Terug naar hoofdinhoud

Advies 2022/28 - Meerjarenbegroting 2023-2024

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2022/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de meerjarenbegroting 2023-2024, uitgebracht op 27/10/2022 na raadpleging van de leden van de NHRPH via e-mail op 24/10/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Federale regering bracht in oktober 2022 haar meerjarenbegroting 2023-2024 uit met enkele maatregelen die een impact hebben op personen met een handicap.

3. ANALYSE

De federale regering moet in haar meerjarenbegroting het budgettair tekort proberen wegwerken door middel van besparende maatregelen.

De volgende maatregelen zullen een impact hebben om het leven van personen met een handicap of hun naaste omgeving.

1. Fiscale hervorming

Er wordt een fiscale hervorming aangekondigd met als rode draad het verminderen van lasten op arbeid, de invoering zou deze legislatuur nog moeten aanvangen. De fiscaliteit moet neutraler worden wat de verschillende samenlevingsvormen betreft, eenvoudiger worden wat betreft het aantal codes en de inning en een meer rechtszeker kader bieden voor iedereen. De hervorming richt zich erop de koopkracht van gezinnen te verhogen door onder meer een verhoging van de belastingvrije som richting het niveau van het leefloon voor een alleenstaande, een versterking van de sociale en fiscale werkbonus en/of het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten, zonder daarbij de competitiviteit van de ondernemingen te verminderen.

2. Inperking van het tijdskrediet

Vanaf 01/01/2023 zullen de volgende aanpassingen omtrent het tijdskrediet gelden:

    1. Bij het voltijds tijdskrediet met motief ‘zorgen voor kind(eren) jonger dan 8 jaar’ zal de leeftijd worden verlaagd naar 5 jaar;
    2. Voor zowel het voltijdse als deeltijdse tijdskrediet met motief ‘zorgen voor kind(eren)’, zal de maximale duur 48 maanden worden i.p.v. 51 maanden;
    3. De maximale duur van de loopbaanonderbreking zal worden teruggebracht van 60 maanden naar 48 maanden voor het motief ‘zorgen voor kind(eren)’ en naar 51 maanden voor de overige motieven;
    4. De anciënniteitstoeslagen en de supplementen voor personen ouder dan 50 jaar op de onderbrekingsuitkeringen bij thematische verloven, het tijdskrediet en de loopbaanonderbreking, worden afgeschaft (nieuwe instroom).            

3. Besparingen op het spoor

    1. De totale kost voor Infrabel en de NMBS zal over de periode 2023-2032 1.970.000 kEUR bedragen. De NMBS en de spoornetbeheerder Infrabel krijgen ipv de beloofde 4 miljard euro extra voor de nieuwe beheersovereenkomsten de komende 10 jaar, ongeveer 2 miljard euro.
    2. Infrabel zal bij de Europese Investeringsbank een lening voor 1 miljard euro af kunnen sluiten met de eerste vijf jaar geen kapitaalterugbetalingen (mits goedkeuring door haar Raad van Bestuur, de regering en de EIB). De lening kan door Infrabel als een verworven financieringsbron vanaf 2025 beschouwd worden bij de verwezenlijking van haar bedrijfsplan en haar meerjareninvesteringsplan 2023-2032.

4. Onderbenutting van de gezondheidszorg

    1. Via een efficiëntie-oefening wordt er binnen en buiten de RIZIV-begrotingsdoelstelling gezondheidszorg bespaard ten belope van 120.000 kEUR in 2023 en 125.000 kEUR vanaf 2024.
    2. De groeinorm voor het bepalen van de begrotingsdoelstelling RIZIV wordt in 2024 eenmalig verlaagd tot 2% (van 2,5% naar 2%, vanaf 2025 terug 2,5%, maar het effect van de eenmalige verlaging op de massa is blijvend). De aanpassing van de groeinorm resulteert in een geraamde daling van de begrotingsdoelstelling met 169.000 kEUR. Hiervan wordt 94.000 kEUR in 2024 ingezet voor maatregelen die de gezondheid dienen.

5. Versterking Terug-naar-werk beleid

    1. Arbeidsparticipatietoeslag
      Er wordt een arbeidsparticipatietoeslag (APT) ingevoerd voor werknemers met gezondheidsproblemen die (nog) niet arbeidsongeschikt erkend zijn en die niet langer in staat zijn om volledig te werken zoals bepaald in hun contract, maar wel nog gedeeltelijk. Het gaat om werknemers waarvoor medisch is vastgesteld dat zonder aanpassing van het arbeidsduurregime een volledige uitval onvermijdelijk is. De aanpassing gebeurt op voorstel en bij finaal besluit van de behandelende en/of adviserende arts. De maatregel wordt ingevoerd als een pilootproject voor 2 jaar en zal na een grondige evaluatie en permanente monitoring, structureel geïmplementeerd worden. De kost van de evaluatie en de monitoring is vervat in de beheersbegroting van RIZIV. In deze evaluatie wordt onder meer onderzocht wat de kenmerken zijn van de doelgroep voor wie deze maatregel werd gebruikt en voor welke doelgroep ze het best werkt. Voor de opdrachtenbegroting van RIZIV is deze maatregel budgetneutraal gelet op het voorkomen van (uitkeringen bij) volledige uitval. Er zal onderzocht worden of een gelijkaardig systeem kan ingevoerd worden voor zelfstandigen.

    2. Premie voor aanwervingen van personen op invaliditeit in het kader van gedeeltelijke werkhervatting
      Vanaf 1 april 2023 wordt een premie ingevoerd voor de private en publieke werkgevers die een invalide persoon uit het stelsel werknemer of zelfstandigen aanwerven in het kader van de gedeeltelijke werkhervatting, o.b.v. een arbeidsovereenkomst met een duurtijd die minimaal overeenkomt met de duur van de toestemming vanwege de adviserend arts. Na drie maanden tewerkstelling ontvangen deze werkgevers een eenmalige premie van 1.000 euro, mits effectieve tewerkstelling. Twee jaar na de invoering wordt de maatregel geëvalueerd en herbekeken voor verlenging. Daarbij wordt er o.a. gemeten of er een impact is op het aantal gedeeltelijke werkhervattingen van invaliden, de duurtijd van hun tewerkstellingen en de verhouding tussen de kost van de toekenning van deze premie en de budgettaire opbrengst van deze tewerkstellingen.

    3. Financieringssysteem voor het inkopen van dienstverlening door personen waarvan de arbeidsovereenkomst werd verbroken wegens overmacht om medische redenen
      De huidige outplacement-maatregel gekoppeld aan de verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht, wordt vervangen door een verplichting voor de werkgever om voor elke verbreking op initiatief van de werkgever een bedrag van 1800 euro te storten in een TNW-fonds dat wordt beheerd door het RIZIV. Elke werknemer die werd ontslagen o.b.v. medische overmacht en elke langdurige arbeidsongeschikte werknemer kan een beroep doen op dit fonds voor een minimumbedrag van 1800 euro voor de inkoop van gespecialiseerde dienstverlening (mogelijks gedurende een te bepalen periode)  op maat van zijn/haar behoeften. De regering zal nagaan of er in redelijke overgangstermijnen moet worden voorzien.

    4. Specifieke focus in raamakkoorden TNW 2023/2024 tussen Riziv en de regionale diensten voor arbeidsbemiddeling
      - Inzetten op begeleiding naar werk van personen met mentale gezondheidsproblemen;
      - Actief deelnemen aan onderzoeksprojecten rond de functionele capaciteitenevaluatie van personen met musculoskeletale problemen en een chronische pijnproblematiek;
      - Sensibilisering van werkgevers om kansen te geven aan de doelgroep van arbeidsongeschikt erkende personen.
      - Inzetten op de begeleiding naar werk of een nieuwe activiteit van zelfstandigen die arbeidsongeschikt erkend zijn.

    5. Versterking tussenkomt per traject bij raamakkoorden Riziv en de Gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en aanpassing van de doelstellingen
      De eenheidsprijs voor de TNW-trajecten die vanaf 1/01/2023 opgestart worden samen met de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten wordt vastgelegd op 4.800 euro met een jaarlijkse indexering. De doelstellingen voor de instroom in een traject worden bijgesteld op vraag van de betrokken regio’s en zullen netto toenemen met 1.800.

    6. Verhoging budget TNW-coördinatoren
      Het budget voor de TNW-coördinatoren wordt verhoogd zodat, vanaf juli 2023, 20 bijkomende coördinatoren kunnen worden aangeworven. Dit in combinatie met de aanwervingspremie van 1.000 euro en het toegankelijk maken van het TNW-fonds voor maatgerichte dienstverlening voor àlle invaliden zal tot een verhoging van het aantal gedeeltelijke werkhervattingen van invaliden leiden met 950 per jaar vanaf 2024.

6. Invoering van een nieuwe cumulregeling voor inkomsten uit arbeid voor langdurig werkzoekenden, leefloongerechtigden en begunstigden van IVT, rekening houdend met de specifieke stelsels

Het percentage/bedrag van de uitkering dat kan worden ingehouden hangt af van de duur van de werkweek/de ontvangen beroepsinkomsten. Er zal ook naar een oplossing worden gezocht voor IVT-gerechtigden die recht hebben op een IT en die deze bij een (tijdelijke) stopzetting van deze tewerkstelling dreigen te verliezen omwille van de sociale zekerheidsrechten die ze hebben opgebouwd. Om inactiviteitsvallen te vermijden, zal de cumulregeling voor de betrokken personen van toepassing zijn gedurende 24 maanden.
Voor de betrokken personen is voorzien in een uitzondering op de 1/3-regel over de minimale wekelijkse arbeidstijd voor deeltijdse werkers, namelijk dat indien de overeenkomst voorziet in een tewerkstellingsregime van minder dan 1/3e, de uren op minimaal een halve dag moeten worden geconcentreerd. De concrete modaliteiten hierover zullen worden vastgesteld na raadpleging van de sociale partners.
De werknemers die volledig werkloos waren, zullen worden gelijkgesteld, bij verlies van hun job, met voltijds werkende werknemers en zullen genieten van een volledige werkloosheidsuitkering.
Op fiscaal vlak stellen wij voor om, wanneer de persoon een werkloosheidsuitkering, een leefloon of een IVT ontvangt, de inkomsten uit de activiteit die volgt op deze terugkeer naar de arbeidsmarkt, te beschouwen als inkomsten uit arbeid die van het totale inkomen worden afgetrokken voor de bepaling van de belastingvermindering.

7. Ondersteunen van ondernemerschap bij personen met een handicap

Voor PMH die een IVT krijgen, worden de drempels weggenomen om zelfstandige in bijberoep (artikel 37) te worden zonder negatieve impact op hun sociale rechten op korte en lange termijn. In dit kader zal ook onderzocht worden hoe binnen de IVT-regeling de cumulregels met inkomen uit arbeid en dus deeltijds werken, aangepast kunnen worden. De maatregel zal voorgelegd worden aan de NHRPH en het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen. Tevens zal onderzocht worden of deze maatregel kan worden uitgebreid naar de rest van de arbeidsmarkt.

8. Sociaal tarief energiecrisis

De volgende zaken moeten ten laatste tegen 1 juli 2023 zijn gestart:

    • opzetten van een databank zodat de toekenning en beëindiging van het sociaal tarief sneller kan;
    • recht om sociaal tarief te weigeren;
    • problemen aanpakken met betrekking tot de continuïteit van bestaande contracten;
    • specifieke maatregelen uitwerken om het oneigenlijk gebruik van het sociaal tarief tegen te gaan;
    • prioritair: een premiesysteem, zo mogelijk op basis van werkelijk verbruik, uitwerken voor de gezinnen die recht hebben op sociaal tarief maar zich verwarmen via een collectieve verwarmingsinstallatie.

Daarnaast wordt gewerkt aan de hervorming van het sociaal tarief, met o.a. de volgende doelstellingen: de inactiviteitsvallen in kaart brengen en deze door een getrapt degressief systeem wegwerken, het aanpassen van de berekeningswijze, automatisch toekenning van het sociaal tarief, praktische toegang tot het recht op verhoogde tegemoetkoming, globaal beleid ten aanzien van mensen met een beperking (inclusief de casus van de gescheiden ouders), e.a. zodat dit in werking kan treden per 1 januari 2024.

9. Maatwerkbedrijven

Vanaf 1 januari 2023 zal de toepassing van de regels voor de mindervalide werknemers (categorie 3b) worden uitgebreid tot alle doelgroepwerknemers van de maatwerkbedrijven, mits we de garantie hebben dat de middelen die daardoor regionaal vrijkomen integraal worden geherinvesteerd in de sector van de maatwerkbedrijven.

4. ADVIES

Over de maatregelen hierboven opgenoemd, heeft de NHRPH de volgende bedenkingen:

1. Fiscale hervorming

Over de belastingvrije som: wie belastingen betaalt, houdt er meer van over. Men moet ten eerste al over een fiscaal inkomen beschikken. De belastingvrije som verhogen is bovendien gunstiger voor rijkere mensen in een progressief belastingstelsel.

Over de blauwdruk van een grondige fiscale hervorming zoals voorgesteld door de bevoegde minister Van Peteghem, bracht de NHRPH reeds een advies 2022-23 uit. In dat advies benadrukt de NHRPH nog enkele principes die in acht moeten worden genomen voor een (fiscale) hervorming:

    • de waardigheid van het leven van de PMH ondersteunen;
    • met inachtneming van hun autonomie en hun keuze van leven en woonplaats
    • hun deelname aan de samenleving op alle gebieden versterken.

De NHRPH herinnert er ook aan dat weinig PMH werken en derhalve niet kunnen genieten van de belastingvoordelen die verbonden zijn aan beroepsinkomsten.

2. Inperking van het tijdskrediet

Voor een voltijds werkend persoon bedraagt de vergoeding voor het voltijds tijdskrediet zo'n 700 euro per maand. Tijdskrediet opnemen  is dus bijna alleen mogelijk voor tweeverdieners of personen die de middelen hebben om een gezin te kunnen onderhouden met 700 EUR/maand. Nog enkele bedenkingen:

    • Gezien de crisis in de kinderopvang en de energiecrisis, is dit een maatregel die extreem ongelegen komt.
    • Tijdskrediet schrappen treft vooral vrouwen die mogelijks minder of niet meer kunnen gaan werken.
    • Nood aan voldoende hoge zorguitkeringen. Besparen in vergoeding 50-plussers met tijdskrediet die vaak krediet opnemen/loopbaanonderbreking opnemen om mantelzorg uit te oefenen.
    • Vrees dat harmonisering tijdskrediet en loopbaanonderbreking die de duur van loopbaanonderbreking voor zorg vermindert, ook de periode van loopbaanonderbreking voor zorg terug gelijk stelt met die van pensioen.

Meer fundamenteel herinnert de NHRPH eraan dat de zorg voor een kind of een familielid niet altijd een keuze is, maar een taak die aan de familie en vrienden wordt opgelegd omdat de goederen en diensten voor zorg en ondersteuning niet voldoende toegankelijk  zijn en evenmin zijn aangepast aan de behoeften van individuen en gezinnen. Bovendien houdt invaliditeit of ziekte niet op bij het volwassen worden. De NHRPH dringt er daarom ook op aan dat de regering de ondersteuningssystemen voor personen en gezinnen op alle gebieden van het leven (zorg, vervoer, werkgelegenheid, enz.) versterkt.

De NHRPH bracht ook een advies 2018-15 over het begrip “kind met een handicap” in verband met tijdskrediet, ouderschapsverlof en adoptieverlof en advies 2018-17 over de erkenning van de mantelzorger. 

3. Besparingen op het spoor

Ter herinnering: een groot aantal PMH heeft geen voertuig en is volledig afhankelijk van openbaar vervoer en taxi's. De nieuwe beheersovereenkomsten worden bedreigd door die 1 miljard minder, die uiterlijk op 1 januari moet ingaan. Sommige PMH maken gebruik van het openbaar vervoer om zich te verplaatsen, maar velen kunnen zich niet verplaatsen omdat het openbaar vervoer niet toegankelijk is voor hen. De NHRPH is bezorgd dat de besparingen zullen zorgen voor  hogere reiskosten voor de consument, een gebrekkigere dienstverlening (zowel qua vervoer als bijvoorbeeld nog minder personeel dat loketten bedient of aanwezig is om reizigers te helpen, meer automaten, nog meer inzetten op online informatie delen ipv op de stations zelfs, ticketverkoop enkel online,…), stations of voertuigen die niet of later toegankelijk(er) worden gemaakt voor o.a. PMH of minder mobiele mensen etc.

Over de toegankelijkheid van het treinverkeer voor PMH bracht de NHRPH meerdere adviezen uit: de Raad wil vooral het belang benadrukken van de laatste adviezen 2022-24 en 2021-18.

4. Onderbenutting van de gezondheidszorg

De NHRPH is bezorgd over de concrete gecombineerde effecten van het streven naar efficiëntie en de verlaging van de groeinorm in de gezondheidszorg. De NHRPH vreest dat deze dubbele maatregelen koste gaan van de toegankelijkheid van de gezondheidszorg, rekening houdend met o.a. de digitale kloof. Besparingen betekenen vaak minder personeel of vereisen een actievere houding van de patiënt wat niet altijd mogelijk is voor PMH.

5. Versterking Terug-naar-werk beleid

    • De NHRPH is enthousiast over de sancties en financiële prikkels die de werkgever er in principe toe aanzetten zich actief en concreet in te zetten voor de terugkeer van de werknemers op de arbeidsmarkt. De NHRPH wacht op de analyse van deze maatregel, die nuttig zou zijn een jaar na de inwerkingtreding van de maatregel. De NHRPH dringt erop aan dat in het kader van deze analyse de mogelijkheden van telewerk en flexibele werktijden speciale aandacht krijgen vanuit het oogpunt van mensen met een handicap die geconfronteerd worden met een langdurig en vaak dagelijks terugkerend zorgtraject en een slecht toegankelijke omgeving van het openbaar vervoer.
    • De NHRPH is verheugd te vernemen dat de back-to-work eenheden binnen de mutualiteiten zullen worden versterkt. Toch rijst de vraag naar de specifieke situatie van werknemers die naast hun ziekte een handicap hebben. Iemand met een handicap (visuele handicap, auditieve handicap, verstandelijke handicap, enz.) heeft behoefte aan ondersteuning die uitgebreider, intensiever en nauwlettender is dan die van een zogenaamd "valide" persoon. Zal de financiering van de mutualiteiten deze specifieke noden mogelijk maken? De NHRPH vreest dat moeilijkere gevallen inzake terugkeer naar het werk niet dezelfde aandacht krijgen.  

Voor meer informatie verwijst de NHRPH naar het recente advies 2021-31, waarin een aantal kwesties vanuit het perspectief van de verschillende actoren op het gebied van de terugkeer naar het werk worden gespecificeerd.

6. Invoering van een nieuwe cumulregeling voor inkomsten uit arbeid voor langdurig werkzoekenden, leefloongerechtigden en begunstigden van IVT

De NHRPH verwacht dat de maatregel inzake de cumulregeling van IVT’s en inkomen uit arbeid zo spoedig mogelijk aan hem wordt voorgelegd.

7. Ondersteunen van ondernemerschap bij personen met een handicap

De NHRPH verwacht dat de maatregel inzake de cumulregeling van IVT’s en inkomen uit arbeid zo spoedig mogelijk aan de hem wordt voorgelegd.

8. Sociaal tarief energiecrisis

De NHRPH is verheugd te lezen dat de huidige databanken zullen worden versterkt. Te veel mensen verliezen hun rechten, wanneer ze van leverancier veranderen, hun adresgegevens niet 100% overeenstemmen met het Rijksregister of wanneer ze hun voordelig contract verliezen door de automatische toekenning van het sociaal tarief. Voor deze groep mensen verwacht de NHRPH meer rechtszekerheid als een situatie wordt rechtgezet (herstel oude contract, oorspronkelijke startdatum recht). De NHRPH verwacht ook dat de sector prioriteit geeft aan de situatie van mensen die hun recht op het sociale tarief niet kunnen activeren omdat zij afhankelijk zijn van collectieve warmteproductie-installaties. In het kader van de algemene hervorming van het sociale tarief die op 01.01.2024 in voegen zal treden en die een groot aantal PSH betreft, vraagt de NHRPH om snel bij de beraadslagingen te worden betrokken.

9. Maatwerkbedrijven

De NHRPH heeft ook aandacht voor de wijze waarop de BTW-maatregelen op het maatwerk-personeel zullen worden toegepast. De NHRPHR vraagt om nu al op de hoogte te worden gehouden van de voorgenomen maatregelen; wachten op de opstelling van het ontwerp van het KB betekent het risico nemen dat de suggesties van de NHRPH niet meer kunnen worden geïntegreerd.

Dit advies van de NHRPH beperkt zich tot de hierboven besproken punten.  

  • Raadplegingen: 15

Advies 2022/23 - Fiscale hervorming

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen, Leefomgeving

Advies nr. 2022/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de “blauwdruk voor een bredere fiscale hervorming”, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17 oktober 2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij, door middel van zijn brief van 20 juli 2022.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eerste minister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Minister van Financiën heeft een “blauwdruk voor een bredere fiscale hervorming” gepubliceerd.

3. ANALYSE

Volgens de brief van de Minister aan de NHRPH legt de blauwdruk voor een bredere fiscale hervorming radicale keuzes vast voor maatregelen die het vertrouwen in ons fiscaal stelsel zullen herstellen. Een fiscaal stelsel dat niet verlamt, maar kansen biedt voor economische groei en sociale vooruitgang. Een fiscaal stelsel dat de hoeksteen is van onze samenleving en onze economie.

De onderstaande punten zijn titels uit de blauwdruk. De opgenomen titels zijn die welke gevolgen kunnen hebben voor personen met een handicap.

A. ACTIVITEITS- EN VERVANGINGSINKOMSTEN

We verhogen de belastingvrije som

We verlagen de belastingtarieven en hervormen de belastingschijven

We schrappen de Bijzondere Bijdrage Sociale Zekerheid

We breiden de werkbonus uit en verminderen de promotieval

We bieden mensen die naast hun job bijklussen duidelijkheid

We schrappen 1 op 4 codes op de belastingbrief

We maken een einde aan de uitholling van het loonbegrip

We behandelen cheques zoals loon

We zien strenger toe op het inbrengen en terugbetalen van kosten

We zorgen voor een betere afstemming van de bedrijfsvoorheffing

We doven het huwelijksquotiënt uit

We kiezen voor een gelijke toeslag op de belastingvrije som voor elk kind

We ondersteunen gezinnen fiscaal in de opvoeding van kinderen. Wie vandaag een kind fiscaal ten laste heeft, heeft recht op een toeslag op de belastingvrije som. Vandaag verschilt dat bedrag per kind fiscaal ten laste.  We brengen de toeslag voor elk kind op gelijke hoogte. Kinderen met een handicap en kinderen in kwetsbare gezinnen verdienen onze bijzondere aandacht. We werken drempels voor de toekenning van hun voordelen weg. We geven een extra toeslag op de belastingvrije som aan werkelijk alleenstaande ouders.

We ondersteunen werkende ouders

We halen onderhoudsuitkeringen uit ons fiscaal stelsel

We vuren de tewerkstelling aan

B. VERMOGENSINKOMSTEN

We verlagen de roerende voorheffing naar 25%

We bieden iedereen een belastingvrij bedrag voor inkomsten uit vermogen

We behandelen alle vermogensinkomsten op eenzelfde manier

We beschermen de eigen woning

We werken met werkelijke huurinkomsten

We bieden iedereen toegang tot een fiscaal voordelig aanvullend pensioen

We stimuleren investeringen in woningen

C. CONSUMPTIE

We voeren een ecobelastingkrediet in voor kwetsbare gezinnen

We hervormen de energiefactuur

We harmoniseren de verlaagde btw-tarieven en behouden het normale btw-tarief

We heffen geen btw op groenten, fruit, medische verzorging en openbaar vervoer

We ondersteunen duurzame mobiliteitskeuzes

We kiezen voluit voor een zero-emissie bedrijfswagenpark

4. ADVIES

Allereerst zou de NHRPH willen verwijzen naar zijn advies 2021-27, waarin een aantal vaststellingen en verwachtingen werden geformuleerd.

De NHRPH herinnert eraan dat België in 2009 het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft bekrachtigd. Hieruit volgt dat 3 fundamentele overwegingen ten grondslag moeten liggen aan de visie en de concrete maatregelen van de fiscale hervorming:

  • ondersteunen van de waardigheid van het leven van de persoon met een handicap
  • eerbiedigen van zijn autonomie, zijn levenskeuze en keuze van woonplaats
  • versterken van zijn deelname aan de samenleving op alle gebieden

De NHRPH vindt deze bezorgdheden niet terug in de in de blauwdruk voorgestelde maatregelen.  

De Minister van Financiën zegt het volgende: “Vandaag loont het voor veel mensen onvoldoende om een job of een promotie te aanvaarden. De krapte op de arbeidsmarkt is historisch hoog. Ondernemingen vinden moeilijk geschikt personeel. Onze lasten op arbeid moeten naar omlaag, zodat meer mensen de arbeidsmarkt betreden. Wie werkt, moet worden vergoed in centen. Werken moet meer lonen en het verschil met niet-werken moet groter worden. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat meer werken fiscaal niet wordt ontmoedigd.”

De NHRPH herinnert eraan dat heel wat personen met een handicap (PMH) niet werken wegens hun handicap en de weinig inclusieve arbeidsmarkt. Anderen hebben bovendien een onregelmatig en soms kort professioneel parcours. Hiervoor kiezen zij niet zelf: zij betreden de arbeidsmarkt later (vaak door een gebrek aan opleiding of door vooroordelen), onderbreken dit parcours soms vaak en verlaten de arbeidsmarkt vroeger, vaak om gezondheidsredenen of onvoldoende aangepaste werkposten.

Een aanzienlijk aantal personen met een handicap die in België wonen, beschikt niet over een voldoende hoog inkomen om een bevredigende levensstandaard te bereiken. De inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) voor een alleenstaande ligt ongeveer 20% onder de armoedegrens en bijna 40% onder het gewaarborgd minimumloon:

  • IVT: 1072,64 euro (op 01/01/2022);
  • armoedegrens: 1.287 euro (idem);
  • gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen: 1.625,72 euro (idem)

40% van de personen die een tegemoetkoming voor personen met een handicap in België ontvangen, leeft feitelijk onder de armoedegrens en moet zichzelf veel ontzeggen, met inbegrip van de elementairste behoeften (voeding, huisvesting, verzorging, …). Zie synthese van de studie “Handilab”: Sociaal-economische positie van personen met een handicap en analyse van de effectiviteit van tegemoetkomingen aan personen met een handicap, Leuven, 2012, p.18.

De vaststelling wordt nog bemoeilijkt door het feit dat leven met een handicap voor de persoon in kwestie extra kosten met zich meebrengt (grotendeels te wijten een aan ontoegankelijke omgeving). Het hoofd bieden aan de kosten van het dagelijks leven heeft een grotere impact op het budget van een persoon met een handicap dan op dat van een persoon zonder handicap. Bovendien hebben PMH vaak een lager inkomen, of het nu gaat om een tegemoetkoming of een salaris.

De NHRPH herinnert ook eraan dat heel wat personen met een handicap niet belastingplichtig zijn (zij hebben een laag inkomen en ontvangen vaak tegemoetkomingen die niet onderworpen zijn aan de belasting). Dientengevolge kunnen zij niet genieten van belastingverminderingen waarmee zij een deel van de uitgave kunnen “recupereren” (bijvoorbeeld voor dienstencheques). De verhoging van de belastingsom, de hervorming van de belastingschijven, …  belangen hen dus niet aan, terwijl hun onzekere situatie ondertussen groot is en hun koopkracht steeds verder afneemt, gelet op de voortdurend stijgende prijzen van diensten en basisgoederen.

De blauwdruk benadrukt ook het volgende: “We kiezen voor een gelijke toeslag op de belastingvrije som voor elk kind.
We ondersteunen gezinnen fiscaal in de opvoeding van kinderen. Wie vandaag een kind fiscaal ten laste heeft, heeft recht op een toeslag op de belastingvrije som. Vandaag verschilt dat bedrag per kind fiscaal ten laste. We brengen de toeslag voor elk kind op gelijke hoogte. Kinderen met een handicap en kinderen in kwetsbare gezinnen verdienen onze bijzondere aandacht. We werken drempels voor de toekenning van hun voordelen weg. We geven een extra toeslag op de belastingvrije som aan werkelijk alleenstaande ouders.

De NHRPH herinnert eraan dat ouders van kinderen met een handicap met zeer zware investering worden geconfronteerd:

  • de omgeving is niet toegankelijk;
  • aangepaste diensten zijn niet of nauwelijks beschikbaar;
  • een van beide ouders offert vaak zijn/haar loopbaan op;
  • de alleenstaande ouder heeft geen andere keuze dan zich volledig te wijden aan de zorg voor zijn/haar kind met een handicap en heeft geen mogelijkheid om tijd te investeren in zijn/haar loopbaan;
  • over het algemeen worden mantelzorgers van personen met een handicap ertoe gedwongen hun werktijd gedurende meerdere jaren te verminderen. Mantelzorgers worden ook hard getroffen door onzekerheid gedurende de tijd dat zij helpen, maar ook op lange termijn, wanneer zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

Om deze redenen vraagt de NHRPH de invoering van een fiscale vrijstelling of een belastingvermindering voor mantelzorgers, zodat de extra financiële kosten in verband met de niet-toegankelijke en niet-inclusieve omgeven (niet-aangepaste collectieve diensten, niet-toegankelijk vervoer, enz.) worden gecompenseerd. Deze vrijstelling zou bijvoorbeeld kunnen worden toegepast op het gebruik van een wagen om personen met een handicap te vervoeren.

Het is ook nodig de ondersteuning te versterken, vooral voor eenoudergezinnen met een kind met een handicap. Er moet worden voorzien in de aftrekbaarheid van de kosten voor kinderopvang van personen met een handicap, ongeacht de leeftijd van de persoon. De NHRPH is overigens van mening dat het bedrag van de tegemoetkoming die wordt toegekend voor een loopbaanonderbreking te laag is (851,59 euro per maand voor een voltijdse onderbreking). Alleenstaande ouders, alleenstaande adoptieouders, alleenstaande mantelzorgers, ouders met een handicap of ouders van kinderen met een handicap hebben over het algemeen een laag inkomen. Personen met weinig of geen spaargeld kunnen ook geen mantelzorgverlof of verlof voor medische bijstand aanvragen. Voor de lage en gemiddelde inkomens is een uitbetaling van het volledige salaris een voorwaarde om de maatregel te gebruiken (zie advies 2021-21).

De NHRPH vraagt een fiscale aftrekbaarheid voor de kosten voor het thuis bijstaan van personen met een handicap (maaltijden aan huis, huishoudhulp, ziekenoppas, oppas voor zieke kinderen, klusjes, …). Ook moeten er compenserende maatregelen voor de personen met een bescheiden inkomen worden voorzien, zodat zij daadwerkelijk toegang krijgen tot bijstand thuis. De NHRPH wenst dat de vrijstelling, die thans is voorzien voor de opvang van senioren – niveaus 1 en 2 –, wordt uitgebreid naar de opvang van personen met een handicap, ongeacht hun leeftijd of hun band van verwantschap.

De NHRPH herinnert eraan dat de erkenning van de handicap nog steeds beperkt is tot de leeftijd van 65 jaar voor het verkrijgen van fiscale verminderingen: een persoon die niet werd erkend als persoon met een handicap vóór de leeftijd van 65 jaar zal geen recht hebben op deze verminderingen. Deze beperking heeft geen bestaansreden meer.

De NHRPH is van oordeel dat de belastbaarheid van de vergoeding voor inhaalrust in verband met handicap of ziekte moet worden afgeschaft. Dit moet het mogelijk maken diegenen te helpen die dit het meest nodig hebben.

De beoogde hervorming voorziet ook in het beschermen van de eigen woning. De NHRPH herinnert eraan dat personen met een handicap vaak geen eigenaar zijn van hun woning. Personen met een handicap wonen ook vaak in energieverslindende woningen (lagere huur). Kan de fiscale hervorming de renovatie van woningen die worden bewoond door huurders ondersteunen? Er zou kunnen worden voorzien in hogere fiscale stimulansen voor eigenaars-verhuurders. De NHRPH benadrukt ook in het algemeen de noodzaak om duurzame en toegankelijke huisvesting te ondersteunen. In alle studies wordt eraan herinnerd dat het thuis houden van personen met een handicap collectief de minst dure oplossing is, zolang de afhankelijkheid niet te groot is. Het is belangrijk dat elke investering om de persoon met een handicap thuis te houden, in het kader van een nieuwbouw of een verbouwing van gebouwen voor particulier gebruik, fiscaal aftrekbaar is.

Het gedeelte over de btw is bijzonder belangrijk voor personen met een handicap. De hervorming voorziet in de afschaffing van de tarieven van 6% en 12% en de invoering van één enkel tarief van 9%. Voor een aantal producten voor personen met een handicap geldt evenwel een btw-tarief van 6%, bijvoorbeeld voor orthopedische hulpmiddelen en rolstoelen voor personen met en handicap. Dit is ook het geval bij de aankoop van een wagen voor een persoon met een handicap (voor bepaalde soorten handicap), evenals van onderdelen, uitrustingen en accessoires voor deze voertuigen. Terwijl de 6% btw die op de aankoop van een wagen is betaald, kan worden terugbetaald, geldt dit niet voor onderdelen, aangepaste uitrustingen en accessoires. Door het btw-tarief van 6% naar 9% te verhogen, zullen personen met een handicap koopkracht verliezen.

De hervorming voorziet ook in een verlaging tot 0% van het btw-tarief voor groenten en fruit, geneesmiddelen, luiers en andere producten voor intieme hygiëne en door de overheid georganiseerd en gesubsidieerd personenvervoer. De NHRPH heeft meer bedenkingen bij een beleid van verlaging van de btw-tarieven ten opzichte van de bestaande tarieven. Een lager btw-tarief betekent immers niet automatisch een lagere aankoopprijs voor de consument. Tegelijkertijd moet de onbillijkheid van de btw (lineariteit ongeacht het inkomen) worden tegengegaan. De eerste bekommernis moet zijn de koopkracht te ondersteunen van diegenen die het het meest nodig hebben. Zou het niet beter zijn de huidige tarieven te behouden, maar ervoor te zorgen dat het product voor bepaalde categorieën gebruikers gratis is?  

De NHRPH is van mening dat energie als een basisproduct moet worden beschouwd. Op lange termijn (na de huidige voorziene periode van 6%) mag de btw op energie maximaal 9% bedragen. Het is een basisbehoefte, zeker voor personen met een handicap en ouderen die zich moeilijk kunnen verplaatsen en die soms “grote” elektriciteitsverbruikers zijn.

De hervorming voorziet ook in het ondersteunen van duurzame mobiliteit. De NHRPH dringt erop aan dat de vervoersmiddelen ook fiscaal worden ondersteund, op voorwaarde dat zij voor iedereen toegankelijk zijn.

Over het algemeen herinnert de NHRPH eraan dat de maatregelen die bij de hervorming zullen worden genomen steeds een analyse vanuit het oogpunt van personen met een handicap moeten bevatten. De manier van invullen van de belastingaangifte zelf zou al toegankelijker moeten zijn. De papieren versie is zeer verwarrend en onduidelijk; er wordt vaak verwezen naar informatie op het internet. Zelfs op het internet kunnen personen die digitaal geletterd zijn nauwelijks nog hun eigen belastingaangifte invullen. De digitale kloof en de leesbaarheid worden volledig genegeerd.

De NHRPH wijst ten slotte op de averechtse gevolgen die de maatregelen kunnen hebben, rekening houdend met de verdeling van de bevoegdheden in België.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/25 - European Accessibility Act - Vervoersdiensten

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten, ter omzetting van de Europese richtlijn 2019/882 van 17 april 2019, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/09/2022.

Advies op vraag van de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit, in zijn brief van 06/09/2022.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Benoît Gilson, ceo van Infrabel
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Minister van Mobiliteit vraagt het advies van de NHRPH over het voorontwerp van wet betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten, ter omzetting van de Europese richtlijn 2019/882 van 17 april 2019 en de bijlagen bij het voorontwerp.

Gezien de deadline voor de omzetting van de richtlijn (28/06/2022) reeds is verstreken, vraagt de Minister een advies binnen de 30 dagen na ontvangst van de adviesvraag.

3. ANALYSE

De vraag van Minister Gilkinet betreft de vervoersdiensten op federaal niveau.

Andere onderdelen van de richtlijn zullen door de bevoegde overheidsniveaus worden geïmplementeerd.

In dit advies zijn een aantal passages uit het voorontwerp van wet hernomen, soms vergezeld van commentaar.

TITEL I – ALGEMENE BEPALINGEN

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied

Art. 3. §1. Onverminderd artikel 33, is deze wet van toepassing op de volgende elementen van personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten:

1° websites;

2° op basis van mobiele apparaten, onder meer via mobiele applicaties, geleverde diensten;

3° elektronische tickets en elektronische ticketingdiensten;

4° het verstrekken van informatie over vervoersdiensten, waaronder realtime-reisinformatie; dit wordt, wat informatieschermen betreft, beperkt tot interactieve schermen die zich op het Belgisch grondgebied bevinden;

5° interactieve zelfbedieningsterminals op het Belgisch grondgebied, uitgezonderd terminals die als geïntegreerde onderdelen zijn geïnstalleerd in voertuigen, luchtvaartuigen, schepen en rollend materieel die voor het aanbieden van een of meer onderdelen van deze diensten voor personenvervoer worden gebruik.

In de praktijk gaat het hierbij voornamelijk over het treinverkeer, dat nog steeds een federale bevoegdheid is. Het betreft dan de producten en diensten van de NMBS en Infrabel.

TITEL II – VERPLICHTINGEN DIENSTVERLENERS

Hoofdstuk 1. Algemene principes

Art. 6. Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage 2 de vereiste informatie op en leggen uit op welke manier de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen.

De NHRPH vraagt nadrukkelijk dat de NHRPH als vertegenwoordiger van de personen met een handicap wordt betrokken bij dit proces.

Art. 9. §1. De in artikel 5 genoemde toegankelijkheidsvoorschriften zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan:

1° geen ingrijpende wijziging van een dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan, en

2° geen onevenredige last voor de betrokken dienstverleners oplevert.

Dit artikel, vergezeld van Bijlage 3 (Criteria voor de beoordeling van de onevenredige last), houdt een risico in. De betrokken dienstverlener kan dit artikel gebruiken om de toegankelijkheidsvoorschriften niet toe te passen. Veel zal afhangen van de efficiëntie van de controledienst, zoals beschreven in Titel III en V.

TITEL III – BEVOEGDE INSTANTIE

Art. 14. De Koning wijst voor elke vervoersmodus de bevoegde instantie aan die verantwoordelijk is voor de behandeling van de klachten en het opleggen van administratieve sancties wegens inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

TITEL IV – KLACHTEN

Hoofdstuk 1. Procedure

Art. 15. §1. Elke persoon met een handicap kan kosteloos een klacht indienen bij de bevoegde instantie. De klacht wordt per brief, of via elektronische weg ingediend.

§2. Indien de bevoegde instantie een klacht als ontvankelijk beschouwt, geeft zij de klager daarvan schriftelijk kennis binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht en brengt zij de dienstverlener die het voorwerp uitmaakt van de klacht daarvan gelijktijdig op de hoogte.

§5. Een klacht met betrekking tot een reis of een daarmee verband houdende vervoersdienst die niet tot de bevoegdheid van de bevoegde instantie behoort, wordt doorgestuurd naar de bevoegde dienst van de gewestelijke of buitenlandse overheid binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. (…)

De klager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld binnen een termijn van dertig dagen na verzending naar het organisme bedoeld in het eerste lid.

Art. 16. Wanneer de klacht ontvankelijk is, geeft de bevoegde instantie onmiddellijk opdracht aan de controledienst om alle informatie te verzamelen die nodig is voor de opsporing en de vaststelling van de vermeende inbreuk. De controledienst stelt een rapport op overeenkomstig artikel 21.

De behandelingstermijn van de klacht door de bevoegde instantie is zes maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. Het rapport en het administratieve dossier worden onmiddellijk verzonden aan de bevoegde instantie. (…)

Hoofdstuk 2. Vertegenwoordiging bij de indiening van een klacht

Art. 18. §1. De persoon met een handicap heeft het recht om een orgaan, een organisatie, of een vereniging zonder winstoogmerk de opdracht te geven een klacht namens hem in te dienen.

TITEL V – CONTROLE

Hoofdstuk 1. Controledienst

Art. 19. De Koning wijst de controledienst aan. De controledienst:

1° controleert de conformiteit van de diensten met de voorschriften van deze wet, met inbegrip van de beoordeling bedoeld in artikel 9, §2;

2° verzekert de opvolging van de diensten in geval van niet-conformiteit met de voorschriften van deze wet; en

3° controleert of de dienstverlener desgevallend de nodige corrigerende maatregelen heeft getroffen.

Hoofdstuk 2. Personeel

Art. 20. §1. De Koning wijst de personeelsleden van de controledienst aan die belast zijn met de opsporing en de vaststelling van inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

De NHRPH vraagt dat er voldoende belang wordt gehecht aan de technische en juridische expertise van de personeelsleden die belast worden met de opsporing en de vaststelling van inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

Ook kan er een wezenlijk verschil zijn tussen de toegankelijkheidsregels en de reële toegankelijkheid. Een product of dienst kan in overeenstemming met de toegankelijkheidsregels zijn en toch niet toegankelijk blijken. Daarom moet toegankelijkheid worden geëvalueerd gedurende het hele proces, van concept tot ingebruikname.

Titel VI behandelt de administratieve sancties, zoals geldboetes. De NHRPH vraagt zich af of de administratieve boetes van die aard zijn dat ze een verschil zullen maken. Boetes nemen immers het toegankelijkheidsprobleem niet weg. Een sanctie moet vergezeld zijn van de eis om het toegankelijkheidsprobleem te verhelpen. Bovendien wordt er hier niet gesproken van een schadeloosstelling van de persoon die het slachtoffer was van de niet-conformiteit.

Titel VIII bevat de overgangsbepalingen.

Art. 33. §1. Tot 28 juni 2030 mogen dienstverleners hun diensten blijven verlenen met gebruikmaking van de producten die zij voor deze datum al rechtmatig gebruikten bij het verlenen van vergelijkbare diensten.

Ook van deze regels kan misbruik worden gemaakt.

Het voorontwerp van wet wordt vergezeld van bijlagen.

BIJLAGEN BIJ HET VOORONTWERP VAN WET BETREFFENDE DE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR VERVOERDIENSTEN

BIJLAGE 1: TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR VERVOERSDIENSTEN IN DE ZIN VAN DEZE WET

Afdeling I. Algemene toegankelijkheidsvoorschriften

i) de informatie wordt via meer dan één zintuiglijk kanaal aangeboden;

Zintuiglijk kanaal/canal sensoriel: Deze term is onduidelijk en lijkt ontoereikend. Informatie moet zowel in visuele, auditieve als tactiele vorm evenals via digitale kanalen worden aangeboden. De diverse leesvormen moeten toegankelijk zijn (bijv. visuele info: in grote, contrastrijke tekst; auditieve info: zonder - of met een minimum aan - storende achtergrond- of omgevingsgeluiden).

ii) de informatie wordt op een begrijpelijke manier gepresenteerd;

Dit moet worden gepreciseerd: “op een voor iedereen begrijpelijke manier gepresenteerd, o.a. door het aanbieden van eenvoudig taalgebruik/FALC”.

iii) de informatie wordt op een voor de gebruikers waarneembare manier gepresenteerd;

Te verduidelijken, want waarneembaar is niet altijd begrijpelijk. Bijvoorbeeld: als in een loket gewerkt wordt met beurtaanduiding via een papieren ticket met nummer (niet geschikt voor blinde personen, tenzij ook vermeld in braille) en de beurtafroeping gebeurt via een niet-vocaal sonoor signaal (bijv. pieptoon) en affichage van het nummer, dan hoort een blinde wel het signaal, maar hij of zij weet niet of het zijn of haar beurt is of niet. Houd rekening met een zo ruim mogelijke gebruikersgroep: niet alleen blinde en slechtziende personen, maar ook dove en slechthorende personen en mensen met een dubbelzintuiglijke handicap (bij. doofblind). Daarom moet informatie worden aangeboden in zo veel mogelijk vormen (zie ook eerder onder i)).

BIJLAGE 3: CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN DE ONEVENREDIGE LAST

Als 2e criterium voor het uitvoeren en documenteren van de beoordeling staat vermeld:

  1. De geraamde kosten en baten voor de marktdeelnemers, inclusief productieprocessen en investeringen, in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met aantal keer dat het specifieke product of de specifieke dienst is gebruikt, en de frequentie van dat gebruik.

De NHRPH wijst hier op een denkfout. Diensten worden vaak niet of nauwelijks gebruikt door personen met een handicap omdat ze niet of slecht toegankelijk zijn. Als de vaststelling van het niet-gebruik er toe leidt dat redelijke aanpassingen niet gebeuren, blijft de dienst ontoegankelijk en het gebruik door personen met een handicap (PMH) laag. Redelijke aanpassingen zorgen in de regel voor een hoger gebruik door PMH.

4. ADVIES

  • De NHRPH wenst opheldering over Art. 3. §1. “Onverminderd artikel 33, is deze wet van toepassing op de volgende elementen van personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stedelijke, voorstedelijke en regionale vervoersdiensten”. De NMBS is bezig met het verder ontwikkelen van de zogenaamde voorstadsnetwerken (S – GEN/RER). De NHRPH gaat ervan uit dat ook die onder het toepassingsgebied van het voorontwerp van wet vallen en dus niet onder de uitzondering van de voorstedelijke vervoersdiensten. Klopt dat?
  • De NHRPH vraagt om rekening te houden met de opmerkingen en aanbevelingen hierboven (3. ANALYSE).
  • De NHRPH vraagt om de regels voor de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten ambitieus toe te passen. De NHRPH verwijst daarbij nadrukkelijk naar artikel 22ter van de Grondwet ("Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen") en de antidiscriminatiewet van 10 mei 2010 die stelt dat het niet aanbieden van redelijke aanpassingen een discriminatie inhoudt. Het begrip ‘onevenredige last’ moet in de wet concreet en beperkend worden gedefinieerd, opdat het niet als excuus kan worden gebruikt door de dienstverlener.
  • De NHRPH wijst erop dat een aanzienlijk deel van de bevolking al dan niet tijdelijk met een beperkte mobiliteit kan worden geconfronteerd. Iedereen heeft dus baat bij toegankelijke diensten. De meerkosten van redelijke aanpassingen worden op termijn gecompenseerd door het groeiende cliënteel, de vlottere toegang en de verminderde nood aan assistentie.
  • De NHRPH pleit voor een controleorgaan dat werkelijk onafhankelijk is en vertegenwoordigers van de sector van de personen met een handicap bevat. Op federaal vlak is dat de NHRPH. Het op te richten orgaan moet de middelen krijgen om zijn taak naar behoren uit te voeren. Het moet ook voor de opvolging na de controle zorgen. Daartoe moeten duidelijke en concrete criteria worden opgesteld. De overheid moet erover waken dat de recentste toegankelijkheidsvoorschriften worden gevolgd, zeker vanaf 2030. 
  • Art. 6. stelt: “Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage 2 de vereiste informatie op en leggen uit op welke manier de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen.” De NHRPH vraagt nadrukkelijk dat de NHRPH als vertegenwoordiger van de personen met een handicap wordt betrokken bij dit proces.
  • De NHRPH wil niet dat dienstverleners – zoals de NMBS of Infrabel - van artikel 33 gebruik gaan maken om openbarediensten- en performantiecontracten af te sluiten die niet aan de nieuwe wet moeten voldoen. Nieuwe contracten moeten aan de nieuwe wet beantwoorden, zeker als ze uitwerking hebben na 28 juni 2030. Het nog op te richten controleorgaan moet hierop toezien.
  • De NHRPH verwijst ook naar zijn opmerkingen en aanbevelingen over het nieuwe openbaredienstencontract van de NMBS en het nieuwe performantiecontract van Infrabel in advies 2021-18 en advies 2022-24.
  • In het bijzonder wijst de NHRPH nog eens op de nood om een Disability Manager aan te duiden bij Infrabel. Die kan dan direct overleg plegen met zijn tegenhanger bij de NMBS en overleg plegen met de NHRPH.
  • Volgens de bevoegdheidsverdeling in België vallen NMBS en Infrabel onder de federale bevoegdheid. Voor een goede intermodaliteit – vlot meerdere vervoermiddelen combineren, zoals bijv. de trein en de bus – moeten ook de regio’s de toegankelijkheidsvoorschriften voor vervoersdiensten implementeren. De NHRPH vraagt dat de verschillende overheidsniveaus geregeld overleg plegen om een zekere uniformiteit in de implementatie te garanderen.
  • De NMBS moet voor zijn passagiersvervoer geregeld een beroep doen op bussen, ook van andere openbare en private bedrijven, bijvoorbeeld bij werkzaamheden aan het spoor of andere dienstverleningsproblemen. Ook deze busdiensten moeten voldoen aan de Europese richtlijn. De toegankelijkheid moet gegarandeerd zijn.
  • Hoe lang duurt de totale procedure voor de persoon met een handicap die een klacht indient? Wanneer krijgt hij of zij zijn of haar definitieve antwoord? Leest de NHRPH het voorontwerp van wet correct als hij begrijpt dat het maximaal 6 maanden (na ontvangst door de controledienst) duurt voor hij of zij een definitief antwoord krijgt? De NHRPH meent dat dit al erg lang is, zeker voor PMH die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Wanneer de klacht niet tot de bevoegdheid van de bevoegde instantie behoort, wordt de klacht doorgestuurd en kunnen er zelfs nog 30 dagen bijkomen. De NHRPH wenst een snelle procedure waarbij de indiener van de klacht op de hoogte wordt gehouden van de evolutie van zijn dossier.
  • De NHRPH wenst te weten of de PMH zich bij het indienen van een klacht – behalve door een orgaan, een organisatie, of een vereniging zonder winstoogmerk en de eventuele bewindvoerder - ook kan laten vertegenwoordigen door een vertrouwenspersoon.
  • Spelfout in de Nederlandse versie: “Art. 22. e) (…) zoals bedoeld in bijlage 1, afdeling I;”
  • Voor de ontwikkeling van technische analyses en oplossingen die rekening houden met PMH vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).
  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/24 - Contract NMBS-Infrabel

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het nieuwe openbaredienstcontract van de NMBS en het nieuwe performantiecontract van Infrabel, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19/09/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Benoît Gilson, bestuursvoorzitter van Infrabel
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de kamercommissie Mobiliteit
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het openbaredienstcontract 2023-2032 van de NMBS en het performantiecontract 2023-2032 van Infrabel door de federale regering en de betrokken instanties. De NHRPH vraagt daarbij aandacht voor de toegankelijkheid van producten en diensten van NMBS en Infrabel.

3. ANALYSE

België telt 555 operationele stations en haltes. Die zijn niet allemaal toegankelijk voor personen met een handicap. Ook wordt er niet overal assistentie aangeboden, zelfs niet wanneer vooraf aangevraagd. Assistentie wordt momenteel aangeboden in een reeks stations (voorwaarden: zie website NMBS):

  • 115 stations met assistentie
  • 17 stations met taxidienst
  • 27 stations met beperkte assistentie (niet in rolstoel, of in staat om rolstoel te verlaten)

De NMBS beschouwt 88 van zijn stations als autonoom toegankelijk (cijfer van eind 2021). Jammer genoeg wordt niet in alle toegankelijke stations assistentie geboden.

In de presentatie staan heel wat goede dingen. De nieuwe contracten beloven o.a.:

  • Meer treinen, ook in het weekend
    • van 3800 naar minimum 4220 treinen / weekdag
    • van 2200 naar minimum 2740 treinen / dag in het weekend
  • een betere frequentie
    • 2 treinen / uur / richting op belangrijke assen
    • tot 4 treinen / uur / richting rond de grote steden
  • vroegere en latere treinen
    • +2uur amplitude van de dienstverlening op alle lijnen ten opzichte van het vorige contract
    • +3uur amplitude van de dienstverlening op de grote lijnen en rond de grote steden
    • Tot +5uur voor de S-treinen in Brussel

Al deze maatregelen verhogen de mobiliteit en de autonomie van elke treinreiziger, bijvoorbeeld de persoon die op zaterdagavond graag een concert meepikt in een andere stad of de persoon die soms heel vroeg of heel laat moet werken.

Ook wordt beloofd dat tegen 2032 181 stations en haltes volledig en autonoom toegankelijk zullen zijn. Overigens verkiest de NHRPH de term ‘integrale toegankelijkheid’, wat ook assistentie inhoudt wanneer de persoon niet autonoom de trein kan nemen.

De presentatie spreekt eveneens van een betere dienstverlening aan personen met een beperkte mobiliteit (PMR), maar gaat daar niet verder op in.

4. ADVIES

  • De NHRPH betreurt dat er geen spontane vraag om advies kwam vanwege het kabinet-Gilkinet.
  • Ook betreurt de NHRPH dat de opstellers van het advies geen toegang hadden tot de proefversies van de contracten. De NHRPH heeft zich gebaseerd op een presentatie aan de Kamer over het openbaredienstcontract 2023-2032 van de NMBS en het performantiecontract 2023-2032 van Infrabel.
  • De NHRPH vraagt de federale regering om de nodige middelen – financiële, maar ook personele middelen - ter beschikking te stellen voor het toegankelijker maken van het passagiersverkeer van de NMBS. Het spoorverkeer is belangrijk voor de bevolking, in het bijzonder voor personen met een handicap, ook in de toekomst.
  • De NHRPH vraagt de federale regering ook om grondig overleg te plegen met de Gemeenschappen en Gewesten. De toegankelijkheidsregels kunnen verschillen van Gewest tot gewest. Uniformiseringsafspraken zijn wenselijk voor maatschappijen die transregionaal werken.
    Uniformisering zal in bepaalde gevallen niet evident zijn. Zo moet de NMBS zich voor wat betreft de infrastructurele toegankelijkheid van zijn stationsgebouwen op Vlaams grondgebied houden aan de regels van de Vlaamse toegankelijkheidsverordening die van toepassing is op publiek toegankelijke gebouwen. Deze regels kunnen verschillen van deze die gelden in het Waals Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In dat geval vraagt de NHRPH om waar mogelijk steeds de strengste regel te volgen.
  • Ook de dialoog met de steden en gemeenten en de andere aanbieders van vervoer is van groot belang. Zo kan het treinverkeer beter aansluiten op andere vervoerswijzen.
  • De NHRPH wijst erop dat toegankelijke producten en diensten iedereen ten goede komen.
  • De NHRPH vindt volgende zaken alvast positief.:
    • Meer treinen, ook in het weekend
    • Een betere frequentie
    • Vroegere en latere treinen
    • Een betere afstemming en coördinatie tussen NMBS en Infrabel
  • Wel vraagt de NHRPH:
    • Bemande loketten die op werkdagen geopend zijn tijdens de kantooruren en tijdens het weekend overdag.
    • Aanwezig personeel voor een grotere veiligheid
    • Alternatieven voor alle digitale diensten en verrichtingen
    • Toegankelijke, eenvoudig te bedienen en klantvriendelijke ticketautomaten
  • Tegen 2032 zouden 181 stations en haltes volledig en autonoom toegankelijk moeten zijn. Dat is positief, maar op 555 stations is dat amper 1 op 3. De NHRPH wenst dat alle stations en haltes integraal toegankelijk worden.
  • De presentatie spreekt eveneens van een betere dienstverlening aan personen met een beperkte mobiliteit (PMR), maar gaat daar niet verder op in. De NHRPH wenst alvast dat in alles stations en haltes assistentie wordt geboden, en dat zonder reservatietermijn. De NHRPH ontvangt nog steeds veel klachten en ongemak over geweigerde, moeilijke en gefaalde assistenties.
  • Het is belangrijk dat de nodige statistische gegevens over assistentieverlening aan personen met een beperkte mobiliteit (aantal, type assistentie, locatie, tevredenheid, problemen, …) worden bewaard en verwerkt, zoals dat ook gebeurt bij Brussels Airport. Dat laat toe om de dienstverlening gericht te verbeteren.
  • Hanteert de NMBS een een lijst met criteria waaraan een goede assistentie moet voldoen? De NHRPH zou die lijst graag inzien.
  • De NHRPH verwijst ook naar zijn advies 2021-18 dat zelf ook naar een aantal eerdere adviezen en documenten verwijst.
  • Voor de ontwikkeling van technische analyses en oplossingen die rekening houden met personen met een handicap vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).
  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/26 - Gebarentaal

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de oprichting van een pool van gebarentolken, uitgebracht op 28 september 2022 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 27 september 2022 wegens het uiterst dringende verzoek van de directeur-generaal van de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid.

Advies op verzoek van de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid (mail van 26 september 2022).

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In juli 2021 keurde de Ministerraad het federaal actieplan handicap goed. Met dit plan engageert de regering zich ertoe om het gebruik van gebarentaal op haar persconferenties te veralgemenen (hoofdmaatregel 32) en een pool van gebarentolken op te zetten die ter beschikking kan staan van burgers die een beroep moeten doen op federale en administratieve diensten (maatregel 29).

3. ANALYSE

In de nota aan de Ministerraad staat dat de FOD Sociale Zekerheid reeds de opdracht kreeg een kaderakkoord op te stellen voor de federale regering. Een behoeftebevraging hiervoor werd voorgelegd aan het Strategisch Federaal Aankoopoverleg (SFA); een aantal overheidsdiensten hebben hun deelname aan dit federaal kaderakkoord bevestigd. De nodige voorbereidingen voor het federaal kaderakkoord zijn lopende en de gunning ervan is voorzien voor het najaar van 2022.

De Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris, zal de Ministerraad verzoeken hiervoor een jaarlijks budget van 177.817 euro vrij te maken met als doel het ter beschikking stellen van gebarentolken:

  • aan de regering voor persconferenties;
  • aan de deelnemende overheidsdiensten in het kader van de rechtstreekse dienstverlening aan de burgers;
  • voor vergaderingen van de deelnemende overheidsdiensten en de NHRPH.

4. ADVIES

Als algemeen principe staat de NHRPH positief tegenover het structurele gebruik van gebarentaal op persconferenties en in contacten tussen de overheid en de burgers.

De NHRPH wil evenwel erop wijzen dat het uitgangspunt van de nota aan de Ministerraad – gebarentaal is een taal die doven en slechthorenden gebruiken om met elkaar én met de horende wereld te communiceren – verkeerd is. De groep personen met een auditieve handicap is een heterogene groep:

(1) Slechthorende personen communiceren door middel van gesproken taal met behulp van hun hoortoestellen (eventueel met FM-apparaat) en het zien van spraak (liplezen).

(2) Er zijn ook dove personen (gehoorverlies van meer dan 90 decibel) die met behulp van hun hoortoestellen of cochleair implantaat (eventueel aangevuld met een FM-apparaat) en het zien van spraak communiceren door middel van gesproken taal.

(3) Een derde groep dove personen (gehoorverlies van meer dan 90 decibel) draagt doorgaans geen hoortoestellen en communiceert met gebarentaal.

Wordt met deze maatregel de inclusie van deze heterogene groep van personen met een auditieve handicap beoogd, dan moeten de maatregelen worden gedifferentieerd:

Groepen 1 en 2 zullen in de regel GEEN gebruik maken van een gebarentolk. Zij begrijpen de gesproken taal en gebruiken een FM-systeem (wanneer de spreker verder weg is) en bij ondertiteling, bijvoorbeeld bij persconferenties.
Voor groep 3 is een gebarentolk een goede oplossing met het oog op inclusie.
Deze differentiatie is cruciaal voor de inclusie van alle personen met een auditieve handicap.

De NHRPH heeft geen informatie over de omvang van het project. Is het enkel voor de FOD Sociale Zekerheid? Is het een ‘gemeenschappelijke pot’ voor alle persconferenties? En de noden van alle deelnemende overheidsdiensten? Hoeveel nemen er momenteel deel? Welke? Welke aanvragen komen in aanmerking en wat zijn de richtlijnen voor de toewijzing? Op welke diensten zullen de betrokken burgers kunnen rekenen? Enzovoort. Gelet op al deze vragen is het moeilijk te zeggen of het vrijgemaakte budget toereikend zal zijn. 

De NHRPH vestigt de aandacht op het tekort aan gebarentolken. De NHRPH herinnert er ook aan dat naast deze maatregel met name in Brussel en Wallonië de opleiding gebarentaal moet worden bevorderd.

Voorts wijst de NHRPH erop dat er een urenquotum voor personen bestaat. De NHRPH vraagt de bevestiging dat de tijd die aan dit initiatief wordt besteed boven op dit urenquotum komt.

De NHRPH herinnert eraan dat België drie taalgemeenschappen telt en dat de burgers kunnen vragen in het Duits te worden aangesproken.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2022/14 - Rechtsbekwaamheid

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2022/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, uitgebracht tijdens de plenaire zitting op 21/03/2022.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De afgelopen jaren heeft het NHRPH een aantal opmerkingen, vragen en klachten ontvangen in verband met de uitvoering van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid. De NHRPH heeft sinds de inwerkingtreding van deze bepalingen ook al meermaals adviezen uitgebracht over de tekortkomingen, verwachtingen en bepaalde wenselijke uitvoeringsmaatregelen. Aan de meeste van deze adviezen is geen gevolg gegeven.

Daarom heeft het NHRPH besloten een werkgroep "Rechtsbekwaamheid" op te richten, bestaande uit leden van de NHRPH en deskundigen. Dit advies is het resultaat van de denkoefeningen van de werkgroep en van de plenaire vergadering van de NHRPH. Hetgeen in dit advies is opgenomen, is evenwel niet exhaustief.

3. ANALYSE

Ondanks de in de wetgeving vastgelegde principes is het aantal gevallen van onderbewindstelling in België de laatste jaren gestaag toegenomen. Tussen 2016 en 2018 is het aantal dossiers van personen die onder bescherming worden gesteld immers met 28% gestegen (88.000 dossiers (2016) > 113.000 dossiers (2018): bron: Martine Vandemeulebroucke, Sous tutelle ou sous verrous?, april 2020, Médor Magazine, https://medor.coop/magazines/medor-n18-printemps-2020/sous-tutelle-ou-sous-verrous/?full=1#continuer-a-lire).

Ook in het volgende onderzoeksrapport vinden we gelijkaardige cijfergegevens: https://www.samvzw.be/sites/default/files/Publicaties/2019_Project_bewindvoering_rapport.pdf.

Waar komt deze toename vandaan? Komt het door de vergrijzing van de bevolking? Sommige directies van rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen moedigen de familie van bewoners aan stappen te ondernemen om een professionele bewindvoerder aan te stellen voor hun familielid. Op die manier krijgen ze hun onkosten heel snel terugbetaald

In de ervaring van de leden van de werkgroep is het aantal mensen onder bewind ook toegenomen omdat "wilsonbekwame" (Frans: incapable) personen - opgelet: dit is niet hetzelfde als "handelsonbekwaam" (Frans: incapable d’agir) - vaak geen andere keuze hebben, omdat allerlei instanties (banken, verzekeringen, mutualiteiten, notarissen, enz.) veel strenger zijn dan vroeger: "Als u niet in staat bent om, volledig bewust, een overeenkomst te ondertekenen, dan moet u eerst een bewindvoering aanvragen voor deze overeenkomst kan getekend worden, een bankrekening geopend worden, een erfenis afgehandeld worden, ...”. Vroeger was het bijvoorbeeld meestal geen probleem wanneer ouders van een meerderjarige persoon de overeenkomst met de voorziening ondertekenden. Met de invoering van een persoonsvolgend budget is men strenger geworden. Van iemand die meerderjarig is, wordt verwacht dat hij zelf optreedt als budgethouder (en dus de overeenkomst ondertekent, zelf werkgever is van persoonlijke assistenten, …). Indien de persoon met een handicap (PMH) hier niet toe in staat is, vraagt het VAPH en/of de vergunde zorgaanbieder om een bewindvoering aan te vragen.

In juli 2019 heeft de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) een audit uitgevoerd over het "toezicht op de bewindvoeringen door de vredegerechten".

In dit rapport lezen we dat de praktijk voor het aanstellen van een familiale bewindvoerder in de verschillende vredegerechten erg divers kan zijn. Sommige vrederechters geven altijd de voorkeur aan een familiale bewindvoerder en respecteren de keuze van de beschermde persoon, de vertrouwenspersoon of het familiaal netwerk. Er zijn vrederechters die, buiten de familiale band, geen andere criteria hanteren. Andere vrederechters stellen wel specifieke voorwaarden.

Hierna volgen enkele van de door de HRJ geformuleerde aanbevelingen:

  • Vermijd bij de controle van een bewindvoering het risico op een louter formele en administratieve afhandeling van een dossier en bewaar de focus op de bescherming van de persoon.
    • Ga na of de bewindvoerder minstens één keer per jaar daadwerkelijk contact heeft met de beschermde persoon.
    • Ga ook na of de bewindvoerder aandacht heeft voor de levenskwaliteit en levensomstandigheden van de beschermde persoon. Doe dit niet enkel reactief, maar ook proactief.
    • Organiseer op regelmatige basis contact met de persoon onder bewind om een vinger aan de pols te houden over de levenskwaliteit en levensomstandigheden in het kader van een bewind op maat.
  • Bewaak dat de vredegerechten voldoende tijd, middelen en ondersteuning hebben om een bewindvoeringsdossier op een kwaliteitsvolle manier te controleren met aandacht voor de beschermde persoon.
    • Zorg voor betrouwbare cijfers over bewindvoeringen
    • Voor de korpschefs: ga na wat een maximum aantal bewindvoeringsdossiers is dat één vrederechter met één fulltime medewerker op een kwaliteitsvolle manier kan controleren. Ga ook de impact na van een bijkomende medewerker op de controlecapaciteit. Bewaak dat deze kritische grens niet overschreden wordt.
    • Voor het College van hoven en rechtbanken: maak bij het bepalen en meten van de werklast een realistische inschatting van de tijd en middelen die nodig zijn voor het doen van een kwaliteitsvolle controle van de bewindvoeringen door de vrederechter en de griffie. Herbekijk in voorkomend geval bestaande werklastmetingen in het licht van het toenemende belang van bewindvoeringen in het takenpakket van de vredegerechten.
    • Voor de korpschefs en het College van hoven en rechtbanken: bewaken dat vrederechters en de griffie voldoende tijd en middelen hebben om in hun werkwijze oog te hebben voor de persoon door
      • een voldoende aantal griffiers en griffiemedewerkers per aantal dossiers te voorzien
      • en een haalbaar aantal dossiers per vrederechter te bewaken.

4. ADVIES

Alle punten in het advies dat voor u ligt zijn belangrijk. De NHRPH zou evenwel de nadruk willen leggen op de volgende aanbevelingen:

  • De vrederechter moet erop toezien dat een vertrouwenspersoon wordt aangewezen (tenzij de persoon met een handicap en zijn netwerk dit niet ziet zitten).
  • Voor de aanwerving van nieuwe vrederechters zouden er kwaliteitseisen moeten worden voorzien. Bijvoorbeeld een koninklijk besluit kunnen overwegen dat zou voorzien in de vereiste competenties voor de vrederechter: empathie, communicatievaardigheden, kennis op het vlak van psychologie, sociale vaardigheden, enz.
  • De beroepsprocedure zou moeten worden herzien en veel toegankelijker moeten worden.
  • De toegang tot het Centraal Register van Bescherming van de personen (CRPB) moet in hoge mate worden verbeterd. De bewindvoerders moeten zich kunnen wenden tot een helpdesk in geval van gebruikersproblemen. In de wet is nu voorzien dat ouders die bewindvoerder voor hun kind zijn, kunnen afwijken va de jaarlijkse verslaggevingsverplichting. Dit moet ook mogelijk zijn voor wie met het Centraal register van bescherming van de personen werkt. Familiale bewindvoerders mogen niet verplicht worden om via het CRBP te werken. Verzoekschriften en verslagen moeten nog schriftelijk kunnen ingediend worden.
  • De vrederechters moeten steeds onthouden dat de bekwaamheid de regel is en onbekwaamheid de uitzondering. Het is belangrijk om voor iedere handeling te beoordelen of de persoon nog bekwaam is. Indien hij/zij niet meer bekwaam is, moet de vrederechter voorrang geven aan bijstand indien dit mogelijk is. Om voor iedere persoon een beslissing ‘op maat’ te nemen moeten de vredegerechten over voldoende middelen beschikken.
  • De aanstelling van familiale vertegenwoordigers geniet steeds de voorkeur, althans indien de familie en de persoon met een handicap vragende partij zijn.
  • De vele verschillende praktijken tussen vredegerechten hebben tot gevolg dat Belgen niet gelijk voor de wet zijn.
  • Het is nog steeds mogelijk dat vrederechters beschermde personen verhinderen hun burgerrechten uit te oefenen, wat met name onverenigbaar is met artikel 29 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat België in 2009 heeft bekrachtigd. 

I. Procedure

A. Verplichte vermeldingen in het verzoekschrift

Artikel 1240 van het Gerechtelijk Wetboek (GW) bepaalt welke gegevens automatisch in het verzoekschrift moeten worden vermeld. Daarin staat dat het onderwerp en een beknopte aanduiding van de redenen van het verzoek moeten worden opgenomen. Het zou verplicht moeten worden dat de verzoeker in zijn verzoek melding maakt van de problemen die hij ondervindt, zowel op het vlak van het beheer van zijn goederen als op het vlak van zijn persoon (net als bij de aanvraag voor een tegemoetkoming voor personen met een handicap, waarbij de betrokkene verzocht wordt om zijn moeilijkheden te vermelden). De mogelijkheid moet worden geboden om de problemen op het vlak van beheer van goederen en het nemen van beslissingen aan te geven. Men zou kunnen vertrekken van de bestaande lijst met handelingen en de persoon kunnen verplichten aan te duiden of hij/zij al dan niet bekwaam is. Zo ja, aanduiden of hij/zij behoefte heeft aan begeleiding of bijstand. En de verschillende antwoorden toelichten. De digitale versie maakt het evenwel niet mogelijk dit eenvoudig te doen.
Wanneer een persoon slechts voor een beperkt aantal handelingen een bewindvoering moet aanvragen, moet dit ook mogelijk zijn. Nu zijn vrederechters van mening dat zij over alle handelingen een beslissing moeten nemen

B. Geneeskundige verklaring

Artikel 1241 GW vermeldt dat een omstandige geneeskundige verklaring, waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld, van ten hoogste 15 dagen oud, afgeleverd door een erkende arts of een psychiater, bij het verzoekschrift wordt gevoegd, tenzij het verzoek gegrond is op artikel 488/2 van het Burgerlijk Wetboek. Enerzijds is het goed om over een goede geneeskundige verklaring te beschikken (een toelatingsprocedure is zo ingrijpend voor de betrokkene dat het mogelijk moet zijn om op basis van een geneeskundige verklaring bescherming "op maat" te bieden). Anderzijds is bijvoorbeeld de huisarts, die dicht bij de persoon en zijn familie staat, soms beter in staat om de situatie te beoordelen.

De NHRPH vraagt ook dat zo nodig wordt aanbevolen om naast de geneeskundige verklaring een psychosociale beoordeling voor te leggen. Deze beoordeling moet een weerspiegeling zijn van de manier waarop de persoon dagelijks leeft en handelt en van de manier waarop zijn of haar ondersteuningsnetwerk functioneert. Dit maakt het ook mogelijk om na te gaan of hij/zij een betrokken netwerk heeft en of hij/zij niet geïsoleerd is. Deze beoordeling moet de vrederechter in staat stellen een beter inzicht te krijgen in de bekwaamheden van de betrokkene. Indien het verzoekschrift goed is opgesteld, moet het verslag niet dwingend zijn.

In de wetswijziging van 2019 werd opgenomen dat in de toekomst enkel medische verslagen van hiervoor geaccrediteerde artsen zouden worden aanvaard. Op dit moment is het Koninklijk Besluit er nog niet. De NHRPH vreest echter dat deze maatregelen voor een aantal personen een nieuwe barrière betekenen en dat er daardoor wachtlijsten ontstaan. Sommige vrederechters eisen nu reeds een medische verklaring van een psychiater: dit is niet correct. Sommige personen met een handicap zijn nooit bij een psychiater geweest, omdat zij daar geen behoefte aan hebben.

C. Convocatie

Artikel 1244 GW bepaalt dat de vrederechter, nadat het verzoekschrift tot onderbewindstelling van de goederen en/of de persoon is ingediend, altijd de volgende personen oproept:

  • de te beschermen persoon;
  • de persoon die het verzoekschrift heeft ingediend (de aanvrager).

Hij roept ook de volgende personen op, als ze samenwonen met de te beschermen persoon:

  • de vader en moeder van de te beschermen persoon;
  • de echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende/levensgezel(lin) van de te beschermen persoon;
  • de meerderjarige kinderen van de te beschermen persoon.

Andere familieleden kunnen vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook de vrederechter aanschrijven met hun opmerkingen.

In de praktijk blijkt dat deze personen soms niet worden opgeroepen. En zij vernemen later dat het betrokken gezinslid onder het statuut van gerechtelijke bescherming werd geplaatst, bijvoorbeeld naar aanleiding van een telefoontje van een maatschappelijk werker. Het oproepen van deze personen zou verplicht moeten zijn. Het directe betrokken netwerk moet zeker worden geïnformeerd en bij de procedure worden betrokken.

D. Verloop van de procedure

Artikel 1245 GW bepaalt dat de beschermde of de te beschermen persoon, tot op de dag van de zitting - indien hij of zij dit wenst vergezeld van de vertrouwenspersoon - kan verzoeken om afzonderlijk door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, vóór de andere betrokken partijen.

In heel wat dossiers, in het bijzonder wanneer een professionele bewindvoerder is aangesteld, is er geen vertrouwenspersoon aangesteld.
Sommige personen zijn bang om zich te engageren: de angst heeft te maken met de opdracht, die niet duidelijk omlijnd is en tot onzekerheid leidt.

Het is belangrijk dat de vertrouwenspersoon aangesteld wordt. Wanneer de procedure wordt opgestart, moet men er steeds aan denken een vertrouwenspersoon voor te stellen; die tendens wint in Vlaanderen terrein.

Artikel 1246 bepaalt dat de vrederechter alle nuttige informatie inwint.

In dit opzicht zijn er grote verschillen in de praktijken van vrederechters.

In Vlaanderen is er een toenemende tendens dat vrederechters goede contacten leggen met de sociale diensten en bij hen advies inwinnen. Dit kan gezinsleden ondersteunen. Maar wanneer rechters om advies vragen zonder dat het betrokken netwerk daarvan op de hoogte is, is dat onaanvaardbaar.

Artikel 1246 bepaalt tevens dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat of op verzoek van de beschermde of de te beschermen persoon, de vrederechter zich mag begeven naar de verblijfplaats van de beschermde of de te beschermen persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt, in voorkomend geval vergezeld door personen die hijzelf of de betrokken persoon aanwijst. Hij doet zulks ambtshalve wanneer het verzoek een mogelijke weerslag heeft op de bekwaamheid van de beschermde of de te beschermen persoon en indien laatstgenoemde zich niet kan verplaatsen.

De verplaatsingskosten komen ten laste van de te beschermen of beschermde persoon. Echter, in sommige gevallen:

  • verplaatst de rechter zich op eigen initiatief naar de gezinnen terwijl de personen best naar de vrederechter willen gaan. Er is geen reden waarom de te beschermen personen zouden moeten opdraaien voor de verplaatsingskosten van de rechter, wanneer zij bereid zijn om zich voor de zitting te verplaatsen;
  • Het vredegericht is soms niet toegankelijk voor personen met beperkte mobiliteit (ontoegankelijke ingang, bijvoorbeeld) en de rechter heeft dus geen andere keuze dan zich te verplaatsen om de te beschermen persoon te ontmoeten. In dit geval is het absoluut onaanvaardbaar dat personen met een handicap moeten opdraaien voor de kosten van de ontoegankelijkheid van de gerechtsgebouwen.
  • in sommige gevallen verplaatsen de rechter en de griffier zich en versturen ze afzonderlijke onkostennota’s. Men heeft ook vastgesteld dat sommige vrederechters zich verplaatsen naar dezelfde plaats voor verschillende personen (homes, instellingen, …) en onkostennota’s indienen voor elk van deze personen.

De NHRPH vraagt dat een audit over de toegankelijkheid in de ruime zin (fysieke toegankelijkheid, communicatie, begeleiding, …) wordt uitgevoerd.

E. Mogelijkheid van beroep

In de praktijk wordt er weinig beroep aangetekend, omdat de procedure te ingewikkeld, onvoldoende gekend en te zwaar is. Ze vereist begeleiding van een advocaat.  Bovendien blijven personen bij dezelfde vrederechter, zelfs nadat de procedure is afgelopen. Dit houdt mensen tegen om beroep aan te tekenen tegen een beslissing van de vrederechter : zij vrezen dat hij na een beroepsprocedure nog strenger zal zijn. Bij wijze van voorbeeld van goede praktijk heeft Duitsland Kamers van Beroep bij de regionale rechtbank. Personen onder bescherming kunnen een beroep indienen onmiddellijk na het vonnis van de vrederechter bij de Kamer van Beroep van hun regio.

F. Centraal register van bescherming van de personen (CRBP)

Sinds 1 juni 2021 maken de vrederechters voor de rechterlijke bescherming gebruik van het Centraal Register van bescherming van de personen. Een vertegenwoordiger van het Kabinet van de minister van Justitie werd door de werkgroep gehoord. De leden van de werkgroep werden verzocht hun netwerken te ondervragen, zodat zij hun ervaringen over het gebruik van het Centraal Register van bescherming van de personen konden delen. Een nota met daarin de synthese van deze bijdragen werd opgesteld in september 2021. Bijlage: Gebruik van het centraal register voor de bescherming van personen: samenvatting van de getuigenissen

De krachtlijnen van deze nota zijn de volgende:

  • De praktijk verschilt zeer sterk van de ene vrederechter tot de andere.
  • De communicatiecampagne werd slecht uitgevoerd: het CRBP werd opgezet, zonder enige betrokkenheid van organisaties van personen met een handicap. Organisaties werden, na de invoering van het CRBP amper geïnformeerd. Zij krijgen geen medewerking van het kabinet/administratie justitie om hun achterban te informeren en te ondersteunen bij het gebruik van de CRBP.
  • Het CRBP is moeilijk te gebruiken: de digitale kloof wordt versterkt. Men heeft kunnen vaststellen dat sommige familiale bewindvoerders afzien van hun mandaat en de aanstelling van een professionele bewindvoerder vragen. Meerdere vrederechters raden familiale bewindvoerders die niet mee zijn met de digitale ontwikkelingen aan om zich te laten vervangen door een professionele bewindvoerder.
  • Sommige vredegerechten eisen dat familiale bewindvoerders via het digitale platform gaan, wat evenwel niet wettelijk is. Dit is onder meer een illustratie van de verschillen die de NHRPH vaststelt tussen vredegerechten.
  • De NHRPH wil zich ervan vergewissen dat de bescherming van de gegevens wordt gewaarborgd.

G. Bekendmaking van beschermende maatregelen

De communicatie naar derden toe is niet toereikend, maar tegelijkertijd moet de privacy worden gerespecteerd. Hierin moet een evenwicht worden gevonden.

Het Belgisch Staatsblad (BS) vermeldt alleen dat er een bewindvoering is. Allerlei instellingen zullen onmiddellijk na de bekendmaking dienovereenkomstig handelen. Indien de vrederechter besluit tot een "op maat" gemaakt systeem van beperkte bewindvoering (bijvoorbeeld bijstand of vertegenwoordiging bij slechts enkele handelingen), is het voor de bewindvoerder vaak erg moeilijk om instellingen (banken, mutualiteiten enz.) ervan te overtuigen dat zij zich moeten aanpassen aan de beperkte bewindvoering. De mogelijkheid zou kunnen worden overwogen dat de persoon een uittreksel kan geven van de handelingen die hij nog kan uitvoeren en welke niet in een duidelijk kader (bankverrichtingen, aankopen, …).

II. Bescherming

In de beschikking:

  • vermeldt de vrederechter voor welke handelingen de beschermde persoon onbekwaam is en of er bijstand of vertegenwoordiging nodig is. Voor alle handelingen die de vrederechter niet vermeldt, blijft de persoon bekwaam. Als de vrederechter bij een beslissing ‘onbekwaam’ niets vermeldt, is bijstand voldoende. Het gaat altijd om de minst ingrijpende maatregel.
  • stelt de vrederechter een bewindvoerder voor de goederen en een bewindvoerder van de persoon aan. De bewindvoerder is verantwoordelijk voor het beheer van de handelingen die betrekking hebben op de beschermde persoon en/of zijn of haar goederen;
  • stelt de vrederechter een vertrouwenspersoon aan, indien de beschermde persoon of iemand anders daarom heeft verzocht. De vertrouwenspersoon treedt op als tussenpersoon tussen de bewindvoerder en de beschermde persoon en zorgt ervoor dat de opdracht van de bewindvoerder correct wordt uitgevoerd.

A. Handelingen

Vrederechters hebben niet voldoende middelen. Zij hebben derhalve niet de mogelijkheid een voldoende volledig beeld te krijgen van de situatie van de betrokkene. De vrederechters worden omwille van de veiligheid ertoe gebracht om alle handelingen op de lijst af te vinken, of om bepaalde handelingen af te vinken waarvoor de betrokkene noch bijstand, noch vertegenwoordiging nodig heeft.

De vrederechters hebben deze taak gekregen (een aantal van hun vroegere taken zijn uit hun takenpakket gehaald en overgeheveld naar de familierechtbanken). Derhalve mag worden verwacht dat de vrederechters hun taken op een kwalitatieve manier vervullen. Maar vrederechters zijn juristen; het zou zeer nuttig zijn als zij in deze taak werden bijgestaan door een sociale dienst. Ook de communicatie met de personen die onder bewindvoering staan en de bewindvoerders van hun familie zou dan veel vlotter kunnen verlopen.

De geest van de wetgeving over de bewindvoering, geïnspireerd door o.a. het VN-verdrag voor gelijke rechten van personen met een handicap, is duidelijk: ook personen met een handicap zijn bekwaam, tenzij voor die handelingen waarvoor de vrederechter beslist dat de persoon niet bekwaam is. Van de vrederechter verwachten wij dat hij zijn beslissing grondig overweegt op basis van de medische verklaring, gesprekken met de persoon waarvoor bewindvoering wordt aangevraagd en andere belangrijke derden. De NHRPH erkent dat vredegerechten niet altijd voldoende zijn uitgerust om een uitgebreid sociaal onderzoek te doen en dringt aan op meer ondersteuning van de vredegerechten.

Uitvoering:

  • Er kunnen verschillen zijn tussen de formulering van de verordening en de praktische uitvoering. Bijvoorbeeld bij banken: het is onmogelijk geworden om een dagelijks leven te leiden en toegang te krijgen tot een lopende rekening, terwijl dat voor kinderen van 12 jaar en ouder wel mogelijk is! Zodra het besluit is genomen, blokkeren de banken de rekeningen en moeten de assistenten terug naar de bank om de situatie recht te zetten: dit duurt lang en is pijnlijk voor de gezinnen...
    De praktijken verschillen echter van bank tot bank.
  • Personen die onder bescherming zijn geplaatst, melden dat zij geen toegang hebben tot hun bankrekeningen. Zij willen kunnen analyseren wat zij ontvangen, wat zij uitgeven, en hun bankafschriften beschikbaar hebben via een bankapplicatie.
  • In het algemeen gaan bewindvoerders van goederen niet akkoord met het idee van een "prepaid" kaart, maar het is geen debetkaart die in het negatieve kan gaan. Dit soort kaart kan beschermde personen helpen wanneer zij duurdere online aankopen moeten doen.
  • Ook moet worden vermeld of de te beschermen persoon al dan niet met een bankkaart of contant geld kan omgaan. Sommige personen wordt een bankkaart geweigerd omdat ze onder bewindvoering staan. De (on)toegankelijkheid van bankzaken is een algemeen probleem voor personen met een handicap, maar de beschermingsmaatregelen doen er nog een schepje bovenop.
  • Op het terrein kan worden vastgesteld dat sommige rechters koste wat kost geld willen besparen. Wanneer een grote uitgave moet worden gedaan (b.v. de aankoop van een auto), gaan heel wat rechters daar niet mee akkoord.
  • In het algemeen wordt de wens om bescherming op maat te bieden vaak ondermijnd. Vrederechters vinken alle vakjes af. Voor sommigen is het verschil met de regeling van de verlengde minderjarigheid niet te zien. Soms hebben vrederechters geen tijd om de persoon te beoordelen.

Er is een wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de bekwaamheid van de beschermde persoon betreft ingediend om de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet uit te oefenen. Het stemrecht is een burgerrecht, net als het recht op vrij verkeer, integriteit, enz. Rechters zouden personen met een handicap nooit het stemrecht mogen ontzeggen (tenzij zij door een rechtbank worden veroordeeld, net als voor iedere andere burger). Rechterlijke beschermingsmaatregelen worden in de eerste plaats genomen om de persoon met een handicap te beschermen. Sommige personen zijn misschien niet in staat de handeling die ze stellen te begrijpen. Betekent dit dat zij door hun stem een gevaar voor zichzelf kunnen creëren? Ter vergelijking, zie hieronder de handelingen met betrekking tot de persoon waarover de rechter uitspraak moet doen. Het gaat er dus niet om personen te verbieden te stemmen, maar wel om de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken. Zo moet iedere burger de nodige informatie kunnen krijgen om zijn stemrecht correct te kunnen uitoefenen, in een taal die voor hem of haar toegankelijk is (bijvoorbeeld politieke programma's in gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal, in gebarentaal, in braille).

Bovendien is de NHRPH van mening dat de rechter een onder bescherming plaatsing moet weigeren die hij/zij als "misbruik" of "gemak" beschouwt, vooral voor verpleeghuizen/instellingen. Soms zijn er voldoende geleidelijke oplossingen voor verzorging en ondersteuning mogelijk zonder gebruik te maken van een beschermingsmaatregel.

B. Vertegenwoordiging of bijstand?

De vrederechter kan slechts vertegenwoordiging bevelen voor het verrichten van een rechtshandeling of een proceshandeling indien de bijstand bij het verrichten van die handeling niet toereikend is.

In de praktijk wordt bijna altijd gekozen voor vertegenwoordiging. Bijstand zou te duur zijn voor de beschermde persoon met een professionele bewindvoerder, aangezien hij meer begeleiding nodig heeft. Met een familiale bewindvoerder is de bijstand iets wijder verbreid, maar blijft moeilijk op te zetten. De beschikking keert zich tegen de persoon.

De aanvrager of het netwerk moet vaak veel moeite doen en veel argumenten aanvoeren om de vrederechter te doen besluiten tot "bijstand" in plaats van vertegenwoordiging. 

Naar de geest van de wet en met inachtneming van de beginselen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moet voorrang worden gegeven aan de regeling voor bijstand boven de regeling voor vertegenwoordiging. De beschermde persoon wordt slechts bij verstek onder vertegenwoordiging geplaatst. In de praktijk is het tegendeel waar. Het onder bescherming plaatsen met vertegenwoordiging blijft de norm. Bijstandsmaatregelen worden zelden uitgesproken. Er zijn geen specifieke middelen aangewend om deze bijstandsmaatregelen doeltreffend te maken. 

De huidige aanpak van vrederechters is nog te vaak ver verwijderd van de VN-voorschriften.

Hoe kan de UNCRPD dan worden nageleefd?

De hervorming van de Belgische rechtsbekwaamheid eerbiedigt de UNCRPD niet. Maar tegelijkertijd blijft de UNCRPD vaag: de tekst zegt dat PMH ondersteuning moeten en begeleiding bij hun keuzes en voorkeuren moeten krijgen. Het gaat er dus niet om hen te vervangen, en zelfs niet om hen te begeleiden in een rationele beslissing vanuit een gemeenschappelijk standpunt, maar om de wensen van PMH dagelijks en zo dicht mogelijk bij hun visie op het leven uit te voeren. Daartoe vraagt de NHRPH natuurlijk niet om de PMH aan zijn lot over te laten. Het gaat er niet langer om de situatie te onderzoeken vanuit het oogpunt van de bekwaamheid van de betrokkene, maar vanuit het oogpunt van wat hij of zij wil. Het gaat veeleer erom de langetermijnwensen van de betrokkene te verzoenen met zijn dagelijkse voorkeuren: elke voorkeur van de PMH is relevant en er moet worden nagegaan hoe deze voorkeur kan worden geïnterpreteerd in de context van zijn leven in het algemeen. Het gaat er niet langer om een "zwart-wit"-beoordeling van de bekwaamheid van de PMH te maken, maar te luisteren naar de verzoeken van de betrokkene vanuit zijn of haar eigen gezichtspunt en verwachtingen en niet vanuit een referent buiten de persoon.

De vertegenwoordiger wordt niet verboden, maar wat wel verboden is, is de beslissing te nemen in de plaats van de PMH. De "betrouwbare wil" wordt de leidraad, zelfs als dat negatieve gevolgen heeft voor de PMH. De handicap laat geen paternalistische aanpak toe. En zelfs als een PMH geen “betrouwbare wil” heeft, moeten zijn of haar keuzes worden gerespecteerd: "niets over ons zonder ons" EN mag hij/zij niet worden overbeschermd op grond van een handicap. Het gaat erom die persoon een "passende bescherming" te bieden, maar de bescherming mag geen reden zijn om zijn of haar levenskeuzes feitelijk te beperken.

Men moet aandacht hebben voor het feit dat de relatie tussen de beschermde persoon en de bewindvoerder volledig asymmetrisch is en dat de beschermde persoon zich in een relatie van grote afhankelijkheid bevindt; ouders en anderen kunnen zeer snel misbruik maken van hun macht: deze dimensie moet worden erkend. Alleen op die manier kan de beschermingsmaatregel "menselijk" worden doordacht en gemoduleerd en van een beschermende benadering overgaan naar een benadering van "eerbied voor de levenskeuze".

In de andere rechtbanken, bijvoorbeeld de arbeidsrechtbanken, krijgt de rechter bijstand van auditoren. Dit bestaat niet voor vrederechters.

C. Einde van de rechterlijke beschermingsmaatregel

De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon, diens bewindvoerder of iedere belanghebbende, alsook van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking een einde maken aan de rechterlijke beschermingsmaatregel of de inhoud ervan wijzigen. In voorkomend geval eindigt de rechterlijke beschermingsmaatregel op de dag waarop de beschikking wordt uitgesproken.

Personen moeten worden aangemoedigd om dit te doen: de behoeften van de persoon met een handicap veranderen. De procedure om een einde aan een bewind te stellen, is vaak zwaar voor de betrokkenen. Zij moeten, met een uitgebreide en goed geargumenteerde medische verklaring kunnen aantonen dat zij wel bekwaam zijn om zelfstandig alle handelingen uit te voeren. Maar het is zeer moeilijk om een dergelijke medische verklaring te verkrijgen. De leden van de werkgroep hebben echter getuigenissen ontvangen van verscheidene begunstigden die erin geslaagd zijn beschikkingen te doen opheffen, wanneer de vrederechter naar hen luistert.

Het komt terug op de entourage van de persoon met een handicap: heel wat sociale diensten weten te weinig over de regelgeving en kunnen de persoon dus niet adequaat adviseren.

Zelfs als de persoon een geneeskundige verklaring ter staving overlegt, is de vrederechter vaak geneigd de persoon onder bescherming te houden... De wetgeving staat toe dat de persoon tijdens een overgangsperiode zelf zijn beheer kan overnemen terwijl hij onder toezicht staat van de bewindvoerder, en dat voor een door de rechter te bepalen periode. Op die manier kan worden nagegaan hoe de betrokkene het ervan afbrengt. Als deze proef overtuigend is, kan de beschermingsmaatregel worden beëindigd. Dergelijke proefperiodes zouden vaker moeten worden toegepast, op voorwaarde dat het netwerk van de persoon actief wordt betrokken.

D. Benoeming van de bewindvoerder

Uittreksel uit Le Soir (https://plus.lesoir.be/371669/article/2021-05-11/justices-de-paix-ladministration-de-biens-sous-la-loupe-du-conseil-superieur-de)

Wegens de te hoge werklast zijn de vrederechters geneigd professionele bewindvoerders aan te stellen (wat volgens de HRJ in strijd is met de geest van de wet, die de voorkeur geeft aan familiale bewindvoerders). Van de 13 kantons waar de verhouding tussen professionele en familiale bewindvoerders werd gepeild, waren er slechts twee 50-50, terwijl in de andere kantons de neiging om advocaten als bewindvoerders voor goederen aan te stellen groot was (tot 98%). 

Hoewel de wetgeving de aanstelling van familiale bewindvoerders bevoorrecht, is de situatie eerder als volgt:

  • jegens familiale bewindvoerders is er vaak wantrouwen, tot bewijs van het tegendeel,
  • jegens professionele bewindvoerders overheerst vertrouwen, tot bewijs van het tegendeel.

De geest van de wetgeving inzake de bewindvoering is duidelijk: de beschermde persoon moet zoveel mogelijk bij de bewindvoering worden betrokken en goed worden geïnformeerd. Eén contact per jaar is onvoldoende. Rechters moeten dit veel strenger controleren.

In 2019 heeft de toenmalige Minister van Justitie, de heer Koen Geens, bij de NHRPH een voorontwerp van wet ingediend tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het instellen van een federale bewindvoeringscommissie en het bepalen van de voorwaarden voor het beroepsmatig uitoefenen van de functies van bewindvoerder over een beschermd persoon. Dit voorontwerp van wet had tot doel een betere vertegenwoordiging of bijstand van de te beschermen of beschermde persoon mogelijk te maken, in overeenstemming met zijn of haar belangen. 

Advies 2019/08 bevatte een aantal overwegingen. De meeste van deze overwegingen zijn vandaag de dag nog steeds relevant, en de NHRPH wenst het volgende te benadrukken:

  • Vrederechters moeten gesensibiliseerd worden om bij voorkeur een familielid aan te wijzen.
  • Indien de rechter voor een professionele bewindvoerder kiest, zal hij zijn keuze moeten motiveren en toelichten waarom deze keuze in het belang van de betrokkene is.
  • Er moet een maximum aantal dossiers per bewindvoerder worden vastgelegd. De NHRPH wil zelf evenwel geen aantal vastleggen. Sommige advocaten die verschillende bewindvoeringsdossiers behandelen, kunnen meer ervaring op te bouwen. Indien dit hun hoofdactiviteit is, kunnen zij een groter aantal zaken behandelen. Ook als de bewindvoerder zijn werk met overtuiging doet, en niet om snel geld te verdienen, is het mogelijk dat hij of zij verschillende dossiers goed behandelt. Maar er moet een grens zijn.
  • De vrederechter moet zich houden aan een zeer strikt ethisch kader met betrekking tot de bevoegdheden van professionele bewindvoerders en het kader voor begeleiding van de persoon onder bewind.
  • Er moet een deontologische code voor de professionele bewindvoerders worden ingevoerd; deze moet voorzien in duidelijke en precieze kwaliteitscriteria inzake het beheer van de dossiers. De werkgroep “Rechtsbekwaamheid” zal de komende maanden bijeenkomen om criteria voor te stellen met het oog op de ontwikkeling van een deontologische code.
  • De inhoud van de opleiding voor professionele bewindvoerders en van de erkenningsprocedure van de opleiders moet worden vastgesteld.
  • De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bewindvoerder moet worden gegarandeerd via evaluatie.
  • Er moet meer nadruk worden gelegd op informatie en steun voor de familiale bewindvoerders. De huidige brochure voor familiale bewindvoerders, opgesteld door de Koning Boudewijnstichting,moet worden aangepast en nog concreter en praktischer in gebruik worden gemaakt. De vrederechters moeten tevens worden gesensibiliseerd om deze brochure te verspreiden.
  • Vrederechters zouden zich moeten kunnen omringen met maatschappelijk assistenten, accountants, enz. In Canada bijvoorbeeld ziet de "Openbare curator" van Quebec toe op de bescherming van onbekwame personen, de vrijwaring van hun autonomie en de eerbiediging van hun rechten, terwijl hij hun familie en naasten bijstaat in hun plichten. Om zijn taken uit te voeren, wordt hij omringd door advocaten, maatschappelijk assistenten, ...
    https://www.quebec.ca/gouvernement/ministeres-et-organismes/curateur-public

E. Bezoldiging van de bewindvoerder

In december 2018 werd een voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders ingediend bij de NHRPH. Over dit voorontwerp is advies 2018/35 uitgebracht. Het is tijdens de vorige zittingsperiode niet aangenomen.

Op 6 januari 2022 heeft de heer Vincent van Quickenborne, Minister van Justitie, het advies van de NHRPH gevraagd over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders (advies 2022/08). In zijn advies stelt de NHRPH opnieuw het gebrek aan voorspelbaarheid en duidelijkheid van de tekst aan de kaak, gezien de ruime marge voor interpretatie van de termen en benaderingen van de tekst.

De NHRPH dringt nogmaals zeer sterk aan op:

  • Het definiëren van de minimumprestaties waarvoor de forfaitaire bezoldiging van 3% is voorzien, met name:
    • de belastingaangifte van natuurlijke personen;
    • de twee bezoeken per jaar aan de beschermde persoon;
    • de verzoeken om sommen van de spaarrekening of andere geblokkeerde rekeningen te kunnen opnemen;
    • de overschrijvingen;
    • het opstellen van verslagen (de inventaris die binnen 6 weken na kennisgeving van de beslissing van de rechter bij de griffie moet worden ingediend en de jaarverslagen).
  • Een correcte definitie van de inkomensbasis die zowel het bescheiden karakter als de filosofie van de bestaansmiddelen respecteren, met een zeer duidelijke grens: de tegemoetkomingen om het verlies van zelfredzaamheid te compenseren, niet enkel de integratietegemoetkoming (IT) en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB), maar ook bijvoorbeeld de tegemoetkoming voor hulp van derden van het RIZIV, de persoonsvolgende financiering (PVF) of het persoonlijk assistentiebudget (PAB) mogen in geen geval in aanmerking worden genomen.
  • Een goed doordachte afstemming tussen de artikelen die de bezoldiging van de bewindvoerder vaststellen: door de artikelen 1 en 2 te cumuleren loopt de bezoldiging voor alle beschermde personen op tot een forfait van 4%. Ook de vergoeding van 75 tot 125 euro per uur voor "bijzondere ambtsverrichtingen" zet de deur open voor willekeur. Bepaalde niet-professionele bewindvoerders doen soms een beroep op een accountant: dit kost ook geld.

De NHRPH vraagt daarom dat een zeer gedetailleerde tekst door alle vrederechters wordt samengesteld. Dit document zou bijvoorbeeld kunnen voorzien in verschillende bedragen voor logistieke diensten en intellectuele diensten, maar ook in aanpassingen naar gelang van de hoogte van het inkomen van de betrokkene.

Ten slotte vraagt de NHRPH zich af of deze kosten niet ten laste zouden moeten zijn van de gemeenschap. Indien dit niet mogelijk is, moet de in aanmerking genomen inkomensbasis worden herzien.

F. Contacten

De HRJ vraagt dat de vrederechter ervoor zorgt dat de bewindvoerder ten minste één keer per jaar effectief een contact heeft met de beschermde persoon. De NHRPH is van mening dat één contact per jaar onvoldoende is.
De vrederechter moet zich er ook van vergewissen dat de bewindvoerder aandacht heeft voor de kwaliteit en de levensomstandigheden van de beschermde persoon. Dit moet niet enkel reactief gebeuren, maar ook proactief.

G. Verslag

De bewindvoerder moet verslag uitbrengen:

  • aan de vrederechter
  • aan de beschermde persoon indien zijn of haar toestand dit toelaat
  • in voorkomend geval, aan de andere bewindvoerder of de nieuwe bewindvoerder
  • aan de vertrouwenspersoon

De vrederechter kan vragen om andere betrokkenen, zoals ouders of de maatschappelijk assistent, op de hoogte te houden.

De rapportageverplichting van de bewindvoerder verschilt naar gelang van het soort opdracht.

  • bewindvoerder met vertegenwoordigingsopdracht
  • bewindvoerder met bijstandsopdracht
  • Ouders-bewindvoerders

De NHRPH is van mening dat in sommige gevallen een schriftelijk verslag aan de beschermde persoon niet voldoende is. Sommige personen met inzagerecht voor het verslag zouden vaker verslagen willen ontvangen.

De beschermde persoon moet, naargelang van zijn mogelijkheden, zo volledig mogelijk worden ingelicht.

De wetgeving bepaalt dat vrederechters voor ouders die bewindvoerder zijn, kunnen afzien van de jaarlijkse rapportageplicht. De NHRPH betreurt het dat niet alle vrederechters van deze mogelijkheid gebruik maken. De overgrote meerderheid van de ouders wil het beste voor hun kind. Door de lange wachtlijsten voor toegang tot bepaalde zorg, moeten ouders deze zorg zelf blijven verlenen. Maar voor beslissingen over hun zoon/dochter moeten ze naar de vrederechter. Zij moeten bijvoorbeeld toestemming vragen om geld van de spaarrekening te halen. Terwijl het geld op de spaarrekening meestal van de ouders komt. Dit is een zeer gevoelige kwestie voor veel ouders, die het zien als een teken van wantrouwen.

Wanneer de vrederechters een verslag hebben gecontroleerd (zowel wat betreft het vermogen als dat over de persoon), krijgen de bewindvoerders zelden feedback. Ze krijgen dit alleen als de vrederechter het verslag niet goedkeurt. Dit is een bron van ongerustheid en onzekerheid voor familiale bewindvoerders. Een briefje of e-mail versturen naar personen nadat het verslag is gecontroleerd, hoeft geen grote moeite te zijn.

Voorts moet worden overwogen een budget uit te trekken om externe deskundigen te betrekken om de bewindvoerders bij te staan bij de controle van de rekeningen.

III. Bij wijze van conclusie

Het is bijzonder verontrustend vast te stellen dat de praktijken van rechtsgebied tot rechtsgebied verschillen, waardoor het beginsel van gelijkheid van de Belgen voor de wet in het gedrang komt. De audit van de HRJ heeft dit voldoende aangetoond en het er moet zo snel mogelijk een einde worden gemaakt aan deze feitelijke situatie.  

De NHRPH benadrukt met klem de reikwijdte van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap. Een doelstelling die de kwestie van het beschermingsstelsel overstijgt is het vatten en respecteren – globaal en op dagelijkse basis – van de wil van de PMH.

De NHRPH wenst de aandacht te vestigen op een aantal overwegingen in de studie “Handicap en rechtsbekwaamheid: voor een uitvoering van de wet van 17 maart 2013 waarbij de geest van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap zo goed mogelijk wordt gerespecteerd – Voorgestelde pistes afkomstig van een vergelijkende analyse van de Quebecse en Engelse (para)juridische systemen” door Céline Vandermeulen, Academiejaar 2020-2021, waaronder:

  1. De noodzaak om aangepaste communicatiemiddelen tussen de PMH en zijn bewindvoerder in te voeren;
  2. Een sterke samenwerking tussen de juridische, medische en psychosociale wereld – vergelijkbaar met wat wordt voorgesteld binnen de Openbare Curator in Quebec;
  3. De dejuridisering van de bijstand zoals Quebec heeft ingevoerd. “Aangezien het niet te ontkennen valt dat, ondanks het beginsel van bijstand, dit in België bijna nooit wordt uitgesproken bij wijze van voorzorgsmaatregel en omdat het in de praktijk moeilijker uitvoerbaar lijkt, zou het voorzien in een fase voorafgaand aan de rechtszaak blijkbaar een stimulans kunnen zijn om gebruik ervan te maken. Op die manier kan een officieel statuut worden verleend aan familieleden en naasten die de betrokkene informeel bijstaan en die niet naar de rechter willen stappen met een verzoek om plaatsing onder rechterlijke bescherming, niet alleen om de omslachtige formaliteiten bij de uitoefening van de bewindvoering te voorkomen, maar ook uit angst dat een vertegenwoordigingsregeling zal worden uitgesproken.” 

Ten slotte dringt de NHRPH erop aan dat voor PMH met weinig middelen de beschermingsregeling door de gemeenschap ten laste moet worden genomen.


Bijlage: Gebruik van het centraal register voor de bescherming van personen: samenvatting van de getuigenissen

Sinds 1 juni 2021 maken de vrederechters voor de rechterlijke bescherming gebruik van het centraal register voor de bescherming van personen. In dit verband werd de leden van de werkgroep verzocht hun netwerken te ondervragen, zodat zij hun ervaringen konden delen. Een vertegenwoordiger van het kabinet van de minister van Justitie werd door de werkgroep gehoord.

1. Cross-sectionele bevindingen

De praktijk verschilt sterk van de ene vrederechter tot de andere:

  • Inwerkingtreding van de nieuwe procedure: sommigen hebben de familiale bewindvoerders per post op de hoogte gebracht, anderen niet. Voorbeelden: Fléron en Huy (Hoei) ja; Verviers en Waremme (Borgworm) nee.
  • Sommigen hebben na 01/06/2021 papieren dossiers aanvaard, anderen niet. Bij de invoering van dit platform werd meegedeeld dat in eerste instantie alleen professionele administrateurs verplicht zouden zijn het platform te gebruiken. In de praktijk weigeren sommige vrederechters echter papieren verzoeken/verslagen/aanvragen voor het debiteren van spaarrekeningen en zijn gezinnen verplicht het verzoek elektronisch in te dienen.

Het centrale register werd opgezet, zonder enige echte uitleg. Vele gezinnen hadden de brief ontvangen, maar begrepen die totaal niet. Dit is een ander negatief punt: er werd geen duidelijke uitleg gegeven. De communicatiecampagne is een ramp.

2. Gebruik door gezinnen

Gevreesd wordt dat veel gezinnen niet meer zelfvoorzienend zullen zijn.

Toen de formulieren nog op papier mochten worden ingeleverd, konden de gezinnen dat nog zelfstandig doen. De verenigingen kregen de gelegenheid om samen met hen het eerste verslag in te vullen. Zij maakten jaarlijks kopieën van de blanco documenten en gebruikten het ingevulde document als basis voor bijgewerkte verslagen.

Met de elektronische versie zullen deze gezinnen deze verworven autonomie verliezen. Elke bewindvoerder van wie de aanvraag elektronisch is ingediend, zal de verslagen/aanvragen elektronisch moeten terugsturen.

Wat doen we met gezinnen die geen toegang hebben tot een computer of een internetverbinding?

Er zijn computers beschikbaar in de griffies van de vrederechters, maar het is niet mogelijk de gezinnen daarheen te sturen om hun verslagen in te vullen en in tegenstelling tot wat de Minister in zijn communiqué zegt, hebben de griffiers niet de tijd om hen te helpen. Dit betekent dat de verenigingen de gezinnen jaarlijks zullen moeten helpen, terwijl de gezinnen het heel goed deden op eigen kracht.

We moeten de vrederechters te vragen met beide systemen (papier - elektronisch) te blijven werken, zoals de FOD, AViQ, PHARE, ...

Een ander punt is dat bij de indiening van een aanvraag een gedetailleerd medisch attest moet worden voorgelegd. Als het gezin de aanvraag online begint in te vullen, vergeet (of niet weet) dat het een gedetailleerd medisch certificaat moet invullen en de aanvraag op wacht zet om naar de dokter te gaan, zal het alles opnieuw moeten invullen. Er wordt niets opgeslagen.

Conclusie: de digitale kloof wordt eens te meer vergroot! Het is van essentieel belang dat gezinnen bijstand krijgen voor de administratieve opvolging, zonder langs de griffies te passeren. Maatschappelijk werkers van de FOD Justitie zouden deze grotere of kleinere bijstand kunnen verlenen, afhankelijk van de situatie. Momenteel zijn het de verenigingen van PMH die de steun verlenen: zij worden niet vergoed, hoewel zij aan de wettelijke vereisten moeten voldoen. Financiering van verenigingen zou ook een oplossing kunnen zijn.

Het gebruik van het internetplatform "centraal register" voor alle administratieve contacten met de vrederechter maakt deel uit van een algemene beweging om de betrekkingen tussen personen en organisaties te digitaliseren, of het nu gaat om openbare diensten, handelaars of vrijetijdsaanbieders. De "revolutie" is aan de gang, een onstuitbare opmars, nog versneld door COVID-19. Het probleem is dat degenen die zich niet aanpassen aan de digitale evolutie, d.w.z. degenen die reeds cultureel achtergesteld zijn, nog verder zullen worden gemarginaliseerd in de samenleving.

Veel bewindvoerders en vertrouwenspersonen zullen te lijden hebben onder deze digitale kloof. Om nog te zwijgen over de beschermde personen…

Tweede conclusie: het risico van onteigening

De vrees is groot dat families en beschermde personen de regie over hun leven zullen verliezen. Veel gezinnen zullen waarschijnlijk een beroep doen op professionele bewindvoerders, hetgeen kosten met zich meebrengt, kosten die moeilijk te schatten zijn gezien de uiteenlopende praktijken van de verschillende bewindvoerders... Ook hier blijkt weer de noodzaak van nauwkeurige financiële richtsnoeren.

Maar er is nog iets ergers: het verlies van financiële, administratieve en sociale controle over het dagelijks leven en zelfs de intimiteit. Kortom, de kloof tussen de filosofie van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap - de filosofie waaraan de wet van 2013 moest beantwoorden - en uitvoering ervan door de overheid wordt steeds groter. Het platform brengt de autonomie van gezinnen in gevaar.

3. Toegankelijkheid

Ook de toegankelijkheid voor volwassenen met een verstandelijke handicap is aan de orde: "Het is niet omdat ik een handicap heb dat ik niet op het internet ga!”

Een voorbeeld: er staan geen instructies of andere informatie in FALC op de website (gemakkelijk te lezen en te begrijpen tekst).

4. Getuigenissen van individuele personen

a. Getuigenis van een moeder, bewindvoerder van het eigendom van haar dochter:

  1. Volgens de beschikking wordt tot april 2021 aan het eind van de maand alles boven 5000 euro op een depositorekening gestort totdat het in totaal ongeveer 12 000 euro aan spaargeld bedraagt.
  2. 13 april - verzoek aan de vrederechter (papieren document): verzoek om de spaargelden voortaan te storten in een nominatief fonds binnen de Stichting Portray.
  3. 6 mei: voorstel van de rechter: stort wat 5.000 euro overschrijdt van de lopende rekening in het fonds op naam van de stichting. Het spaargeld dat reeds op de spaarrekening staat, blijft behouden.
  4. 10 juni: Er wordt een overeenkomst gesloten met de Stichting Portray, en er wordt een nominatief fonds opgericht.
  5. 30 juni: indiening van de overeenkomst bij de vrederechter via het centrale register.

Bevindingen en problemen: De bewindvoerder ondervond moeilijkheden bij het registreren en verzenden van de gescande overeenkomst op het platform. Het elektronische systeem weigerde de referentie, die het nummer van de beschikking aangaf. We moesten zelf een oplossing vinden, met vallen en opstaan. Wij moesten de referentie van de in april ingediende aanvraag vermelden. Er stond geen uitleg op het platform zelf en er was ook geen brief met uitleg.

b. Een vader die de bewindvoerder is van zijn twee zonen (een advocate treedt op als vertrouwenspersoon)

Toen ik inlogde op het platform, vond ik tot mijn verbazing niets over mijn dossier, noch de beschikkingen, noch de vorige verslagen. Ik wist niet wat ik moet doen. Een handleiding ontbrak!

Enkele weken nadat het centrale register was opgezet, was er echter een overzicht beschikbaar van de aktes die sinds 2019 zijn aangenomen.

c. Een vertrouwenspersoon

De toegang van het platform leek me vlot te gaan. Ik heb het zonder veel moeite bezocht. Ik heb niet geprobeerd alles goed te begrijpen omdat ik als vertrouwenspersoon een raadgevende functie heb en het platform niet moet gebruiken. Maar een kleine briefing lijkt me noodzakelijk. Ik vind dat je al enige kennis moet hebben om het te durven gebruiken. Je moet eraan denken om de hulppagina's te zoeken in de banner onderaan de pagina. Deze pagina's, teksten of video's, lijken mij al erg zwaar om te vinden en te verwerken. Het lijkt me dat u al bepaalde juridische of administratieve termen of begrippen moet kennen; dit vereist bijstand...

Uiteindelijk gaf ik het op. Als een vertrouwenspersoon weet ik nog steeds niet in of ik er veel nut aan kan hebben.

Ik heb echter vastgesteld dat de aanwezigheid van nieuwe te raadplegen documenten niet wordt aangegeven, bijvoorbeeld per e-mail. Je moet er dus aan denken om de site regelmatig te controleren.

Over één ding ben ik erg teleurgesteld: als ik het goed begrepen heb, verloopt - zodra je je hebt ingeschreven - alle communicatie alleen nog maar via dit kanaal. Maar je moet je registreren om te weten te komen waar het allemaal om gaat! En opgelet: je wordt niet gewaarschuwd dat je de Rubicon oversteekt!

d. Een andere moeder-bewindvoerder

Ik heb contact opgenomen met de vrederechter in Luik (1e kanton). De rechter heeft er 4 maanden over gedaan om het verslag te lezen dat ik had opgestuurd, hij vroeg om een correctie in het verslag (het ontbreken van een totaal). De griffier weigert tot op heden elke correctie op papier omdat het centraal register sinds 1 maand bestaat. Ik moet dus het hele verslag opnieuw maken via het platform omdat de rechter er 4 maanden over deed om het te lezen.

e. Een vader van 2 onder gerechtelijke bescherming gestelde personen

De griffier van de vrederechter van Waremme (Borgworm) schreef op 3 september 2021: "Tot nu toe kon u ons uw verzoeken, verslagen en brieven alleen per post toesturen. Het is voortaan mogelijk, als u dat wenst, om dat elektronisch te doen via deze site en u zult ook brieven en beschikkingen op dezelfde manier ontvangen. Dit is geen verplichting, u kunt het zoals voorheen per post blijven doen en voor degenen die geen computer hebben, is er voor dit doel een beschikbaar in alle vredegerechten.”

De updates van alle documenten sinds november 2017 zijn te vinden op de website. Het enige nadeel is dat ik ze niet kan openen, maar het vraagt gewoon een eenvoudige computerinstelling om ze zichtbaar te maken voor het lezen.

Ter informatie: de downloadcapaciteit is beperkt tot 6 MB, wat volstrekt onvoldoende is aangezien ik de dossiers in Waremme op papier afdruk: PDF-formaat in A4 en A3 en in kleur… Het gaat om meer dan 50 MB, met meer dan 50 dubbelzijdige pagina's voor elk kind!

5. Getuigenissen van verenigingen

De maatschappelijk werkers van de verenigingen helpen de gezinnen bij hun contacten met de vrederechter.

  1. De digitale kloof: een maatschappelijk werkster getuigt over de absolute weigering van papier: je hebt internet nodig, een computer, een identiteitskaartlezer of een Itsme-account, ... Er is zich hier een enorme digitale kloof aan het ontwikkelen. Een andere maatschappelijk werker getuigt in de andere richting: onze vereniging heeft sinds 1 juni 20 gezinnen geholpen om documenten te overhandigen: geen informatie aan de gezinnen, overhandiging van documenten in papieren vorm. Documenten aanvaard.

    Een van de reacties op de digitale kloof is het ter beschikking stellen van computers in de vredegerechten. Er zijn niet zoveel vrederechters meer, het is soms om vrij ver reizen (Na de sluiting van het vredegerecht van Hannut moet men naar Waremme, d.w.z. 18 km van het centrum van Lincent). Je moet weten hoe je een computer moet gebruiken. Zijn er scanners om documenten te scannen? Je moet al je documenten meenemen, zonder iets te vergeten. Dit is absoluut niet praktisch.

    Nu moeten alle aanvragen via dit portaal gaan. Geen uitzonderingen.

  2. Login met ID-kaart. De ID-kaart moet al leesbaar zijn. Een maatschappelijk werker had verschillende keren een foutcode omdat de chip zogenaamd niet bruikbaar was. Alleen de aan het dossier gekoppelde personen hebben toegang (geen enkele maatschappelijk werker kan inloggen zonder de kaart van de betrokkene).

  3. De PIN code. Wie heeft ooit echt de PIN-code van zijn identiteitskaart gebruikt? Veel van de mensen die de maatschappelijk werkers hebben ontmoet, kenden hun PIN-code niet, sommigen vonden hun papier terug, anderen moesten bij de gemeente een nieuwe PIN-code aanvragen (wachttijd van minimaal 2 weken).

  4. Naar het dossier van de persoon. Je hebt enige goede administratieve en juridische kennis nodig om het juiste document te vinden: kiezen tussen vertegenwoordigende bewindvoering of bijstand, periodiek of eerste verslag... Bij het eerste gebruik is het platform niet intuïtief.

  5. Griffiers zijn niet goed op de hoogte. Een maatschappelijk werkster uit Luik heeft naar de vrederechter in Waver moeten bellen om informatie te krijgen over het gebruik van het register; de griffier kon haar niet veel informatie geven. Ze gebruiken het niet, dus kunnen ze het niet uitleggen. Gelukkig is er een helpnummer in de contacten van het platform.

  6. Positief is dat de interface, eenmaal in het juiste formulier (verzoeken en verslagen), zeer toegankelijk en goed uitgevoerd is.

6. Getuigenis van een Vlaamse vereniging (e-mail aan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

We hebben net voor de zoveelste keer geprobeerd een antwoord te krijgen op een vraag over een digitaal dossier door te bellen met het Kabinet van Justitie. De receptioniste wist niet waar de vraag over ging en vond het nodig het gesprek abrupt te beëindigen.

“Gezin en Handicap", een vereniging van het middenveld, probeert als maatschappelijke organisatie de ouders (in dit geval de familiale bewindvoerders) zo goed mogelijk te informeren en te ondersteunen. Vanaf het moment dat het digitale dossier werd aangekondigd, is er geen reactie gekomen van uw kabinet of administratie om ons correct en tijdig te informeren. Wij worden voortdurend doorverwezen naar de algemene informatiekanalen. Specifieke vragen worden niet beantwoord.

Aanstaande donderdag organiseren wij in samenwerking met "Similes" (Stan en FOVIG vzw) een webinar om familiale bewindvoerders stap voor stap wegwijs te maken in het digitale dossier. Bij verschillende gelegenheden heeft een van onze organisaties contact opgenomen met uw kabinet of met de Administratie van Justitie om een demonstratie van de CRBP te vragen. Het enige antwoord is een verwijzing naar de films en FAQ's.

Met enige moeite is toch een presentatie voorbereid voor ons webinar van donderdag, op basis van een bestaand dossier waarin privégegevens zijn gewist. Wij betreuren deze manier van werken ten zeerste. Het is duidelijk dat er behoefte is aan informatie voor familiale bewindvoerders. Er was geen reclame nodig voor dit webinar; de inschrijvingen stroomden binnen. We eindigden met 250 deelnemers en moesten veel belangstellenden teleurstellen. Dus willen we een volgend webinar plannen. Maar moeten we opnieuw vertrekken van amateuristische printscreens? Zou het mogelijk zijn om ons een demonstratie van dit platform te geven?

Volgens de FAQ's is er een overgangsperiode voor familiale bewindvoerders. Zij MOETEN nog NIET met de CRBP werken. Steeds meer vrederechters geven familiale bewindvoerders echter geen andere keuze dan digitaal te werken. De situatie is dat familiale bewindvoerders steun nodig hebben om met CRBP te werken, maar dat organisaties die deze hulp willen bieden, geen medewerking krijgen van uw diensten.

Contacten met de vrederechters, die de familiale bewindvoerders reeds verplichten om numeriek te werken, eindigen met het volgende antwoord: "het is onze beslissing, wij hoeven die niet te verantwoorden". Er zijn ook verschillende signalen dat de vrederechters familiale bewindvoerders die (nog) niet in staat zijn om digitaal te werken te vervangen door een professionele bewindvoerder. U zult begrijpen dat wij dit als een brug te ver zien.

7. Getuigenis van een professionele bewindvoerder

Ik denk dat de opeenvolgende kabinetten van de ministers van Justitie de moeite hebben genomen om het veld, d.w.z. in de eerste plaats de vrederechters en de professionele bewindvoerders, op een collectieve manier te raadplegen VOORDAT het programma werd ontworpen en ook niet TIJDENS de uitvoering ervan. Uiteindelijk hebben de vrederechters via de korpschefs en de advocaten-bewindvoerders via advocaat.be en de Orde van Vlaamse Balies de handen in elkaar moeten slaan, zodat er eindelijk een task force kon worden opgericht... NA... de lancering van het programma, dat alvast vanaf 1 juni 2021 verplicht was voor professionele bewindvoerders.

Het kabinet was niet op de hoogte van het feit dat het gerechtelijk wetboek de data van de gerechtelijke vakanties heeft vastgelegd van 1 juli tot 31 augustus... Had het kabinet een betere periode kunnen kiezen? Ja, om een lawine van terechte kritiek te vermijden omdat de acteurs op vakantie zijn? Maar dat laat niet toe om de degelijkheid van het programma doeltreffend te beoordelen.

Er zij op gewezen dat er niet de minste STRUCTURELE opleiding is georganiseerd voor eerst de griffiers, vervolgens de vrederechters en a fortiori voor de advocaten-bewindvoerders. Aan de vrederechters werd een vage online-opleiding aangeboden, waarvan de kwaliteit (zeer matig) niet voldeed aan de gerechtvaardigde verwachting van een opleiding die die naam waardig is.
Iedereen belt de helpdesk, als ze die kunnen bereiken tenminste, want die is overbevraagd (ook al was het vakantie). Voor het overige is het behelpen door elkaar te raadplegen en te vertrouwen op de wederzijdse welwillendheid van het personeel van de griffies, de vrederechters en de collega's.

Zelf ben intensief bezig met bewindvoering en heb ik geprobeerd me het programma eigen te maken, niet alleen omdat ik daartoe verplicht was, maar ook omdat ik samen met de “association belge des syndics et administrateurs de biens” vragen moest beantwoorden naar aanleiding van de specifieke opleidingen hierrond die ik heb georganiseerd.
Precies op dat moment wilde de huidige syndicus van de bewindvoerders van het arrondissement een CRBP-opleiding opzetten: totaal geen respons van alle kanten en in de eerste plaats van het bedrijf dat het programma had ontworpen! Ongetwijfeld uit angst kritiek te krijgen op een programma dat in geen enkel opzicht voldoet en gebaseerd is op een totaal verouderd concept dat thuishoort in het laatste kwart van de 20e eeuw...

Behelpen dus, aangezien we geen keus hebben en het moeten gebruiken...

Strikt materieel gezien is er hoop, maar de controle van de goede werking van het programma kan pas vanaf 1 juni 2022 worden uitgevoerd, aangezien de in het programma geïntegreerde gegevens (de eerste fundamentele fout van de programmaontwerpers) lopen voor alle dossiers van 0 tot 1 juni 2020. Hoe de saldi aan het eind van de het begrotingsjaar zich zullen verhouden tot die van de nieuwe is momenteel een raadsel. Weliswaar worden oude documenten toegevoegd aan (of vermeld in) het digitale dossier, maar de bewindvoerder kan die niet gebruiken; hij kan enkel zien dat zij aan het dossier zijn toegevoegd... zonder dat hij ze kan raadplegen! Waarmee hij weer aangewezen is op het papieren dossier van de griffie...

De efficiëntie die de CRBP beweert te bevorderen, zal alleen worden bereikt mits een totale herziening (herontwerp) van de CRBP.

Momenteel is het een postbus, meer niet: geen gebruiksvriendelijke organisatie van het programma die het mogelijk maakt een document betreffende een dossier gemakkelijk terug te vinden (bijvoorbeeld een beschikking, een verzoek, een brief van een rechter aan de bewindvoerder of omgekeerd ...). Alles wordt van dag tot dag gearchiveerd zonder enige mogelijkheid tot sorteren. Erger nog, de documenten die ter rechtvaardiging bij een document zijn gevoegd, zijn allemaal stevige turven die je moet doornemen. Het is aan de bewindvoerder om een document te vinden. De professionele bewindvoerder zal zich node organiseren door rekening te houden met de tekortkomingen van het programma. Het zal een pak ingewikkelder zijn voor de familiale bewindvoerder.

Krijgt de familiale bewindvoerder hulp van de griffie? Dat wordt heel moeilijk, niet omdat het personeel van het register onwillig is, integendeel, maar omdat de griffie gewoon geen toegang heeft tot het platform aan de kant van de bewindvoerder. Onwaarschijnlijk maar waar. De enige mogelijkheid is dat een griffier naar de machine bij de griffie gaat om toegang te krijgen tot het dossier, samen met de individuele bewindvoerder, die zich moet identificeren met zijn identiteitskaart en zo tegelijk met de betrokkene het dossier moet leren kennen.

Tot zover de technische aspecten: een volslagen waardeloos programma.

Maar belangrijker is dat het programma ook op fundamentelere manieren tekortschiet
De manier waarop het programma is opgezet, leidt tot de uitgifte van documenten die in strijd zijn met het koninklijk besluit van 31 augustus 2014, dat voorzag in een specifieke vorm van verslaggeving. Het lijkt essentieel dat de uitvoerende macht beter inspeelt op de behoeften van de rechterlijke macht en uiteindelijk ook van de burgers.
Een van de belangrijkste punten van niet-naleving is dat in de verslagen die in het PCR moeten worden opgenomen, in het geheel niet wordt verwezen naar de rekeningsaldi van het vorige begrotingsjaar, hetgeen het basisuitgangspunt moet zijn voor een doeltreffende controle. Zij horen niet thuis in de huidige versie van het programma. Misschien komt daar voor het begrotingsjaar dat op 1 juni 2022 begint, verandering in. Niemand die het weet.

Het koninklijk besluit van 31 augustus 2014 had standaardmodellen ontworpen en opgelegd die voor het grote publiek al onleesbaar waren. Het CRBP-model is nog onbegrijpelijker voor het grote publiek, laat staan voor de beschermde persoon (wanneer zijn of haar verstandelijke vermogens dat toelaten, hoe beperkt die ook mogen zijn, maar ook de vertrouwenspersoon die wettelijk de ontvanger is of de familieleden die interesse tonen voor de beschermde persoon). Het staat vast dat informatici in staat zouden moeten zijn een gebruiksvriendelijkere versie te ontwerpen, maar dat is momenteel zeker niet het geval. Had men het hun maar gevraagd. Ik wijs er nogmaals op dat het veld niet of nauwelijks is geraadpleegd.

Er rijzen nog fundamentelere vragen waarop tot dusver geen bevredigend antwoord is gegeven: hoe zit het met de gegevensbescherming (niet alleen van cijfers) maar ook van persoonsgegevens die door de bewindvoerder aan de rechter worden meegedeeld? Zolang de dossiers door de griffiers op papier werden beheerd, was er een permanente controle op de verantwoordelijkheid van de griffiers om de dossiers te beschermen en de inhoud ervan alleen mee te delen aan degenen die er toegang toe konden hebben. Wat voor beschermingsstructuur is er nu? Niemand die het weet. De rechters hebben de vraag gesteld, maar hebben voorlopig nog geen bevredigend antwoord gekregen.

Als de komst van het CRBP op efficiëntie is gericht, zonder dat dit tot uitdrukking komt en hoewel het kabinet dit ontkent, gaat het erom de werklast op de bewindvoerders af te wentelen om de griffiers te ontlasten met het gevreesde maar voorspelbare vooruitzicht van een reorganisatie van het personeelskader. Zou deze verwachte ontwikkeling de professionalisering van de functie van bewindvoerder niet in de hand werken?

De informatisering is een bron van angst voor particuliere bewindvoerders (die nog niet verplicht zijn het CRBP te gebruiken zoals professionele bewindvoerders). De toename van de werklast die wordt verlegd, is eveneens zorgwekkend en kan leiden tot het aanmoedigen van buitengerechtelijke bescherming (mandaat), waarvan het eerste en ernstigste gebrek het totale gebrek aan controle is.

Ik heb het niet eens over de ontmenselijking die deze ontwikkeling teweegbrengt.

Dit is een eerste ontwerp, we zouden het nog kunnen hebben over andere gebreken, onder meer als gevolg van de verouderde hardware en de basissoftware waarmee Justitie is uitgerust en waarmee het . CRBP uiteraard is verbonden.

8. Suggesties

  • Verenigingen en gezinsondersteunende diensten voorzien van personen die een opleiding kunnen geven over de procedure, of zelfs een dergelijke opleiding organiseren in de vrederechtbanken.
  • Een testruimte op het platform installeren.
  • Een nieuwsbrief sturen naar familiale bewindvoerders, vertrouwenspersonen en professionals uit de handicapsector (zoals handicapverenigingen) om hen op de hoogte te brengen van wijzigingen (nieuw document, nieuwe bron, nieuwe procedure enz.). Het is zelfs technisch mogelijk om kennisgevingen te sturen op basis van het profiel van de betrokkene.
  • Voorzien in de mogelijkheid om "op de oude manier" te communiceren (papieren documenten). Dit is de prijs die moet worden betaald om de filosofie van het VN-Verdrag en de wet van 2013 te eerbiedigen en zo voor iedereen toegankelijk te blijven.
  • Verstrekken van informatie in FALC
  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/22 - Tewerkstellingsgraad in het openbaar ambt

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) inzake een nota aan de Ministerraad over de acties betreffende het behalen van het quotum van 3% tewerkstelling bij de federale overheidsdiensten ingevolge het rapport BCAPH 2021.

Advies uitgebracht op 12/07/2022 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 11/07/2022 wegens de door mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap, gevraagde hoogdringendheid.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met personen met een handicap, zoals gevraagd in haar e-mail van 08/07/2022.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De Vice-eerste minister belast met Ambtenarenzaken evenals de Minister belast met Personen met een handicap willen de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap in het openbaar ambt doen toenemen.

3. ANALYSE

Het is wettelijk bepaald dat de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap in het openbaar ambt 3% bedraagt. Deze tewerkstellingsgraad werd in de meeste federale administraties nooit bereikt. Erger nog, hij neemt van jaar tot jaar af. In 2021 bedraagt deze tewerkstellingsgraad 1,06% tegenover 1,54% in 2012. Zie de opeenvolgende verslagen van de BCAPH.

In een nota aan de Ministerraad stellen de ministers respectievelijk belast met ambtenarenzaken en personen met een handicap het volgende vast:

  1. De tewerkstellingssituatie van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt verslechtert al heel wat jaren.
  2. De tot nu toe ondernomen acties hebben geen enkel effect op de tewerkstellingsgraad.
  3. Indien de tewerkstellingsgraad van 3% wordt behaald, kunnen 1.112 nieuwe voltijds equivalenten zich bij het openbaar ambt voegen.   

Ter herinnering:

  1. De regering heeft zich in het regeerakkoord tot de volgende doelstelling verbonden: “We maken van de overheid een voorbeeld inzake inclusief personeelsbeleid en engageren ons ervoor te zorgen dat het personeelsbestand de diversiteit in de samenleving weerspiegelt. De regering doet extra inspanningen om haar eigen streefcijfer van minstens 3% voor tewerkstelling van personen met een handicap bij overheidsdiensten te halen, onder meer in haar recruteringsbeleid en beleid rond werkomgeving.”
  2. In maatregel 48 van het Federaal Actieplan Handicap wordt meer concreet het engagement van ieder regeringslid opgegeven: “Vanaf 2022, voorzien van een hoofdstuk over de uitvoering van de maatregelen in het kader van handistreaming in alle bestuursovereenkomsten van de federale administraties (toegankelijkheid van alle diensten voor iedereen, strijd tegen non-take-up, het gebruik van FALC en redelijke aanpassingen, % tewerkstelling van personen met een handicap, enz.). Een actieplan dient hieromtrent uitgewerkt te worden. Dit wordt vervolgens ter advies voorgelegd aan de BCAPH.”

Dit betekent dat elke administratie verantwoordelijk is om, gestimuleerd door de toezichthoudende minister, een actieplan op te stellen met concrete maatregelen om deze 3%-norm te behalen.

Tijdens de volgende Ministerraad zal het volgende worden gevraagd:

  1. het college van voorzitters samenroepen, opdat elke administratie een actieplan met concrete acties rond het behalen van de 3%-norm opstelt.
  2. het college van voorzitters oproepen om hierover jaarlijks te rapporteren aan de Ministerraad.
  3. pistes onderzoeken om administraties te responsabiliseren bij het al dan niet behalen van de 3%-norm.
  4. een commissie van experten samenstellen die concrete pistes ter verbetering van de huidige situatie voorstelt binnen de 6 maanden.
  5. het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 betreffende de Begeleidingscommissie op een ambitieuze manier hervormen.
  6. een nationale communicatiecampagne uitwerken rond de tewerkstellingsmogelijkheden voor personen met een handicap en de interne communicatie-inspanningen binnen de federale overheid naar personen met een handicap intensifiëren.
  7. het dossier op de deel-IMC (Interministeriële conferentie) Handicap en de IMC Ambtenarenzaken agenderen om samen met de regio’s deze problematiek te onderzoeken.
  8. een centraal expertisecentrum oprichten inzake redelijke aanpassingen waar een centraal budget wordt beheerd.
  9. een coördinator voor de Begeleidingscommissie aanstellen.

4. ADVIES

De NHRPH betreurt de hoogdringendheid waarmee om dit advies werd verzocht: het is voor de NHRPH uiteraard niet mogelijk om in minder dan 48 uur een volledig en gedetailleerd advies met de verschillende bezorgdheden van zijn leden uit te brengen over een zo omvangrijk en belangrijk onderwerp als toegang tot de arbeidsmarkt. De NHRPH herinnert eraan dat de verplichting om de NHRPH te betrekken bij beleidsbeslissingen die rechtstreeks betrekking hebben op personen met een handicap (PMH) gepaard moet gaan met voldoende tijd om een denkoefening te houden en overleg te plegen. Voor meer details over de efficiënte overlegprocedure, zie advies 2021/42.

In dit advies heeft de NHRPH zich beperkt tot het uiteenzetten van enkele belangrijke ideeën, zonder volledig te zijn, voor de verdere werkzaamheden waarbij het op lange termijn betrokken wenst te worden.

  1. De NHRPH wil zijn tevredenheid uiten over het feit dat eindelijk met vastberadenheid wordt gereageerd op het immobilisme en de niet-naleving van reglementering van te veel overheidsdiensten met betrekking tot de tewerkstelling van personen met een handicap. De NHRPH wijst al jaren op dit trieste feit en heeft er bij de regering op aangedrongen om, zoals de voorgestelde nota eindelijk doet, “een stap verder te gaan dan louter vast te stellen dat ze jaarlijks tekortschiet op het gebied van de inclusie van PMH in het federaal openbaar ambt”.
  2. De NHRPH is het volledig eens met de vaststelling dat de eerder uitgevoerde acties op zichzelf niet hebben geleid tot een verbetering van de tewerkstellingsgraad in de federale overheidsdiensten en het lijkt duidelijk dat andere acties moeten worden ondernomen om de tewerkstellingsdoelstelling van 3% PMH in het openbaar ambt te behalen. De NHRPH benadrukt dat deze doelstelling toch lager ligt dan in andere Europese landen zoals Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, … die er toch in slagen veel hogere tewerkstellingspercentages te behalen in het openbaar ambt, maar ook in de privésector, op vergelijkbare competentieniveaus als de zogenaamde valide personen. De 3% is een minimumpercentage waaronder niet mag worden gegaan, anders wordt het standstill-beginsel Integendeel, dit percentage zal in de komende jaren naar boven moeten worden bijgesteld.
  3. De NHRPH wenst de positieve en totaal nieuwe aanpak van de nota in vergelijking met het verleden te benadrukken: deze ongeziene aandacht voor de problematiek dient benadrukt te worden. De sterke bewustwording van beide voor het project verantwoordelijke ministers wordt dan ook toegejuicht door de NHRPH en door de hele handicapsector. De tewerkstelling van PMH blijft een belangrijke uitdaging in de strijd tegen armoede en uitsluiting. Zonder duidelijke doelstelling en adequate middelen is de tewerkstelling van groepen die van oudsher verder van de arbeidsmarkt af staan, gedoemd om te mislukken; de ervaring leert dat het een illusie is te vertrouwen op de goede wil van de werkgevers zonder hen een duidelijk doel te stellen en hen de instrumenten te geven om dat doel te concretiseren. De federale Staat is een belangrijke en emblematische werkgever. Hij moet een voorbeeldfunctie vervullen, vooral omdat hij verantwoordelijk is voor transversale actiehefbomen: bevorderen van de tewerkstelling, stimuleren van de mobiliteit van PMH, toegankelijker maken van digitale diensten, ontwikkelen van vaardigheden en het veiligstellen van de tewerkstelling, het ter beschikking stellen van de nodige middelen aan overheidsdiensten, … Dat is een overkoepelend werk, met netwerkrelaties tussen de volgende actoren: de federale Staat en regionale instanties in het kader van hun respectieve bevoegdheden, sociale partners, diensten voor tewerkstelling en opleiding, verenigingen voor PMH, arbeidsgeneeskunde, enz.
  4. De NHRPH wenst de aandacht te vestigen op een van de voorgestelde maatregelen die hij zeer interessant acht: elke administratie die zichzelf een duidelijk traject voor het behalen van de 3%-norm oplegt en na jaarlijkse controle van dit traject, zou gedeeltelijk (ten belope van het aantal gerealiseerde aanwervingen van personen met een handicap) kunnen worden vrijgesteld van de budgettaire besparingen die van haar worden verlangd op het gebied van personeel. De NHRPH is van oordeel dat idealiter een specifiek budget moet worden vrijgemaakt voor de aanwerving van personen met een handicap, zoals in de jaren zeventig is gebeurd.
  5. De context van de tewerkstelling van PMH is met de recente maatregel “prijs van de arbeid” volledig veranderd. Dit kan ook de professionele aantrekkelijkheid voor PMH met een hogere opleiding/hoger diploma vergroten. Deze maatregel draagt bij tot het vergemakkelijken van de opstap naar werk voor een groot aantal PMH die een arbeidsinkomen en tegemoetkomingen voorwaardelijk zullen kunnen combineren.
  6. Het is van essentieel belang deze logica van inclusie voort te zetten, creatief te zijn en acties op te zetten naar nieuwe terreinen op het gebied van concrete tewerkstelling. De 13 aanbevelingen in het BCAPH-verslag vormen een minimale basis. De positienota van de NHRPH over de tewerkstelling moet ook centraal staan in de denkoefening van de regering.
  7. De responsabilisering van de administraties blijft een noodzaak. De perceptie van de handicap blijft te beperkt (vaak enkel motorische handicaps) en hoewel de inclusie in sommige bestuursovereenkomsten als prioriteit naar voren komt, heeft zij in de diensten moeite om concrete vormen aan te nemen: de zichtbare maatregelen blijven onbestaande of liggen ver af van de verwachtingen van PMH zelf. De administraties moeten een beroep doen op de expertise van de verenigingen op het terrein om beter te beantwoorden aan de noden van de werknemers met een handicap. Ter herinnering: er is geen enkele stimulans voor de aanwerving van PMH; dit aspect moet worden herzien.
  8. De NHRPH, die zetelt in de BCAPH, kent de kritieke situatie van de lijsten met kandidaat-werknemers met een handicap. Deze lijsten zijn volstrekt ontoereikend om in de behoeften van de administraties te voorzien. De NHRPH herinnert ook aan de wervingsstop in heel wat administraties en het systematisch niet-vervangen van personen die met pensioen gaan, en zeker niet voor de laagste niveaus, C en D. De NHRPH is zich ook ervan bewust dat de examenprocedures toegankelijker zijn gemaakt. Fundamenteel hebben sommige kandidaat-werknemers specifieke kenmerken die nooit in de verschillende selectiefasen zullen “passen”, ook al beschikken zij over de vaardigheden waarnaar men op zoek is. De NHRPH wenst dat zich onder de aan te wijzen deskundigen ook mensen van de handicapverenigingen die op het terrein werkzaam zijn en vertegenwoordigers van de BCAPH bevinden. Het is van essentieel belang dat deskundigen kunnen getuigen over de ervaringen van PMH.
  9. Voorafgaand aan de selectieprocedures is er de opleiding van de kandidaten. Kwalificerende opleidingen die aan de marktverwachtingen beantwoorden zijn niet altijd voldoende toegankelijk. Het is van essentieel belang dat de onderwijsinstellingen bij deze denkoefening worden betrokken en dat zij studenten met een handicap de passende ondersteuning bieden die hen in staat stelt zich actief op de gewone arbeidsmarkt te profileren. Een dergelijke aanpak zou een win-winsituatie betekenen voor de kandidaat-werknemers en voor de werkgevers.
  10. Daarnaast is er de begeleiding van de kandidaat-werknemers tussen het moment waarop zij hun opleiding beëindigen en het moment waarop zij de arbeidsmarkt betreden. Heel wat jonge en minder jonge personen vinden hun weg niet in het administratieve doolhof. De digitale kloof is ook voor hen een realiteit: hoewel sommigen toegang hebben tot het internet, weten ze niet altijd waar en hoe zij de relevante informatie kunnen vinden, een kandidatuur kunnen indienen, enz. De NHRPH wil duidelijk zijn over de draagwijdte van deze twee aspecten, die enerzijds verband houden met de kwalificatie en anderzijds met de digitale toegankelijkheid: het is niet omdat deze twee barrières bestaan dat de kwestie van de quota en de aanwerving van personen met een handicap in het openbaar ambt opnieuw ter discussie moeten worden gesteld. Integendeel, zij moeten worden beschouwd als hindernissen die moeten worden overwonnen, door de begeleiding bij de selectieprocedures en de opleiding tijdens de toelatingscursussen te versterken. Het uitsluiten of beperken van de toegang tot het openbaar ambt voor PMH, omdat de Staat cursussen, aanwervingsprocedures, enz. niet voldoende toegankelijk heeft gemaakt, zou een ernstige schending zijn van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en van artikel 22ter van de Grondwet. Dit zou ook een ernstige schending van het standstill-beginsel zijn.
  11. Het aanpakken van beide aspecten, namelijk de kwalificatie en de digitale kloof, is overigens een dringende prioriteit en moet op de agenda staan van de volgende IMC’s Handicap en Ambtenarenzaken. De ministers bevoegd voor het secundair en hoger onderwijs moeten hierbij worden betrokken – met inbegrip van de netwerken voor sociale promotie en de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling (VDAB, Actiris, AVIQ, ADG en DSL enz.).
  12. Het is derhalve noodzakelijk het KB van 06/10/2005 zodanig te hervormen dat rekening wordt gehouden met alle hierboven vermelde aandachtspunten. Ook de wijze waarop de uitbesteding van bepaalde werkzaamheden door bedrijven voor aangepast werk wordt verantwoord, moet worden herzien.

Om al deze redenen verwacht de NHRPH dan ook van de voltallige regering dat zij deze nota ondersteunt en er gevolg eraan geeft. De NHRPH is van mening dat de voorziene analysewerkzaamheden een nuttige maatregel kunnen zijn, mits daarbij alle bij de tewerkstelling voor PMH betrokken actoren bijeen worden gebracht en de tewerkstellingsdoelstelling duidelijk en ambitieus is.

  • Raadplegingen: 17

Advies 2022/21- Hervorming bewindvoerders van beschermde personen

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2022/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de hervorming inzake de bewindvoerders van beschermde personen, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20/06/2022.

Advies op vraag van de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie, in zijn brief van 08/06/2022.

1. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Dit advies is gebaseerd op het eindverslag van de door de Minister van Justitie geïnitieerde werkgroep over de hervorming van de benoeming van bewindvoerders en hun bezoldiging. Dit verslag moet als basis dienen voor de opstelling van een wetsontwerp en een koninklijk besluit.

3. ANALYSE

De werkgroep heeft zich gebogen over de vereisten om trustee te worden en over de vraag hoe de naleving van deze vereisten kan worden ondersteund. Voorts heeft de werkgroep zich gebogen over de vergoeding van de bewindvoerder in het geval van kwetsbare beschermde personen en gestreefd naar een consensus over een uniforme en transparante regeling van de kosten en erelonen van bewindvoerders in het algemeen.

  1. De werkgroep onderstreept het belang van betrouwbare cijfers over de bewindvoering.
  1. De werkgroep heeft het profiel van de bewindvoerder nader uitgewerkt, uitgaande van de overtuiging dat de benoeming van familiale bewindvoerders de voorkeur verdient boven die van professionele bewindvoerders. De werkgroep benadrukt het absolute belang van een goed kader op het gebied van opvang, opleiding en ondersteuning van familiale bewindvoerders.
  1. De werkgroep heeft ook een kader en een aantal eisen voor professionele bewindvoerders ontwikkeld. Er is een certificeringsproces gepland en er zal een register worden aangelegd. Er wordt gezorgd voor permanente en jaarlijkse opleiding.
  1. Om de kwaliteit van de bestanden te waarborgen, is er niet zozeer gekozen voor een beperking van het aantal dossiers, dan wel voor een transparante rapportering.
  1. De werkgroep heeft zich gebogen over het kader voor de beloning van de bewindvoerder. De werkgroep heeft gewerkt aan richtsnoeren voor een eenvoudig, transparant, uniform en rechtszeker systeem dat een billijke vergoeding van de professionele bewindvoerder garandeert.

4. ADVIES

Om te beginnen verwijst de NHRPH naar zijn advies 2022/14 van 21/03/2022 over de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid.

De NHRPH zou de verschillende aanbevelingen van de werkgroep hieronder willen overnemen, soms om ze te onderschrijven en soms om ze te herbekijken.

I. Cijfers

De werkgroep stelt vast dat er in het rijksregister nog melding wordt gemaakt van personen die geplaatst zijn onder een oud beschermingsstatuut dat sinds 1 september 2019 niet meer bestaat. Het is bovendien niet duidelijk of deze personen inmiddels geplaatst zijn onder het nieuwe beschermingsstatuut en als zodanig ook geregistreerd. De werkgroep wijst op mogelijke dubbele registraties en de nood om de geregistreerde gegevens regelmatig te actualiseren.

De werkgroep beveelt aan om nauwkeurige en duidelijke statistieken van het aantal personen geplaatst onder het eengemaakte beschermingsstatuut, de omvang (persoon en/of goederen) en aard (bijstand en/of vertegenwoordiging; in combinatie met een buitengerechtelijke bescherming) van de bescherming, het totale aantal bewindvoerders en de opdeling familiale resp. professionele bewindvoerder op een toegankelijke manier ter beschikking te stellen, bv. in de jaarlijkse statistieken van Statbel. Dit is essentieel om een goed beleid te kunnen voeren. Daartoe is tevens vereist dat griffiers en ambtenaren van de burgerlijke stand deze gegevens correct registreren en doorgeven. Er zou voldoende aandacht moeten besteed worden aan de vorming van deze ambtenaren.

De NHRPH is het eens met de werkgroep en benadrukt ook de behoefte aan betrouwbare cijfers om een adequaat beleid te kunnen voeren voor de bescherming van de goederen en van de persoon, en dat ten bate van de personen met een handicap en hun gezin. De opleiding van ambtenaren in het registreren en rapporteren van de gegevens is in dit verband van groot belang.

II. Wie is bewindvoerder?

De wet verleent vandaag voorrang aan de door de betrokkene zelfgekozen bewindvoerder en, bij afwezigheid, iemand uit de omgeving van de beschermde persoon (art. 496-496/3 oud BW). Deze voorrang is ingegeven door de veronderstelling dat iemand uit de omgeving van de beschermde persoon beter op de hoogte is van diens wensen en voorkeuren en beter de continuïteit in het leven van betrokkene kan waarborgen. Ingeval de door de betrokkene zelfgekozen persoon wordt aangesteld als bewindvoerder, wordt ook de autonomie van de betrokkene beter gewaarborgd. Die persoon geniet immers het vertrouwen van de beschermde persoon wat de kansen op persoonsgerichte bewindvoering verhoogt en voor geruststelling zorgt bij de beschermde persoon.

De werkgroep boog zich over de vraag of deze voorrang moet behouden blijven en beantwoordt deze vraag positief. Uit de audit van de Hoge Raad voor de Justitie en berichten uit het werkveld blijkt dat er nog te snel een professionele bewindvoerder wordt aangeduid door de vrederechter. De werkgroep is van oordeel dat dit enkel in uitzonderlijke gevallen, nl. wanneer er niemand (geschikt) beschikbaar is of er ernstige redenen zijn die verband houden met de complexiteit van de opdracht of de spanningen binnen de familie, een professionele bewindvoerder kan worden aangeduid. 

Ook op dit vlak is de NHRPH is het eens met de aanbevelingen van de werkgroep. De NHRPH wenst het volgende te benadrukken:

    • De wetgeving is duidelijk: bij de aanstelling van een bewindvoerder moet de vrederechter voorrang geven aan een familiale bewindvoerder. De NHRPH betreurt dat meerdere vrederechters voorkeur geven aan een professionele bewindvoerder. Door de invoering van het CRBP en de wens van vrederechters dat ook familiale bewindvoerders het jaarverslag digitaal indienen (wat geen verplichting is!) wordt de complexiteit voor familiale bewindvoerders vergroot, maar dit mag geen reden zijn om familiale bewindvoerders te vervangen door een professionele bewindvoerder.

    • De overheid moet inzetten om mensen bewust te maken dat zij vooraf kunnen bepalen wie hun bewindvoerder zou kunnen zijn. Dit kan ook zonder zorgvolmacht met een verklaring over de keuze van bewindvoerder/vertrouwenspersoon die moet worden geregistreerd bij het centraal register van verklaringen. Het gebrek aan digitale competenties van de familiale bewindvoerder kan nooit een argument zijn om deze persoon van bewindvoering uit te sluiten.
    • Indien de rechter opteert voor een professionele bewindvoerder, moet hij of zij deze keuze motiveren en uitleggen hoe deze keuze de belangen van de persoon dient.

III. Familiale bewindvoerders

De werkgroep beklemtoont het belang van familiale bewindvoerders die in beginsel veel beter de wensen en voorkeuren van betrokkene kunnen beoordelen en de continuïteit in het leven van betrokkene kunnen waarborgen. In de praktijk blijkt het echter noodzakelijk dat deze groep van bewindvoerders beter wordt omkaderd. De Hoge Raad voor de Justitie beveelt aan om een draaiboek voor deze groep op te maken.

De administratieve taak bij bewindvoering schrikt veel familiale bewindvoerders af. De NHRPH is ook van mening dat nog meer nadruk moet worden gelegd op voorlichting en ondersteuning van familiale bewindvoerders. Met name de huidige brochure voor familiale bewindvoerders van de Koning Boudewijnstichting zou moeten worden aangepast en nog concreter en praktischer in het gebruik moeten worden gemaakt. Ook moeten de vrederechters worden aangespoord om deze brochure uit te delen.

De werkgroep wenst erop te wijzen dat op het terrein verschillende initiatieven worden ondernomen die allen trachten bij te dragen tot deze doelstelling (voor de opsomming: zie p; 7 van het verslag)

De NHRPH juicht deze verschillende initiatieven toe en hoopt dat zij tot het hele land zullen worden uitgebreid. De NHRPH vraagt ook om deze initiatieven te ondersteunen door hen tijdig te informeren over nieuwe ontwikkelingen, het nodige werkmateriaal ter beschikking te stellen (zoals bijv. een demoversie van het digitale dossier), … Ook wordt erop gewezen dat het van belang is te zorgen voor een griffier die de taak op zich kan nemen om praktische vragen van familiale bewindvoerders te beantwoorden en hen te begeleiden aan het loket. In het bijzonder met een opdracht om de online aanvraag en het online beheren van het dossier te ondersteunen.

Naar het oordeel van de werkgroep, is het niet aangewezen om het toezicht op de familiale bewindvoerders nog te versterken omdat dit toezicht reeds uitvoerig is geregeld in de wet en dit de drempel om de bewindvoering op te nemen voor familiale bewindvoerders nog zou verhogen. Familiale bewindvoerders zijn momenteel aan dezelfde verslagverplichtingen en pleegvormen onderworpen als een professionele bewindvoerder. Door een betere omkadering, bv. een verplichte infoavond, zullen slordigheden in de opvolging van het beheer worden voorkomen. Ook het toenemend gebruik van het centraal register zal een betere opvolging van de familiale bewindvoerders mogelijk maken.

De NHRPH is ook van mening dat het toezicht op familiale bewindvoerders niet hoeft te worden versterkt. De NHRPH pleit er ook voor om de administratieve last voor familiale bewindvoerders te beperken. Bonnetjes en rekeningen bijhouden van kleine uitgaven kan vermeden worden door in de beslissing forfaitaire bedragen op te nemen voor specifieke uitgaven: bijv.: x euro/maand voor zakgeld, x euro/maand voor deelname aan vrijetijdsactiviteiten, … De NHRPH is zelfs zeer sceptisch over het gebruik van het centrale register. De NHRPH ontving verschillende getuigenissen over de moeilijkheden bij het gebruik van dit centrale register en de gebreken van het register. In het bijzonder merkt de NHRPH het volgende op:

    • grote verschillen in de praktijk van de ene vrederechter tot de andere;
    • De communicatiecampagne is slecht verlopen: het Centraal register van bescherming van de personen (CRBP) is opgezet zonder de medewerking van organisaties van personen met een handicap. De verenigingen werden nauwelijks geïnformeerd na de invoering van het CRBP. Zij krijgen geen medewerking van het kabinet/de administratie van justitie om hun leden te informeren en bij te staan bij het gebruik van het CRBP;
    • Het CRBP is ingewikkeld in het gebruik: de digitale kloof wordt groter. Sommige familiale bewindvoerders zien zelfs van hun mandaat af en vragen de benoeming van een professionele bewindvoerder. Verschillende GP's bevelen aan dat familiale bewindvoerders die niet digitaal onderlegd zijn, worden vervangen door een professionele bewindvoerder;
    • Sommige vrederechters eisen van familiale bewindvoerders dat ze via het digitale platform gaan, en dat is niet wettelijk. Dit is een zoveelste voorbeeld van de verschillen die de NHRPH constateert tussen vrederechters;
    • De NHRPH wil er zeker van zijn dat de bescherming van de gegevens gewaarborgd
    • De NHRPH stelt vast dat alsmaar minder vrederechters gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid om voor ouders-bewindvoerders af te wijken van de jaarlijkse verslaggevings-verplichting. Door de invoering van het CRBP wordt het ook moeilijker om voor ouders-bewindvoerders een uitzondering te maken.

De getuigenissen als zodanig zijn opgenomen in het advies 2022/14, in fine.

IV. Professionele bewindvoerders

a. Register

Op dit ogenblik bestaat er geen specifieke omkadering voor professionele bewindvoerders. In de praktijk worden de eisen gesteld door de beroepsgroep waartoe de bewindvoerder behoort (bv. deontologie van de advocatuur) of door de vrederechter (bv. aansprakelijkheidsverzekering). Er bestaat ook geen lijst van professionele bewindvoerders. De werkgroep is van oordeel dat het register van gerechtsdeskundigen moet uitgebreid worden met een register voor professionele bewindvoerders. Dit register zou alle erkende professionele bewindvoerders per arrondissement evenals informatie over eventuele tuchtsancties moeten bevatten. Om opgenomen te kunnen worden in dit register, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan (punt b). 

De NHRPH deelt deze overwegingen.

b. Erkenning

De werkgroep is van oordeel dat een professionele bewindvoerder eerst moet worden erkend. Dit moet de kwaliteit van de betrokken bewindvoerder garanderen en het vertrouwen versterken. Een erkend bewindvoerder wordt opgenomen in het register van bewindvoerders voor een periode van 6 jaar zoals ook voorzien bij gerechtsdeskundigen waarna een hernieuwing moet worden aangevraagd.
(…)
De criteria voor erkenning zouden er als volgt kunnen uitzien:
1° een door de wet opgelegde opleiding hebben gevolgd;
2° een schriftelijke verklaring de deontologische code te onderschrijven en te respecteren voor de duur van de erkenning;
3° wat de bewindvoerders die geen advocaat zijn betreft, garanties voorleggen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, vereist voor de uitoefening van hun opdracht als bewindvoerder;
4° professionele waarborgen vereist voor de uitoefening van de functie van bewindvoerder kunnen voorleggen, in het bijzonder:
    - een beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben afgesloten;
    - niet failliet zijn verklaard of toegelaten tot een collectieve schuldenregeling.
5° niet behoren tot de kring van personen die geen bewindvoerder mogen zijn bedoeld in artikel 496/6 oud BW;
6° niet het voorwerp zijn geweest van een in het strafregister opgenomen veroordeling die onverenigbaar is met de functie van bewindvoerder;
7° geen tuchtsanctie hebben opgelopen voor feiten van minder dan tien jaar geleden die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van bewindvoerder, noch het voorwerp van intrekking van erkenning zijn geweest.

De NHRPH is het eens met het oordeel van de werkgroep. Ze stelt zich echter wel de vraag of de professionele bewindvoerder niet aan bepaalde minimumvereiste zou moeten voldoen qua kennis over de materie.

c. Opleiding

De werkgroep is van oordeel dat de wet de krachtlijnen moet bevatten waaraan de verplichte opleiding voor professionele bewindvoerders moet voldoen. Elke professionele bewindvoerder moet deze opleiding hebben gevolgd, ongeacht de wijze waarop hij zijn opdracht zal uitoefenen (bv. in samenwerking met een sociale dienst, boekhouder, enz.). De medewerkers van de professionele bewindvoerder moeten daarentegen deze opleiding niet hebben gevolgd, maar zouden deze wel op vrijwillige basis moeten kunnen volgen.
In de memorie van toelichting kunnen de krachtlijnen verder worden verduidelijkt. Uiteindelijk zou het de bedoeling moeten zijn om in de wet de verschillende onderdelen en uren aan te geven en deze verder nauwkeurig te preciseren in een KB.

Volgens de werkgroep zou de opleiding minstens de volgende onderdelen moeten bevatten:
1° een algemeen juridisch luik (sociale zekerheid, aansprakelijkheid, beschermingsstatuten, rechten van de patiënt, enz.);
2° de praktische werking van het bewind (beheer, boekhouding, ...);
3° aandacht voor menselijke en medische aspecten en kennis van het sociaal landschap (pathologieën, communicatie, omgang met de familie en de beschermde persoon, ...;
deontologie.
5° Stage bij een erkend professioneel bewindvoerder die reeds meer dan 5 jaar actief is en meer dan twintig bewindvoeringen opvolgt.

De NHRPH is het eens met de inhoud van de opleiding. De NHRPH wil in de opleiding ook het belang benadrukken van empathie en de relatie op basis van wederzijds vertrouwen tussen de bewindvoerder en de beschermde persoon, en van de communicatie tussen de 2 actoren onderling en naar hun omgeving toe (slechts één contact per jaar is onaanvaardbaar). Ook de kennis over sociale rechten  en over de evoluties in de kijk op handicap en inclusie, die visie op zorg en ondersteuning van personen met een handicap is belangrijk. In Vlaanderen gaat het dan over de PersoonsVolgende Financiering en vraaggestuurde ondersteuning met de regie bij de persoon met een handicap en zijn netwerk. Nu stellen we vast dat, ondanks de verschillende bestedingsmogelijkheden van het PVB of PAB, professionele bewindvoerders (en vrederechters) vooral de besteding in voucher bij een vergunde zorgaanbieder stimuleren. In het bijzonder legt de NHRPH in de opleiding de klemtoon op het luik “aandacht voor menselijke en medische aspecten en kennis van het sociaal landschap (pathologieën, communicatie, omgang met de familie en de beschermde persoon, ...)”.

(…)
De opleiding kan worden aangeboden door de balie, het middenveld, de universiteiten, enz. Omdat deze een multidisciplinair karakter heeft, is niet geopteerd voor een monopolie voor de balie. Vereist is wel dat deze opleiding wordt erkend. Voor de erkenning van de opleiding stelt de werkgroep voor om een ad hoc commissie op te richten die is samengesteld uit vier personen met ervaring inzake bewindvoering voorgedragen door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, twee personen voorgedragen door de advocatuur (OVB/Avocat.be) die reeds meer dan 5 jaar actief zijn als professioneel bewindvoerder en minstens 20 bewindvoeringen opvolgen en twee personen voorgedragen door de conferentie van voorzitters van de vrederechters. Daarbij wordt gestreefd naar taalpariteit en een gelijk aantal vrouwen als mannen. De helft van de commissieleden heeft een juridische achtergrond. De andere helft moeten beschikken over een relevante expertise. Naast effectieve leden worden er ook plaatsvervangers aangeduid. De aanduiding en werking van deze commissie worden geregeld bij KB. Deze ad hoc commissie brengt advies uit voor de erkenning van opleidingen tot professionele bewindvoerder. De commissie oordeelt bij meerderheid van stemmen. De FOD Justitie zou voor de praktische werking de nodige ondersteuning kunnen aanbieden. De erkenning zelf gebeurt bij ministerieel besluit.

De NHRPH is bereid om 4 personen met ervaring in bewindvoering voor te stellen voor deelname aan de erkenningscommissie.

d. Permanente vorming

Naast een basisopleiding vereist voor de erkenning als professioneel bewindvoerder, stelt de werkgroep voor om een permanente vorming voor het behoud van de erkenning in de wet in te schrijven. Deze permanente vorming zou minstens acht uren per jaar moeten omvatten, waarvan 4 uren juridische vorming en 4 uren niet-juridische vorming. Voor de erkenning van opleidingen in dit verband adviseert de werkgroep om dit over te laten aan de balie.

Jaarlijks moet het bewijs van permanente vorming worden ingediend bij resp. de stafhouder (advocaat) en de betrokken vrederechter (derden). Het bewijs wordt gevoegd in het erkenningsdossier. Dit moet de naleving van dit vereiste verzekeren en ook de transparantie waarborgen. Ingeval dit vereiste niet wordt nageleefd, kan er een tuchtdossier worden opgestart. Dit kan ook een verlenging van de erkenning beletten. Tegelijk kan ook de vrederechter beslissen om geen nieuwe dossiers nog toe te kennen aan deze bewindvoerder.

De NHRPH is eveneens van mening dat permanente vorming noodzakelijk is. Voor de ‘niet-juridische’ vorming is de input van expertise uit het werkveld (zorg voor mensen met een handicap, psychiatrisch patiënten, ouderen, …) een meerwaarde.

e. Tucht en deontologie

De werkgroep is van oordeel dat er een deontologische code moet komen voor de erkend bewindvoerder. Het is volgens de werkgroep aangewezen om deze regels op te nemen in een reglement dat wordt bekrachtigd bij KB. De thema’s die behandeld moeten worden in dergelijke deontologische code moeten worden besproken in andere expertengroepen. De werkgroep is van oordeel dat er een sterke inbreng moet zijn vanuit de praktijk en dat reeds bestaande bepalingen vervat in het reglement van de balie Brussel (NL), erkend bemiddelaar en gerechtsdeskundige daartoe een goede aanzet kunnen vormen. Deze expertengroepen zouden hun werkzaamheden al kunnen aanvatten tijdens het hervormingsproces ingeval blijkt dat er voldoende maatschappelijk draagvlak bestaat over de voorgestelde krachtlijnen.

De NHRPH wenst geraadpleegd te worden voor het opstellen van de deontologische code. Ook vraagt de NHRPH om voldoende tijd, zodat de NHRPH het ontwerp aan de werkgroep “Rechtsbekwaamheid” kan voorleggen. Deze werkgroep bestaat uit leden van de NHRPH en uit experts in de materie.

V. Kosten en erelonen van de bewindvoerder

a. Inkomsten en kosten

1. Begroting

De werkgroep stelt voor om te werken met een forfaitair systeem voor de vergoeding van de bewindvoerder. Iedere professionele (erkend) bewindvoerder heeft recht op deze vergoeding die zowel de vaste kosten als het ereloon voor de afgelopen beheersperiode van één jaar moet dekken.
De inkomsten van de beschermde persoon vormen in het voorgestelde systeem nog steeds de basis voor de vergoeding, maar er zal gewerkt worden met schalen waaraan een bepaald percentage is gekoppeld. Hierna volgt de tabel met het voorstel.

Schaal Forfait

Inkomensschaal / jaar

Tarief forfait bezoldiging + kosten

PUNTEN dossier

Bedrag

Schaal 1

0 tot 10.000 EUR

4 %

1

Max 400 €

Schaal 2

10.000-20.000 EUR:

5 %

2

Max 500 €

Schaal 3

20.000-30.000 EUR:

6 %

3

Max 600 €

Schaal 4

30.000-40.000 EUR:

7 %

4

Max 700 €

Schaal 5

> 40.000 EUR

8 %

5

 

 

De werkgroep is van oordeel dat de vergoeding van de bewindvoerder per bewind en per beheersperiode van één jaar in ieder geval niet lager mag liggen dan 650 euro. Dit bedrag stemt overeen met de vergoeding verschuldigd op een jaarinkomen van een beschermde persoon van 15.000 euro wat het gemiddelde van het bestaansminimum is van een alleenstaande leefloontrekker en een leefloontrekkend gezin.

Om de inkomsten te bepalen, stelt de werkgroep voor om voort te bouwen op het reeds geleverde werk m.b.t. het KB en als uitgangspunt de beheersinspanningen die worden verwacht te nemen. Onder inkomsten worden dan alle bedragen bedoeld die de bewindvoerder moet aanvragen, innen en/of beheren. Deze worden op niet-limitatieve wijze opgesomd in het KB. Daarnaast blijft er ook de lijst met inkomsten die in ieder geval niet in aanmerking komen als berekeningsbasis behouden.

De NHRPH kijkt kritisch naar schaal 5 waar geen maximumbedrag lijkt te zijn vastgesteld.

De NHRPH dringt zeer sterk aan op:

        • De definitie van de minimale prestaties die onder het forfaitaire bedrag vallen, waaronder
          • de aangifte bij de inkomstenbelasting van fysieke personen;
          • de minimaal twee jaarlijkse bezoeken aan de beschermde persoon
          • verzoeken om geld te mogen opnemen van de spaarrekening of andere geblokkeerde rekeningen;
          • financiële verrichtingen;
          • opstellen van de verslagen (de stand van zaken die binnen de 6 weken na kennisgeving van de beslissing van de rechter bij de griffie moet worden ingediend en de jaarverslagen).
          • De correcte opvolging van belangrijke financiële en administratieve zaken voor de persoon onder bewind: betaling van facturen woon- en leefkosten, opvolging dossier tegemoetkomingen, terugbetaling hulpmiddelen, onderhandelingen over de IDO, …
        • Bij de bepaling van het inkomen waarop de vergoeding van de professionele bewindvoerders berekend wordt, mag geen rekening gehouden worden met de uitkeringen die het verlies aan zelfredzaamheid compenseren (IT of hulp aan bejaarden of hulp aan derden van het RIZIV). Ook het PersoonsVolgend Budget, de zorgbudgetten of het Persoonlijke-Assistentiebudget zijn geen inkomens. Elke budgethouder moet de besteding van het PVB of het PAB al verantwoorden aan het VAPH.

De NHRPH is van mening dat de lijst van minimale prestaties nog veel ruimte laat voor interpretatie. Bovendien lijkt de betrokkenheid van de vertrouwenspersoon in de voorgestelde werking beperkt.

Ten slotte is de werkgroep van oordeel dat ook familiale bewindvoerders een vergoeding moeten kunnen vragen die gelijk is aan die van professionele bewindvoerders, met uitzondering van de ouders. Volgens de werkgroep dringt er zich evenwel geen wetswijziging op. In de wet staat immers dat “de vrederechter kan” wat deze mogelijkheid impliciet reeds inhoudt.

De NHRPH is er niet tegen gekant dat familiale bewindvoerders, indien zij dit wensen, een vergoeding ontvangen, op voorwaarde dat de door het NHRPH hierboven verdedigde principes worden nageleefd. De NHRPH pleit er voor dat àlle vrederechter in open communicatie treden met ouders-bewindvoerders die hun kind onder bewind thuis opvangen en begeleiden over een billijke financiële regeling voor ‘kost en inwoon’ en andere vergoedingen van gemaakte kosten. Nu is het verschil in hoe vrederechters met deze vraag van gezinnen omgaan te groot.

2. Puntensysteem

De werkgroep beveelt aan om een puntensysteem voor de verdeling van de bewindvoeringen onder de professionele bewindvoerders in te voeren. Dit puntensysteem moet een eerlijke en evenwichtige verdeling van bewindvoeringen benaarstigen en zorgen voor transparantie zodat een systematische bevoordeling van bepaalde professionele bewindvoerders en een sterke cumul aan bewindvoeringen worden vermeden (zie hoger, erkenning).

De werkgroep realiseert zich dat de werklast van een bewindvoerder niet enkel wordt bepaald door het te beheren vermogen, maar dat er ook nog andere factoren een belangrijke rol kunnen spelen. Om die reden stelt de werkgroep voor dat er door de betrokken actoren correctiefactoren worden bepaald waarmee het betrokken punt wordt vermenigvuldigd om te komen tot een gewogen punt. Bijvoorbeeld: een professioneel bewindvoerder krijgt een dossier toebedeeld dat gelijkstaat met 3 punten. De beschermde persoon blijkt niet-residentieel te zijn opgenomen en nog actief te zijn in het rechtsverkeer wat een verhoogde werklast met zich meebrengt voor de bewindvoerder. Welnu, in dat geval zou bv. een correctiefactor 0,70 het punt naar omlaag kunnen brengen omdat de werklast hoger ligt dan een gemiddeld dossier in die categorie.

De vrederechter houdt bij de toebedeling van dossiers niet enkel rekening met de match tussen beschermde persoon en bewindvoerder, maar moet er ook op toezien dat iedere professionele bewindvoerder het voordeel krijgt van een gelijkmatige en proportionele verdeling van de mandaten naar moeilijkheidsgraad en niet naar hoeveelheid. De werkgroep wil in het bijzonder de professionele bewindvoeder aanmoedigen die zich organiseert om een uitvoering van de wet, in het licht van de geest ervan (toegankelijk, persoonsgericht, ondersteunend), mogelijk te maken.
(…)

De NHRPH is van mening dat er een maximaal aantal dossiers per bewindvoerder moet worden vastgesteld. De NHRPH wenst echter zelf niet dat aantal te bepalen. Sommige advocaten die meerdere bewindvoeringsdossiers behandelen, kunnen soms meer ervaring opbouwen. Als dit hun hoofdactiviteit is, kunnen zij een groter aantal dossiers behandelen. Ook als de bewindvoerder zijn werk met overtuiging doet - en niet om gemakkelijk geld te verdienen - , is het mogelijk dat hij of zij meerdere dossiers goed opvolgt. Maar er moet een grens zijn.

b. Buitengewone ambtsverrichtingen

Naast de forfaitaire vergoeding moet het volgens de werkgroep ook mogelijk blijven om de materiële en intellectuele prestaties die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon te vergoeden (art. 497/5, vierde lid oud BW).

Ook op dit punt stelt de werkgroep voor om het reeds verrichte voorbereidende werk m.b.t. het KB te voltooien. Daarbij moet ervoor worden geopteerd om de lijst met prestaties zo eenvoudig en volledig mogelijk te omschrijven. De werkgroep stelt voor deze prestaties een vergoeding van 110 euro per uur voor. Deze vergoeding omvat niet enkel het ereloon, maar ook de gemaakte kosten, weliswaar met uitzondering van de verplaatsingskosten (zie hierna). 

De NHRPH is voorts van mening dat een lijst van verrichtingen moet worden opgesteld. De NHRPH wenst te worden geraadpleegd bij het opstellen van deze lijst. De NHRPH is ook van mening dat het bedrag verschillend moet zijn naargelang het om een materiële dan wel een intellectuele verrichting gaat. De vergoeding voor intellectuele verrichtingen mag iets hoger liggen.

De werkgroep is geen voorstander van een afzonderlijk systeem van vergoeding voor het vervreemden van onroerende goederen dat vandaag gangbaar zou zijn in sommige arrondissementen, nl. de toekenning van een percentage op de verkoopprijs. Dit systeem kan tot onwenselijke gevolgen leiden omdat het verkopen door de bewindvoerder stimuleert terwijl dit niet noodzakelijk nodig dan wel wenselijk is in het licht van een goed beheer. De werkgroep is van oordeel dat de prestaties die verband houden met de vervreemding van een onroerend goed op dezelfde wijze kunnen worden vergoed zoals alle andere prestaties en is niet overtuigd dat er een redelijke verantwoording zou bestaan voor een andere behandeling. De werkgroep deelt in dat verband de mening van de Hoge Raad voor de Justitie.

De NHRPH deelt deze mening.

(…)
Ten slotte meent de werkgroep dat de verplaatsingskosten voor verplaatsingen buiten het arrondissement die kaderen binnen buitengewone ambtsverrichtingen wel afzonderlijk mogen worden vergoed en dit volgens het wettelijke tarief. In uitzonderlijke gevallen kunnen deze kosten immers oplopen. De vrederechter houdt in ieder geval toezicht op het gerechtvaardigd karakter van deze kosten.

c. Indexering

De werkgroep beveelt aan dat de bedragen opgenomen in het KB getroffen ter uitvoering van artikel 497/5 oud BW elk jaar automatisch worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

d. Financiering van de bewindvoering en menselijke waardigheid

Zoals hoger aangegeven, vindt de werkgroep het belangrijk dat de vergoeding niet raakt aan datgene wat nodig is om een menselijke waardigheid te behouden. De inkomsten mogen door de vergoeding van de bewindvoerder in ieder geval niet dalen onder de drempel van de in artikelen 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijk integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1° Ger.W. bedoelde bedragen.

De NHRPH is van mening dat de bedragen bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 te laag zijn. De NHRPH merkt evenwel op dat met name de tegemoetkomingen voor personen met een handicap niet in aanmerking zouden worden genomen voor de berekening van de vergoeding van de bewindvoerder.

Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de beschermde persoon een minimum aan zakgeld zou kunnen krijgen.

Ingeval de inkomsten van de beschermde persoon niet toereikend zijn om de vergoeding te betalen, moet de samenleving haar verantwoordelijkheid nemen en bijpassen. De werkgroep laat open door wie en hoe die bijpassing precies moet verlopen. De werkgroep beschikt over onvoldoende gegevens om dit precies te begroten, maar wenst enkele te onderzoeken pistes aan te reiken:

1° de OCMW’s passen de tekorten bij. Dit gebeurt nu reeds in de praktijk in vele gevallen, maar een uniform kader ontbreekt en het is geen garantie. Zo bestaat er ook rechtspraak die van oordeel is dat deze vergoeding niet past binnen de te verlenen maatschappelijke dienstverlening bedoeld in artikel 1 van de OCMW-wet. Daarom zou in voornoemde bepaling best worden verduidelijkt dat ook de prestaties verricht in het kader van een bewindvoering prestaties zijn die ertoe strekken de menselijke waardigheid te waarborgen.

2° er wordt een nieuw fonds opgericht dat wordt gespijzigd met bijdragen van (begoede) beschermde personen. Meerdere systemen zijn denkbaar. Zo zou ook daar met progressieve schalen kunnen gewerkt worden waarbij beschermde personen met een inkomen tussen de 20.000-25.000 euro bv. 50 euro, tussen de 25.000-30.000 euro bv. 75 euro en meer dan 30.000 euro bv. 100 euro moeten bijdragen. Daarbij mag geen rekening worden gehouden met de bijzondere prestaties van de bewindvoerder. Dit systeem moet evenwel zorgvuldig onderzocht worden. De vrees die sommige leden uitdrukt, is dat een te zware financiële inspanning zal verwacht worden van beschermde personen om de tekorten te kunnen bijpassen. Eerste globale simulaties tonen aan dat er jaarlijks ongeveer 20 miljoen euro nodig zou zijn. Bovendien bestaat de angst dat steeds meer vermogende beschermde personen een zorgvolmacht hebben opgemaakt waardoor bewindvoering hoofdzakelijk nog wordt georganiseerd voor minvermogenden. Volgens andere leden zullen de te verwachten bij te passen tekorten helemaal niet zo hoog oplopen.

3° het fonds van de tweedelijns juridische bijstand wordt uitgebreid naar bewindvoeringen. Iedere persoon die wenst een beroep te doen op de diensten van justitie, draagt dan bij om er zo voor te zorgen dat ook personen die niet over de nodige financiële middelen beschikken, ook (op gelijkwaardige wijze) een beroep zouden kunnen doen op de diensten van justitie. Dit zal volgens sommige leden goed verantwoord moeten worden omdat het opzet van het fonds wordt uitgebreid en er ook een bijdrage wordt gevraagd voor de financiering van een dienstverlening buiten het kader van een gerechtelijke procedure.

4° het tekort wordt bijgepast zoals dit het geval is in het kader van de collectieve schuldenregeling door een tenlasteneming door de staat.

De werkgroep wenst te beklemtonen dat de samenleving een verantwoordelijkheid draagt om ook kwetsbare volwassenen een menswaardig bestaan te garanderen, zelfs ingeval er een bewindvoering moet worden georganiseerd.

De NHRPH is er in het bijzonder voorstander van dat wanneer het inkomen van de beschermde persoon niet volstaat om de vergoeding te betalen, de gemeenschap haar verantwoordelijkheid moet nemen en dit moet compenseren. De NHRPH spreekt zich niet uit over de beste manier om deze maatregel te financieren.  

  • Raadplegingen: 10

Advies 2022/16 - Intake

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het nieuwe intakeformulier zoals voorgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 juni 2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG HAN en de heer Peter Samyn, voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De DG HAN heeft het formulier van de intakeprocedure herzien. De intakeprocedure is de procedure voor het verzamelen van informatie over de erkenningen van de DG HAN (tegemoetkomingen, belastingvoordelen voor een personenvoertuig enzovoort).

3. ANALYSE

Aanvragers vullen een vragenlijst (intakeformulier) in opdat de DG HAN hun handicap in het kader van een specifieke vraag zou erkennen.

In het kader van het programma Intake Remake werd het intakeformulier herzien om de aanvraagprocedure gebruiksvriendelijker en efficiënter te maken. Voor aanvragers was het zeer demotiverend de oude formulieren in te vullen (lang en niet altijd gemakkelijk te begrijpen), wat soms tot non take-up (niet-gebruik van rechten) leidde. Voor de DG HAN zelf was een herziening nodig met het oog op een coherente en volledigere procedure voor de evaluatie van handicaps.

De DG HAN heeft bepaalde begrippen geherformuleerd en voorbeelden toegevoegd. De vragen werden zo gesteld dat de betrokkenen antwoorden kunnen geven die zo dicht mogelijk bij hun administratieve en levensrealiteit liggen.

Het nieuwe formulier zal normaliter in de loop van 2023 van toepassing zijn.

4. ADVIES

In 2021 heeft de NHRPH deelgenomen aan een workshop, waar de NHRPH heeft gewezen op een aantal belemmeringen in verband met de administratieve last van aanvragen. In februari 2022 heeft een werkvergadering met een delegatie van de NHRPH aan een eerste prototype gewerkt en de verwachte verbeteringen inzake de formulering van de vragen, gebruikte termen, … bepaald. De NHRPH heeft bepaalde verenigingen voor personen met een handicap aanbevolen om onder meer de analyse vanuit specifieke groepen te vervolledigen. Op de plenaire vergadering van 25 april 2022 werd het intakeformulier voorgesteld en op 7 juni 2022 werd het afgewerkte formulier in de drie landstalen aan de NHRPH bezorgd.

De NHRPH benadrukt de kwaliteit van de uitwisselingen met het projectteam en de beschikbaarheid ervan. Toch vindt de NHRPH het document, dat nu zal worden ontwikkeld, nog niet goed genoeg.

Over het werkproces:

  • De NHRPH raadt aan meer actoren van het veld erbij te betrekken. Het lijkt erop dat het schrijf- en integratiewerk hoofdzakelijk is gebaseerd op de Nederlandstalige realiteit.
  • De NHRPH zou graag bevestigd zien dat alle Gewesten op gelijke wijze werden geraadpleegd en betrokken.
  • Er moet een verband worden gelegd met het Cityh@ndi-project: de hoge verwachtingen van professionals moeten ook worden ingelost in het intakeformulier dat zij helpen in te vullen (cf. advies 2022/11 van de NHRPH).
  • De NHRPH neemt nota van het vertrek van de projectleiders tegen eind 2022 en wil de garantie dat het project in 2022 - 2023 wordt voortgezet.

Over de inhoud van het intakeformulier:

  • Tijdens het uitwerken van de prototypes door het projectteam merkte de NHRPH verschillen tussen de ingediende documenten A en Bop. Sommige velden waren niet genoeg uitgewerkt. De definitieve versie bevat nog fouten:
    • de Franse vragenlijst schiet tekort op grammaticaal vlak: te lange en slecht opgebouwde zinnen, dubbelzinnige woorden (« nous aimerions connaître vos informations personnelles ») ;
    • bepaalde begrippen worden niet correct weergegeven: “« nous vous demandons des informations sur vos études et votre travail afin de pouvoir estimer votre capacité à travailler ».” Onder ‘werk’ verstaan wij zowel voltijds als deeltijds werk, vrijwilligerswerk, studentenjobs, stages en werk als huisvrouw/huisman à dit is een verkeerde benadering omdat de evaluatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming niet gebonden is aan studie of werk;
    • bepaalde begrippen zijn niet precies genoeg: je suis capable de faire certaines activités avec des difficultés à “ou en mettant plus de temps” had moeten worden toegevoegd; ook de term ‘inkomen’ moet beter worden gedefinieerd.
  • De NHRPH had erop gewezen dat de gebruikte termen er altijd op gericht moesten zijn het invullen van de formulieren te vergemakkelijken, dubbelzinnigheden weg te nemen en de aanvragers ertoe te brengen hun problemen en noden goed te identificeren en erover te getuigen.

De NHRPH raadt de brochure van de KVG Kan ik u helpen, dokter? Gezin en Handicap aan als inspiratiebron qua aanpak en terminologie.

De NHRPH benadrukt ook dat het intakeformulier, hoe volledig en geïllustreerd ook, nooit een face-to-face-evaluatie tussen de aanvrager en het multidisciplinaire team – momenteel is dat de adviserend arts – zal vervangen. Evaluatoren kunnen de mogelijkheden en beperkingen van personen nooit correct meten op basis van raadpleging en evaluatie ‘op stukken’. Het multidisciplinaire team de middelen geven die het nodig heeft om volledig effectief te zijn, is de garantie voor een correcte evaluatie van het verlies van zelfredzaamheid. Als iemand door het multidisciplinaire team wil worden gezien, moet daar gehoor aan worden gegeven.

Voor de digitale lay-out herinnert de NHRPH aan zijn eerste aanbevelingen:

  • De digitale versie van het formulier moet afbeeldingen bevatten. De NHRPH heeft de aandacht gevestigd op de noodzaak om met name blinde en slechtziende personen in staat te stellen zich te situeren in het formulier, omdat zij de afbeeldingen en kleuren niet zien. Bovendien moeten alle personen met een handicap zonder beperkingen toegang kunnen krijgen tot het formulier, ongeacht de aard van hun handicap.
  • Tijdens het invullen van het formulier moeten aanvragers geleidelijk aan documenten kunnen toevoegen die aantonen wat zij schrijven (verslagen van - bijvoorbeeld - maatschappelijk assistenten en begeleiders). De NHRPH vindt het jammer dat deze mogelijkheid pas op het einde van het document wordt aangeboden.
  • De NHRPH heeft ook aangeraden een live chat te integreren. Het formulier is vrij lang en lastig om in te vullen. Live onlinehulp zou personen die het formulier invullen geruststellen en voorkomen dat zij de aanvraag laten vallen, zoals dat nu soms het geval is. Het hulpmiddel moet toegankelijk zijn voor alle personen met een handicap.

In het algemeen moet worden gedacht aan non-verbale communicatie. Blinde personen (visuele handicap) zouden meer worden getroffen door dit gebrek aan communicatie. Vooral deze groep dreigt niet langer zelfstandig toegang tot de informatie te krijgen.

De NHRPH beveelt sterk aan dat er tijd wordt uitgetrokken om dit formulier te laten evalueren door de eindgebruikers en alle professionals die personen met een handicap traditioneel begeleiden. De NHRPH vraagt ook dat elk lid van het multidisciplinaire team het intakeformulier als een echt werk- en opvolgingsinstrument gebruikt. Bij een inclusieve en niet langer uitsluitend medische benadering van het verlies van zelfredzaamheid is het evident dat de adviserend arts een actor in het team is, zonder de andere leden van dit team te overheersen.

De NHRPH beveelt aan dat een afspraak voor een lichamelijk onderzoek bij de arts altijd mogelijk moet zijn. Het kan niet dat de arts enkel op stukken evalueert. De betrokkenen moeten de gevolgen van hun gezondheidstoestand kunnen uitleggen. Daarom is het ook belangrijk dat elk lid van het multidisciplinaire team concreet wordt betrokken bij het evaluatieproces zelf (cf. advies 2020/12 over het EVAL-project van de DG HAN).

Tot slot herinnert de NHRPH aan het verband tussen het intakeformulier en de manier waarop de brieven van de DG HAN worden bedacht en geschreven.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2022/18 - European Accessibility Act - Bankdiensten en e-handelsdiensten

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot gedeeltelijke uitvoering van Richtlijn 2019/882 betreffende toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, in het bijzonder met betrekking tot bankdiensten voor consumenten en e-handelsdiensten, uitgebracht in plenaire zitting op 25/04/2022.

Advies op verzoek van de FOD Economie op 17 maart 2022 en op verzoek van de bijzondere raadgevende commissie Verbruik binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) op 24 maart 2022.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-Eerste minister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de FOD Economie
  • Voor opvolging aan de bijzondere raadgevende commissie Verbruik binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB)
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

De werkingssfeer van het wetsvoorstel is beperkt tot bankdiensten voor consumenten en e-handelsdiensten.

3. ANALYSE

Het voorontwerp voorziet in een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/882 en is beperkt tot bankdiensten voor consumenten en e-handelsdiensten. De overige diensten en producten (met inbegrip van de producten die tijdens de dienstverlening worden gebruikt) zijn verdeeld over andere - regionale en federale - administraties, overeenkomstig hun bevoegdheidsgebieden, en worden omgezet in hun respectieve organieke wetten.

Begin 2022 heeft de NHRPH al een advies uitgebracht over een ontwerp van koninklijk besluit dat eveneens voorziet in de gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn (advies 2022/04). Hoewel er belangrijke gelijkenissen zijn tussen het huidige wetsontwerp en het ontwerp van koninklijk besluit, zijn er ook veel verschillen, vooral wat betreft het toepassingsgebied en bepaalde specifieke procedures, zoals de klachtenprocedure.

Ter herinnering: Richtlijn (EU) 2019/882 is bedoeld om te zorgen voor een grotere beschikbaarheid van toegankelijke producten en diensten voor personen met een handicap en een betere toegankelijkheid van voor hen relevante informatie. Dit omvat het wegnemen en voorkomen van belemmeringen voor het vrije verkeer en het opleggen van specifieke toegankelijkheidsvoorschriften voor bepaalde producten en diensten.

De richtlijn bevat een reeks minimalistische bepalingen en roept de Staten op deze op ambitieuze wijze om te zetten. Het huidige wetsontwerp heeft alleen betrekking op bankdiensten voor consumenten en e-handelsdiensten.

In de verwijdering en voorkoming van belemmeringen wordt voorzien door de toepassing van minimale functionele voorschriften of specifieke technische eisen, afhankelijk van het gebied. De richtlijn moedigt ook het gebruik van geharmoniseerde normen aan. Tot slot verandert de richtlijn niets aan het verplichte of vrijwillige karakter van toegankelijkheidsbepalingen in andere besluiten van de EU.

De verschillende toegankelijkheidsvereisten zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/882. Zo moeten bedrijven informatie verstrekken over de werking van de diensten die zij aanbieden, moet deze informatie via verschillende zintuiglijke kanalen worden aangeboden en moet de informatie op een begrijpelijke en waarneembare manier worden gepresenteerd.

Bijlage II bij Richtlijn (EU) 2019/882 geeft een overzicht van niet-bindende indicatieve voorbeelden van de wijze waarop aan de toegankelijkheidsvereisten kan worden voldaan. Een concreet voorbeeld is dat de gebruikersinterface van de betaaldienst die voor online-aankopen wordt gebruikt, via spraak beschikbaar wordt gemaakt zodat blinde personen zelfstandig online-aankopen kunnen doen.

De vier toegankelijkheidsbeginselen voor websites en mobiele toepassingen vormen ook een richtsnoer voor de gebruikte informatie en interfaces: waarneembaarheid, bedienbaarheid (concrete bruikbaarheid), begrijpelijkheid en robuustheid (inhoud moet robuust genoeg zijn om op betrouwbare wijze te worden geïnterpreteerd door een grote verscheidenheid aan user software, waaronder ondersteunende technologieën).

In de tekst wordt rekening gehouden met de gevolgen van deze toegankelijkheidsvereisten voor het bedrijfsleven. Om een evenwicht te vinden tussen de toegankelijkheidsbehoeften van personen met een handicap en de mogelijkheden van bedrijven om in deze behoeften te voorzien, voorziet het wetsvoorstel in drie uitzonderingen. Deze uitzonderingen moeten altijd restrictief worden geïnterpreteerd om misbruik te voorkomen. In het bijzonder gaat het om:

  • een algemene uitzondering voor micro-ondernemingen;
  • een uitzondering wanneer diensten te ingrijpend moeten worden gewijzigd. Als de toepassing van de toegankelijkheidsvereisten ertoe zou leiden dat de onderneming de essentiële aard van de dienst op een fundamentele manier zou moeten veranderen, dan is het toegestaan de toegankelijkheidsvereisten niet toe te passen;
  • een uitzondering op de vereisten wanneer bedrijven kunnen aantonen dat de toegankelijkheidsvereisten een onevenredige belasting vormen.

De verschillende verplichtingen van ondernemingen om informatie over de toegankelijkheid van relevante diensten te verstrekken en actueel te houden, hebben ook gevolgen voor ondernemingen. In de impact assessment (effectbeoordeling) van de Europese Commissie (SWD /2015) 264 final) wordt ervan uitgegaan dat bedrijven de documentatie slechts één keer per dienst hoeven op te stellen, op voorwaarde dat de dienst niet verandert. Het is interessant op te merken dat het opstellen van toegankelijkheidsdocumentatie voor e-commerce en bankdiensten naar schatting een werkdag van 8 uur in beslag zou nemen en 144 euro per bedrijf per dienst zou kosten.

Naast Boek VIII van het Wetboek van economisch recht worden ook de Boeken XV en XVII gewijzigd. De uitvoeringsbepalingen en de mogelijkheid om een collectieve vordering (“class action”) in te stellen, zijn respectievelijk in deze boeken opgenomen.

Om dienstverleners de tijd te geven de toegankelijkheidsvereisten toe te passen, is er een overgangsperiode tot 28 juni 2030. Tijdens deze overgangsperiode mogen dienstverleners hun diensten blijven verlenen met gebruikmaking van producten die zij vóór die datum al rechtmatig gebruikten om soortgelijke diensten te verlenen. Voorts mogen dienstverleningscontracten die vóór 28 juni 2025 zijn gesloten, ongewijzigd blijven lopen tot zij verstrijken, tot uiterlijk vijf jaar na die datum.

4. ADVIES

De adviesvraag heeft betrekking op een moeilijke en technische tekst. De NHRPH heeft in dit stadium moeite om te beoordelen wat de "afgewerkte" producten en diensten zouden kunnen zijn in termen van toegankelijkheid voor personen met een handicap. De NHRPH wenst zeer snel een concreet overzicht te ontvangen van hetgeen zal worden ontwikkeld.

De NHRPH heeft reeds talrijke adviezen over de European Disability Act (EAA) uitgebracht. Naarmate de tijd verstrijkt en teksten voor advies worden voorgelegd, krijgt de NHRPH het gevoel geconfronteerd te worden met "een sneltrein in volle vaart die zich er helemaal niet om bekommert of de betrokken passagiers wel zullen kunnen instappen". Erger nog, de ambitie van de Europese Commissie om de zwakste burgers dichter bij de meest elementaire (digitale) goederen en diensten te brengen, is niet langer een prioriteit. De Belgische wetgever - die resoluut heeft gekozen voor een minimalistische omzetting van de richtlijn op alle gebieden die zij bestrijkt - lijkt zich meer te bekommeren om het concretiseren van de uitzonderingen die de economische ondernemers in staat zullen stellen aan de toepassing van de richtlijn te ontsnappen dan om het stimuleren van een evolutie naar meer toegankelijkheid. Hoe kunnen we redelijkerwijs van de economische bestemmelingen verwachten dat zij een toegankelijkheidsbeleid voeren als de Staat dat zelf niet eist?

De NHRPH betreurt ten zeerste de handhaving van de 3 uitzonderingen. In de praktijk wordt de onevenredige last van de naleving vaak aangevoerd als een reden om aan de naleving van de voorschriften voor producten en diensten te ontsnappen. Dit is uiteraard onaanvaardbaar en de overgangsperiode moet worden gebruikt om een begin te maken met de samenwerking tussen de actoren van het bankwezen en van de e-commerce (met inbegrip van de micro-ondernemingen) en de verenigingen die over de technische vaardigheden inzake toegankelijkheid beschikken (CAWAB, Inter). De NHRPH herinnert eraan dat toegankelijkheid een economische niche is die momenteel weinig wordt geëxploiteerd, maar wel een groot ontwikkelingspotentieel heeft.

De digitale kloof is een realiteit met vele facetten. Digitalisering kan voor personen met een handicap zowel een hel, een bron van uitsluiting zijn als een opportuniteit. De toegang tot digitale technologie moet veel van de belemmeringen waarmee sommige personen met een handicap worden geconfronteerd, wegnemen, anders leidt digitalisering tot uitsluiting in plaats van inclusie. Er is nood aan een andere benadering van digitale producten en hun creatie: wat toegankelijk is voor personen met een handicap is immers voor iedereen gemakkelijk te gebruiken. De toegankelijkheid van een product of dienst moet daarom eerst worden bekeken vanuit het oogpunt van personen met een handicap.

De digitale kloof kan verband houden met financiële kwesties. Handicap en armoede zijn vaak met elkaar verbonden; de aanschaf van een computer en abonnementen voor vast en mobiel internet zijn vaak obstakels voor personen met een handicap. Aanpassingsmodules en -programma's brengen ook extra kosten mee. Er moet meer steun komen voor toegang tot het internet, de aankoop van apparatuur (algemeen en specifiek) en opleiding in het gebruik van dergelijke apparatuur.

De digitale kloof is niet alleen van financiële aard: er zijn tal van andere uitdagingen en situaties waarin sprake is van ontoegankelijkheid, zoals:

  • Voor blinde personen: e-loket, e-commerce, overheid (e-government), banken, itsme, verkiezingen, apps voor openbaar vervoer, myhealth, reservering openbaar vervoer (NMBS), parkeren/scan car, afspraak maken bij de dokter, touchscreen, digitale tickets en alleen visuele toewijzing van de beurt in een wachtzaal (volgnummer niet in braille, alleen visueel en/of geluidssignaal om de beurt aan te kondigen, maar geen afroeping op naam), identificatierobots en captcha, ... zijn vaak ontoegankelijk.
  • Personen met verlamming: problemen met bediening, aanraking enz.
  • Dove personen: gebrek aan tolken bij onlinevergaderingen, te weinig gebarentaal op websites, ontbreken van ondertitels enz. Bij stroomuitval is het voor een persoon met een auditieve handicap vaak zeer moeilijk of onmogelijk om contact op te nemen met de provider. Directe hulp wordt per telefoon gegeven. Hulp via internet krijgt meestal geen prioriteit.
  • Zelfs papieren folders beperken zich soms tot een verwijzing naar een link. Tegenwoordig is de volledige versie van bijna alle gebruiksaanwijzingen en soms zelfs de dosering van geneesmiddelen alleen nog maar op het internet te vinden.
  • Veralgemening van videoconsultaties: dit levert grote problemen op voor blinde personen, dove personen en personen met een verstandelijke handicap (nood aan menselijke ondersteuning, gebarentaal, uitleg, werken met Zoom enz.). Juist hier moeten de twee kanalen (fysieke en videoconsultatie) naast elkaar blijven bestaan.
  • Identificatierobots en captcha zijn ook volledig ontoegankelijk voor blinde personen.
  • Toegang tot lezen (met uitzondering van specifieke tekst-naar-spraaksoftware) is een eerste vereiste voor toegang tot digitale technologie. Voor een aanzienlijk deel van de bevolking is lezen echter nog steeds niet toegankelijk, en dat zal altijd zou blijven. Voor alle personen die door hun handicap niet kunnen lezen, is digitalisering een uitdaging: ook de inhoud van de informatie moet worden vereenvoudigd. Op voorwaarde dat toepassingen, websites EN hun inhoud - dat laatste wordt maar al te vaak verwaarloosd of zelfs vergeten - toegankelijk zijn, draagt de digitale evolutie bij tot het wegwerken van tal van belemmeringen voor personen met een handicap.
  • Toegankelijkheid van documenten om te downloaden. Er zijn veel van dergelijke documenten, vooral in de banksector. Zij zijn meestal beschikbaar in PDF-formaat (zelden toegankelijk) en zij bevatten vaak tabellen (ook zelden toegankelijk). Dit heeft tot gevolg dat zelfs indien de website toegankelijk is, de diensten die online kunnen worden verstrekt, ontoegankelijk blijven indien de gebruikers de verstrekte documenten niet kunnen invullen.
  • “Gemakkelijk te lezen en te begrijpen” moet worden gesystematiseerd.
  • De mogelijkheid om een klacht in te dienen: zelfs bij de ombudsdiensten zijn de invulformulieren niet toegankelijk.
  • Cookies verhogen het aantal nodige reacties en handelingen. De functie "gedeeltelijk akkoord/ noodzakelijke cookies" is niet erg toegankelijk en vertraagt de toegang tot informatie.
  • Updates zijn te frequent en daardoor vaak ontoegankelijk.
  • In het begin zijn apps vaak gratis, maar daarna worden ze betalend.

De toegankelijkheidsvraag heeft geen pasklaar antwoord, aangezien rekening moet worden gehouden met specifieke handicaps: fysieke (rolstoel, verlamming, enz.), visuele, auditieve, intellectuele, spraakgerelateerd, enz. Elk type handicap kent zijn eigen uitdagingen. Tegelijkertijd biedt de digitale revolutie ook veel mogelijkheden en oplossingen, mits rekening wordt gehouden met de verschillende handicaps.

Digitalisering kan nooit het enige antwoord zijn voor de levering van producten en diensten. De veelheid van communicatiemedia EN de veelheid van informatie-inhoud moeten naast elkaar blijven bestaan. Naast digitalisering is het ook essentieel om de antwoorden op één plaats te kunnen samenbrengen: fysieke locatie, fysieke ondersteuning, menselijke ondersteuning.

De NHRPH moedigt technische normatieve harmonisatie aan omdat veel ontwikkelaars duidelijke ontwikkelingskaders verwachten. Het is een kwestie van opleiding van de ontwikkelaars, maar ook van de dienstverleners. Alle users van websites moeten van bij het begin bij de ontwikkeling worden betrokken. De federale structuur van België leidt tot verschillen in regelgeving tussen de gewesten. Het is ook niet altijd duidelijk welk niveau bevoegd is. Overleg en harmonisatie tussen de niveaus zijn noodzakelijk. De algemene behoeften inzake toegankelijkheid waarmee de personen met een handicap worden geconfronteerd, zijn dezelfde, ongeacht de regio waarin zij wonen. Er moet een gemeenschappelijke basis zijn. Er moeten nauwkeurige benchmarks beschikbaar zijn.

De toegang tot mobiel internet biedt ook veel comfort aan mensen die moeilijk ter been zijn. Real-time-informatie helpt het aantal doodlopende pistes en obstakels te beperken waarin mensen vaak terechtkomen bij hun verplaatsingen (wegwerkzaamheden, defecten aan liften of roltrappen, moeilijke ligging van terreinen of routes voor rolstoelgebruikers enz.). Dit geldt o.a. ook voor mensen die moeite hebben hun weg te vinden of te onthouden.

Toegankelijkheid moet altijd aan 5 eisen voldoen: bruikbaar, beschikbaar, toegankelijk, betaalbaar, begrijpelijk. Personen met een handicap moeten ook kunnen rekenen op bijstand, op elk moment, kosteloos en ongeacht hun handicap. Voorts dringt de NHRPH er met klem op aan dat het aanbod van en de toegang tot specifieke digitale opleidingen wordt versterkt.

De NHRPH onderstreept ook het belang van het vertrouwen in het internet bij personen met een handicap: blinde personen en personen met een verstandelijke handicap zijn afhankelijk van derden... Vaak nemen mensen informatie online zonder voorbehoud aan en als er dan problemen ontstaan, is het wantrouwen nadien enorm groot.

Hoewel de wetgeving in sancties voorziet, worden deze in de praktijk vaak niet toegepast. Dit moedigt aannemers en leveranciers niet aan om zich aan de regels te houden, wel integendeel. Er zijn organisaties (Ombudsman, Unia enz.) die goed werk verrichten op het gebied van bemiddeling en bewustmaking. Het zou goed zijn als deze organisaties ook gezamenlijk overleg zouden plegen om een overzicht te krijgen en goede praktijken uit te wisselen. Maar dit volstaat niet. De procedures voor collectieve vorderingen moeten worden versoepeld en het seponeren van klachten door de openbare aanklagers moet aan meer voorwaarden worden gebonden.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2022/20 - European Accessibility Act - BIPT

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet houdende wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ter gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Europese Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, en het ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 2016 betreffende het op de markt aanbieden van radioapparatuur, uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 mei 2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan Mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan Mijnheer Alexander De Croo, Eerste Minister,
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op 10 mei heeft het BIPT op verzoek van Vice-eersteminister Petra De Sutter een raadpleging gelanceerd over de omzetting van Richtlijn 2019/882 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten.

3. ANALYSE

De documenten die ter raadpleging worden voorgelegd, staan op de website van het BIPT: https://www.bipt.be/index.php/operatoren/publicatie/raadpleging-over-de-omzetting-van-richtlijn-2019882-betreffende-de-toegankelijkheidsvoorschriften-voor-producten-en-diensten

Het voorontwerp van wet voegt een artikel in de bestaande regelgeving in om toegankelijkheidsvoorschriften te kunnen toepassen op bepaalde soorten radioapparatuur:

  • gewone computerapparatuur voor consumenten en besturingssystemen voor die apparatuur;
  • betaalterminals voor zelfbediening;
  • geldautomaten voor zelfbediening;
  • ticketautomaten voor zelfbediening;
  • incheckautomaten voor zelfbediening;
  • interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals, met uitzondering van terminals die als geïntegreerde delen van voertuigen, luchtvaartuigen, schepen of rollend materieel zijn geïnstalleerd;
  • eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, die gebruikt wordt voor elektronische-communicatiediensten;
  • eindapparatuur voor gebruik door consumenten met interactieve computerfuncties voor toegang tot audiovisuele mediadiensten;
  • e-lezers.

De aanbieders van elektronische-communicatiediensten ontwikkelen de elektronische-communicatiediensten overeenkomstig de toegankelijkheidsvoorschriften en maken ze toegankelijk voor eindgebruikers met een handicap. De Koning stelt de toegankelijkheidsvoorschriften en -voorwaarden vast.

Het voorontwerp van wet voorziet eveneens in een uitzonderingsmechanisme, volgens hetwelk fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld worden van de toegankelijkheidsvoorschriften. Er wordt bepaald dat de Koning de criteria vaststelt die het mogelijk maken het bestaan vast te stellen van een onevenredige last voor deze fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs. Deze toegankelijkheidsvoorschriften gelden enkel voor zover de naleving ervan:

  • geen ingrijpende wijziging vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard van de radioapparatuur, en
  • geen onevenredige last oplevert voor fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs ten aanzien van de door de Koning vastgestelde criteria.

Fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften een van de in het tweede lid bedoelde gevolgen met zich brengt. Zij documenteren hun beoordeling en bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat de betrokken radioapparatuur voor het laatst op de markt is aangeboden. Op verzoek van het Instituut bezorgen ze het een exemplaar van de beoordeling.
Indien de fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs uit andere bronnen dan hun eigen middelen financiering ontvangen ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kunnen zij geen beroep doen op het bestaan van een onevenredige last.

De voorgestelde tekst verduidelijkt ook dat deze voorschriften geen betrekking hebben op micro-ondernemingen, d.w.z. ondernemingen met minder dan tien werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2.000.000 euro.

De wet treedt in werking op 28 juni 2025.

Het voorontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat radioapparatuur zodanig moet worden ontworpen en geproduceerd dat de apparatuur het te verwachten gebruik door personen met een handicap zo veel mogelijk bevordert, en dat de radioapparatuur vergezeld moet gaan - waar mogelijk in of op de radioapparatuur zelf - van toegankelijke informatie over de werking en de toegankelijkheidsfuncties ervan.

Het bepaalt dat aan de volgende toegankelijkheidsvoorschriften moet worden voldaan voor

  • informatie over het gebruik van de radioapparatuur die op de radioapparatuur zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen) en die:
    • beschikbaar wordt gesteld via meer dan een zintuiglijk kanaal;
    • gepresenteerd wordt op een begrijpelijke manier;
    • gepresenteerd wordt aan een voor de gebruikers waarneembare manier;
    • gepresenteerd wordt met gebruikmaking van lettertypes in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, alsmede met gebruikmaking van voldoende contrast en een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;
    • wat de inhoud betreft, weergegeven wordt in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat zij op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden;
    • vergezeld wordt van een alternatieve weergave van niet-tekstuele inhoud;
    • vergezeld wordt van een beschrijving van de gebruikersinterface van de radioapparatuur (gebruik, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
  • instructies voor het gebruik van radioapparatuur, indien die niet op de radioapparatuur zelf zijn aangebracht, maar worden aangeboden bij het gebruik van de radioapparatuur of op een andere wijze, zoals via een website, onder meer m.b.t. de toegankelijkheidsfuncties van de radioapparatuur, hoe ze geactiveerd worden en de interoperabiliteit ervan met hulpvoorzieningen, en die bij het in de handel brengen openbaar beschikbaar moeten worden gesteld – dit zijn dezelfde voorschriften als in het vorige punt;
  • ontwerp van de gebruikersinterface en van de functionaliteit, vermits de radioapparatuur, met inbegrip van zijn gebruikersinterface, kenmerken, elementen en functies moet bevatten waardoor personen met een handicap toegang kunnen hebben tot de radioapparatuur, en de radioapparatuur kunnen waarnemen, bedienen, begrijpen en controleren, rekening houdend met een aantal verwachtingen van gebruikers die lijden aan een fysieke, zintuiglijke of intellectuele beperking;
  • ondersteunende diensten (helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelings- en opleidingsdiensten), die via toegankelijke communicatiemethoden informatie verstrekken over de toegankelijkheid van de radioapparatuur en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën.

De audiovisuele mediadiensten worden door middel van evenredige maatregelen voortdurend en in toenemende mate toegankelijker gemaakt voor personen met een handicap die lijden aan een visuele of auditieve beperking.

Noodinformatie, met inbegrip van openbare mededelingen en aankondigingen bij natuurrampen, die via audiovisuele mediadiensten beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, moet worden verstrekt op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap die lijden aan een visuele of auditieve beperking.

Een enkel, gemakkelijk toegankelijk, ook voor personen met een handicap met een visuele of auditieve beperking, en openbaar beschikbaar onlinecontactpunt wordt opgericht om informatie te verstrekken en klachten te ontvangen betreffende toegankelijkheidskwesties.

Het ontwerp van KB treedt in werking op 28 juni 2025.

4. ADVIES

De NHRPH betreurt ten zeerste dat er voor het opstellen van deze regelgeving helemaal niet met de NHRPH overlegd werd.

De NHRPH geeft een ronduit negatief advies over de inhoud en de draagwijdte ervan: de regelgeving draagt de kiemen voor uitsluiting van personen met een handicap van digitale diensten en goederen in zich, terwijl de Richtlijn juist tot doel had deze toegankelijker te maken voor personen met een handicap.

In aansluiting op de reeds uitgebrachte adviezen over de European Accessibility Act kan de NHRPH alleen maar vaststellen dat de Belgische wetgever heeft gekozen voor een minimalistische omzetting van de Richtlijn: de voorziene uitzonderingen (geen onevenredige last van de aanpassing en niet van toepassing op micro-ondernemingen) zullen de meeste diensten de facto niet toegankelijk maken. In plaats van inclusief wordt digitalisering wellicht in toenemende mate onbereikbaarder en een hel voor personen met een handicap. Uitzonderingen worden elders voor niet toegelaten om veiligheidsredenen; waarom dan wel als het om toegankelijkheid gaat?

De voorgestelde teksten zijn in strijd met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat België nochtans in 2009 heeft bekrachtigd. Zij druisen ook in tegen artikel 22ter van de Grondwet (april 2021): iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

De NHRPH herinnert eraan dat zowel het in het regeerakkoord als in het federaal actieplan handicap wordt geijverd voor een inclusieve samenleving voor personen met een handicap. De omzetting van de Richtlijn had een springplank kunnen zijn, maar is op een fiasco uitgelopen.

We moeten streven naar een duidelijke, concrete en bindende normalisatie van de toegankelijkheid, anders blijft het een ideaal zonder echte inhoud.

De NHRPH vreest het ergste voor 28 juni 2025, wanneer er niet-toegankelijke producten en diensten met een lange levensduur op de markt zullen komen.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2022/13 - Heropstart ICM Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2022/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de heropstart van de Interministeriële Conferentie (IMC) Welzijn, Sport en Familie – deel Handicap, uitgebracht op 8 maart 2022 na raadpleging van de NHRPH-leden per mail van 28 februari 2022 wegens het dringende verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris.

Advies op verzoek van mevrouw Karine Lalieux (mail van 21 februari 2022).

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit
  • Ter informatie van de ministers belast met personen met een handicap in de deelgebieden
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Op initiatief van mevrouw Karine Lalieux, federaal Minister belast met Personen met een handicap, is de IMC Welzijn, Sport en Familie na een lange onderbreking opnieuw samengekomen. Er werd beslist de deel-IMC Handicap nieuw leven in te blazen en de naam te veranderen in “IMC Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap”.

Het overlegcomité moet deze beslissing nog goedkeuren.

3. ANALYSE

Binnen de IMC Welzijn, Sport en Familie werd in 2008 een deel-IMC Handicap opgericht. Deze deel-IMC is niet meer samengekomen sinds 2013, en wordt ook niet langer vermeld in de overzichtstabel met de samenstelling van IMC's van het overlegcomité.

Het regeerakkoord stelt dat de federale regering groot belang hecht aan de samenwerking tussen beleidsniveaus en garandeert dat de belangrijkste interministeriële conferenties regelmatig samenkomen.

Op 19 maart 2021 verzocht de Ministerraad de federale Minister belast met Personen met een handicap om de Gemeenschappen en Gewesten uit te nodigen bij te dragen aan het opstellen van een interfederale strategie handicap binnen de Interministeriële Conferentie bevoegd voor handicap.

Volgens de nota aan de Ministerraad is meer overleg tussen de federale regering en de deelgebieden essentieel, aangezien de bevoegdheden inzake handicapbeleid sterk versnipperd zijn.

In de nota aan de Ministerraad wordt er ook aan herinnerd dat de heropstart van een IMC bevoegd voor handicap een vraag is van het maatschappelijk middenveld (advies 2021-37 van de NHRPH).

Op 20 december 2021 kwam de IMC Welzijn, Sport en Familie samen op initiatief van de Minister, mevrouw Lalieux. De IMC kwam overeen:

  • de naam van de IMC Welzijn, Sport en Familie te wijzigen in IMC Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap;
  • de deel-IMC Handicap binnen de IMC Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap opnieuw te activeren;
  • een werkagenda voor de periode 2022 – 2024 op te stellen;
  • binnen de deel-IMC Handicap een interfederale strategie handicap 2021 - 2030 uit te werken;
  • een reflectie op te starten over de mogelijkheid om op middellange termijn een afzonderlijke IMC Handicap op te richten.

Voorts stelt de nota aan de Ministerraad dat

  • het overlegcomité de naamswijziging van een IMC dient goed te keuren;
  • de vertegenwoordigers van elke regering binnen de IMC dienen te worden gecommuniceerd aan het overlegcomité;
  • de Eerste Minister de agenda van het overlegcomité dient vast te leggen.

De huidige vertegenwoordigers van de federale regering in de IMC Welzijn, Sport en Familie zijn

  • mevrouw Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris;
  • de heer Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • mevrouw Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit.

Voor het federaal niveau is geen wijziging van de vertegenwoordigers nodig voor de deel-IMC Handicap ten opzichte van de huidige samenstelling van de IMC Welzijn, Sport en Familie.

4. ADVIES

De NHRPH verheugt zich over de heropstart van de deel-IMC Handicap. In zijn advies 2021-37 wees de NHRPH op de noodzaak een forum voor overleg en samenwerking tussen de verschillende deelgebieden nieuw leven in te blazen om de denkoefening over personen met een handicap te blijven voeren. De NHRPH gaat akkoord met de naamswijziging van de IMC (ter herinnering: de nieuwe naam luidt Welzijn, Sport, Gezinnen en Handicap). De NHRPH wil op termijn komen tot een volwaardige IMC Handicap, om het belang van handicap in de verf te zetten. De NHRPH legt de nadruk op de transversaliteit van handicap: handicap moet dus NU REEDS IN ALLE IMC’s worden aangesneden en behandeld. 

De NHRPH betreurt evenwel dat de adviestermijn in het verzoek tot een elektronische raadplegingsprocedure nopen. Een advies dat in plenaire vergadering wordt uitgebracht, is altijd rijker, aldus de NHRPH (advies 2021-42).

De NHRPH dringt erop aan dat minstens over volgende dossiers overleg wordt gepleegd:

  • tewerkstelling van personen met een handicap, meer bepaald de strijd tegen de werkloosheidsvallen: de NHRPH herinnert eraan dat de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap in België een van de laagste in Europa is.
    Op federaal niveau werden verschillende maatregelen getroffen of gepland om de terugkeer naar het werk van invalide of arbeidsongeschikte werknemers te bevorderen, zowel in de openbare als in de privésector (advies 2021-31, advies 2022-06 en advies 2022-10). Deze maatregelen vereisen een samenwerking met de deelgebieden.
  • toegankelijk openbaar vervoer (intermodaliteit tussen de verschillende vervoermiddelen) en toegankelijke infrastructuur voor personen met een handicap.
  • het oplossen van de problemen die zijn ontstaan door het invoeren van lage-emissiezones en het gebruik van scanauto's in de Gewesten voor bezitters van een parkeerkaart voor personen met een handicap (adviezen 2020-04 en 2021-32).
  • de wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders: sinds de inwerkingtreding van dit besluit is de onderwerping van overeenkomsten voor beroepsomscholing en overeenkomsten voor beroepsopleiding aan de sociale zekerheid opgeheven, wat een aantal personen met een handicap in serieuze moeilijkheden heeft gebracht. Dit euvel is nog steeds niet opgelost (advies 2018/20).
  • het opstellen van statistieken over personen met een handicap: deze statistieken maken coherentere en efficiëntere maatregelen ten behoeve van personen met een handicap mogelijk.
  • de European Disability Card (EDC): overleg is essentieel om het aantal partners in de sport-, vrijetijds- en cultuursector uit te breiden en hen aan te moedigen hun aanbod af te stemmen op de verwachtingen van personen met een handicap en hun gezinnen.

Deze lijst is uiteraard niet exhaustief.

De NHRPH herinnert eraan op de hoogte te willen blijven van de besprekingen binnen de IMC. De NHRPH vraagt te worden geraadpleegd en/of betrokken bij de te prioriteren dossiers, en ook te worden geraadpleegd voor de agendering. De NHRPH dringt erop aan dat de andere deelgebieden personen met een handicap en de verenigingen die hen vertegenwoordigen betrekken via de adviesorganen. Structureel overleg met de bestaande adviesraden op federaal niveau en op het niveau van de deelgebieden is absoluut noodzakelijk.

De NHRPH hamert nogmaals op het transversale aspect van handicap. Ook Ministers die niet bevoegd zijn voor handicap, zullen dus aan de vergaderingen moeten deelnemen.

  • Raadplegingen: 10

Advies 2022/17 - Verblijfsvoorwaarden voor de IVT

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2022/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) over een wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wat betreft de verblijfsvoorwaarden voor de inkomensvervangende tegemoetkoming, uitgebracht in plenaire zitting op 25/04/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de Voorzitster van de Commissie Sociale zaken, Werkgelegenheid en pensioenen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

1. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan mevrouw Marie-Colline Leroy, Voorzitter van de Commissie Sociale Zaken, Werkgelegenheid en Pensioenen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

Het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wat betreft de verblijfsvoorwaarden voor de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT), beoogt een striktere verblijfsvoorwaarde voor de IVT in te voeren.

3. ANALYSE

Achtergrond - Artikel 23 van de wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie voorzag in een aanvullende verblijfsvoorwaarde voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) voor personen met een handicap. Naast de bestaande verblijfsvoorwaarden werd aan de aanvrager de verplichting opgelegd om aan te tonen dat hij gedurende ten minste tien jaar daadwerkelijk in België heeft verbleven, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken.

Dit nieuwe verblijfsvereiste werd echter nietig verklaard bij arrest nr. 41/2020 van het Grondwettelijk Hof.

Het huidige wetsvoorstel beoogt opnieuw de invoering van een strengere verblijfsvoorwaarde voor de toekenning van de IVT, maar onder andere voorwaarden dan de nietig verklaarde bepaling. De indieners van het voorstel zijn van mening dat een aanvullende verblijfsvoorwaarde noodzakelijk is om uitkeringstoerisme te voorkomen, de begroting in de hand te houden en de legitimiteit van onze sociale bijstand te waarborgen.

1. Verblijfsvoorwaarde van vijf jaar

Het wetsvoorstel harmoniseert de verblijfsvoorwaarde met de bestaande Europese definities van permanent verblijf. Het voorstel bepaalt dat, om in aanmerking te komen voor een IVT, de aanvrager gedurende ten minste vijf ononderbroken jaren in België moet hebben verbleven.

De indieners van het voorstel merken op dat volgens de Europese regelgeving (en dus ook volgens de Belgische) het verblijfsrecht permanent of onbeperkt is na een ononderbroken verblijf van vijf jaar. Dit geldt zowel voor burgers van de Europese Unie (zie met name artikel 16 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden) als voor onderdanen van derde landen die - afhankelijk van hun verblijfsstatuut - op grond van verschillende Europese richtlijnen na vijf jaar een verblijfsrecht van onbeperkte duur kunnen krijgen.

Wat de EU-burgers betreft, zijn de auteurs van het voorstel van oordeel dat

  • De IVT is een vorm van sociale bijstand die wordt toegekend om het inkomen dat men door zijn handicap niet kan verdienen, (deels) te compenseren. Dit is aldus een de facto leefloon voor personen met een beperking.

De verplichting tot gelijke behandeling, voorzien bij het Europees recht, is niet absoluut en geldt alleen voor personen die op grond van het Europees recht een verblijfsrecht hebben.
EU-onderdanen moeten aan de verblijfsvoorwaarden van de artikelen 7 en 24 van Richtlijn 2004/38/EG voldoen om "recht te hebben" op deze gelijke behandeling:

  • werken als werknemer/zelfstandige in het gastland;
  • indien zij economisch inactief zijn, over voldoende bestaansmiddelen beschikken om niet afhankelijk te zijn van het Belgische socialezekerheidsstelsel;
  • werkzoekende of student zijn (maar over voldoende bestaansmiddelen beschikken).

Wanneer deze onderdanen tijdens hun beperkte verblijf in België - van drie maanden tot vijf jaar - een IVT aanvragen, geven zij aan dat zij niet (meer) over voldoende bestaansmiddelen beschikken. Zij kunnen dus worden uitgezet zodra zij niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldoen en een onredelijke belasting voor ons socialezekerheidsstelsel vormen. Zij verliezen dus het recht op gelijke behandeling en hun aanvraag voor een IVT kan worden afgewezen.

Het voorstel herinnert er ook aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest-Dano heeft verklaard dat de lidstaten op grond van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG de mogelijkheid moeten hebben te weigeren sociale uitkeringen toe te kennen aan economisch niet-actieve burgers van de Unie die hun recht van vrij verkeer uitoefenen met als enige doel sociale bijstand van een andere lidstaat te verkrijgen, ook al beschikken zij niet over voldoende bestaansmiddelen om voor een verblijfsrecht in aanmerking te komen.

Zodra zij een permanent verblijfsrecht hebben verkregen, moeten deze onderdanen op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen van het gastland, ook wat de sociale zekerheid betreft. Volgens de auteurs van het voorstel moet daarom de aanvullende voorwaarde van inschrijving in het bevolkingsregister worden ingevoerd.

2. Verblijfsperioden in andere EU-lidstaten

In het wetsontwerp herinneren de auteurs eraan dat het Grondwettelijk Hof heeft verklaard dat de vereiste om gedurende ten minste tien jaar in België te hebben gewoond, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, niet verenigbaar is met artikel 6 van de Europese Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Deze verordening bepaalt dat, wanneer een lidstaat de toepassing van wetgeving afhankelijk stelt van de vervulling van bepaalde tijdvakken van verblijf, in een andere EU-lidstaat vervulde tijdvakken van verblijf in aanmerking moeten worden genomen.

In het wetsvoorstel bepalen de auteurs daarom dat verblijfsperioden in andere EU-lidstaten worden gelijkgesteld met verblijf in België.

Deze regel is alleen van toepassing op personen die onder Verordening 883/2004 ressorteren. Voorbeelden:

  • burgers van de Unie;
  • familieleden en overlevenden van burgers van de Unie;
  • onderdanen van de EER en Zwitserland;
  • staatlozen en vluchtelingen die in een Lidstaat verblijven en op wie de wetgeving van één of meer Lidstaten van toepassing is of geweest is;
  • familieleden en overlevenden van de bovengenoemde staatlozen en vluchtelingen;
  • alle onderdanen van derde landen die op het grondgebied van een lidstaat verblijven en die zich niet in een zuiver interne situatie bevinden.

3. Verband tussen het verblijfsvoorwaarde en het algemeen belang

Het Grondwettelijk Hof merkt op dat het voordeel van de IVT in beginsel afhankelijk kan worden gesteld van het bestaan van een voldoende band met België. Volgens het Grondwettelijk Hof vormt "het streven naar het beheersen van de budgettaire kosten van de inkomensvervangende tegemoetkoming” bovendien een legitieme doelstelling. Het Grondwettelijk Hof ziet echter niet “in welk opzicht de voorwaarde van een werkelijk verblijf van ten minste tien jaar in België, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, in om het even welke fase van het leven van de gerechtigde op de inkomensvervangende tegemoetkoming, een voldoende band met België en zijn sociale stelsel aantoont, toelaat ‘sociale shopping’ tegen te gaan of aantoont dat de gerechtigde met zijn activiteit heeft bijgedragen aan de financiering van de sociale zekerheid, zoals de wetgever het wenste.”

In het wetsvoorstel benadrukken de auteurs dat de verblijfsvoorwaarde in dit wetsvoorstel onder meer bedoeld is om ‘sociale shopping’ tegen te gaan. Zij voorzien evenwel in een uitzondering voor personen die reeds vijf jaar in een lidstaat van de Europese Unie verblijven, over voldoende bestaansmiddelen beschikken en beschouwd worden als economisch actieve onderdanen van de Unie. De auteurs menen hiermee tegemoet te zijn gekomen aan de bezwaren van de Raad van State en het Grondwettelijk Hof.

De auteurs van het voorstel merken op dat uit de cijfers blijkt dat onderdanen van EU-lidstaten met een lager welvaartspeil, een veel lager bbp per hoofd van de bevolking en lagere lonen inderdaad aan ‘sociale shopping’ doen. Terwijl in 2008 vier Roemeense en vier Bulgaarse onderdanen een IVT en/of een IT (integratietegemoetkoming) ontvingen, waren dat er negen jaar later, in 2017, respectievelijk 321 en 312.

Terwijl het aandeel Roemenen en Bulgaren in de algemene bevolking in deze periode is vervijfvoudigd, was het aantal Roemenen en Bulgaren dat een IVT en/of IT ontving in 2017 158 keer zo hoog als negen jaar eerder. Volgens de huidige regels kunnen deze onderdanen moeilijk worden uitgesloten van de IVT zolang zij er als EU-onderdanen recht op hebben. Door de toekenning van de IVT afhankelijk te maken van de bovengenoemde voorwaarde, menen de auteurs te voorkomen dat personen met onvoldoende inkomsten en beroepsperspectieven naar België komen met als enige doel een IVT te verkrijgen.

De auteurs van het voorstel zijn van mening dat aanvragers die nog geen permanent ingezetenen zijn (sinds vijf jaar) aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen die hun verblijf wettelijk kunnen rechtvaardigen. Volgens de auteurs zouden deze mensen hun recht op maatschappelijke integratie moeten opeisen (via een GPMI - geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie) in plaats van een IVT aan te vragen.

4. Definitie van werkelijke verblijfplaats

Eenieder die daadwerkelijk maar illegaal op het grondgebied verblijft, valt niet onder de werkingssfeer van de wet. Om rechtsonzekerheid te voorkomen, vereist het voorstel een "werkelijke verblijfplaats" en moet de verblijfplaats in het rijksregister zijn ingeschreven.

4. ADVIES

Allereerst merkt de NHRPH op dat artikel 4, § 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, na goedkeuring van het wetsontwerp, als volgt zou luiden

§ 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die:

    1.  Belg is;
    2. onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;
    3. Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
    4. staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;
    5. vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
    6. niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot 18 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

"Voor de inkomensvervangende tegemoetkoming moet de persoon ook gedurende ten minste vijf jaar effectief in België hebben gewoond, en ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente waar hij of zij zich effectief heeft gevestigd.”

In afwijking van het vorige lid kan eenieder die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 ressorteert, met name burgers van de Unie en hun familieleden die een verblijfsrecht genieten overeenkomstig artikel 40, lid 4, punt 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen kunnen aanspraak maken op de inkomensvervangende tegemoetkoming, mits zij vóór de openstelling van het recht op deze tegemoetkoming gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken, effectief en legaal op het grondgebied van de Europese Unie hebben verbleven, dan wel ononderbroken aangesloten zijn geweest bij een socialezekerheidsstelsel op het grondgebied van de Europese Unie.

De burgers van de Unie en hun familieleden die verblijfsrecht genieten overeenkomstig artikel 40, § 4, 2° en 3°, van de voornoemde wet van 15 december 1980, moeten echter voldoen aan de verblijfsvoorwaarde.

Voor de toepassing van deze wet wordt de werkelijke woonplaats in België vastgesteld door middel van informatie, voor de gerechtigde opgenomen en bewaard in het Rijksregister overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

Hoewel de NHRPH begrip heeft voor het doel van de auteurs van het voorstel, namelijk ‘sociale shopping’ voorkomen, meent de NHRPH dat deze tekst, zoals hij is opgesteld, ook de Belgen kan benadelen.

Neem het voorbeeld van een Belgisch gezin met een kind met een handicap waarvan de ouders buiten de Europese Unie werken en regelmatig naar België terugkeren, maar voor minder dan 5 achtereenvolgende jaren. Indien het kind op 18-jarige leeftijd beslist naar België terug te keren, zal het gedurende 5 jaar ononderbroken in België moeten verblijven vooraleer het aanspraak kan maken op een IVT.

Anderzijds geven de auteurs zeer weinig antwoord op het voor het Grondwettelijk Hof aangevoerde tweede middel, namelijk de standstill-clausule.

A.4.1. Het tweede middel van de verzoekende partijen is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, door artikel 23 van de wet van 26 maart 2018.

De verzoekende partijen voeren aan dat die grondwetsbepaling een standstill-verplichting bevat die de bevoegde wetgever verbiedt het beschermingsniveau van een recht dat daarin verankerd is aanzienlijk te verminderen, zonder dat daarvoor redenen van algemeen belang bestaan. De invoeging, bij de bestreden wet, van een voorwaarde van tien jaar (waarvan vijf jaar ononderbroken) verblijf in België om toegang te kunnen hebben tot de inkomensvervangende tegemoetkoming vormt een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van het “recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand”, dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet.

Die achteruitgang, zo menen de verzoekende partijen, is niet redelijk verantwoord door redenen van algemeen belang.
(...)
B.2.2. De regeling in verband met de tegemoetkomingen aan personen met een handicap vormt een bijzonder stelsel van maatschappelijke hulp. In tegenstelling tot het traditionele stelsel van de sociale zekerheid, dat de betaling van bijdragen inhoudt, wordt dit bijzonder stelsel volledig gefinancierd door de algemene inkomsten van de Staat en wil het een door de wet bepaald inkomen verschaffen aan diegenen die niet over voldoende andere bestaansmiddelen beschikken.
(...)
B.3.2. De geleidelijke uitbreiding van het personele toepassingsgebied van het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap werd vanuit een drievoudig perspectief doorgevoerd : voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de internationale verbintenissen van België; gelijke tred houden met het stelsel van het bestaansminimum en met dat van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden; en vermijden dat de handicap van kinderen van vreemdelingen, die wegens hun handicap verhoogde kinderbijslag hebben genoten, niet langer door de overheid in aanmerking wordt genomen.
(...)
B.8.

Door alle categorieën van gerechtigden op een inkomensvervangende tegemoetkoming, zonder enig onderscheid, te onderwerpen aan een voorwaarde van een werkelijk verblijf in België gedurende tien jaar, waarvan vijf jaar zonder onderbreking, heeft het bestreden artikel 23 van de wet van 26 maart 2018 derhalve tot gevolg dat een aantal personen met een handicap, die tot alle in die bepaling beoogde categorieën kunnen behoren, het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt ontzegd tot wanneer zij aan de verblijfsvoorwaarde van tien jaar voldoen. Die verblijfsvoorwaarde vormt een aanzienlijke vermindering van het niveau van bescherming inzake maatschappelijke dienstverlening.

Hoewel, in antwoord op de opmerking van de Raad van State, de in B.7.2 genoemde voorbereidende werken vermelden dat de bestreden bepaling het bedrag of de voorwaarden voor betaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming niet wijzigt en dat personen die niet langer in aanmerking zouden komen voor de inkomensvervangende tegemoetkoming, hun recht op maatschappelijke integratie zullen kunnen doen gelden - in overeenstemming met arrest nr. 6/2019 van het Hof van 23 januari 2019, betreffende de verblijfsvoorwaarde, ingevoerd bij artikel 3 van de wet van 27 januari 2017 "tot wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van de inkomensgarantie voor ouderen" - is het feit dat een nieuwe voorwaarde wordt gesteld voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voldoende om te oordelen dat deze voorwaarde een aanzienlijke stap achteruit betekent ten opzichte van de mate van bescherming die voorheen bestond ten aanzien van personen die een dergelijk feitelijk verblijf niet konden aantonen.

In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel staat:

In die zin lijkt het ons ook geschikter dat deze personen hun recht op maatschappelijke integratie laten gelden, eerder dan van een IVT te genieten. Op die manier wordt deze doelgroep gevat door het GPMI, die op zijn beurt de betrokkenen financieel responsabiliseert tot actieve participatie aan de arbeidsmarkt (en de samenleving) om zo voldoende bestaansmiddelen te kunnen vergaren.

Het Grondwettelijk Hof was echter van oordeel dat dit geen afdoende argument was: de invoering van een nieuwe voorwaarde inzake verblijfsduur betekent een aanzienlijke stap terug ten opzichte van het voorheen bestaande niveau van bescherming. Bovendien onderstreept de NHRPH dat een zeker aantal personen met een handicap niet in staat is een geïndividualiseerd project van maatschappelijke integratie op te zetten.

Het Grondwettelijk Hof gaat verder:

Artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 vereist daarnaast - wat niet door de verzoekende partijen wordt betwist - dat de gerechtigde op de inkomensvervangende tegemoetkoming zijn werkelijke verblijfplaats in België moet hebben.
(...)

B.9.4. Voor de inhoud van het begrip “hoofdverblijfplaats” moet rekening worden gehouden met artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 “betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten”

(...)
Uit het bovenstaande blijkt dat opdat een persoon zijn hoofdverblijfplaats heeft in België, het niet volstaat dat hij daar een geregistreerde woonplaats heeft, maar vereist wordt dat het werkelijke centrum van zijn belangen daar gevestigd is, wat onder meer moet blijken uit de duur en de continuïteit op het grondgebied, alsook uit de gezinssituatie en de familiebanden.

B.9.7. Gelet op het niet-contributieve karakter van het stelsel van de inkomensvervangende tegemoetkoming, dat uitsluitend met belastinggeld wordt gefinancierd, vermag de wetgever het voordeel ervan afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende sterke band met België. Het streven naar het beheersen van de budgettaire kosten van de inkomensvervangende tegemoetkoming vormt bovendien een legitieme doelstelling. Bij de beoordeling van de bestreden bepaling dient echter ook ermee rekening te worden gehouden dat de inkomensvervangende tegemoetkoming een minimumvoorziening is, die slechts aan de mindergegoeden kan worden toegekend.

B.9.8. Er valt niet in te zien in welk opzicht de voorwaarde van een werkelijk verblijf van ten minste tien jaar in België, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, in om het even welke fase van het leven van de gerechtigde op de inkomensvervangende tegemoetkoming, een voldoende band met België en zijn sociale stelsel aantoont, toelaat ‘sociale shopping’ tegen te gaan of aantoont dat de gerechtigde met zijn activiteit heeft bijgedragen aan de financiering van de sociale zekerheid, zoals de wetgever het wenste. Het blijkt evenmin in welk opzicht de ontstentenis van de bestreden verblijfsvoorwaarde de verklaring zou vormen voor de verhoging van de budgettaire kosten van de inkomensvervangende tegemoetkoming, aangezien ook kan worden verwezen naar andere factoren zoals de opeenvolgende wettelijke uitbreidingen van het personeel toepassingsgebied.

B.9.9. Bijgevolg wordt de door de bestreden bepaling veroorzaakte aanzienlijke vermindering van het geboden beschermingsniveau niet verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang.

De NHRPH is van mening dat de standstill-clausule nog steeds wordt geschonden, ook al is de verblijfsduur gewijzigd van “ten minste tien jaar in België, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, op enig moment in het leven van de gerechtigde” in “gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken zijn feitelijke verblijfplaats in België hebben gehad”. De verblijfsvoorwaarde is een aanzienlijke aantasting van een grondrecht en is onvoldoende gemotiveerd.

De NHRPH verwijst naar zijn advies 2017-17 waarin een andere oplossing wordt gegeven om sociale shopping te vermijden:

De Dano-jurisprudentie stelt België immers in staat het recht op bepaalde sociale uitkeringen afhankelijk te stellen van het legale karakter van het verblijf op zijn grondgebied. Een niet-actieve Europese burger die langer dan 3 maanden in België wil verblijven, moet echter over voldoende middelen beschikken om geen onredelijke last voor ons socialebijstandsstelsel te worden. Bijgevolg kan de verblijfsmachtiging van de niet-actieve Europese burger die Belgische socialebijstandsuitkeringen ontvangt, na een individueel onderzoek van zijn of haar dossier ingetrokken worden omdat hij of zij een onredelijke last voor België wordt. Vanaf dat ogenblik is het verblijf in België niet langer legaal, en zijn de Belgische instanties niet langer verplicht socialebijstandsuitkeringen toe te kennen.

De NHRPH vraagt of het mogelijk is de monitoring tussen de POD Maatschappelijke Integratie en de Dienst Vreemdelingenzaken (gegevensuitwisseling, informatiestromen) in te voeren voor de inkomensvervangende tegemoetkoming. Met dit systeem zouden de echte gevallen van misbruik vastgesteld kunnen worden.

Ten slotte is de NHRPH van mening dat de verblijfsvoorwaarde ook in strijd is met artikel 28 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat "het recht van personen met een handicap op sociale bescherming" garandeert en de Belgische Staat verplicht passende maatregelen te nemen om de uitoefening van dit recht te beschermen en te bevorderen, met inbegrip van maatregelen om (...)

De toegang tot programma's voor sociale bescherming en armoedebestrijding voor personen met een handicap te waarborgen (artikel 28, lid 2, b);
(...)
Voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de toegang tot hulp van de overheid te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde kosten, met inbegrip van adequate training, advisering, financiële hulp en mantelzorgondersteunende zorg (artikel 28, lid 2, c).

  • Raadplegingen: 19

Advies 2022/15 - Shared spaces

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2022/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over shared spaces in de openbare ruimte, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21/03/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de Federale Commissie voor Verkeersveiligheid
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan mevrouw Lydia Peeters, Vlaams Minister van Mobiliteit en Openbare werken
  • Ter info aan de heer Philippe Henry, Waals Minister van Klimaat, Mobiliteit, Infrastructuur en Energie
  • Ter info aan mevrouw Valérie De Bue, Waals Minister van Verkeersveiligheid
  • Ter info aan mevrouw Elke Van den Brandt, Brussels Minister van Mobiliteit, Verkeersveiligheid en Openbare Werken
  • Ter info aan de heer Antonios Antoniadis, Minister van Ruimtelijke ordening van de Duitstalige Gemeenschap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Pleinen en straten worden soms (her)ingericht als zogenaamde ‘shared spaces’ (‘gedeelde ruimtes’), waarbij verschillende categorieën van weggebruikers dezelfde ruimte gebruiken zonder specifieke plaatsaanduiding, dus zonder de klassieke indeling met rijbaan, fietspad en trottoir.

De NHRPH ontving meerdere alarmsignalen uit de handicapsector over shared spaces, o.a. van mensen die PMH (personen met een handicap) veilige trajecten aanleren in steden.

3. ANALYSE

Het concept van de gedeelde ruimtes ontstond eind vorige eeuw in Nederland.
De filosofie achter deze variant van het woonerf was de volgende:
Door het weghalen of weglaten van aanwijzingen voor de verkeersdeelnemers (verkeerslichten, wegmarkeringen, zebrapaden, …) wordt het straatbeeld onoverzichtelijker, waardoor de subjectieve veiligheid vermindert. Daardoor zullen de weggebruikers zich socialer gaan gedragen tegenover elkaar. Bestuurders van voertuigen zullen voorzichtiger rijgedrag gaan vertonen, waardoor de objectieve veiligheid juist toeneemt. Door middel van natuurlijke elementen en hindernissen zoals stadsmeubilair, kunstwerken, … kan het verkeer wel “in goede banen” worden geleid.

Ondertussen ontstaan er ook her en der hybride vormen van shared spaces, bijvoorbeeld met een minimum aan aanwijzingen voor de weggebruikers, of waarbij privéwagens worden geweerd, maar taxi’s en autobussen niet.

Hoewel uit sommige studies blijkt dat shared spaces de objectieve veiligheid (lagere snelheid, een afname van het aantal ongevallen, minder ernstige ongevallen) kunnen verhogen, dankzij een responsabilisering van de automobilisten, zijn er wel degelijk ernstige nadelen aan deze benadering. Voor kwetsbare weggebruikers, zoals personen met een handicap, ouderen en kinderen, die afhankelijk zijn van het - hopelijk aangepaste - rijgedrag van de automobilisten, neemt de onveiligheid toe.

Wat PMH betreft:

  • Vooral personen met een visuele handicap lopen gevaar, want zij weten zich nergens meer veilig en kunnen evenmin anticiperen op andere weggebruikers. Bovendien kunnen de alternatieve snelheidsremmers extra hindernissen zijn. Gidslijnen en contrasten ontbreken vaak.
  • Voor assistentiehonden is een shared space een onoplosbare puzzel. Op een shared space kunnen zij geen veilige route aanleren of zoeken, want de klassieke aanwijzingen (trottoirranden, zebrapaden, verkeerslichten, podotactiele aanpassingen, …) ontbreken.
  • Mensen met een auditieve handicap kunnen in een shared space verrast worden door snel naderende auto’s.
  • Snelheidsverlagende aanpassingen vormen obstakels voor rolstoelgebruikers en personen met een visuele handicap.
  • Personen met een verstandelijke handicap zullen oriëntatie- en interpretatieproblemen ervaren op zo’n ‘ongeregeld’ plein of ‘ongeregelde’ straat.
  • Vrijwilligers en professionelen die PMH veilige trajecten aanleren komen voor een onmogelijke opdracht te staan.
  • Na een (bijna-)ongeluk kunnen PMH angstig of ontmoedigd raken en besluiten om zich niet meer in het verkeer te wagen, wat hun inclusie vermindert en hun isolement verhoogt.

Een shared space vereist ook dat de automobilisten al voor het betreden ervan hun snelheid aanpassen. Dat vereist snelheidsbeperkende maatregelen in de directe omgeving en de duidelijke aankondiging van de shared space zone.

Automobilisten die vertrouwd raken met een bepaalde shared space zullen opnieuw sneller gaan rijden, waardoor de objectieve veiligheid weer afneemt.

Verder vormen ook motorfietsen, fietsen, steps, speedpedelecs, scootmobielen enz. in de shared space een risico voor de voetgangers: het onderlinge snelheidsverschil kan ernstige ongevallen veroorzaken. Denk maar aan de vele koeriers op brommer of fiets die zich per definitie gehaast doorheen het verkeer bewegen.

Ten slotte zal een shared space net door zijn ongeregelde karakter ongewenst gedrag aanmoedigen, zoals wildparkeren van auto’s en fietsen en de plaatsing van verplaatsbare reclamezuilen bij horecazaken en winkels, wat het aantal obstakels voor PMH nog doet toenemen.

Shared spaces worden niet alleen in verkeersluwe omgevingen aangelegd, maar vaak net aan of in de directe omgeving van scholen en stations, bijvoorbeeld in Kortrijk en Namen. Daar zal dus veel (gehaast) verkeer zijn, zeker tijdens de piekmomenten, wat de kans op ongevallen verhoogt.

Ook in Nederland komt men stilaan terug van het concept van de shared spaces, en dit onder druk van de handicaporganisaties.

Deze problematiek beperkt zich niet tot het federale niveau. Het verkeerreglement is federaal, maar de inrichting van de omgeving is een lokale bevoegdheid. Ook de gemeentes hebben dus een grote verantwoordelijkheid op dit vlak.

4. ADVIES

De NHRPH is geen voorstander van shared spaces. Ze houden te veel risico’s in voor PMH en zijn niet inclusief. Wanneer een plein of straat wordt ontworpen en ingericht, moet er terdege aan de PMH worden gedacht. De voorschriften moeten worden gevolgd en goed worden uitgevoerd, op technisch en praktisch vlak.

Van de verkeersdeelnemers op de shared spaces wordt verwacht dat ze zich allen steeds houden aan continu veranderende voorrangssituaties, terwijl een aanzienlijk deel van hen wegens een handicap niet in staat is om de verkeerssituaties correct in te schatten of er zicht op te krijgen. De regels voor de verkeersdeelnemers moeten haalbaar zijn voor iedereen, inclusief mensen met een handicap.

PMH verdienen het om zich veilig te weten op een plein. Daarom zijn er bijvoorbeeld rateltikkers, geleidelijnen en waarschuwingsstroken nodig.

De bevoegde beleidsniveaus moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Verder is ook overleg tussen het federale niveau, de regio’s en de lokale niveaus noodzakelijk. Het is de taak van de federale overheid om de veiligheid van pleinen en straten te garanderen. De NHRPH rekent op de bevoegde federale en regionale ministers en op de Federale Commissie voor de Verkeersveiligheid om de nodige maatregelen te nemen en een campagne te organiseren voor toegankelijkere straten en pleinen.

Projectontwikkelaars, architecten, stedenbouwkundigen en ontwerpers van stadsinrichting moeten eveneens worden geresponsabiliseerd, want zij spelen een beslissende rol. Aandacht voor de realiteit van de verschillende handicaps moet al tijdens de opleiding gebeuren, ook en vooral op technisch vlak.

Ook het grote publiek moet worden gesensibiliseerd voor de hindernissen en uitdagingen die de PMH ervaren in het verkeer. Zo kan het publiek beter rekening houden met de weggebruikers met een handicap.

Veilige, obstakelvrije gids- of geleidelijnen en oriëntatiepunten op pleinen en in straten evenals zebrapaden zijn noodzakelijk.

De aangehaalde punten gelden ook voor andere vormen waarbij verschillende types van weggebruikers dezelfde ruimte gebruiken, zoals stroken die worden gedeeld door voetgangers en fietsers. Ook die houden risico’s in voor PMH.

Overleg met de verschillende bevoegde instanties op de betrokken bestuursniveaus is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van de plannen. Ook de lokale toegankelijkheidsbureaus en handicapverenigingen moeten worden gehoord.

Voor de ontwikkeling van technische analyses en oplossingen die rekening houden met PMH vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).

  • Raadplegingen: 10

Advies 2022/03 - Mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2022/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel betreffende de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt en gezondheidszorgbeoefenaars buiten een zorgvoorziening en de delegatie van bepaalde medische verstrekkingen (DOC 55 2199/001), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op verzoek van mevrouw Maggie De Block, volksvertegenwoordiger, gevraagd in haar e-mail van 16/12/2021.

1. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, volksvertegenwoordiger
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, volksvertegenwoordiger
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Dit voorstel breidt de uitzondering op de wettige uitoefening van de verpleegkunde verder uit tot personen die in familiaal verband omgaan met de patiënt in zijn dagelijkse leven en personen die dit doen binnen een ruimer sociaal kader (zonder familiale band, in het kader van hun beroep of als vrijwilliger).

3. ANALYSE

Het voorstel wil artikel 124 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, aanpassen.

Sinds 2014 (zie artikel 124, 1°, vierde lid) kan een arts of een verpleegkundige de toelating geven aan een persoon uit de omgeving van de patiënt om een technische verpleegkundige verstrekking uit te voeren, voor zover dat dit gebeurde buiten de uitoefening van een beroep en er aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden werd voldaan. Deze uitzondering is echter beperkt tot familieleden van de patiënt die de rol van mantelzorger opnemen.

Het voorstel breidt de uitzondering uit tot personen die in familiaal verband omgaan met de patiënt in zijn dagelijkse leven en personen die dit doen binnen een ruimer sociaal kader (zonder familiale band, in het kader van hun beroep of als vrijwilliger). Deze personen, die de patiënt enkel willen helpen en dit zonder de intentie dit beroepsmatig te doen, worden momenteel geconfronteerd met het risico op vervolging wegens onwettige uitoefening van de verpleegkunde.

Handelingen zoals helpen bij het nemen van een voorgeschreven geneesmiddel (ongeacht of dit een pil, zetpil, siroop of inspuiting is) vallen onder de wetgeving inzake de verpleegkunde.

Het wetsvoorstel beoogt dat iedereen (mantelzorgers, kinderverzorgsters in crèches, leraren in scholen, opvoeders bij personen met een handicap, vrijwilligers die personen tijdens sociale activiteiten begeleiden, animatoren van jeugdbewegingen, … ) die omgaat met een persoon die een medische behandeling moet volgen, deze persoon moet kunnen helpen, zodat die zijn behandeling correct kan nemen of volgen.

Er worden kwaliteitsvoorwaarden opgelegd om gebruik te maken van de uitzondering.
Er dient bijvoorbeeld een document opgesteld te worden waarin de gezondheidszorgbeoefenaar de duur van de toelating aangeeft. Indien de arts of de verpleegkundige de toelating op regelmatige basis wenst te (her)evalueren, zou de duur bijvoorbeeld beperkt kunnen zijn.
De medici moeten zich ook vergewissen van de capaciteiten van de helper; het kan gaan om het verstrekken van eenvoudige handelingen (zalf aanbrengen of een siroop toedienen) of het voorzien in een opleiding voor moeilijkere handelingen. Er wordt gevraagd dat de Koning op voorstel van de minister die bevoegd is voor Volksgezondheid de nadere voorwaarden bepaalt waaraan de bedoelde opleiding moet voldoen na een gezamenlijk advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en van de Technische Commissie voor Verpleegkunde.

Ten slotte voegt de wijziging van deze bepaling voortaan een lijst van technische verpleegkundige verstrekkingen toe waarbij er geen gebruik kan gemaakt worden van de afwijking wegens de complexiteit ervan:

  • Het plaatsen, verwijderen en vervangen van katheders, met uitzondering van intermittente blaaskatherisatie;
  • het geven van injecties, met uitzondering van subcutane injecties;
  • het toedienen van vaccinaties;
  • het afnemen van bloed, met uitzondering van een capillaire bloedafname;
  • het uitvoeren van een niet-oppervlakkige wondzorg;
  • en assistentie en instrumenteren bij medische en chirurgische ingrepen.

Het voorstel preciseert ook dat in de collectieve zorginstellingen zoals woonzorgcentra, dagverblijven voor personen met een handicap, asielcentra, enz. de zorgverstrekking door beroepsbeoefenaars steeds de voorkeur moet krijgen.

Wanneer de “bekwame helper” in beeld komt, zal steeds het akkoord van drie partijen nodig zijn, met name de opleidende gezondheidswerker, de helper en de patiënt die de hulp zal krijgen.

Het gebruik van deze afwijking dient te gebeuren op vrijwillige basis van alle betrokken personen en wordt bij voorkeur opgenomen in het patiëntendossier.

Tot slot, het principe van het bijstaan van een persoon in nood heeft voorrang op het verbod op de uitoefening van de geneeskunde en laat iedere persoon toe zorg te verlenen, meer bepaald in het kader van uitzonderlijke omstandigheden.

4. ADVIES

De NHRPH verheugt zich over het initiatief van het voorstel tot hervorming. In zijn adviezen van het verleden (advies 2014-06, advies 2014-07, advies 2017-08, advies 2017-15) heeft de NHRPH er steeds aan herinnerd dat de verzorging van de persoon met een handicap (PMH) moet passen in het kader van de levenskwaliteit (zie ook de positienota 'Mantelzorg' (2015) van de NHRPH). De medische behandeling van een PMH is vaak een lang traject; het is dan ook onaanvaardbaar dat het niveau van de levenskwaliteit zou wijken voor modaliteiten inzake het toedienen van verzorging. Het toedienen van verzorging mag geen motief zijn waarvoor de PMH niet ten volle zijn levenskeuzes zou kunnen maken (opleiding, werk en vrijetijdsbesteding). De aangekondigde flexibiliteit gaat dus in de goede richting.

Maar tegelijkertijd blijven een aantal belangrijke bezorgdheden nog steeds onbeantwoord:

  • De exacte en concrete reikwijdte van de toelating of delegatie:
    • De tekst bepaalt dat de toelating slechts aan één persoon wordt gegeven. Wat dan met de collectieve structuren? Bijvoorbeeld, gaat een toelating die werd gegeven in een school aan een leraar automatisch over op de leraar die hem tijdens zijn afwezigheid tijdelijk vervangt? Hoe zit het met de toelating aan een kinderverzorgster in een crèche wanneer die afwezig is? Het is absoluut noodzakelijk een zorgcontinuïteit voor de persoon met een handicap te waarborgen waarvan de omgeving niet noodzakelijk constant is. De procedure moet soepel zijn en onvoorziene omstandigheden opnemen, waarbij de kwaliteit van de gezondheid wordt gewaarborgd.
    • Artikel 124, 1°, vierde lid, omschrijft sinds 2014 een uitzondering op de onwettige uitoefening van verpleegkundige activiteiten waarbij een arts of een verpleegkundige de toelating kan geven aan een persoon uit de omgeving van de patiënt om een technische verpleegkundige verstrekking uit te voeren, voor zover dat “dit gebeurt buiten de uitoefening van een beroep”. Wat met personen die werken in het kader van hulpverlening in het dagelijkse leven, van het persoonlijk assistentiebudget (PAB), …? Betekent dit dat zij buiten de uitoefening van een beroep te werk gaan? Vallen zij onder dit voorstel? Vallen de verrichte handelingen binnen de toepassing van deze bepaling?
    • Hulp bij het voeden – met inbegrip van een persoon met een tracheotomie – en het toedienen van bijzondere diëten, alle handelingen die verband houden met het wassen, het toedienen van eventuele geneesmiddelen, het dragen van steunkousen, blaasverzorging, … vallen niet onder de uitzonderingen. Betekent dit dat in al deze gevallen een informele helper de persoon met een handicap kan verzorgen?
  • De verzekeringsdekking voor niet-beroepsbeoefenaars. Zal eventuele schade worden gedekt door de familiale verzekering ‘burgerlijke aansprakelijkheid’ (BA)? Zal ze verplicht worden gemaakt voor informele helpers?
  • Hoe zal de begeleiding en opleiding van niet-beroepsbeoefenaars worden georganiseerd en wie zal dat betalen? De deelgebieden zijn bevoegd voor de opleiding. Zij moeten derhalve worden geraadpleegd. Zijn zij bereid de opleidingen ten laste te nemen?
  • Het uitvoeren van een niet-oppervlakkige wondzorg is een van de handelingen die niet door de mantelzorger mag worden verricht. De NHRPH is van mening dat dit een zeer vaag begrip is en wenst concrete voorbeelden.
  • Deze delegatie moet gepaard gaan met een herziening van de forfaitaire bedragen voor verpleging en een revalorisatie van de salarissen van niet-verpleegkundige beroepsbeoefenaars die zullen instaan voor deze gedelegeerde handelingen.

De NHRPH herinnert eraan dat de delegatie aan niet-beroepsbeoefenaars nooit gebruikt mag worden om de werkingskosten van een zorg- of ondersteuningsstructuur te verminderen. Het is ook duidelijk dat de plaats van samenleven (scholen, jeugdbewegingen, enz.) waarop de reglementering van invloed zal zijn, de nodige middelen moet krijgen voor deze delegatie.

De NHRPH is van mening dat het nuttig is formeel te voorzien in een evaluatie van deze nieuwe manier van werken.

De NHRPH heeft ook de evaluatie van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger ontvangen die in 2021 naar de Kamer was gestuurd. De NHRPH wijst in deze evaluatie op een uiterst belangrijk punt dat rechtstreeks verband houdt met onderhavig voorstel: de huidige steun voor mantelzorgers is ontoereikend. De NHRPH vraagt al jaren om concrete vooruitgang op een aantal gebieden (zie positienota ‘Mantelzorg’ (2015). Deze vaststelling is geen argument tegen de uitbreiding van de delegatie van het voorstel. Het is evenwel noodzakelijk en dringend om te zorgen voor voldoende middelen voor de mantelzorgers, met name op het gebied van opleiding, maar ook wat betreft de toegang tot een breder sociaal statuut, een dat verder gaat dan de huidige verlofformules. Wordt er een parlementair initiatief overwogen?

  • Raadplegingen: 9

Advies 2022/19 - Scan cars

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over scan cars, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 25/04/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. BESTEMMELINGEN

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Premier
  • Ter informatie aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten
  • Ter informatie aan de Union des Villes et Communes de Wallonie
  • Ter informatie aan de Association de la Ville et des Communes de la Région de Bruxelles-Capitale
  • Ter informatie aan de gewestelijke adviesraden
  • Ter informatie aan de directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan CAWaB en Inter
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

In steeds meer steden en gemeenten worden zogenaamde scan cars ingezet voor de controle op geparkeerde wagens en het respecteren van LEZ-zones. De scan cars controleren enkel de nummerplaten van wagens. Hierdoor krijgen personen die parkeren met een geldige parkeerkaart voor personen met een handicap vaak onterecht een boete. Zij moeten dan zelf administratieve stappen ondernemen om - hopelijk -aan de boete te ontkomen.

3. ANALYSE

De NHRPH heeft zich al in meerdere adviezen uitgesproken over de scan cars, waaronder advies 2020-04, en advies 2021-31.

Op 25/02/2022 organiseerde het kabinet-Lalieux een vergadering met een aantal stakeholders: de NHRPH, de verenigingen van steden en gemeenten, de DG Personen met een handicap die de parkeerkaarten uitreikt enz. Voor de NHRPH is het grote probleem dat de scan cars niet de parkeerkaart, maar enkel de nummerplaat scannen. De nummerplaten worden gecontroleerd via een database. De parkeerkaart is echter aan de persoon met een handicap (PMH) gelinkt, niet aan een wagen of nummerplaat. Veel PMH hebben immers geen eigen wagen en gebruiken hun parkeerkaart wanneer ze meerijden met familieleden, vrienden, vrijwilligers, zorgpersoneel enz. Dat zijn dus telkens andere nummerplaten.

Tijdens de vergadering presenteerden de voorstanders van de controle via scan car meerdere pistes waarbij de PMH de nummerplaat in de database moeten aanpassen. De voorgestelde pistes leggen de verantwoordelijkheid bij de PMH.

Niet alle PMH kunnen vlot overweg met de voorgestelde procedures. De digitale kloof speelt hier in grote mate. Zelfs als de procedure toegankelijk zou zijn, blijft het een hele opgave voor de personen met een handicap om nog gebruik te kunnen maken van hun recht. Voor PMH uit andere EU-landen die in België willen gebruik maken van hun parkeerkaart is de situatie nog moeilijker.

4. ADVIES

De NHRPH spreekt zich negatief uit over de voorgestelde procedures met scan cars.

De parkeerkaart voor personen met een handicap is gelinkt aan de persoon, niet aan de nummerplaat. Voor de NHRPH kan het niet dat de PMH een andere nummerplaat moet registreren telkens hij de parkeerkaart gebruikt voor een ander voertuig. Dat is een onaanvaardbare last, zeker voor een publiek dat vaak problemen ondervindt met slecht toegankelijke digitale toepassingen.

De NHRPH is van mening dat het onaanvaardbaar en zelfs in strijd met de reglementering inzake de parkeerkaart voor PMH is dat de controle door scan cars beperkende voorwaarden oplegt aan het gebruik van de parkeerkaart voor PMH. Het kan niet dat controles via scan cars automatisch een boete genereren zonder zelfs maar de parkeerkaart voor PMH te controleren. Voor de kaarthouders betekent dat immers een verlies van rechtszekerheid. De NHRPH vraagt dat de parkeerkaart zelf wordt gecontroleerd. Het correcte gebruik van de parkeerkaart moet kunnen volstaan voor de uitoefening van dit recht.

De huidige procedure met de scan cars is tevens in strijd met artikel 20 (Persoonlijke mobiliteit) van het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap:

De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen, onder meer door:

  1. de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap te vergemakkelijken op de wijze en op het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs; (…)
  2. instellingen die mobiliteitshulpmiddelen, -apparaten en ondersteunende technologieën produceren, aan te moedigen rekening te houden met alle aspecten van mobiliteit voor personen met een handicap.

Het is ook een inbreuk op het standstillprincipe: nieuwe maatregelen mogen geen achteruitgang betekenen op het vlak van rechten en mogen ook geen bijkomende voorwaarden of restricties opleggen.

Het is aan de ontwerpers van de scan cars om met oplossingen te komen die volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Het gebruik van de scan cars is ingevoerd zonder enig overleg met de handicapsector. Het is dus niet aan de handicapsector om een technische oplossing te zoeken voor de gebrekkige procedure met de scan cars. Mogelijk zijn er lessen te trekken uit ervaringen in het buitenland.

Wel moeten de ontwikkelaars hun eventuele oplossingen voorleggen aan de handicapsector. Op federaal vlak is dat de NHRPH.

Voor de uitwerking van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).

De NHRPH vraagt de Minister belast met Personen met een handicap om in de gesprekken met de andere beleidsniveaus zeer actief de rechten van de personen met een handicap te verdedigen, zodat die ongehinderd gebruik kunnen blijven maken van hun parkeerkaart.

De NHRPH blijft achter zijn vorige adviezen over dit thema (advies 2020-04 en advies 2021-31) staan en verwijst naar de bevindingen en aanbevelingen in die adviezen.

  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/10 - Re-integratie bij de eigen werkgever

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2022/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de re-integratie bij de eigen werkgever, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21 februari 2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister, Minister van Economie en Werk (mail van 15 december 2021).

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister, Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Minister Pierre-Yves Dermagne wil het aantal langdurig zieken terugdringen en stelt een nieuw re-integratietraject voor.

3. ANALYSE

De NHRPH heeft verschillende documenten ontvangen:

  • conceptnota Re-integratie bij de eigen werkgever 2.0 – RIT 2.0;
  • nota Linken tussen traject TNW-C (terugkeer naar werk) en RIT 2.0;
  • voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen betreffende arbeidsongeschiktheid;
  • ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van de codex over het welzijn op het werk wat het re-integratietraject voor arbeidsongeschikte werknemers betreft;
  • ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1992 betreffende de afwijkingen van de minimale wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemers vastgesteld bij artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  • ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 tot vaststelling van de afwijkingen van de minimumgrens van de duur van de prestaties der werknemers.

Onderstaande analyse is hoofdzakelijk gebaseerd op uittreksels uit de conceptnota.

De NHRPH heeft reeds verschillende adviezen uitgebracht over de terugkeer naar het werk: adviezen 2015/10, 2016/12 en 2021/31.

    1.  Historiek

Om het groeiend aantal langdurig zieken terug te dringen, heeft de vorige regering eind 2016 door middel van twee koninklijke besluiten twee vormen van re-integratietrajecten ingevoerd: het koninklijk besluit ‘Peeters’ betreft het re-integratietraject bij de eigen werkgever, dus voor personen met een arbeidsovereenkomst en het koninklijk besluit ‘De Block’ omvat het re-integratietraject voor personen zonder arbeidsovereenkomst, het sociaal-professionele re-integratietraject. De trajecten zijn op 1 januari 2017 van start gegaan.

De Nationale Arbeidsraad (NAR) heeft aanbevelingen en conclusies geformuleerd in advies 2.099 van 25 september 2018.

De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft een academische evaluatie (KU Leuven, ULB) van het deel ‘re-integratietraject bij de eigen werkgever’ gecoördineerd. Deze studie had tot doel de impact van de nieuwe wetgeving voor arbeidsongeschikte werknemers in te schatten, na te gaan wat er gebeurt met werknemers voor wie re-integratie bij de eigen werkgever niet mogelijk was, en aanbevelingen te formuleren voor de aanpassing van de wetgeving en de toepassing ervan in de praktijk. Daarnaast werd de hervorming in de studie ook juridisch geanalyseerd.

Begin september 2021 heeft het Rekenhof Minister Dermagne het ontwerpverslag van zijn audit over de langdurig zieken voorgelegd.  
De re-integratie van langdurig zieken werd ook uitvoerig besproken tijdens de recente werkgelegenheidsconferentie van 7 en 8 september 2021, in de werkgroep ‘Eindeloopbaan en gezondheid’, waar de sociale partners unanieme voorstellen hebben gedaan. De NHRPH heeft ook een nota met aanbevelingen ingediend.

In het regeerakkoord van 30 september 2020 (p. 38 e.v.) wordt veel aandacht besteed aan de problematiek van langdurig zieken en aan het belang om deze doelgroep naar werk te begeleiden.

Het is de ambitie van Minister van Werk Pierre-Yves Dermagne om de aanbevelingen van de genoemde diepgaande evaluaties optimaal te integreren in een aanpassing van het ‘re-integratietraject bij de eigen werkgever’: het re-integratietraject 2.0 (RIT 2.0).

Tijdens het begrotingsconclaaf van 2022 heeft de regering de hoofdlijnen van het re-integratieplan 2.0 bij de eigen werkgever goedgekeurd, in overeenstemming met het regeerakkoord.

Dit project maakt dus deel uit van een breder kader voor re-integratie op de arbeidsmarkt. Het deel ‘re-integratie op het werk bij een andere werkgever’ wordt aangestuurd door Minister Frank Vandenbroucke. De NHRPH heeft zich hier reeds over uitgesproken (cf. advies 2021-31).

    2.  Krijtlijnen van het voorstel Re-integratietraject 2.0 (RIT 2.0)

Uit de verschillende evaluaties komen de volgende prioriteiten naar voren, die worden opgenomen in het nieuwe voorstel:

  • vereenvoudig het traject: minder beslissingen;
  • pas de termijnen aan conform het advies van de sociale partners;
  • focus op de talenten/restcapaciteiten van de werknemer;
  • waarborg de vrijwilligheid van het traject;
  • durf te kiezen voor het eigenlijke doel van het re-integratietraject en werk vaak voorkomende misbruiken weg door de directe link met medische overmacht te verbreken;
  • zet in op stimulansen voor werkgevers en werknemers om te re-integreren;
  • zet in op extra begeleiding en multidisciplinariteit;
  • maak werk van ondersteuning van de arbeidsartsen (zeer grote schaarste); zorg voor een adequate opleiding voor de bedrijfsverpleegkundigen;
  • zet in op een vroeg contact en een snelle start om de kans op een geslaagde re-integratie te verhogen, door de mogelijkheid tot initiatief van de werkgever te vervroegen en de arbeidsarts de mogelijkheid te geven contact op te nemen vanaf vier weken arbeidsongeschiktheid;
  • versterk het vraaggericht karakter van de werknemer en de werkgever;
  • zet in op meer cijfers en statistieken om het traject regelmatig te kunnen evalueren en bijsturen waar nodig;
  • verduidelijk de relatie met de arbeidsongevallenwetgeving;
  • zet in op het informeren en sensibiliseren van de artsen en hun sensibiliserende rol bij de arbeidsongeschikten; versterk de sociale dialoog in de bedrijven;
  • geef een gelijkwaardige plaats aan het informeel traject bij de eigen werkgever (KU Leuven/ULB, NAR).

    3.  Re-integratievoorstel - RIT 2.0

A. Aanpassingen van de wetgeving

1. Aanpassingen van de codex over het welzijn op het werk

    • Het RIT wordt vereenvoudigd: het aantal beslissingen wordt teruggebracht van vijf naar drie.
    • De samenloop met arbeidsongevallen en beroepsziekten wordt verduidelijkt.
    • De werkgever kan één maand vroeger het initiatief nemen (tot nog toe vier maanden).
    • De arbeidsarts krijgt de mogelijkheid contact op te nemen met alle werknemers die meer dan vier weken arbeidsongeschikt zijn.
    • De multidisciplinariteit van het RIT wordt versterkt door het benadrukken van de rol van andere preventiedisciplines en van andere relevante actoren zoals de Terug-Naar-Werk-coördinator in de ziekenfondsen en de begeleiders van de regionale tewerkstellingsdiensten (en hun partners zoals de GTB’s (gespecialiseerde teams bemiddeling)).
    • De opdracht van de werkgever om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor aangepast werk wordt verduidelijkt en benadrukt. De werkgever moet bijvoorbeeld de concrete mogelijkheden van aangepast of ander werk en/of aanpassingen van de werkpost onderzoeken.

De nieuwe procedure voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht wordt beschreven (artikel 16 - afdeling 3); cf. punt 2 hieronder.

Tijdschema RIT 1.0 en 2.0

Stappen 

RIT 1.0

RIT 2.0

De werknemer wordt ziek (dag X)

Eerste contact

Werknemer benaderd door een PA-AA (preventieadviseur-arbeidsarts)

-

X + 4 weken

Opstart traject

Werknemer kan een RIT opstarten 

> X + 1 dag

> X + 1 dag

Werkgever kan een RIT opstarten

> X + 4 maanden

> X + 3 maanden

Re-integratiebeoordeling PA-AA

Onderzoek werknemer + werkpost + overleg/beslissing

< 40 werkdagen

< 49 kalenderdagen

Beroepsprocedure bij definitieve ongeschiktheid

Indien beroep

< 7 werkdagen

< 21 kalenderdagen

Termijn onderzoek PA-AA

< 31 werkdagen

< 42 kalenderdagen

Re-integratieplan door werkgever of verslag

Onderzoek

Overleg

Beslissing A: < 55 werkdagen

Beslissing B C: < 12 maanden 

Beslissing A: < 63 kalenderdagen

Beslissing B: < 6 maanden

Beslissing werknemer

Accepteren of weigeren

< 5 werkdagen

< 14 kalenderdagen

 

2. Aanpassingen arbeidswetgeving

a. Aanpassing ‘medische overmacht’ in artikel 34 van de Arbeidsovereenkomstenwet (cf. art. 2 van het voorontwerp van wet)

Motivatie: er wordt voorgesteld de RIT 2.0-procedures en de verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht van elkaar los te koppelen. Het RIT 2.0 heeft als enige doelstelling werknemers in het eigen bedrijf terug aan de slag te krijgen na een periode van arbeidsongeschiktheid en de werkgevers goed te begeleiden.

Een verbreking wegens medische overmacht blijft bestaan, maar er werd voor gekozen de procedure pas na minimum negen maanden arbeidsongeschiktheid op te starten. Op deze manier wil Minister Dermagne alle betrokken partijen de kans geven om de re-integratie-oefening zo goed mogelijk te maken en alle kansen te geven aan re-integratie, al dan niet in aangepast werk, in het eigen gekende bedrijf na een periode van arbeidsongeschiktheid.

  • De verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht kan worden ingeroepen ten aanzien van werknemers die definitief ongeschikt zijn voor het in het bedrijf overeengekomen werk, en ten vroegste na negen maanden arbeidsongeschiktheid.
  • De arbeidsarts stelt vast dat de werknemer al dan niet definitief ongeschikt is voor zijn overeengekomen werk. Dezelfde beroepsprocedure als bij het RIT 2.0 (Inspectie toezicht welzijn op het werk).
  • Indien de werknemer in een periode van drie maanden drie keer (interval van minstens 21 dagen) niet ingaat op de uitnodiging van de arbeidsarts, dan neemt de arbeidsarts contact op met de behandelende arts (of auteur van het medisch attest) om voldoende informatie te hebben om een beslissing te nemen.
  • De gerechtelijke beroepsprocedure tegen een verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht voor de bevoegde rechtbank blijft bestaan.

b. Outplacement wordt aangeboden in alle situaties waarin medische overmacht wordt gebruikt om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst (ongeacht welke partij zich erop beroept) in de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van werknemers (cf. art. 8 - 10 van het voorontwerp van wet).

Motivatie: de sociale partners vragen een betere begeleiding van arbeidsongeschikten bij hun terugkeer naar werk. Deze uitbreiding van outplacement is een antwoord op deze vraag.

c. Gewaarborgd loon bij werkhervatting - geen link met een gewijzigde voorgaande arbeidsongeschiktheid; moet door de sociale partners worden besproken

Motivatie: het valt moeilijk te verdedigen dat werknemers die arbeidsongeschikt zijn geweest en naar aangepast werk zijn teruggekeerd, worden gestraft als zij opnieuw arbeidsongeschikt worden door een andere ziekte, en bovendien voor onbepaalde tijd.

d. Uitzondering op de minimumduur van drie uur en de 1/3-regel in het kader van een vrijwillige gedeeltelijke werkhervatting met toestemming van de adviserende arts

De arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt dat de duur van elke prestatie niet korter mag zijn dan drie uur. Onder prestatie verstaat men een doorlopende werkperiode, eventueel onderbroken door een korte pauze (eetpauze, koffiepauze, ...). Van de minimumgrens van drie uur per prestatie kan worden afgeweken in de gevallen voorzien bij een koninklijk besluit of bij een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op sector- of bedrijfsniveau.

Evenzo mag de wekelijkse arbeidstijd van een deeltijds tewerkgestelde werknemer in beginsel niet lager liggen dan een derde van de wekelijkse arbeidstijd van een voltijds tewerkgestelde werknemer van dezelfde categorie in het bedrijf.

Motivatie: vanuit organisaties die de belangen van patiënten behartigen, komt uitdrukkelijk de vraag om in het kader van een werkhervatting na een lange periode van ziekte een uitzondering toe te staan op de ‘ten minste drie uur’-regel en de ‘ten minste 1/3 tijd’-regel, ook indien men weer aan de slag gaat bij een nieuwe werkgever.

e. Afschaffing van het ‘ziektebriefje’ één dag ziekte (uitzondering voor kmo's [twintig of vijftig werknemers]) (cf. art. 2 van het voorontwerp van wet)

Motivatie: in andere Europese landen is het ziektebriefje voor kortdurend ziekteverzuim al afgeschaft. Deze maatregel heeft een positief effect gehad op kortdurend ziekteverzuim en zelfs een daling veroorzaakt. De beroepsvereniging van de huisartsen (Domus Medica) is vragende partij voor deze afschaffing en hoopt zo de administratieve lasten van de huisartsen te verlagen.

B. Flankerende en stimulerende maatregelen en acties

1. Financiële stimulansen voor werkgevers om een RIT 2.0 op te starten en tot een positief einde te brengen worden onderzocht. Minister Dermagne onderzoekt ook, in dialoog met de Gewesten en de Minister van Sociale Zaken, hoe informele trajecten en het aanwerven van langdurig zieken van buiten het eigen bedrijf kunnen worden gestimuleerd. Op federaal niveau kan een fiscale maatregel worden uitgewerkt.

Aangezien het over een specifiek te activeren doelgroep gaat, is dit de bevoegdheid van de deelgebieden. Maar de overheid kan een faciliterende rol spelen door hun begeleidings- en ondersteuningsmogelijkheden te versterken.

Concrete input wordt gevraagd aan de adviesraden (Nationale Arbeidsraad, Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk en Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap) over welke incentives en initiatieven qua begeleidingsvormen wenselijk zijn.

2. De re-integratiebeoordeling in het kader van het RIT 2.0 door de arbeidsarts wordt opgenomen in het basispakket voor kleine werkgevers (codex over het welzijn op het werk) op voorwaarde dat die heeft geleid tot het aanbieden van een re-integratieplan door de werkgever (artikel 17 ontwerp van KB).

Dit is een concrete financiële tegemoetkoming voor kleine ondernemingen, die op deze manier geen extra kosten (= extra facturen) hebben om de ondersteuning en expertise van de gespecialiseerde preventiediensten in te roepen wanneer zij een werknemer willen re-integreren. 

3. Schaarste van arbeidsartsen: de preventiediensten zal worden gevraagd een voorstel uit te werken voor een adequate opleiding voor verpleegkundigen, waarbij ook inspiratie uit voorbeelden uit andere Europese landen wordt gehaald 

Ook wordt bekeken welke andere initiatieven kunnen worden genomen om de schaarste (en vergrijzing) van arbeidsartsen aan te pakken, zoals het verminderen van de impact van de numerus clausus in de opleiding van artsen.

4. Stroomlijnen van de trajecten met Terug-Naar-Werk-coördinatoren (TNW-C) en het RIT 2.0 + het inzetten op digitale communicatie tussen de verschillende actoren in het TNW-traject en het RIT 2.0 bij de eigen werkgever:

  • Investering in het digitaal platform TRIO
    Coördinatie door het RIZIV; doelstelling: vlotte digitale communicatie tussen arbeidsartsen, adviserende artsen en behandelende artsen
  • Digitaal medisch attest (toekomstig): mult-eMediatt
    Ook de werkgever (+ arbeidsarts) zal toegang krijgen tot het digitaal medisch attest (coördinatie door RIZIV - 2022).
  • Stimuleren van actieve communicatie tussen de verschillende betrokken actoren en de beide trajecten in (onder andere) de volgende gevallen:
    • een persoon heeft nog een overeenkomst, maar geeft zelf aan niet meer terug te willen naar de eigen werkgever (bij TNW-C, bij arbeidsarts);
    • een persoon heeft een traject bij de eigen werkgever opgestart, maar wil het stopzetten;
    • een persoon heeft aanvankelijk aangegeven niet meer naar de eigen werkgever te willen, maar in de loop van het traject groeide er nieuwe motivatie om het toch te proberen.

Het gaat hier over situaties waarbij van het ene naar het andere traject wordt overgeschakeld. Met de huidige trajecten is hier zeer veel onduidelijkheid over.

Een formeel platform voor uitwisseling/overleg tussen de betrokken actoren (ziekenfondsen, externe diensten PBW (Preventie en bescherming op het werk)) zal worden opgestart.

5. Sensibilisering en responsabilisering van de behandelende artsen

Huisartsen krijgen vanuit het project TNW-fiches adviezen over:

  • het bepalen van de duur van de arbeidsongeschiktheid;
  • de snelheid waarmee het gesprek over een terugkeer naar werk kan worden aangevat;
  • de inhoud van een gesprek;
  • de eventuele doorverwijzing naar de TNW-coördinator of arbeidsarts.

Een van de doelstellingen van dit project is het uitwerken van duidelijke aanbevelingen, zodat het niet verantwoord voorschrijven van ziekteattesten vermindert.

6. Versterking van het collectief re-integratiebeleid

Minister Dermagne wil de afdwingbaarheid van het collectief beleid in de ondernemingen versterken door deze op te nemen in een algemeen bindende collectieve arbeidsovereenkomst (cao). Deze cao zal minimumvereisten (bijv. jaarlijkse balans van het absenteïsme in het bedrijf door de arbeidsarts, focus op de oorzaken van uitval, …) en essentiële thema's (waarover op bedrijfsniveau tijdens het sociaal overleg afspraken moeten worden gemaakt) bevatten. Daarbij moet aandacht gaan naar zowel de individuele begeleiding van zieke werknemers als naar collectieve maatregelen om ziekteverzuim preventief tegen te gaan.

7. Noodzaak van relevante cijfers en statistieken 

Er zullen statistieken worden uitgewerkt om inzicht te krijgen in het aantal informele re-integratietrajecten tussen de werknemer en de werkgever (bezoek voorafgaand aan de terugkeer naar het werk). Zo wordt extra aandacht besteed aan sectorale gegevens, ziektebeelden en sociaal-demografische gegevens (geslacht, regio, leeftijd, opleidingsniveau, …). Ook gegevens over de begeleiding zelf zullen worden bijgehouden (duur van een traject, welke specialisaties/deskundigen erbij betrokken zijn, …). 

4. ADVIES

In de eerste plaats merkt de NHRPH op dat het voorgestelde re-integratietraject de procedure belooft te vereenvoudigen. Toch lijkt de procedure nog even ingewikkeld. Zo worden de termijnen soms in maanden en soms in weken uitgedrukt.

Voorts merkt de NHRPH op dat er zeer weinig wordt verwezen naar redelijke aanpassingen. In het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van de codex over het welzijn op het werk wat het re-integratietraject voor arbeidsongeschikte werknemers betreft, wordt vaak verwezen naar aangepast werk of een aangepaste werkpost, zoals in artikel 6: 

De preventieadviseur-arbeidsarts, of zijn verpleegkundig personeel, informeert de werknemer ook over de mogelijkheid om een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting te vragen of een re-integratietraject op te starten, met het oog op het faciliteren van werkhervatting via aanpassingen aan de werkpost en/of via aangepast of ander werk.

Dit is te simplistisch. De NHRPH wijst erop dat een persoon met een blijvende en onomkeerbare fysieke, zintuiglijke of verstandelijke handicap of chronische ziekte uiteraard helemaal niet op dezelfde manier weer aan het werk wordt gezet als een werknemer die op het ogenblik van de integratiebeoordeling grotendeels weer zelfredzaam is. Voor veel personen met een motorische handicap komt de terugkeer naar werk in het gedrang door ontoegankelijkheid. Vaak zien werkgevers het toegankelijk maken als een onevenredige aanpassing. Hulp bij aanpassingen (Phare, AVIQ, …) heeft geen betrekking op aanpassingen die volgens de stedenbouwkundige regels aanwezig zouden moeten zijn. Aangezien in de regelgeving niet wordt gedefinieerd wat een openbare ruimte is, zijn de arbeidsplaatsen over het algemeen niet toegankelijk. Het ontwerp van besluit zou hiervoor een oplossing moeten bieden. Anders zullen veel personen met een motorische handicap nooit meer naar hun arbeidsplaats kunnen terugkeren.
In de nieuwe RIT 2.0-regeling is er een duidelijk voornemen om ontslag wegens medische redenen los te koppelen van het re-integratietraject. Essentieel hierbij is dat het begrip ‘redelijke aanpassing’ een zeer concrete invulling krijgt vanuit het oogpunt van de werknemer, rekening houdend met zijn medisch-sociale realiteit.
De NHRPH herinnert ook eraan dat de weigering van een redelijke aanpassing een discriminatie inhoudt volgens de non-discriminatiewet van 10 mei 2007. In de Grondwet zelf staat dat elke persoon met een handicap recht heeft op aanpassingen om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk leven.
Tot slot herinnert de NAR er in een advies van 2018 aan dat de maatregelen van het re-integratieplan zo gedetailleerd en volledig mogelijk moeten zijn ... Zowel de aanpassingen van de werkplek als het aangepaste werk, bedoeld in het huidige artikel I.4-74, § 2 van de codex over het welzijn op het werk (maatregelen van het re-integratieplan) naast een aangepast werkvolume of uurrooster, die uitdrukkelijk in die bepaling zijn vermeld, kunnen andere mogelijke maatregelen omvatten, zoals een aanpassing van de machines en uitrusting, een andere taakverdeling, opleidingen enzovoort. De werkgever dient de redelijke aanpassingen aan de arbeidsplaatsen aan te brengen, zoals met name voorzien in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waaronder artikel 27, i).

De NHRPH herinnert eraan dat deze regeling ook geldt voor chronisch zieken.

Voor de NHRPH staat het dus buiten kijf dat redelijke aanpassingen een volwaardige inhoud en concrete invulling moeten krijgen. Er moet voldaan zijn aan volgende aspecten:

  • in de hele tekst (ook de overwegingen) moet eraan worden herinnerd dat aanpassingen de rode draad van wedertewerkstelling zijn;
  • werknemers met een handicap hebben soms langer begeleiding nodig, omdat zij niet alleen te maken krijgen met de uitdagingen van een ‘traditionele’ terugkeer naar werk, maar ook met handicapgerelateerde uitdagingen;
  • de noden van de werknemer met een handicap moeten beslist zeer goed gekend zijn: de toegankelijkheid van de weg van en naar het werk, een uurrooster dat is afgestemd op terugkerende behandelingen, de grotere vermoeidheid van de werknemer, het vaak grotere risico op terugval, … Dit vraagt wat goede wil en creativiteit van de werkgever;
  • de noodzakelijke aanpassingen voor de wedertewerkstelling moeten worden onderzocht, rekening houdend met de nog te volgen medische behandeling van de betrokkene en de medische voorwaarden voor de werkhervatting (arbeidstijdverkorting, …).
    Dit geldt des te meer voor personen met een vooraf bestaande gezondheidstoestand die geen verband houdt met de werkonderbreking. De NHRPH vindt dat de maatregel moet plaatsvinden in een context van welwillendheid ten opzichte van de werknemer. Werk kan dan wel een springplank zijn, het mag nooit extra lijden betekenen. Herstel vraagt de nodige tijd en de aangepaste vorm. De betrokkene moet worden gesteund in een reactiveringstraject, niet gedwongen. In het voorstel is sprake van sensibilisering van de behandelende artsen (cf. punt 5 in bovenstaand deel, Analyse). De NHRPH dringt ook aan op sensibilisering van de arbeidsartsen.
  • bij het opstellen van het re-integratieplan moet de werkgever zijn beslissing aan de werknemer toelichten. De werkgever moet altijd aangeven in hoeverre de redelijke aanpassingen (verwijzingen naar het VN-verdrag, antidiscriminatiewetgeving, Unia) kunnen worden toegepast en verantwoorden waarom ze niet mogelijk zouden zijn. De werkgever moet ook zeker een beroep doen op de deskundigheid van re-integratiedeskundigen.

De NHRPH stelt vast dat het verbreken van een arbeidsovereenkomst wegens overmacht pas mogelijk is na een ononderbroken arbeidsongeschiktheid van minstens negen maanden en dat de in artikel 3 van het voorontwerp van wet beschreven procedure werd gevolgd. De NHRPH verheugt zich erover dat de huidige termijn van zes maanden werd verlengd.

De conceptnota stelt meer bepaald dat "bij het verbreken van de arbeidsovereenkomst medische overmacht kan worden ingeroepen ten aanzien van werknemers die definitief ongeschikt zijn voor hun overeengekomen arbeid, en ten vroegste na negen maanden arbeidsongeschiktheid". Is dit de arbeid die werd overeengekomen bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst of de arbeid die werd overeengekomen na de zoektocht naar aanpassingen om de terugkeer naar werk te vergemakkelijken?

De conceptnota bepaalt ook het volgende:

“Gewaarborgd loon bij werkhervatting - geen link met een gewijzigde voorgaande arbeidsongeschiktheid; moet door de sociale partners worden onderzocht”

De NHRPH wil hier meer informatie over: wordt het gewaarborgd loon toegepast of niet? Wordt het vorige loon behouden? De tekst moet worden verduidelijkt.

Artikel 9 van het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van de codex over het welzijn op het werk betreffende het re-integratietraject voor arbeidsongeschikte werknemers bepaalt dat de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de re-integratiebeoordeling overleg kan plegen met andere personen, onder wie andere preventieadviseurs, in het bijzonder als de arbeidsongeschiktheid verband houdt met de psychosociale risico’s van het werk of met musculoskeletale aandoeningen. De NHRPH vraagt zich af waarom naar deze twee soorten aandoeningen wordt verwezen, en niet naar de andere. Discriminatie op basis van pathologie is uit den boze.

In hetzelfde artikel wordt verwezen naar de (dis)ability-casemanager, maar het begrip wordt niet gedefinieerd in het ontwerp van koninklijk besluit. De NHRPH vraagt zich dan ook af of in een andere tekst een definitie wordt gegeven, en zo ja welke. De NHRPH wil weten wat de precieze rol van de (dis)ability-casemanager is.

Voorts verbaast de NHRPH zich over de formulering van § 4 in artikel 9:

Op basis van zijn bevindingen na afloop van de onderzoeken en het overleg bedoeld in § 2 en § 3, neemt de preventieadviseur-arbeidsarts zo spoedig mogelijk een van de volgende beslissingen die hij vermeldt op het formulier voor de re-integratiebeoordeling:

a) (...)

b) BESLISSING B, die de volgende onderdelen bevat:

1° de vaststelling dat de werknemer definitief ongeschikt is om het overeengekomen werk te verrichten;

2° de omschrijving van de voorwaarden en modaliteiten waaraan het werk en/of de werkpost moet(en) beantwoorden om aangepast te zijn aan de gezondheidstoestand en de restcapaciteiten van de werknemer.

Moet niet worden vermeld dat het nieuw werk is?

De NHRPH vraagt zich ook af of deze procedure geldt voor contractuele personeelsleden in de federale overheidsdienst. Zo ja, dan moet erop worden toegezien dat de nieuwe procedures in dit besluit overeenstemmen met de nieuwe procedures in het besluit tot re-integratie op het werk van statutaire personeelsleden.

De NHRPH vestigt de aandacht op een zeer belangrijk punt. De conceptnota bepaalt het volgende:

“Financiële stimulansen voor werkgevers om een RIT 2.0 op te starten en tot een positief einde te brengen worden onderzocht. Minister Dermagne onderzoekt eveneens, in dialoog met de Gewesten en de Minister van Sociale Zaken, hoe informele trajecten en het aanwerven van langdurig zieken van buiten het eigen bedrijf kunnen worden gestimuleerd. Verschillende maatregelen zijn mogelijk. Op federaal niveau kan een fiscale maatregel worden uitgewerkt.

Aangezien het gaat over een specifiek te activeren doelgroep, is dit de bevoegdheid van de deelstaten.”

Dit is een zeer zware last voor de deelstaten. Overleg is daarom essentieel. De NHRPH vraagt zich af in hoeverre de deelstaten bereid zijn deze last ‘op te vangen’. Zijn de VDAB, het FOREM, Actiris, AVIQ, Phare, DSL (Dienstststelle für Selbstbestimmtes Leben), het ADG (Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft), ... hier klaar voor? Werden zij gesensibiliseerd en geresponsabiliseerd? Zijn ze bereid samen te werken? Welke personele middelen zullen de Gewesten inzetten, met name voor de begeleiding? Regelmatige rapportering door de Gewesten is belangrijk. De NHRPH vraagt ook dat er kaderovereenkomsten tussen de federale regering en de Gewesten worden gesloten.

De NHRPH merkt op dat in de conceptnota wordt bepaald dat "concrete input wordt gevraagd aan de adviesraden (NAR, HRPBW en NHRPH) omtrent welke incentives en initiatieven qua begeleidingsvormen wenselijk zijn". Aangezien tewerkstelling grotendeels tot de bevoegdheid van de deelgebieden behoort, vraagt de NHRPH zich af of de handicapadviesorganen in de deelstaten werden geraadpleegd. De NHRPH herinnert ook aan zijn standpunten en adviezen inzake tewerkstelling. De werkgroep Tewerkstelling van de NHRPH legt momenteel de laatste hand aan een nota. In de loop van 2022 zullen de resultaten van de werkgroep ter goedkeuring worden voorgelegd aan de plenaire vergadering van de NHRPH. De NHRPH staat uiteraard ter beschikking van de Ministers om bij te dragen tot de denkoefening.

Het deel ‘informatie’ van de werknemer is ook zeer belangrijk, vooral wanneer de werknemer van arbeidsplaats verandert, niet in het bedrijf blijft, of een opleidingstraject volgt. De werknemer mag zich in geen geval in de steek gelaten voelen en tegelijk moet het hele systeem administratieve soepelheid en duidelijkheid bieden. De werknemer mag nooit het slachtoffer zijn van grijze zones of ongewilde gevolgen van de onderlinge afstemming van de regelingen.

De werknemer met een handicap moet ook over betrouwbare inkomensprognoses kunnen beschikken. Hoe zit het met de mogelijkheid van cumulatie van loon, vervangingsinkomen en tegemoetkomingen voor personen met een handicap? Het maximumbedrag voor de cumulatie van loon en integratietegemoetkoming (IT) wordt verhoogd. Dit is ook het geval voor de cumulatie van vervangingsinkomen en IT, maar in mindere mate. In het laatste geval wordt de persoon met een handicap benadeeld.

De NHRPH vraagt zich ook af welk statuut betrokkene zal hebben indien hij na afloop van de procedure definitief arbeidsongeschikt wordt verklaard door de verschillende artsen: invalide, werkloos of rechthebbende op de inkomensvervangende tegemoetkoming?

De NHRPH heeft ook een advies uitgebracht over de door de Minister van Sociale Zaken geplande ‘back-to-work’ (advies 2021-31). De NHRPH vraagt zich af hoe de twee procedures kunnen worden gecombineerd. De combinatie van beide procedures mag immers geen ondraaglijke last zijn voor de persoon met een handicap. De NHRPH vestigt in het bijzonder de aandacht op personen die in maatwerkbedrijven werken. Voor sommigen van hen is de verplichte re-integratie nutteloos, schadelijk en zelfs wreed: de betrokkene is tot mislukken gedoemd.

De NHRPH hamert ook op het belang van harmonisatie tussen de regelingen die zullen worden toegepast in de privé- en openbare sector (ter herinnering: contractuele werknemers in de federale openbare sector komen dagelijks in contact met de ambtenaren van de federale overheid).

De NHRPH herinnert ook aan het probleem van artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering ‘geneeskundige verzorging en uitkeringen’. Dit artikel is absoluut aan herziening toe: door de strikte toepassing van dit artikel komen personen met een handicap lange periodes zonder bestaansmiddelen te zitten. Het begrip ‘voorafbestaande toestand’ en de toepassing ervan moeten dus broodnodig en dringend worden geëvalueerd, omdat de huidige situatie leidt tot een pingpongspel tussen verschillende instellingen, en tot verschillende behandelingen voor ogenschijnlijk vergelijkbare situaties. De NHRPH dringt hier nogmaals met klem op aan bij de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

  • Raadplegingen: 20

Advies 2022/12 - Resolutie European Disability Card

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2022/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van resolutie betreffende de verdere uitrol van de European Disability Card, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21 februari 2022.

Advies op verzoek van de Commissie voor sociale zaken, werk en pensioenen (mail van 19 januari 2022).

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Commissie voor sociale zaken, werk en pensioenen
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de ministers belast met personen met een handicap in de deelgebieden
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman 

2. ONDERWERP

Het voorstel van resolutie beoogt zowel de erkenning van de European Disability Card (EDC) door dienstverleners als het gebruik ervan door personen met een handicap te bevorderen.

3. ANALYSE

In het voorstel van resolutie wordt de federale regering verzocht om, in overleg en in samenwerking met de deelgebieden, werk te maken van drie pijlers: bewustmaking van personen en dienstverleners, automatisering van de toekenning en uitbreiding van de toepassing van de kaart.

4. ADVIES

  1. De NHRPH is het eens met de volksvertegenwoordigster, mevrouw Nahima Lanjri, die het initiatief tot het voorstel van resolutie heeft genomen: de EDC kan bijdragen tot bewustwording voor inclusie en tot de actieve toepassing ervan.

Volgens de NHRPH is het beperkte succes van de EDC niet zozeer te wijten aan de communicatiestrategie, maar vooral aan het gebrek aan erkenning door de openbare en privésector. Het grootste probleem is dat te weinig dienstverleners diensten op maat van personen met een handicap aanbieden, waardoor deze hun recht op ontspanning, opleiding, verplaatsing, … in de praktijk gewoonweg niet kunnen laten gelden. De diensten richten zich maar al te vaak uitsluitend op bepaalde groepen (vooral rolstoelgebruikers). Overigens vragen personen met een handicap en hun gezinnen niet in de eerste plaats een tariefvermindering, maar concrete toegang tot goederen of diensten. Een tariefvermindering maakt goederen of diensten uiteraard niet fysiek toegankelijker! De toegankelijkheid van een dienst moet algemeen worden opgevat en beantwoorden aan de behoeften van alle personen met een handicap, ongeacht het type van handicap. De positienota 'Toegankelijkheid en mobiliteit' van de NHRPH bevat de belangrijkste aandachtspunten. De NHRPH herinnert ook aan het belang van diensten te ontwikkelen in overleg met de bureaus voor toegankelijkheid (meer informatie op de websites van CAWAB en Inter). Een beperkt aantal goed toegankelijke domeinen is beter dan halfslachtige maatregelen op een groot aantal plaatsen.

Onvoldoende toegankelijkheid bieden is een zware economische en commerciële vergissing met grote gevolgen: als een dienst – in het bijzonder vrijetijdsbesteding, sport en cultuur – niet toegankelijk is, dan blijft de naaste omgeving van de persoon met een handicap die hem doorgaans naar zijn ontspanning begeleidt, ook weg. Bovendien zijn toegankelijke diensten voor personen met een handicap ook veel gemakkelijker te gebruiken door personen met beperkte mobiliteit (ouderen, ouders met kinderen, …). De auteur van het voorstel voert overigens enkele cijfers en vaststellingen in die zin aan.

Ter herinnering: elke vorm van discriminatie op grond van een handicap, ook het ontbreken van redelijke aanpassingen, is bij de wet strafbaar. 

  1. De NHRPH is het evenwel niet volledig eens met de analyse in de toelichting van het voorstel en wijst op een aantal aandachtspunten.
    • Het is belangrijk dat het doel van de EDC en de vraag van de gebruikers zorgvuldig worden afgewogen: het is een erkenning van de handicap met het oog op een vlottere toegang tot goederen en diensten (meer informatie op de website van het Belgian Disability Forum (BDF), dat de aanzet tot de EDC gaf). De NHRPH herinnert eraan dat de EDC geen informatie geeft over iemands gezondheidstoestand. Een bewuste keuze, om stigmatisering te voorkomen. De EDC geeft ook geen informatie over de persoon met een handicap noch over zijn behoeften. Wenst de betrokkene ‘zijn situatie en behoeften toe te lichten’, dan staat hem dit vrij of hij kan desgewenst de informatie tonen die hij bij zich heeft. De EDC dient hier niet voor.
    • De EDC heeft tot doel de dienstverleners ertoe te brengen hun goederen en diensten toegankelijk te maken voor personen met een handicap, net als voor iedere andere gebruiker: afhankelijk van zijn handicap zal de betrokkene gebruik maken van een rolstoel, een ringleiding, brailleleesregels, een rondleiding op maat, ... Volgens de NHRPH moet het gebruik van de EDC altijd beantwoorden aan zijn fundamentele primaire functie: erkenning ‘om toegang te krijgen’ (tot een vrijetijdsbesteding, sport, cultureel evenement). In het voorstel wordt geopperd nog verder te gaan en er een vrijgeleide van te maken om gebruik te maken van het toilet, niet te hoeven aan te schuiven in de wachtrij in restaurants of “te worden gebruikt wanneer men in aanraking komt met de hulp- en veiligheidsdiensten” (om ‘misverstanden met de ordediensten te voorkomen’). Volgens de NHRPH is het concept achter de EDC niet om een globaal standaardpakket of een onvoorwaardelijke vrijgeleide aan te bieden. EDC-houders toelaten de wachtrij te negeren, al dan niet gratis gebruik te maken van het toilet, … zou dus niet stroken met het idee achter de EDC.
    • De NHRPH kant zich zeker niet tegen een uitbreiding van het gebruik tot andere domeinen of initiatieven, zolang dit verplaatsingen en activiteiten in het dagelijkse leven vergemakkelijkt. Zo verheugt de NHRPH zich over het vooruitzicht dat het openbaar vervoer in het toepassingsgebied van de EDC wordt opgenomen. Wordt een verdere uitbreiding van het toepassingsgebied en/of de impact van de EDC overwogen, dan vraagt de NHRPH uiteraard hierbij van meet af aan te worden betrokken.
    • Zoals reeds gezegd, hangt het succes van de EDC volgens de NHRPH niet zozeer af van het een aanpassing van het communicatiebeleid, maar van het concreet toegankelijk maken van diensten door de openbare en privésector.
      Het aantrekkelijker maken van de website is voor de NHRPH momenteel hoegenaamd geen prioriteit.
    • Het automatiseren van de uitreiking of hernieuwing van de EDC valt te begrijpen binnen de evolutie naar de automatische toekenning van rechten, maar is misschien geen prioriteit. De EDC is slechts een erkenning en leidt op zich niet tot nieuwe sociale rechten. Sommigen willen misschien bewust geen EDC: deze keuze moet ook worden gerespecteerd. In dit geval moet de automatische toekenning misschien worden afgewogen tegen het budget voor een EDC ‘voor iedereen’. Momenteel is de erkenning van de EDC vijf jaar geldig. Welk budget wordt uitgetrokken voor het hernieuwen ervan? Wordt de EDC automatisch hernieuwd wanneer de betrokkene nog steeds aan de voorwaarden voldoet?
    • Correcte informatie over het bestaan van de EDC en wat deze concreet mogelijk maakt in het dagelijkse leven is wel essentieel: het laat de betrokkene toe zijn verplaatsing voor te bereiden en een perfect en volledig beeld te hebben van de beschikbare instrumenten. De NHRPH steunt dan ook het idee om dienstverleners tot goede praktijken aan te moedigen en de huidige labeling te versterken. Ook het idee van een jaarlijkse prijs is zeker een goed initiatief.
    • Evenzo moet op zijn minst het wettelijk en technisch kader voor toegankelijkheid (webrichtlijn, richtlijn European Accessibility Act, …) worden toegepast: de economie zou baat hebben bij meer Universal Design; dit is een sector met een enorm economisch potentieel.
    • De modules over toegankelijkheid moeten ook een verplicht onderdeel van de opleiding van architecten en bouw- en renovatieondernemers worden.
    • Een regelmatige evaluatie van de EDC is een uitstekende suggestie. Hierbij moeten de diverse gebruikers en dienstverleners worden betrokken.
    • Tot slot hoopt de NHRPH dat de EDC spoedig zal worden erkend en concreet ingevoerd in alle 27 landen van de Europese Unie. Dit moet hand in hand gaan met de noodzakelijke harmonisatie van de toegankelijkheidscriteria voor iedereen. De NHRPH vraagt het Belgische parlement om deze Europese beweging te promoten en te ondersteunen.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2022/11 - CityH@ndi

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het CityH@ndi-project van de DG Personen met een handicap (DG HAN) van de FOD Sociale Zekerheid, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/02/2022.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, Directeur-generaal van de DG HAN
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

CityH@ndi is een project van de DG Personen met een handicap (DG HAN) van de FOD Sociale Zekerheid dat tot doel heeft alle gemeentebesturen en OCMW’s van België actief te ondersteunen bij de begeleiding van personen met een handicap. CityH@ndi maakt deel uit van het EXCEL HAN-programma van de DG HAN dat tot doel heeft een aantal van de door haar verleende diensten te verbeteren.

3. ANALYSE

De DG Personen met een handicap stelt een daling vast van het aantal aanvragen dat door personen met een handicap via de gemeentebesturen en de OCMW’s wordt ingediend. Heel wat aanvragen worden afgewezen wegens onvoldoende administratieve of medische informatie. Het niet-gebruik van de rechten (non-take-up) is vooral frappant op het moment van de creatie van de aanvraag. De bestaansonzekerheid van personen met een handicap neemt toe; de bundel Handicap en Armoede licht deze realiteit goed toe.

De elektronische enquête van DG HAN kon worden ingevuld van 27 september tot en met 12 november 2021 en omvatte een tiental vragen.  Aan de hand daarvan kon het onthaal van personen met een handicap in het derde kwartaal van 2021 bij de gemeentebesturen – met inbegrip van de OCMW’s – van België in kaart worden gebracht.

Doel van deze enquête:

  • het verzamelen van gegevens over de organisatie van het onthaal van personen met een handicap in de gemeente;
  • meten welke impact de pandemie op dit onthaal had;
  • bijwerken van de lijst met contactpersonen van de DG Personen met een handicap in de gemeenten;
  • vaststellen van de specifieke ondersteuningsbehoeften van elke gemeente (op basis van voorstellen van de DG Personen met een handicap).

De enquête had een deelnamepercentage van 82,96%. Hierbij zijn belangrijke verwachtingen in 4 domeinen aan het licht gekomen:

  • Noodzaak van een betere en directe toegankelijkheid van de DG voor professionals
  • Groter geworden rol van de DG HAN op het gebied van informatie (via haar website) en facilitering (met de andere instellingen)
  • De leesbaarheid van de documenten (formulieren en beslissingen) moet beter.
  • Noodzaak om netwerken in stand te houden en uit te breiden (DG HAN > gemeenten en OCMW’s)

Het CityH@ndi-team heeft zich ertoe verbonden in 2022 een reeks globale, regionale, lokale en specifieke actieplannen bij de gemeenten uit te voeren:

  • een globaal actieplan (op Belgisch niveau)
  • regionale actieplannen (voor Vlaanderen, Wallonië, Brussel en – eventueel – de Duitstalige Gemeenschap);
  • lokale actieplannen (die overeenkomen met de gebieden die door de 11 kernteams van de DG Personen met een handicap worden bestreken);
  • specifieke actieplannen (met name voor sommige gemeenten, afhankelijk van de resultaten van de enquête).

De NHRHP heeft de projectleiders uitgenodigd om het project voor te stellen tijdens zijn plenaire vergadering van 17 januari 2022.

4. ADVIES

De NHRPH hecht belang aan het initiatief van deze enquête en waardeert het dat de DG HAN eindelijk erkent dat de non-take-up van rechten (niet-gebruik van rechten) ook van toepassing is op haar diensten. De NHRPH stelt deze realiteit die op het terrein wordt waargenomen en door de bundel Handicap en Armoede objectief wordt aangetoond al jaren aan de kaak (advies 2018-09).

De NHRPH benadrukt de hoge verwachtingen van de bevolking op het vlak van begeleiding: menselijke begeleiding is des te belangrijker in de huidige context van toenemende en onomkeerbare digitalisering. Het is dan ook van essentieel belang dat elk overheidsniveau en elke particuliere gemachtigde (ziekenfondsen, zorg- en begeleidingscentra, …) over de nodige personele middelen voor deze begeleiding kan beschikken.

De NHRPH noteert dat het CityH@ndi-project vertrok van de vaststelling dat de ziekenfondsen niet meer in staat zijn te voldoen aan de stroom van aanvragen die worden ingediend tijdens hun sociale zitdagen. De NHRPH herinnert aan de wettelijke en essentiële rol van de gemeenten en OCMW’s als bevoorrechte partners dicht bij de burgers bij de toegang tot hun rechten. Het is duidelijk dat het risico van non-take-up groot is voor personen die zonder enige vorm van begeleiding naar andere instellingen zouden worden doorverwezen. De NHRPH meent te hebben begrepen dat sommige gemeenten / OCMW’s hun wettelijke verplichtingen om te zorgen voor het indienen van de aanvragen niet meer nakomen. Dit is uiteraard onaanvaardbaar. De lokale autoriteiten moeten ervoor zorgen dat de dienstverlening aan de bevolking in haar geheel goed functioneert.

Wat betreft de enquête en de resultaten ervan zou de NHRPH enkele aandachtspunten naar voren willen brengen:

  • De NHRPH vindt de hoge respons en de diversiteit van de verwachtingen frappant. Dit getuigt van meerdere zaken: de relevantie van het thema, de wil tot verbetering en de betrokkenheid van de actoren.
  • Het is wat jammer dat enkel de verantwoordelijken van de gemeentebesturen, ziekenfondsen en OCMW’s de enquête konden invullen. Het zou interessant zijn geweest als de werknemers die de aanvragen ontvangen ook aan de enquête hadden deelgenomen. De NHRPH is van mening dat ook de medewerkers op het terrein behoeften en meningen mee te delen hebben die niet noodzakelijk dezelfde zijn als die van hun hiërarchische oversten. In de conclusies van de enquête en de actieplannen zal met deze leemte rekening moeten worden gehouden. Dit doet uiteraard niets af aan het belang van de enquête.
  • De NHRPH is ook verrast door het aantal aanvragen dat in 2021 door de gemeentebesturen en de OCMW’s werd behandeld, namelijk 24,4 %. Daarentegen wordt 32,2 % van de aanvragen behandeld door de ziekenfondsen, 37,8 % door de burgers zelf en 5,5 % door de FOD. Wordt over deze feitelijke situatie een administratieve en politieke denkoefening gehouden? Het is duidelijk dat deze statistiek in een ruimere context moet worden geanalyseerd. Ter vergelijking: weinig aanvragen komen via verenigingen voor personen met een handicap, maar men mag hieruit niet de conclusie trekken dat verenigingen hun leden niet zouden steunen in de loop het proces.
  • De NHRPH is van mening dat ook moet worden voorzien in middelen en antwoorden op de verwachtingen van de andere partners, zoals verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen, revalidatiecentra, ziekenhuizen, straathoekwerkers, enz. Deze sectoren komen ook regelmatig in contact met personen met een handicap en kunnen er derhalve toe bijdragen dat de non-take-up afneemt.
  • De NHRPH herinnert ook aan het percentage niet-succesvolle aanvragen: in 2020 werden 15.104 van de 98.092 aanvragen voor inkomensvervangende en integratietegemoetkomingen (IVT/IT) (zie ook Jaarverslag DG HAN 2020) uiteindelijk nooit onderzocht wegens onvoldoende opvolging door de aanvrager (Statistieken sociale bescherming - PMH). Daarnaast is er de non-take-up in verband met het uitblijven van een aanvraag, die waarschijnlijk op een groot aantal potentiële aanvragen kan worden geraamd.
  • Het is van groot belang dat alle maatschappelijke werkers die in direct contact staat met de buitenwereld - de administraties en de ziekenfondsen in het bijzonder - kunnen beschikken over een waaier aan informatie en opleidingen die noodzakelijk zijn om hun taak te vervullen. De betrouwbaarheid van de technische informatie is van fundamenteel belang en is tevens een vector voor toegang tot de rechten; enkele jaren geleden was in het kader van het ambassadeursproject reeds gewezen op de geringe tevredenheid van de ziekenfondsen over de informatie die zij van de DG HAN ontvingen. Ook de wijzigingen in de regelgeving die regelmatig plaatsvinden vereisen een voortdurende bewustmaking van andere professionele actoren.
  • De DG HAN heeft een essentiële rol: deze instellingen, die in zekere zin tussenpersonen zijn, begeleiden. De NHRPH is van mening dat de DG HAN alle nodige middelen moet kunnen inzetten om gemeenten, ziekenfondsen, OCMW’s, enz. te helpen bij het beheer van de aanvragen van personen met een handicap. De DG HAN moet de instellingen ook begeleiden, zodat zij de aanvragers instrumenten en lokalen ter beschikking kunnen stellen die voor iedere persoon met een handicap toegankelijk zijn.
  • Wat betreft de toekomstige globale, regionale, lokale en specifieke actieplannen die door het CityH@ndi-team zullen worden uitgevoerd: de NHRPH wenst een tijdschema betreffende de uitwerking ervan. De NHRPH zal dan met grote belangstelling zijn advies over de actieplannen voor dit jaar formuleren.
  • De NHRPH zou tevens willen benadrukken dat er bij dit project verschillende kwesties in overweging moeten worden genomen: op politiek en financieel vlak en op het vlak van de impact voor personen met een handicap en de begeleiding van laatstgenoemden bij het indienen van hun aanvragen.
  • De NHRPH beschouwt deze enquête als een barometer, met deze eerste peiling als nulmeting. De NHRPH zou het nuttig vinden dat de oefening op regelmatige basis wordt herhaald.
  • Statistieken sociale bescherming - PMH>De NHRPH legt ook de link met het project “Intake Remake” (herschrijven van aanvraagformulieren). Beide projecten zijn met elkaar verbonden: in de aanvraagformulieren moeten een aantal bekommernissen die in de CityH@ndi-enquête naar voren zijn gekomen, worden geïntegreerd.
  • Deze enquête had ook tot doel een lijst met contactpersonen in de verschillende instellingen bij te werken. De NHRPH wijst erop dat de lijst op regelmatige basis moet worden bijgewerkt.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2022/02 - Inrichting onthaalcentra DG HAN

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Gezondheidszorg, Leefomgeving, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de inrichting van de onthaalcentra van de DG Personen met een handicap (DG HAN), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Peter Samyn, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid - adviesvraag per e-mail van 02/12/2021.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Peter Samyn, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

De FOD Sociale Zekerheid bereidt de inrichting van de onthaalcentra van de DG HAN voor en vraagt het advies van de NHRPH over zijn “geactualiseerd behoefteprogramma”.

3. ANALYSE

Het is goed te verduidelijken dat de bepalingen inzake de toegankelijkheid voor personen met een handicap (PMH) zowel bezoekers als werknemers van de DG HAN en andere externe dienstverleners betreffen. De DG HAN onthaalt immers heel wat PMH in haar onthaalcentra, bijvoorbeeld in het kader van een medische expertise, een afspraak met een maatschappelijk assistent enz. De diensten moeten evenwel ook toegankelijk zijn voor personeelsleden met een handicap, bezoekers met een handicap, enz. De plenaire vergaderingen van de NHRPH hebben plaats in een gebouw van de DG HAN, namelijk de Finance Tower.

Volgens het geactualiseerde behoefteprogramma “zal het erom gaan in de toekomst comfortabele, moderne, toegankelijke, gastvrije lokalen ter beschikking te stellen van het personeel van de DG HAN, die hen in staat stellen personen met een handicap op een passende manier te ontvangen, en ook om toegang te hebben tot geschikte administratieve ruimten.

Deze onthaalcentra moeten het mogelijk maken om de problematiek van personen met een handicap in zijn geheel aan te pakken en niet langer strikt genomen vanuit medisch oogpunt.

De lokalen moeten het mogelijk maken de individuele contacten met het publiek te bevorderen en het publiek fysiek dichter bij de personeelsleden te brengen, kortom, een professionele en persoonlijke dienstverlening aanbieden.

Daartoe zullen de onthaalcentra idealiter over het volgende moeten beschikken:

  1. In de frontoffice: onthaalkantoren aangepast aan medische gesprekken (met de artsen) en sociale gesprekken (met maatschappelijk assistenten). Momenteel worden te veel opdrachten uitgevoerd op ongeschikte plaatsen (medische evaluaties in provinciale ziekenhuizen of OCMW’s, gesprekken met maatschappelijk assistenten in de hoek van een gemeentelijke administratie, …).
  2. In de backoffice: polyvalente werkplekken om het interactieve werk van alle medewerkers (administratief personeel, artsen en maatschappelijk assistenten) mogelijk te maken, ongeacht het type functie, in een geest van nauwe samenwerking.”

4. ADVIES

De NHRPH had liever gehad d at het document “geactualiseerd behoefteprogramma” een andere structuur had aangenomen. Voorbeelden van goede structuren:

  • De reglementering inzake toegankelijkheid
  • Guide d’aide à la conception d’un bâtiment accessible(“Gids voor het ontwerp van een toegankelijk gebouw”) (CAWaB)

Die 2 documenten bieden een overzicht van de minimumvereisten op het vlak van toegankelijkheid voor PMH. Gezien het feit dat de DG HAN veel personen met een handicap ontvangt en een voorbeeldfunctie zou moeten hebben op het vlak van toegankelijkheid voor PMH, waren die documenten een goed startpunt geweest, waarna de specifieke behoeften voor bepaalde gebouwen die door hun functie een aanzienlijk hoger quotum van PMH ontvangen, moesten worden toegevoegd (kleedruimtes, parkeergelegenheid, aangepaste sanitaire voorzieningen, raadplegingslokalen…). Deze behoeften worden niet in het huidige document vermeld.

De huidige structuur daarentegen beantwoordt zelfs niet aan de minimumnorm en kan dus ook bezwaarlijk een behoefteanalyse worden genoemd. Bovendien is de opsomming niet altijd even gedetailleerd. Verder is er nauwelijks aandacht voor de verstandelijke handicap en te weinig voor visuele en auditieve handicap. De NHRPH doet in wat volgt een poging om deze tekortkomingen recht te zetten.

Voorafgaande opmerking: de hieronder meermaals gebruikte term ‘persoon met een beperkte mobiliteit’ (PBM) is ongeschikt, hoewel hij vaak wordt gebruikt in bepaalde wetteksten; hij verwijst naar een grotere en minder goed gedefinieerde groep: niet enkel PMH, maar ook ouderen, zwangere vrouwen, kinderen, personen met een gebroken been, …

In de volgende analyse stelt de NHRPH een reeks wijzigingen en toevoegingen (vetgedrukt) voor aan het geactualiseerde behoefteprogramma, waarbij de structuur van de originele tekst wordt gevolgd, hoewel deze weinig relevant lijkt.

De volgende opmerkingen zijn niet volledig. Voor het uitwerken van de analyses en technische oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

Analyse van het “geactualiseerde behoefteprogramma”

5. Eventuele verhuis van het centrum – Te observeren criteria

5.1 De ligging

Het document verduidelijkt dat bijzondere aandacht zal moeten worden besteed aan de keuze van de ligging en meer in het bijzonder aan de nabijheid van:

  • de voornaamste verkeersroutes (snelwegen, ringwegen, gewestwegen…);
  • een parking in de buurt (voor personen met beperkte mobiliteit, maar ook voor hun begeleiders);
  • het openbaar vervoer (station, bus, metro, …).

Ook al lijkt dit vanzelfsprekend, het zou goed zijn te verduidelijken dat de parkings in de buurt toegankelijk moeten zijn voor PMH. Hetzelfde geldt voor de haltes van het openbaar vervoer en het rollend materieel dat er stopt.

Deze parkings en deze haltes van het openbaar vervoer moeten overigens verbonden zijn met de hoofdingangen van de nieuwe gebouwen door middel van toegankelijke toegangswegen.

Toegankelijk betekent op zijn minst de naleving van de GSV (Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening) en andere teksten met een dwingend karakter op het gebied van de toegankelijkheid voor PMH. Aangezien de huidige regelgevende teksten een minimum vormen dat nog niet de toegankelijkheid voor de verschillende vormen van handicap kan garanderen (met de behoeften van personen met een visuele, auditieve en cognitieve handicap wordt in deze teksten niet of nauwelijks rekening gehouden), moet de naleving van normen en andere referentiedocumenten waarin rekening wordt gehouden met alle handicapsituaties, bindend worden gemaakt.

Wat parkeergelegenheid betreft, moet worden bepaald dat op de parkeerterreinen plaatsen voorbehouden moeten zijn voor PMH met een parkeerkaart, met inbegrip van enkele langere plaatsen voor het in- en uitladen van rolstoelen. Bovendien moet het minimumquotum van voorbehouden plaatsen in de GSV’s worden verhoogd met het oog op het vaker bezoeken van deze gebouwen door PMH.

Wanneer de parkings in de onmiddellijke omgeving gescheiden zijn van de gebouwen, is het ook raadzaam om bij de bevoegde autoriteiten na te gaan of het haalbaar is om kiss & ride-zones voor de ingangen van de gebouwen te creëren. Deze kiss & ride-zones moeten een stop mogelijk maken die lang genoeg is om een begeleider in staat te stellen het traject naar het onthaal met een PMH te maken (+ terugkeren naar de auto, natuurlijk).

In het document wordt ook het volgende verduidelijkt: “Alle lokalen bevinden zich gewoon op het gelijkvloers, dit om volledige toegankelijkheid voor PBM te waarborgen.”

Nogmaals, hoewel het vanzelfsprekend lijkt, lijkt het de moeite waard om het volgende te verduidelijken:

  • Dat de toegangsdeur een vlakke toegang moet bieden en ten minste moet voldoen aan alle voorschriften van de GSV’s.
  • Dat ook de toegangswegen naar de inkom ten minste moeten voldoen aan alle voorschriften van de GSV’s.

Hoewel de keuze voor lokalen op het gelijkvloers de meest toegankelijke en veilige lijkt, zijn dergelijke lokalen op de markt vaak niet beschikbaar. Indien de configuratie van het gebouw eenvoudig is en de interne en externe toegangswegen naar lokalen op andere verdiepingen toegankelijk zijn, kan het aanvaardbaar zijn een dergelijke keuze te maken.

5.2 Veiligheid van personen

In dit punt wordt het volgende verduidelijkt: “Wat betreft brandpreventie streven wij de algemene doelstellingen van de Belgische wetboeken na, namelijk:

  • Voorkomen van het ontstaan, het ontwikkelen en het verspreiden van een brand;
  • Zorgen voor de veiligheid van de personen;
  • De interventie van de brandweerlui vergemakkelijken.”

Momenteel volstaat het gebruik van de inhoud van deze teksten niet om de veiligheid en de evacuatie van PMH in een gebouw te waarborgen. Daarom lijkt het goed hieraan toe te voegen dat, gelet op het feit dat PMH heel vaak het gebouw bezoeken, een specifieke studie moet worden uitgevoerd door een preventieadviseur die is opgeleid in de specifieke behoeften van PMH. Daarnaast moeten de beoogde procedures en voorzieningen worden gevalideerd en moet een evacuatieoefening ter plaatse worden uitgevoerd door de verschillende doelgroepen van PMH (motorische, visuele, auditieve en cognitieve handicaps).

Bovendien zou kunnen worden voorzien in een specifiek standaard lastenboek over de veiligheid en de evacuatie van PMH.

In het document staat ook het volgende: “De veiligheid van onze personeelsleden mag niet worden verwaarloosd en wij bevelen de installatie van de volgende systemen aan:

  • camerabewaking;
  • inbraakalarm;
  • branddetectie;
  • toegangscontrole."

Het zou ook goed zijn te verduidelijken dat de identificatie, het begrip en het gebruik van deze voorzieningen toegankelijk moet zijn voor personen met een motorisch, visuele, auditieve of cognitieve handicap. Dit geldt zelfs indien deze voorzieningen alleen door personeelsleden wordt gebruikt, aangezien een minimumquotum van PMH onder het personeel in acht moet worden genomen, vooral bij de DG HAN.

5.3 Toegankelijkheid van het gebouw voor personen met een handicap

5.3.1 Algemene toegankelijkheid

De toevoegingen en verduidelijkingen worden in het vet opgenomen in de hierna volgende oorspronkelijke tekst. Wat niet past, is doorgehaald.

Alle gebouwen van de centrale administratie en de regionale centra van de FOD Sociale Zekerheid moeten toegankelijk zijn voor PMH. Alvorens een keuze te maken, is het daarom essentieel om te onderzoeken of de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit wel degelijk verzekerd is voor dit gebouw, rekening houdend met de specifieke behoeften eigen aan ieder type handicap (motorisch, visueel, auditief en cognitief). De gebruiker moet in het gebouw kunnen betreden, er zich kunnen verplaatsen en het verlaten, en gebruik kunnen maken van de voorzieningen zonder in een situatie terecht te komen waarbij hij gehinderd wordt door zijn handicap.

In het algemeen moeten onder meer de volgende omgevingsbehoeften worden nageleefd:

  • een vloerbedekking die geschikt is voor het gebruik van een kinderwagen of rolstoel, maar ook voor het gebruik van technische hulpmiddelen;
  • zorgen voor voldoende brede ruimten voor een vlotte doorgang van PBM;
  • zorgen voor voldoende manoeuvreerruimte voor PBM;
  • De grijpzones en vrije ruimten voor toegang en bediening voor personen met een motorische handicap naleven;
  • Visuele, zichtbare, leesbare en begrijpelijke bewegwijzering, identificatie- en informatieborden;
  • Tactiele, podotactiele en/of auditieve bewegwijzering en identificatie- en informatieborden volgens de behandelde domeinen
  • Visuele, auditieve, fysieke en podotactiele beveiliging voor gevaren;
  • Eenvoudige en korte toegangspaden;
  • Bescherming van de verwarmingselementen;
  • Geen scherpe randen;
  • Geen uitstekende voorwerpen of bescherming ertegen;
  • Aanwezigheid van transferruimtes;
  • Kwaliteit van de visuele omgeving (natuurlijke en kunstmatige verlichting, systemen voor het regelen van de verhouding van natuurlijk en kunstmatig licht, aanwezigheid van visuele contrasten en algemene leesbaarheid);
  • Akoestisch comfort;
  • Eenvoudige omgeving waarin men zich goed kan oriënteren;
  • Geen glanzende of weerspiegelende oppervlakken;
  • Aanwezigheid van voorzieningen aangepast aan de verschillende handicapsituaties;
  • Gemakkelijke identificatie van het gebouw en de ingang ervan.

Het louter naleven van de voorschriften van de verschillende wetteksten volstaat niet voor de toegankelijkheid voor alle PMH (visuele, auditieve en cognitieve handicaps worden niet of slechts weinig in aanmerking genomen). Daarom moet worden voorzien in het naleven van aanvullende voorschriften van (idealiter normatieve) referenties.

5.3.2 Bewegwijzering in en rond het gebouw

Bewegwijzering (identificatie- en informatieborden) is nuttig voor iedereen en vooral voor PMH. Daarom lijkt het aangewezen de belangrijkste plaatsen, voorzieningen en procedures waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed te specificeren:

  • Visuele signaletica voor het gebouw en de diensten die zichtbaar, leesbaar en begrijpelijk zijn vanaf de weg;
  • Visuele informatie over de voorwaarden tot toegang tot het gebouw (openingstijden, enz.)
  • Visuele en tactiele bewegwijzering tussen de rijweg en de toegangsdeur van het gebouw;
  • Visuele bewegwijzering tussen de parking(s) en de toegangsdeur van het gebouw;
  • Visuele en tactiele bewegwijzering tussen de toegangsdeur van het gebouw en het voornaamste onthaal van het gebouw;
  • Visuele, tactiele en auditieve bewegwijzering en identificatie- en informatieborden op het vlak van brandveiligheid (evacuatie-instructies, identificatie van evacuatieroutes en -deuren, identificatie van de vluchtplaatsen, identificatie van de verzamelpunten, EHBO-materiaal, enz.);
  • Visuele, auditieve en tactiele identificatie- en informatieborden in de liften;
  • Visuele en tactiele bewegwijzering naar de liften en trappen;
  • Visuele bewegwijzering naar uitgangen, parkings en onthaal;
  • Visuele bewegwijzering naar aangepaste en niet-aangepaste sanitaire voorzieningen;
  • Visuele en tactiele identificatieborden van lokalen bestemd voor het publiek;

In het document staat het volgende: “Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de manier waarop de visuele, auditieve en tactiele informatie wordt geplaatst en voorgesteld.

Er is op dit vlak natuurlijk interactie:

  • Met de gemeentediensten wanneer het gaat om het vlot vinden van het stadscentrum;
  • Met de Regie wanneer het gaat om het vinden van de medische dienst in het gebouw zelf;
  • Met de IDPBW (Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk) wanneer het gaat om de veiligheid.”

De identificatie, het begrip en het gebruik van bewegwijzering (voor identificatie, oriëntatie en informatie) door PMH – rekening houdend met de specifieke behoeften van elke handicap – is een zeer complex domein. Daarom moet worden voorzien in een interactie met een gespecialiseerd studiebureau of met verenigingen die de verschillende handicapsituaties vertegenwoordigen.

Voor het overige wordt in de verschillende GSV’s verduidelijkt dat de aanwezigheid van visuele, auditieve, tactiele en podotactiele bewegwijzering noodzakelijk is, maar er worden geen technische specificaties voor een doeltreffende uitvoering gegeven. Bijgevolg en rekening houdend met het feit dat er geen volledige Belgische norm bestaat voor de toegankelijkheid van de bewegwijzering lijkt het aangewezen te verduidelijken dat de uitvoering van de bewegwijzering moet voldoen aan de voorschriften van ISO-norm 21 542 (of andere exemplarische normen ter zake).

De toevoegingen en verduidelijkingen staan vetgedrukt in de oorspronkelijke tekst die hierna volgt.

De bewegwijzering moet rekening houden met ALLE soorten handicap:

  • De gebouwen aanpassingen voor personen met een auditieve handicap zijn vooral gericht op visuele informatie. Het is bijgevolg belangrijk alle noodzakelijke voorzieningen te voorzien van voldoende bewegwijzering, visuele, zichtbare, leesbare, begrijpelijke, doorlopende en homogene signalisatie- en informatieborden. De kwaliteit van de verlichting en de aanwezigheid van een visueel onbelemmerde omgeving (geen visuele maskers) moeten eveneens prioriteit krijgen;
  • Voor personen met een visuele handicap is een tactiele, podotactiele of auditieve aanvulling noodzakelijk. Ook de kleur, het gebruik van contrasten, de kwaliteit van de verlichting, van de visuele en geluidsomgeving moeten worden bevorderd;
  • Voor personen met een verstandelijke handicap is een eenvoudige en duidelijke informatieverstrekking van essentieel belang;
  • Personen die de taal niet kennen en personen met leesproblemen zullen worden geholpen door pictogrammen en symbolen. Deze worden systematisch aangevuld met de aanwezigheid van woorden of teksten die de regels van gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal naleven;
  • Door te streven naar een logische structuur en een visuele omgeving die vrij is van visuele maskers kan de behoefte aan bewegwijzering en extra informatieborden worden vermeden. De ontwerper moet dus ernaar streven een zo zuiver mogelijk concept te bereiken. Er moet voor worden gezorgd dat een goed concept met informatiemateriaal en -inhoud wordt ondersteund, maar zeker niet wordt overladen. Een overvloed aan informatie kan tot verwarring leiden, niet alleen voor personen met een handicap, maar ook voor de alle personen die het gebouw betreden;
  • Personen met een handicap moeten nauwkeurige en correcte informatie krijgen over de toegankelijkheid van het gebouw. Het gebouw mag niet gunstiger en toegankelijker worden voorgesteld dan het in werkelijkheid is. Dit komt niemand ten goede en zeker niet personen met een handicap;
  • Als er een alternatieve rolstoeltoegankelijke ingang tot het gebouw is, wat wij ten zeerste afraden, moet dit duidelijk worden aangegeven. Hetzelfde geldt voor alle andere looproutes, procedures of voorzieningen (onder andere de evacuatieroutes);
  • Assistentiehonden zijn een onmisbare begeleider en zijn dus geen huisdieren. Bij de ingang van het gebouw wordt een sticker aangebracht waarop staat dat assistentiehonden zijn toegestaan.

5.4 Niet-energieverslindend gebouw & duurzame ontwikkeling

In het document wordt het volgende verduidelijkt: “Aangezien het respect voor ons milieu steeds meer een essentieel criterium wordt voor elke interventie is het belangrijk om een duurzame ontwikkelingsstrategie te integreren in de projectplanning.

Zonder exhaustief te zijn, zal bijzondere aandacht worden besteed aan de volgende punten:

  • Ecologische inrichting van de site;
  • Efficiënt waterbeheer;
  • Luchtkwaliteit;
  • Vermindering van het energieverbruik (met name door middel van aanwezigheidsmelders);
  • Duurzaam beheer van materialen en hulpbronnen;
  • Kwaliteit van het binnenmilieu;
  • Enz.”

Aangezien de keuze van bepaalde voorzieningen en uitrustingen voor sommige PMH een ongemak of zelfs een gevaar kan vormen (onder andere bepaalde voorzieningen voor de regeling van natuurlijk of kunstmatig licht), is het goed te verduidelijken dat bij de gemaakte keuzes rekening wordt gehouden met de veiligheid en het gebruikscomfort van PMH.

Op te merken valt dat het met het oog op het thermisch comfort, en meer bepaald de omgevingstemperatuur van de ruimten, van belang kan zijn te zorgen voor een hogere omgevingstemperatuur in alle lokalen of een deel daarvan (onder andere ruimten voor consultatie waarbij men zich desgevallend moet uitkleden).

8. Technische fiches

De toevoegingen of wijzigingen aan de originele tekst staan vetgedrukt in de volgende teksten.

8.1 Ingang, veiligheid en sas

De toevoegingen en wijzigingen werden aangebracht in de originele tekst. Deze tekst mist evenwel structuur, terwijl hij toch betrekking heeft op de primaire toegankelijkheid van het gebouw. Gelet op het belang van deze schakel moet de tekst worden geherstructureerd om vergetelheden of verwarring te voorkomen. Het zou zinvol zijn de tekst te structureren aan de hand van de volgende rubrieken:

  • Visuele identificatie van het gebouw en de ingang
  • Visuele en tactiele bewegwijzering van de toegangsdeur
  • Visuele, tactiele of auditieve identificatie van de in het gebouw aanwezige functies en hun toegangsvoorwaarden
  • Voorzieningen voor oproepen op afstand (videotelefonie, enz.)
  • Voorzieningen voor het openen van deuren (deuropener, badgelezer, digicode, enz.)
  • Brievenbus
  • Indeling en afmetingen van de toegangswegen en andere vrije ruimten
  • Vloerbedekking
  • Beheer van eventuele niveauverschillen
  • Visuele, fysieke of podotactiele beveiliging van verschillende soorten obstakels (uitstekende voorwerpen, paaltjes, trappen, glazen wanden, enz.)
  • Kunstmatige verlichting (dit is essentieel zowel voor de winterperiodes als voor de overgang van binnen naar buiten)
  • Inkomdeur
  • Inkomsas
  • Deurmat

Het gebouw en de ingang moeten makkelijk herkenbaar zijn vanaf de straat. De volgende kenmerken zijn essentieel:

  • Huisnummer zichtbaar vanop de straat met een grootte en een contrast die het duidelijk zichtbaar en leesbaar maken
  • De ingang, gelegen aan de straat of zichtbaar vanaf de straat, is voor iedereen dezelfde (om meervoudige toegangen te voorkomen en te zorgen dat er geen sprake is van discriminatie).
  • Wanneer de toegangsdeur niet aan de straat ligt, leiden visuele oriëntatieborden en een natuurlijke of kunstmatige gidslijn naar de ingang.
  • De functie van het gebouw en de modaliteiten voor toegang tot de verschillende diensten die het huisvest worden zichtbaar, leesbaar en begrijpelijk afgebeeld.
  • Oppervlakte van ten minste 8 m2 (rekening houdend met de manoeuvreerbaarheid van rolstoelen, enz.) en die het mogelijk maakt alle voorzieningen te gebruiken (deuren, onthaalbalie en ander meubilair) door middel van draaizones met een diameter van ten minste 150 cm, vrij van enige belemmering
  • Vloer vrij van hindernissen
  • Niet-meubilair Harde vloer
  • Zonder groot gebrek Vlakke vloer zonder gaten of scheuren groter dan 1 cm aan elke kant
  • Slipvrije vloer
  • Ondoorzichtige, matte en niet-reflecterende vloer
  • Idealiter,Geen trede, noch niveauverschil. In geval van een niveauverschil bedraagt de maximumhoogte 2 cm en moet deze afgeschuind zijn onder een hoek van maximum 30°. Echte niveauverschillen moeten worden verboden.
  • De bedieningselementen van de deur worden op een hoogte tussen 90 cm en 140 cm 110 cm geplaatst op een zijdelingse afstand van minstens 50 cm ten opzichte van ieder obstakel (inspringende hoek…). Hetzelfde geldt voor de voorzieningen voor oproepen op afstand en andere brievenbussen.
  • De ontgrendeling van de deuren moet worden uitgerust met een geluidssignaal (duidelijk hoorbaar rekening houdend met de auditieve omgeving) en lichtsignaal.
  • Een deel van de inkom moet worden beschermd door een luifel (bescherming tot de deur opengaat).
  • De glazen deuren moeten aan de onderkant en op ooghoogte worden gemarkeerd met ononderbroken stroken in een kleur die contrasteert met de onmiddellijke omgeving en de achtergrond die door de glazen wanden waarneembaar is.
  • De tapijten aan de inkom mogen geen obstakel vormen (idealiter geïntegreerd in de vlakke, dichte vloer, zonder gaten of scheuren van meer dan 1 cm).
  • De route naar het onthaal en wachtzaal moet duidelijk intuïtief zijn en vrij zijn van obstakels. Ze moet bovendien visueel en podotactiel worden aangegeven (bewegwijzering en identificatieborden).

De toegangsweg en de inkomdeur moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen om als toegankelijk te worden beschouwd:

  • De toegangsweg moet ten minste 120 cm breed zijn en bij elke richtingsverandering 150 cm breed, en vrij van obstakels.
  • Algemeen wordt aangenomen dat een persoon in een rolstoel of met behulp van een technisch hulpmiddel 95 cm vrije doorgang nodig heeft om zich te kunnen verplaatsen.
  • Voor en achter iedere deur, zowel op de toegangsweg als in de inkomsas/hal is een draaizone met een diameter van ten minste 150 cm noodzakelijk naast ieder obstakel (met inbegrip van eventuele deuropeningen).
  • Op de toegangsweg, bij de inkomdeur of in de sas zijn geen treden of niveauverschillen toegestaan.
  • De inkom is veilig en makkelijk te gebruiken.
  • Indien het gebouw een draaideur heeft, moeten naast elke draaideur klap- of schuifdeuren worden voorzien.
  • Idealiter schuiven de deuren automatisch open. Zo niet, mag de inspanning die moet worden geleverd om de deur te openen geen 30N overschrijden.
  • Indien de deur met de hand moet worden geopend, moet er een zijdelingse vrije ruimte van ten minste 50 cm zijn tussen de openingsinrichting en ieder obstakel (inspringende hoek, meubilair, enz.).

Indien het gebouw is uitgerust met een veiligheidssas zal deze worden ontworpen met een bediening (deuropening) vanaf het onthaalloket. In dit geval wordt een duidelijk hoorbaar geluidssignaal en een lichtsignaal gegeven om de zender van de oproep te waarschuwen.

In het algemeen wordt de conceptontwikkelaar verzocht steeds erop toe te zien dat de af te leggen afstanden door PBM zo kort mogelijk zijn.

8.2 Gangen

8.2.1 Toegankelijkheid gangen

Het horizontaal verkeer moet toegankelijk zijn voor PBM (behalve technische onderhoudslokalen).

De volgende aanbevelingen zijn van toepassing op de gangen:

  • De gangen moeten een minimale breedte van 1,50 m hebben, met inbegrip van de evacuatiegangen.
  • In de gangen mogen geen obstakels aanwezig zijn. Indien er tijdelijke obstakels zijn, moeten deze worden beveiligd met visuele voorzieningen die met een witte stok kunnen worden waargenomen.
  • Een richtingsverandering is toegestaan in een gang op voorwaarde dat er een vrije draaizone met een diameter van ten minste 1,50 m is voorzien (indien een persoon in een rolstoel 180° moet kunnen roteren, wordt de vrije draaizone vergroot tot ten minste 1,6 m breed en 2,15 m lang). De draaizone moet vrij zijn van alle obstakels, met inbegrip van eventuele deurbewegingen.
  • Voor de wanden van de evacuatiewegen zijn doeltreffende visuele contrasten voorzien (er mag geen twijfel worden opgewekt bij slechtziende personen).
  • De vloerbedekking mag geen enkele helling hebben die loodrecht op de looprichting staat. In geval van een helling in de looprichting, is de route (zowel binnen als buiten) voorzien van een helling die daartoe is ontworpen en uitgewerkt (op zijn minst naleven van de GSV-voorschriften).
  • In de mate van het mogelijke worden de obstakels (radiatoren, haspels, enz.) omkast. Elk obstakel dat meer dan 20 cm uitsteekt in de gangen en andere toegangswegen is visueel beveiligd en kan met een witte stok worden waargenomen.
  • Hangende obstakels mogen niet lager zijn dan een minimumhoogte van 2,30 m.
  • Interne hellende vlakken moeten worden verboden.
  • Verlichtingsniveau van ten minste 100 lux in interne horizontale gangen en tussen 150 en 200 lux op hellende vlakken en trappen. Installatie van verlichting, zodat er geen schaduwzones worden gecreëerd en keuze van verlichtingsarmaturen die geen direct visueel contact tussen de lichtbron en het oog creëren.

Bovendien moet er in de gangen voor verwarming worden gezorgd en moeten er voldoende stopcontacten worden voorzien.

8.2.2 Toegankelijkheid binnendeuren

In het algemeen moeten alle buiten- en binnendeuren toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van vluchtdeuren en nooduitgangen. De volgende eigenschappen worden verwacht:

  • Een deur die toegankelijk is voor PBM is van het type klap- of schuifdeur
  • Het gebruik van automatische schuifdeuren wordt aanbevolen. Automatische klapdeuren moeten zo veel mogelijk worden vermeden vanwege het risico op botsingen.
  • De deuren moeten volledig open kunnen blijven zonder manuele ondersteuning. Terugkeerarmen mogen niet worden gebruikt, behalve wanneer de veiligheid dit vereist en de optie van elektromagnetische deurhouders niet kan worden overwogen. Een kracht van maximum 30N mag worden gevraagd om de deur te openen.
  • Indien het gebouw uitgerust is met een binnendraaideur moeten klapdeuren of schuifdeuren naast iedere draaideur worden voorzien.
  • De minimale vrije breedte van een open deur bedraagt 95 cm.
  • De deuren worden voorafgegaan en gevolgd door een vrije draaizone van ten minste 150 cm (zonder opening).
  • De deuraccessoires (klink, slot, …) bevinden zich op een hoogte van 80 cm boven het afgewerkte vloerniveau.
  • Er is een zijdelingse ruimte van ten minste 50 cm, vrij van obstakels (met inbegrip van inspringende hoeken) in het verlengde van de klink of de voorzieningen voor het openen (drukknop, enz.).
  • De deuren, maar ook de wanden, die volledig in glas zijn nabij de looproute zijn in veiligheidsglas
  • De glazen deuren – maar ook wanden – moeten worden gemarkeerd met visueel contrasterende kleuren ten opzichte van de onmiddellijke omgeving (met inbegrip van de kleur die wordt waargenomen doorheen de glazen wand). De markering wordt aangebracht in de vorm van doorlopende stroken onderaan de glasoppervlakken en op ooghoogte (personen die zitten of kleine personen en grote personen). Gezandstraalde markeringen moeten worden verboden.
  • De deurklinken moeten in contrast staan met de kleur van het deurblad.
  • De deurklinken hebben een J- of L-vorm of verticale of horizontale stangen die gemakkelijk kunnen worden vastgenomen. Ronde deurknoppen moeten worden verboden.
  • Visuele en tactiele identificatie moet worden aangebracht op 50 cm van het deurblad aan de kant van het slot. Ze wordt geïnstalleerd op een hoogte tussen 120 en 160 cm.

8.2.3 Gelokaliseerd onthaal (LSA) (1ste-2de)

De onthaalruimte is gelokaliseerd en gepersonaliseerd (controle van de uitnodiging en oriëntatie van de burger naar de wachtzaal en vervolgens naar het onthaalkabinet waar hij ontvangen zal worden).  Deze ruimte moet een loket omvatten dat toegankelijk is voor personen in een rolstoel of die de behoefte hebben om te gaan zitten en moet hen in staat stellen te communiceren met de personeelsleden van dit administratief kantoor (idealiter een loket met twee hoogten).

Het loket moet aan de volgende eisen voldoen:

  • Het loket moet zich dicht bij de inkom bevinden.
  • Het moet visueel en podotactiel worden aangeduid (bewegwijzering en identificatieborden).
  • Een draaizone vrij van obstakels met een diameter van 150 cm moet worden voorzien voor het loket
  • De onthaalbalie mag niet zo worden ingericht dat er natuurlijke of kunstmatige achtergrondverlichting is die de bezoeker verblindt (ervoor zorgen dat een slechthorend of doof persoon gemakkelijk kan liplezen)
  • Het loket moet onderrijdbaar zijn, zodat de persoon met een handicap bijvoorbeeld een document kan invullen

Afbeelding 8.2.3

Om de veiligheid van onze personeelsleden te garanderen, moet het loket uitgerust zijn met een afscherming in plexiglas en een beveiligde toegang. De onthaalruimte moet in directe verbinding staat met de wachtzaal en zijn uitgerust met voldoende ramen om een overzicht te hebben over de inkomende en uitgaande bezoekers en de wachtzaal. Belangrijke opmerking: waar mogelijk moet een glazen scheidingswand worden vermeden.

Het loket moet zijn uitgerust met een geluidsversterker, in beide richtingen, en moet ook voorzien zijn van een magnetische ringleiding (voor slechthorenden). Er moeten ook een of meer visuele communicatiemiddelen aanwezig zijn (communicatieschermen die het lezen van geschreven taal of gebarentaal mogelijk maken).

Om de doorlooptijden van de dossiers te verkorten, worden de papieren dossiers niet langer naar Brussel verstuurd voor digitalisering, maar gedigitaliseerd in de regionale centra. Bijgevolg moet de onthaalbediende over voldoende ruimte beschikken voor zijn persoonlijke computer en voor scanapparatuur.

Wij dringen erop aan dat de onthaalbalie wordt geïntegreerd in de back-officezone (zie hieronder).

Onze eisen voor de onthaalruimte zijn de volgende:

  • Oppervlakte van 20 m2 waar alle voorzieningen (deuren, onthaalbalie en ander meubilair) onbelemmerde draaizones hebben met een diameter van ten minste 150 cm
  • Directe communicatie met de wachtzaal (snelle toegang tot de wachtzaal in geval van problemen)
  • Directe communicatie met de back-officezone
  • Uitgerust met een loket toegankelijk voor PBM (loket op twee hoogten: een onderrijdbaar deel, toegankelijk voor PBM, en een deel om ook staande personen in staat te stellen gemakkelijk documenten in te vullen). Enkel wanneer de veiligheidsmaatregelen het opleggen: afgeschermd door veiligheidsglas (met doorgeefluik), met geluidsversterker in beide richtingen en magnetische ringleiding voor slechthorenden. Er moeten ook een of meer visuele communicatiemiddelen aanwezig zijn. (communicatieschermen die het lezen van geschreven taal of gebarentaal mogelijk maken).
  • Glazen wanden om een overzicht te hebben over de wachtzaal
  • Verwarming
  • Ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux. De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwvlakken ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Werkruimte voldoende lang en breed om een werkpost en het Kofax-materiaal te installeren zonder het visueel contact tussen de onthaalbedienden en de bezoekers te belemmeren.
  • 5 stopcontacten. De stopcontacten die dienen voor het aan- en afsluiten van de stroom van voorzieningen moeten toegankelijk zijn (hoogte tussen 40 en 110 cm en geplaatst op ten minste 50 cm zijdelingse afstand van obstakels).
  • Voorbekabeling data (1 RJ 45)
  • Auditief en visueel oproep- of waarschuwingssysteem (bij afwezigheid van de onthaalbediende aan de balie)
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en met een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden
  • Vloerbedekking die bestand is tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurten
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Voldoende ruimte langs de muren voor het plaatsen van twee kasten met een breedte van 1,20 m
  • Automatische deuropener met visuele en auditieve signalen

Opgelet: de ticketsystemen zijn zelden toegankelijk voor PMH (en meer in het bijzonder voor personen met een visuele beperking). Indien gebruik wordt gemaakt van een ticketsysteem moeten alle voorzieningen en de werking van de procedure toegankelijk zijn (aanraakschermen moeten worden verboden, visuele en vocale informatie, enz.). Idealiter wordt het gebruik van dit soort systemen vermeden.

8.4 Standaard back-officezone / landschapskantoor (OA) (1ste-2de)

De onthaalkabinetten mogen enkel worden gebruikt voor medische en maatschappelijke raadplegingen. Daarom is het noodzakelijk te beschikken over een back-officezone voor de verwerking van de dossiers van de artsen en voor de administratieve personeelsleden. De back-officezone moet uitgerust zijn met ten minste 6 werkposten en moet kunnen communiceren met de onthaaldesk (moet ook uitgerust zijn met een werkpost). Deze werkposten moeten voor PMH toegankelijk zijn. Deze zone heeft de volgende kenmerken:

  • Oppervlakte berekend op basis van het aantal gVTE en rekening houdend met een gebruik door rolstoelgebruikers, waarbij voor alle meubilair en voorzieningen voldoende vrije ruimten en manoeuvreerzones aanwezig moeten zijn
  • Verwarming en ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux. De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwzones ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Handmatige regeling voor het natuurlijk licht (homogene verlichting, in een neutrale kleur)
  • Correcte afmetingen van vrije doorgang, vrije ruimten en draaizones van deuren geschikt voor rolstoelgebruik
  • 20 stopcontacten. De stopcontacten die dienen voor het aan- en afsluiten van de stroom van voorzieningen moeten toegankelijk zijn (hoogte tussen 40 en 110 cm en geplaatst op ten minste 50 cm zijdelingse afstand van obstakels). Opgelet: wanneer stopcontacten ingewerkt zijn in de vloer mogen de stopcontacten en bekabeling de doorgang van rolstoelgebruikers, personen die slecht ter been zijn of personen met een visuele beperking niet belemmeren.
  • Voorbekabeling data (6 RJ 45)
  • Idealiter, toegangscontrole door middel van een badge (toestel zonder inbrengen), geplaatst op een hoogte van maximum 110 cm en op een zijdelingse afstand van ten minste 50 cm van iedere inspringende hoek of ander obstakel
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren, en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurt.
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Voldoende plaats langs de muren voor het plaatsen van twee kasten met een breedte van 1,20 m
  • Automatische deuropener uitgerust met visuele en auditieve signalen

8.5 Landschapskantoor Call Center (OA) (1ste-2de)

Wanneer meer personen fysiek aanwezig zijn in de regionale centra moeten we ook een “Call Center”-zone voorzien. Deze zone, in het landschapskantoor, moet grenzen aan de back-officezone, maar er fysiek van gescheiden zijn om de back-officezone te beschermen tegen het lawaai van de telefonische oproepen. Deze werkposten moeten toegankelijk zijn voor PMH. Deze zone heeft de volgende kenmerken:

  • Oppervlakte berekend op het aantal gVTE en rekening houdend met een gebruik door personen in een rolstoel, waarbij voor alle meubilair en voorzieningen voldoende vrije ruimten en manoeuvreerruimte aanwezig moeten zijn
  • Verwarming
  • Ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux. De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwvlakken ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Handmatige regeling voor het natuurlijk licht (homogene verlichting, in een neutrale kleur)
  • Correcte afmetingen van vrije doorgang, vrije ruimten en zones en draairichting van de deuren geschikt voor rolstoelgebruik
  • 10 stopcontacten. De stopcontacten die dienen voor het aan- en afsluiten van de stroom van voorzieningen moeten toegankelijk zijn (hoogte tussen 40 en 110 cm en geplaatst op ten minste 50 cm zijdelingse afstand van obstakels). Opgelet: wanneer stopcontacten ingewerkt zijn in de vloer mogen de stopcontacten en de bekabeling de doorgang van rolstoelgebruikers, personen die slecht ter been zijn of personen met een visuele beperking niet belemmeren.
  • Voorbekabeling data (6 RJ 45)
  • Idealiter, toegangscontrole door middel van een badge (toestel zonder inbrengen), geplaatst op een hoogte van maximum 110 cm en op een zijdelingse afstand van ten minste 50 cm van iedere inspringende hoek of ander obstakel
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurt.
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Geluidsisolatie om de zone van het Call Center netjes van de andere zones te isoleren

8.6 Wachtza(a)l(en) (CSA) (Av. HS)

De wachtzaal is veel meer dan alleen een onthaalruimte en patiënten zijn zeer gevoelig voor de sfeer of de inrichting ervan. Een wachtzaal is niet enkel een sas om de stroom van raadplegingen te beheren: het is in zekere zin het visitekaartje van de medische kabinetten.

De wachtzaal moet fonetisch geïsoleerd zijn van de raadplegingskabinetten en van de onthaalruimte. Er zijn voldoende ergonomische (leuning, armsteunen, hoogte, helling, …) zitplaatsen en idealiter een apart kindergedeelte (met spelletjes, tijdschriften, klein meubilair, enz.).

Een hoek ingericht voor kinderen in de wachtzaal heeft de volgende algemene doelen:

  • Rust: kinderen zoeken zelf naar de zintuiglijke ervaringen van deze terugkeer naar de rust;
  • Nieuwsgierigheid: kinderen vinden het leuk om nieuwe, minder bekende situaties te verkennen;
  • Initiatief: kinderen nemen spontaan het initiatief om aantrekkelijke materialen te verkennen;
  • Bezig zijn: kinderen kunnen zo geconcentreerd blijven op een activiteit die hen de wachttijd doet vergeten. Waarom kiezen voor puzzels en kleurplaten met kleurpotloden en stiften? 
    • Ze zijn gemakkelijk te vervangen of aan te vullen.
    • Ze nemen niet veel plaats in.
    • Ze worden niet meegenomen, in tegenstelling tot een strip of een boek, een autootje, enz.
    • Bovendien is het vanuit pedagogisch oogpunt volkomen gerechtvaardigd.


De wachtzaal moet een comfortabele en aangename plaats zijn (terugdringen van het ongeduld of zelfs de angst van de patiënt).  Idealiter is er invallend daglicht en staat de klimaatregeling op in de zomer. De aanwezigheid van groene planten en het ter beschikking stellen van een waterfontein zijn elementen die een aangename omgeving creëren.  In het algemeen moet de wachtzaal een rustgevende, heldere, verluchte en gedecoreerde ruimte zijn, zodat de patiënten ontspannen kunnen wachten of informatie kunnen inwinnen in een hartelijke sfeer.

Voor de vloerbedekking moet de voorkeur worden gegeven aan tegels of linoleum.

De wachtzaal moet ook een geschikte plaats zijn voor het verspreiden van informatie.

De volgende kenmerken worden voor de wachtzaal verwacht:

  • Oppervlakte van ten minste 45 m2 (onthaalcapaciteit van 30 personen) en rekening houdend met een gebruik door personen in een rolstoel die gebruik kunnen maken van alle meubilair en voorzieningen via voldoende brede vrije doorgangsruimten en voldoende manoeuvreerruimte
  • Aanwezigheid van vrije ruimten van ten minste 90 cm breed op 130 cm lang en uitgerust met een manoeuvreerruimte van ten minste 150 cm, zodat rolstoelgebruikers zich buiten de doorgangsruimten kunnen installeren. Deze vrije ruimten moeten op verschillende plaatsen in de wachtzalen worden voorbehouden.
  • Verwarming
  • Ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux. De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwvlakken ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Handmatige regeling voor het natuurlijk licht (homogene verlichting, in een neutrale kleur)
  • In de nabijheid van het onthaalloket en de medische kabinetten
  • In de nabijheid van of direct naast de sanitaire voorzieningen
  • Watervoorziening en stopcontact voor het plaatsen van een toegankelijke waterfontein (locatie en kenmerken van de voorziening)
  • Stootbescherming voor muren
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurten.
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Afwasbare muren
  • Installatie van wifi-toegangspunten aan het plafond (govroam)
  • Aanwezigheid van visuele en tactiele identificatie en oriëntatie

8.7 Lokale vergaderzaal (LSA) (Av. HS)

Het ter beschikking stellen van een grote gemeenschappelijke vergaderzaal kan overwogen worden (op basis van een reservering).

Indien er geen grote gemeenschappelijke vergaderzaal beschikbaar is, moet een lokale vergaderzaal worden voorzien met de volgende kenmerken:

  • Oppervlakte van ten minste 60 m2 of moet 35 deelnemers kunnen ontvangen en rekening houdend met een gebruik door personen in een rolstoel die gebruik kunnen maken van alle meubilair en voorzieningen via voldoende brede vrije doorgangsruimten en voldoende manoeuvreerruimte
  • Verwarming
  • Ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux - De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwvlakken ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Dempen van achtergrondgeluiden
  • Verduisterbare zaal voor videoprojectie
  • Toegankelijk voor personen met beperkte mobiliteit
  • Bekabeld voor Ethernet-toegang
  • Voldoende stopcontacten
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurten. Opgelet: wanneer stopcontacten ingewerkt zijn in de vloer, mogen de stopcontacten en de bekabeling de doorgang van rolstoelgebruikers, personen die slecht ter been zijn of personen met een visuele beperking niet belemmeren.
  • Voldoende plaats langs de muren voor het plaatsen van twee kasten met een breedte van 1,20 m
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Wifi (govroam)
  • Mobiele of geïntegreerde auditieve hulpmiddelen (magnetische inductiering, schermen, koptelefoons…)

8.8 Onthaalkabinetten (CSA) (1ste-2de)

Het onthaalkabinet is de plaats waar de medische expertise gebeurt, maar ook waar de gesprekken met de maatschappelijk assistenten plaatshebben. De productiviteitsnorm die per lokaal wordt gebruikt, komt overeen met de uitvoering van 8 à 10 raadplegingen per dag en per lokaal.

Twee aparte zones scheiden de raadplegingskabinetten: een bureauhoek en een verzorgingszone. De verzorgingszone omvat een wastafel en moet beschikken over een afzonderlijke ruimte, zodat de patiënt zich kan omkleden (voorzien in klapstoel met armleuningen, toegankelijke kapstok, enz.). Deze ruimte moet kunnen worden gebruikt door rolstoelgebruikers.

Technische normen die moeten worden nageleefd en het iedere persoon met een handicap mogelijk moeten maken toegang te hebben tot het kabinet:

  • Een toegankelijke, gelijkvloerse, slipvrije toegang zonder obstakels
  • Een deur die als toegankelijk wordt beschouwd voor PBM, is van het type klap- of schuifdeur
  • De minimale vrije breedte van een open deur bedraagt 95 cm
  • De deuren worden steeds voorafgegaan en gevolgd door een vrije draaizone van ten minste 1,50 x 1,50 m vrij van deuropeningen of andere obstakels.
  • Deurklinken, sloten en schakelaars bevinden zich op een hoogte van 80 cm vanaf de afgewerkte vloer en op een zijdelingse afstand van ten minste 50 cm ten opzichte van iedere inspringende hoek of ander obstakel.
  • De deurklinken en sloten kunnen met gesloten vuist worden bediend.

De circulatie binnen het kabinet is toegankelijk en veilig voor de patiënten: de voornaamste structurerende elementen van het looppad zijn herkenbaar voor personen met een visuele beperking (vb.: visueel en/of tactiel contrast).

De verwarming/koeling moet lokaal instelbaar zijn.

Om de vertrouwelijkheid te garanderen, moet geluidsisolatie worden aangebracht in de onthaalkabinetten.

In het raadplegingskabinet moeten een bureau en een stoel (bij de deur, zodat de arts het lokaal snel kan verlaten als de patiënt agressief blijkt), 3 stoelen (onthaal bezoekers), een vrije ruimte voor rolstoelgebruikers (90 cm breed op 130 cm lang met een draaizone met een diameter van ten minste 150 cm), een in de hoogte regelbare onderzoekstafel, een kast en een medisch tafeltje (opslag van medisch materiaal) kunnen worden ondergebracht.

Voor de vloerbedekking moet de voorkeur worden gegeven aan tegels of linoleum.

Wij hebben de volgende eisen voor deze lokalen:

  • Oppervlakte van ten minste 25 m2 en rekening houdend met een gebruik door personen in een rolstoel die gebruik kunnen maken van alle meubilair en voorzieningen via voldoende brede vrije doorgangsruimten en voldoende manoeuvreerruimte
  • Toegankelijk voor personen met beperkte mobiliteit
  • Akoestische isolatie van de deur en de muren om het beroepsgeheim te vrijwaren
  • Individueel regelbare verwarming
  • Individueel regelbare ventilatie/klimaatregeling
  • Verlichting van ten minste 500 lux - De verlichting zodanig installeren dat er geen schaduwvlakken ontstaan en kiezen voor verlichtingsarmatuur waarbij geen enkel direct visueel contact ontstaat tussen de verlichtingsbron en het oog.
  • Wastafel met warm en koud water, spiegel en handdoekhouder
  • Voorzien in een mogelijkheid om de ramen te verduisteren
  • LAN-verbinding: 2 x RJ45
  • Ten minste 3 stopcontacten
  • Correcte afmetingen van vrije doorgang, vrije ruimten en zones en draairichting van deuren overeenkomstig het gebruik van een rolstoel
  • Belletje (niet binnengaan, wachten, binnengaan) met visuele en auditieve signalen
  • Een visueel en tactiel identificatieplaatje naast het deurblad aan de kant van het deuropeningssysteem
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurten.
  • Automatische veiligheidsverlichting en branddetectie met alarmsysteem (geluid en licht)
  • Afwasbare muren
  • Zeer goede ventilatie

8.9 Sanitaire voorzieningen

8.9.1 Sanitaire voorzieningen voor bezoekers

Onze belangrijkste opdracht bestaat erin personen met een handicap te verwelkomen. Daarom moeten de sanitaire voorzieningen worden aangepast voor personen met beperkte mobiliteit. Afhankelijk van het aantal bezoekers van de site zullen ook gewone sanitaire voorzieningen voor de bezoekers ter beschikking worden gesteld.

Personen in een rolstoel hebben voldoende ruimte nodig om een ruimte binnen te komen, zich te verplaatsen en hun rolstoel te manoeuvreren. Er moeten ook transferruimtes naast het toilet zijn (zodat een rolstoelgebruiker zich naast het toilet kan herpositioneren om van de rolstoel naar het toilet te gaan), evenals een draaizone en een onbelemmerde toegang om de wastafel en andere accessoires in de ruimte te gebruiken.

Aangezien sommige mensen sterk afhankelijk zijn, moet extra ruimte worden voorzien voor verzorgers of technische hulpmiddelen.

Het gebruik van deze voorzieningen is niet strikt beperkt tot personen met een handicap: zij kunnen door alle bezoekers worden gebruikt en zullen bijzonder nuttig zijn voor zwaardere personen of moeders met kinderen. De volgende normen en aanbevelingen moeten worden toegepast:

  • Omdat sommige personen omwille van lichamelijke beperkingen liever aan één kant staan, moet er aan beide kanten van de toiletpot een transferruimte zijn (minimaal 110 cm breed vanaf de hartlijn van de toiletpot)
  • De binnenafmetingen van de ruimte moeten ten minste 220 x 220 cm bedragen
  • De deur moet naar de buitenzijde van de kamer open kunnen en moet een minimum vrije ruimte van 95 cm hebben
  • Aan beide zijden van de deuropening moeten draaizones met een diameter van ten minste 150 cm aanwezig zijn, vrij van deurbewegingen, apparatuur of andere obstakels
  • In het verlengde van de deurkruk (binnen en buiten de kamer) moet een vrije zijdelingse afstand van ten minste 50 cm aanwezig zijn.
  • Er moet ook worden gezorgd voor draaioppervlaktes vóór elke transferruimte en vóór alle apparatuur (wastafel, schakelaar, kapstok, enz.).
  • Opklapbare handgrepen worden aan beide zijden van de toiletpot geplaatst overeenkomstig de voorschriften van de GSV.
  • De spoelknop is tactiel waarneembaar, heeft een visueel contrast en kan met een gesloten vuist worden bediend.
  • De wastafel moet een minimumbreedte en -diepte van 60 cm hebben. De ruimte onder de wastafel moet vrij zijn van meubilair of andere obstakels (verzonken of ingebouwde sifon, enz.).
  • De hoogte van het bovenblad van de wastafel en de hoogte van de vrije ruimte onder de wastafel moeten voldoen aan de voorschriften van de GSV.
  • Boven de wastafel moet een spiegel worden aangebracht op ten minste 5 cm van de bovenkant van de wastafel.
  • De mengkraan moet kunnen worden geactiveerd met een gesloten vuist.
  • In de nabijheid van de wachtkamer
  • Tegels tot een minimumhoogte van 1,5 m, bij voorkeur in een kleur die contrasteert met het wit van het sanitair
  • Verlichting van ten minste 300 lux met een tuimelschakelaar geplaatst op een hoogte tussen 80 en 110 cm en op ten minste 50 cm van elke inspringende hoek
  • Akoestisch en visueel brandalarmsysteem
  • Valalarmsysteem, toegankelijk vanaf de vloer en vanaf de toiletpot
  • Zeer goede ventilatie
  • Ervoor zorgen dat toiletpapier, afvalemmer, handdoek- en zeepdispensers en bedieningselementen correct zijn geplaatst. Idealiter moeten vaste accessoires worden gebruikt om omstoten of onjuiste plaatsing door een andere gebruiker (of schoonmaakpersoneel) te voorkomen.
  • PBM-vriendelijk deursluitsysteem (brede schuifgrendel en horizontale rail aan de binnenzijde van de deur)
  • Slipvrije, harde, matte vloerbedekking zonder motief dat visueel kan verwarren en in een kleur die contrasteert met de kleur van de verticale wanden. Bestand tegen rolstoelverkeer en dagelijkse schoonmaakbeurten.
  • Automatische noodverlichting
  • Voldoende ruimte voor een luiertafel zonder het gebruik van de voorzieningen door een persoon in een rolstoel te belemmeren. Er moet ook een kleedruimte voor volwassenen zijn.
  • Er worden kapstokken op de deur geplaatst op twee verschillende hoogten (zittend en staand)
  • Een visueel en tactiel identificatieplaatje naast het deurblad aan de kant van het deuropeningssysteem

8.9.2 Particuliere sanitaire voorzieningen

Wat de toiletten voor werknemers betreft, stelt het document:
De toiletten zullen bestaan uit één of meerdere individuele wc’s en, in voorkomend geval, urinoirs, samen met één of meerdere wastafels:

  • Het aantal individuele wc’s bedraagt tenminste 1 per 15 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld en tenminste 1 per 15 vrouwelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
  • De individuele wc’s voor de mannelijke werknemers kunnen worden vervangen door urinoirs, op voorwaarde dat het aantal individuele wc’s tenminste 1 bedraagt per 25 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
  • Per vier wc’s of urinoirs wordt een wastafel voorzien.
  • De sanitaire voorzieningen zijn voorzien van spiegels en kapstokken.
  • Sanitaire voorzieningen voor het personeel moeten voldoen aan de huidige normen
  • Tegels met een minimum van 300 lux
  • Tegels tot een minimum hoogte van 1,50 m
  • Goede ventilatie.

Met het oog op de verplichting om werknemers met een handicap in dienst te nemen, dienen de volgende punten te worden toegevoegd:

  • Per toiletruimte voor werknemers moet ten minste één voor rolstoelgebruikers geschikt toilet aanwezig zijn. Wanneer het niet mogelijk is een aangepast toilet in het heren- en/of damestoiletblok te integreren, moet een aangepast toilet voor gemengd gebruik buiten het heren- of damestoilet worden geïnstalleerd. Wanneer er slechts één toilet ter beschikking van de werknemers wordt gesteld, moet het aangepast zijn voor gebruik door rolstoelgebruikers. Het ontwerp van het aangepaste toilet moet ten minste voldoen aan de eisen van de GSV en, idealiter, aan de " Guide d’aide à la conception d’un bâtiment accessible  ", opgesteld door het CAWaB.
  • Idealiter beschikt het gebouw in zijn lokalen over een kleedkamer voor volwassenen die voldoet aan de eisen van de "Guide d’aide à la conception d’un bâtiment accessible", opgesteld door het CAWaB.

8.9.4 Borstvoedingslokaal (CSA) (1ste-2de)

In dit punt wordt niet gespecificeerd dat deze ruimte toegankelijk moet zijn voor personen met een handicap en meer bepaald voor rolstoelgebruikers. Deze verduidelijking moet worden aangebracht omdat zij van grote invloed is op de omvang van de te reserveren ruimte en de indeling ervan.

8.10 Technische installaties

8.10.2 Fotokopieerlokaal (LSA) (Av. HS)

In dit punt wordt niet gespecificeerd dat deze ruimte toegankelijk moet zijn voor personen met een handicap en meer bepaald voor rolstoelgebruikers. Deze verduidelijking moet worden aangebracht omdat zij van grote invloed is op de omvang van de te reserveren ruimte en de indeling ervan.

8.11 Cafetaria (LSA) (Av. SS - HS)

In dit punt wordt niet gespecificeerd dat deze ruimte toegankelijk moet zijn voor personen met een handicap en meer bepaald voor rolstoelgebruikers. Deze verduidelijking moet worden aangebracht omdat zij van grote invloed is op de omvang van de te reserveren ruimte en de indeling ervan. Het heeft ook gevolgen voor de keuze van huishoudelijke apparaten en de toegang daartoe.

8.13 Parkeren

8.13.1 Parkeren PBM

In het document staat dat er minimaal 2 parkeerplaatsen gereserveerd moeten zijn voor PMH met een parkeerkaart. Hoewel hiermee aan de minimumquota van de GSV wordt voldaan, lijkt het toch aan de lage kant, gezien het aantal bezoekers met aangepaste parkeerbehoeften. Voorts worden geen technische eisen of andere aandachtspunten in dit verband beschreven.

Daarom zou het goed zijn het artikel aan te vullen met de volgende informatie:

  • Bij de ingang van de parkeerplaats staat bewegwijzering.
  • Vanaf de parkeerplaatsen is bewegwijzering naar de ingang zichtbaar.
  • De vloerbedekking van het gehele gebied (parkeerterreinen, toegangswegen en eventuele gedeelde toegangswegen) is hard en effen.
  • De vloer van de parkeerplaatsen en toegangswegen is horizontaal en vrij van obstakels (sprongen, gaten, scheuren, enz.).
  • De afmetingen van de voorbehouden plaatsen moeten ten minste voldoen aan de eisen van het GSV.
  • Hoge en lage identificatieborden (vloermarkeringen) voor de voorbehouden plaatsen zijn aanwezig.
  • Parkeerterreinen en de toegangswegen daartoe moeten zodanig worden ingericht dat op alle plaatsen een voldoende, homogene en doorlopende verlichting aanwezig is.
  • Gedeelde circulatieruimte (voetgangers en voertuigen) moet zoveel mogelijk worden vermeden.

8.13.2 Zones voor kortparkeren en kiss & ride

In dit punt moet worden gepreciseerd dat de kiss & ride-zones en de toegangswegen daartoe aan dezelfde technische eisen moeten voldoen als die welke in het vorige punt zijn genoemd (vloeroppervlak en -kenmerken, bewegwijzering, verlichting, enz.)

Let op: nadat er wijzigingen in het document zijn aangebracht, moet er een laatste proeflezing gebeuren.


Overleg met de verschillende bevoegde instanties op de betrokken bestuursniveaus is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van de plannen.

Voor de ontwikkeling van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren voor toegankelijkheid te raadplegen (CAWaB, Inter).

De NHRPH zou graag een follow-up en feedback ontvangen over het dossier en over de in zijn advies geformuleerde aanbevelingen en verwachtingen.

  • Raadplegingen: 12

Advies 2022/09 - Formulier voor IVT-aanvragers tussen 18 en 21 jaar oud

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2022/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het formulier dat moet worden ingevuld door de persoon tussen 18 en 21 jaar die een IVT (/IT) aanvraagt, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ADVIES BEZORGD

  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

De DG Personen met een handicap (DG HAN) heeft een formulier opgesteld met de titel “Evaluatie met het oog op de erkenning van uw handicap”. Het wordt bezorgd aan IVT-aanvragers die tussen 18 en 21 jaar oud zijn.

3. ANALYSE

Als onderdeel van hun aanvraag wordt personen tussen 18 en 21 jaar gevraagd informatie te verstrekken over hun scholing, beroepsloopbaan en interesses op gebied van werken.

De persoon krijgt een aantal vragen om zijn aanvraag van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) te situeren in relatie tot zijn opleidingstraject, zoals:

  • In welke mate beperken deze gezondheidsproblemen uw studiemogelijkheden?
  • In welke mate beperken deze gezondheidsproblemen uw werkmogelijkheden?
  • Selecteer de studierichting(en) die gevolgd werd(en) in het secundair onderwijs. Gelieve te specifiëren welke richting, welk leerjaar en welk(e) diploma(‘s) werd(en) behaald.
  • Zijn/waren er aanpassingen nodig bij het studeren in het secundair onderwijs? Zo ja, welke?
  • Werden er stages gevolgd? Zo ja, uit welke taken bestond deze stage? Hoe verliep dit
  • Bent u op dit moment aan het studeren?
  • Heeft u toekomstige studieplannen?
  • ...

4. ADVIES

De NHRPH geeft een volledig negatief advies over de reikwijdte van dit formulier en het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

De NHRPH herinnert aan de bewoordingen van de wetgeving - artikel 2 van de wet van 27 februari 1987: De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 18 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.     
De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.

Het Koninklijk Besluit van 6 juli 1987 geeft geen nadere details over de wijze waarop de IVT-aanvraag moet worden beoordeeld en welke criteria moeten worden gehanteerd. De toekenning van de IVT houdt dus rechtstreeks verband met de gezondheidstoestand van de betrokkene. De wetgever legt een duidelijk oorzakelijk verband: de gezondheidstoestand van de betrokkene moet de reden zijn voor de erkenning van het verlies aan verdiencapaciteit. “Het gaat om de concrete gevolgen van de aandoeningen voor de mogelijkheid om tot de arbeidsmarkt toe te treden en er een inkomen te verwerven” (Les Grands arrêts en matière de handicap, Larcier, p.474). Noch de scholing, noch de beroepsloopbaan zijn factoren die de vaststelling door de arts van de FOD sociale zekerheid kunnen versterken of verminderen. De vraag die de arts zich moet stellen is: “Verkeert de persoon die voor mij staat in een zodanige gezondheidstoestand dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij ten minste 66% van zijn verdiencapaciteit op de algemene arbeidsmarkt zal verliezen?” Het enige vergelijkingscriterium voor de arts moet de valide persoon zijn. Het is nooit de bedoeling van de wetgever geweest om aan de beoordeling een extra component toe te voegen. De verleiding om een verband te leggen tussen "beoordeling" en "economisch potentieel" van de persoon met een handicap komt dus neer op een beoordelingsfout en een totaal verkeerde toepassing van de wet. Het inkomensverlies moet worden beoordeeld in direct verband met de handicap en niet in verband met de opleidingsmogelijkheden. Evenzo kan iemand van 40 jaar al vanaf zijn 20e werken en nog steeds een gezondheidstoestand hebben die in aanmerking komt voor medische erkenning van een verlies aan verdiencapaciteit van meer dan 66%.

Om al deze redenen is de NHRPH van mening dat het formulier, de motivering ervan en de conclusies die eruit worden getrokken met betrekking tot de weigering om een IVT toe te kennen, geen enkele rechtsgrondslag hebben.

De NHRPH wijst er ook op dat een dergelijk formulier beperkt is tot 18- tot 21-jarigen; het bestaat niet voor personen ouder dan 21 die een opleiding of beroepsloopbaan volgen. Het formulier voert dus ook discriminatie op grond van leeftijd in.

Dit formulier wordt niet door alle artsen gebruikt. Het wordt sporadisch en alleen aan bepaalde aanvragers toegezonden. De beoordeling van de antwoorden verschilt van arts tot arts. Deze situatie maakt de gelijke behandeling van de burgers volstrekt illusoir.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2022/07 - Prijs van de arbeid

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2202/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de omzendbrief omtrent de retroactiviteit van het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming houdende de inperking van de gevolgen van de “prijs van de arbeid”, uitgebracht in plenaire zitting van 17/01/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) - adviesvraag per e-mail van 14 december 2021.

1. AVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, Directeur-generaal van DG HAN
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

Het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming houdende de inperking van de gevolgen van de ‘prijs van de arbeid’ (nog niet gepubliceerd) heeft als doel de arbeidsprikkel voor personen met een handicap te versterken door zowel de vrijstellingsdrempel voor de beroepsinkomsten voor het behoud van de integratietegemoetkoming (IT) als het vastgestelde plafond voor de vervangingsinkomsten te verhogen. De omzendbrief heeft als doel het begrip “nieuwe aanvraag” te verduidelijken.

3. ANALYSE

Artikel 2 van het voorgenoemd koninklijk besluit bepaalt als volgt:

voor de nieuwe aanvragen, die gedurende de 3 maanden die volgen op de publicatiedatum van dit besluit worden ingediend, en voor welke dit besluit een nieuw feit is dat de toekenning van de uitkering rechtvaardigt, kan het recht retroactief worden toegekend vanaf 1 oktober 2021.

In het ontwerp van omzendbrief staat:

Het begrip ‘nieuwe aanvraag’ wordt in het eerste lid van de eerste paragraaf van artikel 17 van het KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap beschreven als een aanvraag die wordt ingediend wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de toekenning of verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen.

Echter geldt de retroactiviteit die wordt beschreven in artikel 2 van het koninklijk besluit betreffende de prijs van de arbeid niet enkel voor de nieuwe aanvragen maar ook voor de eerste aanvragen, wanneer het koninklijk besluit een nieuw feit is dat de toekenning van de uitkering rechtvaardigt.

De ratio hiervan is om de personen die nog geen aanvraag voor een tegemoetkoming ingediend hadden, omdat ze niet in aanmerking konden komen, rekening houdend met de vrijstelling op arbeid die voordien van toepassing was, toch de kans te geven om van de maatregel te genieten vanaf de toepassingsdatum.

4. ADVIES

De NHRPH is verheugd dat de eerste aanvragen ook in aanmerking worden genomen voor de retroactiviteit van de maatregel: personen die onder het vorige stelsel enkel recht hadden op een medische erkenning in het kader van de afgifte van attesten zullen dus dankzij de hervorming aanspraak kunnen maken op een financiële tegemoetkoming. De NHRPH vraagt zich echter af waarom het Koninklijk Besluit oorspronkelijk niet al in die zin was opgesteld.

De NHRPH vraagt zich ook af wat er zal gebeuren met de dossiers die gedurende de drie maanden worden onderzocht, wegens de ambtshalve controle of de vijfjaarlijkse controle. Zal de maatregel ook met terugwerkende kracht worden toegepast? 

De NHRPH vraagt ook dat de maatregel zo snel mogelijk en liefst op de dag van de publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad op ruime schaal bekend wordt gemaakt.

Ten slotte verwacht de NHRPH dat een groot aantal "heropende" dossiers door de wijziging in aanmerking zullen komen voor herziening en dat de herziening vaak zal leiden tot een financiële toewijzing. Het is ook waarschijnlijk dat de OCMW's potentieel in aanmerking komende personen zullen aanmoedigen om een aanvraag in te dienen. De NHRPH wil zekerheid: zijn het aantal dossiers en de gevolgen voor de begroting naar behoren geraamd? Is het aantal dossiers dat moet worden gereactiveerd en het aantal dat nog zal binnenkomen correct geëvalueerd?

  • Raadplegingen: 14

Advies 2022/04 - European Accessibility Act - FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de omzetting door het Directoraat-generaal Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, van Richtlijn 2019/882 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van de FOD Economie, Directoraat-generaal Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie in zijn brief van 17/11/2022.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Bram Verckens van de FOD Economie
  • Ter info aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-Eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan CAWAB en INTER
  • Ter info aan de Federale Ombudsman
  • Ter info aan het BDF

2. ONDERWERP

De op 17 april 2019 gepubliceerde Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten beoogt de harmonisatie van de regels inzake toegankelijkheid van producten en diensten voor alle lidstaten van de EU, teneinde de goede werking van de interne markt van de EU te waarborgen en een minimumniveau van toegankelijkheid voor een selectie van producten en diensten in te voeren.

Het Directoraat-generaal Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie vraagt de NHRPH een advies uit te brengen over producten en diensten die niet zijn uitgerust voor draadloze communicatie.

3. ANALYSE

De producten en diensten waarop deze richtlijn van toepassing is, worden uitvoerig beschreven in artikel 2 van de richtlijn en kunnen als volgt worden samengevat:

  • Computers en besturingssystemen
  • Geldautomaten, ticketautomaten en incheckautomaten
  • Smartphones
  • Televisie-uitrusting in verband met diensten voor digitale televisie
  • Telefoondiensten en aanverwante uitrusting
  • Toegang tot diensten van audiovisuele media zoals televisie-uitzendingen en aanverwante consumentenapparatuur
  • Diensten in verband met het vervoer van passagiers per vliegtuig, bus, trein en schip
  • Bankdiensten
  • E-books
  • E-commerce

Deze producten en diensten raken zowel de federale als de regionale bevoegdheden. Teneinde het risico van fouten bij de omzetting van deze wetgeving te beperken, is besloten dat elke overheid het deel omzet dat haar is toegewezen in overeenstemming met het juridische kader dat van toepassing is op haar controletaken.

Dit advies wordt dan ook gevraagd door het Directoraat-generaal Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie in het strikte kader van zijn specifieke bevoegdheden. Alle producten in deze lijst vallen namelijk onder Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, of onder Boek IX van het Wetboek van economisch recht, Veiligheid van producten en diensten, voor zover deze producten niet zijn uitgerust voor draadloze communicatie. Zodra deze producten zijn uitgerust voor draadloze communicatie, vallen ze onder Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG, en dus onder de bevoegdheid van het BIPT.

4. ADVIES

De reikwijdte van de adviesvraag is zeer beperkt. De NHRPH zou het op prijs hebben gesteld indien alle federale instanties die met een deel van de richtlijn zijn belast, hetzelfde verzoek aan de NHRPH hadden gedaan.
De voorgestelde teksten zijn eenvoudig geknipt en geplakt uit de richtlijn. De ambitie van de omzetting is dus zeer gering. De NHRPH wenst de aandacht te vestigen op een aantal verwachtingen van personen met een handicap om de uitdagingen in hun dagelijks leven beter aan te kunnen.

Formeel mist de tekst duidelijkheid

De omzetting had een gelegenheid moeten zijn om de begrippen te verduidelijken en te preciseren, ten einde de economische sector aan te moedigen en de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften te vergemakkelijken. Wat wordt in bijlage 1 bijvoorbeeld bedoeld met

  • “informatie gepresenteerd op een begrijpelijke manier”? betekent dit “easy to read” of iets anders?
  • “gepresenteerd op een voor de gebruikers waarneembare manier”? Volstaat het dat de betrokkene de informatie waarneemt? Het is ook van essentieel belang dat hij de betekenis ervan begrijpt.

In bijlage 3 wordt verwezen naar onevenredige last: de beoordeling wordt overgelaten aan de fabrikant. Welke maatregelen worden overwogen om de naleving aan te moedigen?

Over het toepassingsgebied,

Er zijn nog steeds grijze zones. Vallen automatische stemmachines bijvoorbeeld onder "Zelfbedieningsterminals: iv. incheckautomaten"? Zo niet, dan moet een manier worden gevonden om deze aan het toepassingsgebied van dit besluit toe te voegen, zodat elektronisch stemmen autonome toegang voor alle personen met een handicap waarborgt. En wat met parkeermeters en oplaadpunten voor elektrische voertuigen?

Over de absolute noodzaak van standaardisatie

Het is van essentieel belang dat de gehele sector toegang heeft tot bevredigende normen of technische specificaties op alle relevante technische gebieden. Of, wanneer dat niet het geval is, om deze normen en technische specificaties te ontwikkelen of bij te werken. Het in hoofdstuk IV en elders genoemde "vermoeden" van overeenstemming is te gevaarlijk, ook al is het mogelijk om later en na de ingebruikneming te reageren! Bovendien hebben de meeste ontwerpers en beheerders deze technische specificaties nodig om de door de EAA vereiste prestatiedoelstellingen te halen.

In de voorgestelde tekst wordt vaak verwezen naar de noodzaak om normen en technische specificaties te gebruiken, maar hoe zit het met gevallen waarin deze niet bestaan, verouderd of onvolledig zijn?

Het is ook van essentieel belang dat de kwaliteitsnormen van een product worden gecontroleerd en beoordeeld door de verenigingen die daarvoor technisch bekwaamd zijn.

Wat de bebouwde omgeving betreft

Zowel voor bankdiensten als voor openbaar vervoer e.d. moet ook rekening worden gehouden met de bebouwde omgeving. Een toegankelijk geld- of ticketautomaat zal voor veel personen met een handicap nutteloos zijn als zij het station of bankgebouw niet kunnen betreden omdat het ontoegankelijk is!

Het waarborgen van gelijke toegang tot de bebouwde omgeving is ook een wettelijke verplichting voor de lidstaten krachtens artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Het is van essentieel belang een grootschalig project op te zetten om de voor het publiek toegankelijke gebouwen toegankelijk te maken, te beginnen met de gebouwen voor de in deze richtlijn opgenomen diensten (bankwezen, vervoer, enz.).

Wat bankdiensten betreft

De toegankelijkheid van bankdiensten moet worden uitgebreid om personen met een handicap in staat te stellen in de financiële sector te werken en om de invoering van toegankelijkheid voor bankdiensten te vergemakkelijken. Op dit moment beperkt de richtlijn het soort bankdiensten dat toegankelijk en inclusief moet zijn tot de consument. België moet verder gaan.

De ontoegankelijkheid van bankdiensten die ertoe leidt dat personen met een handicap niet in de banksector kunnen werken, is een schending van richtlijn 2000/78/EG van de Raad betreffende het algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

Wat de nationale noodnummers betreft

De richtlijn heeft geen betrekking op het beantwoorden van oproepen naar nationale alarmnummers. De toegankelijkheidsvoorschriften voor het beantwoorden van oproepen naar het gemeenschappelijke Europese alarmnummer "112" (bijlage I, deel V) moeten ook gelden voor het beantwoorden van oproepen naar nationale alarmnummers.

Wat micro-ondernemingen betreft

Er is ook een vrijstelling voor micro-ondernemingen die diensten verlenen. Dit is een belangrijke beperking, aangezien micro-ondernemingen de meeste niet-financiële diensten in de EU verlenen.

De uitsluiting van dienstverlenende micro-ondernemingen van de toegankelijkheidsvereisten van de richtlijn zal de meerderheid van de dienstverleners in staat stellen miljoenen potentiële klanten van hun diensten te blijven uitsluiten wegens een gebrek aan toegankelijkheid.

Bovendien biedt de richtlijn hun ook flexibiliteit voor het geval de toepassing van de toegankelijkheidvereisten voor hen een onevenredige last zou betekenen (zie hieronder). Daarom moeten ook micro-ondernemingen onder de nationale wetgeving vallen.

Het zou interessanter zijn deze maatregelen aan iedereen op te leggen en advies en hulpmiddelen aan te reiken om micro-ondernemingen te helpen aan de richtlijn te voldoen, met de medewerking van deskundigen op het gebied van toegankelijkheid.

Wat de onevenredige last betreft

In zijn General Comment nr. 2 (2014) over toegankelijkheid is het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap het niet eens met het begrip van onevenredige last van toegankelijkheid. Het merkt op: "de verplichting om toegankelijkheid te implementeren is onvoorwaardelijk".

In andere EU-wetgeving inzake de interne markt is een dergelijke vrijstelling niet gebruikelijk.

Daarom moet België bij de omzetting dit artikel volledig schrappen of zeer zorgvuldig en nauwkeurig de gronden omschrijven waarop vrijstellingen kunnen worden verleend, overeenkomstig bijlage VI van de richtlijn.

Wat de uitvoeringstermijnen betreft

De bepalingen betreffende de termijn voor de omzetting en de toepassing van de richtlijn zijn zeer ingewikkeld (artikel 31) en de termijn voor bepaalde producten en diensten is onredelijk lang (artikel 32). Bijvoorbeeld: volgens de tekst kan het gemeenschappelijke Europese alarmnummer 112 tot 2027 ontoegankelijk blijven, en kunnen ticketautomaten voor vervoer tot 20 jaar na hun ingebruikneming ontoegankelijk blijven.

De NHRPH dringt aan op duidelijke plannen met kortere termijnen voor de tenuitvoerlegging van de toegankelijkheidsvereisten voor noodcommunicatie. De toegestane termijnen zijn te lang en zullen personen met een handicap ervan weerhouden op de kar te springen, wat door COVID-19 nog is versneld. De digitalisering gaat steeds sneller, op alle gebieden, en is onomkeerbaar. Jaren wachten om een toegankelijk product of dienst te verkrijgen is niet langer aanvaardbaar.

Ten slotte lijkt het ons absoluut noodzakelijk dat nieuwe aankopen, die VÓÓR 2025 worden gedaan, nu al voldoen aan de toegankelijkheidsnormen van de richtlijn, aangezien zij nog zeer lang na hun ingebruikneming (20 jaar) in gebruik kunnen blijven, hetgeen onaanvaardbaar zou zijn voor nieuwe apparatuur.

Op het gebied van informatie en uitvoering

Het is van groot belang dat de maatregelen waarin de nieuwe wetten ter omzetting van de richtlijn voorzien, op grote schaal onder de betrokken sectoren worden verspreid. De economische actoren zijn zich bijvoorbeeld duidelijk onvoldoende bewust van de wettelijke verplichtingen in verband met digitale toegankelijkheid.

De NHRPH roept ook op tot het volgende:

  • Ervoor zorgen dat personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen zaken aanhangig kunnen maken bij de rechter of het bevoegde bestuursorgaan
  • Maatregelen die ervoor zorgen dat personen met een handicap ook collectief gerechtelijke stappen kunnen ondernemen in geval van overtreding van de wet door overheidsinstanties
  • Maatregelen om de ontoegankelijkheid, de hoge financiële lasten en de lange gerechtelijke procedures te verlichten

De NHRPH verzoekt de bevoegde autoriteiten tevens een colloquium te organiseren met de betrokken economische sectoren om het proces van naleving concreet op gang te brengen en hun toetreding en kennis actiever te maken.

  • Raadplegingen: 13

Advies 2022/08 - Bezoldiging, kosten en buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2022/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders, uitgebracht op de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op verzoek van de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie (per mail van 06/01/2022).

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Dit voorontwerp van koninklijk besluit kadert in de uitvoering van artikel 497/5, eerste, derde en vierde lid, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 21 december 2018.

Het voorontwerp van koninklijk besluit bepaalt de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders.

3. ANALYSE

Ter herinnering: artikel 497/5 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht op 1 maart 2019, bepaalt:

Na [onderzoek van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, overeenkomstig artikel 497/8, en de goedkeuring ervan] kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon.

De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties.

Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen, bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beiden ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.

Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een bezoldiging toe te kennen of een lagere bezoldiging toekennen.

Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. De Koning kan bepaalde kosten op forfaitaire wijze begroten [en de wijze bepalen waarop de vergoeding van deze kosten wordt begroot].

De vrederechter kan de bewindvoerder, na [mededeling] van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon. De Koning kan de wijze bepalen waarop de vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen wordt begroot [en kan bepalen welke ambtsverrichtingen als buitengewoon kunnen worden beschouwd].

Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter geen bezoldiging toekennen aan de ouder of de ouders van de beschermde persoon die aangewezen zijn als bewindvoerder.

Het is de bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste, derde en vierde lid vermelde bezoldigingen of vergoedingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot de uitoefening van het gerechtelijk mandaat van bewindvoerder.

In december 2018 heeft de toenmalige Minister van Justitie een ontwerp van koninklijk besluit voorgesteld, dat aan de NHRPH werd voorgelegd, maar nooit werd aangenomen.

De tekst die nu aan de NHRPH wordt voorgelegd, is nagenoeg dezelfde. Hieronder wat is gewijzigd:

  • forfait voor gemaakte kosten:
    2018: forfait volgens inkomen; specifiek bedrag naargelang de bewindvoerder privé of professioneel is
    <> 2022: forfait van 1 % - ook kosten voor het sluiten van een dossier;
  • vervreemden van onroerende goederen: kosten = maximaal 3 %.

In artikel 1 van het voorontwerp van koninklijk besluit wordt de basis vastgesteld van de inkomens die onder het forfait van 3 % vallen. Het artikel neemt het idee van een niet-uitputtende lijst van netto-inkomsten over en noemt een aantal voorbeelden, zoals

  • inkomsten uit arbeid,
  • vervangingsinkomsten:
    • de socialezekerheidsuitkeringen en het leefloon worden specifiek vermeld;
    • de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt niet genoemd;
    • de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (“zoals voorzien in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap") worden expliciet uitgesloten;
  • inkomsten uit huur en opbrengsten van kapitalen worden in de inkomensbasis opgenomen; opbrengsten uit de vervreemding van roerende en onroerende goederen worden ervan uitgesloten.

Artikel 2 stelt een forfaitaire vergoeding van 1 % vast (inkomensbasis: zie artikel 1) voor een lijst van administratieve handelingen (briefwisseling) en technische handelingen (verplaatsingskosten, internetaansluiting). Voor deze handelingen kan de bewindvoerder opteren voor de werkelijke kosten. De werkelijke kosten mogen niet meer bedragen dan het dubbele van de forfaitaire kosten. 

Artikel 3 voorziet in een bijzondere vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen (bijgevoegde indicatieve lijst). Deze bedraagt minimum 75 en maximum 125 euro per uur, afhankelijk van de levensstandaard van de beschermde persoon en van de vereiste specialisatie voor de uitvoering van de buitengewone ambtsverrichtingen.
De vergoeding voor het vervreemden van onroerende goederen bedraagt 3 % van de verkoopprijs en bijhorende kosten.
In bepaalde uitzonderlijke situaties die niet limitatief zijn gedefinieerd en opgenomen in een indicatieve lijst, kan van het forfait worden afgezien en kan de bijzondere vergoeding worden uitgebreid.

Artikel 4 voert de aanpassing van deze bezoldiging aan de gezondheidsindex in.

Het koninklijk besluit treedt in werking op de tiende dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. 

4. ADVIES

In zijn advies 2018-35 had de NHRPH reeds zeer duidelijk het gebrek aan voorspelbaarheid en duidelijkheid van de toenmalige tekst aan de kaak gesteld, gelet op de ruime interpretatiemarge van de termen en benaderingen van de tekst.

De NHRPH stelt vast dat dezelfde fout wordt herhaald met het huidige ontwerp en vraagt zich af in hoeverre bij het opstellen van de huidige tekst rekening werd gehouden met zijn advies 2018-35. Om die reden brengt de NHRPH een negatief advies uit over de voorgestelde tekst. Het zou onverstandig zijn een dergelijke tekst aan te nemen, omdat deze in de praktijk zeer snel een bron van spanningen zou worden die tot ernstige onrechtvaardigheden en interpretatiemarges kan leiden. Personen onder bewindvoering zijn van nature kwetsbaar en hebben noch de bekwaamheid noch de competenties om te reageren en zullen dus onvermijdelijk de situatie moeten ondergaan. Een onduidelijke tekst zal de vrederechter evenmin in staat stellen een juist beeld te krijgen van de bewindvoering.

De NHRPH wenst dus een antwoord op alle vragen in advies 2018-35, en dringt nogmaals zeer sterk aan op

  • een correcte bepaling van de inkomensbasis die zowel het bescheiden karakter als de filosofie van de bestaansmiddelen respecteert met een zeer duidelijke grens: de tegemoetkomingen om het verlies van zelfredzaamheid te compenseren - niet enkel de IT en THAB, maar ook bijvoorbeeld de tegemoetkoming voor hulp van derden van het RIZIV, de persoonsvolgende financiering (PVF) en het persoonlijk assistentiebudget (PAB) - mogen in geen geval in aanmerking worden genomen;
  • een goed doordachte afstemming tussen de artikelen die de bezoldiging van de bewindvoerder vaststellen: door de artikelen 1 en 2 te cumuleren, loopt de bezoldiging voor alle personen onder bewindvoering op tot een forfait van 4 %. Ook zet de vergoeding van 75 tot 125 euro per uur voor ‘buitengewone ambtsverrichtingen’ de deur open voor willekeur. Bepaalde niet-professionele bewindvoerders doen soms een beroep op een revisor: dit kost ook geld.

De NHRPH vraagt dus dat een zeer gedetailleerde tekst voor overleg wordt voorgelegd aan de vrederechters. Dit document zou bijvoorbeeld verschillende bedragen voor logistieke prestaties enerzijds en intellectuele prestaties anderzijds kunnen bevatten, maar ook aanpassingen volgens de inkomsten van de betrokkene.

Wetgevingstechnisch benadrukt de NHRPH dat de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) sinds de overheveling naar de deelgebieden niet meer onder de wet van 27 februari 1987 valt.

De NHRPH vraagt dat in de tekst van het voorontwerp naar het advies van de NHRPH wordt verwezen, net zoals er naar het advies van de Raad van State wordt verwezen. De NHRPH herinnert eraan dat de verplichting om de NHRPH te raadplegen onder bindende reglementaire bepalingen valt die resulteren uit de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH wil de gelegenheid aangrijpen om erop te wijzen dat een interne werkgroep van de NHRPH momenteel een ontwerp van advies uitwerkt met een aantal overwegingen en punten van kritiek met betrekking tot bewind over de goederen en de persoon. Het advies zou ergens in de komende weken klaar moeten zijn.

  • Raadplegingen: 12

Advies 2022/06 - Re-integratie van werknemers in het federaal openbaar ambt

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Gezondheidszorg

Advies nr. 2022/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en meer bepaald betreffende de re-integratie bij ziekte of ongeval en de tewerkstelling van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17 januari 2022.

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post (brief van 23 december 2021).

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Een voorontwerp van koninklijk besluit zal de procedures voor de re-integratie van werknemers in het federaal openbaar ambt na een langdurige afwezigheid wegens ziekte/arbeidsongeval wijzigen.

3. ANALYSE

Ter herinnering: in het federale landschap bestaan er verschillende reglementeringen inzake langdurige ziekte:

  • koninklijk besluit van 28 oktober 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers wat de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers betreft (ondertussen opgenomen in de codex over het welzijn op het werk): regelt een formele re-integratieprocedure als aanvulling op de meer informele re-integratiemaatregel (bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bij toepassing van artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk) en is automatisch van toepassing op contractuele en statutaire personeelsleden;
  • koninklijk besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wat de sociaalprofessionele re-integratie betreft: deze wijziging regelt de uitbreiding van de bevoegdheden van de adviserend arts van het ziekenfonds, zodat hij een arbeidsongeschikte werknemer na een inschatting kan doorverwijzen naar de preventieadviseur-arbeidsarts; deze wijziging is enkel van toepassing op contractuele personeelsleden;
  • wet van 20 december 2016 houdende diverse bepalingen inzake arbeidsrecht in het kader van arbeidsongeschiktheid: is ook enkel van toepassing op contractuele personeelsleden.

Dit voorontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel de begeleiding en ondersteuning van langdurig zieke ambtenaren en ambtenaren met een handicap in het federaal administratief openbaar ambt te versterken.

Het absenteïsme in de federale overheid is vergelijkbaar met de privésector en evolueert in dezelfde mate en volgens dezelfde trends. De COVID-gezondheidscrisis heeft ook een negatieve impact gehad. Het aantal afwezigheden wegens ziekte, in het bijzonder psychische aandoening, is toegenomen. Uit de cijfers van Medex (Bestuur voor medische expertise van de federale overheid) voor 2019 blijkt dat 36,5 % van de zieken afwezig is wegens stressgerelateerde psychische aandoeningen. Samen met de locomotorische aandoeningen (24 %) hebben zij de grootste impact. Kankergerelateerde aandoeningen (6 %) leiden tot de langste afwezigheden.

Om de impact van de adviserend arts van het ziekenfonds tijdens de aanvraag tot een formeel re-integratietraject te kennen, werden de afwezigheden bekeken voor de groep van contractuelen en de groep van statutairen in de periode van 2017 tot juni 2021. Kort samengevat blijkt dat hoofdzakelijk de werkgever (51 % van de gevallen) een formeel re-integratietraject voor contractuele personeelsleden heeft aangevraagd, tegenover 28 % van de gevallen door de adviserend arts van het ziekenfonds. Voor statutaire personeelsleden neemt voornamelijk het personeelslid zelf het initiatief om een formeel re-integratietraject op te starten. Voor de re-integratie van statutaire ambtenaren komt de adviserend arts van zowel het ziekenfonds als van Medex duidelijk te weinig tussen.

In het licht van deze vaststellingen en de doelstelling van de federale regering om in te zetten op re-integratie van langdurig zieken, werd beslist in twee fasen maatregelen in te voeren:

1) uitvoering van een reeks actieplannen ter ondersteuning van de re-integratie van ambtenaren,
2) voorstel voor een bredere hervorming van de procedure en het landschap medio 2022 na een strategisch seminarie van de federale stakeholders.

De voorgestelde maatregelen kunnen in verschillende categorieën worden onderverdeeld:

1) Reglementaire aanpassingen
Reglementaire aanpassingen om re-integratie op korte termijn te verbeteren; volgende aanpassingen worden voorgesteld:

  • de mogelijkheden tot deeltijdse werkhervatting en toegang tot het re-integratiestelsel voor personen met een handicap uitbreiden;
  • een opleiding of terug-naar-werkbegeleiding tijdens een afwezigheidsperiode wegens ziekte mogelijk maken, met zowel interne als externe actoren;
  • tijdens de stage verminderde prestaties wegens medische redenen mogelijk maken;
  • een quickscan na een afwezigheid van tien weken invoeren, naar analogie van de werkwijze in de privésector.

2) Proces- en organisatorische aanpassingen
Volgende maatregelen zijn gepland:

  • een adviserend arts bij Medex invoeren, naar analogie van de rol die de adviserend arts van het ziekenfonds invult;
  • het proces inzake redelijke aanpassingen verbeteren en de werkgevers sensibiliseren rond de verschillende soorten redelijke aanpassingen;
    Voorts wordt gestreefd naar een betere samenwerking met de regionale overheden. Zij beschikken immers over een grote expertise inzake aanpassingen en over personeel dat ervaring heeft in het adviseren over (materiële en immateriële) aanpassingen.
  • een competentiebilan invoeren om medische aanbevelingen van de arbeidsarts te vertalen naar toe te passen aanpassingen;
    Concreet zal elk personeelslid dat in het kader van een formeel re-integratietraject een advies van de arbeidsarts heeft gekregen, vanaf het tweede kwartaal van 2022 bij het loopbaancentrum van de FOD BOSA een competentiebilan kunnen aanvragen met een overzicht van de competenties, interesses en gewenste beroepscontext, rekening houdend met het medisch advies. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de resterende capaciteiten en zelfregulatie van de te re-integreren personeelsleden.
    Het competentiebilan zal op verschillende manieren worden gestimuleerd. De betrokken afwezige ambtenaren worden hiervan gericht op de hoogte gebracht. Bovendien worden de actoren die bij de re-integratieprocedure betrokken zijn (arbeidsarts, adviserend arts, toekomstig ‘terug naar werk’-coördinator, ...) op deze mogelijkheid gewezen.
  • de mobiliteitsmogelijkheden tussen de verschillende federale overheidsdiensten geleidelijk aan verbeteren.
    Er loopt reeds een proefproject, dat wordt gecoördineerd door het loopbaancentrum van de FOD BOSA in samenwerking met een aantal federale organisaties. Daarbij wordt voor personeelsleden van een federale overheidsdienst een werkplekbegeleiding opgestart in een andere dan de eigen dienst teneinde een nieuwe job aan te leren. Dit proefproject wordt in 2022 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie worden de nodige reglementaire aanpassingen voorbereid om dit principe te veralgemenen.
    Het concept van ‘terug naar werk’-coördinator wordt naar het niveau van de federale overheid vertaald.

De drie hoofdlijnen van dit voorontwerp van koninklijk besluit:

  1. Een uitgebreidere en activerende rol voor de artsen van Medex: Tot nog toe konden de werkgever en de adviserend arts van het ziekenfonds na vier maanden arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject opstarten. De adviserend arts van het ziekenfonds kan evenwel alleen voor contractuele personeelsleden een traject opstarten. De adviserend arts van het ziekenfonds is niet betrokken bij de ziekteregeling voor statutaire personeelsleden. Daarom kan een statutair personeelslid niet naar de arbeidsarts worden doorverwezen op basis van zijn medische evaluatie. Er wordt dus voorgesteld de arts van Medex dezelfde bevoegdheid te geven als de adviserend arts van het ziekenfonds, namelijk het statutair personeelslid na een medische evaluatie naar de arbeidsarts doorverwijzen. Dit betekent dat voor een statutair personeelslid een re-integratietraject kan worden opgestart door het statutair personeelslid zelf, de arts van Medex en de werkgever.

  2. Een fijnmaziger stelsel van verminderde prestaties wegens medische redenen: sinds 2009 is er voor ‘verminderde prestaties wegens medische redenen’ een opsplitsing:
    • een ‘kort’ traject (van maximum drie maanden), gericht op volledige re-integratie na een langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval;
    • een ‘langer’ traject voor statutaire personeelsleden die een langere periode niet meer voltijds kunnen werken wegens een medische aandoening.

Voorgestelde wijzigingen, in het kort:

  • De maatregelen worden opengesteld voor stagedoende personeelsleden.
  • Statutaire personeelsleden die wegens een handicap niet voltijds kunnen werken, kunnen verminderde prestaties wegens medische redenen aanvragen. Daarvoor moeten zij de toelating vragen aan Medex, maar zonder eerst dertig dagen afwezig te zijn wegens ziekte of ongeval. Dit kan zowel tijdens als na de stage. De maximumduur voor de toelating wordt naar 24 maanden gebracht in plaats van 12 maanden. Dit sluit niet uit dat de arts van Medex een toelating voor een kortere duur kan geven en de toelating telkens kan verlengen. De nieuwe maximumduur van de toelating is echter niet van toepassing op het korte ‘re-integratiestelsel’ (koninklijk besluit van 19 november 1998, artikel 50, eerste lid, 1°); voor dit stelsel wordt de maximumduur naar vier maanden gebracht in plaats van de huidige drie maanden.
  • De ambtenaar verliest niet langer de mogelijkheid verminderde prestaties wegens medische redenen aan te vragen wanneer hij tevergeefs heeft geprobeerd het werk voltijds te hervatten na een afwezigheidsperiode wegens ziekte of ongeval. Tot vijf werkdagen na de werkhervatting kan hij alsnog verminderde prestaties wegens medische redenen aanvragen bij Medex.
  • Voor het korte re-integratietraject wordt naast de prestatiebreuk 50%, 60 % of 80 % ook de prestatiebreuk 40 % voor de normale prestaties ingevoerd. Dit moet de overstap van een ziekteperiode naar opnieuw werken vergemakkelijken.
  1. Meer mogelijkheden inzake ‘toegelaten activiteiten’ tijdens een ziekteperiode: Statutaire ambtenaren die gebruik maken van de mogelijkheid om tijdens een afwezigheidsperiode wegens ziekte opleidingsactiviteiten en activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding te volgen, hoeven niet langer toelating aan de arts van Medex te vragen. Om toelating voor een verblijf in het buitenland te krijgen, moet onlosmakelijk vaststaan dat het verblijf het herstel en/of de behandeling niet in het gedrang brengt.

Het voorontwerp voorziet in het principe van nodige redelijke aanpassingen voor de terugkeer naar werk. Ter inspiratie wordt een lijst met individuele en collectieve aanpassingen van materiële en immateriële aard voorgesteld. Enkele voorbeelden:

  • aangepaste telefoon, stoel en muis, aangepast scherm en toetsenbord, …; gebruik van eenvoudige symbolen voor personen met een mentale handicap; bijkomende of aangepaste persoonlijke beschermingsmiddelen, o.a. aangepaste veiligheidsbril, veiligheidsschoenen, helm of werkkledij; omgevingsfactoren (licht, klimaat), het voorzien van zitgelegenheid bij een staand beroep of omgekeerd, voorzien van bureaufietsen, aangepaste bureaus (in hoogte verstelbaar); toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers, aangepaste toiletten, installatie van een lift, (lokale) verwijdering/vervanging van allergene materialen;
  • extra dagen telewerk en/of satellietwerk toestaan; aangepast werkrooster - extra (medische) pauzes - verminderde prestaties wegens medische redenen; invoeren van telewerk en/of satellietwerk; uitleg in een vereenvoudigd taalgebruik.

4. ADVIES

De NHRPH heeft reeds verschillende adviezen over re-integratie in het beroepsleven na een langdurige afwezigheid wegens ziekte in de openbare en privésector uitgebracht: adviezen 2021/31, 2015/10, 2015/32 en 2016/12).

Bij de huidige terug-naar-werkbegeleiding zijn er te weinig – voornamelijk personele – middelen voor een effectieve en duurzame re-integratie. Voor werknemers die reeds een handicap hebben wanneer zij in dienst treden, is de situatie nog moeilijker. Een bijkomend gezondheidsprobleem beperkt hun mogelijkheden voor wedertewerkstelling nog meer. Zij hebben blijvende individuele begeleiding met extra zorg nodig. De werkgever moet zorgen voor aangepaste voorzieningen bij hun terugkeer op de werkvloer.

De NHRPH vindt het voorontwerp in verschillende opzichten een stap in de goede richting:

  • de ongedifferentieerde toepassing van de maatregel voor alle ambtenaren;
  • de verduidelijking van de rol van de verschillende betrokkenen, onder wie de artsen, en in het leven roepen van een ‘terugkeer naar werk’-coördinator;
  • het invoeren van een ‘competentiebilan’ met een overzicht van de competenties, interesses en gewenste beroepscontext, rekening houdend met het medisch advies. Door de nadruk op resterende capaciteiten te leggen, verandert de benadering van de wedertewerkstelling.

De NHRPH merkt op dat de inhoud van de toegezonden documenten verschilt: in het verslag aan de Koning is er geen sprake van een verbetering van de mobiliteit tussen bestuursniveaus, terwijl de filosofie ervan in de nota aan de Ministerraad wordt uitgelegd. Dit verschil in inhoud vraagt om verduidelijking. 

De NHRPH wil graag enkele overwegingen onder de aandacht brengen:

  • Over het principe ‘terug naar werk’ zelf: De maatregel moet uiteraard gunstig zijn voor de werknemer. Werk kan weliswaar een springplank voor iemand zijn, maar het mag nooit extra lijden met zich meebrengen. Herstel moet de nodige vorm en tijd krijgen. De persoon moet worden gesteund in een reactiveringstraject, nooit gedwongen. In dit ontwerp van besluit wordt de rol van de persoon met een handicap niet beschreven. Bij re-integratie moet de betrokken persoon ook aan het re-integratieproject deelnemen. Zo staan sommige artsen in de privésector weigerachtig tegenover re-integratie terwijl de werknemer met een handicap zijn werk wil hervatten. Er moet overleg zijn tussen beide partijen.

  • Over de mogelijkheid tot overplaatsing naar een ander Gewest en binnen de federale overheid: Dit zou een oplossing kunnen zijn voor de werknemer – bijvoorbeeld wanneer hij te ver weg woont en zich wegens zijn gezondheidstoestand niet meer naar het werk kan verplaatsen. De NHRPH is van mening dat structurele samenwerkingsverbanden met alle deelgebieden moeten worden aangegaan. Een plan voor overplaatsing via interregionale mobiliteit moet worden ontworpen. De NHRPH verheugt zich over het proefproject dat het mogelijk maakt binnen de federale overheid van werkgever te veranderen.

  • Over de uitbreiding van de mogelijkheden om het werk deeltijds te hervatten en om toegang te krijgen tot het re-integratiestelsel voor personen met een handicap: Er moet echte begeleiding worden geboden. Dit wil zeggen een reële, concrete begeleiding in de vorm van tijd, coaching, regelmatige functioneringsgesprekken enzovoort. En begeleiding in de vorm van redelijke aanpassingen om de taak te kunnen uitvoeren. Werknemers met een handicap mogen zich niet gestigmatiseerd voelen. Voor de NHRPH is de handicapverenigingssector een cruciale actor bij het invoeren van redelijke aanpassingen en de begeleiding van de betrokken personen.

  • Over de termijn van vijf werkdagen voor de ambtenaar om verminderde prestaties wegens medische redenen bij Medex aan te vragen: De NHRPH vindt dat de ambtenaar die het werk hervat, zelf moet kunnen beoordelen of hij nog voltijds kan werken: vijf dagen is veel te kort voor zo’n beoordeling.

  • Over de mogelijkheid van een opleiding of terug-naar-werkbegeleiding tijdens een afwezigheidsperiode wegens ziekte, met zowel interne als externe actoren: De rol van de werkgever moet duidelijk en precies gedefinieerd zijn, en de materiële en budgettaire middelen voor de gevraagde opleidingen moeten worden voorzien. Ook moet worden gezorgd voor psychologische begeleiding van de werknemers.

  • Over het invoeren van de mogelijkheid van verminderde prestaties wegens medische redenen tijdens de stage: De NHRPH vindt dat alle werknemers gelijk moeten worden behandeld. De stage mag geen belemmering vormen voor re-integratie in het beroepsleven.

  • Over het invoeren van een quickscan na een afwezigheidsperiode van tien weken (werkwijze in de privésector): Het is van essentieel belang dat alle federale overheidsdiensten een opleiding hierover krijgen, dat zij over de middelen beschikken om deze opdracht zo te kunnen uitvoeren dat zij zich aan de fysieke en mentale mogelijkheden van de werknemer aanpassen: de quickscan moet altijd constructief en gunstig voor de werknemer zijn.

  • Over het invoeren van een adviserend arts bij Medex, naar analogie van de rol die de adviserend arts van het ziekenfonds invult: De NHRPH vraagt dat de adviserend arts van Medex alle nodige opleidingen en informatie krijgt om zijn nieuwe opdracht uit te voeren. Zijn rol moet ook zeer duidelijk aan de werknemer worden uitgelegd.

  • Over het concept van de ‘terug naar werk’-coördinator: De NHRPH vraagt om de rol en opdracht van de coördinator van meet af aan duidelijk te maken. Hij moet ook de middelen krijgen (personele middelen, opleidingen, …) om zijn opdracht uit te voeren.

  • Over de globale medische opvolging van langdurig zieke ambtenaren: De NHRPH vindt dat de situatie van de re-integratie in het beroepsleven op geregelde tijdstippen moet worden geëvalueerd; er moet een methode worden ingevoerd om de mening van de werknemers zelf in te zamelen. Met deze methode moet het globale systeem zonder gevaar voor de werknemer kunnen worden verbeterd. De NHRPH vestigt er de aandacht op dat contractueel personeel in het federaal openbaar ambt ten minste gedeeltelijk afhankelijk is van de wetgeving voor de privésector. Deze wordt binnenkort ook gewijzigd. Voor de wetgeving inzake re-integratie in het beroepsleven na langdurige ziekte is een echte coördinatie tussen beide sectoren fundamenteel.

  • Over de verplichting van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap, inclusief chronisch zieken: De NHRPH juicht deze maatregel toe. Er bestaat wetgeving ter zake, de werkgevers moeten deze toepassen. Niettemin vestigt de NHRPH de aandacht op de lijst met voorbeelden van redelijke aanpassingen. Uiteraard zullen bepaalde situaties meer inspanning en creativiteit van de werkgever vergen. Bovendien is begeleiding en opleiding van artsen op het vlak van redelijke aanpassingen belangrijk. De NHRPH betreurt dat het ontwerp van besluit geen teksten over redelijke aanpassingen bevat. Nochtans staan ze wel in de nota aan de Ministerraad.

  • Over de term arbeidshandicap: Arbeidshandicap werd in de Franse versie vertaald door handicap professionnel in de verslag aan de Koning. De term ‘arbeidshandicap’ wordt evenwel enkel in Vlaanderen gebruikt en bestaat enkel in het Nederlands. In het Frans wordt de term ‘handicap professionnel’ niet gebruikt omdat deze term geen enkele beroepswerkelijkheid dekt. De NHRPH stelt voor om de term ‘arbeidshandicap’ te behouden voor beide talen.

  • De NHRPH vestigt ook de aandacht op het koninklijk besluit van 11 februari 2019 dat de mogelijkheden van positieve actie in de privésector veralgemeent: de wetgeving raakt maar moeizaam ingevoerd (sinds 2019 werden niet minder dan tien aanvragen ter goedkeuring bij de Minister ingediend). Maar ze bestaat, en de privéwerkgevers moeten hun sociale/maatschappelijke rol op zich nemen. Evenzo vraagt de NHRPH de regering een dergelijke maatregel voor het federaal openbaar ambt in het leven te roepen.

  • Over het invoeren van een competentiebilan om de medische aanbevelingen van de arbeidsarts te vertalen naar toe te passen aanpassingen: Ook hier moeten de arbeidsartsen materiële, personele en budgettaire middelen tot hun beschikking krijgen. De overheidsdiensten moeten duidelijk communiceren naar alle betrokkenen en sensibiliseren rond re-integratie op het werk na een lange afwezigheid wegens ziekte. Hiervoor is adequaat administratief personeel nodig.

  • Over de informatie-uitwisseling tussen alle betrokken actoren (ziekenfondsen, werkgevers, Medex enzovoort): De NHRPH vraagt dat de wetgeving inzake gegevensbescherming (GDPR) hierbij in acht wordt genomen.

  • Over de rol van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (BCAPH) in dit nieuwe mechanisme: De NHRPH acht het belangrijk dat de deskundigheid van de BCAPH-leden wordt benut om de nieuwe reglementering uit te voeren en op te volgen. Voorts zijn volgens de NHRPH regelmatige evaluaties van de maatregel en interactie tussen de overheidsdiensten nuttig om goede praktijken en dies meer te bevorderen. Ook hier zou de BCAPH een nuttig forum voor reflectie kunnen zijn. Bovendien verheugt de NHRPH zich erover dat de BCAPH ook om een advies over dit ontwerp van koninklijk besluit werd gevraagd.

  • Over het aangekondigd seminarie: De NHRPH wil aan het seminarie kunnen deelnemen om er de verwachtingen van de personen met een handicap en hun gezinnen te vertolken.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2022/01 - Sociale telecomtarieven

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof

Advies nr. 2022/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de hervorming van de sociale telecomtarieven, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/01/2022.

Advies op verzoek van mevrouw Petra De Sutter, Vice-Eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, in haar brief van 25/11/2021.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-Eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-Eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

2. ONDERWERP

Mevrouw Petra De Sutter, Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post, heeft van 25 november 2021 tot 18 januari 2022 een elektronische raadpleging gelanceerd over een aantal bepalingen inzake de sociale tarieven van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en de bijlage ervan.

3. ANALYSE

De vertegenwoordigster van het Kabinet heeft het ontwerp tijdens de plenaire vergadering van 13 december 2021 aan de NHRPH voorgesteld.
De ter raadpleging voorgelegde documenten zijn beschikbaar op de website van het BIPT: https://www.bipt.be/operatoren/publicatie/raadpleging-met-betrekking-tot-de-hervorming-van-de-sociale-tarieven-inzake-elektronische-communicatie

De sociale kloof is al jaren duidelijk. 10% van de Belgen beschikt thuis niet over een internetaansluiting en het zijn vooral gezinnen met een laag inkomen die hierdoor worden getroffen. Volgens de gegevens van de Kruispuntbank zouden 655.000 personen recht op een sociaal tarief kunnen hebben. Vandaag genieten slechts 215.000 gezinnen er daadwerkelijk van. Er bestaat momenteel geen enkele maatregel om het recht te automatiseren. De huidige regeling voorziet in een zogenaamd “sociaal” tarief voor vaste telefonie of internet, maar niet voor mobiele telefonie. De tariefkorting bedraagt in feite maar een paar euro en niet alle operatoren zijn verplicht deze toe te passen.
In Europa hebben slechts 5 landen een sociaal tarief. Enkel Italië heeft een sociaal tarief voor mobiele telefonie, hierna “mobiel sociaal tarief” genoemd, en dit voor een zeer beperkte doelgroep (enkel voor dove of blinde personen die deel uitmaken van een huishouden).

Dit voorontwerp van wet beoogt de hervorming van de sociale tarieven inzake elektronische communicatie. Het voorontwerp van wet wijzigt meer bepaald de artikelen 74 van de wet, 22 en 38 van de bijlage en voert nieuwe artikelen 22/1 tot en met 22/4 in.

De voornaamste wijzigingen zijn de volgende:

  • Automatisering van de “vaste sociale tarieven” (tarieven voor een dienst op een vaste locatie) – artikel 74;
  • Invoering van een mobiel sociaal tarief – artikel 74;
  • Aanpassing van de categorieën van rechthebbenden van het sociaal tarief: het vast sociaal tarief wordt toegekend aan personen die een verhoogde tegemoetkoming genieten en het mobiel sociaal tarief aan personen die een verhoogde tegemoetkoming genieten en die een visuele of auditieve handicap hebben; – nieuw artikel 22/1, §2 - §4;
  • Indexering van de kortingsbedragen – nieuw artikel 22/1, §3.

De FOD Economie is belast met de verificatie van de voorwaarden inzake toekenning van de in artikel 38 bedoelde tariefkortingen die worden toegekend krachtens de artikelen 22/1 tot en met 22/4. Deze FOD is, samen met de operatoren, verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgebonden gegevens van de abonnees.

Ter herinnering: België moet als lidstaat van de Europese Unie verschillende Europese richtlijnen en verordeningen inzake telecommunicatie toepassen, met name: Richtlijn 2009/136/EG, Richtlijn 2002/58/EG, Verordening (EG) nr. 2006/2004, Richtlijnen 2009/140/EG, 2002/19/EG en 2002/20/EG.

4. ADVIES

Wat betreft het principe van de raadpleging 

De NHRPH was tevreden dat de manier van raadplegen toeliet voldoende tijd te nemen voor de denkoefening en de uitwisseling in de plenaire vergadering.

De raadpleging van de bevolking is ook een initiatief dat a priori een goede zaak is vanuit democratisch en participatief oogpunt. De voorgelegde tekst is evenwel een wettekst waarvan het jargon en de reikwijdte de raadpleging illusoir maken. Hoeveel personen zullen hier werkelijk op kunnen reageren? Een eenvoudigere presentatie, in duidelijke en precieze bewoordingen, van de problematiek en de concrete voorstellen van de Minister zouden een werkelijk informatieve reikwijdte gehad hebben en ruimte hebben gelaten voor reacties. De NHRPH vreest dat slechts enkele verenigingen zullen reageren.
De enquête is ook enkel toegankelijk via internet, waardoor de facto niet iedereen kan deelnemen (10% van de gezinnen heeft geen internettoegang).
De NHRPH herinnert eraan dat het niet voldoende is om een dienst online aan te bieden om deze voor iedereen toegankelijk te maken! Er moet in niet-digitale alternatieven worden voorzien om de toegang voor alle betrokken personen te waarborgen.

Wat betreft de inhoud van de maatregelen

De vraag van de NHRPH om de voorwaarden voor toegang tot een sociaal tarief ook voor telecommunicatie te wijzigen, is niet nieuw: in zijn advies 2015/22 pleitte de NHRPH met name voor een rationalisering van de sociale tarieven. Er bestaat al wel een sociaal tarief voor telefonie en internet, maar de criteria voor de toekenning ervan zijn zo beperkt en ontoegankelijk dat de meeste potentiële rechthebbenden er geen aanvraag voor indienen. Ook het BIPT heeft dit vastgesteld.

Allereerst wil de NHRPH de nadruk leggen op de fundamentele en onomkeerbare tendens in de collectieve en particuliere organisatie van ons leven. Ingevolge de COVID-19-gezondheidscrisis heeft de digitalisering van de diensten meer dan ooit vaste voet gekregen en neemt zij nog steeds toe. Heel wat overheidsdiensten beschikken over een elektronisch loket en ontvangen bezoekers enkel op afspraak. De burgers moeten dan telefonisch of per e-mail contact opnemen. Dossiers zijn enkel nog elektronisch toegankelijk; informatie wordt ook vaak op deze manier opgevraagd en uitgewisseld. Zelfs beslissingen tot erkenning, facturen, kennisgevingen van onverschuldigde betalingen gebeuren elektronisch. En dit gebeurt soms automatisch en is verplicht voor de klant. Heel wat diensten voor verzorging en begeleiding van personen worden per sms geactiveerd (herinnering aan afspraken, opvolging van behandelingen, enz.).

Mobiele telefonie speelt een centrale rol bij de digitalisering van diensten, bijvoorbeeld: bewijsstukken van vaccinatie, opzoekingen m.b.t. het openbaar vervoer (routes, vertragingen), ticketverkoop, applicaties voor routebeschrijvingen (Google Maps, enz.), ...
Heel wat diensten zijn gratis online beschikbaar, maar als er behoefte is aan een papieren document moet daarvoor worden betaald, is die mogelijkheid gewoon niet meer beschikbaar of bestaat die niet meer (bijvoorbeeld wanneer het gaat om wandelkaarten, reisroutes, folders en informatiebrochures die voorheen op papier beschikbaar waren).

Er is overigens een verschil tussen vast internet (meestal thuis) waar men gebruik kan maken van een groot scherm, een grotere opslagcapaciteit, een comfortabeler gebruik voor het schrijven van teksten, en mobiel internet waarmee men overal toegang tot het internet kan hebben en toegang heeft tot snellere functies zoals verkeersinformatie, pers, dienstregelingen van het openbaar vervoer, enz.

Digitalisering is overal aanwezig: thuis, maar ook de hele dag door, op de verschillende plaatsen waar personen wonen en werken. Het ‘internet der dingen’ en kunstmatige intelligentie zullen de komende jaren nog toenemen.
Er wordt ook vastgesteld dat de betrokkene steeds vaker is aangewezen op “beperkte diensten” wanneer hij of zij geen gebruik maakt van het digitale kanaal. De nieuwe Batopin-automaten beperken bijvoorbeeld het aanbod van diensten voor blinde personen. De diensten zijn zo opgezet en georganiseerd dat ze geen gelijkwaardig gebruik tussen klanten mogelijk maken: de meest kwetsbare personen (personen met een handicap (PMH), maar ook ouderen bijvoorbeeld) zijn de facto minder goed bediende klanten, ook al betalen ze voor een volledige dienstverlening.
De NHRPH herinnert eraan dat de richtlijn European Accessibility Act ook van toepassing is op internetproducten en -diensten.
Liefdadigheidsinitiatieven investeren vaak als eenmalige maatregel in apparatuur voor de minderbedeelden. Het kopen/verkrijgen van apparatuur volstaat echter niet: de hoge terugkerende internetkosten zijn vaak de grootste belemmering voor de toegang tot internet.

Sinds enkele jaren is er een duidelijke tendens naar het verdringen van de vaste telefoon ten gunste van de mobiele telefoon. De in België gevestigde operatoren hebben immers geleidelijk de verkoop van abonnementen voor vaste telefonie afgebouwd. Tegelijkertijd hebben zij de ontwikkeling van modems en het internet gesystematiseerd.

Om personen in staat te stellen hun rechten te activeren en op regelmatige basis de diensten te bereiken, is het dus belangrijk dat zij de volgende obstakels kunnen overwinnen:

  1. Het financiële obstakel: zij moeten toegang hebben tot betaalbare telefoon- en internetabonnementen, die zij momenteel helemaal niet hebben: de korting bedraagt hooguit 11,50 euro. Dit is volstrekt onvoldoende om de toegang voor de meest kansarme gezinnen te verbeteren.
  2. En het technische obstakel: de NHRPH is van oordeel dat in het bezit zijn van een smartphone, een tablet of een computer niet betekent dat men weet hoe men die moet gebruiken: de NHRPH herinnert eraan dat de activering van rechten en de toegang tot goederen en diensten via digitale middelen voor de overgrote meerderheid van de bevolking een grote uitdaging blijft (zie advies 2018/09 van de NHRPH waarin het verslag van het Brussels Observatorium van 2016 over het toenemende fenomeen van de “non-take-up” (niet gebruik maken van de rechten) wordt geanalyseerd).

In het licht van deze financiële en technische obstakels verwacht de NHRPH dat de Minister concrete acties onderneemt met betrekking tot de volgende bezorgdheden:

  • Zowel mobiele telefonie als vast en mobiel internet moeten financieel toegankelijker worden gemaakt: beide voorzien in verschillende, maar elkaar aanvullende behoeften. Toegang tot het een zonder toegang tot het ander maakt de toegang tot rechten en diensten noodzakelijkerwijs onvolledig. De NHRPH pleit voor een sociaal tarief voor het internet thuis en voor een sociaal tarief voor mobiel internet (die zelden samen in een voordelig pakket verkrijgbaar zijn).
  • Voor personen met een bescheiden inkomen – bijvoorbeeld rechthebbenden van integratietegemoetkomingen – is de tariefkorting van € 11,50 op 50% van het abonnementstarief veel te laag. De NHRPH vraagt dat de indexering op zijn minst de indexsprongen wegwerkt, want de bedragen van de kortingen zijn sinds de invoering van de sociale telefoontarieven in 2015 bevroren.
  • Voor personen met een inkomen lager dan de armoedegrens is de digitale technologie volstrekt onbetaalbaar. Personen met een inkomen op of onder de armoedegrens (sociale uitkeringen of MAF-inkomen (maximumfactuur) van de laagste categorie op 01/01/2022) hebben geen enkele financiële mogelijkheid om de beschikbare abonnementen te betalen en zouden moeten kunnen genieten van een veel hogere korting.
  • Rekening houdend met de tendens van de verminderende vaste telefonie zouden de personen ook op zijn minst altijd moeten kunnen kiezen voor het vaste/mobiele sociaal tarief.
  • Voor de personen die werken en kinderen ten laste hebben, is het van essentieel belang dat zij over smartphones en internet beschikken. Voor deze gezinnen moet de compensatie dicht bij de goedkoopste tarieven liggen.
  • De toepassing van het sociaal tarief moet met terugwerkende kracht kunnen gebeuren. De tijd die nodig is om een aanvraag voor een tegemoetkoming voor personen met een handicap te behandelen, varieert van 5 tot 12 maanden. Deze vertraging mag geen belemmering vormen voor de terugwerkende kracht.
  • Wat gebeurt er wanneer de persoon van operator verandert? Vallen alle telefoon/internetbedrijven onder deze reglementering?
  • Indien in het hervormingsvoorstel de verplichting wordt gehandhaafd om een keuze te maken tussen een vaste of mobiele internetdienst – hetgeen de NHRPH om alle voormelde redenen volstrekt incoherent zou vinden –, dan zal dat goed moeten worden gecommuniceerd naar de potentiële rechthebbenden en zelfs naar diegenen die geen internet hebben.
  • Het concept om het mobiel sociaal tarief te koppelen aan de aard van de handicap moet eerst verder worden onderzocht. De idee dat bepaalde personen die, om gezondheidsredenen buiten hun wil, een beroep moeten doen op applicaties die veel data verbruiken, meer financiële steun moeten krijgen, is verdedigbaar. Deze toegang beperken tot personen die een gehoor- of gezichtsstoornis hebben, is veel twijfelachtiger en een mogelijke bron van discriminatie op grond van de handicap. Andere personen met een handicap zouden in aanmerking kunnen komen, nl. personen die wegens hun gezondheidstoestand data- en energieverslindende applicaties nodig hebben.
  • Het automatiseren van het mobiel sociaal tarief voor personen die de verhoogde tegemoetkoming ontvangen zou zeker helpen in de strijd tegen de non-take-up.
  • Veel personen die van een nieuw sociaal telecommunicatietarief zouden kunnen profiteren weten vaak niet eens op welke rechten zij aanspraak maken. De NHRPH is van mening dat de potentiële rechthebbenden van dit sociaal tarief moeten worden bereikt door de bestaande gegevensbanken te activeren, uiteraard met inachtneming van de bescherming van de consumentengegevens. En wanneer iemand het sociale telecommunicatietarief niet (meer) ontvangt, ook al voldoet hij of zij hoogstwaarschijnlijk aan de voorwaarden, dan is het noodzakelijk naar hem of haar te kunnen “zoeken”. Dit gaat natuurlijk verder dan een eenvoudige kruisverwijzing van datastromen: dit vereist menselijk onderzoek en gepersonaliseerde administratieve acties. De NHRPH is van mening dat personen die hun rechten verliezen terwijl ze nog steeds in aanmerking komen, snel opnieuw moeten worden geïdentificeerd.
  • Raadplegingen: 22

Advies 2022/05 - Stemmen per brief

  • Jaartal advies: 2022
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen

Advies nr. 2022/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsontwerp tot wijziging van de kieswet teneinde het stemmen per brief mogelijk te maken voor kiezers met een beperking en voor kiezers van 75 jaar of ouder voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, uitgebracht in plenaire zitting op 17/01/2022.

Advies uitgebracht op verzoek van het kabinet van mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, tijdens de vergadering van 17/12/2021.

1. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter info aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter info aan de heer Jan Jambon, Minister-President van Vlaanderen
  • Ter info aan de heer Elio Di Rupo, Minister-president van Wallonië
  • Ter info aan de heer Rudi Vervoort, Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Ter info aan de heer Oliver Paasch, Minister-President van de Duitstalige Gemeenschap van België.
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

2. ONDERWERP

Een wetsontwerp tot wijziging van de kieswet teneinde het stemmen per brief mogelijk te maken voor kiezers met een beperking en voor kiezers van 75 jaar of ouder voor de verkiezingen van het de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend in de Kamer (DOC 55 2222/001). Het wetsvoorstel beoogt met name de deelname aan de verkiezingen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers te vergroten door kiezers met een handicap en kiezers van 75 jaar of ouder toe te staan per post te stemmen. Het wetsontwerp moet samen worden gelezen met DOC 55 2219/001, DOC 55 2220/001 en DOC 55 2221/001, die identieke aanpassingen voorzien voor verkiezingen van andere parlementaire vergaderingen.

3. ANALYSE

De aangehaalde wetsvoorstellen zijn bedoeld om de opkomst te verhogen van oudere kiezers en kiezers met een handicap, voor wie het moeilijk of onmogelijk kan zijn om naar een stembureau te gaan vanwege hun leeftijd, beperkte mobiliteit, gezondheid of handicap. Zij stemmen momenteel meer dan gemiddeld bij volmacht.

De voorgestelde wetten bieden kiezers met een handicap en kiezers van 75 jaar of ouder de mogelijkheid om een keuze te maken: zij zullen in een stemlokaal of bij volmacht kunnen stemmen, zoals nu het geval is, maar zij zullen ook per post kunnen stemmen. Volgens de voorgestelde wetgeving zal België op 1 januari 2021 meer dan 1.033.000 inwoners tellen die 75 jaar of ouder zijn, d.w.z. 9% van de bevolking. De overgrote meerderheid van hen heeft de Belgische nationaliteit en is dus stemgerechtigd. In 2019 hadden 675.420 personen, van wie 614.122 18 jaar of ouder waren, erkenning van hun handicap gekregen van de Directie-generaal Personen met een Handicap van de FOD Sociale Zekerheid. Dit is dus een numeriek belangrijke groep.

Artikel 4 van de kieswet bepaalt dat de kiezer zijn of haar stem uitbrengt in de gemeente. Op dit algemene principe bestaan momenteel twee uitzonderingen, namelijk voor de kiezers van de gemeenten Voeren en Komen-Waasten enerzijds, en voor de Belgen die in het buitenland wonen anderzijds. Artikel 2 van het voorstel voegt aan artikel 4 een derde uitzondering toe voor kiezers met een handicap en kiezers van 75 jaar of ouder die in België verblijven, en voor kiezers met een handicap die hun stemrecht uitoefenen per briefwisseling. Onder kiezer met een beperking wordt verstaan de kiezer die een erkenning heeft van zijn handicap bij de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid.

De kiezers die per brief stemmen ontvangen bij hun oproepingsbrief een kiesomslag waarin de volgende documenten zijn opgenomen:

  • een retouromslag A;
  • een neutrale omslag B;
  • een formulier waarop de kiezer vermeldt dat hij zijn stem per briefwisseling zal uitbrengen en verklaart dat hij het stembiljet persoonlijk zal invullen;
  • de onderrichtingen voor de kiezer.

Deze kiezer brengt zijn stem uit op het stembiljet en plaatst dit behoorlijk dichtgevouwen in de neutrale omslag B die hij zorgvuldig sluit. Deze neutrale omslag B plaatst de kiezer in de retouromslag A, samen met het bovenvermelde ingevulde en ondertekende formulier.
De retouromslag A dient de kiezer uiterlijk de achtste dag voor de dag van de verkiezing aan de voorzitter van het hoofdkieskringbureau te bezorgen.

De voorzitter van het hoofdkieskringbureau opent de retouromslagen A en scheidt de formulieren waarin de kiezer meedeelt dat hij per brief stemt en de neutrale omslagen B. De lijst van de kiezers die per brief stemmen wordt door de voorzitter van het hoofdkieskringbureau per elektronische drager uiterlijk vijf dagen voor de verkiezingsdatum bezorgd aan de voorzitter van het kantonhoofdbureau en de voorzitters van de stembureaus.
De voorzitters van de stembureaus duiden op de kiezerslijsten de kiezers aan die per brief hebben gestemd door achter hun naam “B” te vermelden. De neutrale omslagen B worden door de voorzitter van het hoofdkieskringbureau zorgvuldig bewaard tot aan de stemopnemingsverrichtingen. Er wordt geen rekening gehouden met de retouromslagen A die na de sluiting van de stembureaus toekomen. Deze omslagen worden vernietigd door de voorzitter van het kieskringhoofdbureau.

Bij de sluiting van de stembureaus op de dag van de verkiezingen laat de voorzitter van het kieskringhoofdbureau tot de opneming van de stembiljetten van de kiezers die per briefwisseling stemmen overgaan door deze stembiljetten te verdelen onder de stemopnemingsbureaus van het kanton waarvan de hoofdplaatsgemeente van de kieskring deel uitmaakt. Deze stemopnemingsbureaus kunnen pas hun verrichtingen aanvatten nadat de stembiljetten afkomstig van de kiezers die per briefwisseling stemmen, gemengd zijn met de andere stembiljetten.

4. ADVIES

Om te beginnen is de NHRPH van mening dat de mogelijkheid om per brief te stemmen - in beginsel - een goede praktijk en een redelijke aanpassing is.

Het risico bestaat echter dat de toegankelijkheid van de stembureaus en alle apparatuur en elementen die nodig zijn om te kunnen stemmen (meubilair, digitale apparatuur, organisatie enz.) over het hoofd worden gezien, waardoor personen met een handicap gedwongen worden per post te stemmen.

Daarom dringt de NHRPH erop aan dat de mogelijkheid om per brief te stemmen een keuze moet blijven en geen verplichting mag worden. Het stemmen (stembureaus, proces, informatie, ...) moet toegankelijk zijn (of worden gemaakt) voor alle personen met een handicap.

Andere opties, zoals stemmen bij volmacht, assistentie, stembureaus in grote instellingen en verzorgingstehuizen, enz. moeten ook beschikbaar en toegankelijk zijn.

De NHRPH vraagt speciale aandacht voor personen met een ernstige visuele handicap: deze mensen kunnen nog steeds niet zelfstandig stemmen, hoewel er technische oplossingen bestaan. Elektronisch stemmen moet toegankelijk worden gemaakt voor personen met een visuele handicap (bijvoorbeeld: automatische voorleesfunctie via een headset).

De NHRPH vraagt zich af hoe de overdracht van gegevens tussen de FOD Sociale Zekerheid en de FOD Binnenlandse Zaken zal verlopen. Moet het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit worden ingewonnen?

De NHRPH wenst ook dat er zekerheid is dat de kiezer zelf stemt. Hoe kunnen we er zeker van zijn dat het de bejaarde of de persoon met een handicap is die zijn of haar stem uitbrengt? Is er geen risico van machtsmisbruik?

Het stemmen moet veilig kunnen gebeuren. Ontvangt de stemgerechtigde een bevestiging van het feit dat hij zijn stem heeft uitgebracht wanneer hij per post stemt?

Ook de informatie over de mogelijkheid om per brief te stemmen en de procedure om die mogelijkheid te benutten moeten toegankelijk zijn. Een uitgebreide, heldere informatiecampagne (toegankelijke kanalen en communicatievormen, easy read/FALC, …), o.a. via het middenveld, is noodzakelijk.

De NHRPH vraagt zich af of de keuze voor stemmen per brief bij elke verkiezing moet worden bevestigd of dat de keuze blijvend is. De NHRPH suggereert een systeem met een blijvende keuze voor stemmen per brief (geldig voor alle volgende verkiezingen), maar die op een eenvoudige manier kan worden veranderd. De keuze moet ook duidelijk geregistreerd zijn, zodat dubbel stemmen niet mogelijk is.

Met het oog op de toekomst meent de NHRPH dat de piste van veilig digitaal van thuis stemmen ernstig en grondig moet worden onderzocht vooraleer te worden uitgevoerd. Enerzijds bewijzen functies zoals homebanking dat de huidige technologieën in principe de veiligheid en geheimhouding kunnen waarborgen. Voor personen met een visuele handicap, rolstoelgebruikers, chronisch zieke personen enz. kan de optie van toegankelijk elektronisch stemmen van thuis nuttig zijn. Anderzijds is de digitale kloof zeer reëel, zeker binnen de doelgroep van de ouderen en personen met een handicap. Ook is het gevaar van beïnvloeding en schending van het stemgeheim in de woonplaats groter dan in het stembureau. Indien uit de analyse zou blijken dat thuis elektronisch stemmen kan worden ontwikkeld met garanties op het vlak van veiligheid, toegankelijkheid en autonomie, dan zou die mogelijkheid alleen een alternatief mogen zijn naast de andere opties. In dat geval vraagt de NHRPH wel dat dat project dan tijdig zal worden voorgelegd aan de NHRPH.

De NHRPH vraagt zich af of enkel personen met een handicap die een erkenning van de DG Personen met een handicap hebben in aanmerking moeten komen voor het stemmen per brief. Sommige personen met een handicap hebben enkel een erkenning op regionaal vlak.

De NHRPH betreurt dat de mogelijkheid van het stemmen per brief niet bestaat voor de gemeentelijke verkiezingen, een regionale bevoegdheid. Dat kan tot verwarring leiden bij mensen die kiezen voor stemmen per brief en er verkeerdelijk van uitgaan dat ze ook voor de gemeentelijke verkiezingen per brief zullen kunnen stemmen. Dat is bijvoorbeeld al in 2024 het geval, wanneer er in hetzelfde jaar Europese, federale, regionale, provinciale en gemeentelijke verkiezingen worden georganiseerd. Duidelijke en toegankelijke informatie hierover is dus essentieel. De federale overheid zou met de regio’s moeten spreken over de mogelijkheid om ook voor de gemeentelijke verkiezingen de optie van stemmen per brief aan te bieden.

Ook moeten de verschillende niveaus in overleg met elkaar de verkiezingsinformatie harmoniseren en uniformiseren. De NHRPH richt zich met deze opmerking dus niet enkel tot de federale overheid, maar ook tot de regio’s.

De NHRPH verwijst verder nog naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap en de positienota “Verkiezingen” van de NHRPH.

Nog een detail: de NHRPH verkiest de termen ‘personen met een handicap’/ ‘personnes en situation de handicap’ boven ‘personen met een beperking’/’personnes handicapées’.

  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/41 - Verlenging van de COVID-premie

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/41 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verlenging van de COVID-premie, uitgebracht op 13/12/2021 na raadpleging van de NHRPH-leden per e-mail van 07/12/2021, wegens de gevraagde behandeling met hoogdringendheid.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN), in zijn brief van 06/12/2021.

1. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet verlengt, tot en met maart 2022, de periode waarin de tijdelijke premie van 25 euro – bedoeld in het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen – kan worden toegekend aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.

2. ANALYSE

De memorie van toelichting van het voorontwerp van wet bepaalt het volgende:

Deze tijdelijke premie werd voorzien om de negatieve gevolgen en bijkomende kosten op te vangen die de COVID-19-pandemie voor deze kwetsbare categorieën veroorzaakt en werd oorspronkelijk toegekend van juli 2020 tot en met december 2020.  

Het maandelijks bedrag van deze tijdelijke premie bedroeg oorspronkelijk 50 euro per begunstigde.

Het bleek echter dat deze kwetsbare categorieën – ook na het aflopen van deze eerste periode – nog steeds extra ondersteuning nodig hadden, gelet op de heropleving van de epidemie en de strengere maatregelen genomen door de overheid. Daarom werd deze periode intussen reeds viermaal verlengd.

Dit gebeurde driemaal met behoud van het maandelijks bedrag van 50 euro per begunstigde en dit eerst, (…)

Nadien werd deze periode een vierde maal verlengd, ditmaal tot en met december 2021 door artikel 2 van de wet van xx december 2021 (wet nog niet bekendgemaakt) tot verlenging van de periode waarin aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen, in het kader van de maatregelen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, een tijdelijke premie toegekend wordt.

Het maandelijks bedrag van de tijdelijke premie werd, in het licht van de geplande verhoging van de sociale uitkeringen op 1 januari 2022, vanaf oktober 2021 echter teruggebracht tot 25 euro.

Gelet op de huidige situatie op vlak van economie en gezondheid, werd door de Regering beslist om de periode voor de toekenning van deze maatregel aan de meest kwetsbare personen opnieuw te verlengen, ditmaal tot en met maart 2022.

Het maandelijks bedrag van de tijdelijke premie zal tijdens deze verlenging opnieuw 25 euro per begunstigde bedragen.

3. ADVIES

Globaal genomen is de NHRPH een voorstander van de verlenging van deze maatregel. De NHRPH herinnert er evenwel nogmaals aan dat deze maatregel ruimschoots ontoereikend is, zeker nu de premie opnieuw maar 50% bedraagt ten opzichte van de oorspronkelijke premie.

In zijn adviezen 2020/24, 2021/08, 2021/23 en 2021/36 betoogt de NHRPH dat het bedrag van de maandelijkse premie geenszins de kosten voor de nieuwe leefsituatie van personen met een handicap en hun gezin dekt. Naast de gezondheidscrisis is er ook een sociale crisis: de prijzen voor energie, grondstoffen, dienstverlening, enz. blijven zeer sterk stijgen. In advies 2020/24 worden nog andere extra kosten opgesomd.

In voormelde adviezen herinnert de NHRPH ook aan de vele vergeten groepen: volledig werklozen, personen in ziekte-invaliditeit, rechthebbenden op een inschakelingsuitkering, gepensioneerden met een klein inkomen die geen recht hebben op de IGO, ...

De NHRPH wenst de aandacht te vestigen op het volgende feit: de voorbije twee maanden waren bijzonder moeilijk. De inflatie bedroeg in november 2021 5,64% tegenover 4,16% in oktober en 2,86% in september. De inflatie op basis van de gezondheidsindex bedraagt in november 4,81% tegenover 3,48% in oktober en 2,29% in september (Bron: Statbel).

De Regering heeft beslist de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) buiten index te verhogen met 10,75 % in 4 jaar, hetzij 2,68% per jaar. Deze verhoging heeft tot doel het armoederisico te verminderen door de toegang tot goederen en diensten te vergemakkelijken.

Volgens de maandvooruitzichten voor de gezondheidsindex zal de spilindex (momenteel 111,53) worden bereikt door de afgevlakte gezondheidsindex (zoals gedefinieerd in de wet van 23/04/2015 tot verbetering van de werkgelegenheid) in januari 2022. Als gevolg daarvan zouden de sociale uitkeringen en de wedden van het overheidspersoneel worden aangepast aan de gestegen levensduurte en dus worden verhoogd met 2%, respectievelijk in februari 2022 en in maart 2022 (Bron: Planbureau).

De NHRPH vraagt zich af of het inhaaleffect van de verhoging van de IVT het gewenste effect zal hebben. Zal dit effect niet kleiner zijn wegens de hoge inflatie van de laatste weken en de berekeningswijze van de indexering van de sociale uitkeringen? De NHRPH wenst hierover nauwkeurige informatie krijgen.

Ten slotte stelt de NHRPH vast dat in het verzoek om advies wordt vermeld dat, wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, de kosten van de verlenging van de maatregel worden geraamd op 15.750.000 euro. Een compensatie voor dit bedrag zal worden gevraagd via de interdepartementale COVID-19-provisie. Mogen wij er zeker van zijn dat dit bedrag wel degelijk zal worden toegekend?

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, directeur-generaal van de DG HAN
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 8

Advies 2021/42 - Aanvraagprocedure adviezen

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/42 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de procedure voor de raadpleging van de NHRPH, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 13/12/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Dit advies is bedoeld om de politieke wereld te herinneren aan de procedure voor de raadpleging van de NHRPH.

2. ANALYSE

In de afgelopen maanden en jaren kreeg de NHRPH meerdere dringende vragen om advies, onder meer advies 2021/36 over de verlenging van de COVID-premie, advies 2021/25 over het Federaal Actieplan Handicap, advies 2021-22 over het koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, enz. Wegens de dringendheid zijn de leden van de NHRPH voor deze dringende adviezen via e-mail geraadpleegd.

Verder ontving de NHRPH ook een aantal vragen om advies nadat het politieke besluit al was genomen.

3. ADVIES

Ten eerste herinnert de NHRPH eraan dat artikel 4, lid 2, van het Koninklijk Besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap bepaalt dat de adviezen binnen drie maanden, of - in dringende gevallen - binnen één maand, moeten worden uitgebracht. Wanneer de hoogdringendheid wordt ingeroepen, heeft de NHRPH in de praktijk slechts enkele dagen om een advies uit te brengen. Dit betekent vaak dat de leden langs elektronische weg moeten worden geraadpleegd. De uitwisseling van ideeën in plenaire vergaderingen leidt vanzelfsprekend tot veel volledigere en grondigere adviezen. Een discussie van alle leden is altijd boeiender dan ideeën die geïsoleerd worden geuit. Een van de sterke punten van de NHRPH is net dat de 20 leden, die afkomstig zijn uit verschillende verenigingen van personen met een handicap en representatief zijn voor de gehele handicapsector, hun expertise bundelen.

De NHRPH komt elke maand in plenaire vergadering bijeen (over het algemeen op de derde maandag van de maand). De naleving van dat tijdschema (zoals voorzien in het Koninklijk Besluit) maakt een weldoordachte en efficiënte voorbereiding van de adviezen mogelijk, met name dankzij een grondige bespreking in plenaire zitting.

De NHRPH is zich er evenwel van bewust dat in bepaalde situaties kortere termijnen noodzakelijk zijn, en heeft er in die uitzonderlijke gevallen altijd mee ingestemd de in de teksten voorziene termijnen in te korten en te werken via elektronische raadpleging van zijn leden.

Het is belangrijk in gedachten te houden hoe een advies tot stand komt:

  • Na ontvangst van het verzoek om advies is er eerst de juridische analyse van het probleem door het secretariaat, met inbegrip van, indien nodig, documentatieonderzoek en literatuurstudie.
  • Op basis van deze eerste studie formuleren de leden van de NHRPH hun beschouwingen, die in het advies worden verwerkt.
  • Definitieve redactie van het ontwerp van advies door het secretariaat op basis van de beschouwingen van de leden
  • Goedkeuring door de leden van de inhoud van het advies, na eventuele aanpassingen

Het is dan ook moeilijk om het hele proces in een paar dagen af te ronden, vooral wanneer de analyse complex is.

De NHRPH herhaalt daarom zijn verzoek van 18 juni 2018 (advies 2018/25) en dringt aan op termijnen die het mogelijk maken om de vragen om advies in de plenaire vergadering te behandelen, vooral nu regelmatig de hoogdringendheid wordt ingeroepen.

Ten tweede vindt de NHRPH het zeer belangrijk om van bij het begin van de denkoefening te worden geraadpleegd. De NHRPH moet ook worden geraadpleegd tijdens het gehele besluitvormingsproces. Raadpleging van de NHRPH wanneer het politieke besluit reeds is genomen, is uiteindelijk nutteloos. Deze praktijk is ook in strijd met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met name artikel 4, lid 3, van dit Verdrag. Artikel 4, lid 3, van het verdrag bepaalt: Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

De NHRPH wenst dan ook van meet af aan correct te werken, met name in het kader van de uitvoering en de opvolging van het Federaal Actieplan Handicap.

Tenslotte wenst de NHRPH ook feedback te krijgen over zijn adviezen. De NHRPH is zich ervan bewust dat iedereen in zijn rol moet blijven, maar vindt dat hij als adviesorgaan het recht heeft te weten waarom een door hem voorgestelde maatregel als niet uitvoerbaar wordt beschouwd, waarom een voorgestelde maatregel moet worden uitgesteld, enz. Dit is essentieel in een gezonde participatieve democratie waarin de mensen weten dat zij worden gehoord. Deze eis is des te belangrijker gezien de tumultueuze gebeurtenissen van de afgelopen maanden.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Vice-eersteminister en Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Buitenlandse Handel, en van de Federale Culturele Instellingen
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Vice-eersteminister en Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eersteminister en Minister van Justitie en Noordzee
  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Voor opvolging aan mevrouw Ludivine Dedonder, Minister van Defensie
  • Voor opvolging aan mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame ontwikkeling en Green Deal
  • Voor opvolging aan mevrouw Annelies Verlinden, Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan mevrouw Meryame Kitir, Minister van Ontwikkelingssamenwerking en Grootstedenbeleid
  • Ter info aan mevrouw Tinne Van der Straeten, Minister van Energie
  • Voor opvolging aan de heer Thomas Dermine, Staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen, belast met Wetenschapsbeleid, toegevoegd aan de Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan de heer Mathieu Michel, Staatssecretaris voor Digitalisering, belast met Administratieve Vereenvoudiging, Privacy en met de Regie der gebouwen, toegevoegd aan de Eerste Minister
  • Voor opvolging aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan de heer Sammy Mahdi, Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met de Nationale Loterij, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris van Begroting en Consumentenbescherming, toegevoegd aan de minister van Justitie en Noordzee
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 8

Advies 2021/38 - TRIA

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/38 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het TRIA-project, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 22/11/2021.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Tijdens zijn plenaire vergadering van 18 oktober 2021 heeft de NHRPH geluisterd naar de heer Johan Moeyaert Crisismanager, over de ontwikkeling van het TRIA-project. TRIA is het toekomstige programma dat zal worden ingevoerd voor de behandeling van de aanvragen voor tegemoetkomingen aan personen met een handicap, aanvragen voor parkeerkaarten en aanvragen voor een erkenning voor het verkrijgen van bepaalde sociale en fiscale vergoedingen.

2. ANALYSE

I. TRIA: huidige situatie en noodzaak van een reset

De heer Moeyaert herinnerde aan de twee hoofddoelstellingen van TRIA :

  • De continuïteit van de dienstverlening van de DG HAN waarborgen: overname van de bestaande TETRA-functionaliteiten voor het beheer van de dossiers (enkel back-officeproject);
  • Build for change (gebouwd voor verandering): snellere en flexibelere integratie van toekomstige veranderingen.

De 6 subprocessen van TRIA zijn:

  • Intake (indienen van de aanvraag)
  • Information gathering (verzamelen van informatie)
  • Evaluating handicap (evaluatie van de handicap)
  • Evaluating eligibility (evaluatie van de toekenningscriteria)
  • Processing decision (beheer van de beslissingen)

In het evaluatieverslag van Deloitte van juli 2021 staat dat met de huidige gang van zaken de oorspronkelijk vastgestelde doelstellingen niet zullen worden gehaald. TRIA moet dus worden gereset. Die reset houdt het volgende in:

  1. De huidige situatie begrijpen en - vooral - in overleg met alle betrokken partijen (business en IT) bepalen wat er nog moet worden gebouwd
  2. De corrigerende acties en hun potentieel evalueren in het licht van de achterstand en van andere door Deloitte aangehaalde aandachtspunten
  3. Een nieuw, volledig, realistisch en onderbouwd plan voor ontwikkeling en uitrol opstellen op basis van de in de vorige 2 punten verworven kennis.

II. TRIA resetten

1. Beter begrijpen wat “thans aan de gang” (as is) betekent en de “to do” uitwerken.

Momenteel lopende:

  • Momenteel wordt het subproces “evaluatie van de handicap” ontwikkeld. Deze ontwikkeling zou tegen eind januari 2022 voltooid moeten zijn.

To do:

  • Voor de 5 andere subprocessen moeten met alle betrokken partijen de activiteiten en de IT-componenten in kaart worden gebracht die voor deze subprocessen moeten worden gebouwd.
  • Op basis hiervan beginnen met het ontwikkelen van de andere 5 subprocessen.

2. Corrigerende acties:

Parallelle ontwikkeling

In de veronderstelling dat slechts één subproces eind januari 2022 zal klaar zijn, zelfs met de uitrol van bijna het hele ontwikkelingsteam (dat reeds begonnen is met het werk in de loop van het jaar 2020), is het nu reeds duidelijk dat het, met de huidige werkmethode, niet mogelijk zal zijn de implementatie te waarborgen binnen het voorziene tijdschema. Het TRIA-team staat daarom in contact met externe partners voor extra capaciteit en expertise (mits naleving van de budgettaire enveloppe 2021).

Criteria voor de migratie:

  1. Scenario voor solide migratie (doel: 0 risico): continuïteit van de betalingen (correct, volledig, zonder operationele risico’s)
  2. Een “big bang”-scenario voorkomen; wel een geleidelijke implementatie met optie “fallback” (plan B)
  3. Naleven van de globale deadline en van de tussentijdse deadlines
  4. Intermediaire TRIA/TETRA-programmeringswerkzaamheden zo veel mogelijk voorkomen
  5. Prioritering per volumes, daar waar mogelijk (uitzonderingen behandeld aan het eind in de planning)
  6. De ‘business’ geeft de “go” vóór iedere ingebruikname, op basis van de “UAT end to end” (validatietests door de end-to-endgebruiker)
  7. Transparantie van het migratiescenario voor de gebruikers (en extra werklast voorkomen)

Rapportage

  • De transparantie bij de stuurgroep verhogen door de basis van TRIA uit te leggen en een duidelijk rapport op te stellen over de staat en de voortgang van het project.
  • Rapporteren over de voortgang van het programma op basis van een gestandaardiseerde template (model).

3. Wat reeds gelanceerd is en wat diepgaander moet worden geanalyseerd

  • Een nauwere samenwerking tussen het TRIA-team en het ICT TETRA-team van de FOD om sneller te begrijpen wat moet worden gebouwd, en hoe (en waarom) de functionaliteiten momenteel in TETRA worden ondersteund.
  • Het toepassingsgebied werd verduidelijkt:
    • Opstellen van een volledige lijst van functionaliteiten, die ten minste de bestaande TETRA-functionaliteiten in TRIA herneemt. In een beperkt aantal gevallen wordt reeds in extra functionaliteiten voorzien met een toegevoegde waarde voor de gebruikers, maar in de meeste gevallen zullen die wegens de tijdsdruk pas na de uitrol van TRIA worden opgeleverd.
    • Verduidelijking van het begrip “build for change” (gebouwd voor verandering) in de praktijk binnen TRIA:
      • Implementatie van de workflow (weergave van een opeenvolging van taken of handelingen die worden uitgevoerd door een persoon, een groep personen, een instelling, …) in de CMMN-structuur (Case Management Model and Notation): creëert flexibiliteit voor eventuele aanpassingen van het proces
      • Opsplitsing van de onderliggende software in kleine blokken die onafhankelijk van elkaar kunnen worden aangepast (een modulaire structuur creëert een flexibiliteit voor eventuele wetswijzigingen)
  • Nagaan of en hoe de doeltreffendheid van het hele TRIA-team kan worden versterkt en/of geoptimaliseerd.
  • Onderzoeken van pragmatische alternatieve oplossingen (bv. IT-componenten van andere programma’s hergebruiken, vereenvoudiging van de processen, …)
  • Parallelle ontwikkelingstrajecten opzetten (d.w.z. de 6 subprocessen niet één voor één en in volgorde uitvoeren, maar tegelijkertijd en naast elkaar) en, zo nodig, een beroep doen op externe hulp. Aangezien bijna het hele ontwikkelingsteam (dat reeds begonnen is met het werk in de loop van het jaar 2020) in principe amper één van de zes subprocessen klaar zal hebben tegen eind januari 2022 , dan is het duidelijk dat het met de huidige werkmethode niet mogelijk zal zijn de implementatie te waarborgen binnen het voorziene tijdschema.

4. Een nieuw plan

Aangezien alle te bouwen componenten nog moeten worden geïdentificeerd, kan momenteel nog geen voldoende onderbouwd plan worden voorgesteld. Een nieuw bottom-upplan zal tijdens de volgende stuurgroep (voorzien voor december 2021) worden voorgelegd.

III. Beslissingen en volgende stappen

  1. Validatie van de volgende elementen:
    • de lancering van parallelle ontwikkelingstrajecten
    • het voorgestelde formaat om de transparantie van de rapportage te vergroten
    • de basiscriteria voor de vaststelling van het beste uitrol- en migratiescenario
  1. Stappen voor de volgende stuurgroep: bottom-upplan en voorstel voor het migratiescenario
  1. Twee zittingen voor “tussentijdse update” (tussentijdse bijwerking) tussen de stuurgroep van oktober 2021 en die van december 2021

3. ADVIES

A. Algemene overwegingen

Allereerst formuleert de NHRPH een aantal belangrijke voorafgaande opmerkingen:

  1. In vergelijking met het oorspronkelijke project is de ambitie om tot een alomvattend instrument te komen verminderd. Het project wijkt af van de visie en de doelstellingen die aan de NHRPH, de Ministerraad en Minister Lalieux zijn voorgelegd. Momenteel kan worden vastgesteld dat TRIA bijna volledig een back-officeprogramma is geworden en dat de onderdelen die in de nota aan de Ministerraad van 14 oktober 2021 werden voorgesteld, niet zijn ontwikkeld. De NHRPH ziet de meerwaarde van TRIA voor de eindgebruiker (personen met een handicap en diverse professionele actoren) niet, hoewel dit als een belangrijk punt aan de Ministerraad is voorgelegd. De NHRPH is hierover enorm teleurgesteld.
  1. De door de NHRPH geformuleerde verzoeken zijn essentieel in het kader van TRIA. Wat niet in de eerste omschakelingsfase kon worden opgenomen, moet absoluut zo snel mogelijk worden geïntegreerd, via ExcelHan of op een andere manier. De TRIA-ontwikkelingsprocessen zullen van meet af aan flexibel genoeg moeten zijn om ten minste de hierna genoemde uitdagingen aan te kunnen.
  1. TRIA moet het mogelijk maken de multidisciplinaire aanpak van de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen en zelfredzaamheid van personen met een handicap (PMH) te integreren. De module medische ontwikkeling zal in januari 2022 worden afgerond.
    De NHRPH heeft deelgenomen aan een workshop op 16/02/2021 over de medische evaluatie, waar hij heel wat verwachtingen heeft geformuleerd over de werkwijze en de reikwijdte van de evaluatie. De NHRPH heeft nooit enige feedback gekregen over hoe zijn verwachtingen werden geïntegreerd. Hij heeft evenmin een presentatie gekregen van de informaticamodule die werd gekozen en uiteindelijk is aangenomen. Overigens heeft de NHRPH tijdens een tussentijdse vergadering op 19 oktober 2021 vernomen dat de multidisciplinaire aanpak in deze module niet zal worden geïntegreerd. De NHRPH vindt deze situatie ontoelaatbaar. Hij vraagt met klem dat de multidisciplinaire aanpak op termijn in de module wordt geïntegreerd en wenst zeer duidelijke informatie hierover te krijgen. 
  1. Het heeft het team twee jaar gekost om te beseffen welke problemen er zijn. Tijdens deze periode waren er te weinig en te formele contacten met de NHRPH en de externe partners: er was geen enkele echte uitwisseling, noch werden er prioriteiten gesteld op basis van de verwachtingen van de NHRPH. Dit mag in de toekomst niet meer gebeuren.
  1. TRIA lijkt een operationeel beheersinstrument te zijn zonder enige connectie met de externe actoren die nochtans van cruciaal belang zijn: personen met een handicap, maar ook verenigingen, ziekenfondsen, OCMW’s, … Dat is zeer verontrustend. Een fundamentele vraag is of TRIA geschikt is voor de sociale uitdagingen van het stelsel van tegemoetkomingen: gemakkelijke toegang tot de rechten voor iedereen, bestrijding van de non take-up en armoede, enz.
  1. De testperiodes worden verkort en een deel van het project zal worden uitbesteed. Staan kortere testperiodes en uitbesteding nog steeds borg voor de kwaliteit van het product?
  1. Een eventuele substantiële hervorming van de wet van 27 februari 1987 zal niet in de TRIA-toepassing kunnen worden geïntegreerd, omdat in de modules de voorkeur moest worden gegeven aan snelheid van de ontwikkeling boven soepelheid en flexibiliteit. Wat is de meerwaarde van een module waarvan de ontwikkeling op lange termijn geen ingrijpende hervorming van de wet mogelijk maakt? Het is duidelijk dat de wet niet meer aan de behoeften voldoet en dat hervormingen onvermijdelijk zijn (referentiejaren van de inkomsten, herziening van de statuten, herziening van het evaluatiesysteem, …). Minister Lalieux heeft hiervan een prioriteit gemaakt voor de legislatuur (zie Federaal Plan Handicap). Is deze belofte om IT-redenen al in de kiem gesmoord?
  1. De NHRPH stelt vast dat alles is gereset, behalve de module “evaluatie van de handicap”. De voor dit jaar voorziene budgettaire enveloppe zou voldoende moeten zijn. Maar wat voor de volgende jaren?
  1. Voor de NHRPH blijft de wijze waarop de modules worden ontwikkeld en de wijze waarop de verwachtingen van de werkgroepen en workshops waaraan de NHRPH op uitnodiging deelneemt, worden geïntegreerd, onduidelijk: de NHRPH begrijpt niet hoe de verwachtingen worden geïntegreerd. Een dergelijke manier van werken doet twijfel rijzen over de reikwijdte van een proces dat als participatief en constructief wordt voorgesteld.
  1. De NHRPH herinnert eraan dat in het verleden, bij de overgang van het ene systeem naar het andere (digitalisering), erkenningen en documenten zijn “verloren” gegaan. Personen van wie was erkend dat zij in aanmerking kwamen voor sociale en fiscale maatregelen, maar die geen uitkeringen ontvingen, waren niet langer gekend in het nieuwe systeem en konden derhalve geen attesten meer krijgen om hun rechten te doen gelden. Dit mag niet meer gebeuren.
  1. De NHRPH merkt op dat er al jaren problemen zijn met de vervanging van TETRA. De lancering van Curam was een ramp en het programma werd al snel afgevoerd. De NHRPH vraagt zich af of zulke zaken ook gebeuren in andere administraties die verantwoordelijk zijn voor - bijvoorbeeld - de berekening van werkloosheidsuitkeringen, rustpensioenen, enz.

B. Administratief en medisch dossierbeheer

a) Gelijke behandeling van burgers

De wet van 27 februari 1987 inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap is federaal: met vergelijkbare administratieve en medische parameters zou een persoon met een handicap (PMH) op dezelfde manier moeten worden behandeld als ieder ander persoon, ongeacht waar hij woont en/of welke dossierbeheerder en arts zijn situatie onderzoeken. Dat is momenteel niet het geval: het beheer van de herinneringen voor verzoeken om aanvullende informatie aan de aanvrager, de criteria voor afwijzing, de criteria voor de evaluatie van de handicap, de integratie van een wetswijziging, de toepassing van de herzieningsgronden, enz. worden door de verschillende teams - en zelfs binnen eenzelfde team - niet altijd op dezelfde wijze toegepast. TRIA zou moeten voorzien in processen die de dossierbeheerders begeleiden en verplichten te werken in overeenstemming met de reglementaire voorschriften.

b) Betaling van de tegemoetkomingen

De Pensioendienst zal, op relatief korte termijn, instaan voor de betaling van de tegemoetkomingen. In heel wat situaties cumuleren PMH een rust- of overlevingspensioen met tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Het is absoluut noodzakelijk dat de betaling van de tegemoetkoming, die een voorwaarde is voor het doen ontstaan van bepaalde afgeleide rechten, steeds kan worden onderscheiden van de betaling van het pensioen.

c) Toepassing met terugwerkende kracht

Het is absoluut noodzakelijk dat TRIA dossiers kan identificeren die vallen onder de toepassing van een nieuwe reglementaire bepaling die met terugwerkende kracht van toepassing is. Onlangs heeft de terugwerkende kracht waarin de nieuwe maatregelen voorzien (de “prijs van de liefde” en de vermindering van de leeftijd voor het aanvragen van de tegemoetkomingen) immers tot problemen geleid. Voor PMH die onder de voorwaarden voor de toepassing van deze terugwerkende kracht vallen, moet de toepassing van de reglementering automatisch gebeuren, zonder dat de persoon hiervoor actie moet ondernemen.

d) Over het algemeen

Alle processen moeten ertoe bijdragen de non take-up te elimineren en de automatisering te vergemakkelijken. Ze moeten PMH ook zoveel mogelijk in staat stellen hun aanvragen zelfstandig in te dienen.

C. Communicatie en toegang tot het dossier:

  • De huidige functionaliteiten van My Handicap bieden niet genoeg betrouwbare informatie over de voortgang van het dossier. Daarom moeten op termijn nieuwe functionaliteiten in TRIA worden voorzien.
  • In My Handicap is de historiek van de dossiers vaak onvolledig: PMH moeten toegang hebben tot alle beslissingen en elke beslissing moet toegankelijk zijn. De personen zouden zelf een kopie van de beslissingen moeten kunnen afdrukken, gewoon thuis of via een bevoegde actor (vereniging, ziekenfonds, …). TRIA moet ook een historiek van de dossiers bevatten.
  • In My Handicap zijn de tracering van de aangevraagde, ontvangen of nog niet in behandeling genomen documenten en de situatie van het dossierbeheer niet opgenomen. Er zijn meer details nodig over een nog niet in behandeling genomen dossier: waarom is het nog niet behandeld? Wordt er gewacht op een medisch document? Wordt er gewacht op een datastroom (flux) van een sociale zekerheidsinstelling, van de FOD Financiën of van een andere instelling? Wordt er op een ander document gewacht? Is er een extra termijn toegekend voor het indienen van het document? Wat men momenteel terugvindt in Tetra, geeft geen enkel idee over de voortgang van het dossier. TRIA moet het mogelijk maken dit probleem te verhelpen.
  • Er moet concretere informatie worden opgenomen over de achterstallige bedragen en over de beslissingen waartegen beroep is aangetekend en over de opvolging van de beslissingen die ingevolge een vonnis zijn genomen. (Het bedrag evenals de periode worden gewoonlijk opgenomen in het overzicht van betalingen, maar zonder te verduidelijken dat het gaat om achterstallige bedragen en niet om het bedrag van de tegemoetkoming.)
  • De uitwisselingen tussen de DG HAN enerzijds en de PMH en de andere actoren anderzijds moeten zichtbaar worden gemaakt (contactformulieren, telefonische oproepen, sociale zitdagen, …): een historiek van de aan PMH verzonden brieven door de DG HAN is van essentieel belang.
  • Het opvolgen van de klachten moet ook worden getoond: sommige klachten worden voorlopig nog beschouwd als verzoeken om informatie.

Dit alles is noodzakelijk om:

    • het anticiperen op de situatie te vergemakkelijken en de proactieve aanpak van de agent bij het dossierbeheer te ondersteunen;
    • het aantal oproepen van PMH en van andere actoren te verminderen;
    • statistieken over de verwachtingen van PMH, partners, … op te maken;
    • de kwaliteit van de processen en beslissingen te waarborgen.

D. TRIA als begeleiding van de politieke visie

  • TRIA moet het mogelijk maken de gegevenskruising te doen toenemen: voorlopig is het bijvoorbeeld onmogelijk te weten hoeveel sociale bezoeken er per jaar in de centra plaatshebben.
  • De NHRPH herinnert ook aan de absolute noodzaak om zo snel mogelijk een statistiekmodule van TRIA te ontwikkelen. Uit recente studies over de non take-up blijkt immers dat steeds meer personen van de radar van de sociale zekerheid en sociale bijstand verdwijnen. De gezondheidscrisis heeft dit fenomeen nog versterkt. TRIA moet ook kunnen bijdragen tot het ombuigen van deze tendens. Op het vlak van de vooruitziendheid in het algemeen zal niemand de idee betwisten dat de DG HAN over goede en regelmatige statistieken moet beschikken. De statistieken van de DG HAN (evenals die van andere instellingen) moeten kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een beleid ten behoeve van PMH dat rekening houdt met hun reële behoeften.
  • Er moet ook rekening worden gehouden met de bevoegdheden van de deelgebieden.

E. Integratie van een volledige hervorming van de wet van 1987

  • TRIA moet worden gebouwd voor verandering (build for change). TRIA moet ook in staat zijn om, op termijn, een reglementering in te voeren die meer is aangepast aan de inclusie van PMH. Dit kan een andere manier zijn om de inkomens in aanmerking te nemen, een andere definitie van sociale categorieën, enz.

De NHRPH vraagt om zo snel mogelijk en op gestructureerde en ononderbroken wijze, naarmate de 6 TRIA-modules worden ontwikkeld, duidelijke informatie te ontvangen over de prioriteiten die door het management van de DG HAN zijn bepaald. Deze prioriteiten moeten aan de NHRPH worden voorgesteld, zodat laatstgenoemde in staat is te beoordelen wat de parameters van het dossierbeheer zullen zijn, welke acties automatisch zullen verlopen, welke acties menselijke tussenkomst zullen vereisen, enz.

De NHRPH vraagt ook dat het management van TRIA zorgt voor een vorm van validatie van de modules door de belangrijkste partners die sterk betrokken zijn bij het dossierbeheer en die PMH begeleiden: verenigingen van PMH, ziekenfondsen, enz.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan de heer Peter Samyn, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid;
  • Voor opvolging aan de heer Yves De Smedt, wnd. Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een Handicap (DG HAN)
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

  • Raadplegingen: 13

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.