Terug naar hoofdinhoud

Advies 2013/18 - mantelzorg

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), over het voorontwerp van wet betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat, uitgebracht tijdens de plenaire zittingen van 21 oktober en 18 november 2013.


Aanvrager

Advies op verzoek van de Staatssecretaris voor personen met een handicap van 17 april 2013.


Onderwerp

In een brief van 17 april 2013 richt de Staatssecretaris voor personen met een handicap zich tot de NHRPH met een verzoek om advies over een voorontwerp van wet betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat.

In het kader van het regeerakkoord van 6 december 2011, waarin gepleit wordt voor acties ten gunste van zwaar zorgbehoevende personen in samenwerking met de deelgebieden en in functie van de beschikbare budgetten, heeft de Ministerraad van 22 maart 2012 dit voorontwerp van wet over de wettelijke erkenning van mantelzorgers goedgekeurd.

Daarnaast heeft de Ministerraad beslist dat dit voorontwerp voor advies zal worden voorgelegd aan de Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen , aan de Federale Adviesraad voor ouderen en aan de sociale partners van de non-profitsector die onder het paritair comité 337 vallen, en hen te vragen zich in eerste instantie uit te spreken over de wenselijkheid:

  • om zich te beperken tot één mantelzorger per geholpen persoon
  • om te voorzien in de medewerking van een professionele gezondheidswerker.

In de brief van 17 april 2013 werd de NHRPH verzocht een uitspraak te doen na kennis te hebben genomen van deze andere adviezen.


Analyse

De NHRPH heeft de volgende documenten aandachtig gelezen:

  • advies nr. 137 van de Raad van de gelijke kansen van 30 september 2013;
  • advies 2013/1 van de Federale Adviesraad voor ouderen van 25 juni 2013.

De Raad betreurt niet op de hoogte te zijn gebracht van het standpunt van de sociale partners: hun advies werd niet formeel gecommuniceerd op het moment dat het betreffende advies werd opgesteld.

Over de problematiek van de mantelzorgers boog de NHRPH zich op eigen initiatief reeds in 2011: de raad formuleerde toen advies nr. 2011/20 betreffende de wetsvoorstellen houdende de wettelijke erkenning van en de toegang tot sociale rechten voor mantelzorgers. Dit advies bevat de basisprincipes die de Raad verdedigt. In dit kader werd op 19 september 2011 tijdens de plenaire vergadering het woord gegeven aan:

  • Mevrouw Valérie Flohimont, onderzoekster aan de Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix (FUNDP), coauteur van de studie Wettelijke erkenning en toegang tot sociale rechten voor mantelzorgers;
  • Mevrouw Muriel Gerkens, volksvertegenwoordiger, coauteur met mevrouw Meyrem Almaci van het wetsvoorstel tot wettelijke erkenning van de mantelzorgers en tot behoud van hun sociale rechten, ingediend op 27 april 2011;
  • Mevrouw Pauline Loeckx, parlementair medewerkster van mevrouw Catherine Fonck, federaal volksvertegenwoordiger, auteur van het wetsvoorstel tot erkenning van de mantelzorgers, ingediend op 3 oktober 2011.
  • Tevens heeft de Raad kennis genomen van de tekst van het op 10 februari 2011 ingediende wetsvoorstel betreffende de sociale erkenning van de mantelzorger ingediend door mevrouw Fernandez-Fernandez, die wegens gezondheidsredenen niet aanwezig kon zijn.

Op basis van een vergelijkende analyse van deze wetsvoorstellen formuleerde de Raad een eerste aanzet voor de herwerking ervan: “De verschillende denkpistes voorgesteld in de verschillende wetsvoorstellen vergen een systematische uitdieping of een samenvoeging van de verschillende benaderingen om te komen tot een vollediger en samenhangender model.”

Op verzoek van de Staatssecretaris voor personen met een handicap gaf de Raad in advies nr. 2012/08 zijn goedkeuring aan de formulering van een definitie van het mantelzorgbegrip op voorwaarde dat er eveneens overeenstemming kan worden bereikt over “de verduidelijkingen en begrenzingen die aan de samenstellende concepten zal worden gegeven, en dat deze verduidelijkingen worden opgenomen, bijvoorbeeld in de memorie van toelichting bij de toekomstige wettelijke en reglementaire bepalingen”.


Advies

In elk van hun adviezen hebben de voornoemde raden een aantal soms terugkerende pertinente opmerkingen gegeven die evenwel niet tot dezelfde conclusie leiden.

De NHRPH wenst de volgende elementen mee te nemen en te benadrukken en voegt een aantal specifieke aandachtspunten toe:

A) Algemene principes :

  • Net als de GKR en de Federale Adviesraad voor ouderen erkent de NHRPH de enorme opdracht van gezinsleden en/of naasten die de verzorging en begeleiding van zwaar zorgbehoevende mensen op zich nemen.
  • De keuze van een of meerdere mantelzorger(s) is een belangrijke stap die een bevoorrechte relatie tussen twee personen met zich meebrengt. De instemming van beide is hierbij cruciaal, maar een officiële erkenning van een bijstandsrelatie mag niet uitmonden in een contractualisering van dit soort relaties.
  • In dezelfde geest kan de relatie niet als vrijwilligerswerk worden beschouwd. De definitie van mantelzorg moet duidelijk verschillen van die van vrijwilligerswerk.
  • Net als de KGR vindt de NHRPH dat zwaar zorgbehoevende personen aangemoedigd moeten worden om zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven en dat de erkenning van het statuut van mantelzorger hiertoe kan bijdragen.
  • In zijn advies nr. 2011/20 heeft de NHRPH het principe geformuleerd dat iedereen de mogelijkheid moet hebben thuis in zijn vertrouwde omgeving te worden geholpen.

B) Draagwijdte van het voorontwerp :

  • Net als de twee voornoemde adviesraden kan ook de Raad enkel vaststellen en beklemtonen dat dit voorontwerp van wet slechts een symbolische erkenning nastreeft. Aan personen die tot het toepassingsgebied ervan toetreden, wordt geen enkel statuut verleend (dat wil zeggen wetten en verplichtingen, voordelen, gelijkstellingen, enz.).
  • Men kan zich dan ook redelijkerwijs de vraag stellen wat de meerwaarde is van hetgeen in dit voorontwerp wordt beoogd:
  • - voor het doelpubliek (onkosten voor administratieve stappen om een titel te mogen dragen? Waartoe?),
  • - voor de instellingen belast met de erkenning (extra werkbelasting? Met welk praktisch nut?),
  • - voor de rechtszekerheid (nog maar eens een tekst in het wettelijk arsenaal, om wat te dekken?),
  • - voor de maatschappij (verwarrende definities, onbesliste tekst?).
  • Enerzijds beantwoordt deze tekst slechts gedeeltelijk aan de eisen van de sector. Anderzijds voegt hij aan het wettelijk arsenaal een nieuwe definitie toe die overigens al bestaat in andere regelgevingen (federaal: ziekteverzekering en deelgebieden, bv. Code Wallon de l’action sociale) en bijkomende verwarring kan creëren bij de juridische interpretatie.

C) Inhoud van het voorontwerp :

Het voorontwerp van wet dat aan de NHRPH werd voorgelegd, bevat 3 hoofdstukken voor 3 wetsartikelen. Hoofdstuk II bepaalt alle begrippen waarvan in het voorontwerp gebruik wordt gemaakt, en hoofdstuk III zet de erkenningsprocedure uiteen.

I – Definities :

De GKR en de Federale Adviesraad voor ouderen merken terecht op dat verschillende begrippen die in het voorontwerp worden gebruikt, vaag blijven en dus aanleiding kunnen geven tot interpretatieproblemen.

1) “Geholpen persoon” :

De definitie van ‘geholpen persoon’ verwijs naar het begrip ‘als zwaar zorgbehoevende erkende persoon’. Bestaat op dit vlak een mechanisme voor de erkenning van zwaar zorgbehoevende personen, zoals de tekst lijkt te impliceren? Gaat het om een mechanisme voor wettelijke erkenning? Door wie? Hoe? Wat is de definitie van zware zorgbehoevendheid? Het voorontwerp voorziet in de mogelijkheid (en niet de verplichting) voor de Koning om, door middel van een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de categorieën van geholpen personen te bepalen. Bestaat er geen risico dat het heel lang kan duren voor dit artikel wordt toegepast? Is het besluit dat na overleg in de Ministerraad werd vastgestelde niet een zeer zware procedure? Riskeert men hier niet op het terrein te komen van bevoegdheden van de deelstaten betreffende zware zorgbehoevendheid? Moet met niet doen wat de Federale Adviesraad voor ouderen voorstelt: “Omwille van de rechtszekerheid en de transparantie dient het vastleggen van de meetschalen voor de graad van zorgbehoevendheid te gebeuren in nauw overleg met de deelstaten”?

2) “Naaste verwant” :

De NHRPH stelt vast dat in het voorontwerp van wet rekening wordt gehouden met het feit dat de rol van mantelzorger niet beperkt mag zijn tot de familie van de geholpen persoon. Het systeem moet daadwerkelijk flexibel genoeg blijven om aan alle mogelijk scenario’s tegemoet te komen.

3) “Professionele zorgverlener” :

In de definitie van de professionele hulpverlener wordt verwezen naar de bevoegdheid van de hulpverlener op basis van een wettelijk erkend diploma. Wat met het probleem van de erkenning van diploma’s? Hebben alle diploma’s van alle landen dezelfde waarde? Is het behalen van het diploma voldoende? Wat met de eigenlijke uitoefening van het beroep? De bemerking van de Federale Adviesraad voor ouderen om “op niet-professionele wijze” te vervangen door “niet beroepshalve” lijkt ons terecht. De bijstand van minstens één professionele hulpverlener wordt als absolute voorwaarde gezien om de erkenning te krijgen. Is het in de praktijk zo dat alle personen die voor een zwaar zorgbehoevende persoon zorgen, daarbij ondersteund worden door minstens één professionele hulpverlener? In het voorontwerp is enkel sprake van de bijstand vanwege deze hulpverlener. In welke vorm? Welke betrokkenheid is in de praktijk vereist? In welke verhouding? Kan de (bv. jaarlijkse) tussenkomst van de huisdokter volstaan?

4) “Bijstand en hulp” :

In de definitie vermeld in artikel 3, §1 worden deze elementen verbonden door middel van het voegwoord “en”: ze zijn dus cumulatief. Is het in de praktijk mogelijk dat iemand die enkel een tijdsinvestering op psychologisch of moreel gebied levert, als mantelzorger moet worden beschouwd? Of andersom, zou iemand die enkel een tijdsinvestering op fysisch of materieel gebied levert, als mantelzorger moet worden beschouwd? Wat valt onder een materiële tijdsinvestering? Wat is een morele tijdsinvestering? Wat is het verschil met een psychologische tijdsinvestering? De investering moet gelijk zijn aan een gemiddelde van 20 uur per week berekend over een periode van zes maanden. Hierover hebben alle raden opmerkingen geformuleerd. Is het criterium van een gemiddelde investeringsduur belangrijk voor de definitie? Is dit niet eerder een criterium voor de toekenning van de sociale rechten/voordelen en de uitoefeningsvoorwaarden? Is het mogelijk de tijdbesteding van de hulp in uren te becijferen? Hoe en door wie moet de berekening en controle van deze investeringen worden uitgevoerd? Moeten de zes maanden op elkaar volgen? En de 20 uren? Hoe zal de berekening/de controle concreet gebeuren? Wie voert ze uit?

Hoewel de NHRPH kan instemmen met een criterium inzake de tijd die minstens besteed moet worden aan de hulpactiviteit, meent de Raad dat de toepassing van dit tijdsbegrip voldoende flexibel moet zijn. De beoogde oplossingen moeten de betrokken personen immers in de gelegenheid stellen zo goed mogelijk rekening te houden met de behoeften van de geholpen persoon en de behoeften van de families. Flexibiliteit betekent hier in eerste instantie dat de rechten van de mantelzorger worden beschermd. Op basis waarvan werd geopteerd voor een gemiddelde van 20 uur per week? Wat zijn de gevolgen voor de personen die de criteria niet (meer) vervullen (en a fortiori voor de geholpen persoon)?

Bovendien eist het voorontwerp dat deze investeringen een invloed hebben op de beroeps- en/of gezinssituatie van de mantelzorger. En wat met de sociale gevolgen? Het voorontwerp blijft vaag wat betreft het begrip “invloed op de beroeps- en/of familiale situatie van de mantelzorger”. Hoe kan men bewijzen dat deze invloed bestaat? Graad van ernst? Wie moet dit meten? Kan men daadwerkelijk ervan uitgaan dat er een pertinent verband is tussen het aantal uren besteed aan de mantelzorgactiviteit enerzijds en de invloed op de gezins- en/of beroepssituatie anderzijds? Heeft niet elke hulpactiviteit, hoe minimaal ook, automatisch een weerslag op deze situaties?

5) “Doorlopend en regelmatig” :

In de definitie van de term “regelmatig” wordt verwezen naar het begrip “pathologieën”. Is er altijd een verband tussen zware zorgbehoevendheid en pathologieën? Wordt het toepassingsgebied niet ten onrechte beperkt door deze definitie? Wat men waarbij zware zorgbehoevendheid niet voortvloeit uit een ziekte? Bestaan er geen cyclische/gefaseerde ziektes waarbij de tijdinvestering (bijstand en hulp) gemiddeld lager is dan 20 uur per week, berekend over zes maanden?

II – Erkenningsprocedure :

Ook het hoofdstuk over de erkenningsprocedure en de beëindiging van de erkenning mist nauwkeurigheid. Bepaalde vragen blijven onbeantwoord:

  • De NHRPH merkt op dat de definitie zelf van de mantelzorger in het hoofdstuk over de erkenningsprocedure (art. 3, §1) staat.
  • Naast twee basisvoorwaarden legt het voorontwerp verschillende uitvoeringsvoorwaarden uit, samengebracht in twee alinea’s.
  • - Het feit dat de hulp onbezoldigd is, lijkt eerder een element te zijn van de definitie van mantelzorg dan een uitvoeringsvoorwaarde.
  • - Het feit dat de hulp wordt uitgevoerd met niet-professionele doeleinden lijkt eerder een element te zijn van de definitie van mantelzorg dan een uitvoeringsvoorwaarde; zoals de NHRPH reeds aanstipt in zijn advies 2011/20 moet de relatie mantelzorger – geholpene strikt niet-professioneel blijven.
  • De erkenning van slechts één mantelzorger per geholpen persoon is een probleem voor alle adviesraden.
  • - Het systeem dat het voorontwerp voorstelt, beantwoordt niet aan de dagelijkse realiteit, waarbij een beroep wordt gedaan op meerdere personen die de verschillende taken ten behoeve van een bepaalde persoon onder elkaar verdelen.
  • - Dit systeem houdt onvoldoende rekening met de moeilijkheden op het terrein waarmee de mantelzorgers kampen in termen van uitputting of vermoeidheid, waardoor het risico op mishandeling de kop opsteekt.
  • - Draaien we de redenering om, dan zou een mantelzorger die 20 uur besteed aan de ondersteuning van persoon Y een bijkomende erkenningsaanvraag kunnen indienen voor een tweede persoon Z (ook 20 uur). Men zou zich de vraag kunnen stellen: ten voordele van wie? Ten nadele van wie?
  • Wat de organisatie van het erkenningssysteem betreft, ziet de NHRPH de logica in van een verplichte aansluiting bij een specifieke structuur. Wanneer een mantelzorger het statuut wil verwerven dat overeenkomt met de verstrekte hulp, zal dit enkel mogelijk zijn na een dergelijke aansluiting. Het voorontwerp duidt de ziekenfondsen aan, een instantie waarmee de Federale Adviesraad voor ouderen instemt omdat zij toegang heeft tot de Kruispuntbank en de situatie van de mantelzorger kent.
  • - Net als de Raad van de gelijke kansen vraagt de NHRPH zich af of de ziekenfondsen bij het opstellen van dit voorontwerp betrokken geweest zijn / of er overleg heeft plaatsgevonden, en of deze erkenningsprocedure en de controles wel binnen hun opdracht vallen?
  • - Welke middelen hebben de ziekenfondsen bovendien ter beschikking om de in dit voorontwerp vermelde voorwaarden te erkennen en te controleren?
  • - Hoe zal deze erkenning worden georganiseerd? In welke vorm zal ze concreet verlopen? Wordt voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen de beslissing van het ziekenfonds? Hierover bevat het voorontwerp geen informatie.
  • - Hebben de gezondheidswerkers geen enkele rol te spelen in deze procedure? En het middenveld?
  • De mantelzorger zal zijn erkenningsaanvraag moeten indienen bij zijn of haar ziekenfonds.
  • - Wat met het ziekenfonds van de geholpen persoon? Zou informatie hierover niet relevant kunnen zijn?

III - Einde van de erkenning :

Het voorontwerp bevat zes gevallen waarbij de erkenning als mantelzorger wordt beëindigd.

  • “Wanneer het ziekenfonds meet dat de mantelzorger niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.”
  • - Volgens de NHRPH brengt de term “meent” een vorm van subjectiviteit in de evaluatie en stelt voor dit te vervangen door een objectieve situatie “wanneer de mantelzorger de voorwaarden niet meer vervult”.
  • Hoe ziet de procedure voor het beëindigen van de erkenning eruit? Hierover zegt het voorontwerp niet veel (modaliteiten, eventuele beroepsmogelijkheden, …).
  • Het voorontwerp heeft het enkel over veroordelingen die verband houden met de geholpen persoon.
  • - Moet men dit niet uitbreiden tot veroordelingen ten aanzien van andere instanties waarbij ook sprake is van misbruik van vertrouwen?

D) Besluit :

Zoals de NHRPH reeds heeft aangestipt in zijn advies nr. 2011/20 betreffende de wetsvoorstellen over de wettelijke erkenning en de toegang tot de sociale rechten voor mantelzorgers, is dit voorontwerp opnieuw een positief initiatief waaruit de wil van de regeringsleden blijkt om steun te bieden aan personen die dagelijks hulp bieden aan een naaste.

Rekening houdend met alle voorgaande bemerkingen, kan de NHRPH dit voorontwerp evenwel niet als helemaal geslaagd beschouwen. Het vormt zeker een eerste stap in de richting van een statuut voor mantelzorgers maar biedt geen garanties betreffende de eigenlijke en juridische bescherming van de betrokkenen in dit stadium.

De Raad is van mening dat de verschillende denkoefeningen die tot nu toe hebben plaatsgevonden, moeten worden voortgezet en verder uitgediept, rekening houdend met het domeinoverschrijdende aspect van het thema. Er zijn immers raakvlakken met andere dossiers en met andere overheidsniveaus dan het federale. De deelgebieden zouden strategisch bij de zaak betrokken moeten worden, en het lijkt logisch dat dit dossier ook behandeld wordt bij de Interministeriële Conferentie (IMC).

Daarnaast is de NHRPH net als de Raad van de gelijke kansen en de Federale Adviesraad voor ouderen van mening dat de invoering van een systeem voor de erkenning van mantelzorger in geen geval mag betekenen dat de overheden geen beleidsverantwoordelijkheid meer hebben om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap.

De invoering van een dergelijk systeem mag niet tot discriminatie leiden tussen erkende en niet-erkende mantelzorgers. Tegelijk moet erop worden toegezien dat bepaalde maatregelen of voordelen niet worden voorbehouden voor personen die worden geholpen door een of meerdere mantelzorgers. De betrokkene moet dezelfde maatregelen of voordelen kunnen genieten ongeacht de erkenning van de personen die hem of haar te hulp komen.

Veder is de NHRPH van mening dat de beschikking in kwestie moet bijdragen tot de “mainstreaming” van gender-gelijkheid in onze maatschappij. We moeten immers nog steeds vaststellen dat, ondanks de vooruitgang op vlak van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in onze maatschappij, de personen die beslissen mantelzorger te worden meestal vrouwen zijn. In heel wat gevallen valt te vrezen dat noodzakelijke keuzevrijheid in werkelijkheid niet bestaat. Het is duidelijk dat, wanneer er geen keuzemogelijkheid bestaat, dit zowel een objectieve als een subjectieve oorzaak kan hebben.

De beschikking in kwestie moet een belangrijk luik “informatie” en “sensibilisering” bevatten. Dit luik zal op twee manieren van het grootste belang zijn:

  • Heel wat mensen die geconfronteerd worden met een situatie die vaak moeilijk om dragen is, beseffen niet dat heel wat diensten reeds bestaan en dat zij er goed gebruik van zouden kunnen maken, onafhankelijk van hun toetreding tot een statuut;
  • Over volledige informatie beschikken is essentieel om een zicht te krijgen op alle mogelijkheden en de betrokkenen daadwerkelijk de keuzevrijheid te geven: mantelzorger worden of geen mantelzorger worden.

Wat het statuut zelf betreft, wil de NHRPH twee aandachtspunten naar voor schuiven:

  • Gericht werken rond het begrip “thematisch verlof”. Aangezien er een duidelijke analogie bestaat met andere reeds bestaande thematische verloven en aangezien om louter federale bevoegdheidselementen gaat, zouden op dit vlak snel stappen voorwaarts kunnen worden gezet.
  • De piste van een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid diepgaand onderzoeken. Dit is een van de cruciale aspecten die moeten worden opgelost om de mantelzorger rechtszekerheid te waarborgen. Op dit vlak moet elke vorm van verplichting worden uitgesloten.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan de federale adviesraad voor ouderen;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2013/17 - Internering

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel 5-2001/1 betreffende de internering van personen, uitgebracht tijdens de zittingen van 16 september en 21 oktober 2013.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Het wetsvoorstel betreffende de internering van personen, ingediend door de heer Bert Anciaux c.s, 5-2001/1 werd toegelicht op de plenaire vergadering van 16 september 2013.

De NHRPH besloot niet alleen te reageren op het wetsvoorstel zelf maar ook een ruimer standpunt mee te geven met betrekking tot de problematiek van de internering.


Analyse

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, kan nog steeds niet toegepast worden.

De opstellers van huidig wetsvoorstel zijn ervan overtuigd dat zij een aanzienlijke verbetering zou meebrengen. Toch is er ook heel wat kritiek gekomen op deze wet Van 21 april 2007.

Steunend op de concrete aanbevelingen, adviezen en voorstellen, uitgebracht tijdens de hoorzittingen betreffende de wet van 21 april 2007 werden wijzigingen uitgewerkt om de wet te verbeteren en aan te vullen. Het resultaat is een totaal nieuw voorstel van wet ter vervanging van de wet van 21 april 2007, met volgende klemtonen:

1) Een zorgvuldig en degelijk psychiatrisch deskundigenonderzoek is een cruciale factor:

  • Het onderzoek wordt verplicht;
  • Forensische psychologen, met specifieke deskundigheid inzake diagnostiek en risico-evaluatie kunnen betrokken worden bij dit onderzoek;
  • De mogelijkheid bestaat beroep te doen op een college van deskundigen van psychologen en gedragswetenschappers;
  • Een opname ter observatie, ofwel in de psychiatrische afdeling van een strafinrichting, of in een forensisch centrum wordt mogelijk;
  • De tegensprekelijkheid wordt ingevoerd. De deskundige bezorgd zijn voorlopig advies aan de raadsman van de betrokkene, die opmerkingen kan formuleren.

2) De plaatsing door de strafuitvoeringskamer zal gedifferentieerd kunnen verlopen, aangepast aan de geestesstoornis en de risicotaxatie van de geïnterneerde, met respect voor de regels van de inrichting waar wordt geplaatst.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen:

  • Opgevorderde plaatsing;
  • Onderhandelde plaatsing;
  • Invrijheidsstelling op proef.

3) Binnen de strafuitvoeringsrechtbanken worden gespecialiseerde strafuitvoeringskamers uitsluitend bevoegd gemaakt voor internering:

  • Een interneringstraject vereist een veel flexibeler aanpak dan een strafuitvoeringstraject;
  • Er is een verschil in territoriale bevoegdheid naargelang het een geïnterneerde of een veroordeelde betreft.

4) In functie van therapeutische noden en rekening houdend met veiligheidsrisico’s kunnen trapsgewijze vrijheden toegekend worden vanaf het begin van de plaatsing.

5) De geïnterneerde veroordeelde die het einde van zijn straf bereikt wordt volledig gelijk gesteld met een gewone geïnterneerde.

6) In elke fase van de uitvoering van de interneringsmaatregel moeten de procedures worden vereenvoudigd en versoepeld.

7) Vanaf de eerste verschijning wordt één moederdossier aangelegd, waarin alle stukken worden bijeengebracht.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap heeft als adviesorgaan van de federale overheid niet alleen de opdracht zich uit te spreken over dit wetsvoorstel, zie de beslissingen van de Ministerraad van 20 juli 2011 en 19 juli 2013, maar ook de morele verplichting.

De beslissing van de Ministerraad van 19 juli 2013 vraagt “aan de volledige regering om voor alle beleidslijnen of maatregelen met een impact op de rechten en noden van de personen met een handicap of hun gezin de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap duurzaam en vanaf de beginfase van het denkwerk en de besluitvorming te interpelleren en te betrekken, zoals voorgeschreven in het Verdrag, dat in 2009 geratificeerd werd.” Hiermee verduidelijkt de Ministerraad een eerdere beslissing van 20 juli 2011.

De NHRPH verwijst ook naar art.4.3. van het Uno-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH komt op voor de belangen van alle personen met om het even welke handicap. Dit is dus ook voor de persoon “die op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij tengevolge van zijn geestesstoornis desgevallend in samenhang met andere risicofactoren opnieuw misdrijven zal plegen”, en die omwille van die handicap een misdrijf of wanbedrijf heeft gepleegd, waarop een gevangenisstraf is gesteld (art. 9 van het wetsvoorstel).

De NHRPH kan niet onbewogen blijven voor de gevolgen van die daden, maar vraagt dat de betrokkene op een humane manier tegen zichzelf wordt beschermd, in het belang van de maatschappij en van zijn familie in het bijzonder.

Wat betreft het wetsvoorstel maakt de NHRPH volgende opmerkingen:

  • De NHRPH staat volledig achter het verplicht karakter van het psychiatrisch onderzoek, maar vraagt zich wel af wie dat voor zoveel mensen gaat doen?
  • Van groot belang is de vorming van de professionelen die betrokken zullen zijn, dit is zelfs elementair om te slagen.
  • De wet schept het kader, de uitvoeringsbesluiten zullen bepalen hoe goed de wet is: hoe gaat de erkenning van de gerechtspsychiater geregeld worden, wat zal de verloning zijn?
  • Hetzelfde geldt voor de dubbele rapportage: het principe is goed, maar de vorming van de betrokken psychologen zal het succes van de maatregel bepalen.
  • De NHRPH stelt dan ook uitdrukkelijk betrokken te willen worden bij de totstandkoming van deze uitvoeringsbesluiten.
  • Het zal altijd een zeer delicate opdracht blijven om een goed psychiatrisch rapport op te stellen: het blijft een zeer moeilijke taak.

De leden van de NHRPH dringen er op aan spoed te zetten achter de aanpassing (of de vervanging) van de wet van 21 april 2007 en de uitvoeringsbesluiten van de nieuwe wetgeving.

De huidige toestand van de betrokkenen is immers dikwijls dramatisch.

  • Het is nog steeds de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten die van toepassing is, herzien door de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers. Deze wetgeving stelt juridische problemen, omdat een aantal vereisten niet aanwezig moeten zijn, zoals de bestraffing met een vrijheidsberoving van het gepleegde misdrijf of wanbedrijf, het ernstig gevaar van recidive, een voorafgaandelijk psychiatrisch onderzoek. Bij observatie wordt de betrokkene ondergebracht in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.
  • Het preventief optreden om te voorkomen dat problematisch gedrag van personen met een handicap ontspoort, is onvoldoende.
  • Het onderzoek van de gerechtspsychiater wordt bemoeilijkt door het ontbreken van criteria voor het verslag, de onderwaardering, het tijdsgebrek, terwijl op zijn advies een doorslaggevende beslissing wordt genomen.
  • Er is een gebrek aan homogeniteit van behandeling in de commissies tot bescherming van de maatschappij.
  • Er is een gebrek aan statistische informatie met betrekking tot deze commissies.
  • Het aantal geïnterneerde personen die in de gevangenissen verblijven blijft toenemen, de duur van de internering is onbepaald.
  • Wegens het tekort aan plaatsen in inrichtingen van sociale bescherming verblijven de geïnterneerden in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen, zonder de aangepaste verzorging en dikwijls samen met gedetineerden met psychiatrische problemen van diverse aard, en met meerdere personen samen in één cel.
  • Er is een gebrek aan gespecialiseerd verzorgend personeel, zowel in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen als in de inrichtingen van sociale bescherming.
  • De versnippering van het beleid, en het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende betrokken sectoren beletten de totstandkoming van een coherent beleid, aangepast aan de specifieke zorgen van de geïnterneerden.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Alain Courtois, Voorzitter van de Senaatscommissie voor de Justitie;
  • Voor opvolging aan de dames en heren Senatoren Bert Anciaux, Philippe Mahoux, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Dalila Doufi;
  • Ter informatie aan mevrouw Annemie Turtelboom, Minister van Justitie;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 4

Advies 2013/16 - Verkiezingen 2014

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/09/2013, met betrekking tot de praktische aanbevelingen aan de gemeenten van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken naar aanleiding van de gelijktijdige verkiezingen van 25 mei 2014.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De omzendbrief geeft aanbevelingen aan de gemeenten om de toegankelijkheid tot de stembureaus voor personen met een handicap te verbeteren.


Analyse

De titel van de Nederlandstalige versie is: “Toegankelijkheid tot de stembureaus voor personen met een handicap” De titel van de Franstalige versie is: “Accessibilité des bureaux de vote aux personnes à mobilité réduite”.

In de inleiding (Nederlandstalige versie) wordt een definitie gegeven van personen met een handicap : « …personen met een fysieke, mentale of zintuiglijke handicap, ongeacht of het om een al dan niet blijvende handicap gaat”

De inleiding van de Franstalige versie definieert als “personnes à mobilité réduite” :

  • « L’ensemble des usagers éprouvant une quelconque difficulté, limitation d’activité ou restriction de participation à la vie en société »
  • « …les personnes avec une déficience physique, mentale ou sensorielle, que ces déficiences soient momentanées ou non »

Er wordt aan herinnerd dat de gemeente zeker al aanpassingen gedaan heeft voor personen met een handicap, waarbij verwezen wordt naar parkeerplaatsen voor personen met een handicap en aangepaste toiletten.

Voorts wordt onderlijnd dat niet alleen personen met een handicap baat zullen hebben bij de voorzieningen maar de ganse bevolking (idem in de Franstalige versie).

De geldende reglementering verwijst naar:

  • Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, in het bijzonder artikel 3;
  • Het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België;
  • Het ministerieel besluit van 6 mei 1980 tot wijziging van het ministerieel besluit van 10 augustus 1894 betreffende de kiestoestellen dat bepaalt dat per 5 stembureaus ten minste één speciaal stemhokje moet voorzien worden dat speciaal is ingericht voor personen met een handicap, in het bijzonder rolstoelgebruikers, en dat begeleiding door een bijzitter of een getuige voorziet.

Merk op dat in toepassing van artikel 143 van het Kieswetboek, de voorzitter van het bureau de kiezer die persoon met een handicap is, toestemming kan geven om zich te laten begeleiden of bijstaan. Hierbij wordt zowel de fysieke, intellectuele of zintuiglijke handicap bedoeld.

Op te merken dat hierbij telkens, en in beide versies, alleen sprake is van personen met een handicap.

De aanbevelingen

Zij betreffen in het bijzonder de volgende punten:

  • Zich naar het stembureau verplaatsen
  • - Hier wordt ondermeer gewag gemaakt van parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met een handicap (of voor personen met beperkte mobiliteit – in de Franstalige versie: les moins valides, les personnes à mobilité réduite), en de noodzaak dat de persoon die zich in een rolstoel bevindt of die mobiliteitsproblemen heeft, de stoep gemakkelijk kan bereiken.
  • Toegang krijgen tot het stembureau
  • - Hier worden technische aanbevelingen gegeven.
  • Zich verplaatsen en de weg vinden in het gebouw met het stembureau
  • - De omgang binnen en de signalisatie komen aan bod.
  • Zijn democratische keuze uitbrengen
  • - Een opsomming van technische vereisten voor verschillende soorten van handicaps

Andere voorzieningen die voor iedereen nuttig zijn

Besluit

Er wordt aan herinnerd dat de personen met beperkte mobiliteit die de stembureaus niet zullen kunnen bereiken, het recht zullen hebben om klacht in te dienen bij het centrum voor Gelijkheid van Kansen.

Daarna volgt een lijst van verenigingen, “die de bewuste personen vertegenwoordigen en die ervaring hebben op het vlak van de toegankelijkheid van gehandicapte personen tot openbare gebouwen”.


Advies

De omzendbrief verwijst naar het ministerieel besluit van 6 mei 1980 tot wijziging van het ministerieel besluit van 10 augustus 1894 betreffende de kiestoestellen (Belgisch Staatsblad van 15 mei 1980). Dit besluit betreft de federale verkiezingen, maar de omzendbrief heeft als ondertitel: “Praktische aanbevelingen aan de gemeenten – Gelijktijdige verkiezingen van 25 mei 2014”.

Zou het, om elk risico, in het bijzonder een conflict tussen verschillende normen, te vermijden niet beter zijn ook de reglementeringen van de gewesten te citeren (bijvoorbeeld “De Vlaamse ministeriële besluiten van 6 juli 2012 houdende de vaststelling van de inrichting van de stemlokalen en van het kiesmaterieel”)?

Is het niet onlogisch, met respect voor de wederzijdse bevoegdheden, dat de omzendbrief alleen betrekking heeft op de federale verkiezingen, terwijl de kiezer zich moet uitspreken over de federale, de gewestelijke en de Europese verkiezingen?

Algemene opmerking bij het lezen van de beide nota’s:

De begrippen 'persoon met een handicap' en 'persoon met beperkte mobiliteit' worden door elkaar gebruikt terwijl zij helemaal geen synoniemen zijn. Dit geeft aanleiding tot permanente verwarring en tot verkeerde voorstellingen. Bovendien zijn de Nederlandstalige versie en de Franstalige versie verschillend.

De leden van de NHRPH bevelen zeer sterk het gebruik van de term “persoon met een handicap” /”personne handicapée” in de Franstalige versie aan, en dit op een zeer consequente wijze, want het geheel wordt anders onbegrijpelijk.

De definitie van “personne à mobilité réduite” die in de Franstalige versie voorkomt is overbodig, schept verwarring en is op zich ook voor kritiek vatbaar. De leden van de NHRPH vragen dan ook dat deze voetnoot verdwijnt.

Op meerdere plaatsen in de omzendbrief wordt er trouwens terecht op gewezen dat maatregelen die de toegankelijkheid bevorderen voor personen met een handicap ook nuttig zijn voor gans de bevolking, en voor alle personen met mobiliteitsproblemen.

De leden van de NHRPH zijn het volledig eens met de opmerking dat de wereld van de personen met een handicap veel verwacht van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Ons land heeft dit Verdrag geratificeerd, wat meebrengt dat het in onze wetgeving moet worden geïmplementeerd. Dit verdrag is dan ook de toetssteen voor de regelgeving.

In dit verdrag wordt uitsluitend de term “persoon met een handicap” gebruikt.

Volgende artikelen van het Verdrag zijn van belang in dit dossier:

  • Artikel 1 betreffende de doelstelling:
  • - “Doel van dit Verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.”

De begripsomschrijving van persoon met een handicap, zoals die voorkomt in de inleiding, en in de voetnoot bij de verwijzing naar artikel 143 van het kieswetboek, is dus onvolledig.

Er moet wel degelijk sprake zijn van 4 beperkingen. Over de benamingen die aan deze beperkingen gegeven wordt is er minder eensgezindheid, hier spelen de gevoeligheden verbonden aan deze beperkingen.

De leden van de NHRPH houden het in het Nederlands bij: lichamelijke, psychische, verstandelijke en sensoriële beperkingen – in het Frans des incapacités physiques, psychiques, mentales ou sensorielles.

  • Artikel 9 betreffende de toegankelijkheid:
  • - “Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden. Deze maatregelen, die mede de identificatie en bestrijding van obstakels en drempels voor de toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toepassing op: ……”

Artikel 29 betreffende de participatie in het politieke en openbare leven:

  • - “De Staten die Partij zijn garanderen personen met een handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen uit te oefenen, en verplichten zich: :
  • - a) Te waarborgen dat personen met een handicap daadwerkelijk en ten volle kunnen participeren in het politieke en openbare leven, hetzij rechtstreeks, hetzij via vrij gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van het recht, en de gelegenheid, voor personen met een handicap hun stem uit te brengen en gekozen te worden, onder andere door:
  • -- i) te waarborgen dat de stemprocedures, -faciliteiten en voorzieningen adequaat, toegankelijk en gemakkelijk te begrijpen en te gebruiken zijn;
  • -- ii) het recht van personen met een handicap te beschermen om in het geheim hun stem uit te brengen bij verkiezingen en publieksreferenda zonder intimidatie en om zich verkiesbaar te stellen, op alle niveaus van de overheid een functie te bekleden en alle openbare taken uit te oefenen, waarbij het gebruik van ondersteunende en nieuwe technologieën, indien van toepassing, wordt vergemakkelijkt;
  • -- iii) de vrije wilsuiting van personen met een handicap als kiezers te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe te staan bij het uitbrengen van hun stem door een persoon van hun eigen keuze”

Voorbehouden parkeerplaatsen

Wat betreft punt 3.1: zich naar het stembureau verplaatsen, staat in de Nederlandstalige versie “dat het belangrijk is dat wanneer iemand zijn wagen parkeert op een parkeerplaats die voorbehouden is voor personen met een handicap, de persoon die zich in een rolstoel bevindt of wie mobiliteitsproblemen heeft de stoep gemakkelijk kan bereiken.”

De 1ste oplossing is: “de stoep afbuigen in de buurt van de parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor personen met beperkte mobiliteit.”

En de 2de oplossing waar het nog steeds gaat over parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met een handicap: “mensen met een mobiliteitsprobleem hoeven zo ook geen niveauverschillen te overbruggen”. Hierbij moet opgemerkt worden dat parkeerplaatsen voor personen met een handicap slechts mogen gebruikt worden wanneer zich in de wagen een persoon met een handicap bevindt die over een geldige parkeerkaart voor personen met een handicap beschikt. De kaart wordt slechts afgeleverd na erkenning van de handicap, op basis van de bepalingen van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 inzake parkeerkaarten voor personen met een handicap.

Bovendien moet deze kaart op een geldige wijze, dit is vooraan in het voertuig op het dashboard met het symbool van de rolstoel zichtbaar, zijn aangebracht.

Parkeerplaatsen voor personen met een handicap mogen dus enkel door personen met een handicap, als dusdanig erkend volgens de beschikkingen van het hiervoor vermelde ministerieel besluit, gebruikt worden. Overtredingen zijn strafbaar.

In de Franstalige versie is onder hetzelfde punt, de 5de alinea, sprake van “un emplacement réservé aux moins valides”. Dit moet uiteraard vervangen worden door “un emplacement réservé aux personnes handicapées”, want de term “moins valides” is onaanvaardbaar geworden.

Wat betreft de 2 oplossingen verwijst de 1ste oplossing naar: “des emplacements de parking réservés aux personnes à mobilité réduite”. De 2de oplossing is algemeen gesteld en maakt geen gewag van mensen met mobiliteitsproblemen die niveauverschillen moeten overbruggen.

Duitstalige versie

Ten slotte dringen de leden van de NHRPH er op aan dat een Duitstalige versie van deze aanbevelingen ook verstuurd wordt naar de Duitstalige gemeenten.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/15 - Leuze-en-Hainaut

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot de aanleg van blindengeleidevoorzieningen in het station van Leuze-en-Hainaut, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16/09/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS-Holding tijdens de werkgroepvergaderingen van 24/09/2012, 06/12/2012 en 07/03/2013.


Onderwerp

Bij de opmaak van het renovatiedossier werd gezocht naar een duidelijke en veilige oplossing voor het aanleggen van de blindengeleidevoorzieningen ter hoogte van de toegangsdeur met trappen in het stationsgebouw. Deze toegangstrap bevindt zich ook op een beperkte afstand tot de boordsteen van de rijweg.


Analyse

Een van de in/uitgangen tot het stationsgebouw (niet de meest aangewezen toegang voor PBM) heeft een trap aan de buitenkant. De deur opent naar de binnenkant, wat een risico inhoudt voor blinden en slechtzienden die langs die deur het station verlaten. Een mogelijkheid is noppentegels voorzien aan de boven- en onderkant van deze toegangstrap.

Probleemstelling bij het aanleggen van deze noppentegels:

  • De noppentegels voor het aanduiden van de toegangstrap bevinden zich in de lokettenzaal onder de buitendeur.
  • De toegangsdeur kant Rue du Seuwoir vormt een obstakel tussen de noppentegels en de trap.
  • Het is onmogelijk geleidelijnen aan te leggen tussen de noppentegels aan de onderkant van de toegangstrap en de noppentegels ter hoogte van de oversteekplaats kant straat, want het trottoir is er te smal.
  • De geleidelijn in de lokettenzaal leidt zowel naar deze toegangsdeur, als naar de toegangsdeur kant perrons.

Een technisch advies werd al eerder aangevraagd. Aangezien deze situatie zich in meerdere stations voordoet, wordt een principieel advies verwacht. De conclusies kunnen dan aan Revalor worden toegevoegd.

Er zijn verschillende suggesties:

  • Waarschuwingstegels kunnen de trap buiten omsluiten.
  • De problematische ingang kan ook afgeschaft worden.
  • Er kan gezocht worden naar een logische route voor blinden en slechtzienden waarbij men deze toegangsdeur links laat liggen.

Advies

De aangebrachte geleidelijnen dienen weggeleid te worden van deze toegangsdeur, zowel binnen als buiten.

Een logische geleideroute voor blinden en slechtzienden, komende enerzijds van de kiss and ride en anderzijds van het busstation naar de perrons, dient aangelegd te worden, waarbij de problematische toegang tot het stationsgebouw niet gemarkeerd wordt.

In vergelijkbare situaties in andere stations kan een vergelijkbare oplossing worden gezocht. Deze situatie mag als voor beeld aan Revalor worden toegevoegd.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de technische details verwijst de NHRPH door naar de toegankelijkheidsbureaus.

Rekening houdende met de wijzigingen die aan het oorspronkelijk plan zijn aangebracht brengt de NHRPH een positief advies uit m.b.t. het voorgestelde traject van de geleidelijn.

Ter verduidelijking worden 2 documenten toegevoegd, zijnde

Bijlage 1: Origineel project
Bijlage 2: Project aanvaard door de NHRPH


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS-Holding;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/14 - Welvaartsaanpassing

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de welvaartsaanpassing van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, uitgebracht ingevolge een dringende raadpleging van de leden gehouden tussen 8 juli en 12 juli 2013


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, in zijn e-mailbericht van 1 juli 2013.


Onderwerp

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien.

De NHRPH bracht in zijn vergadering van 27 mei 2013 reeds een advies (2013/09) uit over een ontwerp van koninklijk besluit houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Aan het oorspronkelijk ontwerp van koninklijk besluit werden intussen een aantal wijzigingen aangebracht, en dus is het dossier opnieuw voorgelegd aan de NHRPH.


Analyse

Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet in volgende verhogingen met ingang van 1 september 2013:

  • van de barema’s van de inkomensvervangende tegemoetkoming met 2%;
  • van de categorievrijstelling van de integratietegemoetkoming met 2%;
  • van de vrijstellingen van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden met 1,8%

Aan het oorspronkelijk ontwerp van koninklijk besluit waarover de NHRPH een advies uitbracht zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • In artikel 2 wordt het bedrag van de categorievrijstelling bepaald op 9.151,16 in de plaats van 9.151,15.
  • In artikel 3 worden de bedragen van de vrijstelling, bepaald op respectievelijk 10.372,22 en 12.960,97, vervangen door respectievelijk 9.776,78 en 12.216,92.
  • In artikel 4 wordt de inwerkingtreding, vastgesteld op 1 september 2013, en voor artikel 2 met ingang van 1 april 2013, vervangen door een inwerkingtreding op 1 september 2013.

Advies

De leden van de NHRPH verwijzen naar hun advies 2013/09 (bijgevoegd) en geven ook nu een positief advies over de inhoud van het aangepaste ontwerp van koninklijk besluit.

Zij zijn dus tevreden dat door de stijging van de vrijstellingen, het mogelijk ongunstige effect op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van de verhoging van de socialezekerheidsuitkeringen door de welvaartsaanpassing, geneutraliseerd wordt.

Zij stellen zich echter de vraag of het opgeven van de gelijktijdigheid tussen het invoege treden van de nieuwe bedragen in het stelsel van de sociale zekerheid enerzijds en van de vrijstellingsbedragen in het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap anderzijds, het gunstige effect niet vertraagt.’


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/13 - NHP 2013

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 17/06/2013


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Het Nationaal Hervormingsprogramma 2011 stelde de doelstellingen vast om tegemoet te komen aan de doelstellingen uit de Strategie 2020 van de Europese Unie. Het Nationaal Hervormingsprogramma 2013 bevestigt deze doelstellingen. Het bevat de maatregelen die de federale regering en de regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten de afgelopen 12 maanden hebben genomen om deze te bereiken, en de antwoorden op de landenspecifieke aanbevelingen die België in juli 2012 van de Raad van de Europese Unie ontving.

De NHRPH heeft zijn gedachtewisseling beperkt tot de maatregelen genomen door de federale regering.


Analyse

De tekst valt uiteen in 2 delen:

  • De opvolging van de landenspecifieke aanbevelingen;
  • De opvolging van de Europa 2020-doelstellingen.

Advies

De NHRPH heeft volgende opmerkingen geformuleerd:

Algemeen: de NHRPH betreurt het geen advies te hebben kunnen geven bij de opmaak van het programma, maar hoopt dat zijn opmerkingen voor de toekomst wel een invloed zullen hebben. De NHRPH vraagt alleszins wel betrokken te zullen worden bij de opmaak van het volgende Nationaal Hervormingsprogramma.

Wat betreft de maatregelen om de feitelijke pensioenleeftijd te verhogen, vraagt de NHRPH toch de specifieke situatie van personen met een handicap in aanmerking te willen nemen.

Veel personen met een handicap hadden het vroeger al moeilijk om de grensleeftijd te halen, en om een volledige loopbaan te volbrengen, nu worden de leeftijdsgrens en de loopbaanvereiste voortdurend verhoogd. De lichamelijke conditie van personen met een handicap laat het dikwijls niet toe even lang actief te blijven als de valide personen: zij hebben nu eenmaal vlugger nood aan rust.

In tegenstelling tot de genomen maatregelen zou de mogelijkheid van een vervroegd rustpensioen, met behoud van rechten, moeten worden bestudeerd voor personen met een handicap, zoals dit trouwens ook werd beschreven in de aanbevelingen in het evaluatieverslag van 2009 van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt. Voor heel wat personen met een handicap is een volledige loopbaan haast uitgesloten.

Meer algemeen stelt de NHRPH dat voor alle arbeidende mensen rekening moet worden gehouden met de fysische conditie enerzijds, en met de jobinhoud anderzijds.

Bovendien zullen ook de gelijkgestelde periodes minder meetellen voor de pensioenberekening, dit zal ook weer een negatieve invloed hebben voor heel wat werkende personen met een handicap. Zij zullen verhoudingsgewijs meer dergelijke periodes tijdens hun loopbaan hebben dan de doorsnee werkende persoon.

Inzake gezondheid herinnert de NHRPH aan de noodzaak om een geneeskundig aanbod te waarborgen dat op rechtvaardige wijze over het Belgische grondgebied verspreid is en dat beantwoordt aan de voorwaarden van een universele toegankelijkheid en een specifieke opvang voor alle handicapsituaties.

Wat betreft de activeringspolitiek voor werklozen, wijst de NHRPH erop dat werk zoeken voor een persoon met een handicap doorgaans nog moeilijker is dan voor een valide werkzoekende. Werkzoekende personen met een handicap hebben vooral nood aan een aangepaste begeleiding.

De federale overheid zou 10.000 instapstageplaatsen gecreëerd hebben voor een periode van zes maanden voor schoolverlaters met hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs. Nergens is sprake van personen met een handicap. De NHRPH wijst er bovendien op dat de laaggeschoolden al in een probleemsituatie zitten. Ook daar moet ruimte vrij gehouden worden voor personen met een handicap.

De NHRPH merkt in dit verband op dat er een groot verschil is tussen de tekst van het programma en de concrete situatie op het terrein.

Wat betreft de opvolging van de doelstellingen Europa 2020, meer specifiek de maatregelen inzake werk, en de doelgroepen, wordt opgemerkt dat België zich verheugt over de “jongerengarantie”, die verwijst naar “alle jongeren jonger dan 25 jaar”. Ook de NHRPH vindt dit een goede maatregel, op voorwaarde dat personen met een handicap begrepen zijn in “alle jongeren”.

Inzake onderwijs en vorming wordt opgemerkt dat nergens verwezen wordt naar artikel 24 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat uitdrukkelijk het recht op onderwijs erkent voor personen met een handicap. Dergelijke ontwikkeling is noodzakelijk, en de leerling met een handicap moet de meest geschikte onderwijsvorm kunnen kiezen. Hierbij moet hij zich kunnen baseren op volledige, correcte en toegankelijke informatie in aangepast formaat. In elke gekozen onderwijsinrichting moet de leerling kunnen rekenen op aangepaste steun en begeleiding. Hij moet een beroep kunnen doen op aangepaste onderwijsmethodes, zoals gebarentaal. Het onderwijstraject, met inbegrip van de gespecialiseerde aspecten ervan, moet uitmonden in het behalen van een scholingsdiploma. Er moet een structurele oplossing worden gevonden voor het gebrek aan plaatsen in het gespecialiseerde onderwijs.

De noodzaak wordt ook benadrukt dat onderwijs rekening moet houden met de werkgelegenheid die bestaat.

Tenslotte is het deel sociale inclusie heel belangrijk voor de NHRPH, omdat personen die tegemoetkomingen voor personen met een handicap genieten, een groot risico op armoede lopen.

Om de sociale bescherming van de bevolking te verzekeren, is de NHRPH van mening dat hier moet verwezen worden naar de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, die zich onder de armoedegrens situeren. De bedragen van de tegemoetkomingen zouden moeten worden opgetrokken, zodat iedereen een gepast inkomen geniet. Het inkomen zal minstens even hoog zijn als het gewaarborgd minimumloon in België, om inclusie op alle levensdomeinen mogelijk te maken. De inkomens van de persoon met een handicap moeten eveneens een individueel recht zijn.

Wat betreft het terugdringen van de kinderarmoede: een toereikend niveau van sociale uitkeringen voor volwassenen en kinderen die de armoederisicogrens bereiken, moet gewaarborgd worden zodat de ouders hun opvoedende rol kunnen opnemen.

Inzake de actieve insluiting van mensen die ver verwijderd zijn van de arbeidsmarkt, wordt opgemerkt dat niet om het even welke werkgelegenheid geschikt is voor personen met een handicap. De NHRPH is er voorstander van dat om het vereiste quotum van 3% tewerkstelling van personen met een handicap te halen bij de openbare diensten, in alle gevallen de voorkeur moet worden gegeven aan laureaten met een handicap, en de noodzakelijke maatregelen te nemen om dat percentage te halen. De competenties moeten gelijk zijn, maar de wijze waarop de personen met een handicap getest worden moet indien noodzakelijk, aangepast worden aan de handicap van de personen, en redelijke aanpassingen moeten voorzien worden indien noodzakelijk.

De NHRPH verwijst naar de principes die moeten worden gehanteerd, en die toegelicht zijn in de standpuntennota van de NHRPH van 19 december 2011:

  • de tewerkstelling van personen met een handicap in een mainstreaminglogica, waarbij alle domeinen en de personen met een handicap betrokken worden, met in het bijzonder de aandacht voor belemmerende omgevingsfactoren;
  • de definitie van persoon met een handicap zoals vastgelegd in het VN-verdrag toepassen;
  • instrumenten aanbieden die de personen met een handicap in staat stellen te werken (toegankelijk onderwijs, begeleiding en verzorging enz.)
  • beeldvorming over personen met een handicap en tewerkstelling bijsturen;
  • tewerkstellingsondersteuning, sensibilisering van de verschillende actoren, het wegwerken van tewerkstellingsvallen, ondersteuning van de sociale voorzieningen en er voor zorgen dat werkgevers belang hebben bij de aanwerving van een persoon met een handicap.

Wat betreft de huisvesting ten slotte, is het noodzakelijk voldoende aangepaste woonvormen voor personen met een handicap tot stand te brengen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/12 - Wijziging kieswetboek

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht na elektronische raadpleging van de leden, tussen 19 juni 2013 en 25 juni 2013


Aanvrager

Advies ingevolge een dringende vraag vanwege mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken, met e-mail van 19 juni 2013.


Onderwerp

In artikel 143, 5de lid van het Kieswetboek, worden de woorden “een lichaamsgebrek”, vervangen door de woorden “een lichamelijke, mentale of zintuiglijke insufficiëntie”.


Analyse

Artikel 143, 5de lid van het Kieswetboek, luidt als volgt:

«“Een kiezer die wegens een lichaamsgebrek niet in staat is om zich alleen naar het stemhokje te begeven of om zelf zijn stem uit te brengen, mag zich met toestemming van de voorzitter door iemand laten geleiden of bijstaan. Beider naam wordt in het proces-verbaal vermeld.”»

En artikel 143, 6de lid van het Kieswetboek luidt:

“Betwist een bijzitter of een getuige de echtheid of de ernst van het aangevoerde lichaamsgebrek, dan beslist het stembureau en zijn met redenen omklede beslissing wordt in het proces-verbaal opgenomen.”

Uit de toegestuurde teksten blijkt dat de woorden “een lichaamsgebrek” alleen in het 5de lid vervangen worden, maar behouden blijven in het 6de lid.


Advies

Wat betreft de kern van de zaak zijn de leden verheugd dat, zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het voorontwerp van wet, “het doel is, (..) voor iedereen, met om het even wat voor handicap, de uitoefening van het stemrecht mogelijk te maken”.

Wat de opstelling van de tekst betreft, benadrukt de NHRPH dat in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitsluitend sprake is van “personen met een handicap”. Dit is een algemeen aanvaarde uitdrukking. Bepaalde benamingen, zoals “gebrek”, insufficiëntie”, “invalide” zijn al geruime tijd in onbruik bij de betrokkenen zelf, sterker nog, zijn intussen onaanvaardbaar geworden. Het is ook verkieslijk te spreken van “begeleiden”, een neutralere vertaling van “accompagner”. Wanneer men gebruik maakt van een opsomming bestaat bovendien altijd het risico dat bepaalde soorten van handicaps vergeten worden. Dit is thans het geval met de voorgestelde lijst, waarin bijvoorbeeld, de psychische handicap ontbreekt.

De NHRPH pleit ervoor artikel 143, leden 5 en 6 van het Kieswetboek, als volgt te formuleren : «“Een kiezer die wegens een handicap niet in staat is om zich alleen naar het stemhokje te begeven of om zelf zijn stem uit te brengen, mag zich met toestemming van de voorzitter door iemand laten begeleiden of bijstaan. Beider naam wordt in het proces-verbaal vermeld. Betwist een bijzitter of een getuige de echtheid of de ernst van de aangevoerde handicap, dan beslist het stembureau en zijn met redenen omklede beslissing wordt in het proces-verbaal opgenomen.”

Indien deze formulering niet kan weerhouden worden, vraagt de NHRPH minstens in de Nederlandstalige tekst het woord « mentale » te vervangen door « verstandelijke », en zowel in het Nederlands als in het Frans de tekst van artikel 143, 6de lid aan te passen, zodat de tekst als volgt luidt : “Een kiezer die wegens een lichamelijke, psychische, verstandelijke of sensoriële handicap niet in staat is om zich alleen naar het stemhokje te begeven of om zelf zijn stem uit te brengen, mag zich met toestemming van de voorzitter door iemand laten begeleiden of bijstaan. Beider naam wordt in het proces-verbaal vermeld. Betwist een bijzitter of een getuige de echtheid of de ernst van de aangevoerde handicap, dan beslist het stembureau en zijn met redenen omklede beslissing wordt in het proces-verbaal opgenomen.”

De NHRPH wil van de gelegenheid gebruik maken om te verwijzen naar zijn standpuntennota inzake de toegankelijkheid van de verkiezingen voor Personen met een handicap. Deze nota is dan ook gehecht aan dit advies.

In dat kader vraagt de NHRPH dat dringend verder gewerkt wordt aan de nota “Toegankelijkheid tot de stembureaus”, deze nota zou zo vlug mogelijk naar de gemeentebesturen moeten gestuurd worden. De gemeenten moeten immers voldoende tijd hebben om maatregelen te kunnen treffen die de toegankelijkheid bevorderen, te beginnen met de zorg voor een toegankelijk lokaal waar de kiesverrichtingen kunnen doorgaan.

Ook de aanbevelingen voor de toegankelijkheid van partijstandpunten moeten tijdig verspreid worden. Duidelijke partijprogramma’s zullen trouwens door alle kiezers gewaardeerd worden.

Ten slotte herinnert de NHRPH aan de belofte om de onderrichtingen voor de kiesverrichtingen te vertalen in gebarentaal, en deze via de website verkiezingen.be (elections.be) ter beschikking te stellen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/11 - Rol van de NHRPH

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot de rol van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 17/06/2013.


Aanvrager

Advies ingevolge een vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, met brief zonder datum, ontvangen op 15 februari 2013.


Onderwerp

Aan een afvaardiging van de NHRPH is tijdens een onderhoud op het kabinet van de heer Staatssecretaris voor Personen met een handicap gevraagd zijn rol nader te omschrijven.

Dit past in het kader van het 2de semestrieel rapport dat aan de Ministerraad moet worden voorgelegd.


Analyse

Met bovenvermelde brief wordt de NHRPH uitgenodigd deel te nemen aan een gedachtewisseling over de wederzijdse relaties tussen de instanties omschreven in artikel 33 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dit is een gevolg van de beslissing van de Ministerraad van 7 december 2012, die: "de Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap belast met Beroepsrisico's, in overleg met de betrokken organen, verzoekt een basisnota op te maken waarin het werkproces en de mogelijke relaties tussen de verschillende betrokken partijen worden beschreven. Ze zal de MR bij het volgend zesmaandelijks verslag over de UNCRPD worden voorgelegd".

De bedoelde organen zijn:

  • Art. 33.1: het inter-federaal coördinatiemechanisme;
  • Art. 33.2: het onafhankelijk mechanisme;
  • Art. 33.3: het maatschappelijk middenveld.

Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap ontstond in zijn huidige vorm na de staatshervorming van 1980. Hij werd opgericht bij het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale hoge raad voor personen met een handicap, als opvolger van de in 1967 opgerichte Hoge raad voor gehandicapten.

De NHRPH is samengesteld uit leden die over de nodige kwalificaties beschikken wegens hun deelname aan de activiteiten van organisaties die zich inzetten voor de integratie van personen met een handicap of wegens hun sociale of wetenschappelijke activiteiten.

De leden van de Raad zijn dus zelf personen met een handicap, personen uit de naaste omgeving van personen met een handicap of vertegenwoordigers van de verenigingen van personen met een handicap. Zij zijn dan ook eerstelijns gesprekspartners voor alles wat te maken heeft met personen met een handicap.

Het koninklijk besluit van 9 juli 1981 bepaalt dat de NHRPH belast is met het onderzoek van alle problemen inzake personen met een handicap welke tot de federale bevoegdheid behoren.

De NHRPH mag, op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde Ministers, adviezen geven of voorstellen doen, onder meer met het oog op de rationalisatie en coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen.

De Minister die bevoegd is voor de tegemoetkomingen voor personen met een handicap is verplicht om aan de NHRPH advies te vragen voor elk ontwerp van koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Een zeer belangrijk element : artikel 4.3 van het Verdrag bepaalt dat « Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. »

Dit artikel is vanzelfsprekend heel belangrijk voor personen met een handicap en moet de leidraad zijn van elk beleid dat in België wordt gevoerd. Zij zijn inderdaad het best geplaatst om te weten wat wel en niet goed voor hun is.

De gecombineerde toepassing van het Verdrag en van het koninklijk besluit tot oprichting van de Hoge Raad leidde er concreet toe dat de Ministerraad, op datum van 20 juli 2011, de volgende opdracht gaf :

(...) aan alle Ministers en Staatssecretarissen om binnen hun bevoegdheidsdomein terdege rekening te houden met de dimensie handicap bij het concipiëren en uitvoeren van hun beleid en overleg te plegen met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) en met de minister of staatssecretaris bevoegd voor het beleid inzake personen met een handicap.

De beslissing van de Ministerraad van 20/07/2011 zou moeten vertaald worden in de tekst van het besluit, maar dit houdt ook in dat noodzakelijke en voldoende werkingsmiddelen (secretariaat) gegeven worden.

Aan het maatschappelijk middenveld is ook een taak toegewezen in artikel 33 van het verdrag, Nationale tenuitvoerlegging en toezicht

Artikel 33.3 bepaalt: "Het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen, wordt betrokken bij en participeert volledig bij de opvolging".

Gelet op zijn unieke samenstelling (personen met een handicap en/of werkzaam in de sector beleid/zorg voor personen met een handicap) en zijn jarenlange aanwezigheid op het politieke terrein als enig officieel orgaan voor wat betreft de federale bevoegdheden inzake personen met een handicap, is de NHRPH ervan overtuigd deze rol als enig adviesorgaan wat betreft de toetsing van het beleid aan de maatschappelijke integratie van personen met een handicap, verder te moeten spelen. De NHRPH is daarom noodzakelijk en onvervangbaar.

Trouwens, artikel 4.4 van het Verdrag: "Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die partij is, of in het internationale recht dat voor die Staat van kracht is. (...)"


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Gelijke Kansen;
  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Olivier Chastel, Minister van Begroting;
  • Voor opvolging aan mevrouw Monica De Coninck, Minister van Werk;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/10 - Zoneraadslid

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de voorwaarden waaronder een zoneraadslid van een hulpverleningszone die, ingevolge een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, zich voor de uitoefening van dit mandaat kan laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, uitgebracht tijdens de zitting van 27/05/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken en van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, met brief van 3 mei 2013.


Onderwerp

Het betreffende ontwerp van koninklijk besluit voorziet in welke gevallen artikel 32 van de wet van 15 mei 2007 van toepassing is en bepaalt hoe het bewijs van de handicap moet geleverd worden, zodat het zoneraadslid, binnen het kader van de uitoefening van zijn mandaat, kan genieten van de assistentie van een vertrouwenspersoon.


Analyse

Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet voornamelijk in het volgende:

In artikel 1 wordt bepaald wat onder persoon met een handicap wordt verstaan. Het is de persoon die ingeschreven is bij een van de instellingen van Gemeenschappen en Gewesten die de integratie van personen met een handicap tot doel hebben, de persoon die of een inkomensvervangende tegemoetkoming, of een integratietegemoetkoming, of sociale en fiscale voordelen geniet, of die een attest heeft van het Fonds voor Arbeidsongevallen/Beroepsziekten/een andere bevoegde geneeskundige dienst, of een gerechtelijke beslissing, of een bewijs van blijvende invaliditeit.

Artikel 2 geeft een definitie van zoneraadslid dat wegens een handicap zijn mandaat niet zelfstandig kan vervullen. De oorzaak hiervan is een zware zintuiglijke handicap, zware spraakmoeilijkheden, een mentaal falen of een motorische handicap waardoor de persoon grote moeilijkheden heeft om de documenten te hanteren.

Artikel 3 bepaalt dat het bewijs dat het zoneraadslid getroffen is door een dergelijke handicap geleverd wordt door een medisch onderzoek, dat moet uitgevoerd worden, naargelang het geval, door de reeds genoemde instellingen van Gemeenschappen en Gewesten, de Directie-generaal Personen met een handicap, het Fonds voor Arbeidsongevallen/Beroepsziekten/een andere bevoegde geneeskundige dienst, een geneesheer, een adviserend geneesheer.


Advies

De leden van de NHRPH formuleren volgende opmerkingen bij het ontwerp van koninklijk besluit:

  • Artikel 32 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid bepaalt dat het lid van de zoneraad dat ingevolge een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, zich voor de uitoefening van dit mandaat kan laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. (...) De Koning bepaalt, (...) de criteria die toelaten om op de toepassing van deze bepaling beroep te doen.
  • Artikel 1 van het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt wat voor de toepassing van de wet wordt verstaan onder persoon met een handicap: volgt de gebruikelijke lijst van erkenningen door officiële instanties als persoon met een handicap. Met de opstelling van dit artikel is met andere woorden voldaan aan het 2de lid van art. 32 van de wet betreffende de civiele veiligheid.
  • Niettegenstaande artikel 1 al vastgesteld heeft wie persoon met een handicap is, bepaalt artikel 2 van het ontwerp van KB verdere voorwaarden om uit te maken wie wegens zijn handicap zijn mandaat niet zelfstandig kan vervullen, in die zin dat hij "grote moeilijkheden heeft om met de documenten om te gaan". De leden van de NHRPH zijn van oordeel dat deze bijkomende voorwaarden arbitrair en discriminerend zijn. Het is uiteindelijk alleen de persoon met een handicap zelf die kan uitmaken of hij als zoneraadslid nog zelfstandig kan functioneren en de documenten kan manipuleren (en afhankelijk van de hulpmiddelen waarover hij beschikt).
  • Daarbovenop verplicht artikel 3 tot een medisch onderzoek om te bewijzen dat het betrokken zoneraadslid zijn mandaat niet zelfstandig kan vervullen en voor de uitoefening ervan persoonlijke bijstand nodig heeft. Met andere woorden: de persoon die al als persoon met een handicap is erkend moet het bewijs van een bijkomende beperking leveren. Dit is vernederend, de leden van de NHRPH vragen zich af of dit te verzoenen valt met de rechten op een privé-leven.
  • Ten slotte moet opgemerkt worden dat de opgesomde instanties nooit een bewijs zullen afleveren dat iemand de documenten niet kan hanteren. De persoon wordt, welke ook de instantie is die betrokken partij is, in zijn totaliteit geëvalueerd, en niet de ziekte(n) die hem treffen, en nog minder de gevolgen van deze ziekte(n).

De leden van de NHRPH vragen bijgevolg dat de artikelen 2 en 3 van het ontwerp van koninklijk besluit geschrapt worden.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/09 - Welvaartsaanpassing

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de welvaartsaanpassing van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 27/05/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, in zijn e-mailbericht van 23/05/2013.


Onderwerp

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien. Aan de NHRPH wordt in dit kader een ontwerp van koninklijk besluit houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, voor advies voorgelegd.


Analyse

Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet in het volgende:

  • De verhoging op 1 september 2013 van de barema's van de inkomensvervangende tegemoetkoming met 2%;
  • De verhoging op 1 april 2013 van de categorievrijstelling van de integratietegemoetkoming met 2%;
  • De verhoging op 1 september 2013 van de vrijstellingen van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden met 1,8%.

Advies

De leden van de NHRPH brengen een positief advies uit met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit. Zij zijn tevreden dat door de stijging van de vrijstellingen, het mogelijk ongunstige effect op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van de verhoging van de socialezekerheidsuitkeringen door de welvaartsaanpassing, geneutraliseerd wordt.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/08 - SMS nooddiensten

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de conceptnota betreffende de toegang via elektronisch tekstbericht (sms) tot de nooddiensten voor doven, slechthorenden en spraakgestoorden, uitgebracht tijdens de zitting van 15 april 2013


Aanvrager

Advies op vraag van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap met brief van 13 maart 2013


Onderwerp

De conceptnota gaat in op de realisatie van een toegang per sms tot de nooddiensten. Traditioneel worden de nooddiensten via een spraakoproep gecontacteerd. Voor een gehoorgestoorde persoon bijvoorbeeld, is dat niet mogelijk, daarom kan hij thans een faxbericht sturen. Dit is echter een achterhaald communicatiemiddel, vandaar dat gezocht wordt naar een vlottere toegang.

Aan de basis van het initiatief liggen de universeledienstenrichtlijn 2009/136/EC, de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 en de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.


Analyse

Belangrijke vaststellingen zijn :

Wat betreft de bepaling van de doelgroep en het te bereiken doel:

  • De bovenvermelde Europese richtlijn spreekt over "disabled end-users" en "access ...equivalent to that enjoyed bij other end-users";
  • De bovenvermelde wetten van 29 april 2011 en 13 juni 2005: "doven of slechthorenden, alsook mensen met een andere handicap waardoor zij onmogelijk met een spraaktoestel een noodnummer kunnen oproepen, en het sturen van een elektronisch noodbericht/tekstbericht.

Uitganspunten zijn dat een spraakoproep de meest efficiënte manier is om een noodoproep te doen en dat een groot aantal oproepen naar de noodcentrales kwaadwillig of ongewild zijn. Daarom beperkt de nota zich tot personen die niet in staat zijn een spraakoproep te doen, zij moeten zich bovendien "preregistreren". Het formeel omschrijven van de doelgroep is principieel een opdracht van de Staatssecretaris voor personen met een handicap, onverminderd de bevoegdheden van Gemeenschappen en Gewesten.

Uit ervaring blijkt dat het registreren, door zichzelf via een formulier in te schrijven, in hoge mate niet voldoet. Daarom wordt gedacht aan bestaande registratiesystemen, zoals het rijksregister, en een fysieke registratiemogelijkheid, zoals het gemeenteloket. Op die manier zou de registratie door de gemeenten gebeuren. Dit kan gerealiseerd worden door een wetswijziging na een advies van de privacycommissie.

In een eerste fase van het project zal een niet-geregistreerde sms wel technisch kunnen ontvangen worden, maar hij zal niet behandeld worden. De mogelijkheid dit wel te doen zal op termijn worden nagegaan. De toegang is beperkt tot het versturen van een sms. Dit houdt in dat de oproeper automatisch moet kunnen gelokaliseerd worden, en dat de garantie op het afleveren van de sms voldoende groot is, m.a.w. het moet een zo hoog mogelijke prioriteit op het netwerk genieten. Op lange termijn zouden nieuwe technologieën (smartphone-apps, chat, RTT...mogelijk kunnen worden.

Omdat juridisch nog heel wat moet gebeuren, is voorgesteld nog dit jaar te starten met een operationele testfase. Dit houdt in dat de nooddiensten via sms kunnen bereikt worden zonder voorafgaandelijke registratie. Men wil een overvloed aan sms'en vermijden door de test te laten verlopen via een ander dan het 112-nummer en dit onder de verenigingen van gehoorgestoorden te verspreiden.

Het voorstel van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap heeft betrekking op de procedure en op de definitie van de doelgroep. Inzake de procedure wordt ervoor gekozen dat de adviserend geneesheer van de mutualiteit het bewijs aflevert dat iemand tot de doelgroep behoort. Voor de omschrijving van de doelgroep wordt gesteund op het ICF. Zowel gehoorstoornissen als spraakstoornissen zijn weerhouden.


Advies

De leden van de NHRPH zijn in de eerste plaats verheugd dat het probleem van de bereikbaarheid van de nooddiensten op de politieke agenda staat. De verenigingen van personen met gehoorbeperkingen vragen al langer een oplossing van het probleem. De NHRPH is ook heel positief met betrekking tot het voornemen dat op lange termijn nieuwe technologieën (smartphone-apps, chat, RTT...) mogelijk kunnen worden.

De NHRPH waarschuwt voor een te enge doelgroep afbakening, en verwijst hierbij naar de Europese richtlijn, waar sprake is van "personen met een handicap". Ook andere doelgroepen kunnen geholpen worden. Het systeem waarbij noodhulp wordt opgeroepen is een heel belangrijk systeem, dat principieel ten dienste van de ganse bevolking moet staan. Noodsituaties doen zich elke dag voor, onaangekondigd, onvoorbereid. Het systeem zoals thans voorgesteld, is vooral bedacht voor dove personen, slechthorenden, spraakgestoorden. Is het vermelden van deze doelgroepen ook niet verwarrend? Waarom mag dit niet gelden voor fysische handicaps, voor mensen met gezichtsstoornissen, voor mensen die bijvoorbeeld niet meer kunnen lezen in welke stad ze staan?

De NHRPH gaat niet akkoord met het invoeren van een systeem gebaseerd op een voorafgaandelijke inschrijving en registratie: een verklaring op erewoord van de persoon moet voldoende kunnen zijn. Het is bekend dat de aangeduide doelgroep het moeilijk heeft om zich in te schrijven. Nu wordt een structuur opgezet gestigmatiseerd op de handicap. Waarom wordt gepoogd het vastgestelde misbruik tegen te gaan ten koste van de persoon die zich in een noodsituatie bevindt? Het negeren van oproepen van niet-geregistreerde personen kan ongewenste gevolgen hebben.

Een grote meerderheid van de doelgroep heeft op een bepaald moment een erkenning aangevraagd bij de DG Personen met een handicap. Zelfs als men nu niet over een bruikbare database beschikt, kan dit in de toekomst wel. Het zou in alle geval een oplossing op lange termijn kunnen zijn om op die manier de gegevens aan te brengen die in het Rijksregister worden opgenomen. Waarom baseert men zich niet louter op de nood van elke persoon?

Het is jammer dat het slechts een landelijk systeem is: dit moet kunnen over de grenzen heen.

De testfase moet aangekondigd worden. Alle verenigingen, al dan niet voor gehoorgestoorden, moeten verwittigd worden. Dit moet ook in de media komen, de ganse bevolking moet op de hoogte gebracht worden. De communicatie moet zo duidelijk mogelijk zijn.

De leden stellen zich ook vragen bij het in gebruik nemen van een speciaal nummer voor de testfase (812), zij vrezen dat het geheel nodeloos ingewikkeld wordt gemaakt.

De NHRPH kiest voor een pragmatische aanpak en lange termijnoplossingen. Men moet voortdoen met de testen zonder voorinschrijving. De nooddiensten staan dicht bij de bevolking: elke dag kunnen zich situaties van noodzaak voordoen: daarop moet in de mate van het mogelijke, maximaal worden op gereageerd.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Voor informatie aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding;
  • Voor informatie aan het interfederaal coördinatiemechnanisme.

Advies 2013/07 - Aanwervingen

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, uitgebracht tijdens de zitting van 15/04/2013


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken bij elektronisch bericht van 12 april 2013


Onderwerp

Het beoogde ontwerp wijzigt enkele bepalingen van het KB van 6 oktober 2005, namelijk deze betreffende de aanwerving van personen met een handicap in de federale overheidsdiensten, opgenomen onder het eerste hoofdstuk van dit KB, en een toevoeging in het derde hoofdstuk, nl. de situatie van sommige stagiairs.


Analyse

De voorgestelde aanpassingen betreffen:

  • De toevoeging in de lijst van de personen bedoeld door het koninklijk besluit, van de personen die een Vlaamse Ondersteuningspremie van de VDAB (VOP vanaf 2008) ontvangen (art. 1, 1°);
  • De toevoeging aan de samenstelling van de begeleidingscommissie van een vertegenwoordiger van de Minister of Staatssecretaris bevoegd voor ambtenarenzaken, van een vertegenwoordiger van de Minister of Staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap, van een vertegenwoordiger van het Opleidingsinstituut van de federale overheid (art.4, eerste lid);
  • De invoeging van een artikel 8/1 waardoor op vraag van de stagiair die persoon met een handicap is, de stage halftijds of voor vier vijfden kan gebeuren, mits evenredige verlenging van de duur.

Advies

De leden van de NHRPH brengen een positief advies uit met betrekking tot deze aanpassingen


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken;
  • Voor opvolging aan de heer Hendrik Bogaert, Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/06 - Art 22ter grondwet

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel tot herziening van de Grondwet (5-139/3) teneinde in titel II van de Grondwet een artikel 22ter in te voegen dat het recht waarborgt van personen met een handicap op aangepaste maatregelen die hun zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie garanderen, uitgebracht tijdens de zitting van 18/03/2013.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Het advies betreft de tekst aangenomen in plenaire vergadering van de Belgische Senaat van 28 februari 2013 en overgezonden aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.


Analyse

  • Iedere persoon met een handicap heeft, afhankelijk van de aard en de ernst van zijn handicap, recht op maatregelen die hem zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie waarborgen.
  • De NHRPH merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het begrip "zelfstandigheid" voor de leden ook de "financiële zelfstandigheid" inhoudt.
  • De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

Advies

De leden van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap zijn uitermate verheugd met deze zeer belangrijke stap in de erkenning van de waardigheid van de persoon met een handicap, temeer daar deze erkenning niet meer kan teruggeschroefd worden.

Zij zijn de mening toegedaan dat het signaal dat de leden van de Wetgevende Kamers hiermee geven aan de samenleving in zijn geheel en de overheden in het bijzonder, zo krachtig is dat het de integratie van personen met een handicap daadwerkelijk zal bevorderen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer André Flahaut, Kamervoorzitter, Voorzitter van de Commissie voor de Herziening van de Grondwet en de hervorming van de Instellingen
  • Voor opvolging aan mevrouw Sabine de Bethune, Voorzitter van de Senaat en voorzitter van de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden
  • Ter informatie aan de heer Delpérée Francis, Eerste Ondervoorzitter van de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2013/05 - Roeselare

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 18/03/2013, na bespreking op de werkgroep 'NMBS' van de NHRPH van 24/09/2012 en 07/03/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS Holding


Onderwerp

Bij de renovatie van het station van Roeselare werd er gezocht naar een geschikte geleidelijn voor blinden en slechtzienden. Er waren een aantal obstakels, met name wat de verbinding met de halte van De Lijn betrof.


Analyse

Het principe van de eenvoud moet primeren: een persoon met een visuele handicap moet zo gemakkelijk mogelijk zijn weg vinden. Een wirwar van lijnen is ongewenst.

Waar mogelijk moeten natuurlijke geleidelijnen worden gebruikt. De gevel van de concessies komt niet in aanmerking wegens het risico op onverwachte hindernissen.

De assistentiezuil kan het best worden verplaatst, dit in overleg met NMBS-Mobility, zodat die ook voor de geleidelijnvolgers bereikbaar is. Het toilet moet ook bereikbaar zijn.

Voor de verbinding tussen station en bushaltes moet vanzelfsprekend ook met De Lijn worden overlegd. Er moet voldoende afstand bewaard worden ten opzichte van de waterpartijen.

De oorspronkelijke plannen zijn ondertussen in die zin aangepast.


Advies

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de concrete technische details verwijst de NHRPH door. De adviesaanvrager heeft technisch advies gevraagd aan Westkans.

Er is rekening gehouden met de opmerkingen van de werkgroep en de voorgestelde oplossing is aanvaardbaar.

Rekening houdend met de adviezen van Westkans en de wijzigingen die aan de oorspronkelijke plannen zijn aangebracht brengt de NHRPH een positief advies uit m.b.t. het voorgestelde traject van de geleidelijn.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS Holding;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/04 - Gent-Sint-Pieters

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 18/03/2013, na bespreking op de werkgroep 'NMBS' van de NHRPH van 24/09/2012 en 07/03/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel


Onderwerp

Bij de heraanleg van perron 12 in het station van Gent-Sint-Pieters heeft de architect leds (lampjes) geplaatst in de perronrand. Die gaan branden als de trein arriveert. Infrabel vraagt of dat wenselijk is.


Analyse

De perronrand bestaat uit een strook van noppentegels (60 cm), dan een contrasterende markeringsstrook (11 cm) en dan de eigenlijke perronrand (40 cm), waarin zich dan de lampen bevinden. Die zijn ingewerkt in het oppervlak.

Op zich het idee van de waarschuwingslichten een interessante denkpiste. De NHRPH is een voorstander van het zoeken naar nieuwe en betere signalisatie voor iedereen en wil zeker nieuwe ontwikkelingen niet in de weg staan. De NHRPH wil wel dat die pas worden geïmplementeerd na grondig onderzoek, overleg, testen, normeren en goedkeuren.

Bovendien dreigt het principe van de uniformiteit geschonden te worden wanneer die lichtjes niet systematisch worden gebruikt op alle perrons. Dat principe hoeft geen nieuwe ontwikkelingen in de weg te staan, maar voorzichtigheid is wel geboden. Een nieuwe functie moet aangeleerd worden, en dat geldt nog in grotere mate voor PBM voor wie niet alle vormen van informatie toegankelijk zijn. Daarbij kan het gebeuren dat een reiziger er in een station zonder perronlichtjes verkeerdelijk van uitgaat dat er een waarschuwing komt vooraleer de trein het station binnenrijdt, met alle risico's van dien. We denken dan in het bijzonder aan personen met een verstandelijke handicap, oudere mensen, ...

Tot slot vreest de NHRPH dat de leds - die stevig in de ondergrond zijn bevestigd als bescherming tegen vandalisme - niet systematisch zullen worden vervangen wanneer ze uiteindelijk stukgaan.


Advies

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de concrete technische details verwijst de NHRPH door naar toegankelijkheidsbureaus.

Om de redenen die hierboven reeds zijn aangehaald, kan de NHRPH voorlopig geen positief advies uitbrengen over lichtjes in de perronrand.

Mocht de NMBS na uitgebruik onderzoek, evaluatie door toegankelijkheidsbureaus en overleg met de sector van de personen met een handicap vaststellen dat het veralgemenen van leds in de perronrand aanbevelenswaardig is, dan kan er eventueel een nieuw advies van de NHRPH volgen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/03 - Informatietegels

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over dunne noppentegels voor personen met een visuele handicap in treinstations, uitgebracht op de plenaire vergadering van 18/02/2013


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS-Holding


Onderwerp

In bepaalde situaties kunnen de in Revalor voorziene podotactiele informatietegels voor personen met een visuele handicap in treinstations niet worden gebruikt wegens contextuele beperkingen. De ondergrond bevat dan bijvoorbeeld leidingen aan de oppervlakte waardoor de klassieke tegel te dik blijkt voor een effen oppervlak. Nu is er een dunnere tegel op de markt die als alternatief kan dienst doen.


Analyse

De nieuwe tegel is duidelijk te onderscheiden van de omliggende bevloering. De informatietegel heeft als basis een volkeramische tegel met een dikte van 10 milimeter. Bovenop de keramische tegel is een toplaag uit volrubber gekleefd met een gestructureerd oppervlak. Deze rubberlaag creëert antislip en een goede waarneembaarheid met de voet.

De tegels zijn al in gebruik in Liège-Guillemins, Kortenberg en Zaventem. De tegels zijn minder vlak dan de traditionele en hebben een profiel met kleine noppen om het verschil in veerkracht en dikte te compenseren. Ze worden enkel binnen gebruikt, want buiten zou de slijtage te groot zijn.


Advies

Rekening houdend met de positieve adviezen van Licht en Liefde en Gamah brengt ook de NHRPH een positief principieel advies uit m.b.t. de dunnere tegel. Die mag dus worden gebruikt wanneer de situatie het vereist, op voorwaarde dat hij binnen wordt geïnstalleerd. Het is wel belangrijk dat de tegel correct wordt geplaatst.

De nieuwe tegel en zijn gebruiksvoorwaarden mogen worden toegevoegd aan Revalor.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de concrete technische details verwijst de NHRPH door.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS Holding;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/02 - Dossierbehandeling

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 21/01/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap op datum van 10 januari 2013.


Onderwerp

Het ontwerp breidt de registratie van aanvragen voor tegemoetkomingen uit tot de sociale werkers van de mutualiteiten.

Zij zullen toegang krijgen tot Communit-e (plus) light. Het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en Gezondheid gaf hiervoor machtiging op 4 september 2012.


Analyse

De voorgestelde aanpassingen betreffen:

Art. 3 van het bovenvermelde KB van 22 mei 2003 wordt aangevuld: de aanvraag om tegemoetkoming mag ook ingediend worden bij het ziekenfonds waarbij de aanvrager aangesloten is;

In het 4de lid van hetzelfde artikel: afwijking van de regel dat de stukken naar de hoofdverblijfplaats moeten gestuurd worden kan op verzoek (moet niet meer schriftelijk gedaan worden);

Art. 5 wordt, in aangepaste vorm, opnieuw ingevoegd: de aanvrager moet zich persoonlijk bij de burgemeester of het ziekenfonds aanmelden. Bij de gemeente kan hij zich laten vertegenwoordigen, dit is niet voorzien ingeval de aanvraag via de mutualiteiten verloopt;

Art. 6 wordt, in aangepaste vorm, opnieuw ingevoegd: de aanvraag wordt elektronisch ingediend, de aanvrager krijgt een ontvangstbewijs en inlichtingen, de burgemeester mag de indiening van de aanvraag niet weigeren. Deze laatste bepaling is niet van toepassing voor de mutualiteiten.

Het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid (Afdeling Sociale Zekerheid) machtigt in haar beraadslaging Nr. 12/072 van 4 september 2012, de directie-generaal Personen met een handicap om de medewerkers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verzekeringsinstellingen met de functie van maatschappelijk assistent of administratieve bediende, aan de hand van de toepassing "Communit-e plus / Handiweb" en onder de gestelde voorwaarden, toegang te bieden tot het dossier van de persoon met een handicap voor wie zij als impliciete lasthebber optreden, uitsluitend met het oog op het behartigen en verdedigen van zijn belangen.

Zowel de openbare centra voor maatschappelijk welzijn als de verzekeringsinstellingen zijn instellingen van sociale zekerheid die ingevolge de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid al toe gehouden zijn een uitgebreide veiligheidscultuur te ontwikkelen, onder meer door het aanstellen van een informatieveiligheidsconsulent en het naleven van minimale veiligheidsnormen.

De bedoelde medewerkers zijn uitdrukkelijk door hun werkgever aangeduid om de personen met een handicap bij te staan bij het opvolgen van hun dossier.


Advies

De NHRPH vindt het positief dat de mogelijkheden om een aanvraag in te dienen uitgebreid worden. Toch zijn er beperkingen.

De leden nemen acte van volgende verschilpunten naargelang de procedure opgestart wordt bij de gemeente of bij de mutualiteiten:

  • De persoon met een handicap kan zich bij de gemeente laten vertegenwoordigen door een derde, dit is niet voorzien bij de mutualiteit (art. 2 van het ontwerp);
  • De burgemeester mag in geen enkel geval de indiening van een aanvraag weigeren, dit is niet voorzien bij de mutualiteit hoewel de aanvraag alleen mag worden ingediend bij het ziekenfonds waarbij de aanvrager is aangesloten (art. 3 van het ontwerp).

Afgezien van de motivering voor deze verschilpunten die niet werd meegedeeld, zijn de leden van de NHRPH de mening toegedaan dat een groep personen met een handicap zich bijgevolg verder uitsluitend tot de gemeente moet blijven richten om een aanvraag in te dienen. Dit betreft in de eerste plaats alle gevallen waarin de persoon met een handicap zelf niet in staat is dit te doen om gelijk welke reden.

De leden vragen zich ook af op welke basis een mutualiteit niet zal ingaan op een verzoek van een lid om een aanvraag voor tegemoetkomingen in te dienen???

De leden van de NHRPH wijzen op de noodzaak om aan de medewerkers die met de bedoelde taken zullen worden belast, de nodige opleiding te geven met betrekking tot het gebruik van de elektronische informatie. Zij hebben immers bij herhaling vastgesteld dat het personeel van de gemeenten hierbij moeilijkheden ondervindt.

Een stellingname die door een belangrijk deel van de NHRPH wordt gedragen is de volgende: er wordt vooreerst gesteld dat deze op geen enkele manier de waarde van de organisaties die wel kunnen deelnemen aan het actuele project, in vraag stelt.

Bij de leden van de NHRPH heerst ontgoocheling: zij hebben gedurende meerdere jaren deelgenomen aan een werkgroep Handiweb, om uiteindelijk tot de vaststelling te moeten komen dat de verbruikersverenigingen waarvan zij ook deel uitmaken, geen toegang krijgen tot de toepassing Handiweb, hoewel de grote organisaties hier zeker vragende partij voor zijn.

Veel mensen komen naar de gebruikersorganisaties om geholpen te worden met hun dossier: die verenigingen moeten hen telkens doorsturen. Dit is bijzonder klantonvriendelijk en ook onproductief want bij de verenigingen is een grote kennis over het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap aanwezig.

Dit stelselmatig negeren van de voorhanden zijnde mogelijkheden wordt als een echte onderwaardering van het werk van de verenigingen bestempeld. Er wordt bijgevolg gevraagd daarin dringend een beslissing te willen nemen.

De taak van de verenigingen van personen met een handicap en de relatie die ze hebben met de persoon met een handicap is uniek: de indruk is dat de persoon met een handicap zich ook echt ondersteund voelt door zijn organisatie.

Wat betreft de beveiligingsprocedure die als voorwaarde is gesteld om tot het systeem te kunnen toetreden wordt opgemerkt dat de leden niet begrijpen dat dit speciaal voor de verenigingen een hinderpaal zou vormen.

Zij stemmen er in het tegendeel volledig mee in dat strenge veiligheidsnormen worden opgelegd. Er is geen reden om de verenigingen die hieraan kunnen voldoen langer uit te sluiten.

Het besluit is bijgevolg dat dit een gemiste kans is.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/01 - Beschermingsstatuten

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over bepaalde aspecten van het wetsontwerp tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, uitgebracht tijdens de zitting van 21/01/2013.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief


Onderwerp

Het wetsontwerp tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus, DOC 53K1009/013, werd toegelicht op de plenaire vergadering van 26 november 2012. De NHRPH besloot niet meer te reageren op de grote beginselen zelf van het wetsontwerp omdat de goedkeuringsprocedure in een eindstadium is gekomen. Daarentegen moet met de uitvoering van de wet nog begonnen worden. De leden van de NHRPH zijn zich bewust van het belang van de uitvoeringsbesluiten, vandaar hun advies met betrekking tot dit deel van de procedure.


Analyse

De NHRPH vestigt in het bijzonder de aandacht op volgende bepalingen van het wetsontwerp.

"Art.492/5. De koning stelt op eensluidend advies van de orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten.

Ingeval uit het in artikel 1241 van het gerechtelijk Wetboek bedoelde medische getuigschrift blijkt dat de te beschermen persoon een gezondheidstoestand heeft die voorkomt in de lijst bedoeld in het eerste lid, dan zijn de artikelen 492/1.§ 2, derde en vierde lid, en 492/4, tweede lid, niet van toepassing en wordt, in afwijking van artikel 492/1. § 3, eerste lid, en bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, de te beschermen persoon vertegenwoordigd bij het stellen van alle rechtshandelingen of proceshandelingen met betrekking tot diens goederen.

De vrederechter kan alsnog tot een beoordeling op maat overgaan, ingeval hij dit noodzakelijk acht."

En in samenlezing met dit artikel: art.497/8: de beschermde persoon wordt wat de toepassing van de artikelen 498/3, 498/4, 499/6, 499/14 en 499/17 betreft, geacht niet in staat te zijn kennis te nemen van het verslag.

Art. 497/1. De Koning kan de uitoefening van de functie van bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden, onder meer door het aantal personen te beperken waarover men bewindvoerder kan zijn.

Art. 497/5. Na de goedkeuring van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een bijzondere redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zij dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de geleverde prestaties van de bewindvoerder. Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beide ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.

Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien.De Koning kan bepaalde kosten op forfaitaire wijze begroten.

Hij kan de bewindvoerder, na overlegging van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheers van het vermogen van de beschermde persoon. De Koning kan de wijze bepalen waarop de vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen wordt begroot.

Art.1241. Tenzij het verzoek gegrond is op artikel 488/7 van het Burgerlijk Wetboel en behoudens in spoedeisende gevallen wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij het verzoekschrift een omstandige geneeskundige verklaring gevoegd, die ten hoogste vijftien dagen oud is en die de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft.

De Koning stelt een standaardformulier van omstandige geneeskundige verklaring op, dat door de geneesheer wordt ingevuld op het tijdstip waarop hij de persoon onderzoekt.

Dit standaardformulier vermeldt minstens: 1°, 2°, 3°, 4° en 5° (art. 1241)


Advies

De leden van de NHRPH noteren dat bij de opstelling van het wetsontwerp rekening is gehouden met de beginselen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dit is een verheugende vaststelling.

De uitvoering van de wet zal minstens even belangrijk zijn. De vrederechter speelt een centrale rol, die hij bovendien totaal anders zal moeten gaan invullen. Van hem wordt "maatwerk" verwacht ten dienste van de beschermde persoon. De NHRPH vraagt zich af op welke middelen de vrederechter beroep zal kunnen doen om deze opdracht naar behoren te vervullen? Welk personeel zal het dagdagelijkse kader beschrijven waarin de beschermde persoon leeft? Deze wet is steeds voorgesteld in samenhang met de familierechtbank die de vrederechter zou moeten toelaten meer tijd te besteden aan onder andere de beschermingdossiers. De NHRPH is dan ook bezorgd over het tijdstip waarop deze familierechtbanken daadwerkelijk zullen functioneren: zonder familierechtbank die operationeel is: geen nieuwe invulling van het beschermingsstatuut.

De NHRPH is ervan overtuigd dat moet gewerkt worden aan een verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de opdracht van bewindvoerder. Een beperking van het aantal dossiers per voorlopige bewindvoerder is daartoe één middel, maar geen sluitende garantie voor een betere invulling. Daarom vraagt de NHRPH dat bepaalde kwaliteitseisen zouden worden gesteld, er moet aangetoond worden dat er een resultaat is Waarom bijvoorbeeld niet een jaarlijks evaluatiegesprek tussen de vrederechter en de bewindvoerder?

Het is aannemelijk dat de bewindvoerder moet vergoed worden voor de taak die hij verricht. Het is minder aannemelijk dat dit gebeurt op rekening van bedragen die aan de beschermde persoon toekomen om de meerkosten van een handicap te verlichten. Volgende vergoedingen kunnen dan ook volgens de NHRPH niet in aanmerking worden genomen om de bewindvoerder te bekostigen:

  • De integratietegemoetkoming;
  • Het persoonlijk assistentiebudget;
  • De zorgverzekering;
  • De mantelzorgvergoeding (indien deze wordt ingevoerd):
  • .....

In het wetsontwerp wordt op meerdere plaatsen verwezen naar een uitvoering door de Koning. De NHRPH, in uitvoering van artikel 4 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap vraag daarom uitdrukkelijk betrokken te worden bij de opstelling van volgende Koninklijke besluiten:

  • Opstelling van de lijst bedoeld in art. 492/5, zoals trouwens ook bepaald in het wetsontwerp;
  • De bepaling van het aantal dossiers per voorlopige bewindvoerder - art. 497/1 ;
  • De bepaling van de inkomsten die de bezoldiging van de voorlopige bewindvoerder zullen bepalen - art. 497/5;
  • De opstelling van het standaardformulier voor de medische verklaring - art. 1241

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Annemie Turtelboom, Minister van Justitie;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2009/33 - Formulieren

  • Jaartal advies: 2009

Advies over de opstelling van 4 nieuwe formulieren inzake:

Verklaring voor het verkrijgen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming; Ontvangstbewijs van de aanvraag voor het verkrijgen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming; Medische vragenlijst voor het verkrijgen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming; Verklaring van inkomsten voor het verkrijgen van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 14 december 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Directie-generaal Personen met een handicap


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap vernam op de website van de Directie-generaal Personen met een handicap dat de administratie, samen met de dienst voor Administratieve Vereenvoudiging, werkte aan de herziening van de aanvraag tot inkomensvervangende tegemoetkoming en/of integratietegemoetkoming (formulier 100), de aanvraag voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (formulier 101) en de respectieve handleidingen.

Tijdens de bespreking van deze documenten in de plenaire vergadering van de Raad bleken deze ontwerpen al achterhaald te zijn. De vier bovenvermelde formulieren werden vervolgens voor advies aan de Raad overgemaakt.


Advies

De leden van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap achten het noodzakelijk te beklemtonen niet akkoord te kunnen gaan met de wijze waarop zij van dit dossier kennis kregen, en van de wijze waarop het in eerste instantie behandeld werd.

Gelet op het grote belang van correcte en leesbare formulieren voor de personen met een handicap die tegemoetkomingen voor personen met een handicap aanvragen, onderstrepen zij evenwel hun bereidheid om met de Directie-generaal Personen met een handicap, in een opbouwende geest, samen te werken in volgende zin:

  • De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap deelt de opmerkingen mee die de leden in verband met de administratieve formulieren maakten op de plenaire vergadering;
  • Met betrekking tot de medische formulieren (ook het ontbrekende formulier zelfevaluatie) worden geen opmerkingen geformuleerd. De Raad heeft immers eerder ingestemd met de besluiten van de werkgroep 2008 'Medische evaluatie' die een totaal andere richting uitgaan. De Raad zal onmiddellijk zijn medewerking verlenen aan elk initiatief waarbij hij een inhoudelijke inbreng kan leveren.

Verklaring voor het verkrijgen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming

Zie voorafgaande opmerking: enkel de pagina's 1 tot 5 worden besproken in dit advies.

Pagina 1 :

  • Er is sprake van het gratis 02-nummer, terwijl er reeds geruime tijd gesproken wordt van een gratis 0800-nummer voor het call-center;
  • De zin « Ik heb hulp nodig? » kan verwijzen naar een nood aan hulp bij het invullen van de vragenlijst - en dan is verduidelijking noodzakelijk - of naar een algemene behoefte aan hulp. De dienst moet zijn bedoelingen erduidelijken;
  • « Ik ga naar een maatschappelijk assistent op een zitdag »: hier hoort een link naar de lijst van de zitdagen;
  • Niet vergeten dat men zich kan laten bijstaan door maatschappelijke assistenten, verenigingen, ziekenfondsen, gemeenten, enz. Gelieve dat te preciseren;
  • Faxnummer toevoegen voor doven en slechthorenden;
  • Wat betreft de vermelding onderaan de bladzijde van het nummer van transactie, neemt de Raad er nota van dat dit een puur technisch element is ten behoeve van de administratie. Vermelden dus dat dit enkel voor de administratie is, dan weten de personen dat hiermee geen rekening moet gehouden worden;

Pagina 2 (F) - 3 (N)

  • Verlenging van de termijn: faxnummer toevoegen (zie hoger);
  • Contact: faxnummer vermelden (zie hoger);
  • Een wettelijk vertegenwoordiger kan al naargelang de situatie aangeduid worden door de vrederechter of door de Rechtbank van Eerste aanleg (bijv.: verlengde minderjarigheid). Quid het bewijs van die aanduiding (niet gevraagd)? Zal de DG er elektronisch over kunnen beschikken zo gauw het nieuwe formulier in voege treedt?
  • Het feit dat telkens opnieuw de naam van de persoon verschijnt, doet wat kinderlijk aan. Is dat echt noodzakelijk?

Pagina 3 (F) - 4 (N)

  • In de zin « Ik, Dominique Deschamps, verblijf in een instelling, een ziekenhuis of bij een familielid » moeten de woorden « of bij een familielid » geschrapt worden. Anders geef je de indruk dat je appelen en peren vergelijkt. Het verblijf bij een familielid kan gecontroleerd worden aan de hand van het Rijksregister, wat niet het geval is voor een verblijf in een instelling.

Pagina 4 (F) - 5 (N)

  • Vraag B1: men kan veronderstellen dat het hier gaat om de wijzigingen van 20%, maar dat wordt niet gespecifieerd. Het is echter heel uitzonderlijk dat een inkomen niet verandert ten opzichte van het voorgaande jaar, al was het maar enkele centen. Volgens die formulering moet zowat iedereen de vraag positief beantwoorden, zonder dat de mogelijkheid voorzien is om aan te geven om wat voor wijziging het gaat. De vraag moet heel duidelijk weergeven wat precies bedoeld wordt;
  • Vraag B2: beter « hebben een aanvraag ingediend en wachten op een beslissing betreffende het verkrijgen van... » (Bedenking: de persoon « verwacht » elke maand zijn tegemoetkoming...). Quid een persoon die - bij wijze van voorbeeld - wacht op een uitspraak betreffende een onderhoudsuitkering?
  • Vraag B3: in geval van een ongeval spreekt men gewoonlijk niet van vergoedingen, maar van toegekend kapitaal. Opgelet, niet vergeten dat er ook sprake kan zijn van rent. Moet er overigens ook niet gevraagd worden naar een kopie van de uitspraak? Als de betrokkene die kan leveren, wordt een volgende inlichtingenvraag vermeden. Het is immers niet altijd eenvoudig om die via de verzekeringen te verkrijgen, al was het maar voor oudere documenten uit de tijd van voor de grote fusies en overnames in de verzekeringssector.
  • « Ik heb nog hulp nodig » onderaan = zelfde opmerking als p. 1;
  • De formule « en/of » is voor de meeste mensen niet leesbaar, weg te werken dus;

Pagina 5 (F) - 6 (N)

  • « ik betaal onderhoudsgeld » et « ik heb recht op onderhoudsgeld » : telkens verduidelijken dat het « voor dat kind » is ;
  • Het begrip « kind ten laste » wordt dikwijls verkeerdelijk begrepen als een kind voor wie de ouder nog steeds zorgt. De term wordt dus best uitgelegd;

Verklaring van inkomsten voor het verkrijgen van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Het formulier dat aan de NHRPH werd voorgelegd is niet het volledige formulier.

We gaan ervan uit dat de pagina's 1 tot 3 van de verklaring IVT/IT integraal overeenkomen met die in de aangifte THAB.

  • Als dat zo is, zijn de opmerkingen betreffende de IVT/IT - mutatis mutandis - ook van toepassing op de verklaring voor de THAB;
  • Zo niet moet de volledige THAB-verklaring voor onderzoek voorgelegd worden aan de NHRPH.

Pagina 1

  • Is vraag B1 echt noodzakelijk in het licht van de elektronische gegevensstromen met Financiën en de bevragingen van Patrimonium? Daar staat tegenover dat er geen enkele vraag meer is over het terugbetalen van schulden of herinvestering, terwijl dat inlichtingen zijn die de DG niet kan krijgen van de FOD Financiën!
  • Vraag B2, 1) is gênant. Bovendien dreigen « te eerlijke » mensen er het slachtoffer van te worden als ze zelfs kleine sommen op hun lopende of spaarrekening gaan aangeven. De vorige versie van het formulier was op dat vlak veel « correcter », want die bood de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen deposito's, obligaties, aandelen en andere beleggingen. Er stond bovendien vermeld dat de lopende rekening niet moet aangegeven worden.
  • Vraag B2, 2) zou beter onder vraag B1 staan, want het gaat om inkomsten uit eigendommen, waarop dezelfde opmerkingen van toepassing zijn als op B1.
  • « Ik heb nog hulp nodig » onderaan = zelfde opmerking als p. 1 van de IVT/IT-verklaring;

Pagina 2

  • De nieuwe formulieren hebben voornamelijk de bedoeling om de mensen geen inlichtingen meer te vragen die de dienst zelf kan verkrijgen. Van sommige vragen op p. 2 valt het nut te betwisten.
  • Als er één vraag is die nutteloos lijkt, dan is het wel die in verband met de « tegemoetkomingen aan personen met een handicap ». Dat is per definitie de eerste informatie waarover de DG kan beschikken zonder een beroep te moeten doen op een derde.
  • Al valt er iets te zeggen voor het idee dat de vragenlijst een foto moet zijn van de inkomstensituatie van het huishouden van de persoon met een handicap op de dag waarop de situatie moet worden geëvalueerd, toch stellen we vast dat de gestelde vragen allemaal te maken hebben met de aard van de inkomsten, maar niet met de oorsprong ervan of het bedrag. Maakt men zo vragen om bijkomende informatie niet zo goed als systematisch en noodzakelijk, wat de onderzoekstermijn nog verlengt?
  • Voorbeeld: iemand die net 65 geworden is doet een aanvraag voor THAB. Hij of zij geeft een pensioen aan zonder oorsprong of bedrag te preciseren. Als dat pensioen niet van de RVP komt, maar bijvoorbeeld van de DOSZ, kan de DG dan elektronisch over de nodige gegevens beschikken? En als het mogelijk is om de info via het pensioenkadaster te verkrijgen, waarom moet die dan nog hier gevraagd worden?
  • Waarom 2 keer «andere inkomsten dan diegene hierboven vermeld»?
  • Vraag B3, 2) : zelfde opmerkingen als voor B3 bij de IVT/ITverklaring.

Ontvangstbewijs van de aanvraag voor het verkrijgen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de ntegratietegemoetkoming

  • Zelfde opmerkingen als voor pagina 1 van de verklaring IVT/IT.
  • Om het de persoon mogelijk te maken om zijn of haar aanvraag op te volgen, moet het transactienummer niet vermeld staan op het document (zoals op de huidige formulieren en op de IVT/ITverklaring)?

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal, Directie-generaal Personen met een handicap
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap
  • Ter info aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2009/32 - Dekkingsplan voor chronisch zieken

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 14 december 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De werkgroep Chronische ziekten van het RIZIV heeft tijdens de vergadering van 20 november 2009 5 modellen voorgesteld voor het dekkingsplan voor chronisch zieken. Na discussie vielen drie van de vijf modellen af. Er werd besloten dat er te kiezen valt tussen het model F1 (volledige dekking van uitgaven voor gezondheidszorgen en apothekerskosten) en het model F3 dat geen dekking voorziet voor kosten gelinkt aan een verblijf in een bejaardentehuis en rust- en verzorgingshuizen en ook niet voor medicamenten ter bestrijding van cholesterol en hoge bloeddruk. En aangezien het de bedoeling is om de mensen met hoge kosten te helpen wordt ook voorgesteld om rekening te houden met een drempel van minimaal 300 euro voor gebeurlijke uitgaven per trimester voor 8 opeenvolgende trimesters.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap wenst dat het voorstel van model 1 gekozen wordt. Enkel als uit de begrotingsverwachtingen blijkt dat de drempels zo hoog zouden komen te liggen dat veel mensen uit de boot dreigen te vallen moet men terugvallen op model F3.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap
  • Ter info aan Dr. HAUCOTTE, voorzitter van de werkgroep « Chronische ziekten »
  • Ter info aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.

Advies 2009/31 - Simonis

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 7 december 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel tijdens de vergadering van 29/10/2009


Onderwerp

Advies over de aanpassing van treinhalte Simonis


Advies

Bij de uitbreiding van het perron ontstaat het risico dat passagiers onder de trap lopen en zo hun hoofd stoten, zeker voor blinden en slechtzienden. De Revalor-voorschriften betreffende het waarschuwen voor obstakels moeten op deze plaats gevolgd worden. Noppentegels alleen volstaan hier niet. Deze ingreep heeft weliswaar een versmalling van de doorgang als gevolg, maar dat valt te verkiezen boven het risico dat mensen - en mensen met een visuele handicap in het bijzonder - zich het hoofd stoten.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap.
  • Ter info aan mevrouw Inge Vervotte, Minister van Overheidsbedrijven
  • Ter info aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2009/30 - Brussel-West

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 7 december 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel tijdens de vergadering van 29/10/2009.


Onderwerp

Advies over de aanpassing van het Weststation in Brussel


Advies

Geleidelijnen niet verplaatsen naar de natuurlijke gidslijn, met name de muren, omwille van het inspringen maar gewoon overnemen in het midden van de gang.

Ter hoogte van de liften, afsplitsing naar links en rechts tot aan de beide liften.

Geleidelijn verder laten lopen en ter hoogte van de trappen, een afsplitsing naar links en recht tot aan de beide trappen.

Infoconsole in braille kan als optie, bij de laatste splitsing voor de trappen, maar hoeft niet.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap.
  • Ter info aan mevrouw Inge Vervotte, Minister van Overheidsbedrijven
  • Ter info aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2009/29 - Totems

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 14 december 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel in de werkgroep NMBS van 29/10/2009.


Onderwerp

Infrabel wil in onbemande stopplaatsen voor treinen totems installeren waarop de belangrijkste informatie over de stopplaats terug te vinden is. In enkele stopplaatsen, waaronder Bordet, loopt een proefproject. Voor er overgegaan wordt tot de installatie wenst Infrabel het advies van de NHRPH betreffende de geschiktheid voor personen met een handicap. Op 20/11/2009 was er een bezoek aan de halte Bordet.

Advies

De NHRPH ziet zich genoodzaakt een negatief advies uit te brengen. Hoewel de NHRPH blij is dat er een oplossing wordt gezocht voor onbewaakte haltes en de Raad het idee van een totem niet ongenegen is, blijft de NHRPH na evaluatie van het bezoek ter plaatse met te veel vraagtekens en opmerkingen zitten. De NHRPH is een adviesorgaan en geen technisch expertisebureau, maar toch werden er heel wat zaken - vaak van technische aard - vastgesteld die de mainstreaming van de handicap en de toegankelijkheid voor allen in de weg staan. De NHRPH vraagt dan ook om rekening te houden met zijn opmerkingen.

Hieronder een niet-exhaustieve lijst van aandachtspunten:

  • De totems en hun informatie moeten toegankelijk en vlot bereikbaar zijn voor iedereen, ook voor personen met een handicap, van welke aard die handicap ook moge zijn (lichamelijk, zintuiglijk, mentaal, een chronische ziekte, ...). We denken hierbij o.a. aan goed zichtbare en leesbare informatie, ondersteuning via luidsprekers, vermelding van een telefoonnummer voor inlichtingen, duidelijke wegwijzers, ...
  • Verder is de plaatsing van een camera bij de noodknop wenselijk.

In het verslag van het bezoek van 20/11/2009 aan de halte Bordet staan concretere opmerkingen.

Een technische expertise dringt zich op.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap,
  • Aan mevrouw Inge Vervotte, Minister van Overheidsbedrijven,
  • Aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2009/28 - Postassignatie

  • Jaartal advies: 2009

Ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 november 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris in zijn brief van 09/11/2009.


Onderwerp

  • In afwijking van het algemeen principe dat de uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een zichtrekening bij een financiële instelling, geopend op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij mede-titularis is, wordt de mogelijkheid voorzien de uitbetaling van de tegemoetkomingen te doen aan de door de rechter aangestelde schuldbemiddelaar;
  • Van de mogelijkheid om op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de gerechtigde, de uitbetaling te doen gebeuren door postassignatie waarvan het bedrag ten huize betaalbaar is in handen van de gerechtigde, wordt afgeweken als de rechthebbende in een collectieve residentie verblijft. In dat geval zal de betaling van de tegemoetkomingen enkel gebeuren op een zichtrekening, geopend op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij mede-titularis is.

Advies

Positief.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap stelt uitdrukkelijk, dat de maatregel om de betaling van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap niet meer per postassignatie te doen, beperkt moet blijven tot personen die in een collectieve voorziening verblijven. Een aantal negatieve factoren zoals het in omloop zijn van veel geld binnen de instelling, wat de onveiligheid doet toenemen, en de moeilijke bedeling van de gelden in de verschillende kamers door de postbodes, pleiten voor de invoering ervan.

De Raad wijst er op dat de administratie uiterst aandachtig de uitvoering van deze maatregel moet volgen. Het is een bekend feit dat sommige banken weigeren een zichtrekening te openen op naam van een persoon met een handicap. Van de administratie wordt verwacht dat ze in dergelijke gevallen naar een oplossing zoekt. Als de weigering gehandhaafd blijft moet de persoon verder met een postassignatie uitbetaald worden.

De mogelijkheid om op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de gerechtigde, de uitbetaling te doen gebeuren door een postassignatie waarvan het bedrag ten huize betaalbaar is in handen van de gerechtigde, moet echter behouden blijven voor alle andere groepen van gerechtigden op tegemoetkomingen aan personen met een handicap. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap benadrukt in dit opzicht nogmaals de sociale rol van de postbode die moet gehandhaafd worden.

De Raad wenst ook het belang te onderstrepen van een ruime informatiecampagne voorafgaand aan het van kracht worden van de maatregel.


Bezorgd

  • Aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap.

Advies 2009/27 - Afhandelingstermijn

  • Jaartal advies: 2009

Ontwerp van koninklijk besluit, houdende wijziging van artikel 13 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 november 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris in zijn brief van 09/11/2009.


Onderwerp

De termijn voor de afhandeling van dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap mag niet meer dan 6 maanden bedragen.


Advies

Positief. Dit dossier moet verder opgevolgd worden, de uiteindelijke wens is tot een nog kortere termijn te komen.


Bezorgd

  • Aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap.

Advies 2009/26 - Fiscale aftrekbaarheid

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 21 september 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Aan de Administratie van de fiscaliteit van de FOD Financiën werd gevraagd of een nieuwe fiscale aftrekbaarheid mogelijk was voor de kosten van bijstand voor personen met een handicap thuis.

De betrokken gezinnen moeten de op dit gebied actieve vzw's een bijdrage van 5 euro per uur (120 euro per dag) in de bijstandskosten betalen.

Daarnaast genieten deze verenigingen een financiële bijstand van de AWIPH en van het Waals Gewest. De vraag is aldus door de Waalse verenigingen gesteld; Vlaanderen wordt thans dus niet met deze situatie geconfronteerd.

De VN, de Raad van Europa en ook de Europese Unie bevorderen en ondersteunen, door middel van aanbevelingen en actieplannen, de deelneming van kinderen met een handicap aan het sociale leven en de bijstand voor de gezinnen die thuis voor hun kind met een handicap zorgen.

Dat het plaatsen in een instelling door de overheid ten laste wordt genomen, hoewel mantelzorg door de ouders betaald moet worden, wordt door de NHRPH onder andere als contraproductief beschouwd. Mantelzorg zou door middel van beleidsmaatregelen moeten worden aangemoedigd.


Analyse

Vanuit deze benadering staan alle vertegenwoordigers van de NHRPH positief tegenover het voorstel tot invoering van een fiscale aftrekbaarheid voor de kosten van bijstand thuis voor jongeren en volwassenen met een handicap. Het gaat immers om hoge kosten die aanzienlijk op het gezinsbudget kunnen wegen.

De NHRPH vindt evenwel dat deze maatregel ronduit onvoldoende is en dat enkel een gevoelige verhoging van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap de oplossing voor personen met een handicap en hun gezinnen blijft om de kosten van deze bijstand ten laste te nemen en waardig te kunnen leven.

In afwachting van deze effectieve verhoging van de tegemoetkomingen zouden dus andere compenserende maatregelen getroffen moeten worden.

De NHRPH is aldus absoluut voorstander van een maatregel die zoveel mogelijk personen met een handicap ten goede zou komen. De regeling van de fiscale aftrekbaarheid draagt er niet toe bij dat personen met bescheiden inkomens beter kunnen voorzien in hun behoeften. Ze kunnen zich immers zeker geen bijstand thuis voor de persoon met een handicap veroorloven (of zullen daarop geen beroep doen): zij zullen deze taak verder op zich nemen, ten koste van hun andere dagelijkse bezigheden. Talrijke personen betalen overigens geen belastingen en zullen dus niet van de maatregel genieten. Het gaat in beide gevallen om personen die - per definitie - niet welgesteld zijn: dergelijke maatregel bezorgt hen geen enkel voordeel. We hebben hier te maken met het welbekende gevolg dat een sociale maatregel waarbij een voordeel aan sommige personen in een welbepaalde situatie wordt toegekend, in feite voornamelijk ten goede komt van personen die reeds welgesteld zijn en die dus geen bijkomend voordeel nodig hebben. De minder welgestelde personen kunnen niet van het voordeel genieten, omdat ze zich niet in die bepaalde situatie bevinden.

De NHRPH vindt daarnaast dat overleg moet worden gepleegd met de verschillende andere betrokken gewest- en gemeenschapsfondsen en -diensten. De uitbreiding van het gebruik van dienstencheques in de verzorgingssector stelt een probleem op het gebied van begeleiding en opleiding. Daarenboven is de situatie niet overal dezelfde in het land en zijn de deelgebieden hiervoor bevoegd.


Advies

De NHRPH

  • ondersteunt op korte termijn een mogelijke fiscale aftrekbaarheid voor de kosten van bijstand voor personen met een handicap thuis;
  • eist op middellange/lange termijn een aanzienlijke verhoging van de tegemoetkomingen;
  • vraagt ondertussen het invoeren van compenserende maatregelen voor de personen met een bescheiden inkomen, waardoor ze effectief bijstand thuis kunnen hebben.

 


Bezorgd

  • voor verdere actie aan de FOD Financiën en de Minister van Financiën;
  • ter informatie aan de Minister van Sociale Zaken, aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de adviesraden van de gewesten.

Advies 2009/25 - Assistentie luchthaven

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 19 oktober 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Nationale Hoge raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 19 oktober 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot de vraag of een passagier zich verplicht moet aanmelden bij de luchtvaartmaatschappij om aanspraak te kunnen maken op assistentie.


Analyse

De Nationale Hoge Raad verwijst naar de Verordening (EG) Nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006, inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen.

Artikel 7 - Recht op bijstand op luchthavens, bepaalt wat volgt:

In punt 1.: "Wanneer een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit op een luchthaven aankomt om vandaar per luchtvaartuig verder te reizen, is het beheersorgaan van de luchthaven verantwoordelijk voor het verzekeren van de in bijlage I vermelde bijstand op een zodanige wijze dat de persoon in staat is de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, te halen, op voorwaarde dat de persoon uiterlijk 48 uur vóór de aangekondigde vertrektijd van de vlucht aan de betrokken luchtvaartmaatschappij, agent van de luchtvaartmaatschappij of touroperator de specifieke behoeften voor die bijstand heeft gemeld. Deze kennisgeving geldt ook voor de terugvlucht, als de heenvlucht en de terugvlucht bij dezelfde luchtvaartmaatschappij werden geboekt".

In punt 3: "Zonder voorafgaande kennisgeving overeenkomstig lid 1 moet het beheersorgaan alle redelijke inspanningen leveren om de in bijlage I vermelde bijstand te verlenen op een zodanige wijze dat de persoon in kwestie in staat is de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, te halen".


Advies

De Nationale Hoge Raad wenst hierbij op te merken dat de Europese richtlijn het recht op assistentie doet ontstaan. Dit kan echter niet als een verplichting beschouwd worden, want hierdoor zou het recht op mobiliteit van de personen in het gedrang komen. Dit houdt in dat personen die de 48-uurregeling niet naleven, de toegang tot de assistentie niet kan geweigerd worden. Maar er kan in dat geval niet verzekerd worden dat die hulpverlening optimaal kan verlopen. Wie assistentie nodig heeft moet daar kunnen op rekenen en deze moet in de mate van het mogelijke verstrekt worden.

De leden van de Raad dringen aan een informatiecampagne rond deze regeling te organiseren, want deze is onvoldoende gekend bij het doelpubliek.

In dit kader wordt er ook op gewezen dat het nuttig is ervoor te zorgen dat de aanvraag tot assistentie van de persoon te allen tijde kan ontvangen worden. De leden van de Raad geven immers aan dat dit soms problematisch is. Dit probleem hangt dan weer samen met de algemene toegankelijkheid van de luchthaven.

De vraag om assistentie van de persoon moet ook intern doorgegeven worden tussen verschillende diensten, de vrees bestaat dat het hier soms fout kan lopen. Zorgen voor een perfecte ketting kan verhinderen dat iemand die wel tijdig verwittigd heeft van zijn komst, toch niet aangekondigd blijkt.


Bezorgd

  • Aan de heer Peter Gheysels, Duty Manager Passengers & Customer Services The Brussels Airport Company

Advies 2009/24 - Nationaliteit

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, §2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en betreffende een voorontwerp van wet tot wijziging van artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht op de plenaire vergadering van 19 oktober 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Advies

De Nationale Hoge raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 19 oktober 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit en het bovenvermelde voorontwerp van wet dat als doel heeft alle personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister toe te laten aanspraak te maken op de tegemoetkomingen met een handicap, ongeacht hun nationaliteit.


Bezorgd

  • Aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap.

Advies 2009/23 - Werkgelegenheidsplan

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Werkgelegenheidsplan 2009


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Raad mag hierover, op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers, adviezen geven of voorstellen doen onder meer met het oog op de rationalisatie en coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het is in het kader van deze bevoegdheid dat de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap het Werkgelegenheidsplan 2009 in een werkgroep besproken heeft waarna de plenaire vergadering van 19 oktober 2009 een advies heeft uitgebracht.


Analyse

De raad hecht immers veel belang aan het probleem van de tewerkstelling van personen met een handicap als het middel bij uitstek tot deelname aan het maatschappelijk leven. Met betrekking tot de maatregelen die in het huidige werkgelegenheidsplan 2009 opgenomen zijn, vestigt de Nationale Hoge Raad de aandacht van mevrouw de Vice-Eerste Minister op volgende opmerkingen, en vraagt hij verdere informatie.

Als algemene opmerking geldt dat het een transversaal plan is, maar bepaalde aspecten gelden alleen voor bepaalde doelgroepen. Zo is er sprake van risicogroepen en dan stelt zich de vraag naar de plaats van de handicap daarin, en naar een definitie van een persoon met een handicap. De Raad vindt het spijtig dat algemene maatregelen te vinden zijn onder bepaalde specifieke punten. De voorkeur gaat uit naar een werkgelegenheidsplan waarin eerst de transversale maatregelen worden meegegeven die algemeen van toepassing zijn, en daarna per specifieke doelgroep de bijkomende maatregelen. Nu is er onduidelijkheid over de toepasbaarheid.

De definitie van de risicogroepen : zijn de personen met een handicap daaronder begrepen? Indien dit het geval is, wat is dan een persoon met een handicap? Voor deze definitie stelt de Raad voor gebruik te maken van de bepaling van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap dat op 13 december 2006 door de Verenigde Naties werd aangenomen en in België van kracht is geworden op 1 augustus 2009. Art. 1 van het Verdrag:" Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving." Er wordt in maatregel 9 ook niet verwezen naar het bijzonder onderwijs.

De begeleiding : wat wordt bedoeld met een "specifiek inschakelingstraject voor de werkzoekenden die het verst van de arbeidsmarkt staan" (maatregel 21). Is dit iets apart of gaat men de bestaande trajecten aanpassen speciaal voor personen met een handicap?

Nieuwe activeringsmaatregelen Voor personen met een handicap bestaat al Activa-start. Maatregel 28 stelt een vereenvoudiging voor van het subsidiëringsbeleid voor werkgelegenheid. Daarbij kan de vraag gesteld worden wat men in dat kader zinnens is te doen met Activa-start?

Wat betreft het aspect vorming, is duidelijk aangegeven dat over bepaalde vormingsinspanningen een evaluatie moet komen. Als de risicogroepen ook bedoeld worden in de algemene inspanning, welke interpretatie moet dan gegeven worden aan de 0,1% ? Is de bijkomende vormingsinspanning 1,9% - 0,1%? Dit punt zou verduidelijkt moeten worden.

De diversiteit : er zijn twee aspecten. Er is de diversiteitsbarometer die vooroordelen en discriminaties in beeld moet brengen. De Raad vraagt op de hoogte gebracht te worden van de resultaten van het onderzoek gevoerd door IPSOS in opdracht van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen Een ander punt is de bewustmakingscampagne tegenover de werkgevers: Hoe concreet is deze maatregel? Hoeveel percent kan besteed worden voor de gehandicapten in deze groep?

De specifieke maatregelen voor de personen met een handicap Maatregel 53 heeft het over "werkzoekenden die met name om medische redenen het verst van de arbeidsmarkt verwijderd zijn". De term medische redenen is onduidelijk.

De Raad is verwonderd over de definitie van de begrippen risicogroepen en "gehandicapte" (term die trouwens niet meer gangbaar is: beter is te spreken van persoon met een handicap). Deze definitie en deze maatregel kunnen geen verplichting zijn, want van de groep personen met een handicap maken ook mensen deel uit die perfect zelf hun situatie kunnen regelen, en dus geen speciale procedure moeten doorlopen.

Wat betreft maatregel 55, activering van het Werkgelegenheidsfonds bij de RSZ door de toekenning van een financiële tussenkomst aan de werkgevers, wenst de Raad te herinneren aan de Verklaring van de Interministeriële Conferentie "Welzijn, Sport en Gezin" - deel Personen met een handicap van 21 april 2009, betreffende de aanwending van de oorspronkelijk voor het Fonds voor de tewerkstelling van personen met een handicap bedoelde financiële middelen (als bijlage het volledige document en de adviezen van 16 februari 2009 en 16 maart 2009 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap).

"De leden van de Interministeriële conferentie willen zich actief inzetten om personen met een handicap te werk te stellen en aan het werk te houden.

Ze herinneren eraan dat de financiële middelen van het Tewerkstellingsfonds die thans zijn ingeschreven op het budget voor de activering van de werkloosheidsuitkeringen moeten worden aangewend voor een activeringsbeleid met het oog op het daadwerkelijk tewerkstellen en aan het werk houden van personen met een handicap. De leden van de Interministeriële conferentie volgen op dit vlak het advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en pleiten ervoor dat de beschikbare financiële middelen vooral zouden worden besteed aan personen met een zware handicap, door hen zo toegang te kunnen geven tot tewerkstelling, en door deeltijds werken aan te moedigen. Rekening houden met de bevoegdheden van de deelgebieden op het vlak van tewerkstelling van personen met een handicap, beklemtonen de leden van de Interministeriële conferentie dat de acties waartoe wordt besloten de bestaande maatregelen in de Gewesten en de Gemeenschappen niet zullen vervangen. Het is niet de bedoeling dat ze de bestaande maatregelen overlappen, maar verfijnen en aanvullen. De leden van de Interministeriële conferentie delen het standpunt van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en wensen dat er een specifiek instrument komt aan de hand waarvan de acties waartoe wordt besloten kunnen worden opgevolgd en geëvalueerd. Rekening houdend met al deze achtergronden en principes, moet het in te voeren begeleidingscomité een plaats voorbehouden voor de deelgebieden, die bevoegd zijn inzake tewerkstelling van personen met een handicap, en voor de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap."

Maatregel 56 herinnert aan de 3%-norm. Zijn daarin ook de personen opgenomen die de handicap tijdens de tewerkstelling verwerven?.

Wat betreft de cumulmogelijkheden waarover sprake in maatregel 57, herinnert de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap aan zijn advies van 16 maart 2009 met betrekking tot twee wetsvoorstellen tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (als bijlage).

De Raad is principieel voorstander van een volledige loskoppeling van integratietegemoetkoming en inkomen, maar wil hierbij in fasen te werk gaan. In het advies worden daarom 3 prioriteiten opgesomd:

  • Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming verhogen dat 15% onder de armoedegrens ligt;
  • De maximumbedragen van de inkomsten, wat betreft de integratietegemoetkoming, voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, gelijkstellen met de bedragen van de categorieën van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Wanneer iemand een ander vervangingsinkomen ontvangt, is de kans groot dat hij een volledige inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangt, maar dat de integratietegemoetkoming gedeeltelijk wordt verminderd;
  • Het probleem van de werkloosheidsvallen oplossen. Personen die gewerkt hebben, werkloos worden en een vervangingsinkomen ontvangen, verliezen hoe dan ook een deel van hun inkomen, maar ook een deel van de tegemoetkoming. De maximumbedragen van de inkomsten voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen liggen immers lager dan het bedrag van het bestaansminimum.

De Raad wenst hierbij duidelijk te maken dat eerst het probleem van de vervangingsinkomens en dan het probleem van de cumul met het arbeidsinkomen moet opgelost worden.

De mobiliteit van de werknemers De Raad neemt akte van de bereidheid om een reeks maatregelen te treffen. Er ontbreken echter specifieke maatregelen om tegemoet te komen aan de bijzondere situatie van de persoon met een handicap.

Hoe kunnen de personen met een handicap tegemoetkomen aan het algemene dat in het plan vervat is als er voor hen geen specifieke maatregelen zijn op het vlak van mobiliteit? Personen met een handicap ondervinden niet enkel moeilijkheden als zij buiten hun gewest komen, verplaatsingen in hun eigen gewest kunnen al grote inspanningen opleveren.

De werkloosheidsvallen : Wat betreft maatregel 63 stelt de Raad uitdrukkelijk dat hij met de sociale partners wil samenwerken om de werkloosheidsvallen, ondermeer voor de personen met een handicap, weg te werken.

Een volgend hoofdstuk gaat over « Meer werk »

In 2007 is 4,78 miljard euro (dit is 3,78% van de loonmassa) voor vermindering van patronale bijdragen genoteerd, het ging daarbij om 15,5% bijkomende verminderingen gericht op doelgroepen. De Raad vraagt zich af hoeveel daarvan personen met een handicap betrof?

Banenplannen (het inschakelen van risicogroepen op de arbeidsmarkt) vereenvoudigen. Maatregel 68 bevat het voorstel om de 4 huidige activeringsmaatregelen samen te voegen (wat dus met Activa-Start?- in Vlaanderen is Activa voor iedereen bedoeld, bij voorkeur voor personen met een lage opleiding en hoge werkloosheid. Dit mag dus niet uit het oog verloren worden). de doelgroepen zouden onderscheiden worden op basis van 3 criteria: leeftijd, kwalificaties en duur van de werkloosheid. Hoe wordt dit vertaald naar de groep van de personen met een handicap?

Met betrekking tot studentenarbeid, maakt maatregel 71 gewag van een nieuw systeem dat de mogelijkheden van studentenarbeid vereenvoudigt en uitbreidt. Andermaal moet daarbij de vraag gesteld worden wat dit inhoudt voor de jonge persoon met een handicap?


Advies

Wat betreft de opstelling van een nieuw werkgelegenheidsplan in de toekomst vraagt de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap aandacht voor volgende punten :

Wat betreft de mobiliteit: dit probleem stelt zich voor de personen met een handicap onder een andere vorm. Wat wordt beoogd met de specifieke maatregelen op het vlak van de tewerkstelling? De Raad kan hiermee instemmen indien het bijkomende maatregelen zijn. Waar sprake is van specifieke integratie: bedoeld men hiermee iets apart of past men aan wat bestaat op het vlak van de handicap? Er is voortdurend sprake van risicogroepen, maar dit begrip is niet gedefinieerd: wat is dus de inhoud van dit begrip? Er is niet nagedacht over compenserende maatregelen: men definieert een probleem en vraagt hoe men dat gaat oplossen. Er moeten echte maatregelen voorgesteld worden, iets dat men erbij geeft, en dat niet alleen een aansporing is om iets te doen. De Raad herinnert aan de enveloppe van 5 miljoen die geldt als de inhoud van het gewezen tewerkstellingsfonds. De Raad vraagt maatregelen voor de personen met een handicap die een compensatie zijn van dit eerder toegezegde budget. Er is ook het probleem van de statistieken: binnenkort moeten die voor alle landen van Europa gepubliceerd worden.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap


Bezorgd

  • Aan mevrouw Joëlle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid
  • Kopie aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap

Advies 2009/22 - NMBS

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 15 juni 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS Holding.


Onderwerp

De Nationale Hoge raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 15 juni 2009 unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot de animatiefilmpjes bestemd voor personen met een handicap.


Analyse

De Raad begrijpt dat het doel van het filmpje is op een eenvoudige manier bepaalde informatie over te brengen. Hoewel de bedoeling lovenswaardig is, valt op de uitvoering toch enige kritiek uit te brengen.

Noodzakelijke informatie wordt niet lang genoeg meegegeven: telefoonnummer en site zouden gedurende het ganse filmpje moeten getoond worden. Het is immers niet eenvoudig op de site van de NMBS wegwijs te geraken. Informatie moet begrijpbaar zijn voor iedereen, maar de wijze waarop dit gebeurt wordt als te simplistisch omschreven. Vooral de laatste beelden (wuivend hondje) worden als een overdrijving bestempeld.


Advies

De Raad merkt ook op dat er voor alle beperkingen pictogrammen zijn, dus zouden alle pictogrammen in beeld moeten gebracht worden: er zijn niet alleen blinden en rolstoelgebruikers. De hoogstbelangrijke informatie met betrekking tot het op voorhand verwittigen dat men op dienstverlening een beroep wil doen, geeft een verkeerd beeld. De persoon met een handicap moet immers minimum 24 uur op voorhand verwittigen, maar dit blijkt niet uit de beelden. Het gevaar is niet denkbeeldig dat men gaat denken dat een beperktere termijn ook volstaat.

Het feit dat de toegang tot de infrastructuur van de NMBS aan een persoon met een handicap niet verzekerd kan worden, als hij niet minstens 24 uur op voorhand heeft verwittigd, is voor de Nationale Hoge Raad een onaanvaardbare discriminatie. Leden van de raad merken op dat andere openbare vervoersmaatschappijen wel op veel kortere termijn kunnen inspelen op de behoefte aan vervoer van de persoon met een handicap, en dat in de grote stations trouwens altijd personeel aanwezig is.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap dringt er dus op aan dat de NMBS alles in het werk stelt om deze onrechtvaardige behandeling te beëindigen.


Bezorgd

  • Aan de heer Sabin S'heeren, Directeur-generaal Reizigers Nationaal
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.