Terug naar hoofdinhoud

Advies 2012/05 - Armoede

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de thematische opmaak van de delen "Armoede en Sociale Uitsluiting" van het Nationaal Hervormingsprogramma en het Nationaal Sociaal Rapport voor 2012, uitgebracht tijdens de zitting van 20/02/2012


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De afvaardiging van leden van de NHRPH die deelneemt aan de vergaderingen van het Belgisch Platform tegen de armoede en sociale uitsluiting formuleerde opmerkingen bij de ontwerptekst opgemaakt in vergadering van 16 februari 2012. De leden van de Raad gingen akkoord met de opmerkingen en het bureau van de NHRPH bekrachtigde het advies in zijn vergadering van 5 maart 2012.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap formuleerde opmerkingen bij volgende punten:

1) Kinderarmoede

  • Het garanderen (van een toereikend niveau) van sociale uitkeringen voor volwassenen en kinderen die de armoederisicogrens bereiken zodat ouders hun opvoedende rol kunnen opnemen, dus expliciet de armoederisicogrens vermelden
  • Voorzien in voldoende kwaliteitsvolle en betaalbare voorschoolse kinderopvang (prijs afgestemd op het gezinsinkomen)

2) Huisvesting

  • Voldoende aangepaste woonvormen voor personen met een handicap

3) Inclusie op de arbeidsmarkt

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap verwijst naar haar advies over tewerkstelling van personen met een handicap. De positienota tewerkstelling van personen met een handicap bevat de principes die de NHRPH op het vlak van tewerkstelling van personen met een handicap verdedigt, en werd door de Raad aangenomen in vergadering van 19 december 2011. Deze nota is als bijlage bij dit advies gevoegd.

De principes:

  • De tewerkstelling van PMH in een mainstreaming logica, waarbij alle domeinen en de PMH betrokken worden, met in het bijzonder de aandacht voor belemmerende omgevingsfactoren
  • De definitie van PMH zoals vastgelegd in het VN-verdrag toepassen
  • Instrumenten aanbieden die de PMH in staat stellen te werken (toegankelijk onderwijs, begeleiding en verzorging, enz.)
  • Beeldvorming over PMH & tewerkstelling bijsturen
  • Tewerkstellingsondersteuning, sensibilisering van de PMH, het wegwerken van tewerkstellingsvallen door de organisatie van sociale voorzieningen en er voor zorgen dat werkgevers belang hebben bij de aanwerving van een PMH

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Staatssecretaris voor Asiel, Immigratie en Maatschappelijke Integratie;
  • Ter info aan de heer Julien Van Geertsom, Voorzitter van de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2012/04 - Rolstoel luchthaven

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het gebruik van de rolstoel op de luchthaven van The Brussels Airport Company, uitgebracht tijdens de zitting van 20/02/2012


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De afvaardiging van leden van de NHRPH die deelneemt aan de vergaderingen van de werkgroep PRM op de luchthaven van Brussels Airport Company stelde volgend probleem vast. In vergelijking met het merendeel van de Europese luchthavens, is op de luchthaven van Brussels Airport een ongunstige regeling van toepassing voor reizigers die geen lange afstanden kunnen lopen. Deze personen mogen met een rolstoel wel tot aan de gate gevoerd worden, maar niet tot aan het vliegtuig. Deze beperking geldt enkel ook in Amsterdam.


Analyse

De diensten van Brussels Airport hebben de zaak bestudeerd. Het blijkt dat er grote prijsverschillen bestaan.

Naar aanleiding van een nieuwe aanbesteding zou de procedure wel kunnen aangepast worden. Het komt dan aan de luchtvaartmaatschappijen toe een beslissing te treffen.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap dringt er op aan de op de luchthaven geldende beperking ongedaan te maken en de aanbesteding in deze zin aan te passen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Peter Gheysels - Duty Manager Passengers & Customer Services - The Brussels Airport Company;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/03 - Formulier 3-4

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassing van het formulier 3 en 4 voor de aanvraag van een inkomensvervangende tegemoetkoming en van een integratietegemoetkoming, uitgebracht tijdens de zitting van 20/02/2012


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De hervorming van het stelsel van de tegemoetkomingen is al jaren aan de orde. Tijdens de vorige legislatuur werden effectief stappen in de voorbereiding hiervan gezet.

Een probleem bij de evaluatie van een handicap is de verzameling van informatie. Om een goede beslissing over de handicap te kunnen nemen is het inwinnen van goede informatie absoluut noodzakelijk.

De NHRPH is er al geruime tijd voorstander van deze informatie niet alleen door een arts te laten verstrekken, maar hiervoor ook een beroep te doen op niet-medisch geschoolden. Immers niet de aandoening op zich moet geëvalueerd worden, maar wel de gevolgen van de aandoening voor het functioneren van de persoon in zijn maatschappelijke omgeving.

De Directie-generaal Personen met een handicap stelt nu voor een stap in die richting te zetten waardoor de louter medische benadering wordt losgelaten.


Analyse

Een allereerste, maar typerende wijziging is dat het formulier voortaan "formulier evaluatie handicap" zal genoemd worden.

Enerzijds zijn er gegevens die alleen door een arts moeten ingevuld worden, maar de gegevens gevraagd door het oude formulier 4 zullen voortaan door om het even welke persoon kunnen ingebracht worden: de persoon met een handicap zelf, iemand uit de omgeving van de persoon met een handicap, een sociale dienst, de arts zelf indien de persoon met een handicap dit wenst, .... De enige voorwaarde is dat de persoon zich identificeert, namelijk de functie vermeldt in welke hoedanigheid hij die gegevens vermeldt.

Een nieuw element is dat de persoon met een handicap aan de arts van de FOD Sociale Zekerheid toelating geeft contact op te nemen met zijn behandelende arts.

De aanvraag van de dringende procedure (de P-procedure) zal ook altijd door de behandelende arts moeten bevestigd worden, dit om het te veelvuldig beroep doen op deze gunstmaatregel in de hand te houden. De dringende procedure wordt dus strenger, maar ook sneller voor wie er recht op heeft.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap is zeer positief over dit initiatief dat tegemoetkomt aan een bekommernis waarvoor de Raad al lang ijvert. De NHRPH verwacht een zeer snelle realisatie van de nieuwe benadering.

De NHRPH vraagt dat de Directie -generaal Personen met een handicap er in de toekomst aan denkt ook een document te voorzien opgesteld als een gemakkelijk te lezen formulier, dit om een zo ruim mogelijk publiek te kunnen bereiken.

De NHRPH dringt er dan ook op aan zeer aandachtig te zijn wat betreft de communicatie van deze aanpassing aan alle betrokken personen en instanties.

De NHRPH vraagt ruim vóór het in voege treden van de wijzigingen en ook op de juiste wijze alle betrokkenen te verwittigen. Best is zo vlug mogelijk via de website het publiek te informeren dat een belangrijke wijziging op til is.

De leden van de NHRPH drukken de wens uit zo snel mogelijk over alle nodige informatie te kunnen beschikken.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.

Advies 2012/02 - Regeerakkoord

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het federaal regeerakkoord 1/12/2011: analyse van de maatregelen met een mogelijke invloed op de personen met een handicap (advies uitgebracht op de plenaire vergadering van de NHRPH van 20 februari 2012).


Aanvrager

Op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De NHRPH geeft zijn visie op de maatregelen die in het federale regeerakkoord worden aangekondigd en die een impact kunnen hebben op personen met een handicap. We verwijzen naar de hoofdstukken en pagina's van het Regeerakkoord.

Regeerakkoord Di Rupo I


Analyse en advies

Inleiding - Vijf grote projecten (p. 2)

De NHRPH erkent het belang van de vijf grote projecten van het akkoord, maar vindt toch dat, om te sporen met het door België geratificeerde Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap, ook het aspect "handicap" aan bod had moeten komen bij de vergrijzing (vijfde project).

Deel I - Hoofdstuk 1 - Politieke vernieuwing - Organisatie van de verkiezingen (p. 14-15)

De NHRPH betreurt dat het akkoord niet voorziet in een herziening van het kieswetboek om de stembureaus beter toegankelijk te maken voor personen met een handicap.

Hij herhaalt wat in het Memorandum aan de formateur stond: "In afwachting van een hoognodige grondige algemene hervorming van het kieswetboek vraagt de NHRPH specifiek en met aandrang de nodige aandacht voor een betere toegankelijkheid van de stembureaus, en dat op alle vlakken (vlot leesbare lijsten bijvoorbeeld), met inbegrip van het stemmen zelf. Het is essentieel dat iedereen in volle autonomie gebruik kan maken van de informaticatoepassingen voor de inlichtingen en het stemmen zelf. Even belangrijk is een goede begeleiding voor hen die dat wensen, vanzelfsprekend met inachtname van hun grondrecht om vrij een stem uit te brengen."

In dit verband herinnert de NHRPH aan de herziene interpretatieve verklaring van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa, over de code voor goed gedrag op het gebied van verkiezingen betreffende de deelname van personen met een handicap aan verkiezingen, van 19 december 2011.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.1 - Instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake de gezondheidszorg te waarborgen (p. 38)

De NHRPH erkent wel de noodzaak van een interfederaal overlegorgaan voor deze materie, maar benadrukt dat deze beslist efficiënt, doeltreffend en representatief moet zijn.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Homogenisering van het beleid inzake de hulp aan personen met een handicap (p. 39)

Tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden

De tegemoetkomingen zijn bedoeld voor personen die wegens hun handicap geen of onvoldoende inkomens hebben.

De NHRPH dringt erop aan dat de middelen die hiervoor naar de deelgebieden overgeheveld worden, aangewend moeten blijven voor de aanvankelijke doelstellingen.

De NHRPH, waarvan de leden werden gekozen gelet op hun ervaring op het gebied van handicap, hoopt dat hij zal worden betrokken bij de reflectie in het kader van deze overheveling.

De overheveling wekt dus inderdaad bezorgdheid, en de NHRPH wenst het stelsel bijgevolg met alle mogelijke middelen te verbeteren en zeker niet af te breken.

Samen met de adviesraden van de deelgebieden zal de NHRPH een vinger aan de pols houden, temeer omdat

  • de regionale budgetten voor de personen met een handicap thans reeds ontoereikend zijn, in verschillende mate naargelang de Gewesten, met dus een mogelijk risico voor de tegemoetkomingen die overgeheveld zullen worden;
  • voor de meeste deelgebieden de tegemoetkomingen van de fondsen beperkt zijn tot personen die voor 65 jaar door een handicap getroffen werden;
  • het voordeel van het één-loket niet echt een voordeel is, vooral in Brussel waar de GGC bevoegd zal zijn.

"Coherentie" lijkt geen doorslaggevend argument te zijn. Er rijzen bijgevolg vragen over de toekomstige werkwijze en samenwerking.

De NHRPH dringt eveneens sterk aan op overgangsmaatregelen voor de overheveling van het stelsel van het federale niveau naar de deelgebieden: hoe zullen de cumulatieproblemen tussen de IVT's/IT's, die voor 65 jaar toegekend worden en na deze leeftijd uitbetaald blijven, en de THAB's bijvoorbeeld geregeld worden?

Tot slot zal de NHRPH de mogelijke evolutie van de regeling die federaal blijft voor -65-jarigen, met bijzondere aandacht blijven volgen.

Afgeleide rechten (sociale en fiscale voordelen)

De huidige deskundigenonderzoeken van de DG Personen met een handicap zijn polyvalent en bieden de personen na onderzoek van hun rechten (in de regeling van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of in de regeling van de niet-ouderen) de mogelijkheid hun eventuele rechten op sociale en fiscale voordelen te doen gelden.

In het Regeerakkoord is niets voorzien voor de afgeleide rechten. Toch kan de overheveling van de THAB's naar de deelgebieden een invloed hebben op de afgeleide rechten, of meer stappen met zich brengen voor de personen met een handicap. De afgeleide rechten zijn van fundamenteel belang voor de personen met een handicap en betekenen vaak veel geld.

De NHRPH benadrukt dat de personen met een handicap niet de dupe mogen worden van de overheveling van de THAB's naar de deelgebieden (minder rechten en meer stappen).

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Mobiliteitshulpmiddelen (p. 39)

Ook hier rijzen vragen over de coherentie van de overheveling, aangezien de tegemoetkomingen van de Fondsen hoofdzakelijk toegekend worden aan personen die voor hun 65e door een handicap getroffen werden, terwijl het leeuwendeel van het huidige RIZIV-budget naar de rechthebbenden ouder dan 65 jaar gaat. Ook hier worden dus vragen gesteld over de toekomstige uitvoering en samenwerking.

De NHRPH vindt in ieder geval dat het verhuursysteem in de toekomst uitgebreid moet worden. Zo kunnen personen met een handicap het systeem leren kennen bij een eerste gebruik, maar kan eveneens rekening gehouden worden met het snelle verloop van bepaalde ziekten.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Gezondheidszorg (p. 39-41, 58 e.v.)

De NHRPH neemt akte van de verschillende voorstellen voor de homogenisering van het ouderenbeleid en de langdurige verzorging, de geestelijke gezondheidszorg, de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de bijbehorende financieringsmiddelen.

De NHRPH herinnert aan het wezenlijke belang van de revalidatieovereenkomsten voor de (her)integratie van personen met een handicap, en zal bijgevolg, in overleg met de regionale adviesraden, de overheveling van deze materie en het gevoerde beleid nauwlettend in het oog houden.

De NHRPH erkent dat samenvoeging van alle domeinen van geestelijke gezondheid tot één beheersniveau belangrijk is.

Deel I - Hoofdstuk 3.3 - Gezinsbijslag (p. 42)

De NHRPH herhaalt dat gezinsbijslag een aanvulling is op het inkomen om ongelijke kansen tussen kinderen weg te werken. De gezinsbijslag varieert naargelang van de situatie van het gezin en het kind. Een handicap bij een kind beperkt gelijkheid van kansen. De aanvullende tegemoetkoming is dus een extra inkomen voor het gezin, dat gebruikt kan worden voor allerhande uitgaven voor de handicap van het kind.

Net als bij de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wijst de NHRPH er met klem op dat de gezinsbijslagmiddelen waarmee thans de toeslag voor kinderen met een handicap of aandoening betaald wordt, na overheveling naar de deelgebieden voor de aanvankelijke doelstelling aangewend moeten blijven.

De NHRPH zal de concrete uitwerking en eventuele samenwerkingsakkoorden dus nauwlettend in de gaten houden, in het bijzonder indien het deskundigenonderzoek op federaal niveau blijft.

Tot slot herinnert de NHRPH er ook aan dat de erkenning inzake de verhoogde kinderbijslag voor zieke kinderen of kinderen met een handicap aanleiding kan geven tot afgeleide rechten (sociale en fiscale voordelen) die niet opgenomen zijn in het Regeerakkoord (zie ook "Homogenisering van het beleid inzake de hulp aan personen met een handicap").

Deel I - Hoofdstuk 3.5.1 - Mobiliteit en verkeersveiligheid (p. 44-46)

De NHRPH stelt vast dat, wat de technische keuring van voertuigen betreft, de toekomst van het CARA in noch het institutioneel akkoord noch het sociaaleconomisch akkoord aan bod komt. Wie zal hiervoor verantwoordelijk zijn en hoe zal dit georganiseerd worden?

Het institutioneel akkoord voorziet weliswaar in een eventuele bijkomende gewestelijke financiering voor de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, maar noch in dit deel, noch in het sociaaleconomisch akkoord wordt dieper ingegaan op de toegankelijkheid van de infrastructuren en de treinen. De NHRPH pleitte in zijn Memorandum voor "meer coherentie en ook coördinatie van het openbaar vervoer", en kan alleen maar betreuren dat het akkoord dreigt af te stevenen op een ontwikkeling met twee snelheden, dus op problemen voor personen met een handicap die van het ene gewest naar het andere reizen.

Deel I - Hoofdstuk 3.5.2 - Strijd tegen discriminatie (p. 53)

De NHRPH neemt akte van de verklaring dat er verder onderhandeld wordt met de deelgebieden met het oog op de omvorming van het CGKR tot een interfederaal centrum.

De NHRPH beklemtoont het belang van deze interfederalisering: de strijd tegen discriminatie op alle niveaus staat op het spel!

Deel I - Hoofdstuk 3.6 - Begrotingssynthese van de overhevelingen (p. 54 e.v.)

Het lijkt de NHRPH dat de opgenomen bedragen (gezinsbijslag, revalidatieovereenkomsten, THAB's, mobiliteitshulpmiddelen) overeenkomen met de opdrachtenbegrotingen, maar zonder de werkingsbudgetten. De NHRPH vreest dus dat de huidige middelen voor personen met een handicap mogelijk teruggeschroefd zullen worden.

Deel I - Hoofdstuk 4 - Details van het hervormingsvoorstel van de bijzondere financieringswet (p. 60-61)

De NHRPH vraagt zich af of de verdeling van de middelen inzake gezinsbijslag volgens de bevolkingssleutel 0 - 18 jaar geen gevolgen zal hebben voor het vereiste budget, aangezien gezinsbijslag tot 25 jaar toegekend kan worden.

De verdeling van de middelen voor ouderen volgens de "bevolkingssleutel van 80-plussers" roept vragen op bij de NHRPH:

  • Is de verdeelsleutel billijk, aangezien de THAB vanaf de leeftijd van 65 jaar wordt toegekend, en zullen er voldoende financiële middelen zijn voor deze uitgaven, onder andere voor de THAB? Zo niet ligt een besparingsbeleid in het verschiet!
  • Gelet op de financieringssleutel vreest de NHRPH ook dat zal worden gewerkt met een gesloten enveloppe, zodat indien de deelgebieden in de toekomst onvoldoende middelen hebben om de groei van het stelsel te « ondersteunen » (gelet onder andere op de vergrijzing van de bevolking), dit stelsel zal « achteruitgaan ».

Deel 2 - Hoofdstuk 1.2 -De voorgestelde begrotingsmaatregelen (p. 75 e.v.)

De NHRPH vindt dat de besparingen op de kosten van het overheidspersoneel aangepast moeten worden. Bepaalde administraties, waaronder de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, kampen bovendien met een personeelstekort. Een evenwichtige verdeling van het personeel over de overheidsdiensten naargelang van de specifieke noden verdient de voorkeur.

De prijsstijging van de dienstencheques en de beperking ervan in aantal zullen gezinnen met kinderen en volwassenen met een handicap in serieuze moeilijkheden brengen. Zelfs al is dit systeem duur en dus verre van ideaal, toch is deze noodoplossing broodnodig om deze gezinnen te ontlasten! De NHRPH kant zich dus tegen deze wijziging omdat er geen andere regeling uitgewerkt wordt.

De vermindering met 40 % van de enveloppe voor de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen is een regelrechte ramp, vooral voor zieke en invalide personen, maar ook voor rechthebbenden op de laagste pensioenen, die vaak personen met een handicap zijn.

De NHRPH vraagt met aandrang dat in het "back to work"-plan in de invaliditeitssector rekening gehouden wordt met de bijzondere kenmerken van de handicap, met alle beperkingen van dien.

De NHRPH pleit voor een efficiënte bestrijding van sociale fraude. Daarvoor moet het begrip wel duidelijk verstaan en omschreven worden. Voor fraude met uitkeringen en invaliditeitsvergoedingen tellen niet-verschuldigde inningen wegens niet-naleving van de wettelijke voorzieningen en abnormaal lange termijnen voor de behandeling of herziening van een dossier niet mee!

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1 - Hervorming van de arbeidsmarkt om de werkzaamheidsgraad te verhogen (p. 84-86)

Eerst en vooral herinnert de NHRPH eraan dat de algemene elementen van zijn advies 2011/11 (bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid) en zijn Memorandum aan de formateur onverminderd van belang blijven.

De Regering zal de arbeidsmarkt structureel hervormen om tegen 2020 een werkzaamheidsgraad van 73,2 % te bereiken. Een ambitieuze doelstelling, maar de NHRPH wenst dat er specifieke en inclusieve beleidslijnen uitgestippeld worden voor personen met een handicap opdat ook met hen rekening gehouden wordt.

De RSZ-kortingen voor doelgroepen en het activeren van de werkloosheidsuitkeringen zullen geregionaliseerd worden. Voorts zal de federale overheid na de overheveling van deze bevoegdheid geen nieuwe doelgroepen meer invoeren, maar zal zij een beslissingsbevoegdheid behouden in verband met de maatregelen inzake de loonkosten die onder haar bevoegdheid blijven. Vormen de personen met een handicap een doelgroep?

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.2 - Het werkloosheidsstelsel hervormen om de arbeidsmarktparticipatie te verhogen (p. 87 - 91)

De NHRPH betreurt dat op het vlak van beroepsinschakelingstijd geen aandacht besteed wordt aan werkzoekende jongeren met een handicap, hoewel zij veel moeilijker werk vinden.

De beperking van de inschakelingsuitkeringen in de tijd voor niet-bevoorrechte samenwonenden dreigt nadelig uit te vallen voor gezinnen met een of twee personen met een handicap, indien zij niet tot deze categorie behoren.

Door de werkloosheidsuitkeringen degressief te maken, dreigen werkzoekenden met een handicap, die moeilijker aan de slag kunnen, terecht te komen in "residuaire" stelsels (inkomensvervangende tegemoetkomingen, leefloon), wat onaanvaardbaar is. Regels voor een vlotte overgang tussen de regelingen zijn beslist onontbeerlijk.

Het beschikbaarheidsbeginsel zal op 60, en daarna op 65 jaar gebracht worden. De NHRPH herinnert aan de moeilijkheden die de handicap met zich brengen, waardoor personen met een handicap in een onmogelijke situatie gebracht worden of sancties dreigen op te lopen.

De minimale afstand om werk te zoeken wordt opgetrokken van 25 tot 60 km. De NHRPH wijst erop dat het openbaar vervoer niet of beperkt toegankelijk is voor personen met beperkte mobiliteit, waardoor zij zich vaak niet kunnen verplaatsen om werk te zoeken. De verhoging van de afstandsvoorwaarde is bovendien zo groot, dat zowel voor gebruikers van het openbaar vervoer als voor personen die over privé vervoer beschikken, deze voorwaarde onoverkomelijk is voor het merendeel van de personen met een handicap.

Ook personen met een handicap die niet kunnen rijden, komen in moeilijkheden door de strakkere voorwaarden voor passend werk. Verplaatsingen met het openbaar vervoer vergen serieus veel volharding en energie, voor zover ze al mogelijk zijn. Niet alle personen met een handicap kunnen een beroep doen op een kennis die hen twee keer per dag 60 km van en naar het werk brengt. Hetzelfde geldt voor personen met een handicap die over een wagen beschikken: kan er geen rekening gehouden worden met de last die zij ondervinden bij hun verplaatsing?

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.3 - Meer oudere werknemers aan het werk helpen (p. 91-93)

De NHRPH steunt het actieve aanmoedigingsbeleid om oudere werknemers aan de slag te houden, maar benadrukt dat specifieke maatregelen voor oudere personen met een handicap nodig zijn (zie eveneens de opmerkingen bij hoofdstuk 2.2).

De verlenging van de loopbaan tot 40 jaar voor brugpensioenen is voor heel wat werkende personen met een handicap in de praktijk uitgesloten, omdat zij hun werk wegens hun handicap min of meer lange periodes moeten onderbreken.

Het optrekken van de leeftijd om met brugpensioen te gaan kan tevens negatieve gevolgen hebben voor personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.5 - De kwaliteit van de werkgelegenheid verhogen (p. 94-96)

Het verontrust de NHRPH dat een deeltijdse werknemer voorrang heeft als hij vrijwillig opteert voor een verhoging van zijn arbeidsduur. Heel wat werknemers met een handicap hebben deeltijds werk aanvaard omdat:

  • zij wegens hun handicap niet meer kunnen werken,
  • hun beroepsinkomen anders zou stijgen en hun tegemoetkoming - die zij nochtans nodig hebben om hun handicap te kunnen betalen - zou dalen.

Een verhoging van de arbeidsduur is een illusie, die nauwelijks haalbaar is voor personen met beperkte mobiliteit.

Heeft de geplande wettelijke bepaling die vastlegt voor welke risicogroepen de werkgevers een inspanning van minstens 0,05% van de loonmassa moeten leveren, ook betrekking op personen met een handicap? De NHRPH zou dit tenminste logisch vinden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.7 - Strengere toegangsvoorwaarden voor het tijdskrediet en de loopbaanonderbrekingen (p.97-98)

De NHRPH verheugt zich erover dat de Regering erop zal letten dat de rechten van werknemers die vrijwillig minder werken om voor een ziek kind te zorgen, niet verminderen, maar vindt dat deze kwestie ook besproken moet worden voor andere categorieën van personen die geholpen worden, meer bepaald om meer rekening te kunnen houden met de mantelzorgers.

Daarom betreurt de NHRPH ook de inkorting van de loopbaanonderbreking, wat voor ouders met (minder- of meerderjarige) kinderen met een handicap neerkomt op verlies van werk. Gezien de last en het gebrek aan aangepaste antwoorden moet een van de ouders zijn werk namelijk laten schieten.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.8 - De gelijkheid op het werk bevorderen (p. 98-99)

Kijken we naar de diversiteit met betrekking tot personen met een handicap, zowel in de bedrijven als bij de overheid, moet vooral werk gemaakt worden van het naleven van de quota in de overheidsbedrijven en de invoering van mechanismen die ervoor zorgen dat personen met een handicap in de privésector niet alleen tewerkgesteld worden maar het ook blijven.

Tevens beklemtoont de NHRPH het belang van nauwkeurige statistieken over de tewerkstelling van personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.1 - Verhoging van de effectieve leeftijd om met vervroegd pensioen te gaan (p. 102)

Volgens de NHRPH zal de verhoging van de effectieve leeftijd om met pensioen te gaan nadelig uitdraaien voor de personen met een handicap. De handicap veroorzaakt op het einde van de loopbaan immers meer vermoeidheid en vergt een grotere investering, wat de voortzetting van de beroepsactiviteit bemoeilijkt.

De NHRPH meent daarentegen dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van rechten) onderzocht moet worden voor personen met een handicap, zoals dit overigens beschreven is in de aanbevelingen in het evaluatieverslag van 2009 van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt. Voor heel wat personen met een handicap is het immers praktisch onmogelijk een volledige loopbaan te bereiken. De mogelijkheid voor personen met een handicap om met vervroegd pensioen te gaan, gecombineerd met bijvoorbeeld een systeem waarbij de arbeidsjaren gevalideerd worden, zou zelfs een aanmoediging kunnen zijn om te werken.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.4 - Vrijwillig werken na de pensioenleeftijd (p. 103-104)

De aanmoediging om na de pensioenleeftijd aan de slag te blijven, is onrealistisch voor veruit de meeste personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.5 - Bij de pensioenberekening het werk meer laten doorwegen ten opzichte van de periodes van inactiviteit (p. 104)

Bij de gelijkstelling van periodes van inactiviteit moet rekening gehouden worden met de situatie ten gevolge van de handicap. Bij de pensioenberekening mogen personen met een handicap niet gestraft worden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.7 - Maatregelen betreffende de 2e en 3e pijler (p. 105-106)

De NHRPH benadrukt dat de 1e pijler versterkt moet worden en wijst met betrekking tot de 2e en 3e pijler erop dat veel werkende personen met een handicap gezien hun ongelijke en onvolledige loopbaan benadeeld worden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.3.1 - Strenge financiering van de gezondheidszorg (p. 109-111)

De NHRPH vraagt ook bijzondere aandacht te schenken aan de generische geneesmiddelen, en dat op het vlak van geneesmiddelen al het nodige gedaan wordt om de kosten voor personen met een handicap te beperken.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.3.2 - De toegang tot de gezondheidszorg voor iedereen verbeteren (p. 111-112)

De NHRPH betreurt dat de automatische toekenning van het Omnio-statuut aan personen die aan alle voorwaarden voldoen, niet bij de voorgestelde maatregelen staat.

In het kader van de evaluatie en eventuele aanpassing van de hospitalisatieverzekering wil de NHRPH ten sterkste benadrukken dat een reeds bestaande handicap niet financieel nadelig mag zijn voor de betrokken persoon.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.5 - Steun voor bedrijven en voor het opzetten van activiteiten (p. 117 e.v.)

De NHRPH herhaalt zijn vraag naar een aanmoedigingsbeleid voor de aanwerving van personen met een handicap in privébedrijven.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.8.1 - Justitie grondig hervormen (p. 137 e.v.)

De NHRPH herinnert met aandrang eraan dat de gebouwen van Justitie toegankelijk gemaakt moeten worden voor personen met beperkte mobiliteit, wat ze in de meeste gevallen nog niet zijn. De Raad betreurt dat hierover niets in het Regeerakkoord staat.

Tevens betreurt de NHRPH dat er geen verdere versterking van de middelen van de vredegerechten voorzien wordt.

De burger aanmoedigen een rechtsbijstandsverzekering te sluiten is niet realistisch voor personen met een laag inkomen, waaronder de personen met een handicap!

De begeleiding van gedetineerden met een (meer bepaald geestelijke) handicap in gevangenissen of inrichtingen tot bescherming van de maatschappij komt niet aan bod. In dit kader herinnert de NHRPH aan de eisen in zijn Memorandum.

Tot slot betreurt de NHRPH dat de wettelijke bepalingen voor het voorlopige bewind over de goederen niet herwerkt is (toevoeging bescherming van de persoon, schrapping verlengde minderjarigheid).

Deel 2 - Hoofdstuk 3.2.1 - De kwaliteit van de openbare diensten waarborgen (p. 150-152)

De NHRPH herhaalt zijn vraag naar een grondigere opvolging van de verplichting om personen met een handicap aan te werven bij de overheid.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.2.1 - De kwaliteit van de overheidsbedrijven garanderen (p. 152-155)

De NHRPH betreurt dat de reserveringstermijn die de NMBS oplegt aan personen met beperkte mobiliteit, niet geschrapt wordt.

De NHRPH betreurt daarnaast dat de verplichte toegankelijkheid niet opgelegd wordt aan de NMBS.

De NHRPH betreurt evenzeer dat de architecturale toegankelijkheid van de gebouwen van bpost en privéoperatoren niet als een fundamentele prioriteit beschouwd wordt.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.3.1 - Strijd tegen de sociale uitsluiting en voor maatschappelijke integratie (p. 156-159)

Wegens hun handicap en het gebrek aan primaire toegankelijkheid van heel wat goederen en diensten hebben personen met een handicap aanzienlijke bijkomende onkosten die andere mensen niet hebben. Zij zijn per definitie het slachtoffer van hun handicap; de financiële en economische crisis heeft een hele reeks ondersteunende maatregelen voor de zwaksten afgeremd en zelfs tot een terugval geleid. De maatschappij slaagt er niet in de meest fundamentele noden en rechten van personen met een handicap in het beleid op te nemen. Personen met een handicap en hun omgeving zijn dan ook het slachtoffer van een drievoudige discriminatie: hun handicap, een fysieke, sociale, economische en culturele context die niet aan hun noden is aangepast, en ten slotte de crisis. Dit is een zeer onrechtvaardige en onwaardige toestand voor een maatschappij die zich beroemt op haar sociale voorzieningen.

Daarom beklemtoont de NHRPH dat de laagste sociale uitkeringen verhoogd moeten worden, los van de index.

De NHRPH betreurt ook dat het optrekken van de armoedegrens niet is voorgesteld.

In het Regeerakkoord staat dat "de Regering in het bijzonder aandacht zal hebben voor de koopkracht van mensen met een laag inkomen". Volgens de NHRPH geldt dit voor alle personen met een sociale uitkering. In dit kader betreurt de Raad dat de tekst over deze maatregel niet duidelijk genoeg is, met name wanneer gesteld wordt dat de Regering rekening zal houden met de sociale voordelen die met de vervangingsinkomens samengaan om de drempel van het armoederisico te bereiken.

De tewerkstelling van personen met een handicap is belangrijk, maar de NHRPH wenst ook eraan te herinneren dat niet alle personen met een handicap in aanmerking komen om te werken en vraagt de regeling inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap te handhaven en te verbeteren.

In dit verband moet het activeringsbeleid met de grootst mogelijke voorzichtigheid geïnterpreteerd worden wanneer het personen met een handicap betreft en moet bij de intensivering van het 'back to work'-plan rekening gehouden worden met de capaciteiten van invaliden en personen met een handicap en met de beperkingen waarmee ze te maken zullen krijgen op het vlak van financieel verlies.

Nog steeds in het kader van activering wenst de NHRPH ook de aandacht te vestigen op het feit dat sommige personen "automatisch" OCMW-steun genieten (bv. iemand die niet erkend wordt als persoon met een handicap en geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, en van wie het verdienvermogen niet wordt erkend, waardoor hij of zij ook geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering).

De NHRPH vraagt ook dat de integratietegemoetkoming in geen enkele wetgeving als inkomen beschouwd zou worden.

In het actieplan tegen de digitale kloof moet aandacht geschonken worden aan de hulpmiddelen voor personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.3.2 - De integratie in de samenleving van personen met een handicap vergroten (p. 160-161)

Met betrekking tot het naleven van de voorschriften van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en de noodzakelijke inspraak van de personen met een handicap en hun vertegenwoordigers bij de uitwerking van het beleid, herinnert de NHRPH aan de beslissing van de Ministerraad van 20 juli 2011 en de rol die de Raad toegekend werd. Om deze rol te kunnen vervullen moet het secretariaat van de NHRPH dan ook absoluut verder versterkt worden.

Tevens herinnert de NHRPH eraan dat de regionale representatieve instanties geraadpleegd moeten worden indien de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de Gewesten en/of Gemeenschappen.

De NHRPH is voorstander van een herziening van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten en herinnert aan wat hij in zijn Memorandum te kennen gegeven heeft. Bij deze hervorming moet opnieuw gekeken worden naar wat de wetgever initieel voor ogen had met de integratietegemoetkoming op het ogenblik dat de wet van 27 februari 1987 in werking trad (bedoeld voor mensen bij wie een beperkt of volledig autonomieverlies vastgesteld is). Deze tegemoetkoming moet toegekend worden zonder nog rekening te houden met het inkomen van de betrokkene. Gebeurt dit toch, zoals vandaag het geval is, dan wordt de persoon met een handicap verplicht de kosten van zijn of haar handicap zelf te dragen. De Staat moet echter voorzien in de behoeften van al zijn burgers op basis van de principes van non-discriminatie en gelijke kansen. Wel zou de inkomensvervangende tegemoetkoming opgetrokken moeten worden om de kloof met de armoedegrens te dichten.

De NHRPH is voorstander van betere maatregelen voor zwaar zorgbehoevenden, zolang dit niet ten koste gaat van minder zwaar zorgbehoevenden, en waarbij eveneens ernaar gestreefd wordt twee partners met een handicap - van wie de ene wel en de andere niet zwaar zorgbehoevend is - niet uiteen te halen.

De NHRPH vraagt dat de waardering voor de mantelzorger in een tewerkstellingskader past en dat ervoor gezorgd wordt dat niet noodzakelijk vrouwen, echtgenoten, moeders of dochters deze rol toebedeeld krijgen.

Bij de invoering van de Handipass moet erop toegezien worden dat ze beschouwd wordt als een mobiliteitskaart uitgereikt op basis van een officiële erkenning, die gebruikt kan worden buiten het domein van de sociale zekerheid en de sociale uitkeringen en waarvan het model uitgewerkt wordt in overleg met de Europese Commissie.

Bij wijze van besluit

De NHRPH onderstreept de noodzaak van een Interministeriële Conferentie "Personen met een handicap" met een doeltreffend en efficiënt transversaal handicapbeleid, zeker tegen de achtergrond van de nieuwe bevoegdheidsoverdrachten.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan premier Di Rupo en de voltallige federale regering
  • Ter info: aan de ministers-presidenten van de Gemeenschappen en Gewesten
  • Ter info: aan het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • ter info: aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 5

Advies 2012/01 - Tewerkstelling

  • Jaartal advies: 2012

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), geformuleerd op de plenaire vergadering van 19/12/2011


Aanvrager

Op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Dit advies verscheen in de vorm aan van een positienota.

Positienota tewerkstelling


Bezorgd

  • voor opvolging: aan mevrouw De Coninck, Minister van Werk, de heer Steven Vanackere, Minister belast met Ambtenarenzaken, de heer Hendrik Bogaert, Staatssecretaris voor Ambtebarenzaken en de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Personen met een handicap
  • voor info: aan de Nationale Arbeidsraad
  • voor info aan het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • voor info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme

Advies 2011/20 - Mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wetsvoorstellen houdende de wettelijke erkenning van en de toegang tot sociale rechten voor mantelzorgers, met hoogdringendheid uitgebracht op 14 november 2011 volgens de elektronische procedure.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De NHRPH is zich bewust van de moeilijkheden die personen die op regelmatige wijze hulp bieden aan een persoon met een handicap uit hun omgeving ondervinden. De NHRPH heeft verschillende personen die met deze thematiek bezig zijn gevraagd om een stand van zaken op te maken van hun werkzaamheden in dit verband.


Analyse

Tijdens de plenaire vergadering van 19 september 2011 hebben de volgende personen de NHRPH toegesproken:

  • Mevrouw Valérie Flohimont, onderzoekster aan de Facultés universitaires Notre Dame de la Paix (FUNDP), en co-auteur van de studie "Wettelijke erkenning en toegang tot sociale rechten voor mantelzorgers".
  • Mevrouw Muriel Gerkens, federaal volksvertegenwoordiger en samen met mevrouw Meyrem Almaci auteur van het wetsvoorstel tot wettelijke erkenning van de mantelzorgers en tot behoud van hun sociale rechten, ingediend op 27 april 2011.
  • Mevrouw Pauline Loeckx, parlementair medewerkster van mevrouw Catherine Fonck, federaal volksvertegenwoordiger en auteur van het wetsvoorstel tot erkenning van de mantelzorgers, ingediend op 3 oktober 2011.

De NHRPH nam ook kennis van de tekst van het wetsvoorstel betreffende de sociale erkenning van mantelzorgers, ingediend door mevrouw Fernandez Fernandez op 10 februari 2011. Mevrouw Fernandez Fernandez kon om gezondheidsredenen niet aanwezig zijn.


Advies

De NHRPH stelt vast dat de studie FUNDP-VUB een interessante maar niet-exhaustieve werkbasis vormt.

De NHRPH stelt ook vast dat de 3 wetsontwerpen zijn gebaseerd op de elementen die zijn aangebracht in de studie FUNDP-VUB. Ze gebruiken bepaalde aspecten op vergelijkbare wijze, maar werken een aantal elementen toch op een specifieke manier uit. Zoals ze nu zijn, kunnen ze niet als voldoende worden beschouwd, maar ze vormen wel een eerste herwerkbare basis. Er blijven immers nog een aantal vragen onbeantwoord. De NHRPH beklemtoont de noodzaak om de voorgestelde denkpistes verder uit te diepen.

Over het geheel genomen vindt de NHRPH dat men de verschillende benaderingen met elkaar moet verzoenen om zo te komen tot een volledig en coherent model dat tegemoetkomt aan de verwachtingen en behoeften van de verschillende actoren: de geholpen persoon, de mantelzorger en de maatschappij als geheel.

De NHRPH beveelt aan dat alle denkoefeningen rond het thema van de mantelzorgers gebeuren volgens de volgende 6 principes:

  • De NHRPH vindt dat de maatregelen die zullen worden getroffen op basis van de lopende initiatieven moeten bijdragen tot de verdere "gendermainstreaming" in onze maatschappij. We moeten immers vaststellen dat, ondanks de vorderingen die in onze maatschappij zijn gemaakt op het vlak van gelijkheid van man en vrouw, het meestal vrouwen zijn die beslissen om mantelzorger te worden. In veel van die gevallen valt te vrezen dat er in de realiteit geen andere keuzemogelijkheid is. Het is duidelijk dat dit ontbreken van een keuzemogelijkheid zowel objectieve als subjectieve oorzaken kan hebben.
  • De politiek mag in geen geval van haar verantwoordelijkheden op het vlak van de ontwikkeling van systemen die tegemoetkomen aan de behoeften van personen met een handicap worden ontslagen.
  • Rekening houdend met het transversale aspect van het dossier, dat ook een invloed heeft of andere dossiers, waarbij naast het federale ook andere bevoegdheidsniveaus zijn betrokken, vindt de NHRPH dat ook de deelgebieden strategisch moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van "ad hoc" diensten. Het zou immers onaanvaardbaar zijn dat het systeem van de mantelzorg wordt beschouwd als een gemakkelijke oplossing ter compensatie van het niet-bestaan van "ad hoc" diensten of van de onderfinanciering van de bestaande diensten. Er moet ook informatie worden verspreid over alle bestaande voorzieningen die de mantelzorgers nu reeds in zekere mate kunnen ontlasten. De verzekeringsinstellingen hebben daarin zeker een rol te spelen.
  • Specifiek werken rond "themaverlof". Het themaverlof heeft zowel in de universitaire studie als in de drie wetsvoorstellen een centrale plaats gekregen. Bovendien zijn er veel gelijkenissen met de andere bestaande vormen van themaverlof. Aangezien het om elementen gaat die uitsluitend onder federale bevoegdheid vallen, kunnen op dit vlak snel concrete vorderingen worden gemaakt.
  • Het begrip mantelzorger juridisch vastleggen zonder de relatie mantelzorger-geholpene te contractualiseren.
  • Een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid voor de mantelzorger grondig bestuderen: dit is een van de essentiële problemen die moeten worden opgelost om de rechtszekerheid voor zowel de mantelzorger als de geholpen persoon te waarborgen.
  • Erover waken dat het creëren van een statuut van mantelzorger er niet toe leidt dat bepaalde voorzieningen of voordelen alleen nog voorbehouden zijn voor personen begeleid door een (of meerdere) mantelzorger(s). De persoon moet kunnen genieten van dezelfde voorzieningen of voordelen, ongeacht het statuut van de mensen die hem of haarbijstaan.

De NHRPH beklemtoont dat het transversale aspect van dit dossier een weerslag heeft op alle bevoegdheidniveaus van het federale België. Daarom vindt de NHRPH het logisch dat dit dossier ook wordt besproken op het niveau van de Interministeriële Conferentie (IMC).

Tot slot wenst de NHRPH dat de wetgever zich rekenzschap geeft van de complexiteit van dit dossier. Daarom vestigt de NHRPH de aandacht van de wetgever in het bijzonder op de volgende elementen (niet-exhaustieve opsomming):

  • De aard van de relatie tussen de mantelzorger en de geholpene is van primordiaal belang. De relatie mag niet artificieel worden gewijzigd en moet louter niet-professioneel blijven.
  • De relatie mag derhalve ook niet kaderen in het vrijwilligerswerk. De definitie van "mantelzorger" mag niet verwijzen naar die van "vrijwilligerswerk".
  • Het begrip 'tijd' moet soepel worden gehanteerd. De overwogen oplossingen moeten de betrokken personen toelaten om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de zorgbehoeften en aan de behoeften van de familie. "Soepel" wil zeggen: met de nodige aandacht voor de rechten van de mantelzorger en de bescherming ervan.
  • De persoon moet zich kunnen laten bijstaan door verschillende mantelzorgers. De NHRPH merkt op dat de wetsvoorstellen dit aspect verschillend benaderen.
  • De rol van potentiële mantelzorger mag niet beperkt zworden tot de familie van de geholpen persoon. Het systeem moet voldoende soepel zijn om tegemoet te kunnen komen aan alle mogelijke situaties. Het systeem moet echter streng zijn op het vlak van de verplichtingen die voortvloeien uit het verkrijgen van het statuut van mantelzorger.
  • De persoon moet de mogelijkheid krijgen om thuis te worden geholpen.
  • Omdat de mantelzorger, met het oog op de continuïteit van de relatie, een statuut wenst te verkrijgen, is het verzekeringsaspect van essentieel belang. De NHRPH wil echter niet dat dit aspect de gezinsband ontwricht: ouders mogen niet worden verplicht om voor het statuut te kiezen om voor hun kind te kunnen zorgen. Op dit vlak moet elk verplichtend karakter worden uitgesloten.
  • Wat de organisatie van het erkenningssysteem betreft, staat de NHRPH achter de aansluiting bij een specifieke structuur die in het bijzonder belast is met het beheer van de verzekerings-, vergoedings- en pensioenaspecten. Als de mantelzorger het statuut wenst te verkrijgen dat hoort bij de hulp die hij verleent, is het logisch dat hij zich aansluit bij een dergelijke structuur.
  • De voorzieningen die worden getroffen, moeten een belangrijk luik "informatie" en "bewustmaking" bevatten. Dat luik is belangrijk op twee vlakken:
  • -veel personen die machteloos staan tegenover vaak erg moeilijke situaties weten niet dat er reeds een aantal diensten bestaan waarop ze een beroep kunnen doen, ook al hebben ze het statuut van mantelzorger niet.
  • -over volledige informatie beschikken is van essentieel belang om alle mogelijkheden op een rijtje te kunnen zetten en om de betrokken personen de keuze te bieden om al dan niet mantelzorger te worden.
  • Tot slot vindt de NHRPH het zeer belangrijk te herhalen dat de keuze voor een (of meerdere) mantelzorger(s) een zeer belangrijke stap is die een bijzondere band schept tussen twee personen. Dat betekent dat er wederzijdse instemming moet zijn.

Bezorgd

  • Voor opvolging
  • -aan mevrouw Meyrem Almaci, federaal volksvertegenwoordiger
  • -aan mevrouw Julie Fernandez Fernandez, federaal volksvertegenwoordiger
  • -aan mevrouw Catherine Fonck, federaal volksvertegenwoordiger
  • -aan mevrouw Muriel Gerkens, federaal volksvertegenwoordiger
  • -aan de heer André Flahaut, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Ter informatie
  • -aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister
  • -aan de heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Personen met een handicap
  • -aan de heer Elio Di Rupo, formateur
  • -aan de Waalse commissie voor personen met een handicap
  • -aan de Brusselse adviesraad bij de FGC
  • -aan het Belgian Disability Forum
  • -aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • -aan mevrouw Valérie Flohimont (FUNDP)
  • Raadplegingen: 5

Advies 2011/19 - Internering

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, uitgebracht tijdens de zitting van 17/10/2011


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, oorspronkelijk voorzien op 1 januari 2009 en uitgesteld tot ten laatste 1 januari 2012 bij artikel 7 van de wet van 24 juli 2008.

De inwerkingtreding van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, voorzien op 1 juli 2009 en uitgesteld tot ten laatste 1 februari 2012 bij artikel 8 van de wet van 24 juli 2008.


Analyse

De nieuwe wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, die de oude wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij, gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964, heeft vervangen, werd inderhaast goedgekeurd, zonder voorafgaand overleg met de betrokken actoren op het terrein.

Deze nieuwe wet is in feite een doorslag van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken, en roept veel kritiek en vraagtekens op.

Artikel 2 van de wet bepaalt het volgende: "De internering van personen met een geestesstoornis is een veiligheidsmaatregel die tegelijkertijd ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorgen worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn reïntegratie in de maatschappij." Het gaat dus in geen geval om een veroordeling of een straf opgelegd aan een persoon die ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor feiten die als strafbaar worden aangemerkt en die een onderzoeks- of vonnisgerecht bewezen verklaart in hoofde van deze persoon.

De NHRPH wijst op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat door België werd geratificeerd op 2 juli 2009, en in het bijzonder op de volgende artikelen:

Preambule:

d) In herinnering roepend het (...) Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, (...), het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, ... j) De noodzaak erkennend de mensenrechten van alle personen met een handicap, met inbegrip van hen die intensievere ondersteuning behoeven, te bevorderen en beschermen,

Artikel 14: Vrijheid en veiligheid van de persoon

1. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen: a) het recht op vrijheid en veiligheid van hun persoon genieten; b) niet onrechtmatig of willekeurig van hun vrijheid worden beroofd, en dat iedere vorm van vrijheidsontneming geschiedt in overeenstemming met de wet, en dat het bestaan van een handicap in geen geval vrijheidsontneming rechtvaardigt. 2. De Staten die Partij zijn waarborgen dat indien personen met een handicap op grond van enig proces van hun vrijheid worden beroofd, zij op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op de waarborgen in overeenstemming met internationale mensenrechtenverdragen en in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen van dit Verdrag worden behandeld, met inbegrip van de verschaffing van redelijke aanpassingen.

Artikel 15: Vrijwaring van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

1. Niemand zal worden onderworpen aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het bijzonder zal niemand zonder zijn of haar in vrijheid gegeven toestemming worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten. 2. De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende wetgevende, bestuurlijke, juridische of andere maatregelen om, op gelijke wijze als voor anderen, te voorkomen dat personen met een handicap worden onderworpen aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De NHRPH wijst er eveneens op dat na de analyse van het 5e verslag van de Belgische Staat, het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties heeft aanbevolen om een einde te stellen aan de opsluiting van geesteszieken in gevangenissen en psychiatrische afdelingen van gevangenissen, om het aantal interneringsplaatsen in de inrichtingen voor sociale bescherming te verhogen en om de levensomstandigheden van de zieken te verbeteren.

Tot slot wijst de NHRPH erop dat het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) in zijn laatste verslag (2010) van oordeel is dat er onvoldoende verzorgend en penitentiair personeel is om te beantwoorden aan de vastgestelde behoeften.


Advies

1. De inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank

De NHRPH betreurt de data van inwerkingtreding van de beide wetten, respectievelijk vastgelegd op 1 januari en 1 februari 2012, en vraagt om deze uit te stellen, met in tussentijd een actieve administratieve voorbereiding waarbij de personen met een handicap zelf en de verenigingen die hen vertegenwoordigen worden betrokken.

2. De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis

De NHRPH vraagt dat er rekening zou worden gehouden met de eisen van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en van een aantal verenigingen van personen met een handicap op de volgende vlakken:

  • De bevoegdheden van de commissies tot bescherming van de maatschappij en van de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij niet overhevelen naar de strafuitvoeringsrechtbank maar naar een ander rechtscollege, omdat de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel is en geen straf.
  • Voorzien in een beroepsrecht voor alle partijen, van zowel de geïnterneerde als van het parket.
  • In het rechtscollege een psychiater laten zetelen, benoemd door de FOD Volksgezondheid of het Ministerie van Volksgezondheid van het bevoegde deelgebied, als assessor.
  • De advocaat van de geïnterneerde toelaten om hem te vertegenwoordigen voor zowel het onderzoeksgerecht als het vonnisgerecht en andere rechtscolleges, en tegelijk aan de magistraten de mogelijkheid geven om de geïnterneerde vooraf te ontmoeten in de ziekenhuisinrichting waar hij verblijft, naar het voorbeeld van de vrederechters voor de bescherming van de geesteszieken.
  • Het beheer van de gesloten verzorgingsinrichtingen voor geïnterneerden, namelijk de Inrichting voor Sociale Bescherming (ISB) van Paifve, die van Doornik (C.R.P. "Les Marroniers") en die van Bergen (C.H.P. « Le Chêne aux Haies ») enkel onder de bevoegdheid laten vallen van de FOD Volksgezondheid en van het Ministerie van Volksgezondheid van het Waalse Gewest en niet langer geheel of gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de FOD Justitie laten vallen.
  • De psychiatrische expertises toevertrouwen aan een multidisciplinair team van onafhankelijke, competente en normaal bezoldigde experts, gekozen uit een lijst van erkende experts, opgemaakt door de FOD Volksgezondheid en het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • De psychiatrische expertises voorafgaand aan de interneringsvonnissen en aan de hoorzittingen van de bevoegde rechtscolleges tegensprekelijk maken en de advocaat van de geïnterneerde toelaten om de geïnterneerde bij te staan tijdens deze expertises.
  • De geïnterneerde of zijn raadsman de mogelijkheid geven om een tegenexpertise te laten uitvoeren door een erkende expert of een college van erkende experts gekozen uit een lijst opgemaakt door de FOD Volksgezondheid en het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • De kosten van zowel de expertise als van de tegenexpertise ten laste laten komen van de Staat.
  • Voorzien in de verplichte onmiddellijke overbrenging van een beschuldigde die in voorlopige hechtenis zit in een gevangenis naar een gepaste verzorgingsinrichting zodra een psychiatrisch expert een verslag neerlegt dat besluit tot een interneringsmaatregel, zonder het interneringsvonnis af te wachten dat door een onderzoeks- of vonnisgerecht soms pas maanden of jaren na de neerlegging van het psychiatrisch expertiseverslag wordt uitgesproken.
  • Niet langer de termen "onmiddellijke opsluiting" (artikel 10), "beperkte detentie", "elektronisch toezicht" en "invrijheidstelling op proef" (artikel 24) gebruiken. Deze termen moeten worden voorbehouden voor veroordeelden die een straf hebben gekregen en een voorwaardelijke invrijheidsstelling vragen. In plaats daarvan de termen "onmiddellijke plaatsing in een gesloten verzorgingsinstelling", "plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis", "ambulante behandeling onder toezicht" en "terugkeer naar huis" gebruiken.
  • De voogdij over geïnterneerden die een gesloten verzorgingsinrichting mogen verlaten, toevertrouwen aan de FOD Volksgezondheid of aan het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • Voorzien dat herroepingen van beslissingen van de rechtbank of van de kamer van beroep van de geïnterneerden waardoor de geïnterneerde een gesloten verzorgingsinstelling mag verlaten, moeten gebeuren binnen de vierentwintig uren nadat het bevoegde rechtscollege de persoon zijn vrijheid heeft ontnomen.

3. Verbetering van de levensomstandigheden van geïnterneerden

De NHRPH vraagt dat er rekening zou worden gehouden met de eisen van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en van een aantal verenigingen van personen met een handicap op de volgende vlakken:

  • de preventie van strafbare feiten en misdaden, zowel in de sector van de geestelijke gezondheid als van de geestelijke handicap
  • de kwaliteit van de psychiatrische expertise
  • de omkadering in inrichtingen voor bescherming van de maatschappij
  • de homogeniteit van behandeling in de commissies tot bescherming van de maatschappij
  • de globale en gedifferentieerde benadering van de geïnterneerde persoon
  • de onttrekking aan het gevangenismilieu en het voorzien in aangepaste verzorging, met inachtneming van de burgerlijke en politieke rechten
  • de uitbouw van zorgnetwerken en -circuits
  • het openbreken van het beleid, met het oog op transversaliteit.

 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Stefaan De Clerck, Minister van Justitie, aan de heer André Flahaut, Kamervoorzitter, aan mevrouw Sarah Smeyers, Voorzitter van de Kamercommissie Justitie en aan de heer Yvan Mayeur, Voorzitter van de Kamercommissie Sociale Zaken
  • Ter info aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de heer Elio Di Rupo, Formateur, en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/18 - Liedekerke

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de heraanleg van de stationsomgeving van Liedekerke uitgebracht tijdens de zitting van 21/11/2011, bevestigd via de elektronische procedure (03/12/2011)


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS Holding tijdens de NMBS-werkgroepvergadering van 17/06/2011


Onderwerp

In het kader van het masterplan wordt de stationsomgeving van Liedekerke grondig vernieuwd, met aanleg van een nieuwe verbindingsweg, fietspaden, een nieuwe tunnel onder de sporen, een nieuw rondpunt en een nieuw stationsgebouw (kant Liedekerke).


Analyse

Het project bestaat uit 3 deelprojecten:

  • stationsomgeving met aanleg van een nieuwe verbindingsweg, kiss & ride zone, nieuwe bushaltes, een nieuwe brug voor voetgangers en fietsers, aanleg van een nieuw rondpunt
  • tunnel, perrons en perronluifels.
  • -Een nieuwe tunnel onder de sporen wordt aangelegd voor de nieuwe verbindingsweg, fietspaden en een verbreed voetpad dat ook toegang geeft tot nieuwe trappen en liften naar de perrons.
  • -De bestaande reizigerstunnel blijft behouden.
  • stationsgebouw en fietsenstalling
  • -Het huidige stationsgebouw wordt afgebroken. Een nieuw zal gebouwd worden aan de kant Liedekerke Centrum.
  • -De bestaande tunnel zal ingericht worden als fietsenstalling.

Voorzieningen rolstoelgebruikers

In de nieuwe tunnel worden 3 nieuwe liften gebouwd. Deze zijn rechtstreeks van de straat bereikbaar, wat toelaat aan rolstoelgebruikers om de perrons vlot te bereiken.

In de nieuwe tunnel zelf is er een borstwering tussen het fietspad en de rijweg om te verhinderen dat auto's hier zouden stoppen om treinreizigers af te zetten. De kiss & ride zone wordt voorzien na de bushalte, dus niet onder de nieuwe brug.

Voorzieningen blinden en slechtzienden

Omdat er in de nabije omgeving geen andere publieke gebouwen en andere bestaande geleideroutes voorhanden zijn, werd er voor gekozen de voorzieningen voor blinden en slechtzienden in dit project te beperken tot de stationsfuncties:

  • Stationsgebouw
  • Onderdoorgang met toegang tot de perrons
  • Perrons

Daarbij wordt ontworpen conform de regels beschreven in de Revalor. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt met natuurlijke geleidelijnen (gevel stationsgebouw, wanden van de onderdoorgang, wanden van het plein, ...). De voorgevel van het stationsgebouw is bewust geen natuurlijke geleidelijn om de concessiehouder toe te laten een terras te plaatsen. De blinden en slechtzienden worden vanaf de hoofdingang van het stationsgebouw omgeleid naar de wanden van het plein door aanleg van een dwarse geleidelijn over het stationsplein. Tegen deze geleidelijn zijn er echter esthetische bezwaren.

Ter hoogte van het station en de nieuwe brug komt een nieuwe oversteekplaats voor voetgangers. Deze kruist het fietspad en de weg. Een oplossing voor de aan te leggen geleidelijn dient hier nog gezocht.

Voor beide zaken zal advies ingewonnen worden bij een toegankelijkheidsbureau.


Advies

Voor de oversteekplaats en de geleidelijnen moet een veilige oplossing gevonden worden. Daarvoor verwijst de NHRPH naar een technisch toegankelijkheidsbureau, wat NMBS Holding al van plan is.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Er wordt een positief advies uitgebracht onder de volgende voorwaarden:

  • Er is rekening gehouden met de opmerkingen van het advies.
  • Voor de concrete technische details is het advies van een technisch toegankelijkheidsbureau nodig.

De NHRPH wenst op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van het dossier.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS Mobility, Infrabel en NMBS Holding
  • Ter info aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de Minister van Overheidsbedrijven en aan de Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/17 - Halle

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het station van Halle (aanleg nieuwe perronbevloering en de nieuwe perronluifels), uitgebracht tijdens de zitting van 21/11/2011, bevestigd via de elektronische procedure (03/12/2011)


Aanvrager

Advies op vraag van NMBS Holding tijdens de NMBS-werkgroepvergadering van 17/06/2011


Onderwerp

Studie aangaande de perronbevloering en de perronluifels voor het station van Halle


Analyse

De uitrusting voor personen met beperkte mobiliteit wordt uitgevoerd volgens Revalor.

Ter hoogte van perron 5 stelt zich tijdelijk een probleem met een nauwe doorgang ter hoogte van de trap. Dit werd al voorlopig opgevangen door het plaatsen van de nodige noppen en een waarschuwingsbordje.


Advies

De NHRPH gaat verder akkoord met de voorgestelde werkwijze.

Ter hoogte van de roltrap aan perron 5 moet de roltrap afgesloten worden met een borstwering in plaats van de voorziene noppen.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Er wordt een positief advies uitgebracht onder de volgende voorwaarden:

  • Er wordt rekening gehouden met de opmerkingen van het advies.
  • Voor de concrete technische details is het advies van een technisch toegankelijkheidsbureau nodig.

De NHRPH wenst op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van het dossier.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan Infrabel en NMBS-Holding
  • Ter info aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de Minister van Overheidsbedrijven en aan de Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/16 - Schuman

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 21/11/2011, bevestigd via de elektronische procedure (03/12/2011).


Aanvrager

Advies op vraag van Infrabel tijdens de NMBS-werkgroepvergadering van 17/06/2011


Onderwerp

In het station Brussel-Schuman wordt gewerkt aan de aanleg van een verbinding tussen de lijnen Halle-Vilvoorde en Namen-Brussel waardoor nieuwe relaties voorzien zullen worden, namelijk van de Europese wijk naar de luchthaven.


Analyse

De werkzaamheden gebeuren in overleg met de MIVB, want Brussel-Schuman is een intermodaal station (trein, metro).

NMBS gebruikt integrale noppentegels en MIVB losse metalen noppen. Op zich is dat verschil tussen de twee niet echt een probleem: zo weet de persoon met een visuele handicap dat hij de ene verlaat en de andere betreedt.

Op straatniveau zullen integrale tegels gebruikt worden, volgens de voorschriften van Revalor.

Er komt ook info in braille, zoals bij MIVB.


Advies

De werkgroep gaat principieel akkoord met de plannen.

Aangezien de NHRPH een adviesorgaan is, zijn de opmerkingen van algemene aard. Er wordt een positief advies uitgebracht onder de volgende voorwaarden:

  • Er is rekening gehouden met de opmerkingen van het advies.
  • Voor de concrete technische details is het advies van een technisch toegankelijkheidsbureau nodig.

De NHRPH wenst op de hoogte gehouden te worden van de evolutie van het dossier.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan NMBS Mobility, Infrabel en NMBS-Holding
  • Ter info aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de Minister van Overheidsbedrijven en aan de Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/15 - Wegcode

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het hervormingsplan van de Wegcode, uitgebracht tijdens de zitting van 19/09/2011


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Mobiliteit wil de Wegcode hervormen. Een aantal bepalingen hebben een directe en/of indirecte impact op de personen met een handicap en de zieken, evenals hun gezinnen.


Analyse

Op 9 augustus heeft de NHRPH de Staatssecretaris voor Mobiliteit per brief gevraagd alsnog betrokken te worden bij het overleg. In de brief uitte de NHRPH overigens zijn verbazing dat hij hiervoor niet uitgenodigd werd. In gesprekken en brieven in mei en juni was er namelijk nog sprake van een open en constructieve samenwerking. Voorts vroeg de NHRPH in de brief naar de teksten zodat hij een advies zou kunnen verstrekken op zijn plenaire vergadering van 19 september 2011.

Deze brief is evenwel onbeantwoord gebleven.


Advies

Na de brieven van mei en juni is de NHRPH met genoegen ingegaan op de wens van de Minister om samen te werken met de personen die rechtstreeks getroffen worden door de hervormingen en de initiatieven waarvoor hij bevoegd is.

Maar deze wens moet dan wel een concrete invulling krijgen.

Zonder inspraak en teksten kan de NHRPH tot zijn spijt geen advies formuleren over de inhoud van de hervorming van de Wegcode.

De NHRPH benadrukt bijgevolg de fundamentele inspraak waarin het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap voorziet, dat sinds 1 augustus 2009 van kracht is in België. In dit Verdrag wordt benadrukt dat de personen met een handicap en de verenigingen die hen vertegenwoordigen, betrokken moeten worden bij de uitwerking van de beslissingen die hen treffen, op alle overheidsniveaus en bij het denkwerk en de besluitvorming.

Deze verplichting geldt ook voor het hervormingsplan van de Wegcode: heel wat bepalingen hebben een directe impact op de verplaatsingsmogelijkheden en -voorwaarden van de personen met een handicap en de zieken.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • Ter info aan de Eerste Minister, de Staatssecretaris voor Personen met een handicap, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/14 - Armoedebestrijding

  • Jaartal advies: 2011

Advies over het "tweejaarlijkse verslag 2008-2009 over armoedebestrijding" van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, bij hoogdringendheid uitgebracht door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) na een schriftelijke consultatie onder zijn leden in de periode van 2 tot 5 september 2011


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris belast met Personen met een handicap, zoals gevraagd in zijn brief van 02/08/2011


Onderwerp

De Staatsecretaris voor Personen met een handicap heeft het advies van de NHRPH gevraagd met betrekking tot het "tweejaarlijkse verslag 2008-2009 over armoedebestrijding".


Analyse

Het advies, dat dringend werd gevraagd, kan niet als exhaustief worden beschouwd en bevat dus slechts algemene bedenkingen.

De NHRPH herinnert bovendien eraan lid te zijn van de werkgroep "Acties" voor de uitwerking van de Nationale hervormingsplannen inzake Armoedebestrijding en sociale uitsluiting. De NHRPH wenst dat bij de discussies en standpunten van de werkgroep steeds rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap.


Advies

De NHRPH betreurt dat in het tweejaarlijkse verslag geen algemeen beleid en geen specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bestrijding van de armoede, waarvan, in heel België, in het bijzonder de personen met een handicap en de zieken het slachtoffer zijn.

In eerdere adviezen van de NHRPH (zie in het bijzonder 2009-18, 2009-23, 2010-22) werd beklemtoond dat ziekten en handicaps zeer vaak factoren zijn die armoede verergeren. De studies van de verenigingen van personen met een handicap en zieken wijzen er steeds op dat talrijke personen, bovenop de zorgen die personen die in armoede leven in het algemeen hebben, ook nog eens geconfronteerd worden met problemen die het gevolg zijn van een gezondheidstoestand die hen ongewild overkomt. Naast de dingen die ze zich zo al moeten ontzeggen, zien deze personen zich door een gebrek aan middelen verplicht om medische behandelingen of de aankoop van geneesmiddelen uit te stellen of er helemaal van af te zien.

De NHRPH herinnert aan zijn memoranda van 2010 en 2011, waarin al meerdere thema's betreffende de specifieke behoeften van personen met een handicap en zieken aan bod kwamen die ook in het tweejaarlijkse verslag staan.

De NHRPH beklemtoont in het bijzonder de volgende punten:

- Toegang tot een waardig inkomen (punt 3 van het memorandum)

De NHRPH onderstreept dat personen met een handicap en zieken vaak geen waardig leven kunnen leiden met de tegemoetkomingen en uitkeringen die ze ontvangen.

Bovendien mag men niet uit het oog verliezen dat zowel ziektes als handicaps bijkomende kosten veroorzaken in het dagelijkse leven, aangezien het basisaanbod niet tegemoetkomt aan de behoeften van deze groep van personen (onaangepaste vervoersmiddelen, moeilijkheden om toegang te krijgen tot eigendom, verzekeringen, kwaliteitsvolle huisvesting, technische en menselijke hulp in een hele reeks domeinen, ...).

De integratietegemoetkoming is immers hoofdzakelijk bedoeld voor de problemen inzake zelfredzaamheid en houdt geen rekening met de behoeften van de personen die afhankelijk zijn op het vlak van verzorging. De inkomensvervangende tegemoetkoming is al lager dan de armoedegrens en laat dan ook absoluut niet toe om de aangehaalde bijkomende kosten te betalen. Het OMNIO-statuut en de Maximumfactuur (MAF) vereisen een financiële participatie van de persoon van minstens 400 €; het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming laat personen met een handicap en chronisch zieken niet toe om van deze stelsels te genieten.

De NHRPH beklemtoont dan ook de noodzaak om in alle beleidsmaatregelen inzake armoedebestrijding en sociale inclusie rekening te houden met de specifieke behoeften van personen met een handicap.

- Toegang tot tewerkstelling (punt 4 van het memorandum)

De NHRPH beklemtoont dat te veel personen met een handicap en zieken nog tegen hun wil louter bezigheidswerk verrichten. Iedereen heeft echter recht op kwaliteitsvol werk en op een goede opleiding die kansen daarop biedt. Bovendien is een gepaste materiële en menselijke begeleiding op en rond het werk (sensibilisering van de collega's voor de problemen en uitdagingen waarmee de persoon met een handicap dagelijks wordt geconfronteerd, aanpassing van de omgeving in de ruime zin - het bedrijf maar ook de omgeving, bv. aangepast vervoer - ,...) een sleutel tot het succes van tewerkstelling of beroepsherintegratie na ongeval of ziekte.

De NHRPH beklemtoont ook de beperkingen van het activeringsbeleid: vele personen met een handicap en zieken zullen nooit toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, voltijds noch deeltijds. Deze realiteit en de financiële gevolgen die ze op korte termijn (mogelijke verkorte arbeidsduur, meer aanpassingen op het werk) en op lange termijn (pensioen) met zich meebrengen, moeten absoluut in aanmerking worden genomen bij de uitwerking van de beleidsmaatregelen.

- Algemene toegang tot goederen en diensten

De NHRPH stelt algemeen vast dat noch de beleidsmakers, noch de economische actoren bij de uitwerking van hun beleidsmaatregelen en acties rekening houden met de specifieke behoeften van personen met een handicap en zieken.

Een beleid inzake algemene toegankelijkheid en redelijke aanpassingen voor de goederen en diensten biedt uitzicht op de insluiting van de volledige bevolking, ongeacht de handicap of de aard van de ziekte die men heeft. Het is een beleid dat transversaal moet worden gevoerd.

- Toegang tot gezondheidszorg (punt 5 van het memorandum)

De NHRPH herhaalt nogmaals dat talrijke studies hebben uitgewezen dat personen met een handicap en/of zieken vaak genoodzaakt zijn om af te zien van medische of paramedische behandelingen of hulpmiddelen.

De situatie aangehaald in deel 2 van het verslag (daklozen) betrekking tot het ontslag uit instellingen ("het aantal mensen met een instellingsverleden uit de psychiatrie toeneemt onder de daklozen. De afbouw van het aantal psychiatrische bedden wordt niet gecompenseerd door een voldoende aantal alternatieve opvangplaatsen. Bovendien loopt de opvolging na ontslag uit een ziekenhuis vaak mank.") is inderdaad zeer verontrustend en de NHRPH beklemtoont dat er dringend maatregelen moeten worden genomen om hieraan tegemoet te komen.

- Toegang tot onderwijs

De NHRPH betreurt dat het onderwijs niet voldoende inclusief is. Kinderen met een handicap komen vaak wegens hun (lichamelijke) handicap terecht in richtingen die geen kansen bieden op tewerkstelling.

De richtingen van het algemeen onderwijs moeten zorgen voor de nodige aanpassingen zodat kinderen en jongvolwassenen met een handicap moeten een passend studieprogramma kunnen volgen.

- Toegang tot huisvesting

De NHRPH betreurt dat er geen globaal plan is voor het toegankelijk maken van privéwoningen en vooral van publieke woningen, waaronder sociale woningen, wat personen met een handicap en zieken belet om echt te kunnen kiezen waar en hoe ze leven.


De bevoegde Ministers kunnen steeds een beroep doen op de inbreng van de NHRPH voor de beleids- en besluitvorming, met het oog op een betere maatschappelijke inclusie van personen met een handicap en zieken en het terugdringen van de armoede onder deze personen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap
  • Ter info aan de Eerste Minister, de Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, de Voorzitter van de POD Maatschappelijke Integratie, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en de adviesraden van personen met een handicap van de deelgebieden.

Advies 2011/12 - VN-verdrag

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 20/06/2011


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap in zijn brief van 17/06/2011


Onderwerp

Bij toepassing van artikel 33.1 en 4.1 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap wil de Staatssecretaris voor Personen met een handicap het beleid voor inspraak van personen met een handicap bij het denkwerk en de politieke besluitvorming ondersteunen. Hij zal de Ministerraad van 1 juli 2011 een werknota ter beraadslaging voorleggen, met daarin een structurering van dit overleg tussen de overheidsdiensten en kabinetten, enerzijds, en de NHRPH, anderzijds.


Advies

De NHRPH reageert zeer tevreden op deze wil tot transversale bewustmaking die de Staatssecretaris concretiseert in een echte gestructureerde werkmethode voor de toekomst.

De NHRPH benadrukt zijn volledige steun aan de voorgestelde beslissing in 4 punten:

  • bijdrage van de kabinetten
  • bijdrage van de overheidsdiensten
  • spontaan overleg en ook bij het openen van het dossier met de NHRPH; het overleg houdt een echte samenwerking en integratie van de NHRPH in halfjaarlijkse rapportering in de Ministerraad

De NHRPH wenst ook een halfjaarlijkse rapportering te ontvangen.

De NHRPH wijst op de noodzaak om zo snel mogelijk betrokken te worden bij het voorbereiden van de actieplannen waardoor het mogelijk wordt de rechten en behoeften van personen met een handicap te integreren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, en aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een handicap
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • Ter info aan de gewestelijke adviesorganen, voor de domeinen die hen betreffen
  • Raadplegingen: 6

Advies 2011/11 - Tewerkstelling

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden met het oog op het bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid, uitgebracht tijdens de zitting van 20/06/2011


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris in zijn brief van 09/06/2011


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Personen met een handicap legt de aanvraag van de Minister van Werk voor, die het advies van de NHRPH zou willen over een ontwerp van KB tot wijziging van het KB van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden met het oog op het bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid.


Analyse

De NHRPH heeft de dringende aanvraag tot advies ontvangen terwijl het initiatief tot wijziging van 2009 dateert en het advies van de nationale Arbeidsraad (NAR) op 7 oktober 2009 werd uitgebracht.

De NHRPH heeft het actieterrein van de wijziging en de invloed op de huidige situatie van personen met een handicap die geen activiteit hebben aandachtig onderzocht.

De NHRPH heeft de inwerkingtreding van het KB op de eerste dag van de maand die zal volgen op de bekendmaking genoteerd.


Advies

a. De NHRPH betreurt zowel dat te laat een beroep werd gedaan op de NHRPH voor het verstrekken van een advies als het feit dat dit advies dringend moest worden uitgebracht, met als gevolg dat de tekst niet behoorlijk kon worden onderzocht, noch in de werkgroep Tewerkstelling, noch tijdens een plenaire vergadering van de NHRPH. De NHRPH benadrukt dat een procedure voor gestructureerde raadpleging in de toekomst in overleg met de NHRPH tot stand moet komen, zodat het inspraakbevorderend voorschrift van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap wordt toegepast.

b. De NHRPH betreurt ook dat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn advies van 15 maart 2010, waarin de voorkeur werd gegeven aan maatregelen die halftijdse betrekkingen in de hand werken, waarbij veel meer personen met een handicap aan het werk kunnen worden gezet en met het besef dat deze tewerkstellingsformule beter is aangepast aan de mogelijkheden van een meerderheid onder hen en voordeliger voor het cumuleren met de tegemoetkomingen, waarbij de integratietegemoetkoming volledig of gedeeltelijk kan worden behouden, evenals sommige afgeleide rechten.

De NHRPH benadrukte zo ook dat deze betrekkingen zouden moeten bestemd zijn voor personen met een zware handicap

c. De NHRPH zou een duidelijke visie willen over de bedoeling van de Koning wat betreft de personen die Hij zou willen ondersteunen bij hun integratie op de arbeidsmarkt: gaat het om personen met een zware handicap die traditioneel niet aan bod komen op de arbeidsmarkt, om sociaal uitgesloten personen, om andere personen? Duidelijkere criteria voor het materieel toepassingsgebied van het KB zijn noodzakelijk: de NHRPH vreest dat de aan artikel 2, 2° toegevoegde hypothesen geen juiste beoordeling door de RVA mogelijk zullen maken. Het is belangrijk duidelijke criteria te voorzien waardoor de doelgroep zonder interpretatieruimte afgebakend kan worden, wat volgens de NHRPH niet het geval is met de bij artikel 2, 2° bedoelde hypothesen. Ook komen deze hypothesen geenszins overeen met de aanbevelingen van het advies van 15 maart 2010.

d. Gelet op de definities in het ontwerp van besluit is het ook belangrijk dat niet enkel de erkende werkzoekenden opnieuw aan het werk worden gezet, maar ook diegenen op wie artikel 100 van de wet van 14.07.1994 betreffende de geneeskundige verzorging van toepassing is en die wegens hun aanzienlijke handicap juist uitgesloten worden uit de werkloosheidsreglementering.

Daarnaast moet volgens de NHRPH de erkenning van de handicap door de gewestelijke fondsen ook worden opgenomen in de criteria met het oog op de toepassing van het KB.

e. Artikelen 3 en 4 verduidelijken het volgende: "De werknemer is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende kalendermaanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 euro per kalendermaand voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet".

  • Is dit bedrag een steun voor de werkgever die het verschuldigd loon en de sociale lasten derhalve zal verminderen?
  • Kan dit bedrag worden toegevoegd aan andere tegemoetkomingen van de fondsen (AWIPH...)? De NHRPH heeft ernstige bedenkingen bij de filosofie van dergelijk systeem waarin de werkgever - overheid of privépersoon - die een persoon met een handicap in dienst neemt en hierdoor financiële steun krijgt uiteindelijk winst zou maken, die zelf door de ganse samenleving gefinancierd wordt, voor de welvaart van zijn privéonderneming!
  • Of is dit een aanvulling voor de werknemer die dus wordt toegevoegd aan het wettelijk loon? Is dit een bruto- of nettobedrag? Zal hiermee rekening worden gehouden voor het vastleggen van de integratietegemoetkoming?

f. Welk statuut zal de werknemer na 2 jaar hebben vanuit het oogpunt van het RIZIV en van de werkloosheidsreglementering? Hoe zal worden rekening gehouden met zijn verdienvermogen in het kader van artikel 100 van voormelde wet?

g. Artikelen 3 en 4 bepalen het volgende als voorwaarde voor de toepassing van de regeling: "2° hij is op de dag van de indienstneming een werkzoekende met een verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 3, eerste lid, 4° of een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze met een definitieve arbeidsongeschiktheid van minstens drieëndertig procent". De NHRPH besluit daaruit dat de regeling blijkbaar niet geldt voor de deeltijdse werknemer: volgens artikel 3, 2° van het KB van 1991 lijkt dit voornamelijk onmogelijk of uitzonderlijk mogelijk onder bepaalde zeer strikte voorwaarden. Hij stelt zich dus serieus de vraag of het systeem voldoende kan inspelen op de situatie van personen met een zware handicap of die regelmatige verzorging nodig hebben? Indien dit niet het geval is, bereikt de Koning de eerste doelstelling niet, namelijk het opnieuw aan het werk zetten van deze personen. Sommigen van hen kunnen immers niet voltijds werken.

h. De NHRPH is ook verbaasd over de datum van inwerkingtreding van dit KB, terwijl het kabinet van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap sinds 2009 aangekondigd had dat het om een terugkerend bedrag van 5 miljoen € zou gaan. De NHRPH vraagt zich dus af hoe dit bedrag voor het jaar 2010 besteed werd.

i. De NHRPH vraagt dat een evaluatieprocedure voor de uitvoering van dit KB wordt voorzien. Deze evaluatie zou minstens jaarlijks moeten gebeuren en zou automatisch aan de NHRPH worden meegedeeld.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap en aan de Minister van Werk.
  • Ter info aan de Eerste Minister en de Minister van Begroting en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Advies 2011/13 - Statuut NHRPH

  • Jaartal advies: 2011

Advies over het statuut van de NHRPH met betrekking tot de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20/06/2011


Aanvrager

Advies op verzoek van de Eerste Minister (onderhoud van 31 mei 2011)


Onderwerp

De NHRPH heeft de Eerste Minister gesensibiliseerd voor de participatieve dimensie die het reflectie- en besluitvormingsproces moet krijgen ingevolge het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De dringende noodzaak om deze benadering structureel te concretiseren, met de actieve participatie van de NHRPH, werd beklemtoond.

Er werd aangekaart dat de NHRPH thans over te weinig middelen beschikt om deze nieuwe taak uit te voeren.

De Eerste Minister verwacht van de NHRPH concrete voorstellen die de NHRPH in staat moeten stellen om al zijn taken zo goed mogelijk te vervullen.


Analyse

1. Het Verdrag bepaalt dat personen met een handicap en de verenigingen die hen vertegenwoordigen betrokken moeten worden bij het reflectie- en besluitvormingsproces (artikelen 4 en 33).

2. In zijn huidige vorm is de NHRPH een adviesorgaan dat belast is met het onderzoek van alle problemen met betrekking tot personen met een handicap die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen (KB van 9 juli 1981). De NHRPH zal eind 2011 dan ook 30 jaar ervaring hebben.

De NHRPH is gemachtigd om, op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde ministers, adviezen te geven of voorstellen te doen, onder andere met het oog op de rationalisering en de coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen. Administratief hangt de NHRPH af van de FOD Sociale Zekerheid, Directie-generaal Personen met een handicap. De minister die bevoegd is voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap moet het advies van de NHRPH vragen over alle ontwerpen van koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

De NHRPH is samengesteld uit twintig leden die bijzonder gekwalificeerd zijn omwille van hun deelname aan de activiteiten van organisaties die actief zijn op het vlak van de integratie van personen met een handicap of omwille van hun sociale of wetenschappelijke bezigheden. De leden worden benoemd door de Koning voor een vernieuwbaar mandaat van 6 jaar.

De huidige voorzitter van de NHRPH is de heer Jokke Rombauts.

3. De NHRPH wordt bij zijn taken ondersteund door een secretariaat van 4 personen, die niet alleen de federale dossiers opvolgen, maar ook de supranationale dossiers, om een volledig zicht te hebben op de talrijke uitdagingen op het vlak van de behoeften van personen met een handicap in alle domeinen.

In dit kader bestaat het normale werk van het secretariaat uit:

  • De voorbereiding van de vergaderingen van het bureau (maandelijks), van de plenaire vergaderingen (maandelijks) en van de werkgroepen (thans 6).
  • Het opstellen van de verslagen, adviezen en briefwisseling.
  • Het onderhouden van de website en het opstellen van de nieuwsbrieven die via de website worden verstuurd.
  • Het opzoeken van informatie.
  • Het meewerken aan de opmaak van het alternatieve verslag over de uitvoering van het VN-verdrag.
  • Het deelnemen aan interne en externe werkgroepen en diverse informatievergaderingen.
  • Het beantwoorden van vragen van politieke, economische en sociale actoren.
  • Het interpelleren en sensibiliseren van alle politieke, economische en sociale actoren.
  • Het opstellen van persberichten.
  • Het opvolgen van de supranationale dossiers.
  • Het opstellen van het jaarverslag
  • Het samenwerken in netwerk met het Belgian Disability Forum vzw (BDF), de adviesraden in de deelgebieden en het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding

Sinds 2008 zijn er 90 adviezen uitgebracht (aan een aantal andere adviezen wordt nog gewerkt):

  • 38 adviezen op eigen initiatief uitgebracht door de NHRPH;
  • 25 adviezen uitgebracht op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap
  • 2 adviezen uitgebracht op vraag van de Minister van Sociale Zaken (2 adviezen die werden gevraagd op het einde van de vorige regeerperiode, toen de Minister van Sociale Zaken ook bevoegd was voor Personen met een handicap)
  • 1 advies uitgebracht op vraag van de Minister van Werk en Gelijke Kansen
  • 1 advies uitgebracht op vraag van het Parlement
  • 1 advies uitgebracht op vraag van de FOD Mobiliteit en Vervoer;
  • 20 adviezen uitgebracht op vraag van de NMBS Holding, van NMBS Mobility en Infrabel (of een van de werkgroepen waarin deze organisaties samenwerken met de NHRPH
  • 1 advies uitgebracht op vraag van de Brussels Airport Company
  • 1 advies uitgebracht op vraag van de DG Personen met een handicap

4. De Regering werkt thans aan werkinstrumenten voor de opvolging van het Verdrag. In deze instrumenten zal de NHRPH ook een rol hebben en een aantal taken vervullen:

  • Ontwerp van Protocol in het kader van artikel 33.2
  • Project "Handicapreferenten" (nota voor een volgende ministerraad)

5. De NHRPH herhaalt de krachtlijnen van zijn memorandum 2011 (bijgevoegd), die trouwens in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het Verdrag:

Mensenrechten van de personen met een handicap Justitie en gelijkheid: de persoon met een handicap is een volwaardig burger Waardigheid van de personen met een handicap: een waardig inkomen verzekeren Recht op arbeid en vorming voor personen met een handicap Verzekering Geneeskundige Verzorging en Uitkeringen, gelinkt aan handicap of ziekte, ongeacht de aard ervan Meer rekening houden met de behoeften van kinderen met een handicap Mobiliteit en toegankelijkheid van alle goederen en diensten Voorzieningen bij inclusie Versterking van het secretariaat van de NHRPH

Vele van deze dossiers zullen een sterk engagement en een sterke bewustmaking vanwege de NHRPH blijven vragen.


Advies

De NHRPH neemt op positieve wijze akte van het engagement van de eerste minister met betrekking tot de actieve participatie van de NHRPH in de reflectie- en besluitvormingsprocessen.

De NHRPH benadrukt dat zijn huidig mandaat en de middelen waarover hij thans beschikt niet volstaan om alle opdrachten te vervullen waarvoor hij verantwoordelijk is.

De NHRPH vraagt dat de tekst van het koninklijk besluit van 9 juli 1981 snel zou worden herzien, om tegemoet te komen aan de vereisten van artikelen 4 en 33 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH herhaalt bijgevolg zijn vraag om zijn secretariaat te versterken, zodat het op een doeltreffende wijze zijn reflectie-, opvolgings- en onderhoudstaken kan vervullen, op alle voornoemde niveaus. Rekening houdende met de sterke en onvermijdelijke maar thans moeilijk te becijferen toename van de werkzaamheden en van de adviezen die zullen moeten worden uitgebracht, is de NHRPH van mening dat in eerste instantie het personeelsbestand van het secretariaat zo snel mogelijk moet worden verdubbeld.

De NHRPH vraagt ook nieuwe financiële middelen die het mogelijk moeten maken:

  • Elektronisch informatie uit te wisselen en documenten af te drukken in opdracht van de leden;
  • Dat de leden actief kunnen deelnemen aan de vergaderingen waarin de NHRPH is vertegenwoordigd (zitpenningen en kilometer- en parkeervergoeding). Ook deze deelname zal onvermijdelijk toenemen in de komende maanden, om de eerder vermelde redenen.

Bezorgd

  • Voor verder gevolg aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, en aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een handicap,
  • Ter informatie aan de heer Melchior Wathelet, Minister van Begroting,
  • Ter informatie aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/10 - Rekenhof

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zittingen van 21/03/2011 en 16/05/2011, over het Verslag van het Rekenhof aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers over de "Tijdige behandeling van tegemoetkomingen aan personen met een handicap" (december 2010)


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Het Rekenhof onderzocht de tijdigheid van de behandeling van de aanvragen tot tegemoetkoming van personen met een handicap.

Twee onderzoeksvragen werden gesteld:

  • Worden aanvragen voor een tegemoetkoming tijdig afgehandeld?
  • Waardoor worden aanvragen voor een tegemoetkoming niet tijdig afgehandeld?

De audit beperkt zich tot de eerste aanvragen betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming/integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Het onderzoek betreft de aanvragen beslist van februari 2009 tot maart 2010, met een update van de cijfers tot augustus 2010.

Vóór 2010 moest een aanvraag voor een tegemoetkoming binnen acht maanden worden afgehandeld, vanaf 2010 bedraagt de wettelijke afhandelingstermijn 6 maanden.


Analyse

Wat betreft de eerste onderzoeksvraag komt het Rekenhof tot de bevinding dat voor 2009 de doorlooptijd gemiddeld 9,4 maanden bedraagt.

Voor 2010 is de gemiddelde behandelingstermijn 8,1 maanden. In maart 2010 bedroeg deze termijn 8,8 maanden en werden 42% van de dossiers binnen de nieuwe wettelijke termijn van 6 maanden afgehandeld. In augustus 2010 werd een gemiddelde doorlooptijd van 6,7 maanden genoteerd en werden 59% van de dossiers binnen de termijn van 6 maanden afgehandeld. Voor 41% van de dossiers wordt de wettelijke termijn dus niet behaald, maar globaal genomen is een positieve tendens zichtbaar.

Wat betreft de tweede onderzoeksvraag worden de oorzaken bestempeld als complex: ze zijn te vinden zowel buiten de Directie-generaal Personen met een handicap (regelgeving, hoog percentage stopgezette en onterechte aanvragen, nood aan verdere automatisering van gegevensuitwisseling, nood aan goede coördinatie tussen centrale ICT-dienst van de FOD Sociale Zekerheid en de Directie-generaal Personen met een handicap), als binnen deze directie (zeer uiteenlopende toepassing van procedures en werkpraktijken, gebrekkige interne communicatie, ontbrekende beheersinformatie, sterk uiteenlopende productiviteit tussen de werkstations en tussen de medewerkers, gedeeltelijke onaangepastheid van de ICT).

Het Rekenhof stelde ook vast dat de controles sterk verschillen tussen de werkstations en tussen de medische centra en waarschuwt voor een ongelijke behandeling van de aanvragers.

Het Rekenhof formuleerde een reeks aanbevelingen om aan al deze problemen tegemoet te komen.


Advies

De leden van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap houden er aan het Rekenhof te feliciteren met de hoge kwaliteit van het verslag.

De NHRPH hoopt dat de aanbevelingen integraal zullen aanvaard worden. Bijgevolg drukt de NHRPH de wil uit bij de verdere uitwerking van de aanbevelingen betrokken te worden. De NHRPH zal bij deze gelegenheden telkens een advies uitbrengen.

Bovendien stelt de NHRPH te willen ingelicht worden over de aanbevelingen die de administratie en/of de Staatssecretaris niet willen omzetten in concrete werkwijzen. De NHRPH vraagt dat hierbij ook de reden van het negatieve standpunt wordt vermeld.

De NHRPH beschouwt dit rapport ook niet als een eindpunt en verwijst naar elementen die niet aan bod kwamen, zoals de herzieningen, andere sociale maatregelen, controle op de rechtmatigheid,...


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer André Flahaut, Voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers;
  • Ter info aan de heer Yvan Mayeur, voorzitter van de Commissie voor de Sociale Zaken;
  • Ter info aan de heer Eric Mathot en de leden van het auditteam van het Rekenhof;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

  • Raadplegingen: 6

Advies 2011/09 - Officieel verslag

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) over het ontwerp van officieel verslag (versie 2011-05-04) van de Belgische Staat over de invoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,uitgebracht tijdens de zitting van 16/05/2011


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris voor Personen met een Handicap van 11 mei 2011


Onderwerp

Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap werd door België goedgekeurd op 2 juli 2009 en is sinds 1 augustus 2009 van kracht. In toepassing van artikel 35 van het Verdrag moet België zijn eerste overeenstemmingsverslag indienen vóór 1 augustus 2011.

De Staatssecretaris voor Personen met een Handicap vraagt het advies van de NHRPH over het verslagontwerp van 4 mei, dat midden juni zal worden onderzocht door Coormulti, alvorens het door de Ministerraad wordt goedgekeurd (waarschijnlijk begin juli).


Analyse

Het ontwerp van officieel verslag van 4 mei is een versie die afwisselend in het Nederlands en het Frans is opgesteld. Het telt meer dan 55 pagina's (exclusief bijlagen). Voor elk artikel van het Verdrag hoort het een volledig overzicht te bevatten van de geldende of geplande regelgeving en maatregelen te worden opgesteld.

De NHRPH onderzoekt het verslag vanuit deze optiek en stelt hieronder een aantal aanvullingen en aanpassingen voor.


Advies

Algemene beschouwingen

De NHRPH betreurt het zeer korte tijdsbestek om advies uit te brengen over een dergelijk belangrijk document, te meer omdat het alle bevoegdheidsdomeinen behandelt die betrekking hebben op personen met een handicap. Daarnaast betreurt de NHRPH dat dit advies geen deel uitmaakt van een structurele samenwerking tussen het Coördinatiemechanisme en de NHRPH. Gezien deze twee bezwaren kan dit advies in geen geval als exhaustief worden beschouwd.

De NHRPH respecteert de bevoegdheden van de andere adviesraden en spreekt zich in hoofdzaak uit over federale materies.

De NHRPH stelt voor om in het inleidend gedeelte van het verslag naar de verenigingen van personen met een handicap te verwijzen: de algemene en specifieke verenigingen die min of meer territoriaal verankerd zijn, de adviesraden en het Belgian Disability Forum (BDF).

De NHRPH meent dat de vele maatregelen op het vlak van de sociale zekerheid voor personen met een handicap compleet ontbreken in dit verslag. Een paar voorbeelden (niet exhaustief):

  • Artikel 25: gezondheid (heeft enkel betrekking op volksgezondheid, en niet op sociale zekerheid)
  • Artikel 26: aanpassing en revalidatie (RIZIV-maatregelen?)
  • Artikel 28: behoorlijke levensstandaard en maatschappelijke bescherming (En de invaliditeitsuitkeringen, arbeidsongevallen, beroepsziekten? En de voorkeurstatuten zoals BIM, OMNIO, enz.?)

Analyse van de artikelen

Artikelen 1 tot 4: De bijdrage heeft betrekking op de definitie van handicap en van redelijke aanpassingen. Het zou interessant geweest zijn uit te leggen hoe de begrippen die aan bod komen in artikelen 3 en 4 (algemene principes en algemene verplichtingen) momenteel in België worden uitgewerkt.

Artikel 7: De regeling betreffende de bijkomende kinderbijslag voor kinderen met een handicap en zieke kinderen had kunnen worden vermeld.

Artikel 9, punt 33: de aandacht voor de vzw Plain-Pied zou de indruk kunnen wekken dat enkel deze organisatie actief is op het vlak van toegankelijkheid, wat niet het geval is. Verwijzingen naar privé-instellingen kunnen best worden geschrapt en eventueel enkel in de bijlage worden vermeld.

Artikel 10: De NHRPH stelt voor een punt toe te voegen over het recht op abortus en euthanasie.

Artikel 12:

  • Punt 47: De uitdrukking "op basis van de geestestoestand" ("fondés sur l'état mental") in de inleidende paragraaf is niet correct. De huidige wetgeving laat de rechter toe het onbekwaamheidstatuut toe te kennen aan elke persoon van wie hij, rekening houdend met de wettelijke bepalingen, meent dat de handelingsbekwaamheid moet worden beperkt of afgenomen, ongeacht de aard of de oorsprong van de handicap of ziekte.
  • De NHRPH stelt voor een punt toe voegen over de parlementaire wil om de huidige beschermingsregelgeving in overeenstemming te brengen met het VN-Verdrag. De NHRPH heeft trouwens al een advies ingediend over het huidige ontwerp tot hervorming.
  • Verder stelt de NHRPH voor de zin in punt 48 beginnende met "Net als in het Verdrag" ("Comme dans la Convention, la limitation ...") te herzien: op dit moment is ons wettelijke kader immers niet in overeenstemming met het Verdrag.
  • Punt 50: de opbouw van deze paragraaf zou de indruk kunnen wekken dat er een statuut bestaat voor vertrouwenspersonen, wat op dit moment niet het geval is.

Artikel 13: De NHRPH stelt voor het bestaan van eerste- en tweedelijnshulpverlening te benadrukken.

Artikel 16: De NHRPH stelt voor ook de maatregelen te vermelden die het Agence Wallonne pour l'intégration des Personnes Handicapées (AWIPH) heeft uitgewerkt.

Artikel 17: De NHRPH stelt voor ook de oprichting van het Observatorium voor de chronische ziekten te vermelden.

Artikel 21: Aan punt 79 dienen de maatregelen te worden toegevoegd die momenteel bestaan in het Waalse Gewest

Artikel 27:

  • De link tussen tewerkstelling en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap moet verduidelijkt worden.
  • De NHRPH stelt voor ook de situatie van het openbaar ambt (punt 126) aan bod te laten komen met aandacht voor de initiatieven van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO).
  • Ook de maatregelen in de sector Zelfstandigen moeten worden vermeld.

Artikel 28: De NHRPH vraagt punt 134 duidelijker te formuleren en te vervolledigen: ook bij de toekenning van bepaalde voordelen, en niet enkel bij de erkenning van de handicap, wordt soms rekening gehouden met de inkomsten van personen met een handicap.

Artikel 30:

  • De NHRPH vraagt bij punt 148 te vermelden dat er ook aangepaste bibliotheken bestaan.
  • Ook in Vlaanderen bestaan er maatregelen voor de toegankelijkheid van openbare plaatsen zoals speelpleinen, academies, enz.

Artikel 31: Volgens de NHRPH kan dit artikel met de huidige informatie uitvoeriger worden geïllustreerd.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, en aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding
  • Ter info aan de regionale adviesorganen voor de domeinen waarvoor ze bevoegd zijn

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Advies 2011/08 - Artikel 33.2

  • Jaartal advies: 2011

Advies betreffende de implementatie van artikel 33.2 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht tijdens de zitting van 16/05/2011


Onderwerp

Artikel 33.2 van het Verdrag van Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt het volgende:

In overeenstemming met hun rechts- en bestuurssysteem onderhouden en versterken de Staten die Partij zijn op hun grondgebied een kader, met onder meer een of twee onafhankelijke instanties, al naargelang van toepassing is, om de uitvoering van dit Verdrag te bevorderen, te beschermen en te monitoren of wijzen daarvoor een instantie aan of richten die op. Bij het aanwijzen of oprichten van een dergelijke instantie houden de Staten die Partij zijn rekening met de beginselen betreffende de status en het functioneren van nationale instellingen voor de bescherming en bevordering van de rechten van de mens.


Analyse

Uit de ontmoetingen die de NHRPH en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (het Centrum) de laatste weken hebben gehad, is gebleken dat er momenteel een Protocol voor de oprichting van deze onafhankelijke instantie wordt besproken en opgesteld binnen de Interministeriële Conferentie tussen het Centrum en de verschillende deelstaten.


Advies

De NHRPH wenst de vertrouwelijkheid van het document dat besproken wordt niet in het gedrang te brengen. Daarom zal de NHRPH zich hier beperken tot enkele algemene aanbevelingen.

De NHRPH vraagt unaniem en uitdrukkelijk:

  • dat er in het Protocol bepalingen worden opgenomen die toelaten:
  • -rekening te houden met het advies va de Commissie van het Verdrag inzake de rechten van personen n met een handicap:
  • --bij de aanwerving en bij het bepalen van de opdrachten van het personeel van deze Commissie.
  • --bij de toewijzing van het budget dat voor dit mandaat is bestemd.
  • -de banden en uitwisselingen te beheren tussen de Begeleidingscommissie en de directie van het Centrum.
  • dat, met betrekking tot de samenstelling van de Commissie,:
  • -de (hierna vermelde) vertegenwoordigers uit de handicapwereld steeds in de meerderheid zijn.
  • -het (tweetalig) voorzitterschap wordt toevertrouwd aan het voorzitterschap van de NHRPH.
  • -de vicevoorzitterschappen worden toevertrouwd aan de 3 voorzitterschappen van de Adviesraden voor personen met een handicap van de deelgebieden.
  • -er voor het federale niveau 4 vertegenwoordigers van de NHRPH (waaronder de voorzitter) worden aangeduid.
  • met betrekking tot de raad van bestuur van het Centrum: een grotere vertegenwoordiging van de handicapwereld (thans slechts 1 plaatsvervangend mandaat toegewezen aan mevrouw G. Marlière).
  • dat er wordt voorzien in een "alarmbelmechanisme" voor het constructief overbruggen van de meningsverschillen tussen de Begeleidingscommissie en de directie of tussen de Begeleidingscommissie en de raad van bestuur met betrekking tot de strategische en financiële beleidslijnen op het vlak van de ontwikkelingen en beleidslijnen in de materies waarop het Verdrag van de Verenigde Naties van toepassing is.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • Ter informatie aan de regionale adviesorganen

Advies 2011/07 - NHP 2011

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) van België voor 2011


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH, uitgebracht tijdens de zitting van 16/05/2011


Onderwerp

Het Nationaal Hervormingsprogramma bevat de prioritaire acties die België (federaal niveau, Gewesten en Gemeenschappen) gaat uitvoeren om tegemoet te komen aan de doelstellingen van de Strategie 2010-2020 die zijn vastgelegd door de Europese Commissie in overleg met de Staten.


Analyse

Drie van de vijf hoofddoelstellingen van deze Europese strategie hebben altijd al de bijzondere aandacht weggedragen van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, namelijk: een tewerkstellingsgraad van 75%, een verbetering van de kwaliteit van de beroepsopleiding en de bestrijding van de armoede.

De NHRPH bracht reeds twee adviezen uit (2010-10 en 2010-22): deze adviezen brachten denkpistes aan waarbij rekening werd gehouden met de rechten en behoeften van personen met een handicap.

Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat door België werd geratificeerd op 2 juli 2009 en dat voorziet in de participatie van personen met een handicap en hun vertegenwoordigers in de uitwerking van beleidsmaatregelen die voor hen van belang zijn, heeft de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap ook aan de Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Personen met een Handicap gevraagd hoe de personen met een handicap zouden worden betrokken bij de uitwerking van de NHP's.

De NHRPH is niet bevoegd voor alle domeinen die het NHP beslaat. Het NHP verwijst echter wel naar materies waarvoor de NHRPH wel bevoegd is. De NHRPH kan dan ook niet anders dan een advies uit te brengen over het NHP.

Uit de analyse van het NHP blijkt dat geen enkel actieplan werd uitgewerkt om de participatie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt te bevorderen, noch om opleidingstrajecten die tegemoet komen aan hun ambities en aan de behoeften van markt te ondersteunen en toegankelijk te maken. Er is in geen enkele geïntegreerde strategie voorzien om de toegang tot goederen en diensten te verbeteren en om uitsluiting en armoede waarvan personen met een handicap het slachtoffer zijn tegen te gaan.


Advies

De NHRPH herinnert aan de rode draad van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: voor alle materies die te maken hebben met de rechten en behoeften van personen met een handicap, is het van essentieel belang dat de overheid, ongeacht dewelke, de personen met een handicap of hun vertegenwoordigers betrekt bij het besluitvormingsproces.

De NHRPH wil gehoord worden door de ministers die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking van het NHP, opdat er meer rekening wordt gehouden met de behoeften van personen met een handicap in de concrete maatregelen die worden genomen, in het bijzonder op het vlak van tewerkstelling en opleiding, ter bevordering van de inclusie van personen met een handicap.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, en de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap
  • Ter informatie aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding
  • Ter informatie aan de regionale adviesorganen voor de domeinen waarvoor ze bevoegd zijn

Advies 2011/06 - Bescherming

  • Jaartal advies: 2011

Advies over het wetsvoorstel van 11 januari 2011 tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen (Doc 53 1009/001), uitgebracht tijdens de zitting van 18/04/2011 op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Het wetsvoorstel betreffende de hervorming van het statuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen is ingediend en wordt momenteel behandeld door de Commissie voor de Justitie.


Analyse

De NHRPH is opgetogen over de parlementaire wil om de regelgeving inzake de wilsonbekwaamheid van personen in overeenstemming te brengen met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat op 2 juli 2009 door België werd geratificeerd.

De NHRPH onderstreept de vooruitgang op het vlak van ondersteuning en bescherming binnen de gerechtelijke en niet-gerechtelijke beschermingsregelingen, die het statuut van de vertrouwenspersoon voortaan bekrachtigen.

De NHRPH meent dat het ingediende wetsvoorstel de beoogde ondersteuning en insluiting van personen met een handicap nog meer ten goede zou komen door een procedure voor de verwezenlijking van hun wensen en de naleving van hun rechten en plichten, ongeacht de ernst en aard van hun handicap.

Vanuit dit oogpunt heeft de NHRPH opmerkingen en standpunten geformuleerd met betrekking tot drie punten:

Overeenstemming met de geest en de inhoud van het Verdrag Toepassingsgebied en draagwijdte van de regelgeving Invoering van de regelgeving


Advies

1. Overeenstemming met de geest en de inhoud van het Verdrag

In geen geval en zonder uitzondering op grond van de handicap (ongeacht de aard of oorsprong hiervan) kan de betrokkene gedeeltelijk of volledig zijn genotsbekwaamheid worden ontzegd: elke persoon die in België geboren is of er woont, geniet alle vrijheden, rechten en plichten vastgelegd in de Grondwet en in de wetten. De vrije levenskeuze van een persoon mag niet worden beperkt op basis van zijn handicap.

De handelingsbekwaamheid kan enkel onder welbepaalde en beperkte voorwaarden aan de betrokkene worden ontzegd: de handelingsbekwaamheid is het vermogen om zelf rechten, vrijheden of plichten uit te oefenen. Die kan niemand gedeeltelijk noch volledig worden ontnomen, tenzij bij een uitdrukkelijke juridische beslissing en enkel in gevallen die bij de wet bepaald zijn. De beperking of ontzegging van de handelingsbekwaamheid op grond van een handicap of een ziekte mag nooit tot gevolg hebben dat de wil en de rechten van personen met een handicap of ziekte hierdoor worden beperkt of opgeheven. Wat betreft de bijstand of vertegenwoordiging van personen met een handicap en zieke personen moeten altijd rekening worden gehouden met hun wensen.

Vanuit dit oogpunt vraagt de NHRPH

• dat de genotsbekwaamheid NOOIT door dit wetsvoorstel of door de vrederechter in vraag wordt gesteld op grond van de handicap, ongeacht de ernst of de aard ervan. De tekst van het voorstel moet desnoods vanuit deze onbetwistbare visie worden herbekeken en herschreven. De tekst moet de erkenning van de wil van de persoon met een handicap en de erkenning van zijn - soms slechts resterende maar steeds wezenlijke - handelingsbekwaamheid fundamenteel bekrachtigen.

• dat elke bepaling die de bekwaamheid om rechten uit te oefenen beperkt meer dan ooit restrictief wordt geïnterpreteerd: dit is een fundamenteel rechtsprincipe dat in de praktijk slecht wordt toegepast. Angst, onwetendheid over de levenssituatie van personen met een handicap en de moeizame communicatie tussen de vrederechter en de persoon met een handicap hebben als gevolg dat de rechten van personen met een handicap verregaand worden genegeerd. Dit is volstrekt onaanvaardbaar: een menselijke en technische omkadering van de vrederechter moet ervoor zorgen dat hij beslissingen kan nemen met kennis van zaken over de levenssituatie en de wil van de betrokken persoon.

2. Toepassingsgebied en draagwijdte van de regelgeving

-De titel van de wet verbaast enigszins in het kader van het beoogde doel. Het gaat immers niet om een wet inzake de onbekwaamheid van personen met een handicap maar wel om een wet inzake hun juridische begeleiding, ongeacht de aard van hun handicap. De NHRPH stelt de volgende titel voor: Wet tot omkadering van de genots- en handelingsbekwaamheid van personen met een handicap.

-Vanaf nu is een nieuwe terminologie met een vooruitstrevende draagwijdte van toepassing, waarbij rekening wordt gehouden met het door België geratificeerde Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Het lijkt ons belangrijk dat de wettekst zelf een deel 1 met definities bevat: persoon met een handicap, genotsbekwaamheid, handelingsbekwaamheid, zelfredzaamheid, bijstand, enz. Het VN-Verdrag kan daarbij zeker als inspiratiebron dienen.

-Beoordeling van de "zelfredzaamheid" door de rechter:

Zelfredzaamheid is het vermogen om zelf te handelen, zichzelf eigen gedragsregels en wetten op te leggen zonder zich over te geven aan natuurlijke of collectieve neigingen of zich gedwee te onderwerpen aan een externe autoriteit. Een juiste beoordeling van de zelfredzaamheid vergt niet alleen tijd maar ook kennis van de "beoordeelde" persoon en zijn situatie. -Van essentieel belang is dat de rechter voldoende tijd en de nodige (in eerste instantie menselijke) omkadering krijgt om te beslissen over het type van bijstand en vertegenwoordiging. Die moeten er in de eerste plaats toe bijdragen dat de betrokken persoon in alle vrijheid zijn eigen levenskeuzen kan maken. -Ook moet steeds een sociaal-medisch dossier aan de rechter worden bezorgd dat - ongeacht de aard van de handicap of ziekte - de overblijvende handelingsbekwaamheid van de betrokkene - en de manier waarop deze kan worden gerealiseerd - toelicht. De rechter moet zich uitdrukkelijk afvragen welke redelijke aanpassingen noodzakelijk zijn voor de betrokkene opdat hij zijn rechten en plichten zo goed mogelijk kan uitoefenen. Het attest wordt momenteel te onnauwkeurig en onvolledig opgesteld, wat nadelig is voor de persoon in kwestie. Men verbaast zich soms over de exacte bewoordingen van het attest en de gevolgen daarvan voor de "bescherming van de persoon", namelijk zijn opsluiting, en dat omwille van zijn bescherming of die van zijn omgeving! Er moet grondig worden nagedacht over de identiteit en de onafhankelijkheid van de opsteller van deze attesten (huisarts, specialist, ... ?). Het resultaat van deze denkoefening moet in het wetsvoorstel aan bod komen. -De NHRPH is ervan overtuigd dat het medisch attest niet volstaat om de overblijvende bekwaamheid van personen juist en volledig te beoordelen, zeker wanneer het om een mentale handicap gaat. Er zijn geen beoordelingscriteria voor de vrederechter. Dit wetsvoorstel moet deze criteria duidelijk en uitdrukkelijk opsommen en de efficiëntie ervan praktisch regelen. -Bovendien moet de administratie de zelfredzaamheid van personen met een handicap ondersteunen. Ook wanneer de betrokkene zwaar gehandicapt is, moet zijn wil worden gerespecteerd. Deze bepaling moet in de wettekst worden opgenomen. -Het is uitermate belangrijk dat de rechter rekening houdt met de onaantastbare genotsbekwaamheid en de handelingsbekwaamheid van de betrokkene. Die laatste moet daadwerkelijk en concreet worden ondersteund. Daarnaast moet de rechter zich steeds afvragen hoe de toegepaste beschermingsregeling de betrokkene de kans zal geven zijn burgerrechten en -plichten uit te oefenen en geheel zelfstandig en op alle gebieden levenskeuzen te maken.

-Bepalen van de "inkomsten" door de Koning:

Uit ervaring op het terrein weet de NHRPH dat de invoering van een wet soms nogal wat tijd in beslag neemt, maar ook dat de wettelijke bepalingen de rechter soms dwingen tot een interpretatie die niet meer beantwoordt aan de reële behoeften. Er moet dus naar een evenwicht worden gezocht tussen doeltreffendheid en soepelheid. De NHRPH stelt dan ook voor dat de principes met betrekking tot de bedragen die niet als inkomsten kunnen worden beschouwd in de wet zouden worden vastgelegd en dat de koning na de aanname van de wet snel werk maakt van de uitvoering van de inhoud. De wet en het koninklijk besluit zouden tegelijk in werking kunnen treden, of minstens zou er een uiterste datum voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit moeten worden vastgelegd. De NHRPH dringt erop aan dat de volgende bedragen niet als inkomsten in rekening zouden worden gebracht: -De integratietegemoetkoming -De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden -De uitkering voor hulp van derden, ongeacht de toekenningsregeling - ook wanneer het gaat om een kapitaalrente. Indien er geen uitsplitsing is van de rente die tegelijk een inkomstenverlies en hulp aan derden omvat, is de verdeling 70/30 (inkomstenverlies/hulp van derden) van toepassing. -De kinderbijslag en de bijkomende kinderbijslag -Het budget voor de hulp van derden (Persoonlijk assistentiebudget en Persoongebonden budget in Vlaanderen en gelijkaardige bijstandformules die er in de toekomst zullen komen) -De terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging -De terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen (bv.: terugbetaling van een bedrag door een energiebedrijf) -Betaling van achterstallige bedragen betreffende bedragen verschuldigd voor een periode voorafgaand aan de beschermings- en bijstandsregeling (behalve uitdrukkelijke bepaling)

Regelgevingsverplichting of -mogelijkheid voor de Koning: In het algemeen moet ervoor worden gezorgd dat de wet snel en efficiënt gepaard gaat met de ontwikkelingen die noodzakelijk zijn voor de goede toepassing ervan. In het kader van de parlementaire werkzaamheden moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen soepelheid (met het oog op latere aanpassingen) en efficiëntie (de nieuwe bijstandsregeling mag niet leiden tot een trage procedure, wat de situatie van de betrokkene enkel zou bemoeilijken).

-Situatie van verkwisting: Dit hoort niet thuis in de regelgeving. Een subjectieve beoordeling van de levenswijze van de betrokkenen en van de manier waarop ze hun goederen en spaargeld gebruiken kan enkel tot gevolg hebben dat hun wil en de uitvoering ervan in vraag wordt gesteld. Tal van mensen worden zorgelozer wanneer de kinderen het ouderlijke nest verlaten hebben. Wat kan men hierop tegen hebben? In welke zin is deze levenshouding laakbaar? Het belang van de ouderwordende ouders is niet altijd ondergeschikt aan dat van hun erfgenamen, en het gaat hier niet om de onbekwaamheid om hun goederen te beheren. De passage over de verkwisting moet dus worden geschrapt.

-Plaatsen van meerderjarigen onder het ouderlijke gezag: Artikel 494 is volledig in strijd met de algemene geest van de wet en van het VN-Verdrag. Geen enkele uitzonderingssituatie rechtvaardigt de onderwerping van een meerderjarige aan het ouderlijke bewind. De algemene bepalingen van de wet volstaan voor alle denkbare uitzonderingssituaties, ook die bedoeld in artikel 494.

-Bezoldiging van de bewindvoerders:

Is er een vergoeding voorzien voor familieleden die als bewindvoerder optreden? Wij vinden dat dit op vraag van de bewindvoerder door de rechter zou kunnen worden overwogen. Zou een terugbetaling voor de vertrouwenspersoon kunnen worden overwogen? Hoe kan de betrokkene zich beschermen tegen een slechte behandeling van zijn dossier?

-Aantal dossiers waarvoor een voorlopig bewindvoerder instaat:

Willen we grondig tewerk gaan, dan moet de regelgeving het probleem aanpakken van de toekenning van de dossiers aan de bewindvoerders: ook hier moet een evenwicht worden gezocht tussen een goede kennis van de problematiek en een persoonlijk en omstandig dossierbeheer. Het klopt niet dat het aantal dossiers toegekend aan een bewindvoerder een vermindering van de bezoldiging per dossier met zich meebrengt. Momenteel passen tal van advocatenbureaus die deze taak op zich nemen de wettelijke voorschriften automatisch toe.

Territoriale bevoegdheid van de vrederechter: De vrederechter kan bevoegd blijven wanneer de betrokkene verhuist: het is absoluut noodzakelijk dat de persoon met een handicap hier ook inspraak heeft.

Verwantschap in de tweede graad: Tweedegraadsverwantschap houdt geen verband van morele ondergeschiktheid in (zoals wel mogelijk is bij bloedverwanten); een voorlopige bewindvoering door verwanten in de tweede graad kan dus worden overwogen. Bovendien is het belangrijk dat broers en zussen niet volledig worden uitgesloten van de bewindvoeringsregeling: in sommige gevallen is dit de beste of de minst slechte oplossing. Toch moet deze onmogelijkheid in veruit de meeste gevallen blijven bestaan.

Rechten in het gedrang gebracht door een vermindering of opheffing van de genotsbekwaamheid: In artikel 492-2, §2, tweede lid inzake het beheer van goederen staat het volgende: "Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking, is de beschermde persoon onbekwaam voor alle handelingen met betrekking tot de goederen". Deze formulering stemt niet overeen met de geest van het Verdrag: onder het voorwendsel dat de betrokkene zijn rechten niet zelf kan uitoefenen wordt de genotsbekwaamheid met betrekking tot deze goederen beperkt en zelfs opgeheven.

De NHRPH vraagt een bepaling die de nadruk legt op de begeleiding van de persoon met een handicap bij het beheer van deze goederen zodat zijn wil geen dode letter wordt.

Op welke wettelijke basis kan de vrederechter in het kader van artikel 492-2 §1, derde lid, betreffende de bewindvoering van personen, de wil van de betrokkene beoordelen en beperken, enkel op grond van zijn handicap? Het recht op de vrije keuze van verblijfplaats, het recht om met een huwelijk in te stemmen, het recht om een scheidingsaanvraag in te dienen, het stemrecht, enz. zijn onvervreemdbaar. Bij het toepassen van deze rechten kan wel in begeleiding of eventueel vertegenwoordiging worden voorzien.

Bovendien is vertegenwoordiging uitgesloten voor sommige hoogst persoonlijke handelingen, maar behoort bijstand wel tot de mogelijkheden. Het materiële toepassingsveld van 492-2 moet worden herschreven. De rechtsbekwaamheid, zowel de genotsbekwaamheid als de handelingsbekwaamheid, op het gebied van goederen EN personen, moet het grondbeginsel blijven.

3. Uitvoering van de regelgeving

-Het voorstel gaat niet in op de technische en menselijke middelen die onmisbaar zijn voor de nieuwe opdracht van de vrederechter

-De vertrouwenspersoon heeft een grote verantwoordelijkheid: beschikt hij hiervoor over de nodige middelen en capaciteiten? Zal hij niet bang zijn fouten te maken? Naasten van de ouders en professionele hulpverleners moeten de problematiek goed begrijpen en beheersen: er moet een netwerk van opleidingen en informatie worden ontwikkeld. Zou de wetgever de voorwaarden en het kader hiervan in de tekst van het voorstel kunnen opnemen? Personen in instellingen kunnen a priori gemakkelijk worden voorgelicht; de ouders bereiken is een stuk moeilijker. De wet moet in middelen voorzien en mag de verantwoordelijkheid van de overheid niet uitsluitend en niet zomaar naar privé-instanties doorschuiven.

-Er bestaat nauwelijks garantie dat de beginselen inzake de wilsverklaring worden nageleefd.

-Wanneer de vrederechter afwijkt van de wil vermeld in de wilsverklaring moet hij zijn beslissing rechtvaardigen.

-Artikel 496-4, derde lid bepaalt het volgende: "De vrederechter kiest als bewindvoerder over de persoon bij voorkeur de ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de persoon een feitelijk gezin vormt, of een lid van de naaste familie, of de lasthebbende bedoeld in artikel 490-1 of 490-2, rekening houdend met de mening van de beschermde persoon ...". Deze formulering houdt geen rekening met de wil van de beschermde persoon!

-De voorlopige bewindvoerder en de vertrouwenspersoon dienen te beschikken over een blanco strafblad, zowel wat betreft de goede zeden als op het vlak van financieel beheer.

• Het voorlopige bewind kan waargenomen worden door een privéstichting (waarvan de opdracht in overeenstemming is met het beheer van de belangen van de betrokkene), maar nooit door een overheidsstichting.

• Het is noodzakelijk dat de advocaat die belast is met het bewind zich door een team laat omringen: kan dit worden vastgelegd in de wettekst; hoe kan dit in de praktijk worden gecontroleerd; kan overwogen worden een jaarlijks verslag bij de orde der advocaten te vragen? Kunnen de criteria voor een goed dossierbeheer in de wet worden vastgelegd? Hoe kan de toepassing ervan worden gecontroleerd? Van het grootste belang is tevens dat er in de wet kwaliteitsnormen worden vastgelegd (verslag, overleg tussen de vrederechter en de voorlopige bewindvoerder). De waardigheid en de wil van de betrokkenen dienen absoluut centraal te staan in het debat (een voorbeeld hiervan is het probleem inzake de keuze en vernieuwing van kleding). Momenteel zijn er tal van klachten over het gebrek aan contact tussen de bewindvoerder en de betrokkene of over de kwaliteit ervan. Het verslag moet deze vragen behandelen en in voorkomend geval aanleiding kunnen geven tot veranderingen in de relaties en de wijze waarop de betrokkene wordt begeleid bij het beheer van zijn keuzen.

-Ten slotte moet er voor de gevallen die niet aan bod komen in artikel 496-4 beperkingen gelden:

voor de bewindvoering over personen: maximum 5 voor het beheer van goederen, in functie van het aantal: voorwaarden stellen. -Minder dan 15 dossiers: geen. -Vanaf 15 dossiers: de beheerder van goederen ertoe verplichten een beroep te doen op professionele hulpverleners uit de sociale sector.

-Hoe zal de overgang tussen de oude en de nieuwe regelgeving precies gebeuren wat de procedure betreft?

-Een even belangrijk punt is de wijze waarop de beslissingen van de rechter of van de bewindvoerder kunnen worden aangevochten. De persoon met een handicap die zich tegen een beslissing verzet moet, wanneer alle verzoeningspogingen uitgeput zijn, ondersteuning kunnen genieten zonder te moeten opdraaien voor de kosten die de procedure met zich meebrengt.

-Centraal register Verklaringen: hoeveel kost het neerleggen van een verklaring?

-De maatregel is te weinig bekend: de NHRPH stelt voor te overwegen of ze op de identiteitskaart kan worden vermeld.

-Hervorming afhankelijk van de gerechtelijke reorganisatie: de ontwikkeling van de wet mag niet worden geblokkeerd op grond van de evolutie van de algemene werking van het gerechtelijke apparaat.

-Een beoordelingsprocedure met betrekking tot de invoering van de regelgeving moeten bij de wet zelf worden voorzien.


Bezorgd

Voor opvolging aan de heer Raf Terwingen, Parlementslid, de heer Yves Leterme , Eerste Minister, de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor personen met een handicap en de heer Stefan De Clerck, Minister van Justitie Economie;

Ter info aan de heer Melchior Wathelet, Minister van Begroting, en aan het Centrum voor de gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

  • Raadplegingen: 8

Advies 2011/04 - Welvaart

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de welvaartsaanpassing van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 18/04/2011.


Aanvrager

De heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris belast met Personen met een handicap, in zijn brief van 05/04/2011.


Onderwerp

De wet betreffende het Generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien.

Aan de NHRPH wordt in dit kader een ontwerp van koninklijk besluit houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, voor advies voorgelegd.


Analyse

Volgende wijzigingen zullen doorgevoerd worden vanaf 1 september 2011:

  • Verhoging van de inkomensvervangende tegemoetkoming met 2%;
  • Verhoging van de inkomensdrempels voor de berekening van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden met 1,5%;
  • Verhoging van de categorievrijstelling voor de berekening van de integratietegemoetkoming met 1,9%.

Advies

De NHRPH brengt een positief advies uit met betrekking tot het bovenvermelde ontwerp van koninklijk besluit.

De leden van de NHRPH dringen er echter op aan op korte termijn het systeem van de tegemoetkomingen grondig te herzien. Doorheen de jaren en vooral ingevolge de veelvuldige fragmentarische en occasionele aanpassingen is deze wetgeving uitgegroeid tot een moeilijk toepasbaar en onsamenhangend geheel.

De leden van de NHRPH willen op die manier de ongunstige neveneffecten die door het goede systeem van welvaartsherziening worden gecreëerd, ongedaan maken.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap.
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Advies 2011/05 - Liften

  • Jaartal advies: 2011

Advies met betrekking tot de "Aanbeveling met betrekking tot het aanpassen van het Koninklijk Besluit van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van liften, teneinde de toegankelijkheid van liften voor personen met een handicap te waarborgen", uitgebracht door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Advies uitgebracht door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH).


Aanvrager

Advies op eigen initiatief van de NHRPH verleend tijdens de zitting van 18/04/2011


Onderwerp

De NHRPH werd door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding op de hoogte gebracht van de hiervoor vermelde aanbeveling en van de noodzaak het bedoelde probleem ter kennis te brengen van de personen met een handicap die in eerste instantie met deze situatie geconfronteerd zijn of dreigen geconfronteerd te worden.

Kern van de zaak is dat in een aantal situaties rolstoelgebruikers geen toegang meer hebben tot hun woning nadat de liften in het appartementsgebouw waarvan deze woning deel uitmaakt, werden aangepast aan de wetgeving, meer in het bijzonder het KB van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van liften.


Advies

De NHRPH wil uitdrukkelijk de bovenvermelde aanbeveling met betrekking tot de beveiliging van liften, ondersteunen. Technische wijzigingen in het kader van veiligheid mogen niet van die aard zijn dat zij de mobiliteit van personen aan banden leggen. In dat geval moet gezocht worden naar redelijke aanpassingen.

Om te bepalen wat deze redelijke aanpassingen kunnen inhouden vraagt de NHRPH contact op te nemen met de 2 koepelorganisaties, Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen dat kan doorverwijzen naar een toegankelijkheidsbureau, en CAWAB.


Bezorgd

  • Voor opvolging
  • -aan mevrouw Joëlle Milquet, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen;
  • -aan mevrouw Sabine Laruelle, Minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid;
  • -aan de heer Paul Magnette, Minister van Klimaat en Energie;
  • -aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap;
  • -aan de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding - Nieuwe reglementering betreffende de beveiliging van liften

Advies 2011/03 - Rondetafel

  • Jaartal advies: 2011

Advies met betrekking tot de organisatie van een rondetafel over de dienstverlening door NMBS Mobility aan personen met beperkte mobiliteit. Advies uitgebracht door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap(NHRPH).


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH tijdens de zitting van 21/03/2011.


Onderwerp

Op 11 februari 2010 ontvangt de NHRPH een bericht vanwege NMBS Mobility waarin mededeling wordt gedaan van het voornemen van mevrouw Laurence Bovy, voorzitter van de Raad van Bestuur van de NMBS, een rondetafel te organiseren met de NHRPH en vertegenwoordigers van verenigingen van personen met beperkte mobiliteit over de dienstverlening aan personen met beperkte mobiliteit in het algemeen en meer in het bijzonder over de nieuwe reserveringsprocedure. Na afloop zou een persbericht verspreid worden. Bovendien zouden zowel de verantwoordelijken van NMBS-groep als de politieke verantwoordelijken aanwezig zijn.

Omwille van het treinongeluk in Halle en de daaraan verbonden dringende vergaderingen wordt de rondetafel uitgesteld.

Het voorstel wordt op 13 december 2010 opnieuw gelanceerd, zij het met een beperktere deelname: enkel NMBS Mobility en de NHRPH.

Ingevolge de actie van 3 december 2010 in samenwerking tussen het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en de NHRPH wordt tegelijkertijd een reflectiegroep in het leven geroepen. Deze groep heeft tot op heden éénmaal vergaderd (op 28 januari 2011), met als thema de reserveringstermijn van 24 uur.

Op 3 maart 2011 deelde NMBS Mobility mee dat ze de rondetafelgesprekvergadering voorlopig niet echt zinvol acht en dat alleen wordt doorgewerkt op de denkpistes die rond het thema van de 24 uur werden geopperd voor er een ronde tafel wordt georganiseerd.


Advies

De NHRPH betreurt de beslissing de rondetafelvergadering met betrekking tot de dienstverlening aan personen met een beperkte mobiliteit voorlopig niet te organiseren.

De NHRPH dringt er op aan dat deze gespreksronde wel plaatsvindt, en dat deze georganiseerd wordt met een ruime deelname van de organisaties van personen met een handicap.

De NHRPH benadrukt in dat verband ook dat dienstverlening aan personen met een beperkte mobiliteit meer omvat dan de discussie over de termijn nodig voor de aanvraag van een begeleidingsassistent in een van de 114 aangeduide stations.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan
  • -de heer Marc Descheemaecker, Gedelegeerd Bestuurder
  • -de heer Sabin S'heeren, Directeur-generaal NMBS Mobility
  • Ter info aan
  • -mevrouw Inge Vervotte, Minister van Overheidsbedrijven;
  • -de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap;
  • -de heer Etienne Schouppe, Staatssecretaris voor Mobiliteit;
  • -het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Advies 2011/02 - Trappenklimmers

  • Jaartal advies: 2011

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het gebruik van trappenklimmers voor rolstoelen in stations die onvoldoende toegankelijk zijn, uitgebracht tijdens de zitting van 21/03/2010.


Onderwerp

In het beheerscontract van Infrabel, art.42, is het voorzien om 100 stations tegen 2028 integraal toegankelijk te maken (100 stations zodat een netwerk ontstaat van toegankelijke stations binnen een straal van 15 km). Het langetermijndoel is de optimale toegankelijkheid van de stations waarbij personen met een beperkte mobiliteit geen assistentie meer nodig hebben. In afwachting daarvan wil NMBS Mobility trappenklimmers inzetten in onvoldoende toegankelijke stations.


Analyse

In een advies van 21/04/2009 bracht de NHRPH een negatief advies uit over de aankoop van trappenklimmers. De belangrijkste reden daarvoor was dat de afmetingen en het laadvermogen van de trappenklimmer niet alle types van rolstoelen toelaten. Vooral de grotere en zwaardere modellen, zoals de elektrische rolstoelen, vielen daarbij uit de boot, wat een discriminatie inhield. Vaak zijn het immers de personen met een zware handicap die een elektrische rolstoel nodig hebben. Ook voelen sommige personen zich oncomfortabel op een trappenklimmer.

NMBS Mobility vraagt de NHRPH de toestemming om die trappenklimmers toch te mogen inzetten in onvoldoende toegankelijke stations. NMBS Mobility overweegt ook te investeren in technische toevoegingen aan de trappenklimmers die het vervoer van grotere en zwaardere rolstoelen moeten mogelijk maken in overleg met de producent.


Advies

De NHRPH wijst erop dat toegankelijkheid van alle stations het einddoel is en moet blijven.

Hoewel trappenklimmers maar een voorlopige en gedeeltelijke oplossing zijn, heeft het geen zin om de aangekochte toestellen niet te gebruiken waar en wanneer dat mogelijk is. Waar ze inzetbaar zijn, kunnen ze hun nut bewijzen.

De NHRPH geeft een positief advies onder de volgende voorwaarden:

  • Vanzelfsprekend moet de veiligheid van de vervoerde persoon met een handicap gegarandeerd zijn.
  • De eventuele aankoop van bijkomende trappenklimmers en investeringen en aanpassingen om die beter inzetbaar te maken mogen in geen geval en op geen enkele wijze een vertraging van het toegankelijk maken van de stations voor personen met een handicap betekenen. Aan de budgetten voor het toegankelijk maken van de stations mag dus niet geraakt worden.
  • Wanneer een persoon niet kan of wil worden geholpen met de trappenklimmer, moet er een andere oplossing worden gezocht.

Bezorgd

voor opvolging

  • aan NMBS Mobility
  • aan Infrabel
  • aan NMBS-Holding

ter info

  • aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap
  • aan mevrouw Inge Vervotte, Minister van Overheidsbedrijven
  • aan de heer Etienne Schouppe, Staatssecretaris voor Mobiliteit
  • aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2010/26 - Criteria parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2010

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de criteria voor het verkrijgen van de parkeerkaart voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 15/03/2010.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Delizée, Staatssecretaris belast met Personen met een handicap


Onderwerp

De adviesaanvraag van de heer Staatssecretaris vertrekt van de vaststelling dat de laatste jaren, een groeiend aantal parkeerkaarten voor personen met een handicap in omloop is.

Aan deze vaststelling wordt onmiddellijk het gevolg gekoppeld dat voorbehouden parkeerplaatsen zeldzaam worden, wat jammer is voor personen met verplaatsingsproblemen.

Een oplossing wordt gevonden in een mogelijke beperking van de toekenningsvoorwaarden van de kaart, met name het uitsluiten van het criterium van de algemene handicap, zoals aanbevolen door de NHRPH in zijn memorandum van 2007.

Het advies dat de staatssecretaris vraagt is drieledig en heeft betrekking op:

  • Het geheel van de thans in voege zijn toekenningscriteria;
  • De controle op de parkeerkaarten;
  • Het gebruik van de parkeerkaarten.

Analyse

Alleen al een analyse van de vraag van de staatssecretaris roept volgende vragen op (niet exhaustief):

  • Zijn er, in verhouding tot het totale wagenpark, meer parkeerkaarten in omloop en welke zijn de mogelijke oorzaken?
  • Waarom is er een tekort aan voorbehouden plaatsen?
  • Heeft een persoon met mobiliteitsbeperkingen voorrang bij het gebruik van een wagen om zich te verplaatsen?
  • Moet het aantal in omloop zijnde parkeerkaarten beperkt worden?
  • Is de beperking van de toekenningsvoorwaarden een oplossing?
  • Zijn er andere oplossingen?
  • Wat was de bedoeling van NHRPH met de vermelding in het memorandum: "de toekenning van de parkeerkaart op basis van verplaatsingsmoeilijkheden"?
  • Welke situaties maken dat een persoon zich moeilijk kan verplaatsen?
  • Op welke leeftijd wordt de parkeerkaart aangevraagd?
  • Wat houdt controle in?
  • In welke situaties mag de parkeerkaart gebruikt worden?

Analyse

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap is de mening toegedaan dat een hele reeks argumenten aantonen dat het probleem van de parkeerkaart complexer is dan de algemene criteria. De Raad brengt dan ook een voorlopig negatief advies uit om alleen daaraan iets te doen.

Bovendien blijkt uit recent cijfermateriaal dat de parkeerkaart in de overgrote meerderheid van de gevallen afgeleverd wordt op basis van een score van 2 punten voor verplaatsing.

Het bureau van de NHRPH heeft bijkomende cijfergegevens gevraagd en hoopt op basis daarvan een definitief advies te kunnen geven.


Bezorgd

Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap

Ter info aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2010/25 - Welvaartsaanpassing

  • Jaartal advies: 2010

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de welvaartsaanpassing van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 13/12/2010.


Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris in zijn brief van 10/10/2010


Onderwerp

De wet betreffende het Generatiepact van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Om te voorkomen dat er een grote kloof ontstaat tussen de tegemoetkomingen van het bijstandsstelsel en de socialezekerheidsuitkeringen is in een gelijkaardig mechanisme van welvaartsaanpassing voorzien.


Advies

De NHRPH wil, in volgorde van belangrijkheid, dat het bedrag van de toegekende financiële enveloppe gebruikt wordt om volgende maatregelen te financieren:

  • Voorrang wordt gegeven aan de verhoging met 1% van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming, want deze situeren zich onder de armoedegrens;
  • Een volgende doelstelling is de verhoging, voor de berekening van de integratietegemoetkoming, van de grensbedragen van de categorievrijstelling, toegepast op de "andere" inkomens van de persoon met een handicap (zoals onderhoudsgeld, inkomen partner dat de grens overschrijdt, ...) tot het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap laat bovendien binnen het kader van deze maatregel opmerken dat het absoluut noodzakelijk is in de toekomst te vermijden dat afwijkingen ontstaan tussen de bedragen van deze categorievrijstelling en de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming, hetgeen op dit ogenblik het geval is. Beide bedragen moeten integendeel steeds in dezelfde zin verhoogd worden zoals dat vóór 2003 ook het geval was. Bijgevolg stelt de NHRPH voor dat wat betreft de reglementaire teksten, teruggekeerd wordt naar de formulering zoals ze bestond vóór 2003: namelijk dat de categorievrijstelling moet overeenkomen met het jaarlijks bedrag van de overeenstemmende inkomensvervangende tegemoetkoming.
  • Wanneer er nog een budgettaire ruimte voorhanden is, zet de NHRPH deze in voor de verhoging met 1% van de bedragen van de integratietegemoetkoming voor categorie 1 en 2.

Bezorgd

Voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap

Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Advies 2011/01 - Kentekenplaten

  • Jaartal advies: 2011

Advies betreffende de nieuwe regelgeving inzake kentekenplaten. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht tijdens de zitting van 17/01/2010.


Onderwerp

Sinds 16 november 2011 moet bij het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig in België de eigenaar een nieuwe Europese kentekenplaat aanvragen.

Thans zijn talrijke personen met een handicap in het bezit van een rijbewijs waarop de kentekenplaat uitdrukkelijk staat vermeld. Bij elke wijziging van kentekenplaat moet dan ook het rijbewijs worden aangepast.

Vooraf moet het CARA aan het gemeentebestuur de rijgeschiktheidsattesten bezorgen, op basis van een medisch en psychologisch verslag. Voor vele dossiers beschikt het CARA niet meer over voldoende gegevens en moet de persoon terug worden opgeroepen voor een nieuw geschiktheidsattest. Het gevolg daarvan is dat er voor bepaalde personen thans wachttermijnen zijn van meer dan zes maanden voor het vernieuwen van een rijbewijs.

Bovendien blijkt dat de formulieren voor de aanvraag van een nieuwe kentekenplaat niet meer voorzien in de mogelijkheid voor personen met een handicap om vrijstelling te vragen van de betaling van de inschrijvingstaks.


Advies

Voor talrijke personen met een handicap is de wagen het enige mogelijke verplaatsingsmiddel.

Er moet dringend een oplossing komen die verplaatsingen met de wagen toelaat tijdens de wachtperiode voor de vernieuwing van het rijbewijs.

Bovendien moeten personen met een handicap de mogelijkheid blijven hebben om vrijstelling te vragen van de betaling van de inschrijvingstaks.


Bezorgd

  • voor opvolging aan
  • -aan de Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap
  • -aan de Minister bevoegd voor Mobiliteit
  • ter info
  • -aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

Advies 2010/07bis - VN-Verdrag

  • Jaartal advies: 2010

Advies betreffende de toepassing op het Belgische federale niveau van artikel 33.2 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitgebracht door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) tijdens de zitting van 15/03/2010

Aanvrager

Advies op initiatief van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH)


Onderwerp

De heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, heeft de conclusies van de Interministeriële Conferentie van 9 maart 2010 voorgesteld.

Hij heeft in het bijzonder toelichting gegeven bij de uitdagingen van artikel 33.2, met name de onafhankelijkheid van de instantie voor de bevordering, de bescherming en de opvolging van het VN-verdrag (zoals voorzien in artikel 33.2 van het Verdrag) en het onderbrengen ervan bij het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.


Advies

De NHRPH wenst eraan te herinneren dat hij, van bij het begin van zijn denkoefening (zie advies van 15 februari 2010 in het bijzonder), op de meest eenduidig mogelijke wijze en met het oog op de naleving van de door de Verenigde Naties internationaal bepaalde criteria van Parijs, de klemtoon legt op de vereiste om de instantie voor de bevordering, de bescherming en de opvolging van het VN-verdrag volledig onafhankelijk te maken.

De NHRPH neemt op positieve wijze akte van de politieke wil om de absolute onafhankelijkheid van de instantie van artikel 33.2 te waarborgen.

De leden van de NHRPH zijn het er unaniem over eens dat, met de huidige Belgische institutionele architectuur, enkel het Belgian Disability Forum (BDF) vzw in aanmerking kan komen om er deze instantie van artikel 33.2 bij onder te brengen. Het BDF biedt:

  • Legitimiteit: het BDF is samengesteld uit en wordt beheerd door de verenigingen van personen met een handicap.
  • Beheersautonomie: de algemene vergadering van de vertegenwoordigers van de verenigingen van personen met een handicap legt jaarlijks het actieplan vast. De RvB bepaalt de noodzakelijke acties en het Bureau zorgt voor het dagelijks beheer van de dossiers.
  • Onafhankelijkheid in de werking: de verenigingen van het BDF richten zich uitsluitend op de verwachtingen van de personen met een handicap die ze vertegenwoordigen. In een jaarverslag worden de activiteiten van de vzw toegelicht. Een secretariaat, een lokaal en technische middelen ondersteunen de werking van de vzw.

Bezorgd

Voor opvolging aan de Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Personen met een handicap

Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding

Advies 2010/24 - MB parkeerkaart

  • Jaartal advies: 2010

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 22/11/2010


Aanvrager

Advies op vraag van de heer Delizée, staatssecretaris voor personenn met een handicap (brief van 17/11/2010).


Onderwerp

Het ontwerp van ministerieel besluit heeft tot doel de procedure om een parkeerkaart te bekomen, te vereenvoudigen. De persoon met een handicap zal geen identiteitsfoto moeten opsturen indien een foto beschikbaar is in het Register van de identiteitskaarten of in het Register van de Vreemdelingenkaarten, waar de Directie-generaal de foto zal opvragen.

Op de plenaire vergadering werd verder gezegd dat de firma die de kaarten maakt, de parkeerkaart naar de betrokkene stuurt die zijn handtekening aanbrengt als hij de kaart ontvangt.

Op de parkeerkaart is een hologram aangebracht en een volgnummer om het aanmaken van duplicaten te beperken.


Advies

De NHRPH geeft een positief advies met betrekking tot deze wijzigingen en spreekt zijn waardering uit voor de aandacht die besteed wordt aan de beveiliging van de kaart.

Voor het overige zijn de leden het er over eens dat enkel een doelgerichte controle door de politie het oneigenlijk gebruik van de kaart kan inperken.

De NHRPH meent dat een sensibiliseringsactie in die zin noodzakelijk is.


Bezorgd

voor opvolging aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Sociale Zaken belast met personen met een handicap

Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Advies 2010/22 - Strategie 2020

  • Jaartal advies: 2010

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de uitvoering van de richtlijnen in België en de noodzaak om bij de uitwerking van het nationaal hervormingsprogramma 2010-2020 rekening te houden met de behoeften van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 20/09/2010.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

In het kader van de prioriteiten en de doelstellingen die door de Europese Unie werden vastgelegd in de Strategie 2010-2020 ("Richtlijnen"), moet elk land deze herfst aan de Europese Commissie een nationaal hervormingsprogramma (NHP) voorleggen dat rekening houdt met de specifieke economische en sociale behoeften van het land zelf.


Analyse

De strategie bevat 10 richtlijnen :

De kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën waarborgen Macro-economische onevenwichtigheden verhelpen Onevenwichtigheden in de eurozone beperken De steun voor Research & Development optimaliseren De uitstoot van broeikasgassen beperken Het ondernemings- en consumentenklimaat verbeteren en de industriële basis moderniseren De arbeidsmarktparticipatie opvoeren en de structurele werkloosheid terugdringen Een geschoolde beroepsbevolking ontwikkelen die in de behoeften van de arbeidsmarkt voorziet, arbeidsvoorwaarden verbeteren en een leven lang leren bevorderen De prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus verbeteren en deelname aan tertiair onderwijs vergroten Sociale integratie bevorderen en armoede bestrijden


Advies

Tijdens de plenaire vergadering van 20 september 2010 keurde de NHRPH de volgende aanbevelingen goed opdat het Belgische beleid en de Belgische actieplannen met betrekking tot personen met een handicap zouden tegemoetkomen aan zowel de Europese doelstellingen als de behoeften van personen met een handicap in België.

Richtlijn 6. Het ondernemings- en consumentenklimaat verbeteren en de industriële basis moderniseren

Dit veronderstelt :

  • Toegang tot ICT, tot vervoer en tot de gebouwde omgeving voor alle personen met een handicap.
  • Integratie van het concept "redelijke aanpassingen" in alle domeinen van het leven en in de hierboven vermelde materies. In alle gevallen de toegankelijkheid voor alle personen nastreven (universele toegankelijkheid).
  • Het structureel en permanent betrekken van personen met een handicap bij het uitwerken van het beleid en de maatregelen die op hen betrekking hebben.

Richtlijn 7. De arbeidsmarktparticipatie opvoeren en de structurele werkloosheid terugdringen

  • 1. Tewerkstelling
  • -Sensibiliseren van de werkgevers voor de behoeften van personen met een handicap.
  • -De remmen op de tewerkstelling wegnemen.
  • -Ervoor zorgen dat elle personen met een handicap toegang hebben tot een toereikend en waardig inkomen.
  • -De opleiding van personen met een handicap verbeteren en afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt.
  • -In alle beleidsmaatregelen op het vlak van vervoer, communicatie en informatie meer aandacht besteden aan toegankelijkheid. Zorgen voor doeltreffende redelijke aanpassingen.
  • -Onderzoeksprogramma's opstarten en "universal design" nastreven in al deze domeinen.
  • 2. Remmen op de activering van personen met een handicap
  • -Zorgen voor een toereikend inkomen voor personen met een handicap, dat rekening houdt met hun behoeften en dat hen in staat stelt om op een waardige manier zelfstandig te leven en sociaal actief te zijn.
  • -De koopkracht en de bestaansmiddelen van personen met een handicap beschermen tijdens periodes waarin ze niet werken.
  • -Rekening houden met het feit dat vele personen met een handicap en in zekere mate ook hun gezinsleden geen volledige loopbaan kunnen opbouwen en daardoor ook geen volwaardig pensioen kunnen opbouwen.
  • 3. Toegang tot kwaliteitsvolle goederen en diensten: de aanbevelingen met betrekking tot richtlijn 6 gelden ook hier.
  • 4. Betere erkenning en bescherming van de sociale economie.
  • 5. Erkenning van een fiscaal en sociaal statuut voor gezinnen die zorgen voor zwaar zorgbehoevende personen met een handicap die niet op de arbeidsmarkt terechtkunnen.

Richtlijn 8. Een geschoolde beroepsbevolking ontwikkelen die in de behoeften van de arbeidsmarkt voorziet, arbeidsvoorwaarden verbeteren en een leven lang leren bevorderen

  • 1. De opleiding van personen met een handicap verbeteren en afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt.
  • 2. De sector van de beroepsopleiding beter ondersteunen (onvoldoende gefinancierd door de overheid).
  • 3. Onderzoeksprogramma's opstarten en "universal design" met oog voor de behoeften van personen met een handicap nastreven in al deze domeinen.
  • 4. Zorgen voor doeltreffende redelijke aanpassingen in al deze domeinen.

Richtlijn 9. De prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus verbeteren en deelname aan tertiair onderwijs vergroten

  • 1. Idem richtlijn 8.
  • 2. De school inclusiever maken, in het bijzonder door sensibilisering rond handicaps, door middelen te voorzien voor omkadering, door pedagogische middelen te voorzien, door de opleiding van de leerkrachten op dit vlak te verbeteren en vanzelfsprekend ook door de schoolgebouwen zelf fysiek toegankelijk te maken.

Richtlijn 10. Sociale integratie bevorderen en armoede bestrijden

  • 1. Een doeltreffende en afdoende sociale bescherming (die rekening houdt met werkelijke behoeften die er zijn om een waardig en kwaliteitsvol leven te kunnen leiden) voor alle personen met een handicap: kwaliteitsvolle gezondheidszorgen, goederen en diensten die betaalbaar zijn voor iedereen.
  • 2. Instellingen en thuishulp: de beide concepten mogen niet tegenover elkaar worden geplaatst, de respectieve voordelen ervan moeten worden ondersteund. De desinstitutionaliseringsgolf in Europa moet gepaard gaan met een beleid op het vlak van individuele ondersteuning in de thuisomgeving, wat personen met een handicap moet toelaten zich te integreren in de maatschappij. Opname in een instelling of thuishulp moet een echte keuze van de persoon met een handicap en zijn gezin zijn.
  • 3. De mantelzorger en het gezin van de persoon met een handicap moeten worden beschermd op sociaal, financieel en fiscaal vlak.
  • 4. Versterking van de sociale economie.
  • 5. Personen met een handicap moeten gestructureerd worden betrokken in het besluitvormingsproces.

Het is absoluut noodzakelijk dat duidelijke, cijfermatige en kwaliteitsvolle indicatoren worden uitgewerkt voor de opvolging van de concrete uitvoering van de aanbevelingen, in de geest van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.


Bezorgd

Voor opvolging aan de ministers van de federale regering, aan de Ministers-presidenten van de Gewestregeringen en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.