie ook advies 2025-24.
  • Het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 (dat zijn oorsprong kent in het KB van 11/08/1972) houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties en het koninklijk besluit van 5 maart 2007 tot organisatie van de werving van personen met een handicap in sommige federale overheidsdiensten bepaalden al dat elke (federale) overheidsdienst verplicht is personen met een handicap tewerk te stellen ten belope van 3% van zijn effectief. Indien het vereiste quotum niet werd bereikt, waren sancties mogelijk in de vorm van het weigeren van aanwervingen.
  • De sanctiemechanismen die nu voorliggen meer dan tien jaar na de eerste geuite intenties komen dan ook veel te vrijblijvend over: de formulering blijft dat de minister “kan” optreden. Dit ondermijnt de rechtszekerheid.
  • Inzake monitoring is een betere registratie cruciaal, maar er blijft een risico dat mensen geen erkenning aanvragen uit angst voor het stigma of discriminatie, ondanks de campagne. Hier is een meer vertrouwenwekkend beleid nodig. Er wordt te weinig aandacht besteed aan sensibilisering van collega’s en leidinggevenden op de werkvloer om het stigma te doorbreken.
  • Het inzetten van maatwerkbedrijven mag geen substituut zijn voor directe tewerkstelling in de administratie zelf. De huidige cijfers (0,02% via onderaanneming) tonen de zwakte van dit kanaal.
  • Opleiding en loopbaanontwikkeling worden te weinig uitgewerkt. De NHRPH is zich ervan bewust dat dit niet enkel de bevoegdheid van de Minister van Ambtenarenzaken is, maar wenst eraan te herinneren dat de volledige federale regering via het federale actieplan Handicap verplicht is tot handistreaming in haar beleid. Inclusie is ook meer dan instroom: behoud en doorgroeikansen zijn minstens even essentieel. Zonder begeleiding op de werkvloer door jobcoaches en mentoren blijft inclusie theoretisch.
  • Er is geen interfederaal plan voorzien. Terwijl werk, opleiding en uitkeringen sterk versnipperd zijn, vraagt de UNCRPD om coherente beleidscoördinatie.
  • Anno 2025 spreken we van “des personnes en situation de handicap”, afgekort PSH.
  • Sinds 2005 wordt het behalen van het quotum van 3% telkens maar weer uitgesteld. Te behalen tegen 2007, te behalen tegen 2012, te behalen tegen 2020, nu is het te behalen tegen 2028. De NHRPH is dan ook absoluut niet blij met dit nieuwe uitstel en vraagt zich af wanneer er tot concrete actie wordt overgegaan met concrete sancties.
  • De NHRPH blijft ook een beetje op zijn honger zitten qua onderzoek en studies. Meten is weten. Waarom is het zo moeilijk om personen met een handicap aan te werven? Zijn de vacatures wel voldoende bereikbaar voor personen met een handicap? Is het management wel voldoende overtuigd van het belang van diversiteit in hun dienst? De collega’s?
  • de meeste werkzoekenden met een handicap zijn kortgeschoold en dus bij de overheid alleen in aanmerking komen voor functies op de niveaus D en C. Daar staat tegenover dat de overheid vooral aanwerft op de niveaus B en A. Komt nog bij dat de helft van de tewerkstelling bij de overheid dient te gebeuren in Brussel. Dat betekent een grote drempel voor een aanzienlijke groep van werkzoekenden met een handicap die moeilijk kunnen pendelen. Hun mobiliteitsprobleem is niet altijd oplosbaar, zelfs niet met redelijke aanpassingen. Zo loopt de overheid heel wat mogelijke kandidaten uit die kansengroep mis.
  • Veel federale gebouwen zijn historisch niet volledig toegankelijk. Zonder investeringsbudget kan de uitvoering van de toegankelijkheidswerken traag verlopen.
  • Chronische ziekten gaan vaak gepaard met fluctuerende prestaties en met meer en langere periode uitvallen. De nota blijft vaag over hoe flexibel werk en loopbaanopvolging in dat geval structureel ondersteund wordt.

4. ADVIES

De NHRPH volgt de mindset van de minister dat het systeem zich moet aanpassen aan het individu en niet omgekeerd.

De NHRPH waardeert tevens de ambitie van de minister om van inclusie een kernonderdeel van het personeelsbeleid te maken, maar meent dat de voorgestelde maatregelen onvoldoende ver gaan om de structurele achterstand weg te werken.

Zonder een verhoogd quotum, afdwingbare sancties, een interfederaal actieplan en een cultuurwijziging dreigt België opnieuw achter te blijven bij zijn internationale verplichtingen en de verwachtingen van het UNCRPD alsook bij de federale doelstelling om een werkgelegenheidsgraad van 80% te behalen tegen 2029.

De NHRPH dringt erop aan om het proces samen met de en personen met een handicap verder uit te werken, zodat de federale overheid eindelijk het voorbeeld kan geven dat zij verplicht is te stellen.

De NHRPH formuleert volgende aanbevelingen:

  • Verhoog het quotum: indien chronisch zieken in de berekening worden opgenomen, moet het quotum minstens naar 8% worden opgetrokken, conform de adviezen van het VN-Comité (advies 2025-24).
  • Maak sancties effectief en bindend: Structureel falende administraties moeten automatisch verplicht worden tot selectieprocedures en als beterschap uitblijft tot budgettaire bijdragen aan een fonds, naar Frans model. Dit houdt in pecuniaire sancties die kunnen gebruikt worden om positieve acties, sensibiliseringscampagnes, uitleendiensten met hulpmiddelen zoals aangepaste schermen, herscholing, jobcoaches op de werkvloer…
  • Zorg voor duurzame inclusie: Naast rekrutering moeten ook maatregelen worden voorzien voor behoud, doorgroei en promotie van ambtenaren met een handicap (opleiding, mentoring, carrièreontwikkeling).
  • Investeer in cultuurverandering: sensibiliseringscampagnes, opleidingen voor HR en leidinggevenden en evaluatiecriteria die inclusie meenemen als prioriteit van het management.
  • Stel een interfederaal plan op: Stem de federale politiek af op die van de gewesten (VDAB, Forem, Actiris), de sociale zekerheid (hervorming van de wet van 27/02/1987) en de sociale economie.
  • Monitoring transparant maken: Publiceer jaarlijks de cijfers per administratie, inclusief de genomen maatregelen en betrek de CIPH, de NHRPH en Unia bij de evaluatie.
  • Elk kanaal en elke maatregel moet strenger worden geëvalueerd op efficiëntie. Voorbeeld: er is een specifieke CAO, namelijk nr. 38, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad op 6 december 1983 waarin bepaald wordt dat de aanwervende werkgever sollicitanten niet op een discriminerende wijze mag behandelen op basis van (o.a.) een handicap. Het is echter gebleken dat de sociale inspectie daarop heel moeilijk toezicht kan houden omdat de controle op naleving van de arbeidsreglementering zich veelal beperkt tot de relatie werkgever-werknemer eens deze tot stand is gekomen en niet tot de precontractuele fase van werving en selectie. Voor zover ons bekend heeft die CAO nog nooit tot sancties geleid. Unia heeft nochtans al verschillende dossiers hieromtrent behandeld.
  • Betrek handicap ervaringsdeskundigen structureel: “niets over ons zonder ons”. Het VN-Comité eist systematische participatie van personen met een handicap in de beleidsontwikkeling.
  • Verricht meer onderzoek naar de oorzaken van het niet behalen van quota. Is er sprake van discriminatie door associatie of intersectionele discriminatie? Staat het tekort aan (aangepaste) kinderopvang de toegang tot werk in de weg? Is er een probleem van ontoegankelijk openbaar vervoer? Kan dit opgelost worden door telewerk of satellietkantoren? Kan het werk opgebouwd worden rond de momenten van zorg voor de persoon met een handicap? Welk nieuw statuut voor mantelzorgverlof moet er komen om ook die mensen het recht op werk te geven? Is er een systeem van buddy’s op het werk mogelijk? Zijn de werkgevers genoeg geïnformeerd en gesensibiliseerd? Zijn de vacatures toegankelijk? Zijn de selecties toegankelijk?
    Een samenwerking met - bijvoorbeeld - de korpschef van de Inspectie van Financiën om een overzicht te krijgen over het effectieve raadplegen van de wervingsreserves is al een eerste stap in de goede richting.
  • Installeer in elke federale overheidsdienst een aanspreekpunt Handicap in nauw contact met de contactpersoon Handicap in elk Kabinet .
  • Versterk de rol van organisaties die de belangen van personen met een handicap verdedigen zoals Unia, de NHRPH, het platform Adviesraden en de CIPH. Zij staan in nauw contact met personen met een handicap en houden de vinger aan de pols.
  • Verlaag in overleg met de NHRPH en het platform van Adviesraden de werkloosheidsvallen door de hervorming van de wet van 27 februari 1987 (tegemoetkomingen) .
  • Indien het aantal geslaagden met een handicap voor selecties bij de overheid ontoereikend is: organiseer vormingen en herscholingen. Nauw contact met het onderwijs, arbeidsbemiddelaars en arbeidsraden is hierbij essentieel.
  • Er moet dingend meer samenwerking tot stand komen via de interministeriële conferenties, want alle bevoegdheden raken aan handicap.
  • Raadplegingen: 20

Advies 2025/20 - Hervorming werkloosheidsuitkeringen

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2025/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) en het Platform van de adviesraden Handicap (hierna “Platform”) over de impact van de federale hervormingen inzake werkgelegenheid voor personen met een handicap.

Advies uitgebracht in naam van het Platform en meer bepaald van:

  • de Conseil consultatif wallon des personnes en situation de handicap
  • NOOZO – Vlaamse adviesraad voor en door personen met een handicap
  • de Brusselse Raad voor Personen met een Handicap
  • de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap
  • de Conseil consultatif des personnes en situation de handicap en Communauté française
  • de Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung – Duitstalige Gemeenschap
  • het Belgian Disability Forum

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de ministers bevoegd voor gelijke kansen, werkgelegenheid en sociale economie in de deelstaten
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia

2. ANALYSE

A. Context van de hervorming

Op 18 juli 2025 heeft de Kamer een ontwerp van programmawet aangenomen tot hervorming van de regelgeving inzake werkloosheidsuitkeringen. Dit ontwerp werd op 29 juli 2025 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Deze maatregel, die voortvloeit uit het regeerakkoord van de federale regering van 31 januari 2025, treedt in werking op 1 januari 2026. Het aangekondigde doel van de hervorming bestaat erin, werkzoekenden meer te “activeren” om tegen 2029 een werkgelegenheidsgraad van 80 % te bereiken.

Het Platform wenst met dit initiatiefadvies haar bezorgdheid te uiten over de impact van deze hervorming op de situatie van personen met een handicap. De hervorming lijkt namelijk geen rekening te houden met de specifieke uitdagingen waarmee personen met een handicap (PMH) worden geconfronteerd, zowel bij de toegang tot werk als bij het behoud ervan.

B. Zorgwekkende vaststellingen

a) Gebrek aan betrouwbare en uitgesplitste gegevens

Het Platform stelt vast dat er tot op heden geen officiële cijfers zijn bekendgemaakt over het aantal langdurig werklozen met een erkenning van handicap door de RVA. Dit gebrek aan uitgesplitste gegevens vormt een grote lacune wat betreft de uitwerking en evaluatie van de impact van de hervorming voor personen met een handicap, terwijl een dergelijke maatregel absoluut gebaseerd had moeten zijn op een voorafgaande gedifferentieerde impactanalyse.

Het Platform benadrukt dan ook het belang en de urgentie van het produceren en beschikbaar stellen van uitgesplitste gegevens en van het uitvoeren van een specifieke impactanalyse vóór de tenuitvoerlegging.

b) Verhoogd risico op sociale uitsluiting voor personen met een handicap

Personen met een handicap zijn sterk ondervertegenwoordigd op de Belgische arbeidsmarkt. Volgens cijfers uit de laatste EUROSTAT-enquête van 2024 bedraagt de kloof op het vlak van werkgelegenheid voor personen met een handicap in ons land 33,5 procentpunten. België behoort daarmee tot de slechtste leerlingen van de EU.[1] Bovendien telt België het grootste aantal mensen dat wegens ziekte of handicap niet actief is op de arbeidsmarkt in de EU: 7,2% van de 20-64-jarigen is wegens ziekte of handicap niet actief op de arbeidsmarkt[2].

Volgens een studie van de Koning Boudewijnstichting zou 67 % van de werkloze Belgen met een handicap wel graag een baan willen, maar wanneer ze op zoek zijn naar werk, voelt 69 % zich gediscrimineerd.[3]

Deze cijfers kunnen met name worden verklaard door aanzienlijke structurele belemmeringen voor deze doelgroep:

      • Onvoldoende toegankelijkheid van openbare ruimtes en openbaar vervoer;
      • Ontoegankelijkheid van werkplekken;
      • Aanhoudende discriminatie bij aanwerving;
      • Onaangepaste vacatures;
      • Gewestelijke verschillen in de doeltreffendheid van individuele steun bij aanwerving;
      • Beroepsopleidingen niet aangepast aan de specifieke behoeften van personen met een handicap;
      • Onvoldoende coördinatie tussen verschillende beleidsniveaus op het gebied van steun voor integratie op de arbeidsmarkt.

Ten slotte wijst het Platform van adviesraden voor personen met een handicap erop dat de wet van 1987 inzake uitkeringen voor personen met een handicap niet alleen personen benadeelt die willen werken, maar ook personen die om gezondheidsredenen moeten stoppen met werken. Het Platform is van mening dat deze hervorming in het bredere kader van de hervorming van deze wetgeving had moeten worden bekeken.

c) Financieel risico in verband met het verlies van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT)

Personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en/of een integratie-tegemoetkoming  ontvangen, hebben soms ook recht op afgeleide rechten, zoals sociale tarieven voor gas en elektriciteit. Een werkloosheidsuitkering geeft geen recht op dergelijke afgeleide rechten.

Bovendien, als personen met een handicap besluiten om een beroepsactiviteit te starten, maar later gedwongen worden om te stoppen met werken, met name om gezondheidsredenen, krijgen ze niet automatisch hun IVT terug. Een werkloosheidsuitkering houdt echter geen rekening met de extra kosten waarmee een persoon met een handicap wordt geconfronteerd.

Ten slotte wordt de IVT en/of IT van personen met een handicap die langer dan twee jaar werken, verlaagd of zelfs volledig ingetrokken.

d) Tijd en begeleiding die nodig zijn voor een reguliere baan

Het Platform wijst erop dat een aanzienlijk aantal personen met een handicap, die werk zoeken, momenteel werkloos zijn, waardoor zij in aanmerking komen voor individuele begeleiding door actoren die gespecialiseerd zijn in de integratie van deze doelgroep op de arbeidsmarkt. Deze begeleiding is essentieel om de talrijke belemmeringen voor werk, zowel aan de kant van de werkzoekenden als aan de kant van de werkgevers, weg te nemen.

Volgens een recente studie zou de tewerkstelling van een persoon met een handicap die momenteel werkloos is, een besparing van ongeveer 31.000 euro per jaar aan overheidsuitgaven opleveren.[4] Een dergelijke begeleiding vergt echter tijd om bedrijven te adviseren en hun behoeften af te stemmen op de vaardigheden van werkzoekenden met een handicap. Het duurt (gemiddeld) meer dan twee jaar, de duur van de werkloosheidsuitkering, om personen met een handicap aan een baan te helpen.[5] Een beperking van de werkloosheid tot twee jaar zal dus noodzakelijkerwijs van invloed zijn op de kwaliteit van deze begeleiding voor de begunstigden.

e) Het bijzonder geval van de mantelzorgers

Een andere groep personen, die getroffen wordt door de beperking van de duur van de werkloosheidsuitkeringen, zijn de mantelzorgers. Dat zijn echtgenoten of ouders van personen met een handicap die niet kunnen werken of geen baan kunnen vinden omdat ze tijd besteden aan de zorg voor hun naaste. In de meeste gevallen gaat het om vrouwen die hun carrière hebben onderbroken om voor hun kind te zorgen. Het is voor hen namelijk niet altijd mogelijk om te werken of een voltijdse baan te behouden bij gebrek aan geschikte opvang of respijtzorg.

f) Een gebrek aan coördinatie tussen beleidsniveaus wat betreft tewerkstellingsalternatieven

De algemene beleidsverklaring van de regering gaat ervan uit dat er realistische en toegankelijke beroepsalternatieven bestaan voor de betrokken groepen, met inbegrip van personen met een handicap.

Het Platform verwijst in de eerste plaats naar algemene opmerking nr. 8 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waarin wordt gesteld dat reguliere werkgelegenheid de meest logische weg is om personen met een handicap aan het werk te krijgen. Het Platform verwijst ook naar de aanbevelingen 55 en 57 in het recente rapport van de VN-deskundigen aan België. In essentie gaat het om het PLANNEN van een strategie, het ontwikkelen van een echt inclusief werkgelegenheidsbeleid, het bestrijden van discriminatie, het effectief begeleiden van re-integratie en het voorzien in volledige toegankelijkheid tot opleiding. Daarnaast gaat het om het verbeteren van de transparantie van informatie en het versterken van de samenwerking tussen actoren voor een betere ondersteuning van inclusieve werkgelegenheid.

Het Platform verwijst ook naar het “Pakket Werkgelegenheid voor Personen met een Handicap”, dat de Europese Unie als essentieel beschouwt om de ambitie van volledige werkgelegenheid tegen 2030 te verwezenlijken. De boodschap van zowel de VN als Europa is dus heel duidelijk: zonder een gestructureerde strategie, gekoppeld aan concrete middelen, is elke ambitie om personen met een handicap weer aan het werk te krijgen een illusie.

In België, wijst de Hoge Raad voor Werkgelegenheid  in een rapport van 2022, blz 2,  wijst op  verschillende factoren die er voor zorgen dat mensen niet participeren in de arbeidsmarkt. Een belangrijke groep in België kan niet werken omwille van gezondheidsproblemen of een handicap. In België heeft 25 % van de bevolking een langdurige beperking in zijn gebruikelijke activiteiten door een gezondheidsprobleem. De werkgelegenheidskloof (2019: 33,1 p.p.; doelstelling 2030: 24,5 p.p.) voor deze groep is hoog ten opzichte van andere landen en de nodige maatregelen (redelijke aanpassingen aan het werk, begeleiding, …) zijn dus nuttig om die kloof te verkleinen.

Ten slotte, in zijn rapport diversiteit 2024, wiste de FOD werk op meerdere vaststellingen dat de regering moet absoluut bij nemen in de hervorming van de werklosheidstelsel : het zou intellectueel zeer oneerlijk zijn om deze te ontkennen en zou leiden tot maatregelen die gedoemd zijn te mislukken.

Blz 362 : Het is hier niet de plaats om een uitspraak te doen over de discussie over de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, maar misschien wel om erop te wijzen dat dat niet de kern van het debat kan zijn. De vraag is vooral hoe we zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk begeleiden naar de arbeidsmarkt, en daarbij zoveel mogelijk drempels proberen weg te nemen. Als iemand in de werkloosheid een huisvestingsprobleem heeft, en iemand in de invaliditeit eigenlijk een opleiding nodig heeft om terug aan de slag te kunnen gaan, dat zou dat wellicht best via hetzelfde loket, in een meer geïntegreerde benadering, worden aangepakt.

Blz 362 : In veel gevallen zal de afstand tot de arbeidsmarkt inderdaad erg groot zijn, en ligt een gepaste baan absoluut niet voor het grijpen. Wel is het belangrijk voor ogen te houden dat daarbij vaak niet alleen gezondheidsfactoren, maar ook andere elementen een rol spelen, zodat een geïntegreerde aanpak nodig is, die vertrekt vanuit een sterk en een goed multidimensionaal preventiebeleid. Daarbij moet ook aan een trajectperspectief worden gedacht: wie ondanks een drempel toch een baan aanvaardt, moet ook weten wat er zal gebeuren indien de drempel problematischer wordt – als het medische probleem bijvoorbeeld verergert. Zijn minder werkuren, verdere aanpassingen, … dan mogelijk?

Blz 363 : Uitkeringen koppelen aan het inkomensniveau, zodat ook werkenden met een te laag (gezins)inkomen ervan gebruik kunnen maken en ze niet abrupt wegvallen zodra iemand een baan aanneemt, zou een logische stap moeten zijn. Daarbij hoeft het principe dat wie voltijds of bijna voltijds werkt aan het minimumloon daarvan moet kunnen voorzien in zijn of haar levensonderhoud niet te worden opzijgeschoven – maar moet ook aanvaard worden dat niet elke baan voldoende inkomen voor een heel gezin kan opleveren. Dezelfde redenering geldt overigens ook omgekeerd: als het recht op een uitkering niet terug kan worden opgenomen als de (re)integratie in de arbeidsmarkt mislukt, zullen sommigen het risico niet nemen

Voor al deze redenen, acht het Platform noch realistisch, noch wenselijk om te veronderstellen dat personen met een handicap, die momenteel werkloos zijn, op grote schaal kunnen worden doorverwezen naar de sector van de aangepaste tewerkstelling, zoals de federale regering lijkt te suggereren, temeer daar het creëren van nieuwe aangepaste banen tijd, investeringen en onmisbare afstemming met de Gewesten vereist. Het Platform benadrukt dat de nieuwe aangepaste banen als opstap naar regulier werk zouden moeten dienen.

Bij gebrek aan concrete, haalbare en aangepaste oplossingen constateert het Platform dat de aangekondigde hervorming het risico met zich meebrengt dat deze werkzoekenden in een sociale impasse terechtkomen, doordat zij in een precaire tussenpositie worden geplaatst: uitgesloten van werkloosheidsuitkeringen, zonder alternatief tot werk en zonder aangepaste begeleiding.

 

[1] Eurostat (2023), Disability employment gap by level of activity limitation and sex (source EU-SILC). Beschikbaar op Statistieken | Eurostat (europa.eu).

[2] UNIA, Beperking werkloosheid in de tijd, september 2024 - Aanbeveling nr. 367 Beschikbaar in het frans op Advies-n°367-beperking-werkloosheid-in-de-tijd-f-versie P(www.unia.be)

[3] Koning Boudewijnstichting, Handicap: werkgevers maken nog te weinig werk van inclusie, Beschikbaar op Handicap: werkgevers doen nog te weinig inspanningen op het vlak van inclusie | Koning Boudewijnstichting (kbs-frb.be)

[4] BNP Paribas Fortis, “Impactstudie 2025 van de VZW Diversicom”, 2024, toegankelijk op Impactstudie “10 jaar professionele inclusie”

[5] La Libre Belgique, “Chaque insertion professionnelle d’un travailleur en situation de handicap génère 31 000 € d’argent public, 03 juni 2025.


3. AANBEVELINGEN VAN HET PLATFORM

a)     Aan de federale regering

Het Platform dringt erop aan dat de overheden overschakelen van een protectionistische en compenserende houding naar een actieve, verantwoordelijke en valoriserende aanpak. Personen met een handicap moeten worden beschouwd als partners in de strijd tegen werkloosheid indien de regering tegen 2029 haar doelstelling van een arbeidsparticipatiegraad van 80 % wil halen.

Hun bijzondere situatie, die wordt gekenmerkt door structurele belemmeringen voor toegang tot en behoud van werk, rechtvaardigt immers volkomen een gedifferentieerde behandeling die gebaseerd is op de beginselen van reële gelijkheid, non-discriminatie en redelijke aanpassingen, zoals deze met name gewaarborgd zijn door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (VRPH), dat door België is geratificeerd.

Een strikte limiet van twee jaar opleggen zonder rekening te houden met deze realiteit komt neer op het gelijk behandelen van ongelijke situaties. Dit zou de onzekere situatie van veel personen die al aan de rand van de arbeidsmarkt staan, nog verder verslechteren.

Het Platform vraagt bijgevolg:

    • Een expliciete uitzondering voor personen met een handicap en hun mantelzorgers op de beperking van de werkloosheidsuitkering tot twee jaar.

Het Platform is van mening dat er op zijn minst bepaalde compenserende maatregelen moeten worden genomen die onder de bevoegdheid van de federale regering vallen, en met name:

    • Het systeem van cumul van loon met de IVT(inkomensvervangende tegemoetkoming) en/of de IT (Integratietegemoetkoming) evalueren en echt stimulerend maken, zodat deelname aan de arbeidsmarkt altijd financieel voordelig blijft voor de persoon met een handicap.
    • Garanderen dat de IVT automatisch wordt hersteld bij verlies van werk of gedwongen stopzetting van de activiteit omwille van medische redenen.
    • Verlenging van de duur van het verlof voor mantelzorgers. Personen die anderen helpen, met name en vaak vanwege een tekort aan zorgpersoneel, persoonlijke assistentie of plaatsen in instellingen, mogen niet worden benadeeld.

b)     Aan de gewest- en gemeenschapsregeringen

Het Platform benadrukt ook de proactieve rol die de regeringen van de gefedereerde entiteiten binnen hun respectievelijke bevoegdheden kunnen en moeten vervullen om de reguliere tewerkstelling van personen met een handicap te bevorderen. Het Platform legt de nadruk op opleiding en begeleiding.

Wat betreft de strijd tegen discriminatie bij aanwerving

Het Platform merkt op dat de overgang naar reguliere werkgelegenheid voor personen met een handicap niet als een realistische en duurzame oplossing kan worden beschouwd zolang de hardnekkige systemische belemmeringen niet worden weggewerkt. Dit houdt met name in:

    • Een effectieve controle op de naleving van anti-discriminatiewetgeving, met name de wetgeving die elke vorm van discriminatie op grond van handicap bij toegang tot werk, arbeidsomstandigheden, opleiding en bevordering verbiedt. De bevoegde overheden moeten over meer middelen beschikken om deze controle uit te oefenen en te zorgen voor een snelle en afschrikkende reactie in geval van overtredingen.
    • De invoering van duidelijke sancties die systematisch worden toegepast wanneer redelijke aanpassingen worden geweigerd. Het ontbreken van aanpassingen vormt een vorm van indirecte discriminatie wanneer de werkomgeving niet toegankelijk wordt gemaakt, en moet als zodanig worden behandeld door de arbeidsinspectie.

Wat betreft het faciliteren van telewerk en persoonlijke ondersteuning op de werkplek

Het Platform benadrukt dat telewerken, wanneer dit door de persoon met een handicap wordt gewenst, een krachtig instrument is voor inclusie in het reguliere arbeidsproces. Het helpt tal van obstakels op het gebied van mobiliteit, vermoeidheid en fysieke toegankelijkheid van de werkplek te overwinnen. Voor veel personen biedt deze werkvorm een essentiële flexibiliteit om gezondheidsbeperkingen en professionele verplichtingen met elkaar te combineren.

Het Platform voegt hier echter aan toe dat telewerken alleen een reële en gelijke kans kan bieden als het gepaard gaat met passende en eerlijke toegangsvoorwaarden, en met name:

    • Een gemakkelijke en financieel ondersteunde toegang tot IT-apparatuur en digitale instrumenten (computers, specifieke software, beveiligde internetverbindingen);
    • Een digitale opleiding aangepast aan de specifieke noden van de betrokken personen, met inbegrip van toegankelijkheidssoftware of vereenvoudigde interfaces;
    • Een duidelijk juridisch en organisationeel kader dat de rechten van telewerkers met een handicap waarborgt (ook op het vlak van redelijke aanpassingen op afstand), alsook een structurele technische en menselijke ondersteuning om isolatie te voorkomen en een actieve band met het team en het management te behouden.

Ook op de werkplek is de aanwezigheid van persoonlijke assistentie, in de vorm van een begeleider of specifieke individuele hulp, vaak een noodzakelijke voorwaarde voor het effectief uitoefenen van een beroepsactiviteit. Deze vorm van ondersteuning is vandaag nog steeds zeer ongelijk verdeeld over de gewesten en in de meeste gevallen ontoereikend.

c)      Aan alle beleidsniveaus

Het Platform vraagt dat de quota voor de aanwerving van personen met een handicap in de openbare sector beter worden nageleefd en dat een geleidelijke uitbreiding ervan naar de privésector wordt onderzocht. Het is van essentieel belang dat de overheid het goede voorbeeld geeft en dat er bindende mechanismen worden ingevoerd om concrete resultaten te garanderen.

Het platform wijste ook  naar de noodzaak van een interfederaal informatiepunt dat zowel voor werknemers als werkgevers toegankelijk is (contracten, steun en begeleiding, enz.).

d)     Systematisch overleg met de sector van personen met een handicap

Het Platform vraagt dat elke hervorming die rechtstreeks invloed heeft op de sociale rechten van personen met een handicap vooraf wordt overlegd met de representatieve instanties van personen met een handicap, met name met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) en de gewestelijke en gemeenschapsraden. De expertise van de betrokkenen is onontbeerlijk om contraproductieve effecten te voorkomen.

Ten slotte stimuleert het Platform eveneens de lopende gesprekken over de mogelijke toekenning van een status voor mantelzorgers.[6]

 

[6] In het Waals Gewest wordt met name een werkgroep opgericht rond de strategie voor mantelzorgers, waarin hun status wordt besproken. Deze status van mantelzorger zou met name een betere begeleiding en coaching bij het zoeken naar werk mogelijk maken, zodat rekening kan worden gehouden met criteria zoals flexibele werktijden en andere bijzondere gevallen.


3. CONCLUSIE

Het Platform toont zich bezorgd en benadrukt dat de federale hervorming van de werkloosheid, zoals die momenteel is opgezet, het risico inhoudt dat de ongelijkheden verder toenemen en dat een groep personen, die het nu al moeilijk hebben, blijvend van de arbeidsmarkt wordt uitgesloten. Dit is in strijd met de internationale verbintenissen van België, in het bijzonder artikel 27 en algemene opmerking nr. 8 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, die de verdragsluitende Staten verplicht om gelijke toegang tot werk en sociale zekerheid te waarborgen.

Het Platform vraagt dan ook:

  • De opschorting van de maatregel voor personen met een handicap, of op zijn minst een gefaseerde invoering waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke moeilijkheden van deze bijzondere groep;
  • De uitvoering van een specifieke effectenbeoordeling;
  • De onmiddellijke start van een overleg met de sector.
  • Raadplegingen: 15

Advies 2025/30 - Pensioenhervorming

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2025/30 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de pensioenhervorming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/11/2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, vice-eersteminister en minister van Pensioenen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Ombudsdienst Pensioenen

2. ONDERWERP

Vervolg op het zomerakkoord 2025 – pensioenhervorming en invoering van een malus voor onvolledige loopbanen.


3. ANALYSE

A. Het regeerakkoord van 31.01.2025

Dit akkoord voorzag in een grondige hervorming van de pensioenregeling, met name door het effectieve werken te herwaarderen in de pensioenberekening. Perioden van onderbreking of opschorting van de loopbaan die voordien werden gelijkgesteld voor de berekening van het pensioen zouden enkel nog op bijzondere en uitzonderlijke wijze worden meegeteld.

B. Ontmoeting met het kabinet Jambon op 25.09.2025

  • De pensioenregeling voor een pensionering op de wettelijke pensioenleeftijd (67) met een volledige loopbaan (42 jaar) blijft ongewijzigd.
    Met pensioen gaan vóór de wettelijke pensioenleeftijd zal tot een malus leiden, tenzij aan bepaalde loopbaanvoorwaarden is voldaan.
    Met andere woorden, enkel werknemers die geen 35 volledige jaren hebben kunnen werken of 7020 effectief gewerkte dagen hebben opgebouwd, zouden door de malus worden getroffen.
  • Voorwaarden om aan de malus te ontkomen:
    • Om de sanctie in geval van vervroegd pensioen te voorkomen, zullen werknemers 35 loopbaanjaren met 156 effectief gewerkte of gelijkgestelde dagen per jaar, of 7020 effectief gewerkte dagen in totaal moeten kunnen aantonen.
    • De gelijkgestelde perioden zoals moederschapsrust, zorgkrediet, enz. zullen ook in aanmerking worden genomen bij de 7.020 dagen.
    • Een gelijkstelling is enkel mogelijk wanneer het werk na ongeschiktheid werd hervat; deze hervatting kan deeltijds gebeuren.
  • Na ondervraging bleven niettemin verschillende vragen onbeantwoord.
    • De gelijkstellingen:
      • Wordt een gelijkstelling van de niet-gepresteerde dagen voorzien voor personen die een integratietegemoetkoming hebben?  
      • Andere gelijkstellingen? Dewelke?
    • Wat met de personen die het werk niet hebben hervat?
      • omdat hun gezondheid hen daartoe niet in staat stelde;
      • omdat ze toen ze ziek werden terwijl ze stage liepen of een contract van bepaalde duur hadden.
    • De sleutel van de gelijkstelling in de databanken: de werkhervatting in opdracht van de adviserend arts? Of de arbeidsarts? Iemand anders?
    • Het in aanmerking nemen van de werkelijke situatie van mantelzorgers: onvolledige loopbanen, maar zonder te vallen onder de regeling van de gelijkstellingen.

C. Website van de Federale Pensioendienst

De Federale Pensioendienst werkt zijn startpagina regelmatig bij. De website gepubliceerd op 01.10.2025 herinnert aan het volgende:

  • de afwezigheidsperioden voor medische redenen tellen volledig mee voor de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen;
  • er zullen evenwel ook sanctiemaatregelen met betrekking tot het volledige pensioen genomen worden (aantal ziektejaren, soorten ongeschiktheid, arbeidsregeling, duur van de afwezigheid, enz.).

4. ADVIES

De NHRPH herinnert eraan dat de persoon niet kiest voor de handicap of de ziekte, maar dat ze deel uitmaken van de kenmerken van de persoon.

Het pensioen van de persoon verminderen op grond van een onregelmatig of onvolledig loopbaantraject en vanwege zijn of haar gezondheidstoestand is daarentegen een onrechtvaardige straf, die volkomen ongegrond en discriminerend is wegens de handicap van de persoon! Dergelijke politieke keuze druist volledig in tegen de – door België bekrachtigde – UNCRPD en de Belgische Grondwet.

De NHRPH herinnert aan de andere sancties die personen met een handicap en hun gezinnen al eerder in hun leven zijn opgelegd: heel wat personen moeten hun werk opgeven of een job weigeren, omdat de omgeving het werken onmogelijk maakt:

  • onvoldoende inclusieve en kwaliteitsvolle opleidingen en trajecten;
  • onvoldoende begeleidende diensten voor personen met een handicap en hun gezin;
  • ontoegankelijke openbare omgeving en ontoegankelijk openbaar vervoer;
  • redelijke aanpassingen en positieve acties die niet bindend zijn;
  • onverenigbaarheid van zorg- en werktrajecten;
  • “gereserveerde” aanpak van werkgevers;
  • een onaangepaste sociale regelgeving (cumulatie tegemoetkomingen-werk, artikel 100 van de wet van 1978, wet op de arbeidsovereenkomsten, enz.);
  • enz.

De NHRPH is van oordeel dat personen met een handicap in deze algemene werkomgeving zich reeds van bij het begin in een kwetsbare positie bevinden. In de praktijk moeten personen met een handicap niet alleen – net als elke andere werknemer – hun vaardigheden en capaciteiten bewijzen, maar ook altijd overtuigen dat ze ondanks hun handicap kunnen werken. Dit is een vorm van ernstige discriminatie op grond van handicap.

De NHRPH dringt er bij de minister van Pensioenen en de regering op aan om hun aanpak volledig te herzien en personen met een handicap nooit te sanctioneren, ongeacht of zij al dan niet in staat zijn om te werken.

De NHRPH vraagt de regering om voor personen met een handicap en hun gezin middelen te voorzien waarmee zij op elke leeftijd in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

  • Raadplegingen: 18

Advies 2025/22 - Secretariaat voor het platform van adviesraden voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/22 van het platform van adviesraden voor personen met een handicap over de noodzaak om het een juridisch statuut en een specifiek en permanent secretariaat toe te kennen.

Advies uitgebracht op 15.09.2025 na bespreking op het platform van 1 juni en raapleging van het platform per e-mail tussen 25.07.2025 en 10.08.2025.

Advies uitgebracht op initiatief van het platform van adviesraden voor personen met een handicap.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Voor opvolging aan de ministers bevoegd voor handicap in de deelgebieden
  • Voor opvolging aan de minister-presidenten van de deelgebieden
  • Voor opvolging aan de Interministeriële Conferentie (IMC) Gelijke Kansen, Handicap en Racismebestrijding
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Toekenning van een specifiek en permanent secretariaat aan het platform dat de federale adviesraden, de adviesraden van de deelgebieden en de Europese en internationale adviesraad (BDF - Belgian Disability Forum) samenbrengt.


3. ANALYSE

België is een federale staat met verschillende gelijke overheidsniveaus (federaal, gemeenschappen, gewesten). De bevoegdheden binnen eenzelfde domein zijn soms verdeeld. Dit vraagt afstemming en samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus. Wat het thema handicap betreft, heeft de administratieve en politieke samenwerking onder meer geleid tot de oprichting van de IMC Handicap[1] en het Interfederaal Plan Handicap 2021-2029.

Deze samenwerking is verre van perfect. Door de gedeelde bevoegdheden ervaren burgers problemen. Er zijn talrijke situaties van verlies van rechten en averechtse effecten. Daarvoor zijn heel wat redenen: 

  • administratieve complexiteit: de betrokken personen moeten vaak tussen verschillende administraties navigeren, wat de toegang tot rechten en diensten bemoeilijkt;  
  • onvoldoende coördinatie: de IMC behandelt lang niet alle uitdagingen (houdt zich momenteel enkel bezig met tewerkstelling, EDC en statistieken);
  • territoriale ongelijkheden in de toegang tot financiële steun: er zijn verschillen tussen de diensten en steun in de verschillende gewesten en gemeenschappen.  Bovendien verliest een persoon die een opleiding volgt of werkt in een ander gewest dan waar die woont de toegang tot financiële of technische steun;
  • toename van het aantal administratieve handelingen: personen met een handicap moeten vaak verschillende administraties contacteren (op federaal, gewestelijk, gemeenschapsniveau) om diverse vormen van steun te bekomen (tegemoetkomingen, technische ondersteuning, begeleiding, zorg). Deze versnippering bemoeilijkt de toegang tot rechten en doet de administratieve lasten toenemen, vooral voor personen met een beperkte bekwaamheid.  
  • onvoldoende afstemming tussen diensten: zo kan bijvoorbeeld een door een gewest beheerde thuiszorgdienst niet worden gecombineerd met de federale medische zorg, waardoor er hiaten in de opvolging ontstaan;
  • verschillende criteria voor de erkenning van de handicap: de medische of administratieve criteria voor de erkenning van een handicap zijn niet altijd op elkaar afgestemd, wat ertoe kan leiden dat een aanvraag wordt geweigerd bij bepaalde instanties, terwijl de persoon elders wel zou worden erkend;
  • moeilijkheden bij integratie op school of op de arbeidsmarkt: de bepalingen voor steun bij de integratie (gespecialiseerde schoolse ondersteuning, hulp bij tewerkstelling) variëren naargelang de gemeenschappen. Een persoon met een handicap kan dus zeer uiteenlopende vormen van ondersteuning krijgen, afhankelijk van hun woonplaats.

In het dagdagelijkse leven kunnen deze problemen dramatische gevolgen hebben: uitputting van de persoon en van de familie, non-take-up van rechten, isolement en uitsluiting, armoede, enz.

Deze situaties zijn helaas geen uitzondering en voor de adviesraden voor personen met een handicap komt het erop aan om in naam van alle personen met een handicap van België te spreken en de algemene problemen aan te kaarten die de bevoegdheden van de deelgebieden overschrijden. Bij gebrek aan geïntegreerde algemene statistieken in België is het onmogelijk om deze realiteiten om te zetten in cijfers, maar alle gespecialiseerde institutionele actoren (UNIA, FOD Sociale Zekerheid, Statbel, enz.) zijn het erover eens dat de federale complexiteit de territoriale ongelijkheden vergroot, de behandeling van rechten vertraagt en aanzienlijke administratieve hindernissen creëert voor personen met een handicap. Deze situatie is niet specifiek voor het domein handicap, maar is bijzonder voelbaar voor een toch al kwetsbaar publiek voor wie er weinig voorzieningen zijn om zich een weg te banen door het administratieve doolhof. Deze situatie wordt ook aangekaart door academische literatuur. Daar wordt als mogelijke oplossingen gewezen naar afstemming van criteria en procedures, de invoering van één-loket en de versterking van coördinatie-instanties (IMC en protocollen). Een zeer recente studie over de tegemoetkomingen voor personen met een handicap heeft ook de aandacht gevestigd op het belang van geïntegreerde maatregelen om te strijden tegen de non-take-up van rechten (zie adviezen 2024-17 en 2025-11).

Om deze reden hebben de vertegenwoordigers van de NHRPH, de Franstalige Brusselse Adviesraad bij de FGC en bij de GGC, de verenigingen in Vlaanderen (toen nog zonder adviesraad) en de Waalse adviesraad voor personen met een handicap in 2011 al een interfederaal platform van adviesraden voor personen met een handicap (hierna “platform”) opgericht.

Sinds 2011 komt het platform meerdere keren per jaar samen rond een gevarieerde agenda. Het platform brengt op die manier op vraag en op eigen initiatief adviezen uit. Het platform interpelleert de verschillende overheidsniveaus en werkt ook actief mee aan de alternatieve verslagen over de uitvoering van de UNCRPD.

Sinds 2023 vraagt de IMC Handicap zelf adviezen aan het platform over gevarieerde thema’s: planning van prioriteiten inzake handicap, tewerkstelling, mobiliteit en toegankelijkheid, enz. De politiek zelf geeft dus aan dat er behoefte is aan een globale en geïntegreerde benadering van het thema handicap en dat er een beroep moet kunnen worden gedaan op de expertise van alle adviesraden, bijvoorbeeld door middel van de door de IMC Handicap gevraagde adviezen.

De werksituatie van het platform is ingewikkeld, aangezien

  • het platform geen enkel juridisch statuut heeft en niet over eigen middelen beschikt: er is geen secretariaat verbonden aan het platform;
  • de adviesraden bevoegd zijn om adviezen uit te brengen op hun eigen materiële en territoriale bevoegdheidsdomeinen;
  • het secretariaat van de NHRPH doorgaans de organisatie van de vergaderingen en het schrijfwerk voor het opstellen van de adviezen voor zijn rekening neemt; andere raden beginnen dit ook te doen. Toch
    • zijn de interfederale adviezen complexer en vergen ze meer energie;
    • is voor deze integratieoefening een aanzienlijke investering van het secretariaat van elke adviesraad nodig, maar ook van de leden van elke adviesraad:
      • aanzienlijk analysewerk (situatie in ieder deelgebied vanuit regelgevend oogpunt, uitdagingen, enz.);
      • de organisatie van vergaderingen – soms meerdere;
      • een zeer belangrijke geïntegreerde schrijfoefening voor het secretariaat dat verantwoordelijk is voor het definitieve document;
      • een werklast met betrekking tot de participatie en het lezen voor de leden zelf in de adviesraden;
      • voor elk secretariaat en elke adviesraad betekent dit extra werktijd bovenop de reglementaire opdrachten;
    • hebben de secretariaten van de bestaande raden soms een zeer beperkte personeelsbezetting, waardoor ze, voor het overgrote deel, hun basisopdrachten al niet kunnen uitvoeren.

[1] Tot onder de federale regering De Croo werd het domein handicap ten laste genomen in de IMC “Gezinnen, welzijn en sport”. De regering 2024-2029 heeft de IMC gereorganiseerd en handicap wordt voortaan behandeld in de IMC “Gelijke Kansen, Handicap en Racismebestrijding”.  


4. ADVIES

Het platform, maar ook de IMC Handicap, erkennen de noodzaak om op een transversale manier te investeren in verschillende bevoegdheidsdomeinen.

Gelet op de politieke verwachting van de IMC Handicap om zich te kunnen baseren op geïntegreerde adviezen die worden ondersteund door alle adviesraden voor personen met een handicap in de federale Staat en de deelgebieden van België,

⇒ vraagt het platform dat op de agenda van de volgende IMC Handicap hoge prioriteit wordt gegeven aan de noodzaak om het platform 

    • een exclusief en eigen juridisch statuut toe te kennen: het huidige platform van adviesraden voor personen met een handicap (federaal, deelgebieden en supranationaal) erkennen als interfederale adviesraad voor personen met een handicap die verbonden is met de IMC Handicap, maar ook met andere IMC’s in het kader van de handistreaming
    • en een ad hoc secretariaat te verschaffen
      • samengesteld uit personeel dat de voorbereiding, het opstellen en de opvolging van interfederale, globale en geïntegreerde adviezen en rapporteringen mogelijk kan maken;
      • dat kan rekenen op de noodzakelijke instrumenten voor een goede werking, waaronder
        • de organisatie van vergaderingen in de 3 landstalen;
        • de vertaling van de adviezen en verslagen in de 3 landstalen;
        • zichtbaarheid en communicatie (website).
  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/25 - Circulaire cheque

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit (KB) van 17 november 1969 houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen en het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies uitgebracht op 06/10/2025 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 29/09/2025 tot 05/10/2025 wegens de gevraagde dringende behandeling.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, per e-mail van 4 september 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Herziening van de manier waarop de tegemoetkomingen voor personen met een handicap worden uitbetaald.


3. ANALYSE

  • Gelet op de overheveling van bpost naar BNP Paribas-Fortis voor het beheer van de zogenaamde “679-rekeningen” die de overheden gebruiken om de financiële liquiditeit te beheren en betalingen te ontvangen, vervalt vanaf 1 januari 2026 voor bpost de mogelijkheid om uitbetalingen te verrichten via postassignatie.

In deze context heeft de Ministerraad van 20 juni 2025 onder andere

    • beslist om circulaire cheques de standaard uitbetalingswijze te maken voor alle betalingen die via postassignaties verlopen voor wat betreft de uitbetalingen via de DG Personen met een handicap en de Federale Pensioendienst, en dit vanaf het ogenblik dat het contract met bpost voor het beheer van de 679-rekening een einde neemt
    • zijn goedkeuring verleend om in zijn piste van de prepaidkaarten te voorzien voor de kwetsbare doelgroep. De voorwaarden om tot deze kwetsbare doelgroep te behoren worden bepaald bij de opmaak van de wetsaanpassingen en zullen voorgelegd worden aan de ministerraad in een afzonderlijk dossier. De ministerraad belast hierbij de minister van Personen met een handicap ermee om samen met de minister van Pensioenen uiterlijk tegen 18 juli een overheidsopdracht ter goedkeuring aan de ministerraad voor te leggen en machtigt de Federale Pensioendienst en de DG Personen met een handicap om in extra personeelsondersteuning te voorzien om de praktische uitrol van de prepaidkaarten te kunnen garanderen
    • beslist dat de uitvoering van de hierboven vermelde betalingsoplossingen zodanig moet worden georganiseerd dat alle begunstigden, inclusief de meest kwetsbaren, daadwerkelijk toegang hebben tot hun uitkeringen, zonder enige uitsluiting. Als aanvulling op overschrijvingen, circulaire cheques en prepaidkaarten, moet er door de regering een oplossing worden uitgewerkt en geïmplementeerd voor betaling in contanten aan huis voor begunstigden van pensioenen en uitkeringen voor personen met een handicap, voor wie geen van de andere betalingswijzen een geschikte oplossing vormt wegens fysieke of cognitieve beperkingen die de toegang tot bank- of postdiensten bemoeilijken
    • de minister van Financiën belast om de nodige initiatieven te nemen zodanig dat de inruilkost van een circulaire cheque niet gedragen moet worden door de eindgebruiker. De budgettaire impact hiervan zal opgevangen worden binnen de enveloppe voor de “679-rekeningen” op de interdepartementale provisie
    • de initiatieven inzake sensibilisering goedgekeurd. Meer specifiek zal er elke 6 maanden een monitoring plaatsvinden op het gebruik van de circulaire cheques en zal bpost worden betrokken in de informatiecampagne. Tevens zal de uitbetaling via overschrijving de standaard worden bij de opstart van een nieuwe uitkering of pensioen. Een uitzondering via circulaire cheques wordt voorzien indien de betrokkene geen toegang heeft tot de basisbankdiensten
    • de minister van Financiën, de minister van Economie en de minister van Consumentenbescherming belast om tegen het einde van de zomer, in overleg met de banksector/Febelfin, een sluitende oplossing te vinden teneinde de negatieve impact van het wegvallen van de postassignaties op kwetsbare bevolkingsgroepen te beperken, mede rekening houdend met de gestage uitdunning van het kantorennetwerk van banken dat de voorbije jaren heeft plaatsgevonden. Indien nodig zal het bestaande protocol rond de universele bankdienst met de sector aangepast worden

Lees de volledige beslissing van de Ministerraad van 20 juni.

  • Per e-mail van 4 september 2025 heeft de DG Personen met een handicap een ontwerp van KB voorgesteld dat met name in het volgende voorziet in de KB’s van 17.11.1969 en 22.05.2003:
    • § 2 : De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een zichtrekening, in SEPA-formaat, op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is.
    • § 4 : In afwijking van paragraaf 2, en op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de gerechtigde, kan de uitbetaling gebeuren door middel van circulaire cheques waarvan het bedrag betaalbaar is in handen van de gerechtigde.

In de voorgestelde teksten is er geen enkele verwijzing naar de mogelijkheid voor personen met een handicap om een betaling in contanten aan huis te vragen, hoewel dit nochtans uitdrukkelijk door de Ministerraad werd gevraagd.

  • Verder heeft de DG Personen met een handicap (DG HAN) op 11 september 2025 de beroepsbeoefenaars de volgende informatie medegedeeld via haar communicatiekanaal:

Uitbetalingen via postassignaties worden stopgezet op 1 januari 2026
Vanaf 1 januari 2026 zijn betalingen via postassignaties niet meer mogelijk voor tegemoetkomingen die worden uitbetaald door de DG Personen met een handicap. Dit werd op 20 juni beslist door de Ministerraad: Maatregelen ter vervanging van uitbetalingen via postassignaties.

Bij betaling via postassignatie komt de postbode langs bij de burger thuis, en wordt de tegemoetkoming cash overhandigd, of krijgt de burger een papieren uitnodiging om het geld op het postkantoor te gaan halen. We vragen aan jou om mee te helpen bij het informeren van de burger. Als je weet dat één van je cliënten een tegemoetkoming krijgt uitbetaald via postassignatie, vergeet dan zeker niet te zeggen dat die persoon tegen 31 oktober 2025 een andere betaalmethode moet doorgeven. In dit artikel geven we een overzicht van wat er juist verandert, en hoe de burger een andere betaalmethode kan doorgeven.

Welke alternatieven worden voorgesteld?
Bankoverschrijvingen zijn zowel voor de burger als voor de overheid de eenvoudigste en meest efficiënte oplossing. Deze methode zorgt voor een snellere en veiligere verwerking zonder extra administratieve rompslomp. Daarom is het, overeenkomstig het besluit van de Ministerraad, de bedoeling om de bankoverschrijving de nieuwe norm te maken.

Wat verwachten we van jou?
Momenteel ontvangen nog ongeveer 3.000 begunstigden hun tegemoetkoming via postassignaties. Graag roepen we jouw hulp in om de burger mee te informeren, door bij elk contact na te gaan hoe die persoon een tegemoetkoming ontvangt.

Als de persoon de tegemoetkomingen via overschrijving ontvangt, moet je niets doen.

Als de persoon de tegemoetkomingen via een postassignatie ontvangt, vragen we je om:

    • de burger te informeren over het feit dat deze betalingswijze binnenkort wordt stopgezet (vanaf 01/01/2026);
    • de burger aan te moedigen om nu over te stappen op een bankoverschrijving en de voordelen daarvan uit te leggen:
      • het is sneller: de tegemoetkoming wordt direct en sneller op de rekening gestort;
      • het is veiliger: minder risico op verlies of diefstal.

Vervolgens, afhankelijk van de banksituatie van de persoon:

    • Als de persoon al een bankrekening heeft maar deze niet gebruikt voor de tegemoetkomingen van de DG HAN, kun je voorstellen om deze te gebruiken en de wijziging door te geven. 
    • Als de persoon de tegemoetkomingen via een postassignatie ontvangt en geen bankrekening heeft, kun je de burger aanmoedigen om er een te openen en uitleggen hoe dat moet. Om een bankrekening te openen in België volstaat het om naar een bankkantoor te gaan of online een aanvraag in te dienen met een geldig identiteitsbewijs en - afhankelijk van de bank - een bewijs van woonplaats of inkomen. Opgelet: de burger moet zelf de titularis of medetitularis van de rekening zijn. Het moet ook een zichtrekening zijn (op een spaarrekening kan niet uitbetaald worden).

Tot slot kun je aan de burger uitleggen hoe die ons zijn/haar/hun rekeningnummer kan doorgeven:

Wat gebeurt er als de persoon echt geen bankrekening kan of wil openen?
Als de persoon die je aan de lijn hebt geen bankrekening kan openen, kun je voorstellen om de tegemoetkoming via circulaire cheques te ontvangen. Deze optie wordt alleen in uitzonderlijke gevallen aangeboden, wanneer een bankoverschrijving voor de begunstigde echt moeilijk te realiseren is en het verzoek goed gemotiveerd is.

De DG Personen met een handicap verduidelijkt dat ongeveer 3.000 uitkeringsgerechtigden momenteel via postassignatie worden betaald.


4. ADVIES

De NHRPH is het volledig oneens met de manier waarop de beslissing van de Ministerraad van 20 juni werd uitgevoerd door de DG Personen met een handicap.  

De NHRPH herinnert eraan dat de Ministerraad:

  • heeft beslist dat het ontvangen van de tegemoetkoming via bankoverschrijving of circulaire cheque als gelijkwaardig wordt beschouwd.
  • de noodzaak heeft benadrukt om te voorzien in de betaaloplossing in contanten aan huis. Dit wordt in de communicatie van de DG Personen met een handicap helemaal niet meer voorzien.
  • heeft beslist om circulaire cheques de standaard uitbetalingswijze te maken voor alle betalingen die via postassignaties verlopen.

Zowel de voorstellen tot wijziging van de koninklijke besluiten als de communicatie van de DG Personen met een handicap komen niet overeen met de politieke beslissing:

  • De tekst van de voorgestelde reglementaire wijziging van de KB’s stelt dat de persoon die een betaling per circulaire cheque vraagt zijn verzoek moet motiveren.
  • De tekst van de communicatie stelt dat - indien de persoon geen rekening kan openen en het verzoek motiveert - de betaling per circulaire cheque mogelijk zal zijn. Wie zal dit beoordelen? Op basis van welke criteria? Nabijheid van bankennetwerk? Mogelijkheid om een rekening door de personen zelf te laten beheren? Wie zal de relevantie beoordelen?

Fundamenteel gezien is de NHRPH van mening dat personen het recht hebben om hun tegemoetkomingen te ontvangen en te beheren op de manier die hen het best schikt. De NHRPH herinnert eraan dat België in 2009 het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft bekrachtigd en in 2021 artikel 22ter van de Grondwet heeft aangenomen: België heeft zich ertoe verbonden, op alle beleids- en administratieve niveaus, een inclusieve omgeving te implementeren en te voorzien in aanpassingen aan de procedures en bij overheidsdiensten, telkens dat noodzakelijk blijkt voor de autonomie van de persoon met een handicap.

De NHRPH herinnert eraan dat wordt geraamd dat 100.000 personen in België niet over een bankrekening beschikken, waaronder heel wat personen met een handicap met een cognitieve of zintuiglijke handicap: deze personen kunnen wel hun geld, maar geen bankrekening beheren.

De NHRPH herinnert er ook aan dat het fysieke bankennetwerk zelf steeds beperkter wordt ten gunste van onlinebankieren. Het gaat niet alleen om het aantal kantoren, maar ook de mogelijkheid van loketdiensten, om nog maar te zwijgen van het feit dat iedere loketdienst kosten voor de gebruiker inhoudt.

De NHRPH wijst er ook op dat de tendens om steeds verder te digitaliseren niet zal afzwakken. Uit een rapport van Financité (2024) blijkt dat 1882 miljoen Belgen (16 % van de bevolking tussen 16 en 74 jaar) geen onlinebankdiensten gebruiken. Financité is van oordeel dat we heel waarschijnlijk op weg zijn naar een hybride model: de meeste verrichtingen verlopen dan via internet of mobiel, maar er zullen nog enkele fysieke kantoren overblijven, die zeldzaam zijn geworden en gespecialiseerd zijn in meer specifieke financiële verrichtingen. Het is duidelijk dat dit perspectief heel wat personen met een handicap zal uitsluiten.

De NHRPH vraagt dus dat de DG Personen met een handicap in deze context voorziet in redelijke aanpassingen waardoor personen met een handicap zo autonoom mogelijk kunnen functioneren. De circulaire cheque en de betaling in contanten aan huis maken deel uit van deze aanpassingen, die overigens op het hoogste ministeriële niveau werden overeengekomen. Voor alle duidelijkheid, het is noodzakelijk:

  • dat het KB de betaling in contanten aan huis bij de persoon toelaat.
  • dat de DG Personen met een handicap haar communicatie corrigeert in functie van wat tijdens de Ministerraad werd beslist: iedere persoon moet vrij de mogelijkheid hebben om de betalingswijze te kiezen: per bankoverschrijving, per circulaire cheque of per betaling in contanten aan huis.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2025/19 - Federaal Actieplan Handicap 2025-2029

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de opmaak van het Federaal Actieplan Handicap voor de legislatuur 2025-2029. Uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16/06/2025.

Advies op vraag van het Coördinatiemechanisme per mail de dato 24/04/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen;
  • Voor opvolging aan de heer Bart De Wever, eerste minister;
  • Voor opvolging aan alle ministers van de federale regering;
  • Voor opvolging aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan de federale ombudsman.

2. ONDERWERP

In de Wet van 7 mei 2024 ter versterking van het federale beleid inzake handicap, is de verplichting voor een federaal plan handicap expliciet verankerd.


3. ANALYSE

3.1. Juridische grondslag

Artikel 3 van de wet van 7 mei 2024
Bepaalt dat elke nieuwe regering verplicht is “een federaal plan handicap uit te werken en uit te voeren” dat door de Ministerraad moet worden goedgekeurd.

Artikel 6
Legt de coördinatie van het plan bij de minister bevoegd voor personen met een handicap. De minister stelt het tijdschema op en waakt over de uitvoering van de maatregelen binnen alle bevoegdheden.

Artikel 7
Verplicht deze minister het plan voor te leggen aan de Kamer, aan Unia alsook aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.

Artikel 22ter van de Grondwet
Verordent dat personen met een handicap op voet van gelijkheid en met aandacht voor hun specifieke behoeften toegang moeten hebben tot zorg, justitie, openbaar vervoer, vrije tijd, opvoeding, kinderopvang, openbare diensten, internet, werk, een menswaardig inkomen…

De aanbevelingen van de VN-experten aan België zijn heel duidelijk en vragen een concrete aanpak in verschillende dossiers.

3.2. Handistreamingbeleid

Handistreaming is een beleidsaanpak waarbij de noden en rechten van personen met een handicap centraal staan in alle beleidsbeslissingen en de uitvoering ervan. Handicap is geen apart beleidsdomein: elke minister moet te allen tijde en op een concrete manier rekening houden met de noden van personen met een handicap in zijn of haar beleidsdomein.

  • Handistreaming beoogt volledige inclusie zoals beschreven in artikel 22ter van de Grondwet.
  • Handistreaming verzekert de rechten van personen met een handicap zoals beschreven in artikel 22ter van de Grondwet.
  • Handistreaming zorgt voor gelijkheid en antidiscriminatie zoals beschreven in de verschillende gewestelijke en federale antidiscriminatiewetten met als belangrijkste de wet van 10 mei 2007.
  • Handistreaming is essentieel voor maatschappelijke participatie op voet van gelijkheid: er moet namelijk werk worden gemaakt van de toegankelijkheid van diensten (zorg, vervoer, werk…) en goederen, informatie en communicatie in alle domeinen.
  • Handistreaming blijft in de praktijk nog heel zwak en veel personen met een handicap worden nog uitgesloten. 
  • De NHRPH blijft hameren op het belang van de interministeriële conferentie handicap (IMC), zodat het federale actieplan aansluit op Vlaamse, Waalse en Brusselse initiatieven en het interfederale plan handicap 2022–2030.
  • Tijdens de parlementaire commissies (bv. Vlaams Parlement, februari 2025) werd die oproep tot rekening houden met adviezen door de NHRPH nadrukkelijk bekrachtigd.
    • Nochtans specifieke verwijzingen naar handistreaming ontbreken in het federale regeerakkoord.

3.3. De rol van de NHRPH

De NHRPH speelt een cruciale rol in het Federaal Actieplan Handicap op verschillende niveaus:

  • Vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld
    • De NHRPH fungeert als stem voor de handicapsector op federaal niveau.
    • Advies en betrokkenheid bij beleid & planning: de NHRPH wordt verplicht geraadpleegd vóór de goedkeuring van het actieplan.
  • Opvolging en evaluatie:
    • De NHRPH volgt mee de uitvoering van het plan via tussentijdse en eindevaluaties. Deze evaluaties worden gepresenteerd aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
    • Bovendien moet de NHRPH betrokken zijn in de uitvoering van de prioriteiten. Het advies van de NHRPH moet steeds gevraagd worden en dermate vroeg in het proces van reflectie zodat er effectief rekening gehouden is met de noden van personen met een handicap.

3.4. Het federale regeerakkoord stipuleert, met betrekking tot handicap, het volgende:

  • Personen met een handicap die een integratietegemoetkoming (IT) of een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) ontvangen, worden ondersteund in hun traject naar werk.
  • Er wordt gewerkt aan een getrapt systeem van cumul met arbeidsinkomen, waarbij een deel van het loon vrijgesteld wordt.
  • Werkgevers worden ondersteund en drempels voor het aanwerven van personen met een handicap worden weggewerkt.
  • De federale overheid engageert zich om alle overheidsgebouwen toegankelijk te maken, met quick wins en met toepassing van Universal Design.
  • De European Disability Card wordt gepromoot als instrument voor meer inclusie.
  • Openbaar vervoer moet toegankelijker worden, met prioriteit voor grote stations.
  • Overheidsdiensten moeten ook telefonisch en fysiek toegankelijk blijven, niet enkel digitaal.
  • Het gelijkekansenbeleid heeft als doel dat personen met een handicap volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.
  • De publieke sector moet het goede voorbeeld geven. Er moeten sancties worden voorzien als streefcijfers voor tewerkstelling van personen met een handicap niet gehaald worden.

3.5. De beleidsverklaring van de minister van Consumentenbescherming, Bestrijding van Sociale Fraude, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen) voorziet tijdens deze legislatuur 2025-2029:

  • De toegang tot werk vergemakkelijken zonder mensen te benadelen die niet in staat zijn om te werken;
  • De sociale bescherming hervormen en vereenvoudigen, met als belangrijkste punt de herziening van de wet van 1987 over de tegemoetkomingen voor personen met een handicap;
  • Een meer inclusieve samenleving opbouwen en de aanbevelingen van de VN-deskundigen aan België omzetten in een Federaal Actieplan voor personen met een handicap;
  • De kwaliteit van de DG Personen met een handicap verbeteren, met inbegrip van het zorgen voor digitale inclusie, het versterken van de strijd tegen misbruik en het ondersteunen van de werkzaamheden van de IMC Handicap.

Meer bepaald: “Toch blijven personen met een handicap een van de meest kwetsbare groepen in ons land vanwege de vele obstakels waarmee ze hun hele leven te maken krijgen. Zo zien we een lage toegang tot tewerkstelling, een hoog risico op armoede en sociale uitsluiting en diverse andere belemmeringen die hun participatie dagelijks hinderen.” De minister herinnert aan de vier pijlers voor deze legislatuur en stelt de volgende prioriteiten voor 2025-2026 (Algemene beleidsnota):

1. Betreffende wegwerken van belemmeringen voor werk

    • Op termijn komen tot een “progressiever systeem” (zonder verdere precisering in het regeerakkoord);
    • Eenvoudige en voorspelbare combinaties van uitkeringen en inkomsten uit arbeid uitwerken.
      • Onderzoeken of de integratietegemoetkoming (IT) na een werkonderbreking kan worden behouden. In 2025 zullen scenario's worden voorgelegd aan de regering.
      • Evaluatie van de anti-cumulregel voor inkomsten uit arbeid voor personen die inkomensvervangende tegemoetkomingen (IVT) ontvangen, momenteel beperkt tot twee jaar.
      • Op termijn een nieuw regelgeving met degressieve drempels: de IVT zou geleidelijk worden verlaagd – getrapt systeem – naarmate het inkomen of de arbeidsparticipatie stijgt.
      • Alle inkomsten (beroepsinkomsten of vervangingsinkomsten) van de begunstigden worden in aanmerking genomen, met inbegrip van inkomsten uit roerende en onroerende goederen.
    • Back to work-traject (RVA-procedure) ook voor personen met een handicap die deeltijds willen werken.
    • Integratie van de aanbevelingen van het Nationaal College voor Sociale Geneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid met betrekking tot de harmonisatie van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, die kunnen bijdragen tot de beoordeling van personen met een handicap door de DG Personen met een handicap.
    • Tewerkstelling in de publieke sector: versterking met 3 % en sancties.

2. Betreffende de sociale bescherming van personen met een handicap en de modernisering van de wet van 1987

    • Grondig, in fasen, in samenspraak met de gefedereerde entiteiten en met de NHRPH (met inbegrip van de hervorming van de beoordeling van het verdienvermogen en het verlies van zelfredzaamheid).
    • Wetsontwerp voor de afstemming van de IVT/IT op de wettelijke pensioenleeftijd;
    • Aanpassing van de administratieve definities van handicap.
    • Parkeerkaart: omzetting van de richtlijn en ondersteuning van handyPark.
    • Nieuwe wegverkeersreglementering en parkeerkaarten.
    • Versterken en promotie van de European Disability Card(EDC).

3. Betreffede de handistreaming in het hele federale beleid

    • Versterking van de werking van de NHRPH.
    • Federaal plan Handicap tegen eind 2025.
    • Verankering van “contactpunten handicap” in de regelgeving.
    • Opvolging van de aanbevelingen van de VN-deskundigen over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de Europese strategie inzake handicaps.

4. Betreffende de kwaliteit van de dienstverlening door de overheid

    • Consolidatie van het ExcelHan-programma: ISO 9001-certificering.
    • Ontwikkeling van TRIA en gegevensuitwisseling.
    • Termijnen voor de behandeling van dossiers.
    • Financiële status van aangeduide artsen.
    • Bestrijding van non-take-up: herschrijven van brieven als maatregel tegen NTU + andere maatregelen die moeten worden vastgesteld op basis van de NTU-studie.
    • Ontwikkeling van het digitale loket My Handicap, sociale permanenties en telefonie.
    • Bestrijding van fraude.
    • Opvolging van de Belmod-studies vanuit het oogpunt van handicap.
    • Opvolging van de werkzaamheden van de ICM Handicap.

De minister benadrukt de rol van de NHRPH en wijst in al zijn verklaringen op het belang van een doeltreffende ondersteuning ervan, zie beleidsnota pagina 13: “Als federaal adviesorgaan speelt de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) een sleutelrol op dit gebied. Ik zal in overleg met de NHRPH nagaan hoe hun actie en impact kunnen worden versterkt, zodat de stem van personen met een handicap altijd wordt gehoord.”

Zie ook Algemene beleidsnota, blz. 9: “De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) is als federaal adviesorgaan een cruciale partner in de uitwerking van het federaal beleid. In overleg met de Raad zal ik een voorstel indienen om de werking van de Raad te versterken, in overeenstemming met de aanbevelingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap aan België.

De NHRPH heeft een advies 2025-13 daarover uitgebracht.

3.6. De NHRPH wenst te herinneren aan de drie fundamentele aandachtspunten die aan de grondslag van alle beleidslijnen en acties moeten liggen:

  • een menswaardig leven voor personen met een handicap ondersteunen;
  • hun zelfredzaamheid en levenskeuze respecteren;
  • hun deelname in de samenleving op alle gebieden versterken.

Het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is hierbij het referentiedocument bij uitstek. De aanbevelingen van de experten aan België in 2024 moeten zeker opgenomen worden in het Federaal Actieplan Handicap. De problemen die het middenveld ondervindt zijn terug te vinden in het alternatief rapport van het BDF.


4. ADVIES

Het nieuwe federale actieplan Handicap 2025-2029 moet via een transversaal beleid ervoor zorgen dat niemand in de kou blijft staan.

De NHRPH vraagt met aandrang om in te zetten op de volgende prioritaire acties, zie hieronder.

1. Wat betreft de werking van het Federaal Actieplan Handicap 

  • Zoals hierboven beschreven is 'handistreaming' binnen het Federaal Actieplan Handicap een belangrijk principe wat inhoudt dat bij elke maatregel en beslissing van de federale regering actief wordt nagedacht over de impact op personen met een handicap. Om de dossiers op te volgen volgens een handistreaming-logica, moet het secretariaat van de NHRPH deftig kunnen functioneren. Momenteel is dat niet het geval: de medewerkers die het secretariaat verlaten hebben, zullen niet worden vervangen.

De NHRPH vraagt dat de medewerkers van het secretariaat die vertrokken zijn, zo snel mogelijk worden vervangen.

  • Het Federaal Actieplan Handicap omvat een visie en doelstellingen, middelen en een kalender, evaluatie en participatie van de NHRPH.
    De omgeving waarin personen met een handicap leven, de openbare ruimte waarin ze zich begeven is helaas niet toegankelijk waardoor vele personen met een handicap, hun families en hun verzorgers uitgesloten worden. De benadering van het begrip handicap is nu nog al te vaak protectionistisch: ze vertrekt vanuit vertegenwoordiging in plaats vanuit bijstand en het respecteert de vrije keuze en autonomie veel te weinig.

Wetgeving moet volledige inclusie en autonomie bieden waar ze nu mensen uitsluit.
Het Federaal Actieplan Handicap moet ambitieus en bindend zijn, waar nodig via de Interministeriële conferentie en het interfederaal plan Handicap.

  • Garandeer betrokkenheid bij besluitvorming van personen met een handicap.

⇒ Installeer een structurele betrokkenheid met de NHRPH bij beleidsbeslissingen die personen met een handicap aangaan, zoals vereist door het UNCRPD, art. 4.3.
⇒ Stel op elk kabinet een contactpersoon Handicap aan die op een structurele manier samenwerkt en afspreekt met het secretariaat van de NHRPH.
⇒ Richt werkgroepen en structurele overlegmomenten op met de verschillende federale administraties. Ook daar dient een vast contactpunt Handicap per administratie aanwezig te zijn. Dit contactpunt moet in nauwe samenwerking staan met de voorzitter van de administratie. Elke administratie zou zich ertoe moeten verplichten om een werkkader te hanteren dat de inclusie van medewerkers met een handicap promoot maar ook gericht is op burgers met een handicap die zich tot de administratie wenden.
Versterk de IMC Handicap en zorg voor een optimale transparantie, inspraakmogelijkheid en kruisbestuiving. De huidige werkgroepen (werk, toegankelijkheid) zijn niet toereikend genoeg voor de uitdagingen die volledige inclusie in alle levensdomeinen vereist.
⇒ Alle adviesraden inzake handicap moeten betrokken worden en het is hoog tijd om het platform Adviesraden ad hoc een secretariaat te verschaffen.
⇒ Stel een uitgebreide motiveringsplicht in wanneer een advies niet wordt gevolgd.

⇒ Maak optimaal gebruik van de tools die Unia ontwikkelt en van de adviezen die de NHRPH uitbrengt.

2. Wat betreft de inhoud van het actieplan 2025-2029

  • Creëer een inhaalbeweging om de rechten van personen met een handicap gelijk te trekken (Tenuitvoerlegging van artikel 22ter van de Grondwet)en discriminatie te bestraffen wanneer deze zich voordoet.

⇒ Een screening van alle regelgeving in het licht van de UNCRPD-beginselen is noodzakelijk
⇒ De opmerkingen die de UNO experten aan België hebben overgemaakt, moeten op zijn minst volledig en adequaat worden beantwoord in het Federaal Actieplan Handicap.
⇒ Het Federaal Actieplan Handicap 2019-2024 omvatte 30 maatregelen gericht op de wijziging van de regelgeving. Dat is erg weinig in vergelijking met de bestaande regelgeving in haar geheel. De regelgeving met veel structureler en grondiger worden hervormd. Dat houdt een screening van de bestaande teksten in, maar ook het wegwerken van de huidige leemtes in de wetgeving ten opzichte van de vereisten van het UNCRPD.
⇒ Het volstaat niet om regelgeving vast te stellen, deze moet ook worden uitgevoerd vanuit het perspectief van personen met een handicap. Bijvoorbeeld: de wet inzake positieve actie, Back-to-work…
⇒ Er bestaat een controlemechanisme op papier, maar er wordt geen verslag uitgebracht in het kader van de uitvoering van de richtlijnen.
Ondersteun Unia bij haar bewustmakingsacties en klachtenmechanismen.
⇒ Slachtoffers van intersectionele discriminatie mogen niet geacht worden tweemaal een zaak te moeten aanspannen.

  • Bestrijd elke vorm van geweld, met name tegenover vrouwen met een handicap: streef naar een ambitieuze uitvoering van de richtlijn tegen geweld op vrouwen en neem hierbij de noden van vrouwen met een handicap in acht.
  • Pas de noodplannen aan de behoeften van personen met een handicap aan.

⇒ Informatie en communicatie moeten toegankelijk zijn voor iedereen. Anticipeer op noodsituaties en betrek personen met een handicap bij het opstellen van de noodplannen.
⇒ De noodplannen moeten de noden van personen met een handicap in acht nemen en in kaart brengen op het vlak van communicatie, identificatie en evacuatie. 

  • Zorg voor gewaarborgde en menswaardige middelen van bestaan: hervorm de wet van 27 februari 1987.

⇒ Trek de inkomensvervangende tegemoetkoming op tot minstens het niveau van de Belgische armoedegrens. De afgeleide rechten mogen niet verdwijnen.
⇒ Integreer de gezondheidsdimensie en behoud de IVT, zeker wanneer de persoon niet in staat is om te werken.
⇒ Moedig werk aan, rekening houdend met de multifactoriële oorzaken van inactiviteit.
⇒ Werken is niet voor iedereen een optie.
⇒ De IVT moet direct beschikbaar zijn zodra een persoon met een handicap zonder arbeidsinkomsten valt.
⇒ De evaluatie van de IVT en IT moet duidelijker zijn.
⇒ Uniformisatie via BelRAI en IFC is geen oplossing.
⇒ Garandeer een vrije keuze van woonplaats zonder vormen van cohousing te bestraffen.
⇒ Handicapgerelateerde kosten mogen een menswaardig inkomen en bestaan van de persoon met een handicap en zijn gezin niet in de weg staan.
⇒ Herbekijk parallel hiermee de logica van Artikel 100: de verzekeringslogica van sociale zekerheid houdt in dat de oorzaak van een handicap bepalend is voor de sociale dekking van de persoon. Die logica is in strijd met het UNCRPD.

  • Investeer in armoedepreventie en de strijd tegen armoede: 

⇒ Zorg voor interactie tussen het Federaal Actieplan Handicap en het Federaal Actieplan Armoedebestrijding.
⇒ Strijd tegen de non-take up van rechten: verbeter de toegang tot informatie in een samenleving die in toenemende mate is gedigitaliseerd: voorzie altijd een niet-digitaal alternatief en veralgemeen toegankelijke taal en FALC / easy-to-read.
⇒ Korte werkcontracten wegens ziekte of handicap geven veel economische onzekerheid en stress. De hervorming van de wet 1987 moet een betere bescherming bieden bij onvoorziene omstandigheden.  
⇒ Herbekijk de toegang tot het minimumpensioen, rekening houdend met een onderbroken carrière wegens ziekte of handicap of wegens de zorg voor personen met een handicap.
⇒ Versterk de wisselwerking tussen het Federaal Actieplan Handicap en het Federaal Actieplan Armoedebestrijding.

  • Ondersteun werk van personen met een handicap en van hun familie: 

⇒ Zet in op

        • redelijke aanpassingen
        • flexibele werktijden
        • toegankelijkheid
        • jobcoaching
        • herziening van de wet van 1987
        • en aansprakelijkheid van de werkgevers.

⇒ Neem de nodige wetgevende en beleidsmaatregelen om ouders van personen met een handicap in staat te stellen hun kinderen binnen het gezin op te voeden zonder de arbeidsmarkt te moeten verlaten. Verleng het mantelzorgverlof en versterk het mantelzorgersstatuut.
⇒ Verplicht in alle sectoren positieve acties en sensibilisering.
⇒ Personen met een handicap hebben vaak een onregelmatige loopbaan; zet in op flexibele tewerkstelling in combinatie met een IVT.
⇒ Herevalueer de bestaande CAO’s.
⇒ Richt een ONE STOP SHOP op: de IMC Handicap moet een centraal punt creëren waar belanghebbenden worden geïnformeerd over hun rechten, en het niveau van de steun, inzake tewerkstelling.

  • Ondersteun de besluitvorming van personen met een handicap

Hervorm de wet van 17/03/2013 inzake bewindvoering. Artikel 12 van het UNCRPD vraagt DRINGEND alle vormen van vervangende besluitvorming af te schaffen en te vervangen door ondersteunde besluitvorming. Meerdere aspecten van de huidige regelgeving moeten worden herbekeken aangezien noch de wet noch de praktijk rekening houden met wat de persoon nog zelf kan, waar hij bijstand nodig heeft en waar hij vertegenwoordiging nodig heeft.
⇒ Versterk begeleiding door de vrederechters.

  • Besteed aandacht aan de negatieve gevolgen voor personen met een handicap en zieke personen inzake het bestrijden van de opwarming van de aarde: 

⇒ Neem maatregelen die geen bijkomende achteruitstelling betekenen voor personen met een handicap. Bijzondere aandacht moet gaan naar de domeinen van transport, huisvesting, gezondheidszorg enzovoort.

  • Artificiële intelligentie is geen antwoord op alle behoeftes:

⇒ Maak van de gelegenheid gebruik om het begrip handicap en de specificiteit en noden van personen met een handicap te integreren in de “sandboxes” zodat ook daar inclusie bestaat van bij het begin.
⇒ Waak erover dat er ook altijd een persoonlijke en niet digitale dienstverlening voorhanden is alsook menselijke controle van (generatieve) artificiële intelligentie.
Controleer en bestraf de ontwikkeling van discriminerende applicaties.
⇒ Gebruik gezondheidsgegevens enkel in het belang van de patiënt.

  • Bied een gelijke en betaalbare toegang tot gezondheidszorg:

⇒ Werk verschillen in hospitalisatieverzekeringen
⇒ Voorzie monodisciplinaire logopedie naast multidisciplinaire logopedie naar gelang de behoefte van de persoon met een handicap.

⇒ Hervorm de nomenclatuur zodat alle zorgen toegankelijk zijn.
⇒ Er is een structureel tekort aan gediplomeerde tolken gebarentaal. Het tekort aan tolken belemmert volledige inclusie. Herbekijk en stimuleer de toegang tot het beroep van gebarentolk. Beschouw het beroep tolk gebarentaal als knelpuntberoep.
⇒ Organiseer opleidingen FALC – easy-to-read en cursussen “gepast en empathisch communiceren met personen met een handicap” voor de zorgsector, het onderwijs, justitie, OCMW’s, arbeidsbemiddelaars, overheidsdiensten…
Leid behandelende artsen en zorgverstrekkers op inzake de noden van personen met een handicap. Het ziekenhuis Citadelle in Luik is met zijn dienst Welcome een goede praktijk.

  • Garandeer een gelijke toegang tot justitie: artikel 13 van het UNCRPD vraagt betaalbare rechtsbijstand voor iedereen. Hiertoe moeten alle barrières worden geslecht om tot gelijkwaardige toegang tot gerechtelijke processen te komen: 

⇒ Voorzie gratis tolken gebarentaal, toegankelijke rechtbanken, en opleiding van de
⇒ Voorzie ondersteuning voor personen met een handicap in en buiten de gevangenis: artikel 14 UNCRPD vraagt om een verbod op vrijheidsberoving en onbeperkte opsluiting wegens een handicap. Zie ook de positienota Internering van de NHRPH.

  • Geef iedereen een stem(recht):

⇒ Voorzie toegankelijke stemlokalen en assistentie voor personen met een handicap. Gepaste hulpmiddelen zijn: loepen, computers met inzoomfunctie, text-to-speech, hoofdtelefoons, ...
⇒ Online stemmen op afstand, bijvoorbeeld van thuis, moet eindelijk kunnen.
⇒ Personen met een handicap moeten ook hun eigen assistent/begeleider kunnen kiezen.
⇒ Streef naar actieve politieke participatie, zoals het ondersteunen van kandidaten met een handicap. Zie de positienota van de NHRPH: Deelname aan het politieke leven - Verkiezingen.  

  • Maak alle openbare gebouwen én alle openbare diensten toegankelijk: voorzie aanpassingen voor personen met een handicap bij renovatie. Tegen 2050 moet de openbare ruimte volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap.

⇒ Bied gelijkwaardige toegang tot justitie, vrije tijd, onderwijs, het bankwezen (ook de keuze van coupures, vermijden van ontoegankelijke touchpads), telefonie, energie, websites van de overheid.
⇒ Voorzie een menselijk alternatief en persoonlijke assistentie in elk openbaar gebouw en in elke communicatie met de burger.
⇒ Hanteer het principe van Universal design: standaardisering van criteria voor aangepaste woningen, met toepassing van universeel ontwerp en aandacht voor betaalbaarheid.
⇒ Hanteer eenduidige toegankelijke taal in elk contact met de burger.
⇒ Ondersteun het gebruik van EDC-kaart in alle publieke en privédomeinen.

  • Garandeer toegankelijk openbaar vervoer. Het UNCRPD zegt hierover: er is nood aan een wet die autonoom reizen garandeert (art. 9).

Zonder meerkosten, met een menselijk alternatief voor de toenemende digitalisering én met recht op persoonlijke assistentie.
⇒ Noodzakelijke voorwaarden voor inclusie:

      • toegankelijke, menselijke loketten
      • toegankelijke treinen
      • versneld toegankelijk maken van stations en haltes
      • beschikbaarheid van persoonlijke assistentie, altijd en overal, ook tijdens stakingen
      • gratis begeleider, ook voor de heen- of terugreis alleen in het kader van de begeleiding

⇒ De aankoop van vervoersbewijzen via digitale en niet-digitale kanalen moet dezelfde zijn.

  • Hervorm de Code van de Openbare Weg zodat die meer rekening houdt met personen met een handicap:

⇒ Behoud zebrapaden in de zone 30.
⇒ Verhoog de veiligheid van kruispunten met rateltikkers.
⇒ Maak aparte rij- en wandelstroken voor de verschillende weggebruikers, met vooral aandacht voor kwetsbare voetgangers met een handicap (blinde en dove personen, personen met een assistentiehond, rolwagengebruikers enz.).
⇒ Controleer op het oneigenlijk gebruik van parkeerplaatsen voor personen met een handicap en van parkeerkaarten voor personen met een handicap.
⇒ Voorzie voldoende, grote en veilige parkeerplaatsen voor personen met een rolstoel.
⇒ Ook parkeren met een parkeerkaart voor personen met een handicap moet overal vlot kunnen, ook voor mensen die met verschillende auto’s reizen of meereizen.

Tot slot: Fundamental Principles of Disability uit 1975 stelt dat “it is society which disables physically impaired people”. 

Het is aan de overheid, in overleg met belangenbehartigers om elke ongelijkheid in de samenleving weg te werken.

Het Federaal Actieplan Handicap is het middel bij uitstek om op transversale wijze handistreaming te realiseren, waarbij elke minister hiervoor verantwoordelijk is binnen zijn of haar bevoegdheidsdomein (met een aanspreekpunt Handicap per minister).

  • Raadplegingen: 34

Advies 2025/13 - Beleidsverklaring en beleidsnota Rob Beenders

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) inzake de beleidsverklaring van 11 maart 2025 en de beleidsnota van 23 april 2025, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19/05/2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, Eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Tijdens de plenaire vergadering van 14 april 2025 heeft de minister van Personen met een handicap de Beleidsverklaring (BV – visie van zijn politiek mandaat voor de volgende 5 jaar) voorgesteld. Hij heeft overigens bij de Kamer zijn Beleidsnota (BN - actieplan 2025-2026) ingediend.


3. ANALYSE

De minister richt zijn prioriteiten tijdens deze legislatuur 2025-2029 op 4 aspecten:

  1. de toegang tot werk bevorderen zonder de personen die niet in staat zijn om te werken te straffen;
  2. de sociale bescherming hervormen en vereenvoudigen met de hoofdas van de herziening van de wet van 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  3. een inclusievere samenleving opbouwen en de aanbevelingen van de VN-deskundigen aan België omzetten in het federaal actieplan handicap;
  4. de kwaliteit van de DG Personen met een handicap verhogen, met inbegrip van het toezien op de digitale inclusie, het versterken van de strijd tegen misbruik en het ondersteunen van de werkzaamheden van de IMC Handicap.

Meer in het bijzonder stelt de minister vast dat personen met een handicap een van de meest kwetsbare groepen in ons land blijven vanwege de vele obstakels waarmee ze hun hele leven te maken krijgen. Zo zien we een lage toegang tot tewerkstelling, een hoog risico op armoede en sociale uitsluiting en diverse andere belemmeringen die hun participatie dagelijks hinderen, en herinnert hij aan de 4 assen van de legislatuur en brengt de volgende prioriteiten voor 2025-2026 naar voren:

  1. Wegnemen van de hindernissen tot werk:
    • op termijn een “meer getrapt systeem” (zonder andere verduidelijking in het regeerakkoord);
    • eenvoudige en voorspelbare combinaties van tegemoetkomingen en inkomsten uit arbeid:
      • het behoud van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IT) na een werkonderbreking onderzoeken. In 2025 zullen scenario’s aan de regering worden voorgesteld;
      • de anti-cumulatieregel Inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) – inkomsten uit arbeid die thans beperkt is tot 2 jaar evalueren;
      • op termijn een nieuw scenario dat aflopende drempels integreert (de IVT zou geleidelijk verminderd worden – drempels – naarmate het beroepsinkomen of de arbeidsparticipatie stijgt);
      • er zal rekening worden gehouden met alle (beroeps- of vervangings-)inkomsten van de begunstigden, ook met de inkomsten uit roerende en onroerende goederen.
    • mogelijkheid van Back-to-work (procedure RIZIV) voor personen met een handicap die deeltijds willen werken;
    • integratie van de aanbevelingen van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid voor de harmonisering van de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid die kunnen bijdragen aan de evaluatie van personen met een handicap door de DG Personen met een handicap;
    • tewerkstelling in de overheidssector: versterking 3% en sancties.
  2. Sociale bescherming van personen met een handicap en modernisering van de wet van 1987:
    • grondig, in fases, ook met de deelgebieden en met de NHRPH (met inbegrip van de hervorming van de evaluatie van het verdienvermogen en het verlies van zelfredzaamheid);
    • wetsontwerp om de IVT/IT in overeenstemming te brengen met de wettelijke pensioenleeftijd
    • de administratieve definities van de handicap (IMC) in overeenstemming brengen
    • parkeerkaart: omzetting van de richtlijn en ondersteuning van handyPark
    • nieuwe code van de openbare weg en parkeerkaarten
    • promoten van de European Disability Card (EDC)
  3. Integratie van de handicap in het gehele federaal beleid
    • de werking van de NHRPH versterken
    • een Federaal Plan Handicap tegen eind 2025
    • reglementaire verankering van de aanspreekpunten inzake handicap
    • opvolging van de aanbevelingen van de VN-experts over de uitvoering van de UNCRPD en de Europese Handicapstrategie
  4. Kwaliteit van de dienstverlening door de administratie
    • Consolidatie van het ExcelHan-programma:
    • ISO 9001-certificering,
    • ontwikkelen van TRIA en data sharing,
    • verwerkingstermijnen van de dossiers,
    • financieel statuut van de aangeduide artsen,
    • strijd tegen de non-take-up (NTU): herschrijven van de brieven als actie in de strijd tegen de NTU + andere acties die moeten worden gedefinieerd rekening houdend met de NTU-studie
    • ontwikkeling van het digitaal loket My Handicap, sociale zitdagen en telefonie
    • strijd tegen fraude
    • opvolging van de Belmod-studies vanuit het oogpunt van de handicap
    • opvolging van de werkzaamheden van de IMC Handicap

De minister wijst op de rol van de NHRPH en herinnert in elk van zijn verklaringen aan het belang om die doeltreffend te ondersteunen,

  • zie Beleidsverklaring pagina 13: De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) speelt hier als federale adviesraad een sleutelrol. Ik zal in overleg met de NHRPH bekijken hoe hun werking en impact kan worden versterkt zodat de stem van personen met een handicap steeds wordt gehoord.
  • zie ook Beleidsnota pagina 9: De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) is als federale adviesraad dan ook een cruciale partner bij het ontwikkelen van het federale beleid. In overleg met de Raad zal ik een voorstel doen tot versterking van de werking van de Raad, in overeenstemming met de aanbevelingen van het VN-comité inzake de rechten van personen met een handicap aan ons land.

4. ADVIES

De NHRPH wijst op de ambitie van de minister, zowel op lange als op korte termijn.

De NHRPH herinnert aan zijn talrijke verwachtingen: zie memoranda, positienota’s en adviezen van de vorige legislaturen die zonder opvolging zijn gebleven.

Twee aandachtspunten in dit stadium:

  1. De hervorming van de wet van 27 februari 1987 is een absolute prioriteit, die reeds jaren dringend is, aangezien de wet zoals ze vandaag bestaat
    • het voor de persoon niet mogelijk maakt te werken mits naleving van zijn zorgtraject, noch waardig te leven wanneer hij/zij niet werkt – om gezondheidsredenen of omdat de omgeving het hem niet mogelijk maakt zich naar het werk te begeven of eenvoudigweg omdat de werkgevers de persoon niet willen aanwerven wegens zijn/haar handicap.
    • de leefomgeving van de persoon niet respecteert: er is vaak een aanzienlijke variabiliteit in de tegemoetkomingen, terwijl de leefomgeving vaak een verplichting is die de persoon wordt opgelegd.
    • de strijd tegen de non-take-up niet integreert: twee studies ( advies 2024-17 en 2025-07) in 2024-2025 hebben de aandacht gevestigd op het feit dat heel wat personen geen enkele kennis van de mogelijke hulp hebben en hun rechten dus mislopen. Onder invloed van de digitalisering en het uitwisselen van gegevens moet de last van de actie dus dringend worden omgegooid, zodat de administratie de personen die aan deze voorwaarden zouden voldoen kan identificeren.
    • de UNCRPD helemaal niet naleeft. Le NHRPH vindt het belangrijk met een blanco blad te beginnen dat de visie uiteenzet en pas dan kan er aan de teksten worden gewerkt.

De NHRPH vraagt dat, indien het inderdaad de ambitie is om tegen het einde van de legislatuur te landen met een nieuwe wet, er onmiddellijk een nieuwe gestructureerde en permanente werkgroep, bestaande nl. uit de NHRPH, wordt gelanceerd.

  1. De betrokkenheid van de NHRPH. De NHRPH wijst op de wil van de minister om de NHRPH te betrekken bij de opvolging van heel wat dossiers van de DG Personen met een handicap, de hervorming van de wet, het Federaal Plan Handicap 2025-2029, enz. De opeenvolgende ministers weten dat de NHRPH steeds een loyale, bedachtzame en geëngageerde partner voor de denkoefening is geweest.
    De NHRPH herinnert er evenwel aan dat voor dergelijke betrokkenheid middelen nodig zijn, met name op het niveau van het secretariaat. Deze middelen volstaan momenteel helemaal niet:
    • Voor het analyseren van de teksten, het organiseren en opvolgen van de vergaderingen, maar ook voor het voorbereidend werk van het politiek pleidooi van de leden van de NHRPH zijn 6 voltijdse equivalenten noodzakelijk. Er ontbreken 3 voltijdse equivalenten en de DG Personen met een handicap voorziet niet in aanwervingen. Er is hier wel degelijk sprake van het vervangen van personen die het secretariaat hebben verlaten en niet om het versterken van het secretariaat.
    • Er moet eraan worden herinnerd dat het secretariaat van de NHRPH ook moet zorgen voor het realiseren van de doelstellingen van het Belgian Disability Forum (BDF) en het coördineren van het platform van de adviesraden inzake handicap.
    • De opdrachten van de NHRPH en van het BDF situeren zich in het zeer ruime kader van de handistreaming: de NHRPH beantwoordt ieder verzoek om advies van de overheid of uit de privésector en brengt op eigen initiatief adviezen uit in een interfederale of supranationale context.

In deze context is het duidelijk dat het engagement van de NHRPH zonder vervangingen (zonder het zelfs over versterking te hebben) zwaar in gevaar zal worden gebracht.

De NHRPH vraagt dringend een oplossing om de goede werking van het secretariaat te garanderen, waarbij op zijn minst de werknemers die het secretariaat hebben verlaten zo snel mogelijk worden vervangen.

De NHRPH herinnert er ten slotte aan dat de leden van de NHRPH zich op vrijwillige basis engageren en dat het presentiegeld dat is voorzien voor een vergadering (€ 12,39 bruto) niet in verhouding staat tot het geleverde werk. Sinds 2023 wordt een hervorming van de NHRPH gevraagd en het is daartoe belangrijk op een waardige manier het werk van de verenigingen die tijd besteden aan de raadgevende functie te erkennen.

De NHRPH vraagt dat de hervorming van de NHRPH ook een prioriteit van de minister is.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/24 - KB over tewerkstelling bij de federale overheid

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling

Advies nr. 2025/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties.

Uitgebracht op 14 augustus 2025 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 6 augustus 2025 wegens de gevraagde urgentie door mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid.

Advies op verzoek van mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid, per mail van 3 juli 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Voor opvolging aan de heer Bernard Quintin, minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan de CIPH (Commissie voor de Inclusie van Personen met een Handicap)
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit heeft als doel de verplichtings-, opvolgings- en responsabiliseringsmechanismen voor de tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheid te versterken.


3. ANALYSE

  1. Het ontwerp neemt personen met een chronische aandoening op in de definitie en het toepassingsgebied van het besluit: het betreft personen die door het RIZIV zijn erkend onder het ‘statuut chronische aandoening’. Zij krijgen voortaan het recht om redelijke aanpassingen te vragen tijdens selecties voor het federaal openbaar ambt.
  2. Het ontwerp wijzigt ook de monitoring van personen met een handicap binnen het federale personeelsbestand:
    1. Personen met het ‘statuut chronische aandoening’ worden voortaan meegeteld bij de berekening van de 3 %.
    2. Personen met een handicap die een gewestelijke beroepsopleiding volgen bij een overheidsdienst, hoeven niet langer noodzakelijkerwijs via een arbeidsovereenkomst in dienst te worden genomen om te worden meegeteld. De tewerkstellingsovereenkomst tussen de federale dienst en de gewestelijke instantie volstaat om in aanmerking te komen voor het quotum.
    3. Het gehanteerde concept ‘personeelsbestand’ om het percentage te berekenen, verwijst voortaan naar het aantal personeelsleden die zijn opgenomen in de inventaris van de personeelsplannen van de federale diensten en niet langer naar het aantal voltijdse equivalenten in deze inventaris.
  3. Het ontwerp stelt voortaan een streefcijfer van 3 % vast in elke federale administratie, maar ook in het volledige federaal openbaar ambt. Volgens de huidige regelgeving zijn administraties die het quotum hebben gehaald, niet langer verplicht om hun inclusiebeleid voort te zetten. Dit artikel benadrukt de collectieve inspanning die van alle federale diensten wordt verwacht om inclusie bij het administratief federaal openbaar ambt te waarborgen.
  4. Het ontwerp voert een systeem van progressieve sancties in wanneer een federale dienst zijn tewerkstellingsverplichting voor personen met een handicap (3 % van het personeelsbestand) niet nakomt:
    1. Indien een federale dienst het voornoemde richtcijfer niet bereikt gedurende twee opeenvolgende jaren, een actieplan dat de maatregelen uiteenzet die zullen worden geïmplementeerd om zijn tewerkstellingsverplichting voor personen met een handicap ten belope van 3 % van zijn personeelsbestand na te komen wordt opgemaakt. Dit plan moet aan de Commissie voor de Inclusie van Personen met een Handicap worden meegedeeld.
    2. Als wordt vastgesteld dat het plan een jaar na de opstelling ervan niet werd gevolgd, kan de minister van Ambtenarenzaken de betrokken federale dienst verplichten tot de organisatie van selecties die voorbehouden zijn aan personen met een handicap. Met andere woorden, ofwel de organisatie van een kennismakingstraject, ofwel een contractuele selectie die voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, lid 4, van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.
    3. In het geval dat, na deze twee stappen, de federale dienst nog steeds het richtcijfer van 3 % tewerkstelling van personen met een handicap niet bereikt, kan de minister die bevoegd is voor Ambtenarenzaken beslissen om de statutaire aanwervingen of contractuele indienstnemingen bij deze dienst te blokkeren en eisen dat de kredieten die hiervoor bestemd waren, worden toegewezen aan projecten voor de tewerkstelling van personen met een handicap. De geleverde inspanningen van de dienst en ook de verschillende parameters met betrekking tot de context van de federale dienst (zijn omvang, het type van functie, …) worden in rekening genomen bij de beslissing van de minister.
  5. In de Franse versie van het ontwerp wordt de term ‘personne handicapée’ vervangen door ‘personne en situation de handicap’.
  6. Het ontwerp schrapt de federale politie in al haar onderdelen uit het materiële toepassingsgebied van het besluit, omdat zij niet onder de bevoegdheid van de minister van Ambtenarenzaken valt (foutieve wijziging tijdens de hervorming van 2012).

De NHRPH heeft kennisgenomen van het advies van de inspectrice van Financiën en benadrukt de relevantie van zijn overwegingen.


4. ADVIES

De NHRPH brengt een zeer terughoudend, zelfs negatief advies uit. De NHRPH is van mening dat de geplande hervormingen voorbijgaan aan het doel: het versterken van de tewerkstelling van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt.

A. Een zeer relatieve verplichting tot aanwerving

De verplichting om het streefcijfer van 3 % te behalen wordt individueel voor elke administratie en collectief voor het hele federale openbaar ambt. Hoewel sancties worden aangekondigd, stelt de NHRPH vast dat deze nooit automatisch zijn, en afhankelijk blijven van de context en beoordeling van de minister van Ambtenarenzaken (de minister "kan").

De term ‘sancties’ is ook twijfelachtig, aangezien het hoogstens neerkomt op het naleven van een actieplan of het organiseren van gerichte selecties. Voor de NHRPH gaat het veeleer om logische consequenties van tekortkomingen van de Staat als werkgever. De NHRPH wijst ook op de budgettaire beperkingen inzake personeel, die zich concreet uiten in het niet vervangen van personeel. Zoals de inspectie van Financiën benadrukt: hoe effectief zal het ‘blokkeren’ van indienstnemingen door de minister zijn in een dergelijke context?

De NHRPH stelt vast dat de maatregelen van de afgelopen jaren de tewerkstellingsgraad niet hebben verbeterd, integendeel (cf. de verslagen van de BCAPH en de CIPH – het laatste verslag van de CIPH voor 2024 vermeldt een tewerkstellingscijfer van 1,36 % voor personen met een handicap)!

De NHRPH heeft altijd een stimulerende aanpak verkozen boven een sanctiebeleid; dat is ook de keuze van de minister. Echter, wanneer responsabilisering gedurende meerdere jaren (cf. opeenvolgende verslagen van de BCAPH en de CIPH) geen resultaat oplevert, rijst de vraag hoe oprecht het engagement is. Wanneer sancties niet doeltreffend zijn of niet worden toegepast, blijft het engagement dode letter. Zonder sancties blijven inspanningen vaak oppervlakkig. Zonder concrete ondersteuning kunnen sommige diensten worden overweldigd door de hervorming. Daarentegen zal een transparant opvolgingskader, met verplichtingen en vaste termijnen in combinatie met meetbare gevolgen, een constructieve positieve druk creëren.

⇒ De NHRPH stelt dat concrete, structurele en duurzame maatregelen op verschillende niveaus nodig zijn om de tewerkstelling van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt te verbeteren: op de niveaus van indienstneming, toegankelijkheid, inclusiecultuur, begeleiding en opvolging.
⇒ De NHRPH pleit voor een ‘langetermijninclusiebudget’: kredieten voor projecten zijn altijd beperkt in de tijd en maken duurzame tewerkstelling onmogelijk.
⇒ Het aanpassen van regelgevende teksten is geen oplossing als de hervorming niet kadert in een bredere context van transformatie van het systeem en van de mentaliteit. De NHRPH benadrukt het belang om alle uitdagingen samen met de personen met een handicap te bespreken: de NHRPH waardeert de wil tot verandering van de minister en moedigt haar aan te overleggen met de verenigingen op het terrein en de NHRPH om alle uitdagingen in kaart te brengen en concrete acties overeen te komen.
⇒ De NHRPH vraagt dat elke federale administratie inclusie en tewerkstelling van personen met een handicap weer opneemt als kernwaarde en topprioriteit. Het topmanagement moet deze visie opleggen aan de HR-dienst, die op zijn beurt een actief en doelgericht beleid inzake werving, aangepaste permanente vorming, aangepaste werkplekken en gepaste coaching zal uitvoeren. De evaluatie van het hoger management van een administratie moet ook rekening houden met concrete acties inzake inclusie van werknemers met een handicap.

    • In dit verband wil de NHRPH weten in welke mate en op welke manier de ‘3 %-nota van het College van voorzitters van de FOD’s’ (met tien acties) werd toegepast.

⇒ Algemeen gesproken vraagt de NHRPH een beleid dat stimulansen, begeleiding en graduele sancties combineert in plaats van een uitsluitend bestraffende of louter aanmoedigende aanpak.
⇒ De NHRPH benadrukt eveneens de noodzaak van een geplande en ook interfederale aanpak (zeker ook werk maken van het aspect opleiding).
⇒ In 2023 - 2024 heeft de NHRPH met de sociale partners, de gewestelijke arbeidsbureaus en actoren uit de sociale economie nagedacht over een effectieve participatie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt. Daaruit kwamen vijf werkpunten naar voren die allemaal een plaats hebben in een globale aanpak:

    • dringende nood aan een transversaal informatiepunt voor werkgevers en werknemers (contracten, redelijke aanpassingen, ...),
    • dringende nood aan de hervorming van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (bemoeilijkt tewerkstelling en bestraft herval),
    • een streven naar inclusie vertaald in verplichte positieve actieplannen,
    • een statuut voor de mantelzorger met sociale en fiscale rechten,
    • een structurele bewustmaking rond het effectieve recht op werk.

B. Een verruiming van de erkenning van de handicap, maar geen uitbreiding van het tewerkstellingsquotum

De NHRPH wijst erop dat het wettelijke quotum van 3 % overeenkomt met de tewerkstelling van 1.712 VTE’s. In het quotum zijn 858 personen met een handicap geregistreerd en opgenomen. In 2024 ontbraken dus 854 VTE’s.

Personen met het statuut ‘chronische aandoening’ tellen voortaan mee voor de berekening van de 3 %. Zoals de inspecteur van Financiën opmerkt, bevat het dossier geen enkele cijfermatige analyse van het aandeel van de betrokken bevolking. De NHRPH schat deze groep op 500.000 tot 700.000 personen tussen 18 en 67 jaar [1].
Uiteraard betwist de NHRPH de uitbreiding van de definitie tot deze personen niet; deze is trouwens volledig in overeenstemming met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (art. 1). Wel maakt de NHRPH zich zorgen over de gevolgen van deze uitbreiding voor de tewerkstellingsdoelstelling, met name voor personen met een handicap in strikte zin. Alles wijst erop dat het tekort van 854 VTE’s op die manier zeer snel zal worden gecompenseerd en het quotum zeer snel bereikt. Deze aanpak is onzinnig, aangezien veel personen met een chronische aandoening zich al kunnen inschrijven voor een ‘back to work’-traject. Het quotum van 3 % was niet bedoeld om personen mee te tellen die op een andere manier begeleiding naar werk krijgen, wel om personen met een handicap, die traditioneel verder van de arbeidsmarkt staan en die moeilijk of zelfs geen beroep kunnen doen op andere vormen van begeleiding.

De NHRPH vraagt dat personen die onder de ‘back to work’-regeling vallen, niet worden meegeteld in de 3 %.
Is dit niet mogelijk, dan vraagt de NHRPH het quotum minstens tot 8 % op te trekken [2] om de wijziging van de regelgeving op te vangen.

C. Een versoepelde monitoring om het quotum gemakkelijker te halen – volstrekt onaanvaardbaar!

De NHRPH betreurt de voorgestelde aanpassingen, namelijk:

  1. rekening houden met de (per definitie tijdelijke) stageovereenkomsten,
  2. rekening houden met alle soorten overeenkomsten zonder deze om te zetten naar VTE’s.

Ook het meetellen van personen met een statuut chronische aandoening roept vragen op (zie punt b).
Volgens de NHRPH zullen deze wijzigingen het halen van het quotum vergemakkelijken, maar niet leiden tot een toename van de tewerkstelling.

De NHRPH beschouwt het validistische argument dat de 3 % in VTE’s moet worden geëvalueerd, op dit niveau niet opportuun: een quotum voor personen met een handicap in de tewerkstelling vastleggen en dit quotum in VTE’s omrekenen is op zich geen validistische benadering. Integendeel, het is een poging om de effecten van structureel validisme in de huidige arbeidswereld te corrigeren. Het 3 %-beleid zou validistisch kunnen zijn (of in ieder geval die logica benaderen) indien het quotum wordt gezien als een louter administratieve verplichting, zonder echte wil tot inclusie: ‘een vakje aanvinken’ of sancties vermijden. Het beleid zou validistisch zijn als ervan wordt uitgegaan dat de persoon ‘de job krijgt dankzij zijn of haar handicap’, en niet dankzij zijn of haar competenties. Dit voedt stereotypen, zoals ‘de persoon werd in dienst genomen uit medelijden of uit verplichting’.

De NHRPH steunt dus geen enkele van deze wijzigingen.

D. Een ingeperkt toepassingsgebied – een slecht signaal

Tot slot betreurt de NHRPH dat de federale politie uit het toepassingsgebied van het koninklijk besluit werd geschrapt: los van het statuut van dit korps ten opzichte van het openbaar ambt vormt inclusie van personen met een handicap in haar personeelsbestand een echte uitdaging. De NHRPH deelt de bezorgdheid van de inspectie van Financiën om een oplossing te vinden in de richting van een quotum bij de federale politie.

⇒ De NHRPH vraagt welke maatregelen de minister van Binnenlandse Zaken zal nemen om de inclusie van personen met een handicap te bevorderen.
⇒ De NHRPH vraagt dat de federale Staat, via al zijn departementen, het voorbeeld geeft als een werkgever die zich echt inzet voor de inclusie van alle werkzoekenden, in het bijzonder van personen met een handicap, die traditioneel ver van de arbeidsmarkt staan.
⇒ De NHRPH herinnert aan de regeringsdoelstelling om 80 % van de personen op arbeidsleeftijd aan het werk te krijgen. De NHRPH vraagt ook dat de federale Staat in elke beheersovereenkomst met een privéonderneming van openbaar nut (die hij financieel ondersteunt) een verplichte clausule opneemt voor de tewerkstelling van personen met een handicap.

De NHRPH wijst ook erop dat onderaanneming aan maatwerkbedrijven ook meetelt voor de berekening van de 3 %. Momenteel is het aandeel van onderaanneming zeer klein (0,02 % - Verslag_CIPH_2024 blz. 15): enerzijds hebben veel maatwerkbedrijven geen toegang tot de overheidsopdrachten van de FOD's (budget te zwaar in vergelijking met de mogelijkheden van de maatwerkbedrijven), en anderzijds hebben in 2024 amper twintig federale organisaties een opdracht geplaatst. Moet dit aspect niet op zijn minst ook worden onderzocht in het bredere kader van de hervorming van de 3 %? 

 

[1] De NHRPH heeft geen officiële statistieken gevonden. Onderstaande redenering werd gevolgd:
België telt ongeveer 11,8 miljoen inwoners.

Ongeveer 60 % ervan is tussen 18 en 67 jaar.
→ Dit komt neer op ongeveer 7,1 miljoen personen.

Ongeveer 25 % van de Belgische volwassenen lijdt aan minstens één chronische aandoening (https://www.mloz.be/sites/default/files/studie_chronische_ziektes_2020_0.pdf)
→ 25 % van 7,1 miljoen ≈ 1,78 miljoen personen tussen 18 en 67 jaar hebben een chronische aandoening.

Dit RIZIV-statuut wordt niet automatisch toegekend aan alle personen met een chronische aandoening. Zij moeten voldoen aan bepaalde criteria die verband houden met de gekregen zorg of de medische consumptie (raadplegingen, ziekenhuisopnames, terugbetaalde geneesmiddelen, …).

30 tot 40 % van de chronisch zieken krijgt dit specifieke statuut ook effectief toegekend.

Dus
30 % van 1,78 miljoen ≈ 534.000 personen
40 % van 1,78 miljoen ≈ 712.000 personen

[2] Toepassing van het percentage erkende chronisch zieken, dus 30 tot 40 % van 25 %

  • Raadplegingen: 14

Advies 2025/23 - Resolutie stationsloketten

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2025/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie betreffende het behouden en heropenen van stationsloketten (DOC 56 0694/001).

Uitgebracht op 14/08/2025 na goedkeuring per e-mail van 29/07/2025.

Advies op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Farah Jacquet c.s., de opstellers van het voorstel van resolutie.
  • Voor opvolging aan de Kamercommissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen
  • Voor opvolging aan de heer Jean-Luc Crucke, Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling
  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan het Raadgevend Comité van de Treinreizigers (RGCT)
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan Ombudsrail
  • Ter informatie aan Infrabel

2. ONDERWERP

De commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers liet op 11/07/2025 aan het Raadgevend Comité voor de Treinreizigers weten dat ze de bespreking heeft aangevat van het voorstel van resolutie betreffende het behouden en heropenen van stationsloketten (DOC 56 0694/001). De indieners vragen een aantal stakeholders om advies. De NHRPH besloot op eigen initiatief een advies te formuleren.


3. ANALYSE

A. Een golf van sluitingen

Het voorstel van resolutie begint met een ontnuchterende vaststelling:

In 2007 had de NMBS nog 208 loketten. In 2018 was dat aantal op een totaal van 551 stations gedaald tot 135; drie jaar later waren het er nog maar 91. In 2024 volgde een drastische inperking van de openingsuren van de resterende loketten, met als gevolg dat bepaalde loketten voortaan het hele weekend lang gesloten blijven. Nochtans is het aantal binnenlandse reizigers gedurende al die jaren sterk gestegen, van 196,6 miljoen reizigers in 2007 naar 244 miljoen in 2023. Dat heeft geleid tot veel protest, vooral van vakbonden, reizigersverenigingen en verenigingen van mensen met een handicap. Zij konden in het Federaal parlement rekenen op de steun van de PVDA-PTB (…) Desondanks blijft de NMBS beknibbelen op haar loketaanbod, aangezien de openingsuren in 2024 andermaal werden ingeperkte in 54 stations (ditmaal evenwel zonder een volledige sluiting).

De NHRPH uitte hierover al zijn ongerustheid in zijn advies 2024-04 over de aanpassing van de openingstijden van de NMBS-loketten in stations.

Ook tijdens de nieuwe legislatuur blijven stationssluitingen mogelijk. In zijn beleidsverklaring Mobiliteit van 13/03/2025 spreekt de heer Jean-Luc Crucke, Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling meermaals over “het eventueel sluiten of openen van stations of haltes”.

“Als het gaat om het eventueel sluiten of openen van stations of haltes, zijn er een paar regels van gezond verstand die moeten worden gevolgd:

  • Een dicht netwerk van stations is bovenal een troef voor de spoorwegen en voor het land. Het maakt het mogelijk om een groot deel van de bevolking te bedienen en een aantrekkelijke mobiliteitsoplossing aan te bieden.
  • In het openbaredienstcontract zijn precieze criteria vastgelegd voor het al dan niet sluiten of openen van nieuwe stations. Ik zal erop toezien dat ze over het hele grondgebied strikt en evenwichtig worden toegepast.
  • Eventuele sluitingen moeten worden gerechtvaardigd door de concrete en tastbare verbetering van de dienstverlening op de betreffende lijn of in de betrokken regio, bijvoorbeeld door een verbetering van de frequenties voor de andere stations op de betrokken lijn.
  • Sluiting kan enkel worden overwogen als er op het moment van sluiting een geloofwaardig alternatief voor verplaatsing bestaat.

De beleidsverklaring van minister Crucke laat er dus geen twijfel over bestaan: sluitingen van stations blijven mogelijk tijdens de huidige legislatuur. Ook in het openbaredienstcontract wordt de mogelijkheid besproken. Er is dus zeker reden voor waakzaamheid.

De NHRPH wijst hierbij terloops op de ietwat ongelukkige formulering “het al dan niet sluiten of openen van nieuwe stations” in de beleidsverklaring, waardoor het lijkt alsof de minister zelfs nieuwe stations wil sluiten. De NHRPH gaat ervan uit dat dit niet de bedoeling van de minister is en suggereert de formulering: “het al dan niet sluiten van bestaande stations, heropenen van stations of openen van nieuwe stations”.

B. De digitalisering en de digitale kloof

In het voorstel van resolutie wordt ook gewezen op de paradox van de digitalisering.

Ten eerste duwt de NMBS de reizigers naar digitale middelen om treintickets te kopen, waardoor personeel wordt geschrapt en er eindeloze rijen ontstaan aan de loketten, waarvan ook nog eens de openingsuren worden beperkt. Verminderingstarieven en promoties zijn alleen via de apps verkrijgbaar, de voordelige diensten aan de loketten werden afgeschaft enzovoort. Dat alles leidt ertoe dat almaar minder reizigers gebruikmaken van de loketten, wat dan weer als voorwendsel dient om ze af te schaffen.

De NHRPH wees in zijn Nieuwsbrief van 08/02/2021 - Duurdere treintickets en minder loketten al op de onrechtvaardigheid van goedkopere prijzen voor NMBS-producten die online worden gekocht. In het voorstel van resolutie wordt verwezen naar de kritiek van Unia en Testaankoop.

Ten tweede hebben heel wat reizigers om diverse redenen een loket nodig om een treinticket te kopen (…) analfabeten (…), mensen met een handicap, toeristen, nieuwe gebruikers die niet vertrouwd zijn met digitale middelen enzovoort”. Het sluiten van loketten dwingt de mensen inderdaad de digitale toepassingen te gebruiken, maar niet iedereen is in staat om een vervoersbewijs online of via een automaat te kopen.

De NHRPH verwijst hierbij naar de gerelateerde kwestie van het boordtarief waarover hij o.a. advies 2015-21 publiceerde. Wie een ticket op de trein koopt, moet boven op de gewone prijs een toeslag betalen die momenteel al €9 bedraagt. Wanneer loketten sluiten, neemt dit probleem toe. In het openbaredienstcontract wordt de mogelijkheid van vrijstelling op vertoon van de European Disability Card (EDC) vermeld, maar voorlopig blijft het bij een denkpiste: “NMBS kan personen met een handicap vrijstellen van de boordtoeslag op vertoon van de 'European Disability Card'. Deze mogelijkheid hangt af van de resultaten van het proefproject dat in 8 landen van de Europese Unie wordt uitgevoerd (bij de inwerkingtreding van dit Contract) en van het daaruit voortvloeiende voorstel van de Europese Commissie (in principe eind 2023) om de internationale erkenning van deze kaart vast te stellen, met name op basis van gemeenschappelijke uitgifteprincipes.

Ten derde dienen de loketten niet alleen om treintickets te verkopen.” Inderdaad, de loketten en het loketpersoneel zijn veel meer dan een plaats waar je een vervoersbewijs koopt. Je kunt er inlichtingen krijgen over reizen, verloren voorwerpen, procedures, werken, vertragingen enz. Ook (buitenlandse) toeristen en verdwaalde reizigers zullen zich doorgaans tot het personeel richten voor informatie. De aanwezigheid van menselijk personeel verhoogt ook de veiligheid in de stations, net als die van andere personeelsleden. In sommige stations kun je de sleutel van de toiletten enkel bij het loketpersoneel krijgen.

Andere taken voor het loketpersoneel zijn mogelijk. Het voorstel van resolutie doet een suggestie: “Bovendien is er geen reden dat de opdrachten van het loketpersoneel niet zouden kunnen worden uitgebreid, in overleg met de vakbonden.” En: “Er werden al enkele stappen in die richting gezet. Sinds 1 oktober 2024 begeleiden de loketbedienden een aantal groepen en sommige personen met beperkte mobiliteit.” De NHRPH volgt deze evoluties binnen de NMBS met aandacht. Zo was er recent de hervorming/afschaffing van de assistentiedienst B For You en de start van de nieuwe werkwijze met polyvalent (loket)personeel. Op termijn is een evaluatie wenselijk.


4. ADVIES

A. Algemeen

De NHRPH wil de initiatiefnemers van het voorstel van resolutie bedanken, in het bijzonder voor de aandacht voor personen met een handicap. De NHRPH is een fervente verdediger van het behouden en (her)openen van stationsloketten met personeel en is ervan overtuigd dat de standpunten in de resolutie breed worden gedragen over het hele politieke spectrum. De NHRPH kan zich in grote lijnen vinden in de analyse van het voorstel van resolutie en het pleidooi voor het behouden en heropenen van stationsloketten.

De NHRPH meent wel dat het voorstel van resolutie gebaat zou zijn met concreter geformuleerde standpunten en eisen.

B. Met betrekking tot de adviesvraag:

De NHRPH vernam het bestaan van het voorstel van resolutie via de adviesvraag die was gericht aan het Raadgevend Comité van de Treinreizigers (RGCT) waarin ook de NHRPH zetelt. Als officieel adviesorgaan inzake handicap op federaal vlak is de NHRPH verbaasd dat zijn advies niet is gevraagd, terwijl andere stakeholders – ook stakeholders die eveneens in het RGCT zetelen – wel om advies zijn gevraagd. Nochtans wordt er in het voorstel van resolutie vaak verwezen naar de personen met een handicap en naar de NHRPH, met inbegrip van een citaat uit advies 2021-02 van de NHRPH: “Stations moeten voor iedereen autonoom toegankelijk zijn/worden, ongeacht de handicap. Ook de loketten en het sanitair mogen hierbij niet worden vergeten. Daar moet een ambitieuze planning voor worden opgesteld en uitgevoerd.” Meer nog, het voorstel van resolutie sluit af met: “Leidraad van het VN-verdrag is het NOOZO-beginsel: “niets over ons zonder ons”. De betrokkenheid van personen met een handicap en van de verenigingen die hen vertegenwoordigen, is noodzakelijk om de verdragsbepalingen doeltreffend te kunnen toepassen.” Het advies vragen van de NHRPH lijkt dan vanzelfsprekend.
Overigens zijn de ouderenverenigingen evenmin bevraagd, terwijl stationsloketten ook voor deze doelgroep zeer belangrijk zijn.

C. Inzake de inhoud:

  1. De NHRPH onderschrijft in grote lijnen de inhoud en de principes van het voorstel van resolutie.

Stationsloketten zijn een redelijke aanpassing. Die redelijke aanpassing niet bieden is discriminerend. Voor de NHRPH moeten menselijke loketten blijven bestaan, naast digitale en andere kanalen. Loketpersoneel kan een persoonlijke dienstverlening bieden, wat digitaal niet (altijd) mogelijk is. In geval van vertraging, staking, afschaffing van een trein, een ongeluk, technische panne enz. kan loketpersoneel de reizigers beter informeren en helpen dan apps en andere informaticatoepassingen. De NMBS heeft immers een maatschappelijke opdracht om een dienstverlening te bieden aan alle reizigers, niet enkel aan hen die volledig mee zijn met de digitalisering.
De loketten moeten uiteraard toegankelijk zijn. Niet alle personen met een handicap hebben dezelfde noden. Bijvoorbeeld:

      • een verlaagd loket voor rolstoelgebruikers en personen van kleine gestalte
      • ringleiding voor personen met een auditieve handicap
      • podotactiele lijnen naar het loket voor blinde en slechtziende personen (klassiek loket, geen uitspringend verlaagd loket voor hen!)
      • duidelijke signalisatie
      • personeel dat een opleiding over de verschillende handicaps heeft gehad

⇒ De NHRPH benadrukt nogmaals dat de prijzen aan de stationsloketten niet hoger mogen zijn dan de prijzen van hetzelfde product online, zoals nu wel het geval is voor buitenlandse reizen en Discovery Tickets (korting op het treinticket via een digitale code na aankoop bij een NMBS-partner). Ook dit is een discriminatie. 

  1. “De NMBS moet ook voortdurend streven naar een betere kwaliteit van het onthaal in de stations, van het spoorvervoer en van de organisatie van de aansluitingen met andere openbare vervoermiddelen.” Stations “zijn knooppunten die elke week door miljoenen Belgen worden gebruikt en waar treinen, bussen, trams, deelfietsen en huurauto’s samenkomen.” Stations zijn inderdaad mobiliteitsknooppunten. Zelfs de kleinste stations hebben doorgaans ook minstens een bushalte, een auto- en een fietsparking waar velen gebruik van maken, zeker als er weinig mobiliteitsalternatieven beschikbaar zijn. Loketten hebben dus ook in rustige stations hun belang.

⇒ De NHRPH erkent de treinstations als mobiliteitsknooppunten.
⇒ De NHRPH vraagt dat er verder werk wordt gemaakt van de multimodaliteit, waarbij iedereen, ook personen met een handicap, vlot en zonder onderbreking – met name zonder onderbreking in toegankelijkheid en assistentie aan personen met een beperkte mobiliteit –, het openbaar vervoer en andere vervoersvormen kunnen nemen en vrij en ongehinderd kunnen reizen.

⇒ De NHRPH vraagt dat het platform ‘spoorverkeer’ dat tijdens de vorige legislatuur werd opgericht binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer en dat in het kader van de multimodaliteit de verschillende federale en regionale vervoersleveranciers rond de tafel bracht wordt voortgezet.

  1. Waarom kan men een abonnement voor deelfietsen wel in de supermarkt kopen, maar niet aan een stationsloket?”

Een terechte vraag.

  1. De NHRPH waardeert de zin: De NMBS “moet ervoor zorgen dat de spoorwegdiensten onder de best mogelijke omstandigheden kunnen worden geëxploiteerd op het gebied van veiligheid, toegankelijkheid, comfort en stiptheid.

⇒ De NHRPH vraagt al jaren dat toegankelijkheid als beoordelingscriterium voor de evaluatie van de NMBS en Infrabel op hetzelfde niveau komt te staan als veiligheid en stiptheid.

  1. Er worden in het voorstel van resolutie kritische kanttekeningen gemaakt bij de commerciële activiteiten in stations: “Vandaag zijn de grote stations winkelcentra geworden waar ook treinen halthouden. De NMBS vervelt zo tot een vastgoedonderneming, weg van haar opdracht als openbare dienstverlener.

⇒ Uiteraard vindt de NHRPH ook dat voor de NMBS haar taak als openbare dienstverlener eerst moet komen. Toch meent de NHRPH dat de winkels en horeca een plaats verdienen in stations. Ze hebben een nut voor de hongerige en dorstige reiziger, ze maken de overstaptijd aangenamer en zorgen voor leven in de stations.
⇒ Wel mogen de commerciële activiteiten de toegankelijkheid van stations niet in het gedrang brengen. Het plaatsen van promotioneel of ander materiaal in de gangen moet worden vermeden, en al zeker op de podotactiele lijnen voor blinde en slechtziende personen.

  1. De NHRPH onderschrijft de meerwaarde en toekomstmogelijkheden van de loketten en het loketpersoneel, waaronder eventuele andere taken. De NHRPH noteert de volgende bedenkingen:
    • In het voorstel van resolutie staat: “In plaats van de loketten te sluiten zou de NMBS ze moeten omvormen tot speciaalzaken voor duurzame mobiliteit. De reiziger zou daar alle informatie vinden over openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit ”

⇒ De NHRPH vraagt de opstellers van het voorstel van resolutie om het concept van ‘speciaalzaken van duurzame mobiliteit’ te verduidelijken.

    • Waarom wordt geen partnerschap met bpost overwogen voor de ophaling van bepaalde pakjes?

⇒ De NHRPH is daar niet principieel tegen, maar heeft hier wel vragen

        • Gebeurt dit aan het loket? Gaat het dan om het verlaagde loket dat toegankelijk is voor rolstoelgebruikers en/of dat voorzien is van een inductielus voor personen met een auditieve handicap?
        • Kan de toegankelijkheid worden gegarandeerd? Uit de praktijk weten we dat de postpunten die niet door bpost worden beheerd niet altijd toegankelijk zijn. (Overigens zijn de officiële postkantoren van bpost dat helaas ook nog niet altijd.)
        • Zullen de extra taken niet zorgen voor langere wachtrijen? Want dan komt de basisdienstverlening in het gedrang.

 D. Aandachtspunten van de NHRPH

  • De NHRPH maakt van de gelegenheid gebruik om nogmaals te pleiten voor assistentie in alle stations. Dat is nu nog lang niet het geval (174 op 550 à 555 stations?). Er is ook een beweging bezig om alle stations toegankelijk te maken. Dat is uiteraard een positieve evolutie, maar voor de NHRPH is een station pas integraal toegankelijk wanneer er ook assistentie wordt geboden voor hen die het nodig hebben. Voorlopig kunnen personen met een handicap niet altijd assistentie krijgen in het dichtstbijzijnde station van vertrek en/of bestemming. De NMBS legt dan soms taxi’s in van of naar een station met assistentie, maar desondanks gaat het dan meestal niet over het snelst mogelijke traject.
  • Sinds 01/10/2024 begeleiden loketbedienden naast hun gewone lokettaken ook personen met een beperkte mobiliteit.

De NHRPH wenst dat er na een jaar een evaluatie van die werkwijze volgt.

  • De NHRPH vraagt nogmaals een goede oplossing voor het boordtarief, bijvoorbeeld door vrijstelling op vertoon van de EDC-kaart. Stations sluiten is alvast niet de oplossing.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2025/05 - Operationeel plan 2025 van de DG HAN

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het operationeel plan 2025 van de DG Personen met een handicap (DG HAN).

Advies uitgebracht op 12/03/2025 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 04/03/2025 tot 11/03/2025.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap, tijdens de plenaire vergadering van 17/02/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De DG Personen met een handicap legt de laatste hand aan haar operationeel plan 2025 en vraagt het advies van de NHRPH over haar prioriteiten op het vlak van de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers met een handicap, met inbegrip van het verbeteren van de toegang tot rechten.


3. ANALYSE

Tijdens de plenaire vergadering van 17 februari 2025 heeft de DG Personen met een handicap haar operationeel plan voor 2025 voorgesteld.

  • Globaal genomen streeft het plan naar het bevorderen van de zelfredzaamheid van de personen door hun toegang tot rechten te verbeteren. Vier strategische doelstellingen worden nagestreefd:
    • Uitstekende dienstverlening
    • Relevante communicatie
    • Doeltreffend beheer
    • Betrokken medewerkers
  • Een uitstekende dienstverlening moet een aantal aspecten integreren die verband houden met de verschillende fasen van het dossierbeheer en de dienstverlening: multidisciplinaire evaluatie, administratief beheer, kwaliteit van de beslissingen, fysieke en digitale toegankelijkheid, strijd tegen non-take-up, informatie, ICT-toepassingen en digitalisering.   
  • Het operationeel plan 2025 wordt een geheel van oudere projecten die moeten worden afgerond en concreet moeten worden uitgevoerd, maar ook van nieuwe projecten die moeten worden opgestart.

Onder andere de volgende dossiers moeten worden afgerond en de volgende pistes moeten worden uitgewerkt:

    • het huidige groene nummer betalend maken (reden: onbeperkt bellen is in de meeste bundels inbegrepen);
    • de doorlooptijd van dossiers verkorten (90% onder de 6 maanden);
    • nieuwe datastromen creëren;
    • de vergoeding van de aangeduide artsen herzien;
    • het concept van concrete solidariteit tussen teams integreren;
    • een chatbot creëren: eerst een voorbereidende fase met zowel een analyse van de behoeften van de burgers als een intern kennisbeheerproject;
    • de telefonische bereikbaarheid verbeteren: doelstelling van 90%(momenteel 65%);
    • de 80 informatiebrieven in verband met het dossierbeheer herschrijven;
    • de beheerstool voor de dossiers (TRIA) verder uitwerken;
    • de beoordelingsschaal van de IT (integratietegemoetkoming) (verfijnen: de “Pacolet”-studie moet worden voortgezet;
    • de wet van 1987 inzake de tegemoetkomingen hervormen;
    • de wegcode aanpassen voor de integratie van scan cars en parkeerkaarten.

4. ADVIES

De NHRPH brengt een positief advies uit wat betreft de noodzaak van een operationele programmering van de DG Personen met een handicap, gericht op een betere dienstverlening aan de burgers. De NHRPH stelt vast dat de DG HAN tijdens de vorige legislatuur belangrijke en noodzakelijke hervormingen heeft doorgevoerd om de kwaliteit van de dienstverlening van de DG HAN te verbeteren. Ondanks de doorgevoerde hervormingen en projecten blijft de situatie vanuit het oogpunt van de burger voor bepaalde aspecten onbevredigend en moeten de inspanningen worden voortgezet en concrete acties worden genomen. De NHRPH is van mening dat er ten minste 4 fundamentele aspecten zijn waarin concreet moet worden geïnvesteerd:

  • de zeer lange behandelingstermijnen;
  • de non-take-up (NTU) die hoog blijft (advies 2025-11);
  • de wet van 1987 die helemaal niet is aangepast aan de levenswijze van de personen, hun keuzevrijheid en hun zelfredzaamheid afremt en hun inclusie in de samenleving belemmert (zie adviezen en memorandum 2024 van de NHRPH voor concrete oriëntaties);
  • de uniformiteit van de beslissingen die niet is gewaarborgd.

De NHRPH deelt dan ook volledig de ambitie van de DG Personen met een handicap om een beleid van kwalitatieve dienstverlening na te streven. De NHRPH ondersteunt de voorgestelde projecten voor verbetering voor zover en in de mate dat de ontwikkeling ervan steeds in de richting van een betere toegang tot rechten gaat.

De NHRPH plaatst dan ook grote vraagtekens bij het idee om het huidige groene nummer betalend te maken, met als reden dat onbeperkt bellen in de meeste telefoonabonnementen is inbegrepen. Dit klopt niet, want de telecomoperatoren rekenen wel degelijk een toeslag aan voor het gebruik van de mobiele telefoon in de abonnementen (Proximus + € 5, Telenet + € 16, telkens op de goedkoopste formule). Telefonie is evenmin inbegrepen in het sociale internettarief. De NHRPH is van mening dat de overgang naar een betalend nummer zal leiden tot NTU bij personen met een handicap, die bovendien vaak in armoede leven. Het kan toch zeker niet de bedoeling zijn om deze groep uit te sluiten? Daarnaast beschikt een groot deel van deze personen niet over een pc en worden ze geconfronteerd met de digitale kloof. Door het afschaffen van het gratis nummer zullen er waarschijnlijk minder telefonische oproepen zijn en zullen de lange wachttijden korter worden. Het risico bestaat evenwel dat deze maatregel ook de NTU zal doen toenemen.

De NHRPH heeft nog een andere bedenking bij de prioriteit die aan de projecten wordt gegeven: algemeen wijst de NHRPH op

  • het belang van de processen die een concrete en menselijke begeleiding van de (kandidaat-)gerechtigden mogelijk maken
  • zijn sterke terughoudendheid ten aanzien van de digitalisering van diensten die rechtstreeks in contact staan met de burger: chatbot, eBox, enz. Heel wat studies wijzen op de digitale kloof waarbij de digitalisering ervoor zorgt dat juist de personen die er het meest baat bij zouden kunnen hebben, er verder van af komen te staan. De NHRPH herinnert eraan dat digitale diensten aan burgers in alle gevallen altijd moeten worden aangevuld met een niet-digitaal loket dat goed bereikbaar is en geen extra kosten voor de begunstigde met zich meebrengt.

Met het oog op een kwaliteitsvolle dienstverlening vestigt de NHRPH ook de aandacht op een aantal aanvullende acties waarvan de NHRPH wenst dat DG HAN die in 2025 op zijn minst in overweging zou nemen:

  • My Handicap moet worden versterkt met een online systeem voor het opvolgen van de dossiers, zodat er meer transparantie over de voortgang ervan ontstaat. Zo zullen alvast sommige gerechtigden de behandeling van hun dossier volledig zelfstandig kunnen opvolgen.
  • De opleiding van de personeelsleden van de DG Personen met een handicap op het vlak van onthaal en empathie ten aanzien van de gebruikers moet worden versterkt. Dat is absoluut noodzakelijk: vooroordelen moeten worden weggenomen, men moet begrijpen wat personen met een handicap dagelijks meemaken en het verband leggen met de bestaande rechten. De NHRPH beveelt aan dat de personeelsleden door verenigingen voor personen met een handicap hiervan bewust worden gemaakt.
  • Een charter voor “kwaliteit van de dienstverlening” opstellen en regelmatig de tevredenheid van de gebruikers meten.
  • De resultaten van lopende studies over de non-take-up en de toegang tot diensten voor jongeren met een chronische ziekte integreren: de aanbevelingen die belangrijk zijn voor het verbeteren van de toegang tot rechten en het bestrijden van de non-take-up moeten indien nodig gefaseerd worden uitgevoerd. De uitdaging van de non-take-up is in ieder geval te fundamenteel om de aanbevelingen die de NHRPH vanuit het oogpunt van hun impact als belangrijk beoordeelt, alleen op grond van de haalbaarheid terzijde te schuiven (advies 2025-11).
  • De NHRPH herinnert aan het absolute en dringende belang van een hervorming van de wet van 1987. De huidige wettekst maakt het beheer van dossiers traag en complex. De concrete uitvoering van de wet is te complex geworden. Dat maakt ook de begeleiding van personen moeilijker. De beslissingen zijn complex geworden en dus moeilijk uit te leggen in duidelijke en precieze bewoordingen. Dit doet het wantrouwen en de frustratie van de personen toenemen.
  • De regeringsverklaring kondigt hervormingen aan die een impact zouden kunnen hebben op de wet van 1987, het huidige takenpakket van de DG HAN en dus ook op het aspect “dienstverlening aan de burgers”: de NHRPH vraagt om vanaf het begin bij de denkoefening over deze verschillende werven te worden betrokken.
  • De algemene politieke context in België, de politieke benadering van de gerechtigden door de Arizona-regering en de mogelijke gevolgen voor het beheer van de DG HAN-diensten mogen niet worden geminimaliseerd. Algemeen gesproken moet de DG HAN, via alle werknemers die haar vertegenwoordigen, een niet-onderhandelbare koers blijven varen op het vlak van waarden: de gelijke behandeling van alle personen met een handicap waarborgen en bijdragen tot een waardig leven voor ieder van hen.

Om al deze redenen wenst de NHRPH nog steeds betrokken te worden bij de ontwikkelingen van de dossiers die in punt C van het deel Analyse worden opgesomd, maar ook bij andere projecten, zoals de uitvoering van de strijd tegen d de non-take-up. De NHRPH herinnert er ook aan dat voor het opvolgen van deze projecten een adequaat en efficiënt secretariaat nodig is dat de NHRPH kan ondersteunen. Momenteel is het secretariaat duidelijk onderbezet en zal de NHRPH wellicht zijn ambitie om zo veel mogelijk projecten van de DG Personen met een handicap op te volgen, moeten bijstellen. De prioriteit blijft immers verbonden aan de opdracht van de NHRPH, namelijk het uitbrengen van adviezen aan de federale regering en andere verzoekende partijen.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/12 - Richtlijn tot invoering van de European Disability Card en de Europese parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) en het Platform van adviesraden voor personen met een handicap (hierna het Platform genoemd) over de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2024/2841 tot invoering van de Europese kaart voor personen met een handicap en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap en de uitbreiding ervan tot onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (2024/2842) (hierna de Richtlijn genoemd).

Advies uitgebracht door het Platform op verzoek van de minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen.

Advies uitgebracht namens het Platform, meer bepaald:

  • Waalse adviesraad voor personen met een handicap
  • NOOZO - Vlaamse adviesraad voor en door personen met een handicap
  • Brusselse Raad voor personen met een handicap
  • Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap
  • Adviesraad voor personen met een handicap in de Franse Gemeenschap
  • Beirat für Menschen mit Beeinträchtigung - Raad van de Duitstalige Gemeenschap
  • Belgian Disability Forum

Het advies werd definitief goedgekeurd op 10 augustus 2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de ministers bevoegd voor handicap in de deelgebieden
  • Ter informatie aan de heer Bart de Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen heeft het Platform gevraagd een gecoördineerd advies uit te brengen over de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2024/2841 tot invoering van de Europese kaart voor personen met een handicap en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap, hierna ‘de Richtlijn’ genoemd, en de uitbreiding ervan tot onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (Richtlijn 2024/2842).

De Richtlijn werd op 23 oktober 2024 op voorstel van de Europese Commissie aangenomen door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.

De teksten werden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie op 14 november 2024, het begin van de omzettingsperiode in nationaal recht:

  • inwerkingtreding twintig dagen na de bekendmaking, dus op 12 november 2024: begin van de omzettingsperiode in nationaal recht;
  • uiterste datum voor omzetting: 2,5 jaar na de inwerkingtreding, dus op 5 juni 2027;
  • uiterste datum voor toepassing: 3,5 jaar na de inwerkingtreding, dus op 14 mei 2028.

3. ANALYSE

Het Platform benadrukt een aantal overwegingen en stelt ook een aantal vragen.

a) Draagwijdte van de Richtlijn

Richtlijn 2024/2841 moet worden omgezet in nationaal recht. Het kader voor omzetting is verplicht, maar elke Staat kan een meer of minder ambitieuze omzetting doorvoeren, en de kaart en parkeerkaart voor personen met een handicap inzetten als krachtige instrumenten in een ruimer kader van universele toegankelijkheid en vlotte mobiliteit.

b) Invoering van twee aparte kaarten

De Richtlijn voert twee aparte kaarten in om verplaatsingen van personen met een handicap in de Europese Unie te vergemakkelijken: de Europese kaart voor personen met een handicap (hierna EDC genoemd) en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (hierna EPC genoemd).

c) Invoering van de EDC

De EDC is bedoeld om personen met een handicap in staat te stellen zich vrij te verplaatsen in de Europese Unie, waarbij hun handicap in elke lidstaat wordt erkend en ze dezelfde compensaties krijgen als personen met een handicap die inwonerzijn van die lidstaat.

Het EDC-model wordt vastgelegd in de Richtlijn. De kaart bestaat in fysieke en digitale vorm (de Europese Commissie moet beslissen over de modaliteiten van het digitale formaat).

De EDC zal uiterlijk op 14 mei 2028 in alle EU-lidstaten worden erkend.

d) Invoering van de EPC

De EPC is bedoeld om personen met een handicap in staat te stellen zich vrij met de auto te verplaatsen in de Europese Unie, waarbij hun handicap in elke lidstaat wordt erkend en ze dezelfde parkeervoorwaarden krijgen als personen met een handicap die inwoner zijn van die lidstaat.

Het EPC-model wordt vastgelegd in de Richtlijn. De kaart wordt altijd in fysieke vorm afgeleverd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om ook een digitaal formaat in te voeren.

e) Toepassingsgebieden

Artikel 2 verduidelijkt de toepassingsgebieden van de EDC en EPC: "Deze Richtlijn is van toepassing op parkeervoorwaarden en -faciliteiten en op alle situaties waarin overheidsinstanties of particuliere dienstverleners bijzondere voorwaarden of een voorkeursbehandeling aan personen met een handicap bieden bij de toegang tot de (...) diensten, activiteiten en faciliteiten (...)".

De EDC kan dus ook worden gebruikt voor het openbaar vervoer, festivals, bioscopen, supermarkten, ...

Publieke, maar ook particuliere dienstverleners die bijzondere voorwaarden of een voorkeursbehandeling aanbieden, moeten dus elke houder van een EDC of EPC erkennen.

Vraag 1: zullen alle dienstverleners, ook particuliere, de wetgeving inzake toegankelijkheid moeten naleven?
Vraag 2: zullen partnerschappen met toegankelijkheidsbureaus worden aangemoedigd?
Vraag 3: zal België deze Richtlijn gebruiken als springplank naar een toegankelijkere omgeving, ook in de particuliere sector?

f) Verblijfsduur

De Richtlijn geldt enkel voor verblijven van maximaal drie maanden.

Ze is niet van toepassing op specifieke of langdurig toegekende diensten, zoals redelijke aanpassingen op de werkplek of tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

De lidstaten hebben de mogelijkheid om de toepassing van de EDC uit te breiden tot langere verblijven.

Vraag 4: heeft België een langetermijnvisie wat de toepassing en draagwijdte van de EDC betreft, ongeacht de verblijfsduur?

g) Begunstigden (artikel 4)

Elke lidstaat bepaalt de erkenningsmodaliteiten die toegang geven tot de EDC.

Elke lidstaat bepaalt de erkenningsmodaliteiten die toegang geven tot de EPC.

De toekenningsvoorwaarden voor de EDC en EPC kunnen dus verschillen van Staat tot Staat.

In het kader van de omzetting stelt België zich enkele vragen over de begunstigden van de EDC en vraagt het advies aan het Platform:

    • Moet België de huidige begunstigden en criteria behouden (zoals in het pilootproject waaraan België heeft deelgenomen)? Moeten er worden toegevoegd? Moeten de criteria strenger worden?
    • De erkenning van de begeleiders moet worden verduidelijkt. Artikel 1 a) bepaalt immers: "... (de EPC bewijst de status van een persoon met een handicap) ... teneinde het vrij verkeer van personen met een handicap … in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin zij verblijven … met inbegrip van degenen die gebruikmaken van assistentiedieren, en, waar van toepassing, personen die personen met een handicap begeleiden of bijstaan, met inbegrip van hun persoonlijke assistenten ...".
    • De vraag of België de letter A op de voorkant van de EDC moet toevoegen, dient te worden onderzocht. Artikel 4 a) bepaalt dat de letter A kan worden toegevoegd aan de EDC om aan te geven dat
      • de kaarthouder kan worden begeleid of bijgestaan door een of meer personen of persoonlijke assistenten,
      • het assistentiedier wordt erkend,
      • de persoon met een handicap een grotere behoefte aan ondersteuning heeft.

h) Specifieke diensten

Overweging (28) is zeer belangrijk. Het bevat een niet-uitputtende lijst van ‘bijzondere voorwaarden’ of ‘voorkeursbehandelingen’ die op vertoon van de EDC kunnen worden toegekend. Het is interessant dat gratis toegang en voorkeurtarieven slechts een zeer klein deel van deze lijst uitmaken. Het is de bedoeling goederen en diensten toegankelijk te maken, en in dit licht kan de dienstverlener zaken aanbieden zoals voorrang bij toegang of plaatsen(ook voor de assistent), menselijke bijstand in de trein of op het strand, audiovertolking, …

i) Bewustmakingsacties

Elke lidstaat moet voor personen met een handicap en het publiek bewustmakingsacties voeren over de voorwaarden voor het verkrijgen en gebruiken van de EDC en EPC.

Elke lidstaat moet bewustmakingsacties voeren voor overheidsinstanties en particuliere dienstverleners om hen aan te sporen specifieke voordelen toe te kennen aan houders van de EDC of EPC.

Vraag 5: kan België zijn actieplan voorstellen?


4. ADVIES

Algemene opmerking

1. Over het verzoek om advies aan het Platform

Het Platform dankt de minister voor het verzoek om een gecoördineerd advies. Het doel van dit platform is een coherent beeld te geven van de verwachtingen van personen met een handicap die in België wonen.

Het benadrukt evenwel dat het juridisch nog steeds niet bestaat en niet over een eigen secretariaat beschikt. Het secretariaat van de NHRPH heeft opnieuw gezorgd voor de organisatie van de vergaderingen van het Platform, de coördinatie van de voorbereidende uitwisselingen, en ook het opstellen van een geïntegreerd advies. Dit is een volledig vrijwillige, langdurige inspanning die bovenop de reglementaire opdrachten komt, zonder daarin te zijn voorzien van middelen. Ook de andere adviesraden hebben vrijwillig meegewerkt aan dit advies, terwijl veel van hen al over veel te weinig personeel beschikken.

Deze situatie is onhoudbaar en vereist een concreet politiek antwoord. Het is zeer waarschijnlijk dat in een groot aantal dossiers waarin hervormingen worden aangekondigd, opnieuw advies van het Platform zal worden gevraagd (zie in dat verband advies 2023-19 van de NHRPH).

Het Platform vraagt om ofwel het huidige secretariaat van de NHRPH te versterken ofwel een eigen secretariaat voor het Platform op te richten.
Het Platform vraagt een duidelijk en dringend antwoord van de federale minister voor Personen met een handicap of van de IMC Handicap. 

2. Over de noodzaak van een volledige en ambitieuze omzetting

Belgische personen met een handicap ondervinden tijdens hun verplaatsingen in het buitenland regelmatig moeilijkheden bij de erkenning van hun handicap. Een aantal dienstverleners bieden personen met een handicap compensaties aan, maar vragen – vooral bij een niet-zichtbare handicap – om een bewijs. Belgische documenten komen meestal niet in aanmerking, omdat ze gebaseerd zijn op een andere wetgeving dan de nationale documenten.

De EDC betekent een aanzienlijke vooruitgang, omdat personen met een handicap zich hiermee in de hele Europese Unie kunnen verplaatsen en hun handicap zonder problemen erkend kunnen krijgen. Discriminatie tussen personen met een handicap op basis van woonstaat zou hiermee tot het verleden moeten behoren.

Ook de EPC voor personen met een handicap wordt niet altijd erkend in het buitenland. Hierdoor kunnen Belgische ingezetenen met een handicap tijdens hun verplaatsingen in het buitenland geen gebruik maken van de voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap. Met de EPC zou dit nu wel mogelijk moeten zijn in de hele Europese Unie.

Het Platform keurt de invoering van de EDC en de EPC in België dus zonder voorbehoud goed.

Het Platform hoopt dat de lidstaten deze Richtlijn snel in hun nationaal recht zullen omzetten. Ook hoopt het dat deze Richtlijn een hefboom voor een toegankelijkere leefomgeving zal zijn.

Voor de leesbaarheid wordt dit advies opgedeeld in drie delen: European Disability Card (EDC), Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (EPC), en gemeenschappelijke bepalingen voor de EDC en EPC.

1. European Disability Card (EDC)

Allereerst herinnert het Platform eraan dat de EDC geen ‘voordeel-‘ of ‘kortingskaart’ is, maar een kaart die automatisch toegang verleent tot aanpassingen om het vrije verkeer van personen met een handicap en hun begeleiders te vergemakkelijken.

De EDC moet ook een correcte plaats krijgen in het Belgische juridische arsenaal: redelijke aanpassingen zijn op zich een verplichting en staan volledig los van het gebruik van de EDC. Het recht op inclusie van personen met een handicap is sinds 2021 opgenomen in de Belgische Grondwet: "Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen". Redelijke aanpassingen weigeren voor een persoon met een handicap is discriminatie, tenzij de gevraagde aanpassingen een onevenredige last vormen.

Het Platform vraagt dat België een allesomvattend, samenhangend en interfederaal beleid voert om zijn (al dan niet bebouwde) omgeving volledig toegankelijk te maken. De EDC zou in dit verband een belangrijk promotiemiddel zijn.

a) Vragen van de minister

a. Begunstigden (artikelen 2 en 4)

In de vraag om advies worden drie specifieke vragen hierover gesteld:

        • Welke personen dienen een EDC te ontvangen (of welke onderliggende rechten/criteria moeten leiden tot het verkrijgen van een EDC)?
        • Zijn er momenteel personen die geen EDC ontvangen, maar daar wel recht op zouden moeten hebben?
        • Zijn er momenteel personen die een EDC ontvangen, maar niet per se tot de doelgroep behoren? 
          1. De toekenning van de kaart hangt samen met de definitie van persoon met een handicap: door de UNCRPD te ratificeren, heeft België de definitie impliciet goedgekeurd: personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.
          2. Momenteel wordt een EDC enkel toegekend aan personen die erkend zijn door de DG Personen met een handicap of door de handicapagentschappen in de deelgebieden. Andere personen met een handicap die niet erkend zijn door de DG Personen met een handicap of door een gewestelijk agentschap, krijgen nooit een EDC. Dit is discriminerend en in strijd met de UNCRPD. Het maken van een onderscheid tussen personen met een handicap om de EDC voor te behouden voor enkelen onder hen zou neerkomen op onaanvaardbare discriminatie tussen personen met een handicap. Het feit dat iemand een handicap heeft moet automatisch leiden tot de toekenning van de EDC. Sommige personen met een handicap vragen bovendien geen hulp omdat ze die niet nodig hebben. Zo hoeven ouderen met een verstandelijke beperking geen tegemoetkoming te vragen, omdat ze een pensioen krijgen en geen externe hulp nodig hebben als ze goed worden omringd door hun familie. Toch moeten bepaalde omgevingsgebonden obstakels worden weggenomen om vrij verkeer mogelijk te maken, en dan is erkenning nuttig en noodzakelijk.

Om volledig in lijn te zijn met het VN-Verdrag, zouden personen waarbij een multidisciplinair team of een specialist (een huisarts volstaat niet) de handicap heeft vastgesteld, een EDC moeten krijgen. Het al dan niet ontvangen van een vergoeding of hulp is niet relevant; de diagnose zou moeten volstaan

Het Platform benadrukt dat de EDC dient om een dienstverlener te bewijzen dat de persoon voldoet aan de erkenningsvoorwaarden en aanspraak kan maken op rechten.
Het Platform wijst alle beperkingen op de toekenning van de EDC af die gebaseerd zijn op de aard van de handicap, het invaliderende karakter van de handicap, het recht op een tegemoetkoming of hulp, of enig ander criterium.
Het Platform vraagt dat alle personen met een handicap een EDC ontvangen, ongeacht de oorsprong van de erkenning.

De Richtlijn bepaalt dat personen minstens de nodige informatie over de EDC moeten krijgen indien de erkenning niet automatisch gebeurt.

Het Platform vraagt dat alle personen die erkend zijn in een publiek (oorlogsslachtoffers, werkgelegenheidsagentschappen, ziekenfondsen, ...) of particulier stelsel (gemeenrechtelijke verzekering, arbeidsongevallenverzekering, ...) minstens worden geïnformeerd over de EDC.
Het Platform vraagt dat elke persoon die een handicapdiagnose krijgt van een multidisciplinair team of een specialist, ook de EDC kan krijgen.
De huidige automatische toekenning voor erkende personen door de DG Personen met een handicap of de gewestelijke handicapinstanties moet behouden blijven en worden uitgebreid tot alle hierboven genoemde situaties. Dit is een krachtig middel tegen de ‘non-take up van rechten’ (NTU).
Idealiter moet de automatische toekenning ook worden voorzien in de andere hierboven genoemde erkenningsstelsels.

b. Letter A (artikel 4)

In de vraag om advies wordt het volgende gevraagd:

        • Is het toevoegen van de facultatieve letter A wenselijk of niet?
        • Indien ja, op basis van welke criteria?

De mogelijkheid om de letter A toe te voegen op de achterkant van de EDC is een specifieke bepaling in artikel 4 a).

De letter A geeft aan dat de kaarthouder een grotere of specifieke behoefte aan bijstand heeft: hij of zij verwacht begeleiding van de dienstverlener of de mogelijkheid om deel te nemen met een assistent of assistentiedier.

Volgens de filosofie van redelijke aanpassingen zou logischerwijs kunnen worden gesteld dat de nood aan extra ondersteuning, een assistent of een dier deel uitmaakt van de oplossing van de noodzakelijke redelijke aanpassing en dat de letter A dus niet nodig is. Tegelijk is het risico evenwel groot – vooral bij een niet-zichtbare handicap – dat de persoon met de handicap zich moet verantwoorden en uitleg geven over de noodzaak van specifieke hulp, een begeleider of een dier. De kwestie van de letter A is dus zinvol in het kader van de automatische erkenning van compensaties die verband houden met een grotere of specifieke behoefte aan bijstand. Het is dan ook betreurenswaardig dat de letter A niet in alle landen werd verplicht.

In België bestaat er momenteel geen kaart of attest waarmee personen met een handicap op een algemene manier een grotere of specifieke behoefte aan bijstand kunnen aantonen.

In België worden volgende specifieke diensten als ‘bijstand’ voor EDC-houders beschouwd:

        • gratis begeleiderskaart: erkend door de NMBS en de gewestelijke openbaarvervoermaatschappijen,
        • erkend assistentiebudget: PVF in het Vlaams Gewest en BAP in het Waals en Brussels Gewest.

De nood aan extra hulp wordt impliciet erkend en geïntegreerd in de tegemoetkoming of erkende hulp, maar wordt niet formeel vastgelegd: noch de gratis begeleiderskaart noch de beslissing tot toekenning van het assistentiebudget wordt als dusdanig erkend in het buitenland. Daardoor kan een Belg geen gebruik maken van de diensten die nochtans wel bestaan in het buitenland.

Andere EU-landen voorzien in hulp en diensten die variëren naargelang de ernst of aard van de handicap: inwoners van deze landen worden geïdentificeerd en kunnen rekenen op specifieke diensten: in hun land krijgen zij de letter A op hun EDC. Dit betekent dat de houder van een in België uitgegeven EDC met de letter A toegang krijgt tot alle diensten die in die andere lidstaat gekoppeld zijn aan de letter A, en dus hulp kan krijgen in de vorm van een of meer begeleiders, een assistentiehond of gewoon specifieke hulp door een dienstverlener.

Erkent België de letter A evenwel niet, dan zullen de Belgische inwoners geen toegang krijgen tot specifieke diensten in die landen. Een niet-Belg zal anders worden behandeld dan een onderdaan hoewel de handicap en gevolgen identiek zijn. Dit zou uiteraard volledig indruisen tegen de filosofie en ambitie van de Richtlijn. Het zou ook indruisen tegen een van de doelstellingen van de kaart, die net het bevorderen van de mobiliteit van personen met een grotere of specifieke behoefte aan bijstand is.

Er mag tevens niet worden vergeten dat een handicap ook een kwestie van de relatie tot de omgeving is en dat de omgeving de nood aan begeleiding beïnvloedt. Zo heeft een rolstoelgebruiker geen specifieke hulp nodig op een perfect toegankelijke plaats, maar wel een begeleider of externe hulp op een niet perfect toegankelijke plaats.

De draagwijdte en gevolgen van de letter A zijn dus essentieel voor personen met een handicap: het toevoegen van de letter A op de Belgische EDC maakt een wereld van verschil voor Belgen die naar het buitenland gaan.

Het is ook belangrijk een mogelijk onbedoeld neveneffect van de letter A op te lossen: de afwezigheid van een begeleider in bepaalde omstandigheden mag niet worden aangegrepen als reden om de toegang tot een dienst te weigeren, bijvoorbeeld om verzekeringsredenen ... De vermelding van de letter A mag niet beperkend zijn, in die zin dat de persoon met een handicap hierdoor voortdurend vergezeld moet zijn van een begeleider.

Het Platform betreurt dat de keuze voor de vermelding van de letter A aan de lidstaten werd overgelaten. Dit leidt tot verwarring en onzekerheid.
De belangrijkste doelstelling van de EDC is dat elke persoon met een handicap onder dezelfde voorwaarden als de nationale onderdanen toegang heeft tot de bestaande diensten. Bestaat in het buitenland hulp voor personen met een grotere of specifieke behoefte aan bijstand (dus gekoppeld aan de vermelding van de letter A), dan is het logisch en absoluut noodzakelijk dat Belgische onderdanen met een grotere of specifieke behoefte aan bijstand toegang krijgen tot die hulp en dus de letter A op hun EDC kunnen krijgen.
Het Platform vraagt dat de letter A op de Belgische EDC staat voor personen met een specifieke behoefte aan bijstand omdat Belgen in het buitenland anders worden gediscrimineerd voor diensten die gekoppeld zijn aan de vermelding van de letter A.
Het standpunt van het Platform is dus de toekenning van de letter A te erkennen op basis van (bestaande of nog te bepalen) criteria.
Deze erkenning moet mogelijk zijn voor alle personen van wie de handicap erkend is, ongeacht de instantie (agentschappen, ziekenfondsen, specialisten, ... - zie punt a. Begunstigden).
Een afstemming van de criteria met betrekking tot de grotere of specifieke behoefte aan bijstand zal nodig zijn. Deze taak zou onder de bevoegdheid van de IMC kunnen vallen en in overleg met het Platform kunnen worden uitgevoerd.
Aangezien de Richtlijn tegen 2028 in werking moet treden, kan dit overleg efficiënt en constructief met het Platform worden gevoerd. De werkzaamheden moeten zo snel mogelijk starten.
Het is ook essentieel de bestaande diensten in elk land in kaart te brengen en aan te geven of ze al dan niet gekoppeld zijn aan de vermelding van de letter A. Op termijn moet deze informatie ook gemakkelijk te vinden zijn op de EDC-website van België.
De identiteit van de assistent hoeft niet te worden vermeld. Deze kan trouwens variëren per verplaatsing, en ook volgens de mate van toegankelijkheid van de plaats.
De begeleider zou ook bepaalde vergoedingen moeten krijgen voor de begeleiding van de persoon met een handicap.

c. Erkenning van assistentiedieren

In België worden enkel honden als assistentiedieren erkend, en is een attest van de Belgische overheid vereist. De officiële erkenning van honden (of dieren in het algemeen) is evenwel niet overal hetzelfde. Landen als Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Hongarije en het Verenigd Koninkrijk beschikken over een duidelijk vastgelegde nationale wet- of regelgeving voor de opleiding, certificering en rechten van assistentiehonden. In landen als Spanje, België en Italië hangt de erkenning af van de regio’s of lokale overheden, waardoor er verschillen kunnen ontstaan in rechten en plichten. Bepaalde landen hebben nog geen expliciete nationale wetgeving, of de erkenning berust volledig op particuliere verenigingen zonder formele goedkeuring door de Staat.

Het Europees Comité voor normalisatie (CEN) werkt momenteel aan een gemeenschappelijke norm voor assistentiehonden in Europa. Het doel is de wederzijdse erkenning tussen lidstaten te vergemakkelijken en te zorgen voor uniforme standaarden op het gebied van opleiding en accreditatie.

Het Platform hoopt dat de Europese norm snel wordt aangenomen. In de tussentijd moet een assistentiehond toegang kunnen krijgen tot het openbaar vervoer, restaurants, winkels, administraties, maar ook concerten, tentoonstellingen, ziekenhuizen, … en elke dienstverlener die de EDC erkent. Dit gaat dus verder dan de huidige regelgeving inzake assistentiehonden. Duidelijke communicatie hierover zal belangrijk zijn. 

d. Informatie op de achterkant van de EDC

De Richtlijn geeft de lidstaten de mogelijkheid om extra informatie toe te voegen aan de achterkant van de kaart.

Het Platform herinnert eraan dat de EDC in de eerste plaats een ‘instrument voor erkenning’ van de handicap in het algemeen is. Respect voor privacy is een essentiële waarde. Ook met betrekking tot de concrete noden van personen met een handicap moeten de vertrouwelijkheidsregels worden nageleefd. Bovendien zou het identificeren van alle handicaps neerkomen op het opstellen van een lijst. Hoe kan aan alle gevoeligheden worden voldaan zonder er te vergeten? Een ander struikelblok is hoe de verschillende handicaps op de EDC moeten worden geformaliseerd. Er bestaat namelijk geen gestandaardiseerd pictogram. Bovendien is het formaat van de EDC beperkt (elektronische identiteitskaart). En in België zijn er drie landstalen, maar het Engels behoort daar niet toe. Wat is het nut van verduidelijkingen in het FR, NL of DE die buiten de landsgrenzen niet worden begrepen?

Dit gezegd zijnde, heeft het Platform geen uitgesproken mening over het toevoegen van extra informatie op de achterkant van de EDC. Sommige raden geven de voorkeur aan de keuze van de persoon boven het naleven van de privacy. Bepaalde bestaande pictogrammen zouden ook nuttig kunnen zijn (bijv. de zonnebloem voor autisme). Het gebruik van de werkingscriteria van de Washington Group zou nuttig kunnen zijn bij het bepalen van de categorieën.

Bepaalde personen met communicatieproblemen of een niet-zichtbare handicap zullen zelf beslissen of zij een vermelding op de achterkant wensen.

Een suggestie zou zijn om de persoon zelf te laten aangeven welke vermeldingen moeten worden toegevoegd.

Het Platform vraagt een verdere dialoog hierover met de autoriteiten en het Platform zelf.

Het Platform vestigt daarnaast de aandacht op een aspect met betrekking tot de voorkant van de EDC: bijlage I van de Richtlijn bepaalt dat op de voorkant van de EDC de woorden ‘European Disability Card’ moeten staan in het Engels en in een of meer officiële talen van de Staat van afgifte.

Wat heeft België voorzien? Deze vermelding ook in de drie landstalen opnemen? Is er plaats beschikbaar?

Het Platform vraagt dat de vermelding in het Engels voorrang krijgt, aangezien de EDC tot doel heeft de mobiliteit binnen de Europese Unie te vergemakkelijken.

b) Algemeen advies over artikel 7

a. Punt 1: "... een QR-code (...) om fraude te voorkomen en te bestrijden ..."

Het Platform vraagt informatie over de manier waarop een dergelijke QR-code een daadwerkelijke controle op eventuele fraude mogelijk maakt. 

b. Punt 3: "... bevoegde autoriteiten of organen (...) zijn verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens."

Het Platform dringt erop aan dat de gekozen modaliteiten en technologische oplossingen voor de beveiliging van de persoonsgegevens voldoen aan de hoogste normen en snel aanpasbaar zijn aan de technologische ontwikkelingen. 

c. Punt 4: "De Europese kaart voor personen met een handicap wordt direct of op aanvraag van de persoon (…) afgegeven of verlengd door de lidstaat van de verblijfplaats. (...) Afgifte en verlenging zijn voor de begunstigde gratis en vinden binnen dezelfde termijn plaats als die geldt voor de afgifte van certificaten …".

d. Punt 6: "De geldigheid van de Europese kaart voor personen met een handicap wordt bepaald door de lidstaat van afgifte. De lidstaten zorgen ervoor dat de Europese kaart voor personen met een handicap de langst mogelijke geldigheidsduur heeft, waarbij, indien van toepassing, rekening wordt gehouden met de geldigheidsduur van het certificaat voor personen met een handicap ...".

Het Platform vraagt dat de huidige geldigheidsduur van vijf jaar behouden blijft. Zo wordt voorkomen dat de EDC te vaak moet worden verlengd, wat een buitensporige administratieve last voor personen met een handicap vormt.
Verlenging moet automatisch en gratis zijn. Het doel is maximale administratieve vereenvoudiging voor personen met een handicap.
De toekenning en verlenging moeten eveneens gratis zijn. Gratis verlenging moet ook mogelijk zijn op eenvoudig verzoek bij verlies of diefstal van de EDC.
Er moeten budgetten en personeel worden voorzien voor een efficiënt beheer van de EDC’s en de naleving van de afgiftetermijnen.
De uitvoeringsprocedure moet zo worden ontworpen dat er geen onderbreking is: er moet een overlappingsperiode tussen de oude en de nieuwe EDC worden voorzien die in overeenstemming is met de Richtlijn. 

e. Punt 5: "... wordt de Europese kaart voor personen met een handicap afgegeven in de vorm van een fysieke versie en aangevuld met een (…) digitale versie. (...) Personen met een handicap krijgen de mogelijkheid om de fysieke versie van de kaart, de digitale versie of beide aan te vragen. De digitale versie bevat niet meer persoonsgegevens dan de persoonsgegevens die voor de fysieke versie (…) worden verstrekt. De persoonsgegevens (…) worden versleuteld en er worden technische voorzorgsmaatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat het opslagmedium alleen door gemachtigde gebruikers wordt uitgelezen."

Het Platform vraagt meer duidelijkheid over de termen ‘opslagmedium’ en ‘gemachtigde gebruikers’. Gaat het om dienstverleners die de EDC erkennen? Zo ja, dan betekent dit dat ze over aangepaste leesapparatuur moeten beschikken. Wordt dit voorzien voor alle dienstverleners? 

2. Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (EPC)

Algemeen advies over artikel 7

Het Platform herinnert eraan dat de EPC uitsluitend op naam van de persoon met een handicap staat en dat enkel personen met een handicap recht op een EPC hebben.

De kaart mag enkel worden gebruikt wanneer de kaarthouder zich in het voertuig bevindt.

Het is ook niet nodig de toekenning van EPC’s uit te breiden: de bestaande regelgeving dekt reeds de begeleiders en instellingen.

a) Fysiek formaat (artikel 8.1)

        • Verplicht: fysiek formaat (zie bijlage II) met een QR-code

Het Platform wil informatie over hoe de QR-code een doeltreffende controle op fraude mogelijk zal maken.

b) Fysiek formaat (artikel 8.5)

        • De lidstaat kan naast de fysieke kaart ook een elektronisch formaat voorzien.

Het Platform wil weten of België van plan is een elektronische EPC te ontwikkelen. Zo ja, zal deze worden geïntegreerd in een Europese digitale portemonnee?

c) Persoonsgegevens (artikel 8.3)

Het Platform stelt vast dat er geen informatie over de noden van de betrokkene zal worden toegevoegd aan de digitale versie. Deze versie is enkel bedoeld voor fraudebestrijding.

Het Platform dringt erop aan dat de gekozen modaliteiten en technologische oplossingen voor de beveiliging van de persoonsgegevens voldoen aan de hoogste normen en snel aanpasbaar zijn aan de technologische ontwikkelingen.

Het Platform plaatst grote vraagtekens bij deze oplossing via QR-code: zal deze doeltreffend zijn? Wat met de huidige technologische ontwikkelingen die het fraudeurs reeds mogelijk maken valse QR-codes te genereren?

d) Afgifte (artikel 8.4)

Het Platform dringt erop aan dat de uitvoeringsprocedure geen enkele onderbreking toelaat: er moet een overlappingsperiode worden voorzien tussen de oude en de nieuwe Europese parkeerkaart op basis van de EDC-Richtlijn.

Het Platform dringt sterk aan op een kosteloze afgifte en verlenging van de EPC.

e) Geldigheidsduur

De Richtlijn voorziet niet in een vermelding van een vervaldatum voor de EPC.

Volgens het Platform zou de vermelding van een vervaldatum het risico op frauduleus gebruik van de EPC beperken. Het Platform beveelt dus een geldigheidsdatum
Bij overlijden van de kaarthouder moet de EPC ongeldig worden verklaard. De procedure voor de huidige EPC moet worden overgenomen voor de toekomstige EPC.
Het is essentieel dat er regelmatig controles worden georganiseerd in elke politiezone, net zoals dat gebeurt voor andere verplichtingen (verzekering, technische keuring).

f) Niet-naleving en sancties (artikel 17)

Bij inbreuken op de gebruiksvoorwaarden van de EPC – indien deze worden begaan door de begeleider, assistent, voorziening, … – mag de persoon met een handicap niet worden gestraft, door bijvoorbeeld automatisch zijn of haar EPC in te trekken, tenzij bijvoorbeeld wordt vastgesteld dat misbruik vaak voorkomt.

g) QR-code en alle andere mogelijke kenmerken om fraude te voorkomen

Het Platform wenst opheldering van volgende punten:

        • Wat wordt bedoeld met "andere digitale kenmerken om ..."?
        • De Belgische politie kan EPC’s niet intrekken indien ze zijn afgegeven door een andere lidstaat dan België (art. 8.3 en 10.2) en omgekeerd.
        • EPC en toegang tot de lage-emissiezones: is het denkbaar de EPC te gebruiken voor toegang tot de LEZ?

h) Technologie voor scanwagens in België en de andere lidstaten

Het Platform herinnert aan de werking van scanwagens in een groot aantal Belgische steden en aan de noodzaak voor houders van de huidige parkeerkaart om zich te registreren op het Handyparkplatform.

Het Platform benadrukt de noodzaak van harmonisatie en van volledige en correcte communicatie voor alle Belgische en niet-Belgische gebruikers over de technologische en andere modaliteiten van een correct gebruik van de EPC en van parkeerplaatsen in de verschillende EU-landen. 

3. Gemeenschappelijke bepalingen voor de EDC en EPC

a) Toegankelijkheid van informatie en bewustmaking voor de EDC en EPC

Op basis van de opgedane ervaring tijdens het EDC-pilootproject stelt het Platform vast dat de grootste zwakte van de EDC het gebrek aan informatie en bewustmaking was. Voor de begunstigden werd dit deels rechtgezet via de EDC-website. Het gebrek aan informatie en bewustmaking van dienstverleners blijft evenwel een cruciaal probleem.

De feedback van het veld, met name tijdens het pilootproject, was steeds van dezelfde strekking: "Ik heb mijn EDC ontvangen, maar er zijn geen dienstverleners. Ik heb er niets aan". En dat is niet verwonderlijk: op 29 april 2025 aanvaardden slechts 627 dienstverleners de EDC … (https://eudisabilitycard.be/nl/voordelen-met-de-kaart)

      • Een voorbeeld: de EDC wordt niet erkend door de Koninklijke Musea voor schone kunsten, een van de belangrijkste federale culturele instellingen die al lang een inclusieve aanpak hanteert ... Dit voorbeeld is niet bedoeld als kritiek op de federale overheid. Hetzelfde geldt voor de culturele instellingen van de andere deelgebieden van het federale België: de EDC wordt niet erkend omdat ze – waarschijnlijk – niet bekend is, of niet goed wordt begrepen.
      • Dit is ook het geval in andere Gewesten: in Namen en de Duitstalige Gemeenschap is het aanbod zeer beperkt.
      • Op basis van deze vaststelling vermoedt het Platform dat het in feite om een gebrek aan handistreaming gaat: de bevoegde instellingen voor handicap hebben hun werk gedaan binnen hun bevoegdheden, maar zijn niet erin geslaagd de informatie over de EDC door te geven aan de toeristische, sport- en vrijetijdssector.
      • De grootste inspanning moet dus op dit niveau worden geleverd. De inwerkingtreding van de EDC in alle EU-lidstaten zal zeker een belangrijke stap in die richting zijn.
      • Het Platform vestigt de aandacht op het netwerk van verenigingen van personen met een handicap die reeds acties op lokaal of regionaal niveau uitvoeren rond toegankelijkheid: hun expertise en netwerk moeten worden benut.

Het Platform vraagt een grootschalige communicatiecampagne gericht op dienstverleners. Deze zou heel goed kunnen passen in de toegankelijkheidsplannen waar die bestaan.
Er is een inspanning nodig op het gebied van communicatie over de filosofie en de reikwijdte van de EDC. Ook een algemene reflectie over het daadwerkelijk rekening houden met de toegankelijkheidsbehoeften in België lijkt evenzeer noodzakelijk.
Het Platform vraagt ook dat bij de ontwikkeling van de EDC wordt voortgebouwd op de reeds bestaande acties in de verenigingen van personen met een handicap die al werken rond projecten ter bevordering van de toegankelijkheid.
De toegankelijkheidsbureaus zouden ook de middelen moeten krijgen om volwaardige actoren in het project te worden.
Communicatie naar het brede publiek is essentieel om handicap te ontkokeren en toe te werken naar een meer tolerante en inclusieve samenleving.
Het is ook noodzakelijk om dienstverleners en het brede publiek bewust te maken van het bestaan van onzichtbare handicaps. Al te vaak worden personen met een onzichtbare handicap onterecht als fraudeurs of simulanten beschouwd, en bestaat het risico dat hun EDC wordt geweigerd enkel omdat hun handicap niet zichtbaar is.
Tot slot moeten de bewustmakingscampagnes rond wegverkeer worden voortgezet zodat de voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap niet door anderen worden gebruikt. Een herziening van de wegcode is ook wenselijk (zie advies 2023-09).
Het EDC-logo en een link naar specifieke informatie over de aangeboden ‘faciliteiten’ van de dienstverlener zouden duidelijk zichtbaar moeten zijn op de website van elke dienstverlener, idealiter al op de homepage.
De nationale website moet de gebruikers duidelijke informatie bieden over de diensten waarop ze recht zullen hebben tijdens hun verblijf in België (in het Frans, Nederlands, Duits en Engels) en de gevolgen van het al dan niet aanwezig zijn van de letter A op de voorkant van de EDC. Deze informatie zal de exacte betekenis van de letter A in België verduidelijken.
Het Platform vraagt betrokken te worden bij de voorbereiding van de communicatiecampagne, maar ook bij het promoten van de EDC en de evaluatie van het gebruik ervan.
Zie ook punt 2 h) over de EPC 

b) Structurering van de partnerschappen 

Het Platform benadrukt ook de noodzaak van overleg met de particuliere en publieke sector over het nut en de reikwijdte van de EDC. De interventiemodaliteiten voor technische bureaus inzake toegankelijkheid moeten duidelijk worden toegelicht.

c) Wetgeving inzake toegankelijkheid

Het Platform dringt aan op de naleving van de wetgeving inzake toegankelijkheid. Het is belangrijk dat de informatie aan EDC-houders en dienstverleners een duidelijk beeld geeft van de situatie: een publieke of particuliere dienstverlener die diensten voor personen met een handicap aanbiedt, moet alle EDC's erkennen, ongeacht het land van uitgifte en zonder bijkomende vragen.

Is de dienstverlener dan verplicht zijn of haar infrastructuur toegankelijk te maken (bijvoorbeeld bioscopen, concerten, speelpleinen)? Het zou ongetwijfeld belangrijk zijn om te verduidelijken welke regelgeving van toepassing is op elk bestuursniveau.

In het algemeen vraagt het Platform om tegen 2028 op regelmatige basis te worden betrokken bij de werkzaamheden voor de omzetting van de Richtlijn. Het Platform beveelt aan in de werkgroep Toegankelijkheid van de IMC Handicap een permanente werkgroep op te richten waarin het Platform wordt opgenomen.

  • Raadplegingen: 9

Advies 2025/10 - Vermindering financiering van Unia

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/10 van het Platform van adviesraden voor personen met een handicap over de vermindering van de aan Unia toegekende middelen door het federaal regeerakkoord 2025-2029.

Advies op initiatief van het Platform van adviesraden voor personen met een handicap en afgerond via e-mail van 22/07 tot 10/08/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de ministers van Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan de eerste minister en de minister-presidenten
  • Voor opvolging aan de voorzitter van het federaal parlement en de voorzitters van de parlementen in de deelgebieden
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het federaal regeerakkoord 2025-2029 voorziet een vermindering van de financiering van Unia met 25% (pagina 85).


3. ANALYSE

De federale regering verduidelijkt in het regeerakkoord, meer bepaald in het hoofdstuk gewijd aan armoedebestrijding, dat ze een inclusieve samenleving en een vereenvoudiging van het landschap van de verdediging van de mensenrechten wil. Ze stelt enkele ontwikkelingen voor wat betreft discriminaties op basis van geslacht, handicap en seksuele identiteit. Ze beoogt het bekomen van een A-status voor heel België, door middel van een samenwerkingsakkoord tussen de bestaande mensenrechteninstellingen. Ze voorziet een audit van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) en een “vermindering van de financiering van Unia met 25%”.

De NHRPH heeft op 17 maart 2025 een volledig negatief advies 2025-06 over deze vermindering van middelen uitgebracht.

Wat de bevoegdheden betreft, is de situatie als volgt:

Sinds 2013 heeft Unia het mandaat van “interfederaal Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding”. Het samenwerkingsakkoord voorziet met name in

  • het bevorderen van de gelijkheid van kansen en omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, …

In 2011 werd Unia als onafhankelijke instantie door de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten belast met de bescherming, promotie en naleving van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en zijn Facultatief Protocol in België. Daartoe staat Unia in voor

  • het informeren van personen met een handicap en alle betrokken organisaties en verenigingen over het bestaan van het Verdrag, de opzet ervan en de rechten die het garandeert;
  • het erop toezien dat de rechtenvan personen met een handicap worden gerespecteerd. Wanneer personen een melding doen, geeft Unia onafhankelijk juridisch advies en begeleiding;
  • het onderzoeken of wetgeving, beleid en praktijken in België overeenstemmen met het Verdrag.

In 2023 werden de opdrachten van Unia op het grondgebied Vlaanderen herzien en blijft Unia bevoegd voor

    • discriminatie:
      • op het werk;
      • in winkels, horeca en commerciële activiteiten (bijvoorbeeld fitnesszaken);
      • door verzekeringsmaatschappijen en banken;
      • bij justitie, detentie en politie (met inbegrip van dossiers over discriminatie door federale en andere dan Vlaamse ambtenaren);
      • bij Defensie;
      • op het openbaar vervoer (met uitzondering van De Lijn): NMBS, TEC en MIVB, luchtvaartmaatschappijen, ...;
    • negationisme (ontkenning van de Holocaust en genocides erkend door het internationaal recht);
    • haatspraak (bijvoorbeeld op Facebook, X, …);
    • haatmisdrijven (misdrijven met een haatmotief).

Unia is niet meer bevoegd voor discriminatie in het onderwijs, de huurmarkt en andere Vlaamse materies. Voor meldingen in die domeinen is het VMRI voortaan bevoegd.

Unia blijft bevoegd voor alle discriminaties in andere gewesten en gemeenschappen.


4. ADVIES

Het Platform van adviesraden voor personen met een handicap (hierna het Platform genoemd) staat volledig achter advies 2025-06 van de NHRPH.

Het Platform is bezorgd over het vermogen van Unia om zijn verschillende opdrachten te behouden, ook in het kader van de talrijke gewestelijke en gemeenschapsbevoegdheden.

Het Platform betreurt het dat de vermindering van de middelen overigens zo brutaal overkomt: het verminderen van de middelen van Unia betekent niet enkel het verminderen van een budget, maar ook het verzwakken van een essentiële structuur voor de bescherming van de mensenrechten. Iedere opdracht van Unia is belangrijk en alle huidige opdrachten moeten behouden blijven. Zeer concreet beschouwd zullen met name de opdrachten voor begeleiding (meldingen), bewustmaking en democratische monitoring onvermijdelijk worden verzwakt door het niet verlengen van bepaalde contracten.

Het Platform is van mening dat alle huidige opdrachten van Unia essentieel zijn, aangezien ze allemaal bijdragen aan het verminderen van discriminatie en het waarborgen van een beweging voor gelijkschakeling van rechten. De opdrachten van Unia voor het informeren, bewustmaken en onderzoeken blijven essentieel, aangezien onze samenleving niet van nature egalitair is. Naast het onderzoeken van meldingen is het absoluut noodzakelijk om Unia het voorrecht te geven om maatschappelijke verschijnselen te analyseren, opdat politici op hun beurt de nodige maatregelen treffen om de goede werking van de democratie en het respect voor mensenrechten te behouden. De duizelingwekkende ontwikkeling van artificiële intelligentie en de discriminerende vooroordelen die deze met zich meebrengt, is een goed voorbeeld van deze evolutie.

Het Platform is verbaasd dat in geen enkele gewestelijke beleidsverklaring de kwestie van de financiering van Unia aan de orde kwam. De reorganisatie van de instelling qua bevoegdheden en verantwoordelijkheden werd evenmin aangeroerd.

Het Platform vreest ook dat, wegens de drastische vermindering van de financiële middelen, de geplande implementatie van Unia in de Duitstalige Gemeenschap in het gedrang komt. Dit zal Belgische burgers in de Duitstalige Gemeenschap benadelen.

Het Platform maakt zich dan ook grote zorgen over de evolutie en stelt de minister-president van ieder deelgebied daarom de volgende vragen:

  • Wat is het standpunt van de andere deelgebieden met betrekking tot deze vermindering van middelen?
  • Is er enige vorm van verzet of reactie geweest?
  • Zal de vermindering van de middelen van Unia worden gecompenseerd door de andere overheidsniveaus? De situatie in Vlaanderen, dat het “Vlaamse Mensenrechteninstituut” (VMRI) heeft, is niet helemaal dezelfde. Dit gezegd zijne, de bevoegdheid van Unia blijft ook bestaan ten opzichte van de Vlamingen als het gaat om federale bevoegdheden.
  • Wat betekent deze vermindering van middelen voor een van de essentiële opdrachten van Unia op het gebied van handicap, namelijk het monitoren van de uitvoering van de UNCRPD?
  • Staat de toekomst van Unia in de huidige vorm en bevoegdheden op de helling?
  • Stelt deze vermindering van de middelen de in 2011 en 2013 gemaakte afspraken ter discussie?
  • Zal deze vermindering van de middelen worden gecompenseerd door de overheden van de deelgebieden?

Het Platform verwacht volledige en duidelijke antwoorden op deze vragen.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2025/11 - Non-take-up

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de presentatie van het actieplan tegen de non-take-up (NTU) door de consultants belast met de door de DG Personen met een handicap (DG HAN) bestelde studie.  

Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 14/04/2025 en goedgekeurd per e-mail op 23/04/2025.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Voor opvolging aan het Studiebegeleidingscomité, de heer Peter Samyn, mevrouw Julie Clément, mevrouw Esther Mulkers, mevrouw Véronique Bocken, de heer Joachim Lommelen, de heer Pablo Calvo Gil, mevrouw Stéphanie Jacquet, de heer Edouard Jacquin, mevrouw Valérie Weber, de heer Nico Meulebrouck, mevrouw Natascha Van Mechelen en de heer Arne Depoortere
  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN)
  • Ter informatie aan mevrouw Julie Syenave, de heer Stéphane Le Grand en de heer David Van Dieren van de consultancyfirma Antares Consulting, belast met de studie
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 26 maart 2025 heeft de vergadering voor het afsluiten van de door de DG HAN bestelde studie over het niet-toekennen van rechten of de non-take-up plaatsgehad. Voor deze gelegenheid hebben de consultants van Antares, belast met de studie, het uiteindelijke actieplan voorgesteld dat het resultaat is van de denkoefening die sinds juli 2024 werd gehouden.


3. ANALYSE

A. Specifieke doelstellingen van de studie

De studie telt vijf specifieke doelstellingen:

  1. overeenkomen van een definitie van de NTU of het niet-toekennen van rechten in de handicapcontext;
  2. inventariseren van de reeds door de DG HAN genomen initiatieven om de NTU terug te dringen;
  3. in kaart brengen van de interacties van personen met een handicap met de ondersteunende systemen om de voornaamste obstakels die de NTU verergeren te identificeren;
  4. gerichte acties voorstellen om de NTU terug te dringen;
  5. een methode ontwikkelen om de impact van de acties van de DG HAN tegen de NTU te beoordelen.

B. De stappen van de studie

De studie omvatte verschillende fasen tussen juli 2024 en maart 2025:

  1. Een literatuuronderzoek om de NTU te definiëren en de oorzaken ervan af te bakenen en een benchmarking van goede praktijken inzake de strijd tegen het niet-toekennen van rechten.
  2. Een aantal ontmoetingen op het terrein met interne en externe actoren van de DG HAN.
  3. Een gebruikersenquête.

Op basis hiervan werd een synthese van de situatie ‘As is’ opgemaakt, werden de voornaamste factoren van de NTU geïdentificeerd en werden 11 mogelijke oplossingspistes bedacht, waaronder een dertigtal acties in totaal.

  1. Twee werkvergaderingen, in januari 2025, met de teams van de DG HAN en de NHRPH, teneinde de voorgestelde acties te bespreken.
  2. Een impactanalyse, uitgevoerd door de deelnemers van de werkvergaderingen van januari 2025.
  3. Een haalbaarheidsanalyse, uitgevoerd door het topmanagement van de DG HAN op basis van economische, technische, organisatorische, sociale en culturele, politieke criteria en de beschikbare middelen (begin maart 2025).
  4. Opstellen van een plan dat bestaat uit de acties die zijn gekozen op grond van de dubbele impact- en haalbaarheidsanalyse, te realiseren tussen 2025 en 2027.

De NHRPH heeft de verschillende stappen van de studie gevolgd. Hij heeft een eerste advies 2024-17 gepubliceerd toen de resultaten van de enquête bij de gebruikers nog niet gekend waren. De NHRPH heeft ook deelgenomen aan de impactanalyse en heeft zijn beoordeling toegelicht in een begeleidende brief.

Dit advies gaat over het eindresultaat van de studie, namelijk het door de consultants voorgestelde actieplan om te strijden tegen het niet-toekennen van rechten in het kader van de door de DG HAN aangeboden diensten.


4. ADVIES

Vaststellingen

A. Wat de prioritering van de acties betreft

Op basis van zowel het literatuuronderzoek, de enquête bij de gebruikers als de ontmoetingen op het terrein kwamen enkele belangrijke factoren van de NTU naar voren. Deze factoren werden vervolgens gebruikt om 11 projecten voor te stellen, die in totaal 38 acties omvatten om het fenomeen van niet-toekennen van rechten tegen te gaan. Deze 38 acties werden vervolgens onderworpen aan een impact- en haalbaarheidsanalyse. De combinatie van de resultaten van deze beide analyses heeft geleid tot een score voor elk van de voorgestelde acties. Deze scores werden gebruikt als criteria voor het prioriteren van de acties:

    • Acties met een grote impact en een hoge haalbaarheid werden geïdentificeerd als prioriteit 1.
    • Acties met een grote impact die dicht bij de haalbaarheidsmediaan liggen evenals acties met een hoge haalbaarheid die dicht bij de impactmediaan zitten werden ondergebracht in prioriteit 2.
    • Acties met een grote impact en lagere haalbaarheid, enerzijds, en acties met een minder grote impact en grote haalbaarheid, anderzijds, werden geklasseerd in prioriteit 3.
    • Acties met een lage impact en een lage haalbaarheid zijn prioriteit 4

De NHRPH vindt het jammer dat enkel prioriteiten 1 en 2 werden geïntegreerd in het actieplan 2025-2027. Prioriteiten 3 en 4 “kunnen toch worden opgenomen in het driejarenplan of later in een planning op langere termijn, zoals beslist door DG HAN” (verslag van de eindpresentatie van 26/3/2025, p. 30).

Voor het overige merkt de NHRPH verrast heel wat incoherenties op in de methodologische behandeling van de prioritering van de acties (voor het leesgemak: download hier de Excel-tabel):

    • Van de 38 acties die voorgelegd werden voor de impactanalyse krijgen slechts 34 acties een score en een prioritering.
    • De 4 acties die ontbreken in de grafiek met de scores (acties 2.1, 2.4, 3.2 en 5.4) zijn niet dezelfde als de acties die ontbreken in de prioritering(acties 2.3, 2.4, 3.6 en 5.6).
    • Drie van de acties die “verdwenen” zijn uit de grafiek met scores komen terug in prioriteit 1 (acties 2.1, 5.5) en 2 (actie 3.2).
    • Acties 3, 3.6 en 5.6, met prioritaire score, staan niet meer in de lijst met prioriteiten.
    • Sommige acties die als prioriteit zijn opgelijst, komen niet voor in het actieplan: dat is het geval voor de acties 2.1 en 5.4 (prioriteit 1) en 3.2 (prioriteit 2).
    • 8 acties veranderen van nummer naarmate de fasen vorderen. Dit heeft tot gevolg dat de grafiek van de scores, die niet de titel van iedere actie bevat, onleesbaar wordt, aangezien men niet meer weet naar welke actie de nummering verwijst.
    • In totaal zijn er 14 acties waarvan de evaluatie en de prioritering volledig onbegrijpelijk en ondoorzichtig zijn, wat neerkomt op meer dan een derde van het totale aantal acties.

B. Wat de coherentie van het actieplan met de resultaten van de gebruikersenquête betreft

De Nederlandstalige en Franstalige versies van de gebruikersenquête werd verspreid tussen 12 september en 18 oktober 2024, en de Duitstalige versie tussen 27 september en 18 oktober 2024, voornamelijk in digitaal formaat. Het doel van de enquête was om de NTU-rechthebbenden te identificeren, de oorzaken van NTU voor iedere dienst van de DG HAN op te sporen en ervaringen van rechthebbenden te verzamelen teneinde de dienstverlening te verbeteren.

Hierna volgen de belangrijkste resultaten van de enquête:

    • Personen met een verstandelijke handicap worden meer getroffen door de NTU dan de andere respondenten die de vragenlijst hebben ingevuld.
    • De NTU-typologieën verschillen sterk in functie van de provincie waar de rechthebbenden wonen, en dus van het centrum voor de erkenning.
    • Ongeacht het soort handicap dat werd onderzocht, merkt één vierde van de respondenten op dat ze administratieve problemen hadden ondervonden, namelijk: “ik wist niet dat ik recht had op deze dienstverlening”, “ik heb problemen ondervonden om de informatie die ik nodig had te vinden”, “ik heb problemen ondervonden om de website van de DG HAN/My Handicap te gebruiken”, “de informatie was niet toegankelijk (geen documenten in braille, gebarentaal, audioformaat, vereenvoudigde taal, enz)”.
    • Voor de 4 door de DG HAN voorgestelde diensten (erkenning van de handicap, integratietegemoetkoming, inkomensvervangende tegemoetkoming en parkeerkaart) brengen de gebruikers dezelfde obstakels naar voren: “ik wist niet dat ik recht had op deze dienstverlening”, “ik vond de stappen te moeilijk of ontmoedigend”, “ik heb problemen ondervonden om de nodige informatie te vinden”.
    • Ongeacht de dienst van de DG HAN, verklaart nagenoeg 10% van de respondenten onvoldoende ondersteuning te hebben gehad bij het invullen van de formulieren en het voltooien van de vereiste stappen.
    • In het vrije veld waarin de respondenten voorstellen voor verbeteringen aan de DG HAN konden formuleren, stonden de volgende suggesties:
      • Een betere verspreiding van de informatie, door middel van doelgerichte campagnes, brochures en een proactieve communicatie
      • Eén enkel aanspreekpunt om menselijke begeleiding te bieden en te voorkomen dat rechthebbenden zich in de steek gelaten voelen
      • De compatibiliteit van de websites met schermlezers voor visuele handicaps
      • Het invoeren van telefoniesystemen die zijn aangepast aan visuele en auditieve handicaps
      • Visuele ondersteuning, in gebarentaal en in FALC (gemakkelijk te lezen en te begrijpen)
      • Begeleiding op maat

De NHRPH is verbaasd dat de hierboven opgesomde verzoeken weinig weerklank vinden in het actieplan, hoewel de enquête tot doel had de oorzaken van het niet-opnemen van rechten op te sporen en de dienstverlening van de DG HAN te verbeteren. De NHRPH stelt vast dat verschillende acties die beantwoorden aan de door de gebruikers geformuleerde behoeften in de prioriteitengroepen 3 en 4 werden ingedeeld en dus niet in het actieplan zijn opgenomen:

    • Het bewustmaken van externe belanghebbenden (actie 2.1) is een doeltreffende manier om de competenties inzake eerstelijnsrechten te vergroten en bijgevolg de kwaliteit van de informatie die potentiële rechthebbenden van deze belanghebbenden ontvangen, te verbeteren. Het is tevens een manier om de kwaliteit van de door de eerste lijn ingevulde formulieren te verhogen en het aantal onvolledige of ongeldige aanvragen te verminderen. De tijd die hier door de DG HAN wordt gewonnen, zou op een nuttige manier opnieuw kunnen worden ingezet voor begeleiding op maat van rechthebbenden en zo beantwoorden aan de grote vraag naar ondersteuning die sterk naar voren kwam uit de enquête bij de gebruikers. Deze actie maakt bovendien deel uit van de acties uit prioriteitengroep 1 die om onverklaarbare redenen niet in het actieplan staan.
    • Het bewustmaken, aan het einde van hun opleiding, van toekomstige beroepsbeoefenaars die mogelijk in contact komen met potentiële rechthebbenden (actie 3.6 opgenomen in de lijst na 3.5) zou eveneens bijdragen tot een betere kennis van deze toekomstige beroepsbeoefenaars op het vlak van rechten. Dit zou op zijn beurt de kwaliteit verbeteren van de informatie die zij zullen verspreiden wanneer zij met hun doelgroepen in contact komen.
    • Eén aanspreekpunt (actie 5.3) is een expliciete vraag van de gebruikers (zie hierboven). Het biedt een antwoord op het gebrek aan persoonlijke menselijke begeleiding bij de te zetten stappen, wat in de enquête naar voren kwam als een van de belangrijkste obstakels voor toegang tot rechten.
    • Het lokale contact met moeilijk te bereiken doelgroepen (actie 5.4) is een van de weinige van de 38 voorgestelde acties die daadwerkelijk de primaire en totale NTU tracht aan te pakken, aangezien deze actie zich richt op het dichter bij elkaar brengen van de DG HAN en de doelgroepen die daarvan verwijderd zijn. Deze actie identificeert uitdrukkelijk psychiatrische patiënten en daklozen, waaronder zich personen met een verstandelijke handicap bevinden, een groep die volgens de gebruikersenquête sterk getroffen wordt door de NTU. Het is des te betreurenswaardiger dat deze actie, die deelt uitmaakt van prioriteitengroep 1, niet is opgenomen in het actieplan 2025-2027. Betekent dit dat de prioriteit wordt uitgesteld tot na 2027? Niets in het verslag wijst daarop. En zelfs als dat zo zou zijn, dan zou deze actie veel te laat komen.
    • Nauwe begeleiding voor rechthebbenden (actie 5.6 opgenomen in de lijst na 5.5) speelt rechtstreeks in op de vraag van de rechthebbenden, en in het bijzonder van personen met een verstandelijke handicap die aan de enquête hebben deelgenomen.
    • Alternatieve informatiemedia (actie 6.1) vormen een concreet antwoord op de behoeften die in de enquête werden geformuleerd door personen met verschillende soorten handicaps, namelijk de nood aan toegankelijke informatiedragers: papier, braille, audiovisueel formaat, gebarentaal, duidelijke taal (FALC). Deze actie zou de DG HAN bovendien in overeenstemming brengen met artikel 21 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin het volgende wordt verduidelijkt: “de Staten die Partij zijn verschaffen personen met een handicap voor het publiek bedoelde informatie (…) in toegankelijke vormen en technologieën, geschikt voor de verschillende soorten handicaps”.
    • Het proactief identificeren van rechthebbenden (actie 7.1) is een beslissende actie in de strijd tegen het gebrek aan kennis van hun rechten door de rechthebbenden, een belangrijke factor van de NTU volgens de enquête. Door dit gebrek aan kennis blijven rechthebbenden vaak inactief, simpelweg omdat ze niet weten waarop ze recht hebben.
    • Door My Handicap toegankelijk te maken voor andere externe actoren (actie 10.3) kunnen de personele middelen en de door de respondenten van de enquête gevraagde ondersteuning worden verhoogd, met name om hen te begeleiden bij hun stappen en het invullen van de formulieren. Volgens de NHRPH vereist deze actie evenwel dat de nieuwe partners over de nodige kennis beschikken om hun rol te kunnen vervullen en is ze afhankelijk van de voorafgaande uitvoering van actie 3.4 (later omgedoopt tot 3.3).

Ten slotte stelt de NHRPH verwonderd vast dat het actieplan geen enkele actie bevat om de impact van de digitale kloof te beperken: project 6, dat hieraan moest worden gewijd, is niet – zelfs niet gedeeltelijk – in het actieplan 2025-2027 opgenomen. Nochtans zijn de digitalisering en de digitale kloof een belangrijke factor voor het niet-toekennen van rechten, zoals zowel het literatuuronderzoek van de door de DG HAN besteld studie als de positienota van 2022 van de NHRPH over de gevolgen van de digitalisering aangeven. De positienota verwijst onder andere naar een studie van de Koning Boudewijnstichting waaruit blijkt dat 40% van de Belgen het risico loopt om in een situatie van digitale uitsluiting terecht te komen en 32% over zwakke digitale vaardigheden beschikt.

De resultaten van de gebruikersenquête lijken af te wijken van de cijfers van de Koning Boudewijnstichting, aangezien volgens de enquête slechts 7% van de respondenten problemen heeft met de toegang tot technologie. Deze afwijking is evenwel slechts schijn en is te wijten aan een interpretatiebias van de resultaten van de enquête. De respondenten konden immers maximaal 4 problemen aanvinken die konden leiden tot NTU-situaties. Voor de verwerking van de statistische gegevens werden deze verschillende problemen gehergroepeerd in “families”:

    • de familie “Toegang tot technologie” bevat slechts één item: ‘ik heb geen internet’;
    • het item ‘ik heb problemen ondervonden om de website van de DG HAN te gebruiken’ werd ondergebracht in de familie “Toegang tot informatie”;
    • het item ‘ik heb problemen om MyHandicap te gebruiken’ maakt ook deel uit van de familie “Toegang tot informatie”.

De 7% respondenten van de enquête die problemen hebben met toegang tot technologie zijn dus uitsluitend personen die geen internet hebben. Dit cijfer ligt overigens hoger dan dat van de laatste barometer van de digitale inclusie van de Koning Boudewijnstichting, die schat dat 5% van de Belgische bevolking geen toegang tot internet heeft. Dit toont aan dat het doelpubliek van de DG HAN meer risico loopt dan de gemiddelde Belg. Om het percentage van de bevolking dat risico loopt op digitale uitsluiting vervolgens te bepalen, moeten de personen met zwakke digitale vaardigheden worden opgeteld bij de personen zonder internettoegang. Deze minderheidsgroep van de bevolking, die wel over internet beschikt, maar problemen ondervindt met het gebruik van online tools, komt zeer duidelijk naar voren in de enquête bij de respondenten die het volgende hebben aangevinkt: ‘ik heb problemen ondervonden om de website van de DG HAN te gebruiken’ en ‘ik heb problemen om MyHandicap te gebruiken’. Zij zijn evenwel niet ondergebracht in de familie “toegang tot technologie”, maar in de familie “toegang tot informatie”. En de “toegang tot informatie” is nu net een van de voornaamste NTU-factoren die uit de enquête naar voren komt. Daarnaast komt de digitale kloof expliciet terug in de enquête door middel van open vragen:

    • Onder de problemen die lijden tot de NTU noemen de respondenten spontaan de beperkte toegang tot digitale tools.
    • In de voorstellen tot verbetering die vrij door de respondenten werden geformuleerd, staan de toegankelijkheid tot digitale tools en de verbetering van het online platform.

Aan deze belangrijke bevinding uit de enquête bij de gebruikers werd jammer genoeg geen gevolg gegeven, aangezien het actieplan 2025-2027 geen enkele van de voorgestelde acties om te strijden tegen de digitale kloof heeft opgenomen.

C. Wat het vorige door de NHRPH uitgebrachte advies betreft

De NHRPH herinnert aan het advies 2024-17 dat hij halverwege de door de DG HAN bestelde NTU-studie heeft gepubliceerd en betreurt dat de voorgestelde verbeteringen niet in aanmerking werden genomen bij de impact- en haalbaarheidsanalyse. De voorstellen van de NHRPH hadden het actieplan kunnen verrijken en/of alternatieven kunnen bieden voor bepaalde acties die geacht werden wel effect te hebben, maar te tijdrovend te zijn.

De NHRPH heeft onder andere de volgende acties naar voren geschoven:

    • Gebruikers zo volledig en nauwkeurig mogelijke informatie geven over de mogelijkheden om in beroep te gaan.
    • Leesbare informatie bieden, in “duidelijke taal”, en “gemakkelijk te lezen en te begrijpen” taal (FALC), in braille, in gebarentaal, met ondertiteling van audiovisuele media.
    • Gerichte informatie verschaffen over de levensfase waarin de persoon zich bevindt: welke rechten heeft een kind met een handicap op het vlak van school? vrije tijd? vervoer? impact van de overgang tussen verschillende uitkeringen en statuten? enz.
    • Zorgen voor een transparante communicatie met betrekking tot reeds ontvangen en nog te ontvangen bedragen.
    • De fysieke toegankelijkheid
    • Een intern controlesysteem bij de DG HAN opzetten om te voorkomen dat dossiers waarin de toestand ongewijzigd of zelfs verslechterd is, worden onderworpen aan aanzienlijk verlies van punten, in sommige gevallen tot 3 punten of meer.
    • Organiseren van een korte tevredenheidsenquête na de raadplegingen teneinde slechte ervaringen te onderzoeken, eventuele disfuncties op te sporen en vervolgens de nodige aanpassingen te doen. Deze praktijk zou, bij uitbreiding, kunnen worden toegepast op de hele front office van de DG HAN.
    • Krachtige algoritmen voor de verwerking van persoonlijke dossiers gebruiken, met een systematische monitoring om de correcte werking ervan te meten en de nodige aanpassingen door te voeren zodra anomalieën in de verwerking worden vastgesteld. Daartoe zouden afgewezen dossiers, evenals de gegevens die tot deze afwijzing hebben geleid, moeten worden bewaard.
    • Verzamelen van precieze cijfergegevens waarmee de doeltreffendheid van het sociaal beleid, met name op het vlak van de NTU, kan worden gemeten.
    • Behouden van bemande loketten en menselijke aanspreekpunten om een directe, persoonlijke ondersteuning te bieden.
    • Oprichten van unieke loketten of contactpunten.
    • Aanmoedigen van thuisbezoeken door maatschappelijk werkers om een holistisch beeld te krijgen van de behoeften van de persoon met een handicap.
    • Naleven van de Europese richtlijn inzake webtoegankelijkheid, die de organisaties van de overheidssector oplegt de Europese norm EN 301 549 toe te passen op hun websites en online tools, en met name de principes van waarneembaarheid, bedienbaarheid, begrijpelijkheid en robuustheid.
    • Inclusieve en toegankelijke invoering van tools die zijn gebaseerd op artificiële intelligentie met specifieke aandacht voor de bias, onbedoelde discriminaties en de ondoorzichtigheid van beslissingen die betwistingen bemoeilijken.

D. Wat de coherentie van het actieplan met de doelstellingen van de studie betreft

De NHRPH stelt vast dat de doelstellingen van de studie – in het bijzonder inzicht krijgen in de oorzaken van NTU en gerichte acties voorstellen – slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt. De NHRPH wijst als bewijs hiervan op het ontbreken van acties ter bestrijding van de digitale kloof en op het ontbreken van enig antwoord op verschillende behoeften die de gebruikers in de tijdens het najaar van 2024 gehouden enquête hebben geformuleerd.

De NHRPH betreurt het dat bij het opstellen van het actieplan werd gekozen voor een hoofdzakelijk mathematische methodologie, gebaseerd op scores. De NHRPH betreurt dat deze methodologie helemaal niet gepaard is gegaan met een kwalitatieve benadering op basis van inhoud en doelstellingen. Dit zou het mogelijk hebben gemaakt om acties met hoge haalbaarheid en lage impact te laten vallen ten behoeve van acties met inderdaad lage haalbaarheid maar hoge impact om te strijden tegen het niet-toekennen van rechten. De strijd tegen de digitale kloof is daarvan een overduidelijk voorbeeld.

Concrete wensen

De NHRPH vraagt het volgende:

    • Dat de volgende acties in het plan 2025-2027 worden opgenomen:
      • de acties met een prioriteit 1: 2.1 (Bewustmaking externe belanghebbenden) en 5.4 (Lokaal contact met moeilijk bereikbaar publiek).
      • acties bestemd voor het strijden tegen de digitale kloof, op zijn minst actie 6.1 (Alternatieve informatiemedia), aangezien dit een behoefte is die werd aangetoond door de gebruikersenquête en een recht dat is vastgelegd door het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
    • Dat de acties 3.6 (Opleiding voor beroepsbeoefenaar aan het einde van de studie), 5.3 (Eén aanspreekpunt), 5.6 (Nauwe ondersteuning voor rechthebbenden), 7.1 (Proactief identificeren rechthebbenden) en 10.3 (Toegang tot MyHandicap Professional voor andere externe actoren) behouden blijven voor het plan 2025-2027 of ten minste als onderdeel van een plan na 2027. Omdat ze deel uitmaken van de expliciete verzoeken in de gebruikersenquête en/of omdat ze het mogelijk maken om de gepersonaliseerde, menselijke eerstelijnsondersteuning te verhogen.
    • Dat de medewerkers van de DG HAN die verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van de NTU ook voor deze doelstelling worden beoordeeld op basis van zeer duidelijke indicatoren. Dit voorstel werd geformuleerd door de Nederlandstalige groep tijdens de werksessies in januari 2025.

Ten slotte vraagt de NHRPH om bij de uitvoering van de acties uit het actieplan 2025-2027 bepaalde aandachtspunten in aanmerking te nemen:

    • Voor het hercontacteren van afhakers (actie 1.2) is het de bedoeling om dit proces op langere termijn te automatiseren, “met behulp van de digitale instrumenten van DG HAN door de geëxtraheerde lijst van afhakers in TETRA in te voeren en de verzending van een standaardbrief naar de rechthebbende te automatiseren” (actieplan, p. 19). Deze automatisering beantwoordt niet aan de behoefte aan gepersonaliseerde opvolging van de rechthebbenden, noch aan de uitdagingen van de digitale kloof indien deze brieven digitaal zouden worden verzonden.
    • Wat het begrijpelijker maken van het beoordelingsproces voor de rechthebbenden betreft (actie 2.3 die in het actieplan 2.2 is geworden), is het de bedoeling om toelichtingen op te nemen op de website en de schermen van de centra voor de erkenning van de handicap. De NHRPH benadrukt dat de digitalisering niet de oplossing kan zijn om de communicatie tussen de DG HAN en haar rechthebbenden te versterken, gelet op de digitale kloof die een groot aantal van hen treft, meer dan het Belgische gemiddelde.
    • De permanente beschikbaarheid van webinars op de website van de DG HAN (actie 3.3 die in het actieplan 3.2 is geworden) is volgens de NHRPH geen goede manier om informatie te verspreiden. Ze zijn zeer tijdrovend voor personen op zoek naar informatie (de webinars moeten volledig worden bekeken) en het bijwerken ervan – wat nodig is in het geval van een wijziging in de wetgeving – is omslachtig, omdat ze dan volledig moeten worden vervangen.
    • De verduidelijking van de rollen van elke instelling en elke partner voor een betere samenwerking met de DG HAN (actie 10.3) veronderstelt dat de externe partners de nodige middelen krijgen om de hun toegewezen rollen te vervullen. Als er nieuwe middelen beschikbaar moeten worden gesteld, moeten die ten goede komen aan de DG HAN en aan de taken die haar door de reglementering zijn toegekend.
    • Het delen van informatie en gegevens van rechthebbenden tussen instellingen (actie 10.4) vereist de invoering van waarborgen om de privacy te garanderen en te beschermen.

De NHRPH benadrukt het belang van deze studie inzake de strijd tegen de NTU. De gebruikersenquête bracht reële en realistische verwachtingen aan het licht, die nu om administratieve en politieke antwoorden vragen. In dit stadium van de denkoefening is het belangrijk om de nodige verbeteringen concreet door te voeren. Een indrukwekkend aantal personen heeft aan de enquête deelgenomen (meer dan 3.000); dit is ongezien en onthult de omvang van de verwachtingen van personen met een handicap en hun hoop dat er oplossingen komen om hun toegang tot rechten te verbeteren. Al deze respondenten wachten op concrete feedback waaruit blijkt dat ze gehoord zijn.

Vanuit het oogpunt van de NHRPH vormt deze studie een ongezien precedent. Het geeft een nauwkeurig beeld van het fenomeen van het niet-toekennen van rechten. Met dit project heeft de FOD Sociale Zekerheid een maatschappelijke kwestie onder de aandacht gebracht die personen met een handicap, en meer in het algemeen alle burgers, rechtstreeks aanbelangt. Het tot een goed einde brengen van deze oefening, door de nodige verbeteringen aan te brengen in de dienstverlening van de DG HAN, zou een bron van hoop moeten zijn voor personen met een handicap en een bron van inspiratie voor alle overheidsdiensten.

De twee werksessies in januari 2025 hebben ook een constructieve, “actiegerichte” denkoefening zonder taboe op gang gebracht. Deze dynamiek vormt een basis van onschatbare waarde waarop kan worden voortgebouwd. Te betreuren valt evenwel dat slechts een klein deel van de acties aan bod kon komen omdat er te weinig tijd werd uitgetrokken voor deze cruciale besprekingen.

De NHRPH betreurt daarom des te meer de slechte kwaliteit van het eindverslag over het actieplan. Gelet op het belang van de sociale en menselijke uitdagingen die met het niet-toekennen van rechten gepaard gaat, dringt de NHRPH echter toch aan op de uitvoering van de aanbevelingen van de studie, onder voorbehoud van de opmerkingen in deel D van dit advies. De NHRPH hoopt dat deze uitvoering van doeltreffende maatregelen tegemoet zal komen aan de behoeften en verwachtingen van personen met een handicap. Het is ook in deze geest dat de NHRPH vraagt om de huidige prioritering opnieuw te bekijken in het licht van de uitdagingen van de NTU (zie punt B).

Dit advies wordt uitgebracht op basis van de documenten die op 01/04/2024 per e-mail zijn ontvangen, dus onder voorbehoud van eventuele andere documenten of correcties die later aan de NHRPH worden toegezonden en die tot gevolg hebben dat de inhoud van het eindverslag en/of het actieplan wordt gewijzigd.

  • Raadplegingen: 16

Advies 2025/16 - Wettelijke pensioenleeftijd

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2025/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wat betreft de wettelijke pensioenleeftijd en over het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wat betreft de wettelijke pensioenleeftijd, overeenkomstig artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.

Advies besproken tijdens de plenaire vergadering van 19/05/2025 en uitgebracht op 03/06/2025 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 27/05/2025 wegens de op 12/05/2025 door mevrouw Julie Clément gevraagde dringendheid.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Julie Clément in haar e-mail van 12/05/2025.


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Julie Clément, Directrice-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan de heer Bart De Wever, eerste minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Het ontwerp heeft tot doel het leeftijdscriterium, dat momenteel is vastgesteld op 65 jaar, aan te passen aan de “wettelijke pensioenleeftijd”.


3. ANALYSE

A. Een wetswijziging is noodzakelijk om te anticiperen op iedere latere verandering van de effectieve pensioenleeftijd.

B. Een wijziging van het KB van 2003 is noodzakelijk om personen die tussen 65 en 66 jaar oud zullen zijn in staat te stellen een aanvraag in te dienen voor personen met een handicap (inkomensvervangende tegemoetkoming / integratietegemoetkoming (IVT/IT)), en dit binnen de 3 maanden na de bekendmaking van het besluit tot wijziging in het Belgisch Staatsblad voor toegang tot het stelsel van de tegemoetkomingen

De voorziene datum van inwerkingtreding - voorlopig 01.01.2025 - is fictief (artikel 14, § 2) en zal worden herzien en vastgelegd voor het bepalen van de termijn van 3 maanden die zal aanvatten na de bekendmaking van het besluit tot wijziging in het Belgisch Staatsblad.

Deze wijziging zal ook gevolgen hebben op de reglementering inzake de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden, waarvoor de deelgebieden bevoegd zijn; laatstgenoemden moeten erop toezien dat hun wetgeving wordt aangepast (anti-cumulatieregel).


4. ADVIES

A. Wat het dringend verzoek betreft

Op een dag na kwam dit dringend verzoek op hetzelfde moment als de aankondiging dat er binnen de FOD Sociale Zekerheid budgettair geen enkele aanwerving voor het gemeenschappelijk secretariaat van de NHRPH en het Belgian Disability Forum (BDF) mogelijk was.
De NHRPH wijst erop dat de situatie bij het secretariaat zeer moeilijk is wegens een zwaar onderbezet team: twee Nederlandstalige functies werden niet vervangen en een Franstalige werknemer is sinds meer dan 5 jaar langdurig ziek zonder dat het mogelijk is deze persoon te vervangen. Hoewel de NHRPH begrijpt dat de administratie en de minister van Personen met een handicap prioriteiten en een strak tijdschema hebben, is het ook noodzakelijk dat de NHRPH de nodige middelen krijgt om volgens verwachting te functioneren. In dit geval heeft de weigering van de administratie enkel betrekking op de vervanging van de personen die vertrekken en niet op de versterking van het team van het secretariaat.
De NHRPH herinnert overigens eraan dat het raadplegen van de NHRPH verplicht is voor alle wijzigingen die betrekking hebben op de reglementering inzake tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987 en uitvoeringsbesluiten), maar ook dat zijn advies noodzakelijk en onontbeerlijk is om een echt beleid inzake handistreaming te voeren.
Deze prioriteit wordt herhaald in het regeerakkoord, in de verklaring van de minister van Personen met een handicap (zie Beleidsverklaring pagina 13: De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) speelt hier als federale adviesraad een sleutelrol. Ik zal in overleg met de NHRPH bekijken hoe hun werking en impact kan worden versterkt zodat de stem van personen met een handicap steeds wordt gehoord, en zie ook Beleidsnota pagina 9: De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) is als federale adviesraad dan ook een cruciale partner bij het ontwikkelen van het federale beleid. In overleg met de Raad zal ik een voorstel doen tot versterking van de werking van de Raad, in overeenstemming met de aanbevelingen van het VN-comité inzake de rechten van personen met een handicap aan ons land), maar ook in het Charter voor de waarden van de FOD Sociale Zekerheid en in de operationele doelstellingen van de DG Personen met een handicap.

⇒ De NHRPH vraagt dat deze intentieverklaringen vergezeld worden van voldoende en concrete middelen op het vlak van toegewijd personeel voor de werking van het secretariaat.
⇒ De NHRPH vraagt dat een dringende oplossing wordt gezocht voor de correcte werking van het secretariaat en dat de werknemers die het secretariaat hebben verlaten op zijn minst zo snel mogelijk worden vervangen.

B. Wat het principe van de wijziging van de teksten betreft

De NHRPH ondersteunt deze wijziging die het mogelijk maakt de toekenning van een IVT/IT in overeenstemming te brengen met het einde van de beroepsloopbaan.

Tegelijkertijd zal de verlenging van de toekenning van de IVT/IT compensaties in andere sectoren met zich meebrengen, maar ook misschien cumulaties (andere dan die van de tegemoetkomingen IVT/IT en tegemoetkoming hulp aan bejaarden (THAB)). Werd deze factor in aanmerking genomen? Zal dit geen averechtse effecten of onverschuldigde bedragen genereren?

⇒ De NHPRH wenst de bevestiging dat op deze hervorming werd geanticipeerd en dat het noodzakelijke overleg met de deelgebieden om ieder vorm van cumulatie te voorkomen wel degelijk heeft plaatsgehad.
⇒ Mocht dit niet het geval zijn, dan zullen bepaalde personen - volgens de regio waar ze wonen - een keuze zouden moeten maken tussen de toekenning van de THAB en die van de IVT/IT. In dat geval moet de DG HAN dan ook tijdig duidelijk communiceren over de meest gunstige optie.
⇒ De NHRPH benadrukt dat personen met een handicap in geen geval het slachtoffer mogen worden van deze hervorming.
⇒ De NHRPH pleit voor een brede informatiecampagne, nog voordat de hervorming van kracht wordt. Zonder afbreuk te doen aan de beslissingsbevoegheid van de wetgever en de Koning zou de hervorming op zijn minst eerst moeten worden aangekondigd in de sector van de handicap, de zorg en de begeleiding van ouderen; bestaande brochures, webinars, apps (https://mybenefits.fgov.be/burger/home) zullen ook moeten worden aangepast. De NHRPH vraagt dat de lessen die zijn getrokken uit eerdere hervormingen in aanmerking worden genomen.

C. Wat de draagwijdte van de hervorming betreft

De aangenomen tekst mag geen aanleiding geven tot een herziening van de medische toestand van de persoon, tenzij deze laatste zelf om een herziening van zijn of haar medische toestand heeft gevraagd.

D. Wat de overgangsperiode betreft

De NHRPH is van mening dat de periode van 3 maanden die is voorzien voor personen die tussen 65 en 66 jaar oud zullen zijn op het moment van de inwerkingtreding van de tekst duidelijk veel te kort is. Het verzamelen van informatie en de nodige gegevens en stukken om een dossier aan te leggen, neemt vaak verschillende maanden in beslag (cf. de enorme wachttijden voor een medisch onderzoek).

⇒ De NHRPH vraagt om deze termijn tot ten minste 6 maanden te
⇒ Het is ook absoluut noodzakelijk dat de bekendmaking van de wet en van het KB in het Belgisch Staatsblad gelijktijdig gebeurt.

E. Wat de haalbaarheid van de hervorming betreft

Wat zal de impact van deze maatregel op het federaal budget zijn?
Wat zal de impact op de DG Personen met een handicap zijn en met name op haar vermogen om de nieuwe aanvragen en telefoonoproepen te verwerken?

F. Wat de noodzakelijke communicatie betreft

De periode van 3 maanden die is voorzien voor de personen die tussen 65 en 66 jaar oud zullen zijn op het moment van de inwerkingtreding van de teksten is op dit vlak uiteraard ook veel te kort. Daarbij komt nog het feit dat heel wat personen zich ondertussen gericht zullen hebben tot met name de agentschappen in de deelgebieden.

⇒ De NHRPH vraagt een ruime informatiecampagne, nog voordat de hervorming effectief is. Zonder afbreuk te doen aan de beslissingsbevoegdheid van de wetgever en de Koning zou de hervorming op zijn minst eerst moeten worden aangekondigd in de sector van de handicap, de zorg en de begeleiding van ouderen; bestaande brochures, webinars, apps (https://mybenefits.fgov.be/burger/home) zullen ook moeten worden aangepast. De NHRPH vraagt dat de lessen die getrokken zijn uit eerdere hervormingen in aanmerking worden genomen.
⇒ Deze communicatie moet gebeuren in overleg met de agentschappen in de deelgebieden, maar ook met de OCMW’s, zodat niemand in een onzekere situatie terechtkomt of rechten verliest. Idealiter wordt al vanaf nu contact opgenomen met de sector van de handicap, de zorg, de begeleiding en de ouderen om op een doeltreffende manier de communicatie voor te bereiden.
⇒ Zullen de personen duidelijk in kennis worden gesteld van de voor hen meest gunstige situatie? De informatie moet duidelijk en volledig zijn, beschikbaar in FALC (gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal) en in gebarentaal. Deze informatie moet ook te vinden zijn op andere plaatsen dan de website van de DG Personen met een handicap.

  • Raadplegingen: 7

Advies 2025/08 - Resolutie ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2025/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap: DOC 56 0446/001.

Uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 14/04/2025.

Advies op verzoek van de heer Denis Ducarme, voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen, per e-mail d.d. 18/03/2025.


1. ADVIES BESTEMD

Voor opvolging aan de leden van de commissie voor Sociale Zaken

  • De heer Denis Ducarme;
  • Mevrouw Nahima Lanjri;
  • Mevrouw Nathalie Muylle;
  • Mevrouw Nawal Farih;
  • De heer Servais Verherstraeten;
  • De heer Wouter Beke.

Ter info aan

  • De heer Rob Beenders, Minister voor Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een Handicap en Gelijke Kansen.
  • De heer David Clarinval, Vice-eersteminister en Minister van Werk, Economie en Landbouw.
  • Unia.
  • Het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • De federale ombudsman.

2. ONDERWERP

De commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft de bespreking aangevat van het voorstel van resolutie ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap, ingediend door mevrouw Nathalie Muylle.


3. ANALYSE

  1. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) merkt op dat dit voorstel een copy-paste is van een eerder voorstel met dezelfde titel, ingediend op 19 april 2023 (DOC 55 3318/001). De NHRPH diende toen een omstandig advies (advies 2023-14) in, waarvan geen enkele aanbeveling werd overgenomen. De gegevens en informatie in dit voorstel van resolutie zijn overigens niet langer actueel.
    De adviezen van de NHRPH zijn niet noodzakelijk bindend, maar de NHRPH wenst nog eens te wijzen op zijn rol als adviesraad en partner in de reflectie en besluitvorming in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (art. 4.3).
  1. Naast zijn advies 2023/14, waarvan de NHRPH hier de inhoud herhaalt, vestigt de NHRPH de aandacht op een aantal documenten en standpunten die nuttig zijn voor de discussie:

Aanbeveling 57 "Het Comité beveelt aan dat de Staat die Partij is zich inspant om, in nauw overleg met personen met een handicap en met hun actieve deelname via hun representatieve organisaties, op alle overheidsniveaus informatie in toegankelijke formaten te verstrekken over maatregelen om terugkeer naar regulier werk te faciliteren, redelijke aanpassingen, beschikbare voorzieningen en verenigingen gespecialiseerd in specifieke gebieden, en structurele maatregelen te nemen om effectieve samenwerking te waarborgen tussen alle entiteiten die betrokken zijn bij het bijstaan van personen met een handicap op de arbeidsmarkt."

“De werkzaamheidsgraad van personen met een handicap is laag – ook wanneer ze geen tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangen en wanneer ze een diploma hoger onderwijs hebben – en hun werkloosheids- en inactiviteitsgraden liggen hoog. Zeker die laatste blijft toenemen met de leeftijd. Wanneer ze werken, werken personen met een beperking minder vaak voltijds. Bovendien zijn we er het afgelopen decennium niet in geslaagd hun arbeidsparticipatie structureel te verbeteren, en dat geldt voor quasi alle sectoren, de overheid inbegrepen.”

    • De HRW (p.20) benadrukt dat de werkgelegenheidskloof tussen mensen met en zonder handicap of ziekte momenteel 33,1% bedraagt en dat deze moet worden teruggebracht tot 24,5%. Het is daarom belangrijk om de nodige maatregelen te nemen (redelijke aanpassingen op het werk, ondersteuning, enz.) om deze kloof te verkleinen.

4. ADVIES

De resolutie mist ambitie!

  • Deze resolutie is een intentieverklaring, te zwak en zonder enige bindende reikwijdte.

De NHRPH vraagt om een wet die eindelijk werk maakt van de tewerkstelling van personen met een handicap en rekening houdt met de hindernissen die met name verband houden met de omgeving en hun zorgtraject.
De NHRPH had graag gezien dat er rekening was gehouden met de bezorgdheden en verwachtingen van advies 2023-14 : de NHRPH is het officiële federale adviesorgaan inzake handicap.

  • De Franse versie van de resolutie spreekt van "occupation”. 

De NHRPH vraagt om deze term te vervangen door "emploi", aangezien het erom gaat de kwestie van de tewerkstelling van personen met een handicap onder de loep te nemen en op te lossen en zich niet te beperken tot vormen van ‘bezigheid’. 

  • Quota:
    In de resolutie wordt erkend dat het wettelijke quotum van 3% tewerkstelling bij de federale overheid niet is bereikt (slechts 1,06% in 2021) en dat de cijfers zelfs nog dalen.

De NHRPH is van mening dat de Staat het goede voorbeeld moet geven en dringt aan op een herziening van dit kader, met inbegrip van een sanctieluik.
De NHRPH is ook van mening dat het sensibiliseringsbeleid in de private sector onvoldoende resultaten heeft opgeleverd. Positieve actie was nodig om gendergelijkheid te initiëren; de NHRPH meent dat positieve actie ook nodig is om meer personen met een handicap toegang te geven tot de arbeidsmarkt.

  • Gebrek aan concrete termijnen of beoordelingskaders.
    De resolutie roept op tot jaarlijkse rapporten en monitoring, maar zonder bindende termijnen, duidelijke sancties of concrete budgetten.
  • Er gaat onvoldoende aandacht naar redelijke aanpassingen; de idee van positieve actie komt niet aan bod.

De NHRPH vraagt om de concepten van redelijke aanpassingen en positieve actie te verduidelijken en ook te specificeren wat er concreet van werkgevers wordt verwacht. 

  • Weinig aandacht voor intersectionele discriminatie.
    Hoewel vrouwen met een handicap kort worden vermeld (lagere arbeidsparticipatie, meer deeltijds werk), is er geen sprake van een intersectionele strategie, waardoor de nu welbekende realiteit van de opeenstapeling van discriminerende factoren wordt genegeerd (zie het Rapport Diversiteit van de FOD WASO).

Meer in het algemeen vraagt de NHRPH dringend en nadrukkelijk:

  • Een interfederaal beleid voor de tewerkstelling van personen met een handicap 

Personen met een handicap weer aan het werk helpen los je niet op met alleen maar een decreet. Coördinatie en duidelijke prioriteiten zijn nodig:

visie en planning, waarbij gezorgd wordt voor een samenwerking tussen het communautaire en regionale niveau enerzijds (opleiding en ondersteuning, stimulansen) en het federale niveau anderzijds (statuut en bescherming van werknemers, bindende maatregelen voor werkgevers).
een interfederaal plan om acties op alle niveaus te coördineren.
jaarlijkse rapportage (voortgangscontrole) en gegevensuitwisseling tussen overheden.
toegankelijk openbaar vervoer en infrastructuur.
werkplekken ontwikkeld volgens het principe van universeel ontwerp (universal design).

inclusieve sociale clausules in alle overheidsopdrachten.

  • Bewustmaking van werkgevers in de private sector

Werkgevers zijn vaak onvoldoende geïnformeerd over de bestaande ondersteuning en de mogelijkheden die de aanwerving van personen met een handicap biedt. De resolutie suggereert een paar sensibiliseringscampagnes, maar engageert zich niet tot het actief bevorderen van inclusieve tewerkstelling. Wat nodig is: 

Een uniek loket voor werkgevers en werknemers voor praktische vragen over werk, redelijke aanpassingen, de cumul van lonen en uitkeringen, enz.
Samenwerking tussen reguliere bedrijven en maatwerkbedrijven aanmoedigen.
Samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven aanmoedigen.
Een haalbaarheidsstudie over de invoering van quota en een responsabiliseringsfonds gebaseerd op het Franse model.
Universeel ontwerp bij bouwen of renoveren vanzelfsprekend maken. Invoering van een handicaptest (cf. de klimaattest).
Redelijke aanpassingen verplicht maken. Cf. brochure Handistreaming en brochure Werken met een handicap.

  • Een nieuw statuut voor mensen die om gezondheidsredenen onregelmatige uren werken 

De angst om geen toegang te hebben tot voldoende middelen na een periode van tewerkstelling houdt veel personen met een handicap weg van de arbeidsmarkt.

Mensen moeten periodes van beroepsinkomsten kunnen combineren met periodes van inkomensvervangende tegemoetkomingen.

De NHRPH wijst er ook op dat veel personen met een handicap momenteel een tewerkstelling hebben in een kwetsbare situatie:

    • Onbetaalde stages of andere "werkervaringstrajecten";
    • Contracten worden beëindigd wanneer de werkgever alle mogelijke premies heeft ontvangen;
    • De sociale bescherming van werknemers met een handicap is erg zwak; werknemers worden snel en definitief in de richting van sociale bijstand geduwd (wet van 1987 op de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming (IVT en IT). 
  • Vorming

Ten gevolge van drempels voor het onderwijs zijn personen met een handicap gemiddeld minder geschoold dan de actieve bevolking. Het voorstel van resolutie bevat een paar vage suggesties over digitale vorming, maar geen concreet beleid om belemmeringen voor scholing structureel weg te nemen. We moeten daarentegen inzetten op

Een versterking van de arbeidsbemiddelingsdiensten voor personen met een handicap.
Een actieve samenwerking tussen werkgevers en diensten voor arbeidsvoorziening.
Een betere afstemming tussen vaardigheden en vacatures. Een concrete ondersteuning voor werkgevers en werknemers tijdens de werving en op de werkplek, op lange termijn en in lijn met specifieke behoeften.
Toegankelijke (online) vorming en levenslang leren. 

  • Regelgevende ondersteuning bieden voor een mentaliteitsverandering

Er is nood aan:

Een strikte toepassing van het recht op inclusie, artikel 22bis van de grondwet.
Campagnes en positieve acties om inclusie, diversiteit en het creëren van banen te bevorderen.
Een herschrijving van de wet van 27/02/1987 over de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De prijs van de arbeid en de werkloosheidsvallen moeten uit de inkomensvervangende tegemoetkomingen (IVT) worden gehaald. In zijn aanbevelingen aan België van 5 september 2024 stelde het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap dat de volledige tegemoetkoming ter dekking van aan de handicap gerelateerde kosten moet worden gehandhaafd bij indiensttreding. De vooraf bestaande toestand moet ook opnieuw worden bekeken (art. 100 van de wet van 14/07/1994).
De haalbaarheid onderzoeken van de combinatie van de IVT en een dagloon.
Mensen ondersteunen als ze niet kunnen werken (terugval of obstakels - ontoegankelijke omgeving, gevolgen van ziekte of handicap).

Voor alle mensen: tegemoetkomingen boven de armoedegrens (momenteel ligt de IVT 10% onder de armoedegrens).
Toestaan dat deeltijds werk wordt gecombineerd met de IVT.
De IVT activeren zodra men stopt met werken.
De nodige wetgevende en beleidsmaatregelen nemen om ouders van personen met een handicap in staat te stellen hun kinderen binnen het gezin op te voeden zonder dat de ouders de arbeidsmarkt hoeven te verlaten.

  • Raadplegingen: 16

Advies 2025/17 - Guidelines voor toegankelijke e-handelsdiensten

  • Jaartal advies: 2025
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof

Advies nr. 2025/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van guidelines voor toegankelijke e-handelsdiensten.

Uitgebracht op 23/06/2025 na bespreking op de plenaire vergadering van 16/06/2025 en een consultatie via e-mail.

Advies op vraag van de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw (brief van 23/05/2025).


1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw
  • Voor opvolging aan de Algemene Directie Economische Inspectie
  • Ter informatie aan de heer Rob Beenders, minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de Overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Ter informatie aan de Consumentenombudsdienst

2. ONDERWERP

Op 17 april 2019 werd in de Europese Unie de Richtlijn Toegankelijkheidsvoorschriften aangenomen. Door deze richtlijn moeten de lidstaten van de Europese Unie ervoor zorgen dat alle producten en diensten die staan opgelijst in deze richtlijn toegankelijker worden voor consumenten, waaronder de e-handelsdiensten. De Belgische wetgever heeft verschillende wetswijzigingen doorgevoerd om hieraan tegemoet te komen. In dit kader heeft de Economische Inspectie van de FOD Economie een reeks guidelines opgesteld over e-handelsdiensten, al beschikbaar in het Nederlands en het Frans.


3. ANALYSE

De wet van 5 november 2023 machtigt de Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie met controles inzake de toegankelijkheidsvereisten van bankdiensten voor consumenten en de e-handelsdiensten.

Conform het artikel 10 van de wet van 5 november 2023 kan de Economische Inspectie bedrijven advies verlenen over hoe ze de toegankelijkheidsvereisten kunnen naleven.

De adviezen en inlichtingen van algemene aard moeten voor advies worden voorgelegd aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.

In dit kader heeft de Economische Inspectie een reeks guidelines opgesteld over e-diensten. Deze guidelines hebben als doel om de wetgeving over de toegankelijkheid van e-handelsdiensten te verduidelijken. Er bestond al Europese regelgeving over het geven van informatie bij overeenkomsten afgesloten op afstand (zoals bij aankopen via webshops), maar nog niet over de toegankelijkheid van deze informatie. Het uitgangspunt dat dienstverleners moeten nastreven is dat het voor iedere consument mogelijk moet zijn om op zelfstandige wijze weloverwogen beslissingen te nemen over overeenkomsten die ze via elektronische weg afsluiten. Dit betekent enerzijds dat consumenten met een handicap gebruik moeten kunnen maken van de websites en apps waarop ze deze overeenkomsten kunnen afsluiten. Anderzijds houdt dit in dat de informatie over de aangeboden e-handelsdiensten begrijpelijk moet zijn. E-handelsdiensten moeten dus zo bruikbaar en begrijpelijk mogelijk zijn zodat hiervoor niet steeds de hulp van andere personen nodig is.

E-handelsdiensten zijn diensten die worden verleend op afstand, via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een consument met het oog op het sluiten van een consumentenovereenkomst. Een e-handelsdienst voldoet dus steeds aan de volgende voorwaarden:

  • “op afstand”: dit betekent dat de verschillende partijen bij de overeenkomst, bijvoorbeeld de koper en verkoper, niet gelijktijdig aanwezig zijn;
  • “via websites en diensten op basis van mobiele apparaten”: dit omvat zowel websites als mobiele applicaties (apps);
  • “langs elektronische weg”: dit betekent dat de dienst wordt verzonden en ontvangen via elektronische apparatuur. Dit gaat zowel om de verwerking als de opslag van de gegevens. Deze gegevens worden volledig via kabel, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen verzonden, doorgeleid en ontvangen;
  • “op individueel verzoek van een consument”: dit betekent dat de consument zelf moet kunnen vragen naar de dienst. Hij moet dus zelf kunnen kiezen om naar de website te surfen of de app te gebruiken om een overeenkomst te sluiten;
  • “met het oog op het sluiten van een consumentenovereenkomst”: dit betekent dat de consument een overeenkomst moet kunnen sluiten. Indien er bijvoorbeeld producten worden aangeboden op een website die je via de website kan aankopen, dan kan je als consument een aankoopovereenkomst sluiten. (De woordkeuze “afgebeeld”/”affichés” in het ontwerp van de Guidelines is ongelukkig, aangezien ook blinde personen online moeten kunnen kopen.)

Een wetgeving over de toegankelijkheid van e-handelsdiensten is zeker niet overbodig. De NHRPH ontvangt geregeld klachten van personen met een handicap inzake de gebrekkige toegankelijkheid van e-handelsdiensten. Steeds vaker is er echter geen fysiek alternatief voor e-handelsdiensten, zoals een winkel in de buurt.


4. ADVIES

A. Over de adviesvraag

  • Op vraag van de minister wordt het ontwerp van guidelines niet bijgevoegd bij het advies om redenen van vertrouwelijkheid, al maakt dat het wel moeilijker om te verwijzen naar de tekst. De adviezen van de NHRPH worden sowieso gepubliceerd op de website van de NHRPH.
  • In zijn brief verwijst de minister naar de verplichting van de Economische Inspectie om het advies van de NHRPH in te winnen.

⇒ De NHRPH vraagt de Economische Inspectie om de NHRPH van bij het begin van de denkoefening te betrekken, volgens het principe van ‘niets over ons zonder ons’ en het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap. 

  • Hoewel de NHRPH tevreden is dat de toegankelijkheid van e-handelsdiensten verplicht wordt en dat er guidelines komen, betreurt de NHRPH dat de adviesvraag laat arriveerde, nl. op 23/05/2025. Dat geeft de NHRPH in principe slechts een maand om een advies op te stellen. Bovendien leest de NHRPH in het voorstel dat de toegankelijkheidsvoorschriften al op 28/06/2025 in werking treden. Dat laat weinig ruimte voor concrete aanpassingen achteraf.

Gelieve adviezenvragen ruim op tijd aan de NHRPH te bezorgen.

B. Toepassingsgebied

⇒ De NHRPH vindt deze regels niet ambitieus genoeg. Ze volstaan niet om een integrale toegankelijkheid voor iedereen te garanderen.

  • De NHRPH leest: “Alle dienstverleners die vanaf dat moment [28/06/2025] e-handelsdiensten aanbieden aan consumenten, moeten ervoor zorgen dat deze diensten toegankelijk zijn.”

⇒ Vallen bedrijven en maatschappijen die diensten verlenen, zoals de NMBS, Infrabel, bpost enz., onder deze verplichting?

C. Met betrekking tot de minimum toegankelijkheidsvereisten:

  • Het is natuurlijk belangrijk dat de minimale toegankelijkheidsvereisten worden bepaald, maar de NHRPH meent dat dat minimum niet volstaat om een integrale toegankelijkheid te garanderen.

  • De NHRPH vraagt om minimale toegankelijkheidsvereisten ambitieus in te vullen en integrale toegankelijkheid na te streven.

⇒ Ondertitels moeten goed leesbaar zijn op een egale en contrastrijke achtergrond.
⇒ Audio moet goed verstaanbaar zijn (geen achtergrondruis).

  • Let ook op voor de divergentie tussen regels en plannen enerzijds en de praktijk anderzijds. Het gebeurt geregeld dat een project dat de regels respecteert en op plan toegankelijk is dat in de praktijk uiteindelijk toch niet is.

⇒ Betrek voor de technische expertise tijdig toegankelijkheidsbureaus zoals CAWaB (Wallonië-Brussel) en Inter (Vlaanderen).

  • Meermaals staat in het ontwerp van guidelines dat consumenten via minstens twee verschillende zintuigen de informatie moeten kunnen waarnemen. “Een tekst moet je dus niet alleen kunnen zien, maar ook kunnen horen of voelen.” De NHRPH vindt die omschrijving ontoereikend en vaag.
    Enkele voorbeelden:
    • Voor dove personen zijn zowel geschreven tekst als gebarentaal nodig, aangezien niet elke dove persoon kan lezen en/of gebarentaal beheerst.
    • Niet elke blinde persoon beheerst braille. Veel mensen worden op latere leeftijd slechtziend of blind. Vaak lukt het dan niet meer om braille aan te leren.
    • Er wordt onvoldoende rekening gehouden met een meervoudige of gecombineerde handicap. Bijvoorbeeld: doofblinde personen kunnen communiceren, maar zijn niet geholpen met visuele of auditieve informatie.

⇒ De NHRPH vraagt dat e-handelsdiensten voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de handicap(s). Voorzie dus naast geschreven tekst ook braille, gebarentaal (op website bijv. via gebarentaalballonnetjes), spraakfunctie, eenvoudig taalgebruik (FALC) enz.
⇒ De NHRPH verwijst naar het concept van universal design.

  • De NHRPH leest: « Veel dienstverleners bieden ondersteunende diensten aan om de consument verder te helpen. Dit zijn de diensten die de consument helpen bij alle vragen of klachten, zoals bijvoorbeeld helpdesks, callcenters, technische ondersteuningsdiensten, bemiddelingsdiensten of opleidingsdiensten. Indien een dienstverlener zo’n ondersteunende dienst aanbiedt, dan moet deze dienst ook vragen kunnen beantwoorden over de toegankelijkheid van de e-handelsdiensten.”

⇒ De NHRPH meent dat alle dienstverleners op wie de guidelines van toepassing zijn, een ondersteunende dienst moeten aanbieden die integraal toegankelijk is. 

⇒ Voor webcontent vraagt de NHRPH te streven naar niveau AAA van de WCAG-richtlijnen. 

  • De NHRPH leest in het voorstel: “Er worden bij de toegankelijkheidsvoorschriften verschillende concrete tips en voorbeelden gegeven, maar dit is zeker geen volledige opsomming. De toegankelijkheidsvoorschriften kunnen steeds ook op andere manieren ingevuld worden. Er zal dan ook bij een controle telkens geval per geval beoordeeld worden of de genomen maatregelen in de concrete situatie voldoende zijn.”

⇒ De NHRPH vindt deze visie nogal vrijblijvend en vraagt een duidelijk en dwingend kader.

  • De NHRPH leest: “2.2.3. Zorg dat ondersteunende diensten informatie kunnen geven over de toegankelijkheid en de compatibiliteit met hulptechnologieën.” Opgelet: commerciële dienstverleners hebben een tendens tot zelfpromotie, waarbij de toegankelijkheid en de compatibiliteit mogelijk te rooskleurig worden voorgesteld om concurrentiële redenen.

⇒ De Economische Inspectie moet de toegankelijkheid en de compatibiliteit met hulptechnologieën controleren.

  • De NHRPH leest onder 2.2.4.: “De aanbieders van deze producten en diensten moet ervoor zorgen dat deze aankoop op een toegankelijke manier kan gebeuren en hierover de consument informeren. Het is daarnaast voor de consument belangrijk om te weten of alle de te koop aangeboden producten en diensten zelf ook toegankelijk zijn. (…) Deze verplichting gaat echter niet zo ver dat de verkoper zelf ieder afzonderlijk product of dienst volledig moet onderzoeken om te kunnen informeren over de toegankelijkheid. Hij mag hiervoor vertrouwen op de informatie die de verantwoordelijke marktdeelnemer, zoals bijvoorbeeld de leverancier, hem geeft. Krijgt de verkoper geen informatie, dan kan hij ook zelf geen informatie meedelen aan de consument en hoeft hij dus niet te voldoen aan dit voorschrift.”

⇒ De NHRPH vindt deze passage problematisch. De NHRPH meent dat aanbieders (zich) moeten informeren over de toegankelijkheid van de aangeboden producten, ook als ze niet zelf de producent zijn. Het is te gemakkelijk om zich achter onwetendheid te verschuilen en de verantwoordelijkheid vrijblijvend door te schuiven naar de producent.

  • 2.2.5. “Zorg voor een toegankelijke mogelijkheid tot identificatie, beveiliging en betaling” De NHRPH vindt dit een belangrijk punt. Opgelet, veel onlineformulieren voor identificatie zijn niet (volledig) toegankelijk: bijv. ontoereikende keuzemogelijkheden, zowel technisch als inhoudelijk.

⇒ Vermijd onlineformulieren of controleer grondig de volledige toegankelijkheid.

  • 2.3. Bij de beschrijving van de functioneleprestatie-eisen wordt er geen rekening gehouden met een gecombineerde handicap.

⇒ Gelieve de functioneleprestatie-eisen in die zin aan te vullen.

D. Uitzonderingen

  • De NHRPH vreest dat de toegelaten uitzonderingen op de naleving en de criteria voor onevenredige last in de praktijk mogelijk als excuus zullen worden gebruikt voor het niet toegankelijk moeten maken van de e-handelsdiensten.
    Zo is er de kwestie van de onevenredige last. In bijlage 2 worden 3 criteria voor de beoordeling van onevenredige last opgesomd. Het 2e criterium luidt: “De geraamde kosten en baten voor de marktdeelnemers, inclusief productieprocessen en investeringen, in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met het aantal keer dat de specifieke dienst is gebruikt, en de frequentie van dat gebruik.” De NHRPH vraagt zich af hoe rekening kan worden gehouden met het aantal keren dat de dienst is gebruikt is en de frequentie van gebruik door personen met een handicap indien de aanpassing voor het toegankelijk maken nog niet is gebeurd. Zijn er gegevens of statistieken beschikbaar om die raming te maken en te bepalen of een aanpassing al of niet redelijk is? Of wordt het nattevingerwerk?

⇒ De NHRPH wenst dat een eventuele onevenredige last enkel kan worden bepaald aan de hand van duidelijke, meetbare en objectieve criteria, en dit om te voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van dit achterpoortje.

E. Handhaving

  • De Economische Inspectie is bevoegd om de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften bij e-handelsdiensten te controleren. In de guidelines wordt de consument aangeraden bij problemen eerst contact op te nemen bij de dienstverlener. Indien een oplossing uitblijft, kan de consument een klacht indienen bij de Economische Inspectie.

⇒ De NHRPH vraagt zich af of de Economische Inspectie de nodige middelen en expertise krijgt om de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften bij e-handelsdiensten te controleren, want deze opdracht komt bovenop haar andere taken.
⇒ Wordt de handhaving van de toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten een prioriteit voor de Economische inspectie? Zonder controle dreigt de naleving van de toegankelijkheidsvereisten af te hangen van de goede wil van de instellingen.
⇒ De NHRPH vraagt de Economische Inspectie om voor advies zeker een beroep te doen op de NHRPH.
⇒ Betrek voor de technische expertise tijdig toegankelijkheidsbureaus zoals CAWaB (Wallonië-Brussel) en Inter (Vlaanderen). 

F. Wat betreft niet-digitale alternatieven:

  • Strikt genomen vallen niet-digitale alternatieven buiten de focus van de adviesvraag die enkel over de toegankelijkheid van e-handelsdiensten gaat, maar de NHRPH hecht veel belang aan niet-digitale alternatieven. Voor veel personen met een handicap, maar ook voor sommige ouderen, kansarmen, laaggeschoolden etc. is de digitale kloof zeer reëel.
  • Mevrouw Vanessa Matz, minister van Modernisering van de overheid, belast met Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, het Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid belooft in haar beleidsverklaring Digitalisering en haar beleidsverklaring Ambtenarenzaken ook aandacht te hebben voor niet-digitale oplossingen.

⇒ De NHRPH zal niet nalaten de minister te herinneren aan haar beloftes.

  • Raadplegingen: 11

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.