Terug naar hoofdinhoud

Advies 2015/06 - NMBS assistentie

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/06 over het verminderende assistentieaanbod in stations en treinhaltes. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16 maart 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De NHRPH ontving meerdere reacties van verontruste personen met een handicap over de vermindering van het assistentieaanbod bij de NMBS. In steeds meer stations en haltes wordt er gesnoeid in het aanbod van de assistentie ter plaatse. De mobiele B for You-teams die deze besparing moeten opvangen kunnen de vraag niet aan.


Analyse

Wegens besparingen bij de NMBS wordt de permanente assistentie ter plaatse in sommige stations vervangen door assistentie via de zogenaamde ‘B for You-ploegen. Dat zijn 18 mobiele ‘B for You’-ploegen, verspreid over het land, die op aanvraag assistentie bieden aan PBM in een station of halte naar keuze. De klant vraagt de assistentie minimaal 24 uur op voorhand aan.

De NMBS heeft verder een lijst opgesteld van 131 stations en haltes waarvoor de assistentie - mits tijdige aanvraag – wordt gegarandeerd, en dat 7 dagen op 7, van de eerste tot de laatste trein. Voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM) die een niet-plooibare of elektrische rolstoel gebruiken, biedt de NMBS enkel nog assistentie aan in die 131 stations en haltes.

In de stations en haltes die NIET op de lijst van 131 stations en haltes staan wordt er enkel assistentie verleend aan PBM die zich zonder rolstoel of met een plooibare rolstoel kunnen verplaatsen, en dat volgens de beschikbaarheid van het ‘B for You’-personeel van de regio.

Vreemd genoeg staan bepaalde belangrijkere stations met veel PBM als gebruikers, zoals Antwerpen-Berchem, niet op de lijst. In het geval van Antwerpen-Berchem was er vroeger wel een degelijke assistentie ter plaatse.

Een ander probleem is dat de regionale ‘B for you’-ploegen vaak onvoldoende uitgerust zijn om alle extra assistentieaanvragen af te handelen. In West-Vlaanderen, bijvoorbeeld, kan de ‘B for You’-ploeg nu al het aantal aanvragen om assistentie niet meer aan. In Wallonië werden vergelijkbare problemen gesignaleerd. De PBM zien zo hun bewegingsvrijheid ernstig beknot.

Ook hoort de NHRPH veel klachten over assistenties waarbij het ondanks tijdige en bevestigde aanvraag toch nog misliep.

Hoewel de NMBS nog steeds heel wat diensten aan PBM aanbiedt, stelt de NHRPH vast dat de besparingen bij de NMBS hun tol eisen. Nieuwe initiatieven en alternatieven, zoals de ‘B for You’-ploegen voor een grotere toegankelijkheid kunnen de gevolgen van de besparingen maar gedeeltelijk opvangen. Het treinverkeer wordt gaandeweg minder toegankelijk voor PBM in België.


Advies

De NHRPH vraagt de NMBS met aandrang om niet te besparen op toegankelijkheid en assistentie. Op die manier vallen immers de personen die de grootste behoefte aan een toegankelijk spoorverkeer hebben uit de boot.

De NHRPH vraagt de NMBS om voldoende tijd te besteden aan de opleiding voor de leden van het B for You-team. Die taak veronderstelt immers specifieke technische, sociale en organisatorische vaardigheden. Om goed te functioneren moet deze functie geen bijkomende taak zijn, maar wel een volwaardige functie, bij voorkeur een voltijdse betrekking.

De NHRPH vraagt de bevoegde Ministers om de NMBS de middelen te geven voor het toegankelijk maken van meer stations en haltes en om voldoende assistentie te organiseren voor alle regio’s. De NMBS werkt al jaren aan het toegankelijker maken van haar infrastructuur. Het zou onaanvaardbaar zijn dat alle inspanningen van de laatste jaren door besparingen teniet worden gedaan.

De NHRPH herhaalt ook zijn protest tegen de 24-urenregel: om zeker te zijn van assistentie moet een PBM die assistentie minimaal 24 uur op voorhand aanvragen. Die regel is een zware beperking op de bewegingsvrijheid van de PBM.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen;
  • Ter opvolging aan de NMBS;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Hervé Jamar, Minister van Begroting;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2015/05 - Loketten NMBS

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/05 over het basisontwerp van de nieuwe stationsloketten. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16 maart 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van de NMBS


Onderwerp

Op de werkgroepvergadering van 05/03/2015 vroeg de NMBS de NHRPH om een advies over haar ontwerp voor stationsloketten van de nieuwe generatie dat op de vergadering werd voorgesteld. De nieuwe loketten moeten toegankelijker zijn voor de klanten, in het bijzonder voor de personen met een beperkte mobiliteit of met een handicap, en gebruiksvriendelijker voor het personeel, vooral met het oog op nieuwe taken, zoals postpunt van bpost, infopunt, ...


Analyse

Het nieuwe standaardloket heeft een ruimte voor rolstoelen met een lager venster en een overhang zodat een persoon in een rolstoel tot bij het loketvenster kan rijden. Het venster kan elektrisch worden geopend voor het uitwisselen van pakketten.

Er is ook ringleiding voor personen met een auditieve handicap.

In het loket is de vloer verhoogd om kabels e.d. weg te werken. Dat heeft als gevolg dat het personeel vrijer kan bewegen.


Advies

Eerst en vooral meent de NHRPH dat alle grote en middelgrote stations bemande loketten moeten hebben.

Wat de nieuwe loketten betreft, vindt de NHRPH het wel jammer dat de loketbediende in de nieuwe opstelling hoger zit dan de klant, wat bedreigend of betuttelend kan overkomen.

De NHRPH brengt een positief advies uit over het basisontwerp van de nieuwe stationsloketten onder volgende voorwaarden:

  • De loketten moeten toegankelijk zijn voor alle types van handicap.
  • De NHRPH vraagt uitdrukkelijk dat de NMBS de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) raadpleegt voor een technische analyse.
  • Vanzelfsprekend moet Revalor worden gerespecteerd.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Ter info aan mevrouw Jacqueline Galant, Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2015/04 - Vrijstelling werklozen

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/04 over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikelen 63, 114 en 116 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot herstel van artikelen 90 en 125 in hetzelfde besluit in het kader van de mantelzorger. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) van 4 maart 2015


Aanvrager

Advies op vraag van de Minister van Tewerkstelling van 2 maart 2015


Onderwerp

Op 2 maart 2015 heeft de Minister van Tewerkstelling per mail verzocht om een dringend advies betreffende een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikelen 63, 114 en 116 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot herstel van artikelen 90 en 125 in hetzelfde besluit in het kader van de mantelzorger.

Werklozen die zich in een toestand bevonden die moeilijkheden veroorzaakte op sociaal en familiaal vlak, konden vroeger, met behoud van een beperkte werkloosheidsuitkering, vrijstelling van de verplichting inzake beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt bekomen. Artikel 90 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 voorzag in dit systeem. Dit artikel werd opgeheven bij een koninklijk besluit van 30 december 2014.

Deze tekst heeft tot doel opnieuw een artikel 90 met dezelfde strekking in de wetgeving op te nemen.


Analyse

Dit ontwerp van koninklijk besluit ligt in de lijn van de maatregelen die de regering overweegt voor de personen die voor hun naasten zorgen.

Vanaf 1 januari 2015 werd het recht op de loopbaanonderbrekings-uitkeringen van de RVA voor een gemotiveerd tijdskrediet voor werknemers (CAO nr. 103) immers opgetrokken van 36 naar 48 maanden, voor zover de onderbreking bedoeld is om:

  • palliatieve zorg te verlenen;
  • een gezinslid tot in de tweede graad of een ernstig ziek gezinslid te verzorgen;
  • het eigen kind met een handicap dat jonger is dan 21 jaar, te verzorgen.

In het kader van het herstel van artikel 90 wil dit ontwerp van koninklijk besluit de maatregel voor tijdskrediet voor werknemers en de vrijstelling voor werklozen om werk te zoeken met elkaar gelijk doen lopen. De redenen voor het recht komen immers overeen met de duur ervan.


Advies

De NHRPH verheugt zich erover dat de regering maatregelen overweegt ten behoeve van personen die hun naasten verzorgen.

Familieleden en/of naasten (los van hun statuut: werknemers, werklozen, …) die een zwaar zorgbehoevende persoon verzorgen en begeleiden, zijn immers van essentieel en toenemend belang in de huidige maatschappij, en met wie rekening gehouden moet worden.

Zonder mantelzorgers in het dagelijkse leven zou het socialezekerheids- en socialebeschermingsstelsel niet volstaan voor de noden van de geholpen personen. Daarom moet voor die mantelzorgers een kader van sociale rechten uitgewerkt worden, en moet voorkomen worden dat zij zelf uitgesloten worden van de socialezekerheidsstelsels en in armoede terechtkomen.

Dit ontwerp van koninklijk besluit is een positief initiatief omdat het een opgeheven artikel herstelt, en het werklozen zodoende mogelijk maakt een naaste te verzorgen onder specifieke voorwaarden die rechtvaardig zijn ten opzichte van werknemers.

De NHRPH wijst evenwel erop dat het beter zou zijn bepaalde elementen anders te formuleren om de leesbaarheid van de tekst te vergroten. Voorts heeft hij enkele twijfels en vragen over de inhoud van de tekst:

  • De Franstalige nieuwe versie van artikel 90, § 1, tweede lid, stemt niet overeen met de Nederlandstalige versie; de nummering van de items leidt tot verwarring (er ontbreekt een 1° in de Franstalige versie).
  • In de nieuwe versie van artikel 90, § 1, tweede lid, is er sprake van "effectief, doorlopend en regelmatig verlenen van". Is dat in het Frans niet veeleer de "situatie van mantelzorger" in plaats van "mantelzorg" (begrip dat veeleer naar een persoon verwijst)?
  • Het derde item (3°) beoogt werklozen die zorgen voor kinderen met een handicap die jonger zijn dan 21 jaar: de NHRPH wijst erop dat niet alleen kinderen met een handicap jonger dan 21 jaar zorgbehoevend zijn, maar dat volwassenen met een handicap ouder dan 21 jaar – net als een kind – ook een voortdurende aanwezigheid nodig kunnen hebben. Voor die doelgroep vraagt hij dus ook een oplossing.
  • De NHRPH vraagt zich af of het criterium dat gebruikt wordt voor kinderen met een handicap jonger dan 21 jaar wel pertinent is. De eerste pijler is immers gebaseerd op een medisch barema. Het kind zou een ongeschiktheidspercentage (66 %) kunnen hebben, zonder evenwel een voortdurende en regelmatige aanwezigheid van een naaste nodig te hebben. Andere kinderen daarentegen hebben een beperkte lichamelijke ongeschiktheid, maar een hoge afhankelijkheidsgraad, bijvoorbeeld kinderen met een autismespectrumstoornis. Het zou dus beter zijn zich te baseren op alle pijlers van de medisch-sociale schaal die gebruikt wordt voor kinderbijslag. Zo wordt eveneens rekening gehouden met de zelfredzaamheid van het kind (pijler 2) en de gevolgen voor het gezin waarvan het kind deel uitmaakt (pijler 3).
  • Het nieuwe artikel 90, § 1, zevende lid, bepaalt dat eenzelfde toestand geen aanleiding kan geven tot de gelijktijdige toekenning van een vrijstelling aan meerdere werklozen. De NHRPH vraagt dat ook rekening gehouden wordt met de situatie van werkloze ouders met alternerend hoederecht over hun kinderen met een handicap.
  • Voor de duur van de vrijstelling maakt artikel 90, § 3, een onderscheid tussen de gevallen voor het verstrekken van palliatieve zorg en "de andere gevallen". Voor palliatieve zorg duurt de vrijstelling hoogstens 2 maanden, verlenging inbegrepen. Die beperkte duur strookt niet met bepaalde werkelijke situaties van werklozen. De NHRPH vraagt dat de vrijstelling voor palliatieve zorg verlengd wordt. In het tweede geval duurt de vrijstelling minstens 3 maanden en hoogstens 12 maanden. In het derde en vierde lid wordt een verlenging en hernieuwing van die duur tot maximaal 48 maanden overwogen. De NHRPH wijst erop dat een beperking van de duur voor blijvende handicaps een probleem vormt en niet strookt met de werkelijkheid op het terrein. Daarnaast wordt niet gepreciseerd of de maximale duur van 48 maanden geldt voor de volledige duur van het werkloosheidsstatuut, of voor de hulp aan EEN geholpen persoon.

Tot slot wijst de NHRPH ter informatie erop dat hij voordien drie adviezen betreffende mantelzorgers geformuleerd heeft: de adviezen 2011-20, 2012-08 en 2013-18.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de heer Georges Carlens, Administrateur-generaal van de RVA.

Advies 2015/03 - Inschakelingsuitkering

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/03 over de afschaffing van de inschakelingsuitkeringen. Advies van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 januari 2015.


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (artikel 63) werd gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 2011, 28 maart 2014 en 29 juni 2014.

De inschakelingsuitkering, toegekend op basis van de studies aan werkzoekenden die niet of niet lang genoeg hebben gewerkt, wordt voortaan toegekend voor een periode beperkt tot 36 maanden, die onder bepaalde voorwaarden kan worden verlengd.


Analyse

Aangezien het recht op inschakelingsuitkeringen in de tijd beperkt was tot maximum 36 maanden, zijn de eerste rechten « uitgedoofd » op 1 januari 2015.

Voor personen met een handicap in het bijzonder voorziet de reglementering in een verlenging van de periode van toekenning van de inschakelingsuitkeringen met twee jaar

  • voor personen met ernstige medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen (MMPP) en die niet onmiddellijk op de arbeidsmarkt kunnen worden ingeschakeld
  • voor personen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33%

op voorwaarde dat ze zo best mogelijk meewerken aan het specifiek begeleidingstraject dat de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten samen met hen bepalen.

Gelet op de enorme weerslag van deze reglementering op personen met een handicap heeft de NHRPH reeds 2 adviezen op eigen initiatief verstrekt, namelijk op 17 november en 22 december 2014.

Door middel van een KB van 30 december 2014 heeft de regering de eerste op 01.01.2015 voorziene uitsluitingen met twee maanden verdaagd, opdat de gewestelijke diensten het groot aantal aanvragen voor verlenging met 2 jaar zouden kunnen opvangen. Met deze termijn zouden tevens personen met een handicap die in het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap zijn erkend, hun rechten op een minimuminkomen kunnen laten gelden.

Daarnaast heeft de RVA tijdens een vergadering van 19 januari 2015 bevestigd dat ongeveer 1.500 personen zonder een zogenaamd « verdienvermogen » reeds vanaf januari 2015 geen enkel inkomen nog zouden hebben. Het gaat om personen die ofwel ten minste 15 punten behalen op de handicapschaal van de FOD Sociale Zekerheid, ofwel ten minste 12 punten en voor meer dan 66 % arbeidsongeschikt erkend zijn.


Advies

De NHRPH herinnert aan zijn 2 adviezen van 17 november en 22 december 2014.

De NHRPH kan andermaal niet aanvaarden dat dit probleem hoegenaamd niet op voorhand werd aangepakt, wat desastreuze gevolgen heeft voor de betrokken personen.

De NHRPH hekelt ook dat de RVA bepaalde termen waarvoor het reglementair niet bevoegd is, interpreteert en de draadwijdte daarvan absoluut niet inschat. Dat verlies van zelfredzaamheid en arbeidsongeschiktheid door de RVA zonder meer worden gelijkgesteld, getuigt van een grove miskenning van de echte arbeidsgeschiktheid van personen met een handicap. Dit is des meer onaanvaardbaar daar de RVA het behoud van deze personen in het werkloosheidsstelsel garandeerde in afwachting van een structurele oplossing.

Een « zwaar gehandicapte persoon » gelijkstellen met een « persoon zonder verdienvermogen » is een zuiver medische en totaal achterhaalde benadering van de handicap. Het is veel vaker de (werk)omgeving die de arbeidsgeschiktheid van een persoon met een handicap beperkt.

De tot het uiterste doorgetrokken redenering van de RVA zou ertoe leiden dat personen met een handicap en zieken, wegens hun handicap, uit de arbeidsmarkt zouden worden uitgesloten. Personen met een handicap die een opleiding hebben gevolgd, die de nodige diploma's hebben behaald en die de nodige bekwaamheden hebben opgedaan om te beantwoorden aan de competentieprofielen die op de algemene arbeidsmarkt gegeerd zijn, hebben, zoals gelijk wie, de nodige beroepsgeschiktheid en -bekwaamheid om zich kandidaat te stellen voor de aangeboden betrekkingen.

De NHRPH hekelt daarenboven andermaal het totaal gebrek aan overleg tussen de bij het probleem betrokken overheden. De NHRPH is versteld van dergelijke situatie waarbij de overheid honderden personen en gezinnen gewoon financieel in de kou laat staan, terwijl ze precies vaak heel hoge medische en andere kosten hebben wegens hun handicap.

De NHRPH betreurt andermaal dat hij niet van meet af aan bij de reflectie werd betrokken, zelfs niet bij de laatste beslissingen die de RVA heeft genomen. De situatie zou dan anders benaderd geweest zijn, waardoor honderden personen en gezinnen niet uit de werkloosheidsreglementering zouden uitgesloten geweest zijn en in een toestand van absolute en blijvende armoede zouden terecht gekomen zijn.

De NHRPH wijst ten slotte op de kloof tussen de slogans voor een integratie op de arbeidsmarkt en de uitsluitingsrealiteit op het terrein. Ter herinnering, een persoon in het kader van het stelsel van tegemoetkomingen voor personen met een handicap geniet in het beste geval van een minimalistische begeleiding in zijn zoektocht naar werk.

De NHRPH eist eens te meer met aandrang dat een globale en geïntegreerde reflectie op nationaal niveau zo snel mogelijk op gang wordt gebracht en dat een echt actieplan voor de begeleiding van personen met een handicap naar een tewerkstelling wordt beslist.

De NHRPH eist eveneens dat personen die niet de mogelijkheid hebben tijdelijk of blijvend aan de arbeidsmarkt deel te nemen, voldoende financieel worden ondersteund.

Ten slotte herinnert de NHRPH eraan dat hij absoluut bij het het onderzoeken van alle denkpistes en bij alle beslissingen moet worden betrokken.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter info aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal, DG Personen met een handicap
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de heer Georges Carlens, Administrateur-generaal van de RVA.

Advies 2015/02 - Aanspreekpunten

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/02 met betrekking tot de ontwerpnota van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking voor de Ministerraad over de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 19 januari 2015


Aanvrager

Advies naar aanleiding van de vraag van 12 januari 2015 van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Personen met een beperking wil het handistreamingbeginsel doen naleven en de betrokkenheid en samenwerking met het maatschappelijk middenveld bij het uitstippelen van de beleidsmaatregelen ondersteunen.

In een nota aan de Ministerraad stelt zij een eerste reeks maatregelen voor om het Verdrag op federaal niveau uit te voeren, meer bepaald artikelen 33.1 (contactpunten en coördinatiemechanisme), 3.c en 4.3 (betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld).


Analyse

De maatregelen die in de nota aan de Ministerraad voorgesteld worden, betreffen:

de aanspreekpunten handicap: bij de beleidscel van elke minister en staatssecretaris wordt een medewerker aangesteld die belast is met het toezicht op de inachtneming van de handicapdimensie bij het uitwerken en uitvoeren van het beleid. Het aanspreekpunt zal eveneens belast worden met de functie van verbindingspersoon met de beleidscel van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking. de toekomstige bestuursovereenkomsten: de naleving van het handistreamingbeginsel wordt opgenomen in de bestuursovereenkomsten die instellingen van sociale zekerheid en overheidsdiensten met de federale Staat afsluiten. het maatschappelijk middenveld: het maatschappelijk middenveld, inzonderheid de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap, wordt zo vroeg mogelijk betrokken bij de beleidsinitiatieven via de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, die als centraal contactpunt optreedt.


Advies

De NHRPH vindt het een goede zaak dat de Staatssecretaris voor Personen met een beperking van bij het begin van de regeerperiode blijk geeft van de wil om het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap uit te voeren, door de Ministerraad een eerste reeks maatregelen voor te stellen, die betrekking hebben op de basisbeginselen van dit Verdrag en het ontwerpen van een werkstructuur voor een optimale samenwerking.

Voorts stelt de Raad met tevredenheid vast dat de Staatssecretaris voor Personen met een beperking de Raad van bij het opstellen van de nota aan de Ministerraad geraadpleegd heeft, wat strookt met de voorstellen in deze nota waarop dit advies betrekking heeft.

Aanspreekpunten handicap

De aanstelling van aanspreekpunten handicap bij de beleidscel van elk lid van de nieuwe regering ligt in de lijn van de maatregelen van de vorige regering. In hun aanbevelingen hebben de VN-deskundigen zich daarover positief uitgelaten.

Zowel de administratieve als de politieke aanspreekpunten moeten immers een essentiële rol spelen bij de concrete uitvoering van het Verdrag, niet alleen voor hun reglementaire bevoegdheden, maar ook in hun respectieve deelgebieden. De NHRPH benadrukt evenwel dat de aanstelling van aanspreekpunten op zich geen garantie is dat het handistreamingbeginsel nageleefd wordt. Sinds de beslissing in 2011 om aanspreekpunten handicap aan te stellen werd de NHRPH niet meer gecontacteerd voor een samenwerking en/of raadpleging. De NHRPH vindt dat het netwerk van aanspreekpunten handicap in het algemeen niet optimaal functioneert en verwijst hiervoor naar zijn advies nr. 2014-03 van 20 januari 2014.

Idealiter moet het netwerk niet alleen gecoördineerd worden door het coördinatiemechanisme, maar ook voortdurend op een dynamische manier geactiveerd worden: informatie- en opleidingsinstrumenten ontwikkelen, gemeenschappelijke indicatoren zoeken, de ondernomen acties evalueren, goede praktijken uitwisselen, individuele contacten leggen, … Een informatievergadering zoals voorgesteld in de nota is een eerste stap in de goede richting, maar de ervaring leert ons dat dit niet volstaat.

Zo kan het interessant zijn de werking van het netwerk na bijvoorbeeld drie jaar te evalueren. Op basis van een vergelijking tussen de behaalde resultaten en de oorspronkelijke doelstellingen, en het in acht nemen van de verwachtingen, noden en moeilijkheden van de aanspreekpunten zou een toekomstig actieplan voor ondersteuning en coördinatie in de toekomst opgesteld kunnen worden.

Ook moeten de aanbevelingen van de VN geïntegreerd worden en de verwachte, concrete en noodzakelijke uitdagingen en wijzigingen op het politieke, reglementaire en administratieve vlak bestudeerd worden.

De NHRPH pleit trouwens voor een nieuw performant systeem voor systematische en regelmatige rapportering op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van indicatoren. Voorts wenst hij betrokken te worden bij het vastleggen van die indicatoren en op de hoogte gehouden te worden van die rapportering. Uiteraard blijft de Raad tevens ter beschikking om het netwerk advies te geven bij het uitwerken van zijn beleidslijnen en maatregelen.

Handistreaming

De NHRPH bevestigt dat het handistreamingbeginsel inhoudt dat in alle beleidsdomeinen rekening gehouden moet worden met de handicapdimensie, ook in de bestuursovereenkomsten van overheidsdiensten en instellingen van sociale zekerheid met de federale Staat.

In de nota wordt aan de ministers en staatssecretarissen overigens gevraagd rekening te houden met de handicapdimensie bij het uitwerken en uitvoeren van hun beleid en de Staatssecretaris voor Personen met een beperking als centraal coördinatie- en opvolgingspunt zo goed mogelijk te betrekken bij het handicapbeleid. De NHRPH stelt vast dat heel wat thema's die besproken worden in de Ministerraad, een impact kunnen hebben op het leven van personen met een handicap en zieken, het leven van hun gezin, hun rechten, aspecten die hen op de een of andere manier kunnen treffen. In overeenstemming met het handistreamingbeginsel acht hij de aanwezigheid van een voor personen met een handicap bevoegd regeringslid wenselijk wanneer dergelijke aangelegenheden op de agenda van de Ministerraad staan.

Betrokkenheid en samenwerking met het maatschappelijk middenveld

De NHRPH stelt tevreden vast dat de Staatssecretaris voor Personen met een beperking personen met een handicap (door middel van de NHRPH) zo vroeg mogelijk betrekt bij het goedkeuren van beslissingen en beleidslijnen die betrekking op hen hebben.

In de nota wordt die samenwerking in verband gebracht met de rol van centraal contactpunt door de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, maar er wordt geen concrete invulling gegeven aan de werkwijze voor de verschillende betrokkenen.

Tijdens de vorige regeerperiode heeft de NHRPH een advies (nr. 2012-10) geformuleerd, waarin hij wees op zijn rol bij het uitvoeren van het Verdrag. De NHRPH benadrukt dat de in te voeren werkprocedures hem nooit mogen beletten zijn rol van onafhankelijk adviesorgaan, op vraag en op eigen initiatief, te vervullen. In dit verband baart de formulering over de werkprocedure op bladzijde 4 van het verzoek tot advies "om dit gestructureerd te laten verlopen, zal de Staatssecretaris bevoegd voor het beleid voor personen met een handicap als centraal contactpunt optreden tussen zijn collega's enerzijds en de NHRPH anderzijds" de Raad zorgen.

De Staatssecretaris moet een centrale rol spelen, zolang dit geen obstakel vormt voor de dossieroverdracht en de termijn van dossieroverdracht.

De NHRPH stelt bijgevolg voor die zin te herformuleren zodat gewaarborgd wordt dat alle dossiers met een impact op de rechten en noden van personen met een handicap, zieken en hun gezin "rechtstreeks en zonder tussenpersoon, onvoorwaardelijk en zonder opportuniteitscontrole" uitgewisseld worden tussen de bevoegde ministers en de NHRPH.

Tot slot kan de NHRPH begrijpen dat dit advies dringend verstrekt moest worden en is hij bereid snel op de adviesaanvragen te reageren, op voorwaarde dat hier geen misbruik van gemaakt wordt om de reglementaire adviesprocedure te omzeilen of te ondermijnen.


Avis transmis

  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan de heer Johan. Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Advies 2014/21 - Inschakelingsuitkering

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014-21 betreffende artikel 63 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (inschakelingsuitkeringen). Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 22 december 2014


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (artikel 63) werd gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 2011, 28 maart 2014 en 29 juni 2014.

De inschakelingsuitkering, die op basis van de voltooide studie toegekend wordt aan werkzoekenden die niet (genoeg) gewerkt hebben, wordt voortaan voor een maximale duur van 36 maanden toegekend, die onder bepaalde voorwaarden verlengd kan worden.


Analyse

Aangezien het recht op de inschakelingsuitkering tot maximaal 36 maanden beperkt is in de tijd, lopen de eerste rechten af op 1 januari 2015.

Meer bepaald voor personen met een handicap voorziet de reglementering in een verlenging van de periode van de inschakelingsuitkering met twee jaar:

  • voor personen die leiden aan ernstige medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen (MMPP's) en die niet onmiddellijk op de arbeidsmarkt ingeschakeld kunnen worden
  • voor personen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 33 %

op voorwaarde dat ze tijdens deze periode zo goed mogelijk meewerken volgens het specifieke begeleidingstraject dat de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling met hen hebben uitgewerkt.

De Directie-generaal Personen met een handicap (DG PH) heeft een procedure opgezet om de dossiers van personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratie-tegemoetkoming ontvangen en hun inschakelingsuitkering zullen verliezen, prioritair te behandelen.

Vroeger had de NHRPH voor die procedure al advies 2014-20 geformuleerd.


Advies

De kwestie is dringend aangezien de uitkering binnenkort wegvalt. Bijgevolg wil de NHRPH de voor die materie bevoegde regeringsleden nogmaals interpelleren.

Nu de maatregel binnenkort in werking treedt, is de NHRPH niet te spreken over de blijvende onduidelijkheid wat betreft zowel de al niet verstrekte informatie, het gebrek aan begeleiding van de betrokken personen, als de samenwerking tussen de RVA, de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en de Directie-generaal Personen met een handicap om de dossiers van personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming krijgen en hun inschakelingsuitkering zullen verliezen, met voorrang te behandelen.

De drie jaar tussen de afkondiging en de effectieve inwerkingtreding van de maatregel volstonden ruimschoots om het uitdoven van dit recht voor te bereiden en passend te begeleiden. De NHRPH stelt vast dat het dossier evenwel met spoed behandeld werd en dat de betrokken instellingen nauwelijks inspraak hadden, wat ten koste gaat van de getroffen personen.

Eind december 2014 hebben de bevoegde instellingen de DG PH nog steeds niet alle relevante en betrouwbare gegevens bezorgd over de personen die hun recht kunnen verliezen. Daardoor kan de DG geen financiële ondersteuning meer waarborgen voor een deel van het doelpubliek.

Die onzekerheid wordt nog versterkt omdat er nog vragen zijn over hoe de RVA bepaalde teksten in de praktijk moet interpreteren: rechthebbenden met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 33 % voor wie een verlenging van twee jaar mogelijk is, dreigen hun werkloosheidsuitkering vanaf 1 januari 2015 definitief te verliezen omdat zij zonder verdienvermogen zijn (ongeschiktheid > 66 %).

De NHRPH vraagt de overheid dringend de nodige maatregelen te treffen opdat de betrokken diensten optimaal kunnen samenwerken en de getroffen personen psychologisch en financieel zo goed mogelijk ondersteund kunnen worden. De Raad stelt voor te bekijken wat mogelijk is om de reglementering aan te passen en de maatregel later in werking te laten treden.

In deze eindejaarsperiode heeft iedere burger immers het recht correct geïnformeerd en gerustgesteld te worden over zijn concrete situatie en zijn toekomstperspectieven in de maatschappij.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
  • Ter info aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal, DG Personen met een handicap
  • Ter info aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme

Advies 2015/01 - SMS 112

  • Jaartal advies: 2015

Advies nr. 2015/01 over de voortgangsstaat van het project “nood-sms” betreffende de toegang tot de hulpdiensten via een elektronisch tekstbericht (sms) voor doven, slechtzienden en spraakgestoorden. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 19 januari 2015


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De sms voor urgentiediensten is een nieuwe dienst voor doven en slechthorenden of mensen met een andere handicap die de mondelinge communicatie met een noodoproepcentrale in de weg staat.

Het project werd geconceptualiseerd in 2012 en de NHRPH formuleerde een advies (2013-08) over de conceptnota. Het project werd in 2013 ingevoerd en uitgewerkt, maar liep wegens budgettaire beperkingen wat vertraging op ten aanzien van de aanvankelijke planning. De operationalisering van fase 1 van het project (testfase) is voorzien voor midden februari 2015: de hulpcentra 112/100 en 101 zijn enkel bereikbaar via sms door middel van specifieke nummers. Tijdens fase 2 zullen de hulpcentra via sms bereikbaar zijn door middel van de klassieke noodnummers. Sms-berichten van geregistreerde personen zullen voorrang krijgen op andere sms-berichten.

De rechtsgrondslagen van dit project zijn:

  • de Europese richtlijn 2009/136/EG “universele dienst” (art. 26.4);
  • de wet van 29 april 2011 tot oprichting van de 112-centra en het Agentschap 112;
  • de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.

Analyse

De NHRPH heeft een zeer volledig advies gegeven (2013-08) over de inhoud van de conceptnota.

Het uitgangspunt is bepalend voor de doelgroep: een spraakoproep is de meest doeltreffende manier om een noodoproep te plaatsen, en heel wat oproepen naar de noodcentrales zijn kwaadwillig of ongewild. Daarom wordt het project beperkt tot personen die niet in staat zijn een spraakoproep te doen. Om herkend te worden moeten ze zich op voorhand registeren. De formele omschrijving van de doelgroep is een taak van de Staatssecretaris voor personen met een handicap, onverminderd de bevoegdheden van de gewesten en de gemeenschappen.


Advies

De leden van de NHRPH zijn verheugd dat het probleem van de bereikbaarheid van de nooddiensten ook bij de nieuwe regering op de politieke agenda staat. Tevens is de NHRPH heel positief over het wegwerken van de financiële obstakels die de uitwerking van het project in de weg staan, en over het voornemen om op lange termijn ook te kijken naar andere doelgroepen en andere technologieën (toepassingen voor smartphones, chat, …).

Wat de gedetailleerde inhoud van het project betreft, verwijst de NHRPH naar zijn vorig advies 2013-08 (zie bijlage). De Raad wijst op de te enge doelgroepafbakening en verwijst hier naar de Europese richtlijn, waarin sprake is van ‘personen met een handicap’. De NHRPH benadrukt dat de mogelijke technische oplossingen voor dove of slechthorende buitenlanders die tijdelijk in België verblijven of die naar België willen komen, ook moeten worden onderzocht. Bovendien kan de Raad het niet eens zijn met de invoering van een systeem op basis van een voorafgaandelijke inschrijving en registratie: een verklaring op erewoord van de betrokkene zou moeten volstaan. Daarom stelt de NRHPH voor dat het project zich zou laten inspireren door eventuele goede praktijken uit het buitenland.

Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat de communicatie omtrent dit project, met inbegrip van de testfases, zo breed en zo duidelijk mogelijk moet zijn. Zo zouden de informatie-video’s ondertiteld moeten zijn in de drie landstalen.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer J. Jambon, Minister van binnenlandse zaken;
  • Ter opvolging aan mevrouw M. De Block, Minister van sociale zaken en volksgezondheid;
  • Ter opvolging aan mevrouw E. Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer J. Van Overtveldt, Minister van financiën
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.

Advies 2014/20 - Inschakelingsuitkering

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014-20 over het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsuitkering (inschakelingsuitkering). Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 17 november 2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

De regelgeving inzake de werkloosheidsuitkering komt aan bod in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Een beroepsinschakelingsuitkering (voorheen wachtuitkering) wordt toegekend op basis van voltooide studies aan werkzoekenden die onvoldoende hebben gewerkt om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering op basis van gepresteerde arbeid.

Om deze uitkering te genieten moeten een aantal toelatings- en toekenningsvoorwaarden vervuld zijn. De betrokkene moet:

  • een beroepsinschakelingstijd doorlopen van minstens 310 dagen;
  • jonger zijn dan 30 op het moment van de aanvraag;
  • niet meer schoolplichtig zijn;
  • secundair onderwijs/bepaalde opleidingen gevolgd en voleindigd hebben.

Deze uitkering, een forfaitair bedrag geïndexeerd in functie van de leeftijd en de gezinssituatie, wordt toegekend voor een maximale duur van 36 maanden. De regelgeving voorziet in mogelijkheden om deze periode te verlengen onder voorwaarden.

Deze regelgeving trad in werking op 1 januari 2012; bijgevolg zal het recht op de inschakelingsuitkering vanaf 1 januari 2015 komen te vervallen.


Analyse

De hervorming van het systeem inzake de toekenning van de werkloosheidsuitkering werd opgestart onder de voorgaande ambtstermijnen. Zij heeft in eerste instantie betrekking op de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en een betere begeleiding van werkzoekenden.

Wat specifiek de inschakelingsuitkering betreft, traden de nieuwe maatregelen in voege op 1 januari 2012. Aangezien het recht op deze uitkering beperkt is in de tijd tot maximaal 36 maanden behoudens uitzonderingen, lopen de eerste rechten af op 1 januari 2015.

Na tal van parlementaire interpellaties heeft mevrouw Monica De Coninck, voormalig Minister van Werk, de Ministerraad een ontwerp van koninklijk besluit laten goedkeuren dat het probleem van de personen met een handicap en de inschakelingsuitkeringen moet oplossen. Het koninklijk besluit van 28 maart 2014 wijzigt artikel 63 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en verlengt de periode van de inschakelingsuitkering met twee jaar

  • voor personen die lijden aan ernstige medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen (MMPP) en die niet onmiddellijk op de arbeidsmarkt kunnen worden ingeschakeld
  • voor personen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 33%

op voorwaarde dat ze tijdens deze periode zo goed mogelijk meewerken volgens het specifieke begeleidingstraject dat de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling met hen hebben uitgewerkt.

De Directie-generaal Personen met een handicap heeft beslist een procedure op te zetten om de dossiers van personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming ontvangen en hun inschakelingsuitkering zullen verliezen, prioritair te behandelen. Hiertoe werkt zij samen met onder meer de RVA en de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling om de gegevens over de beoogde doelgroep zo goed mogelijk uit te wisselen.

Volgens een eerste schatting zullen 3600 personen met een handicap, waarvan er momenteel 3000 een tegemoetkoming voor personen met een handicap krijgen, hun recht op de inschakelingsuitkering verliezen.


Advies

1. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap betreurt dat er tijdens de uitwerking van de bovenbedoelde regelgeving geen inspraak of overleg is geweest met de raad, hetgeen in strijd is met de geest en de letter van het door België goedgekeurde VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en van de beslissing van de Ministerraad van 20 juli 2011.

Deze maatregelen kunnen immers gevolgen hebben voor het dagelijkse leven van de personen met een handicap en sommigen onder hen dieper in de armoede duwen.

De NHRPH wijst dan ook op de kwetsbare situatie van mensen die een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangen; al bij al ligt de inkomensvervangende tegemoetkoming onder de armoedegrens. Ter herinnering: de armoedegrens is vastgelegd op 1074€ voor alleenstaanden en 2.256€ voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen; de IVT bedraagt momenteel respectievelijk 817€ en 1090€.

2. Hoewel het tijdstip van de inwerkingtreding van deze maatregel nadert, kan de NHRPH enkel een gebrek aan samenwerking en samenhang met betrekking tot de gevoerde acties tussen de verschillende overheidsniveaus vaststellen, hetgeen de te verwachten problemen verder beklemtoont.

De Raad betreurt niet tijdig op de hoogte te zijn gesteld over de besliste en ingevoerde procedures opdat hij anticiperend zou kunnen reageren. Wanneer de maatregel wordt ingevoerd zonder begeleiding worden de personen met een handicap en hun familie immers overgeleverd aan een lange periode van onzekerheid over hun rechten.

3. De NHRPH wijst erop dat de werkloosheidsuitkeringsregeling in eerste instantie bedoeld is om IEDEREEN te begeleiden bij de arbeidshervatting.

De maatregel tot schrapping van de inschakelingsuitkering druist in tegen artikel 27 van het VN-Verdrag, dat bepaalt:

“De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op werk, op voet van gelijkheid met anderen; dit omvat het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door middel van vrij gekozen of aanvaard werk op een open arbeidsmarkt en in een open werkomgeving, waar inclusie wordt bevorderd en die toegankelijk zijn voor personen met een handicap. De Staten die Partij zijn waarborgen en bevorderen de uitoefening van het recht op werk, met inbegrip van personen die een handicap verwierven tijdens de uitoefening van hun functie, door het nemen van passende maatregelen, onder meer door middel van wetgeving, teneinde onder andere:(…)

d. personen met een handicap in staat te stellen effectieve toegang te krijgen tot technische en algemene beroepskeuze voorlichtingsprogramma’s, arbeidsbemiddeling, beroeps- en vervolgopleidingen die openstaan voor het publiek; e. de kans op werk en carrièremogelijkheden voor personen met een handicap op de arbeidsmarkt te bevorderen, alsmede hen te ondersteunen bij het vinden, verwerven en behouden van werk, dan wel de terugkeer naar tewerkstelling; (…)”.

Deze maatregel tot schrapping gaat ook in tegen de recente aanbevelingen van de experten, in het bijzonder die over tewerkstelling: “ het Comité maakt zich zorgen over het feit dat slechts een klein aantal personen met een handicap op regelmatige basis tewerkgesteld zijn. Tevens wijst het comité erop dat de regering er niet in slaagt haar doelstellingen te halen in verband met de tewerkstelling van personen met een handicap in haar eigen diensten, en dat er geen quota zijn in de private sector.” “Het Comité raadt de Staten die partij zijn aan alle nodige regelgevende en stimulerende maatregelen te nemen om het recht op arbeid voor personen met een handicap in de private en de overheidssector te waarborgen door te voorzien in doeltreffende bescherming tegen discriminatie, een beroepsopleiding en adequate toegankelijkheid, en de nodige redelijke aanpassingen.

Tot slot gaat deze maatregel tot schrapping in tegen de engagementen van België ten aanzien van de Europese Unie wat betreft de steun voor tewerkstelling. Ons land heeft zich er immers toe verbonden de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap te verhogen.

De NHRPH vraagt meer middelen en concrete instrumenten toe te kennen in het kader van de trajectbegeleiding voor personen met een handicap op het terrein.

4. De NHRPH werd op de hoogte gebracht van het initiatief van de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid om een procedure in te voeren waarbij de dossiers van personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming ontvangen en hun inschakelingsuitkering zullen verliezen, voorrang krijgen, in samenwerking met de RVA en de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

De NHRPH verheugt zich zowel over dit initiatief ten behoeve van personen met een handicap, dat als doel heeft onderbrekingen in de uitbetaling van inkomsten maximaal te voorkomen, rekening houdend met de nieuwe situatie van de begunstigden als over de proactieve benadering die de Directie-generaal Personen met een handicap

Als onafhankelijke adviesinstantie maakt de NHRPH zich zorgen over de mogelijke rechtstreekse en/of onrechtstreekse gevolgen die een dergelijke procedure met zich mee zou kunnen brengen indien ze niet wordt uitgebreid:

  • Ten aanzien van deze procedure voor een prioritaire behandeling ingevoerd door de administratie wijst de NHRPH erop dat op die manier mogelijks een administratief precedent wordt geschapen date en jurisprudentie zou kunnen vormen;
  • Voor zover de administratie de voorrangsprocedure enkel plant toe te passen ten aanzien van de eerste ‘golf’ van stopzettingen, die zich voordoet op 1 januari 2015, en voor zover er daarna ook nog regelmatig stopzettingen zullen zijn, heeft de NHRPH vragen bij de rechtvaardigheid van een dergelijke aanpak ten aanzien van begunstigden wier integratietegemoetkoming na 1 januari 2015 komt te vervallen;
  • Omdat identificatie aan de hand van de bestaande databanken momenteel niet mogelijk is, zullen personen met een handicap van wie de echtgenoot of echtgenote zijn of haar integratietegemoetkoming verliest, deze voorkeursbehandeling niet genieten. De NHRPH stelt zich vragen over de motivering van dergelijke beslissingen en is van oordeel dat alle personen met een handicap op wie een bepaalde maatregel van toepassing is, ook op dezelfde manier en zonder onderscheid moeten worden behandeld.
  • Gezien de vele onzekerheden betreffende de uitwisseling van gegevens en de vaststelling van de rechten van de huidige begunstigden van de integratietegemoetkoming wenst de NHRPH de aandacht te vestigen op het risico van eventuele betalingen van onverschuldigde bedragen. In dit kader moeten personen met een handicap de nodige waarborgen krijgen.

Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van werk;
  • Ter opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal, DG Personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van financiën;
  • Ter info aan het Interfederaal Centrum voor de gelijkheid van kansen;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.

Advies 2014/19 - Ticketautomaten

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/19 over de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van de ticketautomaten bij de NMBS. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 15/09/2014 na bespreking op de NMBS-werkgroepvergadering van 4 september 2014.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

In veel NMBS-stations en stopplaatsen kun je via een verdeelautomaat vervoersbewijzen kopen. Naast loketten en onlineverkoop is de verdeelautomaat dus een manier om een ticket te bestellen. Jammer genoeg zijn de huidige automaten niet gemakkelijk te gebruiken voor personen met een verstandelijke beperking en andere kwetsbare groepen.


Analyse

De NHRPH vernam via de werkgroep NMBS dat een groepje personen uit een project van begeleid wonen er niet in waren geslaagd vervoersbewijzen te kopen via de automaat. Zij moesten uiteindelijk op de trein zelf hun ticket kopen, maar met een toeslag. Er werd later gecommuniceerd met de NMBS om in de toekomst een uitzondering te voorzien voor bepaalde groepen. De NMBS antwoordde dat dat niet kon omdat er voldoende reservatiealternatieven voorhanden zijn. Zo kan een vervoersbewijs tot 31 dagen op voorhand online worden gekocht.

Voor de NHRPH kan dit antwoord niet volstaan. Uiteraard is de NHRPH blij dat de NMBS alternatieven biedt voor de aanschaf van tickets aan het loket, maar de NHRPH wijst er toch op dat niet iedereen de luxe heeft te kiezen tussen de alternatieven. Voor sommige personen zoals ouderen en mensen met bepaalde visuele, auditieve, intellectuele, motorische… handicaps is de digitale barrière nog steeds te hoog. Idem voor de huidige verdeelautomaten.

De alternatieven zijn ook niet overal beschikbaar. Niet elke halte heeft loketten. Bovendien zijn die niet altijd open en tijdens de openingsuren staan er soms lange rijen. Het argument van de aankoop op voorhand herinnert aan de discussie over de 24u-regeling (assistentieaanvraag moet minimaal 24 uur op voorhand worden aangevraagd). De redenering dat je maar tijdig moet boeken gaat voorbij aan de realiteit van elke dag: noodgevallen, veranderde plannen, geïmproviseerde reizen, beslissingen die van het weer of het humeur afhangen, … zijn moeilijk vooraf te plannen.

Voor groepen als ouderen en mensen met bepaalde visuele, auditieve, intellectuele of motorische handicaps zou er een soepelere regeling moeten komen. De eenvoudigste oplossing is ticketverkoop op de trein (aan dezelfde prijs) voor de doelgroepen. Jammer genoeg bestaat er nog geen (inter)nationale gehandicaptenkaart waarmee de persoon met een handicap zijn handicap zou kunnen bewijzen en zo zijn rechten kan doen gelden.


Advies

Voor dit advies verwijst de NHRPH naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap dat door België is geratificeerd en naar de wetgeving over redelijke aanpassingen.

De wet van 10 mei 2007 definieert redelijke aanpassingen als “passende maatregelen die in een concrete situatie en naargelang de behoefte worden getroffen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden waarop deze wet van toepassing is, tenzij deze maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die deze maatregelen moet treffen” (art. 4, 12°).

De wet voorziet ook dat het ontbreken van redelijke aanpassingen een discriminatie inhoudt.

Vanuit dat kader vraagt de NHRPH dat er een regeling komt voor de doelgroepen die moeilijkheden ondervinden met de verdeelautomaten.

Enkele mogelijke pistes:

  • een kaart of pas voor de doelgroep, uitgegeven door de NMBS of de overheid
  • extra vorming voor het personeel op de trein en in de stations om hulp te beiden aan he die problemen ondervinden met de aankoop
  • aanpassingen aan de verdeelautomaten, in overleg met organisaties die PMH vertegenwoordigen
  • voorrang aan de loketten voor bepaalde doelgroepen
  • specifieke assistentie in stations en stopplaatsen
  • regeling via de gratis begeleider

Vanzelfsprekend moet Revalor worden gerespecteerd, wat ook de oplossing wordt.

In geval van een technische oplossing vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Jo Cornu, gedelegeerd bestuurder van de NMBS;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter info aan de heer Jean-Pascal Labille, Minister van Overheidsbedrijven;
  • Ter info aan de heer Melchior Wathelet, Staatssecretaris voor Mobliteit;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2014/18 - Sociale clausules

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/18 over de Omzendbrief – Integratie van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van sociale clausules en maatregelen ten voordele van kleine en middelgrote ondernemingen, in het kader van overheidsopdrachten geplaatst door federale aanbestedende instanties. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 19 mei 2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

De omzendbrief past in het streven naar een duurzame aankoopprocedure van de federale overheid in opvolging van een doelstelling van de Europese raad en de Europese Commissie, en in de relancestrategie die personen die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt opnieuw aan werk wil helpen. Er wordt ook naar gestreefd de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen aan overheidsopdrachten te bevorderen. Gelet op zijn specifieke bevoegdheid beperkt de NHRPH zich tot de maatregelen om de integratie van personen die moeilijk toegang tot de arbeidsmarkt krijgen te bevorderen.


Analyse

De sociale clausules zijn van toepassing op alle overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten. Er is een motiveringsverplichting in de adviesaanvraag (Inspectie van Financiën of Regeringscommissaris) voor opdrachten voor leveringen en diensten van minstens 85.000 EUR, voor opdrachten voor werken is dat minstens 1.200.000 EUR. Voor overheidsopdrachten voor bouw-of renovatiewerken van gebouwen vanaf 1.500.000 EUR moeten de sociale clausules systematisch worden opgenomen. De opportuniteit van de opname van sociale overwegingen (ruimer dan sociale clausules) moet onderzocht worden tijdens de voorbereidende fase en de beoordeling. Hierbij vermeldt de omzendbrief ondermeer het bepalen van technische eisen die een betere toegankelijkheid voor mensen met een handicap toelaten, en het treffen van maatregelen om de deelname van beschutte werkplaatsen en sociale inschakelingsondernemingen aan te moedigen.

Wat in het bijzonder de maatregelen betreft met het oog op de integratie van personen die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, wordt gewezen op de mogelijkheid om te beslissen in de opdrachtdocumenten dat de toegang tot de opdracht of een deel ervan, gereserveerd wordt voor:

  • Bedrijven voor aangepast werk/beschutte werkplaatsen als de meerderheid van de werknemers personen met een handicap zijn die wegens de aard van hun handicap geen beroepsactiviteit in normale omstandigheden kunnen uitoefenen;
  • Sociale inschakelingsondernemingen.

Het gevolg hiervan is dat enkel offertes ingediend door deze ondernemingen, in aanmerking komen.

Een andere mogelijkheid is een sociale tewerkstellingsclausule op te nemen en/of een opleidingsclausule voor werkzoekenden of doelgroepen. Dit is evenwel niet altijd doenbaar voor de onderneming, daarom ook is onderaanneming toegelaten. Dit geeft bedrijven voor aangepast werk/beschutte werkplaatsen en sociale inschakelingsondernemingen de kans ook deel te nemen aan grotere opdrachten waartoe zij anders geen toegang zouden hebben.

Tenslotte wordt aangeduid dat het federaal netwerkoverleg van aankopers concrete voorstellen zal formuleren met betrekking tot het opnemen van overwegingen inzake duurzame ontwikkeling en sociale clausules, met de bedoeling deze omzendbrief ook echt te gaan toepassen. Bovendien is overleg voorzien, op regelmatige basis, met de federaties van de bedrijven voor aangepast werk/beschutte werkplaatsen, van sociale inschakelingsondernemingen (en KMO’s) over de aangeboden diensten en producten en de behoeften van de federale aankopers.

Ook evaluatie en opvolging is voorzien, daarbij wordt een taak toegewezen aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap. Elk jaar stelt de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling een jaarverslag op over haar eigen activiteiten van het afgelopen jaar en die van de verschillende cellen duurzame ontwikkeling. Het deel gewijd aan de sociale clausules zal ook overgemaakt worden aan de NHRPH. Deze Commissie moet ook een advies geven over de naleving van deze omzendbrief en zal hiertoe ondermeer bij de NHRPH informatie inwinnen. De toepassing van de omzendbrief zal 3 jaar na publicatie in het Belgisch Staatsblad geëvalueerd worden, wat betreft de sociale overwegingen, door de minister bevoegd voor sociale zaken, die daarover een advies zal inwinnen bij de NHRPH.


Advies

De leden van de NHRPH hechten traditioneel veel belang aan de tewerkstellingsmogelijkheden voor personen met een handicap, Het hebben van werk is een van de hoofdvoorwaarden tot maatschappelijke integratie. Omwille van de aard van de handicap kunnen niet alle personen met een handicap terecht op de gewone arbeidsmarkt. Voor hen bieden de beschutte werkplaatsen dan ook een oplossing. De economische crisis heeft, niet in het minst, een heel nadelige invloed uitgeoefend op de tewerkstellingskansen in beschutte werkplaatsen. Het reserveren van overheidsopdrachten voor beschutte werkplaatsen is dan ook een zeer welgekomen maatregel. Hoewel deze maatregel niet nieuw is, is het uitbrengen van een omzendbrief, waarin de betrokken maatregelen duidelijk worden toegelicht, een heel positief signaal.

De leden van de NHRPH nemen nota van de rol die hen is toebedeeld in de evaluatie van de omzendbrief en beschouwen dit als een waardering van hun adviserend werk.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/17 - Chronisch zieken

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/17 met betrekking tot de “Oriëntatienota – Geïntegreerde visie op de zorg voor chronisch zieken in België”. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 28/04/2014.


Aanvrager

Advies op vraag van mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en van Volksgezondheid, in het e-mailbericht van 04/03/2014.


Onderwerp

De bovenvermelde oriëntatienota is voorgesteld door de interkabinettenwerkgroep “Chronische Ziekten” van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid. Bedoeling is dat dit uiteindelijk zou leiden tot een Nationaal Actieplan.


Analyse

Basisprincipes: chronische zorg moet gecoördineerd, geïntegreerd, persoonsgericht, doelgericht, duurzaam, professioneel en “evidence based” verlopen, gericht op empowerment van de patiënt en plaatsgrijpen in de minst restrictieve omgeving die klinisch aangewezen is.

Bijkomende principes: het bestaande gezondheidszorgsysteem moet vereenvoudigd en geoptimaliseerd worden, het moet voldoende flexibel zijn om in te spelen op individuele behoefte en graad van autonomie. Het basisinstrument is het multidisciplinair patiëntendossier.

Voornaamste streefdoel: alle personen met een chronische ziekte een gelijke toegang tot medische en niet-medische zorg verzekeren, op basis van de behoeften van de individuele patiënt.

Er zijn 6 actiedomeinen, en 20 concrete acties, verspreid over de verschillende actiedomeinen, gedefinieerd.

De actiedomeinen zijn:

  • Het multidisciplinair patiëntendossier
  • Empowerment en case management
  • Multidisciplinaire aanpak
  • Opleiding en onderwijs
  • Kwaliteit en evaluatie van de zorg
  • Operationalisatie, begeleiding en evaluatie van de acties.

Advies

Algemene opmerking: over gans de nota wordt alles gezien vanuit het gezichtsveld van “de patiënt”, en wordt minder (of niet) gefocust op de handicap, wat toch niet mag vergeten worden. De NHRPH betreurt het feit dat personen met een handicap te weinig aan bod komen in de dossiers chronische ziekten. Ondanks herhaald aandringen is de NHRPH niet vertegenwoordigd in het Observatorium van de chronische ziekten, en werd de NHRPH ook niet uitgenodigd op de conferentie chronische ziekten. Maar er mag niet over het hoofd gezien worden dat een handicap dikwijls aanleiding geeft tot een chronische aandoening, wat uitlegt waarom de NHRPH het geoorloofd acht geraadpleegd te worden.

De leden van de NHRPH zijn het volkomen eens met de verandering van een ziektegeoriënteerde aanpak naar een benadering waarbij de noden en behoeften van de persoon met een of meer chronische ziekten centraal staan, zoals uiteengezet op blz. 4 van de nota.

Ook het “self-empowerment” van de patiënt is een interessante idee. Hierbij wordt wel opgemerkt dat toch moet opgepast worden de patiënt niet te stigmatiseren, verantwoordelijk te houden voor zijn evoluerende gezondheidstoestand. Het is hierbij ook belangrijk de voorwaarden voor empowerment, zoals aangegeven op blz. 6, tot stand te helpen brengen. Hoe positief dit ook is, diegenen die er niet toe komen zelfstandig te worden, mogen niet in de kou blijven staan.

Er worden zes actiedomeinen opgesomd, één ervan is opleiding, onderwijs en navorming van de zorgverstrekkers. De leden van de NHRPH benadrukken het belang van dit actiepunt, en wensen hier vooral een heel belangrijk thema aan toe te voegen, namelijk een betere kennis van de handicaps en van de personen met een handicap, het leren omgaan met het meedelen van de realiteit van de bestaande handicap en met de communicatie in het algemeen, rekening houdend met de aard van de specifieke beperkingen van de persoon.

In de nota is op meerdere plaatsen sprake van het begrip mantelzorger. In het wetsontwerp betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat is de mantelzorger de persoon die doorlopende en/of regelmatige hulp en bijstand verleent aan de geholpen persoon. De geholpen persoon is in dit wetsontwerp omschreven als de als zwaar zorgbehoevende erkende persoon. Nu zijn personen die getroffen zijn door een chronische ziekte niet allemaal in dat geval. Hoe moet dit dan begrepen worden? Zo is bijvoorbeeld op blz.10 duidelijk sprake van de mantelzorger die in minder complexe gevallen de patiënt die tevens het case management waarneemt, bijstaat.

Blz. 3, voorlaatste alinea, laatste zin als volgt vervolledigen: …inkomensverlies, werkonbekwaamheid, handicap, extra ziekte- en zorgkosten, bijzondere aanpassingen om de beperkingen te compenseren.

Blz. 9, punt 4: wat betreft de opsomming van de discriminatiegronden de handicap toevoegen.

Blz. 11, wat betreft het inzetten van een case manager benadrukken dat dit in de eerste plaats bepaald wordt door de vraag van de patiënt, en dat het case management niet alleen een andere manier van overleg en zorgcoördinatie vraagt, maar vooral de daadwerkelijke erkenning van de doorslaggevende rol van de persoon zelf. Indien de betrokken patiënt dit wenst, moet het ook iemand uit zijn omgeving kunnen zijn.

Blz. 13: het multidisciplinair patiëntendossier zou ook toegankelijk moeten zijn voor personen met een visuele, een verstandelijke handicap, … alle handicaps.

Blz. 14: de patiënt zou ook gedifferentieerd toegang moeten kunnen verlenen tot zijn dossier.

Blz. 20 over de inhoud van het globaal medisch dossier: de patiënt moet in overleg, medezeggenschap hebben in verband met de samenstelling van zijn dossier.

Blz. 21, 2de alinea: de huisarts en/of de patiënt kunnen hulp gebruiken van een case manager: in de eerste plaats beslist de patiënt hierover. En het inzetten van de case manager moet in de eerste plaats ingegeven zijn door de erkenning van de patiënt als een persoon die voor zichzelf beslist: het is in de eerste plaats de patiënt die beslist.

Blz.23 ondersteunende functies in de zorgsector, de 2de zin wat betreft de enzovoort invullen met: begeleiding, in het bijzonder wat betreft de handelingen van het dagelijks leven. Op het einde van dit 2de punt “ondersteunende functies in de zorgsector”, toevoegen dat ook moet gedacht worden aan “nieuwe beroepen” die beter kunnen tegemoetkomen aan situaties van handicaps die specifieke behoeften en antwoorden doen ontstaan. Zelfde bladzijde, 3de punt: toevoegen dat deze vertalingen rekening moeten houden met de bijzondere aard van de verstandelijk gehandicapte patiënt (in ”gemakkelijk lezen” vorm), van de slechtziende en blinde patiënt (info in braille, audiobeschrijving), van de dove patiënt (info via capsules in gebarentaal).

Blz. 24: wat betreft de basisprincipes voor dit luik informatie de hiervoor gemaakte opmerkingen wat betreft de specifieke handicap, toevoegen.

Blz. 26, wat betreft de verbetering van de rechtstreekse ondersteuning van mantelzorg, als eerste bolletje zetten: het aanbieden van “nieuwe dienstverleningen door de diensten voor thuiszorg, de dagelijkse veelheid van de te beantwoorden aanvragen, de nood aan begeleiding van de handelingen van het dagelijks leven, inbegrepen de activiteiten die zich buitenshuis afspelen. Wat dan het tweede bolletje wordt, aanvullen: de opvang in een woonzorgcentrum en in instellingen voor personen met een handicap, kan uitgesteld worden.

Blz. 27: de beslissing om een case manager in te schakelen kan niet alleen genomen worden op initiatief van de zorgverleners (waarom niet sociale diensten, de familie?) En voor de identificatie van complexe gevallen moet ook de situatie ne de specificiteit van bepaalde handicaps in rekening gebracht worden. En wat betreft de structuren van de eerste lijn moet na de patiëntenvereniging de vereniging van personen met een handicap vermeld worden.

Blz. 30, doel: een verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening: kwaliteit dat is de financiële toegankelijkheid van de infrastructuur en de uurregeling.

Blz. 34 wat betreft opleiding en onderwijs in de eerste alinea na “patiënt-empowerment toevoegen: het specifieke van de handicaps. En op het einde van deze bladzijde, laatste bolletje vervolledigen: ervaringskennis van patiënten en personen met een handicap/patiëntenverenigingen en verenigingen van personen met een handicap/patiëntenvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van personen met een handicap.

Blz. 35, tweede alinea op het einde van de zin toevoegen: de specificiteiten verbonden aan de handicap, … En de derde alinea, 3de zin: patiënten, patiënten met een handicap

Blz. 36, modules over empowerment, voorlaatste bolletje, toevoegen: het specifieke van sommige handicaps En wat betreft de navorming (in de Franse tekst is dat blz. 37), het vierde bolletje schrijven: met betrokkenheid van patiënten, ondermeer de patiënten met een handicap, en verenigingen van patiënten/verenigingen van personen met een handicap (omwille van hun kennis en ervaring) – in de Franse tekst: vu leur connaissance et expérience de la maladie et/ou du handicap.

Blz. 37: voorbeelden van nascholing: een derde bolletje toevoegen: de benadering van de verschillende handicaps en de communicatiemethoden die hun eigen zijn.

Blz. 38: de opleiding, tweede bolletje, toevoegen: en de specificiteiten van de handicaps in het bijzonder. En wat betreft actie 15, doel (voor de Franse tekst is dit blz. 39), vervolledigen: de rol en inbreng uit de praktijk, inclusief die van patiënten en van patiënten met een handicap en van organisaties die patiënten/organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen….En wat betreft beschrijving, proces, …vervolledigen: het is belangrijk dat in de opleiding van zorgverleners meer beroep wordt gedaan op patiënten en personen met een handicap en/of hun vertegenwoordigers En de volgende zin: ……mag de stem en ervaring van patiënten en personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties niet ontbreken.

Blz. 40: laatste alinea Nederlandse tekst (voorlaatste Franse tekst, aanvullen: de indicatoren worden wetenschappelijk gevalideerd in samenwerking met beroepsassociaties alsook met vertegenwoordigers van patiënten en personen met een handicap.

Blz. 45, na punt 5 een bijkomend punt invoegen: er zal afgesproken worden dat een stand van zaken en een evaluatie specifiek met betrekking tot de specificiteiten van de handicaps zal worden gegeven.

Blz. 46, de vierde alinea van het punt “beschrijving, proces, procedures, rollen : dit voorbeeld laten wegvallen: het bestaat ook in de Waalse Regio, maar een PAB is niet bedoeld voor de zorgen, maar om de hulp bij de organisatie van het dagelijks leven, van één of meerdere assistenten te financieren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en van Volksgezondheid;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/16 - Evaluatie VKB

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/16 over de regeling betreffende de evaluatie van de kinderen met een handicap in het stelsel van de verhoogde kinderbijslag. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 28 april 2014.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap, met brief van 28 maart 2014.


Onderwerp

De Staatssecretaris voor personen met een handicap wordt regelmatig geïnterpelleerd met betrekking tot de evaluatie van kinderen met een handicap in het kader van de toekenning van een verhoogde kinderbijslag. Meer in het bijzonder ouders van kinderen met autisme beklagen zich over het gebruik van de in voege zijnde evaluatieschaal.

De staatssecretaris vraagt aan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap een nieuwe evaluatie van de schaal, zo breed mogelijk en met aandacht voor de problematiek van de evaluatie van kinderen met autisme.


Analyse

De medische onderzoeken die aan de basis liggen van de toekenning van een verhoogde kinderbijslag, worden uitgevoerd door de medische dienst van de Directie-generaal Personen met een handicap.

De hervorming van 2003 voert een evaluatie van de handicap in op basis van 3 pijlers. Het medisch onderzoek spitst zich toe op volgende vragen:

  • heeft de handicap lichamelijke of geestelijke gevolgen?
  • heeft de handicap een invloed op de dagelijkse activiteiten van het kind (mobiliteit, leervermogen, lichaamsverzorging,…)?
  • heeft de handicap gevolgen voor het gezin (medische behandeling, noodzakelijke verplaatsingen, aanpassing leefomgeving,…)?

Het recht op een bijkomende kinderbijslag wordt toegekend door de som te maken van de punten die aan deze 3 aspecten van de evaluatie van de handicap wordt gegeven.

De NHRPH bracht in zijn plenaire vergadering van 20 september 2005 een omstandig advies uit over de hervorming van de kinderbijslag voor kinderen met een aandoening, naar aanleiding van het evaluatieverslag over de hervorming.

In dit advies is in ruime mate aandacht besteed aan de medico-sociale schaal en aan het medisch onderzoek.


Advies

De leden van de NHRPH verwijzen naar het besluit van hun advies 2005/16 van de vergadering van 19 september 2005.

  • “Gezien de ingewikkeldheid van het systeem van de kinderbijslag voor kinderen met een aandoening en gezien de vragen die oprijzen uit het evaluatieverslag oordeelt de raad dat bepaalde punten nog het voorwerp van debat en discussie dienen uit te maken.
  • De hervorming beantwoordt in het algemeen aan de nagestreefde doelstellingen maar belangrijke problemen blijven bestaan, daarom stelt de Raad voor om werkgroepen op te richten bestaande uit vertegenwoordigers van de Minister, van de administratie, van de Nationale Hoge Raad en van de verenigingen van personen met een handicap teneinde het systeem te verbeteren.
  • (...)
  • Tenslotte wenst de Raad dat het systeem het voorwerp zou uitmaken van een nieuwe evaluatie na twee jaar zoals dat gebeurde bij de invoering van de hervorming in 2003 en dat deze evaluatie in de wetteksten zou worden ingeschreven.”

De leden van de NHRPH stellen thans vast dat bepaalde problemen blijven bestaan: er zijn meerdere aspecten waarover opnieuw moet nagedacht worden, en die grondig dienen bestudeerd te worden. Bovendien mag niet gefocust worden op één bepaalde handicap, alle handicaps moeten getoetst worden.

De NHRPH zelf heeft niet de mogelijkheden om dit grondig onderzoek te doen.

De NHRPH verwijst naar zijn eerder advies en vraagt dat één (of meerdere, naargelang de wijze van organiseren) werkgroep (‘en) wordt (worden) opgericht.

Deze werkgroep moet doelstellingen hebben en een zeer concrete en duidelijke opdracht. Hij moet samengesteld zijn uit medewerkers van de directie-generaal personen met een handicap, de RKW en leden van de NHRPH. Er zou bijvoorbeeld ook aan een universiteitsprofessor kunnen gevraagd worden deze werkgroep voor te zitten.

Deze werkgroep moet doelstellingen hebben en een zeer concrete en duidelijke opdracht. Hij moet samengesteld zijn uit medewerkers van de directie-generaal personen met een handicap, de RKW en leden van de NHRPH. Er zou bijvoorbeeld ook aan een universiteitsprofessor kunnen gevraagd worden deze werkgroep voor te zitten.

De leden van de NHRPH verklaren opnieuw uitdrukkelijk bij deze werkzaamheden te willen betrokken worden, gelet op hun grondige expertise terzake.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het inter-federaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 4

Advies 2014/15 - Beschermingsstatus

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/15 met betrekking tot de uitvoering van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 28/04/2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

De leden van de NHRPH zijn zich bewust van het kapitaal belang van de uitvoeringsbesluiten van de bovenvermelde wet, vandaar hun nieuwe advies met betrekking tot dit deel van de procedure.


Analyse

Bovenvermelde wet van 17 maart 2013 verscheen in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2013. Artikel 233 bepaalt dat de wet in werking treedt op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De NHRPH is ervan op de hoogte dat de inwerkingtreding intussen verdaagd is tot 1 september 2014.

Een reeks uitvoeringsbesluiten moet genomen worden, de NHRPH tast ter zake volledig in het duister.

De NHRPH werd wel op datum van maandag 27 januari 2014 op de hoogte gebracht van een adviesaanvraag via de Staatssecretaris voor personen met een handicap in verband met art.492/05 van het Burgerlijk Wetboek: “De Koning stelt op eensluidend advies van de orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten”

Dit advies diende uiterlijk woensdag 5 februari 2014 bezorgd te worden.

Een bijeenroeping van de plenaire vergadering was onmogelijk. Gelet op de hoogdringendheid van de aanvraag besloot het bureau van de NHRPH in vergadering van 3 februari zijn standpunt in een brief aan mevrouw de minister uiteen te zetten. De plenaire vergadering werd hiervan ingelicht en keurde deze wijze van handelen volledig goed.

De plenaire vergadering had trouwens een jaar voordien, namelijk op 21 januari 2013 een advies uitgebracht, waarin ondermeer gesteld werd dat de NHRPH bij de uitvoering van deze wet op een aantal nader omschreven punten wenste betrokken te worden. Dit advies werd op 23 januari 2013 aan de minister van Justitie toegestuurd. Ondanks meerdere herinneringen kwam er nooit een reactie.

Wat meer in het bijzonder de aanvraag inzake de lijst van gezondheidstoestanden betreft kon het bureau alleen maar vaststellen over geen enkel document te kunnen beschikken.

Het enige document dat toegestuurd werd, was een advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren dat evenwel niet over de grond van de zaak, namelijk een oplijsting van gezondheidstoestanden, handelde.

Het Bureau van de NHRPH was dan ook de mening toegedaan dat het niet aan de NHRPH toekwam zelf een dergelijke lijst op te stellen. Dergelijke lijst moet voorbereid worden door deskundigen, en besproken worden in een werkgroep waaraan de NHRPH deelneemt. Dit dossier zou daarna in de plenaire vergadering toegelicht kunnen worden, waarna de NHRPH een gefundeerd advies zou kunnen uitbrengen.

De NHRPH herhaalde bereid te zijn een advies uit te brengen, op voorwaarde dat het dossier op een ernstige wijze kan behandeld worden.

Ook op deze brief kwam geen enkele reactie.


Advies

De NHRPH maakt zich ongerust over de gang van zaken en begrijpt de houding van de verantwoordelijken ter zake niet.

Het gaat hier namelijk over een toch wel heel belangrijke aangelegenheid: de overheid regelt de toestand van personen die geacht worden zich in een situatie te bevinden die het natuurlijke vermogen van elke persoon om zijn belangen te behartigen, aantast. Dit zijn beperkingen van de rechten en vrijheden waarmee een democratische rechtstaat heel omzichtig moet omspringen. Het is meer dan logisch dat in dit geval de sector die de belangen van deze personen verdedigt, op zijn minst gehoord en betrokken wordt.

Trouwens, in uitvoering van de beslissing van de ministerraad van 20 juli 2011 werd volgende opdracht gegeven:

“ (…) aan alle Ministers en Staatssecretarissen om binnen hun bevoegdheidsdomein terdege rekening te houden met de dimensie handicap bij het concipiëren en uitvoeren van hun beleid en overleg te plegen met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) en met de minister of staatssecretaris bevoegd voor het beleid inzake personen met een handicap”.

Dit is volledig in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, door België geratificeerd, dat in art. 4.3 bepaalt dat “Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.”

In de veronderstelling dat de wet nog steeds op 1 juni 2014 van kracht wordt, rest heel weinig tijd met betrekking tot de uitvoeringsbesluiten.

De NHRPH, in uitvoering van artikel 4 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap vraagt daarom uitdrukkelijk betrokken te worden bij de opstelling van volgende Koninklijke besluiten:

  • Opstelling van de lijst bedoeld in art. 492/5 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door art. 46 van de wet van 17 maart 2013;
  • De bepaling van het aantal dossiers per voorlopige bewindvoerder – art. 497/1 van het Burgerlijk Wetboek (art. 69 van de wet van 17 maart 2013);
  • De bepaling van de inkomsten die de bezoldiging van de voorlopige bewindvoerder zullen bepalen – art. 497/5 van het Burgerlijk Wetboek (art. 73 van de wet van 17 maart 2013);
  • De opstelling van het standaardformulier voor de medische verklaring – art. 1241 van het Burgerlijk Wetboek (art. 183 van de wet van 17 maart 2013).

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Annemie Turtelboom, Minister van Justitie;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2014/14 - KB federale raad

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/14 over het ontwerp van koninklijk besluit tot oprichting van de Federale Raad voor personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) opgemaakt tijdens de plenaire vergaderingen van 16 december 2013, 20 januari 2014, 17 februari 2014, 17 maart 2014 en 28 april 2014.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, in zijn e-mailbericht van 8 november 2013.


Onderwerp

Dit besluit heeft tot doel een "Federale Raad voor personen met een handicap" op te richten ter vervanging van de huidige "Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap", opgericht bij koninklijk besluit van 9 juli 1981, dat zou worden opgeheven.


Analyse

De basis van het voorstel van dit ontwerp van koninklijk besluit staat in de aanhef in de vorm van twee consideransen: de aandacht voor de eisen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap enerzijds en de structurele regeling van de deelname van personen met een handicap en van de organisaties die hen vertegenwoordigen aan de denk- en politieke besluitvormingsprocessen anderzijds.

Het omvat een niet-gestructureerd vervolg van artikelen, onder andere met betrekking tot de samenstelling, de opdracht en de werking van de raad.

Het ontwerp voert onder andere de volgende belangrijke wijzigingen door:

  • invoering van het principe van vertegenwoordiging van een vereniging;
  • invoering van het begrip plaatsvervangende leden;
  • duur van het mandaat.

Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap werd in het kader van de opmaak van deze nieuwe regelgevende tekst snel geraadpleegd. Vele opmerkingen die tijdens de werkvergaderingen door de leden van de NHRPH werden gemaakt, werden gehoord en in overweging genomen.

Deze associatieve en participatieve aanpak toont de wil aan van het kabinet om de NHRPH te betrekken tijdens een verder gevorderd stadium in de uitwerking van het beleid en de juridische normen. Deze wil blijkt ook uit de consideransen van het ontwerp van koninklijk besluit.

Nieuwe juridische norm:

Na kennis te hebben genomen van de intentie van de auteurs enerzijds en van de inhoud van de artikelen anderzijds, stelt de Raad zich vanuit technisch oogpunt vragen bij de pertinentie van het invoeren van een nieuwe juridische norm in plaats van het aanpassen van het huidige koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van de NHRPH: de strekking is verschillend en de inhoud van de artikelen wil inspelen op de praktijk, maar globaal gezien is de structuur van het besluit niet gewijzigd.

Strekking van het ontwerp:

De NHRPH is van mening dat het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap niet langer in overeenstemming is met de huidige situatie, in het bijzonder op het vlak van de werking en de uitvoering van de opdrachten van deze raad in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. De NHRPH is van mening dat de rol van de nieuwe raad in het kader van dit verdrag, de relaties die hij onderhoudt met het maatschappelijk middenveld en met andere raden en een eventuele vertegenwoordiging op Europees en/of internationaal niveau onvoldoende aan bod komen in de opdrachten zoals ze zijn beschreven in het ontwerp van koninklijk besluit.

De NHRPH stelt voor om een eerste artikel in te voegen dat de algemene opdracht van de nieuwe raad in het licht van het verdrag beschrijft. Bijvoorbeeld: "belast met het verzekeren van de actieve deelname van personen met een handicap aan de uitwerking en de uitvoering van de beleidsmaatregelen die al dan niet specifiek op hen betrekking hebben".

De NHRPH stelt voor om vervolgens de hoofdtaken van de raad met betrekking tot de algemene opdracht nader te bepalen:

  • Adviezen verstrekken op gebieden waarvoor de federale overheid bevoegd is en die een invloed kunnen hebben op de uitoefening van de rechten van personen met een handicap, op eigen initiatief OF op verzoek van een lid van de regering OF op verzoek van een wetgevende kamer OF op verzoek van gelijk welke federale instelling van openbaar nut;
  • deelnemen aan het uitwerken van het beleid en van de maatregelen die een invloed hebben op de uitoefening van de rechten van personen met een handicap en hun familie op verzoek van een lid van de regering OF op verzoek van een wetgevende kamer;
  • voorstellen doen met het oog op de optimalisering en de coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen, op eigen initiatief OF op vraag van een regeringslid OF op vraag van een wetgevende kamer.
  •  

De NHRPH vindt het ook belangrijk om de regeringsleden er in een specifiek artikel aan te herinneren dat het noodzakelijk is om aan de nieuwe raad alle nuttige en nodige informatie te bezorgen met het oog op de uitvoering van zijn opdrachten.

Inhoud van het ontwerp:

Artikel 3, eerste lid: Leden

De leden van de nieuwe raad zullen niet langer leden zijn die persoonlijk 'speciaal bevoegd' zijn, maar vertegenwoordigers van verenigingen. Deze nieuwe formulering houdt het risico in dat kandidaturen worden geweigerd van personen die deskundig zijn op het vlak van handicap maar geen lid zijn van een vereniging. De NHRPH staat niet achter deze beperkingen en geeft sterk de voorkeur aan een raad die is samengesteld uit verschillende categorieën van leden:

vertegenwoordigers van verenigingen die de rechten van personen met een handicap en van hun familie vertegenwoordigen en verdedigen – minstens 2/3 van de leden met beraadslagende stem; vertegenwoordigers van organisaties die ook, maar niet uitsluitend, de rechten van personen met een handicap verdedigen; leden aangeduid op basis van hun sociale of wetenschappelijke activiteiten op het gebied van handicap; de voorzitter van het Belgian Disability Forum vzw (BDF) of zijn afgevaardigde; de vertegenwoordiger van de Eerste Minister; de vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor het beleid inzake personen met een handicap.

Het bepalen van het precieze aantal leden zou worden overgelaten aan de overheid. De raad is evenwel van mening dat minstens 20 leden nodig zijn om een ruime representativiteit van de categorieën en van de sector te kunnen verzekeren en om de regelgeving betreffende de taalpariteit en de gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de adviesraden te kunnen naleven. Dat aantal moet ook een optimale werking op operationeel vlak waarborgen.

Van de verschillende soorten leden zouden enkel categorieën 1, 2 en 3 over een beraadslagende stem beschikken.

De raad wenst ook een artikel in te voegen met betrekking tot de onverenigbaarheid van mandaten. Het mandaat van lid van de nieuwe raad zou onverenigbaar zijn met:

  • een parlementair mandaat op federaal, gewestelijk, gemeenschaps- of Europees niveau;
  • het statuut van ambtenaar van gelijk welke Belgische entiteit;
  • een functie in een ministerieel kabinet.

Artikel 3, tweede lid: Plaatsvervangende leden

Het probleem van de plaatsvervanging is een probleem dat ruim aan bod is gekomen bij de NHRPH. De aanduiding van plaatsvervangers werd in eerste instantie gesuggereerd als een interessante oplossing voor het absenteïsmeprobleem. Na rijp beraad is de NHRPH echter van mening dat de aanduiding van plaatsvervangende leden andere moeilijkheden met zich zou meebrengen voor de nieuwe raad, namelijk:

  • voor de kleine verenigingen zou het moeilijk zijn om een effectief en een plaatsvervangend lid aan te duiden;
  • de plaatsvervangende leden zouden verplicht zijn om alle vergaderdata vrij te houden, zonder er zeker van te zijn dat ze de vergaderingen daadwerkelijk mogen bijwonen;
  • de moeilijkheid voor de plaatsvervangende leden om zo maar onvoorbereid de effectieve leden te vervangen (context, meningsverschillen, historiek van het behandelde dossier, …); …

Derhalve is de NHRPH geen voorstander van de aanduiding van plaatsvervangende leden in het kader van de samenstelling van de nieuwe raad.

Om het probleem van de herhaaldelijke/permanente ongewettigde afwezigheden van de effectieve leden op te lossen, dringt de NHRPH erop aan om in het koninklijk besluit een specifiek artikel in te voegen met betrekking tot de beëindiging van het mandaat; het mandaat zou aflopen bij het einde van de termijn (1), bij het overlijden van het lid (2), wanneer het lid ontslag neemt (3) en wanneer het lid ambtshalve wordt ontslagen (4).

In het eerste geval (1), zou de volledige raad worden vernieuwd na afloop van de termijn van 6 jaar, volgens een nader te bepalen procedure (met bekendmaking in het Belgisch Staatsblad). In het tweede (2) en derde (3) geval zou enkel het overleden of ontslagnemend lid moeten worden vervangen volgens een in het huishoudelijk reglement vast te leggen procedure. De vierde hypothese (4) beoogt de gevallen van herhaaldelijke ongewettigde afwezigheden (bijvoorbeeld: meer dan de helft van de jaarlijkse vergaderingen), langdurige gewettigde afwezigheden (bijvoorbeeld: langer dan een jaar), onverenigbaarheden die ontstaan in de loop van het mandaat en het niet langer vertegenwoordigen van een vereniging. Het lid zou dan ambtshalve kunnen worden ontslagen door de overheid, op voorstel van het bureau. Deze verschillende hypotheses en de te volgen procedures zouden in het huishoudelijk reglement kunnen worden vastgelegd.

Artikel 3, derde lid 3:

De NHRPH stelt voor om een artikel in te voegen dat de nieuwe raad toelaat om de vertegenwoordiger(s) uit te nodigen van de minister(s)/staatssecretaris(sen) die betrokken zijn bij een punt op de agenda.

De NHRPH betreurt dat de vertegenwoordiger van de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid niet meer voorkomt in het punt met betrekking tot de samenstelling van de nieuwe raad. De opdrachten van het secretariaat onderscheiden zich immers duidelijk van de rol van de vertegenwoordiger van de administratie. Die is immers in twee richtingen de tussenpersoon tussen de diensten van de betrokken administratie enerzijds en de Raad anderzijds. Hij bezorgt informatie en volgt de uitgevoerde beleidsmaatregelen op. De NHRPH vraagt daarom dat de vertegenwoordiger van de FOD Sociale Zekerheid terug zou worden opgenomen in de samenstelling van de nieuwe raad.

Artikel 4: Mandaat

De NHRPH geeft de voorkeur aan de huidige duur van het mandaat, namelijk 6 jaar vernieuwbaar, en ziet niet in op welke basis de duur zou moeten worden verkort tot 5 jaar.

Artikel 5: Beraadslagingen

Met betrekking tot het vereiste quorum, stelt de NHRPH de volgende formulering voor: "de helft +1 van de leden met beraadslagende stem". De NHRPH wenst geen preciseringen betreffende de beslissingswijze; idealiter zouden de adviezen van de nieuwe raad de verschillende tendensen moeten weerspiegelen die er in die raad zijn.

Artikel 6: Huishoudelijk reglement

De NHRPH is van mening dat het huishoudelijk reglement moet worden opgemaakt door de nieuwe raad, om het vervolgens te bezorgen aan het bevoegde regeringslid, dat binnen de 3 maanden naar het versturen ervan nagaat of het in overeenstemming is met de regelgeving. Na die termijn wordt het huishoudelijk reglement geacht goedgekeurd te zijn.

Artikel 7: Bureau

De NHRPH stelt voor om te vermelden dat de leden van het Bureau bij koninklijk besluit worden benoemd onder de leden van de raad met beraadslagende stem.

De NHRPH vindt het ook belangrijk om te vermelden dat het Bureau de agenda's van de vergaderingen vastlegt.

Op het vlak van de tussenkomst van deskundigen, vraagt de NHRPH zich af wat de nuanceverschillen zijn tussen "bijstaan" en "adviseren". De NHRPH stelt voor om de formulering "beroep doen op" uit het koninklijk besluit van 9 juli 1981 over te nemen.

Artikel 8: Vergaderingen

Om te zorgen voor de nodige betrokkenheid vanwege de leden van de nieuwe raad, stelt de NHRPH voor om het aantal plenaire vergaderingen per jaar te verhogen tot minstens 8.

Artikel 9: Secretariaat

De praktijk heeft uitgewezen dat de aanwijzing van één secretaris om het secretariaat van de NHRPH waar te nemen niet realistisch was. De NHRPH is dan ook van mening dat de formulering van het derde lid van artikel 4 kan worden vereenvoudigd tot "de secretarissen (…)".

Wat de rol van het secretariaat betreft, geeft de NHRPH de voorkeur aan een algemene forumlering, namelijk: "de Raad bijstaan op conceptueel en administratief vlak, om ervoor te zorgen dat hij optimaal kan functioneren".

Structuur van de tekst:

De NHRPH stelt voor dat bij de goedkeuring van een nieuwe tekst tevens van de gelegenheid gebruik zou worden gemaakt om de tekst beter te structureren, door hem op te delen in hoofdstukken of door alle artikelen die over hetzelfde thema gaan samen te zetten (bijvoorbeeld: definities, opdrachten, samenstelling, werking en varia).

Artikel 4 gaat tegelijk over de benoeming van de leden, de bekenmaking en de duur van het mandaat.

Artikel 5 gaat tegelijk over de opdracht en de werking. Het komt na de samenstelling van de raad. Artikel 7 gaat over de benoeming van het bureau, artikel 8 over de werking en artikel 9 gaat opnieuw over de aanwijzing van het secretariaat


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum.
  • Raadplegingen: 4

Advies 2014/13 - Parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap over de automatische afgifte van de parkeerkaart bij aankoop van een rolstoel. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 28/04/2014


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Deze maatregel heeft tot doel zonder bijkomende formaliteiten een parkeerkaart toe te kennen aan personen die van hun ziekenfonds toestemming gekregen hebben om een rolstoel te kopen.


Analyse

Deze maatregel is het resultaat van een akkoord tussen de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid en het RIZIV.

Wie van zijn ziekenfonds toestemming krijgt om een rolstoel te kopen, in het kader van de wetgeving voor geneeskundige verzorging, zal geen aanvraag voor een parkeerkaart meer hoeven in te dienen bij de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid.

Deze maatregel heeft enkel betrekking op de aankoop en dus niet op de huurcontracten voor ouderen in een rusthuis.

Dankzij een gegevensuitwisseling tussen beide instellingen kan de parkeerkaart zonder bijkomende formaliteiten automatisch afgegeven worden aan de betrokken persoon.

Inwerkingtreding: 1 april 2014


Advies

Tot zijn grote verbazing heeft de NHRPH voor het eerst kennis genomen van deze maatregel door middel van een persmededeling van de Staatssecretaris.

Als adviesorgaan voor alles wat op een of andere manier te maken heeft met handicap, betreurt de Raad niet op voorhand geraadpleegd te zijn.

De NHRPH keurt de geest van de maatregel goed, omdat die de talloze administratieve en medische stappen bij meerdere instanties voor de betrokken persoon, in het bijzonder de persoon met een handicap, probeert te vermijden.

Hij vestigt evenwel de aandacht erop dat de invoering van een automatisch mechanisme op termijn een wanverhouding zou kunnen doen ontstaan tussen, enerzijds, de oorspronkelijk nagestreefde doelstellingen en, anderzijds, de effectieve toestand in de praktijk. Om dit nadeel te verhelpen, herhaalt de NHRPH wat hij reeds meermaals gezegd heeft: enkel een gerichte controle door de politie kan onrechtmatig gebruik van de kaart beperken.

Tot slot stelt de Raad voor de aandacht van de betrokken personen bij de automatische afgifte van de kaarten te vestigen op de specifieke gebruiksvoorwaarden.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum.

Advies 2014/12 - Inkomensgrenzen IT

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/12 uitgebracht door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap over de mogelijkheid om de inkomensgrenzen voor de berekening van de integratietegemoetkoming te wijzigen. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) geformuleerd na elektronisch overleg op 09/04/2014.


Aanvrager

Advies uitgebracht op eigen initiatief


Onderwerp

De NHRPH pleit reeds jaren voor een algemene en grondige hervorming van de regeling inzake de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (zie in het bijzonder de adviezen 2013/19 en 2014/04). In afwachting daarvan wenst de NHRPH dat eventueel beschikbare financiële reserves gebruikt zouden worden om de bestaande regeling te verbeteren.

De NHRPH herhaalt dus zijn reeds eerder geformuleerd verzoek om de inkomensgrenzen voor de integratietegemoetkoming ook toe te passen op bedragen van de verschillende categorieën van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen.

De NHRPH verdedigde deze maatregel reeds in zijn advies 2009/08 en in zijn memorandum van 2011 aan de formateur van de federale regering.


Analyse

Voor de meeste personen met een handicap in België vormen tegemoetkomingen een noodzakelijke bron van inkomsten. Aangezien deze tegemoetkomingen residuair zijn en slechts worden toegekend na een onderzoek over de inkomsten, kan men veronderstellen dat een aanzienlijk deel van deze bevolkingsgroep onder de armoedegrens leeft.


Advies

De integratietegemoetkoming is bedoeld als compensatie voor de extra kosten die voortvloeien uit de handicap. Deze tegemoetkoming wordt echter volledig of gedeeltelijk geschorst zodra de inkomsten hoger zijn dan het grensbedrag van de vrijstelling.

De NHRPH vraagt de inkomensgrenzen voor de integratietegemoetkoming (IT) voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, op te trekken tot de bedragen van de categorieën van de IVT. Momenteel is het zo dat, wanneer een persoon met een handicap een vervangingsinkomen ontvangt (invaliditeit, werkloosheid, enz.), zijn globaal inkomen vaak lager is dan wanneer ze enkel een inkomensvervangende- en een integratietegemoetkoming zou krijgen. Dit komt doordat er een verschil is tussen het bedrag van de IVT en de inkomensgrens voor de IT. Bij elke verhoging buiten index neemt dit verschil toe. Dit probleem moet spoedig worden opgelost, met name door een verhoging van deze inkomensgrens.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum.

Advies 2014/11 - Stationslijst

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/11 over de prioriteitenlijst van de toegankelijk te maken stations en haltes van de NMBS. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 17/03/2014 na bespreking op de NMBS-werkgroepvergadering van 13 maart 2014.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH, na overleg met de NMBS.


Onderwerp

De NHRPH kreeg een klacht over een persoon die in het station van Gentbrugge geen assistentie krijgt van B4You omdat Gentbrugge niet op de lijst van de toegankelijke stations staat. Nochtans is Gentbrugge een relatief belangrijk station in de streek.


Analyse

De NMBS hanteert een prioriteitenlijst met stations (Revalor 2009, bijlage 4) die met voorrang volledig toegankelijk moeten worden gemaakt. Deze lijst telt 100 stations, waarvan er 86 nu al volledig toegankelijk zouden zijn.

De lijst is opgevat als een prioriteitenlijst van de belangrijkste stations, zowel qua reizigersaantallen als qua plaats in het netwerk (overstapstations). De lijst houdt ook rekening met de afstanden, zodat er altijd een toegankelijk station in de omgeving is.

Los van de lijst van 100 stations zouden nog 28 andere stations volledig toegankelijk zijn. Ook bij werkzaamheden aan andere stations wordt rekening gehouden met de toegankelijkheidsvereisten. Bij renovatie van een station zal Revalor worden gevolgd. De toegankelijkheid wordt dus verbeterd als het station onvoldoende toegankelijk was.

Ook de dienst B4you speelt hier een belangrijke rol. Een mobiel team biedt persoonlijke assistentie aan als die ten minste 24 uur op voorhand is aangevraagd. Dit geldt voor de 114 toegankelijke stations en haltes (86 + 28) waar de assistentie verzekerd is.

Vanuit 17 bijkomende stations wordt verder samengewerkt met taximaatschappijen om personen met beperkte mobiliteit (PBM) naar een toegankelijk station met assistentie te brengen.

Wat Gentbrugge betreft, de NMBS is van mening dat er voldoende toegankelijke alternatieven in de regio zijn. De volledige toegankelijkheid van het station van Gentbrugge is voorlopig geen prioriteit.


Advies

De NHRPH waardeert de inspanningen die de NMBS al geleverd heeft en nog steeds levert om vervoer per trein volledig toegankelijk te maken voor PH en PBM. De NHRPH begrijpt ook dat er budgettaire en praktische factoren meespelen, maar vraagt toch met aandrang om de prioriteitenlijst snel uit te breiden tot relatief belangrijke stations en haltes zoals Gentbrugge, zodat er een beter en ruimer toegankelijk spoorwerknetwerk komt.

Het spreekt voor zich dat er dan ook voldoende goed opgeleid personeel moet worden voorzien om de assistentie in de bijkomende stations en haltes te verzekeren.

De NHRPH maakt gebruik van deze gelegenheid om nogmaals te vragen om eindelijk eens de 24-urenregel voor het aanvragen van assistentie te versoepelen, een regel die de NHRPH al lang een doorn in het oog is. Zolang die regel van kracht is, kunnen personen met een handicap niet echt vrij reizen.

De NHRPH vraagt uitdrukkelijk dat de NMBS de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) raadpleegt voor een technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Ter info aan mevrouw Hilde Crevits, Vlaams Minister van Mobiliteit;
  • Ter info aan de heer Jean-Pascal Labille, Minister van Overheidsbedrijven;
  • Ter info aan de heer Melchior Wathelet, Staatssecretaris voor Mobiliteit;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/10 - Station van Jette

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/10 over de werken in het station van Jette. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 17/03/2014 na bespreking op de NMBS-werkgroepvergaderingen van 5 september 2013, 5 december 2013 en 13 maart 2014.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH na bespreking van het project met de NMBS


Onderwerp

De toegankelijkheid van het station van Jette laat te wensen over. De NMBS stelt haar plannen voor toegankelijkheidswerkzaamheden voor.


Analyse

Het stationsgebouw van Jette is een beschermd monument. Dat betekent onder andere dat perron 1 ter hoogte van het stationsgebouw niet mag worden aangepast van Monumenten en Landschappen. Daardoor kunnen de Revalor-normen daar niet worden gevolgd.

Voor de ondergrondse doorgang naar de perrons zijn er wel nog mogelijkheden.

Ter hoogte van perron 4 worden volgende wijzigingen voorgesteld:

  • Het tussenbordes van de trap naar perron 4 geeft rechtstreeks uit op de parking. Daar wijzen noppentegels blinde en slechtziende personen op de nabijheid van de trappen.
  • Aansluitend op de doorgang van tussenbordes naar parking wordt de oversteekplaats voor voetgangers langer gemaakt zodat de voetgangers veiliger kunnen oversteken naar de parking.
  • In de onderdoorgang leiden – overwegend natuurlijke – geleidelijnen naar de liftkoker. Voorlopig is de lift nog niet voorzien.

Advies

De NHRPH vraagt nadrukkelijk om snel de middelen te voorzien om liften te installeren in de daartoe voorziene liftkokers in de onderdoorgang. Zonder liften is het station onvoldoende toegankelijk.

De NHRPH betreurt dat het perron niet kan worden opgehoogd ter hoogte van het stationsgebouw om aan de Revalor-standaarden te voldoen.

De NHRPH kan zich vinden in de voorstellen voor de tussenbordessen en de toegang naar de parking.

Vanzelfsprekend moet Revalor bij de werkzaamheden worden gerespecteerd.

De NHRPH vraagt uitdrukkelijk dat de NMBS de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) raadpleegt voor een technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/09 - Brussel-Zuid

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/09 over de werken tot verbetering van de toegankelijkheid van station Brussel-Zuid. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 17/03/2014.


Aanvrager

Advies op vraag van de werkgroep bestaande uit Accetics, Sensotec et de Brailleliga, in opdracht van de NMBS.


Onderwerp

In het station van Namen is de afgelopen jaren een proefproject uitgevoerd om het station toegankelijker te maken voor personen met een visuele handicap. Na overwegend positieve reacties van het testpubliek (personen met een visuele handicap) op het multisensoriële actieplan van Namen ontstond het plan om een vergelijkbaar project te lanceren in Brussel-Zuid en andere stations in samenwerking met de firma Sensotec en de Brailleliga. Tijdens contacten met NMBS Holding vroeg die maatschappij om op grond van de ervaringen in Namen een beschrijvende analyse met algemene principes op te stellen voor de nieuwe beheerscontracten.

Vooraleer de werken aan te vatten wenste de betrokkenen het advies van de NHRPH.


Analyse

Brussel-Zuid is een heel belangrijk station voor personenvervoer, ook voor personen met een (visuele) handicap. Voor de aanpassingen werd gekeken naar de ervaringen van de SNCF (Frankrijk) en de eigen ervaringen in het station van Namen.

In het station van Namen werd gewerkt volgens 3 thema’s:

oriëntatie referentiepunten (loket, infopaal, bakens, enz.) informatie voor de gebruiker met een visuele handicap

NMBS Holding District Sud heeft in Namen 3 grote maatregelen genomen:

multisensorieel stationsplan geluidsbakens voor precieze oriëntatie vocale info over de eigen reis : tijd, perron

De nieuwe voorzieningen dienen als aanvulling op de bestaande toegankelijkheidsfaciliteiten, en niet ter vervanging van bestaande voorzieningen.

De personen met een visuele handicap waren naar verluidt enthousiast over de geluidsbakens, iets minder over de multisensoriële aanpak. Maatregel 3 was nog niet geïmplementeerd in Namen en moet dus nog worden geëvalueerd. Uit die evaluaties van het proefproject werden lessen getrokken, ook voor Brussel-Zuid en verdere projecten.

Het station van Namen is eenvoudig van structuur: rechthoekig, en met twee ingangen. Brussel-Zuid daarentegen is een zeer groot en complex station waarvan vooral de toegankelijkheid van de oudere delen te wensen over laat.

De architect wil Brussel-Zuid dus op een vergelijkbare manier aanvatten, maar niet zonder eerst de mening van de NHRPH gehoord te hebben.

Het is de bedoeling dat in de toekomst nog andere belangrijke stations aan de beurt komen. Wanneer deze systemen in meer stations worden geïnstalleerd, ontstaat er gaandeweg een netwerk van toegankelijke stations.


Advies

De NHRPH staat principieel positief tegenover deze benadering.

De NHRPH vraagt wel om bij de werkzaamheden niet de andere handicaps uit het oog te verliezen.

Bovendien is de stationsomgeving die toegankelijk moet zijn ruimer dan het station alleen. Overleg met de lokale autoriteiten en andere vervoersmaatschappijen is noodzakelijk.

Er moet wel over worden gewaakt dat de nieuwe ‘tools’ inderdaad als aanvulling op het bestaande aanbod van voorzieningen voor toegankelijkheid komen, en niet in de plaats van.

Vanzelfsprekend moet Revalor worden gerespecteerd. Interessante pistes en goede praktijkvoorbeelden moeten worden toegevoegd aan Revalor.

Verbeteringen kunnen in de nieuwe beheerscontracten worden opgenomen.

De NHRPH verwijst ook naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap dat door België is geratificeerd. Het Verdrag vraagt o.a. dat de personen met een handicap worden betrokken bij beslissingen die hun aangaan, van de conceptie van het idee tot de ingebruikstelling.

De NHRPH vraagt uitdrukkelijk dat de NMBS de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) raadpleegt voor een technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heren Michel Grawez (Accetics), Luc Desmet (Sensotec) en Ronald Vrydag (Brailleliga)
  • Voor opvolging aan de NMBS
  • Ter info aan de heer Jean-Pascal Labille, Minister van Overheidsbedrijven
  • Ter info aan de heer Melchior Wathelet, Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/08 - Beheerscontracten

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/08 over de toekomstige beheerscontracten van de NMBS-Group. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 17/03/2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Nu de vroegere NMBS weer een nieuwe, tweeledige structuur krijgt, zal de overheid ook nieuwe beheerscontracten onderhandelen met de verschillende maatschappijen. Aangezien die beheerscontracten het spoorwegbeleid voor meerdere jaren gaan bepalen, is het nu bij uitstek het moment om in die beheerscontracten extra aandacht te hebben voor universele toegankelijkheid en personen met een handicap (PH).


Analyse

De FOD Mobiliteit & Vervoer is nauw betrokken bij de onderhandelingen van de nieuwe beheerscontracten. Op initiatief van de FOD Mobiliteit & Vervoer nam de NHRPH deel aan een werkgroep waaraan behalve de FOD Mobiliteit & Vervoer ook CAWaB deelnam. Die werkgroep nam een aanvang in de eerste helft van 2012. Tijdens de vergaderingen stelde de werkgroep een lijst van punten op die ze prioritair vindt voor de beheerscontracten van de maatschappijen van de NMBS inzake universele toegankelijkheid en inzake een beleid voor personen met een handicap (PH) en personen met een beperkte mobiliteit (PBM). De NHRPH verdedigde er ook zijn principes uit zijn positienota :

Voor de NHRPH moet het de bedoeling zijn dat het geleverde werk zijn weerslag heeft op de beheerscontracten ten voordele van de personen met een handicap en de personen met een beperkte mobiliteit.


Advies

De NHRPH vraagt om bij het opstellen van de beheerscontracten, die toch het beleid van de Belgische spoorwegen gedurende jaren zullen sturen, nadrukkelijk rekening te houden met de personen met een handicap. Het is erg belangrijk dat daarbij grondig over toegankelijkheid voor allen wordt gedacht.

VN-verdrag

De NHRPH verwijst in de eerste plaats naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap dat door België is geratificeerd. Toegankelijkheid is zelfs een van de grondbeginselen van het Verdrag (zie artikel 3) en er is dan ook een heel artikel aan gewijd (artikel 9). Artikel 20 is hier ook essentieel: dat behandelt de mobiliteit.

Het Verdrag vraagt dat de personen met een handicap transversaal worden betrokken bij beslissingen die hun aangaan, van de denkoefening over het uitwerken tot de aflevering en evaluatie.

In artikel 3 worden naast toegankelijkheid o.a. de volgende grondbeginselen aangehaald:

a. Respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen; c. Volledige en daadwerkelijke participatie in, en opname in de samenleving; e. Gelijke kansen

Artikel 4, Algemene verplichtingen, stelt in punt 3:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

Het principe van de transversaliteit, het rekening houden met en het betrekken van personen met een handicap bij elke stap van de beslissingname, uitvoering en controle loopt als een rode draad doorheen het Verdrag.

Rol van de NHRPH

De NHRPH is de representatieve organisatie van personen met een handicap in België op federaal vlak en vervult zo de rol die in artikel 4, punt 3 van het Verdrag is beschreven. De NHRPH vertegenwoordigt alle personen met een handicap, ongeacht het type van handicap, en streeft naar een volwaardige integratie van PH in de maatschappij. De leden zijn allemaal mensen met expertise in het domein van de handicap. De NHRPH rekent er dan ook op dat zijn adviezen de aandacht krijgen die ze verdienen.

Voor zijn visie/principes op het vlak van toegankelijkheid en mobiliteit verwijst de NHRPH naar zijn Positienota Toegankelijkheid en mobiliteit voor personen met een handicap van 29/01/2013.

Een van die principes is de verdere sensibilisering van de NMBS en haar personeel zelf. Nog te vaak worden PH gezien als die lastige, kleine doelgroep waarvoor dure extra voorzieningen moeten worden geïnstalleerd. Het is inderdaad wenselijk de personen met een handicap – alle types van handicap! – via de NHRPH te betrekken bij het ontwikkelen van nieuw rollend materiaal om toegankelijkheid te verzekeren van bij de start. Een transversale aanpak is immers efficiënter en vaak zelfs goedkoper dan latere aanpassingen voor toegankelijkheid. Dat geldt op alle vlakken. Een voorbeeldje: een aantal mensen met een auditieve handicap waren recent gechoqueerd door een affiche uit een campagne rond wellevendheid in treinen en stations. Op de bewuste affiche had iemand een banaan doorheen zijn oren, met daarop een walkman. De affiche wou reizigers aansporen hun muziek niet te luid te zetten, zodat de anderen er geen last van hebben. Als er bij het ontwikkelen van de campagne aan de PH was gedacht, dan was er niemand beledigd geweest. De NHRPH gelooft graag dat het niet de bedoeling was van iemand te kwetsen, maar met sensibilisering en een transversale benadering was dat niet gebeurd.

De NHRPH wenst ook dat er rekening wordt gehouden met de principes die hij tijdens de werkgroep bij de FOD Mobiliteit en Vervoer heeft verdedigd. Van de vergaderingen van deze werkgroep bestaat er een uitgebreid en gedetailleerd werkdocument bij de FOD Mobiliteit & Vervoer waarop verder kan worden gebouwd. Dat document is de vrucht van de samenwerking van de FOD Mobiliteit & Vervoer, de NHRPH en CAWaB. Het document is een concrete benadering van de overeengekomen principes waaronder die van de positienota, toegepast op het Belgische spoorverkeer. De NHRPH vraagt met aandrang dat dit document mee zal spelen bij de onderhandeling van de nieuwe beheerscontracten.

De NHRPH maakt ook gebruik van deze gelegenheid om nogmaals te vragen om eindelijk eens de 24-urenregel voor het aanvragen van assistentie te versoepelen, een regel die de NHRPH al lang een doorn in het oog is. Zolang die regel van kracht is, kunnen personen met een handicap niet echt vrij reizen.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer Jean-Pascal Labille, Minister van Overheidsbedrijven
  • Ter opvolging aan de heer Melchior Wathelet, Staatssecretaris voor Mobliteit
  • Ter info aan de FOD Mobiliteit en Vervoer
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2014/07 - Verpleegkundige zorgen

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/07 over het ontwerp van protocolakkoord betreffende de relatie tussen beroepsbeoefenaars die in de sector voor personen met een handicap werkzaam zijn en de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Het betreft de versie “Projet – jan 2014 – Oplossing 5 bis-Solution 5 bis”. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 17/02/2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Deze versie van het ontwerp van protocol werd aan de NHRPH bezorgd na een eerste onderhoud met het kabinet van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.


Analyse

De leden van de NHRPH vestigen de aandacht op volgende punten:

Punt 8: de ondertekenende partijen engageren zich om inspanningen te vragen aan de opleiding en het aannemen van permanente opleiding;

Punt 9: een universitaire studie zal in de komende maanden uitgevoerd worden door de federale overheid, in samenwerking met (in het Nederlands: federale entiteiten die dit protocol ondertekenen – in het Frans: les Entités fédérées signataires). Op basis van de resultaten van deze studie zal dit protocol opnieuw geëvalueerd worden.


Advies

Huidig advies moet beschouwd worden als een toevoeging aan het advies 2014/06 betreffende het ontwerp van protocolakkoord, andere versie. Dit eerste advies blijft voor het overige integraal behouden.

In punt 8 gaan de ondertekenende partijen een engagement aan betreffende de opleidingen. De leden van de NHRPH merken op dat geen enkele minister bevoegd voor onderwijs dit protocol mee zal ondertekenen. Zij stellen zich bijgevolg de vraag hoe de ondertekenende partijen dit engagement zullen nakomen, en hoe dit zal gefinancierd worden.

Punt 9 voert een nieuw element in: een universitaire studie zal de problemen evalueren die ondervonden worden om aan de personen met een handicap een optimale gezondheidszorg te verzekeren. Daarbij zal getracht worden een zo verscheiden mogelijk publiek te benaderen. Op basis van de resultaten van de studie zal het protocol opnieuw geëvalueerd worden.

Eerste opmerking hierbij vanwege de NHRPH: aan het doel van de studie toevoegen dat deze gebeurt met aandacht voor zowel de kwaliteit van de zorg als voor de levenskwaliteit van de gebruiker.

De leden van de NHRPH merken op dat in het protocol geen tijdslimiet bepaald is, noch wat betreft de uitvoering van de studie, noch wat betreft de evaluatie van het protocol. Dit is onaanvaardbaar: het protocol treedt immers in werking op de dag van de ondertekening ervan (art.12), het moet intussen duidelijk zijn dat de sector van de personen met een handicap zeer wantrouwig is wat betreft de concrete uitvoering ervan. De personen met een handicap kunnen niet aan hun lot worden overgelaten als er daadwerkelijk problemen worden vastgesteld om hun een optimale gezondheidszorg te verzekeren. In dat verband merken de leden ook op dat deze studie in feite veel te laat komt: in een logische volgorde worden eerst de problemen in kaart gebracht en worden vervolgens oplossingen voor die problemen gezocht. Nu lijkt het alsof de efficiëntie van een bepaalde oplossing getest wordt op een groep personen die algemeen als kwetsbaar worden omschreven.

De leden van de NHRPH eisen bijgevolg dat in beide gevallen een tijdslimiet wordt bepaald, die strikt wordt nageleefd. Zij stellen voor dat een tijdslimiet van 1 jaar wordt gehanteerd. Zij vragen daarbij ook bijzondere aandacht voor de diensten zelfstandig wonen: het zijn vooral zij die problemen hebben met de uitvoering van het protocol.

Het is ook moeilijk te aanvaarden dat het vooral de personen met een handicap zijn, die een actief leven hebben opgebouwd, die getroffen worden door de nefaste gevolgen van het voor alles en nog wat, gelijk waar, gelijk wanneer een beroep te moeten doen op een verplegende.

De leden van de NHRPH vragen, op de meest nabije wijze, bij de studie betrokken te worden.

Tijdens de besprekingen op het kabinet van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is met stelligheid beweerd dat de uitvoering van dit protocol voor de personen met een handicap geen kosten meebrengt.

De leden van de NHRPH trekken dit in twijfel.

  • Uit de bijgevoegde nota van het kabinet blijkt dat de voorbereiding van de geneesmiddelen, een piste is waaraan gewerkt wordt. De medicatie wordt per individu door de apotheker voorbereid: de leden van de NHRPH zijn van mening dat de apotheker dit niet gratis kan doen, en dat dit niet kan opgenomen worden in de algemene werkingskosten van de instellingen, met andere woorden ten laste komt van de persoon met een handicap.
  • Zij twijfelen er ook sterk aan dat alle handelingen van verpleegkundigen zonder remgeld voor de betrokkenen zullen opgenomen zijn of worden in de nomenclatuur, te beginnen met handelingen die meerdere malen per dag/nacht moeten herhaald worden.

Volgens dezelfde nota wordt ook nagegaan hoe de facturatie van het toilet maken dat bestempeld kan worden als behorende tot het comfort (enkel als gevolg van de afhankelijkheid), kan herzien worden. Hiervoor zal het KB nr. 78 moeten aangepast worden. Hierdoor zou tijd vrij komen voor de verpleegsters om verpleegkundige handelingen van een andere aard te verrichten. Zal de facturatie ten laste van de gewesten vallen?

verpleegkundigen moet verzekerd worden, vragen de leden van de NHRPH zich af of dit praktisch mogelijk is? Wat als de verplegende geen oplossing vindt om de continuïteit van de zorgen te verzekeren? Welk verhaal heeft de persoon met een handicap? Hoe kan hij zijn recht op zorg afdwingen?

Bovendien kan men zich terecht afvragen of dit van de ene dag op de andere wel kan veranderen? Er zou minstens een overgangsperiode moeten gecreëerd worden om dit in werkelijkheid te kunnen waarmaken.

Hoe zal er in die tussentijd gereageerd worden? Het antwoord op al deze vragen luidt: dat is de verantwoordelijkheid van de zorgverstrekkers.

De leden van de NHRPH vragen zich af of dit niet een te eenvoudige oplossing is. Worden de problemen niet doorgeschoven naar een groep die niet kan beantwoorden aan die eisen? Is er voldoende verplegend personeel om op gelijk welk tijdstip, gelijk waar zorgen te komen verlenen aan personen die hierom vragen? Het resultaat voor de persoon met een handicap, zelfs als aan zijn oproep gevolg kan gegeven worden, is een sterke medicalisering van zijn leven.

Een fundamentele oplossing zien de leden van de NHRPH in een gerichte aanpassing van het KB nr. 78. Zij betreuren dat dit voorstel zonder meer wordt afgewezen.

Er blijven fundamentele onduidelijkheden, de studie zou die moeten aanduiden. Er blijkt uit dit protocol vooral onbegrip voor de situatie van de persoon met een handicap, en vooral voor zijn streven naar een kwaliteitsvol leven.

De NHRPH vraagt dat dit protocol pas wordt uitgevoerd, als op voorliggende vragen en bedenkingen antwoorden worden gevonden en dit in samenspraak en overleg met mensen met een handicap, hun vertegenwoordigers, ouders en familie en alle betrokkenen van het terrein: zij kennen de dagelijkse realiteit van personen met een handicap. Alleen op die manier kan een voor alle partijen aanvaarbare oplossing uit de bus komen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2014/01 - Btw advocaten

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/01 over artikel 60 van de wet van 30 juli 2013, waarbij de vrijstelling van de betaling van btw op de diensten verricht door advocaten wordt opgeheven. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 17 februari 2014.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Tot 31 december 2013 was België het laatste Europese land dat de diensten verricht door advocaten nog vrijstelde van de betaling van btw. Die vrijstelling was gebaseerd op artikel 44, § 1, van het btw-wetboek.

Bij artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen werd deze vrijstelling opgeheven.

Sinds 1 januari 2014 onderwerpen alle vrije beroepen, met uitzondering van artsen en bepaalde paramedici, hun diensten aan de btw.


Analyse

Alle door advocaten verrichte diensten zijn onderworpen aan 21% btw, uitgezonderd:

A. De activiteiten die een advocaat verricht als:

  • bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar;
  • mandataris ad hoc (voorlopig bewindvoerder van vennootschappen of verenigingen);
  • plaatsvervangend rechter;
  • lid van de Raad van de Orde;

In die hypotheses valt de advocaat niet binnen het kader van de definitie van btw-plichtige aangezien hij niet zelfstandig handelt in de zin van het btw-wetboek.

B. Diensten vrijgesteld bij artikel 44, § 2, van het btw-wetboek:

  • de diensten als voorlopig bewindvoerder aangesteld door een rechter (artikel 488bis van het burgerlijk wetboek), voor het beheer van het bezit van meerderjarige personen die omwille van hun lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand volledig of gedeeltelijk onbekwaam zijn geworden om hun goederen te beheren;
  • de diensten als schuldbemiddelaar aangesteld door een rechter (artikel 1675/17 van het gerechtelijk wetboek); het btw-wetboek (artikel 44, § 2) voorziet in een vrijstelling van de diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid die worden verricht door "organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend", d.w.z. de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben. In zijn arrest nr. 56/2013 heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd dat advocaten die diensten verrichten inzake collectieve schuldenregeling zoals beoogd door artikel 1675 van het gerechtelijk wetboek, beschouwd kunnen worden als instellingen van sociale aard;
  • de diensten als voogd of voogd ad hoc;
  • de diensten als al dan niet erkend familiaal bemiddelaar (onderwijskeuze en gezinsvoorlichting);
  • diensten als voordrachtgever en docent;
  • contracten voor uitgave van letterkundige werken en auteursrechten.

C. Nultarief:

De circulaire van Financiën van 20 november 2013 voorziet uitdrukkelijk dat de tweedelijnsrechtsbijstand (vroegere pro deo) die door advocaten en advocaat-stagiairs wordt verstrekt aan de btw zijn onderworpen tegen het nultarief.

Van de verschillende vermelde uitzonderingen, kunnen voor personen met een handicap de uitzonderingen vermeld onder punten B en C van toepassing zijn.


Advies

De NHRPH is zich ervan bewust dat deze materie tot de Europese fiscaliteit behoort en dat de Belgische overheden de bepalingen dienen te respecteren van Europese richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

De NHRPH wenst evenwel de aandacht te vestigen op de bijzonder kwetsbare situatie waarin de grote meerderheid van de personen met een handicap leeft. De toepassing van deze nieuwe regelgeving brengt extra kosten met zich mee voor personen met een handicap die een beroep doen op de diensten van een advocaat (met uitzondering van de wettelijk toegekende vrijstellingen) en maakt voor hen de toegang tot justitie niet gemakkelijker, in het bijzonder op het vlak van materies die hen specifiek aanbelangen.

De NHRPH is van mening date en bijkomende vrijstelling zou moeten worden toegekend aan personen met een handicap die beroep doen op de diensten van een advocaat in het kader van rechtsvorderingen ingesteld met toepassing van artikel 582, 1° en 2° van het gerechtelijk wetboek, d.w.z. in het kader van:

« […] geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand » ;

« […] geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen ».

Er zou met andere woorden ook een vrijstelling moeten worden voorzien voor de geschillen waarin personen met een handicap en de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap), het AWIPH (Agence Wallonne pour l’Intégration des Personnes Handicapées), de DPB (Dienststelle für Personen met Behinderung) of PHARE (Personne Handicapée Autonomie Recherche) tegenover elkaar staan.

In dezelfde materies bepaalt het gerechtelijk wetboek (artikel 1017) uitdrukkelijk dat de bevoegde overheid of instelling ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten wordt verwezen.

Het is heel waarschijnlijk dat de meeste betrokkenen tweedelijnsrechtsbijstand genieten en dat bijgevolg de meerkosten die door deze maatregel worden veroorzaakt niet overdreven hoog zullen zijn.


Bezorgd

Advies 2013/19 - Hervorming wet '87

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van nota aan de Ministerraad inzake de evaluatie van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 18/11/2013.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, in zijn e-mailbericht van 28/10/2013.

 


Onderwerp

De wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap is dringend toe aan een fundamentele hervorming. De wetgeving is verouderd en onderging in de loop der jaren vele wijzigingen die niet altijd op mekaar waren afgestemd, met als gevolg een onsamenhangend, ingewikkeld en ondoorzichtig geheel.

Studies zoals Handilab toonden bovendien aan dat de doelmatigheid van de tegemoetkomingen beperkt is: ze bieden geen voldoende minimale bescherming, de meerkost van de handicap is ontoereikend gedekt. Het gevolg is een zeer beperkte deelname aan het maatschappelijk leven van de personen met een handicap.

De NHRPH is dan ook al jaren een vurig pleitbezorger van een globale en grondige hervorming van het systeem.

De hervorming is bovendien ingeschreven in het regeerakkoord van 1 december 2011.


Analyse

Naast een ruime inleiding waarin het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap wordt gesitueerd als socialebeschermingsmaatregel, en een schets van wat de opstelling van deze nota voorafging, worden 7 principes geformuleerd die de grondslag moeten vormen van de hervorming van het stelsel:

  • Versterking van de ondersteuning van integratie
  • Evaluatie van de handicap
  • Strijd tegen de armoede
  • Strijd tegen tewerkstellingsvallen
  • Integratietegemoetkoming en bijkomende kosten
  • Administratieve vereenvoudiging
  • Bepalen en aanrekening van de inkomsten

Ten slotte wordt de aandacht gevestigd op het feit dat de hervorming samengaat met de invoering van een nieuwe informaticatool bij de Directie-generaal Personen met een handicap.


Advies

1) De NHRPH wil uitdrukkelijk de Staatssecretaris bedanken voor de wijze waarop hij de NHRPH betrokken heeft bij de uitstippeling van de kernbeginselen van de hervorming. Van bij het begin, en verder in alle stadia, is de NHRPH ingelicht geweest over de stand van zaken, over de problemen, over de opties waartussen moest gekozen worden. De raad werd niet alleen ingelicht, hij nam als volwaardige partner deel aan de discussies en weet met zekerheid dat naar hem ook werd geluisterd, en dat op een ernstige manier met zijn inbreng rekening werd gehouden. Dit is bijgevolg een toonbeeld van de deelname van het middenveld in de uittekening van het beleid van de staat, zoals het Verdrag van de rechten van de personen met een handicap het voorschrijft.

2) In grote lijnen werden belangrijke stappen gezet die beantwoorden aan de verwachtingen van de NHRPH.

3) De leden van de NHRPH hebben volgende bedenkingen geformuleerd wat betreft:

Het eerste principe, “Versterking van de ondersteuning van integratie”: er is sprake van personen die kampen met een aanzienlijk verminderde zelfredzaamheid en een hoge graad van sociale uitsluiting. Houdt dit in dat de persoon zo goed als volledig uitgesloten moet zijn om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming?

Het 3de principe, “Strijd tegen armoede” waar sprake is van een inkomen onder de Europese armoedegrens, en het 7de, “Aanrekening van de inkomsten” wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming: hier ontbreekt telkens wat de NHRPH al zeer lang vraagt, namelijk de optrekking van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming boven de armoedegrens, want het is die tegemoetkoming die de personen met een handicap een aanvaardbaar, waardig inkomen moet waarborgen.

Het 4de principe, “Strijd tegen de tewerkstellingsvallen”: hier wordt verwezen naar een tewerkstellingsgraad bij personen met een handicap die volgens Eurostat 42% zou bedragen. Opgemerkt moet worden dat volgens de definities van Eurostat, de tewerkstellingsgraad gemeten wordt ten opzichte van het aantal actieve personen (diegenen die een tewerkstelling hebben), ten opzichte van het aantal werklozen (in de betekenis van het Internationaal Arbeidsbureau, dit is de actieven die niet “bezet” zijn, dus de personen die geen tewerkstelling hebben maar onmiddellijk beschikbaar zijn voor de algemene arbeidsmarkt en op zoek zijn naar een tewerkstelling). De niet-actieve personen (de persoon met een handicap die in een instelling verblijft of diegene die nooit gewerkt heeft en geen socialezekerheidsvergoedingen geniet) zijn dus niet opgenomen in die statistieken. De werkelijke tewerkstellingsgraad van personen met een handicap is dus zeker veel lager dan 42%.

Het 5de principe, “integratietegemoetkoming en handicapgebonden bijkomende kosten”, en het 7de, , “Aanrekening van de inkomsten”, waar sprake is van de integratietegemoetkoming: de NHRPH is er altijd voorstander van geweest dat de integratietegemoetkoming niet inkomensgebonden mag zijn, want zij dekt de meerkost van de handicap, en is het er dus volledig mee eens dat het recht op een integratietegemoetkoming voor iedereen wordt geopend. Het feit dat het bedrag ervan in functie staat van het inkomen van het gezin kan alleen aanvaard worden gelet op de ongunstige economische toestand en als een eerste stap in de verwezenlijking van het ideaal dat onverminderd overeind moet blijven

Het 6de principe, “Administratieve vereenvoudiging”, waar sprake is van het in aanmerking nemen van de meest recente inkomsten, dit naar analogie van het systeem dat door de ziekenfondsen wordt toegepast. De NHRPH wijst er op behoedzaam te zijn met de vergelijking van 2 verschillende systemen. De huidige berekening op basis van de belastbare inkomsten van het tweede jaar voorafgaand aan de aanvraag kan billijkheidshalve niet verdedigd worden, maar de NHRPH heeft twijfels wat betreft de haalbaarheid van het voorstel in de nota. Dit zou dus grondig moeten bestudeerd worden.

Het 6de principe, “Administratieve vereenvoudiging”, waar sprake is van een beperking van de situaties die aanleiding geven tot onverschuldigde bedragen. De NHRPH kan er alleen maar om verheugd zijn dat situaties worden vermeden die aanleiding geven tot terugvorderingen, maar vraagt dat voldoende aandacht wordt besteed aan het informeren van de persoon met een handicap over de wijzigingen in zijn toestand die hij wel nog moet meedelen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 11

Advies 2014/06 - Verpleegkundige zorgen

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/06 over het ontwerp van protocolakkoord betreffende de relatie tussen beroepsbeoefenaars die in de sector voor personen met een handicap werkzaam zijn en de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Het betreft de versie “Projet – 27/11/2013 – Oplossing 5 bis-Solution 5 bis”, als bijlage gevoegd bij de adviesaanvraag van 9 december 2013. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zittingen van 16/12/2013 en 20/01/2014


Aanvrager

Advies op vraag van mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, bij brief van 9 december 2013


Onderwerp

Aan de orde is een voorstel van protocolakkoord betreffende de relatie tussen beroepsbeoefenaars die in de sector voor personen met een handicap werkzaam zijn en de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen, dat aan de Interministeriële Conferentie Gezondheid ter ondertekening zal voorgelegd worden.

Aan de basis van de discussie liggen volgende koninklijke besluiten:

  • Het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
  • Het KB van 18 juni 1990 betreffende de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en handelingen die door een arts aan een verpleegkundige kunnen worden toevertrouwd;
  • Het KB van 12 januari 2006 tot vaststelling van de verpleegkundige activiteiten die de zorgkundigen mogen uitvoeren en de voorwaarden waaronder de zorgkundigen deze handelingen mogen stellen.

De technische termen opgenomen in de lijst met activiteiten die de zorgkundige onder toezicht van de verpleegkundige en binnen een gestructureerde equipe kan verrichten, als bijlage gehecht aan de laatstgenoemde KB ’s, geven aanleiding tot verwarring wat betreft toepassing en interpretatie. Zo is bijvoorbeeld het begrip bijstand en wat moet worden verstaan onder slikproblemen, onvoldoende tot niet gedefinieerd.


Analyse

In de adviesaanvraag is sprake van problematische situaties die aan het licht kwamen in instellingen voor personen met een handicap. Het is daarbij niet duidelijk voor wie er juist problematische situaties ontstaan. Gaat het over problematische situaties omdat opvoeders taken opnemen die, in de huidige regelgeving, geacht worden uitgevoerd te worden door een verpleegkundige? Of ontstaan er problematische situaties voor de persoon met een handicap? Het protocolakkoord heeft tot doel optimale en pragmatische zorgvoorwaarden tot stand te brengen door uitbreiding van wat door de opvoeders mag worden uitgevoerd. Daarbij wordt samenwerking tussen de verschillende beroepsbeoefenaars aangemoedigd.

Bij het protocol hoort een inleiding, die eveneens werd meegestuurd. Daarin is sprake van een ontwerp van gezondheidswet, in eerste lezing goedgekeurd door de Ministerraad en ingediend in het Parlement. Het ontwerp bevat ondermeer volgende punten:

  • het verbod voor een gezondheidszorgverlener om een derde een beroepsmatige handeling of techniek aan te leren, zou onder bepaalde voorwaarden worden opgeheven;
  • de continuïteit van de zorgen zou ook aan de verpleegkundigen worden opgelegd.

In de inleiding lezen wij dat moet vermeden worden dat de leefomgeving van de mensen met een handicap gemedicaliseerd wordt, terwijl ze tegelijk de door de erkende beroepsbeoefenaars toegediende vereiste zorg moeten genieten.

De tekst van het protocol zelf bepaalt

  • Punt 4: “Niet alle activiteiten die tot het takenpakket van een verpleegkundige behoren zijn exclusief voorbehouden voor beoefenaars van een gezondheidszorgberoep. Activiteiten ter ondersteuning van activiteiten van het dagelijkse leven, die ook door mantelzorgers zouden kunnen worden verricht, kunnen autonoom worden uitgevoerd door opvoeders. Er is geen verdere toelichting bij dit punt
  • Punt 5: wanneer voor eenzelfde persoon een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep en een opvoeder of een andere zorgverlener aanwezig zijn moet altijd verplicht alle relevante informatie uitgewisseld worden, bij voorkeur schriftelijk.
  • Punt 6: geeft een niet-limitatieve opsomming van signalen waarvoor de opvoeder een permanente aandacht moet opbrengen. Stelt hij één van deze tekenen vast, dan moet de betrokken gezondheidszorgbeoefenaar onmiddellijk op de hoogte worden gebracht.
  • Punt 7: bepaalt activiteiten die alleen maar door een opvoeder mogen worden verricht als er daarover duidelijke afspraken gemaakt werden tussen een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep en “de dienst voor hulp aan personen met een handicap”. Deze activiteiten zijn:
  • -het toezien en rapporteren over temperatuur, stoelgang, slikproblemen, … ;
  • -het verlenen van bijstand bij het gebruik van orale geneesmiddelen, oor-,oog-, neusdruppels, het toezien op de inname van geneesmiddelen, op de stiptheid, ….;
  • Punt 10 tenslotte geeft aan dat dit protocol de interpretatie verduidelijkt die aan diverse wetgevingen die de tussenkomst van de bij de thuiszorg of in vergelijkbare omgevingen - zijnde de leefomgevingen die gericht zijn op het opvangen of onderbrengen van personen met een handicap – betrokken beroepsbeoefenaars reglementeert.

Advies

De zogenaamde ‘problematische situaties’ lijken een belangrijke indicatie te zijn om dit protocol uit te werken. Hierover hebben ons geen signalen bereikt noch hebben wij weet van zaken die aanhangig gemaakt zouden zijn bij de rechtbank. Dit laatste wordt bevestigd door de administratie Volksgezondheid alsook door het kabinet.

De huidige vraag tot advies is uiteindelijk pas op de NHRPH gekomen omdat door enkele leden zelf de reeds vergevorderde besprekingen ten aanzien van dit protocol werden gesignaleerd. Daarop is contact opgenomen met de FOD Volksgezondheid omdat we geen verdere informatie konden krijgen van het kabinet Volksgezondheid.

In heel de voorbereiding van dit protocol is nooit contact opgenomen met de NHRPH:

  • noch om de zogenaamde “wantoestanden” aan te kaarten,
  • noch om de besprekingen in de IMC gezondheid voor te bereiden,
  • noch over de opstelling zelf van het ontwerp van protocol.

Wat betreft het ontwerp van “gezondheidswet” waarvan sprake in de inleiding bij het protocol, heeft de NHRPH eveneens geen enkele informatie gekregen. De NHRPH heeft ook indirect weet van een protocol thuiszorg, en van de bedoeling een soortgelijk protocol voor te bereiden wat betreft de onderwijsinstellingen.

De NHRPH vindt het onaanvaardbaar dat hij in dergelijk dossier, dat de levenskwaliteit zelf van de personen met een handicap betreft, zo goed als volledig buitenspel werd gezet. Wij verwijzen hiervoor (nogmaals) uitdrukkelijk naar het Verdrag van de rechten van de personen met een handicap, dat door België nochtans werd geratificeerd...

  • Preambule van het Verdrag, n , stelt: “Het belang voor personen met een handicap erkennend van individuele autonomie en onafhankelijkheid, met inbegrip van de vrijheid hun eigen keuzes te maken.”
  • Artikel 3.a van het Verdrag bepaalt als grondbeginsel van het Verdrag: “Respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen;”
  • Artikel 4.3 van het Verdrag bepaalt dat « Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. » Dit artikel is vanzelfsprekend heel belangrijk voor personen met een handicap en moet de leidraad zijn van elk beleid dat in België wordt gevoerd. Zij zijn inderdaad het best geplaatst om te weten wat wel en niet goed voor hun is.

De NHRPH verwijst ook naar het persbericht van de ministerraad van 19 juli 2013: “Alle leden van de regering werden tot slot herinnerd aan het belang om vanaf het begin van elk denk- en beslissingsproces de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap aan te spreken en te betrekken, en dit voor elke beleidsmaatregel die ze overwegen en die een impact kan hebben op de rechten en noden van personen met een handicap”

In dit protocol gaat het voor het overgrote deel over handelingen die plaatsvinden in het dagelijkse leven, die wanneer er geen handicap aanwezig zou zijn, door de persoon zelf of zijn naasten (familie, vrienden, buren, … die naasten die hem op dat moment omringen) zouden worden uitgevoerd. De NHRPH stelt dan ook de vraag waarom een persoon met een handicap dit fundamenteel recht wordt ontnomen en waarom hij niet het recht heeft zelf iemand aan te duiden die voor hem deze handelingen stelt?

Er wordt gesteld dat dit protocolakkoord pragmatische zorgvoorwaarden wil tot stand brengen. Wanneer evenwel één of meerdere van de opgesomde handelingen, meerdere keren per dag moeten worden uitgevoerd, is het systeem totaal onhoudbaar. Niet in het minst omwille van financiële redenen, ook omwille van de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de verpleegkundigen, maar bovenal omwille van de vervreemding die dit teweegbrengt bij de personen met een handicap.

Het voorgestelde protocolakkoord gaat lijnrecht in tegen een algemeen maatschappijbeeld en tegen wat vandaag precies het doel is van voorzieningen en diensten die personen met een handicap ondersteunen, waarbij de uiteindelijke finaliteit is personen met een handicap, namelijk zolang mogelijk, een zo autonoom mogelijk leven te waarborgen, ver van een ziekenhuismilieu.

Dit protocolakkoord verhindert zonder meer de inclusie van personen met een handicap. Het ‘hermedicaliseert’ het leven van personen met een handicap volledig, het werpt immense barrières op om te kunnen deel nemen aan : uitstappen, sportclubs, jeugdverenigingen, vakanties en kampen, culturele en educatieve activiteiten,… kortom het maatschappelijk leven.

Het kan en mag niet de bedoeling zijn en worden dat elke persoon met een handicap moet aanvaarden dat de verplegende deel gaat uitmaken van zijn dagelijks leven. De NHRPH spreekt dan ook van een zwaar overdreven medicalisering van de handelingen van het leven van personen met een handicap, waardoor de kans op participatie aan, en inclusie in de samenleving onmogelijk wordt, met andere woorden : in wezen discrimineert dit protocol hier op basis van handicap.

- De NHRPH wil begrip opbrengen voor de bedoeling aan elke burger eenzelfde kwaliteit van zorgen te willen voorbehouden. Kwaliteit van zorgen waarborgen is een zeer nobele doelstelling. Maar er is op de allereerste plaats de kwaliteit van het leven, en de inhoud daarvan bepalen is een onvervreemdbaar recht van iedere persoon zelf. Kwaliteit van zorg maakt deel uit van die levenskwaliteit. Het is en mag evenwel nooit een doel op zich worden. De NHRPH stelt zich ernstig vragen over de uiteindelijke doelstelling van dit protocol. Onze analyse van dit protocol is dat het geen enkele verbetering tot stand brengt aan de zorgvoorwaarden, laat staan aan een betere levenskwaliteit, van personen met een handicap: integendeel. Wij stellen ons dan ook de vraag voor wie dit protocol dan wel een benefiet oplevert?

De leden van de NHRPH twijfelen er zeer sterk aan of, met het tekort aan verpleegkundigen, dit protocol wel concreet kan gemaakt worden. Sterker, onze kennis en deelname aan het leven van mensen met een handicap laat ons vermoeden dat de invoering van dit protocol aanleiding zal geven tot dramatische situaties en massaal en vooral onnodige opnames in ziekenhuizen.

Mensen willen voortgaan met hun leven, ze kunnen dan ook niet wachten tot een verpleger gevonden wordt om dit mogelijk te maken. Dit protocolakkoord dreigt de werking van diensten en voorzieningen voor personen met een handicap volledig in de war te sturen, maar vooral het leven van mensen met een handicap onmogelijk te maken.

Dit advies heeft betrekking op het bovenvermelde document “Projet – 27/11/2013 – Oplossing 5 bis-Solution 5 bis”, als bijlage gevoegd bij de adviesaanvraag van 9 december 2013 van mevrouw de Minister.

De NHRPH vraagt dat dit protocol niet wordt uitgevoerd en dat de ganse problematiek opnieuw besproken wordt. In de eerste plaats met mensen met een handicap, hun vertegenwoordigers, ouders en familie en alle betrokkenen van het terrein: zij kennen de dagelijkse realiteit van personen met een handicap. Alleen op die manier kan een voor alle partijen aanvaarbare oplossing uit de bus komen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 5

Advies 2014/05 - Verkiezingen

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/05 met betrekking tot de praktische aanbevelingen aan de partijen en de belangrijkste kandidaten naar aanleiding van de gelijktijdige verkiezingen van 25 mei 2014 (Franstalige versie) van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 20/01/2014.


Aanvrager

Advies op vraag van de Minister van Binnenlandse Zaken met e-mailbericht van 02/01/2014.


Onderwerp

De omzendbrief geeft aanbevelingen aan de politieke partijen en de kandidaten om nuttige informatie in overeenstemming te brengen met de noden van alle burgers.


Analyse

In de inleiding wordt een definitie gegeven van personen met een handicap : “…les personnes avec une déficience physique, mentale ou sensorielle, que ces déficiences soient momentanées ou non

De aanbevelingen betreffen de volgende punten:

  • Geschreven communicatie (programma’s, dossiers, pamfletten, affiches, PowerPoints , uitnodigingen, brieven,…)-
  • Digitale communicatie (websites,…)
  • Openbare vergaderingen (meetings, debatten, doorlopende diensten,…)

Besluit:

Er wordt aan herinnerd dat alle aanpassingen met betrekking tot de communicatie een pluspunt zijn voor de democratie, voor de deelname van personen met beperkte mobiliteit maar ook voor alle kiezers.

Verder wordt aangegeven dat het ontbreken van redelijke aanpassingen als een directe discriminatie zou kunnen worden bestempeld.

Daarna volgt een lijst van verenigingen die ervaring hebben op het vlak van de toegankelijkheid voor personen met een handicap.


Advies

Zoals reeds aangestipt in zijn advies 2013/16 wijst de NHRPH op de definitie in artikel 1 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Onder “personen met een handicap” verstaat men personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. De in de inleiding vermelde definitie van personen met een handicap is dus onvolledig. Er moet wel degelijk sprake zijn van 4 beperkingen. Over de benamingen die aan deze beperkingen gegeven wordt, bestaat minder eensgezindheid. Hier spelen de gevoeligheden verbonden aan deze beperkingen.

De leden van de NHRPH bepleiten het gebruik van de volgende termen:

  • in het Nederlands bij: lichamelijke, psychische, verstandelijke en sensoriële beperkingen
  • in het Frans: des incapacités physiques, psychiques, mentales ou sensorielles.

Voor het overige zijn de leden van de NHRPH het er mee eens dat dit een bijdrage is tot meer democratie.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Joëlle Milquet, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/04 - Hervorming wetgeving

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/04 met betrekking tot de beslissing van de Ministerraad van 19 december 2013, “5 beginselen om het leven van personen met een handicap te verbeteren en te vereenvoudigen”. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 20/01/2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief


Onderwerp

Op de agenda van de Ministerraad van 19 december 2013 stond een nota van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap betreffende de evaluatie van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.


Analyse

De analyse betreft het persbericht van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap van 19 december 2013 betreffende “5 beginselen om het leven van personen met een handicap te verbeteren en te vereenvoudigen”.

De Ministerraad heeft, in uitvoering van het Regeerakkoord, akte genomen van een oriëntatienota over de hervorming van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Het wordt omschreven als een eerste stap met zicht op een diepgaande hervorming.

In het persbericht staat verder dat er een globaal hervormingsontwerp voorgesteld is dat zich richt op de integratie en de volledige en effectieve deelname van personen met een handicap aan het maatschappelijk leven.

De 5 grote oriëntaties die in overleg met de sector werden geïdentificeerd zijn:

  • Het principe introduceren van de integratietegemoetkoming voor iedereen. Deze integratietegemoetkoming zou degressief zijn in functie van de inkomensschijven van het gezin.
  • De strijd tegen de werkloosheidsval, met name door aan de persoon met een handicap die zijn werk verliest een integratietegemoetkoming te verzekeren die ten minste gelijk is aan wat hij met zijn werk verdiende;
  • De armoedebestrijding, met name door de bedragen van de tegemoetkomingen voor de gematigd gehandicapte personen te verhogen;
  • Een betrouwbaar instrument voor de evaluatie van de handicap opstellen om de kwaliteit van de beslissingen overal in België te waarborgen;
  • De stappen om schulden te vermijden vereenvoudigen en automatiseren.

Dankzij de modernisering van de informatica van de Directie-generaal Personen met een handicap zal het project, dat progressief zal kunnen worden uitgevoerd, ten laatste op 1 januari 2017 volledig in werking zijn.


Advies

De leden van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap verwijzen integraal naar hun advies 2013/19, over het ontwerp van nota aan de Ministerraad inzake de evaluatie van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Dit advies werd uitgebracht op basis van een voorbereidende nota voor de Ministerraad inzake de evaluatie van de wetgeving tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap. De leden van de NHRPH bevestigen dat zij als volwaardige partner deelnamen aan de vele discussiemomenten en dat deze werkwijze bijgevolg een toonbeeld is van de deelname van het middenveld in de uittekening van het beleid van de staat.

De leden van de NHRPH zijn bijgevolg bijzonder ontgoocheld over het uiteindelijke resultaat: er is alleen akte genomen van een oriëntatie die een toekomstige hervorming van het stelsel zou kunnen uitgaan. Het “akte nemen van” werpt natuurlijk veel minder gewicht in de schaal dan een goedkeuring van de principes opgenomen in de nota, en houdt absoluut geen engagement in dat de hervorming in de toekomst ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Echter: de leden van de NHRPH bevestigen dat de betrokken wetgeving dringend toe is aan een fundamentele hervorming. De wetgeving is verouderd en de vele wijzigingen die in de loop der jaren werden aangebracht leverden een onsamenhangend, ingewikkeld en ondoorzichtig geheel op.

De leden van de NHRPH wijzen er tenslotte op dat in een tijd van crisis, het meest zwakke bevolkingsdeel in de kou blijft staan.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister, de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap en de voltallige federale regering;
  • Ter info aan mevrouw Marie-Claire Lambert, voorzitter van de Commissie Sociale Zaken van de Kamer;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, voorzitter van de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2014/03 - Semestrieel verslag

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/03 over het ontwerp van semestrieel verslag over de werking van het federale en interfederale coördinatiemechanisme opgericht bij de FOD Sociale Zekerheid – DG Beleidsondersteuning, overeenkomstig artikel 33.1 van het VN verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 20/01/2014.


Aanvrager

Advies op eigen initiatief.


Onderwerp

Dit is het 3de verslag van het coördinatiemechanisme UNCRPD. Het geeft een overzicht van wat dit mechanisme in het 2de semester van 2013 ondernomen heeft.


Analyse

Het verslag bevat volgende punten:

  • FOD Sociale zekerheid als federaal focal point
  • FOD Sociale Zekerheid als interfederaal coördinatiemechanisme
  • Relatie met het onafhankelijk mechanisme
  • Betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld
  • Besluit

Advies

De leden van de NHRPH onderstrepen het belang van artikel 4,3 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: « Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. » De personen met een handicap moeten geraadpleegd worden in elke beslissing die genomen wordt en die een invloed kan hebben op hun leven. Bijgevolg zijn alle levensdomeinen geviseerd. De NHRPH verwijst ook naar het persbericht van de ministerraad van 19 juli 2013: “Alle leden van de regering werden tot slot herinnerd aan het belang om vanaf het begin van elk denk- en beslissingsproces de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap aan te spreken en te betrekken, en dit voor elke beleidsmaatregel die ze overwegen en die een impact kan hebben op de rechten en noden van personen met een handicap”

De leden van de NHRPH kunnen alleen maar vaststellen dat er amper contact gezocht wordt met de NHRPH, zij het om een advies te vragen of om een toelichting te komen geven over een hangend probleem. Het afgelopen jaar zijn er enkele voorbeelden van dergelijke toestanden die werkelijk frustrerend kunnen genoemd worden. De NHRPH werd buitenspel gezet in het dossier van de verpleegkundige handelingen, een zaak met een grote impact op het leven zelf van de persoon met een handicap. Hoewel de NHRPH samengewerkt heeft met de parlementairen die de wetgeving op de beschermingsstatuten wijzigden, wordt hij niet geraadpleegd bij de uitvoeringsbesluiten, voor een bepaalde uitvoering is dit nochtans zelfs in de wet voorzien. De leden van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap stellen zich in deze aangelegenheid heel pragmatisch op: zolang zij zelfs geen enkele reactie krijgen op een naar de betrokken administratie doorgezonden advies kan alleen het besluit getrokken worden dat het opgezette systeem van administratieve en politieke contactpunten niet werkzaam is.

Sensibilisering voor de problematiek van het “persoon met een handicap zijn”, bij voorbeeld ook concreet met betrekking tot het bevoegdheidsdomein van de organisatie of het betrokken kabinet is een noodzaak. Zolang niet aangevoeld wordt welke problemen de persoon met een handicap concreet kan ondervinden zal er geen verbetering komen. Per FOD, POD, Openbare instellingen van Sociale Zekerheid en parastatalen de aangeduide persoon, individueel aanspreken, en bijvoorbeeld trachten te achterhalen waarom er in concrete dossiers niet werd gereageerd kan een licht werpen op een oplossing. Telkens een advies wordt toegestuurd, vragen wat er mee gebeurd is, welke reacties de administratie gaf: het zijn werkmethoden die bij de installatie van een nieuwe dienst nuttig kunnen zijn.

De administratieve contactpunten hebben dan misschien een minder directe greep op de situaties, zij blijven doorgaans veel langer ter plaatse. Via deze contactpersonen kunnen ook collega-ambtenaren gesensibiliseerd worden. De politieke contactpunten hebben een veel meer uitgesproken directer belang, maar zijn per definitie tijdelijk. Met andere woorden: er moet op beide groepen gewerkt worden.

Wat betreft het besluit van het verslag (hoe via de website van de FOD Sociale Zekerheid het UNCRPD meer bekendheid kan gegeven worden) vraagt de NHRPH alvast dat het Verdrag minstens zou gepubliceerd worden. Er is momenteel ook geen link naar de NHRPH, terwijl op de openingspagina van de website wel verwezen wordt naar een andere raad.


Bezorgd

  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Voor opvolging aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2014/02 - Gezondheidsgegevens

  • Jaartal advies: 2014

Advies nr. 2014/02 over het ontwerp van beraadslaging van het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling “Gezondheid” met betrekking tot de mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen door het directoraat-generaal personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid aan geneesheren van andere federale en regionale instanties met het oog op de eenmalige en elektronische inzameling van multifunctionele medische documenten betreffende personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 20/01/2014.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Frank Robben, Administrateur-generaal van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, in een e-mailbericht van 02/01/2014.


Onderwerp

Personen met een handicap moeten om in aanmerking te kunnen komen voor bepaalde rechten, aan allerhande instanties steeds weer dezelfde informatie meedelen. In veel gevallen kan het overmaken van gegevens uit het bestaande medisch dossier dat bij de Directie-generaal Personen met een handicap wordt bijgehouden het invullen van formulieren onnodig maken of aanzienlijk terugdringen.


Analyse

Het voorstel van beraadslaging behandelt 3 punten:

  • Voorwerp van de aanvraag
  • - De bedoeling is het veelvuldig doen invullen van formulieren om van bepaalde rechten te kunnen genieten met telkens dezelfde informatie, onnodig te maken of sterk te verminderen.
  • -Enerzijds worden de bedoelde medische gegevens door de huisarts via een elektronische weg meegedeeld aan de Directie-generaal Personen met een handicap. Anderzijds worden de persoonsgegevens die bij dezelfde Directie-generaal in het kader van een aanvraag ingediend door een persoon met een handicap verzameld werden, ter beschikking gesteld van geneesheren van andere federale en regionale instanties waarbij de persoon met een handicap een bepaalde procedure heeft opgestart. Het betreft identificatiegegevens, medische inlichtingen en de beslissing betreffende de erkenning van de handicap. De instanties die in het kader van hun wettelijke bevoegdheid deze inlichtingen kunnen ontvangen zijn: het VAPH, AWIPH, CARA, Medex, VDAB; RIZIV.
  • Bevoegdheid
  • - Het bedoelde sectoraal comité is bevoegd om mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, te machtigen.
  • Behandeling van de aanvraag
  • - Aan 5 belangrijke beginselen is voldaan:
  • -- De toelaatbaarheid
  • -- De finaliteit: de persoonsgegevens worden verkregen omwille van welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden.
  • -- De proportionaliteit: de persoonsgegevens zijn toereikend, terzake dienen en niet overmatig, gaan uit van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt.
  • -- De transparantie: op het aanvraagformulier van de Directie-generaal Personen met een handicap moet vermeld worden dat de gezondheidsgegevens en de erkenningsbeslissing zullen meegedeeld worden aan alle andere federale en regionale instanties bij dewelke de betrokkene een aanvraag in het kader van zijn handicap indient. Hij kan zich hiertegen verzetten, dit verzet heeft dan een algemeen karakter.
  • -- De veiligheid: de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid gebeurt onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, bij voorkeur een geneesheer. Uitsluitend geneesheren zullen toegang hebben, de identificatie en authenticatie van de gebruikers moet verlopen aan de hand van de elektronische identiteitskaart. Naast andere beveiligingsmaatregelen worden veiligheidsloggings aangelegd die controle op de toegang mogelijk maken.

Advies

De leden van de NHRPH zijn zeer positief met betrekking tot dit ontwerp van beslissing omdat deze zal toelaten dossiers betreffende rechten die door de persoon met een handicap moeten verkregen worden, veel sneller af te handelen.

Het zal de persoon met een handicap bovendien ontslaan van de frustrerende noodzakelijkheid telkens opnieuw dezelfde informatie betreffende zijn gezondheidstoestand te moeten meedelen en bij de arts(en) langs te gaan om dit te laten attesteren. Vele gezondheidssituaties zijn immers blijvend van aard.

De leden van de NHRPH wijzen er wel op dat moet gewaakt worden over de eerbiediging van de 5 beginselen hiervoor opgesomd : toelaatbaarheid, finaliteit, proportionaliteit, transparantie en veiligheid, zoals trouwens vermeld in het betrokken ontwerp van beslissing. Het is van groot belang dat een correct gebruik gemaakt wordt van deze toepassing. De informatie die aldus verzameld wordt moet gebruikt worden voor de doeleinden waarvoor zij bestemd is, rekening houdend met de verschillende bestaande wetgevingen. Hierover moet gewaakt worden, niet alleen als deze toepassing van start gaat, maar ook als deze wijze van gegevensinzameling operationeel is.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Frank Robben, Administrateur-generaal van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
  • Voor opvolging aan de heer Yves Roger, Voorzitter van het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/20 - BTW huisvesting

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 16 december 2013


Aanvrager

Advies op gezamenlijk verzoek van de Minister van Financiën en van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap van 29 november 2013


Onderwerp

Dit gevraagd advies gaat over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, dat de Ministerraad op 28 november 2013 werd voorgelegd.

Een spoedbehandeling wordt hier gevraagd, enerzijds gemotiveerd door het feit dat alle actoren actief binnen hetzelfde segment van de sociale woningbouw op gelijke voet moeten worden behandeld, en anderzijds gelet op de datum van inwerkingtreding op 1 januari 2014.


Analyse

Volgens het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 37) bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de tarieven en geeft de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.

Bij toepassing van deze bepaling wordt in het koninklijk besluit nr. 20 (artikel 1) gepreciseerd dat het 'normale' tarief van de belasting over de toegevoegde waarde 21% bedraagt, met mogelijke afwijkingen voor goederen en diensten waarvoor 6% (tabel A) en 12% (tabel B) geldt.

De bij dit ontwerp aangebrachte wijzigingen hebben namelijk tot doel:

het toepassingsgebied van de rubriek « privéwoningen voor personen met een handicap » uit te breiden tot de handelingen verstrekt en gefactureerd aan de vzw's en de vennootschappen met sociaal oogmerk, onder bepaalde voorwaarden; de specifieke benamingen van de agentschappen en/of gemeenschapsfondsen te schrappen en ze te vervangen door de meer algemene benaming « een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat (door de bevoegde overheid) is erkend ».


Advies

De Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap neemt akte van de relevante elementen die de spoedbehandeling voor het gevraagd advies motiveren. Hij betreurt evenwel dat hij pas in een vergevorderd stadium van het besluitvormingsproces wordt betrokken.

Aangezien de voorgestelde maatregelen rechtstreeks invloed hebben op materies waarvoor de gewesten/gemeenschappen bevoegd zijn, stelt hij zich vragen bij een eventueel overleg op dit niveau.

Wat het doel van het ontwerp betreft, is de NHRPH van oordeel dat de voorgestelde wijzigingen voorzien in echte behoeften op het terrein omdat een beperkt tarief van 6% kan gelden voor een groter aantal concrete situaties. Hij wenst evenwel eraan te herinneren dat het woonbeleid en de erkenningscriteria verschillen naargelang de gewesten/gemeenschappen. De draagwijdte en de gevolgen van dergelijke maatregelen zullen dan ook inderdaad pas later kunnen beoordeeld worden.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Financïen;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer Jean-Marc Nollet, Minister van Huisvesting van het Waals Gewest;
  • Ter info aan à mevrouw Freya Van den Bossche, Minister van Wonen van het Vlaams Gewest;
  • Ter info aan de heer Christos Doulkeridis, Minister van Huisvesting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  • Ter info aan de Commission wallonne des personnes handicapées ;
  • Ter info aan de Conseil consultatif bruxellois francophone de l’aide aux personnes et de la santé ;
  • Ter info aan de Commissie Bijstand aan personen, afdeling Personen met een handicap, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
  • Ter info het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2013/21 - Open trap

  • Jaartal advies: 2013

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het gebruik van vaste open trappen in en rond treinstations, uitgebracht op de plenaire vergadering van 16/12/2013


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel tijdens de werkgroepvergadering van 05/12/2013


Onderwerp

In de huidige versie van Revalor zijn er een reeks voorschriften voor vaste trappen voorzien. Ook voor de optreden (hoogteverschil tussen twee opeenvolgende treden) zijn normen vastgelegd, maar er is onduidelijkheid over of de optreden ook open mogen zijn.


Analyse

Open trappen hebben een aantal praktische en esthetische voordelen: doorlaten van licht en lucht, goedkoper, minder zwaar, enz.

Vooral voor slechtziende en blinde personen houdt een open trap ook risico’s in. De trap wordt immers minder waarneembaar, zowel visueel als met een stok. De stok kan ook blijven steken of zelfs door de trap glijden, wat het risico op een val vergroot. Ook mensen die slecht ter been zijn en/of een wandelstok of krukken gebruiken lopen een risico.


Advies

Rekening houdend met de risico’s voor blinde en slechtziende personen en gebruikers van wandelstok of krukken brengt de NHRPH een negatief advies uit betreffende de installatie van open trappen. Om dezelfde reden beschouwt de NHRPH treden uit doorschijnend of doorzichtig materiaal evenmin als aanvaardbaar.

Deze extra voorwaarde voor vaste trappen moet worden toegevoegd aan de nieuwe Revalor.

De NHRPH vraagt uitdrukkelijk dat de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) worden geraadpleegd voor een technische analyse.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel en NMBS Holding;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.