Terug naar hoofdinhoud

Advies 2020/09 - Maatregelen COVID-19-crisis

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2020/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de crisis veroorzaakt door COVID-19, uitgebracht op 30/03/2020 na raadpleging van de leden per e-mail.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De huidige pandemie heeft aanzienlijke negatieve gevolgen voor het dagelijks leven van personen met een handicap. De leden van de NHRPH en van het BDF (Belgian Disability Forum) hebben een eerste lijst van bevindingen opgesteld, maar ook van aanbevelingen die tegemoet kunnen komen aan de behoeften en rechten van personen met een handicap. Mensen met een handicap mogen in deze COVID-19-crisis niet worden vergeten.

2. ANALYSE

De negatieve effecten van de gezondheidscrisis en van de inperkingsmaatregelen zijn voor mensen met een handicap eens zo groot. Vandaag worden mensen met een handicap nog meer dan anders geconfronteerd met het gebrek aan toegankelijkheid van collectieve goederen en diensten.

Mensen met een handicap voelen zich tweederangsburgers, van wie de rechten nog meer worden geschonden dan gewoonlijk. De huidige crisis vergroot alleen maar de uitsluiting en eenzaamheid die ze vaak reeds dagelijks moeten ondergaan.

De gezondheidscrisis treft niet alleen ouderen en chronisch zieken. Het is essentieel om hun de nodige aandacht te schenken. Tegelijkertijd doet er, zich, haast ongemerkt, een (onbedoelde) discriminatie van "invaliden onder de 65 jaar" en personen met een handicap in het algemeen voor. Een persoon met een handicap is niet noodzakelijkerwijs een bejaarde noch, helaas, een valide persoon. Wie zijn ze, en wat is hun plaats in dergelijke omstandigheden? Welke erkenning krijgen ze?

3. ADVIES

De NHRPH heeft een aantal vaststellingen gedaan. Ze zijn niet limitatief.
De NHRPH heeft ook aanbevelingen geformuleerd om het scala aan risico's voor personen met een handicap aan te pakken.

A) Communicatie inzake de volksgezondheid toegankelijk maken

Iedereen heeft het recht om onmiddellijk en correct geïnformeerd te worden over de epidemie en de maatregelen die zij en hun gezinnen moeten nemen. Dit omvat:

  • Ervoor zorgen dat alle informatie in duidelijke en eenvoudige taal wordt geschreven, alternatieve en toegankelijke communicatiemethoden voor algemene informatie bieden, en niet alleen websites gebruiken (geautomatiseerde telefoonlijnen, video's, brochures, enz.).
  • Zorgen voor vertolking in gebarentaal en passende ondertiteling van de communicatie vanaf het begin van de crisissituatie en gedurende de hele duur ervan. Informatie in gewone, gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal (FALC). Gebruik maken van audiodescriptie.
  • Het zorgpersoneel opleidingen in gebarentaal aanbieden, een noodzaak voor de toekomst. Op korte termijn moeten alle noodhulpdiensten en eerstelijnsdiensten worden uitgerust met maskers die gedeeltelijk transparant zijn op lipniveau om ten minste het liplezen mogelijk te maken.
  • Ervoor zorgen dat de noodnummers (112 en de specifieke telefoonnummers die voor deze pandemie in het leven zijn geroepen) volledig toegankelijk zijn, met inbegrip van spraak-naar-tekst-omzetting voor doven en slechthorenden. Een gespecialiseerde vereniging moet hulp kunnen bieden wanneer dat nodig is.
  • Permanent contact onderhouden met een vereniging of organisatie om ondersteuning of hulp te bieden in noodgevallen: ziekenhuisopname, screening, enz.
  • Specifieke webpagina’s maken met veelgestelde vragen (FAQ) over de zorgen van mensen met een handicap en hun gezinnen in alle domeinen van het leven. Deze aanbevelingen zijn van toepassing op alle openbare en particuliere, nationale en lokale informatie, zowel live als opgenomen, waaronder gezondheidsdiensten, energieleveranciers, voedseldistributie-netwerken, enz.

B) Toegang waarborgen tot toegankelijke, inclusieve en hygiënische gezondheidsdiensten en andere faciliteiten, ongeacht de handicap

  • Faciliteiten en diensten voor quarantaine moeten volledig toegankelijk zijn voor mensen met een handicap (met inbegrip van volledige toegankelijkheid van informatie - zie hierboven). Het is duidelijk dat er redelijke aanpassingen moeten worden getroffen voor mensen met een handicap, bijvoorbeeld een aparte ingang.
  • Gebarentolken, persoonlijke assistenten en alle andere mensen die personen met een handicap in noodsituaties en in gezondheidszorginstellingen bijstaan moeten dezelfde gezondheids- en veiligheidsbescherming hebben als andere gezondheidswerkers die met COVID-19 te maken hebben. Dit geldt ook voor onderhoudspersoneel dat eveneens vaak betrokken is bij het dagelijks leven van de patiënt.
  • Werknemers in de gezondheidszorg moeten worden geïnformeerd over de risico's waaraan mensen met reeds bestaande ziekten die hen kwetsbaar maken voor luchtwegaandoeningen worden blootgesteld.
  • Bepaalde pathologieën zoals myalgische encefalomyelitis (chronischevermoeidheidssyndroom) worden soms niet (h)erkend in de medische wereld. Getroffenen worden niet als risicopatiënten beschouwd. Zorgen voor hulpmiddelen om ze snel te kunnen verzorgen; wat zijn de signalen waarop men moet letten?
  • Bij de instructies voor het gezondheidspersoneel moet de nadruk liggen op het respect voor de waardigheid en de keuze van personen met een handicap: de communicatie moet waar mogelijk rechtstreeks met de persoon met een handicap verlopen. De instructies moeten garanties bevatten tegen handicapgebonden discriminatie. Zie advies 2020-08 over de triage van patiënten op spoedafdelingen.
  • Bij elke ingang tot zorginstellingen (ook de ingangen die als "secundair" worden beschouwd en in feite de enige toegankelijke ingang zijn) moeten dezelfde hygiëneprotocollen worden in acht genomen als bij alle andere onderdelen van de dienst. Er dient in de gezondheidszorg rekening te worden gehouden met speciale behoeften bij de opvang van een persoon met een handicap die besmet is met het coronavirus. Communicatieondersteuning en specifieke verpleging moeten worden overwogen, maar ook preventieve maatregelen om bijvoorbeeld doorligwonden te voorkomen.
  • Hygiënematerialen moeten beschikbaar worden gesteld aan personen met een handicap. Deze moeten zich op een toegankelijke plaats bevinden, er moet toegankelijke informatie zijn om hun locatie aan te geven en het distributiesysteem moet toegankelijk zijn.
  • Mantelzorgers moeten alle nodige steun krijgen wanneer ze hun naaste(n), hetzij uit vrije wil, hetzij uit noodzaak, mee naar huis nemen. Mantelzorgers krijgen over het algemeen geen thuishulp om voor hun naaste met en een handicap (kind of volwassene) te zorgen. Veel gezinnen met een kind/volwassene met een handicap zijn eenoudergezinnen; voor hen is een lockdown des te pijnlijker, om nog maar te zwijgen van het feit dat sommige ouders ook hun beroepsactiviteit in de vorm van telewerk moeten voortzetten. Kinderen, jongeren en volwassenen met een handicap verliezen hun referentiekader, hun gebruikelijke activiteiten en raken erg verward. Deze situatie wordt onhoudbaar. De Staat moet ofwel steun en respijt verlenen aan gezinnen die voor een sterk afhankelijke persoon zorgen, ofwel het telewerken afschaffen en tegelijkertijd het inkomen van de verzorgers waarborgen. Voorstellen voor ondersteuning van de burger (netwerkplatformen) zijn geen bevredigende oplossingen in gevallen van grote afhankelijkheid.
  • Noodzakelijke consultaties en behandelingen in het ziekenhuis buiten het kader van COVID-19 moeten toegankelijk zijn en voortgezet worden: aanwezigheid van een onthaalmedewerker, bijvoorbeeld (in het Ziekenhuis Chirec Delta is een medewerker aanwezig).
  • Ondersteuning van het thuishulppersoneel: ervoor zorgen dat verstrekkers van thuis- en familiehulp beschikken over maskers en handschoenen, van behoorlijke kwaliteit en in voldoende hoeveelheden.
  • Sommige hulpmiddelen voor slechtzienden (bijvoorbeeld een pratende thermometer) en/of geneesmiddelen zijn niet voorradig. Wanneer leveringen vertraging oplopen, moet dit door de apotheek aan de persoon met een handicap worden meegedeeld.

C) Investeren in dienstverlening en ondersteuning

  • De gezondheids- en socialezekerheidsstelsels worden in België systematisch ondergefinancierd. Er dient dringend in deze diensten te worden geïnvesteerd om het hoofd te kunnen bieden aan de toegenomen kosten in verband met de crisis, met inbegrip van geneesmiddelen, beschermingsmateriaal en overuren van het personeel.
  • Er moet ook langdurige ondersteuning zijn opdat mensen met een handicap zonder extra kosten voor de betrokkene of zijn of haar entourage thuis zouden kunnen blijven.

D) Het betrekken van mensen met een handicap

  • Personen met een handicap zijn via hun vertegenwoordigende organisaties het best in staat om de overheden die toegankelijke en inclusieve diensten verlenen, te adviseren over specifieke vereisten en de meest geschikte oplossingen.
  • Alle activiteiten ter inperking en bestrijding van COVID-19 (niet alleen die welke rechtstreeks verband houden met de inclusie van personen met een handicap) moeten worden gepland en uitgevoerd met de actieve participatie van personen met een handicap. Dit geldt zowel voor initiatieven op het niveau van de gemeenschap en de bevolking als voor individuele situaties.

E) Erop toezien dat gemarginaliseerde en geïsoleerde mensen niet zonder essentiële goederen, steun en menselijk contact komen te zitten.

  • Zorgen voor strengere preventieve maatregelen voor de groepen van personen met een handicap, die meer kans hebben op besmetting door ademhalingscomplicaties of andere gezondheidsproblemen. Deze maatregelen moeten worden uitgebreid tot hun ondersteuningsnetwerk.
  • De regeringen moeten er rekening mee houden dat beperkingen van de mobiliteit en activiteiten een onevenredig groot effect hebben op personen met beperkte mobiliteit en personen met een handicap. De commerciële diensten moeten worden aangepast: bijvoorbeeld specifieke openingstijden voor personen met een handicap en ouderen, voorrang bij leveringsdiensten, winkelwagens die aangepast zijn aan personen met beperkte mobiliteit, informatie over beschikbare voorraden, enz. Veel personen met een handicap hebben trouwens geen toegang tot het internet: in de praktijk kunnen ze niet online bestellen. Ze hebben minder vaak een goed sociaal netwerk en dreigen aan hun lot te worden overgelaten. Er is nood aan ad-hocdiensten om hen te bereiken, vooral wanneer de crisissituatie enkele weken of zelfs maanden duurt. Er moeten ook distributiepunten worden ontwikkeld die door de lokale overheden worden beheerd.
  • In geval van een tekort aan levensmiddelen of hygiënische producten moeten voor alle burgers onmiddellijk maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zij snel essentiële goederen en diensten ontvangen. Bovendien moeten personen met een handicap daar vlotter toegang toe hebben. Speciale aandacht kan worden besteed aan de toegankelijkheid van supermarkten.
  • Wanneer bezoeken aan gezondheidszorginstellingen worden verboden en sociale afstand wordt aanbevolen, zullen degenen die op zich al meer geïsoleerd zijn, het hardst getroffen worden. Niemand mag zonder essentiële ondersteuning en diensten vallen. De instellingen moeten de nodige steun krijgen van de overheid.
  • Tegelijkertijd is afstand houden in de collectieve wooncentra niet haalbaar, noch tussen bewoners onderling, noch ten opzichte van het personeel. Deze mensen moeten dus zo snel mogelijk worden gescreend en medisch behandeld om de verspreiding van de ziekte te voorkomen.
  • Alle ondersteuningsplannen voor vrouwen - met inbegrip van maatregelen ter bestrijding van huiselijk of familiaal geweld - moeten toegankelijk zijn voor vrouwen met een handicap en omgekeerd moeten de ondersteuningsprogramma's voor mensen met een handicap een genderperspectief bevatten.
  • Maatregelen op vlak van lockdown en ‘social distance’ moeten meer discretionair zijn en aangepast aan de specifieke situatie van personen met een handicap, zodat de fysieke ondersteuning die sommigen onder hen nodig hebben in alle omstandigheden kan worden gehandhaafd, ook op openbare plaatsen (zorginstellingen, supermarkten, banken, enz.). Deze flexibiliteit moet tegelijkertijd gepaard gaan met maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de verzorgers (met inbegrip van opvoeders en onderhoudspersoneel) en van personen met een handicap.

F) Ondersteunende netwerken en hulpmiddelen

  • Er moeten financiële en praktische oplossingen beschikbaar zijn om ervoor te zorgen dat personen met een handicap geen negatieve gevolgen ondervinden van de tijdelijke onbeschikbaarheid van mensen uit hun ondersteunende netwerk (met inbegrip van persoonlijke assistenten, familie en specifieke professionele diensten) als gevolg van de ziekte of van de indirecte gevolgen van COVID-19.
  • De persoon met een handicap is vaak een geïsoleerd en vergeten persoon. De gemeente of de mutualiteit zou een proactieve en ondersteunende gesprekspartner kunnen zijn, die de behoeften van personen met een handicapt coördineert.
  • Het overgrote deel van de budgetten voor opvang- en wooncentra voor personen met een handicap wordt gebruikt voor personeelskosten. De personeelskosten blijven dus behouden als het centrum wordt gesloten, maar de gezinnen worden zonder hulp achtergelaten. In het bijzonder vraagt de NHRPH zich af wat er gebeurt met de persoonlijke budgetten (PersoonsVolgend Budget) die in Vlaanderen aan de persoon worden toegekend wanneer hij/zij terugkeert naar zijn/haar gezin? Hetzelfde geldt voor de nominatieve en prioritaire overeenkomsten die in Wallonië en Brussel aan een bepaald aantal personen worden toegekend. De NHRPH weet niet of fondsen kunnen worden hergebruikt. Men moet hierover nadenken. Temeer daar de woon- en opvangcentra niet zijn gesloten, maar allemaal op een laag pitje draaien: uit respect voor de lockdown zijn de gezinnen terughoudend om een beroep op deze diensten te doen. Deze centra hebben helemaal geen beschermende uitrusting ontvangen. Tegelijkertijd verminderen de verplegingsdiensten hun prestaties drastisch. Gezinnen hebben thuishulp nodig wanneer ze ervoor kiezen - of gedwongen worden - om hun kind of een familielid die in een centrum is ingeschreven, thuis te houden.
  • Evenzo moeten de diensten die betrokken zijn bij de levering en reparatie van essentiële assistentiemiddelen toegankelijk en operationeel zijn.
  • Verstrekkers van ondersteunende diensten moeten beschikken over de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen en instructies om blootstelling aan en verspreiding van het virus tot een minimum te beperken, en ze moeten proactief op het virus worden gescreend. Bij het bieden van persoonlijke bescherming mogen opvoeders niet worden vergeten. Ook zij maken deel uit van het gezondheidspersoneel in de diensten.
  • De crisismaatregelen en opsluiting zullen de geestelijke gezondheid aanzienlijk aantasten en angst en bezorgdheid veroorzaken; het is belangrijk dat iedereen solidariteit en gemeenschapssteun toont. Hiermee zal ook rekening moeten worden gehouden bij de aanpak van de langetermijngevolgen van de gezondheidscrisis. Deze gevolgen hebben zowel betrekking op het personeel in de gezondheidszorg als op sommige reeds kwetsbare burgers (personen met een handicap, maar ook ouderen) en hun families.
  • Ter informatie: er is een lokale solidariteit onder burgers die vooral online leeft. Sommige burgers zijn bereid boodschappen te doen voor kwetsbare mensen en schieten het geld voor. Wanneer geld voorschieten niet mogelijk is, staat de bank toe dat de persoon een klein bedrag op zijn/haar bankrekening stort, zodat hij/zij de kaart aan de vrijwilliger kan geven. Dat is een kwestie van vertrouwen.

G) Inkomensbescherming

  • De overheid moet ervoor zorgen dat mensen met een handicap en mensen met onderliggende gezondheidsproblemen thuis kunnen werken. Wanneer de aard van de tewerkstelling of een handicap dit niet toelaat, moet de overheid een bijzonder verlof garanderen dat 100 % van het inkomen waarborgt.
  • Diensten voor telewerk en afstandsonderwijs moeten ook toegankelijk zijn voor werknemers/studenten met een handicap. Overheden, organisaties en onderwijsinstellingen moeten zorgen voor gebarentaal, ondertiteling, aangepast werk en andere maatregelen, in nauw overleg met de werknemers en studenten met een handicap.
  • Er zijn ingrijpende veranderingen aan de gang in de openbare diensten, waaronder de schorsing van klassen in scholen, in semi-residentiële onderwijs- en revalidatie-instellingen. In deze instellingen blijft er dagopvang. Het ontzeggen van de toegang aan vrijwilligers en mantelzorgers is uiteraard medisch verantwoord, maar heeft een zware psychologische impact op bewoners en personeel. De werkomstandigheden zijn precair geworden (ziekte, angst, geen beschermingsmiddelen beschikbaar) en de extra kosten om de diensten te waarborgen komen ten laste van de voorzieningen. Het is niet normaal dat deze door de crisis ontstane situaties ten laste komen van de opvangvoorzieningen.
  • Het is van essentieel belang dat mensen die hun werk moeten stopzetten om familieleden of anderen te ondersteunen, gedurende deze periode een redelijk inkomen blijven ontvangen. De urgentie is vooral acuut voor gezinnen die moeten instaan voor personen met een grote afhankelijkheid. De NHRPH dringt erop aan dat mensen in een dergelijke situatie effectieve en omvattende bijstand en respijt moeten genieten. Voor ouders die deze hulp niet snel kunnen krijgen, mag telewerk geen verplichting meer zijn; tegelijk moet hun inkomen gewaarborgd zijn. Diensten en structuren die door de coronacrisis gedwongen worden om langer dan verwacht voor een persoon met een handicap te zorgen, moeten de nodige overheidsfinanciering krijgen, zodat dit geen extra kosten voor de betrokkene met zich meebrengt.
  • Wat de revalidatiediensten betreft: in Vlaanderen heeft de administratie voorlopig beslist om de structuren voor sociale bescherming en geneeskundige verzorging niet te sluiten, maar om de continuïteit van de zorg te garanderen en tegelijkertijd aan te dringen op de invoering van telewerk. Voor Wallonië zijn deze revalidatiediensten gesloten, waardoor mensen met een meervoudige handicap niet meer over continue zorg beschikken.
  • Uitgebreide steun dient te worden overwogen voor bedrijven die, net als de horecabedrijven, hun deuren hebben moeten sluiten omdat de maatregelen inzake sociale afstand onmogelijk te respecteren waren.
  • Herinnering aan de wetgeving inzake de door de AVIQ aan de werkgevers toegekende compensatiepremies: deze blijven van toepassing in het geval van telewerk.
  • Bovendien zien sommige mensen een negatief effect op hun tegemoetkoming voor personen met een handicap, omdat ze nu een werkloosheidsuitkering ontvangen. Er dient te worden overwogen de inkomensvrijstelling van de sociale zekerheid voor de integratietegemoetkoming tijdelijk te verhogen.
    Er is ook een vrijstelling van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT), maar die geldt alleen voor inkomen uit arbeid. Ook hier moet een tijdelijke maatregel worden overwogen die ervoor zorgt dat de koopkracht van de IVT-begunstigden wordt gehandhaafd, want anders worden zij gestraft.

H) Respectvolle en niet-discriminerende communicatie over de volksgezondheid

  • Veel mensen met een bestaande medische aandoening, ouderen en mensen met complexe behoeften lopen een verhoogd risico op ernstige gezondheidscomplicaties ten gevolge van COVID-19. Publieke berichten ter zake moeten echter respectvol en zonder vooroordelen zijn, waarbij elk risico van discriminatie van een deel van de bevolking op grond van leeftijd of handicap moet worden vermeden.
  • Mensen onder de 65 jaar met chronische aandoeningen mogen niet worden vergeten in de communicatie. De huidige communicatie richt zich vooral op 65-plussers.
  • Controle van de lockdown op de openbare weg: de politie moet verzocht worden om tolerant te zijn ten opzichte van mensen die een persoon met een handicap helpen (begeleiden van een blinde, duwen van een rolstoel, …). Uiteraard moet er wel een dwingende reden zijn voor de verplaatsing.

I) Ervoor zorgen dat personen met een handicap ‘meetellen’

  • Systemen voor gezondheidsinformatie en -toezicht, alsmede nieuwe systemen die worden gebruikt om de verspreiding en de effecten van COVID-19 te monitoren en in te dammen, moeten minstens naar leeftijd en geslacht worden uitgesplitst.
  • Het opzetten van een geprivilegieerde lijn tussen officiële lokale actoren en de geïsoleerde persoon. Personen met een handicap zijn vaak geïsoleerd en vergeten. De gemeenten en mutualiteiten kunnen proactieve en ondersteunende gesprekspartners zijn die de noden van personen met een handicap coördineren.
  • De gevolgen van de epidemie voor personen met een handicap zullen moeten worden gekwantificeerd en statistisch gedocumenteerd: sterfte, zorg, enz. Ook het medisch-sociale profiel van personen met een handicap zal in de gegevens moeten worden opgenomen.

J) Bescherming van niet-onderdanen waarborgen

  • De EU moet ervoor zorgen dat de lidstaten zonder discriminatie de nodige aandacht besteden aan alle personen met een handicap, ongeacht hun nationaliteit.

=================

De NHRPH vraagt dat alle bevindingen en aanbevelingen - nu en in de toekomst - worden meegenomen in het crisisbeheer van de komende dagen en weken. Ze moeten ook worden opgenomen in de lessen die zijn geleerd bij het beheer van deze pandemie.

Meer dan ooit is er een dringende noodzaak om (de toegang tot) gelijke rechten voor alle burgers met een handicap te realiseren.

De NHRPH vraagt niet om gunsten maar om redelijke aanpassingen omdat onze maatschappij personen met een handicap nog steeds vergeet.
In de huidige crisissituatie riskeren personen met een handicap zeer snel het slachtoffer worden van een verhoogd gevaar als ze niet kunnen genieten van specifieke concrete acties.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan Tom Auwers, Voorzitter van de FOD Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de minister-presidenten en de ministers belast met personen met een handicap bij de deelgebieden;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2020/08 - COVID-19: Patiëntenselectie

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2020/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het idee om de instroom van patiënten met COVID-19 op het niveau van de intensieve zorg te regelen, uitgebracht op 27/03/2020 na raadpleging van de leden per e-mail van 25 maart 2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Gelet op de toename van het aantal patiënten besmet met COVID-19 die zich bij de spoedgevallendienst aanmelden, zou de medische wereld geconfronteerd kunnen worden met de kwestie van de prioriteit tussen de patiënten. Voor de NHRPH rijst dan ook de vraag of bij de algemene beoordeling van de prioriteit rekening wordt gehouden met een handicap.

2. ANALYSE

Het is niet onwaarschijnlijk dat de ziekenhuisvoorzieningen extreem overbelast kunnen raken. Mogelijk moeten artsen gaan beslissen welke patiënten zij opnemen en welke patiënten zij de toegang tot intensieve zorg ontzeggen.

In deze context heeft de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde op verzoek van de FOD Volksgezondheid een tekst met ethische aanbevelingen voor ziekenhuizen opgesteld. Deze tekst heeft tot doel te voorkomen dat artsen zelf moeilijke of soms zelfs willekeurige beslissingen moeten nemen.

De pers (in het bijzonder "Le Soir" en "De Standaard") heeft verslag uitgebracht over deze tekst van de Ethische Raad (enkel in het Engels) van de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde.

In Noord-Italië is het gezondheidssysteem overbelast en is leeftijd een bepalende factor.

In België is de Ethische Raad van mening dat leeftijd alleen niet de doorslag mag geven, omdat een persoon boven de 90 jaar gunstige vooruitzichten kan hebben, terwijl een persoon van boven de 75 jaar net in zeer slechte gezondheid kan verkeren.

De patiëntenselectie maakt deel uit van het dagelijkse werk van de spoedartsen. Met de huidige crisis zal het waarschijnlijk moeilijker worden om het juiste evenwicht te vinden.

De aanpak is en blijft het voorkomen van buitensporige zorg, d.w.z. zorg die niet in verhouding staat tot het te verwachten resultaat. Het kan nooit de bedoeling zijn dat verzorging wordt geweigerd aan iemand met een grote kans op genezing, omdat de afdeling al vol zit met patiënten die waarschijnlijk zullen sterven. De Ethische Raad houdt in zijn beoordeling rekening met de "fragiliteitsscore".

Indien er daarentegen maar één bed in de afdeling intensieve verzorging beschikbaar is en twee of meer personen met een vergelijkbaar profiel hulp nodig hebben, kan de selectie volgens de tekst van de Ethische Raad gebeuren volgens het principe "wie het eerst komt, het eerst maalt" of door middel van loting.

De leden van de Ethische Commissie van het UZ Leuven hebben een andere mening. Zij vinden dat voor intensieve verzorging voorrang kan worden gegeven aan jongere patiënten, op voorwaarde dat hun medische toestand niet slechter is dan die van de oudere patiënt die in aanmerking zou komen voor hetzelfde bed. De tekst van het UZ Leuven is goedgekeurd door de andere universitaire ziekenhuizen.

In deze context vraagt de Belgische Vereniging van Spoedartsen om met oudere en kwetsbare personen te kunnen praten, vooral in zorgcentra, over wat ze wel en niet willen indien ze ernstig ziek worden: willen ze in alle gevallen naar het ziekenhuis? Willen ze gereanimeerd worden?
Gevorderde leeftijd in combinatie met een eerdere medische aandoening kan een bepalende factor zijn: oudere personen die "zwak" zijn - fysiek zeer kwetsbaar - of die een duidelijke cognitieve achteruitgang vertonen - gevorderde dementie - zouden mogelijk niet in het ziekenhuis worden opgenomen indien de diagnose van COVID-19 wordt gesteld. Het idee is dat, indien personen ondanks alle zorg zeer waarschijnlijk zullen sterven, het beter is dat ze in intieme kring sterven dan in een isoleerkamer waar geen enkel familielid aanwezig kan zijn.
In sommige instellingen hebben patiënten de wens geuit om niet te worden gereanimeerd (DNR-code – Do not reanimate).

De Belgische Vereniging van Spoedartsen raadt ook reanimatie van patiënten buiten het ziekenhuis af, bijvoorbeeld in een zorgcentrum. Dit zou te veel besmettingsrisico's met zich meebrengen voor het personeel dat onder deze omstandigheden zou reanimeren.

Alle ethische richtlijnen bepalen dat elke situatie moet worden beoordeeld door 3 artsen. De artsen die verantwoordelijk zijn voor de triage krijgen psychologische begeleiding aangeboden.

3. ADVIES

  • De NHRPH is zich ten volle bewust van de uitzonderlijke inzet van het medisch personeel en het personeel dat instaat voor de ondersteuning van de patiënten, ondanks de moeilijke werkomstandigheden.

  • De NHRPH stelt vast dat de laatste jaren veel bedden moesten verdwijnen in de ziekenhuissector en dat personeels- en werkingskosten werden teruggeschroefd door opeenvolgende besparingsgolven. De NHRPH stelt de vraag wat het effect van dergelijke maatregelen is zowel op het niveau van de verzadiging van het opvangsysteem als op de arbeidsomstandigheden van het zorgpersoneel en de globale kwaliteit van de zorg.

    Tijdens de moeilijke weken en maanden in het verschiet moet de rode draad voor de medische visie van de toekomst naar voren komen: een sterk, alomvattend socialezekerheidsstelsel dat in staat is te voorzien in de medische en ondersteuningsbehoeften van alle burgers, zonder uitzondering. Deze visie moet een prioriteit worden die de economische belangen overstijgt.

  • De NHRPH neemt akte van het ethisch handvest dat werd opgesteld door het Ethisch Comité van de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde en wijst erop dat het handvest enkel van toepassing is in geval van extreme verzadiging van het opvangsysteem voor de noodgevallen. De NHRPH merkt ook op dat universiteitsklinieken hun eigen handvest hebben met een aanvulling op het criterium van de leeftijd.

  • De NHRPH merkt op dat de triage bedoeld is om bescherming te bieden tegen willekeur. Daarom is de triage onderworpen aan de combinatie van verschillende hiërarchische criteria:

    - Het eerste selectiecriterium is de medische situatie van de patiënt.
    - Voor eenzelfde medische situatie is de leeftijd van de patiënt bepalend: de jongste patiënt krijgt de voorkeur, rekening houdend met het criterium van de levensverwachting.
    - Het derde criterium is "wie het eerst komt, het eerst maalt".
    - Een ultiem criterium, in geval van een grote toestroom op hetzelfde moment, zou loting zijn.

    De NHRPH vindt het essentieel dat de spoedartsen de selectiecriteria geenszins zelf mogen bepalen.

  • Tegelijkertijd is de NHRPH erover bezorgd dat de ethische handvesten niet duidelijk ingaan op de concrete situatie van patiënten met een handicap die niet noodzakelijkerwijs al gezondheidsproblemen hadden vóór COVID-19. Valt de handicap dan onder het eerste selectiecriterium, namelijk de "medische situatie" van de patiënt? Met andere woorden, zullen personen wegens hun handicap worden beschouwd als personen met een verzwakte medische toestand? Om het nog duidelijker te formuleren: wordt een 40-jarige persoon met een matige verstandelijke handicap of een 55-jarige persoon die de eerste symptomen van alzheimer op gelijke voet gesteld met de persoon zonder deze problematiek of wordt hij veeleer als ‘verzwakt’ beschouwd? Wordt er daarnaast ook impliciet van uitgegaan dat de levenskwaliteit van deze personen sowieso minder is en dat intensieve verzorging voor hen eventueel minder prioritair zou zijn in geval van een overbelasting van de diensten?

    De NHRPH is van mening dat handicap, medische situatie, levensverwachting en levenskwaliteit in geen geval met elkaar mogen worden verward.

  • De NHRPH merkt op dat de uitdrukking van de wil van de personen, hun vertegenwoordigers of mandatarissen niet is opgenomen in de selectiecriteria van de ethische handvesten.

    De NHRPH is van mening dat IEDERE PERSOON, ziek of niet, al dan niet met een handicap, zijn of haar wil moet kunnen uiten over de gewenste zorg. De instemming is een integraal onderdeel van de bestaande wetgeving inzake de rechten van de patiënt. Deze wetgeving blijft in alle omstandigheden van toepassing. De keuze van de patiënt kan op voorhand en buiten elke noodsituatie kenbaar worden gemaakt (bijv. DNR-code of een ander naar behoren ingevuld attest), maar ook wanneer de noodsituatie zich voordoet. In al deze gevallen moet deze keuze worden gemaakt, indien nodig in nauw overleg met de vertrouwenspersoon, de familie, de dienst die de persoon begeleidt en/of de bewindvoerder. De NHRPH dringt er sterk op aan dat deze verschillende actoren betrokken worden bij de te nemen beslissingen wanneer de patiënt dit wenst of wanneer hij niet meer in staat is zijn keuze uit te drukken.
    De Belgische Vereniging van Spoedartsen geeft ook heel duidelijk aan dat ze de wil van de personen moet kunnen kennen of te weten komen.

  • De NHRPH staat er ook op dat artsen altijd met de patiënt moeten kunnen communiceren, ongeacht de mate van de handicap of ziekte en ongeacht de communicatiewijze van de patiënt (gebarentaal, makkelijk te begrijpen taal, enz.). De keuze van de patiënt kan ook kenbaar worden gemaakt door zijn wettelijke vertegenwoordiger, indien de patiënt niet meer in staat is om dit te doen (in overeenstemming met de bepalingen van de wetgeving inzake de rechten van de patiënt).

    Algemeen gesproken moeten de ethische handvesten de onzekerheid bij de keuze over het leven of de dood van de patiënt zoveel mogelijk beperken. Dit helpt ook het medisch personeel bij beslissingen die altijd moeilijk blijven op menselijke vlak.

  • De NHRPH is van mening dat de tekst van de Ethische Raad van de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde nog veel ruimte voor interpretatie laat. De onduidelijkheden in de tekst m.b.t. het statuut van de persoon met een handicap en het respect voor zijn wilsuiting moeten worden weggewerkt.

  • Tot slot benadrukt de NHRPH ook dat patiënten die niet in de afdeling intensieve zorg kunnen worden behandeld omdat ze te zeer verzwakt zijn, toch moeten kunnen worden opgevangen en genieten van alternatieve kwaliteitszorg. Deze eis wordt des te relevanter wanneer de persoon zich heeft uitgesproken tegen therapeutische hardnekkigheid.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Ethische Raad van de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde;
  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de heer Tom Auwers, Voorzitter van de FOD Volksgezondheid;
  • Ter info aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/05 - Toegankelijkheid Finance Tower voor dove en slechthorende personen

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Leefomgeving

Advies nr. 2020/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van de diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën) en de FOD Sociale Zekerheid in de Finance Tower voor dove en slechthorende personen, uitgebracht op 20/03/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH via e-mail.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH ontving klachten over het onthaal van dove en slechthorende personen bij de diensten van de FOD Financiën in de Finance Tower.

2. ANALYSE

Op sociale media circuleerde begin 2020 een filmpje van een ontevreden dove bezoeker van de FOD Financiën in de Finance Tower, een openbare dienst die o.a. informatie inzake de belastingen verschaft. Zijn grootste grief was dat er geen gebarentolk aanwezig was om hem bij te staan. Nochtans werd er wel een permanentie voor gebarenvertolking aangekondigd op het infobord aan de ondergrondse ingang van de FOD Financiën aan metrostation Kruidtuin.

De NHRPH ontving vergelijkbare klachten van zijn achterban, o.a. over het onthaal van dove en slechthorende personen bij de FOD Sociale zekerheid, waartoe ook de DG Personen met een handicap (DG HAN) behoort. Dove en slechthorende personen en andere personen met een handicap moeten zich soms naar de Finance Tower begeven om een sociaal assistent te spreken of om een medisch onderzoek te ondergaan in het kader van het verkrijgen van een erkenning van de handicap, tegemoetkomingen enz.
Het publiek van de personen met een handicap is erg divers met diverse behoeften, en dat geldt ook voor personen met een auditieve handicap. Sommigen kunnen liplezen, sommigen horen nog redelijk, anderen gebruiken een cochleaire implant of andere technische oplossing en nog anderen gebruiken gebarentaal.

Voorlopig is er geen structureel onthaal voor dove en slechthorende personen in de Finance Tower. Er is wel een enkele Nederlandstalige medewerker van de FOD Sociale Zekerheid die soms invalt als gebarentolk Vlaamse Gebarentaal (VGT). Die persoon heeft echter zijn eigen takenpakket en is niet altijd beschikbaar of zelfs maar aanwezig. Voor Frans-Belgische Gebarentaal (LSFB) is er niemand.

Vanuit de sector van de personen met een auditieve handicap kreeg de NHRPH nog meer opmerkingen. De inkomhal is groot, hoog, onoverzichtelijk (een onthaal links voor de FOD Sociale Zekerheid en een onthaal rechts voor de FOD Financiën) en rumoerig met veel passage. Daardoor is het moeilijk om de mensen van het onthaal goed te verstaan. Het gebouw zelf is een doolhof voor wie er de weg niet kent. Veel signalisatie is er niet.

Overigens schort er nog veel meer aan de toegankelijkheid van de Finance Tower. Aangezien het gebouw de DG Personen met een handicap huisvest, is dit gebouw jammer genoeg ook een symbooldossier van de ontoereikende toegankelijkheid van de openbare gebouwen en overheidsgebouwen in België. De NHRPH heeft er dan ook al meermaals adviezen over uitgebracht, o.a. over de toegankelijkheid van de Finance Tower in het algemeen ter gelegenheid van de verhuizing van de DG Personen met een handicap naar de Finance Tower in 2009 (2009-05) en recenter over het geplande nieuwe onthaalpunt voor personen met een handicap (2018-21)

Op 4 februari 2020 had de NHRPH een ontmoeting met afgevaardigden van de Regie der Gebouwen, de FOD Financiën en de FOD Sociale Zekerheid over de ontoereikende toegankelijkheid van de Finance Tower. Na het uiteenzetten van de klachten nam de NHRPH akte van de volgende standpunten van de gesprekspartners:

  • Er bestaat een algemeen toegankelijkheidsplan voor de Finance Tower. De bevoegde instanties zijn bereid om hierrond samen te werken met de NHRPH.
  • Er is onvoldoende personeel voor een permanent onthaal voor dove en slechthorende personen.
  • De FOD Sociale Zekerheid zal de mogelijkheden van teletolken en videoconferenties onderzoeken.
  • De verantwoordelijke van de Logistieke Cel Finance Tower van de FOD Financiën liet weten dat de procedure voor afsprakenbeheer niet kan worden aangepast voor slechts één locatie, ook niet online.

De bevoegde instanties beweren dat volledig toegankelijke diensten in de Finance Tower niet haalbaar zijn en vragen de NHRPH om prioriteiten voor te stellen.

Ondertussen is het bord dat verkeerdelijk permanentie van gebarentaal beloofde weggehaald. In plaats van een bord met verkeerde informatie is er nu geen informatie over het onthaal van dove en slechthorende personen.

3. ADVIES

  • De NHRPH wijst op de openbare taak van dienstverlening van de betrokken FOD’s aan de hele bevolking, in het bijzonder aan een kwetsbaar en vaak minder mobiel publiek. Toegankelijkheid is een noodzaak, zeker bij een dienst als DG HAN die specifiek voor personen met een handicap werkt. Maar dat geldt zeker ook voor de FOD Financiën, zeker nu personen met een handicap steeds vaker werknemer (willen) worden. Toegankelijkheid is geen buffet waar je naar believen uit kan uitkiezen. Toegankelijkheid vereist een integrale aanpak.
  • De NHRPH eist dat de diensten van de FOD Financiën en de FOD Sociale Zekerheid volledig toegankelijk zijn voor dove en slechthorende personen.
  • Het onthaal zelf moet efficiënter voor personen met een auditieve handicap. Mogelijke oplossingen zijn: een onthaalbalie die is afgeschermd van omgevingsgeluiden, meer privacy, ringleiding, …
  • Er is een nood aan eenvoudige, universeel toegankelijke bewegwijzering.
  • Brand- en andere alarmen moeten behalve met een geluidssignaal ook op andere wijze worden gegeven, bijvoorbeeld visueel (licht), via sms (trilfunctie), …
  • De diensten moeten ook correcte, actuele en duidelijke informatie bieden aan het publiek (personen met een handicap zelf, hun omgeving, de verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen etc.): online, aan het onthaal van de Finance Tower (de verschillende FOD’s, Tax-on Web, …), via informatieborden, via de verenigingen voor personen met een handicap, …
  • De FOD Financiën en de FOD Sociale Zekerheid moeten gebarentaalvertolking aanbieden in Vlaamse Gebarentaal (VGT) en Frans-Belgische Gebarentaal (Langue des Signes Francophone de Belgique).
  • Dove en slechthorende personen moeten de mogelijkheid hebben om gebarentaalvertolking aan te vragen, o.a. via het afspraakformulier online, overeenkomstig het principe van de redelijke aanpassingen.
  • De Regie der Gebouwen moet een algemeen masterplan voor toegankelijkheid ontwikkelen voor haar gebouwen, in de eerste plaats voor de diensten die burgers ontvangen.
  • De bevoegde diensten moeten een ambitieus en concreet toegankelijkheidsplan uitwerken en uitvoeren om de diensten van de FOD’s in de Finance Tower snel toegankelijk te maken, niet alleen voor dove en slechthorende personen, maar voor alle personen met een handicap. De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de betrokken diensten om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Universele toegankelijkheid is dus een noodzaak.
  • De NHRPH verwacht vanwege de Regie der Gebouwen, de FOD Financiën en de FOD Sociale Zekerheid opvolging en feedback van de aanbevelingen en verwachtingen in zijn adviezen.
  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH nadrukkelijk om de bevoegde technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Hans D’Hondt, Voorzitter van de FOD Financiën;
  • Voor opvolging aan de heer Peter Samyn, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid;
  • Voor opvolging aan de Regie der Gebouwen;
  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen;
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Financiën;
  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan Unia;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 15

Advies 2020/03 - Nationaal hervormingsprogramma 2020

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2020-03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Nationaal Hervormingsprogramma 2020, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 17/02/2020.

Advies op verzoek van de Eerste Minister, mevrouw Sophie Wilmès (verzoek van 29/01/2020).

1. ONDERWERP

De Europa 2020-strategie heeft tot doel de verbetering van de indicatoren voor duurzame ontwikkeling inzake groei, werkgelegenheid en milieubescherming op elkaar af te stemmen en tegelijk het concurrentievermogen van Europa op wereldvlak te vergroten. In het kader van deze strategie dient elke lidstaat bij de Europese Commissie een uitgewerkt programma in met nationale doelstellingen die voortvloeien uit de ambities die op Europees niveau vastgesteld zijn. Dit is het Nationaal Hervormingsprogramma (NHP).

De Eerste Minister heeft het advies van de NHRPH gevraagd ter voorbereiding van het NHP 2020.

2. ANALYSE

Op 27 februari 2019 wees de Europese Commissie in het evaluatieverslag van België in het kader van het Europees semester op het volgende:

  • De inactiviteitsgraad behoort tot de hoogste in de EU en personen met een handicap lopen in vergelijking met andere landen meer risico op armoede of sociale uitsluiting (blz. 5).

  • Personen met een handicap staan voor bijzonder stevige uitdagingen op het gebied van de toegang tot de gezondheidszorg (blz. 8).

  • De inactiviteitsgraad behoort tot de hoogste in de EU en een toenemend deel van de inactieven is ziek of invalide. In 2017 bedroeg de inactiviteitsgraad (25 - 64 jaar) 23,4 %, wat ruim boven het EU-gemiddelde van 20,4 % is. Hoewel de inactiviteitsgraad in de loop der tijd stabiel is gebleven, zijn de redenen voor inactiviteit aanzienlijk veranderd. De inactieve bevolking tussen 25 en 64 jaar die ziek of invalide was, nam toe van 16 % in 2007 tot 30 % in 2017 (blz. 36).

  • Personen met een handicap staan voor bijzonder grote uitdagingen op het gebied van armoede, onderwijsniveau en werkgelegenheid. De werkgelegenheidsgraad voor personen met een handicap is veel lager dan het EU-gemiddelde (40,5 % tegenover 48,1 %). De overgang van de traditionele benadering van het welzijn van personen met een handicap naar een op rechten gebaseerde benadering (waarbij personen met een handicap worden beschouwd als actieve burgers die toegang tot alle gemeenschapsdiensten nodig hebben) verloopt traag. Aangezien allerlei domeinen (werk, onderwijs, diensten, sociale uitkeringen enz.) moeten worden aangepakt, maakt het ontbreken van een de-institutionaliseringsstrategie in overleg tussen het federale en het deelstaatniveau (in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) het moeilijker om de situatie aan te pakken (blz. 49).

  • Er moet ook fors worden geïnvesteerd in sociale inclusie, met name om te zorgen voor gelijke en inclusieve toegang tot diensten (met inbegrip van gezondheidszorg en langdurige zorg), volledige deelname van personen met een handicap aan de samenleving (blz. 49).

Op 5 juni 2019 heeft de Europese Raad België een reeks aanbevelingen overhandigd voor zijn nationaal hervormingsprogramma 2020:

  1. "ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de primaire netto-overheidsuitgaven in 2020 niet hoger ligt dan 1,6 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp; eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen; de hervormingen voortzetten om de budgettaire houdbaarheid van de stelsels voor langdurige zorg en pensioenen te waarborgen, onder meer door de mogelijkheden voor vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt te beperken; de samenstelling en efficiëntie van de publieke uitgaven verbeteren, met name door middel van uitgaventoetsingen, en de coördinatie van het begrotingsbeleid door alle overheidsniveaus verbeteren om ruimte te creëren voor openbare investeringen;

  2. de hindernissen om te werken wegnemen en de doeltreffendheid van een actief arbeidsmarktbeleid versterken, met name voor laagopgeleiden, oudere werknemers en personen met een migrantenachtergrond; de prestaties en de inclusiviteit van de onderwijs- en opleidingssystemen verbeteren en de vaardighedenmismatches aanpakken;

  3. het investeringsgerelateerde economische beleid toespitsen op duurzaam vervoer, met inbegrip van verbetering van de spoorweginfrastructuur, decarbonisatie en energietransitie en onderzoek en innovatie, met name op het gebied van digitalisering, rekening houdend met regionale verschillen; de groeiende mobiliteitsuitdagingen aanpakken door de prikkels te versterken en belemmeringen weg te nemen om vraag naar en aanbod van collectief vervoer en vervoer met een lage emissie te vergroten;

  4. de regelgevende en administratieve druk verminderen om ondernemerschap te stimuleren en de belemmeringen voor concurrentie in de dienstensector, met name telecommunicatie-, detailhandels- en professionele diensten, op te heffen."

3. ADVIES

De NHRPH zou graag de volgende punten als prioriteiten opgenomen zien in het NHP 2020, rekening houdend met de bevindingen van de Commissie, de aanbevelingen van de Europese Raad en de door de verenigingen op het terrein vastgestelde verslechtering van de leefomstandigheden van personen met een handicap (zie verder):

  1. De tewerkstellingsgraad van personen met een handicap en zieken effectief verhogen. De verwachte wedertewerkstellingen als gevolg van de back-to-workmaatregel zijn uitgebleven wegens een gebrek aan begeleiding. Er moeten personele middelen zijn om zieke werknemers en werknemers met een handicap aan het werk te krijgen en te begeleiden (advies 2015-32).

    Meer fundamenteel is het dringend noodzakelijk dat de regering op concrete wijze een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers in de privésector invoert. De NHRPH neemt nota van de inwerkingtreding van het nieuwe koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden inzake positieve actie betreffende redelijke aanpassingen voor personen met een handicap. De NHRPH wacht op een concrete beoordeling ervan.
    Als grootste werkgever van het land moet de Staat het goede voorbeeld geven door personen met een handicap in dienst te nemen. Het laatste BCAPH-verslag van 2018 maakt gewag van een gemiddelde tewerkstellingsgraad van minder dan 2 % in het federaal openbaar ambt. In zijn advies 2017-01 formuleert de NHRPH een aantal aanbevelingen om de tewerkstelling van personen met een handicap en zieken in het openbaar ambt te ondersteunen.

  2. Het reglementair kader hervormen. Het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap – wet van 27 februari 1987 – voorziet absoluut niet meer in de behoeften van personen met een handicap: de inkomensvervangende tegemoetkoming ligt 20 % onder de armoedegrens, het inkomen van het jaar -2/-1 wordt in aanmerking genomen, het duurt lang om de dossiers te behandelen, er zijn geen concrete maatregelen of overstapmaatregelen om de terugkeer naar het werk te ondersteunen, … Allemaal situaties die personen met een handicap verder in de armoede duwen. Er is dringend nood aan een grondige hervorming van de wet, die op 1 februari 2020 201.192 begunstigden aanbelangt (memorandum 2019).

    Het begrip ‘vroegere toestand’ in artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (RIZIV-stelsel) sluit begeleidingsmaatregelen voor de (weder)tewerkstelling uit voor personen bij wie de handicap zich op zeer jonge leeftijd manifesteerde. De NHRPH benadrukt dat een dergelijke maatregel anachronistisch is en dat de tekst moet worden herschreven om werknemers met een handicap een volledige en duurzame sociale bescherming te garanderen, ongeacht de oorzaak van hun handicap.

  3. Opleidingen moeten toegankelijker en van hogere kwaliteit worden. De overwegingen van de afgelopen jaren in verband met schooluitval en de ontoereikendheid van opleidingen en vakrichtingen die niet of nauwelijks beantwoorden aan de behoeften van de arbeidsmarkt, gelden des te meer voor studenten met een handicap. De NHRPH herinnert ook aan zijn oproep tot meer inclusief onderwijs, wat ook zou moeten bijdragen tot minder schooluitval. Dit betekent niet de afschaffing van het bijzonder onderwijs, maar de aanpassing van het gewone onderwijs aan de behoeften van kinderen met een handicap, door middel van gedifferentieerde pedagogische benaderingen en gebaseerd op de behoeften van de leerling en niet op zijn handicap. In 2019 hebben de VN-deskundigen hierover een duidelijke vraag aan België gesteld (aanbevelingen VN-experten, p. 5 punt 22).

  4. Op het gebied van mobiliteit moet prioriteit worden gegeven aan toegankelijk vervoer voor iedereen en aan intermodaliteit: zelfstandig een trein of bus kunnen nemen is noodzakelijk om volwassenen en kinderen met een handicap toegang te geven tot werk en opleiding. Langetermijnplanning is belangrijk. Door het rollend materiaal dat de NMBS thans aankoopt, zullen de treinen de komende dertig jaar niet toegankelijk zijn voor personen met een handicap (perscommuniqué van de NHRPH van 23/12/2019) en personen met beperkte mobiliteit (m.a.w. 1 op de 3 personen in België). Deze maatregel staat bovendien haaks op de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling die België nochtans heeft onderschreven.

  5. Op het gebied van zorg moeten patiënten die thans geen toegang hebben tot zorg door gebrek aan geld of informatie, een betere toegang ertoe krijgen. Tevens is er nood aan een betere toegankelijkheid van de ziekenhuizen en toegang tot informatie en opleiding voor professionele dienstverleners. Een collectief zorgkader dat ook toegankelijk is voor personen met een handicap is een prioriteit; indien nodig moet worden voorzien in specifieke zorg. Meer details in de nota van de NHRPH van 19/09/2017.

  6. Op het gebied van toegang tot het pensioen herinnert de NHRPH eraan dat het voor veel personen met een handicap, maar ook voor hun mantelzorgers moeilijk is om hun loopbaan te verlengen. Het zou integendeel mogelijk moeten zijn het einde van hun loopbaan aan te passen en onderbrekingsperiodes tijdens hun loopbaan gelijk te stellen. Personen met een handicap en/of hun mantelzorgers hebben vaak minder werkvooruitzichten en loopbaanmogelijkheden, vaak tegen hun wil in, met alle situaties van sociale uitsluiting en armoede op lange termijn van dien (details in de studie van de Koning Boudewijnstichting).

    Op pensioen gaan klinkt voor personen met een handicap vaak als een tweede hellevaart, omdat de kosten van het ouder worden en hun gezondheidstoestand onvermijdelijk stijgen. De regering zou ook de invoering van een ander mechanisme moeten bestuderen, namelijk de loopbaanjaren van personen met een handicap gunstiger in aanmerking nemen om zo hun tewerkstelling te bevorderen. De NHRPH is daarentegen van mening dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van de rechten) moet worden bestudeerd voor personen met een handicap. Dit zou hen aanmoedigen om te werken, waarbij tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de voor hen zware activiteit.

  7. Op het gebied van de structuurfondsen dringt de NHRPH erop aan dat zij worden ingezet voor een beleid dat personen met een handicap en hun gezinnen daadwerkelijk ondersteunt bij de ontwikkeling van een zelfstandig leven en hun inclusie in het gemeenschapsleven. De structuurfondsen moeten in de eerste plaats worden ingezet voor de institutionele overgang van personen met een handicap: namelijk huisvesting en aangepaste collectieve hulp.

  8. Op het vlak van armoedebestrijding herinnert de NHRPH nogmaals aan de pijler van de Europa 2020-strategie met betrekking tot armoedebestrijding en in het bijzonder aan de doelstelling om het aantal personen in bestaansonzekerheid in België te verminderen. De armoedecijfers stijgen al jarenlang (2.250.000 personen lopen een zeer groot armoederisico) en de toename van de werkgelegenheid in België is de armsten niet ten goede gekomen: de leefomstandigheden van personen met een handicap in België behoren tot de slechtste in Europa. De regeringen moeten dringend op een coherente en complementaire manier werken aan een interfederale strategie ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting van alle kwetsbare groepen: er moet worden uitgegaan van de behoeften van de verschillende groepen en het beleid moet op alle niveaus worden geïntegreerd. Dit plan moet worden gezien als een essentiële bijdrage aan de economische, sociale en politieke stabiliteit van het land. Bovendien had het Rekenhof in zijn controle van het tweede federaal plan armoedebestrijding (blz. 1 en 16) betreurd dat de interministeriële conferentie Sociale Integratie sinds 2013 wordt onderbenut en sindsdien niet meer heeft vergaderd of substantieel werk geleverd.

    De NHRPH roept op tot een snelle reactivering van de interministeriële conferentie om krachtige en op elkaar afgestemde armoedebestrijdingsmaatregelen te plannen.

    Het boek Handicap en armoede (december 2019) bevat een aantal essentiële aanbevelingen om handicapgerelateerde armoede terug te dringen. Bijzondere aandacht gaat naar:

    1. een betere inkomensbescherming: de IVT verhogen, de ‘prijs van de liefde’ afbouwen, de toekenningsprocedure administratief vereenvoudigen, de evaluatiecriteria en de toepassing ervan grondig onderzoeken;

    2. een volwaardig burgerschap: de maatschappelijke participatie monitoren: handistreaming versterken, ‘handicap’-indicator, interfederale aanpak;

    3. deelname aan de arbeidsmarkt als positieve maatregel: activiteitsvallen terugdringen/vermijden, aangepast werk voor personen met een handicap;

    4. verminderen van niet-gebruik (non take-up): een meer outreachende, proactieve benadering binnen de eerstelijnsdiensten; nadenken over het gebruik van digitale technologieën; bijzondere aandacht voor personen met een migratie-achtergrond.

    Deze overwegingen en standpunten doen denken aan deze van het Belgisch Platform tegen armoede en sociale uitsluiting EU2020 van 31 januari jongstleden:

    de tegemoetkomingen optrekken tot boven de armoedegrens en de volledige sociale bescherming van de bevolking verzekeren,

    gratis kinderopvang, onderwijs, gezondheidszorg en degelijke huisvesting en adequate voeding voor kinderen,

    actieve en sociale inclusie van personen die hun baan hebben verloren en die niet meer gewenst zijn op de arbeidsmarkt,

    dak- en thuisloosheid voorkomen en bestrijden,

    en ten slotte een beleid uittekenen en uitvoeren dat gericht is op een betere integratie van migranten (taalcursussen, erkenning van diploma's en competenties, ondersteuning van sociale diensten enz.).

    De NHRPH staat volledig achter deze aanbevelingen, omdat een chronische ziekte of een handicap bovengenoemde risico's nog verder vergroot. Daarom steunt de NHRPH de aanpak van het Belgisch Platform tegen armoede en sociale uitsluiting EU2020, dat vraagt om zijn Opinie van 31/01/2020 bij het NHP 2020 te voegen.

    De NHRPH herinnert ook aan de vele conclusies en aanbevelingen van het tweejaarlijkse verslag 2018-2019 Duurzaamheid en armoede en aan de gevolgen van de klimaatveranderingsproblematiek op het vlak van armoede. Het is van cruciaal belang dat de armoededimensie wordt meegenomen bij het uitstippelen van het milieubeleid, anders worden armen nog meer uitgesloten. De NHRPH herinnert aan de opmerkelijke bijdrage van de heer Wim Van Lancker (KU Leuven), die erop wees dat

    • de herverdelende werking van de sociale uitgaven met 13 % is afgenomen tussen 2005 (48 %) en 2018 (35 %);

    • de armoede in dezelfde periode zijn hoogste niveau heeft bereikt: 16,4 % tegenover 14,8 %.

    Dit is de slechtst denkbare combinatie. Hierdoor

    1. zijn er in België veel meer mensen in armoede in vergelijking met andere landen

    2. en geraken die mensen er ook moeilijker uit.

    We hebben een langetermijnplan nodig met een duidelijke visie van ‘welk samenlevingsmodel we willen’, anders zitten we hier binnen 25 jaar opnieuw zonder resultaat! De doelstellingen moeten worden uitgesplitst op

    • lokaal niveau: directe ondersteuning, toegankelijke dienstverlening en preventief werk; outreachend werken en toekennen van rechten;

    • regionaal niveau: huisvesting, tewerkstelling, zorg, onderwijs, kinderopvang;

    • federaal niveau: sociale zekerheid, fiscaliteit, gezondheidszorg.

    Overleg over alle niveaus heen is de sleutel tot succes.

  9. Op het gebied van de statistieken bestaat er geen eenduidige definitie van het begrip ‘handicap’ of een duidelijk verband tussen de verschillende erkenningsstelsels. Zo worden personen met een handicap die door de DG Personen met een handicap worden erkend, niet noodzakelijkerwijs erkend door de regionale agentschappen (AVIQ, Phare, VDAB enz.). Zij dreigen bijgevolg buiten de tewerkstellings- en opleidingsmogelijkheden te vallen. De toekomstige regeringen moeten hun databanken integreren en samenwerken om een beleid te ontwikkelen dat werkelijk beantwoordt aan de behoeften van de personen op de voormelde gebieden.

  10. In termen van politiek functioneren wordt het echt noodzakelijk en dringend dat de verschillende bevoegdheidsniveaus met elkaar praten en samenwerken om volledige en geïntegreerde antwoorden te geven op de behoeften van de personen. Alle IMC’s moeten worden gereactiveerd.

  11. Het gebruik van makkelijk leesbare en begrijpelijke taal (easy to read) bevorderen, gebarentaal veralgemenen, en ook proactieve en competente sociale loketten herinvoeren – allemaal essentiële instrumenten in de strijd tegen armoede in het dagelijks leven.

  12. Tot slot wordt het voor het opstellen van de NHP's en de correcte input voor het Europees semester van essentieel belang om alle actoren van het maatschappelijk middenveld die dicht bij armoede en kwetsbare groepen in onze samenleving staan, actief en duurzaam bij het proces te betrekken. België wordt vaak genoemd als voorbeeld van overleg. Er zijn veel plaatsen voor denkoefeningen: bij vele ervan worden de rechtstreekse belanghebbenden vaak betrokken. De politieke besluitvorming moet dringend de dagelijkse behoeften als uitgangspunt nemen. De NHRPH wenst dat het volgende NHP het resultaat zal zijn van een daadwerkelijk participatieve en inclusieve denkoefening over ieders behoeften.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2019/12 - Kosten vrederechter

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2019/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de betaling van de kosten in het kader van een rechtsbeschermingsprocedure.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH tijdens de plenaire vergadering van 16 december 2019.

1. ONDERWERP

De NHRPH werd ervan op de hoogte gebracht dat de persoon met een handicap of de gezinnen de kosten moeten dragen die verband houden met de inschrijving op de rol van een aanvraag van een beschermingsmaatregel, en ook van de verplaatsingskosten van de vrederechter.

2. ANALYSE

De NHRPH heeft moeilijkheden ondervonden voor het vinden van de ad-hocteksten, maar ook bij de interpretatie ervan. Hij heeft een beroep gedaan op een aantal juridische specialisten die het secretariaat vriendelijk hebben geïnformeerd. De beschouwingen zijn gebaseerd zowel op de wetteksten als op de expertise van de specialisten.

Een nieuw artikel 1248 werd bij de wet van 21/12/2018 ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek; en is op 01/03/2019 in werking getreden. Het bepaalt dat de rechter de regels inzake de kosten en uitgaven bepaalt. De artikelen 1017 en volgende - die bepalen dat bij ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de kosten voor de in het ongelijk gestelde partij zijn - zijn niet van toepassing. De rechter beslist in het licht van de omstandigheden van elke zaak of de kosten van de ambtshalve aangewezen advocaat ten laste komen van de verzoeker of van de beschermde of te beschermen persoon, tenzij de verzoeker of de beschermde of te beschermen persoon voldoet aan de in artikel 508/13 bedoelde voorwaarden om te kunnen genieten van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand.

Uit ervaring blijkt dat de kosten worden gedragen door de beschermde persoon of zijn gezin, omdat zij het meestal zijn die het verzoek hebben ingediend.

De indiening van een verzoek om gerechtelijke bescherming brengt de volgende kosten met zich mee:

  1. 20 voor de bijdrage aan de financiering van de wettelijke bijstand. Deze bijdrage zou eenmalig zijn en geïnd worden bij de indiening van het eerste verzoek voor de administratieve dossiers, ongeacht het aantal ingediende gerechtelijke procedures. Het verzoek is vrijgesteld van inschrijvingsrecht op de rol.

  2. Reiskosten: van de rechter en de griffier, rekening houdend met de reismogelijkheden van de betrokken persoon (medisch attest). Artikel 1018 GW bepaalt dat "5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, (...)" deel uitmaken van de kosten.

    De reiskosten worden berekend op basis van de afstand tussen het vredegerecht en de plaats waartoe de rechtbank zich moet begeven.

    De (geïndexeerde) bedragen zijn nu dezelfde in het informaticasysteem dat voortaan door alle vredegerechten wordt gebruikt.

    Deze kosten worden door het systeem als volgt vastgesteld:
    - 14,50 x 2 (rechter + griffier) van 1 tot 5 km -> € 29,00
    - 21,75 x 2 van 5 tot 10 km -> € 43,50
    - 29,00 x 2 van 10 tot 15 km -> 58,00
    - 38,67 x 2 verder dan 15 km -> 77,34

    De afstanden worden berekend op basis van de wettelijke afstanden uit een officiële lijst waarover de griffie beschikt en die de griffiers die de kosten eisen verplicht moeten gebruiken.

  3. Medische expertise: bij gebrek aan een medisch attest of om een reden die de rechter noodzakelijk acht, kan deze laatste een medisch deskundige aanwijzen. In sommige gevallen kunnen er dus expertisekosten worden aangerekend.

  4. De wet van 21/12/2018 voorziet in de bijstand van een ambtshalve aangewezen advocaat op verzoek van de te beschermen (of reeds beschermde) persoon. Afhankelijk van het inkomen van de persoon zal de Staat deze kosten al dan niet ten laste nemen. De wet bepaalt dat de beslissing door de rechter wordt genomen "in het licht van de omstandigheden van elke zaak". Bijvoorbeeld, indien het verzoek ter bescherming van een persoon afkomstig is van zijn naaste omgeving en wordt afgewezen, dan kunnen de kosten van de advocaat ten laste van de verzoeker komen, omdat er in dit geval geen reden voor is dat de te beschermen persoon deze ambtshalve aangewezen advocaat zou moeten betalen om zich te verdedigen tegen een procedure die niet heeft geleid tot het plaatsen onder bescherming.
    Indien daarentegen het tegenovergestelde wordt beslist en de beschermde persoon de bijstand van een ambtshalve aangewezen advocaat had gevraagd, zal hij dan deze advocaat zelf moeten betalen, tenzij hij uiteraard recht heeft op (gedeeltelijk of volledig kosteloze) juridische tweedelijnsbijstand, zoals de wet bij wijze van uitzondering bepaalt (art. 1248, in fine, GW).
    Advocaten eisen in deze specifieke procedure meestal geen rechtsplegingsvergoeding.

De kosten omvatten dus in het algemeen het griffierecht bij het indienen van het verzoekschrift uit informatie bekomen van verschillende institutionele actoren blijkt dat het bedrag van 20 in feite zou overeenstemmen met de minimumbijdrage aan het fonds voor de financiering van de rechtsbijstand voor verzoekschriften die op zich geen aanleiding geven tot de inning van een ander griffierecht de reiskosten van de vrederechter naar de te beschermen persoon en de expertisekosten. Er is eventueel ook de rechtsplegingsvergoeding voor de tussenkomst van de ambtshalve aangewezen advocaat (behalve voor rechtsbijstand).

De kosten worden in principe door de eisende partij (gewoonlijk de familie, vrienden en kennissen) voorgeschoten en vervolgens ofwel vastgesteld ten laste van deze partij indien het verzoekschrift onontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, ofwel ingehouden op het patrimonium van de beschermde persoon in het tegenovergestelde geval, door tussenkomst van de aangewezen bewindvoerder, indien de eisende partij daarom verzoekt (wat sommigen niet doen).

3. ADVIES

De wettelijke bepalingen zijn niet duidelijk en het is bijvoorbeeld onmogelijk om af te leiden of de kosten van 20 euro alle handelingen dekken of dat de persoon bij elk specifiek verzoek (huwelijk, stemmen, lening, ...) nieuwe kosten zal moeten betalen. De NHRPH had op de website van de FOD Justitie graag duidelijke en volledige informatie gevonden over de juridische kosten voor de indiening en het beheer van een beschermingsverzoek in de loop van de tijd. Het zou nuttig zijn voor de personen en hun families om ingelicht te zijn over deze informatie voordat de procedure wordt opgestart. Ook zou volledige informatie moeten worden gepubliceerd over het kostenplaatje van het mandaat van de professionele bewindvoerder.

De NHRPH herinnert eraan dat de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap 20% onder de armoedegrens ligt. De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt aldus 892,99 voor een alleenstaande, 595,32 voor een samenwonende en 1.230,65 euro voor een persoon met gezinslast.
In de overgrote meerderheid van de gevallen, of zelfs in alle gevallen, worden de kosten, namelijk het griffierecht van 20 en de reiskosten van de vrederechter en zijn griffier naar de te beschermen persoon, ten laste gelegd van de partij die om rechtsbescherming verzoekt, en dus vaak een naast gezinslid van de te beschermen persoon, wat de kwetsbaarheid van dit gezin en van deze beschermde persoon waarschijnlijk nog kan doen toenemen. Daarenboven komen deze kosten bovenop de kosten die verband houden met het beheer van de voorlopige bewindvoerder. Ervan uitgaande dat de vrederechter regelmatig contact onderhoudt - wat overigens wenselijk is ! - met de persoon, betekent dit dat de reiskosten van de vrederechter - en van de griffier - al snel enkele honderden euro's per jaar kunnen bedragen, bijvoorbeeld wanneer het kanton zeer groot is of wanneer de persoon in een instelling buiten het gerechtelijk kanton van de vrederechter verblijft. En dit bedrag kan nog veel hoger worden wanneer de vrederechter en de griffier zich niet met hetzelfde voertuig verplaatsen.

De NHRPH benadrukt het bestaan van de rechtsbijstandsregeling, die het mogelijk maakt dat een behoeftige persoon bijvoorbeeld de kosten voor de inschrijving op de rol van een verzoek niet moet betalen. Een te beschermen persoon of een lid van zijn gezin dat om bescherming zou verzoeken, kan in theorie worden vrijgesteld van het betalen van deze kosten, indien hij aan de inkomensvoorwaarden voldoet. Maar vaak, wanneer de tijd dringt, kan rechtsbijstand niet worden afgewacht. Die moet trouwens worden aangevraagd bij dezelfde vrederechter als degene die zich zal uitspreken over de rechtsbescherming. Als gevolg daarvan betalen de rechtszoekenden kosten die zij in de meeste gevallen niet zouden mogen dragen. Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat de wetgever - terecht - de nauwe band tussen de vrederechter (de voorlopige bewindvoerder) en de persoon wilde versterken. Het aanrekenen van kosten is een ongewenst effect voor de persoon zelf. Dit is niet aanvaardbaar.

Om al deze redenen vraagt de NHRPH dat de uitgaven en reiskosten eenvoudigweg worden afgeschaft: het is de verantwoordelijkheid van de vrederechter om zich ook ter plaatse te begeven, als lokale rechter.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging van de heer Koen Geens, Minister van Justitie;
  • Ter info aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen Personen met een beperking;
  • Ter info aan Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan de Commissie Justitie van de Kamer;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2020/02 - Wetsvoorstel arbeidsintegratiejobs

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2020-02 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs (ingediend door de heer Jan Spooren, mevrouw Valerie Van Peel en de heer Björn Anseeuw - nr. 588/1), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/01/2020.

Advies op verzoek van mevrouw Marie-Colline Leroy, Voorzitster van de Commissie Sociale Zaken van de Kamer op 04/12/2019.

1. ONDERWERP

Het voorstel heeft tot doel arbeid toegankelijker te maken voor personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) ontvangen en voor langdurig zieken (RIZIV).

2. ANALYSE

Het wetsvoorstel vertrekt vanuit de vaststelling dat personen met een handicap die een IVT ontvangen alsook langdurig zieken op vlak van beroepsinactiviteit de grootste groep uitmaken, een groep die de laatste jaren nog groeit.

Het wetsvoorstel is bedoeld om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken voor mensen tussen 21 en 65 jaar die langdurig een ziekte- of invaliditeitsuitkering of een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap hebben ontvangen.

De uitoefening van een arbeidsintegratiejob is een maatregel ter aanvulling op de geldende wetgeving inzake werkhervatting in een al dan niet aangepaste job. De mogelijkheid wordt geboden voor de private sector, de publieke sector en de sector van maatwerkbedrijven.

Het voorstel wordt gepresenteerd als een win-win

  • voor de werkgever:
    o Maximale flexibiliteit en minimale risico's (alleen gewerkte uren worden betaald, geen gewaarborgd loon, geen financiële voordelen of voordelen in natura).
    o De procedure voor de tewerkstelling is gebaseerd op een minimalistische overeenkomst tussen de kandidaat-werknemer en de werkgever. De preventieadviseur/arbeidsgeneesheer kan overleg plegen met de behandelende arts en/of de adviserende geneesheer.
    o Er wordt een eenmalige sociale bijdrage van 25% geïnd.
    o De werkgever mag niet meer dan 20% van zijn personeel in dit stelsel in dienst hebben.
  • voor de werknemer:
    o Wegwerken van arbeidsvallen (cumulatie van uitkering/tegemoetkoming en werk).
    o Het stelsel is in principe beperkt tot 2 jaar om te voorkomen dat de werknemer zich in dit stelsel gaat nestelen.
    o De werknemer betaalt een bijdrage van 25 of 30% aan de sociale zekerheid, afhankelijk van het bedrag van zijn of haar tegemoetkoming/uitkeringen en wordt belast tegen 15% van zijn of haar loon.
    o Geen verplichting en geen sanctie.
  • voor de staatsbegroting: financiering van de sociale zekerheid.

Vanuit juridisch oogpunt is de tussen de werknemer en de werkgever gesloten overeenkomst geen arbeidsovereenkomst. Wettelijke bepalingen inzake arbeidsvoorwaarden en de bescherming van werknemers in de uitoefening van hun beroep, zoals bepalingen over arbeidstijd, loon, veiligheid, hygiëne en welzijn, aanpassing van de werkplek, opleiding, enz. zijn derhalve niet van toepassing.
De gewerkte uren komen niet in aanmerking voor de toepassing van de sociale wetgeving en geven geen toegang tot sociale bescherming (werkloosheidsdekking, arbeidsongevallen, pensioen enz.). De werkgever is niet verplicht om de arbeidswetgeving en de collectieve arbeidsovereenkomsten op de werkplek toe te passen. Werknemer en werkgever kunnen een procedure overeenkomen om de Dimona-aangifte in te vullen.

Dit voorstel was aanvankelijk het onderwerp van een wetsontwerp dat niet kon worden afgerond vanwege het aftreden van de regering in 2018.

3. ADVIES

In de eerste plaats herinnert de NHRPH aan een advies op eigen initiatief (2018-07) over een vrijwel identiek voorstel.

In dat advies werd er al op gewezen dat de tekst om verschillende redenen onaanvaardbaar is:

  • terminologische vaagheid;
  • een laag uurloon dat bovendien onderworpen is aan een aanzienlijke fiscale inhouding en socialezekerheidsbijdrage;
  • een arbeidskader dat geen recht geeft op socialezekerheidsdekking op korte (werkloosheid) of lange termijn (pensioen);
  • de werkgever is niet verplicht om de werknemer aan het einde van de overeenkomst in dienst te nemen;
  • negatieve effecten; kan de werkgever de gelegenheid geven om zich te onttrekken aan zijn plicht om voor redelijke aanpassingen te zorgen;
  • situatie van de persoon die zou worden aangenomen na zijn of haar arbeidsintegratieovereenkomst. Behoudt hij of zij het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming?
  • bijkomende complexiteit bovenop de reeds bestaande systemen. De NHRPH is daarom van mening dat het beter is om de bestaande maatregelen ter ondersteuning van de tewerkstelling van personen met een handicap te versterken;
  • de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap moeten worden aangepast.

In het in 2019 ingediende voorstel werd het advies van 2018-07 in het geheel niet vermeld. Bovendien is het aannemelijk dat de indieners van het voorstel dat advies niet eens hebben gelezen, want noch in het ontwerp, noch in het huidige voorstel wordt ingegaan op de destijds geformuleerde overwegingen.

Noch ten tijde van het ontwerp van het project, noch tijdens de ontwerpfase werd de NHRPH bevraagd, ook al is het ontwerp rechtstreeks bedoeld voor erkende begunstigden van een tegemoetkoming (stelsel van 27 februari 1987). De NHRPH is een officiële federale adviesraad; als de wetgever werkelijk tegemoet wil komen aan de dagelijkse noden van de betrokkenen, dan moet hij de NHRPH effectief betrekken.

Daarom blijft de NHRPH bij zijn volstrekt ongunstig advies, en wel om de volgende redenen: het wetsvoorstel introduceert nog altijd een op verschillende vlakken precair en gevaarlijk arbeidsstelsel:

  • De arbeidsintegratiejob is geen echte job, maar een systeem dat de betrokkene toelaat zijn of haar tegemoetkomingen/uitkeringen te behouden, met een zeer kleine loonaanvulling (sociale bijdrage tussen 25 en 30% en fiscale inhouding van 15%); voor personen met een handicap en zieken is dit echt beledigend en ontmoedigend. Ter herinnering: personen met een handicap die een tegemoetkoming ontvangen krachtens de wet van 27 februari 1987 ressorteren niet onder de sociale zekerheid. Het beoogde wetsvoorstel geeft geen aanleiding tot sociale rechten. Erger nog, mensen die in dit kader zullen werken moeten 25% van hun inkomen aan de sociale zekerheid betalen, zonder dat ze daar baat van hebben! Bovendien betaalt de gewone werknemer in de private sector een sociale bijdrage van 13,07%. Dit is dubbele discriminatie!
  • De maatregelen voor de behandeling van personen met een handicap en zieken als tweederangswerknemers: de gewerkte uren geven geen recht op een pensioen, sociale zekerheid of arbeidsovereenkomst, terwijl de betrokkene tot 80 uur per maand kan werken.
  • De voorgestelde flexibiliteitsregeling wordt naar een extreem niveau getild: er is geen arbeidsovereenkomst dat zelfs maar een minimaal arbeidskader creëert: de werknemer kan op de dag zelf worden opgeroepen voor 1 uur of voor 11 uur werk! Hoe kan hij deze flexibiliteit integreren in zijn zorgpad en zijn privéleven? Laten we ook niet vergeten dat mensen die tegemoetkomingen of uitkeringen ontvangen een medische begeleidingspad volgen en recht hebben op een zekere privacy.
  • Dimona kan door de werknemer of de werkgever worden ingevuld; het voorstel voorziet in een mechanisme dat verder gaat dan de huidige Dimona-aangifte. De NHRHP wijst erop dat de procedure voor het invullen van de Dimona-databank is gereglementeerd en onder de verantwoordelijkheid van de werkgever valt. Was de RSZ betrokken bij het proces dat hier wordt voorgesteld?
  • Voor het voorgestelde stelsel is geen toestemming van de behandelende of adviserende geneesheer nodig. Een persoon in invaliditeit of een erkende persoon met een handicap leeft vaak in armoede (zie Handilab-studie en de themaboek Handicap en armoede). Voor de betrokkene kan de verleiding kan groot zijn om werkuren te accepteren terwijl zijn of haar gezondheidstoestand dat niet toelaat! Het is niet voor niets dat men door de adviserende geneesheer als arbeidsongeschikt wordt erkend!
  • Er bestaat al een uitgebreide regelgeving inzake de werkhervatting en de bestaande regels zouden kunnen worden uitgebreid tot de tegemoetkomingsgerechtigden van de wet van 27 februari 1987 die dat wensen; de procedures voor werkhervatting zouden waarschijnlijk flexibeler worden, maar het beschermende aspect moet behouden blijven en het arbeidstraject moet ook bijdragen tot de ontwikkeling van de persoon (dit aspect ontbreekt volledig in het onderhavige wetsvoorstel). Er moeten ook personeelsmiddelen worden gegeven aan bestaande systemen om ervoor te zorgen dat zieke personen en personen met een handicap die weer aan het werk willen gaan, naar behoren worden ondersteund (zie de analyse en aanbevelingen van de NHRPH in de adviezen 2016-12, 2015-32 en 2015-10).
  • Ook wat de globale benadering betreft is het wetsontwerp problematisch en weinig geloofwaardig:
    o In het huidige stelsel van tegemoetkomingen en uitkeringen is de cumulatie met beroepsinkomsten niet neutraal; voor de cumulatie gelden maxima met het risico dat men de IVT, IT of uitkeringen verliest. Is er overleg geweest met de ministers die bevoegd zijn voor personen met een handicap en sociale zaken? Uit niets blijkt dat dit het geval is.
    o Het ontwerp spreekt enkel over mensen met een IVT. Personen die een IT (integratietegemoetkoming) ontvangen, worden niet vermeld. Ook zij worden echter geconfronteerd met uitsluiting op de arbeidsmarkt.
    o Het ontwerp zou kunnen leiden tot 10% effectief werk? Op basis van welke gegevens en waarnemingen komt men tot deze conclusie?
    o Er is voorzien in een beoordeling door een multidisciplinair team, maar de samenstelling, de rol, de bevoegdheden en verantwoordelijken ervan zijn niet gespecificeerd.

Volgens de NHRPH geeft dit wetsvoorstel een zeer slecht signaal: personen met een handicap of zieken kunnen geen toegang krijgen tot het beschermend kader van de arbeidsovereenkomst en moeten genoegen nemen met een substatuut. De echte uitdaging is niet om personen met een handicap en zieke personen koste wat het kost weer aan het werk te krijgen, maar om werkgevers ertoe te bewegen hen te beschouwen als kandidaat-werknemers die over competenties en vaardigheden beschikken en die, net als elke andere werknemer, een kans willen krijgen! Ze vragen om, net als andere werknemers, toegang te hebben tot de nodige opleidingen. Personen met een handicap willen als volwaardige werknemers worden behandeld.

De NHRPH is van mening dat de inactiviteitsgraad in België het niet rechtvaardigt om voortdurend nieuwe instrumenten te creëren. Elke regeling moet worden geëvalueerd en verbeterd: alle analyses zijn het erover eens dat de bepalingen van onze regelingen voor werkhervatting zowel middelen vereisen (voornamelijk bij de ziekenfondsen) als een oprecht engagement van de werkgevers om de tewerkstelling uit te breiden tot personen met een handicap.

De NHRPH herinnert aan zijn positienota over tewerkstelling en de concrete maatregelen die daarin zijn opgenomen. Het is schrijnend te moeten vaststellen dat de wetgever, ondanks zijn mandaat, niet naar de betrokken kiezers terugkeert via de organen die hen vertegenwoordigen. Voor de eindbegunstigden zou het veel beter geweest zijn mocht er gewerkt zijn aan het algemeen kader, samen met de NHRPH en de andere betrokken partijen die de personen met een handicap en zieke personen vertegenwoordigen, en dit vanaf het begin van de denkoefening.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Voorzitster van de Commissie Sociale Zaken van de Kamer;
  • Ter info aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan de Nationale Arbeidsraad;
  • Ter info aan het Nationaal Intermutualistisch College;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 15

Advies 2019/14 - Terugvordering onverschuldigde tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsontwerp (de heer Jan Bertels c.s.) tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap met het oog op het vermijden van het onterecht terugvorderen van rechten voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/01/2020.

Advies op verzoek van de leden van de Commissie Sociale Zaken van de Kamer (per mail van 06/12/2019)

1. ONDERWERP

Om de terugvordering van onverschuldigde tegemoetkomingen voor personen met een handicap te vermijden, bepaalt dit wetsvoorstel dat de DG Personen met een handicap (DG HAN) aspecten als kinderen ten laste of de aanvang van een tewerkstelling automatisch gaat opvolgen. Indien de nieuwe tegemoetkoming lager is dan de aanvankelijk toegekende tegemoetkoming, zal deze uitwerking hebben op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

2. ANALYSE

Thans komen bijvoorbeeld wijzigingen van burgerlijke staat en nationaliteit automatisch toe bij de DG HAN via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ).
De auteurs stellen voor dat wijzigingen van kinderen ten laste (artikel 23, § 1, 2°, van het koninklijk besluit) of de aanvang van een tewerkstelling (§ 1bis van hetzelfde artikel) voortaan ook automatisch toekomen bij de DG HAN.

De wijziging van het bedrag van de tegemoetkoming zou uitwerking hebben op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing, indien het nieuw vastgestelde bedrag lager is dan het aanvankelijk toegekende recht.

Volgende wijzigingen van het KB van 22 mei 2003 worden voorgesteld:

  • In artikel 22, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de woorden “, indien de vergissing aan de Dienst te wijten is,” opgeheven.
  • In artikel 23, § 2, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij koninklijk besluit van 19 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
    o 1° de woorden “en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap,” worden opgeheven;
    o 2° het lid wordt aangevuld met de woorden “tenzij de Dienst aantoont dat er sprake is van opzettelijk bedrieglijke mededeling van inlichtingen vanwege de gerechtigde”.

Artikel 22, tweede lid, in zijn huidige vorm, bepaalt het volgende:
“Onverminderd de toepassing van artikel 21, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de Dienst te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan, als het recht op de tegemoetkoming kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.”

Artikel 23, § 2, in zijn huidige vorm, luidt als volgt:
“De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter, 1° en 2° bedoelde toestanden bevindt.
Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1°(nationaliteit en verblijf) en 2° (kinderen ten laste), § 1bis, 1° (verschil van 20 % tussen twee jaren) en 2° (stopzetting van arbeid) en § 1ter (onderzoek van THAB) bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
In afwijking van het voorgaande lid, indien de in artikel 23, § 1bis, 1°, tweede lid, bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de beroepsactiviteit een aanvang nam.
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.”

3. ADVIES

De NHRPH had het op prijs gesteld dat de auteurs van het wetsvoorstel waren ingegaan op zijn uitnodiging om deel te nemen aan de plenaire vergadering van 16 december 2019 voor een constructieve uitwisseling.
De NHRPH heeft het zeer op prijs gesteld dat de voorzitster van de Franstalige afdeling van de Commissie voor sociaal hulpbetoon de tijd genomen heeft om haar ervaring te delen op de plenaire vergadering. Ook de schriftelijke antwoorden van de voorzitter van de Nederlandstalige afdeling hebben bijgedragen aan de denkoefening.

De NHRPH kan het wetsvoorstel om verschillende redenen niet steunen. Hoewel de NHRPH zich kan vinden in de intentie van de wetgever om het aantal onverschuldigde bedragen terug te dringen, is hij volledig gekant tegen de manier waarop men dit wil bereiken.

De NHRPH betreurt ook het gebrek aan duidelijkheid in dit dossier: de NHRPH beschikt niet over de minste informatie over het aantal terugvorderingsdossiers, over de motieven en bedragen van de terugvordering, over de situaties en het soort dossiers waarin sprake is van verzaking. De NHRPH verwacht precieze gegevens van de DG HAN.

Dat er een wetsvoorstel is, is op zich positief. Het kan een debat op verschillende vlakken op gang brengen, onder meer over:

  • de financiering van het tegemoetkomingsstelsel voor personen met een handicap. Heel wat universitaire studies stellen al jarenlang de onderfinanciering van de tegemoetkomingsregeling voor personen met een handicap aan de kaak: de tegemoetkomingen volstaan niet om te voorzien in de basisbehoeften op het vlak van huisvesting, voeding, zorg enzovoort (zie Handilab 2012, Handicap-Armoede 2019);
  • de noodzaak van een herziening van het stelsel van de tegemoetkomingen: een grotere voorspelbaarheid en een snel en volledig beheer van de administratieve wijzigingen;
  • de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag tot verzaking.

In deze context lost het voorstel om in bepaalde situaties af te zien van het terugvorderen van onverschuldigde tegemoetkomingen het probleem uiteraard helemaal niet op. Erger nog, dit voorstel leidt tot situaties van automatische verzaking zonder enige beoordelingsmogelijkheid van de Commissie voor sociaal hulpbetoon.
De NHRPH vindt dat in een stelsel van sociale bijstand als de tegemoetkomingen voor personen met een handicap de grondgedachte moet zijn dat het recht op verzaking direct verband houdt met de situatie van de persoon. Het huidige wetsvoorstel zal onvermijdelijk leiden tot een (onbedoeld) ongelijke behandeling door de administratie, omdat de administratie naargelang het geval de herziening binnen een kortere of langere termijn zal uitvoeren, afhankelijk van het al dan niet verkrijgen van de informatie via de KSZ. In het laatste geval zullen aanzienlijke bedragen onverschuldigde prestaties automatisch worden geannuleerd, hoewel het wellicht zinvoller was geweest rekening te houden met de financiële situatie van de persoon en dan te beslissen om het onverschuldigde bedrag volledig of gedeeltelijk terug te vorderen. Het wetsvoorstel gaat volledig voorbij aan de corrigerende rol van de Commissie voor sociaal hulpbetoon. Voor de NHRPH is dit een grote misstap: het budget van het stelsel voldoet in de verste verte niet aan de noden van de personen met een handicap (de IVT ligt 20 % onder de armoedegrens!). Erger nog, met dit stelsel komen er arbitrages binnen een groep die in haar geheel fundamenteel kwetsbaar is. Tegen deze achtergrond is het terugdringen van onverschuldigde bedragen uiteraard geen prioriteit.

De NHRPH ontkent evenwel niet dat het terugvorderen van onverschuldigde bedragen vaak tot ware sociale drama’s leidt. Erger nog, het vooruitzicht van dit zwaard van Damocles kan perverse gevolgen hebben: de persoon durft niet in te gaan op een werkaanbieding of te studeren, een gezin te stichten, gezamenlijk te huren, ... De NHRPH herinnert aan de ‘lasagnestructuur’ van de wet van 27 februari 1987: de opeenvolgende herzieningen van de laatste 30 jaar hebben de reglementering onleesbaar gemaakt. Ze bevat nu grijze zones en inconsistenties, waardoor de uitkeringsgerechtigden en zelfs de professionele hulpverleners heel vaak niet meer kunnen inschatten of het nodig is de heropening van een dossier aan te vragen of niet. De NHRPH is evenwel van mening dat de symptomen niet mogen worden verward met de oplossingen: onverschuldigde bedragen zijn een symptoom van een slecht werkende reglementering en administratie; het terugdringen van onverschuldigde bedragen lost de problemen geenszins op en leidt tot nieuwe onrechtvaardigheden onder de uitkeringsgerechtigden. Er zou kunnen worden voorgesteld de oude aangifteregel te behouden (geen terugvordering indien aangifte binnen de drie maanden), maar dan voor alle situaties. (Thans geldt deze regel slechts voor een aantal wijzigingen.) Met deze aanpassing zouden de pijnlijkste terugvorderingen worden vermeden en zou de burger medeverantwoordelijk worden voor de evolutie van zijn dossier. Het is geen ideale oplossing, wel een compromis dat 2 extremen vermijdt.

Tot slot vestigt de NHRPH de aandacht op de formulering van het voorstel. De NHRPH betwijfelt ernstig dat de wijzigingen in artikelen 22 en 23 zullen bijdragen tot de gewenste doelstellingen. Zal het bijvoorbeeld niet meer mogelijk zijn een beslissing wegens een fout van de administratie recht te zetten aangezien de passage “indien de vergissing aan de Dienst te wijten is" gewoon geschrapt wordt? Moet ook de passage “In afwijking van het voorgaande lid, indien de in artikel 23, § 1bis, 1°, tweede lid, bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de beroepsactiviteit een aanvang nam.“ niet worden herschreven? Tot slot wordt de rol van de Commissie beperkend voorgesteld: de Franse versie van de tekst laat uitschijnen dat de burger moet worden gecontroleerd om de terugbetalingsmogelijkheid na te gaan. De Commissie onderzoekt evenwel of de betrokkene het bedrag kan terugbetalen (wat is het huidige inkomen?). Het is dus meer dan louter een controle op misbruik. (Deze dubbelzinnigheid is minder aanwezig in de Nederlandstalige versie.)
Deze voorbeelden tonen volgens de NHRPH duidelijk aan dat er grenzen zijn aan het telkens opnieuw herwerken van tekstgedeelten.

Meer fundamenteel vraagt de NHRPH dat in de Commissie Sociale Zaken van de Kamer een diepgaand, open en uitgebreid debat over de toekomst van de wet van 27 februari 1987 op gang wordt gebracht. De NHRPH verwacht een hervorming waarbij hij serieus en structureel betrokken wordt.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Commissie Sociale Zaken van de Kamer;
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2019/11 - Mantelzorg overheidspersoneel

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2019/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van KB van 17/05/2019 tot invoering van een nieuw thematisch verlof in de herstelwet van 22/01/1985 (artikelen 100ter en 102ter), dat werknemers die als mantelzorger erkend zijn, de mogelijkheid biedt om verlof op te nemen om een persoon met een erkende zorgbehoefte bij te staan, uitgebracht op 2/12/2019 na raadpleging van de leden per e-mail.

Advies op vraag van mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking, in haar brief van 30/10/2019.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van KB van 17/05/2019 erkent het recht op thematisch verlof voor mantelzorgers voor de federale statutaire personeelsleden en de statutaire personeelsleden van de autonome overheidsbedrijven.
Het ontwerp van KB werd op 11 oktober 2019 goedgekeurd door de Ministerraad.
De Minister wenst het advies van de NHRPH toe te voegen aan het dossier dat aan de Raad van State zal worden bezorgd.

2. ANALYSE

Het ontwerp van KB van 17/05/2019 breidt het recht op thematisch verlof en ook het recht op onderbrekingsuitkeringen - reeds voorzien voor de privésector (herstelwet van 22 januari 1985) – uit voor de statutaire personeelsleden van het openbaar ambt.
De overheden van de Gemeenschappen en de Gewesten zullen deze maatregelen op hun niveau kunnen omzetten mits akkoord van de federale Ministerraad.

Ter herinnering, met de wet van 12 mei 2014 (gewijzigd bij de wet van 17 mei 2019) bekomen mantelzorgers een erkenning indien ze aan een aantal specifieke criteria voldoen. In een ontwerp van koninklijk besluit van Minister De Block - eveneens goedgekeurd door de Ministerraad van 11 oktober 2019 - staan de toekenningsvoorwaarden voor sociale rechten aan de mantelzorger opgelijst.

Wat de loopbaanonderbreking betreft, bepalen artikelen 100ter en 102ter van de herstelwet van 22/01/1985 dat een werknemer die erkend mantelzorger is, recht heeft op de volledige schorsing van zijn arbeidsovereenkomst. De duur van de periode waarin de werknemer de uitvoering van zijn overeenkomst kan opschorten, is vastgelegd op één maand per zorgbehoevende persoon zoals bepaald in § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de duur van deze periode verlengen tot maximaal 6 maanden en hiervoor de nadere voorwaarden en regels vastleggen. Het recht op een volledige schorsing bedraagt maximaal 6 maanden over de gehele beroepsloopbaan (Art. 100ter).

Een werknemer die erkend mantelzorger is van een zorgbehoevende persoon, heeft het recht om zijn voltijdse arbeidsprestaties te verminderen met 1/5 of de helft (Art. 102ter).

3. ADVIES

De NHRPH is verheugd over deze opwaardering voor de personeelsleden van de federale overheidssector. De NHRPH moedigt de deelgebieden aan om gelijkaardige maatregelen te treffen voor de personeelsleden onder hun gezag.

De NHRPH is van mening dat de tekst niet nauwkeurig genoeg is over het bestaan en de hoogte van de uitkering voor een mantelzorger. De modaliteiten voor een loopbaanonderbreking en de voorwaarden voor een gelijkstelling inzake pensioen zijn evenmin duidelijk. De herstelwet bevat talrijke bepalingen; het is moeilijk om te weten welke van deze bepalingen van toepassing zijn in het kader van het verlof voor de mantelzorgers.

De NHRPH betreurt dat de duur van het verlof voor de mantelzorgers zeer kort is.

De NHRPH verzoekt om in de aanhef van het ontwerp van KB te preciseren dat het advies van de NHRPH op 2 december 2019 werd uitgebracht.

BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan de Ministers van Werk in de deelgebieden;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/01 - Verhoging banktarieven

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2020/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHPRPH) over de stijging van de banktarieven vanaf 01/01/2020, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/01/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Op 01/01/2020 hebben de meeste Belgische banken hun banktarieven verhoogd.

2. ANALYSE

Op 28 december 2019 heeft de NHRPH in de pers (De Tijd: 'Bankieren opnieuw duurder') vernomen dat bepaalde bankkosten vanaf januari 2020 gingen stijgen.
De Belgische Federatie van de Financiële Sector (Febelfin) rechtvaardigt deze stijging als volgt: “de Belgische banken evolueren in een moeilijke globale context, die vooral wordt gekenmerkt door een monetair beleid van extreem lage of zelfs negatieve rentevoeten, waartoe de Europese Centrale Bank heeft besloten”. De door deze verhogingen betrokken diensten zijn vooral diensten waarvoor een handmatige tussenkomst van de bank nodig is en waarvoor een gratis digitaal alternatief bestaat. Maar ook de prijs van andere diensten, zoals het afdrukken en het opsturen van rekeninguittreksels, het afhalen van geld aan een bankautomaat van een andere bank enz. werd verhoogd.

3. ADVIES

De NHRPH is volledig tegen deze maatregel van een tariefstijging gekant. Deze stijging gaat helemaal in tegen de bestaande reglementering. De toepassing brengt discriminaties met zich mee waarvan personen met een handicap en ouderen de eerste slachtoffers zijn.

  1. De maatregelen zijn strijdig met de bestaande reglementering.
    De NHRPH herinnert eraan dat België de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie heeft goedgekeurd: deze wet bepaalt met name dat het creëren van een discriminatie op basis van de handicap of het niet voorzien van redelijke aanpassingen strafbare inbreuken zijn. België heeft overigens zowel het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (2009) als de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (2016) bekrachtigd en heeft zich zo geëngageerd voor een actief traject van gelijke behandeling voor personen met een handicap en ‘valide’ personen (naast het klimaatengagement dat uiteraard niet als strijdig mag worden gezien met het maatschappelijke engagement).
    Ten slotte gaan deze maatregelen in tegen het principe van de basisbankdiensten voor iedereen dat voor de personen in een kwetsbare situatie voorziet in een principiële toegang tot een reeks bankverrichtingen tegen een verminderd tarief.

  2. Armoede en geen toegang tot basisdiensten treffen heel wat personen met een handicap. Een persoon met een handicap (en/of oudere persoon) heeft vaak geen of onvoldoende fysieke of intellectuele toegang tot de digitale wereld en moet zijn toevlucht nemen tot traditionele menselijke en technische diensten om zijn rekeningen te beheren: menselijke tussenkomst (overschrijvingen), hulp aan het loket en bankautomaten (toelichtingen en hulp bij de handeling), afdrukken van documenten enz. Deze diensten zijn geen luxevoorzieningen, maar gewoonweg wat in de wet “redelijke aanpassingen” worden genoemd, bedoeld om iedereen toegang te geven tot goederen en diensten zoals elke andere consument of burger. Deze aanpassingen mogen niet worden gefactureerd, omdat ze noodzakelijk zijn voor de persoon om zijn inkomen volledig zelfstandig te kunnen beheren.
    De stijging van de banktarieven past overigens in de tendens van het verdwijnen van steeds meer diensten: sluiting van bankfilialen, verdwijnen van bankautomaten, toenemend gebruik van digitale technologie: de levensnoodzakelijke diensten zijn niet meer vanzelfsprekend toegankelijk voor een groot aantal personen, ook al gaat het over basisbehoeften.

  3. Het verdere verdwijnen van geldautomaten in het hele land is ook een sociaal probleem. Sommige personen moeten nu al – of weldra - meerdere kilometers afleggen om hun geld af te halen. De eerste slachtoffers van het verdwijnen van geldautomaten zijn ouderen en personen met een handicap. Die beschikken niet noodzakelijk over een wagen of kunnen geen gebruik maken van het openbaar vervoer (dat soms niet beschikbaar is en vaak ontoegankelijk blijft voor personen met een handicap en/of ouderen).

  4. De NHRPH herinnert eraan dat de banksector in 2016 de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen heeft ondertekend: zie artikel De financiële sector zet schouders onder de duurzaamheidsdoelstellingen van de Verenigde Naties. De NHRPH vraagt dat deze verbintenis zich voortaan vertaalt in een concreet beleid naar de zwakste personen toe, met inbegrip van personen met een handicap.

De NHRPH heeft bovendien heel wat vragen en opmerkingen gekregen over het verdwijnen van bankfilialen en bankautomaten. De NHRPH analyseert momenteel de ontvangen reacties en aanbevelingen en zal zo snel mogelijk een advies op dit bepaalde aspect uitbrengen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan Febelfin;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan Unia;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 17

Advies 2019/13 - Automatische toekenning tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 maart 2007 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, teneinde de automatische toekenning van tegemoetkomingen mogelijk te maken (DOC 55 0522/001), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/01/2020.

Advies op vraag van de leden van de Commissie Sociale Zaken van de Kamer per mail van 06/12/2019.

1. ONDERWERP

Dit wetsvoorstel regelt de inwerkingtreding van een wetswijziging die de automatische toekenning van tegemoetkomingen aan personen met een handicap mogelijk maakt.

2. ANALYSE

Artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap werd gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 6 maart 2007 (Belgisch Staatsblad van 23 maart 2007). Deze wet bepaalt dat de Koning ook de andere gevallen zou bepalen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve zouden worden onderzocht. De datum van inwerkingtreding van deze bepaling moest nog worden vastgesteld (artikel 4). Een eerder voorstel (DOC 54 1044/001) van april 2015 voorzag in een inwerkingtreding op 01/01/2017. Over het voorstel werd nooit gestemd.

Deze wijziging bepaalt dat, wanneer de persoon die in België woont het recht op verhoogde kinderbijslag (VKB) verliest omdat hij de in de reglementering vastgelegde leeftijdsgrens heeft bereikt, zijn rechten op de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 (IVT/IT) ambtshalve onderzocht worden met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin deze leeftijdsgrens wordt bereikt.

Momenteel wijst de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) de gezinnen wel op het bestaan van het IVT/IT-stelsel, maar de personen moeten zelf een aanvraag indienen, wat ze niet per se doen.

De uitvoering van deze bepaling zou het administratieve werk voor deze specifieke categorie van personen met een handicap verlichten.

De inwerkingtreding moet uiterlijk op 1 januari 2021 plaatsvinden. De Koning kan de inwerkingtreding van de wet vervroegen indien de technische voorbereiding is verzekerd.

3. ADVIES

Volgens de NHRPH ontbreken een aantal inlichtingen en gegevens om de gegrondheid van dit voorstel te beoordelen. Aantal betrokken personen per jaar? Effectief overgangspercentage tussen het VKB-stelsel en het IVT/IT-stelsel? Uitvoeringsmodaliteiten? Enz. De NHRPH had het op prijs gesteld indien de auteurs van het voorstel waren ingegaan op zijn uitnodiging om deel te nemen aan de plenaire vergadering van 16 december 2019. Via een constructieve gedachtewisseling hadden de aanwezigen dan wellicht hervormingspistes kunnen bedenken die voldoen aan de verwachtingen van de sector.

De NHRPH vraagt zich overigens af of alle juridische maatregelen werden genomen om het principe zelf van ambtshalve onderzoek in te kunnen voeren. De deelgebieden zijn immers voortaan bevoegd voor de criteria voor de erkenning in het stelsel "kinderen". Ze organiseren ook het beheer van de dossiers en van de informatie die ze bevatten op een volledig autonome manier. Voor zover de NHRPH weet, is er geen enkele geïntegreerde databank die bestaande VKB-dossiers kan koppelen aan potentiële IVT/IT-dossiers. Over welke informatie en gegevens beschikt de DG HAN? En omgekeerd, wat voorzien de deelgebieden om kinderen op de hoogte te houden op lange termijn wanneer ze volwassen worden?

De NHRPH herinnert er ook aan dat de toekenningscriteria voor de 2 stelsels totaal verschillend zijn. Recht hebben op een verhoogde kinderbijslag als kind betekent niet dat men automatisch recht heeft op een tegemoetkoming als volwassene. De betrokkenen moeten duidelijk worden geïnformeerd.

De NHRPH stelt ook vast op dat sommige personen niet willen toetreden tot het IVT/IT-stelsel. Dit is een keuze die moet worden gerespecteerd, maar tegelijkertijd is het van fundamenteel belang dat de personen volledig en correct worden geïnformeerd over hun rechten, zodat ze met volledige kennis van zaken een keuze kunnen maken.

De NHRPH veroordeelt de "non take up"-situaties die het gevolg zijn van onwetendheid over de rechten of van een gebrekkige samenwerking tussen de diensten van de federale overheid en die van de deelgebieden.

De NHRPH stelt ook voor om bij de ondersteuning van personen een onderscheid te maken tussen situaties van lichte en ernstige handicap: aan elke persoon moet passende informatie en ondersteuning worden verstrekt, ongeacht het type of de ernst van de handicap. De NHRPH verzoekt dus om een analyse van de negatieve antwoorden van potentiële gerechtigden voor de automatische toekenning van een tegemoetkoming.

De NHRPH vraagt ook een uitwisseling van informatie en statistieken tussen de overheidsdiensten van de federale Staat en van de deelgebieden. Op die manier kan het deelgebied dat de bevoegdheid ‘overneemt’ de personen die potentieel aan de toekenningsvoorwaarden voldoen beter identificeren.

De NHRPH dringt eveneens aan op overleg tussen de regionale agentschappen/fondsen bevoegd voor handicap, de DG HAN, de ziekenfondsen, de gemeentebesturen en de OCMW’s om ervoor te zorgen dat de personen zo concreet en efficiënt mogelijk worden ondersteund wanneer ze aanspraak willen maken op hun rechten.

De NHRPH herinnert er met aandrang aan dat de wet van 27 februari 1987 dringend grondig en volledig moet worden herzien. De continuïteit van de rechten tussen twee stelsels mag uiteraard niet worden vergeten bij het herzien van de wet.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Commissie Sociale Zaken van het Parlement;
  • Ter info aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan de regionale ministers belast met handicap;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2019/10 - Mantelzorgers criteria

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Update: het ontwerp van koninklijk besluit dat het voorwerp uitmaakt van het NHRPH-advies 2019-10 werd goedgekeurd en gepubliceerd (Koninklijk besluit van 16 juni 2020 tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger, B.S. van 25.06.2020).

Advies nr. 2019/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit (KB) tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger, verstrekt op 2 december 2019, na elektronische raadpleging van de leden wegens hoogdringendheid op vraag van mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Advies op verzoek van mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, in haar brief van 30/10/2019.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van KB voorziet in een dubbele erkenning van de mantelzorger: een algemene (zonder toekenning van sociale rechten) en een specifieke (voor de toekenning van sociale rechten).

Het ontwerp legt de voorwaarden vast voor de algemene en specifieke erkenning van de mantelzorger, maar kent geen sociale rechten toe.

Het ontwerp van KB werd tijdens de Ministerraad van 11 oktober 2019 goedgekeurd.

De Minister wenst het advies van de NHRPH bij het dossier te voegen, dat naar de Raad van State verstuurd zal worden.

2. ANALYSE

De wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger werd gewijzigd bij de wet van 17 mei 2019. Op basis van deze nieuwe wet werd het thans bestudeerde ontwerp van KB in de Ministerraad van 11 oktober goedgekeurd.

De NHRPH herinnert aan zijn omstandig advies 2018-17 van 16 april 2018. Daarin heeft hij zich uitgesproken over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 mei 2014 (wat resulteerde in de wet van 17 mei 2019), maar ook over het ontwerp van KB tot uitvoering (niet afgerond en herzien door het thans bestudeerde ontwerp van KB). De NHRPH wees op een aantal aandachtspunten, tekortkomingen en aanbevelingen voor beide ontwerpen.

In vergelijking met de in maart 2018 voorgestelde versie bevat het huidige ontwerp van KB twee substantiële wijzigingen:

  1. de persoon die geholpen wenst te worden "moet een persoon zijn die wegens zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand of zijn handicap kwetsbaar is en zich in een afhankelijkheidssituatie bevindt" (art. 2);
  2. als bijstand en hulp worden beschouwd de activiteiten die deel uitmaken van de begeleidingsdiensten inzake bijstand thuis … de vrijwaring of het herstel van de zelfredzaamheid bij de uitoefening van de activiteiten van het dagelijks leven, … sociale activiteiten en de banden met de omgeving (art. 3).

Verder is er in het ontwerp van KB niet langer sprake van de ‘gewone’ erkenning, maar van de ‘algemene’ erkenning.

3. ADVIES

Definitie van geholpen persoon: wat betekent de vereiste ‘kwetsbaar’? Hoe zal dit beoordeeld worden? Welke criteria zullen gekozen worden: psychologische, financiële kwetsbaarheid? Volstaat de afhankelijkheidssituatie van de persoon niet? Zal voorzien worden in een recht van verhaal voor de rechtbanken van de rechterlijke macht indien het ziekenfonds van mening is dat de persoon niet voldoet aan de definitie van geholpen persoon?

Definitie van bijstand: de definitie van het KB heeft de verdienste de in aanmerking komende handelingen te verduidelijken (niet exhaustief: “namelijk”). Maar de geholpen persoon moet ook hulp kunnen krijgen om zijn levenskeuze mogelijk te maken.

Het is met andere woorden niet aan het ziekenfonds om te oordelen over de legitimiteit van de vraag om hulp van de persoon met een handicap of over de noodzaak of het nut van de hulp voor het dagelijks leven van betrokkene. Wanneer iemand bijvoorbeeld hulp vraagt om deel te nemen aan schilderlessen of om drie keer per maand vervoerd te worden om zijn kinderen te bezoeken die in het buitenland wonen, is het niet aan het ziekenfonds om de ‘gegrondheid’ te beoordelen van de vraag om als te helpen persoon erkend te worden.

Deze vraag rijst uiteraard niet wanneer de persoon zich in de situaties van automatische gelijkstelling bevindt waarin de wet en het KB voorzien.

De NHRPH wijst op het delicate evenwicht tussen enerzijds de noodzakelijke beoordeling en anderzijds het fundamentele respect voor het privéleven van de mantelzorgers en de geholpen personen. Er zal rekening gehouden moeten worden met de basis- en ‘gewone’ hulp, maar ook met de verzoeken van de geholpen persoon, zodat deze zijn levensproject kan uitvoeren, zonder dat er enige beoordelingsmarge voor de ziekenfondsen is wat het ‘nut’ van het verzoek betreft.

De NHRPH oppert een aantal hypothesen te overwegen waarbij de beoordeling met betrekking tot de mate van afhankelijkheid van de geholpen persoon en de uitvoering van bepaalde activiteiten door de mantelzorger volstaat om de noodzaak van intensieve bijstand en de automatische erkenning van het ‘mantelzorgstatuut voor de toekenning van sociale rechten’ te veronderstellen. Voorbeeld: een mantelzorger die een bepaalde zorg verstrekt, dagelijks trajecten van en naar school of dagcentrum verzorgt, … zou als ‘mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten’ beschouwd worden.

Wat zal ten slotte de afweging zijn tussen bijstand in verband met preventie en ondersteuning van de mantelzorger (persoonlijke – onder meer medische – vorming van de mantelzorger, algemene informatie over de geholpen persoon enz.) en de bijstand met betrekking tot de begeleiding van de geholpen persoon? Zal het ziekenfonds de opportuniteit kunnen controleren?

De NHRPH herinnert eraan dat de Bepaalde ondersteuning is nu eenmaal niet in financiële termen uit te drukken en laat zich niet meten in de tijd. Op het terrein zijn sommige functies duidelijk gedefinieerd (arts, verpleegkundige, gezinshulp enz.), andere zijn vager.

  • Wie zal de geneesmiddelen voorbereiden of geven?
  • Wie zorgt voor het wassen? er bestaat geen nomenclatuur voor verpleegkundigen; anderzijds is de gezinshulp niet bevoegd. In heel wat gevallen zal het dus de mantelzorger zijn. Maar hoe evalueer je de tijd voor een opfrisbeurt, een douche, een bad?
  • Volgens de NHRPH dient een evenwicht bewaard te worden tussen korte intrafamiliale solidariteit en langere (maatschappelijke) solidariteit. Beide moeten op waarde worden geschat, anders is er een risico van institutionalisering.

De NHRPH wenst een aantal punten uit advies 2018-17 in herinnering te brengen waarop dit ontwerp van KB nog steeds geen antwoord geeft:

Wat de berekeningswijzen inzake de tijdsinvestering (vereiste van 50 uur per maand of 600 uur per jaar) betreft, wijst de NHRPH erop dat een situatie van zorgbehoevendheid of zware zorgbehoevendheid een variabele ‘levensduur’ kan hebben: lang, kort of zelfs ‘episodisch’. Bovendien kan het verlies van zelfredzaamheid door een ziekte of handicap intens zijn, maar ook fluctuerend. Omgekeerd is een situatie van zware zorgbehoevendheid niet noodzakelijk gekoppeld aan de intensiteit van de uren ondersteuning.

Hoe zal deze tijdsinvestering overigens niet alleen beoordeeld, maar ook bewezen worden?

Wat de verwijzing naar de erkenningsschalen betreft, vraagt de NHRPH ook dat in de stelsels inzake burgerlijke aansprakelijkheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten uitdrukkelijk naar de bestaande schalen wordt verwezen.

Met betrekking tot de minimale evaluatiescore van 12 punten voor volwassenen die vereist is voor de toekenning van sociale rechten, vraagt de NHRPH de drempel te leggen bij 9 punten, omdat veel personen met een handicap, hoewel ze in staat zijn om de basisactiviteiten van het dagelijks leven uit te voeren (eten, zich aankleden, ...), volledig afhankelijk zijn van hun omgeving om stappen uit te voeren die noodzakelijk zijn om een zekere zelfstandigheid of deelname aan de samenleving te kunnen genieten (administratieve stappen, verplaatsingen, basisverplichtingen enz.).

Verblijfsvoorwaarde voor de mantelzorger: wijst de NHRPH erop dat de mantelzorger permanent en daadwerkelijk in België moet verblijven, en in het Rijksregister ingeschreven zijn. 

Afschaffing van de jaarlijkse verlenging van de erkenning: hebben we het over de erkenning van het statuut of over de erkenning van de tijdsinvestering? De NHRPH steunt het idee van een permanente erkenning van het statuut omdat een situatie van zorgbehoevendheid vaak van blijvende aard is. In de erkenningsbeslissing zelf wordt desgevallend het tijdelijke karakter van de erkenning vermeld. Een automatische uitwisseling van gegevens tussen de in de teksten genoemde ziekenfondsen en evaluatoren kan ook zorgen voor een vlottere erkenning. Volgens de NHRPH moet de erkenning van de tijdsinvestering regelmatig herzien worden, zonder dat deze jaarlijks (beter om de vijf jaar?) moet plaatsvinden. Ook is het noodzakelijk dat de mantelzorger jaarlijks een verklaring op erewoord aflegt dat hij zich nog steeds in een mantelzorgpositie bevindt.

Wat betreft het maximumaantal mantelzorgers in het kader van de erkenning van rechten (in tegenstelling tot de gewone erkenning, die een beperking van het aantal mantelzorgers niet rechtvaardigt): de NHRPH begrijpt het idee, maar wil de gezinnen niet beperken met een maximumaantal. Wat indien meerdere personen geholpen moeten worden? De NHRPH vestigt de aandacht op de ‘sandwich’-situatie van veel personen, die gekneld zitten tussen de behoeften van de kinderen en die van de ouder wordende ouders. Bovendien kunnen ouders de tijd die ze besteden aan een kind met een handicap verdelen (minder dan 50 uur per maand), en tegelijk op regelmatige basis (bv. elke zaterdagochtend) zorgen voor een ouder wordende ouder. In dit scenario komt elke geholpen persoon apart niet aan 50 uur hulp, maar samengeteld is de mantelzorger wel meer dan 50 uur per week in de weer.

Wat als de persoon die geholpen wordt, vier kinderen heeft die ’s nachts om de beurt voor hem zorgen? Zullen slechts drie van hen erkend worden? Hoe bepaalt men in geval van meervoudige erkenning welke mantelzorger toegang krijgt tot het voordeel of het recht, indien slechts één mantelzorger hiervoor in aanmerking komt? Hoe wordt de prioriteitsvolgorde bepaald? Het principe ‘first come, first served’ lijkt hier te simplistisch en biedt in een aantal gevallen waarschijnlijk geen bevredigend antwoord voor de werkelijke noden van de geholpen persoon. Wat gebeurt er bij onenigheid, beroep of bemiddeling? Wat als de noden in de loop van de tijd veranderen?

Wat de procedure voor de erkenning en het verkrijgen van rechten betreft, is de NHRPH veeleer van mening dat veel personen met een verlies van zelfredzaamheid van 12 punten (en voorwaarden voor kinderen) reeds geïdentificeerd zijn. Er moet ook geëvalueerd worden hoeveel tijd geïnvesteerd wordt voor gezinnen die niet alleen geconfronteerd worden met een ernstige zorgsituatie maar zich ook nog moeten reorganiseren. De NHRPH vraagt zich af of de termijn van 6 weken niet ook voor de multidisciplinaire teams en de maatschappelijk assistenten van de ziekenfondsen zou moeten gelden. 

De NHRPH leest niets over een beroepsprocedure. Deze vergetelheid moet rechtgezet worden.

Ten slotte wenst de NHRPH dat in de aanhef van het KB vermeld wordt dat de NHRPH zijn advies bezorgde op 2 december 2019.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken;
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2019/06 - Verhoging categorieën IVT

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2019/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, met grote spoed uitgebracht op 03/04/2019 in de voormiddag na raadpleging van de leden via e-mail.

Advies op vraag van de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking, in zijn brief van 2 april 2019.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap heeft tot doel de bedragen van de categorieën van de inkomensvervangende tegemoetkoming te verhogen.

2. ANALYSE

Betreffende de termijn:

In een e-mail van 2 april 2019 heeft de Minister van Werk, belast met Personen met een beperking, de NHRPH om advies gevraagd over een ontwerp van koninklijk besluit tot verhoging van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Dit advies werd met uiterste spoed gevraagd voor de volgende dag, 3 april 2019.

Betreffende de tekst:

Artikel 6, § 6 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt het volgende: "De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen".

Artikel 6, § 1 van de wet bepaalt het volgende:

Het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming is gelijk aan 5.057,25 EUR per jaar.

Dit basisbedrag wordt toegekend aan de personen die behoren tot categorie A. Dit bedrag wordt verhoogd met 50 pct. voor de personen die behoren tot categorie B en met 100 pct. voor de personen die behoren tot categorie C.

Het ontwerp van koninklijk besluit luidt als volgt:

Artikel 1. In artikel 6, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, vervangen bij de wet van 2 september 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1°  in 1°, wordt het bedrag “5.203,91” vervangen door het bedrag “5.307,99”;

2°  in 2°, wordt het bedrag “7.805,87” vervangen door het bedrag “7.961,99”.

Art. 2: In artikel 6, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 september 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1°  in 1°, wordt het bedrag “5.307,99” vervangen door het bedrag “5.374,34”;

2°  in 2°, wordt het bedrag “7.961,99” vervangen door het bedrag “8.061,51”;

3°  in 3°, wordt het bedrag “10.757,47” vervangen door het bedrag “10.891,94”.  

Ten slotte is de inwerkingtreding van dit ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voorzien op respectievelijk 1 juli 2019 en 1 januari 2020.

3. ADVIES

De NHRPH is verheugd over deze verhoging van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen die tot de categorieën A en B behoren vanaf 1 juli 2019 en voor personen die tot de categorieën A, B en C behoren vanaf 1 januari 2020. De NHRPH waardeert deze maatregel des te meer daar hij een antwoord biedt op de kritiek die in advies 2018-22 werd geuit, namelijk de noodzaak van de verhoging van de IVT voor alle gezinscategorieën.

Deze verhoging is uiteraard nog onvoldoende om de armoedegrens te bereiken. De NHRPH herinnert er nogmaals aan dat er was beloofd het bedrag van de uitkeringen in het kader van de sociale bescherming (leefloon, IVT en IGO) te verhogen tot het bedrag van de Europese armoedegrens, in 3 schijven. De NHRPH herinnert er ook aan dat hij uiteindelijk vraagt de IVT te verhogen tot het niveau van het gewaarborgd minimuminkomen. Dit moet een belangrijk aandachtspunt van de volgende regering worden.

De NHRPH herinnert eraan dat hij al jaren pleit voor een grondigere hervorming van het tegemoetkomingenstelsel voor personen met een handicap, die werkelijk beantwoordt aan de behoeften van personen met een handicap. Hij herinnert eraan dat er al een globale tekst bestaat, vertrekkende van de behoeften van personen met een handicap en onderschreven door de verenigingen van personen met een handicap. De NHRPH hoopt van harte dat de volgende regering de hervorming van de wet van 27 februari 1987 bovenaan haar sociale prioriteitenlijst zal plaatsen.

Ook al begrijpt de NHRPH de hoogdringendheid van de adviesvraag in het licht van het snel naderende einde van de regeerperiode en de politieke context, toch is de NHRPH gekant tegen het idee van een hoogdringende beslissing (amper enkele uren!). De werking van de NHRPH berust op een pluralistische en effectieve participatie en die moet zo veel mogelijk worden gerespecteerd: een advies heeft baat bij een debat in de plenaire vergadering van de NHRPH en een gedachtewisseling met de minister die verantwoordelijk is voor de hervorming.

De NHRPH dringt erop aan dat de minister die bevoegd zal zijn voor handicap in de volgende regering voor een werkprocedure kiest die het alle NHRPH-leden mogelijk maakt op een reële en concrete manier bij te dragen tot het advies.

Ten slotte herinnert de NHRPH eraan dat België het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op 2 juli 2009 heeft bekrachtigd. De verzoeken die de NHRPH aan de Minister richt, sluiten rechtstreeks aan bij de verbintenissen die België op internationaal niveau is aangegaan.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2019/09 - Kwaliteit werk DG HAN

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de kwaliteit van het werk bij de GD Personen met een handicap (DG HAN), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 november 2019.

Advies uitgebracht op vraag van Minister Muylle op 7 oktober 2019.


1. ONDERWERP

Minister Muylle, voogdijminister van de DG HAN, wenst meer acties om de kwaliteit van het werk in de diensten van de DG te verbeteren en om aan de verwachtingen van personen met een handicap te voldoen.

Ze heeft de NHRPH gevraagd een reeks indicatoren en instrumenten te suggereren om deze doelstellingen te kunnen evalueren.


2. ANALYSE

Naar aanleiding van het verslag van de Federale Interne Audit (FIA) had Minister Peeters een actieplan op korte termijn uitgewerkt, dat voornamelijk gebaseerd was op 5 indicatoren.

Op 18 maart 2019 heeft de NHRPH een volledig advies (2019-02) gewijd aan het auditverslag en het actieplan.

De 5 huidige indicatoren hebben betrekking op de behandelingstermijnen van de dossiers en de telefoonoproepen:

  • Aantal IVT/IT-lopende aanvragen met medisch onderzoek
  • Aantal IVT/IT-lopende aanvragen voor administratieve herziening
  • Aantal IVT/IT-aanvragen met vertraging (meer dan 6 maanden)
  • Aantal aanvragen voor een parkeerkaart met vertraging (meer dan 3 maanden)
  • Gemiddeld aantal beantwoorde telefoonoproepen per dag

Een zesde indicator, "Antwoordtijd via contactformulier", werd enkele weken geleden toegevoegd.

Uit deze 6 indicatoren blijken verbeterde prestaties.


3. ADVIES

Wat de 6 huidige indicatoren betreft, stelt de NHRPH een positieve evolutie vast. Tegelijkertijd laat die evolutie nog veel te wensen over, want enkele duizenden aanvragen voor tegemoetkomingen en parkeerkaarten hebben een behandelingstermijn van respectievelijk meer dan 6 maanden en 3 maanden. Evenveel personen en gezinnen zitten dus zonder inkomsten of zonder parkeerkaart.

Bovendien tonen de gebruikte indicatoren niet hoe lang de vele dossiers "met vertraging" al in behandeling zijn en wat de wachttijd voor de "traagste" en voor de "snelste" dossiers is.

Wat de indicator "telefoonoproepen en contactformulieren" betreft, zijn de responstijden inderdaad verbeterd, maar tegelijkertijd zorgt de contactprocedure voor ontevredenheid bij personen met een handicap en maatschappelijk werkers van externe instellingen, omdat er in de huidige procedure geen opvolging tussen de persoon en de oorspronkelijke dossierbeheerder mogelijk is. Met andere woorden, de correspondent van de persoon is nooit twee keer dezelfde voor hetzelfde dossier en de kwaliteit van de antwoorden verschilt sterk van dossier tot dossier.

In het algemeen vraagt de NHRPH zich af in hoeverre de meegedeelde cijfers het mogelijk maken de oorzaken van de problemen te achterhalen.

Wat de te ontwikkelen indicatoren betreft, hebben de afgelopen maanden de leden van de NHRPH informatie op het terrein verzameld en tekortkomingen vastgesteld. Ze hebben geluisterd naar de behoeften van de personen met een handicap en hun families. De leden hebben ook veel aandacht besteed aan de opvolging van de bevindingen van de FIA-auditoren.

Door waarnemingen op het terrein en die van deskundigen te kruisen kon de NHRPH een gevarieerde waaier van indicatoren en instrumenten aanbevelen.

De volgende lijst is indicatief en niet exhaustief. De NHRPH is van mening dat het ook nuttig zou zijn om de draagwijdte van deze lijst met de FIA-diensten te onderzoeken. Dit advies zal ook aan hen worden bezorgd.

Problemen

Behoeften/wensen van de PMH

Te ontwikkelen indicatoren/instrumenten

 

 

 

Dienstverlening aan de PMH - Slecht begrepen door de burgers

Beter begrip

1. (anonieme?) brievenbus voor klachten

2. statistieken over de klachten met bijzondere aandacht voor het correct begrijpen van de beslissingen

3. opleidingen “gemakkelijk te lezen en te begrijpen” voor alle “schrijvers”

4. tolk in gebarentaal / videofonie op aanvraag

5. evaluatie van de werkdruk tijdens de zitdagen (aantal bezoekers, aantal gestelde vragen en de aard ervan, ...)

6. analyse van de inhoud van de telefonische vragen en van de contactformulieren

7. op te stellen kwaliteitshandvest

 

 

 

Kwaliteit van de dossiers – Verschillen in werkmethoden tussen de teams – Afwezigheid van een unieke procedure voor de behandeling van de dossiers

Eenvormigheid en kwaliteit van de beslissingen

1. percentage beslissingen met correcte berekening van de rechten (steekproefgewijze controle van de dossiers)

2. standaardprocedures - bepalen van criteria

- verzameling van geharmoniseerde gegevens;

- lijst van verplichte taken die moeten worden uitgevoerd voor de behandeling van de dossiers;

- harmonisatie van de duur van de dossierbehandeling;

- kwantificering van de taken (duur, frequentie, ...);

- geactualiseerde, duidelijke en eenvoudig te gebruiken, te begrijpen en toe te passen handwijze

3. systematisering van de opleidingstrajecten voor de personeelsleden :

- aantal / jaar ;

- aantal deelnemende medewerkers

4. aantal verwerkte aanvragen per voltijds equivalent

5. aantal beslissingen met verwijlinteresten

6. gemiddelde duur (in aantal dagen) van de behandeling van eerste aanvragen

7. aantal betwiste dossiers en analyse (waarover gaat het beroep?)

8. aantal dossiers inzake terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen die niet binnen de 6 maanden zijn afgehandeld + analyse

9. op te stellen kwaliteitshandvest

 

 

 

Verschillen in de medische behandeling

Eenvormige beoordeling door de artsen

 

1. Uitwerken van criteria en een nauwkeurig en concreet leesrooster; betrekken van de NHRPH bij de denkoefening.

 

Gestandaardiseerde werkmethoden

1. Nauwkeurige richtlijnen om te bepalen of een dossier kan worden behandeld op basis van stukken of dat een medisch onderzoek noodzakelijk is; betrekken van de NHRPH bij de denkoefening.

 

 

 

Gebrek aan transparantie van het werk bij de DG HAN

Duidelijkheid

1. Jaarverslag: statistieken en gegevens (alle instellingen en OISZ’s doen het)

2. Interpretatienota’s moeten openbaar worden gemaakt.

 

 

 

 


De NHRPH verwijst ook naar zijn advies 2019-02 dat relevant blijft.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan de Federale Interne Audit (FIA);
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2019/15 - Ingebruikstelling M7-wagens door NMBS

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2019/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de M7-wagens van de NMBS, uitgebracht op 23/12/2019 na bespreking tijdens de plenaire zitting van 16/12/2019 en raadpleging van de leden via e-mail.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NMBS kondigt de ingebruikstelling van de tweede lichting van nieuwe toestellen van het type M7 aan. Dat type heeft een instaphoogte van 63 cm. De NHRPH heeft op 22/12/2015 al een persbericht uitgebracht om te wijzen op het hoogteverschil met de wenselijke unieke perronhoogte en de problemen die dat met zich meebrengt voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM).

2. ANALYSE

Tijdens de vergadering van het Raadgevend Comité voor de Treinreizigers van 12/12/2019 deelde mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS, mee dat er nieuwe M7-wagens in bestelling zijn. Ze voegde eraan toe dat ook deze nieuwe lichting dezelfde instaphoogte zal hebben als de eerste. Vooralsnog zijn er 3 verschillende perronhoogtes zijn in België: 28 cm, 55 cm en 76 cm. De perrons van 28 cm worden allemaal verhoogd, in principe tot 76 cm. Met enkel nog perrons van 76 en 55 cm in het vooruitzicht koos de NMBS voor een compromishoogte van 63 cm voor de M7.

Treinwagons hebben een zeer lange levensduur - vaak meer dan 30 jaar - en de NMBS bezit een variabel ‘wagenpark’: verschillende types van verschillende leeftijden en verschillende hoogte. Uniformiteit is dus nog niet binnen handbereik.

Naast de verschillende perronhoogtes heeft het Belgische spoorwegnet ook het probleem van de ‘gap’, de te overbruggen afstand tussen perron en trein. Die gap maakt het een rolstoelgebruiker (bijna) onmogelijk om veilig zelfstandig aan boord te gaan.

Dat het anders kan bewijzen vele landen, zoals Nederland, Duitsland, Luxemburg enz. waar rolstoelgebruikers autonoom en zonder niveauverschil - en zonder gap! – de trein kunnen nemen.

De NHRPH publiceerde al op 22/12/2015 een perscommuniqué over de M7 en de verschillende perronhoogtes: Missen de personen met een beperkte mobiliteit trein M7?

De NMBS opteert ondertussen voor een standaardperronhoogte van 76 cm en een tweede van 55 cm. Stations en haltes die worden gerenoveerd worden in die zin aangepast. De NHRPH blijft ijveren voor wagens en perrons die zo zijn ontwerpen dat ook elke persoon met een beperkte mobiliteit autonoom de trein kan nemen.

Mevrouw Dutordoir meldde verder wel dat ze met producent Bombardier gaat overleggen of de toegankelijkheid van de M7 op andere vlakken kan worden verbeterd. De NHRPH vindt dat positief, maar dat verandert niets aan het hoogteverschil tussen perrons en wagens.

Ter herinnering: de NMBS wil in elk treinstel een aangepaste M7-wagen voor personen met een beperkte mobiliteit plaatsen. Idealiter is natuurlijk elke wagen toegankelijk, maar wanneer er slechts één toegankelijke wagen per stel is, moet die goed zijn aangeduid en vlot te vinden. Ook communicatie naar de reizigers is nodig, zowel online als op de perrons. (Naar verluidt bevindt de toegankelijke wagen zich doorgaans ongeveer in het midden van het treinstel, maar dat kan variëren.)

3. ADVIES

Met de compromishoogte van de M7 hypothekeert volledig de NMBS de toegankelijkheid voor personen met een handicap voor minstens 30 jaar. Sinds 2015 heeft de NHRPH herhaaldelijk gevraagd dat de NMBS een langetermijnplanning opstelt om werk te maken van één enkele perronhoogte voor het hele Belgische spoorwegnet. Alleen dan is er een toekomst mogelijk waarbij personen met een beperkte mobiliteit, zoals rolstoelgebruikers, blinde en slechtziende personen, mensen die slecht ter been zijn enz. zonder assistentie de trein kunnen nemen. Uiteindelijk heeft iedereen daar baat bij: mensen met bagage, ouders met kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, …

  • De NHRPH vraagt dat er grondig werk wordt gemaakt van de uniformiteit. Dat veronderstelt treinen en ingebedde perrons die op elkaar zijn afgesteld, zodat een rolstoelgebruiker veilig en op eigen kracht de trein kan inrijden.

  • De NHRPH eist universele toegankelijkheid, ook en vooral voor personen met een handicap, en ongeacht het type van handicap. De NHRPH vraagt een realistische, maar concrete langetermijnplanning van de NMBS.

  • De NHRPH betreurt dat de NMBS overgegaan is tot de aankoop van een tweede lichting van M7, ondanks de bezwaren die de NHRPH uitte in zijn persbericht. Verder kan de NHRPH niet begrijpen dat de NMBS dat deed zonder het advies van de NHRPH in te winnen. Nochtans bepaalt artikel 46 van het beheerscontract van de NMBS wat volgt:

    “De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap is, voor het overleg met de NMBS, de enige gesprekspartner die optreedt als vertegenwoordiger van de verschillende groeperingen en verenigingen die zich inzetten voor de minder mobiele reizigers."

  • Overigens begrijpt de NHRPH niet dat het thema niet op de agenda van de gemeenschappelijke werkgroep NMBS-NHRPH is gekomen, waar doorgaans constructief wordt samengewerkt. Die werkgroep komt 4 maal per jaar samen en telt leden van de NHRPH, vertegenwoordigers van de NMBS en handicapexperts van het middenveld. De NHRPH is ervan overtuigd dat de NMBS de NHRPH niet als schaamlapje wil gebruiken voor het domein ‘handicap’, maar heeft tegelijk ook moeite om te geloven dat het een simpele vergetelheid was.

  • De NHRPH herinnert aan het artikel 45 van het beheerscontract van de NMBS:

    "De NMBS verbindt zich ertoe om bij de aankoop van nieuw rollend materieel te zorgen voor specifieke uitrustingen voor PBM, evenals voor de slechtzienden en de slechthorenden (…)"

  • De NHRPH vraagt de NMBS en ook de Voogdijminister dan ook nadrukkelijk om hun verantwoordelijkheid te nemen, en dat met strikte naleving van het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap, in het bijzonder artikel 9:

    "Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, (…) in zowel stedelijke als landelijke gebieden."

  • De NHRPH herinnert eraan dat België de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties heeft geratificeerd. De Belgische Staat en de NMBS zijn samen verantwoordelijk voor het naleven van de doelstellingen, waaronder 11.2:

    "Tegen 2030 toegang voorzien tot veilige, betaalbare, toegankelijke en duurzame vervoerssystemen voor iedereen, waarbij de verkeersveiligheid verbeterd wordt, met name door het openbaar vervoer uit te breiden, met aandacht voor de behoeften van mensen in kwetsbare situaties, vrouwen, kinderen, personen met een handicap en ouderen."

    Beweren dat men zich op internationaal vlak engageert voor een egalisatieproces en ondertussen wetens en willens niet intern de implementatie voor deze egalisatie te voorzien getuigt van een diepe hypocrisie!

  • De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de NMBS om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Velen van hen zijn wegens hun handicap nog meer dan andere personen aangewezen op het openbaar vervoer. Universele toegankelijkheid is dus een must.

  • De NHRPH wenst vanwege de NMBS opvolging en feedback van de aanbevelingen en verwachtingen in zijn adviezen.

  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS nogmaals nadrukkelijk om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS;
  • Voor opvolging aan de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de Kamercommissie Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale instellingen;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2019/07 - Universitaire studie IT

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Leefomgeving, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een onderzoek in opdracht van de FOD Sociale Zekerheid over de "ontwikkeling van een instrument voor de evaluatie van de ondersteuningsbehoeften in handicapsituaties", uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 15 april 2019.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

In 2015-2016 heeft de FOD Sociale Zekerheid, Directie-generaal Personen met een handicap, de KU Leuven en de ULB belast met het uitwerken van een nieuwe evaluatieschaal voor de integratietegemoetkoming in het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De bestaande schaal dateert van 1987 en moest gemoderniseerd worden volgens de nieuwe perspectieven inzake participatie aan de samenleving, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en volgens een globale visie daarop, op grond van de internationale classificatie van het menselijk functioneren (ICF) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO), die in 2001 werd ingevoerd.

2. ANALYSE

In een eerste fase van dit onderzoek, dat in 2016 werd afgerond, werden uiteindelijk 19 indicatoren geselecteerd uit de ICF, die niet alleen betrekking hebben op persoonlijke activiteiten van het dagelijks leven (ADL) en instrumentele activiteiten van het dagelijks leven (IADL), maar ook op activiteiten inzake sociale participatie. De indicatoren werden geselecteerd op basis van de ICF met het oordeel van deskundigen, betrokken personen en uitbetalingsinstellingen in België. Het onderzoek heeft ook de oorspronkelijke doelstellingen van deze integratietegemoetkoming benadrukt, in het bijzonder de compensatie voor de extra kosten voor de behoefte aan menselijke ondersteuning. De resultaten van dit onderzoek werden voorgesteld in een eerste onderzoeksverslag.

In een tweede fase werden deze 19 indicatoren vertaald naar een schaal van indicatoren die nuttig is voor de evaluatoren van personen met een handicap die aanspraak kunnen maken op een integratietegemoetkoming. De kwaliteit van het instrument werd empirisch gevalideerd voor zijn betrouwbaarheid en samenhang. Ook werd onderzocht in hoeverre homogene groepen met een bepaalde behoefte aan ondersteuning kunnen worden onderscheiden, evenals de overeenstemming met de daadwerkelijk gekregen ondersteuning en eventuele extra kosten. De resultaten van deze tweede fase, die van 2017 tot medio 2018 liep, worden voorgesteld in het tweede onderzoeksverslag.

De 19 ICF-indicatoren die in de eerste fase werden geselecteerd, werden uiteindelijk uitgebreid tot 22 domeinen, na vergelijking met de huidige schaal van indicatoren.

Zeven ICF-domeinen kunnen worden omschreven als "activiteiten van het dagelijks leven" (ADL), zes als "instrumentele activiteiten van het dagelijks leven" (IADL) en ten slotte kunnen negen ICF-domeinen worden omschreven als "vaardigheden voor sociale participatie".

Gebieden die door de ICF worden bestudeerd

ADL

IADL

Vaardigheden, sociale interacties en relaties

1. Leren en toepassen van kennis

 

 

 

Ontwikkelen van vaardigheden (d155)

 

 

14

Lezen (d166)

 

 

15

2. Communicatie

 

 

 

Converseren (d3503)

 

 

16-17

Gebruik van communicatieapparatuur en -technieken (d360)

 

 

18-19

3. Mobiliteit

 

 

 

Binnenshuis verplaatsen (d4600)

 1

 

 

Buitenshuis verplaatsen (d4602)

 2

 

 

Gebruik van vervoermiddelen (d470)

 

8

 

4. Zelfverzorging

 

 

 

Zich wassen (d510)

3

 

 

Verzorgen van lichaamsdelen (d520)

4

 

 

Zorgdragen voor toiletgang (d530)

5

 

 

Zich kleden (d540)

6

 

 

Eten en drinken (d550 & d560)

7

 

 

Opvolging gezondheidsadviezen (d570)

 

13

 

5. Huishouden

 

 

 

Verwerven van goederen en diensten (d620)

 

9

 

Bereiden van maaltijden (d630)

 

10

 

Huishouden doen (d640)

 

11

 

6. Tussenmenselijke interacties en relaties

 

 

 

Basale tussenmenselijke interacties (d710)

 

 

20

Complexe tussenmenselijke interacties (d720)

 

 

21

7. Belangrijke levensgebieden

 

 

 

Basale financiële transacties (d860)

 

12

 

8. Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven

 

 

 

Recreatie en vrije tijd (d920)

 

 

22


Voor elk van deze geselecteerde gebieden werd een nauwkeurigere evaluatieschaal toegevoegd (zeven ondersteuningsniveaus moeten worden vergeleken met de vier niveaus van de vorige schaal), gebaseerd op de in het BelRAI-filter geselecteerde antwoordcategorieën. De nieuwe antwoordcategorieën evalueren de behoeften aan menselijke ondersteuning, waarbij de inspanningen die de PH moet leveren of het gebruik van hulpmiddelen buiten beschouwing worden gelaten. Deze zijn echter voor elke evaluatiecategorie afzonderlijk geregistreerd, zodat ze expliciet kunnen worden opgenomen in de uiteindelijke evaluatieschaal. Ze zijn "verzwarende" parameters geworden, die de extra inspanning en de kwaliteit van de uitvoering van de verschillende activiteiten aantonen: de extreme duur of de extra inspanning (1ste verzwarende factor), pijnpreventie, ademhalings- of hartproblemen, vermoeidheid, angst, enz. (2de verzwarende factor) en het gebruik van een hulpmiddel (3de verzwarende factor).

 

ADL (o.a. eten nuttigen, zich wassen)

IADL (o.a. boodschappen, huishouden)

Vaardigheden & sociale interacties en relaties

0

Zelfstandig - bij geen enkele situatie fysieke hulp, klaarzetten of toezicht nodig

Zelfstandig - zonder hulp, klaarzetten of toezicht

Zelfstandig - zonder hulp, klaarzetten of toezicht

1

Hulp beperkt tot het klaarzetten - voorwerp of apparaat bezorgd of binnen bereik geplaatst, bij geen enkele situatie fysieke steun of toezicht nodig

Hulp beperkt tot het klaarzetten

Weinig hulp of hulp beperkt tot het klaarzetten - voldoende tijd en ruimte nodig of enkel klaarzethulp

2

Toezicht - toezicht, stimulatie of aanwijzingen nodig

Toezicht - toezicht, stimulatie of aanwijzingen nodig

Toezicht - toezicht, stimulatie of aanwijzingen nodig

3

Beperkte hulp - ondersteuning bij het bewegen van ledematen OF fysieke ondersteuning zonder gewicht te dragen

Beperkte hulp - bij sommige gelegenheden hulp nodig

Beperkte hulp - bij sommige gelegenheden hulp nodig zoals het aanbieden van herhaling, inzichten of uitleg OF beperkte problematiek

4

Uitgebreide hulp -gewichtsondersteunende hulp (inclusief ledematen optillen), door 1 hulpverlener waarbij de betrokkene zelf nog minstens 50% van de subtaken uitvoert

Uitgebreide hulp - hulp nodig, maar voert zelf nog minstens 50% van de taak uit

Uitgebreide hulp - hulp nodig, maar voert zelf nog minstens 50% van de taak uit OF uitgebreide problematiek

5

Maximale hulp - gewichtsondersteunende hulp (inclusief ledematen optillen), door minimum 2 hulpverleners OF gewichtsondersteunende hulp bij meer dan 50% van de subtaken

Maximale bijstand - hulp nodig, maar voert zelf minder dan 50% van de taak uit

Maximale bijstand - hulp nodig, maar voert zelf minder dan 50% van de taak uit OF maximale problematiek

6

Totale afhankelijkheid - activiteit wordt altijd volledig door anderen uitgevoerd

Totale afhankelijkheid - activiteit is onmogelijk

Totale afhankelijkheid - activiteit is onmogelijk


Dit nieuw instrument werd gebruikt bij 449 personen met een handicap door dezelfde artsen (artsen van de DG Personen met een handicap) die momenteel de huidige schaal voor de integratietegemoetkoming gebruiken. Dit nieuw instrument werd ook een tweede keer in een kleine groep gebruikt, door dezelfde of door een andere arts, of werd door de persoon met een handicap zelf ingevuld, om de betrouwbaarheid van het instrument te testen. Hieruit is een variabele betrouwbaarheid onder de evaluatoren (dezelfde deskundige op 2 verschillende tijdstippen) en tussen de evaluatoren (deskundige A en deskundige B of deskundige PH) gebleken, die varieerde van voldoende tot matig, afhankelijk van de situatie.

Uiteindelijk hebben 366 personen met een handicap de dossiers zelf ingevuld. 3% van hen stuurde de resultaten elektronisch terug. De gemiddelde tijd om het dossier in te vullen was 38 minuten. 40% van de formulieren werd ingevuld door de persoon alleen, 48% met de hulp van een derde en 12% volledig door een derde.

De correlatie tussen de twee schalen (de huidige en degene waarop het onderzoek betrekking heeft) heeft min of meer hoge varianties. Er werd ook een correlatie vastgesteld met het duur van de hulp en met de extra kosten verbonden aan de handicap. Bovendien legt de weging tussen sociale participatie en de ADL/IADL nieuwe categorieën van hulpbehoeften en herverdelingen in nieuwe categorieën bloot.

De onderzoekers willen hun onderzoek voortzetten om het nieuwe instrument te verbeteren en te verfijnen.

4. ADVIES

De sector wacht op een nieuwe schaal. De huidige schaal (KB van 30 juli 1987) blijkt inderdaad te algemeen, soms ver verwijderd van de zorgen en uitdagingen van het dagelijks leven en onderhevig aan zeer uiteenlopende interpretaties. Ze is ook weinig transparant voor de personen zelf en voor de stakeholders. In een recent auditverslag over de DG HAN werd ook het vrije gebruik van deze schaal en het ontbreken van eenvormige richtlijnen aan de kaak gesteld. Meer details zijn te vinden in advies 2019/02.

Het huidig onderzoek is wetenschappelijk onderbouwd en lijkt voldoende gedetailleerd te zijn (men gaat van 4 tot 7 categorieën; 22 items worden onderzocht) om een groot aantal gevolgen van een handicap voor het dagelijks leven van personen te meten.

De NHRPH is echter van mening dat de studie niet voldragen is omdat er geen zicht is op de eindresultaten van de nieuwe schaal. De nieuwe schaal vereist nog ontwikkelingen voor zeer verschillende aspecten (steekproeftrekking, betrouwbaarheid onder en tussen de evaluatoren, nauwkeurigheid van de meting, ...) om te kunnen worden aangenomen en toegepast. Dergelijk instrument moet immers als ambitie hebben, voor elke persoon, in zijn dagelijks leven, de activiteiten (ADL/IADL en sociale participatie) te kunnen meten die hij al dan niet zelfstandig kan uitvoeren, en onder welke voorwaarden: pijn, inspanningen, tijdsduur, externe apparatuur, enz.).  

De NHRPH stelt zich daarnaast ook een aantal vragen over de huidige stand van het onderzoek en de bevindingen.

  1. In het algemeen begrijpt de NHRPH niet altijd goed de conclusies die uit de bevindingen worden getrokken. Het is van essentieel belang dat de personen en de stakeholders de inhoud en de reikwijdte van het instrument begrijpen, zo niet zou het instrument zeer snel bekritiseerd kunnen worden;
  2. Het instrument zou gebaat zijn met meer nauwkeurigheid. Zoals de vraag: "wat zijn uw letsels en beperkingen?" Het zijn eigenlijk twee verschillende vragen die 2 verschillende antwoorden vereisen;
  3. Een paradox die de NHRPH in de studie opmerkt: het onderzoek is gebaseerd op de ICF, maar de omgevingsdimensie is niet meegenomen. Het is nochtans geweten dat de omgeving een belangrijke factor is bij de beperking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een handicap. De NHRPH vraagt aan de onderzoekers om een redelijke meting te overwegen om rekening te houden met deze omgeving. Zo heeft een persoon die op het platteland woont, ver van het openbaar vervoer, niet dezelfde mobiliteitsmogelijkheden als de persoon die in de stad woont. In een dergelijke situatie zou de nieuwe schaal in ieder geval moeten worden aangepast in functie van een min of meer gunstige omgeving;
  4. De aanvankelijke focusgroepen hebben soms heel weinig personen samengebracht en zijn mogelijk niet representatief genoeg;
  5. De steekproef is niet ruim genoeg : de eerste conclusies uit de 366 dossiers die in het huidig stelsel en volgens de nieuwe schaal daadwerkelijk worden vergeleken, moeten op een veel grotere schaal worden bevestigd. Ter herinnering, toen de evaluatieschaal in de regeling inzake bijkomende kinderbijslag werd gewijzigd, werden duizenden dossiers met elkaar vergeleken, waarbij ervoor gezorgd werd dat alle ziekten, levenssituaties en bijzondere omstandigheden zo goed mogelijk werden geïntegreerd;
  6. Het instrument lijkt vooralsnog niet in staat om de uiterste categorieën te meten. De reikwijdte van het instrument moet worden uitgebreid tot de evaluatiebehoeften van alle personen, zowel die met lichte als met ernstige beperkingen;
  7. Sommige factoren komen helemaal niet aan bod: opleiding en arbeid, vervoer bijvoorbeeld. Er bestaan echter veel hindernissen op het gebied van participatie. Andere gebieden hebben een vaag kader: bv.: verwijst "vrije tijd" naar specifieke activiteiten, wensen, minimumbehoeften of een levensproject ...?
  8. Sommige items zijn niet nauwkeurig genoeg en hebben onduidelijke onderdelen (met het inherente risico van uiteenlopende interpretaties). Bv.: mobiliteitsbeperkingen. Wat wordt gemeten? De mogelijkheid om zelf een voertuig, een fiets te besturen? De mogelijkheid om vervoerd te worden? In het eerste geval blijft de afhankelijkheid van derden, het openbaar vervoer, enorm groot. Is er een standaardnorm met verwijzing naar een valide persoon en die zou neerkomen op de volgende vraag "iedere persoon moet in staat zijn een voertuig te besturen"? In ieder geval moeten de items geldig zijn voor iedereen en voldoende verfijnd zijn voor elke individuele situatie.
  9. Hoe zal de levensrealiteit worden gemeten? Hoe zullen de punten worden verdeeld? En de weging van verzwarende factoren? En de weging bij wisselende gezondheidstoestanden, fibromyalgie, slaapstoornissen, vormen van kanker, ernstige ademhalingsproblemen, enz.? De weging van specifieke of niet-specifieke prothesen (bv. een loopprothese wordt niet gebruikt om te zwemmen)?
  10. Het is van essentieel belang dat de "geëvalueerde" persoon en de gebruikers het instrument begrijpen en dat iedereen het eens is met de eindevaluatie. Het is ook belangrijk dat dit instrument zelfevaluatie mogelijk maakt. De NHRPH merkt in dit verband op dat 40% van de geteste personen met een handicap het instrument zelfstandig hebben ingevuld. Dit cijfer is niet bijzonder hoog en kan erop wijzen dat de leesbaarheid zou moeten worden verbeterd. Het instrument moet ook bruikbaar zijn voor een multidisciplinair team, waarbij de arts hooguit ondersteuning biedt wanneer er opheldering nodig is op medisch gebied. Het instrument moet aangevuld worden met richtlijnen en een gebruikershandleiding, moet meermaals worden geëvalueerd in teamverband en moet geleidelijk en voortdurend worden verfijnd. Een evaluatie op basis van stukken zal moeten worden verboden wanneer de medische situatie dit niet rechtvaardigt.
  11. Toekomstgericht: hoe zal dit instrument zich verhouden tot het BelRai-onderzoek dat interministerieel is afgesproken? Zullen de onderzoeken gelijktijdig lopen zodat geen dubbele vraagstelling/onderzoek nodig is? Om onderbescherming tegen te gaan is het aangewezen om het IT-recht (attestrecht) gelijktijdig te onderzoeken met andere rechten in functie van (zorg)ondersteuning van de PMH.

De NHRPH wil ook elke dubbelzinnigheid wegnemen over de reikwijdte en het doel van de IT: de behoefte aan ondersteuning en de extra kosten wegens de handicap zijn twee verschillende aspecten; de kwestie van de handicap is ruimer dan de kwestie van de extra kosten. Een evaluatie van de behoeften is mogelijk; het ramen van alle extra kosten is een andere oefening omdat ze verband houden met de omgeving, met de andere bestaande uitkeringen en steunmaatregelen (bv. kosten voor toegankelijk vervoer, toegankelijke informatica-apparatuur, enz.). De IT zal nooit alle bijkomende kosten die thans op federaal of gewestelijk niveau worden gedekt, ten laste kunnen nemen. De schaal maakt het mogelijk de behoefte aan bijstand te meten, maar kan geen idee geven van de extra kosten voor bijvoorbeeld alle informele begeleiding. Voor een meting van de meerkosten verwijst het NHRPH naar het instrument dat in Vlaanderen bestaat, namelijk de referentiebudgetten, en dat kan worden aangepast voor personen met een handicap.

Ten slotte herinnert de NHRPH eraan dat elke beoordeling van nature subjectief is. Het systeem zal moeten voorzien in een interne herzieningsprocedure, als eerste stap voor een zware beroepsprocedure (zie bijvoorbeeld de heroverwegingscommissie VAPH: samengesteld met onder meer vertegenwoordiging uit verenigingen van personen met een handicap en waar de persoon zijn situatie kan toelichten).

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan het KUL-ULB-onderzoeksteam;
  • Ter info aan de heer Kris Peeters, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan de federale Ombudsman;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2019/08 - Profiel professionele bewindvoerders

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2019/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het instellen van een federale bewindvoeringscommissie en het bepalen van de voorwaarden voor het beroepsmatig uitoefenen van de functies van bewindvoerder over een beschermde persoon.

Advies verstrekt op vraag van het kabinet van de Minister van Justitie op 11 september 2019. Advies uitgebracht na elektronische raadpleging van de leden van 28 tot 30 oktober 2019.


1. ONDERWERP

De beleidscel van de Minister van Justitie heeft in samenwerking met de FOD Justitie gewerkt aan het opstellen van een voorontwerp van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het instellen van een federale bewindvoeringscommissie en het bepalen van de voorwaarden voor het beroepsmatig uitoefenen van de functies van bewindvoerder over een beschermde persoon. De beleidscel van de Minister van Justitie en de FOD Justitie hebben de hervorming voorgesteld op de plenaire vergadering van de NHRPH van 21 oktober 2019. De Minister van Justitie wenst het advies van de NHRPH uiterlijk op 4 november 2019 te bekomen.


2. ANALYSE

Het voorontwerp bepaalt de omkadering van al dan niet bezoldigde voorlopige bewindvoerders die de functie beroepsmatig uitoefenen. Het voorziet in een geheel van disciplinaire sancties en in de intrekking van de erkenning.

Dit voorontwerp van wet heeft tot doel een betere vertegenwoordiging of bijstand van de te beschermen of beschermde persoon mogelijk te maken, in overeenstemming met zijn of haar belangen.

Het bevat de volgende krachtlijnen:

  • het bepalen van de voorwaarden die vervuld moeten zijn om beroepsmatig bewindvoerder te worden (oprichting van een tuchtcommissie);
  • het oprichten van een federale bewindvoeringscommissie die belast wordt met de omkadering van het nieuwe stelsel van de functie van professioneel bewindvoerder;
  • het oprichten een nieuw register van erkende bewindvoerders. Dit geïnformatiseerde register zal bepaalde informatie bevatten om de taak van de vrederechters te vergemakkelijken bij de eventuele keuze van een professionele bewindvoerder om een te beschermen of beschermde persoon te vertegenwoordigen of bij te staan. Het register moet ook de toekenning van de erkenningen en de controle van de bewindvoerders, zodra ze erkend zijn, vergemakkelijken.


3. ADVIES

De NHRPH verwelkomt het initiatief van de Minister van Justitie om het kader vast te stellen voor de aanwijzing en de werking van een professioneel bewindvoerder. Hij stelt van dat de overheid de aanbevelingen van de Hoge Raad van Justitie van 2014 heeft gevolgd (http://www.csj.be/sites/default/files/press_publications/advies-avis-20141217.pdf, blz. 1-2).

De NHRPH wijst evenwel op enkele aandachtspunten:

  • De vrederechters moeten gesensibiliseerd worden om bij voorkeur een familielid aan te wijzen. Indien de vrederechter kiest voor een professionele bewindvoerder, moet hij aantonen waarom zijn keuze in het belang van de persoon is.
  • De gezinnen moeten duidelijke en toegankelijke informatie krijgen over de hervorming en de rol van de tuchtcommissie.
  • De nieuwe commissie moet vlot bereikbaar zijn voor de families en de beschermde personen. Daarom moet het internetplatform beantwoorden aan strenge toegankelijkheidsnormen, met inbegrip met makkelijk leesbare en begrijpelijke taal (easy to read).
  • De bewindvoerders die reeds actief zijn hebben ondersteuning nodig bij de overgang naar de nieuwe regeling.
  • Er moet een maximum aantal dossiers per bewindvoerder worden vastgelegd.
  • De deontologische code moet ook heldere en precieze kwaliteitscriteria voor de dossierbehandeling bevatten.
  • De inhoud van de deontologische code, van de opleidingen voor professionele bewindvoerders en van de erkenningsprocedure van de opleiders moet worden vastgelegd.
  • De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bewindvoerder moet worden gegarandeerd via evaluatie.
  • In de reglementering moet de oprichting worden ingeschreven van een secretariaat dat in staat is de taken van de federale commissie uit te voeren.
  • De genomen maatregels moeten worden geëvalueerd - zoals reeds voorzien in de wet van 17/03/20132.
  • De sancties moeten niet alleen in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd, maar ook op de website van de FOD Justitie, in een eenvoudige en duidelijke taal.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie;
  • Ter info aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2019/04 - Kinderbijslag

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2019/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toekenning van afgeleide rechten aan kinderen met een handicap, uitgebracht via elektronische raadpleging op 7 maart 2019.

Advies uitgebracht op vraag van de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking.

1. ONDERWERP

In dit advies worden drie voorstellen van wet- en reglementaire teksten (evenals hun bijlagen) onderzocht, namelijk:

  • het voorontwerp van wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving;
  • het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving;
  • het ontwerp van koninklijk besluit tot aanpassing van verschillende koninklijke besluiten ingevolge de inwerkingtreding van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving.

2. ANALYSE

De memorie van toelichting van het wetsvoorstel bepaalt het volgende:

Verschillende federale reglementeringen houden rekening met de handicapsituatie van de burgers om hun verschillende sociale of fiscale voordelen toe te kennen.

Deze voordelen worden toegekend op basis van de erkenning van de handicap van de persoon, soms in combinatie met aanvullende administratieve of inkomensvoorwaarden.

Voor het rekening houden met de situatie van een kind met een handicap, verwijzen de verschillende regelingen inzake sociale en fiscale voordelen naar de regeling inzake verhoogde kinderbijslag van de Algemene kinderbijslagwet (AKBW) en het uitvoeringsbesluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002.

De beoordeling van het kind voor de verhoogde kinderbijslag vertrekt van een aandoening “die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving”.

Met de zesde staatshervorming werd de bevoegdheid voor kinderbijslag overgedragen aan de gemeenschappen, waardoor het onduidelijk is hoe lang de huidige methode voor het vaststellen van lichamelijke of geestelijke handicaps zal worden gehandhaafd.

De federale wetgeving inzake kinderbijslag blijft echter van kracht in de deelentiteiten voor zolang en zover zij door de wetgeving van deze entiteiten niet wordt gewijzigd of ingetrokken.

Zo verleent het decreet van het Waals Gewest van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen de bevoegdheid aan de Waalse regering om de voorwaarden te bepalen voor de toekenning van de bijslag ten gunste van de kinderen met een handicap. De inwerkingtreding van deze regeling is vastgesteld op 1 januari 2020 en enkel voor kinderen die op of na 1 januari 2020 geboren zijn.

Zo voorziet het decreet van de Vlaamse overheid van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vanaf 1 januari 2019 in een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Het besluit van 7 december 2018 van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag bepaalt de criteria voor de vaststelling van dit recht.

Het is daarom noodzakelijk om rekening te houden met deze ontwikkelingen. Enerzijds moet in de federale wetgeving een verwijzing naar de erkenning van de handicap van het kind worden opgenomen, want hoewel de regels die voortvloeien uit de AKBW in sommige entiteiten tijdelijk kunnen worden gehandhaafd, is het niet zeker dat zij het huidige systeem voor de erkenning van de handicap zullen handhaven. Anderzijds moeten de verwijzingen naar de AKBW in de federale wetgeving worden gewijzigd, aangezien die niet langer de basis zal vormen voor een uniforme erkenning.

Het wetsontwerp heeft tot doel het probleem dat voortvloeit uit de overdracht van de bevoegdheid inzake verhoogde kinderbijslag aan de Gewesten aan te pakken door in de federale wetgeving een basis vast te leggen om deze vaststellingen alsnog te doen of door te bepalen dat gelijkwaardige vaststellingen van de deelentiteiten kunnen worden gebruikt om de sociaal verzekerden niet te dwingen tweemaal een medisch onderzoek te ondergaan.

Zoals ook voorzien is in de huidige AKBW, bepaalt het ontwerp dat de Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het lichamelijk en geestelijk onvermogen van het kind en de gevolgen van de aandoening worden bepaald.

Het eerste ontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving uit te voeren.

Het tweede ontwerp van koninklijk besluit past verschillende koninklijke besluiten aan naar aanleiding van de inwerkingtreding van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving. Dit koninklijk besluit somt dus de verschillende regelingen op waarin wordt verwezen naar de wetgeving inzake kinderbijslag en past deze aan door te verwijzen naar de nieuwe wet.

In bijlage 1 wordt de medisch-sociale schaal van het eerste ontwerp van koninklijk besluit vastgelegd.

Bijlage 2 bevat de lijst van de pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het eerste ontwerp van koninklijk besluit om te worden gebruikt bij de vaststelling van de gevolgen van de aandoening bedoeld in artikel 2 van de wet.

Bijlage 3 bevat de lijst van de sociale uitkeringen waarvoor een deelentiteit bedoeld in artikel 6, eerste lid van het eerste ontwerp van koninklijk besluit bevoegd is. Dit artikel bepaalt dat de aandoening die gevolgen heeft voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving, ook kan worden vastgesteld volgens de criteria van de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit door een geneesheer in het kader van de toekenning van een sociale uitkering die onder de bevoegdheid van een deelentiteit valt.

3. ADVIES

In de eerste plaats betreurt de NHRPH het dat hij een uiterst dringend advies moet uitbrengen over deze voorstellen van wet- en reglementaire teksten. Dit zijn zeer technische teksten die aan een grondige juridische analyse hadden moeten worden onderworpen, wat niet het geval kon zijn. 

Wat wordt bijvoorbeeld precies bedoeld met artikelen 14 en 16 van het 2e ontwerp van koninklijk besluit? De mogelijkheid voor het kind met een handicap om als gerechtigde geregistreerd te worden in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen?

Heeft deze bepaling betrekking op de Maximumfactuur ? Zo ja, wordt ze in de teksten opgenomen? De NHRPH vraagt zich af of er al overleg met de deelentiteiten heeft plaatsgevonden voor het opstellen van deze teksten. Zo niet, dan is het van essentieel belang dat dergelijke overleg plaatsvindt om ervoor te zorgen dat de teksten op alle problemen en situaties inspelen.

De NHRPH verheugt zich erover dat dergelijk initiatief wordt genomen, maar het komt veel te laat. Het decreet van de Vlaamse overheid van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid is immers op 1 januari 2019 in werking getreden. De federale reglementeringen inzake de toekenning van afgeleide rechten werden nog niet aangepast en vermelden dit decreet dus niet. Er is bijgevolg momenteel een juridisch vacuüm voor de door de Vlaamse overheid erkende kinderen met een handicap. De NHRPH merkt op dat het wetsontwerp een terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 heeft, waardoor het mogelijk wordt om rekening te houden met gevallen waarvoor er momenteel een juridisch vacuüm is. De NHRPH hoopt ten zeerste dat geen enkel kind met een handicap of ouder van een kind met een handicap negatieve gevolgen van dit gebrek aan vooruitziendheid zal ondervinden.

Volgens de mondelinge informatie die aan het secretariaat van de CSNPH is verstrekt, zouden de huidige medische criteria niet worden gewijzigd. De NHRPH wil daar graag zeker van zijn.

Het tweede ontwerp van het koninklijk besluit past verschillende koninklijke besluiten aan naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet. De NHRPH wil er zeker van zijn dat in het ontwerp van koninklijk besluit rekening wordt gehouden met alle bestaande bepalingen inzake afgeleide rechten voor kinderen met een handicap. De NHRPH merkt op dat de regelingen "arbeidsongevallen" en "beroepsziekten" zijn geïdentificeerd. Hoe zit het met ongevallen van gemeen recht? Zijn die opgenomen in de bepalingen? Is het mogelijk om een tekst te voorzien waarvan de formulering een "brede aanpak" mogelijk maakt en waarbij rekening wordt gehouden met "vergeten of toekomstige situaties"?

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2019/01 - Softenonwet

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen

Update: het wetsvoorstel dat het onderwerp uitmaakt van het NHRPH-advies 2019-01, werd goedgekeurd en gepubliceerd (Wet van 5 mei 2019 betreffende de toekenning van een forfaitaire bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap, B.S. 16.05.2019).

Advies nr. 2019/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) inzake het voorontwerp van wet betreffende de toekenning van een forfaitair bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap.

Advies uitgebracht op verzoek van Minister Kris Peeters op 1 februari 2019, wegens hoogdringendheid opgesteld na elektronische raadpleging van de leden op 6 februari 2019.

1. ONDERWERP

Op 15 februari 2019 zal Minister De Block een wet voorstellen in de Ministerraad om softenonpatiënten te vergoeden.

2. ANALYSE

De voorgestelde tekst is het resultaat van een lange mobilisering door het Europees Parlement, patiëntengroepen in heel Europa en na een veroordeling van de Belgische Staat in 2018. Ter herinnering: de chemische stof thalidomide heeft in heel wat Europese landen, waaronder België, geleid tot de dood en/of misvormingen bij duizenden pasgeborenen.

Het wetsontwerp bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van een forfaitair bedrag aan elke persoon die lijdt aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen die thalidomide bevatten door de moeder tijdens de zwangerschap of, in geval van vooroverlijden van het slachtoffer, aan zijn moeder en vader.

Het voorziene forfaitaire bedrag van 125.000 euro per patiënt is vrijgesteld van personenbelasting en doet bovendien niets af aan de rechten die de betrokken personen kunnen laten gelden op grond van andere bepalingen.

Een forfaitair bedrag van 30.000 euro wordt toegekend aan de moeder en aan de vader van de persoon bedoeld in artikel 2 die overleed vóór de inwerkingtreding van de wet, indien zij nog leven op het ogenblik dat de wet in werking treedt.

De bevoegdheid tot onderzoek wordt toegewezen aan de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (HZIV).

3. ADVIES

De NHRPH eert het initiatief van de Minister. Het komt laat in verhouding tot de lange strijd van de slachtoffers, maar het heeft de verdienste dat het de schade erkent die het schandaal heeft aangericht bij de getroffen patiënten en hun families.

De NHRPH formuleert de volgende opmerkingen over de reikwijdte en de inhoud van de wet:

  • Voorziene bedragen: het aantal overlevende patiënten wordt geraamd op 50; het aantal overlevende ouders van vooroverleden patiënten wordt geraamd op 50. Op basis van een vergoeding van € 125.000/patiënt en € 30.000/ouder, zouden de 5 miljoen € hoogstens 40 patiënten vergoeden. Een nieuwe provisie zou snel moeten worden gebudgetteerd. Is een nieuw wetgevend initiatief nodig?
  • Aan te voeren bewijs: hoe kunnen patiënten en ouders het bewijs leveren van het verband met de handicap? In die tijd werden de medische dossiers niet systematisch en meestal onvolledig gearchiveerd.
  • Onderzoek van de aanvragen: Het systeem lijkt gebaseerd te zijn op het principe van "eerst aangevraagd, eerst onderzocht" zonder enige vorm van prioritering tussen de aard van de aanvragers (patiënten of ouders), de ernst van de afhankelijkheid,... Hoe zal een gelijke behandeling van alle patiënten/ouders voor de wet gewaarborgd worden als die wordt toegepast in het kader van een gesloten enveloppe?
  • De wet is van toepassing op Belgische onderdanen of personen die in België zijn geboren. Hoe kunnen alle begunstigden (levende patiënten en overlevende ouders) worden teruggevonden? Hoe zal de communicatie in België en in het buitenland verlopen?
  • Waarom de vergoeding beperken tot de vader en de moeder? Men kan zich voorstellen dat een van de ouders – of beiden – niet bij de opvoeding betrokken was, of omgekeerd, dat een ander familielid erbij betrokken was.
  • De gevolgen in verband met het innemen van het geneesmiddel zijn zeer divers op het vlak van de afhankelijkheid van het kind, waarbij ook de kosten van verzorging en bijstand zeer wisselend zijn. Het principe van een forfaitair bedrag is strijdig met de wens om slachtoffers op een eerlijke manier te vergoeden. Het is moeilijk te begrijpen dat uitgerekend in het kader van de handicap geen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en de werkelijk gemaakte kosten. Dit raakt aan het gekende debat over gelijkheid en rechtvaardigheid.
  • Is het mogelijk om in beroep te gaan tegen de beslissing van de HZIV?
  • Verwacht wordt dat de vergoeding niet belastbaar zal zijn; in welke mate zal de vergoeding als "inkomsten" in aanmerking worden genomen bij de berekening van een ander recht of bijstand voor de patiënt of de ouder (zie het cumulatieprobleem van de sociale bijstand en de integratietegemoetkoming (IT); de
    integratietegemoetkoming is geen inkomen op fiscaal vlak en toch houden sommige OCMW’s er rekening mee).
  • Artikel 9, § 2: ... doet niets af aan de sommen waarop de personen ... Toe te voegen: “verzorging, materiële hulp, menselijke, technische of bijstand van een andere aard".

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister belast met Personen met een beperking en mevrouw Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid;
  • Ter info aan de Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2019/02 - Audit en actieplan DG HAN

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019-02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de audit van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) en het actieplan van de Minister belast met Personen met een beperking.

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 maart 2019.

1. ONDERWERP

Op 30 januari 2019 hebben de Commissie Sociale zaken van de Kamer en de Commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw een gezamenlijke vergadering gehouden met als enig thema de ernstige tekortkomingen van DG Personen met een handicap en de gevolgen daarvan voor de belangrijkste betrokkenen, namelijk de personen met een handicap zelf. Tijdens deze zitting werd de audit voorgesteld die de Federale Interne Auditdienst (FIA)[1] in oktober en november 2018 heeft uitgevoerd op verzoek van de voormalige Staatssecretaris voor Personen met een beperking. De nieuwe Minister belast met personen met een beperking, de heer Kris Peeters, heeft vervolgens een actieplan voorgesteld met als titel “Concrete maatregelen ter verbetering van de dienstverlening”.

Dit advies van de NHRPH gaat in op de conclusies van de audit en het actieplan van de Minister. Eerst worden deze conclusies (deel “Analyse”) en vervolgens het standpunt van de NHRPH (deel “Advies”) voorgesteld.

2. ANALYSE

A. De audit

De controle bestaat uit een onderzoek naar de efficiëntie en kwaliteit van de operationele processen binnen DG HAN[2] en een analyse van de werklast van de verschillende entiteiten.

De audit beperkt zich tot de administratieve verwerking van dossiers binnen de basisteams en tot het medisch onderzoek binnen de medische expertisecentra. De auditoren waren vooral geïnteresseerd in de wijze waarop informatie wordt verzameld in het kader van het onderzoek van dossiers, het medisch onderzoek dat soms volgt, in de berekening van de rechten en in de kennisgeving van beslissingen aan de betrokken persoon. Zij hebben ook de verschillende “producten” van DG HAN onderzocht, namelijk de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, de verhoogde kinderbijslag, de parkeerkaarten en de handicapgebonden sociale en fiscale voordelen.

Een aantal aspecten van de door DG HAN uitgevoerde taken werden evenwel niet geanalyseerd in het kader van deze audit: telefonie, fysiek onthaal van bezoekers (sociale permanenties), informaticatools voor dossierbeheer zoals “My Handicap”, brieven en mededelingen, procedures voor de betaling van tegemoetkomingen en achterstallige betalingen en de terugvordering van onverschuldigde bedragen, geschillendossiers, enz. De audit had evenmin betrekking op de herzieningen van dossiers (vragen om herziening en ambtshalve verrichte herzieningen, vijfjaarlijkse herzieningen), noch op het beheer van attesten, omdat de gegevens niet beschikbaar zijn.

De verzamelde informatie is afkomstig van de raadpleging van reeds bestaande documenten, interviews met medewerkers van DG HAN en gesprekken met externe belanghebbenden.

Dit waren de onderzoeksvragen:

  • Worden de processen zo georganiseerd en beheerd dat ze de dienstverlening bieden die de burger verwacht? Het ging met andere woorden om de kwaliteit van de “output” vanuit het oogpunt van de gebruiker.
  • Is de verdeling van de werklast over de verschillende entiteiten van DG HAN zodanig dat de verwachte dienst naar behoren wordt verleend? Hierbij ligt de focus op de interne organisatie.

Het auditverslag is uitsluitend in het Nederlands opgesteld. Het secretariaat van de NHRPH heeft het in het Frans laten vertalen door middel van automatische vertaalsoftware, maar dat is dus geen officiële versie. 

De conclusie van de audit is streng. Het antwoord op beide onderzoeksvragen is duidelijk negatief. Zo staat er o.a. te lezen:

“Op basis van deze vaststellingen kan geen redelijke zekerheid gegeven worden dat de processen binnen DG HAN op een efficiënte en effectieve wijze beheerd worden om tot een door de burger verwachte dienstverlening te komen.” (blz. 4).

i) Meer in het bijzonder bevat de audit een groot aantal vaststellingen. De NHRPH stipt daaruit de volgende aan (uittreksels uit het auditverslag[3]):

1. Er is geen reden om te concluderen dat de verwerking van gegevens en bestanden voldoet aan de eisen van gelijkheid tussen burgers en de juiste toepassing van de regelgeving. In het verslag staat:

  • “De competentiematrix kon niet altijd ingevuld worden (…) binnen de zelfsturende teams. Terugplooien op centrale ondersteuning en coördinatie is veel te beperkt beschikbaar, en normeringen rond de opgelegde taken -met uitzondering van de verwijlinteresten te betalen na 180 dagen- zijn nagenoeg onbestaande.” (p. 4);
  • “Er werden geen sporen gevonden van een uniform beheer (inclusief kwaliteit) rond voorinwinning van gegevens (zowel op administratief als op medisch vlak), wat tot het risico kan leiden dat in de berekening en afhandeling het werk al dan niet volledig moet worden overgedaan.” (p. 4);
  • “Er is een grote verscheidenheid in de opzet van de organisatie en de competentiemix van de onderliggende basisteams” (p. 21);
  • Er is een aanzienlijk verschil in doorlooptijd. Als we bijvoorbeeld de gemiddelde duur van de behandeling van een nieuwe aanvraag voor inkomensvervangende en integratietegemoetkomingen als voorbeeld nemen, varieert deze tussen 158 en 404 kalenderdagen, afhankelijk van het geografische gebied, wat neerkomt op een variatie van één tot bijna drie keer (tabel 1, blz. 23). De mediaan is 130 dagen. Van de 22.242 dossiers die momenteel in behandeling zijn, wordt de eerste helft (iets meer dan 11.000 dossiers) in maximaal 130 dagen behandeld, iets minder dan de maximale wettelijke duur, terwijl de andere helft van de zaken tussen 130 dagen en 404 dagen of zelfs jaren in beslag neemt, waarbij de gemiddelde behandelingstijd tweemaal zo hoog is als de mediaan. De trend is dezelfde voor de andere producten (tabellen pp. 23 e.v.): het aantal gevallen met een aanzienlijke vertraging bedraagt telkens enkele duizenden. In het verslag wordt ook opgemerkt dat “de wettelijke termijn van 180 dagen door DG HAN nauwelijks in acht wordt genomen” (blz. 32). 
  •  

2. Het beheerskader maakt geen evaluatie van de geleverde werkzaamheden mogelijk.

  • “Er is geen opbouw van KPI’s in cascade (strategisch, operationeel, processen). Er is ook geen informatie-feedback vanuit operationeel niveau om bij te sturen” (p. 3).
  • “Er bestaat geen periodieke standaardrapportering met detailinformatie rond het algemeen beheer van de aanvragen” (p. 3).
  • Heel wat resultaats- of prestatie-indicatoren worden niet toegepast,
    • bijvoorbeeld voor het percentage beslissingen met correcte berekening van de rechten, de tijd die nodig is om te beslissen over verzoeken tot verzaking aan de terugvordering van onverschuldigde betalingen, het aantal fraudeonderzoeken, afspraken met een maatschappelijk werker binnen 15 werkdagen, het aantal oproepen waarbij de appellant een direct antwoord op zijn vraag krijgt, het aantal brieven dat binnen 30 werkdagen wordt beantwoord, het aantal verwerkte aanvragen per voltijds equivalent, enz. (p.11-13);
  • … of worden niet gehaald:
    • e-mails die binnen 5 werkdagen worden beantwoord, telefoongesprekken die binnen 30 seconden worden beantwoord, aantal beslissingen met betaling van verwijlinteresten, gemiddeld aantal dagen voor de behandeling van eerste aanvragen en prioritaire aanvragen, enz. (p. 11-13);

3. Er zijn spookdossiers (p. 5): “Bij de terugkeer van CURAM naar TETRA blijken niet alle aanvraagdossiers één op één gemigreerd te zijn. Dit is de oorzaak van de zogenaamde ‘spookdossiers’, die opnieuw getriggerd worden op vraag van de burger middels telefoon of webformulier” (p. 28). Meer nog: “aanvragen die hoewel automatisch moesten afgesloten worden, nog steeds de status van openstaand hebben, kruising met het Rijksregister, ...” (p. 18).

4. Wat de door DG HAN verstrekte cijfers en de transparantie van de situatie naar buiten toe betreft: “De verschillen tussen de doorlooptijden in beide kolommen tonen aan dat de nodige omzichtigheid moet gehanteerd worden hoe en middels welke cijfers worden gebruikt bij communicatie. Op de vraag hoelang de gemiddelde doorlooptijd is voor alle producten afgeleverd door DG Han, of hoelang de doorlooptijd is voor de mensen die succesvol alle stappen doorlopen hebben; kent in beide gevallen een totaal ander antwoord” (p.27).

5. Wat de medische evaluatie betreft: de wijze waarop de medische situatie wordt beoordeeld, verschilt enorm naargelang het centrum: op basis van stukken of oproeping worden de criteria overgelaten aan het oordeel van de centra en de artsen (p. 32). “Kortom, het huidige lineaire instructie-beleid ‘op stukken’ borgt niet voldoende kwaliteit en neigt de (centrum)arts naar een eerder positieve evaluatie van de vraag te wegens het hoge risico op heropening...” (p. 35). Zie ook (zelfde pagina), het probleem van het ontbreken van meetpunten. Er is dus geen eenduidige visie tussen artsen: is de beoordeling van de autonomie gewoon een medische of een maatschappelijke kwestie? Of gaat het om allebei en hoe is ze georganiseerd?

6. Wat de administratieve verwerking na ontvangst van het resultaat van de medische beoordeling betreft, de inwinning van gegevens varieert van team tot team: “Tijdens de audit kwam ook op dit punt andermaal naar boven dat door de volledige afwezigheid van kwaliteitsmeetpunten er geen eenduidig beeld kon worden gegeven of een doorlooptijd te wijten was aan capaciteitsproblemen (beperkte beschikbaarheid aan specialist-dossierbeheerders) en/of onvolledige/onjuiste voorinwinning”  (p. 37).

ii) In de audit worden uit deze bevindingen drie soorten conclusies getrokken:

1. Procesbeheer en -monitoring:

  • Op het gebied van beheer en monitoring is gebleken dat er geen duidelijke en concrete doelstellingen zijn die gebaseerd zijn op de verwachtingen van de “klanten”;
  • De organisatie is te veel op zichzelf gericht en mist een duidelijke visie op wat de klanten eigenlijk willen;
  • Het “cockpit management” (dashboard management) bevat een groot aantal indicatoren. Hieraan zijn echter slechts gedeeltelijk maatregelen gebonden. Indicatoren worden niet in cascade opgevolgd (strategische aspecten - operationele aspecten - processen) of vertaald naar operationele standaarden;
  • Op operationeel niveau is er weinig beheersinformatie beschikbaar om de onderliggende oorzaken te corrigeren;
  • Er is geen standaardprocedure voor periodieke rapportage met gedetailleerde informatie over het beheer van aanvragen en processen.

2. De interne organisatie opereert op basis van zelfsturende teams. Op het terrein is de implementatie van deze organisatievorm in meerdere opzichten problematisch:

  • gebrek aan doelstellingen en kwaliteitscriteria voor het team;
  • gebrek aan interne controle binnen het team;
  • gebrek aan overeenstemming tussen de beschikbare vaardigheden en de uit te voeren taken binnen het team;
  • beperkte centrale ondersteuning en coördinatie;
  • gebrek aan duidelijkheid over de rol van teamfacilitator.

3.Procesbeheer. De behandeling van zaken is niet geharmoniseerd, met alle negatieve gevolgen van dien:

  • De tijd die nodig is om een dossier te analyseren, varieert sterk afhankelijk van het product en het basisteam;
  • De verwerkingstijd voor dossiers varieert sterk naargelang het team (beschikbare capaciteit/aantal dossiers);
  • gebrek aan continue visie op een reeks lopende dossiers en hun status;
  • geen opsporing van mogelijke bottlenecks (knelpunten) in het proces;
  • het ontbreekt aan een alomvattende aanpak om processen en informatie voortdurend te verbeteren;
  • gebrek aan uniform beheer (met inbegrip van kwaliteitsaspecten) op het gebied van de voorafgaande verzameling van administratieve en medische gegevens, waardoor het risico bestaat dat het werk (geheel of gedeeltelijk) opnieuw moet worden uitgevoerd tijdens de verwerking en berekening;
  • gebrek aan duidelijke richtlijnen voor medisch onderzoek;
  • IT-problemen die het kwalitatieve beheer van de dossiers bemoeilijken (in de applicatie TETRA zelf, maar ook op het niveau van de interfaces zoals de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het Rijksregister, BTAX, Fedopress, enz.).

iii) Tot slot formuleert de audit een aantal aanbevelingen op basis van de voorafgaande bevindingen en conclusies:

  • Er dienen duidelijke doelstellingen te worden gedefinieerd op basis van de verwachtingen van de klant. Men moet de blik naar buiten richten alvorens interne doelstellingen worden geformuleerd en de personele en materiële middelen worden berekend die nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. De Directie-generaal moet de voortgang van dit proces nauwlettend in de gaten houden en de doelstellingen aan elk basisteam meedelen.
  • Elk basisteam moet op de hoogte zijn van de toegepaste kwaliteitsnormen en van het verwachte operationeel prestatieniveau.
  • De verwerkingstijd van een dossier moet worden gedefinieerd.
  • De administratieve en medische procedures moeten idealiter worden verfijnd om dubbel werk te voorkomen en een gelijke behandeling van alle dossiers te waarborgen.
  • Er moet een strategie worden ingevoerd om duidelijk vast te stellen of een dossier kan worden behandeld op grond van stukken of dat een medisch onderzoek vereist is.
  • Het functioneren van de zelfsturende teams moet worden verduidelijkt, evenals de rol van de teamfacilitator.
  • Er moet een rapportagesysteem worden opgezet, zowel op operationeel niveau als op het niveau van de Directie-generaal, om de processen te controleren en te verbeteren.
  • Lopende aanvragen en hun status moeten per product doorzoekbaar zijn.
  • Tot slot moet, in afwachting van het nieuwe IT-systeem, het huidige systeem worden geoptimaliseerd en bevrijd van bepaalde problemen.

De heer André Gubbels, Directeur-generaal heeft zijn feedback gegeven op de aanbevelingen van de auditoren. In de meeste gevallen worden het personeelstekort en beperkingen van het IT-instrument als argument aangevoerd om uit te leggen dat deze aanbevelingen kunnen worden aanvaard, maar niet zullen worden uitgevoerd.

B. Het actieplan van de Minister belast met de personen met een beperking

Het actieplan is gebaseerd op de aanbevelingen van de Federale Interne Auditdienst en gaat tegelijk verder dan deze aanbevelingen, aangezien het ook rekening houdt met de situatie van de telefonie, de post en de permanenties. Het heeft tot doel zowel de externe dienst als de interne werking van DG HAN te verbeteren.

Om vage toezeggingen te vermijden, zijn er concrete doelstellingen vastgesteld. De volgende doelstellingen moeten vóór 1 mei zijn bereikt:

  • Het aantal lopende dossiers voor de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (IVT/IT) met medisch onderzoek, moet worden teruggebracht van 28.000 naar 25.000 gevallen.
  • Het aantal IVT/IT-dossiers in behandeling zonder medisch onderzoek, moet worden teruggebracht van 7.700 naar 6.700.
  • Het percentage dossiers die binnen de 6 maanden worden afgesloten, moet worden verhoogd van 67% tot 74%.
  • Het percentage parkeerkaarten dat binnen de 3 maanden wordt uitgereikt moet worden verhoogd van 58% naar 66%.
  • Het aantal beantwoorde telefoongesprekken (per dag) moet stijgen van 780 naar 1.500 en moet dus verdubbelen. Het gaat ongeveer om het aantal unieke bellers per dag, zodat iedere beller in principe kan worden geholpen.

Het actieplan is ook gericht op de verbetering van de interne werking van DG HAN. Op dit vlak is het de bedoeling te komen tot continue verbetering. Het actieplan voorziet bijvoorbeeld in de opsplitsing van de telefoonlijn per taal. Hierdoor kunnen bellers de telefooncentralemedewerkers sneller bereiken. Daarnaast is het de bedoeling de belanghebbenden bij het actieplan te betrekken en te zorgen voor een regelmatige monitoring van het actieplan.

Het actieplan omvat de volgende concrete actiepunten:

  1. Tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de interne audit. Deze omvatten de ondersteuning van interne operaties door het vergroten van de beheerscapaciteit op het gebied van interne informatie, de kwaliteit van beslissingen en procedures en de juridische functie. Andere elementen betreffen de verduidelijking van de rollen van medewerkers en basisteams en hun taken.
  2. Verbetering van de telefonische beschikbaarheid. Tegen mei moet de aanwerving van extra operatoren het mogelijk maken om 1.500 telefoongesprekken per dag af te handelen. Zoals hierboven aangegeven, zal de telefoonlijn worden gesplitst om de capaciteitsbenutting voor elke taal te maximaliseren.
  3. Vervanging van het informaticasysteem tegen 2023. De eerste stap is een voorstudie die binnenkort van start gaat. De ontwikkeling van het nieuwe systeem moet nog dit jaar van start gaan.
  4. Het moderniseren van een aantal standaarddocumenten om de leesbaarheid voor de gebruiker te verbeteren.
  5. Herziening van online contactformulieren om ze toegankelijker te maken.
  6. De versterking van het team in Brussel. De Finance Tower huisvest niet alleen de centrale diensten, maar ook de kantoren van het Brusselse team, dat soms te maken heeft met lange wachtrijen. Het team wordt versterkt, de openingstijden worden verlengd en er wordt een nieuwe ingang gepland om de bezoekers van DG HAN beter te ontvangen.
  7. De tool My Handicap wordt uitgebreid en gebruiksvriendelijker gemaakt.
  8. Over de praktische behandeling van zaken zal nog meer overleg worden gepleegd met lokale entiteiten en ziekenfondsen. Momenteel behandelen de ziekenfondsen zes van de tien aanvragen. Ze bieden een hoge (dienstverlenings-)kwaliteit en staan dicht bij de doelgroep. Zij zullen in de toekomst in nog grotere mate structurele partners van DG HAN worden.

Aangezien de maatregelen in het actieplan een impact kunnen hebben op het beleid van de deelgebieden inzake hulp aan personen, zal Minister Peeters in overleg treden met zijn collega's van de gemeenschappen en gewesten.

Het tekort aan artsen is de oorzaak van vele vertragingen. De volgende regering zal moeten beslissen of ze meer middelen voor dit doel toewijst of verpleegkundigen inhuurt om medische beoordelingen onder leiding van een arts voor te bereiden. De wetgeving inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap voorziet reeds in een kader voor deze multidisciplinaire teams.

DG HAN zal het actieplan concreter omschrijven. Het is belangrijk dat de leidinggevende ambtenaar ook een duidelijke toezegging doet en het plan steunt.

3. ADVIES

3.1. Wat de context betreft

A. Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) 

De NHRPH herinnert in de eerste plaats aan het bestaan van het UNCRPD, waaraan voortaan alle beleidsmaatregelen moeten worden getoetst. Dit verdrag is op 3 mei 2008 internationaal in werking getreden, is door 177 partijen, waaronder de Europese Unie, geratificeerd en is sinds 1 augustus 2009 bindend voor België. Sindsdien is de Belgische staat verplicht de bepalingen van dit juridisch bindende verdrag na te leven, dat voorrang heeft boven de Belgische wettelijke normen.

Voortbouwend op de beginselen van gelijkheid en autonomie is het UNCRPD het eerste categorische verdrag dat gewijd is aan de bescherming van mensen met een handicap en in die hoedanigheid vereist het dat rekening wordt gehouden met de sociale dimensie van de handicap. Volgens artikel 1 van het VN-Verdrag zijn personen met een handicap “personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving”. Omdat personen met een handicap net als iedereen mensen zijn, moeten zij autonoom kunnen leven en rechten genieten op voet van gelijkheid met personen zonder handicap. Omdat handicaps een maatschappelijke constructie zijn, moeten de staten de belemmeringen voor de volledige insluiting van personen met een handicap wegnemen.

In 2014 heeft het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, het internationaal toezichthoudend orgaan van het Verdrag, een zeer kritische beoordeling gemaakt van de situatie van het Belgische recht met betrekking tot UNCRPD. Meer in het bijzonder kreeg de Belgische Staat de aanbeveling “een harmoniseringsproces op te starten teneinde zijn volledige nationale wetgeving [inclusief tegemoetkomingen voor personen met een handicap] aan te passen aan de verplichtingen van het Verdrag, om een plan met betrekking tot personen met een handicap goed te keuren en uit te voeren en om de volwaardige participatie van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen in deze processen te garanderen”[4]. Het Comité heeft ook de prevalentie van het medische model ten nadele van de sociale benadering van handicap[5] aan de kaak gesteld. Tevens wees het Comité ook op “het gebrek aan uitgesplitste gegevens over personen met een handicap”[6].

De overheid begint zich te realiseren dat er aandacht moet worden besteed aan het UNCRPD en de kernbeginselen ervan. Zo gaf de voormalige Staatssecretaris voor personen met een beperking in een omzendbrief van 28 februari 2018 aan de artsen van de FOD Sociale Zekerheid met betrekking tot de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen voor de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap aan dat zij “zich bij de beoordeling van aanvragen te inspireren op de principes die vervat zijn in het VN-Verdrag inzake de rechten voor personen met een handicap, inzonderheid op het inclusiebeginsel dat een actieve en daadwerkelijke participatie aan het politieke, economische, sociale en culturele leven vooropstaat, zonder evenwel afbreuk te doen aan een individuele beoordeling waarbij alle elementen die te maken hebben met de specifieke situatie van de persoon in aanmerking worden genomen.” Hoewel in deze omzendbrief de centraliteit van het UNCRPD tot uiting komt, moet worden erkend dat dit verre van voldoende is en, voor de vraag waarom het hier gaat, deel moet uitmaken van een ambitieuzere dynamiek die erin bestaat het ganse stelsel van DG HAN in overeenstemming te brengen met het UNCRPD. Uit de audit en de “omgeving” waarin deze is ingebed, blijkt echter dat we dit tien jaar na de ratificatie van het UNCRPD nog lang niet hebben bereikt.

B. De audit en de nationale “omgeving” waarin deze plaatsvind

Wat de controle betreft, wil de NHRPH in de eerste plaats de auditoren bedanken voor de degelijkheid van hun werk. De Raad waardeert het met name dat hij bij de ontwikkeling van de audit werd geraadpleegd, overeenkomstig de aanbevelingen van het UNCRPD en de toezichthoudende instantie van de UNCRPD. Het eindverslag lijkt de Raad een weerspiegeling en systematische weergave van de bevindingen die hem al vele jaren regelmatig onder de aandacht worden gebracht. Tegelijkertijd werden een aantal belangrijke aspecten niet onderzocht: telefonie, fysiek onthaal van bezoekers (sociale diensten), IT-instrumenten voor het beheer zoals “MyHandicap”, brieven en communicatie, procedures voor de betaling van tegemoetkomingen en achterstallen en de terugvordering van onverschuldigde betalingen, en zeker ook geschillendossiers. De controle had evenmin betrekking op dossiers die in administratieve herziening zijn (aanvragen en ambtshalve herzieningen, vijfjaarlijkse herzieningen), noch op het beheer van attesten, omdat er geen gegevens beschikbaar zijn. De NHRPH is van mening dat het gebrek aan aandacht voor de genoemde aspecten een belangrijke beperking van de audit is, die zeker niet ten koste gaat van de kwaliteit en het belang van de audit, maar wel noopt tot de vaststelling dat het slechts een gedeeltelijk beeld van de situatie is. Met andere woorden, er zijn nog andere redenen tot grote bezorgdheid dan die welke reeds talrijk en gedetailleerd in de audit zijn opgenomen.

De NHRPH heeft alleen de Nederlandstalige versie van het verslag. Om de Franstalige werknemers in de administratie en de Franstalige leden van de NHRPH te kunnen informeren, vraagt de NHRPH om een officiële Franstalige versie.

Bovendien had de NHRPH het op prijs gesteld om tijdens de plenaire vergadering van 18 februari 2019 een hoorzitting en gedachtenuitwisseling met de auditoren te hebben. Door de drukke agenda van de auditoren heeft dit niet kunnen plaatsvinden. De NHRPH verzoekt de Minister de auditoren te verzoeken om tijdens de plenaire vergadering van de NHRPH op 20 mei 2019 verslag uit te brengen over hun bevindingen betreffende de uitvoering van hun aanbevelingen door DG HAN.

Het verbaast de NHRPH dat het verslag op geen enkele manier gepubliceerd is, noch op de website van Minister Peeters, noch op die van de kanselarij, noch op die van DG HAN. De NHRPH zou graag willen weten in hoeverre het auditverslag is verspreid onder de werknemers van DG HAN. Het zou ook geruststellend zijn geweest voor mensen met een handicap en externe belanghebbenden (mutualiteiten, OCMW's, waarnemers, ...) om te weten dat de situatie van DG HAN nu door een onafhankelijke autoriteit wordt gevolgd.

De NHRPH vraagt de publicatie van het verslag in het Frans en het Nederlands, ten minste op de website van DG HAN.

De Raad dankt ook de Minister belast met personen met een beperking omdat hij naar het middenveld heeft geluisterd. De minister erkende het belang van de problemen en heeft snel gehandeld door de ontwikkeling van zijn actieplan. De NHRPH is van mening dat dit actieplan onvolledig is in verhouding tot de omvang van de noodzakelijke hervormingen, maar dat het de grote verdienste heeft dat het een eerste, nooit eerder genomen stap is die ambitieus is voor de korte termijn. De uitvoering ervan moet in de huidige periode worden geëvalueerd en vervolgens de hoogste prioriteit krijgen van de volgende minister die hiervoor bevoegd is.

De NHRPH herinnert eraan dat hij de afgelopen jaren verschillende adviezen over DG HAN heeft uitgebracht, met name de adviezen nr. 2018-21, 2018-08, 2017-13, 2017-03 en 2016-08. Allemaal documenteerden ze de zeer negatieve gevolgen van de manier van werken van DG HAN op de levenssituatie van mensen met een handicap, zonder dat dit tot op heden substantiële gevolgen heeft gehad.

De NHRPH heeft André Gubbels, de Directeur-generaal, verschillende keren uitgenodigd om de situatie persoonlijk toe te lichten. Elke keer voerde deze aan dat de situatie onder controle was, dat de gesignaleerde problemen het gevolg waren van situationele problemen, dat de achterstand van de dossiers afnam en dat de structurele afname van de vertraging hoogstens een kwestie van maanden was. Integendeel, de situatie is de afgelopen tien jaar juist verslechterd en bevindt zich nu op het hoogtepunt van administratief wanbeheer. De NHRPH begrijpt nog steeds niet hoe men het zo ver heeft kunnen laten komen.

De afgelopen weken heeft de pers meer dan gewoonlijk bericht over de problemen van DG HAN. Deze media-aandacht volgde op een open brief die op 7 januari 2019 gelijktijdig in Le Soir en De Standaard verscheen, getiteld “Er zijn nog 200.000 wachtenden voor u”, waarin 22 professoren van alle universiteiten van het land de noodklok luidden en in sterke bewoordingen de gebrekkige werking van DG HAN aan de kaak stelden die “een schande is voor onze sociale zekerheid en een schandaal voor hun eerste slachtoffers, de personen met een handicap”. De NHRPH is verheugd over de geëngageerde pen van de professoren, die, op hun beurt, de moed hebben gehad om het onaanvaardbare aan de kaak te stellen.

Tijdens een gezamenlijke vergadering van de Commissie sociale zaken en de Commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw (op 30 januari) heeft een groot aantal leden van het Europees Parlement opgeroepen tot krachtige en snelle maatregelen in een situatie die volgens hen te lang heeft geduurd.

Onlangs werd een toezichtplatform opgericht met de vijf nationale ziekenfondsen, verenigingen van personen met een handicap, de drie interprofessionele vakverenigingen, de drie federaties van OCMW's en de drie regionale netwerken voor armoedebestrijding.

Uiteindelijk hebben alle actoren in het veld, geconfronteerd met de omvang en de duur van de tekortkomingen, op hun beurt van zich laten horen; allen wachten nu op krachtige en duurzame maatregelen op korte en lange termijn, in het licht van een rampzalige situatie die al heel lang duurt.

De NHRPH blijft zeer waakzaam en zal de situatie om verschillende redenen nauwlettend blijven volgen.

  1. Reeds in 2010, bijna tien jaar geleden, werd in een gedetailleerd verslag van het Rekenhof, dat nu enigszins in de vergetelheid is geraakt, gewezen op soortgelijke tekortkomingen in het beheer van de administratie, met duidelijke negatieve gevolgen voor het dossierbeheer. Er werd met name gewezen op ongecoördineerde procedures en praktijken, gebrekkige communicatie binnen en tussen diensten, het ontbreken van richtlijnen voor de organisatie van het werk, het ontbreken van een inventarisatie van problemen, het ontbreken van metingen, nattevingerwerk bij het beheer, grote verschillen in productiviteit tussen teams, gebrek aan opleiding van personeelsleden, gebrek aan voorbereiding van dossiers, enz. In het verslag werd er al op gewezen dat de gelijke behandeling van burgers niet is gewaarborgd. Ter herinnering: het personeelsbestand bedroeg eind 2008 468 VTE's (voltijdse equivalenten), tegenover 319 VTE's eind 2017.
  2. Het advies nr. 2011-10 waarin de NHRPH verzocht om betrokken te worden bij de reorganisatie van de administratie die zou voortvloeien uit de aanbevelingen van het Rekenhof, bleef dode letter, evenals de aanbevelingen zelf.
  3. Vandaag is de regering in lopende zaken; de kamers zullen binnenkort worden ontbonden; en de sociale prioriteiten van de volgende regering zijn bij voorbaat onbekend. De NHRPH zal aandacht blijven besteden aan de feedback van het terrein en zal deze waar mogelijk doorgeven aan de beleidsmakers.
  4. Het topmanagement van DG HAN en zijn tekortkomingen hebben nooit voldoende politieke aandacht gekregen. De inzet is echter niet onbelangrijk: in 2018 waren er 670.738 dossiers in beheer, voor een jaarlijks budget van 1.720 miljard euro.
  5. De Directeur-generaal van DG HAN beroept zich altijd op het gebrek aan personeel en de tekortkomingen van het IT-instrument als rechtvaardiging om een groot aantal van de aanbevelingen van de audit niet of slechts gedeeltelijk uit te voeren.
  6. De NHRPH vreest dat er nog andere grote problemen bestaan. Hij vraagt dat onder de volgende regering de situatie in haar totaliteit de volle aandacht krijgt. De NHRPH vraagt om bij het begin van de volgende legislatuur een nieuwe alomvattende audit uit te voeren die alle door DG HAN verzekerde operationele processen en “deliverables” omvat, ook in het kader van een mandaat (in het bijzonder de verhoogde kinderbijslag en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden voor rekening van het Waals Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie).

3.2. Ten gronde

De auditbevindingen maken het mogelijk de omvang van de belangrijkste problemen te beoordelen: de tekortkomingen die de NHRPH op grond van de getuigenissen van de aanvragers en de begunstigden heeft vastgesteld, worden nu bevestigd aan de hand van objectieve bevindingen. De auditeurs hebben dus de aandacht gevestigd op een aantal punten waarop de NHRPH in de loop der jaren al had gewezen, met name:

  • verschillen tussen de geografische regio's, maar ook tussen personen met een handicap in dezelfde regio, zodat vergelijkbare of identieke situaties soms zeer verschillend worden behandeld;
  • het gebrek aan ondersteuning van de basisteams, met name van de facilitatoren die deze moeten coördineren;
  • het feit dat er tijdens de procedure voor het onderzoek van een dossier wachtrijen en/of knelpunten (kunnen) optreden bij elke te doorlopen stap, waarvan de opeenstapeling zeer ongelukkige gevolgen heeft voor de rechthebbenden.

Zo heeft de audit uitgewezen dat het werk binnen DG HAN onvoldoende kwaliteit en betrouwbaarheid biedt.

Het tekort is enorm, want in oktober 2018 waren er nog 129.346 aanvragen in behandeling. 23.037 kinderen, 44.393 personen jonger dan 65 jaar en 12.836 ouderen wachtten op een beslissing over de toekenning van een tegemoetkoming, attest of recht (sommige personen hebben zowel een aanvraag voor een tegemoetkoming als voor een parkeerkaart ingediend). Anderen wachtten op een nieuwe beslissing naar aanleiding van een of meerdere wijzigingen in hun administratieve of medische situatie.

De NHRPH merkt op dat de tekortkomingen niet enkel te verklaren zijn met de klassieke uitleg van de DG van de administratie, namelijk het gebrek aan personeel en de gebreken van de IT-tool. Het is nu duidelijk dat de tekortkomingen ook, zo niet in de eerste plaats, het gevolg zijn van ontoereikende en onvoldoende gecoördineerde managementrichtlijnen, een gebrek aan ondersteuning en opvolging van de teams en het ontbreken van een duidelijke en coherente werkmethode.

De slachtoffers van deze tekortkomingen zijn talrijk: de personen met een handicap zelf, hun gezinnen, de medewerkers van DG HAN, gemeenten en OCMW's, mutualiteiten, enz.

De NHRPH roept op tot maatregelen die in verhouding staan tot de uitdagingen en is van mening dat op de volgende gebieden een heel werkkader moet worden herschreven, uitgevoerd en geëvalueerd, en wel als volgt:

1. Duidelijke, volledige en duurzame rapportage

Het auditverslag is duidelijk en onbetwistbaar. Tegelijkertijd hebben veel belanghebbenden hun stilzwijgen verbroken om hun frustratie te uiten. Minister Peeters lijkt de omvang van het probleem te hebben onderkend en heeft dringende maatregelen genomen. De NHRPH verzoekt de Minister om bij de overdracht van het dossier aan de volgende bevoegde minister hem naar behoren te informeren over de ernst van de situatie en de noodzaak om de sanering van DG HAN de hoogste prioriteit te geven. De NHRPH vraagt ook dat de bevoegdheid voor DG Han wordt toevertrouwd aan een minister, net als de opvolging van de implementatie van het UNCRPD.

Ook wordt verwacht dat de audit de hervorming van de werkzaamheden zal opvolgen. Hoe lang? Op welke manier? Met welke middelen? Hoe zal de rapportering gebeuren? In overeenstemming met de aanbevelingen van artikel 33, lid 3, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Comité voor de rechten van personen met een handicap vraagt de NHRPH om hierbij betrokken te worden, omdat het belangrijk is dat de realiteit en de gevolgen op het terrein regelmatig worden gerapporteerd en geïntegreerd door DG HAN en de audit. In de audit werd benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is de verwachtingen van de burger te integreren in de hervorming van de werkorganisatie. De NHRPH kent de realiteit op het terrein zeer goed. Hoe wordt de NHRPH betrokken? Hoe wordt deze monitoring en evaluatie georganiseerd? Tot op heden is er op dit vlak niets gepland.

De NHRPH dringt ook aan op de invoering van een structureel mechanisme om de medewerkers en klanten van DG HAN in staat te stellen hun verwachtingen kenbaar te maken en actief deel te nemen aan de hervormingen. De NHRPH zou graag willen weten hoe dit in de praktijk zal gebeuren en vraagt om dit aspect te onderzoeken in het kader van de follow-up van de audit.

De NHRPH wil graag antwoorden krijgen op haar vragen tijdens de vergadering met de auditeurs. De NHRPH zal alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat dit verslag niet op zijn beurt in de vergeethoek belandt.

De gekwantificeerde doelstellingen van de Minister zijn welkom en vereisen tegelijkertijd dat de berekeningscriteria constant zijn. Ter herinnering, de audit benadrukt “dat de nodige omzichtigheid moet gehanteerd worden hoe en middels welke cijfers worden gebruikt bij communicatie”. De NHRPH zelf heeft in het verleden vaak de indruk gehad dat de cijfers die hij gepresenteerd kreeg niet toelieten om een volledig en gedetailleerd beeld te krijgen van de situatie; ze varieerden naargelang van het tijdstip en de context van de discussie. De NHRPH vertrouwt erop dat de nu gepresenteerde cijfers eenduidig zijn en een betrouwbare situatiebeoordeling en -vergelijking in de tijd mogelijk zullen maken om de geboekte vooruitgang te meten, in het bijzonder met betrekking tot de door de UNCRPD voorgeschreven verplichtingen (met name artikel 28).

De NHRPH staat volledig achter de initiatieven van de Minister, maar vraagt tegelijkertijd dat zijn actieplan meteen wordt verduidelijkt en zeer snel wordt uitgebreid in de volgende legislatuur. Het plan moet op zijn minst worden verduidelijkt wat punten 4 tot en met 8 betreft, want de formulering is vaag en weinig bindend, bv. Wanneer het gaat om de “modernisering van de standaarddocumenten”, “herziening van de formulieren om ze toegankelijker te maken”, “het gebruiksvriendelijker maken van MyHandicap”, “overleg met de regionale ministers”, blijft de tekst vaag: de NHRPH verwacht van de Minister dat hij details geeft over de te nemen concrete maatregelen.

De NHRPH vraagt dat gegevens die momenteel nog niet beschikbaar zijn, systematisch en duurzaam worden verzameld om de voortgang bij de uitvoering van het actieplan te kunnen evalueren. De Raad vraagt ook om deze gegevensverzameling niet te koppelen aan het nieuwe computerprogramma. DG HAN beroept zich vaak op het verband tussen beide, hetgeen onaanvaardbaar is gezien de late opstartdatum van de nieuwe IT-tool (op zijn vroegst in 2023!).

De NHRPH is ook van mening dat er een groot gevaar bestaat dat DG HAN zich op de prioriteiten van het actieplan zal concentreren ten nadele van de andere “deliverables” die ze moet leveren. Ter herinnering: DG HAN beheert nog steeds de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en de verhoogde kinderbijslag voor rekening van Wallonië en Brussel: er zijn geen doelstellingen voor deze gevallen vastgelegd. Het gebeurt niet vaak dat de NHRPH de regio’s vraagt om aandacht te hebben voor een bepaalde situatie maar in dit specifieke geval is de situatie uiterst zorgwekkend en zou het verwerpelijk zijn om te zwijgen: de NHRPH vraagt het Waals Gewest, het Duitstalige Gemeenschap en COCOM om de nodige maatregelen te nemen om de situatie te beheersen.

2. Dienstverlening aan personen met een handicap staat centraal bij de door te voeren hervormingen

De NHRPH neemt nota van deze passage uit de audit: “Het opzetten van een centrale coördinatievorm geen eindpunt in zich is . Het opzetten en bepalen van een kwalitatief proces (inclusief meetpunten) dient incrementeel te zijn; gericht op continue verbetering. Deze verbetering mag ook niet enkel gericht zijn op de eigen interne activiteiten maar ook op de verwachtingen van de burger die een aanvraag doet bij DG HAN”. Deze aanbeveling is in overeenstemming met General Comment nr. 5 (2017) van het Comité voor de rechten van personen met een handicap over zelfstandig wonen en inclusie in de maatschappij: “De Staten die Partij zijn, dienen bij de criteria voor toegang tot bijstand rekening te houden met de volgende elementen: de beoordeling moet uitgaan van een op mensenrechten gebaseerde benadering van handicaps; zij moet zich richten op de behoeften van het individu die voortvloeien uit belemmeringen in de samenleving en niet zozeer op behoeften die verband houden met handicaps; zij moet rekening houden met de wensen en voorkeuren van het individu en deze respecteren; en zij moet personen met een handicap in staat stellen volledig deel te nemen aan de besluitvorming” (§ 61).

De NHRPH heeft de heer André Gubbels, Directeur-generaal, meermaals gevraagd om zijn diensten toegankelijker te maken, het onthaal van mensen te versterken, en om de website, formulieren en brieven leesbaarder te maken. De NHRPH heeft steeds zijn diensten aangeboden om projecten te ondersteunen, door zijn kennis van de behoeften van personen met een handicap. Helaas is de NHRPH nooit betrokken geweest bij de reflecties en werkzaamheden van de administratie. Gelet op zijn kennis ter zake vraagt de NHRPH om zo snel mogelijk permanent en structureel betrokken te zijn bij de hervormingen van DG HAN. Ter herinnering, dit verzoek stemt overeen met een verplichting voorgeschreven door artikel 4, lid 3, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: “Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.” 

3. Management dat de uitdagingen aankan

De controle wees duidelijk uit dat het niet in de eerste plaats een personeelstekort is dat aan de basis ligt van de tekortkomingen: het gebrek aan werkstructuren en het ontbreken van een duidelijk werkkader zijn de voornaamste oorzaken. De tijdsfactor mag dan wel een rol spelen bij de ontwikkeling van een nieuwe IT-tool, maar dit is niet het geval voor de vernieuwing van het management. De NHRPH is van mening dat belastingbetalers en burgers recht hebben op een doeltreffend beheer van openbare diensten en een goed beheer van openbare middelen. De NHRPH verzoekt de Minister belast met personen met een beperking en de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid om, gelet op de uitzonderlijke crisissituatie, de nodige maatregelen te nemen om het beheer van DG HAN gezond en efficiënt te maken. De NHRPH acht het noodzakelijk om een “cockpit” op te zetten aan het hoofd van DG HAN, bestaande uit verschillende adviseurs ter ondersteuning van de Directeur-generaal.

4. Een reorganisatie van verantwoordelijk werk dat de kwaliteit van de beslissingen en de gelijkheid van de burgers waarborgt

Een grondige reorganisatie van de werkmethoden om vertragingen bij de behandeling weg te werken, de kwaliteit van de beslissingen te verbeteren en de ongelijkheden tussen de burgers weg te werken, is een absolute prioriteit. De NHRPH roept op tot acties om te zorgen voor een volledige en permanente vorming van het personeel, zodat elke werknemer op zijn of haar verantwoordelijkheidsniveau individueel of collectief acties kan ondernemen en beslissingen kan nemen in overeenstemming met de regelgeving. De overheidsinstanties en de verschillende actoren die betrokken zijn bij de toepassing van de wet van 27 februari 1987 moeten als eersten worden opgeleid en bewustgemaakt van de principes die aan de basis liggen van het UNCRPD (art. 8 van het UNCRPD).

a. Werk maken van de toegang tot rechten

De NHRPH herinnert eraan dat de non take-up in het tegemoetkomingsstelsel aanzienlijk is: dit is vaak het resultaat van een combinatie van factoren, namelijk de ontoegankelijkheid van informatie en diensten en de materiële onzekerheid en verstandelijke kwetsbaarheid van veel mensen. De NHRPH verzoekt DG HAN bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, omdat het, in overeenstemming met de beginselen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de sociale benadering van handicap die het Verdrag vooropstelt, niet aan de betrokkenen zelf is om zich aan te passen, aangezien ze zich al in een kwetsbare situatie bevinden! Zie advies 2018-09.

De NHRPH vraagt DG HAN om spookdossiers zo snel mogelijk te identificeren en erop tot te zien dat aanvragen van personen die niet reageren op vragen om informatie, niet worden afgewezen zonder effectieve herinneringsacties. De NHRPH vestigt de aandacht op het gevaar van overhaast te werk te gaan. Niet zelden wordt iemand meerdere malen om dezelfde documenten gevraagd, of gaan documenten verloren. Het is dan ook begrijpelijk dat een persoon niet reageert omdat hij niet echt begrijpt wat er van hem wordt verwacht. De NHRPH wijst er ook op dat de procedure voor het elektronisch verzamelen van medische informatie van behandelende artsen nog steeds tekortschiet en dat patiënten er de eerste slachtoffers van zijn. In ieder geval is het essentieel dat de processen garanderen dat alle nodige stukken in het dossier zijn opgenomen en dat de sociale dienst, indien nodig, kan nagaan waarom de informatie niet is verstrekt.

De NHRPH herhaalt zijn oproep om ernstig na te denken over de mogelijkheid om bepaalde verenigingen van personen met een handicap de toestemming te geven om bestanden elektronisch te raadplegen, met inachtneming van de regels inzake de bescherming van privégegevens. 

b. Vertragingen aanpakken

De doelstelling om het aantal tijdig behandelde dossiers tegen mei 2019 op te krikken tot 75% is een eerste stap in vergelijking met de huidige situatie. Maar dit betekent ook dat nog steeds in een kwart van de situaties mensen geen toegang zullen hebben tot hun directe en afgeleide rechten binnen de wettelijke termijn van zes maanden. En dat de administratie haar begroting belast met verwijlinteresten.  

De analyse “mediaan/gemiddelde” toont enorme verschillen in doorlooptijden: als we bijvoorbeeld de gemiddelde doorlooptijd van een nieuwe IVT/IT-aanvraag (medisch en administratief) nemen, varieert deze tussen de 158 dagen en 404 kalenderdagen! (tabel 1 p.28). Daarnaast is de mediaan 130 dagen. Dit betekent dat van de 22.242 gevallen de eerste helft (iets meer dan 11.000 gevallen) in maximaal 130 dagen wordt verwerkt; 11.000 gevallen nemen echter tussen 130 dagen en 404 dagen, of zelfs jaren in beslag waarbij de gemiddelde behandelingstermijn tweemaal zo lang is als de mediaan! De trend is gelijkaardig bij andere producten (tabellen pp. 23 e.v.): het aantal gevallen met een enorme achterstand bedraagt telkens enkele duizenden.

De NHRPH vraagt eerst en vooral een akkoord over de wijze waarop de verwerkingstijd van de verschillende te leveren producten moet worden berekend: de NHRPH is van mening dat als we een waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid willen hebben, we moeten onderzoeken hoe lang een persoon met een handicap die een aandraag indient, waarschijnlijk zal moeten wachten: hiervoor nemen we de voorraad dossiers op tijdstip X, verminderd met het gemiddelde van de aanvragen van de laatste 12 maanden. Op die manier hebben we een beeld van wat de persoon die zich tot DG HAN wendt, kan verwachten. De oefening kan worden uitgevoerd voor alle deliverables en deze berekeningswijze maakt het mogelijk om alle burgers gelijk te behandelen.

De NHRPH wil graag weten op welke manier de transversale teams van dossierbeheerders de vastgestelde problemen zullen oplossen. De NHRPH vraagt dat dit transversale werk verder gaat dan het wegwerken van vertragingen, en dat ook werk wordt gemaakt van de standaardisatie van de processen en beslissingen.

De NHRPH vraagt dat deze inspanning om de doorlooptijd te verkorten wordt voortgezet én dat er geen nieuwe vertragingen ontstaan voor andere producten, nieuwe aanvragen, enz.

c. Harmonisering tussen de medische en de maatschappelijke benadering, zoals vereist door het UNCRPD

De NHRPH is van mening dat zoveel mogelijk dossiers medisch onderzocht moeten worden. Dit vereist een versterking van medische teams door de aanwerving van artsen, maar ook andere gezondheidswerkers. In zijn actieplan voorziet de Minister in de mogelijkheid om verpleegkundigen aan te werven. De NHRPH vraagt dat andere beroepsbeoefenaars uit de gezondheidssector (bv. ergotherapeuten, maatschappelijk werkers, enz.) deel uitmaken van multidisciplinaire teams, aangezien dit noodzakelijk is om de impact van een handicap op de algemene levenssituatie van een persoon te beoordelen.

De NHRPH hoort al jaren hoe moeilijk het voor artsen is om de IVT en de IT te evalueren. De problematiek van het in aanmerking nemen van de maatschappelijke dimensie van handicaps blijft onopgelost, met als gevolg dat de beoordeling van de verminderde zelfredzaamheid verschilt tussen medische centra en zelfs tussen artsen binnen hetzelfde centrum. Deze situatie mag niet langer voortduren. De NHRPH roept op tot een concrete en openhartige uitwisseling met DG HAN en de Minister over de doelstellingen en uitdagingen van de evaluatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, rekening houdend met de verplichtingen die het UNCRPD oplegt (zowel wat betreft de maatschappelijke dimensie van handicap als het beginsel van autonomie, een rode draad doorheen de rechten van het UNCRPD).

De NHRPH is ook gevoelig voor feedback vanuit het veld over de aanpak van sommige artsen: het is belangrijk dat alle artsen bij DG HAN voeling hebben met en opgeleid zijn in de specificiteit van personen met een handicap. De NHRPH vraagt om te overwegen om artsen opleidingsmodules aan te bieden die worden georganiseerd door verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen.

d. Zeer ernstig werken aan de kwaliteit van de beslissingen

Het is schokkend om vast te stellen dat de betrokkene, afhankelijk van hoe informatie is verzameld of de mate waarin de dossierbeheerder de wet kent, een ander tegemoetkomingsbedrag zal ontvangen. Het antwoord van DG HAN, waarin de kwaliteit van het IT-instrument wordt naar voren geschoven als reden voor de gebrekkige kwaliteit van de beslissingen, is onaanvaardbaar. De NHRPH is van mening dat het niet om een IT-probleem gaat, maar om team- en kennismanagement.

Centrale ondersteuning is nodig om constante kwaliteit te waarborgen, ongeacht het team of de beheerder. Ook is het evident dat de rollen en competenties van elk lid van een team moeten worden gepreciseerd. Dit garandeert efficiëntie en sereniteit voor elke werknemer en voor het team als geheel.

Zoals in de audit werd benadrukt en herhaald door het VN-Comité voor de rechten van de personen met een handicap[7], moet DG HAN in staat zijn om de behoeften van personen met een handicap te integreren: het dossierbeheer moet veranderingen in de situatie van de persoon in kwestie zo nauw mogelijk volgen: adreswijzigingen, een gewijzigde administratieve, sociale of financiële situatie, enz. Het is onaanvaardbaar dat beslissingen maanden of jaren te laat worden genomen als de betrokkene de gevraagde informatie wel degelijk heeft verstrekt en het aannemelijk is dat de persoon zich in een kwetsbare situatie bevindt! Het is van essentieel belang dat de nieuwe IT-tool vertragingen, achterstallen en onverschuldigde betalingen tot een minimum kan beperken.

Ook is de NHRPH van mening dat het betrekken van de medewerkers in een continue en participatieve reflectie over telewerk, continue opleiding door collega’s en het verbeteren van de groepsgeest veel kwaliteitsproblemen kan voorkomen en een antwoord kan bieden op de uitdagingen op het vlak van ontwikkeling en motivatie van de medewerkers.

De NHRPH vraagt om samen met de werknemers van DG HAN en de andere partners (mutualiteiten, OCMW's, ...) te werken aan een “kwaliteitshandvest”.

5. Duidelijke en correcte communicatie naar personen met een handicap

Ook toegankelijkheid is een van de kernbeginselen van het UNCRPD (art. 9), waaraan het Comité voor de rechten van personen met een handicap al in een vroeg stadium aandacht besteedde (zie hierover General Comment nr. 2 van 2014). In haar slotbemerkingen van hetzelfde jaar over België vestigt het Comité ook de aandacht van de Belgische Staat op de noodzaak om de verplichtingen terzake die voortvloeien uit het UNCRPD na te leven (§ 21 en 22).

a. Communicatie in vele vormen

Telefonie (b.), permanenties van de maatschappelijk assistenten (c.) en e-mail (d.) zijn essentiële toegangsdeuren naar informatie voor personen met een handicap. Deze deuren moeten wijd open blijven staan en hun bel moet regelmatig worden geolied zodat mensen correct toegang hebben tot hun rechten. Het is ook belangrijk om de toegang voor dove en slechthorende personen te waarborgen en om gebarentaalondersteuning te bieden met alle middelen die op de markt beschikbaar zijn (gebarentaal, videobeelden op de website, videoconferentie of zelfs apps voor smartphones).

b. Telefonie

De NHRPH vraagt dat mensen die schrijven of bellen naar de DG HAN hun correspondent kunnen identificeren.

Telefonie die zorgzaamheid, performantie en perfecte kennis van de regelgeving combineert is essentieel. De taak van telefoonoperator in het contact center van DG HAN is een moeilijke, maar fundamentele taak in het kader van de dienstverlening voor de burger. Het personeel moet voortdurend worden bijgeschoold en de mogelijkheid hebben om feedback te geven op de gestelde vragen, op de hoogte te zijn van de klantentevredenheid, enz.

Volgens de laatste cijfers die aan de NHRPH zijn verstrekt, proberen dagelijks een 1500 mensen DG HAN te bereiken. Er wordt verzekerd dat de doelstelling om 1500 oproepen per dag te behandelen het mogelijk zou maken 1500 unieke bellers van dienst te zien, maar de NHRPH begrijpt deze redenering niet. Volgens de NHRPH moet men uitgaan van de huidige dagelijkse ervaring: bellers krijgen 8 van de 10 keer een bezettoon. De NHRPH vraagt dat ook rekening wordt gehouden met de verhouding tussen de beantwoorde oproepen en het totale aaantal oproepen. Daarnaast vraagt NHRPH dat er terug een telefonische permanentie komt op woensdagochtend.

Daarnaast hebben mensen die telefoons, e-mails en klachten beantwoorden een essentiële rol als waakhond omdat ze merken wanneer er problemen komen. Het is van groot belang om hen te betrekken bij de optimalisering van DG HAN.

c. De permanenties

Weinig personen met een handicap maken zelf gebruik van de computertool (financiële en technische barrière). Interpersoonlijk contact wordt vaak gewaardeerd of zelfs als absoluut noodzakelijk ervaren, want een vraag om attesten verbergt vaak een globale levenssituatie die ondersteuning vergt. De Finance Tower is het enige “fysieke” en permanente aanspreekpunt voor Brussel. De NHRPH heeft de drastische beperking van de toegankelijkheid aan de kaak gesteld (zie adviezen 2018-21 en 2016-08). De NHRPH is tevreden met de heropening van de ochtendpermanentie bij Finance Tower op maandag, dinsdag en donderdag van 9 tot 11.30 uur. Tegelijkertijd is het echt te weinig in verhouding tot de behoefte van de Brusselse gebruikers, wetende dat slechts één maandelijkse permanentie selectief wordt aangeboden in 3 Brusselse gemeenten.

De NHRPH beschouwt het als een prioriteit om aan het begin van de correspondentie de contactgegevens te vermelden van de persoon die verantwoordelijk is voor de opvolging van het dossier. De NHRPH vraagt dat ernstig wordt nagedacht over de mogelijkheid om het dossier veel eerder aan een beheerder toe te wijzen. Dit zou ook het werk van maatschappelijk werkers en de operatoren van het contact center verminderen.

d. Het online contactformulier en e-mail

Het formulier “My handicap” moet toegankelijker worden, vooral wat betreft de gebruikte terminologie. Er moeten duidelijke indicaties worden gegeven; verwachtingen, procedures en termijnen moeten worden verduidelijkt, net als de gevolgen van het niet tijdig reageren; de manier waarop steun kan worden verkregen moet duidelijk zijn en de steun moet snel, doeltreffend en efficiënt worden verleend. Eens te meer vraagt de NHRPH om betrokken te worden bij de opstelling van dit formulier. De NHRPH vraagt ook dat e-mailcorrespondentie systematisch aan de individuele dossiers wordt toegevoegd.

 

6. Voldoende en duurzame financiële, technische en personeelsmiddelen

Het is duidelijk dat de TETRA-informaticatool niet langer voldoet aan de noden van een efficiënt beheer. Het nieuwe computersysteem wordt aangekondigd voor 2023. Dit ligt nog ver in de toekomst. De programmering van de doelstellingen met betrekking tot het herstel van DG HAN mag op geen enkele wijze afhankelijk zijn van deze termijn. De NHRPH vraagt dan ook om oplossingen te vinden voor de huidige tekortkomingen op informaticavlak en tegelijkertijd te werken aan de leesbaarheid van de brieven.

De NHRPH verzoekt om deelname aan de denkoefening over het nieuwe systeem en de ontwikkeling ervan. Hij vraagt ook dat er tests worden uitgevoerd vóór de definitieve overdracht van gegevens en de implementatie van het nieuwe systeem.

De audit heeft benadrukt dat er moet worden gewerkt aan de processen, het kennisbeheer en het teammanagement. De NHRPH is echter al jaren getuige van een trend (wijdverspreid in de openbare dienst) van inkrimping en de niet-vervanging van personeelsleden die de dienst verlaten. Op sommige domeinen zijn de gevolgen van dergelijke beslissingen extra voelbaar in termen van dienstverlening voor burgers die sowieso al kwetsbaar zijn. DG HAN is er een van. De NHRPH vraagt de volgende regering om de nodige personeelsmiddelen toe te wijzen voor het goed functioneren van DG HAN.

7. Informatie en transparantie naar de buitenwereld

De toegang tot inhoudelijke informatie over DG HAN nam de laatste jaren af. In het verleden bevatten de jaarverslagen van de Directie-generaal veel informatie en statistieken. Deze verslagen zijn de afgelopen jaren vervangen door documenten met een lichte inhoud, zonder veel toegevoegde waarde voor het werk van organisaties van/voor personen met een handicap en andere belanghebbenden. Burgers, onderzoekers en studenten nemen regelmatig contact op met de NHRPH om cijfers te krijgen.

De NHRPH pleit er al jaren voor om in België een databank op te richten die alle wettelijke stelsels van erkenning van personen met een handicap omvat. Dit is een sleutel voor goed bestuur en beleidsprogrammering.

De NHRPH herinnert er ook aan dat het opstellen van statistieken en het verzamelen van gegevens een verplichting is die wordt voorgeschreven door artikel 31 van het VN-Verdrag. Het Comité voor de rechten van personen met een handicap heeft in zijn eerdergenoemde slotbemerkingen over België van 2014 al gemeld dat het “het gebrek aan uitgesplitste gegevens over personen met een handicap betreurt”. Het voegde daaraan toe dat “dergelijke informatie van essentieel belang is om inzicht te krijgen in de situatie van bepaalde groepen personen met een handicap in de Staat die Partij is en die in verschillende mate van kwetsbaarheid kunnen verkeren, om wetten, beleid en programma's te ontwikkelen die bij hun situatie passen en om de uitvoering van het Verdrag te evalueren” (§ 42).

De NHRPH verzoekt DG HAN terug te keren naar een jaarverslagmodel dat een echte informatieve en statistische meerwaarde biedt, in overeenstemming met wat de meeste andere openbare instellingen van sociale zekerheid bieden. In het bijzonder verwijst de NHRPH naar het jaarverslag van de Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling (RVA) als ‘best practice’.

Tot slot,

De NHRPH vraagt dat de volgende regering en de volgende Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid het herstel van DG HAN als een belangrijke en dagelijkse bekommernis beschouwen. De kwetsbaarheid van het publiek van DG HAN moet centraal staan in alle denken en handelen. Het management van de huidige Directeur-generaal beantwoordt niet langer aan de verwachtingen van de mensen die hun rechten snel en correct willen kunnen genieten.

De NHRPH herinnert er ook aan dat de verenigingen van personen met een handicap al jaren aandringen op een volledige herziening van de wet van 27 februari 1987 inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De teksten waarover met de NHRPH en andere maatschappelijke actoren een overeenstemming werd bereikt, bestaan al vijf jaar. De politieke wil tot herziening was er niet. De NHRPH roept op tot een dringende herziening van een wetgeving die niet langer voldoet aan de verwachtingen van de personen met een handicap.


[1] De FIA is een onafhankelijke instelling die verantwoordelijk is voor de beoordeling van het risicobeheer, de interne controle en het goed bestuur binnen met name de federale overheidsdiensten en de programmatorische overheidsdiensten (Koninklijk Besluit van 4 mei 2016 tot oprichting van de Federale Dienst Interne Audit).

[2] De operationele processen van DG HAN zijn de taken die DG HAN in staat stellen haar activiteiten uit te voeren. Het in kaart brengen bestond uit het produceren van een gedetailleerde workflow van de bewerkingen die werden uitgevoerd voor een vaste taak, evenals het analyseren van de volgorde van de bewerkingen die nodig zijn om van de ene taak naar de andere over te gaan.

[3] Ter herinnering: er is geen officiële Franse vertaling van het auditverslag; de opstellers van het huidige advies willen in de Franse versie van dit advies zo dicht mogelijk bij een letterlijke vertaling van de Nederlandse tekst komen. De terminologie en syntaxis van de vertaalde fragmenten moeten daarom uitsluitend in semantische termen worden beoordeeld. Er wordt best teruggegrepen naar de originele versie.

[4] Slotbemerkingen over het eerste verslag van België, 28 oktober 2014, § 6.

[5] Ibid., § 17.

[6] Ibid., § 42.

[7] Zie § 61 van de bovengenoemde General Comment nr. 5 (2017).

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister belast met de Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de ministers bevoegd voor personen met een handicap in de gemeenschappen en gewesten;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan de ombudspersonen ;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2019/03 - Nationaal hervormingsplan 2018-2019

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2019/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het NHP 2018-2019.

Advies uitgebracht op vraag van de Eerste Minister, van 14 februari en per post ontvangen op 28 februari. Dringend advies na een elektronische raadpleging van de leden op 6 en 7 maart 2019.

1. ONDERWERP

Als onderdeel van de Europese Economische Strategie van Lissabon bezorgt elke lidstaat ieder jaar aan de Europese Unie een inventaris van de realisaties en projecten om te voldoen aan de aanbevelingen van de Europese Unie (het zogenaamde "Nationaal Hervormingsplan" - NHP).


Op 23 mei 2018 heeft de Europese Commissie België een reeks aanbevelingen voorgelegd met betrekking tot zijn nationaal hervormingsprogramma voor België voor 2018 en 2019: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52018DC0401.


De Eerste Minister heeft de NHRPH om advies gevraagd met het oog op de voorbereiding van het NHP 2019.

2. ANALYSE

De Europese Commissie beveelt België aan om in de periode 2018-2019:

  1. ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 niet hoger ligt dan 1,8 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het BBP; meevallers te gebruiken om de vermindering van de overheidsschuldquote te versnellen; de beoogde pensioenhervormingen voort te zetten en de voorspelde stijging van de uitgaven voor langdurige zorg te beheersen; de volledige implementatie van het samenwerkingsakkoord van 2013 tot
    coördinatie van het begrotingsbeleid van alle overheidsniveaus voort te zetten; de efficiëntie en samenstelling van de overheidsuitgaven op alle overheidsniveaus te verbeteren om ruimte te creëren voor openbare investeringen, met name door uitgaventoetsingen uit te voeren;
  2. de hindernissen om te werken weg te nemen en de doeltreffendheid van een actief arbeidsmarktbeleid te versterken, met name voor laagopgeleiden, mensen met een migrantenachtergrond en oudere werknemers; de hervormingen op het gebied van onderwijs en opleiding voort te zetten, onder meer door kansengelijkheid te bevorderen en het percentage afgestudeerden in de wetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde te verhogen;
  3. de regelgevende en administratieve druk te verminderen om ondernemerschap te stimuleren en de concurrentie in de dienstensector, met name de detailhandel, de bouw en de professionele diensten, te vergroten; de groeiende mobiliteitsuitdagingen aan te gaan, met name via investeringen in nieuwe of bestaande vervoersinfrastructuur en sterkere prikkels om gebruik te maken van collectief vervoer en vervoer met lage emissies.

3. ADVIES

De NHRPH is ingenomen met het initiatief van de Eerste Minister, die rekening heeft gehouden met advies 2018-12: hij vraagt het advies van de NHRPH voordat de opstelling van het NHP is voltooid en ruim voordat het verslag aan de Europese Commissie wordt voorgelegd (30 april 2019). Dit is een werkwijze die volledig in overeenstemming is met de geest van de UNCRPD en met name zijn artikel 4.3. De NHRPH hoopt dat deze aanpak van de Eerste Minister de regering zal inspireren, die zal gevormd worden na de federale verkiezingen van mei 2019.


De NHRPH wenst dat de volgende punten inhoudelijke prioriteiten van het NHP zouden worden:

  1. De arbeidsparticipatie van personen met een handicap en zieken effectief verhogen. Ter herinnering: Europa heeft in zijn 2020-strategie een doelstelling vastgelegd voor het verhogen van de tewerkstelling voor alle personen met een handicap die vanwege hun handicap zijn uitgesloten op de arbeidsmarkt. Het creëren van banen van de afgelopen maanden is echter niet ten goede gekomen aan personen met een handicap en zieken. De "Back to work"-maatregelen hebben het niet mogelijk gemaakt een aanzienlijk aantal werknemers opnieuw aan het werk te krijgen. Talrijke personen met een gedeeltelijke handicap werden ontslagen omdat werkgevers niet de nodige ondersteunende maatregelen hebben genomen om hen aan het werk te houden. Het is dringend noodzakelijk dat de regering op concrete wijze een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers in de privésector invoert en het interfederaal protocol 2007 over
    redelijke aanpassingen concreet uitvoert. De NHRPH beveelt in zijn advies 2017-01 een aantal mogelijkheden aan.
  2. Hervorming van het reglementair kader. Het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap - wet van 27 februari 1987 - voorziet absoluut niet meer in de behoeften van personen met een handicap: het in aanmerking nemen van het jaarinkomen -2/-1, de lagen lasagne van de verschillende aftrekken, de tijd die nodig is voor de behandeling van de dossiers, de onmogelijkheid om minimale middelen te bekomen tijdens perioden van arbeidsongeschiktheid, enz. Bovendien voorziet de regeling in geen enkele concrete maatregel of overstapmogelijkheid om de terugkeer naar het werk te ondersteunen. De NHRPH heeft in 2015 een hervormingsproject gesteund en dringt erop aan dat het in 2019 van kracht wordt. Bovendien verhindert het begrip "voorafgaande situatie" in artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (RIZIV-stelsel) steun voor de (weder)tewerkstelling van een persoon met verlies van verdienvermogen. De NHRPH dringt er ook op aan dat deze tekst wordt herschreven om de sociale bescherming van de werknemer met een handicap te waarborgen.
  3. De opleiding moet toegankelijker en van hogere kwaliteit worden. De overwegingen van de afgelopen jaren in verband met schooluitval, verkeerde oriëntaties en de ontoereikendheid van opleidingen en vakrichtingen die geen of weinig uitzicht bieden ten opzichte van de behoeften van de markt, gelden uiteraard ook voor studenten met een handicap, en misschien nog wel meer dan voor alle andere adolescenten, omdat ze worden verergerd door belemmeringen in verband met verplaatsingen, een ongeschikte en niet-inclusieve omgeving, het ontbreken van geschikte lokalen en materiaal, de continuïteit van de zorg tijdens de schooldag, enz. .... De NHRPH herinnert ook aan zijn oproep tot meer inclusief onderwijs, dat ook zou moeten bijdragen tot minder schooluitval. Dit betekent niet de afschaffing van het gespecialiseerd onderwijs, maar de aanpassing van het gewone onderwijs aan de behoeften van kinderen met een handicap, door middel van gedifferentieerde pedagogische benaderingen en gebaseerd op de behoeften van de leerling en niet op zijn of haar handicap.
  4. Op het gebied van mobiliteit moet prioriteit worden gegeven aan toegankelijk vervoer voor iedereen en overstapvoorzieningen om de toegang tot opleidingen en tewerkstelling te vergemakkelijken.
  5. Op het gebied van de toegang tot het pensioen herinnert de NHRPH eraan dat het voor vele personen met een handicap, maar ook voor hun mantelzorgers, moeilijk is om hun loopbaan te verlengen; integendeel zou het mogelijk moeten zijn het einde van hun loopbaan aan te passen en onderbrekingsperioden tijdens hun loopbaan gelijk te stellen. Personen met een handicap en/of hun mantelzorgers hebben vaak minder werkvooruitzichten en loopbaanmogelijkheden gehad, zelfs zonder hun toestemming, maar omdat hun lichaam en/of werkomgeving zich aan hen hebben
    opgedrongen, met alle daaraan verbonden situaties van sociale uitsluiting en armoede.
    De pensionering voor personen met een handicap klinkt vaak als een tweede afdaling naar de hel, terwijl de kosten in verband met het ouder worden en hun gezondheidstoestand onvermijdelijk stijgen. De invoering van een ander mechanisme zou ook door de regering moeten worden bestudeerd, namelijk een voordeligere in aanmerking neming van de loopbaanjaren van personen met een handicap, om de tewerkstelling te bevorderen. De NHRPH is daarentegen van mening dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van de rechten) moet worden onderzocht voor personen met een handicap. Dit zou personen met een handicap aanmoedigen om te werken, waarbij tegelijkertijd rekening wordt houden met de voor hen zware activiteit.
    Daarnaast is het niet aanvaardbaar om mantelzorgers die een onvolledige loopbaan hebben te benadelen omdat ze door een gebrek aan politieke reactie zijn gestopt met werken om voor een gehandicapt of ziek familielid te zorgen.
  6. Op het gebied van de structuurfondsen herinnert de NHRPH eraan dat de reglementaire teksten voorzien in de participatie en betrokkenheid van personen met een handicap bij elke fase van de programmering, uitvoering en evaluatie. Er dient wel te worden opgemerkt dat ondanks de voorwaarde ex ante, artikel 4.3 niet correct wordt toegepast, met als gevolg dat veel oproepen voor het indienen van projecten niet voldoende tegemoetkomen aan de behoeften van personen met een handicap. De NHRPH dringt erop aan dat de structuurfondsen worden ingezet voor een beleid dat personen met een handicap en hun gezinnen daadwerkelijk ondersteunt bij de ontwikkeling van een zelfstandig leven en hun integratie in het gemeenschapsleven (tewerkstelling, huisvesting, collectieve hulp).
  7. Op het vlak van armoedebestrijding herinnert de NHRPH opnieuw aan de pijler van de 2020-strategie met betrekking tot armoedebestrijding en in het bijzonder aan de doelstelling om het aantal personen in onzekere situaties in België te verminderen. De armoedecijfers stijgen al jarenlang. Het is van essentieel belang dat de toekomstige regeringen op een coherente en complementaire manier te werk gaan rond een nationaal plan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting van alle kwetsbare groepen, en in het bijzonder die van personen met een handicap. Dit plan moet worden gezien als een essentiële bijdrage aan de economische en sociale stabiliteit van het land.
    De NHRPH benadrukt nogmaals het verband tussen handicap en armoede. Personen met een handicap ontvangen tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987) die ver onder de armoedegrens liggen; de inkomensvervangende tegemoetkoming moet een minimumlevensstandaard garanderen en het bedrag ervan moet worden verhoogd tot minstens de minimumarmoedegrens. De NHRPH vraagt dat deze maatregel als een prioriteit wordt beschouwd voor de volgende federale regering.
  8. Op het gebied van de statistieken bestaat er geen eenduidige definitie van handicap of een verband tussen de verschillende erkenningsregelingen. Personen met een handicap die door de DG Han worden erkend, worden aldus niet noodzakelijkerwijs erkend door de regionale agentschappen (AVIQ, Phare, VDAB, enz.) en vallen daarom buiten de tewerkstellings- en opleidingsmogelijkheden. De toekomstige regeringen moeten hun databanken integreren en samenwerken om een beleid te ontwikkelen dat werkelijk beantwoordt aan de behoeften van de personen op voormelde gebieden.
  9. In termen van politiek functioneren wordt het echt noodzakelijk en dringend dat de verschillende competentieniveaus met elkaar praten en samenwerken om volledige en geïntegreerde antwoorden te geven voor de behoeften van de personen. Alle IMC's moeten worden gereactiveerd.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de Eerste Minister;
  • Ter info aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2019/05 - Afwijking voorwaarde inzake verblijfplaats

  • Jaartal advies: 2019
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2019/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de afwijking van de voorwaarde inzake verblijfplaats in het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 maart 2019.

Advies uitgebracht op vraag van de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking.

1. ONDERWERP

De administratie wenst dat een delegatiebesluit wordt ondertekend, zodat de toestemming om in het buitenland te verblijven, zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, kan worden verleend door de administratie zelf en niet door de Minister belast met personen met een handicap.

2. ANALYSE

Artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bepaalt het volgende:


Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, in België te hebben, de gerechtigde die er zijn hoofdverblijfplaats heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft.


Met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België wordt gelijkgesteld :


1° het verblijf in het buitenland gedurende maximaal 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;


2° het verblijf in het buitenland ten gevolge van de opname ter verpleging in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgenverstrekking;


3° het verblijf in het buitenland om beroepsredenen;


4° het verblijf bij een bloed- of aanverwant die verplicht is, of wiens echtgenoot of de persoon met wie de bloed- of aanverwant wettelijk samenwoont, verplicht is, tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er
een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat;


5° het verblijf in het buitenland gedurende meer dan 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat de Minister hiertoe zijn toelating heeft verleend.

De persoon met een handicap die het Koninkrijk verlaat, is verplicht de Minister daarvan ten minste één maand voor zijn vertrek in te lichten, met vermelding van de vermoedelijke duur van het verblijf in het buitenland en, in de gevallen bedoeld in 2° tot en met 5°, de redenen daarvan.

De adviesaanvraag betreft artikel 3, § 2, 5° van het koninklijk besluit.

De administratie wenst dat een delegatiebesluit zou worden ondertekend, zodat de machtiging om in het buitenland te verblijven door de administratie zelf kan worden verleend in plaats van door de Minister.

Voor de Minister moeten, indien een dergelijke delegatie wordt verleend, de mogelijke gevallen waarvoor een toestemming wordt verleend, worden verduidelijkt. Hij stelt de volgende gevallen voor:

  • In geval van overmacht (bijvoorbeeld: een aardbeving onderbreekt het luchtverkeer, waardoor de duur van de toegestane 90 dagen wordt verlengd);
  • Om medische redenen, wanneer de arts van de DG Personen met een handicap bevestigt dat het verblijf in het buitenland noodzakelijk of gunstig is voor de gezondheid van de persoon (er is bijvoorbeeld een verband tussen het klimaat en de aandoening);
  • Voor de assistentie van een patiënt, bloed- of aanverwante tot de 2e graad, op voorwaarde dat een medisch attest van de ziekte door de behandelende arts wordt verstrekt (bijvoorbeeld een moeder die in Marokko verblijft voor palliatieve zorg);
  • Om familiale of sociale redenen, indien wordt aangetoond dat de afwezigheid van de betrokkene ernstige familiale of sociale gevolgen zou kunnen hebben.

De Minister vraagt het NHRPH of aanvullende criteria aan de lijst moeten worden toegevoegd.

3. ADVIES

Allereerst herinnert de NHRPH eraan dat de vergunning voor een verblijf in het buitenland voor gerechtigden op een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratie-tegemoetkoming een uitzondering is op de verblijfsvoorwaarde. Deze bepaling moet dus strikt worden geïnterpreteerd, waarbij het beginsel van toepassing blijft dat de persoon die een tegemoetkoming bekomt, daadwerkelijk in België moet verblijven om deze te ontvangen. Het verblijf in het buitenland moet dus in specifieke en behartigenswaardige gevallen worden toegestaan, met een duidelijke tijdslimiet. Deze bepaling mag in geen geval een feitelijk
onbeperkt verblijf in het buitenland mogelijk maken terwijl er verder wordt genoten van de Belgische tegemoetkomingen.


De NHRPH merkt op dat de lijst met de interpretatie van het begrip "uitzonderlijke omstandigheden" een beperkte, exhaustieve lijst is.


De NHRPH is van mening dat in de tekst moet worden verduidelijkt dat voor de assistentie van een zieke, bloed- of aanverwante tot de 2e graad (3e punt), de toestemming in de tijd moet beperkt zijn en dat het moet gaan om een ernstige ziekte die de ondersteuning van de persoon vereist, waarbij het duidelijk is dat de langdurige ondersteuning nooit een reden voor rechtvaardiging zal zijn. De NHRPH is van mening dat de maximale duur nooit meer dan 6 maanden mag bedragen en niet verlengbaar mag zijn voor eenzelfde bloed- of aanverwante.


De NHRPH wenst aan de lijst het geval toe te voegen van de persoon die tegemoetkomingen ontvangt en die in het buitenland wil studeren. De toelating moet dan beperkt zijn tot de duur van de studie.

De NHRPH vraagt zich af welke juridische vorm deze interpretatie van het begrip "uitzonderlijke omstandigheden" zal aannemen. Ze zal ten minste aan bod moeten komen in een omzendbrief die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.


Daarnaast plaatst de NHRPH vraagtekens bij het principe zelf van de delegatie van de bevoegdheid van de Minister aan de administratie. Zijn er genoeg gevallen om dit te rechtvaardigen? De NHRPH is van mening dat het noodzakelijk is om een of andere vorm van opvolging van deze verblijfsvergunningen in het buitenland door een andere instantie dan de administratie te behouden.


In dit verband zou kunnen worden overwogen het onderzoek van de aanvragen om vrijstelling toe te vertrouwen aan de Commissie Sociale Zaken (die thans de aanvragen voor verzaking voor onverschuldigde uitbetalingen onderzoekt). Het zou uiteraard noodzakelijk zijn om een koninklijk besluit op te stellen waarbij de bevoegdheden van de Commissie worden uitgebreid. De NHRPH ziet dit als een garantie voor de continuïteit en de eenvormigheid van de beslissingen, die verder reikt dan de opeenvolgende ministers.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister belast met Personen met een handicap;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2018/35 - Kosten bewindvoerder

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2018-35 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de regels voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders, verstrekt tijdens de plenaire zitting van 17 december 2018.

Advies verstrekt op verzoek van de heer Koen Geens, Minister van Justitie.

1. ONDERWERP

Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt de uitvoering van artikel 497/5 van het Burgerlijk Wetboek, dat zelf wordt gewijzigd in het kader van het wetsontwerp (dat momenteel wordt besproken in het parlement) houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en tot vereenvoudiging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek betreffende de onbekwaamheid, en van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid.

Het ontwerp van koninklijk besluit legt de regels vast voor de bezoldiging, de kosten en de buitengewone ambtsverrichtingen van bewindvoerders.

2. ANALYSE

Ter herinnering, artikel 497/5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt als volgt:  

Na de goedkeuring van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties. Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beiden ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.


   Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een bezoldiging toe te kennen of een lagere bezoldiging toekennen.


   Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. De Koning kan bepaalde kosten op forfaitaire wijze begroten.


   De vrederechter kan de bewindvoerder, na overlegging van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon. De Koning kan de wijze bepalen waarop de vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen wordt begroot.


   Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter geen bezoldiging toekennen aan de ouder of de ouders van de beschermde persoon die aangewezen zijn als bewindvoerder.


   Het is de bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste, derde en vierde lid vermelde bezoldigingen of vergoedingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot de uitoefening van het gerechtelijk mandaat van bewindvoerder.

Artikel 1 legt de inkomstenbronnen vast die onderworpen zijn aan het forfait van 3%. Het artikel voorziet niet in een limitatieve lijst van inkomsten.

Artikel 2 maakt voor het forfait een onderscheid naar gelang de identiteit van de bewindvoerder: familielid of professioneel. Het specificeert ook dat de professionele bewindvoerder een vergoeding kan vragen op grond van de werkelijke uitgaven.

Artikel 3 voorziet in een bijzondere vergoeding voor uitzonderlijke prestaties (indicatieve lijst als bijlage). In bepaalde uitzonderlijke situaties, die niet beperkt zijn tot de situaties die in een indicatieve lijst zijn gedefinieerd en opgenomen, kan van het forfaitaire bedrag worden afgezien en kan de bijzondere vergoeding worden uitgebreid.

Artikel 4 voert de aanpassing van deze bezoldigingen aan de gezondheidsindex in.

Het KB treedt in werking de 10e dag volgend op de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

3. ADVIES

De NHRPH is ingenomen met dit initiatief, dat bedoeld is om de procedures te vereenvoudigen en te verduidelijken. Hij is echter van mening dat de voorgestelde tekst niet rijp, dikwijls vaag en onnauwkeurig is en dat hij daardoor grote moeilijkheden bij de uitvoering met zich mee zal brengen. De NHRPH vraagt om de volgende bedenkingen te verwerken in het KB.  

Algemene opmerkingen:

  1. Het systeem mist voorspelbaarheid:
    1. Men moet eisen dat de facturen gedetailleerder worden.
    2. Ook moet er meer transparantie komen. Hoe zit het met de facturering wanneer een maatschappelijk werker of een naaste een e-mail stuurt naar de bewindvoerder? Men weet nooit of dit aan het einde van het jaar opnieuw aan de persoon wordt gefactureerd.
  1. Regeling met reële kosten. Het zal waarschijnlijk veel meer kosten om te worden bijgestaan in plaats van vertegenwoordigd, omdat er vaker een beroep zal worden gedaan op de bewindvoerder. Er moet een compensatiemechanisme worden ingevoerd omdat de geest van de wet naar bijstand neigt. Bijstand mag er niet alleen zijn voor de meest welgestelden!
  1. De NHRPH is voorstander van een “ALL-IN”-systeem:

Waarom niet voor bepaalde categorieën mensen een iets hogere basisbijdrage (4 of 5%) op hun inkomen vragen, waarbij evenwel alle prestaties, met inbegrip van de buitengewone ambtsverrichtingen, gedekt zijn? Op die manier zijn er geen verrassingen.

  1. Een andere mogelijkheid kan erin bestaan 3 forfaitaire bedragen vast te leggen voor de familiale bewindvoerders en 3 voor de professionele bewindvoerders. Dit zou de procedure vereenvoudigen.
  2. De NHRPH is van mening dat in principe alle kosten door het forfait zouden moeten worden gedekt; alleen bepaalde uitzonderlijke, specifieke en vermelde kosten zouden uit het forfait kunnen worden weggelaten. Alles zou zo veel mogelijk forfaitair moeten worden gemaakt en voor de rest zou de bewindvoerder de voorafgaande goedkeuring van de vrederechter nodig hebben voor kosten die hij of zijn in rekening zal brengen en achteraf verantwoordt.
  3. De NHRPH is van mening dat er een bijzonder fonds moet worden gecreëerd voor personen die de diensten van een bewindvoerder niet kunnen betalen. Dat de bewindvoerder moet worden betaald, spreekt voor zich.

Volgens de NHRPH brengt bewindvoering een zeer hoge kost met zich mee voor de personen met de laagste inkomens.

Voorbeeld: Een alleenstaande persoon met een maandelijkse IVT van 900€ (10.800€ per jaar) en onderworpen aan het forfait van 3% moet minstens een basisbedrag van 570€ betalen; dat is 50€/maand (324€/jaar + 250€ vaste prijs per jaar (als het forfait van toepassing is) + eventuele buitengewone ambtsverrichtingen. Dit is een enorm bedrag voor de laagste inkomens! De NHRPH dringt nogmaals sterk aan op de oprichting van een speciaal fonds.

  1. De NHRPH is van mening dat de algemene formulering van het ontwerp van KB het idee dat het bedrag van 3% een maximum is, en dat de rechter dit vaste tarief kan verlagen afhankelijk van het mandaat van de bewindvoerder, volledig heeft uitgewist. Wordt dit kader niet gespecifieerd, dan zal de maximumforfait van 3% waarschijnlijk systematisch worden toegepast. Het is van essentieel belang dat het KB ten minste indicatief de specifieke redenen vermeldt die een lager percentage rechtvaardigen. Bijvoorbeeld in het geval van een beperkte duur van het mandaat van de bewindvoerder zou het om een beperkt deel van de 3% kunnen gaan in geval van vroegtijdige beëindiging van de bewindvoering (momenteel bepaalt de tekst nog dat een bewindvoering van enkele maanden buitengewone ambtsverrichtingen kan bevatten...).
  2. Het is ook van belang dat het KB de principes van de bezoldiging verduidelijkt bij gevallen waarin de bewindvoerder van goederen en de bewindvoerder van de persoon niet dezelfde persoon zijn.
  3. Gaat dit KB wel degelijk uit van de bezoldiging van een bewindvoerder aangesteld in het kader van een vertegenwoordigingsregeling? Als de bewindvoerder een bijstandsfunctie krijgt toegewezen, zal de vrederechter dan een specifieke regeling vaststellen?

Algemene opmerkingen:

  1. Het systeem mist voorspelbaarheid:
    1. Men moet eisen dat de facturen gedetailleerder worden.
    2. Ook moet er meer transparantie komen. Hoe zit het met de facturering wanneer een maatschappelijk werker of een naaste een e-mail stuurt naar de bewindvoerder? Men weet nooit of dit aan het einde van het jaar opnieuw aan de persoon wordt gefactureerd.
    3. Regeling met reële kosten. Het zal waarschijnlijk veel meer kosten om te worden bijgestaan in plaats van vertegenwoordigd, omdat er vaker een beroep zal worden gedaan op de bewindvoerder. Er moet een compensatiemechanisme worden ingevoerd omdat de geest van de wet naar bijstand neigt. Bijstand mag er niet alleen zijn voor de meest welgestelden!
  1. De NHRPH is voorstander van een “ALL-IN”-systeem:                                                                                                            Waarom niet voor bepaalde categorieën mensen een iets hogere basisbijdrage (4 of 5%) op hun inkomen vragen, waarbij evenwel alle prestaties, met inbegrip van de buitengewone ambtsverrichtingen, gedekt zijn? Op die manier zijn er geen verrassingen.
  1. Een andere mogelijkheid kan erin bestaan 3 forfaitaire bedragen vast te leggen voor de familiale bewindvoerders en 3 voor de professionele bewindvoerders. Dit zou de procedure vereenvoudigen.
  2. De NHRPH is van mening dat in principe alle kosten door het forfait zouden moeten worden gedekt; alleen bepaalde uitzonderlijke, specifieke en vermelde kosten zouden uit het forfait kunnen worden weggelaten. Alles zou zo veel mogelijk forfaitair moeten worden gemaakt en voor de rest zou de bewindvoerder de voorafgaande goedkeuring van de vrederechter nodig hebben voor kosten die hij of zijn in rekening zal brengen en achteraf verantwoordt.
  3. De NHRPH is van mening dat er een bijzonder fonds moet worden gecreëerd voor personen die de diensten van een bewindvoerder niet kunnen betalen. Dat de bewindvoerder moet worden betaald, spreekt voor zich.                                                                      Volgens de NHRPH brengt bewindvoering een zeer hoge kost met zich mee voor de personen met de laagste inkomens.                                                                                                                                                                                                                         Voorbeeld: Een alleenstaande persoon met een maandelijkse IVT van 900€ (10.800€ per jaar) en onderworpen aan het forfait van 3% moet minstens een basisbedrag van 570€ betalen; dat is 50€/maand (324€/jaar + 250€ vaste prijs per jaar (als het forfait van toepassing is) + eventuele buitengewone ambtsverrichtingen. Dit is een enorm bedrag voor de laagste inkomens! De NHRPH dringt nogmaals sterk aan op de oprichting van een speciaal fonds.
  1. De NHRPH is van mening dat de algemene formulering van het ontwerp van KB het idee dat het bedrag van 3% een maximum is, en dat de rechter dit vaste tarief kan verlagen afhankelijk van het mandaat van de bewindvoerder, volledig heeft uitgewist. Wordt dit kader niet gespecifieerd, dan zal de maximumforfait van 3% waarschijnlijk systematisch worden toegepast. Het is van essentieel belang dat het KB ten minste indicatief de specifieke redenen vermeldt die een lager percentage rechtvaardigen. Bijvoorbeeld in het geval van een beperkte duur van het mandaat van de bewindvoerder zou het om een beperkt deel van de 3% kunnen gaan in geval van vroegtijdige beëindiging van de bewindvoering (momenteel bepaalt de tekst nog dat een bewindvoering van enkele maanden buitengewone ambtsverrichtingen kan bevatten...).
  2. Het is ook van belang dat het KB de principes van de bezoldiging verduidelijkt bij gevallen waarin de bewindvoerder van goederen en de bewindvoerder van de persoon niet dezelfde persoon zijn.
  3. Gaat dit KB wel degelijk uit van de bezoldiging van een bewindvoerder aangesteld in het kader van een vertegenwoordigingsregeling? Als de bewindvoerder een bijstandsfunctie krijgt toegewezen, zal de vrederechter dan een specifieke regeling vaststellen?

Bijzondere opmerkingen: Inkomsten/reële kosten/buitengewone ambtsverrichtingen

1. Inkomsten die in rekening worden gebracht:

    1. In geen geval mag rekening worden gehouden met de integratietegemoetkomingen (IT)/ tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB). De tekst lijkt die op te nemen in het gedeelte over de uitgesloten inkomsten, maar verduidelijking is nodig om onnodige geschillen te voorkomen.
    2. De NHRPH vraagt ook om de hulp van derden (een tegemoetkoming met hetzelfde doel) toe te voegen, of valt deze misschien onder de tegemoetkomingen voor personen die zorg en ondersteuning ontvangen? Ook hier zou verduidelijking discussies helpen voorkomen.
    3. Gelet op de opeenvolgende staatshervormingen waardoor sommige bevoegdheden in het kader van de dekking van handicapgebonden kosten aan de deelgebieden zijn overgedragen, zou de NHRPH graag een globale formulering zien, bv. “de bedragen die de beschermde persoon ontvangt om de extra kosten als gevolg van een handicap te verlichten, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de inkomstenbasis”.
    4. Wat met de IVT? Het ontwerp vermeldt de “schadevergoeding wegens inkomstenverlies”, maar de IVT wordt als dusdanig niet vermeld als een inkomen waarmee rekening kan worden gehouden. Het gaat wel degelijk om een inkomen (ook al is het zeer laag), in tegenstelling tot de IT die als compensatie voor de handicap is bedoeld.  

2. Diensten die onder het forfait vallen:

  1. Het KB verduidelijkt niet welke prestaties onder de categorie “gewone prestatie” vallen. Anderzijds worden een hele reeks handelingen uit het forfait uitgesloten! Wat is een forfait van 3% als elke bijkomende prestatie gefactureerd wordt !? Het is essentieel dat het forfait als algemeen principe geldt.
  2. Prestaties die zeker onder het forfait van 3% moeten vallen:
    • Opening en afsluiting van het dossier
    • De verslagen, want deze zijn een verplichting van de bewindvoerder
    • Het jaarlijkse bezoek
  3. “Overleg … met het team”: wat houdt dit in? Wie beslist wanneer dit noodzakelijk is?
  4. Hoe kan de betrokken persoon (of zijn/haar vertrouwenspersoon) controle uitoefen op de facturatie voor diensten? Zal de vrederechter dit controleren?

3. Kosten

    1. Principieel is de NHRPH voorstander van een forfait, want dit biedt de personen meer voorspelbaarheid.
    2. Uit de tekst blijkt niet dat enkel de kosten die de bewindvoerder heeft gemaakt uit hoofde van of in verband met de uitoefening van zijn functie als bewindvoerder in aanmerking komen. In het dispositief van het koninklijk besluit dient te worden gepreciseerd dat het niet de kosten omvat die voortvloeien uit diensten van derden, zoals deskundigen en gerechtsdeurwaarders en andere kosten die door de beschermde persoon worden gedragen en die dus rechtstreeks van de bewindvoeringsrekening moeten worden betaald en als debet in de jaarlijkse of afsluitende beheersverslagen worden opgenomen.
    3. De NHRPH is fel gekant tegen de mogelijkheid om de werkelijke kosten te factureren indien het forfait wordt overschreden. Wat is anders het nut van een forfait? De werkelijke kosten kunnen in ieder geval nooit betrekking hebben op de laagste inkomens (minder dan 12.500 euro).
    4. De mogelijkheid (art.2 §2) die professionele bewindvoerders hebben om te kiezen tussen een forfait enerzijds en de bezoldiging per prestatie (voor gewone prestaties) anderzijds is zeer gevaarlijk en pervers. De NHRPH vreest dat de bewindvoerders vaak van deze mogelijkheid gebruik zullen maken voor personen met een laag inkomen. Bovendien betekent dit dat er geen enkele controle is op het gefactureerde bedrag op het einde van het jaar.
    5. Ten slotte bestaat in een dergelijk systeem, waarin men kan overstappen van een forfait naar reële kosten, een ernstig risico dat de bewindvoerder zijn opdracht niet meer zal uitvoeren zodra het forfait is overschreden. Daarom moet duidelijk worden gemaakt dat overschrijding van het forfait nooit kan rechtvaardigen dat de bewindvoerder zijn verplichtingen niet zou nakomen.
    6. Wat de tarieven zelf betreft:
  1. De NHRPH acht het noodzakelijk dat alle vredegerechten van het land dezelfde unieke barema’s aannemen. Dit heeft volgens de Raad de volgende voordelen:
    1. gemakkelijk voor iedereen: advocaten, griffiers, rechtzoekenden en rechters. Als het consequent door iedereen wordt toegepast, weet iedereen wat men moet doen en wat men mag verwachten;
    2. een transparant systeem, goed voor het imago van justitie in de publieke opinie. De burger begrijpt immers niet waarom eenzelfde handeling van eenzelfde advocaat in een vergelijkbare zaak anders wordt bezoldigd naargelang de vrederechter (soms in één en hetzelfde dossier, wanneer het van het ene kanton naar het andere verhuist);
    3. geloofwaardigheid van nabijheidsjustitie, die blijk moet geven van een gelijke behandeling en samenhang wanneer het niet gaat om gevoelige juridische kwesties, maar om forfaitaire beoordelingen;
    4. en last but not least: gelijkheid tussen alle burgers.
  2. Waarom de kilometervergoeding niet vastleggen op het geldend wettelijk tarief (0,35€ i.p.v. 0,55€)?
  • Indien het opstellen van het verslag niet binnen de 3% valt, moet er een bovengrens of een forfaitair bedrag worden vastgesteld. Aan een tarief van 10€ per pagina en met 2 verslagen tijdens het eerste jaar durft de NHRPH zich nauwelijks voor te stellen wat de persoon zal moeten betalen!
  1. Algemeen genomen is de lijst van deze diensten niet duidelijk.
    1. : wat met de betaling van facturen? 10€ per getypt blad è een mail van 10 regels kost 10€ !?
    2. Een “getypt blad” kost 10€. Komen daarbij nog eens de “kosten voor het typewerk” aan 11€ per blad ?
    1. De NHRPH is ook van mening dat de beschermde persoon, na aftrek van de aan de bewindvoerder toegekende bezoldiging, kosten en buitengewone ambtsverrichtingen, een behoorlijk inkomen moet overhouden dat minstens overeenkomt met de Europese armoedegrens. Bijgevolg zou het raadzaam zijn te voorzien in de betaling van de bewindvoeringskosten door de overheid (OCMW, specifiek fonds, bureau voor rechtsbijstand, enz.) indien de beschermde persoon een laag inkomen heeft of onvermogend is. 

4. Buitengewone ambtsverrichtingen

De CSNPH begrijpt dat het moeilijk is om een lijst van specifieke handelingen op te stellen. Tegelijkertijd is de voorgestelde lijst slechts indicatief en omvat deze vage begrippen die soms te maken hebben met het dagelijks leven of die terugkerend van aard zijn. Bv.: het toevoegen van aanvullende gegevens aan een belastingaangifte, het opstellen van en onderhandelen van contracten, ...  

De NHRPH vreest dat veel alledaagse handelingen op basis van interpretatie onder de buitengewone ambtsverrichtingen kunnen vallen. De NHRPH is voorstander van het idee dat de handelingen op de indicatieve lijst van buitengewone ambtsverrichtingen aan een forfaitaire evaluatie moeten worden onderworpen.

De NRPH beschouwt de volgende handelingen NIET als buitengewone ambtsverrichtingen:

    • aangifte van inkomstenbelasting van fysieke personen
    • tussenkomst in gerechtelijke procedures betreffende het beschermingsstatuut
    • het beheer van dossiers van tegemoetkomingen voor personen met een handicap en afgeleide rechten

De NHRPH vraagt de volgende aspecten in het KB op te nemen:

  1. In geval van buitengewone diensten mogen bewindvoerders een forfaitaire kostenvergoeding en een uurtarief niet combineren.
  2. De tussenkomst van de bewindvoerder kan nooit meer kosten dan die van een professional in de materie in kwestie (d.w.z. nooit meer dan voor een vastgoedmakelaar bij de verkoop van een gebouw of een advocaat bij de ondertekening van een contract, enz.).
  3. De bewindvoerder richt zich waar mogelijk eerst tot het netwerk (gezinnen, verenigingen, enz.), alvorens het proces te professionaliseren (bijvoorbeeld voor de zoektocht naar een rust- en verzorgingstehuis).
  4. De bewindvoerder vraagt altijd vooraf de toestemming van de vrederechter met een gekwantificeerde basis voor zijn prestatie.

De NHRPH vraagt om zijn opmerkingen in het KB te integreren, maar ook om, over een periode van 2 jaar na de inwerkingtreding van het KB, een evaluatie van de tekst te voorzien in relatie tot de werkelijke kosten die de bewindvoering voor de persoon met een handicap met zich meebrengt.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie;
  • Ter info aan de heer Kris Peeters, Minister bevoegd voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Voor de NHRPH

Gisèle Marlière

Voorzitter

  • Raadplegingen: 14

Advies 2018/34 - Juridische bekwaamheid

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2018-34 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en tot vereenvoudiging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek betreffende de onbekwaamheid, en van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid (titel 2).


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht bij hoogdringendheid na raadpleging van de leden via e-mail op 23 november 2018.


Onderwerp

Het globale wetsvoorstel bestaat uit acht delen die systematisch een welomschreven onderwerp hervormen of wijzigen. Het betreft onder meer de vereenvoudiging van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en de digitalisering van de procedures inzake bewindvoering.

De NHRPH beperkt zijn advies tot dit specifieke aspect.


Analyse

Op 1 september 2014 trad de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de onbekwaamheid en tot vaststelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid in werking. Met deze wet werd een eenvormig beschermingsstatuut ingevoerd dat de vrederechter van geval tot geval kan toekennen. Daarnaast werd bij deze wet een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel ingevoerd, namelijk de "zorgvolmacht".

De tenuitvoerlegging van deze bepalingen heeft na de inwerkingtreding ervan aanleiding gegeven tot een aantal punten van kritiek, waaronder:

1) de werklast voor de vredegerechten en de complexiteit van bepaalde aspecten, waardoor het moeilijker wordt om toegang te krijgen tot de bewindvoering;

2) de niet-toepasbaarheid van sommige bepalingen;

3) het gebrek aan betrokkenheid van de omgeving bij de organisatie en uitvoering van de bewindvoering, terwijl de wet juist tot doel heeft de rol van de omgeving te versterken;

4) het feit dat er al te systematisch een beroep wordt gedaan op professionele bewindvoerders;

5) het gebrek aan gepersonaliseerd werk. Bij beslissingen zou algemene bewindvoering nog te vaak de regel zijn, terwijl de wet precies gebaseerd is op de mogelijkheden van de betrokkene, en onbekwaamheid juist de uitzondering zou moeten worden.

Titel 2 van dit wetsvoorstel heeft tot doel de wetgeving inzake bewindvoering te vereenvoudigen en de procedure te digitaliseren.

Er wordt een centraal register voor de bescherming van personen, hierna "het register" genoemd, ingesteld. Het register is een geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de follow-up en de behandeling van de procedures met betrekking tot de beschermde personen in hun integraliteit. Het brengt alle documenten en gegevens samen met betrekking tot een gerechtelijke beschermingsprocedure en vormt het platform voor de uitwisseling tussen de rechtbank en de betrokken partijen. Dit moet het mogelijk maken de werklast van rechters en griffiers te verminderen, de bewindvoering efficiënter en naar de geest van de wet uit te voeren en de procedures toegankelijker en flexibeler te maken voor particulieren.

De opstellers van het ontwerp van wet benadrukken dat de bescherming van de persoon en de goederen van de betrokkene de eerste overweging blijft. Indien het verzoek een plaatsing onder rechterlijke bescherming of een verzwaring van de bestaande maatregelen beoogt, moeten bepaalde procedurele waarborgen de rechter in staat stellen om het belang van de persoon correct te interpreteren. In de gevallen waarin het beginsel van de autonomie en de bekwaamheid van de persoon wordt beperkt, moet de rechter alle wettelijke instrumenten krijgen om de maatregelen te beperken tot datgene dat strikt noodzakelijk is voor het beheer van de belangen van de betrokkene (artikel 488/1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Er kan nog slechts één procedure worden voorgeschreven, maar de details kunnen variëren afhankelijk van de aard van het verzoek. Er wordt een onderverdeling gemaakt tussen de louter administratieve procedures (bv. machtiging van de bewindvoerder) en de procedures met betrekking tot de rechtsbevoegdheid van de beschermde persoon, die uiteraard aan strengere eisen dienen te voldoen (onderzoek naar de situatie van de persoon alsook diens omgeving, verhoor van de betrokken personen, enz.).

Ook de procedure voor de benoeming van een bewindvoerder wordt vereenvoudigd. De vrederechter benoemt de bewindvoerder nu pas na bevestiging van zijn aanvaarding, zoals nu reeds het geval is in het kader van de voogdij.

Het toepassingsgebied van de buitengerechtelijke bescherming wordt verduidelijkt door de vermelding dat deze maatregel ook betrekking kan hebben op handelingen die vallen onder het beheer en wordt uitgebreid tot handelingen die betrekking hebben op de rechten van personen, voor zover deze niet binnen de werkingssfeer van bijzondere wetgeving vallen.

Het toepassingsgebied van de handelingen waarover de vrederechter ambtshalve uitspraak moet doen in het kader van de rechtsbescherming wordt herzien om te voldoen aan de behoeften van de praktijk en om ervoor te zorgen dat de rechtsbeschermingsmaatregelen in overeenstemming zijn met de machtigingen van de vrederechter die daaruit voortvloeien.

De verplichte beoordeling binnen twee jaar na de instelling van een rechterlijke beschermingsmaatregel wordt vervangen door een systeem van ‘permanente’ beoordeling, d.w.z. telkens wanneer daar reden toe is. De bewindvoerder is nu verplicht om het gerecht te informeren over fundamentele wijzigingen in de situatie. De vrederechter overweegt vervolgens of dit aanleiding geeft tot een beoordeling.

Tot slot wordt het idee van de lijst van gezondheidsproblemen die kunnen leiden tot algemene onbekwaamheid op het gebied van eigendomsrechten en het automatisch ontslag van een bepaald aantal verplichtingen losgelaten.


Advies

Het tijdschema van de werkzaamheden in de Kamer - tekst in tweede lezing in de week van 3 december, onderhavig advies wordt tegen die datum verwacht - maakte het voor de NHRPH onmogelijk een grondige analyse te maken van de teksten, noch van de amendementen die al waren ingediend ten tijde van het opstellen van dit advies.

De NHRPH betreurt ten zeerste dat de Minister het advies van de NHRPH niet heeft gevraagd tijdens de zomer, zoals hij dat met andere organisaties heeft gedaan. Op die manier had de NHRPH de opmerkingen van zijn leden en de daarmee verbonden verenigingen op exhaustieve wijze kunnen bundelen. De NHRPH herinnert eraan dat deze hervorming een blijvend effect zal hebben op de levensomstandigheden van tienduizenden personen met een handicap en hun gezinnen en dat het verstandig zou zijn geweest om hun advies via de NHRPH op te nemen.

In het algemeen is de NHRPH van mening dat dit wetsvoorstel interessante ontwikkelingen voorstelt, in het bijzonder,

  1. de informatisering van de procedure voor professionals;
  2. de schrapping van de lijst van gezondheidsproblemen;
  3. het vereenvoudigde verslag voor ouders vanaf de eerste hoorzitting.

De NHRPH is ook van mening dat de tijd die wordt bespaard op administratief vlak de vrederechter in staat zou moeten stellen om meer tijd te besteden aan de personalisering van de maatregel.

De NHRPH schuift negen aandachtspunten naar voren.

  1. Beoordeling van de maatregel
  2. Personalisering van de maatregel
  3. Papieren versie
  4. Semantiek
  5. Voorstelling van een nieuw item: bankproblemen (verlening van een kaart)
  6. Ervoor zorgen dat er een beschermende logica wordt aangehouden
  7. Garanderen van kwaliteitsvolle bewindvoering
  8. Overleg in het kader van de buitengerechtelijke lastgeving
  9. Schenkingen en legaten ten gunste van de bewindvoerder

 

  1. Beoordeling van de maatregel in het kader van de gerechtelijke bescherming

De NHRPH is van mening dat het (permanente) beoordelingsmechanisme niet zal volstaan om misbruik door een bewindvoerder te voorkomen. De Raad merkt op:

De verplichte beoordeling binnen twee jaar na de instelling van een rechterlijke beschermingsmaatregel wordt vervangen door een systeem van ‘permanente’ beoordeling, d.w.z. telkens wanneer daar reden toe is. De bewindvoerder is nu verplicht om het gerecht te informeren over fundamentele wijzigingen in de situatie. De vrederechter overweegt vervolgens of dit aanleiding geeft tot een beoordeling.

De NHRPH vreest dat de term "permanente beoordeling" betekent dat er helemaal geen beoordeling meer zal plaatsvinden. Bovendien, en gezien het feit dat het de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder is om de vredesrechter (VR) te informeren, stelt zich de vraag: wat als dit niet gebeurt? Hoe zal de VR weten dat de bewindvoerder zijn of haar opdracht niet naar behoren uitvoert als er geen ambtshalve beoordeling is gepland? Als alles onder de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder valt, is er helemaal geen controle. De VR moet dit proces onder controle houden en in staat zijn om deze verantwoordelijkheid zelf op zich te nemen, ook al kost het tijd.

In de nieuwe alinea wordt gesuggereerd dat de VR alleen op initiatief van de bewindvoerder bepaalt of een beoordeling van de beschermingsmaatregel vereist is.

De NHRPH vraagt om naast deze permanente beoordeling, die een goede zaak is, toch ook een ambtshalve beoordeling te plannen.

 

  1. Personalisering van de maatregel

De NHRPH betreurt dat de tekst geen concrete bepalingen over de personalisering van de maatregel bevat.

De NHRPH herinnert aan de doelstellingen van personalisering van de beschermingsmaatregel die de wetgeving moet nastreven. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de ingevoerde maatregelen in de praktijk niet erg genuanceerd zijn. De VR’s verklaren personen vaak onbekwaam voor alle handelingen waarin de verschillende lijsten voorzien (goederen en personen met vertegenwoordiging in plaats van bijstand).

De NHRPH beveelt aan het aanvraagmodel aan te passen, zodat de persoon die het verzoek indient bij het opstellen ervan al een advies kan geven over de (on)bekwaamheid van de persoon om elk van de door de wetgever voorziene handelingen te verrichten. In geval van onbekwaamheid kan deze persoon zich ook uitspreken over de behoefte aan bijstand of vertegenwoordiging. Voorbeeld van een aangepast verzoek: http://fondation-portray.be/images/pdf/portray-requete-administration-mars-2016-modele-a-completer.pdf

Deze aanpak zal de VR niet alleen de nodige inzichten verstrekken wanneer de maatregel ten uitvoer wordt gelegd, maar het tevens mogelijk maken om vooraf na te denken over de werkelijke capaciteiten van de persoon en de noodzaak om hem of haar  te beschermen voor sommige of alle voorziene handelingen. Deze manier van werken zal ook zorgen voor meer voorspelbaarheid ten aanzien van de inhoud van het genomen besluit en een basis bieden voor het aanvechten van een al te zware bescherming.

  1. Behouden van eventuele papieren procedure voor gezinnen

De NHRPH juicht de digitalisering van de procedure toe, maar vraagt tegelijkertijd de mogelijkheid te behouden voor gezinnen om een aanvraag/verslag op papier in te dienen bij de griffie. De NHRPH vraagt dat, in ieder geval, wanneer de ouders het bewind voeren, alle documenten, met inbegrip van de aanvragen, kunnen worden ingediend bij het register (zelfs per post), dat verantwoordelijk is voor de registratie ervan in het register.

  1. Semantiek

De reflectie over de handelingsbekwaamheid van volwassenen vormt de basis van deze nieuwe wetgeving. Waarom wordt dan in de beschikking de nadruk gelegd op de onbekwaamheid? De NHRPH vindt het essentieel om dingen positief te formuleren in plaats van negatief! Om beter aan te sluiten bij de geest van de tekst van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, beveelt de NHRPH de volgende formulering aan:

Voorbeeld :

Bij beschikking van de Vrederechter … wordt de heer Y, met betrekking tot alle handelingen in verband met de persoon:

Niet

onbekwaam verklaard, behalve mits vertegenwoordiging door de bewindvoerder, om een verzoek tot echtscheiding in te dienen.....  

Maar wel

BEKWAAM verklaard, mits vertegenwoordiging door de bewindvoerder, om een verzoek tot echtscheiding in te dienen .....  

De mogelijke impact van woorden op het beeld dat mensen van zichzelf en hun eigen capaciteiten hebben, mag niet over het hoofd worden gezien. Een nieuwe semantiek maakt het mogelijk het nieuwe paradigma ingang te laten vinden, waarbij bekwaamheid het principe en onbekwaamheid de uitzondering wordt.

  1. Terugkerende bankproblemen > nieuw item?

De NHRPH wenst een zeer concrete vraag uit het veld naar voren te schuiven: er moet worden gespecificeerd of de te beschermen persoon bekwaam is om een persoonlijk budget te beheren via een bankkaart of in contant geld (het maakt niet zo veel uit of het bedrag van dit toegewezen budget enkel “zakgeld” is of bedoeld om al zijn dagelijkse behoeften te dekken). In de praktijk wordt aan veel mensen onder bescherming een kaart geweigerd. Dit betaalmiddel is nochtans een sleutel tot een effectieve deelname aan de samenleving.

  1. Ervoor zorgen dat er een beschermende logica wordt aangehouden

Gezien het ongewenste effect van het bestaan van de checklist is de NHRPH van mening dat de toevoeging van een nieuw item zorgvuldig moet worden afgewogen. Dit is ook het geval bij de overwegingen over de mogelijke toevoeging van een nieuw punt over de “uitoefening van politieke rechten”: “hoe wordt de persoon beschermd door onbekwaam te worden verklaard om te stemmen?”. Deze oefening moet worden gemaakt voor elk item op de checklist (goederen en persoon).

In het algemeen is de NHRPH van mening dat de lijst van verboden handelingen zo kort mogelijk moet worden gehouden EN dat de VR de concrete redenen voor het verbieden van een handeling duidelijk moet uitleggen.

  1. Garanderen van kwaliteitsvolle bewindvoering

Het is belangrijk dat in overleg met de NHRPH snel besluiten worden genomen met betrekking tot:

  • kwaliteitscriteria voor de bewindvoering;
  • de opleiding van bewindvoerders en VR
  1. Raadpleging in het kader van het buitengerechtelijke lastgeving (art. 490/2 §1, lid 4)

De NHRPH neemt met belangstelling kennis van de verschillende voorgestelde ontwikkelingen:

  • de uitbreiding tot rechten met betrekking tot de persoon; formalisme aan het einde van de lastgeving en regelmatig overleg tussen lastgever en lasthebber.

De lasthebber betrekt de lastgever zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij de uitoefening van zijn opdracht. Hij pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de lastgever en, in voorkomend geval, de door de lastgever aangeduide personen.

Dit is een goede zaak en de NHRPH vraagt omten minste eenmaal per jaar overleg met de lastgever …” toe te voegen; de formulering "op regelmatige tijdstippen" is te vaag en laat geen beoordeling toe.

  1. Schenkingen en legaten ten gunste van de bewindvoerder

Het ontworpen artikel 908 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat de bewindvoerder die in het kader van een rechterlijke beschermingsmaatregel optreedt en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent geen voordeel zullen kunnen genieten van de beschikkingen onder de levenden of bij testament die de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie dat mandaat uitgeoefend wordt tijdens de rechterlijke bescherming of dat mandaat te hunnen behoeve gemaakt zou kunnen hebben.

De NHRPH vraagt om de verbodsperiode te verlengen tot één jaar na het einde van de rechtsbescherming of het rechterlijk bevel en een omkering van de bewijslast.

Het NHRPH vraagt tevens om een evaluatie van de tenuitvoerlegging van zeer specifieke aspecten uitdrukkelijk in de wet te voorzien: deze aspecten moeten ten minste de negen genoemde aandachtspunten omvatten, maar ook indicatoren betreffende de toegankelijkheid van de procedure, vereenvoudiging van de procedures en personalisering van de genomen beslissingen. Deze evaluatie kan redelijkerwijs twee jaar na de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden en moet samen met de NHRPH gebeuren.


Bezorgd

  • Ter info aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan Unia;
  • Ter info van het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/33 - Prijs van de arbeid

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018-33 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de huidige regelgeving met betrekking tot de cumulatie van arbeidsinkomsten en de IVT.


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Demir op 19 november 2018. Advies uitgebracht na een elektronische raadpleging van de plenaire vergadering van 23 november.


Onderwerp

De Staatssecretaris wenst de huidige cumulatieregel van het Koninklijk Besluit van 06.02.1987, zoals gewijzigd, te herzien: artikel 9 bis, §1, 2° bepaalt

 Voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt geen rekening gehouden met:

 1° …

2°  het inkomen verworven uit werkelijk gepresteerde arbeid door de persoon met een handicap wordt vrijgesteld : voor 50 pct. voor de schijf van 0 EUR tot 3.551,77 EUR en voor 25 pct. voor de schijf van 3.551,78 EUR tot 5.327,65 EUR. Deze bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van de consumptieprijzen (basis 1996 = 100).


Analyse

De huidige regelgeving moedigt personen met een handicap niet aan om te werken, omdat voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) rekening wordt gehouden met elke verdiende euro.

13,8% van de personen met een handicap die in de tegemoetkomingsregeling van 27 februari 1987 zijn erkend, werken in het kader van een arbeidsovereenkomst; 50% van deze mensen heeft een zeer laag inkomen.

De Staatssecretaris stelt een  maatregel “Prijs van de arbeid” voor, d.w.z. een vrijstelling van 100% op de schijf van het arbeidsinkomen van 0 tot 4.876 euro en een vrijstelling van 50% op de schijf van 4.876 tot 7.314 euro.

Volgens de analyses van het Kabinet zouden 7.403 mensen hun IVT zien toenemen; 3.402 extra mensen die momenteel zijn uitgesloten, zouden waarschijnlijk van deze nieuwe regeling genieten.


Advies

De NHRPH is zeer tevreden over dit initiatief, omdat het een belangrijke stap is in de bestrijding van armoede en sociale inclusie van personen met een handicap. De NHRPH gaf eerder zijn volledige steun aan het principe (zij het volgens andere modaliteiten, namelijk een meer geleidelijke graduatie van de schijven), dat al vermeld werd in de algemene hervorming voorgesteld door de Staatssecretaris voor personen met een beperking onder de vorige regering (2013).

Deze maatregel maakt tevens deel uit van een algemeen harmonisatie- en vereenvoudigingskader dat ook gehanteerd wordt bij de gedeeltelijke cumulatie van arbeidsinkomsten en uitkeringen van het ziekenfonds.

De NHRPH herinnert eraan dat er nog steeds een ingrijpende hervorming nodig is op het gebied van maatschappelijke veranderingen (de basiswet tot vaststelling van de tegemoetkomingen is meer dan 40 jaar oud en de opeenvolgende hervormingen hebben het kader ingewikkelder onsamenhangender gemaakt). Alle verenigingen van personen met een handicap en de NHRPH blijven hierop aandringen. Ter herinnering: in advies 2013-19 werden 7 basisbeginselen voor de hervorming van het systeem herhaald:

  • Versterking van de ondersteuning van integratie
  • Evaluatie van de handicap
  • Strijd tegen de armoede
  • Strijd tegen tewerkstellingsvallen
  • Integratietegemoetkoming en bijkomende kosten
  • Administratieve vereenvoudiging
  • Bepalen en aanrekening van de inkomsten

De NHRPH wijst er ook op dat deze steun om mensen weer aan het werk te krijgen ook een tegenhanger moet hebben in termen van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers. De NHRPH herinnert eraan dat

  • De tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheid in de loop der jaren gedaald is tot slechts 1,37%, terwijl de wet een tewerkstellingsquotum van 3% oplegt - zie het laatste BCAPH-verslag 2017 (bevindingen en aanbevelingen);
  • Er zijn geen bindende maatregelen in de private sector; werkgevers blijven terughoudend om mensen met een handicap in dienst te nemen omdat zij eerst naar hun handicap kijken en dan pas naar hun vaardigheden. De NHRPH herinnert eraan dat we verder moeten gaan dan sensibilisering en werkelijke maatregelen ontwikkelen;
  • Op vlak van tewerkstelling van personen met een handicap is België de slechtste leerling van de EU, met een geschatte arbeidsparticipatie (2013) van personen met een handicap van 40% (gemiddeld 47,3%). De arbeidsparticipatie van mensen zonder handicap bedroeg 66,9%. https://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/6181592/3-02122014-BP-EN.pdf/aefdf716-f420-448f-8cba-893e90e6b460

De NHRPH merkt op dat het "terughalen" van de nieuwe begunstigden niet automatisch zal gebeuren en dat de personen een nieuwe aanvraag zullen moeten indienen. Daarom vraagt de NHRPH dat wanneer de maatregel inzake de "prijs van de arbeid” in werking treedt, dit duidelijk moet worden gecommuniceerd zodat de personen met een handicap snel worden bereikt en van de maatregel kunnen genieten.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister voor personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2018/32 - Aanwerving openbaar ambt

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018-32 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de herziening van Boek IV. – Rekrutering, personeelsbewegingen en heroriëntering voor professionele redenen.


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van de Minister van Ambtenarenzaken van 5 november 2018 na de elektronische raadpleging van de plenaire vergadering van 23 november 2018.


Onderwerp

De Minister van Ambtenarenzaken herziet momenteel een aantal bepalingen betreffende het ambtenarenstatuut. De ontwerpherziening van Boek IV. – Rekrutering, personeelsbewegingen en heroriëntering voor professionele redenen bevat een aantal bepalingen die een directe impact hebben op de rekrutering van kandidaat-werknemers met een handicap.


Analyse

Boek IV. – Rekrutering, personeelsbewegingen en heroriëntering voor professionele redenen voorziet in een wijziging van de manier waarop een functie binnen de federale overheidsdienst wordt toegewezen.

De leidinggevende ambtenaar moet eerst een beroep doen op interne aanwerving. In de volgende gevallen kan gebruik worden gemaakt van externe aanwerving:

  • Wanneer de functie niet via interne rekrutering werd ingevuld;
  • Uitzonderlijk, met instemming van de Minister van Ambtenarenzaken, na raadpleging van de directeur-generaal R&D
  • Voor een vacante contractuele tewerkstelling met een maximale duur van één jaar
  • Voor een vacante contractuele tewerkstelling in het kader van de Startbaanovereenkomst
  • Voor een vacante betrekking van ambtenaar met het oog op de tewerkstelling van een persoon met een handicap (volgens de in de tekst voorziene erkenningscriteria), indien de organisatie niet voldoet aan de 3%-tewerkstellingsverplichting
  • Voor een contractuele vacature voor de tewerkstelling van een persoon met een handicap (volgens de in de tekst voorziene erkenningscriteria) voor een tijdelijke arbeidsovereenkomst van maximaal 2 jaar, met de mogelijkheid van een verlenging met één jaar.

De laatste twee opties hebben specifiek betrekking op personen met een handicap.


Advies

De NHRPH beperkt dit advies tot de maatregelen voor de aanwerving van personen met een handicap bij de federale overheid.

De NHRPH is van mening dat interne aanwerving het niet mogelijk zal maken om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap in het algemeen te verhogen. Dit kan enkel gebeuren door externe aanwerving. Op dit moment is de arbeidsparticipatie minder dan 1,5% in plaats van de voorziene 3%. De NHRPH hoopt daarom dat de organisaties de bovengenoemde mogelijkheden zullen benutten om personen met een handicap in dienst te nemen.

In het kader van een vacante contractuele tewerkstelling kan de leidinggevende ambtenaar beslissen over het soort selectieproef voor de aanwerving. De NHRPH vindt de mogelijkheid om verschillende selectieproeven uit de eerste en tweede selectiemodule van Selor te gebruiken interessant. De leidinggevend ambtenaren en hun HR-teams zullen uiteraard bewust moeten worden gemaakt van en opgeleid voor handicapgebonden vraagstukken (redelijke aanpassingen van de proeven, van de functie, informatie over diensten en verenigingen van personen met een handicap die hen kunnen adviseren, enz.).

Verwacht wordt dat personen met een handicap tijdens of aan het einde van hun overeenkomst voor bepaalde tijd de mogelijkheid zullen hebben om deel te nemen aan interne wervingsprocedures. In dit verband zullen zij moeten slagen voor de eerste selectiemodule van Selor. De NHRPH benadrukt positief de mogelijkheid van "tewerkstelling van een persoon met een handicap voor een vacante contractuele betrekking". Een belangrijke kwestie voor de NHRPH is echter de mogelijkheid van structurele werkgelegenheid voor personen met een handicap. Daarom zal ervoor moeten worden gezorgd dat de maatregel uiteindelijk de aanstelling van deze mensen mogelijk maakt in het kader van een succesvolle interne aanwerving. Anderzijds betreurt de NHRPH dat personen met een handicap die aan het einde van hun overeenkomst voor bepaalde tijd een positieve beoordeling krijgen, verplicht de eerste selectiemodule van Selor moeten doorlopen en hiervoor slagen om te kunnen solliciteren voor een interne aanwerving, gelet op de hierboven vermelde aanpassingsproblemen.

De redelijke aanpassingen van Art. IV 72 zijn zeer belangrijk. De NHRPH vraagt om ook redelijke aanpassingen voor proeven gedurende de loopbaan te voorzien.

De NHRPH verzet zich tegen de automatische uitsluiting van de tewerkstellingsquota van personen met een handicap voor bepaalde functies (art. IV 73). Geen enkele functie is de facto ontoegankelijk voor alle personen met een handicap.

De mogelijkheid om sancties op te leggen aan organisaties die niet voldoen aan de tewerkstellingsverplichting is uit het Wetboek geschrapt. De NHRPH vraagt om deze weer op te nemen. Hoewel deze sancties, voor zover de NHRPH weet, tot nu toe nooit zijn toegepast, moet deze mogelijkheid in het Wetboek worden vermeld.

Art. IV.73, §1, lid 7, voorziet in de mogelijkheid om voor maximaal 1/3 van de verplichting om personen met een handicap in dienst te nemen, de uitbesteding van taken aan bedrijven die zorgen voor aangepaste tewerkstelling van personen met een handicap in rekening te brengen. Bij de presentatie van de ontwerptekst aan de NHRPH heeft de vertegenwoordiger van het kabinet van de Minister van Ambtenarenzaken, gewezen op de wens om het gebruik van sociale ondernemingen voor de uitvoering van bepaalde taken in de overheidsdienst aan te moedigen. Voor de NHRPH moet de hierboven vermelde valorisatiemogelijkheid beperkt blijven tot bedrijven die gespecialiseerd zijn in de aangepaste tewerkstelling van personen met een handicap, omdat de maatregel tot doel heeft de tewerkstelling van personen met een handicap te bevorderen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Sander Loones, Minister van Ambtenarenzaken;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan Unia;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 17

Advies 2018/31 - Vrijwilligers

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg

Advies nr. 2018/31 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot verhoging van het jaarlijkse kostenplafond, zoals bepaald in artikel 10, eerste lid van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilligers, voor bepaalde categorieën van vrijwilligers.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht bij hoogdringendheid na raadpleging van de leden via e-mail op 21 november 2018.


Onderwerp

Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet in een verhoging van het jaarlijks forfaitair maximumbedrag voor bepaalde categorieën van vrijwilligers.


Analyse

Artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 voorziet in een maximum van 24,73 euro per dag en 991,57 euro per jaar (exclusief index). Artikel 12 van de wet machtigt de Ministerraad om deze bedragen te verhogen voor specifieke categorieën van vrijwilligers, waaronder

  • dag- en nachttoezicht voor afhankelijke personen
  • niet-dringend vervoer van liggende patiënten.

Het kabinet van de Minister van Werk presenteerde het ontwerp tijdens de plenaire vergadering op 19 november 2018.


Advies

Het kabinet van de Minister heeft nooit het advies van de NHRPH gevraagd, hoewel het toepassingsgebied expliciet en direct betrekking heeft op de leefomstandigheden van zieken en personen met een handicap. De NHRPH herinnert aan de toezegging van de Ministerraad tijdens deze ambtstermijn om de NHRPH en de Staatssecretaris voor Personen met een Beperking te raadplegen en te betrekken bij het beleid en de maatregelen die van invloed kunnen zijn op de levensomstandigheden van personen met een handicap.

Rekening houdend met de informatie die hem tijdens de plenaire vergadering van 19 november werd verstrekt, is de NHRPH het volledig oneens met de voorgestelde wijzigingen in het ontwerp van koninklijk besluit.

Het principe van vrijwilligerswerk is van cruciaal belang voor de NHRPH: de NHRPH is van mening dat inzet en onbetaald werk de kern van het vrijwilligerswerk vormen. De vergoedingen uitgekeerd krachtens de vrijwilligerswet dienen ter dekking van de kosten van vrijwilligers en kunnen niet worden gebruikt om vrijwilligers te bezoldigen. Indien het forfaitaire bedrag ten gevolge van de aard van het vrijwilligerswerk wordt overschreden, dan is er nog steeds de mogelijkheid om de werkelijke kosten te vergoeden. Tegelijkertijd kan vrijwilligerswerk als zodanig geen ondersteuningsmodel worden, aangezien het niet steunt op een socialezekerheidskader.

Met betrekking tot de specifieke wijzigingen in het Koninklijk Besluit wil de NHRPH een aantal punten aan de orde stellen.

  • Op dit moment wordt dag- en nachttoezicht voornamelijk geboden door respijtdiensten beheerd door commerciële dienstverleners, ondersteunende diensten en ziekenfondsen. Er is voorzien in kwaliteitsgaranties met betrekking tot de ondersteuning door deze structuren. De NHRPH heeft geen garantie gekregen dat, wanneer deze toezichtdiensten door vrijwilligers buiten het kader van formele respijtdiensten worden aangeboden, de ondersteuning en zorg van gelijke kwaliteit zijn. Zijn deze vrijwilligers mantelzorgers erkend onder de wet van 12 mei 2014? Hebben ze een statuut met rechten en verantwoordelijkheden? Zijn ze geschoold? Zijn het assistenten in het kader van het PGB in Vlaanderen? In voorkomend geval, hoe verhouden de bepalingen met betrekking tot de onkosten en die met betrekking tot de arbeidsovereenkomst zich tot elkaar?
  • Vrijwilligers die diensten verlenen binnen verenigingen voor personen met een handicap of zieken vervoeren geen liggende patiënten. Patiënten liggend vervoeren vereist medische verantwoording en vaak een medische opvolging, ook tijdens het vervoer van de patiënt. Liggend vervoer (zelfs niet-dringend) is de facto een medisch vervoer dat professionele ondersteuning vereist, althans wat betreft de fysieke manipulatie van de patiënt. Deze ondersteuning gebeurt direct door een ziekenhuis of erkend zorgcentrum of indirect door middel van onderaanneming aan dienstverleners - commerciële bedrijven. Deze professionele vervoerders hebben een specifieke verantwoordelijkheid. Om al deze redenen begrijpt de NHRPH niet dat liggend vervoer kan worden toevertrouwd aan vrijwilligers die per definitie buiten een specifiek medisch of commercieel kader (onderaanneming dat aan een kader onderworpen is en voldoet aan professionele eisen) werken.
  • Deze bepaling geeft een concurrentievoordeel aan organisaties die in staat zijn om dit verhoogde forfaitaire tarief te betalen ten opzichte van organisaties die dit niet kunnen (aangezien het forfaitaire tarief een maximaal toegestaan tarief is). Leden van verenigingen van personen met een handicap die vrijwilliger zijn hebben vaak zelf een handicap en geen noemenswaardig inkomen. Zij zullen zelf niet van deze maatregel kunnen genieten.

Daarom is de NHRPH van mening dat

  • Liggend vervoer een werk is dat nooit door vrijwilligers kan worden gedaan;
  • Nacht-, en zeker dagtoezicht evenzeer een kwaliteitsvolle en soms professionele ondersteuning van de patiënt, de persoon met een handicap of de oudere vereist;
  • Het in alle gevallen belangrijk is om een duidelijk onderscheid (rol, competenties, verantwoordelijkheden) tussen de professional en de vrijwilliger te handhaven en niet te evolueren in de richting van een vermenging die uiteindelijk zowel de sociale zekerheid vermindert als de individuele bescherming verzwakt;
  • Deze maatregel duidelijk de ontmanteling van het aanbod van tegemoetkomingen van de sociale zekerheid verergert;
  • De opeenvolgende herzieningen van het algemene zorg- en ondersteuningskader (empowerment van de patiënt, erkenning van mantelzorgers, verplegingsprotocol, etc.) de Staat nooit kunnen ontslaan van zijn verplichting om te zorgen voor kwaliteitszorg en ondersteuning;
  • Deze maatregel een ernstige bedreiging vormt voor de verenigingssector, die met zijn financiële middelen niet in staat is om de forfaitaire bedragen en de vergoedingen in het kader van het vrijwilligerswerk te verhogen.

De NHRPH doet opnieuw de zorgwekkende vaststelling dat het "traditionele" kader van de sociale zekerheid (ziekenhuizen, ziekenfondsen en collectieve diensten in verband met sociale zekerheid en sociale bescherming) wegglijdt naar een diffuus lappendeken dat bestaat uit:

  • werknemers die hun arbeidstijd hebben ingekort om de facto verzorger te worden en wier sociale dekking is afgenomen of zelfs verdwenen,
  • mantelzorgers (met een soms onduidelijke status),
  • vrijwilligers die meer worden vergoed (onderhavig KB),
  • vrijwilligers die minder worden vergoed (basissysteem),
  • personen met een semi-agoraal statuut (500 euro/maand fiscaal aftrekbaar, zonder sociale bijdrage aan het stelsel van sociale solidariteit).

De in het koninklijk besluit voorgestelde maatregelen brengen het algemene zorg- en ondersteuningskader (sociale zekerheid) duidelijk in gevaar en dragen geleidelijk maar zeker bij tot het fenomeen van afkalving van de verantwoordelijkheid van de staat.


Bezorgd

  • voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk;
  • voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • ter info aan UNIA;
  • ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/30 - Armoedeverslag

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies 2018-30 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het verslag "The evolution of the social situation and social protection in Belgium 2018" (alleen beschikbaar in het Engels; kernboodschappen in het Frans van pagina 109 tot 113), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 november 2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op eigen initiatief.


Onderwerp

Zoals elk jaar heeft de FOD Sociale Zekerheid de evolutie van de sociale situatie en de sociale bescherming in België geanalyseerd op basis van een reeks Europese sociale indicatoren. De meest recente gegevens voor deze analyse hebben, afhankelijk van de specifieke indicator, betrekking op de situatie in 2016 of 2017.


Analyse

  1. ANALYSE

De kernboodschappen van het monitoringverslag van dit jaar komen grotendeels overeen met die van de verslagen van voorgaande jaren. Sommige trends betreffende de sociale situatie en de sociale bescherming verdienen echter bijzondere aandacht, aangezien deze in de meest recente cijfers duidelijker naar voren komen. De belangrijkste resultaten van de monitoring zijn samengevat in de 7 onderstaande punten, die ook de belangrijkste boodschappen van dit verslag zijn.

 

1) De verbetering van de economische situatie heeft tot nu toe geleid tot een gedeeltelijke en beperkte verbetering van de sociale indicatoren, zowel in België als in de EU.

2) De indicator voor armoede en sociale uitsluiting komt niet overeen met de Europa 2020-doelstelling inzake de vermindering van armoede en sociale uitsluiting.

In België is het aantal mensen dat in armoede en/of sociale uitsluiting leeft tussen 2008 en 2017 met 102.000 personen toegenomen (terwijl de doelstelling een vermindering van 380.000 mensen was).

Op EU-niveau is het aantal mensen dat te maken heeft met armoede en/of sociale uitsluiting tussen 2008 en 2016 met +- 800 000 toegenomen.

 

3) Onder de bevolking in de werkende leeftijd leidt het toegenomen armoederisico onder laaggeschoolden tot een groeiende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden.

Eurostat stelt vast dat België tot de EU-lidstaten behoort met de grootste inkomenskloof tussen laag- en hoogopgeleiden (Eurostat, 2018).

 

4) Armoede onder werkenden is laag, maar integratie op de arbeidsmarkt blijft een grote uitdaging

De tewerkstellingsgraad van mensen met een laag opleidingsniveau is in 2017 de op één na laagste in de EU en ligt ver onder het EU-gemiddelde (51% ten opzichte van 67%).

 

5) De toereikendheid van de sociale uitkeringen voor de beroepsbevolking staat onder toenemende druk.

Het aantal pensioengerechtigden neemt toe door de vergrijzing van de bevolking. Bij de overdrachten voor de actieve bevolking zijn er tegenstrijdige tendensen. Enerzijds is er vanaf 2014 een duidelijke daling van het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering, terwijl anderzijds het aantal ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en sociale bijstand aanzienlijk blijft stijgen.                                                          

Specifieke groepen die waarschijnlijk in grote mate afhankelijk zijn van sociale overdrachten, zoals personen met een handicap en werklozen, vertonen in een Europese context ook een relatief hoog en toenemend niveau van inkomensarmoede.

7) Wat de gezondheidszorg betreft, is de opwaartse trend van het aantal mensen in de laagste inkomensgroep dat medische verzorging moet uitstellen, in de laatste cijfers tot stilstand gekomen. Het aantal mensen in de laagste inkomensgroep dat medische verzorging uitstelt, blijft echter hoog in vergelijking met andere EU-landen.

Ondanks de uitgebreide maatregelen om de financiële ontoegankelijkheid van het gezondheidszorgsysteem te voorkomen, is het aantal mensen dat de medische en tandheelkundige verzorging uitstelt de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Hoewel beide indicatoren een daling van de laatste cijfers laten zien, blijft het niveau relatief hoog. Het zou belangrijk zijn om deze bevinding beter te begrijpen.

 

8) Aanzienlijke regionale verschillen blijven bestaan

Het risico op armoede of sociale uitsluiting is in Wallonië bijna tweemaal zo hoog als in Vlaanderen en het verschil is de laatste jaren enigszins toegenomen (daling van 15,4% in 2013 tot 13,5% in 2017 in Vlaanderen; stijging van 24,2% in 2013 tot 26,6% in 2017 in Wallonië). Ondanks deze verschillen zijn er in beide regio's ook belangrijke ontwikkelingen, zoals de afname van de toereikendheid van de sociale bescherming en de kloof tussen de onderwijsniveaus, zichtbaar.


Advies

De NHRPH houdt al jaren toezicht op de armoedeverslagen en heeft een reeks adviezen uitgebracht waarin de vicieuze cirkel van handicap en armoede wordt belicht (zie adviezen 2016-09, 2016-06, 2012-05).

De Raad is verbaasd en zeer bezorgd om te zien dat het fenomeen armoede helemaal niet afneemt maar juist toeneemt. België blijft niet gespaard en ziet, net als andere landen, zijn arme bevolking groeien en diversifiëren. De doelstelling om tegen 2020 20 miljoen mensen (380.000 mensen in België) uit de armoede te halen, is totaal illusoir.

De NHRPH stelt daarentegen vast dat het aantal van 200.000 nieuwe mensen, waaronder jongeren, vrouwen en kinderen, de armoede heeft doen toenemen. Daarnaast zijn er twee ontwikkelingen die zich sterker doorzetten dan in voorgaande jaren: het toegenomen armoederisico onder laagopgeleiden en huishoudens zonder beroepsinkomen. Het gebrek aan toegang tot zorg voor personen met een handicap is duidelijk vastgesteld.

Personen met een handicap of ziekte behoren tot de meest kwetsbare groepen omdat ze vaak geen opleiding noch werk hebben (Op vlak van tewerkstelling van personen met een handicap staat België in Europa op de laatste plaats). Daarnaast zijn ze ook blootgesteld aan een hoog en constant niveau van gezondheidszorg en ondersteuning. Dat het sociaal weefsel ook soms wordt beperkt, vergroot het gevoel van onbehagen en de realiteit van sociale uitsluiting.

De NHRPH stelt al jaren allerlei manieren voor om de uitdaging van armoede onder personen met een handicap aan te gaan (zie bovengenoemde adviezen). De Raad herinnert onder meer aan de noodzaak om

  • armoedebestrijding en een aantal economische uitdagingen als een van de belangrijkste sociale prioriteiten te beschouwen. Een nationaal armoedebestrijdingsplan is een absolute vereiste;
  • de omgeving (goederen en diensten) financieel, technisch en intellectueel toegankelijk te maken voor iedereen.
  • de Europese sociale pijler concreet gestalte te geven en deze te koppelen aan krachtige en transversale sociale acties en beleidsmaatregelen.

De NHRPH herinnert eraan dat elke Staat en Europa ten dienste moet staan van al zijn burgers en dat het welzijn van iedereen afhankelijk is van gelijke kansen in alle levensfasen, ongeacht geslacht, leeftijd of handicap.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een Beperking;
  • Ter informatie aan de Eerste Minister en de federale regering;
  • Ter informatie aan UNIA;
  • Ter informatie van het interfederale coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/29 - Algemene beleidsnota handicap

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/29 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de algemene beleidsnota (ABN) 2019 – ‘Personen met een handicap’ van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 november 2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van de Staatssecretaris (15 oktober 2018).


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Wetenschapsbeleid, Armoedebestrijding, Grootstedenbeleid en Personen met een beperking heeft haar beleidsnota voor 2019 ingediend bij de Kamer. Zij heeft de NHRPH gevraagd tijdens de plenaire vergadering van 15 oktober een advies over het deel "handicap" uit te brengen.


Analyse

Het deel "handicap" is onderverdeeld in verschillende doelstellingen:

  • Naar een inclusief en participatief beleid voor personen met een handicap
  • Een nieuwe kijk op handicap:
    • Het VN-Verdrag: evolutie van een medisch naar een sociaal model van handicap. De Staatssecretaris dringt aan op het verwezenlijken van de paradigmaverschuiving van het UNCRPD.
  • Inclusie, autonomie en participatieve integratie als beleidspijlers. De Staatssecretaris licht toe wat de basis van haar beleid is: meer autonomie en inclusie, de meest kwetsbaren in onze samenleving ondersteunen, inactiviteitsvallen en tewerkstellingsdrempels verminderen, participatieve integratie bevorderen.
    • Een uniforme interpretatie van het 1/3e verdienvermogen (omzendbrief)
    • De zelfredzaamheid van personen met een handicap beter in kaart brengen (studie KUL en ULB)
  • Samenwerkingsovereenkomsten met de Gemeenschappen voor overname van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap en hulp aan bejaarden
  • Werking van de Directie-generaal Personen met een handicap:
    • werkbezoek aan de Commissie Sociale Zaken;
    • actieplan;
    • een performant ICT-systeem en een performant personeelsbestand;
    • een onafhankelijke en ontegensprekelijke audit.
  • Handicap en werk:
    • maatschappelijke effecten en belang van werk;
    • werken met een handicap bij de federale overheid.
  • Handicap en armoede:
    • hogere tegemoetkomingen.
  • Handicap en samenleving :
    • European Disability Card;
    • European Accessibility Act;
    • handistreaming (balans en regelgevingsimpactanalyse - RIA);
    • implementatie VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
    • “niets over ons, zonder ons”: de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.
  • Handicap en integrale toegankelijkheid:
    • misbruik kan niet door de beugel (parkeerkaarten);
    • toegankelijk openbaar treinvervoer;
    • toegankelijke musea;
    • toegankelijke overheidswebsites.

Advies

De NHRPH merkt op dat de Staatssecretaris haar beleidsnota in de ontwerpfase ter raadpleging voorlegt en vindt het positief dat de raadpleging plaatsvindt voordat de definitieve tekst wordt ingediend. Met het oog op een participatieve raadpleging vanaf het begin van de denkoefening (cf. artikel 4.3 van het UNCRPD) vraagt de NHRPH om in de toekomst nog vroeger te worden geraadpleegd, op zijn minst voor de visie en de krachtlijnen.

 

Wat de inhoud betreft, herinnert de NHRPH aan bovengenoemd advies (2017-06). De Staatssecretaris heeft rekening gehouden met een aantal punten, waarvoor de NHRPH de Staatssecretaris bedankt. Andere punten werden niet onderzocht, hoewel ze toch dringend zijn. Ter herinnering: de NHRPH wees in het bijzonder op:

  • de noodzaak om een echt interfederaal handicapplan uit te werken;
  • de noodzaak om de dienstverlening van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) te verbeteren;
  • de noodzaak om werkgelegenheid voor mensen met een handicap ook in de privésector te bevorderen;
  • de noodzaak om de rechten meer te automatiseren, met behoud van de toegang tot de (maatschappelijke) diensten van de DG HAN;
  • de noodzaak om de ambitieuze tekst van de richtlijn European Accessibility Act te steunen;
  • de noodzaak om de oprichting van een nationaal mensenrechtenmechanisme te ondersteunen waarin de handicapdimensie geïntegreerd is;
  • de noodzaak om de uitvoering en opvolging van het UNCRPD te versterken;
  • de noodzaak om bij te dragen tot de handicapdossiers van mevrouw De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid: mantelzorgers, hervorming van het KB 78, en 'back to work'.

De NHRPH had het op prijs gesteld dat deze punten de nodige aandacht gekregen hadden en er concreet gevolg aan gegeven werd.

Voor de punten die in de beleidsnota voor 2019 in aanmerking genomen zijn, wil de NHRPH het volgende meegeven:

  • de zelfredzaamheid van personen met een handicap beter in kaart brengen: de NHPRH is verbaasd te vernemen dat de studie zich in de eindfase bevindt. Hij wijst erop dat hij deelneemt aan het stuurcomité van dit project en dat de onderzoekers op de laatste vergadering in juli 2018 gezegd hebben dat zij voor de slotconclusies opnieuw contact zouden opnemen met de NHRPH. Dit is nog niet gebeurd.
  • werking van de DG HAN: al meer dan drie jaar komt de NHRPH regelmatig samen met de Directeur-generaal en geeft de Raad advies over de werking van DG HAN en de reikwijdte van de projecten met betrekking tot de behoeften van personen met een handicap (cf. adviezen 2016-08, 2017-13, 2018-08, 2018-21). Tot voor kort was ‘DG HAN’ een maandelijks agendapunt op de vergadering met het kabinet. Op de laatste plenaire vergadering heeft het kabinet aangekondigd slechts om de drie maanden aan de NHRPH te rapporteren. De NHRPH begrijpt volkomen dat de DG HAN zich in een moeilijke situatie bevindt en dat er tijd nodig is om de situatie te analyseren en de gevolgen van de veranderingen in de processen te integreren. De NHRPH blijft evenwel bezorgd over de nog steeds zeer lange behandelingstermijn voor dossiers en over de aanzienlijk verminderde toegankelijkheid van de dienstverlening (onder andere afschaffing van de informatieloketten, beperking van de telefonische toegang in het bijzonder). Volgens de Staatssecretaris zelf in haar ABN is de ontwikkeling licht positief.

Tegelijkertijd neemt de NHRPH nota van de vastbeslotenheid van de Staatssecretaris om de saneringswerkzaamheden van DG HAN voort te zetten en zowel op de assen "efficiënte ICT" als "efficiënt personeel" in te zetten. M.b.t. de processen "ICT" en "personeel" herinnert de NHRPH aan:

  • het belang van ondersteunend personeel omdat deze aanpassingen al enkele jaren aan de gang zijn;
  • ook het belang van het raadplegen van gebruikers en het regelmatig evalueren van de beoogde pistes en maatregelen;
  • de digitale kloof die niet mag worden onderschat (doeltreffende sociale ondersteuning, gemakkelijk te begrijpen en in te vullen formulieren, etc.): voor veel mensen met een handicap is het internet een instrument voor raadpleging en informatie, maar niet zozeer voor het beheer van hun dossiers; ziekenfondsen en OCMW's moeten ook de middelen krijgen om mensen met een handicap te ondersteunen.
  • Belang van tewerkstelling: de NHRPH brengt een aantal essentiële aspecten in herinnering:
    • België is het land in de Europese Unie met de laagste participatiegraad voor mensen met een handicap. Werkgevers focussen vaak meer op de moeilijkheden van een persoon met een handicap om te werken dan op zijn of haar capaciteiten en mogelijkheden. De NHRPH wacht ook op informatie van het kabinet-De Block over de slagingsgraad van back-to-workmaatregelen.
    • Niet alle mensen met een handicap zijn in staat om te werken. Het activeringsbeleid mag niet tegen hen worden gebruikt.
    • De aanwerving in federale departementen is bevroren en Selor heeft moeite om kandidaten met een handicap aan te werven (zie BCAPH-verslag 2017).
    • De opleiding van jongeren met een handicap komt vaak onvoldoende tegemoet aan de eisen van de arbeidsmarkt
  • Handicap en armoede: Ondanks de verbeteringen die de Staatssecretaris heeft doorgevoerd, blijven de tegemoetkomingen onder de armoedegrens. Armoede is vaak een realiteit voor mensen met een handicap (zie armoedeverslag 2018); in de aanbevelingen van de Handilab-studie wordt gehamerd op de ontoereikende bescherming van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Naast de hervormingspunten van de Staatssecretaris dringt de NHRPH ook aan op het ontwerp voor een grondige hervorming van de wet inzake de tegemoetkomingen voor personen met een handicap van de vorige regering, dat in de ogen van de NHRPH nog steeds relevant is, omdat dit project een echt instrument was in de strijd tegen armoede (met name) - zie advies 2013-19.
  • De European Accessibility Act (EAA-richtlijn): de NHRPH en het BDF hebben deze ontwerprichtlijn voluit gesteund, want deze richtlijn is van essentieel belang om de participatie van mensen met een handicap in de samenleving te versterken, zodat zij toegang hebben tot toegankelijkere diensten en producten. De NHRPH en het BDF hebben alarm geslagen omdat het oorspronkelijke ontwerp werd uitgehold en het transport, de bebouwde omgeving, micro-ondernemingen, noodoproepdiensten, enz. in de recentste versies werden uitgesloten. De NHRPH en het BDF hebben eraan herinnerd dat het toegankelijk maken van de markt ook een kans is voor de economische ontwikkeling van de Europese Unie, omdat toegankelijkheid betrekking heeft op alle mensen met een handicap en ook op andere mensen met beperkte mobiliteit. De richtlijn is op 8 november jongstleden aangenomen: de tekst van deze overeenkomst is nog niet bekend, maar we weten dat deze niet de reikwijdte zal hebben die de NHRPH had gehoopt. De NHRPH hoopt dat België veel verder zal gaan dan de minimumnormen/doelstellingen van de richtlijn.
  • Handistreaming: De Staatssecretaris trok een aantal interessante conclusies uit het in 2015 gelanceerde federale actieplan Handistreaming. Om de praktische reikwijdte van handistreaming te versterken, plant ze 3 acties op federaal overheidsniveau:
  1. automatische reflectie over de impact van alle beleidsmaatregelen op het leven van personen met een handicap;
  2. toepassing van de "Regulatory Impact Analysis" (RIA) voor dossiers die het voorwerp uitmaken van een beslissing van de Ministerraad;
  3. optimalisering van de bilaterale contacten tussen administratieve contactpunten en strategische eenheden.

De NHRPH staat ook goedkeurend tegenover de wens van de Staatssecretaris om zich niet neer te leggen bij een mislukking in dit dossier en om vooruitgang te boeken bij de concrete uitvoering van handistreaming. De NHRPH is van mening dat de voorstellen 1. en 3. in de goede richting gaan, maar dat voorstel 2. veel te laat komt in het besluitvormingsproces.

De NHRPH heeft talrijke adviezen uitgebracht over zijn verwachtingen en aanbevelingen, zie met name het laatste samenvattende advies 2018-16, en wil nogmaals een deel van dit advies benadrukken:

De NHRPH acht het essentieel dat de hele regering goed op de hoogte is van:

  • prioriteiten van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
  • personen die getroffen zijn door een of meerdere lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of cognitieve beperking(en) en de gevolgen daarvan voor hun leven en hun integratie in de samenleving;
  • de bestaansreden van de NHRPH en de noodzaak om de NHRPH te raadplegen, gezien zijn kennis op dit gebied;
  • indicatoren die nodig zijn om het effect van de genomen maatregelen zo spoedig mogelijk te beoordelen.

De NHRPH is van mening dat de bovengenoemde prioriteiten en aandachtspunten als leidraad moeten dienen voor de rapportage: aan de hand van de vragen en aandachtspunten die in de vragenlijst aan bod komen, moet het mogelijk zijn om snel maar zeker de werkzaamheden op elk beleidsdomein te evalueren en een leidraad op te stellen voor toekomstige beleidsactiviteiten.

De NHPRH dringt ook aan op een eenvoudig en snel gebruik van de vragenlijst in het kader van de rapportage. De NHRPH beveelt een structuur aan op basis van een SMART-schema en eenvoudige vragen:

  • Welk beleid/welke actie is nodig om welke uitdaging het hoofd te bieden?
  • Op wie is het beleid/de actie gericht?
  • Wanneer zou de beleidsmaatregel/actie van toepassing zijn (tijdschema en stappen)?
  • Welke middelen zijn nodig voor de beleidsmaatregel/actie (technisch, budgettair, ...)
  • Vereist de beleidsmaatregel/actie externe toelichting over de behoeften van mensen met een handicap?

Een dergelijke vragenlijst zou dan ook als beheersinstrument kunnen dienen, namelijk als "knipperlicht handicap" binnen elk kabinet én ongeacht de maatregelen die worden ontwikkeld (handicapspecifiek of algemeen). De vragenlijst zou gemakkelijk kunnen worden vertaald naar een “10-puntencharter" dat wordt toegepast op elke beleidsmaatregel die het kabinet neemt.

Het contactpunt handicap en de dossierbeheerder moeten zich van bij de aanvang van de reflectie afvragen of de maatregel die zij plannen te ontwikkelen bijzondere aandachtspunten vereist om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de personen met een handicap. De NHRPH zou vanaf dat moment uiteraard voor elke vraag ter beschikking staan.

"Niets over ons zonder ons": de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap. De NHRPH waardeert dat er regelmatig vergaderingen met het kabinet plaatsvinden. Tegelijkertijd zou de Raad graag een doorlopende samenwerking en uitwisseling zien voor elk project dat betrekking heeft op personen met een handicap, van de eerste momenten van redactie tot de uiteindelijke redactie van de teksten. Deze manier van werken wordt verdedigd door de UNCRPD en zou door de gehele federale regering moeten worden aangenomen. Het is een manier van werken die voldoende personeel vereist en de NHRPH trekt hier opnieuw aan de alarmbel. Sinds het advies 2018-04 is de situatie nog verslechterd: het team telt nu slechts 5 mensen en de 2 collega’s die op pensioen gingen werden niet vervangen. Verzoeken van publieke en private actoren komen van alle kanten: dit is een teken van toenemende bezorgdheid over de inclusie van mensen met een handicap; tegelijkertijd vreest het secretariaat dat het binnenkort niet langer in staat zal zijn om nog kwaliteitswerk te garanderen, kwantitatief noch kwalitatief. De NHRPH hoopt nu dat er snel een oplossing wordt gevonden om het secretariaat te versterken.

  • Misbruik van parkeerkaarten kan niet worden getolereerd: de NHRPH is blij te horen dat het proefproject dat in 4 gemeenten in het land is uitgevoerd, overtuigende resultaten heeft opgeleverd over het nut van de controles. De NHRPH is altijd van mening geweest dat het niet de wettelijke voorwaarden voor de erkenning van de parkeerkaart waren die problemen opleverden, maar veeleer de omstandigheden waarin bepaalde kaarten worden gebruikt. Om dezelfde reden is de NHRPH van mening dat de verstrenging van strafrechtelijke sancties de evolutie naar een "juist gebruik van de kaart door de juiste personen" zal versterken.
  • Toegankelijk openbaar vervoer per trein

De NHRPH deelt de bekommernis van de Staatssecretaris voor een toegankelijk spoorverkeer. De NHRPH onderschrijft ook de aangehaalde prioriteit van een uniforme en unieke perronhoogte. Zonder die unieke perronhoogte kunnen er geen aangepaste treinen worden gebouwd en blijven treinen nog decennia moeilijk toegankelijk voor rolstoelgebruikers. De NHRPH ijvert al enige jaren voor een unieke perronhoogte en aangepaste treinen (zie adviezen 2017-09, 2017-06, 2016-16, 2015-30). Het is een zeer groot project dat een langetermijnplanning vereist. Deze planning moet dan ook in de nieuwe beheersovereenkomst worden opgenomen.

Voor de nieuwe beheersovereenkomst verwijst de NHRPH naar zijn advies 2015-30 waarin hij prioriteiten opsomde die een plaats verdienen in het beheerscontract, waaronder:

  • een werkbaar budget voor de NMBS
  • universele toegankelijkheid
  • toegankelijke en begrijpelijke communicatie, zowel visueel als auditief, op de trein, op het perron en in en rond het station (zie ook het advies over de aankondiging van de uitstapzijde: 2018-05), een punt dat de Staatssecretaris ook aanhaalt in haar beleidsnota
  • aanpassing van het boordtarief
  • uniformiteit van structuur, materiaal enz.
  • sensibilisering van personeel en passagiers
  • assistentie (zie ook de adviezen over de assistentietermijnen en de stations waar assistentie wordt aangeboden: 2017-11, 2015-06,

2015-27)

De NHRPH hoopt dat de Staatssecretaris aan al deze punten zal werken met de heer Bellot, Minister van Mobiliteit.

In art. 46 van de vorige beheersovereenkomst (2008-2012) staat het volgende:

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap is, voor het overleg met de NMBS, de enige gesprekspartner die optreedt als vertegenwoordiger van de verschillende groeperingen en verenigingen die zich inzetten voor de minder mobiele reizigers.

 

De NHRPH stelt zijn samenwerking en overleg met de NMBS op prijs en wenst dan ook dat dit artikel ook in de volgende beheersovereenkomst zal staan.

  • Toegankelijkheid van de overheidssites: de NHRPH waardeert het initiatief van het aanvullend KB om te zorgen voor het toezicht op en de controle van de toepassing van de richtlijn. De Raad herinnert ook aan zijn advies 2017-14, waarin ook het toepassingsgebied van de richtlijn, de behoeften van personen met een handicap, enz. worden benadrukt.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/28 - Uitvoering UNCRPD

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/28 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het verslag dat de Staatssecretaris voor Personen met een beperking in de Ministerraad zal uitbrengen over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap (UNCRPD), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 juni 2018


Aanvrager

Advies op verzoek van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, bij mail van 28 mei 2018


Onderwerp

In het kader van het 2e en 3e verslag (gezamenlijke verslagen) van België aan het VN-Comité van deskundigen inzake de rechten van personen met een handicap zal de Staatssecretaris voor Personen met een beperking verslag uitbrengen aan de Ministerraad over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.


Analyse

Artikel 35, § 1 van het Verdrag (UNCRPD) bepaalt: "Elke Staat die Partij is dient, binnen twee jaar nadat dit Verdrag voor de desbetreffende Staat die Partij is in werking is getreden, (...) een uitgebreid rapport in bij het Comité over de maatregelen die zijn genomen om zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen, alsmede over de vooruitgang die is geboekt in dat verband."

Artikel 35, § 2 voegt hieraan toe: "Daarna brengen de Staten die Partij zijn ten minste eenmaal per vier jaar een vervolgrapport uit en voorts wanneer het Comité daarom verzoekt.”

België heeft het Verdrag goedgekeurd op 2 juli 2009, en zijn eerste verslag in juli 2011 ingediend. Het VN-Comité van deskundigen heeft dit in 2014 bestudeerd.

Het Comité heeft zijn aanbevelingen op 3 oktober 2014 aan België bezorgd (cf. /nl/thema-s/vn-aanbevelingen).

In artikel 53 voegt het eraan toe: "53. Het Comité vraagt aan de Verdragspartij om zijn tweede en derde periodieke verslag ten laatste op 2 augustus 2019 als één enkel document in te dienen en daarin informatie te verstrekken over de uitvoering van deze slotopmerkingen."

De nota die de Staatssecretaris voor Personen met een beperking zal voorleggen aan de Ministerraad kadert dus in de voorbereiding van het tweede en derde verslag.

Het aan de NHRPH gerichte verzoek om advies bevat de nota aan de Ministerraad niet, waardoor het onmogelijk is zich erover uit te spreken.

Het verzoek om advies gaat vergezeld van een tabel met vier kolommen die opgesteld is door het interfederaal coördinatiemechanisme:

  • aanbevelingen van de VN-deskundigen in 2014,
  • verwijzing naar de handistreamingfiches opgesteld door het coördinatiemechanisme (cf. advies 2018/16 van de NHRPH),
  • ondernomen acties,
  • korte analyse.

De inhoud van deze tabel zal dus de kern van dit advies vormen. Het is niet de bedoeling deze maatregel per maatregel te analyseren en te evalueren hoe overwogen wordt elke aanbeveling uit te voeren, maar om de methode en de algemene aanpak te bestuderen.


Advies

Reeds in 2017 heeft de NHRPH met het Belgian Disability Forum (cf. /nl/thema-s/tussentijdse-evaluatie) erop aangedrongen dat de Belgische Staat de nodige maatregelen zou nemen om de aanbevelingen van de deskundigen op te volgen, gezien de teleurstellende vaststelling van toen.

Uit de tabel blijkt dat de bevindingen helaas dezelfde gebleven zijn. In veel gevallen staat er "geen informatie beschikbaar over eventuele acties op federaal niveau". Zonder over alle informatie te beschikken die tot deze conclusies heeft geleid, kan de NHRPH dan ook alleen maar concluderen dat het interfederaal coördinatiemechanisme niet de nodige informatie van de verschillende betrokken ministers en administraties heeft kunnen verkrijgen. Dit lijkt te bevestigen dat slechts weinigen van hen zich bewust lijken te zijn van het feit dat er bij alle beleidsbeslissingen, en niet alleen in het beleid dat specifiek op personen met een handicap gericht is, absoluut rekening moet worden gehouden met handicap. Dit toont op zijn minst aan dat het verzamelen van informatie moeilijk, tijdrovend en moeizaam is en dat het interfederaal coördinatiemechanisme de verschillende kabinetten proactiever moet begeleiden, om hen te sensibiliseren en ieders rol duidelijk te maken.

Een andere vaststelling waarop de NHRPH reeds meermaals heeft gewezen, is het gebrek aan duidelijkheid tussen de verschillende initiatieven: handistreamingbeleid, federaal actieplan, actieplan van de staatssecretaris, ... Afhankelijk van tijd en plaats wordt de ene of de andere term gebruikt. Wat handistreaming betreft, verwijst de NHRPH meer bepaald naar zijn adviezen 2016/14 en 2018/16. De tabel bij dit verzoek verwijst naar het federale actieplan, dat evenwel nog niet voorgelegd werd aan de NHRPH. En dan is er nog het actieplan van de Staatssecretaris, waarvan sprake in de voorbereiding van haar algemene beleidsnota in het Parlement (cf. advies 2017/16).

De NHRPH merkt ook op dat in de kolom "ondernomen acties" soms beslissingen worden genoemd die werden genomen voordat de VN-deskundigen hun aanbevelingen hadden geformuleerd. Het zijn dus niet noodzakelijk concrete antwoorden op hun aanbevelingen.

De NHRPH wijst er ook op dat, wanneer in de tabel staat dat niet aan de aanbevelingen is voldaan , niet wordt toegelicht wat in de toekomst wordt overwogen om eraan te voldoen. Dit zou echter in een actieplan moeten staan, met concrete maatregelen, tijdschema's, evaluaties, ...

De NHRPH wijst vooral op een essentieel element dat duidelijk uit de tabel naar voren komt. Naast de aanbevelingen staat er heel veel "behoort niet tot de federale bevoegdheid". Nochtans zijn de aanbevelingen van de deskundigen gericht aan de Belgische Staat als geheel, en niet aan elk van de deelgebieden afzonderlijk.

Wanneer het Comité van deskundigen (aanbeveling nr. 6) "de Verdragspartij aanbeveelt om een harmoniseringsproces op te starten teneinde zijn volledige nationale wetgeving aan te passen aan de verplichtingen van het Verdrag, om een plan met betrekking tot personen met een handicap goed te keuren en uit te voeren (...)", verwijst het naar alle wetgevingen, zowel de federale als van de deelgebieden, en het genoemde actieplan is een interfederaal actieplan. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor toegankelijkheid (zie aanbeveling nr. 22), wanneer het Comité de Verdragspartij aanbeveelt om een coherente strategie inzake toegankelijkheid uit te werken, met een nationaal plan en duidelijk becijferde doelstellingen op korte, middellange en lange termijn." 

De NHRPH heeft er begrip voor dat de federale regering begint met een eerste oefening voor haar eigen bevoegdheden. Maar daarna moeten zeker alle middelen worden ingezet, alle voorzieningen van alle deelgebieden in werking worden gesteld, om tot een alomvattend en samenhangend werk te komen. Deze verschillende instrumenten bestaan, bijvoorbeeld interministeriële conferenties, maar "sluimeren" al jaren wat handicap betreft.

Als er geen politieke wil wordt opgebracht om dit gezamenlijke werk op gang te brengen, dreigen personen met een handicap door de versplintering van bevoegdheden in de vergeetput van de maatschappij te blijven.

Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat 2019 al voor de deur staat, en dat het dus hoog tijd voor actie is.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 12

Advies 2018/27 - Prijs van de liefde

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2018/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het "wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, tot afschaffing van de vermindering van de tegemoetkomingen op basis van de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende", uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 juni 2018


Aanvrager

Advies op verzoek van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, bij mail van 8 juni 2018


Onderwerp

Het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, tot afschaffing van de vermindering van de tegemoetkomingen op basis van de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende, beoogt het optrekken van de inkomensgrenzen voor de echtgenoot die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de integratietegemoetkoming.


Analyse

De Staatssecretaris voor Personen met een beperking heeft de NHRPH per mail van 8 juni 2018 verzocht dringend advies uit te brengen over een wetsvoorstel tot afschaffing van de vermindering van de tegemoetkomingen op grond van de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende.

Het voorstel luidt als volgt: “Art. 2. In artikel 7, § 1, derde lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wordt het derde lid, ingevoegd bij artikel 121 van de wet van 24 december en gewijzigd bij artikel 157 van de wet van 9 juli 2004, aangevuld met de woorden: “met dien verstande dat bij de toekenning van de integratietegemoetkoming een vrijstellingsbedrag wordt toegepast op het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt dat minimaal 75 % hoger moet zijn dan het vrijstellingsbedrag van de persoon met een handicap."

Uit het document dat het secretariaat van de NHRPH ontvangen heeft, blijkt dat bovenstaand voorstel een amendement is op het wetsvoorstel nr. 54-357, dat de heer volksvertegenwoordiger Clarinval op 2 oktober 2014 bij de Kamer ingediend heeft en dat erop gericht was de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende niet langer in aanmerking te nemen voor de berekening van de integratietegemoetkoming.

De huidige formulering van artikel 7, § 1, derde lid, van de wet van 27 februari 1987 luidt als volgt: "De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen."

Overeenkomstig artikel 7 van de wet worden de inkomensgrenzen voor de echtgenoot voor de berekening van de integratietegemoetkoming vastgelegd bij artikel 9ter, § 2, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming: "Van het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt wordt vrijgesteld, de eerste 16.354,13 EUR alsook de helft van het gedeelte dat meer bedraagt dan dit bedrag."

In zijn verzoek om advies wijst het kabinet van de Staatssecretaris erop dat dit evenwel nog niet de definitieve tekst van het wetsvoorstel is. Zo ontbreekt in de laatste zin van het voorstel het woord "hoogste". De laatste zin van het voorstel zou dus als volgt moeten eindigen: "… het hoogste vrijstellingsbedrag van de persoon met een handicap”.

Het kabinet wijst er ook op dat daarna uitvoeringsbesluiten genomen moeten worden om de maatregel uit te voeren.

Concreet betekent dit dat de inkomensgrens voor de echtgenoot, zoals vastgelegd bij artikel 9ter van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, in fine opgetrokken wordt tot 28.619,73 euro zonder index, hetzij 39.287 euro, rekening gehouden met de huidige index. De maatregel zal gevolgen hebben voor ongeveer 13.500 personen en ongeveer 6.455.000 euro kosten.

Het advies wordt dringend gevraagd, omdat het de bedoeling zou zijn dat het Parlement het wetsvoorstel op 28 juni 2018 aanneemt en er thans reeds gewerkt wordt aan de uitvoeringsbesluiten.

Het kabinet heeft het Bureau van de NHRPH ook mondeling laten weten dat dit een van de maatregelen is die voortvloeien uit de denkoefening van de werkgroep die in het leven werd geroepen om na te denken over de verschillende mogelijke maatregelen om de tewerkstelling van personen met een handicap te bevorderen en een betere afstemming tussen inkomen uit arbeid en tegemoetkomingen voor personen met een handicap mogelijk te maken.

Tot slot heeft het kabinet ook meegedeeld dat deze wijziging van de bepalingen van het koninklijk besluit door middel van een wetswijziging meer begrotingsmogelijkheden biedt.


Advies

De NHRPH is uiteraard verheugd over deze verhoging van de inkomensgrenzen voor de echtgenoot of samenwonende voor de berekening van de integratietegemoetkoming. Het is een positieve ontwikkeling, die evenwel om de volgende redenen afgezwakt wordt.

Het besproken voorstel vloeit voort uit de denkoefening van de werkgroep die de Staatssecretaris in het leven heeft geroepen. Voor zover de NHRPH weet, zijn de conclusies van de werkgroep evenwel nog niet gevalideerd. Zoals reeds eerder gemeld (cf. advies 2018/22), betreurt de NHRPH de werkwijze bij de laatste verzoeken om advies: de Staatssecretaris heeft onlangs reeds een aantal maatregelen bij de NHRPH ingediend en er worden binnenkort nog andere maatregelen aangekondigd. Het gebrek aan informatie over alle maatregelen staat een totaalbeeld en een correcte analyse in de weg. De NHRPH heeft deze nodig om zelf prioriteiten naar voren te kunnen schuiven, wat niet mogelijk is indien geval per geval gewerkt moet worden. Bovendien vreest de NHRPH dat zijn adviezen op die manier kunnen worden misbruikt.

De NHRPH heeft alle begrip voor de begrotingsaangelegenheden, maar betreurt de gebruikte techniek: bepalingen van een deel van een artikel van een koninklijk besluit wijzigen door middel van een wetswijziging maakt reeds ingewikkelde teksten alleen maar zwaarder en minder leesbaar. Ter herinnering: de NHRPH pleit reeds lang voor een uitgebreidere hervorming van het tegemoetkomingsstelsel voor personen met een handicap die beantwoordt aan de verwachtingen van personen met een handicap en hun vertegenwoordigers. Opeenvolgende afzonderlijk aangenomen wijzigingen dreigen het stelsel daarentegen nog complexer te maken.

Het risico is des te groter omdat de voorgestelde maatregelen de mogelijke verschillen tussen aanvragers van wie het huishouden over gelijkwaardige inkomsten beschikt, nog verder zullen vergroten, afhankelijk van de aard van het inkomen en de persoon van het huishouden die het inkomen ontvangt. Het volstaat - voor eenzelfde medisch resultaat - het tegemoetkomingsbedrag dat een gezinshoofd met enkel een ziekenfondsuitkering zou kunnen krijgen, te vergelijken met het bedrag dat een persoon met een handicap van wie enkel de echtgenoot inkomsten heeft, zou kunnen krijgen.

Wat de formulering zelf betreft van het wetsvoorstel in de huidige vorm, zoals het voorgelegd werd aan de NHRPH, betreurt de Raad het gebruik van bepaalde termen. De term "vrijstellingsbedrag" wordt thans niet gebruikt, noch in de tekst van de wet van 27 februari 1987, noch in de tekst van het koninklijk besluit van 6 juli 1987. Hierdoor zijn de teksten moeilijker leesbaar en verstaanbaar. Het was beter geweest de reeds gebruikte termen te gebruiken.

Het voorstel bepaalt ook dat het vrijstellingsbedrag dat toegepast wordt op de inkomsten van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt, minimaal 75 % hoger moet zijn dan het hoogste vrijstellingsbedrag van de persoon met een handicap. Deze formulering is onduidelijk. In de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 worden de inkomensgrenzen uitdrukkelijk vermeld: grensbedragen voor het inkomen uit arbeid van de persoon met een handicap, voor de inkomsten van de echtgenoot, voor het vervangingsinkomen en voor de andere inkomsten. Het zou dus veel duidelijker zijn te verwijzen naar de definities die gebruikt worden in artikel 9ter van het koninklijk besluit van 6 juli 1987.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer David Clarinval; Volksvertegenwoordiger;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.