Terug naar hoofdinhoud

Advies 2016/01 - Braine L'Alleud

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het station van Braine-L’Alleud, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/02/2016.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS.


Onderwerp

Om vanop perron 1 de lager gelegen lokettenzaal te betreden moet een reiziger een van de twee dalende trappen van drie treden naar de toegangsdeur nemen. De NMBS wil noppentegels installeren op het perron om blinde en slechtziende personen te waarschuwen voor de trap. Over de lengte van het perron loopt een goot voor waterafvoer. Die goot loopt vrij dicht langs het begin van de trap, wat problemen schept voor de plaatsing van de tegels.


Analyse

De NMBS stelt twee opstellingen voor:

Voorstel 1: een aaneengesloten rij noppentegels vóór de goot (kant sporen) en aansluitend nog 2 maal 2 tegels achter de goot zodat de trappen ingesloten zijn

Voorstel 2: telkens een rijtje noppentegels ter breedte van de trap, te plaatsen tussen goot en trap, zodat elke trap afzonderlijk is afgesloten met noppentegels

De NHRPH geeft de voorkeur aan voorstel 1:

  • De blinde of slechtziende persoon wordt tijdig – op aanvaardbare afstand -gewaarschuwd dat er een hindernis volgt.
  • De goot in kwestie is relatief breed en niet afgedekt met een rooster. Ze kan dus een hindernis zijn. In voorstel 1 wordt de blinde of slechtziende persoon gewaarschuwd dat er een hindernis wacht: de goot en de trap.

Op de foto’s staan een soort open hekken naast de trap, maar er zijn geen echte trapleuningen. Trapleuningen verdienen de voorkeur, want ze volgen het hoogteverschil.

Er is een geleidelijn van de voorkant van het station naar de loketten en de perrons. In de andere richting, van het perron naar de lokettenzaal, is het een veel moeilijker traject voor blinden en slechtzienden. Wegens de complexe toegang naar de lokettenzaal met de twee trappen zullen de natuurlijke geleidelijnen niet volstaan. Op het perron zal dus ook een geleidelijn moeten komen.

Gelieve de verschillende tegels (ribbels, noppen en rubber) correct toe te passen.


Advies

Voor het uitwerken van een technische oplossing die overeen komt met Revalor vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse. De NHRPH wenst ook feedback.

De NHRPH geeft de voorkeur aan voorstel 1 om de hierboven vermelde redenen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan Mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 1

Advies 2016/02 - Beleidsnota PH

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016-02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beleidsnota van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking tijdens de plenaire vergadering van 18 januari 2016


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Dit advies gaat over de beleidsnota van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, die op 4 november 2015 in de Kamer van volksvertegenwoordigers voorgesteld werd.

De staatssecretaris heeft ook de grote lijnen van die nota toegelicht voor de leden van de Raad tijdens de plenaire vergadering van 18 januari 2016.


Analyse

De beleidsnota gaat over vijf bevoegdheden van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking: wetenschapsbeleid, personen met een handicap, grootstedenbeleid, gelijke kansen en armoedebestrijding.

Voor personen met een handicap (blz. 15 tot 27) plant de Staatssecretaris voornemens en concrete acties in de volgende domeinen:

  • Inclusie en transversaliteit
  • Tewerkstelling
  • Toegankelijkheid
  • Sociaal tarief
  • Europese armoededrempel
  • Transparantie en vereenvoudiging
  • Automatische rechten
  • Parkeerkaarten
  • Overheveling van de THAB
  • Internationaal

Advies

De Raad stelt met tevredenheid vast dat er in de Nederlandse versie van de beleidsnota sprake is van "personen met een handicap" en niet van "personen met een beperking". Zoals de Raad er reeds op gewezen had, zijn beperking en handicap immers geen synoniemen: een beperking is van voorbijgaande aard en kan gemakkelijk omzeild worden.

Wat de verschillende thema's in de nota betreft:

1. Inclusie en transversaliteit

De Raad staat achter de ‘handistreaming’-aanpak in de beleidsnota. Personen met een handicap krijgen inderdaad te maken met alle domeinen van het openbare en privéleven. Alle ministers en staatssecretarissen moeten binnen de grenzen van hun bevoegdheden ook oog hebben voor de behoeften van personen met een handicap wanneer zij een beleid of actie vastleggen. De Raad verwijst uitdrukkelijk naar zijn advies 2015-02 over dit thema.

Wat de goedkeuring van het federaal actieplan Handicap betreft, is de Raad evenwel terughoudend over de verplichting voor elke minister of staatssecretaris om elk jaar de handicapdimensie in minstens twee beleidslijnen op te nemen. Het mag dan wel de bedoeling zijn dat de beleidsnota een minimumaantal acties garandeert, toch vreest de Raad dat de politieke actie zich op gezette tijden zal beperken tot minder belangrijke domeinen om te kunnen beantwoorden aan de vastgestelde doelstelling ten koste van een blijvende, gediversifieerde actie en aandacht in alle voorgestelde beleidslijnen. Bovendien is de bereidheid om een inclusief beleid toe te passen in wezen onverenigbaar met het identificeren van ‘minstens twee beleidslijnen'.

De Raad wil tijdig geïnformeerd worden over de resultaten van de jaarlijkse rapportering in maart. Hij is evenwel van mening dat rapportering op zich slechts een eerste stap in een uit te werken proces van effectieve opvolging is. Hierover wordt niets vermeld in de beleidsnota. In de vorige zittingsperiode werd een halfjaarlijks rapporteringsmechanisme gevalideerd, maar niet ondersteund.

In de beleidsnota wordt de Raad niet bij naam genoemd in het kader van zijn participerende rol; er is enkel sprake van "maatschappelijk middenveld". Dit lijkt zijn rol te reduceren, temeer omdat de Ministerraad beslist heeft om net de Raad als officieel vertegenwoordigend orgaan op federaal niveau te betrekken. Hij vraagt om net als bij het armoedeplatform als een instrument voor dialoog en overleg beschouwd te worden.

2. Tewerkstelling

2.1 Proefproject ondersteunende maatregelen ziekte-uitkeringen (2016 - 2017)

Het initiatief om activering en opleiding ook open te stellen voor personen met een handicap die door de DG PH erkend zijn, is op zich lovenswaardig. Toch is activering niet voor iedereen mogelijk. Wie thans tot de IVT-/IT-regeling behoort, wordt helemaal niet administratief ondersteund wanneer hij weer aan de slag gaat of een opleiding volgt. Bepaalde voorwaarden moeten evenwel vervuld zijn:

  • de aanvragen voor ondersteuning (of het gebrek eraan) moeten gerespecteerd worden en personen met een handicap die geen begeleiding wensen, mogen niet bestraft worden;
  • de uitkering moet in de periodes van onderbreking uitbetaald blijven (verworven rechten);
  • de Raad moet betrokken worden bij het denk- en uitwerkingsproces.

De Raad wil geraadpleegd worden over de bepalingen voor de uitvoering van het project en geïnformeerd worden over de evaluatie van dit project.

2.2 Redelijke aanpassingen

Gelet op de huidige budgettaire situatie vraagt de Raad zich af waar de middelen voor de redelijke aanpassingen vandaan komen. Hij herinnert eraan dat de Gewesten bevoegd zijn voor de tegemoetkomingen en aanpassingen. Wij zitten in een vicieuze cirkel omdat de regionale en de federale wetgeving niet op elkaar afgestemd zijn. In bepaalde Gewesten moet het quotum van 3 % bereikt zijn vooraleer de kosten voor de aanpassing ten laste genomen worden. In de begroting van de FOD's zijn er geen specifieke kredieten als zodanig voor de aanpassing van werkposten voor personen met een handicap, met het gevolg dat het budget bijgesteld moet worden. De aanpassingen worden dus niet altijd uitgevoerd.

Inzake tewerkstelling herinnert de Raad eraan dat niet alleen werk gemaakt moet worden van een eerlijk loon voor personen met een handicap, maar dat de ontwikkelings- en loopbaanmogelijkheden ook rekening moeten houden met hun competenties.

3. Toegankelijkheid

De Raad is opgetogen dat de reservatietermijn voor persoonlijke assistentie teruggebracht is van 24 tot 3 uur. Dit is een eerste stap in een verbeterde toegang tot het spoorvervoer voor personen met een handicap, aangezien de versoepeling enkel voor een beperkt aantal stations geldt. In zijn advies 2015/27, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, is de Raad hier dieper op ingegaan.

4. Sociaal tarief

De Raad vraagt een individueel sociaal tarief: de tijd dat elk gezin maar één telefoontoestel had is voorbij. Thans hebben alle gezinsleden een eigen gsm. Het sociaal telefoontarief moet een "persoonlijk" voordeel worden.

Het sociaal "internettarief" wordt a priori niet "te weinig" gebruikt. Het is te wijten aan de keuze die de persoon met een handicap tussen de twee tarieven moet maken. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn advies 2015/22.

5. Welzijn

De Raad bevestigt dat bij de verdeling van de welvaartsenveloppe 2017 - 2018 bijzondere aandacht besteed moet worden aan de laagste inkomens. Dit volstaat evenwel niet om de doelstellingen onder de titel Geleidelijke verhoging van IVT tot het niveau van de Europese armoededrempel te bereiken. In dit verband merkt de Raad op dat de integratietegemoetkoming (zoals genoemd in de titel) verondersteld wordt de meerkosten voor de handicap te dekken: het bedrag van de integratietegemoetkoming heeft dus niets te maken met de armoededrempel. Anders is het gesteld met de inkomensvervangende tegemoetkoming, die een bestaansminimum moet garanderen. Hiervoor is het wel belangrijk dat de Europese armoededrempel bereikt wordt. Heel waarschijnlijk betreft het een vertaalfout.

6. Transparantie en vereenvoudiging

6.2 Prijs van de liefde

Dit is bekende materie voor de Raad. Hiervoor verwijst hij meer bepaald naar zijn advies 2013/19.

8. Parkeerkaarten

De Raad verwijst naar zijn advies 2015/20.

9. Overheveling van de THAB

Voor de THAB vraagt de NHRPH:

  • ervoor te zorgen dat de bevoegdheden overgeheveld worden volgens het continuïteitsbeginsel van de overheidsdiensten;
  • voor de bevoegdheden die federaal blijven, ervoor zorgen dat de verworven rechten voor personen met een handicap behouden blijven;
  • structuren op te zetten voor samenwerking tussen de diensten van de federale overheid en de deelgebieden met het oog op een optimale dienstverlening voor personen met een handicap (overdracht van gegevens, knowhow, …);
  • in overleg met de betrokken deelgebieden een communicatieplan voor personen met een handicap op te stellen met maatregelen voor een gepersonaliseerde communicatie die toegankelijk zijn voor alle soorten handicap.

 Algemeen merkt de Raad ook het volgende op:

  • Op meerdere plaatsen is in de beleidsnota sprake van het ontwikkelen van informaticatools of gegevensbanken. In dit verband wil de Raad de aandacht van de staatssecretaris vestigen op het belang van respect voor het privéleven:
    • een objectief instrument dat de graad van tewerkstelling van personen met een handicap in beeld brengt, zowel in de private sector als in de overheidssector (blz. 18);
    • effectief gebruik van de elektronische gegevensuitwisselingen (blz. 23);
    • betere bewaking van de elektronische gegevensuitwisselingen (blz. 23);
    • toegang van de gemeenten tot de databank van DG PH (blz. 25);
    • gebruik van barcodes en QR-codes voor de parkeerkaart (blz. 26). 
  • Hij neemt nota ervan dat de staatssecretaris zich ertoe verbindt het advies van de Raad in te winnen voor de volgende punten:
    • evaluatie van het proefproject voor personen met een handicap die toegang hebben tot de ondersteunende maatregelen die zijn voorzien voor mensen met een ziekte-uitkering (blz. 17);
    • voorstel van wijziging van de reglementering inzake de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (blz. 17);
    • wetswijziging om de problematiek van de prijs van de liefde aan te pakken (blz. 21).
  • Onderstaande punten komen niet aan bod in de beleidsnota, hoewel zij toch van enig belang zijn:
    • Op het interfederale vlak zou de afdeling Personen met een handicap bij de IMC Welzijn, Sport en Gezin zo snel mogelijk weer in werking gesteld moeten worden. Gezien de omvang van handistreaming zou idealiter een volwaardige IMC Handicap ingesteld moeten worden. De Raad zou betrokken moeten worden bij het voorleggen en opvolgen van de dossiers in het kader van de IMC.
    • Gebrek aan betrouwbare statistieken: dit probleem wordt aangekaart in een van de aanbevelingen van de VN-deskundigen: "het verzamelen, analyseren en bekendmaken van gegevens die opgesplitst zijn volgens geslacht, leeftijd en handicap systematiseren; de vaardigheden op dit vlak verder uitbreiden, gendergebonden indicatoren uitwerken die als basis dienen voor wetteksten, bij het nemen van beslissingen en bij het uitbreiden van de vereiste institutionele bevoegdheden voor de opvolging van de vooruitgang bij het uitvoeren van de verschillende bepalingen van het Verdrag en het opstellen van verslagen hierover".

De Raad bedankt de staatssecretaris voor haar inzet om personen met een handicap te betrekken bij de beslissingen die hen aanbelangen. Hij zal evenwel waakzaam blijven ten aanzien van de effectieve uitvoering van de punten in de beleidsnota.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter informatie aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 5

Advies 2015/34 - Regie der Gebouwen

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/34 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerpdocument “Verplichtingen en aanbevelingen PBM”, opgesteld tijdens de plenaire vergadering van 16/11/2015.


Aanvrager

Advies op vraag van de Regie der Gebouwen in een brief van 23/04/2015.


Onderwerp

In België bestaan er heel wat voorschriften over de toegankelijkheid van openbare gebouwen en privé-gebouwen van openbaar nut. Toch blijkt steeds weer dat de toegankelijkheid veel te wensen over laat.

De Regie der Gebouwen (RvB) heeft daarom een project aangevat om – binnen haar bevoegdheid - de bestaande voorschriften voor nieuwbouw en renovatie te herbekijken, ook met het oog op een snelle haalbaarheid voor de gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk is. Het document dat daaruit resulteert is na openbare aanbesteding beland bij de vzw Passe-Muraille voor een kritische herlezing.

De RvB vraagt de NHRPH om een advies uit te brengen over het voorlopige eindresultaat van die werkzaamheden, het document “Verplichtingen en aanbevelingen PBM” (Personen met een beperkte mobiliteit) van de heer Helson, architect bij RvB.


Analyse

De NHRPH feliciteert de auteur met zijn overzichtelijke samenvattende document. De NHRPH vindt veel goede ideeën en principes terug in de tekst, maar heeft ook een aantal opmerkingen.

Principes

Veel van de toegankelijkheidsproblemen zijn te wijten aan een gebrekkige opvolging en controle. De NHRPH apprecieert dan ook het punt 01.04: “Opvolging van het dossier op de werf en in het kader van het beheer van het bezette gebouw”:

Een van de grote problemen voor de toegankelijkheid van gebouwen voor PBM is een gebrek aan opvolging van dit punt op de werf en achteraf. Het komt immers niet zelden voor dat een gebouw dat perfect toegankelijk is in het aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning dat in werkelijkheid en aan het eind van de werf niet langer is; (…) Het behoort dus tot de taak van de ontwerper om tijdens het verloop van de werf alle nuttige controleprocedures te laten uitvoeren om dergelijke nalatigheden met discriminerende gevolgen te vermijden.

Meteen daarop volgt het punt 01.05 – Verplichtingen en aanbevelingen - dat ook zeer interessant is:

Gelet op de ervaringen in de gewesten, heeft een verplichting trouwens pas zin als er een vorm van controle bestaat en als er boetes worden opgelegd in geval van niet-naleving. De beheerder van elk dossier bij de Regie is daartoe verplicht om:

  • controles te verrichten op de naleving van deze voorschriften, zowel bij studies als op werven. Daartoe moet hij rekening houden met eventuele naar behoren gerechtvaardigde tegenindicaties;
  • en om boetes te voorzien in geval van niet-naleving, dit zowel in het bestek voor studies als in het bestek voor werken.
  • Rol vd NHRPH vs toegankelijkheidsbureaus

Inderdaad, zonder controle en bestraffing blijven normen al te vaak dode letter. Bovendien hoort de handicapsector betrokken te worden bij het beleid inzake handicap. Op federaal vlak is dat de NHRPH.

Ook het feit dat er wordt vertrokken van de reglementeringen van de deelstaten en dat die worden uitgebreid is positief. Vanzelfsprekend kan dit project alleen slagen als er telkens rekening wordt gehouden met de bevoegde overheid. In die context vraagt de NHRPH om ook het Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap tot vastlegging van de bepalingen inzake toegankelijkheid van gesubsidieerde infrastructuren voor de gehandicapten van 12 juli 2007, zoals verschenen in het Belgisch Staatsblad van 22/11/2007, niet uit het oog te verliezen.

De NHRPH onderschrijft eveneens de visie betreffende beschermde gebouwen uit punt 01.07 – Beschermd erfgoed, p. 14:

Bij architecturaal en landschappelijk beschermd erfgoed moet bijzondere aandacht worden besteed aan een optimale toegankelijkheid voor zoveel mogelijk PBMD met diverse specifieke behoeften, en dit strikt in het kader van het concept voor redelijke aanpassing.

We willen de aandacht erop vestigen dat de vervulling van de collectieve plicht tot behoud van het beschermd erfgoed, als erfenis van een hele gemeenschap en niet alleen van een handvol deskundigen in conservatie, alleen zin heeft indien dit gebeurt met naleving van het basisrecht van elk individu om deel te nemen aan het culturele en sociale leven, conform de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; te meer:

  • omdat de financiering gebeurt met openbare middelen
  • en/of wanneer het beschermde erfgoed een openbare functie krijgt die niet langer rechtstreeks verband houdt met het historisch statuut van het goed.

Terecht wordt vermeld dat toegankelijkheid ook ‘communicationeel’ moet zijn. Dit deel mag in het document verder worden uitgewerkt voor alle types van handicap. Ook sensibilisering van het personeel voor de omgang met mensen met een handicap hoort daarbij. Daarvoor verwijst de NHRPH naar de aanbevelingen 18 en 22 van de Slotopmerkingen betreffende het initiële verslag van België van het VN-Comité voor de rechten van de personen met een handicap.

2014-12-19-uncrpd-nl.pdf

De NHRPH vindt volledige autonomie zeer belangrijk, zoals ook blijkt uit zijn positienota inzake toegankelijkheid en mobiliteit:

« Personen met een handicap willen in de eerste plaats zelfstandig leven. De ideale aanpassingen zijn de aanpassingen die een maximale zelfstandigheid bieden. Daarbij moet wanneer nodig assistentie beschikbaar zijn. In afwachting daarvan moet gestreefd worden naar voorzieningen, hulpmiddelen, vormingen, ... die het personen met een handicap mogelijk maken zo zelfstandig mogelijk hun beslissingen te nemen en zich toegang te verschaffen tot de plaatsen, diensten, informatie, ... van hun keuze. »

Het volgende stuk ligt moeilijker voor de NHRPH:

02 - Toepassingsgebied Pagina 24 – 02.02 – Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van huidig document

“ ERG BELANGRIJK: Dit document bevat in principe enkel voorschriften die geen enkele bouwmeerkost met zich meebrengen. Toch is het mogelijk dat de specifieke projectcontext alsnog een incidentele bouwmeerkost teweegbrengt als gevolg van één of meerdere van deze voorschriften. Alleen in dat geval (wanneer er dus een bouwmeerkost dreigt) is het bewuste voorschrift (de bewuste voorschriften) niet van toepassing.”

Omdat het document ook veel regelgeving bevat, geeft dit citaat de indruk dat de regels alleen moeten worden toegepast als ze geen bouwmeerkost met zich meebrengen. Daar kan de NHRPH het vanzelfsprekend onmogelijk mee eens zijn. Het principe dat er moet gezocht worden naar maatregelen die de toegankelijkheid verhogen zonder een meerkost te betekenen is een zinvolle eerste stap. Voor de NHRPH mag het daar echter niet bij blijven.

In het kader van het principe van de redelijke aanpassingen zullen steeds de nodige maatregelen moeten worden getroffen, ook als die een meerkost met zich meebrengen.

De NHRPH verwijst daarbij ook naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap en de aanbevelingen van de VN-experts naar aanleiding van het Belgisch rapport. In artikel 22 van deze laatste beveelt het Comité de Verdragspartij aan om een coherente strategie inzake toegankelijkheid uit te werken, met een nationaal plan en duidelijk becijferde doelstellingen op korte, middellange en lange termijn.

Heel belangrijk is dat er telkens met alle types van handicap wordt rekening gehouden.

Termen, uitdrukkingen en definities

Het document hanteert een reeks definities. Bij sommige had de NHRPH bedenkingen.

03 - Termen, uitdrukkingen en definities Pagina 30: ‘blinde’ en pagina 34 ‘slechtziende’:

Deze definities zijn gefocust op één mogelijk aspect van een visuele beperking, nl. de gezichtsscherpte, en beperken zich betreft het visuele functioneren tot de toegankelijkheid van informatie. Binnen de context van dit document, namelijk ‘toegankelijkheid van infrastructuur’, is ook het vermogen tot ruimtelijke oriëntatie van groot belang. Belangrijk is daarom niet alleen de gezichtsscherpte, maar vooral ook het gezichtsveld. Het komt bijv. voor dat een persoon geschreven informatie kan lezen (zelfs zonder gebruik te moeten maken van enig optisch hulpmiddel), maar niet in staat is om zelfstandig een bepaalde locatie te vinden in een gebouw. Dergelijke persoon wordt eveneens beschouwd als ‘slechtziend’ of ‘blind’. Voor een correcte en volledige definiëring verwijzen we naar de definities en classificaties van ‘blindheid’ en ‘slechtziendheid’ van de Wereldgezondheidsorganisatie: www.who.int

Pagina 31: ‘Assistentiehond’: De benaming “assistentiehond” is de verzamelnaam voor honden “die speciaal afgericht zijn voor de begeleiding en assistentie van” personen met een handicap, inclusief geleidehonden. Zie bijvoorbeeld de Belgian Assistance Dogs Federation: www.badf.be

Pagina 31: In de definitie van de podotactiele tegels het woord ‘wandelstok’ vervangen door ‘witte stok’.

Pagina 34: ‘Liplezen’: beter overal vervangen door ‘spraakafzien’. Beide termen worden overigens door elkaar gebruikt in de tekst.

Pagina 34: ‘Natuurlijke geleidelijn’ Een kleurcontrast volstaat enkel voor slechtziende personen; voor blinde personen moet er een duidelijk verschil in structuur zijn. Bij “kleur- of structuurcontrast” dient dus het woord “of” vervangen door het woord “en”. Beide zijn immers complementair.

Pagina 36: De definitie van dove personen is niet correct. Bijvoorbeeld: ‘een dove persoon die gebruik maakt van spraakafzien, dwz dat hij/zij de gebarentaal van zijn land beoefent’ is fout. Verder wordt gebarentaal ten onrechte gelijkgesteld aan spraakafzien. De NHRPH stelt voor dit stukje te vervangen door: ‘Bij een dove persoon ontbreekt het gehoor volledig. Een dove persoon kan hoorhulpmiddelen (zoals een cochleaire implantaat) gebruiken. Sommige dove personen communiceren in het Nederlands of Frans met behulp van hoorhulpmiddelen en spraakafzien. Andere dove personen communiceren met gebarentaal, zoals VGT en LSFB.’

Aanvullingen en correcties

01 – Voorafgaande opmerkingen & waarschuwingen Pagina 11 – 01.02 – Verband met de geldende wetgeving “Voor Vlaanderen: http://www.ejustice.just.fgov.be/wet/wet.htm” Deze link leidt naar een lege zoekpagina. Voorbeelden van betere links:

http://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Beleid/Wetgeving/www.toegankelijkgebouw.be

04 - Parkings/parkeerplaatsen Pagina 40 – 04.04 – Signalisatie, communicatie & zichtbaarheid Indien men bij een parkeergarage gebruik maakt van parlofoons, moeten die aangepast worden voor dove en slechthorende personen. Deze spraaksystemen vindt men vaak terug bij parkeergarages waar men gebruik maakt van slagbomen. Ook komen ze voor op betaalautomaten in diezelfde parkings. Een alternatief is tekstuele ondersteuning, zodat de bediende en de dove persoon via chat kort kunnen communiceren.

07 – Toegangen van gebouwen & nooduitgangen Pagina 59 – 07.01 - Algemeen “Een deur die wordt beschouwd als toegankelijk voor PBM is van het type zwaaideur of schuifdeur.” Automatische ‘zwaaideuren’ kunnen een gevaar vormen voor blinde en slechtziende personen. Er zijn manieren om zwaaideuren veiliger te maken, maar automatisch openschuivende deuren genieten alleszins de voorkeur. Idem voor: 14 – Deuren, Pagina 86 – 14.01 - Algemeen

Pagina 63 – 07.05 – Signalisatie & zichtbaarheid Zorg ervoor dat de ingang gemakkelijk te vinden is met duidelijke bewegwijzering. Aan de ingangsdeur van het gebouw vermeldt men de openingstijden en contactgegevens van de dienst (ook e-mailadres en eventueel sms-nummer). Indien men zich moet aanmelden via een parlofoon, moet die aangepast worden voor dove en slechthorende mensen.

11. Liften Pagina 79 – 11.04 – Bedieningen, signalisatie & zichtbaarheid §4.1.4. (EN81-70 §5.4.4.3.) PICTOGRAMMEN IN DE LIFTCABINE Het pictogram moet een verlicht symbool zijn. Er dienen twee oplichtende pictogrammen in de liftcabine te worden aangebracht om opgesloten personen te informeren over de status van de spreekverbinding. Het gele pictogram geeft aan dat er een telefoonverbinding met de alarmcentrale wordt gemaakt, het groene pictogram geeft aan dat er een spreekverbinding tot stand is gebracht is, d.w.z. de opgesloten persoon kan op dat moment met de operator in de alarmcentrale praten. Deze pictogrammen visualiseren de status van de spreekverbinding voor doven en slechthorenden.

Er is een toegankelijk alarmsysteem nodig in liften, ook voor slechthorende en dove personen, personen met een spraakstoornis, enz., Men kan de noodtelefoon ook uitrusten met een sms-functie, zodat een dove persoon via een tekstbericht de noodcentrale kan contacteren. Vaak is er immers geen gsm-ontvangst in liften.

16 – Balies & loketten Pagina 94 – Algemeen Als de bediening van de klanten gebeurt door middel van ‘afroeping’, wordt het bedieningstoestel duidelijk opgesteld. De oproep van de volgende klant wordt zowel visueel als auditief weergegeven.

Er moet wifi aanwezig zijn. Via wifi kunnen dove personen communiceren via afstandstolken wanneer zij dat nodig hebben. Bij voorkeur is het netwerk paswoordvrij. Indien niet, dan moet het paswoord duidelijk zichtbaar worden geafficheerd en vlot opvraagbaar zijn, ook voor mensen met een visuele handicap.

18 – Auditoria & gelijkaardige ruimten Pagina 101, 104 – 18.01 - Algemeen Naast de gebarentolk hoort er ook een schrijftolk te zijn. Voor een schrijftolk is er een extra projectiescherm nodig.

De ruimtes waarover sprake moeten ook toegankelijk zijn op het vlak van communicatie, ongeacht de handicap. Dat geldt zeker ook voor alle alarm- en waarschuwingssystemen en andere belangrijke informatie. Die moet zowel auditief als visueel en in een begrijpelijke taal worden aangeboden.

21 – Toiletten Pagina 113 – Sanitaire toestellen Aanbeveling voor (hang)urinoirs: Plaats afscheidingspanelen tussen de urinoirs. Deze moeten in visueel contrast zijn met de omgeving.

30 – Visuele contrasten Pagina 138 – Algemeen In de drie eerste alinea’s wordt telkens gesproken over “kleurcontrasten. Het woord “kleurcontrasten” wordt in deze context beter vervangen door het woord “luminantiecontrasten”. Een verschil in luminantie tussen twee kleuren is voor slechtziende personen immers belangrijker dan een verschil in kleur.

31 – Accessoires & diverse functionele uitrustingen Pagina 142 – 31.01 - Algemeen Er moet wifi aanwezig zijn. Via wifi kunnen doven communiceren via afstandstolken wanneer zij dat nodig hebben. Bij voorkeur is het netwerk paswoordvrij. Indien niet, dan moet het paswoord duidelijk zichtbaar worden geafficheerd en vlot opvraagbaar zijn, ook voor mensen met een visuele handicap.

34 – Signalisatie Pagina 151 – 34.01 – Algemeen Aanvullingen van aanbevelingen

Auditieve signalen zoals alarmen (bv brand en evacuatie) moeten behalve sonoor ook visueel worden weergegeven. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een ingebouwd flitssysteem, zwaailicht of leds.

Indien er auditieve informatie wordt gegeven, bijvoorbeeld via een video of omroepsysteem, moet dit omgezet worden naar geschreven taal. Bij video’s biedt ondertiteling een uitkomst. Voor omgeroepen informatie voorziet men displays of monitors voor de geschreven boodschap.

Pagina 154 – 34.5 – Uitzicht Aanbeveling: De signalisatiedrager moet een vlak oppervlak hebben. Een gebogen oppervlak kan leiden tot een ongelijke weerkaatsing van de verlichting op het oppervlak, waardoor de leesbaarheid van de informatie voor slechtziende personen afneemt.

36 – Podotactiele stroken In bepaalde gevallen zijn de regels in de Gewesten strenger dan de aangehaalde regels. Gelieve in voorkomend geval overal voor de strengste regels te kiezen. Uniformiteit en duidelijkheid zijn hierbij de sleutelwoorden.


Advies

Eerst en vooral wenst de NHRPH de opsteller en de Regie der Gebouwen te bedanken voor zijn werk. Dit kan een grote stap vooruit betekenen voor de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

De NHRPH houdt aan het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap en de wetten en reglementeringen inzake de redelijke aanpassingen. De NHRPH verwijst ook naar het VN-verdrag voor de nodige definities inzake handicap.

De NHRPH vindt het essentieel dat telkens aan alle types van handicap wordt gedacht: sensorieel, motorisch, verstandelijk, psychisch, …

De NHRPH is voorstander van duidelijke en haalbare voorschriften. De NHRPH heeft er dan ook geen probleem mee als regels worden herbekeken.

De NHRPH vindt het een zinvol idee om voorrang te geven aan maatregelen die geen meerkost betekenen, maar is tegelijk ook zeer op zijn hoede wanneer budgettaire redenen worden aangehaald om voorschriften niet na te leven of af te schaffen. Dat zou immers een zeer kwalijke tendens zijn, een excuus dat alle toegankelijkheidsnormen ondergraaft. Bij een bouw of renovatie mogen maatregelen die een meerkost betekenen niet worden weggelaten, want dan zal het gebouw niet volledig toegankelijk zijn. Latere ingrepen zouden overigens meer kosten en minder efficiënt zijn dan bij een oorspronkelijke inplanning. De NHRPH verwijst hier naar het wettelijk vastgelegde principe van de redelijke aanpassingen.

Bovendien heeft de overheid een voorbeeldfunctie. Openbare gebouwen horen integraal toegankelijk te zijn volgens de beste standaarden.

De NHRPH blijft beschikbaar voor het leveren van principiële adviezen. Voor een verdere technische uitwerking vraagt de NHRPH om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Regie der Gebouwen;
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, Minister belast met de Regie der Gebouwen;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2015/33 - Tegemoetkomingen PMH

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/33 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over twee voorstellen tot wijziging van de wetgeving inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap tijdens de plenaire zitting van 16 november 2015


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking


Onderwerp

Voorstellen:

  • een wetsontwerp tot aanvulling van artikel 2, § 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  • een ontwerp van koninklijk besluit tot vervanging van artikel 9ter, § 4, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.

Analyse

Het eerste voorstel is bedoeld om te voorkomen dat de inkomensvervangende tegemoetkoming voor eenzelfde periode gecumuleerd wordt met het leefloon of de inkomensgarantie voor ouderen (IGO).

Het tweede voorstel beoogt een stabiel leefloon te garanderen voor personen met een handicap die actief zijn op de arbeidsmarkt, maar het ongeluk hebben om het over een bepaalde periode wat moeilijker te hebben en hierdoor minder inkomsten uit arbeid weten te halen en meer inkomsten uit vervangingsinkomsten hebben. Hierdoor wordt ook een drempel weggenomen die mensen met een handicap ertoe kunnen bewegen om niet beroepsactief te gaan zijn, uit vrees om terug te vallen op een onstabiele integratietegemoetkoming en bijgevolg terecht te komen in een onstabiele inkomenssituatie.

Concreet worden de bedragen als volgt gewijzigd:

er moeten arbeidsinkomsten aanwezig zijn om de verhoogde vrijstelling op de vervangingsinkomsten te kunnen toepassen. Er werd hiervoor gekozen voor een laagdrempelig niet-geïndexeerd bedrag van 2.000 euro belastbare arbeidsinkomsten per jaar (geïndexeerd bedrag: 2.639 euro); als er arbeidsinkomsten aanwezig zijn, dan kan de vrijstelling op vervangingsinkomsten oplopen tot 14.354,13 euro (niet-geïndexeerd bedrag, of 18.940,27 euro geïndexeerd bedrag), zijnde het verschil tussen het nominaal bedrag van de arbeidsvrijstelling van 16.354,13 euro (niet-geïndexeerd, of 21.579,27 euro geïndexeerd bedrag) en de minimaal toegepaste arbeidsvrijstelling, die 2.000 euro (niet-geïndexeerd bedrag, of 2.639 euro geïndexeerd bedrag) bedraagt.


Advies

De Raad benadrukt het ongepaste gebruik van de term “personen met een beperking” in de onderhavige vraag om advies. Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap gebruikt trouwens de term “personen met een handicap”, en de Raad wil u eens te meer vragen deze te gebruiken in uw mededelingen en officiële documenten.

De Raad betreurt dat de voorstellen die hem worden voorgelegd, in dit concrete geval maar ook meer in het algemeen, geen informatie bevatten over het geschatte aantal personen met een handicap dat door de voorgestelde maatregelen zullen worden getroffen, noch over de budgettaire impact ervan.

Deze vraag om advies omvat twee voorstellen tot wijziging van de huidige regelgeving: de Raad is gekant tegen het eerste voorstel betreffende een algemeen verbod op cumulatie, en staat gunstig tegenover het tweede voorstel inzake een aanpassing van de maximumbedragen.

Voor het eerste voorstel:

De NHRPH vestigt de aandacht op het feit dat de huidige wettelijke bepalingen reeds voorzien in regels voor cumulatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming met de IGO en/of het leefloon.

Ter herinnering: de regeling voor tegemoetkomingen aan personen met een handicap is een residuaire regeling ten opzichte van de betaling van de andere socialezekerheidsuitkeringen. Bijgevolg wordt rekening gehouden met de IGO om het bedrag te berekenen dat als inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend kan worden.

Overigens wordt de inkomensvervangende tegemoetkoming anders berekend dan de inkomensgarantie voor ouderen. Wordt deze cumulatie bij wet verboden, dan zou de inkomensvervangende tegemoetkoming in bepaalde gevallen geweigerd worden en zouden sommigen moeten rondkomen met een inkomensgarantie voor ouderen van enkele euro's.

Voor de cumulatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming en het leefloon bepaalt artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie dat alle bestaansmiddelen, met inbegrip van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, in aanmerking komen bij het berekenen van het recht op leefloon. Er bestaat dus reeds een cumulatieregel voor beide regelingen.

Cumulatie van de inkomensvervangende tegemoetkoming met de IGO en/of het leefloon volledig verbieden terwijl er reeds cumulatieregels bestaan, leidt in bepaalde gevallen alleen maar tot een lager inkomen voor personen met een handicap.

De NHRPH kan dus niet akkoord gaan met het voorstel, dat op het vlak van armoedebestrijding een stap terug betekent, en geeft bijgevolg een ongunstig advies.

Het voorstel tot wijziging van de wetgeving is weliswaar bedoeld om misbruik te voorkomen (sommigen krijgen twee uitkeringen zonder dit te melden), maar toch vindt de NHRPH dat hiervoor andere middelen bestaan, onder andere elektronische gegevensstromen tussen administraties.

Wat het tweede voorstel betreft:

Op basis van zijn berekeningen stelt de Raad vast dat het voorstel de beoogde doelstelling bereikt, en dus grote schommelingen van het leefloon volgens de aard van het inkomen van de persoon met een handicap vermijdt. Over dit voorstel geeft de Raad dus een volledig gunstig advies.

Tegelijk benadrukt de Raad dat dit voorstel niet alle situaties regelt waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd (bijvoorbeeld: ouder wordende personen met een handicap die niet in staat zijn te blijven werken) en dat een globalere hervorming van het systeem nodig blijft.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter informatie aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap, FOD Sociale Zekerheid;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/32 - RIZIV

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/32 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 – aanbod van een plan voor sociaal-professionele re-integratie.


Aanvrager

Advies uitgebracht op plenaire vergadering van 19 oktober 2015, op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Minister De Block wil de beroepsherinschakeling van door het ziekenfonds erkende arbeidsongeschikte werknemers ondersteunen.

Op 20 april ll. werd op verzoek van de Minister het advies 2015/10 verstrekt over een tekst met een andere inhoud en strekking.

Onderhavig advies is gebaseerd op een ontwerp waarvan de NHRPH op 3 augustus ll. per mail in kennis gesteld werd.


Analyse

De nieuwe ontwerptekst van het KB werd als volgt verstrengd:

  • Art. 215octies. § 1. Ten laatste twee maanden na de aangifte van de arbeidsongeschiktheid door de gerechtigde voert de adviserend geneesheer een eerste analyse uit van de gerechtigden om uit te maken wie, gelet op zijn resterende capaciteiten, in aanmerking komt voor een re-integratieplan in het kader van een multidisciplinaire benadering.
  • Art. 215novies. § 1. In de volgende gevallen wordt de aan de gerechtigde verschuldigde daguitkering met tien procent verminderd:
  • - hij biedt zich niet aan op het medisch-sociaal onderzoek met het oog op het opstellen van een multidisciplinair re-integratieplan en hij beschikt niet over een geldige reden voor zijn afwezigheid;
  • - hij biedt zich niet aan op het gesprek waarin hij geïnformeerd wordt over de inhoud, de draagwijdte en de gevolgen van het aangeboden multidisciplinair re-integratieplan en hij beschikt niet over een geldige reden voor zijn afwezigheid.

Deze verstrenging werpt onvermijdelijk een ander licht op de terminologie. Aangezien de filosofie verstrengd is ten opzichte van het eerste ontwerp en de bepalingen thans tot een aanzienlijk verlies van rechten leidt, stelt de NHRPH vast dat de terminologie niet strikt genoeg is om de teksten correct en eenvormig toe te passen.


Advies

Over de raadplegingsprocedure

De Minister heeft advies 2015/10 van de NHRPH niet gevolgd.

Zij heeft niet uitgelegd waarom.

Het nieuwe ontwerp voorziet onder meer in bepalingen die de procedure verstrengen en personen penaliseren die het door het ziekenfonds voorgestelde herinschakelingsplan niet willen volgen. Over deze bepalingen heeft de Minister geen advies meer gevraagd. De NHRPH vindt dan ook dat hij erop moet antwoorden op eigen initiatief.

Los van het advies, dat overigens uitvoerig becommentarieerd werd, heeft de NHRPH bovendien de moeite genomen om lang met het kabinet van de Minister te overleggen. Op uitdrukkelijk verzoek van de NHRPH had het Kabinet verklaard dat er geen sanctie zou komen voor personen die het herinschakelingsplan niet willen volgen.

Met deze nieuwe tekst ziet het Kabinet helemaal af van zijn eigen nota “Tien principes voor een goede beroepsinschakeling van arbeidsongeschikte werknemers”.

De NHRPH betreurt deze manier van werken. Dit is immers niet bevorderlijk voor de erkenning van de doelgroep die rechtstreeks betrokken is bij de hervorming inzake personen met een handicap en zieke personen, en het bemoeilijkt een open en constructieve samenwerking die bij dit soort hervormingen noodzakelijk is.

Over de ideeën in artikelen 215octies en 215novies

  • Het principe van de sanctie: door de invoering van dit principe doet de Minister afbreuk aan de idee van vrijwillige toetreding, die nodig is voor een goede afwikkeling van het herinschakelingsplan. Bovendien vergen o.m. de aspecten die te maken hebben met de notie “weigering van de werknemer” zelf en de beroepsmogelijkheden tegen de beslissingen van de geneesheren meer rechtszekerheid.
  • Verkorting van de termijn voor de lancering van de procedure: de aanvankelijke termijn van 3 maanden was een minimum. Om redenen die verband houden met de (lichamelijke zowel als mentale) gezondheid van de betrokken persoon, met de tijd die nodig is voor de diagnose en de behandeling, en met de eventueel noodzakelijke familiale en administratieve reorganisatie, is het ondenkbaar dat iemand 2 maanden na het stopzetten van de beroepsactiviteit om gezondheidsredenen al mentaal klaar zou moeten zijn om een nieuw loopbaanplan te gaan volgen. Een werkonderbreking van 2 maanden impliceert vanzelfsprekend een ernstige pathologie die absoluut een herstelperiode vergt.
  • De NHRPH betreurt dat de Minister bij het finaliseren van haar ontwerp twee maten en twee gewichten heeft gebruikt : personen die een herinschakelingsplan weigeren, worden gesanctioneerd terwijl werkgevers die niet de nodige redelijke aanpassingen voor een wedertewerkstelling willen uitvoeren, niet worden gesanctioneerd.

Over de gebruikte terminologie in de artikelen 215octies en 215novies

  • “resterende capaciteiten”: ten opzichte van het beroep op het ogenblik van de ongeschiktheid of ten opzichte van de hele markt?
  • “diens arbeidsgeschiktheid te verbeteren”: welke? In welke omstandigheden?
  • “toestemming van de gerechtigde om te overleggen met de preventieadviseurs”: wat gebeurt er indien betrokkene geen overleg wil?
  • “onder de verantwoordelijkheid van de adviserend geneesheer maakt de verzekeringsinstelling een aanbod van multidisciplinair re-integratieplan op”: wat is de draagwijdte van deze zin? Kan de adviserend geneesheer een plan voorstellen zonder instemming van de werkgever (die overigens enkel “geraadpleegd” wordt) wanneer de werkgever de vereiste aanpassingen niet wil uitvoeren (werkpost, arbeidstijd, …)? Wie zal de efficiëntie van de aanpassingen nagaan? Zal de arbeidsovereenkomst gewijzigd worden? Is er een garantie dat het werk behouden blijft in de nieuwe functie, nu de proefperiode niet meer bestaat en de ontslagvoorwaarden enorm versoepeld zijn? Wat zijn de beschermingswaarborgen voor het werk?
  • “Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een aanbod van multidisciplinair re-integratieplan op te maken, kan de verzekeringsinstelling alleen om gegronde medische redenen afwijken”: wat zijn die gegronde medische redenen? De behandelend geneesheer wordt slechts “geraadpleegd”. Wat gebeurt er indien hij zich hiertegen verzet of wanneer er specifieke aanpassingen gevraagd worden?
  • “tenzij de gerechtigde zich om een geldige reden niet kan aanbieden”: wie beoordeelt de geldigheid? Kunnen andere redenen dan ongeschiktheid in aanmerking komen (ziek kind, …)?
  • “De verzekeringsinstelling informeert de gerechtigde over de inhoud, de draagwijdte en de gevolgen van het re-integratieplan. Als de gerechtigde akkoord gaat met de inhoud van het re-integratieplan, wordt deze inhoud opgenomen in een overeenkomst die … wordt ondertekend”: waarom bevat de overeenkomst ook niet de gevolgen? Wat is de juridische draagwijdte van deze overeenkomst in verhouding tot de arbeidsovereenkomst die voordien bestond tussen de werknemer en de werkgever?
  • “Onder de verantwoordelijkheid van de adviserend geneesheer volgt de verzekeringsinstelling het re-integratieplan elke zes maanden op, tenzij de elementen van het dossier een opvolging op een latere datum rechtvaardigen”: tot wie kan de werknemer zich richten indien hij problemen ondervindt om zijn werk uit te voeren: de werkgever of de adviserend geneesheer? Moet elk verzoek van de werknemer opgevolgd worden, en moet dit zeker binnen de 6 maanden gebeuren? Wat behelst de verantwoordelijkheid van de adviserend geneesheer? In het bijzonder wanneer de uitvoering van het plan moeilijk of onhaalbaar blijkt? Wordt het plan herzien? Kan de werknemer ontslagen worden?
  • “De aan de gerechtigde verschuldigde daguitkering wordt eveneens met tien procent verminderd, wanneer hij weigert in te stemmen met het aangeboden multidisciplinair re-integratieplan en hij niet beschikt over een geldige reden voor zijn weigering”. Wat zijn geldige redenen? Andere werk(post)omstandigheden? Met een invloed op de organisatie van het gezin?
  • “De aan de gerechtigde verschuldigde daguitkering wordt eveneens met tien procent verminderd, wanneer hij onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van het overeengekomen multidisciplinair re-integratieplan en hij niet beschikt over een geldige reden voor zijn gebrek aan medewerking”. Vanaf wanneer werkt een werknemer niet voldoende mee? Wie beoordeelt dit en op basis van welke criteria?

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van sociale zaken en volksgezondheid
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter informatie aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Advies 2015/31 - Mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/31 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van wijziging van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat en het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014, geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 19 oktober 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 oktober 2015, op verzoek van de Minister van sociale zaken en volksgezondheid per email van 11 september 2015.


Onderwerp

De wet van 12.05.2014 heeft tot doel om een erkenning als mantelzorger mogelijk te maken.

Om de erkenning mogelijk te maken die de mantelzorger identificeert en erkent, heeft de Minister een K.B. nodig dat ervoor zorgt dat de volgende punten bepaald worden:

  • Er moet uitgemaakt worden wie erkend kan worden als een zwaar zorgbehoevend persoon:
  • - Categorieën
  • - Woonplaatsvoorwaarden
  • Er moet worden vastgesteld hoeveel tijd men minimaal aan mantelzorg zou moeten besteden.
  • De pathologieën moeten worden aangewezen die voor een regelmatige hulp en bijstand van een mantelzorger in aanmerking komen.
  • Het maximumaantal personen moet worden bepaald die per geholpen persoon kunnen worden erkend als mantelzorger.

Erkende mantelzorgers zouden dan aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen vanwege de federale overheid. Deze voordelen moeten evenwel nog nader worden ingevuld. Ook projecten van andere beleidscellen zouden aan de erkenning kunnen worden gekoppeld.

In totaal worden 4 documenten aan de NHRPH voorgelegd met als vraag een advies op het geheel uit te brengen.

  • aanpassing van de wet van 12.05.2014,
  • Visienota,
  • Verslag aan de koning,
  • voorstel van KB.

Analyse

Ontwerp wetswijziging

In artikel 2, 5° van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat, beveelt de Minister de volgende wijzigingen aan:

1° in het eerste lid worden de woorden “de cyclische of gefaseerde evolutie van bepaalde pathologieën of” opgeheven;

2° het tweede lid wordt opgeheven.

De Minister verantwoordt deze opheffing als volgt:

Artikel 2, 5° van de wet van 12 mei 2014 geeft een definitie van het begrip “regelmatig”. Daarmee worden de bijstand en de hulp bedoeld die verleend worden tijdens verschillende periodes die overeenstemmen met de cyclische of gefaseerde evolutie van bepaalde pathologieën of de evolutie van de zorgafhankelijkheid. De pathologieën moeten nader omschreven worden bij een koninklijk besluit dat in de Ministerraad wordt overlegd.

Deze link met pathologieën kan ten onrechte de indruk doen ontstaan dat enkel ziektes aan de basis kunnen liggen van een zware zorgbehoevendheid. Zware zorgbehoevendheid kan echter even goed verklaard worden door het normale verouderingsproces, zonder dat daar enige pathologie komt bij kijken. Daarnaast is de oorzaak van de zware zorgbehoevendheid eigenlijk irrelevant. Enkel het feit dat iemand zwaar zorgbehoevend is en daardoor de hulp en bijstand van één of meerdere mantelzorgers nodig heeft, hoort hier van belang te zijn. Of iemand effectief zwaar zorgbehoevend is, moet van geval tot geval bekeken worden. Bovendien is gebleken dat het in de praktijk niet evident is om een volledige lijst van alle in aanmerking komende pathologieën in een koninklijk besluit op te nemen. Overigens hebben de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en de Federale Adviesraad voor Ouderen terecht de aandacht op deze problemen gevestigd in hun adviezen over het wetsontwerp dat uiteindelijk de wet van 12 mei 2014 is geworden.

Visie

Het document bevestigt dat een statuut van mantelzorger noodzakelijk is en dat transversaal, voor het hele federale sociale kader, een aantal erkenningsparameters moeten worden vastgelegd.

Verslag aan de Koning

Het verslag beklemtoont de link tussen erkenning en voordeel. Het benadrukt dat met name de vergrijzing een dergelijk statuut noodzakelijk maakt. Bovendien wordt de onmisbare rol van de mantelzorger voor de geholpene en de maatschappij aangestipt. Het verslag wijst verder op de evaluerende rol van de adviserend geneesheren bij de verschillende instellingen van sociale zekerheid en introduceert een notie van wederzijdse erkenning tussen deze instellingen. Het bevat een niet-exhaustieve lijst van ondersteunende en helpende handelingen.

Ontwerp van KB

Art. 1. Definities

Art. 2 Voorwaarden voor erkenning als geholpen persoon

  • Medische definitie van grote zorgbehoefte
  • Automatische erkenning
  • - Voor personen met een handicap erkend voor de leeftijd van 65 jaar
  • - Voor personen jonger dan 21 jaar

Art. 3. Verblijfsvoorwaarde: wettelijk verblijf in België

Art. 4. Investeringsvereiste voor de mantelzorger: duur en vorm

Art. 5. Maximaal 3 mantelzorgers per geholpen persoon.

Art. 6. Procedure voor de erkenning als mantelzorger: vaststelling van de medisch-sociale situatie


Advies

1. Wetswijziging

De NHRPH verheugt zich over het voorstel van wetswijziging. In 2014 had de Raad overigens zelf reeds gevraagd de verwijzing naar de pathologieën te schrappen.

2. Visienota en Verslag aan de koning

Volgens de NHRPH leggen de visienota en het verslag aan de Koning het kader en de doelstellingen van het ontwerp van KB duidelijk vast. De NHRPH kan ermee instemmen dat de klemtoon wordt gelegd op de vergrijzing en de levenskeuze van de bejaarden. Daarnaast vraagt de Raad dat ook de nodige nadruk wordt gelegd op de gevolgen van handicap en ziekte en op de levenskeuze van personen met een handicap en zieken, en op hun streven naar zelfstandigheid.

Verder vestigt de Raad de aandacht op het feit dat de term “cohorte” in de Nederlandstalige versie nogal ongelukkig gekozen is. In de plaats daarvan stelt hij “een groot aantal” voor.

3. Ontwerp van KB

De NHRPH is zeer terughoudend wat de teneur van het ontwerp van KB betreft. Het bevat een reeks bepalingen en onnauwkeurigheden die het KB moeilijk toepasbaar dreigen te maken en zelfs niet beantwoorden aan de noden van de geholpen personen en de mantelzorgers. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in bepaalde familiale situaties sneller gekozen zal worden voor de plaatsing in een instelling. Het is echter geweten dat deze formule een grote financiële impact heeft op de maatschappij.

Art.1

1. Het besluit heeft enkel oog voor de situatie van de mantelzorgers van geholpen personen met een grote zorgbehoefte (cf. “regelmatige hulp en bijstand”, “die een invloed hebben op de beroeps- of familiale situatie van de mantelzorger”)

2. Het Besluit beoogt de ondersteuning van mantelzorgers die “de tijdsinvestering [doen] op psychologisch, sociaal of moreel vlak en de tijdsinvestering op fysiek of materieel vlak die een invloed hebben op de beroeps- of familiale situatie van de mantelzorger”.

3. Het Besluit doet geen uitspraak over de concrete begeleidings- en beschermingsmaatregelen waarin de staatsstructuren voorzien, waardoor het bepalen van de zorg wordt overgelaten aan de specifieke regelgevingen. Op zich is dit volledig begrijpelijk en wenselijk: de NHRPH is van oordeel dat elke regelgeving inzake sociale zekerheid en sociale bescherming rekening moet houden met de rechten en behoeften van personen met een handicap en hun familie. Hij benadrukt evenwel dat het hele ontwerp coherent moet zijn op het vlak van begeleiding en bescherming van de geholpen personen en de mantelzorgers.

4. In de “visienota” werpt de Minister echter een sluier over de draagwijdte van de maatregelen. De nota stelt als volgt:

  • “de rechten van de mantelzorgers moeten worden gevrijwaard”,
  • “ze moeten eenvoudigere ontsluiting krijgen tot begeleiding bij de thuisopvang van zwaar zorgbehoevende personen”
  • Ze moeten “adequate hulplijnen aangeboden krijgen”
  • “De erkenning moet laagdrempelig en gemakkelijk verkrijgbaar zijn, en toegang geven tot een gamma voordelen.”

5. Het verslag aan de koning stelt op zijn beurt: “De mantelzorgers die overeenkomstig de wet en dit ontwerp van koninklijk besluit zullen erkend zijn, zullen dan kunnen genieten van door de federale overheid toegekende voordelen.”

Al deze verklaringen, die bovendien in de gebiedende wijs zijn geformuleerd (het werkwoord ‘moeten’ keert steeds terug en wordt gekoppeld aan krachtige engagementen) impliceren in elk geval een duidelijke richting wat het beoogde actiekader betreft: rechten en voordelen die afgestemd zijn op de behoeften.

Om al deze redenen is de NHRPH van mening dat art. 1 van dit ontwerp van KB “kader” het beginsel moet vastleggen voor de progressiviteit van de maatregelen en de evenredigheid ervan tot de omvang van de nodige hulp, en wel volgens de volgende principes:

  • Toegang tot de ondersteunende maatregelen (informatie, opleiding en verzekeren) voor alle mantelzorgers;
  • Toegang tot socialebeschermingsmaatregelen enkel wanneer het gebrek aan zelfredzaamheid van de geholpen persoon van die aard is dat dit van de mantelzorger(s) een tijdsinvestering vergt die onvermijdelijke gevolgen heeft voor hun beroepsverplichtingen als werknemer of daarmee gelijkgestelde.

Ter illustratie van deze notie van progressiviteit en evenredigheid nemen we de situatie van een baby die van bij de geboorte lijdt aan chronische bronchitis. Na een aantal jaren treedt een ernstige respiratoire regeneratie op in combinatie met een mentale retardatie. De situatie is onomkeerbaar en zo ernstig dat de DG een ernstige en blijvende handicap bij het kind erkent.

Het gebrek aan zelfredzaamheid bij het kind komt tijdens de eerste jaren op verschillende manieren tot uiting: de ouders zullen begeleiding nodig hebben zowel op vlak van informatie (schooltraject, toegang tot thuiszorg, …) als op vlak van vorming (eventueel aanleren van bepaalde therapeutische handelingen); idealiter dekt een verzekering eventuele schade aan apparaten die door het ziekenfonds of de apotheek zijn uitgeleend.

Zodra de ziekte echt ernstig begint te worden, volstaat de gewone beschikbaarheid van werkende ouders niet meer. Door de complicaties van de ziekte kan het gebeuren dat ouders die tijd met hun kind willen doorbrengen hun beroepsactiviteiten een tijdlang moeten stopzetten of tijdens hun werkloosheid een periode van inactiviteit inbouwen. In een dergelijk geval staan de ouders en hun omgeving daadwerkelijk op een keerpunt van hun gezins- en beroepsleven: zij moeten soms radicale beslissingen nemen en voor korte of langere tijd bepaald levenskeuzes maken: zal een van beide ouders stoppen met werken of een pauze inlassen?

Dit zijn periodes in een mensenleven waarbij de situatie van de mantelzorger die zich intensief om een persoon met een grote zorgbehoefte bekommert, welbepaalde beschermingsmaatregelen vereist. Indien deze specifieke beschermingsmaatregelen niet woorden genomen, lopen de mantelzorger en het ganse gezin het gevaar hun statuut en een aanzienlijk deel van hun inkomen te verliezen, zeker tijdelijk maar in heel wat gevallen ook definitief.

Art.2 :

1. Artikel 2 betreft de erkenningsdrempels in verschillende wetgevingen: integratietegemoetkoming, verhoogde kinderbijslag, hulp aan derden, supplement voor ernstige handicap “Medex”.

  • De NHRPH begrijpt niet waarom de hulp aan bejaarden (THAB) niet in rekening wordt gebracht voor een erkenning, zeker gelet op de volgende stelling in het het verslag aan de Koning: “De noodzakelijke erkenning van een statuut voor de mantelzorgers is onder andere verantwoord door de vergrijzing van de bevolking, met als gevolg dat personen die niet meer alleen thuis kunnen blijven begeleiding nodig hebben.”
  • De drempels zelf liggen heel hoog: boven deze drempels worden tal van personen met een handicap of ziekte getroffen door een verlies van mobiliteit en zelfredzaamheid, toch belangrijke factoren in de domeinen van het dagelijkse leven, waardoor een vorm van mantelzorg noodzakelijk is die zware gevolgen heeft voor beroeps- en gezinssituatie.
  • Volgens de NHRPH moet worden nagegaan of de volgende drempels een ernstig gebrek aan zelfredzaamheid inhouden dat de erkenning rechtvaardigt van een intensieve mantelzorg voor een persoon met een grote zorgbehoefte:
  • - een vermindering van de zelfredzaamheid van minstens 9 punten die vastgesteld werd op basis van de handleiding voor de beoordeling van de zelfredzaamheid bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987, in alle stelsels waarin deze handleiding gebruikt wordt (tegemoetkomingen voor personen met een handicap, vervroegd pensioen van overheidspersoneel, arbeidsongevallen, hulp van derden RIZIV, ...)
  • - minstens 9 punten, waarvan minstens 1 punt voor pijler 3 (gevolgen van de handicap voor het gezin), voor de erkenning van het recht op de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap of aandoening;
  • - minstens erkenning T7 op de Katz-schaal.

Ook boven deze drempels kan de zelfredzaamheid van de betrokkene beperkt zijn, maar slechts in die mate dat een lichtere vorm van mantelzorg vereist is zonder al te veel gevolgen voor het beroeps- en gezinsleven.

2. De wijze van toekenning van het statuut en de erkenningsprocedure zijn niet helemaal duidelijk: automatische toekenning lijkt voorrang te krijgen. Dit is een zeer goede zaak voor een duidelijke en snelle behandeling van de aanvragen, maar de NHRPH ziet de toegevoegde waarde niet van artikel 2 § 1, 6de lid, want elke regelgeving voorziet in een erkenning die beperkt is in de tijd. Regelmatige en geactualiseerde stromen maken een bijkomende beoordeling “mantelzorger” in feite overbodig.

Art. 4. en art. 6 §1

Art. 4 regelt het te bewijzen aantal uren ondersteuning en opleiding: maandelijks minstens 50 uren, jaarlijks minstens 600 uren.

Dit mechanisme om het bewijs vast te leggen lijkt gebaseerd op de medisch-sociale situatie van de geholpen persoon volgens de arts van diens ziekenfonds (art. 6 §1).

Het is een log en nutteloos mechanisme.

Zeer log, want een pertinente en volledige vaststelling vergt een fysieke verplaatsing vanwege het ziekenfonds naar de woonplaats van de geholpen personen, op verschillende momenten in functie van de medische situatie van de geholpen persoon, zijn verzorgingsmomenten, zijn activiteiten, … Bovendien zullen verplaatsingen, het toedienen van een maaltijd, verzorging … in bepaalde situaties tijd in beslag nemen en in andere situaties min of meer vlot verlopen afhankelijk van de omgeving en de mantelzorger.

Nutteloos: met name wanneer de situatie van grote zorgbehoefte bovendien al eerder werd erkend. Om terug te komen op het voorbeeld van het kind hierboven: het spreekt voor zich dat, wanneer de erkenning werd vastgesteld door de geneesheer van de DG PH, deze de medisch-sociale situatie van het kind en zijn gezin heeft moeten beoordelen. De erkenning door een arts gebeurt niet buiten een levenskader, en zij houdt rekening met de parameters inzake hulp en ondersteuning die nodig zijn om het kind zo goed mogelijk bij te staan in zijn dagelijkse behoeften: verzorging, verplaatsing, activiteiten, … Met andere woorden, de erkenning van een hogere categorie van gebrek aan zelfredzaamheid is niet mogelijk indien de hulp herleid kan worden tot slechts een paar kleine handelingen.

Los van het mechanisme is het vereiste aantal gepresteerde uren om te erkenning te verkrijgen toch wel hoog: 50 uren per maand betekent 12 uren per week, goed voor 2 dagen per week of 3 keer 4 uren per week. Dit is heel wat. Hier is wel degelijk sprake van een situatie van grote zorgbehoefte met mogelijks gevolgen op het gezins- en beroepsleven, want het gaat echt wel om een exclusieve toewijding aan één persoon gedurende uren, los van bv. de behoeften van de andere kinderen in het gezin.

Bovendien bepaalt het KB niet om welke handelingen het precies gaat, terwijl het verslag aan de Koning gewag maakt van “onderstaande niet-limitatieve lijst:

  • verstrekken van handelingen bij de geholpen persoon zoals bedoeld in artikel 160 van de wet 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid;
  • de geholpen persoon voeden;
  • de geholpen persoon wassen en aankleden;
  • om boodschappen gaan ten behoeve van de geholpen persoon;
  • inslapen bij de geholpen persoon;
  • medicatie toedienen aan de geholpen persoon.”

Dit zijn wel degelijk taken die uitgevoerd zouden kunnen worden door gekwalificeerd begeleidend en verzorgend personeel.

Deze taken vergen kennis van zaken en grondigheid. A ratio van minstens 50 uren per week. Dat zij extra belasting en vermoeidheid met zich meebrengen, staat buiten twijfel.

Bovendien moet met in rekening brengen wat een dergelijke erkenning met zich meebrengt: gaat het om maatregelen op vlak van informatie en vorming, dan ligt de lat wel zeer hoog en beantwoorden de maatregelen niet aan de noden van de betrokkenen, die uiteraard veel meer vragen dan informatie en vorming! Gaat het om socialebeschermingsmaatregelen, dan is het al beter te begrijpen. Dit is een bijkomend argument vóór het principe van de evenredigheid en progressiviteit uiteengezet op p. 5 van dit advies.

Art. 5

De idee om meer dan een mantelzorger te erkennen is uiteraard noodzakelijk gelet op wat bepaalde levenssituaties en de omvang van bepaalde taken vereisen. Situaties waarbij één iemand uit de omgeving overbelast wordt, moeten maximaal worden tegengegaan.

Bovendien is het ook niet wenselijk een bovengrens vast te leggen voor het aantal mantelzorgers. Het betrokken gezin en de omgeving moeten de kans krijgen zich te organiseren. De een is de ander niet, en de taakverdeling binnen een gezin of sociale omgeving mag niet aan banden worden gelegd door wettelijke voorschriften willen we de mantelzorg in de praktijk alle kans op slagen geven.

Daarnaast moet de geholpen persoon de meest nabije en efficiënte familiale en sociale ondersteuning krijgen. Daarom is het van belang dat iedereen die bij zijn situatie betrokken is toegang heeft tot alle nodige informatie en opleidingen. Wanneer bv. een kind met een verlamming niet alleen thuis tijd doorbrengt maar ook op school en bij de jeugdbeweging, lijkt het logisch, en voor zijn participatie aan het maatschappelijke leven ook wenselijk, dat meerdere personen in zijn familiale en sociale omgeving de opleiding ‘tillen en verplaatsen van personen met een handicap’ moeten kunnen volgen.

Art. 6 § 1

De ziekenfondsen zullen de opdracht krijgen de mantelzorgsituaties in te voeren, op te volgen en te organiseren. De NHRPH wil weten welke middelen aangewend zullen worden om dit in goede banen te leiden.

Art. 6 § 2

De hoedanigheid van mantelzorger wordt automatisch erkend voor aanvragen ouder dan 6 maanden. De NHRPH vraagt zich af of die automatische erkenning haalbaar is aangezien er specifieke rechten aan verbonden zullen worden, eventueel ook in andere domeinen dan gezondheidszorg en invaliditeit.

Art. 6 § 3

De erkenning van de mantelzorger, een bepaling die rechten genereert, moet het voorwerp zijn van een administratieve beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld voor de rechtscolleges van de rechterlijke orde.

Voor het overige verwijst de NHRPH naar zijn positienota over de mantelzorgers gepubliceerd op 8 oktober ll.

De Raad benadrukt uitdrukkelijk dat de openbare overheden de erkenning van het mantelzorgstatuut en de begeleidende en beschermende maatregelen in geen geval als voorwendsel mogen gebruiken om niet structureel verzorging en professionele dienstverlening te waarborgen die tegemoetkomen aan de noden van alle geholpen personen en de mantelzorgers zelf.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw De Block, Minister van sociale zaken en volksgezondheid
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter informatie aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme

Advies 2015/30 - Beheerscontracten NMBS

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/30 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toekomstige beheerscontracten van de NMBS-Group, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 oktober 2015.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

De onderhandelingen voor de nieuwe beheerscontracten lopen al een tijdje (zie advies 2014/08), maar er lijkt beweging in de zaak te komen. Aangezien die beheerscontracten het spoorwegbeleid voor meerdere jaren gaan bepalen, is het nu bij uitstek het moment om in die beheerscontracten extra aandacht te hebben voor universele toegankelijkheid en personen met een handicap. De NHRPH brengt daarom dit advies uit, met daarin aandacht voor 7 prioriteiten die de NHRPH heeft voorgesteld tijdens de stakeholders vergadering op het Kabinet van de Minister van Mobiliteit op maandag 28 september 2015.


Analyse

De NHRPH vraagt om bij het opstellen van de beheerscontracten, die toch het beleid van de Belgische spoorwegen gedurende de volgende jaren zullen sturen, nadrukkelijk rekening te houden met de personen met een handicap. Het is erg belangrijk dat daarbij grondig over toegankelijkheid voor allen wordt gedacht. Daarvoor verwijst de NHRPH ook naar een aantal documenten en principes die aan de basis liggen van zijn filosofie en werking.

De NHRPH verwijst in de eerste plaats naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap dat door België is geratificeerd. Toegankelijkheid is zelfs een van de grondbeginselen van het Verdrag (zie artikel 3) en er is dan ook een heel artikel aan gewijd (artikel 9). Artikel 20 is hier ook essentieel: dat behandelt de mobiliteit.

Het Verdrag vraagt dat de personen met een handicap transversaal worden betrokken bij beslissingen die hun aangaan, van de denkoefening over het uitwerken tot de aflevering en evaluatie.

In artikel 3 worden naast toegankelijkheid o.a. de volgende grondbeginselen aangehaald:

  • a. Respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen;
  • c. Volledige en daadwerkelijke participatie in, en opname in de samenleving;
  • e. Gelijke kansen

Artikel 4, Algemene verplichtingen, stelt in punt 3:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

Het principe van de transversaliteit, het rekening houden met en het betrekken van personen met een handicap bij elke stap van de beslissingname, uitvoering en controle loopt als een rode draad doorheen het Verdrag.

De NHRPH is de representatieve organisatie van personen met een handicap in België op federaal vlak en vervult zo de rol die in artikel 4, punt 3 van het Verdrag is beschreven. De NHRPH vertegenwoordigt alle personen met een handicap, ongeacht het type van handicap, en streeft naar een volwaardige integratie van personen met een handicap in de maatschappij. De leden zijn allemaal mensen met expertise in het domein van de handicap. De NHRPH rekent er dan ook op dat zijn adviezen de aandacht krijgen die ze verdienen. De NHRPH wenst dan ook dat artikel 46 (Overleg) van het Beheerscontract 2008-2012 wordt behouden:

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap is, voor het overleg met de NMBS, de enige gesprekspartner die optreedt als vertegenwoordiger van de verschillende groeperingen en verenigingen die zich inzetten voor de minder mobiele reizigers.

Voor zijn visie/principes op het vlak van toegankelijkheid en mobiliteit verwijst de NHRPH ook naar zijn Positienota Toegankelijkheid en mobiliteit voor personen met een handicap van 29/01/2013


Advies

De NHRPH wil een aantal concrete punten extra in de verf zetten. Deze punten heeft de NHRPH ook voorgesteld op een stakeholders ontmoeting bij Minister Galant op maandag 28 september 2015.

1. Budget

De NHRPH begrijpt dat de NMBS moet bezuinigen en dat dat niet vanzelfsprekend is in het licht van de recente herstructurering, waarbij de NMBS een aantal taken en verantwoordelijkheden heeft overgenomen van Infrabel. Toch vraagt de NHRPH om niet te besparen op de PBM die voor hun mobiliteit meer nog dan anderen afhankelijk zijn van het openbaar vervoer.

De NHRPH wijst erop dat het inplannen van toegankelijkheid voor allen van bij het begin goedkoper en efficiënter is dan achteraf de gebreken weg te werken.

Verder betreurt de NHRPH dat sommige renovatiewerkzaamheden stil liggen wegens gebrek aan middelen. De NHRPH vraagt de Minister van Mobiliteit om erop toe te zien dat de besparingen bij de NMBS niet ten koste van de toegankelijkheid voor allen verlopen.

2. Toegankelijkheid

Dat brengt ons meteen bij een tweede prioriteit: toegankelijkheid voor allen, reeds aangehaald als artikel 9 van het VN-verdrag inzake de personen met een handicap.

De NMBS houdt bij haar renovatiewerken reeds rekening met toegankelijkheid, ook als die infrastructuren voorheen onvoldoende toegankelijk waren. De NHRPH dringt eropaan dat die lijn wordt aangehouden.

Maar toegankelijkheid gaat verder dan dat. Voor de NHRPH moet het einddoel zijn dat alle stations, treinhaltes, passagierstreinen, voor het publiek toegankelijke infrastructuren, stationsomgevingen, ICT en andere faciliteiten (reservatie, informatie, vervoerbewijzen kopen, …) die met het spoorverkeer in België te maken hebben volledig toegankelijk zijn voor iedereen. Waar dat niet het geval is, moet snelle assistentie voorhanden zijn.

In zijn advies 2015/06 betreurt de NHRPH dan ook dat de NMBS haar assistentieaanbod heeft verminderd. De NMBS heeft een lijst opgesteld van 131 stations en haltes waarvoor de assistentie - mits tijdige aanvraag – wordt gegarandeerd aan allen, en dat 7 dagen op 7, van de eerste tot de laatste trein. In de stations en haltes die NIET op de lijst van 131 stations en haltes staan wordt er enkel assistentie verleend aan PBM die zich zonder rolstoel of met een plooibare rolstoel kunnen verplaatsen, en dat volgens de beschikbaarheid van de mobiele ‘B for You’-assistentieploegen van de regio. In drukkere regio’s kunnen de ploegen de vraag niet altijd aan.

De NHRPH vraagt de NMBS met aandrang om niet te besparen op toegankelijkheid en assistentie en vraagt de bevoegde Ministers om de NMBS voldoende middelen te geven voor het toegankelijk maken van meer stations en haltes en om voldoende assistentie te organiseren voor alle regio’s. De NMBS werkt al jaren aan het toegankelijker maken van haar infrastructuur. Het zou onaanvaardbaar zijn dat alle inspanningen van de laatste jaren door besparingen teniet worden gedaan.

De NHRPH maakt ook gebruik van deze gelegenheid om nogmaals te vragen om de regels en termijnen voor het aanvragen van assistentie te versoepelen, een regel die de NHRPH al lang een doorn in het oog is. Zolang die regel van kracht is, kunnen personen met een handicap niet echt vrij reizen.

Ondertussen heeft de NMBS een voorstel gedaan om de assistentietermijn te verminderen tot minimaal 3 uur op voorhand voor reizen tussen twee stations uit een lijst van 18, op voorwaarde dat er geen overstap nodig is en de aanvraag telefonisch gebeurt. In zijn advies 2015/27 erkent de NHRPH dat dit een stap in de goede richting is, maar betreurt de NHRPH ook dat de versoepeling enkel geldt voor reizen tussen de 18 stations uit de lijst en dat reizen met overstap ook niet in aanmerking komen voor een reservatie van minimum 3 uren op voorhand. Ook het feit dat de versoepelde regel enkel wordt toegepast na telefonische aanvraag is teleurstellend. Die voorwaarden hollen de versoepeling deels uit.

Voor de NHRPH blijft het de bedoeling dat PBM en personen met een handicap op dezelfde manier kunnen reizen als anderen. Het einddoel blijft een volledig toegankelijk spoorverkeer en steeds beschikbare assistentie op eenvoudige vraag ter plaatse, in alle stations en haltes.

3. Communicatie

Ook personen met een handicap hebben recht op snelle en betrouwbare informatie wanneer ze de trein nemen.

Heel belangrijk – maar het gebeurt nog niet systematisch – is actuele en begrijpelijke informatie die voor iedereen toegankelijk is, zowel in stations en op perrons als op de trein. Personen met een zintuiglijke handicap lopen immers een ernstig risico om bepaalde mededelingen te missen. Een persoon met een zware visuele handicap merkt de perronwijzigingen op de schermen niet op en een dove of slechthorende persoon hoort de omgeroepen informatie niet. De NHRPH wenst dus dat alle info op zijn minst visueel en auditief wordt meegedeeld in stations, perrons en op de trein. De technologie biedt steeds meer mogelijkheden op dit vlak, zoals speciale ‘apps’ voor PBM, geluidsbakens, gps, enz.

Tot slot wordt het hoog tijd dat de website van de NMBS wordt aangepast en onderhouden volgens de regels van AnySurfer.

4. Boordtarief

Sinds 1 februari 2015 is bij het Belgische spoorverkeer het zogenaamde boordtarief van kracht. Wie de trein neemt zonder geldig vervoersbewijs, moet een ticket op de trein kopen bij de treinbegeleider. Dit ‘boordtarief’ is steeds €7 duurder dan hetzelfde vervoersbewijs dat vooraf zou zijn gekocht.

De NHRPH wil dat personen met een handicap voor wie de alternatieven voor aankoop aan het loket onvoldoende toegankelijk zijn ook op de trein nog een ticket kunnen kopen zonder een supplement te moeten betalen. De NHRPH heeft zijn standpunt uiteengezet in zijn perscommuniqué van 05/02/2015 en in zijn advies 2015/21, waarin hij ook een oplossing voorstelt.

5. Uniformiteit

De infrastructuur en het rollend materieel bij de NMBS zijn erg divers. Dat is een erfenis van het verleden: treinstellen hebben doorgaans een lange levensduur en in de loop der jaren zijn verschillende modellen in gebruik genomen. De meeste haltes en stations dateren van voor de huidige normen, zodat perronhoogtes ook kunnen verschillen.

De NHRPH vraagt dat er grondig werk wordt gemaakt van de uniformiteit. Zo denken we aan treinen en ingebedde perrons die op elkaar zijn afgesteld, zodat een rolstoelgebruiker veilig en op eigen kracht de trein kan inrijden, eventueel via een geautomatiseerde uitklaphelling van de trein.

Ook voor de inrichting van stations en omgeving is uniformiteit aangewezen. Zo zou een PBM – bijvoorbeeld een blinde reiziger – zich vlotter kunnen oriënteren in een station dat hem nog onbekend is wanneer de inrichting en structuur vergelijkbaar zijn. Hij of zij weet dan waar het toegankelijk loket te vinden is, waar de infozuil en de liften zich bevinden, waar je assistentie kunt krijgen, waar de toegankelijke toiletten zijn, …

De NHRPH beseft dat dit een werk van lange adem is. Bovendien moet dat gebeuren in overleg met andere betrokken actoren: de andere aanbieders van openbaar vervoer, de stad of gemeente, de sector van de handicap (de NHRPH) en andere stakeholders, … Er is een masterplan voor de toekomst nodig waarin wordt gestreefd naar uniformiteit en toegankelijkheid voor iedereen.

6. Revalor

In overleg met het middenveld, waaronder de NHRPH, heeft de NMBS in 2009 een uitgebreide technische toegankelijkheidshandleiding opgesteld, Revalor genaamd, voor infrastructuurwerken bij de spoorwegen. Die handleiding bevat een schat aan technische informatie (materialen, dimensies, enz.) om stations, haltes en omgeving toegankelijk te maken voor iedereen.

Revalor toont zich nog dagelijks een nuttig instrument, maar het was niet mogelijk om vooraf alle mogelijke situaties te voorzien. Wanneer een situatie buiten de norm van Revalor dreigt te vallen – bijvoorbeeld omdat er onvoldoende ruimte is voor de Revalor-oplossing of omdat het om een beschermd monument gaat -, vraagt de NMBS een advies aan de NHRPH. Op die manier zijn al oplossingen gevonden voor een aantal minder frequente situaties.

De huidige versie van Revalor dateert van 2009. Een update – die ook de nieuwe inzichten zal bevatten - dringt zich op. De NHRPH vraagt dat daar spoedig werk van wordt gemaakt, in overleg met de sector. De NHRPH zal dan een advies uitbrengen over de nieuwe versie.

7. Sensibilisering

Zowel bij de NMBS, haar personeel als bij het publiek blijft er een nood aan sensibilisering bestaan. Er is al een lange weg afgelegd, maar soms worden personen met een handicap nog te veel gezien als die lastige, kleine doelgroep waarvoor dure extra voorzieningen moeten worden geïnstalleerd. Personen met een handicap willen gewoon op dezelfde manier deelnemen aan het maatschappelijk leven als anderen. Vlot gebruik maken van het spoorverkeer is daar een belangrijk onderdeel van.

Daarom blijft het noodzakelijk om de personen met een handicap – alle types van handicap! – via de NHRPH te betrekken bij het bedenken, ontwikkelen en uitwerken van projecten om de toegankelijkheid te verzekeren van bij de start. Een transversale aanpak is immers efficiënter en vaak zelfs goedkoper dan latere aanpassingen voor toegankelijkheid.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Premier;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2015/29 - Station Leuven

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/29 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassingen aan het station van Leuven, opgesteld tijdens de plenaire vergadering van 21/10/2015.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS tijdens de vergadering van de werkgroep ‘NMBS’ van 03/09/2015.


Onderwerp

Tijdens de renovatie van het geklasseerde stationsgebouw werd beslist, in samenspraak met de NHRPH, om een obstakelvrije route via perron 1 naar de lokettenzaal van het stationsgebouw aan te leggen. Deze obstakelvrije route start op het Martelarenplein (reeds voorzieningen aanwezig voor blinde en slechtziende personen aanwezig die vanuit de stadskern komen), tussen het beschermde stationsgebouw en het seinhuis tot aan perron 1. Deze geleidelijn wordt beschouwd als de hoofdas voor blinde en slechtziende personen om naar de lokettenzaal van het station te gaan.

Momenteel worden er verbouwingswerken uitgevoerd aan het seinhuis, dat zich rechts van het stationsgebouw bevindt. Tijdens deze verbouwingswerken worden op de gelijkvloerse verdieping van het seinhuis de nodige sanitaire voorzieningen voor de reizigers geplaatst, alsook een trap gebouwd die de verbinding zal vormen tussen de reeds aanwezige voetgangersbrug over de sporen en het Martelarenplein. Naast sanitair heren en dames worden ook een nachttoilet/toilet personen met een beperkte mobiliteit (PBM) heren en dames geplaatst.

Vanaf de hoofdas van de geleidelijn worden volgende aftakkingen gepland:

  • Geleidelijn naar de onderkant van de metalen trap van de voetgangersbrug. Ter hoogte van de trap worden de nodige noppentegels voorzien op 60 cm van de onderkant van de trap;
  • Geleidelijn naar de toegangsdeur van het sanitair ‘dames/heren’. Op 60 cm van de gesloten deur komt er een rubbertegel (informatietegel);
  • Geleidelijn naar de nachttoiletten/sanitair PBM. Deze geleidelijn komt aan tegen de gevel van het seinhuis tussen de toegangsdeur van het nachttoilet heren enerzijds en het nachttoilet dames anderzijds. De toegangsdeuren naar sanitair PBM/nachttoilet worden normaal gezien afgesloten. Bediening/openen van deze toegangsdeuren zal (vermoedelijk) gebeuren met de MOBIB-kaart of via parlofoon;
  • Geleidelijn naar de vaste trap naar de onderdoorgang;
  • Geleidelijn naar de assistentiezuil op perron 1.

Aan de ontwerper werd gevraagd om onder de trapboom van de metalen trap naar de voetgangersbrug een duidelijk detecteerbare barrière te voorzien om te vermijden dat de reizigers zich stoten aan de onderkant van de trap. Vrije hoogte ter plaatse van de markering/barrière: 2,3 meter.

De NMBS vraagt het volgende:

1) Zijn de hierboven vermelde aftakkingen naar de twee verschillende sanitaire voorzieningen allebei noodzakelijk? Is het voldoende om enkel een aftakking naar het nachttoilet/sanitair PBM te bouwen, zonder aftakking naar het sanitair reizigers? Dit in de veronderstelling dat de blinden en slechtzienden de geleidelijn naar het nachttoilet volgen tot tegen de gevel van het seinhuis, die gevel volgen richting sanitair reizigers. Ter hoogte van de toegangsdeur naar het algemeen sanitair kan dan een rubbertegel 60 x 60 cm worden geplaatst op 60 cm van de gesloten toegangsdeur om te melden dat ook daar een toegang tot sanitair is. Of is het voldoende om alleen de aftakking naar het sanitair van de reizigers te plaatsen en voorzien we een rubbertegel ter hoogte van de twee toegangsdeuren van beide nachttoiletten? Welke aftakking heeft de voorkeur ?

2) De hoofdas wordt op een bepaald moment onderbroken door een bestaande lijnafwatering. In huidige toestand is deze onderbreking ongeveer 60 cm. Dient dit aangepast te worden? M.a.w.: geven we de voorkeur aan de geleidelijn en onderbreken we de lijnafwatering) of is een onderbreking van 60 cm aanvaardbaar in een loodrechte kruising ?


Analyse

1) Voor geleidelijnen geldt de algemene regel dat eenvoud primeert. Wat sanitair betreft, volstaat het dat de geleidelijnen naar één volledig toegankelijk sanitair leiden. Het is wel essentieel dat dat toilet dan ook altijd volledig toegankelijk is. Vanzelfsprekend moet dat toilet ook goed zijn aangegeven.

De NHRPH is geen voorstander van een gesloten deur van het nachttoilet/sanitair voor PBM die automatisch zou kunnen worden geopend via parlofoon. Automatische deuren raken vroeg of laat defect, maar daarna worden ze niet altijd snel hersteld. Onvrijwillige opsluiting in de toiletten moet ook worden vermeden.

Mogelijke problemen met de parlofoon:

  • te hoog geplaatst voor rolstoelgebruikers;
  • moeilijk te vinden voor blinden en slechtzienden;
  • complex in het gebruik;
  • de operator verwacht een gesproken antwoord van de aanvrager, wat voor bepaalde PBM een probleem is;
  • de post is (tijdelijk) niet bemand;
  • langdurig defect;
  • ruis op de lijn;
  • de dove of slechthorende gebruiker hoort de buzzer niet.

Het voorgestelde alternatief, de MOBIB-kaart om de deur naar het sanitair voor PBM te openen is niet voor iedereen interessant. Niet alle PBM hebben zo’n kaart. Denk maar aan mensen die maar zelden de trein nemen, buitenlanders, …

Overigens gebruiken personen met een visuele handicap vaak het gewone toilet wanneer ze niet vergezeld zijn van een assistentiehond.

2) Wat de onderbreking van de geleidelijn door de waterafvoer betreft, moet de situatie geval per geval worden bekeken. Indien de goot zich op gelijke hoogte bevindt als de omliggende oppervlakte, is een noppentegel aan de goot niet nodig, aangezien er geen direct gevaar is. Een ribbeltegel volstaat dan.

Revalor zegt in zijn ontwerptips voor een obstakelvrije looproute het volgende over goten die een geleidelijn kruisen:

De maaswijdte van roosters moet kleiner of gelijk zijn aan 10 mm (punt van stok visueel gehandicapte of bijvoorbeeld naaldhakken mogen niet in roosters of gleuven kunnen). Gleuven worden dwars op de looprichting geplaatst.

3) De NHRPH stelt nog vast dat de fietsspiraal - die de fietsersbrug verbindt met het Martelarenplein - uitgeeft op een verkeersluwe passage met een strook voor voetgangers en een vak voor bussen en taxi’s, wat een risico op botsingen inhoudt met fietsers die in volle vaart de spiraal afrijden. De NHRPH raadt aan om in overleg met de stad Leuven een veilige oplossing te vinden voor alle gebruikers, in het bijzonder voor PBM, een extra kwetsbare groep.


Advies

De NHRPH wenst dat het station en de toiletten toegankelijk zijn voor alle types van handicap, en dit minstens vanaf de aankomst van de eerste trein in het station tot het vertrek van de laatste.

De NHRPH hanteert voor geleidelijnen het principe van de eenvoud. Overbodige aftakkingen maken de oriëntatie moeilijk en zijn te vermijden. Een aftakking naar een toilet dat - bij voorkeur 24/7 - toegankelijk is voor iedereen, ook PBM, volstaat. Waar mogelijk kunnen de natuurlijke geleidelijnen worden gebruikt.

Voor het uitwerken van een technische oplossing die overeen komt met Revalor vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

Voor de lijnafwatering verwijzen we naar de bovenvermelde aanbevelingen in Revalor.

Vanzelfsprekend moet ook voor de rest van de werkzaamheden Revalor worden gevolgd.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/28 - Toegankelijke websites

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/28 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van websites. Advies verstrekt tijdens de plenaire zitting van 19/10/2015.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Het internet dringt zich steeds meer op als belangrijkste informatiebron voor de hele Belgische bevolking.

Te veel websites beantwoorden niet aan de minimale toegankelijkheidsnormen die alle burgers in staat moeten stellen ze te gebruiken. In het bijzonder personen met een handicap dragen hiervan de gevolgen.

De gevolgen voor deze mensen kunnen aanzienlijk zijn: ze worden uitgesloten van informatiebronnen en kansen op sociale insluiting in alle domeinen van de maatschappij.


Analyse

Vandaag kunnen heel wat administratieve, culturele en commerciële handelingen verricht worden via digitale platformen. Voor sommige, en steeds meer, handelingen van het dagelijkse leven kan men niet anders meer dan een beroep doen op informatie- en communicatietechnologie (ICT).

In principe zouden deze digitale platformen voor heel wat mensen een springplank kunnen zijn naar vormen van maatschappelijke participatie waartoe ze in de ‘fysieke’ wereld uitgesloten zijn.

En toch zijn veel websites niet geconfigureerd om alle burgers toegang te verschaffen tot de inhoud ervan. Voor een groot aantal personen met een handicap zijn ze niet bruikbaar omdat ze ontoegankelijk zijn. Zo maakt het documentformaat geen stemsynthese mogelijk voor blinden en slechtzienden. Ook de vele doven die niet kunnen lezen, blijven op hun honger, aangezien er geen filmpjes in gebarentaal beschikbaar zijn. Voorts vallen ook personen met een mentale stoornis uit de boot omdat sommige teksten niet in gemakkelijk leesbare tekst opgesteld zijn.

Zowel het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) – door België goedgekeurd en geratificeerd – als de wet van 10 mei 2007 binden de strijd aan met discriminatie en moeten een gelijke behandeling voor personen met een handicap waarborgen.

Artikel 5 paragraaf 3 van het UNCRPD bepaalt uitdrukkelijk als volgt:

  • Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.

Artikel 21 paragraaf a van het UNCRPD bepaalt uitdrukkelijk dat de Staten die partij verplicht zijn

  • personen met een handicap tijdig en zonder extra kosten voor het publiek bedoelde informatie te verschaffen in toegankelijke vormen en technologieën, geschikt voor de verschillende soorten handicaps

De toegankelijkheid van websites wordt bepaald bij norm ISO/IEC40500:20124, beter bekend als de WCAG-norm. Deze heeft een mondiale draagwijdte.

Een website in overeenstemming brengen met deze norm is gemakkelijk, en de conformiteit kan ook eenvoudig gecontroleerd worden. In België bestaat bv. het AnySurfer-label dat toegekend wordt aan toegankelijke websites. Door de aanbevelingen van de AnySurfer-richtlijnen te volgen bij het ontwerp van de website komt de aanvrager tegemoet aan alle noodzakelijke technische bepalingen om de toegankelijkheid van zijn site te waarborgen. Voor het behalen van het label zelf betaalt de aanvrager vervolgens een beperkt bedrag.

Ter illustratie: de website van de NHRPH beschikt over het AnySurfer-label.

Het federaal regeerakkoord bevat in dit opzicht twee belangrijke paragrafen:

  • De overheid onderzoekt hoe ze samen met de Gemeenschappen en het middenveld de bevordering van e-inclusie kan intensifiëren, zowel op vlak van toegankelijkheid en toegang als op vlak van het gebruik van ICT in het dagelijkse leven.
  • Websites en digitale documenten zijn maximaal toegankelijk voor alle gebruikers, inclusief ouderen, kleurenblinden, slechtzienden en personen met een handicap.

Los van de nogal ongelukkige opsomming in de tweede paragraaf stelt de NHRPH vast dat een jaar na de installatie van de federale regering nog niets concreets verwezenlijkt is wat deze twee paragrafen betreft.

In dit opzicht is het totaal onbegrijpelijk dat het plan Digital Belgium, dat de langetermijnambities van ons land vertaalt naar digitale acties, met geen woord rept over toegankelijkheid.

Op 7 oktober 2014 werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers het wetsvoorstel over de toegankelijkheid van de websites van de instellingen van openbare sector voorgelegd. Dit voorstel vormt volgens de NHRPH een interessante werkbasis die de wetgever in staat moet stellen om met de nodige spoed voortgang te maken in dit dossier.


Advies

De NHRPH is van mening dat

  • de websites van de federale overheid op dit moment niet alle burgers toegang verschaffen tot de informatie enerzijds en de aangeboden functionaliteiten anderzijds
  • de toegang tot informatie een fundamenteel recht is van alle personen met een handicap en waarborgt dat zij volledig zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijke leven. Toegang tot websites stelt personen met een handicap in staat te leren, zich te vormen, zaken te delen, en te participeren aan en bij te dragen tot de maatschappij
  • de digitale kloof zal blijven bestaan zolang digitale toegankelijkheid niet voor iedereen verzekerd is

Digitale toegankelijkheid voor iedereen moet zo snel mogelijk worden gerealiseerd, minstens bij de wetgevende kamers, diensten en instellingen die onder federale Staat ressorteren, instellingen van openbaar belang, economische overheidsbedrijven, en rechtspersonen waarover de federale overheid rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed uitoefent.

De NHRPH roept de Regering op om zonder verwijl de nodige maatregelen te nemen om te komen tot een spoedige invoering van het regeerakkoord wat betreft het gebruik van ICT in het dagelijkse leven en de toegankelijkheid van websites en digitale documenten.

De NHRPH bevestigt dat hij, in de geest van het regeerakkoord, bereid is met de regering samen te werken om na te gaan binnen welk kader de digitale inclusie van personen met een handicap het snelst kan worden gerealiseerd.

De NHRPH vraagt de Minister bevoegd voor Digitale Agenda:

  • zijn plan Digital Belgium zo snel mogelijk aan te passen om het begrip ‘toegankelijkheid van ICT’ duidelijk op te nemen en het plan zo af te stemmen op de inhoud van het regeerakkoord
  • rekening te houden met de noden van iedereen, ook personen met een handicap, blinden en slechtzienden, doven en slechthorenden, of personen met een mentale stoornis
  • de zaken zo snel mogelijk vorm te geven aan de hand van een wet over de toegankelijkheid van het web

Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Digitale Agenda
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter informatie aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme

Advies 2015/27 - Assistentie NMBS

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel tot vermindering van de reservatietermijn voor assistentie in 18 stations, opgesteld tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2015.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Etienne De Ganck, Algemeen Directeur bij de NMBS (brief van 08/09/2015).


Onderwerp

De NMBS heeft indertijd bepaald dat personen met een beperkte mobiliteit (PBM) die assistentie wensen bij het nemen van de trein, die assistentie minimaal 24 uur op voorhand moeten aanvragen als ze zeker willen zijn van hun assistentie. De NHRPH meent dat 24 uur op voorhand veel te lang is. Het betekent immers een grote belemmering van de bewegingsvrijheid van de personen met een beperkte mobiliteit.

Bovendien heeft de NHRPH vragen bij de lineaire toepassing van de regel, want bij de meeste handicaps is er nauwelijks voorbereiding nodig bij de assistentie.

Daarom vraagt de NHRPH al jaren, daarin gesteund door het Interfederaal Gelijkekansencentrum, om de 24-urenregel te versoepelen. Er is ook al uitgebreid overleg geweest met de kabinetten van de Minister van Mobiliteit en de Staatssecretaris voor Personen met een beperking.

De NMBS heeft recent aangekondigd de 24-urenregel te versoepelen in 18 belangrijke stations.


Analyse

Mits aanvraag binnen de 24 uur is er momenteel assistentie mogelijk in 114 stations en haltes. In de overige haltes en stations is er geen assistentie mogelijk.

Afhankelijk van het station en het tijdstip wordt er daarvoor een beroep gedaan op stationspersoneel of mobiele ploegen die zich ter plaatse begeven. Geregeld zijn die mobiele ploegen ontoereikend geweest voor de assistentievraag, zodat de assistentie alsnog werd geweigerd.

De NMBS lanceert nu het voorstel om de reservatietermijn te verminderen naar minimum 3 uren op voorhand onder de volgende voorwaarden:

  • De reis moet zonder overstap gebeuren.
  • Zowel begin- en eindbestemming zijn 1 van deze 18 stations: Antwerpen-Centraal, Brugge, Brussel-Centraal, Brussel-Noord, Brussel-Zuid, Charleroi-Sud, Denderleeuw, Dendermonde, Gent-Sint-Pieters, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Liège-Guillemins, Mechelen, Mons, Namur, Oostende en Sint-Niklaas.
  • Assistentie moet minimum 3 uur op voorhand telefonisch worden aangevraagd bij het Contact Center, en dit tijden de openingsuren van het Contact Center (van 7u tot 21u30, 7 dagen op 7).
  • Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen PBM in een rolstoel en andere PBM.

De NHRPH is uiteraard verheugd over deze versoepeling: een reservatietermijn van 3 uur is zeker een grote verbetering. Alleen jammer dat die deels wordt tenietgedaan door de beperkingen:

  • Als zowel de keuze van het station van vertrek als die van het station van aankomst beperkt worden tot de 18 uit de lijst, dan komen heel veel trajecten niet in aanmerking.
  • De NHRPH betreurt ook dat overstappen buiten het voorstel vallen. Net bij het overstappen loopt het vaak mis, zelfs bij aanvragen die meer dan 24u op voorhand gebeurden: vertragingen, afwezige assistenten, spoorwijzigingen, gemiste aansluitingen, enz. Voor de overstappen moet er toch een betere opvolging komen.
  • Doordat enkel telefonische reservatie in aanmerking komt voor de versoepelde regeling, vallen heel wat personen uit de boot, waaronder personen met een auditieve handicap of spraakstoornissen.

De NHRPH wijst ook op de ‘Resolutie voor het verbeteren van het treinvervoer voor reizigers met een beperkte mobiliteit’, aangenomen in de plenaire vergadering van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers van 2 juli 2015:

De Kamer van Volksvertegenwoordiging (…) dringt er bij de federale regering op aan om

1. bij het onderhandelen van toekomstige beheerscontracten aan te dringen om de aanvraagtijd voor gegarandeerde assistentie te reduceren naar 1 uur in de stations waar permanent assistentie mogelijk is

Ook voor de NHRPH kan de voorgestelde regeling van de NMBS maar een eerste stap zijn en rekent op een stapsgewijze afbouw van de reservatietijd.


Advies

De NHRPH is verheugd dat de 24-urenregel eindelijk wordt versoepeld en brengt een positief advies uit.

Dit is zeker een eerste stap, maar de leden van de NHRPH rekenen op een snelle stapsgewijze vermindering en uiteindelijk afschaffing van de reservatietermijn.

De NHRPH heeft begrip voor de budgettaire beperkingen bij de NMBS, zeker ook in het licht van de recente herstructurering, maar blijft onveranderd achter zijn vorige eisen staan. Voor de NHRPH blijft het de bedoeling dat PBM en personen met een handicap op dezelfde manier kunnen reizen als anderen. Het einddoel blijft een volledig toegankelijk spoorverkeer en steeds beschikbare assistentie op eenvoudige vraag ter plaatse, in alle stations en haltes.

De NHRPH betreurt dat de versoepeling enkel geldt voor reizen tussen de 18 stations uit de lijst en dat reizen met overstap ook niet in aanmerking komen voor een reservatie van minimum 3 uren op voorhand. Ook het feit dat de versoepelde regel enkel wordt toegepast na telefonische aanvraag is teleurstellend. Die voorwaarden hollen de versoepeling deels uit.

De NHRPH vraagt de Minister van Mobiliteit om bij de onderhandelingen van de beheerscontracten aan te dringen om de aanvraagtijd voor gegarandeerde assistentie verder af te bouwen, zoals ook gevraagd in de ‘Resolutie voor het verbeteren van het treinvervoer voor reizigers met een beperkte mobiliteit’, aangenomen in de plenaire vergadering van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers van 2 juli 2015.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Etienne De Ganck, Algemeen Directeur bij de NMBS, Dienst Transport;
  • Voor opvolging aan de heer Jo Cornu, hoofd NMBS;
  • Voor opvolging aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2015/26 - Duitse regering

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van besluit van de regering van de Duitstalige Gemeenschap betreffende een wijziging van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 inzake de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, wat betreft de aanpassing van de inkomensbovengrenzen, goedgekeurd tijdens de plenaire zitting van 21 september 2015


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de regering van de Duitstalige Gemeenschap van 18 september 2015


Onderwerp

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een mechanisme voor de aanpassing van de tegemoetkomingen van de sociale zekerheid aan de welvaart. Om een volledige loskoppeling van de tegemoetkomingen met betrekking tot de bijstandsregeling van die van de socialezekerheidsregeling tegen te gaan, werd in een gelijkaardig welvaartsaanpassingsmechanisme voorzien.

Op 30 januari 2015 kwamen de sociale partners tot een akkoord over de verdeling van de federale welzijnsenveloppe.

In het kader van de 6e staatshervorming zijn de deelgebieden sedert 1 juli 2014 bevoegd voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Overeenkomstig het samenwerkingsprotocol van 15 mei 2014 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde nieuwe bevoegdheden inzake de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden voor de overgangsperiode tussen 1 juli 2014 en 31 december 2015, blijft de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid tot 31 december 2015 bevoegd voor het administratief beheer van de dossiers betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.


Analyse

Het ontwerp van besluit voorziet in een verhoging van de inkomensbovengrenzen voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden met 1,8 % op 1 september 2015.


Advies

De leden van de NHRPH geven een positief advies voor het voornoemde ontwerp van besluit. Door een verhoging van de inkomensbovengrenzen worden de mogelijke ongewilde gevolgen van de verhoging van de andere socialezekerheidstegemoetkomingen op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden immers geneutraliseerd.

Vanuit wetgevingstechnisch oogpunt moet dit advies overigens vermeld worden in de aanhef van het bedoelde ontwerp.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Antonios Antoniadis, Duitstalig Minister van Gezin, Gezondheid en Sociale Zaken
  • Ter informatie aan de heer Oliver Paasch, Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/25 - Welvaart

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering betreffende een wijziging van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 inzake de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wat betreft de aanpassing van de inkomensbovengrenzen, goedgekeurd tijdens de plenaire zitting van 21 september 2015.


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de Vlaamse Regering van 24 augustus 2015.


Onderwerp

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een mechanisme voor de aanpassing van de tegemoetkomingen van de sociale zekerheid aan de welvaart. Om een volledige loskoppeling van de tegemoetkomingen met betrekking tot de bijstandsregeling van die van de socialezekerheidsregeling tegen te gaan, werd in een gelijkaardig welvaartsaanpassingsmechanisme voorzien.

Op 30 januari 2015 kwamen de sociale partners tot een akkoord over de verdeling van de federale welzijnsenveloppe.

In het kader van de 6de Staatshervorming zijn de deelgebieden sedert 1 juli 2014 bevoegd voor de tegemoetkoming voor bejaarden. Overeenkomstig het samenwerkingsprotocol tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 31 december 2015 blijft de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid tot 31 december 2015 instaan voor het administratief beheer van de dossiers betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.


Analyse

Het ontwerp van besluit voorziet in een verhoging van de inkomensbovengrenzen voor hulp aan bejaarden met 1,8% op 1 september 2015.


Advies

De leden van de NHRPH geven een positief advies voor het voornoemde ontwerp van besluit. Door een verhoging van de inkomensbovengrenzen wordt het mogelijke averechts effect van de verhoging van de andere socialezekerheidstegemoetkomingen op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden immers geneutraliseerd.

Daarnaast moet, vanuit legistiek oogpunt, dit advies in de considerans van bedoeld ontwerp van besluit worden vermeld.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Jo Vandeurzen, Vlaamse Minister van welzijn, gezondheid en gezin;
  • Ter informatie aan de heer Geert Bourgeois, Minister-president van de Vlaamse Regering;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/24 - Gezondheidstoestanden

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het opstellen van een koninklijk besluit in uitvoering van artikel 492/5 van het Burgerlijk Wetboek uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21 september 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van de Minister van Justitie van 22 juli 2015.


Onderwerp

Artikel 492/5 van het Burgerlijk Wetboek werd recent gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid.

Het voorziet in het opstellen van een lijst met gezondheidstoestanden bij koninklijk besluit op eensluidend advies van de Orde van geneesheren en van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap:

“Art. 492/5. De Koning stelt, op eensluidend advies van de Orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten. Ingeval uit de in artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde geneeskundige verklaring blijkt dat de te beschermen persoon in een gezondheidstoestand is die voorkomt in de in het eerste lid bedoelde lijst, dan zijn de artikelen 492/1, § 2, derde en vierde lid, en 492/4, tweede lid, niet van toepassing en wordt, in afwijking van artikel 492/1, § 3, en bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, de te beschermen persoon vertegenwoordigd bij het stellen van alle rechtshandelingen of proceshandelingen met betrekking tot diens goederen. De vrederechter kan alsnog tot een beoordeling op maat overgaan, ingeval hij dit noodzakelijk acht.”


Analyse

In een vorig initiatiefadvies (advies 2014-15) maakte de NHRPH zich ongerust over de onverschillige houding van de regeringsleden ten opzichte van de uitvoeringsmaatregelen van de wet van 17 maart 2013. Hij heeft uitdrukkelijk gevraagd betrokken te worden bij het opstellen van de koninklijke uitvoeringsbesluiten, en in het bijzonder bij het koninklijk besluit inzake het opstellen van de lijsten met gezondheidstoestanden bedoeld bij artikel 492/5 van het Burgerlijk Wetboek, door middel van een werkgroep, zonder resultaat tot nu toe.

De verwijzing naar deze lijst brengt pragmatisch twee gevolgen met zich mee:

de te beschermen persoon wordt vertegenwoordigd bij het stellen van alle proces- en rechtshandelingen met betrekking tot diens goederen. Met vertegenwoordiging wordt het volgende bedoeld: “de wijze waarop de onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon niet zelfstandig, noch zelf een bepaalde handeling mag stellen.” (F. Warlet, Vrederechter); de maatregel wordt niet geëvalueerd na afloop van de periode van 2 jaar.

Op te merken valt dat de rechter steeds kan overgaan tot een evaluatie ‘op maat’ van de situatie van de te beschermen persoon.


Advies

De NHRPH is van mening dat het opstellen van een lijst met gezondheidstoestanden al leidraad kan dienen voor een vlotte actie van de verschillende betrokken partijen, van de geneesheer die de omstandige geneeskundige verklaring opstelt tot de rechter die de beslissing neemt inzake het onder bescherming plaatsen.

Een snellere behandeling van de dossiers, enerzijds, en de verwijzing naar een reeds duidelijk omschreven pathologie, anderzijds, zijn ook elementen die in aanmerking moeten worden genomen ten behoeve van de te beschermen persoon, zijn vertrouwenspersoon en zijn omgeving.

Hij is dus voorstander van het principe van een opgestelde lijst onder de volgende voorwaarden:

deze lijst moet geen allegaartje van generieke pathologieën zijn. In de lijst zou bijvoorbeeld niet mogen worden verwezen naar de ziekte van Alzheimer als generieke pathologie: het gaat inderdaad om een ziekte die met de tijd verergert en waarvoor de deskundigen meerdere “stadia” onderscheiden. De bekwaamheden van een persoon met deze ziekte zullen mettertijd naar een vergevorderd stadium evolueren. De ziekte van Alzheimer als generieke pathologie in de lijst met gezondheidstoestanden opnemen zou erop neerkomen dat iedere persoon met deze ziekte onder de vertegenwoordigingsregeling zou vallen, wat in strijd zou zijn met de geest van de wet. iedere gezondheidstoestand moet worden genuanceerd en duidelijk worden beschreven, rekening houdend met de ICF-criteria. deze lijst moet op zijn minst door deskundigen uit de medische wereld (geneesheren, ICF-deskundigen, psychiaters, …) worden opgesteld. De NHRPH stelt voor een multidisciplinaire werkgroep op te richten om dit probleem te bespreken en daaraan als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld deel te nemen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie
  • Ter informatie aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/22 - Sociaal tarief

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het sociale tarief voor internet, vaste en mobiele telefonie, opgesteld tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2015.


Aanvrager

Advies op aanvraag van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking tijdens het Bureau van 06/07/2015.


Onderwerp

Heel wat personen met een handicap en ook anderen komen in aanmerking voor het sociaal tarief voor internet, vaste en mobiele telefonie. Zij kunnen dat aanvragen als ze voldoen aan de voorwaarden en als ze een abonnement hebben of nemen. In de praktijk maakt maar een klein deel van de doelgroep gebruik van het sociaal tarief. De vraag rijst of het sociaal tarief in zijn huidige vorm moet worden behouden.


Analyse

De NHRPH verkiest een toereikend basisinkomen voor personen met een handicap boven sociale tarieven als alternatief voor het wegwerken van de meerkosten die een handicap met zich meebrengt. In afwachting daarvan vindt de NHRPH het positief dat er een sociaal tarief bestaat voor kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, die aan de toekenningsvoorwaarden voldoen.

Toch zijn er een aantal aandachtspunten.

  • Niet alle aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken bieden een sociaal tarief aan. Enkel de grootste zijn dat van overheidswege verplicht: momenteel zijn dat Proximus, Base, Mobistar, Scarlet, Telenet en VOO.
  • De geïnteresseerde klant moet het sociale tarief voor internet, vaste en mobiele telefonie zelf aanvragen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het sociale tarief voor gas en elektriciteit dat automatisch wordt toegekend aan de rechthebbenden.
  • Voorlopig zijn sociale tarieven enkel mogelijk bij het aangaan van een abonnement, maar een abonnement is niet voor iedereen de beste optie. Bij mensen met een laag verbruik is een herlaadkaart soms interessanter. Vaak bieden operatoren producten aan die interessanter kunnen zijn voor een bepaalde persoon dan een abonnement met sociaal tarief: groepstarieven, bundels, combinaties …
  • Voor een persoon met een handicap is het niet altijd eenvoudig om een weg te vinden doorheen alle bestaande sociale voordelen, ook voor andere producten en diensten, en dan de beste keuze te maken.
  • Momenteel kan per huishouden/adres slechts één persoon genieten van het sociaal tarief. Dat is een probleem voor huishoudens met meer dan één persoon met een handicap.
  • Aangezien die persoon maar van één sociaal tarief kan genieten, zal die moeten kiezen: een abonnement op vaste telefonie OF mobiele telefonie OF internet, al dan niet mobiel.
  • Veel mensen weten niet dat er een sociaal tarief bestaat voor vaste telefonie, mobiele telefonie, vast internet en mobiel internet, wat ook blijkt uit de lage aanvraagcijfers.

De cijfers in verband met de sociale tarieven spreken inderdaad boekdelen. Op dinsdag 28/04/2015 deelde de heer Alexander De Croo, Minister van Telecommunicatie, in zijn antwoord op een parlementaire vraag mee dat er eind 2014 305.913 begunstigden van het sociaal tarief waren, waarvan 92,72 % voor vaste telefonie, 5,86 % voor mobiele telefonie en 1,42 % voor internet. Voor mobiele telefonie gaat het over 17 912 abonnementen.

Het procentuele verschil tussen het aantal begunstigden voor vaste telefonie enerzijds en voor mobiele telefonie en internet anderzijds is frappant.

De NHRPH weet al langer dat voor een aanzienlijk deel van de personen met een handicap de stap naar het internet groot blijft. Dat heeft uiteraard veel te maken met de gebrekkige toegankelijkheid van veel sites, ook al laat de technologie steeds meer toe. Het feit dat de operatoren de informatie (voorwaarden, prijzen, …) over de sociale tarieven voornamelijk via hun website verspreiden, maakt het er voor internetschuwe mensen niet gemakkelijker op.

De lage score voor mobiele telefonie kan verbazen, maar daarbij mag men niet vergeten dat mensen die in aanmerking komen voor het sociaal tarief maar één sociaal tarief kunnen genieten per huishouden: een abonnement op vaste telefonie of mobiele telefonie of internet. Traditiegetrouw kiezen velen voor de vertrouwde vaste telefoon die vlot door het hele huishouden kan worden gebruikt. Die keuze betekent geenszins dat die gebruikers niet beschikken over mobiele telefonie of internet.

In het huidige regeerakkoord staat over de sociale tarieven (3.3.4):

De bestaande sociale tarieven in het kader van energie, telecom en mobiliteit zullen worden geëvalueerd met oog op een verbetering. Waar mogelijk zullen de sociale tarieven automatisch worden toegekend.

De NHRPH merkt hier wel bij op dat een automatische toekenning niet in conflict mag komen met de keuzevrijheid van de rechthebbende.

De sociale tarieven worden geregeld door de wet van 10/07/2012 houdende diverse bepalingen inzake elektronische communicatie, ook wet Telecom genoemd. Die regels gelden voor alle aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken die in België actief zijn.

Die wet ligt nu gedeeltelijk onder vuur. In het arrest van het Europees Hof van Justitie van 11 juni 2015 lezen we:

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de bijzondere tarieven en de financieringsregeling waarin respectievelijk de artikelen 9 en 13, lid 1, onder b), van deze richtlijn voorzien, van toepassing zijn op internetabonnementsdiensten die een internetaansluiting op een vaste locatie vereisen, maar niet op mobielecommunicatiediensten, daaronder begrepen abonnementsdiensten voor mobiel internet. Indien laatstgenoemde diensten op het nationale grondgebied algemeen beschikbaar worden gesteld als „aanvullende verplichte diensten” in de zin van artikel 32 van richtlijn 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, mag de financiering ervan in het kader van het nationale recht niet worden verzekerd door middel van een mechanisme waaraan specifieke ondernemingen moeten deelnemen.

Dat betekent dus dat de overheid de operatoren geen verplichting mag opleggen om een fonds voor sociale tarieven voor mobiel internet en mobiele telefonie te stijven – zoals nu gebeurt -, aangezien diensten die geen vaste locatie veronderstellen niet onder de universeledienstrichtlijn van de EU vallen. Vaste telefonie en abonnementen voor vast internet vallen wel onder de universeledienstrichtlijn.

Als de overheid geen veroordeling door het Hof wil oplopen, zal de overheid de wet van 10/07/2012 moeten aanpassen. Dat is een ideaal moment om haar zwakke plekken weg te werken. De NHRPH suggereert om dat in overleg met het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) en de NHRPH te doen.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de Europese Commissie om de drie jaar een onderzoek uitvoert naar de noodzaak om de omvang van de universele dienstverlening te herzien. Mogelijk komt er in de toekomst meer aandacht voor mobiele telefonie en mobiel internet op dat vlak.


Advies

De NHRPH betreurt dat hij niet van in het begin bij de discussie is betrokken geweest, terwijl dit toch een federale materie is die de personen met een handicap rechtstreeks aanbelangt.

In zijn adviezen 2000/10 en 2000/11 sprak de NHRPH zich al positief uit over een sociaal tarief voor gsm-gebruikers met een handicap. Vertaald naar vandaag blijft de NHRPH voorstander van een sociaal tarief internet, vaste en mobiele telefonie voor personen met een handicap.

Idealiter, indien iedere persoon met een handicap over een toereikend basisinkomen kon beschikken, zouden de sociale tarieven overbodig zijn. Dat is echter nog lang niet het geval. Daarom pleit de NHRPH voor een rationalisering van de sociale tarieven.

Om het sociaal tarief voor internet, vaste en mobiele telefonie tot een succes te maken:

  • moeten de tarieven lager zijn dan het laagste gewone tarief voor een vergelijkbare bundel;
  • moeten de personen met een handicap op de hoogte zijn van het bestaan van het tarief en moet het aanvraagformulier voor het sociale tarief voor internet, vaste en mobiele telefonie standaard bij de erkenningsformulieren van de handicap worden gevoegd;
  • mag de keuzevrijheid van de rechthebbenden niet worden geschaad;
  • moeten de nationale regelgevingen betreffende telecommunicatie op Europees vlak worden geharmoniseerd. Met het arrest van het Europese Hof van Justitie in het achterhoofd stelt de NHRPH voor dat de overheid zelf een fonds stijft voor de sociale tarieven van mobiele telefonie en mobiel internet;
  • moet het sociaal tarief in de wet worden ingeschreven zoals al het geval is voor gas en elektriciteit, en volgens dezelfde modaliteiten, zodat de situatie overzichtelijk wordt. Het BIPT kan daarbij een regulerende rol spelen;
  • moet het sociaal tarief gekoppeld worden aan de persoon met een handicap, en niet aan het huishouden of adres;
  • moet een persoon kunnen genieten van sociale tarieven voor verschillende aangeboden diensten: vaste telefonie, vast internet, mobiele telefonie en mobiel internet;
  • moet het aanbod van sociale tarieven geregeld getoetst worden aan de technologische evolutie en het marktaanbod;
  • moet er een helder overzicht van de geldende sociale tarieven komt, vlot toegankelijk en begrijpelijk voor iedereen. Websites met deze informatie moeten het AnySurferlabel verdienen.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Telecommunicatie;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan het BIPT;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2015/21 - Boordtarief

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het boordtarief bij treinreizen, opgesteld tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2015.


Aanvrager

Advies op vraag van de Minister van Mobiliteit en de Staatssecretaris voor Personen met een beperking (brief van 23/07/2015).


Onderwerp

Sinds 1 februari 2015 is bij het Belgische spoorverkeer het zogenaamde boordtarief van kracht. Wie de trein neemt zonder geldig vervoersbewijs, moet een ticket op de trein kopen bij de treinbegeleider. Dit ‘boordtarief’ is steeds €7 duurder dan hetzelfde vervoersbewijs dat vooraf zou zijn gekocht.

Ook wie voor het instappen aan de treinbegeleider meedeelt dat hij of zij nog geen vervoersbewijs heeft, zal het volle boordtarief moeten betalen. Dat geldt zonder onderscheid voor iedereen, ook wanneer de loketten gesloten zijn. (De enige uitzondering zou zijn dat de automaten in een onbemande halte buiten werking zouden zijn, wat in principe automatisch wordt meegedeeld aan de treinbegeleider. In de praktijk blijkt dat althans voorlopig niet altijd het geval.) De NMBS redeneert dat er voldoende alternatieven voorhanden zijn voor de loketten, namelijk de verdeelautomaten en de verkoop online vooraf, om het duurdere boordtarief te vermijden.


Analyse

De NMBS heeft deze regel ingevoerd om de werklast van de treinbegeleiders te verminderen. Voorheen volstond het voor de reiziger om de treinbegeleider voor het instappen te melden dat hij of zij geen ticket had kunnen kopen. Dat leidde soms tot discussies met personen zonder geldig vervoersbewijs. Die beweerden dan dat ze de begeleider wel op de hoogte hadden gebracht op afstand (via een hand- of hoofdbeweging bijvoorbeeld) of dat de treinbegeleider niet te bespeuren was. Als reactie op meerdere incidenten met verbaal en zelfs fysiek geweld tegen treinbegeleiders besloot de NMBS alle discussies te voorkomen met een uniek boordtarief voor alle reizigers die zich zonder geldig vervoerbewijs op de trein bevinden.

De NHRPH heeft begrip voor de beweegredenen van de NMBS en apprecieert het bestaan van alternatieven voor de aankoop aan het loket, maar kan niet akkoord gaan met het absolute karakter van deze procedure.

Bepaalde groepen van mensen hebben in de praktijk die keuzemogelijkheden niet. De NHRPH denkt daarbij o.a. aan ouderen, personen met een verstandelijke handicap, enz. voor wie de digitale kloof heel reëel is.

Ook de automaten zijn en blijven onvoldoende toegankelijk voor bepaalde groepen, ondanks het bestaan van een hotline voor directe telefonische assistentie aan de automaat (zie advies 2014/09 over de ticketautomaten).

De NHRPH denkt daarbij o.a. aan:

  • personen met een progressieve degeneratieve aandoening (MS, ALS, bepaalde kankers, Alzheimer, …)
  • personen met een verstandelijke handicap
  • mensen die lijden aan spasmen
  • personen met een ernstige psychische aandoening
  • personen met een zware of meervoudige zintuiglijke handicap
  • personen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis (autisme, Asperger, La Tourette, …)
  • personen met een ernstige psychische aandoening, zoals schizofrenie
  • ...

Deze lijst is niet exhaustief of definitief. In de toekomst kan de doelgroep worden verfijnd. We denken daarbij bijvoorbeeld aan dove senioren en andere personen met een sensoriële of andere handicap die wegens hun handicap moeite hebben met gesproken of geschreven taal.

Tijdens zijn contacten met de NMBS had de NHRPH niet de indruk dat de er veel begrip was voor deze kwetsbare groepen. De NHRPH kreeg zelfs de vraag hoe mensen die niet online of via de ticketautomaat een ticket kunnen kopen, nog in staat waren om zich autonoom op straat te begeven…

Om al die redenen is het een discriminatie om van de personen in kwestie het boordtarief te eisen. Ook het Interfederaal Gelijkekansencentrum heeft zich in die zin uitgesproken tegen het boordtarief.

Voor de personen in kwestie is het boordtarief een stap achteruit op het vlak van mobiliteit en participatie aan het maatschappelijk leven. Ook mensen met een ernstige handicap moeten de kans hebben zo zelfstandig mogelijk te leven en te reizen, waar nodig met assistentie en redelijke aanpassingen.


Advies

De NHRPH herhaalt wat hij zei in zijn perscommuniqué van 05/02/2015: de NHRPH wil dat personen met een handicap voor wie de alternatieven voor aankoop aan het loket onvoldoende toegankelijk zijn ook op de trein nog een ticket kunnen kopen zonder een supplement te moeten betalen.

Er is een rol voor de overheid weggelegd om eventuele minimumcriteria (ernst van de aandoening, punten voor mobiliteit, handicap en zelfredzaamheid, IQ, …) vast te leggen.

Op grond van de anti-discriminatiewet van 10 mei 2007 en het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap vraagt de NHRPH de invoering van redelijke aanpassingen die het de doelgroep mogelijk maken zelfstandig te reizen.

Een mogelijke oplossing is een speciale persoonlijke kaart voor de doelgroep. Zo bestaan er nu ook al kaarten voor blinden, gratis begeleiders, enz. Mits de juiste software kan het ticketapparaat van de treinbegeleider het lokettarief automatisch aanrekenen na het lezen van de kaart. De criteria voor de speciale parkeerkaart kunnen een inspiratiebron zijn voor het bepalen van de criteria van deze kaart.

De NHRPH vraagt niet dat alle personen die in aanmerking komen automatisch een kaart zouden krijgen. De persoon die zo’n kaart nodig heeft en er aanspraak op kan maken, kan ze aanvragen. Op vertoon van de persoonlijke geldige speciale parkeerkaart moet een persoon met een handicap die nieuwe kaart kunnen verkrijgen, want wie recht heeft op een parkeerkaart zou sowieso recht moeten hebben op het lokettarief.

De NHRPH beschouwt dit advies als een eerste etappe. De doelgroep kan later nog worden verfijnd.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer Jo Cornu, hoofd NMBS;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2015/20 - Parkeerbeleid

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het algemene parkeerbeleid binnen het kader van het beleid voor personen met een handicap. Advies geformuleerd op de plenaire vergadering van 21/09/2015.


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking.


Onderwerp

Net als in veel andere landen geldt in België dat de personen met een handicap die in het bezit zijn van een parkeerkaart voor personen met een handicap mogen parkeren op de voorbehouden plaatsen, aangeduid met het internationaal symbool voor de personen met een handicap (witte rolstoel op blauwe achtergrond) op de grond of op een verkeersbord, en in de blauwe zone, op voorwaarde dat ze hun parkeerkaart zichtbaar achter hun voorruit plaatsen.

Toch dringen zich al jaren een aantal problemen en aandachtspunten op, gaande van een ontoereikend aantal beschikbare voorbehouden plaatsen over het juiste gebruik van de kaart tot de controle op dit gebruik. Op vraag van mevrouw Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, stelt de NHRPH een algemeen advies op over het parkeerbeleid voor personen met een handicap in België.


Analyse

Parkeerplaatsen

In alle gemeentes bestaan er parkeerplaatsen die gereserveerd zijn voor personen met een handicap die in het bezit zijn van de speciale parkeerkaart. Helaas zijn het aantal plaatsen beperkt en komen er veel misbruiken voor, zodat de doelgroep vaak geen parkeerplaats vindt.

Het uitvoeringsbesluit (KB) van 9 mei 1977 bij de wet van 17 juli 1975 betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen, toegankelijk voor het publiek bevat alvast een lijst van gebouwen en voorzieningen, zowel openbaar als privé, waarvoor onder bepaalde voorwaarden parkeerruimte moet worden voorbehouden ten behoeve van mensen met een handicap, wanneer er een parking voorhanden is.

De ministeriële omzendbrief betreffende parkeerplaatsen, voorbehouden voor personen met een handicap van 25 april 2003 (http://reflex.raadvst-consetat.be/refLex/pdf/Mbbs/2003/04/25/81098.pdf), die de richtlijnen van de omzendbrief van 3 april 2001 (https://etaamb.openjustice.be/nl/omzendbrief-van-03-april-2001_n2001014077.html) actualiseert en aanvult, beveelt drie voorbehouden plaatsen voor 50 parkeerplaatsen aan voor parkeerterreinen waar veel parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Binnen hun bevoegdheidssfeer hebben de Gewesten ofwel de lijst bij dit koninklijk besluit overgenomen (Vlaams Gewest), ofwel licht gewijzigd of aangevuld (Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest).

In veel gemeentes kunnen personen met een handicap onbeperkt gratis parkeren op de gereserveerde plaatsen en in de blauwe zone als ze hun kaart goed zichtbaar achter de voorruit leggen. Andere gemeentes laten kaarthouders ook op die voorbehouden plaatsen betalen.

Soms is de toegestane parkeertijd beperkt (parkeerschijf, parkeermeter). Er zijn ook gemeentes die plaatsen voorbehouden voor de eigen inwoners met een handicap, vaak via bewonerskaarten.

Ten slotte gebeurt ook dat de voorbehouden plaatsen gelegen zijn op parkings die uitsluitend toegankelijk met een bewonerskaart, waardoor andere mensen met een parkeerkaart voor personen met aan handicap geen toegang hebben tot de voorbehouden plaatsen voorbehouden voor personen met een handicap.

De verschillende parkeervoorwaarden zijn niet overal even duidelijk aangegeven, zodat ook kaarthouders soms een parkeerboete krijgen uit onwetendheid. Bovendien wijzigen gemeentes af en toe hun beleid, wat het opstellen en actueel houden van een overzichtslijst van de parkeervoorwaarden per gemeente bemoeilijkt.

In principe is de politie bevoegd voor de controle van de voorbehouden parkeerplaatsen en het juiste gebruik van de parkeerkaart. Recent is echter bepaald dat die controle niet tot de kerntaken van de politie behoort. De NHRPH betreurt dit, want een actieve controle werpt vruchten af, zoals al bleek in Aarlen (zie advies 2009-21 voor meer info), West-Vlaanderen, Sint-Niklaas en elders. Ondertussen schakelen sommige gemeentes firma’s in voor de controle.

Nog minder duidelijk is de situatie op privéparkings die toegankelijk zijn voor het publiek, bijvoorbeeld bij warenhuizen en ziekenhuizen. Ook daar geldt dat er een verplicht aantal voor personen met een handicap voorbehouden plaatsen moeten beschikbaar zijn, net als op openbare parkings. De vraag of de politie foutparkeerders hier kan verbaliseren is niet eenvoudig te beantwoorden. Nochtans zegt de omzendbrief van 3 april 2001: “Het is passend die maatregelen te bekrachtigen door middel van een politieverordening of in het algemeen politiereglement van de gemeente (…). ((…) Bijgevolg zijn hier de politiestraffen van toepassing.).” De NHRPH is hier ook voorstander van, zoals te lezen is in advies 2000/13: “Anderzijds is de Raad er zich van bewust dat de repressieve instanties niet op eigen initiatief op de privé-parkings kunnen optreden. Nochtans wenst de raad dat de mogelijkheid zou onderzocht worden om de wetgeving in die zin te wijzigen dat er een uitzondering zou ingevoerd worden wat sommige privé-parkings betreft, zoals die van grote warenhuizen, klinieken, …”

Parkeerkaart

De regels voor het gebruik van de parkeerkaart zijn opgenomen in het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikel 25.14°, 27.4 en 27bis.

De NHRPH heeft in het verleden al geregeld adviezen inzake de speciale parkeerkaart uitgebracht. Enkele van de recentere zijn 2014/13, 2010/26 en 2009/12.

De parkeerkaart wordt enkel aan natuurlijke personen uitgereikt en is louter voor persoonlijk gebruik. Niet alle personen met een handicap krijgen de speciale kaart.

Toekenningsvoorwaarden

De toekenningsvoorwaarden zijn opgenomen in het Ministerieel Besluit van 07/05/1999 inzake de parkeerkaart voor mensen met een handicap.

Kort samengevat, je hebt recht op een parkeerkaart als:

  • je een blijvende invaliditeit hebt van 50% of meer (invaliditeit van de benen) of van 80% of meer (andere invaliditeit)
  • je oorlogsinvalide bent (burgerlijk of militair) met een invaliditeit van 50% of meer
  • je volledig verlamd bent aan de armen of beide armen werden geamputeerd
  • je gezondheidstoestand je zelfredzaamheid of je mobiliteit vermindert (Als je ouder bent dan 21 jaar: 12 punten of meer (zelfredzaamheid, omgekeerde schaal met maximum van 18 punten) of minstens 2 punten (mobiliteit, omgekeerde schaal met maximum van 3 punten). Als je jonger bent dan 21 jaar: 2 punten in de categorie "verplaatsing" of "mobiliteit en verplaatsing").
  • je toelating hebt van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds om een mobiliteitshulpmiddel aan te kopen dat vermeld staat in deze lijst (https://handicap.belgium.be/nl/onze-dienstverlening/parkeerkaart.htm)

Navraag bij de DG Personen met een handicap leerde ons dat meer dan 99% (!) van de kaarthouders 2 punten of meer op het criterium ‘mobiliteit’ scoorde, waarvan ongeveer 58% zonder aan 12 punten te komen in het andere criterium. De 2 punten zijn dus een doorslaggevende factor. De NHRPH vindt dat opmerkelijk, maar niet abnormaal, want de Raad beschouwt zware mobiliteitsproblemen als een essentieel criterium voor het recht op een parkeerkaart.

Eind september 2015 vervallen de speciale parkeerkaarten met beperkte geldigheid (10 jaar). Behalve die gevallen waar de handicap zelf van voorbijgaande aard is, hebben de kaarten in omloop vanaf 1 oktober 2015 een onbepaalde geldigheidsduur: in principe gaan ze dus levenslang mee. Dat is administratief gemakkelijker voor de kaarthouder: die hoeft geen nieuwe aanvraag te doen, geen nieuwe medische controle te ondergaan, hij of zij loopt niet het risico zonder kaart te vallen of een vervallen kaart te gebruiken, enz. Zeker voor mensen met een definitieve handicap of een progressief evoluerende aandoening is dat wenselijk. Hun toestand kan niet dusdanig wijzigen dat ze geen recht meer zouden hebben op de parkeerkaart.

Parkeerkaarten met een onbepaalde geldigheidsduur hebben wel een belangrijk nadeel. Bij overlijden van de houder wordt de kaart immers niet altijd aan de DG Personen met een handicap terugbezorgd zoals de regelgeving nochtans vereist. Niet zelden raakt de parkeerkaart bij overlijden zoek. Het gebeurt ook dat nabestaanden – die vanzelfsprekend geen recht hebben op die kaart – de kaart zelf gebruiken.

De overheid is op de hoogte van het probleem, maar organiseert geen systematische collecte van parkeerkaarten van overledenen. De gebruiksvoorwaarden van de kaart staan wel vermeld in een begeleidend schrijven bij aflevering van de kaart aan de rechthebbende, maar de nabestaanden hebben daar meestal geen weet van.

Enkele cijfers

In mei 2015 waren er volgens de DG Personen met een handicap 367.038 parkeerkaarten in omloop: 19.659 in het Brussels Gewest, 234.079 in Vlaanderen en 113.300 in Wallonië.

Uit volgende tabellen blijkt duidelijk dat het aantal aanvragen voor een parkeerkaart en ook het aantal toegekende kaarten in de drie Gewesten blijft toenemen.

In geval van overlijden van de titularis worden de nabestaanden geacht de kaart terug te sturen naar de DG Personen met een handicap. Dat gebeurt niet systematisch.

Volgens de DG Personen met een handicap zijn er tot op heden ongeveer 200.000 kaarten van overledenen nooit terugbezorgd.

Misbruiken

Regelmatig worden misbruiken vastgesteld:

  • op een voorbehouden plaats parkeren zonder kaart;
  • de kaart gebruiken zonder dat de kaarthouder wordt vervoerd;
  • een kaart gebruiken die niet meer geldig is;
  • de kaart van een overledene gebruiken;
  • een valse kaart gebruiken.

De boetes voor misbruiken zijn vrij hoog, maar – zoals gezegd – er is doorgaans veel te weinig controle en misbruiken worden maar zelden bestraft, zodat het ontradingseffect beperkt blijft.


Advies

Personen met een handicap hebben de voorbehouden parkeerplaatsen echt nodig als compensatie voor hun beperktere mobiliteit. Daarom is sensibilisering belangrijk, zowel bij de gemeentes als bij de politie en het ruime publiek.

De NHRPH vraagt dat de sector van de handicap steeds betrokken wordt bij het beleid wanneer dat een invloed heeft of kan hebben op het leven van personen met een handicap, zoals ook afgesproken is in het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap. De NHRPH herinnert er ook aan dat de NHRPH op federaal vlak de officiële vertegenwoordiger is van de sector van de handicap.

Parkeerplaatsen

De wegcode is federale materie, maar de Gewesten zijn bevoegd voor aanvullende wetgeving inzake wegverkeer. De NHRPH wenst dat de verschillende Gewesten en het federale niveau in onderling overleg tot een consensus komen over de regels betreffende het parkeerbeleid, in het kader van een interministeriële conferentie (IMC) of via een andere weg. Na goedkeuring kunnen de besluiten dan - bijvoorbeeld - in de wegcode worden opgenomen.

De NHRPH betreurt dat de controle van de voorbehouden parkeerplaatsen en het juiste gebruik van de parkeerkaart geen prioriteit meer is voor de politie. Als we willen dat personen met een handicap vlot kunnen parkeren, dan blijven controle en bestraffing noodzakelijk. De NHRPH vraagt dan ook met aandrang aan de Minister van Veiligheid en Binnenlandse zaken om terug te komen op deze beleidsbeslissing en om het aantal controles op te drijven.

Ook op privéparkings bij warenhuizen, hospitalen, enz. worden voorbehouden plaatsen voor kaarthouders ingericht. De NHRPH dringt er wel op aan dat er naar uniformiteit wordt gestreefd bij het aanleggen van parkeerplaatsen. Er zijn gevallen bekend van afwijkende maten en vormen (!) bij individuele voorbehouden parkeerplaatsen, voornamelijk op privéparkings. Personen met een handicap willen een parkeerplaats, niet het verdomhoekje! Ook hier dringt sensibilisering zich op, bijvoorbeeld via flyers voor de klanten en bezoekers.

De NHRPH betreurt dat de regels voor parkeren met een kaart verschillen van gemeente tot gemeente. Het is voor personen met een handicap niet evident om te weten of ze met hun kaart gratis mogen parkeren in de blauwe zone en op de voorbehouden plaatsen of niet. De NHRPH wenst uniformiteit: idealiter in alle gemeentes en steden gratis en – voor de doelgroep - onbeperkt in de tijd parkeren met de kaart in de blauwe zone en op de voorbehouden plaatsen. België kan een voorbeeld nemen aan Frankrijk, waar kaarthouders tot 12 uur lang gratis kunnen parkeren op alle openbare parkeerplaatsen, jammer genoeg wel met uitzondering van privéparkings.

Parkeerkaart

De NHRPH is voorstander van een vlotte aanvraagprocedure voor de parkeerkaart. Overbodige administratieve procedures en medische onderzoeken – bijvoorbeeld bij gezondheidssituaties die niet in goede zin kunnen evolueren – moeten worden vermeden.

Wel heeft de NHRPH enige reserves bij een automatische uitreiking aan rechthebbenden die misschien geen behoefte aan zo’n kaart hebben. Het is niet de bedoeling het aantal kaarten in omloop onnodig te vermeerderen. De overheid moet de persoon met een handicap goed informeren over zijn of haar recht, maar die moet zelf duidelijk aangeven dat hij of zij een kaart wenst.

Voor de kaarthouder is een kaart met een onbepaalde geldigheidsduur –zoals nu in omloop – het gemakkelijkst. Een kaart met een bepaalde geldigheidsduur heeft het voordeel dat ze minder gemakkelijk na overlijden van de rechthebbende kan worden misbruikt. In het verleden schaarde de NHRPH zich met enige tegenzin achter de parkeerkaart voor een onbeperkte duur, wetende dat het risico op misbruik reëel was. De DG Personen met een handicap moet in de eerste plaats duidelijke instructies verschaffen over het gebruik van de kaart. In geval van overlijden van de rechthebbende moet de overheid de kaart trachten op te vragen of op een andere manier uit circulatie te nemen. In zijn advies 2005/03 schreef de NHRPH al :

Voor de leden van de Raad zou de ideale oplossing hierin bestaan dat de parkeerkaarten voor een beperkte duur zouden uitgereikt worden en vervolgens automatisch door de administratie zouden vernieuwd worden zonder dat de persoon met een handicap hiervoor een aanvraag moet indienen. Zij maken een onderscheid tussen enerzijds de duur van het recht op gereserveerd parkeren (beperkte duur voor sommige aandoeningen en onbeperkte duur voor andere ) en anderzijds de geldigheidsduur van de parkeerkaart die beperkt zou moeten zijn om beter te kunnen gecontroleerd blijven.

Ondertussen bestaan er nieuwe technische mogelijkheden om het risico op misbruik te beperken. Via de Kruispuntbank kan de DG op de hoogte blijven van de overlijdens van alle personen die ooit een speciale parkeerkaart kregen. Zo nodig kan de DG via het bestuur van de stad of gemeente waar de overledene gedomicilieerd was een contactadres krijgen waar ze de parkeerkaart kan terugvragen.

Behalve een collecte van kaarten – die niet altijd het gewenste resultaat heeft – zijn er dus ook technische oplossingen mogelijk om misbruik tegen te gaan: een vlot af te lezen barcode of chip in de kaart, een jaarlijks aan te brengen kleurstrip met hologram of QR die elk jaar een andere kleur heeft (automatisch verzonden aan de levende gebruikers), … vergemakkelijken de controle. Er moet wel over worden gewaakt dat die aanpassingen het gebruik van de kaart door de titularis niet bemoeilijken.

Belangrijker dan de vraag of een kaart met bepaalde of onbepaalde geldigheidsduur wordt toegekend is de kwestie van de controle. De NHRPH is van mening dat strengere en frequentere controles noodzakelijk zijn en blijven als aanvulling op sensibilisering.

In principe is de NHRPH voorstander van alle maatregelen bij het ontwerp van de kaart die misbruik tegengaan, zoals het huidige hologram (om kopiëren/vervalsen te bemoeilijken), een barcode of QR (voor snelle controle in de cloud), enz.

Zoals reeds gezegd in zijn advies 2004/05 blijft de NHRPH een voorstander van het uitsluitend toekennen van de parkeerkaart aan natuurlijke personen die aan de toekenningsvoorwaarden voldoen. De NHRPH is tegen het toekennen van kaarten aan instellingen, vervoersdiensten, enz. :

Het geven van een parkeerkaart aan voorzieningen en/of vervoersdiensten van personen met een handicap kan alleen maar aanleiding geven tot misbruik. Wanneer deze diensten over een parkeerkaart beschikken, bestaat er geen grond meer om de persoonlijke kaart van de persoon met een handicap mee te nemen. Het gevolg daarvan is dat op momenten dat deze persoon met het busje van de voorziening of de vervoersdienst wordt vervoerd, zijn parkeerkaart door ‘anderen’ kan worden gebruikt.

De NHRPH herhaalt ook dat de kaart niet aan een nummerplaat of voertuig mag worden gekoppeld. Dat zou de bewegingsvrijheid van de persoon te zeer hinderen. De kaart is gelinkt aan de persoon, niet aan het voertuig.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit;
  • Voor opvolging aan de heer Jan Jambon, Minister van Veiligheid en Binnenlandse zaken;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2015/23 - Zelfstandigen

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/23 over een ontwerp van koninklijk besluit houdende toekenning van een uitkering ten voordele van de zelfstandige die zijn beroepsactiviteit tijdelijk onderbreekt om zorgen te geven aan een persoon.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH en na een elektronische raadpleging van de leden.


Onderwerp

Het tekstontwerp heeft tot doel de bepalingen van het koninklijk besluit van 22/01/2010 houdende toekenning van een uitkering ten voordele van de zelfstandige die tijdelijk zijn activiteit stopzet om palliatieve zorgen te geven aan een kind of aan zijn partner te vervangen door de zelfstandige meer mogelijkheden aan te bieden om zijn zelfstandige activiteit te onderbreken en aanspraak te maken op een uitkering, wanneer hij een ziek persoon of een persoon met een handicap effectief ondersteunt en opvangt. Dit ontwerp van koninklijk besluit wordt aangevuld bij twee andere ontwerpen, waarbij enerzijds wordt voorzien in de vrijstelling van het betalen van bijdragen tijdens de periode van inactiviteit, en anderzijds deze periode van inactiviteit wordt gelijkgesteld met een periode van activiteit voor de berekening voor het pensioen.


Analyse

De zelfstandige kan zijn zelfstandige activiteit onderbreken en genieten van een uitkering, als hij voorziet in het effectief, doorlopend en regelmatig geven van verzorging in geval van ernstige ziekte of van palliatieve verzorging aan een gezins- of familielid evenals voor een kind met een handicap jonger dan 25 jaar.

De zelfstandige kan dan aanspraak maken op een onderbrekingsuitkering voor maximaal 6 maanden per aanvraag en maximaal 12 maanden over zijn ganse loopbaan. De uitkering is gelijk aan het maandelijkse bedrag van het minimumpensioen van een alleenstaande zelfstandige, eventueel met de helft verminderd indien het om een gedeeltelijke onderbreking van de activiteit gaat.


Advies

Over dit ontwerp van koninklijk besluit werd niet met de NHRPH overlegd, ondanks de recente verbintenis van de Ministerraad (27/03/2015) om de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) zodra mogelijk te betrekken bij de te nemen beleidsinitiatieven, zodat rekening kan worden gehouden met zijn opmerkingen en voorstellen.

Met dergelijk overleg had de NHRPH de aandacht kunnen vestigen op een reeks punten die beter zouden moeten geformuleerd worden om de tekst leesbaarder te maken. Hij stelt zich ook enkele vragen en formuleert verzoeken over de inhoud van de tekst:

  • Artikel 2, § 1, c: kinderen met een handicap jonger dan 25 jaar: de NHRPH vestigt de aandacht op het feit dat afhankelijke personen niet enkel kinderen met een handicap jonger dan 25 jaar zijn, maar ook volwassenen met een handicap ouder dan 25 jaar die voortdurend persoonlijke bijstand nodig hebben, net als een kind. Hij vraagt dus dat ook voor deze doelgroep naar een oplossing wordt gezocht;
  • Artikel 2, § 1, c: wat betreft het criterium gebruikt voor kinderen met een handicap jonger dan 25 jaar, in het kader van de erkenning voor het recht op de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap vraagt de NHRPH zich af of dit criterium helemaal relevant is: de eerste pijler is immers gebaseerd op een medisch barema en het kind zou een percentage van ongeschiktheid (66%) kunnen bereiken waarbij evenwel geen permanente en regelmatige aanwezigheid van een verwante aan zijn zijde nodig zou zijn. Sommige kinderen hebben daarentegen een laag verlies van lichamelijke geschiktheid maar een grote afhankelijkheid, bijvoorbeeld autistische kinderen. Het zou dus beter zijn naar alle pijlers van de medisch-sociale schaal te verwijzen, om zodoende rekening te houden met de zelfredzaamheid van het kind (tweede pijler) en met de gevolgen voor het gezin waarvan het kind deel uitmaakt (derde pijler);
  • Artikel 2, § 3: wat betreft de duur van de onderbreking wordt de maximale duur van de onderbreking vastgelegd op 6 maanden per aanvraag en op 12 maanden voor de ganse loopbaan. Deze beperkte duur sluit helemaal niet aan bij met de realiteit van sommige situaties die soms meerdere jaren kunnen duren. De zelfstandige moet overigens in alle vrijheid de duur van de onderbreking kunnen bepalen en de mogelijkheid hebben om tijdens de eerste levenssituatie waarmee hij wordt geconfronteerd de maximale duur van 12 maanden op te gebruiken.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Willy Borsus, Minister van Zelfstandigen
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter informatie aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/19 - Handicapplan

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/19 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over het “Actieplan Handicap”. Advies geformuleerd na overleg en goedkeuring door de leden via email.


Aanvrager

Advies verstrekt op hoogdringend verzoek van de Staatssecretaris voor Personen met een Handicap.


Onderwerp

Per email van 30 juni heeft de Staatssecretaris de NHRPH verzocht tegen begin juli een advies te geven over het ontwerp van nota aan de Ministerraad met als titel “Actieplan Handicap” over de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. De Nederlandstalige documenten werden verstuurd op 30 juni, de Franstalige op 3 juli.

De raadpleging en goedkeuring van de leden van de plenaire vergadering gebeurde dan ook via email.


Analyse

De vraag om advies heeft betrekking op 4 documenten: een ontwerp van nota aan de Ministerraad, ontwerpen van fiches en voorbeelden van fiches. Deze documenten zouden er gekomen zijn naar aanleiding van de beslissing van de Ministerraad van 26 maart 2015 waarbij de Ministerraad zich ertoe geëngageerd heeft rekening te houden met de noden van de personen met daarbij een handicap en het handistreaming-principe te hanteren. De Staatssecretaris kreeg de opdracht een federaal actieplan “Handistreaming” uit te werken met voorstellen van concrete acties om de handicapdimensie in alle beleidsdomeinen ingang te doen vinden.

De Staatssecretaris laat weten dat zij dit engagement geconcretiseerd wil zien en wenst deze nieuwe documenten tijdens een volgende Ministerraad ter goedkeuring voor te leggen.

In haar inleidende nota vraagt zij elke minister en staatssecretaris om bij het opstellen van zijn of haar jaarlijkse beleidsnota het handistreaming-principe mee te nemen in minstens 2 beleidslijnen.

Hiertoe stelt de Staatssecretaris werkfiches voor die door de regeringsleden (bijlage 1) en de verantwoordelijken van de administraties (bijlage 2) zullen worden gebruikt.

De fiches van de ministers en staatssecretarissen zullen minstens 3 fasen omvatten: analyse van de uitdagingen en behoeften, analyse van de verschillende behandeling van personen zonder en personen met een handicap en de gevolgen daarvan, vastleggen van beleidsmaatregelen die de verschillen in behandeling mogelijks kunnen beperken of wegwerken.

De regeringsleden moeten ook gevolg geven aan de aanbevelingen van de VN-experten geformuleerd in het kader van de evaluatie van de Belgische uitvoering van het UNCRPD in 2014, en aan de gedachte-uitwisseling van het middenveld en het onafhankelijk mechanisme. Hiervoor kunnen zij rekenen op de ondersteuning van het coördinatiemechanisme dat de werkdocumenten moet opstellen om de regeringsleden te helpen bij de uitwerking van het UNCRPD. Een eerste lijst met prioriteiten moet tegen 15 december 2015 aan de staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap worden bezorgd.

De fiche “administratie” moet uitleggen hoe handistreaming in verschillende en uiteenlopende domeinen in rekening wordt gebracht, met name de statistieken en indicatoren, de principes inzake administratief beheer, de toekenning van subsidies, de organisatie van evenementen, de toegang tot informatica- en communicatiemiddelen voor personen met een handicap.

De inleidende nota herinnert tevens aan de rol en de opdrachten van de mechanismen van artikel 33 van het UNCRPD, ook op Belgisch federaal niveau.

Zij bepaalt hoe de opvolging en rapportering van de maatregelen moet gebeuren en bepaalt dat de Staatssecretaris voor personen met een handicap een stand van zaken moet geven:

  • jaarlijks, in de loop van de maand maart, een overzicht van de twee beleidslijnen waarin de ministers en staatssecretarissen voor hun domein de handicapdimensie opgenomen hebben;
  • aan het einde van de legislatuur, een overzicht van de acties en maatregelen die de administratieve aanspreekpunten en het coördinatiemechanisme genomen hebben aan de hand van de “Fiche administratie”;
  • aan het einde van de legislatuur, een overzicht van de specifieke acties en maatregelen die elke minister en elke staatssecretaris, in functie van zijn of haar bevoegdheden, genomen heeft om uitvoering te geven aan het UNCRPD, aan de hand van de “Beleidsfiche” die als bijlage bij deze nota gevoegd is.

Advies

Over de vorm,

De NHRPH betreurt dat met hoogdringendheid een advies moet worden verstrekt over een dossier dat in feite de nodige tijd voor gedachte-uitwisseling en overleg vergt. Hoewel het om een belangrijk dossier gaat, zijn onderstaande opmerkingen dus niet noodzakelijk exhaustief.

De NHPRH kreeg in het verleden reeds de kans om tal van adviezen te verstrekken over de concrete uitvoering van het handistreaming-beginsel door de regeringen en administraties (cf. adviezen 2011/12, 2012/10 en 2014/03). De daarin opgenomen aanbevelingen blijven actueel.

Over de inhoud,

De nota aan de Ministerraad lijkt meer op een methodologische nota dan op een actieplan (zelfs al zou het om een eerste fase gaan, maar op het eerste zicht is de nota niet in die zin opgesteld).

Een actieplan moet immers concrete doelstellingen, deadlines, middelen, beoordelingscriteria enz. Bevatten.

Enerzijds zou het Actieplan Handicap doelstellingen moeten bevatten om tegemoet te komen aan de aanbevelingen die België in 2014 kreeg van de VN-experten voor. Wat de personen met een handicap, hun families en de verenigingen die hen vertegenwoordigen, verwachten, is dat zij concreet kunnen vaststellen wat de beleidsverantwoordelijken precies zullen doen met de 23 aanbevelingen van het Comité van de rechten van personen met een handicap. Door uitsluitend 2 acties te vragen van elke minister loopt men het risico dat ze zich gaan vastklampen aan details, terwijl handicap structureel en continu aan bod moet komen in alle beleidsacties en –maatregelen

Het zogenaamde Actieplan Handicap moet dus de aanbevelingen vermelden die betrekking hebben op tenminste het federale niveau en concreet toelichten welke acties zullen worden uitgewerkt.

Daarnaast dient een jaarlijkse screening in Ministerraad te worden voorzien waaruit moet blijken welke stappen al dan niet ondernomen zijn.

Anderzijds moeten de ministers en staatssecretarissen zich ook formeel ertoe engageren de NHRPH te raadplegen voor wat hun beleidsdomein betreft, voor elke project, elke hervorming of bijsturing enz., die enigszins gevolgen kan hebben voor de personen met een handicap, en dit van bij het begin van de werkzaamheden / denkoefeningen. Het is belangrijk dat de NHRPH als volwaardige gesprekspartner kan optreden en de aanbevelingen kan geven over de richting van acties en beleidsmaatregelen. Tevens zou het nuttig zijn mocht de NHRPH de evolutie van de planning en de uitwerking kunnen opvolgen. Op papier zijn de intenties vaak lovenswaardig; waaraan het ontbreekt is de concrete uitvoering.

Tot slot is het ook cruciaal dat de acties elkaar ondersteunen en versterken. De betrokkenen en hun families verwachten geen halfbakken maatregelen maar een visionair beleid dat borg staat voor insluiting, levenskeuze, zelfstandigheid en waardigheid. We moeten voorkomen dat maatregelen versnipperd geraken door de verdeling van portefeuilles en we moeten komen tot een echt coherent, duurzaam en geïntegreerd beleid. Wat voor zin heeft het bv. om tewerkstelling te stimuleren wanneer er onvoldoende of geen toegankelijke vervoersmiddelen zijn? Hoe wil men mensen activeren door middel van “Back to work”-maatregelen wanneer de werkgevers geen dwingende tewerkstellingsmaatregel opgelegd krijgen? Met andere woorden, intradepartementale maatregelen kunnen nooit inclusief zijn zolang ze geen deel uitmaken van een globaal en duurzaam beleid.

Het gebruik van de fiches (bijlagen) is interessant omdat ze een analytische benadering mogelijk maken. Ze zijn resoluut oplossingsgericht. Ze dragen ook bij tot de noodzakelijke fase van een regelmatige beoordeling. Om al die redenen vindt de NHRPH deze fiches zeer interessante werkinstrumenten: zij structureren de gedachte-uitwisseling en het nemen van beslissingen.


Bezorgd

  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2015/18 - Ongeschiktheid

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/18 over artikel 158 van de programmawet van 19 december 2014, in voege sedert 1 januari 2015. Advies van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH), geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 15 juni 2015.


Aanvrager

Advies van de NHRPH op eigen initiatief.


Onderwerp

Tijdens de eerste 6 maanden van primaire arbeidsongeschiktheid hebben werklozen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten bedrage van hun vroegere werkloosheidsuitkering. Sinds 1 januari 2015 geldt hiervoor een maximumbedrag.


Analyse

Vóór 1 januari 2015 (en sedert 2003) was het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste 6 maanden gelijk aan het werkloosheidsbedrag, wat betekende dat de zieke werkloze hetzelfde bedrag ontving als tijdens de eigenlijke werkloosheid gedurende 6 maanden. Vanaf de 7e maand ressorteerde hij onder het klassieke systeem van de ziekte-uitkering.

  • Eerste 6 maanden: ziekte-uitkering = nog steeds dagbedrag werkloosheidsuitkering
  • Vanaf de 7de maand: ziekte-uitkering = 60 % van het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering.

Sinds 1 januari 2015 is het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor werklozen beperkt tot het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij voor het optreden van de arbeidsongeschiktheid niet werkloos was geweest, maar door een arbeidsverhouding gebonden. Gedurende de eerste 6 maanden van de arbeidsongeschiktheid geldt dus een maximumbedrag voor de uitkering die de zieke werkloze ontvangt.

Wanneer de werkloze ziek wordt en het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan de ziekte- en invaliditeitsuitkering waarop hij recht zou hebben, wordt tijdens de eerste zes maanden het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald en niet het bedrag van de werkloosheidsuitkering (gelijkschakeling is niet meer van toepassing). De gelijkschakelingsmaatregel is enkel van toepassing wanneer het bedrag van de werkloosheidsuitkering lager is dan of gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Kortom: gedurende de gelijkschakelingsperiode is de uitkering beperkt tot het bedrag van de uitkering voor primaire arbeidsongeschiktheid indien het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan dat van de ongeschiktheidsuitkering. De uitkeringen worden dus verminderd. Vanaf de 7e maand valt de betrokkene terug op het klassieke systeem van de ziekte-uitkeringen. Hier is dus niets veranderd op 1 januari.


Advies

De NHRPH neemt akte van deze beslissing. De Raad begrijpt dat de regering het systeem wil rationaliseren, maar kan niet aanvaarden dat een dergelijke rationalisering een regelrechte aanslag vormt op de meest kwetsbare werknemers. Indien een werkloze arbeidsongeschikt wordt tijdens de eerste 3 maanden van de periode waarin hij een werkloosheidsuitkering ontvangt, is de gelijkschakelingsmaatregel immers niet meer van toepassing, aangezien het bedrag van de werkloosheidsuitkering (65% van het geplafonneerd gemiddelde dagloon) hoger is dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (60%). Dit geldt ook voor werklozen met een werkloosheidsminimumuitkering die hoger is dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bovendien werd de maatregel zeer laat aangekondigd en trad hij bijna tegelijkertijd in werking, waardoor de verzekeringsinstellingen niet de tijd hadden om tegen 1 januari 2015 de nodige aanpassingen door te voeren. Daardoor moesten er dossiers worden geregulariseerd met een terugvordering met terugwerkende kracht, soms voor meerdere maanden.

Tot slot moeten nu heel wat dossiers inzake tegemoetkoming voor personen met een handicap worden herzien. Door het gebrek aan communicatie tussen de betrokken instanties zijn deze wijzigingen nog niet of pas zeer laat uitgevoerd.

Net als bij de inschakelingsuitkering (zie advies 2014/20, 2014/21 en 2015/03) is de regering overhaast te werk gegaan, zonder alle gevolgen te bekijken en zonder het nodige overleg. De stelsels inzake sociale zekerheid en sociale bescherming worden gekenmerkt door een sterke afhankelijkheid tussen de afzonderlijke elementen. Raakt men aan één stuk van het gebouw, dan moet men vaak de hele situatie opnieuw onderzoeken vanuit de levenssituatie van de betrokken personen. De NHRPH wil er immers op wijzen, voor zover dit nog nodig zou zijn, dat achter elk dossier mensen en hun families schuil gaan. De Raad stipt ook aan dat arbeidsongeschiktheid steeds bijkomende kosten voor verzorging en behandeling met zich meebrengt.

Tot slot wijst de Raad op de studies waaruit een onlosmakelijk verband tussen ziekte en armoede blijkt. De NHRPH herinnert aan de inhoud en de draagwijdte van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap:<:em> dit verdrag beschermt de mensen die aan een handicap of ziekte lijden en draagt bij tot hun vertegenwoordiging bij de uitwerking van beslissingen. Daarnaast herinnert de Raad aan de regeringsbeslissing van 27 maart 2015 die alle ministers en staatssecretarissen ertoe verplicht erop toe te zien dat het middenveld, en in het bijzonder de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap en de Staatssecretaris belast met het beleid inzake personen met een handicap die als centraal contactpunt optreedt, zo snel mogelijk zouden overleggen over de te nemen beleidsacties.

Had een dergelijk overleg plaatsgevonden, dan had de NHRPH de aandacht kunnen vestigen op de averechtse gevolgen en waren we gespaard gebleven van sociale drama’s en persberichten die schadelijk zijn voor iedereen.

Voortaan zou de NHRPH systematisch en op voorhand moeten worden geraadpleegd telkens wanneer een nieuwe maatregel of hervorming gevolgen kan hebben voor de personen met een handicap, en dit van bij het begin van het denkwerk.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/17 - NHP en NSR

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/17 betreffende het Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) 2015 en het Nationaal Sociaal Rapport (NSR) 2015. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 15 juni 2015.


Aanvrager

Advies van de NHRPH op eigen initiatief.


Onderwerp

In het kader van de Europese Economische Strategie van Lissabon verbindt elke lidstaat zich ertoe de Europese Unie een inventaris te bezorgen van de realisaties en projecten die tegemoetkomen aan de aanbevelingen van de Europese Unie. Op basis van dit verslag worden nieuwe aanbevelingen geformuleerd, maar ook sancties aan de lidstaten opgelegd.


Analyse

Het NHP 2015 beantwoordt voornamelijk aan de volgende aanbevelingen: hervorming van het fiscaal stelsel, acties met betrekking tot de concurrentiekracht, acties betreffende de uitstoot van broeikasgassen.

Net NSR 2015 omvat maatregelen op vlak van sociale insluiting, pensioenen, volksgezondheid, sociale bescherming en langdurige geneeskundige verzorging.


Advies

1. Het NHP

De NHRPH:

  • neemt akte van dit document
  • is verwonderd over de nagenoeg totale afwezigheid van antwoorden op de uitdagingen inzake de insluiting van personen met een beperking in alle domeinen van het leven.
  • herinnert eraan dat België het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft bekrachtigd en dat ons land zich heeft geëngageerd om dit verdrag concreet uit te voeren. België is ook verplicht in te gaan op de aanbevelingen van het Comité van experten bij de VN.
  • vraagt dan ook een actieplan Handicap op te stellen, naar analogie met het Actieplan Armoede

De NHRPH wil ook wijzen op een aantal van zijn bekommernissen. Zij worden in de loop van deze nota uiteengezet.

Tewerkstelling van oudere werknemers – pagina’s 8 en 9, 3.2.1 tot 3.2.3: de NHRPH herinnert eraan dat langer werken moeilijk haalbaar is voor heel wat personen met een handicap (PH); er zou in tegendeel beter een regeling worden uitgewerkt voor hun loopbaaneinde.

Onderwijs - Punten 3.3.2, 3.4.5 en 4.3: de overwegingen inzake vroegtijdig schoolverlaten en de onaangepastheid van de opleidingen aan de vraag op de arbeidsmarkt gelden uiteraard ook voor PH (en zelfs meer dan voor andere jongeren). Het percentage schoolverlaters bij jonge personen met een handicap is aanzienlijk. Dit is een gevolg van o.m. het gebrek aan redelijke aanpassingen van de lokalen en lessen, het gebrek aan aangepaste vervoersmiddelen of gewoonweg omdat sommige jongeren op schooldagen geen toegang hebben tot de verzorging waarop ze in feite recht hebben. Dit is onaanvaardbaar!

Bovendien wordt hen op basis van hun handicap nog te vaak voorgesteld niet-kwalificerende opleiding te volgen die niet beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt.

Hiervoor moet dringend een oplossing worden gevonden. Helaas bevat het NHP geen enkele specifieke maatregel voor de begeleiding van kinderen en jongvolwassenen met een beperking. Met het oog op het volgende NHP moet nu al, samen met de betrokken personen met een beperking, onderzocht worden welke maatregelen noodzakelijk zijn. De NHRPH herinnert bovendien aan zijn vraag naar inclusiever onderwijs. Ook dit zal helpen het vroegtijdige schoolverlaten te beperken. Dit betekent niet dat het gespecialiseerde onderwijs moet worden afgeschaft, maar dat het gewone onderwijs moet worden aangepast aan de noden van personen met een handicap, en dat de betrokkenen de keuze tussen beide moeten hebben.

Arbeidsmarkt en tewerkstellingsdoelstellingen

Pagina’s 11 en 21

De regeringen hebben het in eerste instantie over maatregelen voor werklozen en migranten. Wanneer het gaat om kwetsbare groepen wordt vreemd genoeg niets gezegd over PH. Tussen “valide” en “invalide personen” is er nochtans ook een verschil van 20%. Afhankelijk van de bronnen en de gebruikte parameters varieert de tewerkstelling van PH in België tussen de 35 en de 47%. Dit ligt onder het Europese gemiddelde.

Enkel in Hongarije (23,7%) en Ierland (29,8%) is de tewerkstellingsgraad bij personen met een beperking nog lager. De hoogste percentages vinden we in Zweden (66,2%) en Luxemburg (62,5%).

In een recente studie wijst Eurostat erop dat hetgeen zich voordoet op de arbeidsmarkt ook kan worden vastgesteld met betrekking tot de toegang tot onderwijs. Wat betreft levenslang leren was het percentage bij personen met een beperking in 2011 lager dan bij personen zonder beperking tussen 25 en 64 jaar, en dit in alle EU-lidstaten waarvoor cijfers bestaan.

Eurostat heeft zich ook gebogen over het risico op armoede en sociale uitsluiting bij personen met een handicap voor het jaar 2013. België is koploper in de Europese Unie, want 34,3% van de personen met een handicap (tegenover 16,6% van de personen zonder handicap) lopen dit risico. Dit is een verschil van 17,7%. Enkel Bulgarije doet nog slechter, met een verschil van 19,6 punten en een dramatisch hoog percentage van 63,7% wat betreft armoederisico bij personen met een beperking. Italië is, met een verschil van 4,4 punten, het Europese land waar de handicapsituatie de minste impact heeft op het risico om in de armoede verzeild te raken.

Ter herinnering: in haar Strategie 2020 heeft Europa een doelstelling vastgelegd voor een hogere tewerkstelling van alle PH die ten gevolge van hun handicap worden uitgesloten van de arbeidsmarkt.

CONCLUSIE: er is nood aan een becijferde doelstelling voor de tewerkstelling van PH die momenteel worden uitgesloten van de arbeidsmarkt, zoals dit reeds bestaat voor andere kwetsbare groepen!

Actieve insluiting van mensen ver van de arbeidsmarkt. Punt 4.5.3. Pagina 33.

Hier lezen we: “De Federale Regering zal met alle betrokken actoren de drempels om te werken voor personen met een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids-of sociale bijstandsuitkering zoveel mogelijk wegwerken.”. Dit moet absoluut ook gebeuren voor PH, ongeacht de oorzaak van de beperking of de regeling waaronder de betrokkene ressorteert. Ter herinnering: meer dan 150.000 personen jonger dan 65 zijn als PH erkend en ontvangen een tegemoetkoming voor personen met een PH. Zij krijgen weinig of geen trajectbegeleiding voor tewerkstelling of vorming.

De NHRPH benadrukt echter dat activering niet voor alle personen met een beperking soelaas biedt. Wie niet in aanmerking komt voor activering mag ook niet worden gepenaliseerd en moet tegemoetkomingen ontvangen die hem of haar een waardig leven en de nodige verzorging waarborgen!

Sociale insluiting<:em> – Punt 4.5

Pagina 32: “Er is geen trend in de richting van de doelstelling om het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 (EU-SILC 2018) met 380.000 te doen dalen ten opzichte van 2010 (EU-SILC 2008).”

Wat een vaststelling! Het houdt geen steek de verantwoordelijkheid hiervoor af te schuiven op de crisis. En dan nog! We moeten alles doen om dit cijfer tegen 2020 terug te dringen, en wel vanaf nu, ook door rekening te houden met de noden van de PH!

De sociale bescherming van de bevolking verzekeren - Punt 4.5.1

Pagina 32. Het regeerakkoord voorziet een geleidelijke verhoging van de bijstandsuitkeringen en de minimumuitkeringen van de sociale zekerheid tot de Europese armoedegrens. Uit alle studies blijkt dat de tegemoetkomingen voor PH niet volstaan om de bijkomende kosten ten gevolge van de handicap te dekken en om een waardig en zelfstandig leven te leiden. Momenteel ligt bij de Staatssecretaris bevoegd voor personen met een beperking een ontwerptekst voor de hervorming van de tegemoetkomingen voor PH op tafel die de steun kreeg van de NHRPH; gelet op de toenemende armoede bij PH wordt het tijd dat deze hervorming wordt doorgevoerd.

Pagina 33. “De tegemoetkoming voor de hulp aan bejaarden werd geregionaliseerd en wordt aangepast. Bij de tussenkomst zal voortaan rekening gehouden worden met de behoeften en de prestaties, en er zal gekeken worden naar de afhankelijkheidssituatie. Op basis daarvan zal geleidelijk aan een ‘zelfstandigheidsdekking’ voor alle ouderen worden ingevoerd.”

De NHRPH trekt aan de alarmbel: indien de zelfstandigheidsdekking voor alle ouderen gebeurt met de huidige budgetten voor de THB, worden de oudere PH het slachtoffer van deze maatregel.

Inadequate huisvesting bestrijden – punt 4.5.4, Pagina 34. “Er werden inspanningen geleverd om de huisvestingsoplossingen te diversifiëren, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Wat de opvang van ouderen en personen met een handicap betreft, zet de Regering in eerste instantie in op formules die de zelfstandigheid bevorderen; residentiële diensten zijn voorbehouden voor de meest afhankelijke mensen.”.

De NHRPH benadrukt uitdrukkelijk zijn standpunt over de vrije keuze van verblijfplaats in functie van de meest adequate situatie en de noden van de betrokken persoon met een handicap. De zelfstandigheidsdoelstelling veronderstelt noodzakelijkerwijs een versterking en diversifiëring van de thuisdiensten voor PH.

Loremipsum dolor sit amet consectetur adipiscing elit. Mauris tellus mauris, consequat non tempus ac, iaculis at metus. Aliquam non augue id orci varius accumsan. Pellentesque et nisi nisi, vel dignissim nisl. Sed molestie, neque ut facilisis viverra, urna urna tempus est, imperdiet ornare libero mi sed eros. Donec vitae augue ligula, vel accumsan odio. Sed nec turpis ligula, a dapibus lectus. Nulla facilisi. Pellentesque aliquet mauris vitae arcu placerat accumsan. Integer sit amet dui non eros imperdiet aliquet vel

2. Het NSR

De NHRPH neemt akte van de 4 aanbevelingen van de Europese Unie voor België:

  • Begrotingsaanpassing 0.6%
  • Fiscale hervorming om de belasting op arbeid te verminderen
  • Hervorming van de arbeidsmarkt en de beperking van de tewerkstellingsvallen
  • Verhoging van het concurrentievermogen

De NHRPH betreurt ten stelligste de afwezigheid van een aanbeveling met betrekking tot de 5de pijler van de Strategie 2020 betreffende de armoedebestrijding, in het bijzonder de vermindering van het aantal kwetsbare personen in België. Eind 2014 bedroeg het aantal personen in deze situatie in België 2.286.000, terwijl dat in 2008 nog 2.194.000 was (pagina 3 van het NSR). De initiële doelstelling om 380.000 personen uit de armoede te helpen zou dus moeten worden opgetrokken tot 472.000. De NHRPH vreest dat er van deze kwantitatieve doelstelling inzake armoedebestrijding zonder duidelijke en expliciete target op beleidsvlak gewoonweg niets terecht zal komen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een Beperking;
  • Ter informatie aan de heer Willy Borsus, Minister van Maatschappelijke Integratie
  • Ter informatie aan het Interfederaal Centrum voor de gelijkheid van kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Advies 2015/15 - Artikel 22ter

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/15 over het voorstel tot herziening van de Grondwet om bij titel II van de Grondwet een nieuw artikel 22ter in te voegen dat de personen met een handicap het genot van aangepaste maatregelen moet waarborgen die hen zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie verzekeren. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) geformuleerd tijdens de zitting van 15/06/2015.


Aanvrager

Advies van de NHRPH op eigen initiatief.


Onderwerp

Het voorstel van de heer Francis Delpérée, Volksvertegenwoordiger, heeft als doel in de Grondwet een nieuw artikel 22ter in te voegen om personen met een handicap het recht op aangepaste maatregelen te waarborgen die hen zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie verzekeren.

Wij herinneren eraan dat hij tijdens de vorige legislatuur een gelijkaardig voorstel heeft ingediend dat tijdens de plenaire zitting van 28 februari 2013 door de Senaat werd aangenomen en vervolgens werd vernietigd. De NHRPH heeft hierover een advies uitgebracht (2013-6). Het huidige voorstel herneemt deze tekst met een aantal aanpassingen.


Analyse

Het nieuwe artikel 22ter bepaalt dat:

  • “Iedere persoon met een handicap heeft, afhankelijk van de aard en de ernst van zijn handicap, recht op maatregelen die hem zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie waarborgen.
  • De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.”

De NHRPH wenst uitdrukkelijk aan te stippen dat het begrip “zelfstandigheid” voor zijn leden ook “financiële zelfstandigheid” omvat.


Advies

Artikel 4, punt 1 a) van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt als volgt: “De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die Partij zijn zich: a. tot het aannemen van alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden.”

De leden van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap zijn van mening dat de goedkeuring van deze maatregel door de wetgevende kamers het beginsel van de waarborg van rechten en vrijheden die het voornoemde Verdrag aan de personen met een handicap toekent, in de Belgische Grondwet zou kunnen verankeren.

Vast staat dat, verschillende teksten over de mensenrechten ten spijt, personen met een handicap vaak geconfronteerd worden met discriminatie op basis van hun handicap.

De goedkeuring van dit voorstel zou een sterk signaal vormen naar de gehele maatschappij en de overheden toe. De NHRPH is voorstander van het vervangen van de term “integratie” door “inclusie”, een term die verwijst naar de notie van de inclusieve maatschappij, een ideaal dat de NHRPH nastreeft. De inclusieve maatschappij is een maatschappij die haar functioneren en de levensomstandigheden van haar leden op een dusdanige manier vormgeeft dat haar verschillende onderdelen kunnen samenleven en genieten van dezelfde rechten.

De NHRPH vreest overigens dat de noties van culturele, maatschappelijke en professionele integratie de facto bepaalde personen met een handicap uitsluiten.

De leden van de NHRPH vragen aan de voorzitters van de wetgevende kamers de nodige aandacht te schenken aan dit voorstel en zo snel mogelijk te zorgen voor de opvolging ervan.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Siegried Bracke, Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers;
  • Voor opvolging aan de heer Peter De Roover, Voorzitter van de Commissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming van de instellingen;
  • Voor opvolging aan mevrouw Christine Defraigne, Voorzitster van de Senaat en Voorzitter van de Commissie voor institutionele aangelegenheden;
  • Ter informatie aan de heer Francis Delpérée, lid van de Commissie voor institutionele aangelegenheden en van de Kamer van Volksvertegenwoordigers;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2015/16 - Brussel-Schuman

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/16 over de werken in station Brussel-Schuman. Advies van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) van 15 juni 2015, op vraag van de NMBS tijdens de werkgroepvergadering van 04/06/2015


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS


Onderwerp

Tijdens de overlegvergadering van 17/06/2011 vroeg Infrabel een advies (advies 2011/16) aangaande de werken in het station Brussel-Schuman.

Ondertussen zijn de werken ver gevorderd. Het is de bedoeling om het station eind 2015 volledig in dienst te kunnen nemen. Voor de werken werd ook al een advies bij Belgorail gevraagd.

In navolging van het advies van Belgorail werd beslist een hek te plaatsen op het smalle eilandperron aan de kant van het spoor B-L161A (perron 2). Het hek loopt over een lengte van 40 meter op een afstand van 50 cm van en parallel met de perronrand. Er zou zich namelijk een veiligheidsrisico voordoen in de smalle zone van het perron wanneer twee reizigerstreinen op hetzelfde moment respectievelijk aan perron 2 en 3 stoppen. Op het smalle gedeelte kunnen de reizigers dan bij het uitstappen op elkaar botsen.

Revalor schrijft noppentegels voor met een breedte van 60 cm op een afstand van 40 cm van de perronrand. Bij het perron in kwestie is dat niet mogelijk omdat de kop van het perron te smal is voor deze Revalor-maten. Het studiebureau TUC Rail vroeg tijdens een vergadering (06/11/2014) aan de NMBS of een afwijking op de voorschriften van de Revalor aangaande de aanleg van noppentegels op de perrons mogelijk was.

In een vergelijkbaar geval heeft de NHRPH uitzonderlijk een compromisoplossing aanvaard waarbij de situatie met tegels van 60 cm op 60 cm op 40 cm van de perronrand overgaat op tegels van 40 cm op 40 cm op 30 cm van de rand. Dat was bij het dossier van het station van Oostende (advies 2012-07).

Bij de uitvoering zijn echter noppentegels gebruikt met een breedte van slechts 34,5 cm. (De 40 cm afstand van de perronrand is wel gerespecteerd.)

De NMBS betreurt het gebruik van de smallere noppentegels, maar haalt aan dat deze afmetingen nog aan de veiligheidseisen voor de TSI PBM (Technische Specificatie Interoperabiliteit ten behoeve van personen met beperkte mobiliteit) voldoen. Bovendien zijn de werken ver gevorderd, wat het moeilijk maakt om de tegels weer uit te breken, zeker gezien de geplande datum van ingebruikname (eind 2015). Daarom vraagt de NMBS de NHRPH om bijkomend advies.


Analyse

De NHRPH is in de eerste plaats bezorgd om de veiligheid van de reizigers met een handicap.

Een noppentegel van 34,5 cm is een stuk kleiner dan de standaardtegel van 60 cm en zelfs dan de 40 cm die uitzonderlijk wordt toegestaan in het geval van een smal perroneinde. Een persoon met een visuele handicap, al dan niet met een witte stok, zal de smallere noppentegel minder snel opmerken. Bovendien gaat een kleiner formaat in tegen het principe van de uniformiteit.

Een gedeeltelijke oplossing zou erin kunnen bestaan het voorziene hek als natuurlijke geleidelijn aan te leggen voor personen met een visuele handicap.

De NHRPH vraagt dan wel om de nodige aandacht te besteden aan het hek dat wordt geplaatst. Dat hek moet voldoende stevig en hoog zijn om de veiligheid van alle reizigers te garanderen. Ook moet het bovenaan gesloten zijn om veilig te zijn voor mensen met een ernstige visuele handicap.

Dit verandert natuurlijk niets aan het feit dat de tegels te smal zijn.


Advies

De NHRPH brengt in dit dossier een negatief advies uit. Revalor moet worden gevolgd. Het perroneinde is niet veilig en de noppentegels zijn nog smaller dan de aanvaarde uitzonderingsregel van 40 cm.

Voor het uitwerken van een technische oplossing die overeen komt met Revalor vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

Vanzelfsprekend moet ook voor de rest van de werkzaamheden Revalor worden gevolgd.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Ter infoormatie aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 6

Advies 2015/14 - Justitieplan

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/14 over het Justitieplan 2015 van de Minister van Justitie, Koen Geens. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) van 18 mei 2015


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Het Justitieplan van de Minister van Justitie, de heer Koen Geens, bevat een niet uitputtend overzicht van concrete en geplande voorstellen en maatregelen om het debat over de door te voeren hervormingen bij Justitie met de regering, het Parlement en alle actoren van justitie op gang te brengen.

Die maatregelen zullen snel, vanaf het voorjaar van 2015, omgezet worden in vier wetsontwerpen: potpourri I (hervorming van de burgerlijke procedures), II (hervorming van het strafrecht en de strafprocedure), II (personeel en materiële infrastructuur van Justitie) en IV (restonderwerpen) genoemd.

Dit plan werd uitgewerkt op basis van informele gesprekken met verschillende actoren bij Justitie. Op dit moment wordt een periode van formele raadpleging overwogen.


Analyse

Het federale regeerakkoord van 9 oktober 2014 en de beleidsverklaring van Justitie van 17 november 2014 blijven de leidraad voor de actie van de Minister van Justitie. In het Justitieplan worden de drie grote verbintenissen van de regering op het vlak van justitie nader beschreven:

  • de burgerlijke procedure;
  • het strafrecht en de strafprocedure;
  • het personeel en de infrastructuur.

Er wordt ook een deel besteed aan een cijfermatige voorstelling van Justitie.

De uitvoering van dit Justitieplan is de tweede fase van het algemene actieplan, waarvan de eerste fase (hervorming van het gerechtelijk landschap) afgerond werd tijdens de vorige zittingsperiode. De derde fase (fundamentele hervorming van de basiswetgeving) zou in het tweede semester van 2015 van start moeten gaan.

Het Justitieplan steunt op de gedachte dat justitie zich moet concentreren op haar fundamentele – zowel burgerlijke als strafrechtelijke – taken. Justitie is sociaal, want "elke burger heeft recht op recht, snel en goed, en zonder te veel kosten". In een budgettair moeilijke context moet een evenwicht gevonden worden tussen betaalbaarheid en kwaliteit van justitie. Hiertoe streven een aantal maatregelen naar een vereenvoudiging van de strafprocedures. De ambitie is onder meer dat de rechtsonderhorige gemiddeld binnen een jaar per aanleg een gerechtelijke uitspraak krijgt. Met het oog op een snel verloop worden ook de alternatieve wijzen van geschillenbeslechting in burgerlijke zaken en buitengerechtelijke afhandelingen in strafzaken versterkt.


Advies

De NHRPH verheugt zich erover dat de Minister van Justitie vanaf het begin van de zittingsperiode een reeks maatregelen samengebracht heeft in een duidelijk en concreet plan om het debat op gang te brengen en richting te geven aan zijn acties voor de rest van de zittingsperiode.

Als officieel orgaan op federaal niveau dat personen met een handicap vertegenwoordigt, wenst de NHRPH snel proactief betrokken te worden bij de uitvoering van dit Justitieplan. Bij toepassing van de beslissing van de Ministerraad van 27 maart 2015 moet elke minister en staatssecretaris immers "erop toezien dat het maatschappelijk middenveld, en in het bijzonder de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (...) zo vroeg mogelijk betrokken wordt bij te nemen beleidsinitiatieven".

De NHRPH verheugt zich over de voorgestelde maatregelen voor geïnterneerden. Het is een noodzakelijke stap vooruit, die gezien het nijpende probleem van de overbevolking evenwel niet volstaat. Hij herinnert eraan dat personen geïnterneerd worden omdat zij een intellectuele beperking of mentale ziekte hebben. Zij worden niet 'verantwoordelijk' voor hun da(a)d(en) geacht. Aangezien zij niet 'schuldig' zijn, mogen zij in geen geval in de gevangenis belanden. De NHRPH vraagt dat al wie wegens een intellectuele beperking of mentale ziekte geïnterneerd is, nooit in de gevangenis belandt. De gevangenis is niet de geschikte plaats om hen in de maatschappij te re-integreren. Bovendien vraagt hij een omkadering voor geïnterneerden door middel van gespecialiseerd verzorgend personeel en begeleiding door een multidisciplinair team, zowel in de inrichtingen tot bescherming van de maatschappij als in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen, en de uitwerking en toepassing van een coherent beleid dat afgestemd is op de specifieke behoeften van geïnterneerden. In de kamers voor de bescherming van de maatschappij bij de strafuitvoeringsrechtbanken zullen er overigens geen psychiaters meer zetelen: gezien de medische bijzonderheden van geïnterneerden lijkt die maatregel, die als ontmedicalisering van het interneringsproces beschouwd wordt, paradoxaal te zijn.

De NHRPH benadrukt dat de wet van 12/01/2005 (art. 87 tot 99) houdende het beginsel van gelijkwaardige geneeskundige verzorging voor gedetineerden in vergelijking met de geneeskundige verzorging in de maatschappij in werking getreden is. In voorkomend geval wenst hij betrokken te worden bij het opstellen van het algemene gezondheidsplan voor het organiseren van geneeskundige verzorging voor gedetineerden en geïnterneerden. De NHRPH staat achter het voornemen van de minister om de minstbedeelden in staat te stellen hun recht op toegang tot de rechter concreet uit te oefenen door de tweedelijnsrechtsbijstand te hervormen en te moderniseren. Hij wil evenwel de aandacht erop vestigen dat wie recht heeft op een inkomensvervangende tegemoetkoming, automatisch gelijkgeschakeld wordt met personen met een onvoldoende inkomen, waardoor betrokkene dus tweedelijnsrechtsbijstand kan genieten. Dat alle inkomens meetellen voor de erkenning van het recht op tweedelijnsrechtsbijstand verontrust de NHRPH-leden: van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap wordt de integratietegemoetkoming verondersteld de meerkosten van de handicap te dekken. Wat betreft het promoten van de rechtsbijstandsverzekering voor wie geen toegang heeft tot tweedelijnsrechtsbijstand, herinnert de NHRPH de minister eraan dat personen met een handicap, enkel en alleen wegens hun handicap, veel gemakkelijker uitgesloten worden of hogere premies moeten betalen.

De NHRPH betreurt dat in het Justitieplan, dat de materiële infrastructuur van justitie – zowel in de rechtelijke orde als in de penitentiaire inrichtingen – door middel van een aan te passen of op te stellen masterplan behandelt, nergens iets gezegd wordt over de fysieke toegankelijkheid van die gebouwen.

In het Justitieplan wordt ook meermaals gesproken over betaalbaarheid van justitie. Toch gaat geen enkele maatregel concreet over het begrip 'universele toegankelijkheid' (documenten, procedures, …). Overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap, dat België in 2009 geratificeerd heeft, moeten personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen informatie met communicatiemiddelen naar keuze kunnen vragen, ontvangen en meedelen. In de praktijk worden personen met een handicap aanzienlijk belemmerd op het vlak van toegang tot informatie, zowel financieel (te weinig financiële middelen voor het aanschaffen of vernieuwen van de instrumenten) als materieel (onbegrijpelijke administratieve taal, opleiding in het gebruik van de instrumenten, …). Hoewel de ontwikkeling van de informatica-infrastructuur tot vlotter toegankelijke informatie en snellere communicatie leidt, mag niet uit het oog verloren worden dat die kanalen toegankelijk moeten blijven voor alle soorten handicap. In dit opzicht stelt de NHRPH de FOD Justitie voor zijn website aan te passen met het oog op het AnySurfer-label, en duidelijk, eenvoudig geformuleerde of gemakkelijk leesbare informatie te geven.

Tot slot verbaast de NHRPH zich erover dat er nog steeds geen uitvoeringsmaatregelen voor de toepassing van de nieuwe wet betreffende de rechtsbescherming genomen werden. Dit roept vragen op bij de burgers en de actoren van justitie en kan tot een verschillende toepassing leiden.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informmatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/13 - Openbaar ambt

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/13 inzake de wijziging van artikel 1,1° van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsprocedure en met betrekking tot de stage. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), geformuleerd tijdens de plenaire vergadering van 18 mei 2015.


Aanvrager

Advies geformuleerd op vraag van mevrouw Elke Sleurs in een e-mailbericht van 2 maart 2015.


Onderwerp

De Staatssecretaris stelt voor de definitie van de handicap in artikel 1, 1° van voormeld besluit te wijzigen. Zij stelt de volgende tekst voor:

Artikel 1, 1° van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage wordt als dusdanig uitgelegd dat onder persoon met een handicap tevens het begrip arbeidshandicap valt, zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008, betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap. Deze is als volgt: “elk langdurig en belangrijk probleem van deelname aan het arbeidsleven dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren."


Analyse

  • Het koninklijk besluit van 5 MAART 2007 tot organisatie van de werving van personen met een handicap in sommige federale overheidsdiensten bepaalt het volgende:

“Artikel 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder persoon met een handicap verstaan:

1° de persoon als dusdanig ingeschreven bij het “Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées”, bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, voorheen het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, bij de “Service bruxellois francophone des Personnes handicapées” of bij de “Dienststelle für Personen mit Behinderung”;

2° de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming geniet op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

3° de persoon die in het bezit is van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen;

4° het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte die het bewijs kan voorleggen van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % afgeleverd door het Fonds voor Arbeidsongevallen, door het Fonds voor Beroepsziekten of de bevoegde geneeskundige dienst in het kader van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector of in een gelijkwaardig stelsel;

5° het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht dat het bewijs kan voorleggen van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66% naar aanleiding van een gerechtelijke beslissing;

6° de persoon die in het bezit is van een attest van blijvende invaliditeitserkenning afgeleverd door zijn verzekeringsinstelling of door het RIZIV. De wijziging heeft betrekking op het concept zelf van persoon met een handicap dat zou worden uitgebreid tot “arbeidshandicap” letterlijk vertaald door “handicap au travail”.

  • In 2013 werd het volgende daaraan toegevoegd: het opnemen van het VOP-attest (steun van de VDAB) in de criteria voor het erkennen van personen die in aanmerking kunnen worden genomen voor de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap.
  • Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, door België in 2009 bekrachtigd, bepaalt in artikel 1 dat personen met een handicap personen zijn met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.

Advies

Voor de NHRPH blijft het VN-concept DE referentie op alle gebieden: hij is van mening dat de definitie niet moet worden uitgebreid en afgezwakt. Men moet zich daarentegen de vraag stellen waarom “personen met een arbeidshandicap” niet in de bestaande opsomming voorkomen. Hij is van mening dat men beter kan uitgaan van de lijst met bestaande erkenningen, door ze voor Vlaanderen te beperken tot de VOP. Zodoende wordt perfect aangesloten bij het advies van de BCAPH van 28 oktober 2013, dat wijst op de gevaren van het uitbreiden van de reglementering tot andere personen.

Hij vestigt opnieuw de aandacht op het belang om werklozen tot werk aan te trekken en ieder deelgebied ertoe aan te sporen op zijn niveau maatregelen tot aanmoediging en begeleiding te treffen, waardoor personen met een handicap toegang tot een duurzame, kwaliteitsvolle betrekking kunnen krijgen.


Bezorgd

  • aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • aan de heer Steven Vandeput, Minister van Ambtenarenzaken
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/12 - Dienstbetrekking

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/12 over het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, criteria van de passende dienstbetrekking, artikelen 22 tot 32quater. Advies van de Nationale Hoge Raad van Personen met een Handicap (NHRPH) uitgegeven op de plenaire zitting van 20 april 2015.


Aanvrager

Advies verstrekt door de NHRPH op verzoek van de Minister van Werk bij email van 16 februari 2015.


Onderwerp

De criteria van de passende dienstbetrekking werden in 1991 vastgelegd in het kader van de werkloosheidsregeling. De vraag is of deze in hun totaliteit of gedeeltelijk toegepast kunnen worden op de situatie van personen met een handicap.


Analyse

De artikelen 22 tot 32quater definiëren de passende dienstbetrekking in functie van:

  • de overeenstemming met de beroepsloopbaan en de opleiding van de betrokkene;
  • de bezoldiging (hoogte en voorwaarden);
  • de plaats, de duur van de uitoefening, het begin- en eindtijdstip;
  • de voorgestelde deeltijdse tewerkstelling;
  • de grensoverschrijdende activiteit;
  • de situatie van de kunstenaar;
  • de gezinssituatie;
  • de leeftijd van de betrokkene;
  • de vereiste opleiding.

Advies

De NHRPH wijst erop dat elke persoon met een beperking volgens de Raad een volwaardige kandidaat-werknemer is. Het recht op arbeid voor personen met een beperking is een absoluut en onvoorwaardelijk recht dat door de Staten in de praktijk moet worden gebracht voor elke persoon die dit wenst. De regelgeving inzake redelijke aanpassingen geldt voor alle werkgevers; de overheid moet de middelen voor de uitvoering ervan waarborgen.

De NHRPH stelt vast de aard van de arbeid nergens wordt vermeld ; men moet ervan uitgaan dat de gezondheidstoestand aan de basis kan liggen van een niet-passende dienstbetrekking indien de voorgestelde activiteit een bezwarende factor is voor de gezondheidstoestand van de betrokkene.

Ook uitsluitende formuleringen in functie van de pathologie gebruikt men beter niet.

  • Art. 25, §2: begrip “gezondheidstoestand” – wat zijn de criteria ? De NHRPH stelt voor te verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, die een omvangrijke rechtspraak ontwikkeld heeft op grond van de beperkende dimensie van ziekte ; de NHRPH vraagt deze rechtspraak mee te nemen in deze definitie van de gezondheidstoestand.
  • Art. 25, §4: ook een afstand van minder dan 60 km kan een hindernis vormen wanneer bv. De betrokkene geneeskundige verzorging nodig heeft voor hij of zij gaat werken of wanneer er geen toegankelijk openbaar vervoer is. Om die reden vraagt de Raad bij de uitzonderingen voorzien bij art. 25, § 3 het aantal kilometer toe te voegen.
  • Art.25, §5: deze paragraaf heeft betrekking op de problematiek van de verpleging en op het begin van de arbeidsdag. Wat moeten we verstaan onder “de veiligheid van de werknemer”? Tevens moeten vragen i.v.m. de begin- en eind-uren van de werkdag, gekoppeld aan de geneeskundige verzorging, in aanmerking worden genomen. Men zou het beter hebben over « de veiligheid en de gezondheid van de werknemer ».
  • Art. 29: is nachtwerk een optie indien men voor zijn verplaatsingen volledig aangewezen is op het openbaar vervoer of wanneer de betrekking enkel in aanmerking komt voor wie over een wagen beschikt ? De RVA moet ermee rekening houden dat sommige personen met een handicap niet bij machte zijn een voertuig te besturen.
  • Wat met dienstbetrekkingen met vaste uren? Kunnen deze niet-passend worden voor bepaalde werknemers wanneer deze aan een ziekte of handicap lijden? De criteria voor passende dienstbetrekkingen moeten in dat geval ook iets zeggen over nachtwerk.
  • Art. 31 bepaalt: “Voor de beoordeling van het passend karakter van een dienstbetrekking in een ander beroep dan dat van kunstenaar wordt rekening gehouden met de intellectuele ontwikkeling en met de lichaamsgeschiktheid van de kunstenaar, alsmede met het risico dat de vaardigheid vereist voor het uitoefenen van zijn beroep van kunstenaar, zou kunnen afnemen.” Volgens de NHRPH is deze formulering niet helemaal duidelijk. Bovendien kan men zich afvragen waarom dit voorbehoud beperkt moet worden tot kunstenaars, en niet beter veralgemeend zou worden tot alle kandidaat-werknemers met een handicap of een ziekte die door de uitoefening van een andere betrekking zou kunnen verergeren.
  • Art. 32 : “uitzonderlijk” en “tijdelijk”. Ter herinnering: mantelzorgers krijgen een vrijstelling van minstens 48 maanden;
  • - 1. Zoals nu geformuleerd is artikel 32 in tegenspraak met de vrijstelling van de nieuwe bepaling inzake mantelzorgers.
  • - 2. Bovendien penaliseert deze bepaling de situatie van mantelzorgers na 48 maanden, want de handicap blijft duren en vormt helaas geen uitzonderlijke en tijdelijke situatie. Bij werkzoekenden die als mantelzorger optreden voor een persoon met een handicap moeten de dienstregelingen en uren van aanwezigheid thuis in rekening worden gebracht.
  • - Deze vereiste voor mantelzorgers inzake beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt maakt een sterker aanbod van goederen en diensten meer dan ooit noodzakelijk.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/11 - Evaluatie RIZIV

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/11 over het ontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) tijdens de plenaire zitting van 20 april 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht door de NHRPH op vraag van Minister De Block per mail van 3 april 2015.


Onderwerp

Het ontwerp van KB voorziet in de uitvoering van artikel 89/1 van de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling. Bij dit artikel wordt het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid opgericht.


Analyse

Artikel 89/1 van de wet van 13 juli 2006 bepaalt dat het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid met de volgende opdrachten wordt belast:

gestandaardiseerde methoden voorstellen voor de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid met als doelstelling een harmonisatie van de evaluaties in de verschillende sectoren van de sociale zekerheid; ontwikkelen van aanbevelingen van goede praktijk in sociale verzekeringsgeneeskunde inzake geneeskundige deskundigheid en meewerken aan hun actualisering; standaarden voor geneeskundige communicatie voorstellen, met de toestemming van de patiënt, tussen de verschillende sectoren van de sociale zekerheid; bijdragen tot een betere kennis van de oorzaken van arbeidsongeschiktheid; ontwikkelen van aanbevelingen van gemeenschappelijke trajecten inzake de beroepsherinschakeling in de verschillende sectoren van de sociale zekerheid.

Deze voorstellen en aanbevelingen zullen naar de beheerscomités van de verschillende betrokken takken van de sociale zekerheid worden gestuurd. De Nationale Arbeidsraad zal geraadpleegd worden over de voorstellen en aanbevelingen van het College voor de onderwerpen die deze Raad aanbelangen.

Artikel 2 van dit ontwerp van KB voorziet in de volgende samenstelling: vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers, van ziekenfondsen, van wetenschappelijke verenigingen voor verzekeringsgeneeskunde, van het RIZIV, van het Fonds voor de beroepsziekten, van het Fonds voor arbeidsongevallen, van de DG Personen met een handicap en van het Bestuur Medische Expertise van de FOD Volksgezondheid.

Het College zal daadwerkelijk worden opgericht 10 dagen na de bekendmaking van het KB in het Belgisch Staatsblad.


Advies

De NHRPH is bijzonder verheugd over de oprichting van het College en over de sterk verwachte opdrachten waarmee het werd belast, zowel wat betreft de nodige verduidelijkingen als de eenvormigheid inzake begrippen en evaluatieprocedures.

De NHRPH herinnert aan artikel 4.3 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat België in 2009 heeft bekrachtigd, en dat het volgende bepaalt « Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. ».

Voor de uitvoering van deze bepaling vraagt de NHRPH, als officiële vertegenwoordiger van personen met een handicap, aanwezig te zijn in het College zelf.


Bezorgd

  • Voor antwoord aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Voor antwoord aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2015/10 - Begeleiding RIZIV

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/10 over het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 153 van de programmawet van 19 december 2014. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 20 april 2015


Aanvrager

Advies van de NHRPH op verzoek van minister De Block in de werkvergadering met de NHRPH van 2 april 2015


Onderwerp

Het ontwerp van KB voert de mogelijkheid van een multidisciplinair re-integratieplan voor arbeidsongeschikte werknemers in.

Dit ontwerp moet samengelezen worden met de nota 10 principes voor een goede beroepsherinschakeling van arbeidsongeschikte werknemers.


Analyse

Ten laatste drie maanden na de aanvang van de periode van primaire arbeidsongeschiktheid voert de adviserend geneesheer een analyse uit van de gerechtigden voor wie een re-integratieplan in het kader van een multidisciplinaire benadering kan worden overwogen gelet op hun resterende capaciteiten.

Na afloop van deze eerste analyse stuurt de adviserend geneesheer een brief naar de gerechtigde waarin hij hem informeert over zijn voornemen om hem een aanbod van een multidisciplinair re-integratieplan voor te stellen.

De adviserend geneesheer roept de gerechtigde op voor een medisch-sociaal onderzoek om hem het aanbod van een multidisciplinair re-integratieplan voor te leggen. Na afloop van dit onderzoek, en ten laatste de eerste dag van de zevende maand van primaire arbeidsongeschiktheid, stelt de adviserend geneesheer voor de gerechtigde het aanbod van een multidisciplinair re-integratieplan op voor zover een dergelijk aanbod nog gerechtvaardigd is, na de raadpleging – met de toestemming van de gerechtigde – van de behandelend arts, de werkgever, de preventieadviseur en de interne of externe dienst voor arbeidsgeneeskunde. Hij raadpleegt ook de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de beroepsherinschakeling als het voorgestelde re-integratieplan een programma van beroepsherscholing bedoeld in artikel 109bis van de gecoördineerde wet betreft.

De adviserend geneesheer volgt dit re-integratieplan elke zes maanden op, tenzij de elementen van het dossier een opvolging op een latere datum rechtvaardigen. Hij verricht deze opvolging in samenwerking met de personen bedoeld in het derde lid die in het kader van het aanbod van het re-integratieplan zijn geraadpleegd.

De maatregel treedt normaal gezien in werking op 01.07.2015.


Advies

De NHRPH heeft ernstige bedenkingen bij de werkelijke en bestaande middelen die ingezet zullen worden voor de concrete uitvoering van dit ambitieuze plan. Hij is wel blij met de principes van deze begeleidingsmaatregel voor arbeidsongeschikte werknemers en met het feit dat voor hun arbeidsmogelijkheden rekening gehouden wordt met hun resterende capaciteiten.

De NHRPH is er zich terdege van bewust dat het KB een kader wil vastleggen. Toch moet het KB, zelfs voordat het in werking treedt, reeds enkele juridische begrippen en gevolgen ter sprake brengen.

Zo vindt de NHRPH in de voorgestelde tekst geen informatie over de volgende aspecten:

  • Precieze rol van de verschillende betrokkenen:
  • - De adviserend geneesheer wordt voorgesteld als de spil voor de opstart en opvolging van de procedure. Gezien de huidige wettelijke taken en arbeidsomstandigheden kan hij die bijkomende opdracht evenwel niet uitvoeren, aangezien hiervoor voor elke werknemer gedurende meerdere maanden of zelfs jaren tijd en actieve betrokkenheid nodig zijn. Bovendien ontbreken in een medisch dossier vaak de gegevens die de adviserend geneesheer nodig heeft om de voorwaarden en mogelijkheden voor arbeidshervatting correct en nauwkeurig te kunnen beoordelen. Hoe wordt de kandidaat-werknemer concreet begeleid? In het ontwerp staat dat de adviserend geneesheer de werkhervatting zal onderzoeken "voor zover een dergelijk aanbod nog gerechtvaardigd is". Die aanpak is onaanvaardbaar. De persoon zelf moet oordelen of hij, rekening houdend met zijn algemene persoonlijke situatie, het werk wil hervatten (een recente toevoeging aan artikel 100 sluit trouwens hierbij aan; het is de bedoeling begeleiding voor te stellen, niet 'op te leggen'). Bovendien voorziet het ontwerp in een zesmaandelijkse opvolging van het plan door de adviserend geneesheer. Dit volstaat hoegenaamd niet … Om al die redenen zal hij zijn opdracht op het gebied van opvolging gewoonweg niet naar behoren kunnen uitvoeren. De NHRPH had hiervoor een functie van Disability Manager verkozen, die bij dit KB zelf ingevoerd zou worden.
  • - De arbeidsgeneesheer: in heel wat ondernemingen kent de arbeidsgeneesheer de werknemers en vaak ook de werkomgeving en -omstandigheden niet. Hoe kan hij dan een omstandig advies over een werkhervatting geven? Bovendien heeft hij een doorslaggevende rol. Welke middelen krijgt hij ter beschikking? Ter herinnering: hij heeft geen bindende bevoegdheid en is door de aanpak van de werkgever gebonden. Thans verwacht de werkgever evenwel vaak '120 %' arbeidsgeschiktheid, en vervangt hij de werknemer liever dan dat hij energie in omscholing steekt.
  • - De behandelend arts: welke rol zal hij spelen bij de begeleiding op het werk? Hij kent zijn patiënt beslist het best. Zijn patiënt efficiënt begeleiden zal tijd en middelen vergen. Heeft hij die wel?
  • - De werkgever:
  • -- Tot welke aanpak en rol zijn de werkgevers bereid? Is de werkgeversmentaliteit klaar voor menselijke begeleiding van de werknemers?
  • -- Welke middelen zal de werkgever vrijmaken voor die maatregel: tijd voor een nieuwe opleiding, redelijke aanpassingen inzake werktijden, concrete hulp, ...?
  • -- In kleine bedrijven is er nauwelijks ruimte voor flexibiliteit. Werkhervatting na een periode van opleiding is des te meer een illusie aangezien de onderneming zo snel mogelijk een competente persoon nodig heeft.
  • -- Door sommige ziekten (bijv. psychische pathologieën) 'bekoelt het enthousiasme' van de huidige en toekomstige werkgever om iemand te begeleiden bij het hervatten van een aangepaste werkzaamheid.
  • - De werknemer: globaal genomen is de procedure positief omdat personen met een medisch of psychosociaal probleem begeleid worden en mogelijk opnieuw aan de slag kunnen ...
  • -- Wat met personen die geen traject willen? Worden zij (in)direct gestraft?
  • -- Wie opleidingen volgt, ervaart thans problemen om het werk effectief te hervatten omdat er gewoonweg niet genoeg werk is. Wat gebeurt er met wie ingestemd heeft met een opleidingstraject en ervoor geslaagd is, terwijl er in werkelijkheid niet genoeg werk is? Er worden hoopgevende structuren opgericht, maar de arbeidsmarkt is verzadigd en heel wat mensen zullen uit de boot vallen. Hoe zullen de resterende capaciteiten opnieuw geëvalueerd worden voor mensen met een 'extra pijl op hun boog'?
  • -- En wat met al wie het werk probeert te hervatten, maar daar na een paar maanden niet in slaagt?
  • Draagwijdte en gevolgen van het instrument: het KB zegt niet wat de gevolgen zijn indien iemand een opleiding gevolgd heeft, maar toch geen werk vindt dat aansluit op de nieuwe vaardigheden, of indien iemand zijn werk verliest in de maanden na de werkhervatting omdat betrokkene niet aan de verwachtingen voldoet. Deze situaties hebben grote gevolgen voor de juridische erkenning: behoud van de werknemer in het RIZIV-systeem, toegang tot rechten en uitkeringen? Het KB moet een antwoord geven op die schemerzones, temeer omdat de algemene context van de huidige hervormingen in het werkloosheidsstelsel niet geruststellend is: er moet tot elke prijs voorkomen worden dat mensen door de hel gaan omdat zij telkens weer uitgesloten worden. Een voorbeeld: volgens de adviserend geneesheer heeft betrokkene voldoende resterende capaciteiten, waardoor hij uitgesloten wordt uit het RIZIV-systeem. Betrokkene wordt werkloos en lijdt al snel onder de maatregelen op het vlak van beperking in de tijd en degressiviteit, of zelfs uitsluiting. Uiteindelijk wordt betrokkene verbannen naar het OCMW, waar hem een minimalistische sociale bescherming te wachten staat.
  • Termijnen in de procedure: de medische en psychologische situatie van personen met een ziekte of handicap kan enorm verschillen. Bovendien wordt die persoon nog geconfronteerd met doktersbezoeken en allerhande stappen. De voorziene administratieve termijnen zijn veel te strikt ten opzichte van de diagnose en de evolutie van bepaalde aandoeningen. Strikte termijnen voor begeleidingen zijn des te gevaarlijker omdat de gegevens waarover de adviserend geneesheer beschikt louter medisch zijn en geen rekening houden met de psychologische situatie en de omgeving van de werknemer met verminderd verdienvermogen. Daarentegen moet een eerste brief, waarin de nadruk op de resterende capaciteiten ligt, snel naar alle personen verstuurd worden, gevolgd door een tweede omstandige en ondersteunende brief.
  • Het ontbreekt de procedure zelf aan algemene zichtbaarheid: het is niet duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is. Om efficiënt te zijn, moet de hervorming van meet af aan antwoord geven op de vragen "Wie doet wat, hoe en wanneer? Wie zal de leiding nemen? Wie heeft een bindende bevoegdheid?" .

De NHRPH vraagt dus het volgende op te nemen in het corpus zelf van het KB:

  • het invoeren van de functie Disability Manager;
  • de juridische gevolgen bij niet aanvaarden van het begeleidingstraject;
  • de definitie van de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokkenen;
  • de definitie van het begrip "resterende capaciteiten" van de persoon die zich verder bekwaamd heeft, maar geen nieuw werk heeft kunnen krijgen/behouden, en de criteria voor de herevaluatie;
  • een periode waarin de werknemer die een werkzaamheid hervat heeft en enige tijd later opgeeft, beschermd wordt door het RIZIV;
  • een evaluatie van het systeem een jaar nadat het in werking getreden is.

De NHRPH vraagt ook dat "voor zover een dergelijk aanbod nog gerechtvaardigd is" geschrapt wordt. Arbeidsongeschikte personen moeten zo snel mogelijk bewust gemaakt worden van de haalbaarheid (begrip "resterende capaciteiten") en het nut voor hen om het werk te hervatten. Zij moeten erop gewezen worden dat de wet voorziet in een begeleiding op maat.

De NHRPH vraagt parallel met die hervorming een volledige en gelijktijdige herziening

  • van de opdrachten en taken van de adviserend geneesheren en de arbeidsgeneesheren, opdat zij genoeg tijd kunnen vrijmaken voor een kwaliteitsvolle en voortdurende begeleiding van werknemers met een verminderd arbeidsgeschiktheid. Gezien hun huidige reglementaire opdrachten kunnen zij de nieuwe opdrachten die hun toevertrouwd worden in het kader van het begeleidingsplan, geenszins serieus en volledig uitvoeren.
  • van de verplichtingen van de werkgever op het vlak van middelen en doelstellingen inzake werkhervatting. Redelijke aanpassingen zijn wettelijk verplicht en er zijn financiële aanmoedigingen. De werkgevers moeten hiermee instemmen. De arbeidswet moet in die zin herzien worden. De werkgevers moeten er wettelijk toe verplicht worden een begeleidingsplan uit te werken voor elke werknemer die het werk wil hervatten.

Bezorgd

  • Als antwoord aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 11

Advies 2015/09 - Aanwerving overheid

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/09 over de aanpassing van het KB van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 16/03/2015


Aanvrager

Advies op vraag van Mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, in haar e-mail van 02/03/2015


Onderwerp

Het adviesverzoek bevat 2 aparte vragen. Enerzijds, het bepalen van de personen op wie voormeld KB van toepassing is en, anderzijds, de definitie zelf van een persoon met een handicap, vermeld in dit KB.

De eerste vraag is dringend omdat er reeds contacten zijn geweest met de Kruispuntbank van de sociale zekerheid over de haalbaarheid van het project. De Staatssecretaris vraagt een dringende behandeling. In dit advies zal enkel de eerste vraag worden beantwoord; de tweede vraag zal aan bod komen in een later advies.


Analyse

Wat betreft het bepalen van de personen op wie het KB van toepassing is, moeten de federale overheidsdiensten volgens dit besluit 3% personen met een handicap tewerkstellen in het kader van hun personeelsbezetting. Dit percentage van 3% wordt thans berekend volgens de modaliteiten van artikel 3 van het KB; met andere woorden, de registratie hangt af van de wil van de persoon om als persoon met een handicap te worden erkend.

De Staatssecretaris wenst het advies van de NHRPH te bekomen over de opportuniteit, zo niet het nut (om objectieve cijfers te bekomen) het huidig tellingsysteem te vervangen door een automatische kruising van de bestaande databanken « personen met een handicap ». Anonimiteit zou gewaarborgd zijn.


Advies

De NHRPH zou zijn standpunt over verschillende aspecten willen verduidelijken.

  • De personen die krachtens het koninklijk besluit van 6 oktober 2015 willen worden aangeworven, zijn gekend (procedure van dubbele lijst bij Selor).
  • Het KB heeft niet fundamenteel tot doel personen met een handicap te tellen, maar ze aan te werven.
  • Indien de telling concrete sancties mogelijk maakt, zal ze een meerwaarde hebben. Zo niet, ziet de NHRPH het nut ervan niet in.
  • Dit project kan pas worden uitgevoerd indien alle databanken van de verschillende instellingen belast met de erkenning van de handicap toegankelijk zijn.
  • De data moet elke jaar gekruist worden.
  • De huidige doelgroep (criteria voor de erkenning van de handicap) mag onder geen beding worden uitgebreid (zie verdere toelichting in een later apart advies).
  • Naamloze statistieken moeten absoluut worden gewaarborgd.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan voor Steven Vandeput, Minister van Ambtenarenzaken;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/08 - Raad van Europa C5

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/08 over het Vijfjaarlijks Actiekader post-2015 van de Raad van Europa voor personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16.03.2015.


Aanvrager

Advies verstrekt op aanvraag van de C5 van 06.03.2015.


Onderwerp

Het Actieplan van de Raad van Europa voor de bevordering van de rechten en de volledige participatie van personen met een handicap aan de maatschappij in Europa 2006-2015 (Aanbeveling Rec(2006)5 van het Comité van Ministers voor de lidstaten, goedgekeurd door het Comité van Ministers op 5 april 2006, tijdens de 961ste vergadering van de Afgevaardigden van de Ministers) loopt binnenkort af. Het komt erop aan prioriteiten voor de komende jaren vast te leggen.


Analyse

Het Comité van deskundigen over de rechten van personen met een handicap (DECS-RPD) van de Raad van Europa te STRAATSBURG is ermee belast, overeenkomstig zijn mandaat dat op 1 januari 2014 in werking is getreden, voorstellen te formuleren voor het vijfjaarlijks actiekader post-2015 van de Raad van Europa voor personen met een handicap (kader post-Actieplan voor personen met een handicap) op basis van de evaluatie over de uitvoering door de lidstaten van het lopend Actieplan voor personen met een handicap 2006–2015.

Op Belgisch niveau zijn de ambtenaren aangewezen in het « C5 » - Overleg van de vertegenwoordigers van de Belgische deelgebieden en federale overheid - effectieve leden van dit comité DECS-RPD.

Volgens de C5-leden is het wenselijk dat de volgende prioritaire actiegebieden namens België zouden worden voorgesteld:

  • Rechtsbekwaamheid en zelfbeschikkingsrecht;
  • Zelfstandig leven met een diversiteit aan voorgestelde oplossingen;
  • Tewerkstelling;
  • Participatie aan alle activiteiten van het maatschappelijk leven, en dit op een zo vroeg mogelijke leeftijd.

Wat betreft een bijzondere doelgroep, stellen de C5-leden voor dat meer aandacht zou worden besteed aan zwaar zorgbehoevende personen, met sociale beschermingsmaatregelen voor hun mantelzorgers en gekoppeld aan een gewaarborgde of zelfs ruimer aanbod aan thuishulp, die de voorkeur moet krijgen als alternatief voor een opvang in een instelling telkens als dit mogelijk is, rekening houdende met de levenskeuzes van de persoon met een handicap.

Ze hebben het advies van de NHRPH over deze voorstellen gevraagd.


Advies

De NHRPH verheugt zich over de prioriteiten die perfect aansluiten bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Hij is ook opgetogen over het feit dat de Raad van Europa concreet instaat voor de uitvoering van het Verdrag in het kader van zijn beleidsprogramma voor de komende jaren. De voorgestelde aanbevelingen weerspiegelen overigens vele aandachtspunten van het werkveld.

Een doelgroep bestaande uit zwaar zorgbehoevende personen is een feit en er moet verder nagedacht worden over acties voor mantelzorgers en thuishulp.

Vanuit formeel oogpunt wenst de NHRPH dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar de tekst van UNCRPD in het advies.

Een volkomen gunstig advies wordt aldus verstrekt.


Bezorgd

  • Voor antwoord aan C5;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/07 - Welvaartsaanpassing

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/07 over de welvaartsaanpassing van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 16/03/2015


Aanvrager

Advies op vraag van mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, in haar mail van 02/03/2015


Onderwerp

De wet betreffende het Generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien. In dit kader wil de Staatssecretaris voor Personen met een beperking een koninklijk besluit tot verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bij toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.


Analyse

Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet in een verhoging van het barema van de inkomensvervangende tegemoetkoming met 2 % op 1 september 2015.


Advies

De leden van de NHRPH geven een positief advies over het genoemde ontwerp van koninklijk besluit.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 2

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.