Terug naar hoofdinhoud

Advies 2009/21 - Omzendbrief parkeren

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 15 juni 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 15 juni 2009 unaniem volgend advies uitgebracht.


Analyse

De Raad vindt het zeer positief dat de geldende reglementering op het gebruik van de parkeerkaart voor personen met een handicap in herinnering gebracht wordt bij de gemeentelijke overheid. Parkeerproblemen zijn nu eenmaal onafscheidelijk verbonden aan onze leefgewoonten en elke gemeente moet er, in toenemende mate, het hoofd aan bieden. Het is daarbij heel belangrijk dat de plaatsen die voorbehouden zijn aan personen met een handicap, ook daadwerkelijk door de doelgroep kunnen benut worden.


Advies

De Nationale Hoge Raad vraagt daarom bijkomend een aantal punten te vermelden.

Het herinneren van de richtlijnen is het geschikte ogenblik om te verwijzen naar de reglementeringen die in de verschillende gewesten van kracht zijn op het verplichte aantal aan personen met een handicap voorbehouden parkeerplaatsen, zowel op publiek als op privaat domein. Vermits de Raad het ook zeer nuttig vindt de omzendbrief die voorwerp is van huidig advies, eveneens toe te sturen aan de respectievelijke Verenigingen van Steden en Gemeenten, zou in het begeleidend schrijven aan die verenigingen kunnen gevraagd worden het geven van toelichting bij deze gewestelijke regelgeving, in overweging te willen nemen.

De Raad is van oordeel dat een controle door de politie op het gebruik van de parkeerkaart absoluut noodzakelijk is om het misbruik ervan tegen te gaan. Ook op dit vlak heeft de burgemeester omwille van zijn bevoegdheden in de politiezone, een belangrijke rol te vervullen.

In dit opzicht zou het goed zijn te verwijzen naar het voorbeeld van het arrondissement van Arlon, waar het politieparket een procedure heeft opgezet die als voorbeeld van een goede praktijk kan aangeduid worden.

De procedure verloopt in vier stappen:

Bij de directie-generaal Personen met een handicap wordt een lijst opgevraagd van vervallen kaarten en kaarten toebehorend aan overleden titularissen die niet teruggezonden werden naar de directie-generaal. Vervolgens verzoekt de politie schriftelijk aan de nabestaanden en de gewezen rechthebbenden de kaart in kwestie terug te sturen naar de directie-generaal. Op een persconferentie wordt het publiek bewust gemaakt van het probleem, daarbij wordt gewezen op de sancties in geval van misbruik. De vierde stap is de daadwerkelijke politiecontrole op het illegaal parkeren op de aan personen met een handicap voorbehouden plaatsen. De overtreders worden onmiddellijk doorverwezen naar de Politierechtbank.

Aansluitend bij dit punt wenst de Raad het belang van een bewustmakingscampagne te onderstrepen, gericht naar de overheid en naar de ganse gemeenschap. Als men de persoon met een handicap zijn plaats wil geven in de maatschappij, is een aangepaste plaats om zijn wagen te parkeren daartoe al een voorwaarde.

De Raad merkt op dat een dergelijke actie zich zeer goed zou inschrijven in het kader van de Internationale dag van de persoon met een handicap op 3 december.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2012/15 - Project ALS

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Project ALS, oftewel de snelle terbeschikkingstelling van technische hulpmiddelen voor ALS-patiënten van alle leeftijden die in België wonen, door het hergebruiken ervan, uitgebracht op de plenaire vergadering van 17 september 2012


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap bij elektronisch bericht van 2 augustus 2012


Onderwerp

Het betreft een voorstel van pilootproject dat de thans bestaande, op vrijwillige basis georganiseerde verhuurdienst van de ALS Liga, omvormt tot een gestructureerd systeem voor de verhuur van technische hulpmiddelen ten behoeve van ALS-patiënten van alle leeftijden die in België wonen, gefinancierd door de overheid.

De bedoeling is de patiënten beter en adequater te helpen, de vaak zeer dure hulpmiddelen efficiënter en duurzamer te benutten, en de administratieve verplichtingen door samenwerking tussen de verschillende overheden, te verminderen.


Analyse

Vastgesteld wordt dat de bestaande reglementering, wat betreft terugbetaling van mobiliteitshulpmiddelen, tegemoetkomingen voor aanpassing woning, voertuig, omgevingsbesturing, zowel bij het RIZIV als bij de Agentschappen voor personen met een handicap geen rekening houdt met de specifieke situatie van een ALS-patiënt: een snel evoluerende achteruitgang van de gezondheidstoestand, die ook na de leeftijd van 65 jaar kan optreden.

De doelgroep van het project zoals het nu voorligt, zijn personen met ALS of vormen van ALS, van alle leeftijden, inbegrepen personen die in het huidige systeem al materieel hebben gekregen.

De patiënt heeft de vrije keuze tussen de traditionele nomenclatuur of het rentingsysteem. De keuze is onherroepelijk, sensibilisering is bijgevolg heel belangrijk.

Er worden mobiele adviesteams opgericht voor het ganse land om de rechthebbenden op te volgen. De opdrachten zullen afgestemd zijn op die van de NMRC's. Deze mobiele adviesteams zullen veel vaker thuis nagaan wat de patiënt nodig heeft.

Er zal een globale lijst worden opgemaakt van materiaal dat ter beschikking kan worden gesteld. Deze lijst van hulpmiddelen betreft zowel de hulpmiddelen op niveau van het RIZIV als op het niveau van de agentschappen. De aflevering, onderhoud en noodzakelijke aanpassingen zullen worden verzekerd door leveranciers, tegen een forfaitair bedrag. Deze leveranciers kunnen een erkenning krijgen.

Bij dit project zijn volgende instanties betrokken, die samen de stuurgroep vormen, die instaat voor opvolging, evaluatie en controle:

  • De patiëntenverenigingen ALS Liga, ABMM, Nema;
  • Het RIZIV;
  • De 4 agentschappen voor personen met een handicap (AWIPH, Dienststelle, PHARE; VAPH);
  • De verzekeringsinstellingen;
  • De neuromusculaire referentiecentra (NMRC's);
  • De bandagisten;
  • De leveranciers.

Deze aangelegenheid maakt deel uit van het pakket van bevoegdheden dat in opvolging van het regeerakkoord naar de gewesten zal worden overgeheveld.


Advies

De NHRPH heeft met betrekking tot deze aangelegenheid reeds op 20 september 2010 een advies uitgebracht, en stelt het op prijs dat de raad nu officieel om een advies wordt gevraagd.

Zoals opgemerkt in zijn vorig advies herhaalt de NHRPH dat elk project dat ertoe leidt de betrokkenen sneller over het juiste hulpmiddel te laten beschikken, moet uitgevoerd worden.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap komt op voor de verdediging van de belangen van alle personen met een handicap, zonder onderscheid te maken naargelang de soort van handicap. Vanuit deze opdracht pleit de NHRPH er dan opnieuw ook zeer sterk voor de doelgroep van dit project, en van het op te zetten systeem, niet te beperken tot patiënten met ALS. Het is niet enkel de Amyotrofe Laterale Sclerose die aanleiding geeft tot een snel degeneratieve aandoening, ook andere handicaps kunnen snel evolueren, bijvoorbeeld sommige MSaandoeningen, bepaalde kankergevallen,... Het is voor de NHRPH dan ook belangrijk dat alle patiënten die in dergelijke situatie terechtkomen snel kunnen bijgestaan worden.

De NHRPH dringt er sterk op aan dat vertegenwoordigers van personen met een handicap in het algemeen bij het project zouden betrokken worden, en niet alleen de specifieke belangengroepen die er rechtstreeks kunnen van genieten. In het bijzonder wenst de NHRPH zeer uitdrukkelijk van de verdere evolutie van het project op de hoogte te worden gebracht, en erbij betrokken te worden. Er is immers op het vlak van de organisatie nog heel wat te regelen. Kortelings zouden ondermeer de rol van de patiëntenorganisaties binnen het project, de participatie van patiëntenorganisaties binnen de overeenkomst, de uitwerking van de mobiele adviesteams besproken worden. Dit zijn voor de NHRPH allemaal zeer belangrijke kwesties binnen dit project waarover hij minstens wenst geïnformeerd te worden. Ook de kwaliteit van de hulpmiddelen is een belangrijk gegeven. Wat betreft de leveranciers van hulpmiddelen moet de keuze gemaakt worden tussen een systeem via reglementering of via aanbesteding. Bovendien is momenteel geen budgettaire raming beschikbaar. Dit is, zeker in de huidige omstandigheden een essentieel gegeven, vooral omdat de kosten waarschijnlijk hoog zullen zijn. De NHRPH noteert ook dat voor de verdere uitwerking van het project bijkomende personeelsmiddelen worden gevraagd.

Het betreft bovendien een over te dragen bevoegdheid: de NHRPH als federaal orgaan is samengesteld uit personen van alle gemeenschappen. In het project wordt de opstelling van decreten/het afsluiten van een samenwerkingsakkoord in het vooruitzicht gesteld.

De keuzemogelijkheid tussen het traditionele en het renting-systeem is niet soepel geregeld. De leden van de NHRPH storen zich aan het definitieve karakter ervan. Zullen de betrokkenen over voldoende informatie beschikken om een goed onderbouwde keuze te kunnen maken, vooral omdat dit allemaal binnen een kort tijdsbestek moet gebeuren?

Het oprichten van mobiele adviesteams, die veel dichter bij de betrokkenen zullen staan, is een positieve evolutie. Deze teams zouden samenwerken met de NMRC's

De NHRPH noteert het engagement dat elke ALS-patiënt, onafhankelijk van zijn verblijfplaats, binnen het project dezelfde kwaliteit van zorg zal bekomen en dus op dezelfde manier en met dezelfde aard van materialen toegerust kan worden.

Hierbij moet de NHRPH opmerken dat ook de Duitstalige Gemeenschap van dit engagement zou moeten kunnen genieten. In het Duitstalig landsgedeelte is er geen NMRC.

De NHRPH besluit ten slotte, dat indien al de voorgaande opmerkingen in acht worden genomen en leiden tot de gewenste aanpassing, het resultaat een goed project is.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 1

Advies 2012/14 - KB aanwervingen

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, uitgebracht op de plenaire vergadering van 17 september 2012


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken bij elektronisch bericht van 11 september 2012


Onderwerp

Het beoogde ontwerp wijzigt enkele bepalingen van het KB van 6 oktober 2005, namelijk deze betreffende de aanwerving van personen met een handicap in de federale overheidsdiensten, opgenomen onder het eerste hoofdstuk van dit KB.


Analyse

De voorgestelde aanpassingen betreffen:

  • De geldigheidsduur van de bijzondere lijst van personen met een handicap die laureaat zijn (art. 2, §2);
  • Een verduidelijking van het begrip "overheidsdienst" (art. 3, §1);
  • Een nieuwe regeling voor overheidsdiensten die het vooropgestelde percentage van 3% niet bereiken (art. 3, §2 en §3);
  • Een wijziging aan de bevoegdheden van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (art. 4);
  • Een overgangsmaatregel met betrekking tot de reserves die op de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit bestaan;
  • Een getrapte inwerkingtreding ten voordele van overheidsdiensten waarvan het percentage bij inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit geen 2% bedraagt.

Advies

De leden van de NHRPH vinden het positief dat de overheid de maatregelen die bedoeld zijn om de tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheidsdiensten te bevorderen, verscherpt.

Zij vestigen de aandacht op volgende vaststellingen:

1) De Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (BCAPH) is niet geraadpleegd met betrekking tot dit ontwerp van koninklijk besluit. Nochtans is deze commissie per definitie hiervoor de geschikte partner. Vermits het bedoelde ontwerp ook de bevoegdheden van deze commissie wijzigt was dit zeker raadzaam geweest.

2) De leden van de NHRPH zijn ervan op de hoogte dat de BCAPH een reeks andere maatregelen had voorgesteld die niet weerhouden werden bij de opstelling van het betrokken ontwerp KB:

  • De BCAPH had voorgesteld de samenstelling van de Commissie uit te breiden met een vertegenwoordiger van het kabinet van de minister/staatssecretaris bevoegd voor ambtenarenzaken en van het kabinet van de minister/staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap. Nu zijn deze personen wel dikwijls aanwezig op de vergaderingen, maar zij maken reglementair geen deel uit van de Commissie. De BCAPH had er ook op aangedrongen om een vertegenwoordiger van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid in de Commissie op te nemen. Vermits sensibilisering voor het probleem als een zeer belangrijk gegeven wordt beschouwd, is het aangewezen zoveel mogelijk betrokken partijen in te schakelen.
  • De opheffing van artikel 3, §1, 3e alinea van het KB van 6 oktober 2005 ("De operationele functies van de politiediensten, penitentiaire diensten of hulpdiensten worden niet in aanmerking genomen om het personeelsbestand vast te leggen."). Zowel de BCAPH als de NHRPH wensen dat die functies weer worden opgenomen in het personeelsbestand.

3) De termijn waarbinnen een advies moet gegeven worden over maatregelen om de tewerkstelling voor personen met een handicap te bevorderen, is zeer kort.

De volgende opmerkingen betreffen de bepalingen zelf van het ontwerp van KB:

  • De NHRPH stemt in met de bepalingen van art. 1, van art. 2,1° en van art. 4.
  • Art. 2, §2 bepaalt dat de bijzondere lijsten verplicht voorafgaandelijk moeten "geraadpleegd" worden. Hoewel dit al een vooruitgang is, biedt deze bepaling geen enkele waarborg voor een effectieve indienstneming. Als een eerste stap is deze maatregel aanvaardbaar.
  • De leden van de NHRPH gaan niet akkoord met de nieuwe bepalingen van §3 van art. 2. Hierin wordt immers bepaald dat wanneer de vooropgezette doelstelling van een tewerkstelling van 3% niet wordt bereikt, de inspecteur van Financiën, de regeringscommissaris, de afgevaardigde van de Minister van Begroting of de Regeringscommissaris van Begroting de toepassing van het nieuwe art. 2 in de overheidsdienst controleren. Hierbij is dus geen sprake meer van een tussenkomst van de BCAPH. De afgeschafte bepaling gaf deze bevoegdheid ook aan de minister voor Ambtenarenzaken, maar voorzag bovendien dat wanneer de vooropgezette doelstelling van een tewerkstelling van 3% niet wordt nageleefd, na eensluidend advies van de begeleidingscommissie, de overheid aanwervingen weigert zolang het percentage van 3% niet is behaald. Door de afschaffing van deze sanctie verdwijnt een belangrijk drukkingsmiddel om de wet toe te passen. In samenlezing met het art. 3 van het ontwerp, dat art. 4, 6de lid opheft, is het ontegensprekelijk de bedoeling essentiële opdrachten van de BCAPH af te schaffen. Indien de inspanningen van een overheidsdienst duidelijk onvoldoende worden geacht, kon de BCAPH een eensluidend advies geven. De nieuwe bepaling van §3, die alleen de toepassing van het nieuwe art. 2 "controleert", is ter zake ruim onvoldoende. De NHRPH adviseert bijgevolg de officiële sanctiemogelijkheid van de BCAPH te behouden.
  • Ten slotte kan de NHRPH niet akkoord gaan met de getrapte inwerkingtreding voorzien in art. 5 van het ontwerp. De wettelijke bepaling is 3%. Waarom moeten overheidsdiensten die dit cijfer niet behalen beloond worden omdat ze de wet niet toepassen? Dit is een verkeerd signaal.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Steven Vanackere, Vice-eerste Minister en Minister van Ambtenarenzaken;
  • Voor opvolging aan de heer Hendrik Bogaert, Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 1

Advies 2009/20 - Chronische ziekten

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 15 juni 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 15 juni 2009, volgend advies uitgebracht met betrekking tot een principieel probleem dat in de werkgroep chronische ziekten gesteld is. De Nationale Hoge Raad werd hierover ingelicht door zijn vertegenwoordigers in de werkgroep.


Analyse

De Nationale Hoge Raad is unaniem van oordeel dat niet zozeer de pathologie, maar vooral de gevolgen van de aandoening in aanmerking moeten worden genomen. Dit is één van de basisbeginselen die de Raad in alle dossiers hanteert.


Advies

De Raad is geen voorstander van het opstellen van een lijst: het net niet opgenomen zijn in de lijst heeft zware gevolgen voor de betrokkene.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Geneviève Haucotte, Voorzitster werkgroep Chronische ziekten, Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/19 - VKB: Discriminaties

  • Jaartal advies: 2009

Ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 15 juni 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap heeft in vergadering van 15 juni 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit, dat de weg opent naar de reeds lang beoogde gelijkschakeling.


Analyse

De Raad heeft echter opgemerkt dat artikel 2 van het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat het besluit in werking treedt op de eerste dag van de tweede maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgische Staatsblad. Dit geplande "uitstel" zou ingegeven zijn door een vermoeden dat de kinderbijslagfondsen problemen kunnen ondervinden bij de aanpassing van informaticaprogramma's aan de nieuwe regeling.


Advies

De raad dringt er ten stelligste op aan deze bepaling te wijzigen in die zin dat de nieuwe regeling reeds van toepassing zou zijn vanaf 1 juli 2009. Het zou werkelijk zonde zijn en ongetwijfeld aanleiding tot grote frustratie, mocht de groep kinderen die van de nieuwe regeling zou kunnen genieten, na de vakantie te weten komen dat deze gunstige maatregel hun net voorbijgaat.

De Raad kan er trouwens niet mee akkoord gaan dat als reden wordt aangehaald dat de informaticaprogramma's moeten gewijzigd worden. Door het feit dat de tewerkstelling als jobstudent geen invloed meer heeft op de kinderbijslag, moeten daarvoor geen gegevens meer ingebracht worden.

De Raad laat ter zake ook opmerken dat kinderen met een handicap weinig of niet gebruik maken van de mogelijkheid tot uitbreiding van de toegelaten tewerkstelling naar de andere maanden van het jaar. Dit houdt concreet in dat de meerderheid onder hen een jaar zal moeten wachten om van deze maatregel te kunnen genieten.

De Raad rekent op de welwillendheid van de bevoegde instanties om deze aanzienlijke verbetering "af" te maken, en de inspanningen nu al te bekronen.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/18 - Economische crisis

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 18 mei 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Nationale Hoge raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 18 mei 2009 de economische crisis besproken, meer in het bijzonder de gevolgen ervan voor personen met een handicap. De Raad heeft hierover unaniem volgend advies uitgebracht.


Analyse

De Raad is van oordeel dat op dit ogenblik op twee domeinen moet gehandeld worden: er moeten zeer dringend maatregelen genomen worden om de zwaarste gevolgen van de crisis onmiddellijk aan te pakken, maar ook op lange termijn zijn weloverwogen ingrijpende wijzigingen absoluut noodzakelijk.

De Raad is tevreden dat de regering daadwerkelijk maatregelen heeft genomen die de situatie van de werknemers in de hand moet houden. Onder deze personen die afhankelijk zijn van een loon bevinden zich ook een hele groep personen met een handicap, en voor hen komt de crisis nog zwaarder aan.


Advies

Naar aanleiding van een vraag door de voorzitter van de Commissie van de Sociale zaken van de Kamer, bracht de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap in zijn vergadering van 20 april een advies uit, waarvan het hierna vermelde uittreksel de punten aangeeft waarop de Raad dringend actie vraagt.

In de context van de huidige moeilijkheden is de uitvoering van dit advies nog dringender geworden, waarbij het laatste punt, de werkloosheidsvallen, als het belangrijkste moet aangeduid worden:

Gelet op het feit dat tientallen duizenden personen met een handicap in grote armoede leven, is de NHRPH van mening dat de tegemoetkomingen thans prioritair moeten verhoogd worden opdat ze voor iedere persoon kunnen voorzien in een menswaardig bestaan.

De NHRPH vraagt de volgende voornaamste fasen thans uit te voeren:

  • Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) verhogen: het bedrag van de IVT ligt thans 17% onder de armoedegrens. Dit bedrag wordt in juni 2009 met 2% zonder indexering verhoogd. Desondanks zal er nog steeds een onaanvaardbaar verschil van 15% met de armoedegrens blijven bestaan.
  • De maximumbedragen van de inkomsten, wat betreft de integratietegemoetkoming (IT), voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, gelijkstellen met de bedragen van de IVT-categorieën. Wanneer iemand een ander vervangingsinkomen ontvangt, is de kans groot (aangezien het om een gering bedrag gaat) dat hij een volledige IVT ontvangt, maar dat de IT gedeeltelijk wordt verminderd. Dit heeft te maken met het feit dat er een verschil is tussen het bedrag van de IVT en het maximumbedrag van de inkomsten voor de IT. Telkens als er een verhoging zonder indexering is, wordt dit verschil groter. Een oplossing moet daarvoor snel worden gevonden.
  • Het probleem van de werkloosheidsvallen onderzoeken. Personen die hebben gewerkt en die om een of andere reden werkloos worden en een vervangingsinkomen ontvangen, gaan aldus niet alleen daardoor een deel van hun inkomen verliezen, maar ook een deel van de tegemoetkoming. Dit vloeit voort uit het feit dat de maximumbedragen van de inkomsten voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, lager liggen dan het bedrag van het bestaansminimum. Ze moeten dus snel worden verhoogd.

Aan de regering wordt bovendien gevraagd bijkomend zeer dringende tijdelijke maatregelen te treffen, specifiek voor personen met een handicap, die de getroffen personen moeten toelaten de moeilijkste periode door te komen. In de groep van de werkende gehandicapten zijn het precies de categorieën met het laagste inkomen die het meest te lijden hebben van de situatie. Een persoon met een handicap wordt technisch werkloos, verliest een gedeelte van zijn loon, krijgt een werkloosheiduitkering, verliest een deel van zijn tegemoetkomingen. Ook de daaropvolgende jaren blijft er een negatieve invloed bij de berekening van het inkomen.

Bij dit alles mag niet uit het oog verloren worden dat men enkele jaren geleden een impuls gegeven heeft om personen met een handicap toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Diegenen die hier positief op hebben gereageerd dreigen nu de dupe te worden.

Er ontstaat bovendien een bezigheidsprobleem: de getroffen sociale groep is diegene die er het minst in slaagt buiten het werk zijn tijd in te vullen.

Personen met een handicap vindt men echter niet alleen terug in het gewone arbeidscircuit: heel wat van deze personen zijn tewerkgesteld in de beschermde werkplaatsen en deze hebben, omwille van hun eigen aard, bijzonder zwaar te lijden onder de huidige economische crisis. Niet alleen is de tewerkstelling sterk teruggelopen, omdat de subsidiëring afhankelijk is van de omvang van het tewerkgestelde personeel, dreigen ook voor de komende jaren de subsidies drastisch verminderd te worden. Bijgevolg is er een reële vrees dat dit soort buitengewone tewerkstelling in een negatieve spiraal terecht komt, met weinig vooruitzichten op een herstel. Deze aangelegenheid behoort evenwel tot de bevoegdheid van de gewesten. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap vraagt dan ook aan mevrouw de Staatssecretaris dit probleem met de gewesten te bespreken, bijvoorbeeld in het kader van de Interministeriële Conferenties, en alles in het werk te stellen om tot een aanvaardbare oplossing te komen.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Joëlle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/17 - Rolstoelen

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 18 mei 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 18 mei 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot een probleem dat zich stelt bij de inoverwegingneming van een verzoek om in een individueel dossier een afwijking toe te staan. Dat probleem kwam ter sprake tijdens de vergadering van de Technische Raad 'Rolstoelen'. De Nationale Hoge Raad werd hierover ingelicht door zijn vertegenwoordigers in de Technische Raad.


Analyse

Het probleem in kwestie heeft betrekking op het gebruik maken van een elektrische rolstoel in het kader van vrijwilligerswerk. De geldende beschikkingen verwijzen immers naar de arbeid, maar hebben het niet over een vergoeding voor de arbeid. Bijgevolg stelt zich de vraag of het vrijwilligerswerk dus ook niet onder die bepalingen valt en in aanmerking moet genomen worden.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap staat volledig achter het idee vrijwilligerswerk ook in aanmerking te nemen omdat dit werk voor personen een middel is om zich in de maatschappij te integreren en hun intellectuele vermogens op een waardevolle manier ten dienste te stellen. Bovendien is vrijwilligerswerk ook door de Fondsen van de gemeenschappen en gewesten erkend.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Kiekens, Voorzitster Technische Raad voor Rolstoelen van Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/16 - Rolstoelen

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 18 mei 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 18 mei 2009, volgend advies uitgebracht met betrekking tot een probleem dat zich stelt bij de inoverwegingneming van een verzoek om in een individueel dossier een afwijking toe te staan. Dat probleem kwam ter sprake tijdens de vergadering van de Technische Raad' Rolstoelen'. De NHRPH is ervan op de hoogte gesteld door zijn vertegenwoordigers in de Technische Raad.


Analyse

Het probleem kan als volgt omschreven worden: niet enkel een mogelijke vergelijking met een andere aandoening, maar ook de ernst van de aandoening kan gelden als vergelijkingsbasis om een verzoek tot afwijking toe te staan. De Raad heeft absoluut niet de bedoeling zich te mengen in de oplossing van individuele dossiers, maar is wel de mening toegedaan ter zake een principieel advies te kunnen uitbrengen.


Advies

De Nationale Hoge Raad is unaniem van oordeel dat niet alleen de pathologie, maar vooral de gevolgen van de aandoening in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling.

De Raad verwijst in dit kader naar de ICF, International Classification of Functioning, Disability and Health van de Wereldgezondheidsorganisatie. De handicap wordt omschreven als een tekortkoming in het functioneren van de persoon die ontstaat als de persoon een obstakel ontmoet in zijn omgeving. Deze definitie is universeel. Het functioneren van de persoon wordt, onafhankelijk van de diagnose, beschreven.

De Raad dringt er op aan dat dit internationaal erkende systeem ook in België op grotere schaal zou gebruikt worden.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Kiekens, Voorzitster Technische Raad voor Rolstoelen van Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/15 - Trappenklimmer voor rolstoelen

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de trappenklimmer voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 april 2009


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS


Onderwerp

Op basis van de demonstratie ter plaatse die de NMBS op 11 maart 2009 in het Zuidstation heeft georganiseerd en rekening houdend met de elementen van antwoord die aan het bureau van de NHRPH zijn meegedeeld ingevolge de brief met de aanvraag om bijkomende informatie van 24 maart 2009, heeft de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) de adviesaanvraag van de NMBS over de trappenklimmer voor rolstoelen onderzocht.


Analyse

Uit de bespreking blijkt dat het gebruik van een toestel van het voorgestelde type personen met een handicap in een rolstoel meer comfort zou kunnen bieden tijdens de handelingen die - thans - nodig zich om de perrons van een aantal stations en haltes te bereiken.

De NHRPH wenst te benadrukken dat het gebruik van dergelijk toestel enkel als overgangsoplossing kan overwogen worden: de volledige toegankelijkheid van alle stations en van alle haltes moet een absolute doelstelling blijven. Het eventuele gebruik van een mobiel toestel mag geen verantwoording zijn om van deze doelstelling af te wijken of ze uit te stellen.

Het is evenwel duidelijk dat de technische specificaties van de geteste versie belangrijke beperkingen hebben, die discriminerend zullen zijn voor een aanzienlijk aantal rolstoelgebruikers.


Advies

De NHRPH kan dus, uitgaande van de beschreven voorwaarden, geen gunstig advies over dit type materiaal formuleren.

Het advies van de NHRPH zou positief kunnen zijn indien de technische specificaties zouden gelden voor meer personen van de doelgroep. De volgende twee criteria zouden vanuit het oogpunt van de NHRPH aanvaardbaar zijn:

  • Grotere afmetingen van het plateau om alle door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) goedgekeurde rolstoelen op de trein te kunnen zetten.
  • Nuttig laadvermogen van 275 kilogram om een elektrische rolstoel en de gebruiker ervan te kunnen dragen. Wij vestigen hier uw aandacht op het feit dat de meest zwaarlijvige personen tevens de personen zijn die de zwaarste rolstoelen moeten gebruiken, zodat het totaal gewicht vaak 250 kilo en meer bedraagt.

De NHRPH wenst bovendien een opmerking te formuleren over de antwoorden die gegeven werden op de vragen over de afmetingen van de mobiele traplift in zijn brief van 24 maart 2009. Het is duidelijk dat het toestel in kwestie een minimale ruimte van 100 cm breedte op de trap en (eventuele) overlopen van ten minste 160 x 200 cm vereist. Omdat het toestel in kwestie gebruikt zou worden voor de toegang tot de perrons, zou het de doorgang van de andere passagiers die dezelfde trein willen in- of uitstappen niet ernstig mogen belemmeren. De NHRPH veronderstelt dat er minimale normen voor de vrije doorgangsbreedte op de trappen bestaan. Hij wenst dat deze normen worden nagegaan voordat een beslissing wordt genomen over een aankoop. Dit zal waarschijnlijk een invloed hebben op de lijst van de stations waar dergelijk toestel zou kunnen worden gebruikt.

De NHRPH herinnert tevens eraan dat hij alle werkzaamheden van de NMBS op het gebied van toegankelijkheid van de stations en haltes opvolgt. Hij werd aldus op de hoogte gebracht van de projecten voor de komende jaren: de perrons in talrijke stations en haltes zullen ontoegankelijk blijven. De NHRPH benadrukt dan ook met aandrang dat het voorstel van de mobiele traplift voor rolstoelen verder moet worden uitgewerkt op voorwaarde dat terdege rekening wordt gehouden met zijn opmerkingen over de overeenstemming met de door het RIZIV goedgekeurde rolstoelen.


Bezorgd

  • Aan de NMBS, Directie Reizigers - Inrichting van de stations en van de signaletiek
  • Kopie aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap

Advies 2009/14 - Revalor

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over Revalor, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 20 april 2009


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) nam deel aan meerdere werkgroepen van de NMBS en bracht een advies uit over Revalor.


Analyse

De NHRPH brengt graag zijn opdracht en standpunt in herinnering.

1. De NHRPH is een adviesraad inzake handicap

De NHRPH is geen technisch bureau inzake toegankelijkheid.

De NHRPH vraagt in al zijn tussenkomsten om tegemoet te komen aan alle behoeften inzake totale toegankelijkheid voor alle personen met een handicap ("handicap mainstreaming").

Totale toegankelijkheid is een ruim concept dat evolueert. Het is een doelstelling op middellange en lange termijn die zich vertaalt in onmiddellijke concrete acties en verder doorgedreven acties.

De toegankelijkheid moet bovendien worden bekeken voor alle stappen in de dienstverlening, één onderdeel kan immers de volledige dienstverlening ontoegankelijk maken.

  • Zo is het bijvoorbeeld nutteloos dat de NMBS het voor rolstoelgebruikers mogelijk maakt om de trein te nemen als ze er tegelijkertijd niet voor zorgt dat er in de toiletten voldoende ruimte is om te draaien, dat er geen deurdrempels meer zijn, dat de hoogte van de loketten is aangepast, enz.;
  • Het is ook nutteloos om geleidingslijnen te voorzien als deze worden onderbroken door drankautomaten;
  • Wanneer de omgeroepen informatie niet wordt vermeld op de informatieborden, weten doven niet dat ze van perron moeten veranderen. Er zijn talloze voorbeelden die duidelijk aantonen hoe belangrijk het is dat het volledige parcours toegankelijk wordt gemaakt: van de informatie aan het loket, over brochures of het internet, tot en met het ogenblik dat de persoon het station of de halte van zijn bestemming heeft bereikt. Totale toegankelijkheid omvat:
  • - fysische en technische toegankelijkheid
  • - auditieve toegankelijkheid
  • - visuele en sensoriële toegankelijkheid
  • - intellectuele toegankelijkheid (informatie aan de loketten, website, brochures, infoborden, ...)
  • - benodigdheden
  • - veiligheid
  • - begeleiding door een persoon wanneer de voorziening vermeld in a tot f niet volstaan om de volledige dienstverlening toegankelijk te maken
  • - voor alle personen met een handicap: zowel fysische, sensoriële, mentale als verstandelijke handicaps

2. De NHRPH ziet toe op de naleving en de concretisering van fundamentele wettelijke vereisten:

Het begrip "persoon met een handicap": Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving

De NHRPH vraagt de NMBS om haar beleid en acties ten gunste van PH af te stemmen op deze definitie: het is immers de omgeving die een obstakel vormt voor de mobiliteit van de persoon; het is dan ook aan deze omgeving dat er moet worden gewerkt om ze toegankelijk te maken voor zo veel mogelijk personen. Wanneer deze voorziene toegankelijkheid niet volstaat, moet er voor begeleiding door een persoon worden gezorgd.

De NMBS verruimt trouwens haar actiegebied tot de "personen met beperkte mobiliteit", ongeacht de ooraak van de beperkte mobiliteit. De NHRPH is vanzelfsprekend erg tevreden met deze verruiming, die het beleid verbreedt tot ouderen, personen vergezeld van kinderen en personen van wie de mobiliteit tijdelijk is beperkt. De NHRPH vestigt evenwel de aandacht van de NMBS op de noodzaak om prioriteiten vast te stellen met betrekking tot de beleidsopties en acties gericht op de integratie van personen met een handicap. Voor personen met een handicap zou het gebrek aan een beleid en acties neerkomen op de onmogelijkheid om toegang te hebben tot en gebruik te maken van de diensten van de NMBS.

Het begrip "Redelijke aanpassingen": dit sinds 2007 bij wet vastgelegde begrip omvat de "passende maatregelen die in een concrete situatie en naargelang de behoefte worden getroffen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot een sociale of middelgrote woning tenzij deze maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die deze maatregelen moet treffen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd". Het ontbreken van redelijke aanpassing vormt op zich een strafbare discriminatie. Het begrip "redelijke aanpassingen" is dus een algemene bepaling, die dezelfde dwingende kracht heeft als de bepalingen waarin is voorzien bij de bijzondere reglementeringen, die eveneens gelden en die dan ook moeten worden nageleefd bij de uitwerking van Revalor.

In december 2008 heeft de NHRPH bij twee gelegenheden zijn visie toegelicht met betrekking tot zijn rol die hij heeft te vervullen bij de NMBS: een eerste keer tijdens een vergadering op het Kabinet van de Minister van Mobiliteit; een twee keer op een vergadering in aanwezigheid van het bureau van de NHRPH, de FOD Mobiliteit, de 3 maatschappijen van de NMBS en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen (bevoegd voor klachtenbehandeling). Tijdens de vergaderingen kon de rol van alle betrokkenen worden verduidelijkt en konden er gedragslijnen worden bepaald voor een optimale werking van de werkgroep NMBS-NHRPH (zie lager, punt 4.)


Advies

De NHRPH moet thans snel een advies uitbrengen. Rekening houdend met het conceptueel belang van het geanalyseerde dossier, wordt dit advies uitgebracht onder voorbehoud en kan het op gelijk welk moment worden herzien. De NHRPH neemt in geen geval enige verantwoordelijkheid op zich met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de werkzaamheden van de NMBS.

Wegens de hoger vermelde redenen die verband houden met zijn opdracht en bevoegdheid, brengt de NHRPH dan ook geen technisch advies uit over Revalor als geheel.

Het is dan ook in het kader van zijn sensibiliseringsbevoegdheden inzake de integratie van de behoeften van personen met een handicap dat de NHRPH hierna een advies uitbrengt met een aantal inhoudelijke aanbevelingen op het vlak van de toegankelijkheid van de spoorwegdiensten als geheel.

1. De NHRPH erkent de meerwaarde van de aanbevelingen van de gemachtigde technische bureaus en wil dat ze in Revalor worden gïntegreerd

2. Revalor moet een volwaardig werkinstrument worden, een echt "vademecum" van de totale toegankelijkheid:

  • Deze eerste poging is lovenswaardig, gelet op de omvang van de taak. Ze moet de eerste stap zijn in de richting van een permanente reflectie van de NMBS voor een kwaliteitsvolle toegankelijkheid voor al haar klanten. Revalor moet een werkinstrument zijn dat verandert in functie van een toegankelijkheid die de autonome integratie van PH ondersteunt.
  • De toegankelijkheid beperkt zicht niet tot het onthaal van rolstoelgebruikers en slechtzienden. Het is een omvangrijk concept dat zowel informatie, signalisatie, akoestiek, enz. moet behelzen, om tegemoet te komen aan ieders wens om op een veilige en comfortabele manier de trein te kunnen gebruiken. Revalor moet een geïntegreerd document dat in zijn benadering open staat voor aanbevelingen en toekomstige verbeteringen.
  • Totale en volledige toegankelijkheid beogen: alle regelgeving is minimalistisch; de NMBS moet meer pogen te doen en wanneer verschillende regelgevingen elkaar tegenspreken, moet ze die toepassen die het gunstigst is
  • voor de toegang voor PH en daarbij uniformiteit nastreven voor het volledige Belgische spoorwegnet.
  • Revalor heeft slechts op een gedeelte van de toegankelijkheid betrekking en heeft geen invoel op een aantal goederen en diensten waarop de NMBS geen vat heeft (geldautomaten, telefooncellen, ...). De NHRPH wil dat de NMBS en de andere operatoren hun toegankelijkheidsbeleid op elkaar afstemmen.
  • De filosofie van Revalor is de inspanningen te concentreren op de grote stations en de stations in de buurt van concentraties van personen met een handicap. De toegangsstrategie voor PH met een rolstoel is prioritair. Het is dan ook opzettelijk dat de wetgevingen niet systematisch worden toegepast bij werken. De STI-normen hanteren als criterium trouwens 500 reizigers De NHRPH begrijpt het toegankelijkheidsbeleid van de NMBS waarbij prioriteit wordt gegeven aan de grote stations, maar kan het er niet mee eens zijn: hij beklemtoont dat het toegankelijkheidsbeleid zo transversaal mogelijk moet zijn, alle stations en haltes moet beogen en gericht moet zijn op alle PH, ongeacht hun behoeften. De NHRPH beklemtoont ook dat de volledige dienstverlening toegankelijk moet zijn (van de informatie aan het loket of op het internet tot het verlaten van het station van bestemming). De economische of technische redenen zijn begrijpelijke argumenten, maar ze zijn onaanvaardbaar voor de NHRPH.
  • De NHRPH wenst dat de in de vorige punten beschreven benadering in termen van kwaliteitsdoelstellingen voor de dienstverlening wordt opgenomen in de volgende beheersovereenkomsten van de NMBS. De NHRPH pleit ook voor een globale verklaring voor de toegankelijkheid in alle domeinen en voor alle PH die zou worden opgenomen in een aanhangsel bij de 3 beheersovereenkomsten 2008-2012. De ontwerpen en realisaties moeten uitgedacht met het oog op een duurzame ontwikkeling en een zo ruim mogelijke toegankelijkheid.

3. Waartoe de NMBS zich verbindt

  • De NMBS moet vanzelfsprekend aan de minimumregelgeving voldoen.
  • Revalor, met inbegrip van de aanbevelingen van de technische bureaus Gap en Enter, wordt een echt bindend en impliciet bestek voor de ontwikkeling van alle projecten voor de renovatie van de stations, de haltes en de perrons. De NMBS (via haar 3 maatschappijen) moet de werkzaamheden uitvoeren overeenkomstig de technische normen van Revalor. De NHRPH moet eveneens van zijn medecontractanten of onderaannemers eisen dat ze de toegankelijheidsregels toepassen.
  • De NMBS neemt de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat op zich. De resultaten moeten overeenstemmen met het bestek.
  • De architecten moeten de informatie zoeken waar ze te vinden is en ervoor zorgen dat het gebouw toegankelijk is op alle niveaus (met inbegrip van de akoestiek, de informatie en de signalisaties).
  • Voorwendsels zoals "om economische of technische redenen" moeten worden gebannen, om willekeur te vermijden.
  • Zo zijn de aanbevelingen van de technische bureaus ook niet zo maar gewone werkvoorstellen, maar algemene minimumprincipes die moeten worden nageleefd onder de noemer van redelijke aanpassingen.
  • Het zou goed zijn om kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren te ontwikkelen met scores die verdeeld liggen tussen perfect, toelaatbaar en ontoelaatbaar. Op zijn minst moeten de indicatoren van de Europese verordening 1371/2006 worden overgenomen.

4. Toekomstige werkmethode tussen de NHRPH en de NMBS:

  • Telkens er aan de NHRPH een project voor een station wordt voorgelegd, moet de NHRPH van de NMBS de garantie krijgen dat Revalor is toegepast.
  • De werkzaamheden waarvan het ontwerp of de uitvoering afwijken van Revalor moeten worden voorgelegd aan de NHRPH, die een officieel schriftelijk advies uitbrengt (een verslag van een vergadering geldt niet als advies).
  • Revalor blijft de "Bijbel" zolang er geen uitdrukkelijke wijziging is. De standpunten die de NHRPH inneemt met betrekking tot uitzonderlijke situaties waarin een beslissing moet worden genomen die afwijkt van de in Revalor opgenomen principes, kunnen geen "precedent" worden zonder uitdrukkelijk advies in die zin van de NHRPH. Wanneer het toegankelijkheid voor PH ten goede komt, brengt de NHRPH een advies uit met betrekking tot de noodzaak om de inhoud van Revalor te wijzigen. Indien nodig vraagt de NHRPH het advies van technische bureaus, op kosten van de NMBS.
  • Naar behoefte raadpleegt de NMBS die toegankelijkheidstechnici en legt ze aan de NHRPH een volledig dossier voor dat hem in staat stelt om de volledige situatie te beoordelen op het vlak van de toegankelijkheid van het project.
  • Meer fundamenteel moedigt de NHRPH de NMBS aan om op een systematische manier samen te vergaderen over terugkerende problemen of principekwesties.

5. Regels die elkaar tegenspreken:

De NHRPH vraagt in alle gevallen de toepassing van de norm die het gunstigst is voor de persoon met een handicap, met het oog op de uniformiteit van de dienstverlening aan het publiek.

6. De toegankelijkheidsbarometer uitwerken:

De toegankelijkheid moet een criterium worden voor de kwaliteit van de dienstverlening. Er moeten indicatoren en evaluatiewijzen worden ontwikkeld die kunnen worden voorgelegd aan de NHRPH.

7. duurzame ontwikkeling :

Het beleid waarbij voorrang wordt gegeven aan de grote stations is een strategische commerciële keuze. De NHRPH benadrukt evenwel de noodzaak om toegankelijkheid ook te zien als een onderdeel van duurzame ontwikkeling. Geen enkel stoppunt of geen enkele halte mag uit het oog worden verloren.

8. Overstapvoorzieningen.

Spoorwegvervoer vormt vaak een onderdeel van een grotere verplaatsing. De NMBS moet haar obstakelvrij verplaatsingsbeleid kaderen in een ruimere context met alle andere weg- en vervoersoperatoren.

9. Document

Er moet ook een document komen over de toegankelijkheid van de treinen (de toegankelijkheid van de treinen is trouwens een vereiste van de Europese verordeninig 1371/2007).

10. toekomstige samenwerking tussen de NHRPH en de NMBS

De toekomstige samenwerking tussen de NHRPH en de NMBS is gebaseerd op vertrouwen: de NHRPH zal de overeenstemming tussen Revalor en de uiteindelijke concrete uitvoering niet controleren. Een conformiteitscontrole in het kader van de permanente verbetering van de dienstverlening zou echter wel wenselijk zijn.


Bezorgd

  • Aan de Raad van Bestuur van de maatschappijen Infrabel en Holding Patrimonium
  • Kopie aan de Rvb van de NMBS Reizigerstreinen
  • Kopie aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Kopie aan de heer Steven Vanackere, Minister van Ambtenarenzaken
  • Kopie aan de heer Etienne Schouppe, Staatssecretaris voor Mobiliteit

Advies 2009/13 - Algemene beleidsnota

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de algemene beleidsnota van de Staatssecretaris voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 april 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) heeft zich uitgesproken over de algemene beleidsnota van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Analyse

Om het standpunt van de NHRPH duidelijk te maken wordt hier puntsgewijs het standpunt van de Staatssecretaris hernomen, zoals uiteengezet in zijn algemene beleidsnota.

1. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap werd in april 2008 vernieuwd. Zijn activiteit getuigt van zijn dynamisme. Het gaat zowel om adviezen die op vraag van een minister of staatssecretaris werden geformuleerd, advies op eigen initiatief, deelname aan externe werkgroepen als om het oprichten van specifieke interne werkgroepen. De Raad beschikt echter over beperkte middelen en zijn werk is nog te vaak ongekend. De Staatssecretaris zal de middelen van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap met een bedrag van 20.000 EUR verhogen om deze te versterken. De Raad kan deze middelen gebruiken om zijn werkzaamheden te valoriseren, om een beroep op experts te doen, om manifestaties te organiseren, ...

2. Voor de optimale werking van dit orgaan zal de staatssecretaris eveneens een voorstel indienen dat de benoeming van plaatsvervangers binnen de Raad mogelijk maakt, wat de huidige regelgeving niet toelaat.

3. Beslissingen die personen met een handicap aanbelangen worden nog al te vaak genomen zonder de belanghebbenden te raadplegen. Nu kan de minister die een voorstel tot wijziging van de regelgeving indient de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap raadplegen. Er zijn te weinig regeringsleden die een dergelijke stap ondernemen. De staatssecretaris voor personen met een handicap wenst dat de Hoge Raad geraadpleegd wordt bij de uitwerking van alle ontwerpen van Koninklijke Besluiten of wetsontwerpen die verband houden met personen met een handicap. Daartoe zal ze een voorstel indienen dat voorziet dat alle teksten die specifiek met personen met een handicap verband houden, op voorhand aan het advies van de Hoge Raad dienen onderworpen te worden. Deze maatregelen zijn een weerspiegeling van de eerste eis in het memorandum van de Nationale Hoge Raad die vroeg dat "de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap een belangrijkere rol zou gaan spelen en dat er een oplossing zou worden gevonden voor het aanhoudende gebrek aan middelen dat zijn werking in hoge mate remt". Gezien de multidisciplinaire aard van de problematiek van personen met een handicap zal de staatssecretaris er bovendien op toezien dat maatregelen die als algemene maatregelen kunnen worden beschouwd geen averechts effect op personen met een handicap kunnen hebben.

4. Werken als staatssecretaris voor personen met een handicap betekent dat men met alle verenigingen van personen met een handicap en de professionals van de sector werkt. De staatssecretaris zal haar bijna dagelijkse contacten met de verenigingswereld voortzetten.


Advies

Hierna komt het advies van de NHRPH aan bod m.b.t. alle hiervoor aangehaalde punten.

1. De NHRPH reageert positief op de toename van de middelen van de NHRPH. Zoals mevrouw Fernandez zelf heeft aangestipt, is het dynamisme van de Raad reëel: het aantal aanwezigen op onze vergaderingen, het oprichten van of deelnemen aan werkgroepen, de diversiteit van de aangeroerde thema's zijn allemaal duidelijke uitingen van de betrokkenheid van zijn leden en van zijn secretariaat. Aan dit werk zou thans best ruchtbaarheid worden gegeven bij het grote publiek, de professionals en de politieke wereld. De NHRPH meldt aldus officieel aan mevrouw de Staatssecretaris dat deze financiële steun onder andere zal dienen voor het financieren van een internetsite in 4 talen. De Raad zal tevens andere mogelijkheden onderzoeken om de kwaliteit van zijn werkzaamheden te verhogen: beroep doen op deskundigen, manifestaties organiseren, ...

2. De NHRPH is van oordeel dat het helemaal niet wenselijk is dat plaatsvervangers zouden benoemd worden, omdat de dynamiek en de coherentie van de Raad daardoor zou verzwakt worden in plaats van de Raad te versterken. Thans zijn er regelmatige, spontane of gevraagde gedachtewisselingen tussen de leden, enerzijds, en tussen de leden en het secretariaat, anderzijds. Plaatsvervangers zijn nooit een oplossing voor een hogere werklast aangezien de plaatsvervanger per definitie het werkend lid tijdelijk, gedurende zijn afwezigheid, vervangt: van de plaatsvervanger kan niet geëist worden dat hij het dossier en de problematiek even intens als het werkend lid opvolgt. Zonder enige kritiek, aangezien dit noch voor het werkend lid, noch voor de plaatsvervanger aangenaam werken is. Alhoewel de plaatsvervanger ervoor zorgt dat de plaats wordt ingevuld, moet het werk niettemin worden voorbereid, uitgevoerd en moet feedback daarover worden gegeven. Met het instellen van plaatsvervangers zou tevens geen rekening worden gehouden met de gevoeligheid van de personen: een plaatsvervanger kan geheel te goeder trouw een dossier en principes verdedigen vanuit een andere benadering dan het werkend lid. Een consensus bereikt in plenaire vergadering met een werkend lid bijvoorbeeld zal er aldus niet meer zijn bij de volgende vergadering aangezien de plaatsvervanger niet dezelfde visie, soortgelijke doelstellingen heeft. Het risico is dan groot dat een bespreking opnieuw moet plaatsvinden of een standpunt opnieuw moet worden ingenomen. Hoe moeten de plaatsvervangers van de werkende leden trouwens gekozen worden: men mag immers niet uit het oog verliezen dat geen verenigingen worden aangewezen om aan de Raad deel te nemen, maar leden, die individueel benoemd zijn, op basis van hun persoonlijke capaciteiten. De plaatsvervangers zullen volgens dezelfde logica moeten aangewezen worden en men zou dus tot situaties kunnen komen waarbij bijvoorbeeld het Vlaams werkend lid dat patiënten met een neuromusculaire handicap vertegenwoordigt een Franstalige plaatsvervanger heeft die dove personen vertegenwoordigt.

Om een eenvormig standpunt te behouden, zou men de "functie" van de plaatsvervanger kunnen beperken tot die van het werkend lid, maar dan zou dat geen enkel voordeel meer inhouden als bijdrage tot het denkwerk en de besluitvorming van de Raad.

Men zou daarnaast de ongewilde gevolgen van het instellen van de plaatsvervanger kunnen wegwerken door de Raad uit te breiden tot andere verenigingen. De Raad is deze hypothese niet gunstiger gezind om de volgende redenen.

Er wordt best eerst herinnerd aan de opdracht en de doelstellingen van de Raad. Om zijn opdracht en zijn doelstellingen tot een goed einde te brengen, moet de Raad aan drie essentiële voorwaarden voldoen:

  • A) pluralistische en actieve vertegenwoordiging van alle "componenten van de handicap"
  • B) zelfstandigheid en loyaliteit van zijn leden
  • C) rol van het secretariaat bij de werking van de Raad in zijn geheel

A) pluralistische en actieve vertegenwoordiging van alle "componenten van de handicap"

  • Een geloofwaardige adviesstructuur moet de noodzakelijke garanties bieden voor een pluralistische vertegenwoordiging van de sociale krachten en van de "categorieën" handicaps.
  • Voor de samenstelling van de Raad in 2008 heeft mevrouw de Staatssecretaris tientallen kandidaturen ontvangen. Haar uiteindelijke keuze heeft een ruime en volledige representativiteit van alle situaties van fysieke, intellectuele, zintuiglijke en cognitieve handicap gegarandeerd.
  • De in aanmerking genomen kandidaten zorgen samen voor een diepgaande en genuanceerde expertise wat betreft de wenselijke en soms noodzakelijk verschillende antwoorden voor het opvangen van de praktische gevolgen van handicap- en/of ziektesituaties.
  • De Raad kreeg reeds het verwijt dat zijn leden niet allemaal personen met een handicap zijn en dat ze dus niet representatief zijn. Bij de Raad zijn er personen met een zichtbare handicap, personen met een onzichtbare handicap, nog andere personen die zich nauw betrokken voelen bij de situatie van personen met een handicap: alle
  • vertegenwoordigers werden evenwel door de Minister aangewezen "wegens hun deelneming aan de activiteiten van organisaties die zich voor personen met een handicap interesseren of wegens hun sociale of wetenschappelijke activiteiten". Het is dus niet het feit zelf een handicap te hebben dat aanleiding geeft tot de kandidatuur, maar de kennis en de expertise van de kandidaat. Het zou bovendien een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn indien de handicap bewezen moet worden om zijn kandidatuur te kunnen indienen! Erger nog, deze vereiste zou discriminerend zijn en indruisen tegen de geïntegreerde samenleving die de Raad verdedigt doorheen al zijn standpunten.
  • Aan de plenaire vergaderingen van de Raad nemen heel wat leden deel: iedereen heeft immers de gelegenheid de reflectie op verschillende manieren te voeden: vanuit een algemene benadering maar ook doelgerichter, in functie van de bijzondere behoeften van welbepaalde categorieën van personen met een handicap. Degenen voor wie de adviezen en standpunten bestemd zijn, hebben op die manier de zekerheid een gestructureerd en volledig antwoord te bekomen, waarin alle vereisten die verbonden zijn aan alle gevolgen van alle types handicap opgenomen zijn.

B) zelfstandigheid en loyaliteit van zijn leden

  • Opdat de adviesfunctie van de NHRPH erkend wordt, is het uiterst belangrijk dat zijn leden in hun dagelijkse bezigheden voor de Raad blijk geven van zelfstandigheid en loyaliteit.
  • Het huishoudelijk reglement van de Raad wordt thans herschreven. Daarin wordt de nadruk gelegd op drie fundamentele aspecten:
  • - De leden moeten, afgezien van de behoeften en vereisten die aan bepaalde handicaps verbonden zijn, zorgen voor het verdedigen van de rechten en behoeften van alle personen met een handicap.
  • - In geval van een werkelijk belangenconflict verwittigen ze het secretariaat en vragen indien nodig vervangen te worden voor de werkgroep waarin ze de Raad vertegenwoordigen.
  • - De leden moeten tijdens de volgende plenaire vergadering verslag uitbrengen over van de genomen beslissingen en de beleidslijnen.

C) doeltreffende werking van de ganse Raad

Een doeltreffende werking veronderstelt een duidelijke structuur, betrouwbare en toegewijde partners, een duurzame en stevige ondersteuningsstructuur. Voor een doeltreffende werking is tevens een voortdurende uitwisseling van informatie en ervaringen nodig. In deze logica is het secretariaat van de Raad een essentiële schakel voor de goede werking van de Raad. Het is de cel die zowel:

  • de dossiers van de leden van de Raad ondersteunt: onderzoeken, contacten, opzoeken van informatie, nota's, verslagen, opvolging
  • zorgt voor de verbindingen tussen verschillende structuren of personen
  • de werking van de Raad organiseert (vergaderingen, presentatie, interventies, ontmoetingen, conferenties, ...)

Het werk van 20 leden ondersteunen is een zware last voor de leden, maar ook voor het secretariaat: thans komt de Raad om de maand samen in plenaire vergadering, in bureauvergadering en in gezamenlijke bureauvergadering met het BDF. Er zijn thans ook elf interne en externe werkgroepen waaraan de Raad deelneemt.

Om deze taak op een nog doeltreffender manier te vervullen, zou een versterking van het secretariaat met ten minste twee personeelsleden van niveau A noodzakelijk zijn. De Raad hoopt dat mevrouw de Staatssecretaris dit verzoek bij het management van de FOD Sociale Zekerheid zal kunnen ondersteunen.

3. De NHRPH juicht de voorziene acties van mevrouw de Staatssecretaris toe; de NHRPH pleit zelf al jarenlang voor een uitbreiding van zijn middelen, om twee fundamentele redenen:

  • De politieke actoren (onder andere alle ministers) bewust maken van de behoeften van personen met een handicap
  • Meer inspraak geven aan personen met een handicap bij het denkwerk en de besluitvorming op de gebieden die hen aanbelangen

De NHRPH wenst dan ook zo vaak mogelijk bij het denkwerk en de besluitvorming betrokken te worden. In dit perspectief verheugt hij zich erop bij het ministeriële politieke werk betrokken te kunnen worden. Ook andere overheidsniveaus zijn interessant om op te volgen en te benutten: hij herinnert in dit verband aan zijn deelname aan talrijke interne en externe werkgroepen met economische en politieke actoren. Het parlementaire werk zou ook een ander "laboratorium" voor het denkwerk kunnen zijn. De NHRPH heeft hierover evenwel een zeer duidelijk standpunt: hij is geen studiebureau en is niet in staat alle tekstvoorstellen op te volgen. Hij zal dus altijd kunnen beslissen niet deel te nemen aan bepaalde werkgroepen, in functie van het aangeroerde thema, van de graad van "maturiteit" van een dossier, van de initiatiefnemers en actoren, enz.

4. De NHRPH wijst nadrukkelijk op de rol van iedereen die rond de tafel zit en op de noodzaak ieders bevoegdheden te respecteren:

  • De NHRPH is het officieel adviesorgaan dat de personen met een handicap op federaal niveau vertegenwoordigt. Hij is belast met het onderzoeken van alle problemen betreffende personen met een handicap waarvoor de federale overheid bevoegd is. De Raad mag, op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers, adviezen formuleren of voorstellen over deze onderwerpen doen, onder andere voor het rationaliseren en coördineren van de wets- en verordeningsbepalingen. De NHRPH verdedigt hierbij een benadering van "eerbiediging van de rechten van de mens voor iedereen" en "mainstreaming van de handicap".
  • De verenigingen zijn de actoren op het terrein die antwoorden geven aan hun leden die geconfronteerd worden met soms welbepaalde situaties en behoeften. Hun uitstekende en onvervangbare expertise is noodzakelijk om het denkwerk over alle problemen rond handicap te voeden.

Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/12 - Wegcode

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 20 april 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Federale Overheidsienst Mobiliteit en Vervoer.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in zijn vergadering van 20 april 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot de door u voorgestelde wijziging van artikel 27.4 van het koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.


Analyse

De Raad heeft er alle begrip voor dat ernaar gestreefd wordt de geldigheid van de parkeerkaart in hogere mate te waarborgen en de politie toe te laten een efficiëntere controle uit te oefenen.


Advies

De Raad meent echter een negatief advies te moeten uitbrengen met betrekking tot het voorstel.

Indien het gebruik van de kaart beperkt wordt tot de houders van parkeerkaarten afgeleverd door lidstaten van de Europese Unie, dan is er sprake van een discriminatie ten opzichte van andere Europese landen en andere continenten. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat ook de invoering van de Europese parkeerkaart nog niet beëindigd is. Dit is trouwens het geval in België waar het Europees model slechts sinds 1 januari 2000 wordt afgeleverd, terwijl de kaarten die vóór deze datum afgeleverd werden een geldigheid van 10 jaar hadden.

Een beperking tot alleen maar de landen van het Europese continent is eveneens een discriminatie en in strijd met een internationaal verdrag, namelijk het UNO-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De Raad ziet een mogelijke oplossing in de invoering van een document dat op internationaal vlak erkend is, en samengaat met het nationale document. Hierbij kan gedacht worden aan het internationaal rijbewijs.

De Raad maakt van de gelegenheid gebruik om de aandacht te vestigen op het feit dat het gebruik van de gele blindenstok werd afgeschaft (wet van 26 november 2006 tot wijziging van de wet van 16 februari 1954 betreffende de bescherming van de blindenstok en tot opheffing van de wet van 4 juli 1991 tot bescherming van de slechtzienden en erkenning van de "gele stok" - BS 15/12/2006).


Bezorgd

  • Aan de heer Denis Hendrichs, Dienst Verkeersreglementering van FOD Mobiliteit en Vervoer.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/11 - Verhuur van rolstoelen

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 20 april 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 20 april 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot het probleem dat in verband met de verhuur van rolstoelen gesteld werd in de vergadering van de technische raad rolstoelen van 17 maart 2009. De Nationale Hoge Raad werd hierover ingelicht door zijn vertegenwoordigers in de Technische raad.


Analyse

De Nationale Hoge Raad kan onder geen enkel beding aanvaarden dat de kosten voor het herstellen van (zwaar) beschadigde rolstoelen, onder het mom van responsabilisering van de gebruiker, zouden afgewenteld worden op de persoon die als "gebruiker" van de rolstoel, geregistreerd staat.

De NHRPH merkt op dat in het type-huurcontract voor de verhuur van een mobiliteitshulpmiddel aan rechthebbenden opgenomen in een rustoord voor bejaarden of een rust- en verzorgingstehuis zoals bedoeld in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, rechten en verplichtingen van de verstrekker en van de rechthebbende zijn opgenomen.

  • een omstandige beschrijving van de staat van de rolstoel op het moment van aflevering wordt opgesteld (art. 3);
  • minstens eenmaal per jaar wordt een onderhoud van de rolstoel uitgevoerd (id.);
  • de rechthebbende verbindt zich ertoe de rolstoel normaal te gebruiken, in propere staat te houden, niet te vervreemden, het onderhoud ervan toe te staan en enkel de verstrekker te contacteren voor aanpassingen, onderhoud of herstellingen (art. 4);
  • het huurforfait (te betalen door het ziekenfonds van de rechthebbende), dekt alle kosten die samengaan met het verstrekken, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen en alle verplaatsingskosten. Er kunnen geenszins supplementen voor de door het huurforfait gedekte kosten ten laste van de rechthebbende worden aangerekend (art. 5);
  • de verstrekker kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen van foutief gebruik (art. 6);
  • het huurcontract wordt voor onbepaalde duur afgesloten (art. 8);
  • wanneer schade aan de rolstoel wordt vastgesteld te wijten aan onvoldoende zorgzaamheid en onverantwoorde behandeling van de rolstoel door de rechthebbende, kan de verstrekker een einde maken aan het contract. Op basis van de schriftelijke vaststellingen zijn de kosten van die schade ten laste van de rechthebbende. (art. 8).

Art. 7 van het type-contract duidt de arbeidsrechtbank aan om geschillen in verband met de toepassing van het huurcontract te beslechten.


Advies

De NHRPH meent dat dit contract de verstrekker voldoende waarborgen biedt. Hij is er bovendien van overtuigd dat de kosten voor een zekere mate van herstel, van reiniging, voldoende ruim berekend werden en opgenomen zijn in de prijsbepaling. De huurovereenkomsten zijn immers met de betrokkenen onderhandeld.

De Nationale Hoge Raad kan er ook niet mee instemmen dat de gebruiker-patiënt als enige betrokken partij zou moeten opdraaien voor bijkomende kosten: daarnaast zijn er de ziekenfondsen, de bandagisten en de instellingen waar de personen verblijven.

Bovendien betreft het hier dikwijls personen met een hoge leeftijd, sommige beschikken niet meer over al hun geestesvermogens, ze hebben niet altijd de mogelijkheid om zelf voor hun materieel in te staan.

De Nationale Hoge raad is de mening toegedaan dat als de prijzen verkeerd berekend werden, de betrokkenen met de overheid rond de onderhandelingstafel moeten gaan zitten, en nieuwe afspraken maken. Dit kan in geen geval afgewenteld worden op de gebruiker-patiënt.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Kiekens, Voorzitster Technische Raad voor Rolstoelen van Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/10 - Gezinsbijslag

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag en het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, §2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, uitgebracht op de plenaire vergadering van 20 april 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 20 april 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit.


Analyse

Twee bestaande KB's worden aangepast: dit betreffende de uitvoering van de wet gewaarborgde gezinsbijslag, en dit inzake de definitie van de rechthebbende met personen ten laste.

Er wordt nu duidelijk gezegd dat met bepaalde inkomens geen rekening mag gehouden worden. Er wordt daarbij gefocust op een beperkt inkomen: tegemoetkomingen die een vermindering of verlies van zelfredzaamheid moeten opvangen. Dit zijn: hulp aan derden, integratietegemoetkoming en tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.


Advies

De Raad wenst nochtans op te merken dat een overgangsregeling noodzakelijk is om te voorkomen dat personen die nu rechten verwerven die ze onder de vroegere regeling niet hadden, niet tijdig hun dossier in orde kunnen brengen.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/09 - Tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2009

Ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 maart 2009


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De bedoeling is bij de FOD Financiën gegevens te kunnen verzamelen met betrekking tot de onroerende inkomsten van personen met een handicap die een aanvraag indienen voor het bekomen van een THAB, en in voorkomend geval van de personen die deel uitmaken van hun gezin.


Analyse


Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 16 maart 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/08 - Prijs van de liefde

  • Jaartal advies: 2009

Advies over de wetsvoorstellen nummer 1041/001 (wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap teneinde de vermindering van de tegemoetkomingen op basis van de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende, af te schaffen) en 1437/001 (wetsvoorstel tot opwaardering van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap)

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 maart 2009


Aanvrager

Advies dat wordt gevraagd, door Commissie voor de sociale zaken van de Kamer, overgebracht door Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

Tijdens zijn plenaire vergadering van 16 maart 2009 heeft de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) volgend eenparig advies uitgebracht.


Analyse

De NHRPH juicht de initiatieven voor een herziening van de wet van 27 februari 1987 toe om beter rekening te houden met de financiële situatie van personen met een handicap.

Gelet op het feit dat tientallen duizenden personen met een handicap in grote armoede leven, is de NHRPH van mening dat de tegemoetkomingen thans prioritair moeten verhoogd worden opdat ze voor iedere persoon kunnen voorzien in een menswaardig bestaan.


Advies

De NHRPH vraagt de volgende voornaamste fasen thans uit te voeren:

  • Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) verhogen: het bedrag van de IVT ligt thans 17% onder de armoedegrens. Dit bedrag wordt in juni 2009 met 2% zonder indexering verhoogd. Desondanks zal er nog steeds een onaanvaardbaar verschil van 15% met de armoedegrens blijven bestaan.
  • De maximumbedragen van de inkomsten, wat betreft de integratietegemoetkoming (IT), voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, gelijkstellen met de bedragen van de IVT-categorieën. Wanneer iemand een ander vervangingsinkomen ontvangt, is de kans groot (aangezien het om een gering bedrag gaat) dat hij een volledige IVT ontvangt, maar dat de IT gedeeltelijk wordt verminderd. Dit heeft te maken met het feit dat er een verschil is tussen het bedrag van de IVT en het maximumbedrag van de inkomsten voor de IT. Telkens als er een verhoging zonder indexering is, wordt dit verschil groter. Een oplossing moet daarvoor snel worden gevonden.
  • Het probleem van de werkloosheidsvallen onderzoeken. Personen die hebben gewerkt en die om een of andere reden werkloos worden en een vervangingsinkomen ontvangen, gaan aldus niet alleen daardoor een deel van hun inkomen verliezen, maar ook een deel van de tegemoetkoming. Dit vloeit voort uit het feit dat de maximumbedragen van de inkomsten voor personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, lager liggen dan het bedrag van het bestaansminimum. Ze moeten dus snel worden verhoogd.

De ingediende voorstellen die de NHRPH voor advies werden voorgelegd, en die namelijk betrekking hebben op de maximumbedragen van de inkomsten wat betreft de inkomsten van de echtgenoot/echtgenote, maken aldus de kloof groter tussen alleenstaande personen met een handicap en de anderen: is dit echt wat de parlementsleden willen ? De NHRPH kan in elk geval geen positief advies geven over deze voorstellen.

Voor de nodige globale samenhang ten opzichte van de beschermingsregelingen in België, pleit de NHRPH voor een tegemoetkoming voor iedereen, vergelijkbaar met de financiële tegemoetkomingen van de sociale zekerheid zoals de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de werkloosheidsuitkeringen, omdat:

  • deze tegemoetkomingen zouden deel uitmaken van het toepassingsgebied van de sociale zekerheid en zouden dus gekoppeld worden aan een bepaald bedrag van het bestaansminimum;
  • deze tegemoetkomingen daarenboven niet meer rechtstreeks zouden gekoppeld zijn aan de inkomsten van de partner of van gelijk welke andere samenwonende (zelfs indien er een onrechtstreekse band zou zijn, aangezien de gezinssituatie en invloed heeft op de categorie);
  • de bedragen van de IVT zouden moeten bepaald worden met verwijzing naar een « loonnorm » en zouden bijgevolg hoger moeten liggen dan het bestaansminimum. Men mag immers niet vergeten dat de IVT doorgaans geen tijdelijke tegemoetkoming is en dat de IVT het enig inkomen is voor een grote meerderheid van de rechthebbenden. De IVT zou moeten overeenstemmen met een bepaald percentage van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI).

Indien men rekening houdt met de inkomsten (zoals thans het geval is) voor de berekening van de IT, laat men de personen met een handicap zelf opdraaien voor hun handicap, terwijl de Staat moet voorzien in de behoeften van al zijn onderdanen, op basis van de principes van nondiscriminatie en gelijke kansen voor iedereen. Personen met een handicap zijn reeds het slachtoffer van hun handicap; men moet voorkomen dat ze een tweede keer worden benadeeld omdat de inkomsten volledig in aanmerking worden genomen voor de berekening van de IT. Voor de uitvoering van dergelijke regeling zou de wet van 1987 uiteraard volledig moeten worden herzien.

De NHRPH is er wel van bewust dat dit niet past in de huidige economische context. Daarnaast zouden de wettelijke aanpassingen enige tijd in beslag nemen, waarbij moet worden nagedacht over de behoeften en verlangens van de personen met een handicap zelf, voor wie de nieuwe reglementering eerst en vooral bestemd is.

De NHRPH blijft natuurlijk ter beschikking van de Commissie om het ganse dossier uitvoeriger toe te lichten en zijn standpunt uiteen te zetten.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Aan de Kamercommissie voor sociale zaken

Advies 2009/07 - Tewerkstellingsfonds

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 maart 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 16 maart 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot het fonds voor tewerkstelling van personen met een handicap.


Analyse

Gelet op de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het ontwerp van economische herstelwet (DOC 52 1788/001 en 1788/015 - art.56) : " ... De toekomende middelen zullen, in overeenstemming met het akkoord van de sociale partners, naar de RVA voor de activering van werkloosheidsuitkeringen getransfereerd worden en, meer specifiek, voor acties ten behoeve van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid, ingevolge hun handicap, gebruikt worden... .", gaat de Raad ervan uit dat de 5 miljoen euro die initieel de geldelijke middelen van het fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor personen met een handicap vormden, nog steeds ter beschikking staan van de tewerkstelling voor personen met een handicap.

Zoals vermeld in zijn eerdere adviezen met betrekking tot hetzelfde onderwerp (adviezen van 16 juni 2008 en 16 februari 2009) wenst de Raad de 5 miljoen euro in te zetten voor de totstandbrenging van deeltijdse ewerkstelling voor personen met een zware handicap.


Advies

Over de aard van het mechanisme dat dit project moet realiseren spreekt de Raad zich niet concreet uit gelet op het te technisch karakter van de aangelegenheid. De Raad geeft wel aan een specifiek systeem voor ogen te hebben, controleerbaar en evalueerbaar door hem.

Het systeem moet verbonden worden met een begeleidingscommissie waaraan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap effectief kan meewerken. Deze commissie volgt de toewijzing van de middelen op en evalueert de aanwendingen ervan.

De Raad dringt er op aan dat de 5 miljoen euro daadwerkelijk voor het scheppen van werkgelegenheid gebruikt worden. Essentieel voor het welslagen van een tewerkstellingsbeleid ten gunste van personen met een handicap is echter de bewustmaking rond dit thema van de twee betrokken doelgroepen, zowel van personen met een handicap als van de werkgevers.

In dit kader denkt de Raad aan de Europese structurele fondsen en de enveloppe die ter zake door de Minister van tewerkstelling beheerd wordt. De Raad is van oordeel dat de middelen van deze structurele fondsen onder andere voor de publiciteit en het sensibiliseren rond de bovenvermelde in het vooruitzicht gestelde tewerkstellingsmaatregel voor personen met een handicap, zou kunnen gebruikt worden.

De Raad dringt dan ook aan op meer duidelijkheid over deze structurele fondsen: wat is de stand van zaken van dit dossier, kan de raad deelnemen aan de selectie van de projecten, hoe wordt de enveloppe beheerd, ....?


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Joelle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke kansen.

Advies 2009/06 - Ouderschapsverlof

  • Jaartal advies: 2009

Ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 maart 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 16 maart 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het ontwerp van koninklijk besluit.


Analyse

De Raad is tevreden dat de maatregel een soepeler toepassing in de tijd toelaat, maar merkt toch op dat er ten gronde niets verandert: de duur van het ouderschapsverlof en de vergoeding van de onderbreking worden op hetzelfde niveau behouden.


Advies

Wat meer in het bijzonder de ouders met een gehandicapt kind betreft is de raad van mening dat dit een gemiste kans is om een bijkomende maatregel te treffen die rekening houdt met de extra belasting dat het hebben van een kind met een handicap voor een gezin betekent.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Joelle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke kansen.
  • voor kopie aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2009/05 - Finance Tower

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van de Finance Tower, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16 februari 2009.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) stelde twee verslagen op van bezoeken aan de Finance Tower in juni 2008 en januari 2009.


Analyse

Op grond van die verslagen heeft de NHRPH in zijn vergadering van 16 februari 2009 unaniem besloten dat de Finance Tower :

1. niet overeenstemt met de voorschriften :

  • van het KB van 11 april 2003, titel IV «Toegankelijkheid van gebouwen door personen met beperkte mobiliteit» van het Gewestelijk Stedenbouwkundig Reglement, van toepassing in het hele gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat van kracht was op het moment van het indienen van het lastenboek op 25 februari 2004
  • van het Brusselse Wetboek van de ruimtelijke Ordening (BWRO) van 9 april 2004
  • van de wet van 25 februari 2003 dat de afwezigheid van redelijke aanpassingen gelijkstelt met een overtreding
  • van de kaderwet van 17 juli 1975 inzake de toegang van personen met een handicap aan gebouwen die openstaan voor het publiek

2. geen bevredigende toegankelijkheid biedt aan de 40.000 gerechtigden op een sociale tegemoetkoming die er jaarlijks op bezoek komen in het kader van het verkrijgen van tegemoetkomingen of voordelen voor personen met een handicap en ook niet aan de 6000 staatsambtenaren die er elke dag werken

De NHRPH betreurt deze situatie ten zeerste, te meer omdat de Raad de heer Frank Van Massenhove, voorzitter van de FOD, sinds eind 2007 regelmatig heeft geïnterpelleerd over de toegankelijkheid van dit emblematische gebouw.

De NHRPH stelt vast dat de tekortkomingen voortkomen uit

  • een gebrekkige kennis van de reglementering en de behoeften aan de kant van de promotoren en de actoren in dit dossier
  • een gebrekkige coördinatie tussen de verschillende actoren
  • een manifest gebrek aan belangstelling voor de oproepen van de NHRPH en de technische bureaus aan hun adres

Verder heeft de NHRPH op 16 februari kennis genomen van de beslissing om het medisch centrum van Brussel te verhuizen naar een « vlotter toegankelijke plaats». Concreet zal de verhuizing ten vroegste plaatsvinden in april.

De NHRPH is unaniem de mening toegedaan dat die actie geenszins het probleem van de structurele ontoegankelijkheid van de Finance Tower als openbaar gebouw oplost, wat ook zijn toekomstige bestemming wordt. Met betrekking hiertoe wenst de NHRPH te benadrukken dat de toegankelijkheid van een openbaar gebouw tot principe moet worden verheven om de gelijkheid van kansen te garanderen, zowel voor de mensen die er zich een enkele keer naartoe moeten begeven als voor de mensen die er werken.

Desalniettemin steunt de NHRPH de beslissing om het medisch centrum te verhuizen, voor zover die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • voorafgaandelijk onderzoek van het gebouw en de omgeving
  • voorafgaandelijk evaluatie in samenwerking met een erkend expertisebureau in toegankelijkheid. In die evaluatie zullen de nodige aanpassingen volledig beschreven staan. Zo kan het gebouw een toegankelijkheid bieden
  • - aan alle personen met een handicap
  • - op alle niveaus van dienstverlening
  • - zelfs zonder dat er een bouwvergunning nodig is
  • juiste en volledige uitvoering van het lastenboek (van het gebouw en de directe omgeving) vóór de ingebruikstelling van het gebouw.

De NHRPH wenst vanzelfsprekend geregeld ingelicht te worden en betrokken te zijn bij de loop van het onderzoek en van de werken. De Raad zou het ook op prijs stellen als er één enkele bevoegde en efficiënte gesprekspartner kwam.

Op het gevaar af in herhaling te vallen vraagt de NHRPH nadrukkelijk aandacht voor de gebrekkige toegankelijkheid van de andere diensten, in het bijzonder van de sociale dienst. Maatregelen om de toegankelijkheid ervan snel en grondig te verbeteren dringen zich op.


Advies

Op een fundamenteler vlak vraagt de NHRPH zich unaniem af welke maatregelen kunnen ontwikkeld worden om de wetgeving toepasbaar te maken.

De Finance Tower is maar een van de vele voorbeelden van een veralgemeende hypocrisie die erin bestaat teksten op te stellen om die daarna te negeren of te omzeilen. Die regels zijn blijkbaar niet dwingend genoeg. Wat nog meer verontrustend is, de staat is zelf - in zijn verschillende onderdelen-rechter en betrokken partij: de staat kent subsidies toe, gaat na of de werken conform de voorschriften worden uitgevoerd en veroordeelt zo nodig zichzelf!

De NHRPH betreurt verder dat er in België totaal geen algemene coördinatie van het wetgevingsbeleid bestaat inzake toegankelijkheid.

De NHRPH vraagt dat het probleem van de toegankelijkheid aangepakt en geëvalueerd wordt, transversaal en op alle beleidsniveaus. De wetgeving inzake toegankelijkheid moet ontwikkeld worden op grond van de « handicapmainstreaming ». Op die manier wordt er zeker rekening gehouden met toegankelijkheid bij alle stappen van de politieke beslissingsprocedure: elke maatregel en elke handeling van de overheid moet dan geëvalueerd worden vóór de implementatie, zodat kan onderzocht worden of er rekening is gehouden met de personen met een handicap of beperkte mobiliteit.

De NHRPH wenst in overleg met de bevoegde ministers (zowel federaal als gewestelijk) en de gewestelijke adviesraden een algemenere denkoefening te voeren over :

  • De sensibilisering van de verschillende actoren in verband met de bestaande reglementering
  • Een verplichte opleiding, met inbegrip van een voortgezette opleiding, voor architecten, aannemers en de hele betrokken beroepssector
  • Het beleid van de handicapmainstreaming: bij het bouwen en inrichten van alle openbare gebouwen en privégebouwen van openbaar nut moet er rekening gehouden worden met de behoeften van de personen met een handicap
  • Het betrekken van de vertegenwoordigende organen van de personen met een handicap bij het debat en de beslissingname
  • De empowerment: personen met een handicap de nodige kennis bezorgen zodat ze ook aan het beslissingsproces kunnen deelnemen
  • De versterkte normalisering van de regels
  • De verplichting voor iedere bouwheer om overeenkomstig de voorschriften te werken (attest van een erkend studiebureau of een onafhankelijk persoon met de vereiste competenties dat aantoont dat er rekening is gehouden met de toegankelijkheid)
  • Meer en betere controles door bevoegde ambtenaren
  • Het juridisch vervolgen van overtredingen met instelling van burgerlijke rechtsvordering om te voorkomen dat de overtredingen zonder gevolg worden geklasseerd.
  • De herziening van de reglementering in de zin van een versterking van de normalisatie

Tot slot beraadt de NHRPH zich ook over de ontwikkeling van het meerjarenplan voor de inventarisatie en het toegankelijk maken van de federale openbare gebouwen dat goedgekeurd is in de Ministerraad in januari 2007.

In dit verband heeft de NHRPH de aandacht gevestigd op het bestaan van een openbaar Fonds voor de aanpassing van gebouwen. De NHRPH wenst te weten wie dat fonds beheert, wat de toekenningcriteria zijn, etc.

De NHRPH onderstreept dat er hoogdringend werk moet worden gemaakt van het toegankelijkheidsdossier van de openbare gebouwen en privégebouwen van openbaar nut in heel België. Ons land staat nu op het punt om het VN-verdrag van de rechten van personen met een handicap te ratificeren. In de praktijk blijft het integratie- en autonomiseringsbeleid voor personen met een handicap wel in de embryonale fase steken.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan de federale en regionale regeringen
  • Aan de Adviesraden van de personen met een handicap van de Gewesten.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2009/04 - Medische evaluatie

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 februari 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 16 februari 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot beide voorstellen opgesteld door de werkgroep medische evaluatie.


Analyse

De werkgroep was samengesteld uit vertegenwoordigers van de Directie-generaal Personen met een handicap, namelijk van de medische en de sociale dienst, en van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap. Het voorzitterschap werd waargenomen door de heer Peter Donceel, gewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven. De werkgroep vergaderde negenmaal gedurende het afgelopen jaar.


Advies

De Raad houdt er aan zijn waardering uit te drukken voor de resultaten die professor Donceel heeft weten te bereiken. Van een niet te onderschatten belang is de wil tot samenwerking die bij de deelnemers in het algemeen bereikt werd. Er kan zonder meer gesteld worden dat het medische standpunt en het sociale standpunt elkaar hebben ontmoet en bewust geworden zijn van de positieve inbreng die elk te bieden heeft. Bovendien zijn een aantal belangrijke elementen van de evaluatie besproken.

De Raad dringt er op aan dat de werkgroep, zoals omschreven in het eerste voorstel, zo vlug mogelijk kan starten: de resultaten van deze werkgroep hebben een onmiddellijk belang voor de personen met een handicap.Zo de Raad uiting geeft aan het grote belang dat hij hecht aan de 1ste werkgroep, wenst hij toch te benadrukken volledig in te stemmen met de 2de werkgroep. De raad is er altijd voorstander van geweest dat dezelfde algemene richtlijnen ook op dezelfde manier naar de toepassing ervan zouden vertaald worden, zodat vergelijkbare evaluaties kunnen bekomen worden.

De Raad stipt hierbij aan dat de uiteindelijke bedoeling is transparante teksten te bekomen, die in richtlijnen of een besluit kunnen omgezet worden, en een algemene verspreiding onder de betrokkenen verkrijgen.

De Raad houdt er aan ook enkele meer organisatorische vereisten in het licht te brengen.

De voorzitter moet blijk geven van een zo groot mogelijke onafhankelijkheid. Gelet op het bijzonder geslaagde voorzitterschap van de heer Donceel, vragen de leden hem ook te weerhouden als voorzitter van de 1ste werkgroep en als medevoorzitter van het gezamenlijk voorzitterschap RIZIV-FOD voor te dragen.

Essentieel is dat alle deelnemers bereid zijn in een opbouwende geest samen te werken.

Het mandaat moet zo duidelijk mogelijk de omvang van de opdracht bepalen, zodat voorkomen wordt dat het voortdurend ingeroepen wordt om een bepaalde vooruitgang van de werkzaamheden te beletten.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Advies 2009/03 - Tewerkstellingsfonds

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 16 februari 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 16 februari 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot de bestemmingsverandering van de middelen van het Fonds voor tewerkstelling van personen met een handicap, en de opheffing van het fonds.


Analyse

De Raad vindt het positief dat besloten is de middelen van het fonds effectief te gaan gebruiken, maar hoopt dat personen met een handicap in de grotere algemene enveloppe op een evenwaardige wijze aan bod zullen komen.

In het "Uitzonderlijk akkoord voor de onderhandelingen op sector- en ondernemingsvlak in de periode 2009-2010 - Bijdrage tot het herstel van het vertrouwen" is in bijlage 1 "vereenvoudiging banenplannen" vermeldt dat: "Het voormelde budget voor activering van werkloosheidsuitkeringen zal verder worden versterkt door het budget van het Fonds voor gehandicapten opgericht in uitvoering van het ontwerp van inter-professioneel akkoord 2005-2006 (5 miljoen euro) toe te voegen, dat daar zal worden bestemd voor acties ten behoeve van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid". De Raad wenst duidelijkheid wat betreft de definitie van "werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid".

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap verwijst met betrekking tot de concrete maatregelen die hij zich voorstelt, integraal naar zijn advies van 16 juni 2008 met betrekking tot de concrete invulling van de bestemming van het Fonds voor Tewerkstelling.


Advies

De Raad kiest ervoor het geld te gebruiken voor het scheppen van bijkomende arbeidsplaatsen in de bedrijfssector. Het doel is zo vlug mogelijk tot realisaties te komen.

De voorkeur van de Raad gaat uit naar halftijdse tewerkstelling omdat hierdoor veel meer personen met een handicap kunnen ingeschakeld worden, en deze vorm van tewerkstelling ook beter tegemoetkomt aan de mogelijkheden van een meerderheid van personen met een handicap. Dit vereist nochtans niet alleen bewustmaking met betrekking tot de ontstane tewerkstellingsmogelijkheden voor personen met een handicap, het is bovendien ten overstaan van de werkgever ook meer nodig te pleiten voor deeltijds werk.

In cumulatie met tegemoetkomingen is dit ook voordeliger en kan de integratietegemoetkoming geheel of gedeeltelijk behouden blijven, wat eveneens het geval is van een aantal afgeleide rechten.

Deze tewerkstelling wordt voorbehouden aan zwaar gehandicapte personen.

De Raad herinnert ook aan de noodzaak op een steeds terugkomende wijze financiële middelen te voorzien, zodat projecten op langere termijn kunnen gelanceerd worden.

De Raad wenst uitgebreid ingelicht te worden over de inhoud van de tewerkstellingsmaatregelen die in het kader van het bovenvermelde relanceplan, of eender welk ander plan dat specifiek personen met een handicap betreft, zullen genomen worden.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Joelle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke kansen.
  • Aan de heer Paul Windey, voorzitter van de Nationale Arbeidsraad.

Advies 2009/02 - VKB

  • Jaartal advies: 2009

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 2 februari 2009.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap.


Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 2 februari 2009, unaniem een positief advies uitgebracht met betrekking tot het ontwerp van koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (1) van 24 december 2002.


Analyse

De Raad wenst hierbij nochtans volgende opmerkingen te formuleren:

  • Het is een dwingende noodzaak dat de betrokken gezinnen, en de diensten die hen gewoonlijk bijstaan, zo duidelijk en uitgebreid mogelijk, geïnformeerd worden over de veralgemeende invoering van de hervorming, zodat zij met kennis van zaken kunnen handelen;
  • De bepalingen opgenomen in artikel 13 van het ontwerp van besluit die een oplossing zouden moeten bieden voor de kinderen, die telkens zich een nieuw feit voordoet dat mogelijk te maken heeft met een verbetering van hun situatie, aan een herziening onderworpen worden, voldoen in geen geval. Deze situatie doet zich inzonderheid voor wanneer de jonge persoon met een handicap zich als werkzoekende inschrijft. Er kan geen enkel objectief element gevonden worden om in deze omstandigheid welke maatregel dan ook, zij het de "eenvoudige" mededeling aan de medische dienst van de Directie-generaal Personen met een handicap, en de beslissing tot herziening op verzoek van de geneesheer, te rechtvaardigen. Dergelijke maatregelen staan haaks op de pogingen om jonge personen met een handicap op de arbeidsmarkt te introduceren. De raad verwijst hier dan ook naar zijn eerder advies van 1 september 2008, in verband met omzendbrief CO 1373;
  • De Raad kan er niet mee akkoord gaan dat niet voorzien wordt in een systeem van verworven rechten waardoor kinderen die geen herzieningsaanvraag indienen, in het oude systeem zouden kunnen blijven. Nu dreigt een groep oudere kinderen voor een relatief korte periode, in het nieuwe stelsel te sukkelen met alle administratieve narigheden daaraan verbonden. Ook voor dit standpunt verwijst de raad naar een eerder advies van 13 november 2006;
  • De raad dringt er tenslotte op aan dat zo spoedig mogelijk alle onderscheid dat thans nog bestaat tussen "valide" en "niet-valide" kinderen in de kinderbijslagregeling (aantal gepresteerde dagen, de situatie van de student die een job heeft, gebonden is aan een leercontract, een eindverhandeling voorbereidt), opgeheven wordt, want in feite een discriminatie is.

Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap herinnert ook aan zijn verzoek, opgenomen in zijn reeds geciteerd advies van 1 september, te willen nagaan op welke wijze de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap kan ingeschakeld worden in het overleg met betrekking tot de regelgeving over de verhoogde kinderbijslag.

De Raad meent hierdoor een mogelijkheid te krijgen de concrete situatie van kinderen met een handicap op het gepaste moment te kunnen toelichten.


Bezorgd

  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.

Advies 2012/13 - Stationsloketten

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht op de plenaire vergadering van 17 september 2012


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS Holding


Onderwerp

In bepaalde stations zijn er al een of meer verlaagde loketten voorzien, die voor rolstoelgebruikers toegankelijker zijn. De vraag wordt gesteld of het zinvol is om de geleidelijnen voor personen met een visuele handicap naar een verlaagd loket te leiden.


Analyse

Rekening houdend met de beperkingen en mogelijkheden van de infrastructuur waar de tactiele geleidelijn dient aangebracht te worden, moet voor het meest eenvoudige en logische traject gekozen worden. Voor personen met een visuele handicap bieden verlaagde loketten niet echt een meerwaarde. Het is dus zeker niet noodzakelijk de geleidelijn systematisch naar een verlaagd loket te voorzien.

Overigens is een verlaagd loket voor slechtziende reizigers en reizigers met fysieke problemen (moeilijk bukken, enz.) niet aangewezen wanneer die documenten moeten lezen of tekenen.

Het belangrijkste element bij de bepaling van het traject van de geleidelijn is de aanwezigheid van een loketbediende die opgeleid is om reizigers met beperkte mobiliteit adequaat te antwoorden op hun vragen om informatie.


Advies

Elke situatie moet apart worden beoordeeld, met als principe dat de meest eenvoudige en logische weg gekozen wordt naar het loket dat voorzien is voor assistentie aan personen met beperkte mobiliteit. Dit kan al dan niet een verlaagd loket zijn.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de concrete technische details van iedere afzonderlijke situatie is het advies van een technisch toegankelijkheidsbureau nodig.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS Holding;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/12 - Hulpmiddelen

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorgenomen besparing in de sector mobiliteitshulpmiddelen naar aanleiding van de begrotingscontrole van maart 2012, uitgebracht op de plenaire vergadering van 18 juni 2012


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Ter gelegenheid van de begrotingscontrole van maart 2012 werd afgesproken een besparing van 970 miljoen euro op jaarbasis (323 miljoen euro in 2012) te realiseren in de sector van de mobiliteitshulpmiddelen.

Op de agenda van de vergadering van 19 juni 2012 van de Technische Raad voor Rolstoelen staat een punt ingeschreven betreffende deze besparing in de sector mobiliteitshulpmiddelen.

Aan dit punt zijn twee nota's toegevoegd:

  • Nota CTV n° 2012/39 betreffende een brief van 16 mei 2012 van de directeur-generaal H. De Ridder aan mevrouw de Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid
  • Nota CTV n° 2012/40 betreffende het antwoord van mevrouw de Minister van 4 juni 2012

Analyse

Het voorstel van de heer de Ridder (op basis van een voorstel van de TRR van 15 mei 2012) komt erop neer dat de gevraagde inspanning in gelijke mate verdeeld wordt tussen de manuele rolstoelen en twee aanpassingen van de elektronische rolstoelen. Daarbij wordt verondersteld dat de prijs van de aanpassingen van de elektronische rolstoelen zal dalen in gelijke mate als de vermindering van de terugbetaling ervan.

In haar antwoord geeft mevrouw de minister aan hiermee niet akkoord te kunnen gaan omdat het risico bestaat dat de besparingen gerealiseerd worden ten nadele van de personen met een zware handicap als de hypothese waarvan wordt uitgegaan zich niet realiseert.

Mevrouw de minister stelt voor zowel voor de manuele als voor de modulaire rolstoelen de terugbetaling met 50 euro te verminderen.


Advies

De leden van de NHRPH zijn van mening dat het niet aan te bevelen is dat thans nog wijzigingen aangebracht worden aan de nomenclatuur. Het gaat om materies waarover een politiek akkoord bestaat dat inhoudt dat ze overgedragen worden aan de Gemeenschappen en de Gewesten. Het voorstel vervat in de beide nota's kan die overdracht in belangrijke mate beïnvloeden.

Bovendien worden door deze voorstellen de zwakste personen van de samenleving getroffen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale zaken en van Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/11 - Wet 1987

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), over het wetvoorstel-Vanvelthoven dat uniformiteit wil brengen in de inwerkingtreding van beslissingen betreffende tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht ingevolge dringende elektronische consultaties op 31 mei en 12 juni 2012


Aanvrager

Advies op vraag van de Commissie van de Sociale Zaken van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers bij brief van 16 mei 2012 aan de Staatssecretaris voor personen met een handicap


Onderwerp

Het betreft een wetvoorstel (DOC 53 0558/001) tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (meer bepaald inzake artikel 8 paragrafen 2, 3 en 4), ingediend door de heer Peter Vanvelthoven (en c.s.) bij de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De indieners van het wetsvoorstel beogen uniformiteit te brengen in de inwerkingtreding van beslissingen betreffende tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteund op billijkheid en een optimale waarborg van de rechten van de aanvrager. De huidige regeling wordt als complex en disparaat bestempeld.


Analyse

  • Een nieuwe beslissing die leidt tot een verhoging of het ontstaan van een tegemoetkoming zal uitwerking hebben op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de wijziging van de situatie zich heeft voorgedaan.
  • Een nieuwe beslissing die leidt tot een afschaffing van het recht op een tegemoetkoming, of een vermindering van het bedrag ervan, zal uitwerking hebben op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de beslissing ter kennis van de persoon met een handicap wordt gebracht.

De indieners zijn van mening dat:

  • de uitwerkingsdatum van een nieuwe beslissing een basisbeginsel is dat een fundamentele rechtszekerheid wil waarborgen.
  • de meeste evenementen die aanleiding geven tot een wijziging van de tegemoetkomingen door de "DG Personen met een handicap" kunnen bekomen worden door een actief beheer van het dossier. Het onderscheid tussen nieuwe aanvragen en ambtshalve herzieningen wordt bijgevolg afgeschaft.
  • het volstaat voor de persoon met een handicap te melden dat zijn handicap verergert.
  • de beoogde wijzigingen enkel moeten toegepast worden indien verondersteld kan worden dat geen gegevens worden achtergehouden, of foutieve gegevens werden doorgegeven aan de administratie.

Advies

De leden van de NHRPH zijn het volledig eens met het principe dat aan de grondslag ligt van de voorgestelde wijziging. Billijkheid, rechtszekerheid en vereenvoudiging zijn een absolute vereiste. Grote terugvorderingen als de betrokkene geen aandeel heeft in de oorzaak, worden opgelost.

Ze wijzen er echter op dat zich heel wat situaties en bijkomende problemen kunnen voordoen die ertoe leiden dat een ongenuanceerde toepassing ervan niet wenselijk is. Zo blijkt uit de praktijk dat een inkomensonderzoek na een statuswijziging van de persoon met een handicap noodzakelijk is want dit wordt vaak over het hoofd gezien. Veel problemen en terugvorderingen ontstaan precies door het feit dat de meldingsplicht niet nageleefd wordt. De indieners stellen wel dat deze moet gerespecteerd worden om van het voordeel van de gunstige inwerkingtreding van de beslissing te kunnen genieten, maar de wetgeving zelf vermeld daarover niets.

De indieners gaan ervan uit dat de administratie het dossier actief moet beheren. Het is onmogelijk dat de administratie zelf alle wijzigingen kan ontdekken.

Voor een persoon die in een gevangenis of in een voorziening wordt opgenomen moet hoe dan ook de datum van de feiten tellen, en niet de datum van de beslissing.

Hoe kan de arts vaststellen op welke datum de handicap van de persoon verergerd is als de persoon dit meedeelt?

Bovendien herinnert de NHRPH er aan al geruime tijd aan te dringen op een globale herziening van de bedoelde wetgeving op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Deze wetgeving is al heel dikwijls, telkens fragmentair, gewijzigd waardoor ze zeer ingewikkeld en moeilijk toepasbaar is geworden.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Yvan Mayeur, voorzitter van de Commissie van de Sociale Zaken van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers;
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/07 - Station Oostende

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de renovatiewerken in en rond het station van Oostende, uitgebracht tijdens de zitting van 21/05/2012 en bevestigd via dringende procedure (raadpleging via e-mail).


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel tijdens de NMBS-werkgroepvergadering van 08/12/2011


Onderwerp

Het project Oostende behelst renovatiewerken aan station en stationsomgeving. In de zomer van 2011 is dit project al eens besproken met o.a. de Mobiliteitscommissie van de Belgische Confederatie van Blinden en Slechtzienden (BCBS), Licht & Liefde, Westkans en studiebureau Plain-Pied. Hier bestaan verslagen en adviezen van.


Analyse

Wat betreft toegankelijkheid zijn er 2 hoofdtoegangen, enerzijds de doorgang van het plein naar het voorperron en het stationsgebouw; anderzijds kan men de perrons bereiken door de nieuw te bouwen passerelle, met trappen en liften. Deze passerelle maakt de aansluiting met een parkeergebouw.

De verbinding met De Lijn wordt nog niet op de plannen voorzien, omdat De Lijn zelf nog bezig is met de studie van de busperrons.

De perrons zelf zijn 360 m lang. Deze versmallen naar het einde toe. Daar stelt zich echter een probleem: enkele eilandperrons zijn op het uiteinde zodanig smal dat de standaard noppenstroken (60 cm breed op 40 cm van de perronranden) niet voorzien kunnen worden.

De beperkte ruimte laat ook niet toe de perrons te verbreden. Ook kunnen de perrons niet ingekort worden omdat ook de langste treinen volledige toegang tot het perron moeten hebben en de reizigers helemaal achteraan in de trein ook moeten kunnen uitstappen. Een smallere noppenstrook wordt als oplossing voorgesteld voor dergelijke uitzonderlijke gevallen.

De situatie is momenteel niet voorzien in Revalor. Een aanvulling wordt voorzien.

De compromisoplossing is de volgende: op beide zijden van het einde van het perron overgaan van perronboorden van 100 cm (60 cm noppen op 40 cm van de perronranden) naar perronboorden van 70 cm breed (40 cm noppenstrook op 30 cm van de perronrand) met extra contrasterende veiligheidslijn aan binnenkant van de noppenstrook (afstand van veiligheidslijn tot de perronrand: 70 cm). (Voor de smalle perroneindes is trouwens al eerder technisch advies ingewonnen.)

Het einde van het perron zelf kan moeilijk worden afgesloten: er is een onderhoudstrapje naar de sporen. Daar moet een bord "verboden toegang" komen. Een hek met sleutel voor de onderhoudstrap is praktisch niet haalbaar voor het stationspersoneel.


Advies

De voorgestelde oplossing wordt goedgekeurd met inachtname van de volgende punten:

  • Het einde van het perron moet duidelijk worden aangeduid met een bord verboden toegang.
  • De situatie met de smalle perronkoppen moet voorzien worden in Revalor.
  • De verbinding met De Lijn vraagt verdere opvolging. De verbinding tussen de infrastructuur van De Lijn en de NMBS moet binnen een redelijke termijn gerealiseerd worden, gezien het specifieke publiek dat aankomt en vertrekt in Oostende, mensen die toegewezen zijn op het lokaal openbaar vervoer.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Voor de concrete technische details is het advies van een technisch toegankelijkheidsbureau nodig, wat hier ook gebeurd is voor de smalle perroneindes.

De NHRPH wenst op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van het dossier.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel, NMBS Mobility en NMBS-Holding
  • Ter info aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de Minister van Overheidsbedrijven en aan de Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/10 - Ministerraad

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beslissing van de Ministerraad van 11 mei 2012 betreffende de Implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 21/05/2012 en bevestigd na dringende elektronische raadpleging op 31 mei 2012


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Ministerraad van 11 mei 2012 nam op voorstel van de Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap een beslissing betreffende de te volgen procedure voor de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH werd door de beleidscel van de Staatssecretaris in het bezit gesteld van de Nota aan de Ministerraad van 10 mei 2012, en op verzoek van deze beleidscel werd deze nota door de kabinetschef en één van zijn medewerkers van de beleidscel toegelicht op de plenaire vergadering van de NHRPH van 21 mei 2012.


Analyse

Dit advies heeft alleen betrekking op de Nota aan de Ministerraad van 10 mei 2012. De NHRPH was niet in het bezit van de beslissing van de Ministerraad.

In punt 2 van deze nota wordt het dossier uiteengezet. Bedoeling van de nota is toelichting te geven bij de beslissing van de Ministerraad van 20 juli 2011 in uitvoering van de toepassing van artikel 4, 1 - permanente aandacht voor de dimensie "handicap" bij het beleid - en van artikel 4, 3 - overleg met het middenveld, van het bedoelde verdrag.

De nota stipt aan dat het verdrag "de beleidsverantwoordelijken oproept tot bewustmaking en evaluatie waarbij, voor elke beleidshandeling, de weerslag op het dagelijkse leven van personen met een handicap zo vroeg mogelijk in acht wordt genomen." , en "het volgende voorstel heeft tot doel dit bewustmakingsproces concreet op beleidsniveau in te voeren".

Wat betreft het overleg met de representatieve organisaties (art. 4,3) vermeldt de nota:

"Met het oog op een meer gestructureerde raadpleging van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap en van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding is het belangrijk dat de minister of de staatssecretaris bevoegd voor het gehandicaptenbeleid als centraal contactpunt optreedt tussen zijn collega's enerzijds en de NHRPH en het CGKR anderzijds. (...)

Het voordeel van deze manier van werken is dat een echte dialoog mogelijk wordt (...), zonder evenwel de bevoegdheid van de NHRPH en het CGKR aan te tasten.

Om een globaal overzicht te hebben over de doeltreffendheid van het overleg- en raadplegingsproces met de NHRPH en het CGKR is het daarom van het grootste belang dat men voor elk door een minister of staatssecretaris gevraagd of door de NHRPH of het CGKR gegeven advies steeds passeert via de minister of staatssecretaris bevoegd voor het beleid inzake personen met een handicap (...).

Voor deze Regering betekent dit concreet het volgende:

  • Elke minister of staatssecretaris die een advies van de NHRPH en/of het CGKR wenst, geeft het verzoek door via de Staatssecretaris (bevoegd voor PH) die het overleg vervolgens zelf organiseert.
  • Wanneer de NHRPH of het CGKR zich tot een minister of staatssecretaris wendt, verloopt dit steeds via de Staatssecretaris (bevoegd voor PH), die het antwoord van de minister of staatssecretaris vervolgens terug aan de Raad/het Centrum bezorgt."

In punt 9, het voorstel van beslissing, staat het volgende:

"De Raad neemt akte van de principes uiteengezet in punt 2 van deze nota. (...) Bovendien vraagt de Raad (...)

  • (3) dat elk verzoek om advies afkomstig van een minister of staatssecretaris en bestemd voor de NHRPH of het CGRK verplicht gelijktijdig gericht wordt tot de minister of staatssecretaris (bevoegd voor PH).
  • (4) dat spontane adviezen, interpellaties, bedenkingen afkomstig van de NHRPH en/of het CGKR en bestemd voor een minister of staatssecretaris verplicht gelijktijdig gericht worden tot de minister of staatssecretaris (bevoegd voor PH)."

Het volgende moet opgemerkt worden:

Wat betreft het 3e punt van de Nota, de verwijzing naar het advies van 20 juni 2011 van de NHRPH op de oorspronkelijke nota van de Ministerraad van 20 juli 2011:

Een ontwerp van nota aan de Ministerraad is voorgelegd aan de plenaire vergadering van 20 juni 2011. De NHRPH bracht hierover een gunstig advies uit.

Nochtans verschilt deze oorspronkelijke nota wat betreft de bepaling vervat in artikel 4 lid 3 (blz. 3 onderaan en blz. 4), grondig van de huidige nota:

  • de nota verwijst in eerste instantie naar het oprichtingsbesluit van de NHRPH, KB van 9 juli 1981;
  • vervolgens naar de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen en de verplichte adviesaanvraag bij uitvoering van deze wet;
  • het structureel overleg dat met de NHRPH moet georganiseerd worden dient rekening te houden met het vermelde KB van 9 juli 1981.

Enkele principes hierbij:

  • Voor regelgevingen met een impact op personen met een handicap wordt het overleg met de NHRPH voorafgaandelijk voorbereid tijdens het contact bij de opstart van het initiatief tussen de beleidsmedewerker van de betrokken minister en de beleidsmedewerker van de staatsecretaris bevoegd voor PH.
  • De staatssecretaris bevoegd voor PH vervult in dit overleg de rol van facilitator tussen zijn collega's en de NHRPH. Hij is een centraal coördinatie- en opvolgingspunt in het overleg- en adviesproces.
  • De NHRPH moet al in de beginfase van het beleidsinitiatief geraadpleegd worden. Bij het finaliseren van het beleidsinitiatief kan een definitief advies worden gevraagd, de NHRPH kan steeds op eigen initiatief adviezen uitbrengen.

Besluit is dat het advies van de NHRPH waarnaar de huidige nota verwijst, betrekking heeft op een nota met een totaal andere visie, vertrekkend vanuit de algemene adviesbevoegdheid van de NHRPH over alle problemen betreffende de personen met een handicap die tot de federale bevoegdheid behoren, en die volkomen vrij kan uitgeoefend worden, zoals trouwens volledig in overeenstemming met het genoemde koninklijk besluit dat nog steeds van kracht is.

Tegenstrijdigheid

Er is een cruciale tegenstrijdigheid in de huidige Nota, door het gebruik van de term "via", in punt 2 van de nota, en de term "gelijktijdig gericht" in punt 9 van de nota.

"via" geeft aan wie eerst aan bod komt, "gelijktijdig gericht" geeft geen volgorde aan.

De verwarring neemt nog toe door de zin: "de Raad neemt akte van de principes uiteengezet in punt 2 van deze nota."


Advies

De leden van de NHRPH hebben gedurende jaren verwachtingsvol uitgekeken naar de uitvoering van het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap, en in het bijzonder naar het ingang zetten van de structuur van de contactpersonen handicap bij de verschillende beleidscellen en administraties.

De NHRPH kan onder geen beding akkoord gaan met de beperking die aan zijn bevoegdheid wordt opgelegd door de aanduiding van de staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap als de verplichte tussenschakel in het contact tussen de NHRPH en andere instanties.

De NHRPH kan er wel volledig mee instemmen de staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap te informeren over elk advies dat hij uitbrengt, maar wenst hierbij op te merken dat hij altijd volgens dit principe heeft gewerkt.

De NHRPH verwijst naar het Koninklijk besluit van 9 juli 1981 dat aan de uitoefening van zijn bevoegdheid tot onderzoek van alle problemen betreffende de personen met een handicap die tot de federale bevoegdheid behoren, geen enkele beperking oplegt. De NHRPH is ook op geen enkel ogenblik geraadpleegd over deze beperking, die toch een ingrijpende invloed heeft op zijn werking.

De NHRPH verwijst ook naar de beslissing van de ministerraad van 20 juli 2011 en de bijhorende nota aan de Ministerraad die totaal andere verwachtingen had geschapen, en beklemtoont dat het op deze nota is dat hij een advies heeft uitgebracht dat nu wordt aangegrepen om de huidige nota te rechtvaardigen.

Ten slotte wijst de NHRPH op de interne tegenstrijdigheid die hoe dan ook bestaat en hoopt dat deze op een passende wijze wordt opgelost.

De NHRPH wil, gelet op de bewoordingen van deze nota, klaar en vastbesloten stellen dat het niet kan dat het in gang zetten van deze procedures weghebben van een onder toezicht plaatsen van de NHRPH, dat hem zou beletten zijn rol als adviesorgaan vrij te kunnen uitoefenen.

Nochtans wordt deze vrees spijtig genoeg nog versterkt bij het lezen van het persbericht van de Ministerraad van 11 mei 2012, waar de Nederlandstalige versie spreekt van: "De ministerraad (...) maakt de staatssecretaris het centrale aanspreekpunt voor verzoeken en adviezen", en de Franstalige versie het als volgt formuleert: « Le conseil des Ministres (...) demande que toutes les demandes et tous les avis soient adressés exclusivement au Secrétaire d'Etat (...) ».

Ten slotte, zelfs indien deze Nota aan de Ministerraad ook betrekking heeft op het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR), is het logisch dat de NHRPH enkel een stelling inneemt over zijn eigen rol en dus geen standpunt formuleert wat betreft de rol van het CGKR.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan Mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/09 - Herstelplan

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het herstelplan dat door de federale regering wordt uitwerkt, goedgekeurd via elektronische raadpleging in spoedprocedure en uitgebracht op 31 mei 2012


Aanvrager

Advies op verzoek van de vertegenwoordigers van de kabinetten van de Eerste Minister, de Minister van Werk, en de Staatssecretaris voor personen met een handicap


Onderwerp

De federale regering werkt thans aan een herstelplan inzake tewerkstelling. In zijn brief van 5 april 2012 aan de Eerste Minister en de Minister van Werk, verheugde de NHRPH zich over dit initiatief en hamerde erop in het plan voldoende rekening te houden met de dimensie 'handicap'.

Naar aanleiding van deze brief hebben de vertegenwoordigers van de Eerste Minister, de Minister van Werk en van de Staatssecretaris voor personen met een handicap tijdens verschillende vergaderingen (werkgroepen en plenaire zittingen) de NHRPH gevraagd naar een advies met duidelijk geformuleerde verwachtingen.


Analyse

Algemeen verwijst de NHRPH eerst naar zijn nota over de tewerkstelling van personen met een handicap (advies nr. 2012/01).

Heel wat factoren hebben tot gevolg dat personen met een handicap moeilijk werk vinden, met name:

  • de arbeidsmarkt zelf, wat in deze periode van economische crisis nog meer het geval is;
  • het gebrek aan geschikte opleidingen: heel wat personen met een handicap willen wel werken, maar beschikken niet over de vereiste deskundigheid;
  • kijk op de personen met een handicap: de misvatting moet rechtgezet worden en alle betrokken actoren moeten gesensibiliseerd worden
  • werkloosheidsvallen

De NHRPH is van mening dat aan alle punten gelijktijdig gewerkt moet worden met een brede visie op de problematiek.

Toch zouden onderstaande punten in het bijzonder onmiddellijk opgenomen moeten worden in het herstelplan:

a. Op het vlak van diversiteit

Volgende acties zijn nodig of moeten versterkt worden om de diversiteit te bevorderen:

  • de noodzakelijke aanpassingen aan de gebouwen van de overheidsdiensten oplijsten opdat ze vlotter toegankelijk zouden zijn voor personen met een handicap, de uit te voeren werken rangschikken in functie van de hoogdringendheid en deze uitvoeren;
  • systematisch de praktische regels voor selectieproeven voor werving vaststellen, opdat personen met een handicap hieraan zonder dwang zouden kunnen deelnemen;
  • directe of indirecte discriminatie in vacatures, of stereotiepen over bepaalde beroepen wegwerken;
  • de werkposten en de personen met een handicap beter op elkaar afstemmen, onder meer door uit te zoeken welke aanpassingen noodzakelijk zijn voor de inrichting van zijn werkpost;
  • de integratie van personen met een handicap op het werk bevorderen, zowel op het functionele als op het sociale vlak, meer bepaald door procedures voor onthaal, integratie en begeleiding van nieuwe personeelsleden uit te werken;
  • opleidingen vlotter toegankelijk maken voor de personen met een handicap en hen informeren over de mogelijke aanpassingen van de opleidingsvoorwaarden;
  • de mandaathouders van de openbare diensten wijzen op het verplichte quota voor de aanwerving van personen met een handicap.

b. Tewerkstelling in de privésector

De NHRPH vraagt dat er nagedacht over het Franse model en dat men zou onderzoeken hoe dit uitgevoerd kan worden. Zoals vermeld in zijn positienota Tewerkstelling, verwacht de NHRPH namelijk mechanismen voor de verplichte (pro)actieve stappen betreffende de tewerkstelling en/of het werkbehoud van personen met een handicap:

  • met verschillende mogelijke stappen: onderaanbesteding aan beschutte werkplaatsen, sociale clausules in overheidsopdrachten, maatregelen voor werkbehoud, ...
  • met de mogelijkheid van sancties, zowel negatieve (financiële) als positieve (positieve acties voor wie beantwoordt aan de normen).

Volgens de NHRPH moet het overleg over de quota deel uitmaken van de hierboven vermelde principes en beschouwd worden als een instrument ten dienste van een ruimer diversiteitsbeleid.

Voorts wil de NHRPH dat personen met een handicap aangemoedigd worden om te werken naargelang hun vaardigheden en mogelijkheden. Zo zou telewerk bevorderd moeten worden indien de persoon met een handicap vragende partij is. Telewerk mag de persoon met een handicap namelijk niet extra isoleren.

c. Tewerkstelling in de openbare sector

Bovenstaande overwegingen voor de privésector gaan ook op voor de openbare sector. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de quota, die reeds wettelijk vastliggen, maar zelden nageleefd worden.

De NHRPH wenst in ieder geval meer soepelheid. Thans wordt de wervingsstop als gevolg van de financiële crisis vaak ingeroepen als reden om de quota niet na te leven. Uitzonderingen zouden mogelijk moeten zijn.

d. Activamaatregelen

Vooreerst wijst de NHRPH erop dat de personen die in aanmerking komen voor de Activamaatregel gediscrimineerd worden in vergelijking met hun collega's: op het einde van de maand ontvangen zij € 500 minder loon; de rest volgt enkele dagen later. Hierdoor kunnen zij bijvoorbeeld ook moeilijker een lening afsluiten: vraagt de financiële instelling naar een loonstrook, dan kan de betrokkene slechts een loonstrook voorleggen met een bedrag verminderd met € 500. De NHRPH vraagt bijgevolg deze discriminatie snel weg te werken, temeer omdat dit haaks staat op de door de regering gewenste administratieve vereenvoudiging.

De NHRPH heeft eveneens opgemerkt dat heel wat personen die door middel van de Activamaatregel aangeworven werden, ontslagen worden na het verstrijken van de maatregel (na 24 maanden dus) en dat dit ontslag vaak gerechtvaardigd wordt door het feit dat deze personen meer tijd nodig hebben om zich aan te passen en dat zij op het einde van deze periode nog onvoldoende arbeidsgeschikt zijn. Bijgevolg stelt de NHRPH voor de maatregel uit te breiden opdat ze een keer verlengd kan worden op basis van nog uit te werken criteria.

De NHRPH meent eveneens dat alle actoren, de personen met een handicap, maar ook de sociale secretariaten, de vertegenwoordigers van de werknemers en de verantwoordelijken van het personeelsbeleid, meer geïnformeerd moeten worden over de Activamaatregelen. Hiervoor biedt de NHRPH zijn medewerking aan, onder meer door informatie te verspreiden via de zijn website.

e. De afgeleide rechten

Heel wat afgeleide rechten (bv. het OMNIO-statuut, het sociaal tarief gas en elektriciteit, ...) worden slechts toegekend aan mensen die een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangen.

Vindt een persoon met een handicap werk, dan wordt de tegemoetkoming herzien en soms geschrapt omwille van het ontvangen loon. Daardoor verliest de betrokken persoon echter ook een aantal afgeleide rechten, wat tot gevolg heeft dat men uiteindelijk gemiddeld soms minder verdient door te werken. De afgeleide rechten zouden dan ook losgekoppeld moeten worden van het recht op een tegemoetkoming.

Deze vraag zou vanzelfsprekend niet gesteld worden indien, zoals de NHRPH onderstreept in zijn memorandum aan de nieuwe Regering, en in zijn standpuntennota tewerkstelling (advies 2012/01), de integratietegemoetkoming zou worden toegekend zonder rekening te houden met de inkomsten.

Wanneer rekening wordt gehouden met de inkomsten, zoals thans het geval is, moet de persoon met een handicap zelf de kosten dragen van zijn of haar handicap. De Staat moet, op grond van de principes van non-discriminatie en gelijke kansen voor iedereen, voorzien in de behoeften van al zijn burgers.

f. Toepassing van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Door de strikte toepassing van de regeling van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen moeten personen met een handicap het soms gedurende geruime tijd met minder middelen stellen. Een evaluatie van het begrip "vorige toestand" en de toepassing ervan is in dit opzicht onontbeerlijk en dringend, want de huidige situatie leidt tot eindeloze discussies tussen de verschillende instellingen en tot verschillende behandelingen voor ogenschijnlijk gelijklopende situaties.

Artikel 100 bepaalt dat een persoon enkel recht heeft op een invaliditeitsuitkering indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is de initiële letsels / functiestoornissen of de verslechtering ervan. Het gebeurt echter vaak dat personen met een handicap die om gezondheidsredenen moeten stoppen met werken geen recht hebben op tegemoetkomingen omdat de raadgevende arts van oordeel is dat de stopzetting van de beroepsactiviteiten het gevolg is van een eerdere, reeds bestaande toestand.


Advies

In het licht van de principes van de nota waarin de NHRPH zijn standpunten over de tewerkstelling van personen met een handicap uiteenzet, vraagt de NHRPH aan de federale regering in haar herstelplan de opmerkingen van de NHRPH op te nemen betreffende:

  • Diversiteit
  • Tewerkstelling in de privésector
  • Tewerkstelling in de overheidssector
  • Activamaatregelen
  • Afgeleide rechten
  • Toepassing artikel 100 van de wet inzake geneeskundige verzorging

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan mevrouw Monica De Coninck, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap
  • Voor informatie aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding
  • Voor informatie aan het interfederaal coördinatiemechnanisme
  • Voor informatie aan de Nationale Arbeidsraad

Advies 2012/08 - Mantelzorger

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de definitie van "mantelzorger", uitgebracht tijdens de zitting van 21/05/2012


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap


Onderwerp

De vzw Aidants Proches heeft zich onder meer tot doel gesteld een statuut voor de mantelzorger af te dwingen om zijn rechten te vrijwaren.

In dit kader organiseert de vereniging sinds enige tijd overleg met betrekking tot een wettelijke definitie van de mantelzorger. Bij dit overleg is ook het kabinet van de Staatssecretaris voor personen met een handicap betrokken.

Er is een akkoord bereikt over volgende formulering:

"De mantelzorger is iemand uit de omgeving van een zwaar zorgbehoevende persoon - zoals het bij Koninklijk Besluit zal worden bepaald - die bij de betrokkene thuis en aansluitend op zijn levensproject, op niet-professionele basis en met de medewerking van professionele hulpverleners ononderbroken en/of regelmatig ondersteuning en hulp biedt."

"L'aidant proche est la personne de l'entourage qui, à titre non professionnel et avec le concours d'intervenants professionnels, assure un soutien et une aide continue et/ou régulière à une personne en situation de grande dépendance définie par le Roi, à domicile et tenant compte de son projet de vie."


Analyse

De NHRPH is zich bewust van de moeilijkheden die personen die op regelmatige wijze hulp bieden aan een persoon met een handicap uit hun omgeving ondervinden. De NHRPH heeft zich meermaals over deze problematiek gebogen en heeft op eigen initiatief het advies nr. 2011/20 over de wetsvoorstellen houdende de wettelijke erkenning van en de toegang tot sociale rechten voor mantelzorgers, uitgebracht. Wat de basisbeginselen betreft die de NHRPH verdedigt, wordt bijgevolg naar dit advies verwezen.

De NHRPH is dus verheugd over de evolutie van de werkzaamheden en hoopt dat ze zullen uitmonden in een model dat tegelijkertijd volledig en coherent is en tegemoetkomt aan de behoeften van de verschillende actoren: de geholpen persoon, de mantelzorger en de maatschappij als geheel.


Advies

Mits te herinneren aan de noodzaak eveneens rekening te houden met de algemene beginselen die in zijn advies 2011/20 zijn uitgewerkt, kan de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap akkoord gaan met de bovenvermelde definitie op voorwaarde dat er eveneens overeenstemming kan worden bereikt over de verduidelijkingen en begrenzingen die aan de samenstellende concepten zal worden gegeven, en dat deze verduidelijkingen worden opgenomen, bijvoorbeeld in de memorie van toelichting bij de toekomstige wettelijke en reglementaire bepalingen:

  • Iemand uit de omgeving // la personne de l'entourage;een zwaar zorgbehoevende persoon - zoals het bij Koninklijk Besluit zal worden bepaald - // une personne en situation de grande dépendance définie par le Roi;
  • bij de betrokkene thuis // à domicile;
  • aansluitend op zijn levensproject // tenant compte de son projet de vie;
  • op niet-professionele basis // à titre non professionnel;
  • "en" met de medewerking van professionele hulpverleners // "et" avec le concours d'intervenants professionnels;
  • ononderbroken "en/of" regelmatig // continue et/ou régulière;
  • ondersteuning en hulp // un soutien et une aide.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris
  • voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
  • racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/06 - Slapende tegemoetkoming

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de invoering van een slapende tegemoetkoming, uitgebracht tijdens de zitting van 16/04/2012


Aanvrager

Advies op vraag van de Commissie van de Sociale Zaken van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers bij brief van 29 maart aan de Staatssecretaris voor personen met een handicap


Onderwerp

Het betreft een wetvoorstel (DOC 53 0875/001) tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (meer bepaald aan artikel 8ter), ingediend door mevrouw Valérie De Bue c.s. bij de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Vaststelling is dat de persoon met een handicap die zijn tewerkstelling verliest na meer dan 3 maanden gewerkt te hebben, en gedurende die periode geen tegemoetkoming meer genoot, opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming aan personen met een handicap moet indienen.

Deze persoon moet opnieuw de procedure doorlopen en belandt, wanneer hij geen aanspraak kan maken op vervangingsinkomens, dikwijls in een schrijnende situatie die als een werkloosheidsval en een struikelblok voor het zoeken naar een tewerkstelling, wordt bestempeld.


Analyse

Er zijn 3 elementen in het voorstel:

  • Op eenvoudig verzoek kan de tegemoetkoming toegekend worden die de persoon met een handicap genoot vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst;
  • Dit verzoek moet zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen één maand na de indiening, behandeld worden;
  • Indien blijkt dat het bedrag moet verminderd worden, gaat dit pas in vanaf de datum van de beslissing in die zin door de bevoegde dienst.

Advies

Hoewel het principe van een slapende tegemoetkoming verdedigbaar is stellen de leden van de NHRPH dat de concrete toepassing ervan grondig moet bestudeerd worden en moet ingeschreven worden in een globale herziening van de wetgeving op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Deze wetgeving is immers na menigvuldige, zeer gedeeltelijke aanpassingen, bijna "onbeheerbaar" geworden.

Bij de toepassing in de praktijk van een slapende tegemoetkoming moet rekening gehouden worden met het feit dat veel verschillende situaties zich kunnen voordoen die alle het recht op een tegemoetkoming of het bedrag ervan, kunnen wijzigen (bijvoorbeeld: de partner vindt een tewerkstelling of wordt gepensioneerd, de handicap is evolutief, ...).

Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het sociaal onaanvaardbaar zou zijn aan absolute voorrang te geven aan de behandeling van een dossier van een persoon die zijn tewerkstelling verliest, dit ten opzichte van de persoon die een aanvraag om tegemoetkoming indien en de gewone procedure moet volgen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Yvan Mayeur, voorzitter van de Commissie van de Sociale Zaken van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.