Terug naar hoofdinhoud

Advies 2017/15 - Protocol verpleegkundige handelingen

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2017/15 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) betreffende de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt en de gezondheidszorgbeoefenaars (versie 2- aangepast juli 2017)


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op 16 oktober 2017.


Onderwerp

Een enig protocol zal de 3 protocollen vervangen die op 24 februari 2014 werden ondertekend en die de zorgrelaties tussen de verschillende zorg- en bijstandsverleners voor de persoon vastlegden, respectievelijk thuis, in instellingen of in de kinderopvang.

Het nieuwe ontwerp van protocol legt een algemeen kader vast waarin de principes van het verlenen van medische zorg buiten de medische instellingen worden bepaald, mits het bepalen van een kwaliteitskader.

Een versie 1 (werknota) werd door de NHRPH geanalyseerd en becommentarieerd in zijn advies 2017/08 /nl/adviezen/advies%C2%A02017-08

Het Kabinet nodigde de NHRPH uit voor een werkvergadering op 20 september om een versie 2 (werknota) te becommentariëren die in juli 2017 werd uitgewerkt in het licht van nieuwe activiteiten in het kader van de Interministeriële Conferentie.


Analyse

Versie 2 verschilt van versie 1 in de volgende aspecten:

  • Het toepassingsveld wordt beperkt en betreft niet langer de situaties waarbij zorg wordt verstrekt buiten de zorginstellingen;
  • Vastlegging van de criteria van het kwaliteitskader betreffende zorg en begeleiding: zowel de federale overheid als deelgebieden kunnen criteria vastleggen in het kader van hun eigen bevoegdheden. Het protocol bepaalt tevens dat de entiteiten hun eigen regelgeving inzake de zorgactiviteiten in hun sectoren kunnen invoeren (activiteiten van het dagelijkse elven, psychosociale en pedagogische ondersteuning);
  • Definitie van de zorghandeling werd geschrapt;
  • De tekst werd grammaticaal opgepoetst.

Voor het overige blijft de analyse geformuleerd in advies 2017/08 ongewijzigd.


Advies

De NHPRH benadrukt dat de beslissing van de Minister om de NHRPH over versie 2 te raadplegen vóór het dossier opnieuw wordt onderzocht door de Interministeriële Conferentie, constructief is.

De CSNPH constateert weliswaar een algemene vooruitgang in het denkkader, maar wijst ook op een aantal zorgwekkende punten die moeten worden opgehelderd. Zo niet zal de band ontbreken tussen de kwaliteit van de dienstverlening en de zorg enerzijds en het respect voor de levenskeuzes van de betrokkene anderzijds. Aangezien elke dag duizenden mensen onwettige handelingen stellen, is het bovendien absoluut noodzakelijk dat dit protocol ook het kader vastlegt voor de maatregelen die nodig zijn om werknemers in staat te stellen hun taken op een kwalitatieve manier uit te voeren.

De NHRPH wijst ook op de vaststelling die hij al in zijn advies 2017/08 had gedaan, nl. dat de federale overheid een reeks hervormingen doorvoert die tot gevolg hebben dat bepaalde bevoegdheidsgebieden naar de deelstaten verschuiven, terwijl deze zich daar vroeger niet mee moesten bezighouden (bijvoorbeeld verzekeringsdekking voor gedelegeerde handelingen). De gefedereerde entiteiten zullen noodzakelijkerwijs een standpunt moeten innemen en er lering uit trekken op het vlak van hun eigen bevoegdheidsgebieden. Een ander voorbeeld is de opleiding van het professioneel en het niet-professioneel personeel, te meer omdat de gemeenschappen die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs het protocol niet hebben ondertekend.

 

Meer in het bijzonder,

 

Wat het toepassingsveld van het protocol betreft (situaties van zorgverstrekking buiten de zorginstellingen) gaat de NHRPH ervan uit dat het protocol dus van toepassing zal zijn op alle zorgplaatsen behalve ziekenhuizen of strik “medische” locaties (bv. eerstelijns medische huizen). Het gaat dus onder meer om de woonplaats, de school, kinderdagverblijven, de werkplaats, plaatsen voor vorming en opleiding, vrije tijd enz. maar misschien ook instellingen voor personen met een handicap en rustoorden (ROB) en rust- en verzorgingstehuizen (RVT). De tekst is niet duidelijk. Het toepassingsveld moet beter worden gepreciseerd.

Wat de verdeling van de bevoegdheden tussen de entiteiten betreft voor het vastleggen van een kwaliteitskader: de formulering is dubbelzinnig en leidt tot verwarring, want zowel de federale overheid als de deelgebieden zullen uiteindelijk een zorgkwaliteitskader kunnen vastleggen.  Terwijl de organisatie en de verstrekking van gezondheidszorg in principe onder de federale Staat vallen (behoudens uitzonderingen die met name werden vastgelegd bij de 6de Staatshervorming), zou deze uitvoering in de praktijk moeilijk kunnen uitvallen aangezien een deelgebied verplicht zou kunnen worden een kwaliteitskader vast te leggen voor zorg verstrekt in het kader van de begeleiding. De NHRPH vraagt dat een afzonderlijke rechtshandeling, waarnaar het protocol zal verwijzen, duidelijk preciseert wie wat doet in de vorm van concrete bepalingen. De Raad acht het essentieel dat het zorgkwaliteitskaders steeds moet worden vastgelegd door de federale Staat, om een gelijke zorgkwaliteit te waarborgen zonder discriminatie tussen burgers omwille van hun woon- of verzorgingsplaats.

De vorige versie bevatte een definitie van geneeskundige verzorging. Wanneer men die schrapt, zegt men eigenlijk dat de definitie elders te vinden is en dat daarnaar impliciet wordt verwezen. Ten einde een correct begrip van het protocol te waarborgen, vraagt de NHRPH dat de tekst van het protocol verwijst naar de wettekst die het begrip “geneeskundige verzorging” definieert.

De NHRPH benadrukt de noodzaak van een nomenclatuur die de nieuwe opdrachten van de gezondheidszorgbeoefenaars dekt; dit protocol heeft heel wat nieuwe financiële consequenties terwijl de 6de Staatshervorming een begrotingskader heeft vastgelegd dat de nieuwe organisatie waarin het protocol voorziet niet helemaal dekt. Het is evident dat, zonder deze nieuwe nomenclatuur, de nieuwe organisatie ten koste zal gaan van de kwaliteit van het beroepsleven van de zorgbeoefenaars, de kwaliteit van de omkadering en de verzorging van de personen maar ook van de financiële toegankelijkheid van de zorg.

De nieuwe versie van het protocol bevat nog steeds geen lijst van handelingen die niet mogen worden gedelegeerd.

De NHRPH benadrukt dat er duidelijkheid moet zijn over de draagwijdte wanneer taken worden gedelegeerd: het is met name van essentieel belang dat de bepaling waarin het protocol voorziet, iedereen dekt die personen met een handicap bijstaat, hetzij regelmatig (lesgevers, buren, …), hetzij anders (vrijwilligers, scoutsleiders, monitoren bij BLOSO, …). Tevens moeten ook de grenzen van het delegeren in concrete levenssituaties worden onderzocht: worden taken gedelegeerd aan een leerkracht bv. automatisch doorgegeven aan zijn interim wanneer hij afwezig is? De continuïteit moet gewaarborgd zijn, ook al liggen de levensomstandigheden van de persoon met een handicap niet helemaal vast.

De NHRPH vraagt ook aandacht voor de mantelzorger en wijst erop dat het statuut van de mantelzorger momenteel niet officieel erkend is. In Vlaanderen bestaat er in de verpleegpraktijk hoogstens een mandaat (http://www.nvkvv.be/page?orl=1&ssn=&lng=1&pge=184&searchlist=all&pge_old=107&zoek=attest). In deze onduidelijke maar toch belangrijke context dringt een verduidelijking over de vorm van de – uitdrukkelijke of stilzwijgende – machtiging zich op. Bovendien krijgt de NHRPH geen antwoord wat betreft helpers die in Vlaanderen worden bezoldigd in het kader van de PVF. Meer globaal herinnert de NHRPH aan de inhoud van zijn positienota over de maatregelen die dienen te worden genomen ter ondersteuning van de mantelzorgers: /files/note-aidants-proches.pdf

De NHRPH herinnert eraan dat het huidige kader van de verzekeringsdekking voor professionelen en niet-professionelen die in deze nieuwe werkorganisatie aan de slag gaan, moet worden herzien.

Voor een hele reeks handelingen zal de uiteindelijke verstrekker een niet-professionele helper zijn. Dat hij de verantwoordelijkheid helemaal alleen zou moeten dragen, is uit den boze.

De NHRPH wijst erop dat, terwijl het protocol een doeltreffende, serene en kwalitatief hoogstaande samenwerking tussen zorgbeoefenaars moet waarborgen, de personen met een handicap tevens de mogelijkheid moeten krijgen zelf keuzes te maken en hun leven te organiseren.

De NHRPH onderstreept het belang van een regelmatige evaluatie van deze nieuwe organisatie vanuit het standpunt van de zorgbeoefenaars, de werkverdeling en de personen zelf.

Dit protocol wordt op termijn een bron van verplichtingen en engagementen. Volgens de NHRPH is het dan ook belangrijk dat heldere en ondubbelzinnige terminologie wordt gebruikt. Formuleringen als “dit protocol tracht … te definiëren” zijn niet wenselijk.

Voor het overige verwijst de NHRPH naar zijn aanbevelingen in advies 2017/08.  


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie DE BLOCK, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal DEMIR, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2017/14 - Richtlijn web

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2017/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties.


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH tijdens de plenaire zitting van 16 oktober 2017.


Onderwerp

Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties trad op 22 december 2016 in werking.

De richtlijn is erop gericht de regelgevingen op elkaar af te stemmen en een minimumharmonisatie van de meeste websites en mobiele applicaties van de overheden te verzekeren. In elke Staat moet een toezicht- en klachtenmechanisme worden ingevoerd.

De invoering zal als volgt verlopen:

  • 23 september 2018: omzetting van de richtlijn door de Staten en invoering van een toezicht- en rapportagemechanisme;
  • 23 september 2019: alle websites gecreëerd na 23 september 2018 moeten toegankelijk zijn;
  • 23 september 2020: alle actieve websites moeten toegankelijk zijn;
  • 3 juni 2021: alle mobiele applicaties moeten toegankelijk zijn.

Analyse

De lidstaten moeten

  • ervoor zorgen dat overheidsinstanties de noodzakelijke maatregelen nemen om hun websites en mobiele applicaties toegankelijker te maken door ze waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken. (artikel 4)
  • de richtlijn omzetten (art. 12,§1) en bevoegde instellingen aanduiden (art. 8,§7), (art. 9,§2)
  • ervoor zorgen dat de instellingen van de openbare sector (IOS) aan deze richtlijn voldoen (art. 4), (art. 5,§1), (art. 7,§1), (art. 7, §1, al.5)
  • de overeenstemming van de websites en mobiele applicaties periodiek toetsen (art. 8,§1);
  • zorgen voor de mogelijkheid van een beroepsprocedure (art. 9,§1);
  • opleidingsprogramma’s propageren en faciliteren (voor relevante belanghebbenden en personeel van de overheidsinstanties) (art. 7,§ 4);
  • de nodige maatregelen nemen om te sensibiliseren voor de toegankelijkheidseisen, de voordelen ervan, … (art. 7, §5);
  • de nodige maatregelen nemen om de toepassing van de toegankelijkheidseisen te faciliteren voor andere dan de bedoelde diensten;
  • verslag uitbrengen bij de Commissie (art. 8,§§4 en 5) volgens een vastgelegd tijdsschema.

De richtlijn is bedoeld voor de IOS, dat wil zeggen de Staat, de gewestelijke overheden, de lokale overheden, instellingen van publiek recht (cf. richtlijn 2014/24/EU, art. 2, 61, punt 4), samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meerdere overheidsinstanties of een of meerdere publiekrechtelijke instellingen “opgericht met het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard” - (art.3,1/). De richtlijn laat de Staten de keuze voor wat betreft de toepassing ervan op scholen en crèches.

De bedoelde instellingen moeten een conformiteitsverklaring opstellen volgens een bepaald model en deze up-to-date houden (art. 7,§1).

De organisaties die de belangen van personen met een handicap behartigen en het middenveld moeten, ten einde de behoorlijke uitvoering van de richtlijn te verzekeren (gelet op 49), worden geraadpleegd of betrokken bij de voorbereiding van de inhoud van de opleidings- en sensibiliseringsprogramma’s inzake toegankelijkheid (gelet op 47).

De tekst van de richtlijn voorziet in uitzonderingen in het kader van audiovisuele diensten, onderwijs en andere diensten met een industrieel of commercieel karakter.

Tegen 2018 moet de Europese Commissie nog verschillende uitvoeringshandelingen nemen (art. 6,§2, 2), (art. 7,§2), (art.8, §2), (art.8, §6), met name over de minimale technische bepalingen van de toepassing.

Zij moet ook de samenwerking faciliteren tussen de Staten, en tussen Staten en relevante belanghebbenden, teneinde goede praktijken uit te wisselen en de toezichtmethodiek, de technologische en marktontwikkelingen en de vooruitgang qua toegankelijkheid te evalueren (art. 7, §6).

De Commissie moet ook de toepassing van de richtlijn toetsen (art. 13).

Het BDF en de NHRPH hebben tijdens het eerste semester 2017 met sommige van zijn leden werksessies georganiseerd met de vzw AnySurfer (specialist in het toegankelijk maken van websites) om de concrete uitdagingen in België aan te pakken.

In augustus 2017 vond een ontmoeting plaats tussen het BDF, de NHRPH en Minister De Croo, die bevoegd is voor Digitale Agenda en de omzetting van de richtlijn, en de dienst Fedict, bevoegd voor de toegankelijkheid van de federale websites en applicaties.


Advies

De personen met een handicap hebben naar deze richtlijn uitgekeken, want dankzij de uitvoering ervan zullen zij tegelijk autonomer kunnen leven en actiever deelnemen aan het maatschappelijke leven.

Het internet is immers een tool geworden waar men moeilijk omheen kan: computers en smartphones zijn steeds nadrukkelijker aanwezig in ons dagelijks leven en geven ons een snelle toegang niet alleen tot informatie en diensten maar ook tot goederen. Tevens maakt het een vlotte en onmiddellijke uitwisseling mogelijk.

Deze toenemende digitalisering van de maatschappij is een waardevolle tool voor mensen met verminderde autonomie: personen met een handicap maar ook ouderen, mensen van vreemde origine, … Zo kunnen dove personen bv. gebarentaal gebruiken in hun elektronische communicatie, en mensen met verminderde mobiliteit kunnen hun aankopen online doen.

Toch moet toegankelijkheid tot websites, mobiele applicaties en digitale documenten worden gewaarborgd, ongeacht ieders behoeften. Anders zal de digitalisering zich tegen diegenen keren die ze eigenlijk het meeste nodig hebben.

In de praktijk zijn tal van websites (zowel openbaar als privaat van algemeen belang) nog niet toegankelijk voor personen met een handicap, die bijgevolg afhankelijk zijn en worden uitgesloten.

Elke web-gebruiker moet

  • de informatie kunnen waarnemen;
  • de informatie begrijpen;
  • door de website navigeren;
  • kunnen interageren met het web en een vraag of nood kunnen formuleren evenals antwoorden op wat gevraagd wordt

Hiertoe moet elke website de regels in acht nemen die de toegankelijkheid voor iedereen waarborgen, zowel vormelijk als inhoudelijk.

De toegankelijkheid van een websites en van applicaties voor allen moet als een kwaliteitscriterium worden beschouwd, net als bv. veiligheid. Het internet moet tegemoetkomen aan de behoeften van de gebruikers en deze “verleiden” en “temmen”. Toegankelijkheid is even belangrijk als de gebruiksvriendelijkheid van een site of toepassing. Door openbare sites volledig toegankelijk te maken biedt men de betrokkenen de gelegenheid zich toegang te verschaffen tot goederen en diensten en deel te nemen aan het maatschappelijke leven, op voet van gelijkheid met alle andere burgers.  

Toegankelijkheid is een meerwaarde voor een site en een gebruiksgarantie, en zorgt tevens voor betere verwijzingen in zoekmachines, een gemakkelijkere voortdurende aanpassing en op termijn een lagere exploitatiekost.

Om al deze redenen is het essentieel dat alle informatie die personen toelaat hun rechten en plichten uit te oefenen, toegankelijk zijn in een voor iedereen duidelijk taalgebruik, ongeacht hun specifieke noden. 

De toegankelijkheid van de website is niet alleen de verantwoordelijkheid van de ontwikkelaars en ontwerpers, maar ook van de webbeheerder en de teams die op de sites werken en de medewerkers die voor de content zorgen. De medewerkers moeten regelmatig opleidingen krijgen die zijn afgestemd op hun noden. Het Opleidingsinstituut van de federale overheid (OFO) zou een interessant kenniscentrum kunnen worden. Sommige verenigingen maken al werk van verschillende sensibiliseringsprogramma’s voor het grote publiek; ook hun expertise en ondersteuning kunnen een piste voor samenwerking zijn. Daarnaast beveelt de NHRPH aan dat, naar analogie met een groot aantal bedrijven in Frankrijk, bij iedere dienst  een contactpersoon gespecialiseerd in toegankelijkheid voor personen met een handicap wordt aangeduid door alle werknemers. De NRHPH wijst ook op de noodzaak om in de opleidingstrajecten van het hoger onderwijs een volledige module over web-toegankelijkheid op te nemen. Tot slot is de inwisselbaarheid van tools (videoapparaat, diavoorstelling) een cruciale factor om goede parktijken inzake toegankelijkheid op elkaar af te stemmen.

De eindgebruiker moet zijn noden kenbaar kunnen maken aan de instelling die de website en de applicaties voedt. Tevens moet hij terecht kunnen bij een hogere instantie die helemaal onafhankelijk is en over de nodige expertise beschikt wanneer zijn rechten worden geschonden door het feit dat een website niet toegankelijk is.

Bijzonder aan de onderhavige richtlijn is dat het welslagen van de inwerkingtreding ervan zal afhangen van het toepassen van een revisieproces voor websites dat nu moet beginnen. De NHRPH waardeert deze beleidsaanpak en wenst dat de samenwerking met het beleid en de administratie concreet wordt verdergezet om uiteindelijk te komen tot een Belgische regelgeving die betrekking heeft op de websites van de federale, gewestelijke en lokale overheden en bijdraagt tot het zelfstandig leven van personen met een handicap en hun participatie aan alle domeinen van het leven op voet van gelijkheid met de andere burgers.

Bepaalde aspecten in verband met het toepassingsveld van de richtlijn moeten dan ook zo spoedig mogelijk worden besproken en in reglementering worden omgezet: in het bijzonder benadrukt de NHRPH dat de richtlijn ook van toepassing moet zijn op de diensten van algemeen belang die onmisbaar zijn en worden verstrekt door privéfirma’s, zeker wanneer ze worden gesubsidieerd. De NHRPH denkt dan specifiek aan de Bank van de Post, Proximus, de VRT en de RTBF, hogescholen en universiteiten, de opleidings- en begeleidingsdiensten voor werkzoekenden (VDAB, FOREM, …) en de ziekenfondsen.  

Ook de aspecten betreffende het klachten- en beroepsmechanisme zijn essentieel. Hierover dient met de NHRPH te worden overlegd en er moeten doeltreffende beslissingen worden genomen. Het is ook essentieel dat reglementair wordt voorzien dat de resultaten van de rapportages aan de NHRPH worden bezorgd.

De NHRPH vraagt met aandrang een uitvoeringstijdschema op te stellen dat zo snel mogelijk begint en betrekking heeft op

  • de sensibilisering van de verantwoordelijken en de opleiding van de medewerkers
  • de verwachtingen van gebruikers met een handicap
  • de concrete verwachte resultaten

Bezorgd

  • Voor opvolging aan Minister Alexander De Croo.
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 16

Advies 2017/13 - Tegemoetkomingen PMH

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2017-13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot de naleving van de behandelingstermijnen voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap, geformuleerd op de plenaire vergadering van 18 september 2017


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid is belast met de toekenning van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap: de inkomensvervangende tegemoetkomingen, de integratietegemoetkomingen, en naar aanleiding van de zesde staatshervorming voorlopig de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden.

Uit cijfers op de website van de Directie-generaal blijkt dat de gemiddelde termijn voor de behandeling van dossiers aanzienlijk langer geworden is.


Analyse

Volgens de wet moeten aanvragen tot tegemoetkomingen voor personen met een handicap binnen een bepaalde termijn behandeld worden: gelezen in samenhang met artikel 8bis, derde lid, van de wet van 27 februari 1987 inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap en artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wordt deze termijn vastgesteld op 6 maanden vanaf 2010.

De naleving van de behandelingstermijnen door de Directie-generaal Personen met een handicap is een terugkerende problematiek. Dit aspect was een van de prioriteiten in de beleidsnota van een vorige Staatssecretaris voor Personen met een handicap, en werd tussen mei 2009 en maart 2010 aan een audit door het Rekenhof onderworpen. In 2009 bedroeg de gemiddelde behandelingstermijn 9,4 maanden.

Cijfers van september 2017 op de website van de Directie-generaal (www.handicap.belgium.be) tonen aan dat de behandelingstermijnen (uitgedrukt in maanden) sterk verschillen volgens provincie. De DG haalt technische problemen en een personeelstekort aan om sommige vertragingen te verklaren.


Advies

In zijn verslag van december 2014 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers merkte het Rekenhof op dat "de administratie van oudsher de reglementaire termijn niet haalt en dat ondanks de vele maatregelen die in het verleden werden genomen, dit probleem hardnekkig blijft voortbestaan." In 2017 stelt de NHRPH vast dat meer dan de helft van de provincies de termijn voor inkomensvervangende tegemoetkomingen en tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden niet naleeft. Hij besluit dat noch de technische noch de organisatorische wijzigingen bij de Directie-generaal een afdoende en structureel positieve impact hebben op de naleving van de termijnen voor dossierbehandeling.

Hij merkt eveneens op dat de behandelingstermijn enorm verschilt volgens provincie: vier maanden in Oost-Vlaanderen tegenover twaalf maanden in Henegouwen voor de inkomensvervangende tegemoetkomingen. De NHRPH vraagt zich af waaraan dergelijke verschillen tussen provincies te wijten zijn. Hij is zich terdege bewust van de informaticaproblemen (cf. Advies 2017/03), maar deze troffen alle provincies en kunnen in geen geval het verschil tussen de provincies rechtvaardigen. De overplaatsing van het personeel naar de deelgebieden is ook geen geldig argument, aangezien hun werklast eveneens overgeheveld werd. Bovendien zou dit eveneens overal in het gewest tot uiting moeten komen. Dit is niet het geval: tussen provincies in eenzelfde gewest zijn er ook grote verschillen. Hieruit leidt de NHRPH af dat de aanvragers van een tegemoetkoming niet meer gelijk behandeld worden.

De NHRPH benadrukt dat de administratie de bij de wet opgelegde termijn moet naleven, niet alleen omdat een langere behandelingstermijn nadelig is voor personen met een handicap, een reeds kwetsbaar doelpubliek, maar ook omdat overschrijding van de termijn een invloed heeft op de begroting van de federale overheid, aangezien er dan verwijlinteresten verschuldigd zijn. Hij vraagt de nodige maatregelen te treffen om op zijn minst de wettelijke termijn na te leven in alle provincies en ervoor te zorgen dat de behandelingstermijn overal gelijk is om discriminatie te voorkomen.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan UNIA
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2017/12 - Sociale clausules

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2017-12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot de evaluatie van de omzendbrief van 16 mei 2014 betreffende de integratie van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van sociale clausules en maatregelen ten voordele van kleine en middelgrote ondernemingen, in het kader van overheidsopdrachten geplaatst door federale aanbestedende instanties, geformuleerd op de plenaire vergadering van 18 september 2017


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Ter herinnering: de omzendbrief van 16 mei 2014 past enerzijds in het kader van het federaal actieplan Duurzame overheidsopdrachten 2009 - 2011, dat strookt met de Europese doelstellingen, en anderzijds in het kader van de herstelmaatregelen van de regering om personen die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, opnieuw in het arbeidscircuit te integreren.

De omzendbrief heeft drie doelstellingen:

  • een duurzaam aankoopbeleid bij de federale overheid invoeren;
  • overheidsopdrachten die door federale aanbestedende instanties geplaatst worden, toegankelijker maken voor kleine en middelgrote ondernemingen;
  • de integratie van 'sociale clausules' bevorderen, die in de omzendbrief gedefinieerd worden als maatregelen die tot doel hebben mensen die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, meer kansen op werk te bieden.

Deze omzendbrief is van toepassing op de federale overheidsopdrachten.


Analyse

Ter herinnering: voor de sociale clausules bevat de omzendbrief verschillende verplichtingen voor de federale aanbestedende instanties:

  • nagaan of het wenselijk is de sociale clausules op te nemen in alle overheidsopdrachten;
  • de aan- of afwezigheid van sociale clausules vanaf een bepaald bedrag (≥ 85 000 euro (incl. btw) voor opdrachten voor leveringen en diensten en ≥ 1 200 000 euro (incl. btw) voor opdrachten voor werken) motiveren;
  • de sociale clausules opnemen voor opdrachten voor werken (bouw of renovatie van gebouwen) vanaf 1 500 000 euro (incl. btw). 

Wat wordt verstaan onder 'sociale clausules'?

  • Reserveren van opdrachten of percelen, met andere woorden de mogelijkheid om de toegang tot de markt of tot een deel van de markt te reserveren voor maatwerkbedrijven en/of sociale-economiebedrijven
  • Sociale-tewerkstellingsclausule: wat de uitvoeringsvoorwaarden van de opdracht betreft, bevordert deze clausule de indienstneming van personen die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt
  • Opleidingsclausule: wat de uitvoeringsvoorwaarden van de opdracht betreft, maakt deze clausule het mogelijk werkzoekenden op te leiden die al dan niet tot doelgroepen behoren
  • Onderaanneming in het kader van de vorige clausules

Hoofdstuk 5 (afdeling 5) van de omzendbrief organiseert de evaluatie van de toepassing ervan. In dit mechanisme is de NHRPH een volwaardige actor, die meermaals genoemd wordt:

  • het jaarverslag, dat opgesteld wordt door de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling (ICDO), wordt ieder jaar vóór 31 maart "overgemaakt aan de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap wat betreft het deel van het verslag dat betrekking heeft op de sociale clausules";
  • "(…) de ICDO zal (…) de NHRPHraadplegen" om meer informatie in te winnen voor zijn advies over de naleving van de omzendbrief;
  • een onderzoek naar de toepassing van de omzendbrief binnen de drie jaar (d.i. 21 mei 2017) na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad "(…) door de minister bevoegd voor duurzame ontwikkeling en, wat de sociale overwegingen betreft, door de minister bevoegd voor sociale zaken, die daaromtrent het advies zal inwinnen van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap. In dit kader zal bijzondere aandacht worden besteed aan het belang van de gebruikte drempels."

Advies

De NHRPH verwijst naar zijn advies 2014-18 over de inhoud van de omzendbrief en herinnert eraan dat hij de maatregelen met betrekking tot de sociale clausules die tot doel hebben "de kansen op werk van personen die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, te verhogen door hen nieuwe werkgelegenheidsvooruitzichten te bieden" met open armen ontvangen heeft. Hij juicht ook de rol toe die weggelegd is voor de Raad in het kader van de evaluatie van de omzendbrief.

Drie jaar na de bekendmaking van de omzendbrief in het Belgisch Staatsblad (d.i. 21 mei 2014) kan de NHRPH alleen maar vaststellen dat de evaluatieprocedure, voor het deel dat hem aanbelangt, niet effectief uitgevoerd werd. Om te beginnen werd het deel met betrekking tot de sociale clausules van de jaarverslagen van de ICDO voor 2015, 2016 en 2017 niet aan de NHRPH meegedeeld. Voorts heeft de ICDO geen advies ingewonnen bij de NHRPH bij het opstellen van een of meer adviezen over de naleving van de omzendbrief. Tot slot heeft de NHRPH in het kader van het onderzoek van de omzendbrief na drie jaar tot nu toe geen enkel verzoek tot advies ontvangen van de minister bevoegd voor sociale zaken.

Op basis van deze vaststellingen en los van de initiatieven die hij genomen heeft ten opzichte van de ICDO en de federaties van maatwerkbedrijven om op de hoogte te blijven, betreurt de NHRPH dat hij in de onmogelijkheid verkeert zijn adviserende opdracht te vervullen en geen constructief advies kan geven bij gebrek aan officiële, relevante en vergelijkende gegevens. 

Desondanks heeft de NHRPH wel op eigen initiatief de sector van de maatwerkbedrijven geraadpleegd.  

Uit deze raadpleging blijkt dat in 2016 geen gebruik gemaakt werd van de mogelijkheid om een opdracht of perceel te reserveren en dat het aandeel van het omzetcijfer van de maatwerkbedrijven in de federale overheidsopdrachten 1 017 025,14 euro bedroeg. Dit cijfer toont aan dat het aandeel van de overheidsopdrachten die aan maatwerkbedrijven toegewezen worden (0.2%), zeer klein is in vergelijking met hun volledige omzetcijfer (558.2 mio). 

De NHRPH herinnert eraan dat het toegankelijker maken van de overheidsopdrachten voor maatwerkbedrijven het mogelijk maakt niet alleen het voortbestaan van maatwerkbedrijven te waarborgen en werkgelegenheid te behouden, maar ook bij te dragen tot de verdere ontwikkeling van beide.  

Samengevat betreurt de NHRPH het dat de bepalingen in deze omzendbrief over de evaluatie niet toegepast worden en dat de federale aanbestedende instanties er nauwelijks gebruik van lijken te maken.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Ter opvolging aan mevrouw Christine Marghem, Minister voor Duurzame Ontwikkeling
  • Ter opvolging aan de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan UNIA
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 13

Advies 2017/10 - Elektronische identiteitskaart

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof

Advies nr. 2017-10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het inscannen van vingerafdrukken in de Belgische identiteitskaarten, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 september 2017.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De buitengewone Ministerraad die heeft plaatsgehad op 14 mei 2017 heeft een aantal beslissingen op het vlak van veiligheid en justitie getroffen. Volgens de informatie in de pers werden financiële middelen ter beschikking gesteld om 28 maatregelen uit te voeren, waaronder het inscannen van vingerafdrukken in de chip van de elektronische identiteitskaart vanaf 2019. Er wordt niet overwogen een database met vingerafdrukken samen te stellen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het is de bedoeling de strijd tegen identiteitsfraude op te voeren.


Analyse

Ter herinnering: de digitale of elektronische identiteitskaart (eID) wordt afgeleverd aan iedere Belg ouder dan 12 jaar. Men moet ze verplicht in zijn bezit hebben vanaf de leeftijd van 15 jaar op straffe van strafrechtelijke sancties (boetes van 26 tot 500 euro).

Met de eID is het mogelijk zich te identificeren door zijn identiteit, zijn nationaliteit, zijn leeftijd te bewijzen en zich binnen de Europese Unie te verplaatsen.  Daarnaast biedt het inbrengen van een elektronische chip in de kaart ook andere voordelen: zich elektronisch authenticeren, elektronisch ondertekenen, zijn belastingaangifte indienen, administratieve documenten bekomen, …

Ze is 10 jaar geldig (met uitzondering van personen ouder dan 75 jaar voor wie de geldigheidsduur 30 jaar bedraagt).

Thans gebeurt de afleveringsprocedure voor de kaart ingevolge een uitreiking, een hernieuwing en ook een vervanging in twee stappen: eerst gaat de persoon met een aantal documenten (waaronder een reglementaire foto) in EIGEN PERSOON naar zijn gemeentebestuur om zijn aanvraag in te dienen en ze te ondertekenen. Sommige gemeenten voorzien in een bijzondere procedure (personeelslid van het gemeentebestuur verplaatst zich naar de woonplaats) voor personen die zich om medische redenen niet kunnen verplaatsen.

Bij de tweede stap gaat de persoon (of de persoon die een volmacht heeft) naar het gemeentebestuur om de kaart te activeren en ze af te halen.

Voor het inscannen van vingerafdrukken in de chip van de identiteitskaart moet de persoon zich naar zijn gemeentebestuur begeven. Deze verplaatsing in eigen persoon is evenwel niet mogelijk voor een aantal personen met een handicap.


Advies

De NHRPH formuleert hierover een advies op initiatief bij wijze van ‘voorzorgsmaatregel’. Aangezien de politieke beslissing om vingerafdrukken in de chip van de identiteitskaarten in te scannen werd genomen en dat ze vanaf 1 januari 2019 zal moeten worden toegepast, beschikt de administratie over iets minder dan anderhalf jaar om de maatregel uit te werken (wetteksten en verordenende teksten, omzendbrieven, voorlichting voor de gemeenten en de burgers, technische aanpassingen, …).

Hij zou de aandacht in het bijzonder willen vestigen op de situatie van personen met beperkte mobiliteit (bv.: langdurig gehospitaliseerde personen, geïnterneerden in psychiatrische ziekenhuizen, ouderen in rusthuizen, …) die zich definitief of tijdelijk langdurig niet in eigen persoon naar het gemeentebestuur kunnen verplaatsen.

Thans gebeurt het inscannen van de vingerafdrukken voor paspoorten door middel van zware apparatuur. Sommige leden van de NHRPH hebben onlangs kennis gehad van een gelijkaardige probleemsituatie in de praktijk bij het hernieuwen van een verblijfskaart. De NHRPH en de FOD Binnenlandse Zaken hebben hierover e-mails uitgewisseld in de loop van januari 2017.

Opdat alle burgers op voet van gelijkheid in orde kunnen zijn wat betreft het bezit van de identiteitskaart, enerzijds, en opdat zij kunnen genieten van de voordelen van een eID, anderzijds, vraagt de NHRPH om nu reeds akte te nemen van de verschillende situaties die zich in de praktijk zouden kunnen voordoen en ze aandachtig te onderzoeken en om alle relevante oplossingen (bijvoorbeeld draagbare toestellen) na te gaan, zodat ze kunnen worden toegepast op 1 januari 2019.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Jan Jambon, Minister van Binnenlandse Zaken;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2017/11 - NMBS uitbreiding 3u

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de uitbreiding van 18 naar 41 stations waar de verminderde minimumreservatietijd van 3 uur i.p.v. 24 uur mogelijk zal zijn, wegens hoogdringendheid uitgebracht op 18/08/2017 na elektronische raadpleging.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS via een brief van 18/07/2017.


Onderwerp

Om assistentie te kunnen garanderen in 131 stations en haltes hanteert de NMBS als algemene regel dat de assistentie minimaal 24 uur op voorhand moet worden aangevraagd. Begin 2016 is er een versoepeling ingevoerd: voor reizen zonder overstap tussen 18 stations (nl. Antwerpen-Centraal, Brugge, Brussel-Centraal, Brussel-Noord, Brussel-Zuid, Charleroi-Sud, Denderleeuw, Dendermonde, Gent-Sint-Pieters, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Liège-Guillemins, Mechelen, Mons, Namur, Oostende, Sint-Niklaas) werd de reservatietermijn ingekort tot minimaal 3 uur op voorhand mits telefonische reservatie via het ContactCenter (geopend van 7u tot 21u30). 

De NMBS heeft plannen om aan die 18 stations nog 23 stations toe te voegen, namelijk Aarschot, Arlon, Blankenberge, Braine-le-Comte, Brussel-Airport Zaventem, De Panne, Genk, Gent-Dampoort, La Louvière-Sud, Libramont, Lier, Lokeren, Louvain-La-Neuve Université, Marloie, Mol, Nivelles, Ottignies, Oudenaarde, Rochefort-Jemelle, Tournai, Turnhout, Verviers-Central en Zottegem, en dat vanaf 4 september 2017. In een latere fase, volgens de planning eind 2018, komt Aalst er ook nog bij. 

Er is wel een extra beperkende voorwaarde bijgekomen. Behalve dat de assistentie minimaal 3 uur op voorhand wordt gereserveerd via het ContactCenter en dat de reis zonder overstap dient te gebeuren tussen 2 van de 41 bovenvermelde stations, moet de reis ten vroegste om 6u30 ’s morgens beginnen en ten laatste eindigen om 21u ’s avonds (volgens de gepubliceerde dienstregeling).

Op 07/07/2017 zijn de plannen voorgesteld aan de stakeholders. Die kregen de kans om te reageren en vragen te stellen.


Analyse

Uit cijfers van de NMBS uit 2016 blijkt dat de overgrote meerderheid van de assistentieaanvragen in de periode 6u30-21u valt. De personeelsbezetting van de NMBS tijdens de nachturen is ook veel lager dan overdag. Slechts een beperkt aantal stations heeft een nachtploeg en de mobiele ploegen (B for You) kunnen ’s nachts geen assistentie garanderen voor 41 stations binnen de 3 uur. Om het aantal stations met versoepelde assistentietermijn te kunnen verhogen tot 41 voert de NMBS nu dus een nieuwe beperkende voorwaarde (6u30-21u) in. 

De cijfers van de NMBS tonen verder aan dat 58% van de assistenties wordt geleverd in de 18 stations van de eerste lijst (advies 2015/27). De NHRPH meent dat de impact van de 3-urenregel tot nog toe beperkt bleef wegens het beperkte aantal stations waarop de versoepeling van toepassing was.

In de toekomstige 41 stations gaat het om 77% van de assistentieaanvragen. Wel moet daarbij de kanttekening worden gemaakt dat die 77% niet allemaal in aanmerking komen voor de aanvraagtermijn van minimaal 3 uur. Daar zitten immers ook bij:

  • De reizen met overstap,
  • de reizen van of naar een ander station dan de 41 uit de lijst,
  • assistenties die buiten de tijdsvork vallen.

De tijdsvork 6u30-21u30 geldt in de nieuwe regeling ook voor de 18 stations van de eerste lijst, wat voor die stations een nieuwe beperking betekent.

Wie vroeger of later assistentie wil, moet dat nog steeds minstens 24 uur op voorhand aanvragen. Dat is nog haalbaar voor – bijvoorbeeld - een eenmalige, geplande vroege vlucht op de luchthaven of een aangekondigd evenement, maar veel minder voor vroeg woon-werkverkeer of onverwachte overuren.

Overigens is het aantal treinen in de late uren sowieso ontoereikend voor wie graag naar een optreden, concert of feest in een andere stad gaat, maar dat is een andere discussie.

Globaal meent de NHRPH echter dat de nieuwe regeling een flinke stap in de goede richting is, een die een grotere impact kan hebben dan de oorspronkelijke regeling met slechts 18 stations. Met 41 stations zijn er veel meer directe verbindingen mogelijk. De stations met een korte reservatietermijn kennen nu ook een betere geografische spreiding.


Advies

De NHRPH is verheugd over dit initiatief van de NMBS en brengt een positief advies uit.

De NHRPH vraagt dat de NMBS voldoende ruchtbaarheid geeft aan de nieuwe regeling, vooral dan naar de doelgroep van de personen met een beperkte mobiliteit.

De NHRPH betreurt wel de beperkende voorwaarden:

  • enkel tussen de 41 stations
  • enkel reservatie per telefoon
  • zonder overstap
  • vertrek: niet vroeger dan 6u30
  • aankomst: niet later dan 21u30

De NHRPH wijst er ook op dat de mobiele B 4 You-ploegen in sommige regio’s de vraag niet aankunnen, waardoor correct aangevraagde assistentie soms wordt geweigerd. Dat probleem kan de positieve impact van de nieuwe maatregel ondergraven.

De NHRPH hoopt dat de regeling ook snel wordt uitgebreid naar reizen tussen twee stations uit de lijst van 41 met overstap in een derde station uit dezelfde lijst. Dat betekent inderdaad een extra assistentie, maar mits een goede planning moet dat mogelijk zijn.

Overigens blijft de NHRPH wel ijveren voor assistentie zonder reservatietermijn. Voor de NHRPH blijft het einddoel dat personen met een handicap even vlot en vrij kunnen reizen als andere burgers. De nieuwe regeling is een stap voorwaarts, maar een reservatietermijn van 3 uur is nog steeds lang in geval van wijziging van plannen, onvoorziene (familiale) omstandigheden, activiteiten die afhankelijk zijn van het weer, enz.

Aansluitend wenst de NHRPH ook dat op termijn assistentie in alle stations en haltes mogelijk wordt. Antwerpen-Berchem en Gentbrugge zijn enkele voorbeelden van belangrijkere haltes waar helemaal geen assistentie wordt geleverd. Uiteraard moeten die stations en haltes dan wel eerst volledig toegankelijk zijn.

Voor het uitwerken van concrete technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.

Zoals steeds wenst de NHRPH wenst ook opvolging en feedback.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2017/09 - Revalor

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de nieuwe versie van Revalor, uitgebracht na elektronische raadpleging op 27/07/2017.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS.


Onderwerp

Revalor is een technische handleiding, gehanteerd door de NMBS, die een aantal bouwnormen bevat die voor de ontwerpers een leidraad moeten zijn bij het opmaken van aanbestedingsdossiers betreffende de reizigersomgeving, zijnde de perrons, de onderdoorgangen, de publieke zones van de stationsgebouwen en de stationsomgevingen. Revalor is voor de NMBS de toetssteen voor een toegankelijke infrastructuur, ook voor personen met een beperkte mobiliteit.

De eerste versie, Revalor 2009, werd opgesteld na uitgebreid en langdurig overleg met de sector van de handicap: Plain-Pied, GAMAH, ANLH, Enter, de NHRPH en de FOD Mobiliteit en Vervoer. Revalor houdt rekening met de geldende reglementeringen: Europees, federaal, regionaal, … In principe wordt steeds de strengst geldende gevolgd.

Omdat niet elke situatie kan worden voorzien, blijft de Revalor een ‘work in progress’. Situaties die niet conform Revalor zijn worden normaal gezien voorgelegd aan de NHRPH voor principieel advies. Oplossingen en aanvaarde afwijkingen worden als bijlagen toegevoegd aan Revalor voor toepassing bij vergelijkbare gevallen.

Ondertussen was Revalor 2009 dringend aan herziening toe. Reglementeringen zijn strenger geworden en ook de context van de NMBS is veranderd. De NHRPH is zelf ook al jaren vragende partij voor een actualisering.


Analyse

Algemeen

De NHRPH kreeg maar een korte termijn om een advies uit te brengen. Bovendien was het ontvangen document nog maar een voorlopig en gedeeltelijk ontwerp. Sommige delen waren nog niet herzien en verwijzingen en bijlagen ontbraken vaak. De ontwerptekst was nog deels in het Frans en deels in het Nederlands. De definitieve versie zal volledig beschikbaar zijn in het Frans en het Nederlands.

Als adviesorgaan brengt de NHRPH dan ook in de eerste plaats een principieel advies uit dat niet alomvattend kan zijn en slechts betrekking heeft op de beschikbare delen van het document.

De NHRPH betreurt het dat het ontwerp deze keer niet is voorgelegd aan een werkgroep met een vergelijkbare samenstelling van experts als bij de redactie van Revalor 2009. De expertise van de sector kan zeker van pas komen. De NHRPH meent dat de wijzigingen in regelgeving en context sinds 2009 te omvangrijk zijn voor een simpele actualisering.

Perronhoogtes

In hoofdstuk 8 ‘Bordures de quai’ (p.45) staat m.b.t. de perronhoogtes: « Actuellement, trois hauteurs de quai existent : 28, 55 et 75 cm au-dessus du rail (surface de roulement).Pour le confort à l'embarquement, une hauteur de quai de 76 cm est la plus indiquée. Une hauteur de 55 cm offre un confort d'embarquement acceptable et réduit le coût d'aménagement. »

Zoals reeds gezegd in adviezen 2015/30, 2016/16 en 2017/06 en het perscommuniqué van 22/12/2015 vraagt de NHRPH dat er op termijn werk wordt gemaakt van één enkele perronhoogte, nl. 75 cm. Enkel op die manier kan het Belgische spoorverkeer op termijn evalueren naar uniforme perrons en passagierswagons die perfect op elkaar aansluiten. Gezien de lange levensduur van wagons hypothekeren afwijkingen de toegankelijkheid voor personen met een beperkte mobiliteit tot ver in de toekomst.

NIP

In het beheerscontract 2017-2021 werden de criteria en doelstellingen van paragraaf 2.2. NIP opgenomen. De NHRPH verwijst daarom nogmaals naar het advies 2016/16 over het Nationaal Uitvoeringsplan (NIP) van de NMBS 

In hoofdstuk 2.2 NIP – Toegankelijkheidscriteria (p. 20) staat te lezen:

In kader van de opmaak van het NIP en in kader van de onderhandelingen voor het nieuwe beheerscontract werden volgende principes vastgelegd

  • stations en stopplaatsen beschikken over toegankelijke verkoopsautomaten.
  • stations beschikken over verhoogde perrons (55 of 76 cm):
  • perrons zijn uitgerust met geleidelijnen

Wat de verhoogde perrons betreft: zie hoger. 

Wat de criteria betreft: de NHRPH beschouwt de aanwezigheid van verkoopsautomaten niet als een absoluut toegankelijkheidscriterium, zoals reeds gezegd in advies 2016/16: µ

Hoewel de NHRPH geen tegenstander is van ticketautomaten als bijkomende service, wijst de NHRPH nogmaals op de onvolledige toegankelijkheid van de ticketautomaten, zelfs na de invoering van de hotline. Het bestaan van alternatieven voor loketverkoop is positief, maar de NHRPH blijft de voorkeur geven aan toegankelijke bemande loketten. Bepaalde kwetsbare groepen zoals – bijvoorbeeld – personen met een verstandelijke handicap hebben menselijke hulp nodig bij de aankoop van een ticket. Zie ook advies 2014/19.

Ondertussen heeft de NHRPH wel vernomen dat de NMBS gaat onderzoeken hoe ze die verkoopsautomaten toegankelijker kan maken, een project waarbij ze ook de NHRPH wil betrekken. Dat is een positieve evolutie. 

In advies 2016/16 stelt de NHRPH ook bijkomende criteria voor toegankelijkheid voor, zoals:

  • Menselijke assistentie
  • Beveiliging van trappen met waarschuwingsstroken contrastmarkeringen en leuningen
  • Beveiliging van roltrappen met waarschuwingsstroken en verlichting
  • Toegankelijke pictogrammen en bewegwijzering
  • Toegankelijke toiletten
  • Stationsgebouw uitgerust met geleidelijnen
  • Geleidelijnen naar assistentiezuilen
  • Multisensorieel plan van gebouw en station

Doelstelling toegankelijke stations

In Revalor 2009 – 4.1.5. Beheerscontracten (p.22) staat het volgende: 

De NMBS-Holding verbindt zich ertoe om 100 stationsgebouwen toegankelijk te maken voor personen met beperkte mobiliteit tegen 2018 met uitzondering van toegangen tot de perrons en de onderdoorgangen die onder de verantwoordelijkheid van Infrabel vallen. De keuze van de 100 hiervoor genoemde stationsgebouwen zal gecoördineerd worden met Infrabel opdat de 50 stations die tegen 2018 totaal toegankelijk moeten zijn (d.w.z. met inbegrip van de perrons en de onderdoorgangen), deel uitmaken van de lijst van 100 stationsgebouwen. (…)

Tegen 2028 zullen alle stationsgebouwen toegankelijk gemaakt zijn voor personen met beperkte mobiliteit.

Tegen eind 2012 zullen 52 stationsgebouwen, die samen 60 % van de opstappende reizigers vertegenwoordigen, toegankelijk gemaakt zijn voor personen met beperkte mobiliteit. 

Ook voor Infrabel waren toegankelijkheidsdoelstellingen opgenomen in Revalor 2009: 

Planning:

  • tegen eind 2008: 27 stations;
  • tegen eind 2012: 38 stations, goed voor 51 % van het totale aantal reizigers;
  • tegen eind 2018: 50 stations, zodat een netwerk ontstaat van toegankelijke stations binnen een straal van 30 km;
  • tegen eind 2028: 100 stations zodat een netwerk ontstaat van toegankelijke stations binnen een straal van 15 km.

Sindsdien is er een grote hervorming geweest binnen de NMBS-groep: van 3 maatschappijen is men tot 2 gekomen, nl. NMBS en Infrabel, waarbij NMBS een aantal bevoegdheden en verantwoordelijkheden van Infrabel heeft overgenomen, zoals de toegangen tot de perrons en de onderdoorgangen. Daarom werd er in Revalor 2009 m.b.t. de NMBS nog vooral van de stationsgebouwen gesproken, en minder van stations. Ook moest er worden bespaard binnen de NMBS. Verder zijn de toegankelijkheidscriteria strenger geworden sinds 2019.

Ook al is de vergelijking tussen de situatie in 2009 en nu niet evident, toch moet de NHRPH vaststellen dat de NMBS haar doelstellingen naar beneden heeft bijgesteld. In 2016 waren 19 stations integraal toegankelijk. Volgens de bijdrage van de NMBS aan het Nationaal Uitvoeringsplan voor de personen met een beperkte mobiliteit TSI (2016) komen er 20 toegankelijke stations bij tot en met 2020. Dat zou het totaal eind 2020 slechts op 39 brengen, wat een pak minder is dan de eerder aangekondigde 50 tegen 2018. Wel belooft het Nationaal uitvoeringsplan nog eens 60 stations toegankelijk te maken tussen 2021 en 2026. De NHRPH hoopt stellig dat deze nieuwe doelstellingen wel worden gehaald.

Opmerkingen vanwege de leden

De NHRPH heeft zijn leden geconsulteerd inzake Revalor 2017 en ontving langs die weg een technische analyse van de Expertisecel toegankelijkheid van Blindenzorg Licht en Liefde vzw vanuit het oogpunt van de visuele handicap. Hoewel de NHRPH in de eerste plaats principiële standpunten inneemt en niet louter technische, neemt hij toch een aantal punten over. 

-In 5.2.8. Leesbare en begrijpbare bewegwijzering (p. 29) staat het volgende:

De bewegwijzering gebeurt conform het nieuwe signaletica handboek van de Directie Stations. De pictogrammen zijn gebaseerd op deze van de UIC (International Union of Railways, n.v.d.r.). Daarmee is de bewegwijzering in alle stations gestandaardiseerd. Deze wordt geval per geval bepaald door B-ST.” De NHRPH wil weten of dat signaleticaboek beschikbaar is voor inzage, bijvoorbeeld op de werkgroep NMBS van de NHRPH.

-In 5.3.2.3. Waarschuwingstegels staat het volgende:

De noppentegels worden op min. 60 cm van het “gevaar” geplaatst (…) Uitzondering vormen de noppentegels langs de perronboorden. Deze noppentegels worden op 40 cm van de perronboord geplaatst…

De NHRPH verwijst hier naar zijn advies 2017/02 over de perronranden en ISO 23599/2012 : Deze norm eist een bredere rand dan Revalor 2009 (minimum 50 cm rand tussen waarschuwingstegel en spoor i.p.v. 40 cm), iets waar de NHRPH voorstander van is. Breder is veiliger, zeker voor personen met een visuele handicap.

- In 11 Extrémité d’un quai (p. 48) staat het volgende:

Toutes les extrémités de quais ne devant pas être rendus accessibles au public doivent être équipées soit d’une clôture qui empêche l’accès du public, soit d’un marquage visuel et de bandes podotactiles d’éveil de vigilance signalant la présence d’un danger conformément à la STI 2014 point 4.2.1.13. et le point 11.5 du présent document. 

In sommige gevallen volstaan zichtbare markeringen en waarschuwingstegels niet, bijvoorbeeld op perrons waar de mogelijkheid bestaat dat reizigers dicht bij een perronuiteinde uitstappen. Bij sommige stopplaatsen zijn de perrons immers minder lang dan de treinen die er stoppen. In dat geval moet er een borstwering worden geplaatst. 

-Bij 32. Assistentiezuilen (p. 72) staat het volgende:

De voorgeschreven lokatie is aan de buitenkant van het stationsgebouw, toegankelijk van de eerste tot en met de laatste trein. Bij voorkeur is deze lokatie overdekt en in de nabijheid van de toegangen tot het perron voor PBM (rolstoeltoegang, blindengeleidelijnen, enz). Overleg hierover moet gepleegd worden met B-TR.511. 

Het is natuurlijk zo dat stationsgebouwen vaak ’s avonds sluiten, maar dat betekent wel dat personen die op assistentie wachten soms weer en wind moeten trotseren. De NHRPH vraagt om daar rekening mee te houden en ook voldoende verlichting en goede signalisatie en geleidelijnen te voorzien.

-Verder vraagt de NHRPH de NMBS om van de gelegenheid gebruik te maken om de gehanteerde terminologie in Revalor te corrigeren en uniformiseren. Zie ook advies 2016/16

In navolging van het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap verkiest de NHRPH de termen ‘handicap’ en ‘persoon met een handicap/personne handicapée’ boven ‘gehandicapte’, persoon met een beperking, enz.

Het woord “kleurcontrasten” dient overal vervangen door “contrasten”. Indien verwarring mogelijk is met “tactiele contrasten” kan desgewenst gesproken worden over “visuele contrasten”, maar niet over “kleurcontrasten”. Voor slechtziende personen zijn helderheidscontrasten immers het meest bepalend zijn voor het al of niet opmerken of herkennen van voorwerpen, obstakels, informatie, geleidelijnen en waarschuwingsstroken, … en het gebruik van twee verschillende (zogenaamd “contrasterende”) kleuren niet noodzakelijk een goed helderheidscontrast biedt.

In de Nederlandstalige versie van Revalor is er sprake van een “blinden-geleidestok”. Deze benaming is niet correct. Deze moet overal in de tekst worden vervangen door “witte stok”, overeenkomstig de benaming die wordt gebruikt in de Belgische wetgeving.

Er dient een consequente lijn doorgetrokken in het gebruik van de terminologie betreffende de podotactiele aanpassingen voor blinde en slechtziende personen. Ofwel benoemt men deze met hun functie: geleidelijn, waarschuwingsstrook en oriëntatievierkant (in Revalor genoemd: “informatievierkant”). Ofwel benoemt men deze met hun podotactiele eigenschap: ribbel-, noppen- en verende/rubbertegels. In één zin bijv. vermelden “geleidelijnen en noppentegels” is geen consequent gebruik van deze terminologie. 

Het door elkaar gebruiken van de benamingen “natuurlijke geleidelijn”, “gidslijn”, “kunstmatige geleidelijn”, “kunstmatige gidslijn” en “geleidelijn” schept eveneens verwarring en kan in de praktijk leiden tot foutieve interpretaties van ontwerpers en foutieve toepassingen van uitvoerders.

-Een woordenlijst waarin wordt verduidelijkt wat er precies wordt bedoeld met een bepaalde (technische) term zou een verrijking zijn voor Revalor 2017.

- 5.3.2.1. Natuurlijke gidslijn (p. 29)

4e punt: “Een verhoging in of langs de looproute (vb. een goot in een onderdoorgang).” Een goot als verhoging? Hier klopt iets niet.


Advies

De NHRPH doet in dit geval geen definitieve uitspraak, maar brengt wel een principieel advies uit. 

Hoewel de NHRPH sinds het begin een grote voorstander is van Revalor, betreurt hij toch dat het ontwerp van Revalor 2017 niet is voorgelegd aan een werkgroep met een vergelijkbare samenstelling van experts als voor Revalor 2009. Dat was een grote meerwaarde geweest. De NHRPH raadt nadrukkelijk aan om dat alsnog te doen.

Revalor werd opgesteld om de toegankelijkheid te garanderen voor alle personen met een beperkte mobiliteit, waaronder ook de personen met een handicap, ongeacht de handicap. De NHRPH vraagt om aandacht te hebben voor elke handicap en vraagt extra aandacht voor de verstandelijke handicap, omdat die vaak wordt vergeten bij werken ter bevordering van de toegankelijkheid. 

De NHRPH vraagt om rekening te houden met de opmerkingen in het deel ‘Analyse’.

De NHRPH wenst dat de aanvaarde oplossingen voor situaties die niet waren voorzien in Revalor en die bereikt zijn na overleg binnen de NMBS-werkgroep in Revalor of de bijlagen worden opgenomen.

De NHRPH toont interesse voor het in Revalor 2017 vermelde nieuwe signaleticahandboek en wil het graag bestuderen.

De NHRPH heeft al meerdere adviezen uitgebracht over o.a. de beheerscontracten (adviezen 2014/08 en 2015/30), het Nationaal Uitvoeringsplan en de Technische specificaties inzake interoperabiliteit of TSI (advies 2016/16). De NHRPH blijft ook achter die adviezen staan.

Voor het uitwerken van concrete technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

De NHRPH wenst ook opvolging en feedback, zowel wat zijn adviezen als de beslissingen en werken betreft.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2017/06 - Beleidsverklaring Zuhal Demir

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2017/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beleidsuiteenzetting van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, uitgegeven tijdens de plenaire vergadering van 19 juni 2017


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Wetenschapsbeleid, Armoedebestrijding, Grootstedenbeleid en Personen met een beperking heeft op 13 april jongstleden haar beleidsverklaring voorgesteld aan de Kamer (Kamer DOC 54 0020/069). Bladzijden 19 tot 32 gaan meer bepaald over haar bevoegdheid in het kader van de inclusie van personen met een handicap.

Op uitnodiging van de NHRPH heeft de staatssecretaris haar beleidsprioriteiten en geplande concrete acties voor de komende maanden voorgesteld op de plenaire vergadering van 19 juni. Deze presentatie in PowerPoint was gebaseerd op de beleidsnota, maar werd aangevuld met de reeds gekende evolutie van bepaalde dossiers.


Analyse

In haar beleidsuiteenzetting geeft de staatssecretaris aan een tweevoudig doel na te streven: inclusieve deelname van de persoon met een handicap aan het maatschappelijke leven en ontwikkeling van zijn autonomie en onafhankelijkheid. Hiertoe zal zij "meer mogelijkheden tot tewerkstelling en inkomensverwerving" geven en een "betere dienstverlening" voor personen met een handicap organiseren.

Zij zal ook toezien op

  • de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en de aanbevelingen van de VN-deskundigen voor België, voor zover deze tot haar bevoegdheid behoren;
  • een striktere controle op misbruik van parkeerplaatsen evenals strengere straffen;
  • de afstemming (n.v.d.r.: de NHRPH zou de voorkeur geven aan de term "coördinatie") met de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap.

Meer bepaald op het vlak van toegang tot arbeid en inkomensverwerving zal zij volgende aspecten ondersteunen

  • 3.2.1: bevorderen van de private tewerkstelling en inkomenszekerheid
    • modernisering van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en het wegwerken van inactiviteitsvallen, en stroomlijnen van de interpretatie van het begrip "1/3 verdienvermogen";
    • verhogen van de IVT;
    • combinatie van IVT met werk (oprichten van een werkgroep);
    • ID@work: verdere ontwikkeling van coaching voor werkgevers en van een webapplicatie.
  • 3.2.2: wegnemen van drempels voor publieke tewerkstelling
    • mogelijkheid tot stage als toelatingsproef (in plaats van de generieke proef);
    • verhogen van de tewerkstelling van personen met een handicap door middel van maatwerkbedrijven, meer bepaald door het gebruik van sociale clausules in de overheidsopdrachten;
    • sensibilisering van de overheidsinstanties.

Meer bepaald op het vlak van versterking van de dienstverlening voor de personen met een handicap, zal zij

  • 3.3.1: een betere dienstverlening voor personen met een handicap organiseren: verbetering van de Curam-software, de website My Handicap en de overheidswebsites (uitvoering van de Europese richtlijn);
  • 3.3.2: de minister van Mobiliteit helpen de diensten van de NMBS toegankelijker te maken, met de Minister van Financiën onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om een fiscaal voordeel toe te kennen aan ondernemingen die initiatieven nemen om de toegankelijkheid van hun infrastructuur voor personen met een handicap te verbeteren, de toegang tot musea en museumbeleving ondersteunen.

Meer bepaald op het vlak van misbruik van parkeerkaarten zal zij

  • 3.4.1: samen met de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken misbruik van parkeerkaarten strenger bestraffen en gemeenschapswachters de bevoegdheid geven te bekeuren;
  • 3.4.2: een app voor het scannen van QR-codes ontwikkelen.

Zij zal eveneens het handistreamingbeleid in onder meer de bestuursovereenkomsten, het federaal handicapplan (3.5.1), de Europese handicapkaart en de Accessibility Act (3.5.2) verder ontwikkelen, en tot slot door middel van het coördinatiemechanisme de uitvoering opvolgen van de aanbevelingen die de deskundigen voor België geformuleerd hebben over het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH vestigt overigens de aandacht erop dat mevrouw Demir op blz. 33 in punt 4.2 "ook stappen zal zetten voor de oprichting van een nationaal mensenrechtenmechanisme zoals dit is voorzien in het regeerakkoord".

Tot slot brengt hij op blz. 39 punt 4.5.4 '"extra aandacht voor personen met een handicap in de strijd tegen seksueel geweld", en op blz. 42 punten 4.9.1 "evaluatie van de antidiscriminatiewetgeving" en 4.9.3 "discriminatie op de arbeidsmarkt" onder de aandacht.

Tijdens haar presentatie op de plenaire vergadering van de NHRPH heeft mevrouw Demir toelichtingen gegeven bij haar beleidsuiteenzetting, waarbij ze achtereenvolgens benadrukte dat

  • de NHRPH multidisciplinaire kennis heeft in verschillende dossiers en dat zij in dit kader bereid is in te gaan op verzoeken om een ontmoeting;
  • waarschijnlijk in het eerste weekend van juli een ministerraad gehouden zal worden over de sociale vraagstukken;
  • zij, ondanks haar titel "Staatssecretaris voor Personen met een beperking", resoluut achter de benaming "personen met een handicap" in plaats van "personen met een beperking" staat: iemand kan een handicap hebben zonder beperkt te zijn, maar iemand kan wel beperkt zijn zonder dat dit aan een handicap te wijten is;
  • uit cijfers van de DG PH blijkt dat het aantal personen met een handicap vooral toeneemt omdat er buitenlandse personen met een handicap erkend worden (in de PowerPointpresentatie is er sprake van Bulgaarse en Roemeense personen met een handicap), en dat er gevallen van fraude zijn, wat in de hand gewerkt wordt door het ontbreken van een verblijfsvoorwaarde (sociaal toerisme); zij bekijkt dus of het mogelijk is opnieuw een voorwaarde inzake verblijfsduur in België vóór het indienen van de aanvraag in te voeren.

Zij heeft haar visie op autonomie toegelicht. Hiervoor is volgens haar het volgende nodig:

  • een mentaliteitswijziging;
  • een betere toegang tot werk met behoud van een minimumtegemoetkoming en een erkenningsstatuut dat afgeleide rechten met zich brengt; binnenkort gaat een werkgroep van start die concrete stimuleringsmaatregelen moet uitwerken;
  • bevorderen van de diensten: in de ministerraad zal een nieuwe financiering gevraagd worden voor het onderhoud en de ontwikkeling van Tetra, omdat Curam geen enkele garantie biedt dat tegen september voldaan zal zijn aan de noden voor het beheer van de tegemoetkomingen voor kinderen en personen met een handicap en het uitreiken van de parkeerkaarten;
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de parkeerplaatsen voor personen met een handicap (QR-code, onderzoek van de strengere strafrechtelijke kwalificatie bezig – overtreding van niveau 2bis creëren? –, gebruiksvoorwaarden voor de kaart en bekeuring door gemeenschapswachters);
  • bevorderen van de tewerkstelling in de openbare sector (stages in plaats van proeven, onderaanneming naar structuren die personen met een handicap tewerkstellen, satellietbureaus in de provincies, …);
  • vergroten van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer (overleg met de NMBS, maar ook met de MIVB, de TEC - De Lijn bezig);
  • optrekken van de sociale minima, zeker voor personen die niet werken wegens hun handicap; ter herinnering: in het regeerakkoord staat dat er prioriteiten onder de kansarmen gesteld moeten worden.

Ter afronding van haar uiteenzetting deelt zij mee

  • de werkzaamheden voor de European Disability Card nauwgezet te volgen;
  • handistreaming te ontwikkelen;
  • te zorgen voor toegankelijke openbare plaatsen (braille in musea, liften, …).

Advies

De NHRPH herinnert eraan dat hij een algemene, pluralistische, ervaren adviesraad is (opgericht in 1981). Hij vertegenwoordigt alle personen met een handicap in België voor alle federale bevoegdheden en is in die hoedanigheid de officiële gesprekspartner voor de rechten en noden van personen met een handicap en hun gezinnen. Sinds zijn beslissing van 26 maart 2015 beschouwt de Ministerraad hem als de officiële gesprekspartner van de personen met een handicap bij de volledige regering: elke minister moet de behoeften van de personen met een handicap vaststellen in alle beleidslijnen en acties die hij uitwerkt, en de NHRPH structureel en van meet af aan betrekken bij het denk- en besluitvormingsproces. Ter herinnering: de NHRPH neemt in dit kader deel aan verschillende werkgroepen (NMBS, RIZIV, BCAPH, …). De NHRPH herinnert eraan het enige officiële, legitieme federale orgaan te zijn dat raad en advies kan geven om het zelfstandig leven van personen met een handicap en hun actieve deelname aan het maatschappelijke leven te bevorderen. 

De komende maanden zal hij de concrete strekking van wat gezegd werd in de Kamer ("In het bijzonder zal het beleid worden afgestemd met de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap"), maar ook op de plenaire vergadering ("de Raad beschikt over de kennis, een ontmoeting is altijd mogelijk”) dan ook met bijzondere aandacht volgen. Voor dit laatste benadrukt de NHRPH de algemene filosofie van het participatief beleid en de concrete draagwijdte ervan: het is niet aan de NHRPH om telkens een ontmoeting te vragen wanneer dit hem nuttig lijkt, MAAR wel in de eerste plaats aan de staatssecretaris (en de volledige regering) om spontaan een beroep te doen op de NHRPH.

De NHRPH hecht nu veel belang aan de inhoud van de beleidsuiteenzetting en aan wat mevrouw Demir gezegd heeft op de plenaire vergadering van 19 juni.

Hij deelt volledig de doelstelling van participatie en inclusie van personen met een handicap. Deze doelstelling was overigens reeds opgenomen in de beleidsuiteenzettingen en beleidsnota's van de vorige staatssecretaris, mevrouw Sleurs. De maatregelen van mevrouw Demir liggen trouwens in de lijn van de maatregelen van mevrouw Sleurs; de adviezen /nl/adviezen/advies-2016-02 van 2016 en /nl/adviezen/advies-2016-17 van 2017 over de beleidsnota's van respectievelijk 2015 en 2016 blijven dus relevant voor de onderwerpen in deze beleidsuiteenzetting.

De NHRPH wijst erop dat al de adviezen die hij sinds 2009 geformuleerd heeft, per thema en in chronologische volgorde op zijn website / te vinden zijn. De plenaire vergadering van de NHRPH draagt er zorg voor zich omstandig, concreet, realistisch en genuanceerd uit te spreken. Hij acht het nuttig bij het begin van het mandaat van mevrouw Demir en in het kader van dit advies te herhalen wat hem na aan het hart ligt. Het is trouwens evenzo een beschouwing van de gevolgen van deze beleidsuiteenzetting.

Handicapplan

De NHRPH benadrukte dat het gewoon een intentieverklaring was, met een zwakke inhoud en die daarenboven geen enkel verband hield met de door de VN-deskundigen aanbevolen uitvoering (/nl/thema-s/vn-aanbevelingen).

De NHRPH is van mening dat voor de opvolging en uitvoering van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap een echt interfederaal actieplan nodig is, waarover nagedacht moet worden met de adviesraden voor personen met een handicap die op federaal niveau en in de deelgebieden bestaan, dat in fasen ontwikkeld moet worden, dat over echte middelen moet beschikken en dat regelmatig geëvalueerd moet worden om het werk rond de opvolging van de uitvoering van het Verdrag in het kader van de rapportage bij de VN in 2019 te kunnen verduidelijken.

Voor de inhoud zelf van het zogenaamde handicapplan: cf. ook de beschouwingen in de adviezen 2015-19 (/nl/adviezen/advies-2015-19) en 2016-14 (/nl/adviezen/advies-2016-14).

Handistreaming

De NHRPH stelt reeds jaren vast dat de ontwikkeling van handistreaming maar weinig weerklank vindt bij de administraties. De regeringsleden en administraties doen nog steeds veel te weinig een beroep op de NHRPH voor de uitwerking van beleidslijnen of sensibiliserings- en inclusiemaatregelen voor personen met een handicap, werknemers of burgers. Ongeacht wat er in de bestuursovereenkomsten staat, moet men zich afvragen of er wel degelijk wil en personeel is voor een handistreamingbeleid. Wat de politieke aanspreekpunten betreft, is de NHRPH verheugd dat bepaalde ministers echt concrete maatregelen willen uitwerken, waarvoor trouwens de expertise van de NHRPH vereist is. Het is van essentieel belang dat de staatssecretaris anderen blijft aansporen in het kader van de beslissing die aan het begin van de zittingsperiode genomen werd in de Ministerraad, en de volledige regering ertoe aanmoedigt een handistreamingbeleid te voeren. De NHRPH herinnert ook aan zijn advies van 2015, waarin hij de mogelijkheden onderzocht van een concrete handistreaming (cf. /nl/adviezen/advies-2015-02). 

Informatica-applicaties van de DG PH

De NHRPH heeft herhaaldelijk zijn bezorgdheid geuit en zeer grote bedenkingen uitgesproken over de ontwikkeling van Curam (cf. meer bepaald zijn advies 2017-03: /nl/adviezen/advies-2017-03.htm), waarin hij essentiële eisen formuleert. 

De NHRPH heeft dus met tevredenheid geluisterd naar wat de staatssecretaris wil doen op dit vlak en naar haar beslissing om maatregelen te treffen om het gebruik van Tetra met 4 jaar te verlengen. 

Dit wil evenwel nog niet zeggen dat alle problemen van de baan zijn. Enerzijds moet een grote achterstand ingehaald worden en moet de dienstverlening accurater (betere bereikbaarheid, correcte antwoorden binnen aanvaardbare termijn, minder verlies van documenten) .  Anderzijds leveren bepaalde processen nog problemen op, meer bepaald de bevraging van de behandelde artsen via het eHealth-platform, dat tot te weinig antwoorden leidt en de behandelingstermijnen verlengt.

De NHRPH wenst ook aan te dringen op en te herinneren aan de noodzaak van goede communicatie. Bij geen enkel informaticaprobleem werd voldoende gecommuniceerd met de burgers en de maatschappelijk werkers, via bijvoorbeeld de website van de DG PH. Voorts maakt de NHRPH van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat de diensten van de DG niet toegankelijk genoeg zijn voor doven.

Tewerkstelling van personen met een handicap

In de openbare sector

In haar uiteenzetting voor de NHRPH heeft de staatssecretaris haar voornemen uitgedrukt een ontwerp in te dienen om de drempels tot tewerkstelling in de overheidssector zo veel mogelijk weg te nemen, zonder evenwel meer te zeggen over de draagwijdte van dit ontwerp.

In de bij de Kamer ingediende beleidsuiteenzetting is er sprake van twee voorstellen waarvoor de NHRPH reeds een advies geformuleerd heeft. 

De NHRPH heeft een advies geformuleerd over het wetsvoorstel houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, met het oog op de optimalisering van het quotum inzake tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheidsdiensten - DOC 54 1773/001. Hij wijst op een aantal belangrijke vragen en bedenkingen waarvoor een oplossing gevonden moet worden om de maatregelen effectief te kunnen uitvoeren, anders verliest het wetsvoorstel zijn nut (cf. advies /nl/adviezen/advies-2016-15).

De NHRPH vindt het voorstel van een stage thans een gunstig conceptueel model dat kan leiden tot meer aanwervingen van personen met een handicap in de federale openbare sector, waardoor de federale administraties het aantal aangeworven personen met een handicap effectief kunnen verhogen teneinde het quotum van 3 % te bereiken. 

Niettemin moet bij de praktische en wetgevingsontwikkelingen van dit model rekening gehouden worden met de aandachtspunten in verband met:

  • de doelstellingen: de aanwerving van 3 % van personen met een handicap moet een tewerkstellingsdoelstelling blijven, …
  • de inhoud: geen aanleiding geven tot discriminatie, de basisbeginselen inzake selectie en werving in de openbare sector naleven, de impact op andere wetgevingen meten, de financiële aspecten behandelen, een evaluatie voorzien, …
  • eventuele misstanden: controle- en opvolgingsmechanismen invoeren, zorgen dat de negatieve gevolgen voor de loopbaan of in geval van werkloosheid vermeden worden, … 

Evenzo heeft de NHRPH een advies geformuleerd over de beperkte draagwijdte van de sociale clausules; hij is van mening dat de wet een gemiste kans is om van de sector van de sociale economie en van de maatwerkbedrijven een echte economische partner te maken (bijvoorbeeld hoog bedrag van de overheidsopdrachten voor verplichting tot sociale clausules stemt niet overeen met de echte aanbodcapaciteit van een maatwerkbedrijf). Door sommige artikelen te herwerken, zou de wetgever van deze wet een echt instrument met economische dynamiek kunnen maken, zowel voor de kmo's als voor de maatwerkbedrijven en de sociale-economieondernemingen. Hij heeft een aantal aanbevelingen geformuleerd om het instrument echt nuttig te maken voor de maatwerkbedrijven (cf. advies /nl/adviezen/advies-2016-03). 

In de privésector 

Voor het wetenschappelijk project ID@work herinnert de NHRPH aan de noodzaak betrokken te zijn bij de verschillende wetgevende initiatieven die eruit zouden voortvloeien. 

De NHRPH staat volkomen achter het recht op tewerkstelling voor personen met een handicap op de algemene arbeidsmarkt. Toch benadrukt hij dat activatie grenzen heeft: handicap of ziekte kunnen de toegang tot de algemene arbeidsmarkt tijdelijk of volledig beperken. Uiteraard mag de persoon hierdoor nooit benadeeld worden in zijn toegang tot sociale en economische rechten (cf. /nl/topics/employment_position). 

Meer fundamenteel verwijst de NHRPH naar zijn advies 2017/01 (/nl/adviezen/advies-2017-01), waarin een concreet en gedetailleerd mechanisme voorgesteld wordt om ook de werkgevers van de private sector te responsabiliseren om personen met een handicap

  • aan te werven;
  • aan de slag te houden.

Hoewel de staatssecretaris dit niet ter sprake gebracht heeft in de beleidsuiteenzetting of in de presentatie aan de NHRPH, wenst de NHRPH erop te wijzen dat de maatregelen tussen de overheidsniveaus onderling, maar ook binnen eenzelfde niveau steeds minder samenhang vertonen. Hij herhaalt dat bepaalde personen met een handicap tijdelijk in de regeling van inschakelingsuitkeringen blijven, maar deze beslissingen kunnen pas een positief effect hebben indien de verschillende bestuursniveaus ondertussen structurele beslissingen nemen om hen te begeleiden bij de tewerkstelling. 

Voor de cumulatie tussen tegemoetkoming en tewerkstelling hamert de NHRPH erop dat de werkgroep (cf. punt 3.2.1), die van start zal gaan met zijn denkoefening

  • zal bestaan uit vertegenwoordigers van de NHRPH die vertrouwd zijn met het technische karakter van de wet van 1987 en de bestaande financiële stimuli voor tewerkstelling, maar ook uit vertegenwoordigers van de NHRPH die de werkelijkheid van het werk voor personen met een handicap en de aanpak van werkgevers kent voor ons hele land;
  • de aard en de reikwijdte van het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap integreert: de IVT is bedoeld voor personen met een handicap die niet genoeg inkomen uit hun werk kunnen verwerven en die niet over voldoende andere inkomsten beschikken; de IT is een tegemoetkoming voor personen met een handicap die wegens hun verminderde zelfredzaamheid extra kosten hebben om zich te integreren of een beroep moeten doen op bijzondere voorzieningen (= meerkosten van de handicap) (cf. memorie van toelichting van de wet van 27 februari 1987);
  • de hierboven genoemde denkoefening die de NHRPH reeds uitgevoerd heeft, bestudeert en integreert; de NHRPH benadrukt dat het noodzakelijk is dat werkgevers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen: deze verplichting is op het hoogste niveau vastgelegd in de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap, maar ook in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;
  • de aandacht vestigt op de grenzen van activatie voor personen met een handicap die hun zelfredzaamheid in grote mate verloren hebben. 

Parkeerkaart

De NHRPH pleit altijd al voor een strikte controle en strenge straffen (cf. advies 2015/20 /nl/adviezen/advies-2015-20 voor meer informatie over de concrete aanbevelingen. Het huidige niveau van overtreding verhogen of een nieuw niveau 2bis creëren, kan dus in deze richting gaan. Het volstaat evenwel niet het niveau van de misdrijven te verhogen zonder toezicht erop te houden. In dit verband wijst de NHRPH erop dat het toezicht op het gebruik van de kaarten – jammer genoeg – niet tot de twintig prioritaire acties van de politie behoort. Tot slot wijst hij er ook op dat het parkeerbeleid hoofdzakelijk een gemeentelijke bevoegdheid is en dat samenwerking met de verschillende overheidsniveaus dus noodzakelijk zou zijn.  Automatisering van de rechten (cf. meer bepaald punt 3.3.1 van de beleidsuiteenzetting): de NHRPH verwijst naar de hoorzitting in de Kamer, waarvan hij gebruik gemaakt heeft om een aantal essentiële aspecten onder de aandacht te brengen en te waarschuwen voor de grenzen van verregaande automatisering, terwijl de personen in de eerste plaats nood aan begeleiding en raad hebben (/nl/news/toegang-tot-sociale-rechten-de-nhrph-heeft-zich-uitgesproken-in-de-kamer). Hij legt in het bijzonder de nadruk op de toegang tot de (sociale en andere) diensten van de DG PH, die personen met een handicap de broodnodige begeleiding bieden in hun leven (cf. advies /nl/adviezen/advies-2016-08).

Verhoging van de IVT (punt 3.2.1)

De NHRPH neemt nota van het voornemen om de minimuminkomens op te trekken. De NHRPH herinnert aan de vicieuze cirkel tussen ziekte/handicap en armoede/uitsluiting: armoede is een voedingsbodem voor ziekte en handicap; ziekte en handicap veroorzaken en verergeren armoede. Gelet op deze vaststelling volstaan hogere minimuminkomens waarschijnlijk niet. De NHRPH brengt immers ook in herinnering dat de wet van 27 februari 1987 waarschijnlijk de grenzen van haar capaciteit bereikt heeft en aan herziening toe is (cf. advies /nl/adviezen/advies-2013-19 en /nl/adviezen/advies-2014-04).  

Hij verwijst eveneens naar het achtste tweejaarlijkse verslag van het Steunpunt tot bestrijding van armoede over de rol van de overheidsdiensten in armoedebestrijding (https://www.belgium.be/nl/nieuws/2016/publieke_diensten_en_armoede_verslag_2014_2015).

Ter herinnering: in 2010 had België zich ertoe verbonden 380.000 mensen uit de armoede te helpen tegen 2020 (cf. http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/nrp/nrp_belgium_nl.pdf, blz. 36: België heeft als ambitie dat tegen 2020 380.000 mensen minder geconfronteerd worden met het risico op armoede en sociale uitsluiting ten opzichte van het referentiejaar (2008)).

In 2013 leefden 2.286.000 mensen in armoede of sociale uitsluiting (cf. NHP 2015 tabel 6 op blz. 32: http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/csr2015/csr2015_belgium_nl.pdf).

Volgens het verslag zelf (blz. 33: Er is geen trend in de richting van de doelstelling om het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 met 380.000 te doen dalen ten opzichte van 2010 (EU-SILC 2008)) staan we nog nergens ten opzichte van de doelstellingen van de Europese Strategie ter bestrijding van armoede.

De NHRPH herhaalt zijn zeer duidelijke oproep aan alle beleidsniveaus: er moet dringend werk gemaakt worden van een geïntegreerd beleid en van coherente maatregelen om de armoede in België terug te dringen en de Europese doelstellingen tegen 2020 te bereiken: indien men zich baseert op het verslag van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, zou tegemoetgekomen worden aan de verzoeken van de burgers en de overheidsdiensten. 

Onderhandelingen over de European Accessibility Act (punt 3.5.2)

Net als in een aantal andere landen wil de Belgische economische sector, door gebrekkige kennis van het dossier en van de noden van personen met een handicap, bepaalde aangelegenheden niet langer opnemen in het toepassingsgebied van de richtlijn (websites, vervoer, bebouwde omgeving, ...). Dit zou heel schadelijk zijn en het voornemen van inclusieve maatschappij en economische ontwikkeling van Europese bedrijven ondermijnen.

Net als haar voorgangster spreekt de staatssecretaris zich hierover jammer genoeg niet uit. In zijn advies 2016-05 (/nl/adviezen/advies-2016-05) heeft de NHRPH benadrukt dat deze richtlijn zeer belangrijk is voor personen met een handicap, maar ook voor de betrokken ondernemingen: voor de eersten leidt zij tot deelname aan het maatschappelijke leven, voor de laatsten tot nieuwe markten en tewerkstelling.

Ondersteuning van de mobiliteit (punt 3.3.2)

De staatssecretaris wil hiervan werk maken met haar collega Minister van Mobiliteit, en indien nodig een werkgroep hiervoor oprichten. Zij verwijst met name naar de problematiek van de verplichte reservatie van assistentie.

Voor de NHRPH is toegankelijk openbaar vervoer voor alle personen met een handicap een van zijn topprioriteiten, aangezien mobiliteit voor heel wat personen met een handicap een sleutel is tot autonomie en inclusie. Als officiële gesprekspartner voor personen met een handicap voor de NMBS heeft de NHRPH zeer veel adviezen geformuleerd in NMBS-dossiers. Hij stelt vast dat men de infrastructuren en de diensten echt wil aanpassen aan de verzoeken van personen met een handicap en andere groepen met verminderde mobiliteit in de zin van een grotere fysieke toegankelijkheid, maar ook visuele en auditieve mededelingen in stations en op treinen (vertragingen, volgende halte, kant van het perron (openen van de deur), noodsituaties, ...), maar stelt de gebrekkige toegankelijkheid van sommige stations en de verplichte reservatie van assistentie op voorhand aan de kaak (cf. /nl/adviezen/advies-2015-06, /nl/adviezen/advies-2015-27), omdat spontane verplaatsingen hierdoor serieus afgeremd worden. Het boordtarief is overigens zeer discriminerend voor personen met een zintuiglijke of verstandelijke handicap of zelfs gewoon ouderen die niet overweg kunnen met de elektronische betaalmiddelen die de afgeschafte of in de tijd beperkt toegankelijke loketten vervangen (cf. /nl/adviezen/advies-2015-05 en /nl/adviezen/advies-2015-21. Voorts wijst hij op de problematiek van de ongelijke perronhoogtes. De NHRPH wil dus erop wijzen dat de nieuwe bestuursovereenkomst een gelegenheid is om een concrete en realistische planning op te stellen voor deze eisen (cf. /nl/adviezen/advies-2015-30).

De NHRPH wijst overigens op de aandacht die de staatssecretaris besteedt aan de uitvoering van de "webrichtlijn in de overheidsdiensten", omdat toegankelijke internettools de autonomie en inclusie van alle burgers ondersteunen, en meer in het bijzonder het leven vergemakkelijken van mensen die zich niet vlot kunnen verplaatsen, omdat – dient het nog gezegd? – de bebouwde omgeving, de wegen en het vervoer nog ruimschoots ontoegankelijk zijn en het traject vaak onderbrekingen bevat (cf. positienota /nl/topics/toegankelijkheid-en-mobiliteit), maar ook omdat steeds meer overheidsdiensten minder lang toegankelijk zijn en de informatieloketten afschaffen.

Het is van essentieel belang dat de administraties op alle niveaus vanaf nu werk beginnen te maken van toegankelijkheid: toegankelijke websites zijn niet alleen wettelijk verplicht, ze zijn eveneens een wezenlijk instrument voor communicatie en publiciteit. De komende weken zal de NHRPH een advies over de gewenste draagwijdte formuleren.  

Oprichten van een nationaal mechanisme voor de mensenrechten

De NHRPH wil herinneren aan zijn specifieke samenstelling, zijn rol en zijn opdrachten, die rechtvaardigen dat hij de rechten van de personen met een handicap vertegenwoordigt in dit mechanisme. Er zijn andere officiële handicapgerelateerde organen met specifieke, verschillende, niet-overlappende doelstellingen. De NHRPH werd trouwens geïdentificeerd als de vertegenwoordiger van de personen met een handicap in het kader van het federale politieke denk- en besluitvormingsproces (UNCRPD, artikel 4.3).

Punten "extra aandacht voor personen met een handicap in de strijd tegen seksueel geweld", "evaluatie van de antidiscriminatiewetgeving" en "discriminatie op de arbeidsmarkt"

Uiteraard wacht de NHRPH op verdere concrete details in deze dossiers.

Ter herinnering: hij had gevraagd te mogen deelnemen aan de denkoefening van de groep deskundigen die de huidige wetgeving moesten evalueren.

Uitvoering en opvolging van het UNCRPD

De NHRPH is blij te horen dat een Ministerraad voor de uitvoering van het UNCRPD in oktober gepland is, omdat heel wat aanbevelingen betreffende de uitvoering van het UNCRPD thans zonder gevolg blijven en dringende bepalingen zich opdringen.

Toename van het aantal uitkeringsgerechtigden

Tot slot wil de NHRPH reageren op de analyse van de staatssecretaris met betrekking tot het toegenomen aantal aanvragen en erkenningen, die zij als "frauduleus" bestempelt voor buitenlanders, meer bepaald Bulgaren en Roemenen: hij gaat absoluut niet akkoord met deze analyse. Het aantal personen dat erkend is in het stelsel van de wet van 1987 neemt voortdurend toe. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal erkenningen voor de laatste twintig jaar:

Het aantal groeit gestaag, maar regelmatig.  Er is geen "massale toestroom" in het stelsel om een andere reden dan de welgekende functie van het tegemoetkomingsstelsel, dat als "laatste vangnet" fungeert voor personen met een handicap die een laag inkomen hebben, wanneer zij niet of onvoldoende opgevangen worden door de andere socialezekerheidsstelsels.

De NHRPH zou graag beschikken over de cijfers waarop de staatssecretaris zich gebaseerd heeft voor de op zijn minst stigmatiserende opmerkingen en de schokkende conclusie van fraude.

De NHRPH herinnert eveneens aan de Europese rechtspraak, die voorziet in vrij verkeer van werknemers en hun gezin in de Europese Unie (waarvan Bulgarije en Roemenië twee lidstaten zijn), en verklaart dat de toepassing van een verblijfsvoorwaarde volkomen in strijd is met het vrij verkeer van burgers.

Tot slot heeft de staatssecretaris een aantal voor de NHRPH – en bijgevolg voor de personen met een handicap – belangrijke dossiers niet genoemd in haar beleidsnota, waarschijnlijk omdat deze tot de bevoegdheid van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid behoren. Dit neemt niet weg dat de NHRPH zou willen dat de staatssecretaris zich ertoe verbindt samen te werken met haar collega, net zoals zij dit voor mobiliteit zal doen met haar collega Minister van Mobiliteit. Het betreft voornamelijk volgende dossiers: 

Het dossier "mantelzorgers"

De (zeer terechte) vraag naar zelfstandigheid van personen met een handicap en ouderen, de beweging van de-institutionalisering, het afschaffen van ziekenhuisbedden, het financiële obstakel voor de toegang tot woonvoorzieningen zijn allemaal redenen die thuiszorg en ondersteuning door naaste familieleden en vrienden doen toenemen. Talrijke studies hebben aangetoond dat mantelzorgers menselijke en financiële middelen investeren, maar daardoor meer kans op sociale uitsluiting en armoede lopen. Zij offeren vaak een deel van hun loopbaan op, meestal uit noodzaak wegens het gebrek aan een toereikende thuiszorg, en worden twee keer benadeeld: tijdens hun beroepsleven, maar ook bij het berekenen van hun pensioen. De NHRPH vraagt een statuut met rechten (cf. positienota mantelzorgers  /nl/topics/mantelzorgers).

Het dossier van de hervorming van KB 78 (verpleegkundige handelingen)

De hervorming (absolute noodzaak rekening houdend met onder meer de demografische ontwikkeling) van het kader van de verpleegkundige handelingen zou de vraag naar levenskwaliteit en inclusie van personen met een handicap en langdurig zieken echt kunnen ondermijnen. De hervorming moet zeer zeker de continuïteit van de zorg integreren in de fundamentele noden van alle personen met een handicap of chronisch zieken om een zo normaal mogelijk leven te leiden op het vlak van onderwijs, werk, vrije tijd, ... De NHRPH zal binnenkort een positienota over dit onderwerp publiceren. 

Het dossier "back to work"

De NHRPH heeft adviezen geformuleerd over de noodzaak van een kader voor de vereiste menselijke middelen voor de begeleiding van de verschillende actoren /nl/adviezen/advies-2015-10 en /nl/adviezen/advies-2015-32.html.

Feedback op het terrein doet vermoeden dat er te weinig middelen zijn en dat steeds meer arbeidsongeschikte kandidaat-werknemers ontslagen worden omdat zij geen aangepast werk in het bedrijf of elders kunnen vinden. Dit kan uiteraard niet door de beugel en staat haaks op het in de wet aangegeven doel en de behoeften van de personen.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de volksvertegenwoordigers van de Kamer
  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de Eerste Minister
  • Ter informatie aan UNIA
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 15

Advies 2017/08 - Protocol verpleegkundige handelingen

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2017/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) over het ontwerp van protocolakkoord inzake de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt en de gezondheidszorgbeoefenaars, geformuleerd tijdens de plenaire vergadering van 19 juni 2017.


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Eén enkel protocol zal de 3 protocollen vervangen, die werden ondertekend op 24 februari 2014 en die de zorgrelaties tussen de verschillende zorg- en bijstandsverleners voor de persoon vastlegden, respectievelijk thuis, in instellingen of in de kinderopvang.

Het nieuwe ontwerp van protocol legt een algemeen kader vast waarin de principes van het verlenen van medische zorg buiten de medische instellingen worden bepaald, mits het bepalen van een kwaliteitskader.

Op 7 juni 2017 heeft het Kabinet van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid de NHRPH uitgenodigd voor een voorstelling van het ontwerp. Deze voorstelling bestond uiteindelijk uit een powerpointpresentatie van 5 dia’s over de onwettige uitoefening van de gezondheidszorg; de tekst van het protocol (versie van 2 juni) werd verkregen na zeer lang aandringen.


Analyse

Voorgeschiedenis

Op 24 februari 2014 werden drie protocolakkoorden ondertekend. Zij hadden respectievelijk betrekking op de domeinen van de thuiszorg, zorg in instellingen en zorg in erkende kinderopvangstructuren.

De NHRPH had 2 adviezen uitgebracht (/nl/adviezen/advies-2014-06 en /nl/adviezen/advies-2014-07) waarin hij wees op het belang van het uitwerken van een werkwijze dat de levenskwaliteit van personen met een handicap verzekert en hen toelaat vrij deel te nemen aan het maatschappelijk leven waarbij een kwaliteitsvolle zorg wordt verzekerd.

De uitvoering ervan moest worden geëvalueerd door een universitair team. Het was voorzien dat de NHRPH bij de evaluatie betrokken zou worden. 

Onderhavig ontwerp van protocol

Hoofdstuk 1. Retroacta

In het ontwerp van protocol wordt eraan herinnerd dat de beslissing om een nieuw protocol uit te werken werd genomen door de leden van de IMC Volksgezondheid op 27 maart 2017.

Het ontwerp van protocol kwam tot stand omdat het onmogelijk blijkt om steeds de verstrekkingen van gezondheidszorg uit te laten voeren door bevoegde gezondheidszorgbeoefenaars. Dit zet niet-gezondheidszorgbeoefenaars aan tot onwettige uitoefening van de geneeskunde om toch aan de noden te voldoen.

Volgens de retroacta van het ontwerp van protocol is het duidelijk dat de vorige protocollen werden geëvalueerd en dat deze evaluatie geleid heeft tot moeilijkheden bij het uitvoeren van de vorige protocollen. Het Kabinet heeft, tijdens de bijeenkomst van 7 juni 2017, evenwel toegelicht dat de evaluatie niet heeft kunnen plaatsvinden, aangezien geen enkele universiteit zich kandidaat heeft gesteld om ze uit te voeren.

Het ontwerp verduidelijkt ook dat de lopende hervorming van het voormalige KB nr. 78 (gecoördineerde wet van 10 mei 2015) de strafbare handeling zal aanpassen in het kader van de onwettige uitoefening van een gezondheidszorgberoep. Het protocol beschrijft waarin moet worden voorzien opdat deze uitzondering kan gelden.

Hoofdstuk 2. Doelstellingen

De doelstelling van het protocol is om binnen de bevoegdheid van elke entiteit de te nemen engagementen te omschrijven. Het protocol herinnert eraan dat

  • de Federale Overheid bevoegd is voor de uitoefening van de geneeskunde en de reglementering van de gezondheidszorgberoepen, en dit in al haar dimensies; zij kan de wetgeving dusdanig aanpassen dat binnen bepaalde kaders zorghandelingen door niet-erkende gezondheidszorgbeoefenaars worden gesteld zonder dat het gaat om onwettige uitoefening van de geneeskunde. Laatstgenoemde personen handelen als het ware als “verlengstuk” van de zorgbehoevende persoon. De Federale Entiteit kan daarbij nadere voorwaarden formuleren met het oog op het verzekeren van de kwaliteit en de veiligheid van de zorg;
  • de Gefedereerde Entiteiten zijn bevoegd voor de organisatie van de zorg en voor het verzekeren van de bijstand aan behoevende personen, alsook voor hun welzijn. Zij kunnen in deze context waarborgen geven over voldoende flankerend beleid.

Hoofdstuk 3. Hervorming van de wet van 10 mei 2015 - Voormalig KB nr. 78

Gezondheidszorg “zal worden omschreven als diensten die gezondheidszorgbeoefenaars aan patiënten verstrekken om de gezondheidstoestand van deze laatsten te beoordelen, te behouden of te herstellen, waaronder begrepen individuele gezondheidseducatie en preventie, en diensten zonder dergelijk oogmerk verstrekt aan patiënten waarvoor gezondheidszorgbeoefenaars bij wet bevoegd zijn."

In de nieuwe omschrijving van het misdrijf is strafbaar "hij die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om een bepaald gezondheidszorgberoep uit te oefenen (visum, eventuele inschrijving bij de Orde) en die beroepsmatig of met financieel voordeel een verstrekking van gezondheidszorg stelt".

Om het leven van de patiënt te vereenvoudigen en om ervoor te zorgen dat de zorg aan de patiënt te allen tijde verzekerd is, zijn de gezondheidszorghandelingen verstrekt in het volgende duidelijke kader niet strafbaar:

  • door personen uit de omgeving van de patiënt die beroepsmatig actief zijn (criterium van dagelijkse begeleiding, bijvoorbeeld leerkrachten of opvoeders), maar die geen gezondheidszorgbeoefenaar zijn,
  • voor zover de handelingen
    • uitdrukkelijk werden gedelegeerd door een gezondheidszorgbeoefenaar (geneesheer of verpleegkundige)
    • en binnen een kwaliteitskader: de gezondheidszorgbeoefenaar die de verstrekking van gezondheidszorg delegeert, draagt de verantwoordelijkheid om het nodige kwaliteitskader vast te leggen en de nodige voorwaarden te voorzien om de kwaliteit van de verstrekte gezondheidszorg te garanderen. Het komt aan de persoon die de verstrekking van gezondheidszorg stelt, en indien van toepassing tevens de instelling waarbinnen hij die stelt, toe om in de praktijk uitvoering te geven aan dit kwaliteitskader. De gezondheidszorgbeoefenaar die een degelijk kwaliteitskader heeft omschreven kan achteraf niets worden verweten indien de uitvoering niet volgens het voorziene kader is verlopen.
      Het kwaliteitskader omvat minstens het voor de specifieke patiënt opgestelde zorgplan of procedure, de toestemming van de patiënt (of diens vertegenwoordiger) en de toestemming van de gezondheidszorgbeoefenaar.
      De omvang van het kwaliteitskader kan verder van geval tot geval ingevuld worden, afhankelijk van de risico’s die verbonden zijn aan de gedelegeerde activiteit.
      Afspraken betreffende wederzijdse communicatie tussen de betrokkenen (bv. m.b.t. vaststellingen, veranderingen in de toestand of behandeling van de patiënt, ...) zullen tevens noodzakelijk zijn.
      De kwaliteit van de zorg moet steeds worden gewaarborgd.
      De mantelzorger wordt de facto beschouwd als een deel van de nabije omgeving en is onderworpen aan voormelde bepalingen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

De definitie van de onwettige handeling uitgewerkt in het protocol zal worden hernomen in de meer globale hervorming van de gezondheidszorg. De federale overheid kan een lijst van handelingen bepalen die niet kunnen worden gedelegeerd aan niet-gezondheidszorgbeoefenaars.

Alle ondertekenende partijen zullen - eens het wettelijk kader is voorzien - garanderen dat “bijhorende kwaliteitskaders voorzien worden”. (NVDR: integraal overgenomen van de tekst van het protocol).

Dit protocolakkoord vervangt de voornoemde protocolakkoorden van 24 februari 2014.

Dit protocolakkoord treedt in werking op de dag van de ondertekening ervan.


Advies

De NHRPH had onder de gelding van de protocollen van 2014 twee adviezen geformuleerd: daarin leverde hij kritiek op 2 essentiële aspecten:

  • het ontbreken van overleg met de NHRPH, hoewel het domein het dagelijkse leven van ALLE personen met een handicap en chronisch zieken betreft;
  • de sterke ‘hermedicalisering’ uitgedragen door de protocollen, ten koste van de levenskwaliteit van personen met een handicap en chronisch zieken.

Over de betrokkenheid van de NHRPH

Eens te meer wordt aangestipt dat de NHRPH niet bij de besprekingen werd betrokken, terwijl het dossier rechtstreeks en nog steeds personen met een handicap en hun omgeving betreft. De NHRPH heeft op 30 november 2016 inderdaad zijn standpunt en opmerkingen in het kader van de elektronische raadpleging uitgevoerd door de Minister van Volksgezondheid over de algemene lijnen van de overwogen hervorming bezorgd; het is evenwel simplistisch en intellectueel oneerlijk om een algemeen verzamelen van informatie gelijk te stellen met een proces van actieve raadpleging van een adviesorgaan bij concrete teksten. Het is evenzeer onproductief een PowerPoint van 5 dia’s als werkdocument voor te stellen.

De NHRPH herinnert aan de tekst van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (artikel 4.3 van het Verdrag bepaalt het volgende: “Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij) EN aan de beslissing genomen in de Ministerraad op 26/03/2015 waarbij IEDERE MINISTER daartoe verplicht is de NHRPH concreet en regelmatig te betrekken (en niet enkel te informeren of te raadplegen) bij het denkwerk en de besluitvorming.

Niet minder dan 8 aanvragen per e-mail werden daartoe verstuurd naar het Kabinet van de Minister en/of de administratie. Ondanks een schriftelijk engagement van het Kabinet eind 2016, is dit uiteindelijk totaal formeel gebleken; alle herinneringen zijn zonder gevolg gebleven. Tijdens de ganse voorbereiding van het protocol werd de NHRPH geen enkele keer gecontacteerd:

  • noch om de 'probleemsituaties' te bespreken;
  • noch om de resultaten van de evaluatie van de vroeger geldende protocollen of aanbevelingen uitgebracht door de aangestelde universiteit te bespreken;
  • noch om de besprekingen in de IMC Volksgezondheid voor te bereiden;
  • noch wat betreft het opstellen zelf van het ontwerp van protocol. 

Het protocol voorziet trouwens niet eens in het vragen om het advies van de NHRPH. Op aandringen van externe politieke actoren heeft het Kabinet de NHRPH alleen maar uitgenodigd op 7 juni 2017, op een voorstelling van zijn ontwerp. 

Het is onaanvaardbaar dat een engagement dat werd genomen op regeringsniveau zonder meer wordt genegeerd door bepaalde ministers, wanneer het gaat om de uitvoering ervan.

Op aandringen van de NHRPH hebben de vertegenwoordigers van het Kabinet op de vergadering van 7 juni beloofd deze vraag ter sprake te brengen bij hun hiërarchie. 

Over de inhoud

Voorafgaande opmerking: in het vervolg van dit advies hebben de opmerkingen van de NHRPH zowel betrekking op de mantelzorgers als op de informele helpers en vrijwilligers. 

Hoewel de NHRPH volledig achter het principe van het uit de strafrechtelijke sfeer halen van de verpleegkundige handelingen gesteld door niet-gezondheidszorgbeoefenaars staat, formuleert de NHRPH een negatief advies, in de tekst zoals hij thans voorligt, om de volgende redenen:

  • Dit nieuwe protocol heeft het niet over het algemeen denkkader van de hervorming; het vorige bracht de noodzaak om de kwaliteit van de zorg, de vrije keuze, de deelname aan het maatschappelijk leven, ... te behouden ter sprake: aan dit kader moet uitdrukkelijk en duidelijk worden herinnerd in de inleiding van het protocol; voormelde aspecten zullen absoluut de draagwijdte en de inhoud van de tekst bepalen.
    Het huidig ontwerp streeft naar een zeer beperkt kader: de regularisatie van het verstrekken van deze zorg door niet-gezondheidszorgbeoefenaars buiten de medische instellingen en de vereiste van een kwaliteitsvolle omgeving in het verstrekken van deze zorg. Dit ontwerp brengt vooral technische antwoorden in een context van een tekort aan  gezondheidszorgbeoefenaars, vermindering van de budgetten, desinstitutionalisering en afschaffing van ziekenhuisbedden gekoppeld aan een thuiszorgbeleid. Uit de tekst blijkt in ieder geval niet duidelijk dat het de bedoeling is de levenskwaliteit en de zorgkwaliteit in het dagelijks leven concreet op elkaar af te stemmen. De tekst neemt daarentegen de vorm aan van gedecreteerde principes zonder te letten op (op zijn minst later te voorzien in) concrete maatregelen voor de uitvoering, waarbij er geen juridisch antwoord wordt gegeven op een reeks absoluut noodzakelijke vereisten wat betreft de haalbaarheid op het terrein:
    • de omvang van de overgedragen zorg: het principe is dat iedere zorghandeling kan worden overgedragen aan niet-gezondheidszorgbeoefenaars vanaf het ogenblik dat het kwaliteitskader is vastgelegd; er is voorzien dat hooguit de Koning een lijst van de handelingen die niet gedelegeerd kunnen worden zal kunnen vastleggen;
    • de financiering van de hervorming, met inbegrip van de noodzakelijke overhevelingen naar de deelgebieden;
    • de begeleiding en de opleiding van niet-gezondheidszorgbeoefenaars;
    • de verzekeringsdekking van niet-gezondheidszorgbeoefenaars, uiteraard verschillend naar gelang de handelingen worden verstrekt door mantelzorgers of gezondheidszorgbeoefenaars die zelf een arbeidsovereenkomst hebben;
    • het rekening houden met de mogelijke averechtse effecten van de hervorming; het delegeren naar niet-gezondheidszorgbeoefenaars moet een middel zijn om kwaliteitsvolle zorg in de structuren te verlenen en geen onrechtstreekse manier om de werkingskosten te verminderen ten koste van de kwaliteit van de zorg;
    • de evaluatie van deze nieuwe werkorganisatie, die des te gevaarlijker is omdat ze niet-geïntegreerd is: de bevoegdheden inzake zorg worden zonder meer overgeheveld naar de deelgebieden (met “begeleiding van personen” als vage filter) en naar de patiënten (die tot "proefpersonen" gebombardeerd worden). 

De NHRPH kan zich niet van het gevoel ontdoen dat dit protocol de grondslag legt voor een zorgomgeving die verder gaat dan wat de laatste Staatshervorming toelaat.  

Het protocol opent geen rechten, maar voert een nieuwe organisatie in waartoe iedere entiteit zich verbindt die uit te voeren.

Het protocol komt te vroeg en past in het kader van een globale hervorming, waarvan men de inhoud noch de juridische draagwijdte kent. Het Kabinet heeft de NHRPH overigens bevestigd, dat de inhoud en de draagwijdte van het Protocol in ieder geval zullen worden opgenomen in de hervorming van KB nr. 78.

In deze onzekere context is het essentieel dat het protocol het volgende bevat

  • een duidelijke afbakening tussen ‘cure’ en ‘care’
  • de garantie van de structurele toegang tot zorg bij alle gelegenheden
  • de verplichting voor alle entiteiten om kwaliteitsvolle en voor iedereen financieel toegankelijke zorg te verzekeren.

Beter gezegd, en in de volgorde van vermelding van de punten in het protocol, 

Opleiding:

De herinnering aan het verdelen van de bevoegdheden tussen de federale overheid (zorg) en de deelgebieden (bijstand) en de unilaterale herkwalificatie van de zorg en de beroepen door de federale overheid onthult de averechtse effecten van dergelijk verdeelsysteem: de federale overheid past haar wetgeving aan met het gevolg dat grote delen van de zorg volledig door de patiënt, door mantelzorgers of door hulppersoneel worden gedragen, zonder overleg, noch voorafgaande bespreking over de opleiding en de financiering ervan. Wie zal instaan voor deze opleidingen?

  • de federale overheid?: ter herinnering, het gaat toch wel degelijk om zorgverlening; via huisartsen, specialisten, verplegers zelf? of ook de ziekenfondsen? in het kader van een algemene opleiding? of geval per geval?
  • de deelgebieden? via het hoger onderwijs? voortgezette opleiding? platformen voor thuiszorg?

Gelet op een medische hervorming die zowel veelomvattend is op het vlak van de inhoud (

principieel laat het protocol het delegeren van alle zorg toe) als van de draagwijdte ervan (alle patiënten en gezinnen zullen vroeg of laat betrokken zijn) is de NHRPH van oordeel dat het absoluut noodzakelijk is dat dit protocol vanaf vandaag erin voorziet dat de hervorming van KB nr. 78 uitdrukkelijke bepalingen bevat wat betreft de doeltreffendheid van het ten laste nemen van de basis- en voortgezette opleidingen door de verantwoordelijke instanties. Er moet ook een duidelijke, specifieke nomenclatuur inzake opleiding, verleend door het medisch college, komen.

Het concept "financieel voordeel":

De nieuwe bijstandsbudgetten vallen onder regionale reglementeringen en sommige staan de verloning van handelingen (ook medische) die de mantelzorgers verstrekken toe, hoewel zij geen gezondheidszorgbeoefenaars zijn. Met deze werkelijkheid werd in het protocol geen rekening gehouden: zonder bepaling waarbij zij uitdrukkelijk de toelating krijgen deze praktijk voort te zetten, zal voormelde zorg strafbaar worden.

Het delegeren:

Volgens welke juridische voorwaarden? Concrete uitvoerbaarheid op het terrein? formalisering van het delegeren? Bijzondere situatie van de instellingen waar de overdrager niet noodzakelijk de einduitvoerder is? Het protocol moet voorzien in deze overwegingen. 

Wanneer de persoon overigens onder een statuut van juridische bescherming staat waardoor hij zijn toestemming niet meer kan geven wat betreft het verloop van zijn medisch parcours is het soms moeilijk voor sommige voorlopige bewindvoerders om te verduidelijken wat voor de patiënt moet worden gedaan.

De omgeving van de patiënt:

Hoe de continuïteit van de zorg waarborgen in het evoluerende kader van de maatschappelijke participatie van de persoon? De persoon met een handicap en de chronisch zieke willen een kwaliteitsvol leven leiden: algemeen onderwijs volgen, werken in een traditionele omgeving, toegang hebben tot ’vrijetijdsbeoefening zoals iedereen:  diversiteit en veranderlijkheid van deze omgeving moeten worden geïntegreerd in de continuïteit van de zorg; het kan niet voldoende zijn dat de opleiding enkel steunt op enkele naaste personen; onvoldoende opleiding van de naaste omgeving mag zeker niet betekenen dat een persoon met een handicap of een zieke geen inclusief leven kan leiden!

Het begrip ‘omgeving’ zou ook best worden verduidelijkt: wat met "respijtdiensten", vakantiekampen in België, maar ook in het buitenland, onderwijs, … ?

De absolute noodzaak om een persoon in nood bij te staan:

Wat doet men in de situatie waarin absoluut moet worden tussengekomen terwijl er geen mantelzorger ter plaatse is? Komt men terug op het begrip "(niet-)bijstand aan een persoon in nood"?

Het concept "kwaliteitskader" - zorgplan:

Er moeten ook aandachtssignalen worden voorzien voor mogelijke evoluties. Bovendien moet de communicatie toegankelijk worden gemaakt (het taalgebruik moet absoluut worden aangepast aan de kennisgraad van de gesprekspartner die de zorg verleent); de beoefenaar moet bereikbaar zijn en beschikken over de nodige tijd voor een begeleiding op afstand, in voorkomend geval.

Wanneer de zorgverlener delegeert, moet hij zich vergewissen van het kwaliteitskader, maar ook van de effectieve aanwezigheid van uitvoerders.

Communicatie tussen de partijen:

Deze moet regelmatig worden geformaliseerd en geëvalueerd. Het is een noodzaak om de "multipersoonlijke" relaties op elkaar af te stemmen. Wat indien er meerdere informele betrokken partijen, beoefenaars en mantelzorgers en vrijwilligers meedoen? Zou het niet nuttig zijn in dergelijke gevallen een onderlinge contactpersoon aan te stellen?   

Bijzondere situatie van "regelmatige" mantelzorgers:

Mantelzorgers zijn reeds zwaar belast en geven zich volledig aan het begeleiden van personen met een handicap en chronisch zieken: alle studies wijzen op de risico's op het verlies van rechten, onzekerheid en moeilijke levensomstandigheden voor deze personen; de erkenning van een begeleiding tot de opleiding en tot respijt en een behoud van de sociale rechten op korte en lange termijn zijn nodig. Dit protocol, dat hen echt duurzame en veelomvattende opdrachten geeft, maar ook de verwachte hervorming van KB nr. 78 maken sedertdien de uitvoering van de wet van 2014 over mantelzorgers inzake concrete juridische erkenning op korte en lange termijn absoluut noodzakelijk, in alle kaders van de federale bevoegdheid (werkloosheidsstatuut, RIZIV, gelijkstelling pensioen), maar ook van de deelgebieden (begeleiding, opleiding).

Verantwoordelijkheid:

Het is illusoir te denken dat het uit de strafrechtelijke sfeer halen van de medische handelingen uitgevoerd door niet-gezondheidszorgbeoefenaars in het beschreven kader de malaise op het terrein alleen zal oplossen, terwijl de niet-gezondheidszorgbeoefenaar de enige verantwoordelijke zal blijven: een handeling die complicaties met zich meebrengt, een onvolledig geanalyseerde situatie, ..., kunnen zware psychologische gevolgen hebben voor de persoon die ze heeft verstrekt, zo goed als hij kon en met de instructies die hij heeft gekregen en met de kennis en bevoegdheden waarover hij beschikt. Om al deze redenen is het absoluut noodzakelijk de zorgverlener te ondersteunen op het vlak van zijn betrokkenheid om ervoor te zorgen dat deze betrokkenheid zo sereen en doeltreffend mogelijk wordt. De NHRPH vraagt dat op de volgende manier aandacht wordt besteed en maatregelen worden getroffen:   

  • geen verantwoordelijkheid zonder op zijn minst een permanente en relevante opleiding;
  • is het huidig kader voor wettelijke aansprakelijkheid conform? De NHRPH is van oordeel dat het huidig mechanisme voor wettelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid moet worden aangepast en dat moet worden voorzien in een vermindering van aansprakelijkheid voor hulppersoneel en mantelzorgers (behalve intentionele handeling);
  • er moet ook worden voorzien in een dekking voor de patiënten door het Fonds voor de medische ongevallen.
  • de piste van medeverantwoordelijkheid moet ook worden onderzocht
  • wat met de conformiteit in vergelijking met de vrijwilligerswet en de huidige aansprakelijkheden die daarin zijn voorzien? Alle bestaande kaders moeten worden onderzocht: sportieve omkadering, scouts (weekends en kampen), stages, ...; Wat wanneer diezelfde activiteiten plaatshebben in het buitenland?
  • een automatisch ruim verzekeringskader voorzien voor leerkrachten, mantelzorgers, vrijwilligers, ...

Lijst met prestaties die onmogelijk kunnen worden gedelegeerd:

“De federale overheid kan een lijst van handelingen bepalen die niet gedelegeerd kunnen worden". Het Kabinet heeft bevestigd dat ALLE medische handelingen kunnen worden gedelegeerd in het kader van het naleven van een vooraf vastgelegd medisch kader. Het is thans niet van plan te voorzien in uitzonderingen. De NHRPH vestigt de aandacht op het verschuiven van de effectieve tenlasteneming van eender welke zorg in het kader van thuishulp en hulp in de instelling.

Gezondheidszorg zoals gedefinieerd door het Protocol dekt overigens voortaan ook opvoeding en preventie, terwijl de deelgebieden hiervoor duidelijk bevoegd zijn.

Er is geen enkele evaluatie van het protocol voorzien:

Dat is een absolute noodzaak voor de gedeelten “opleiding, uitvoering op het terrein tussen de actoren, medische signalen, delegeren, integratie zorg- en levenskwaliteit, ...”.  Er moet dus vanaf nu voorzien worden in opvolgingsindicatoren en de NHRPH en de adviesraden van de deelgebieden moeten worden betrokken bij deze opvolging en uitvoering.

Per slot van rekening,

De NHRPH herinnert eraan dat de levens- en zorgkwaliteit onderling afhankelijk zijn en dat het regionaal beleid inzake begeleiding van personen, indien het doeltreffend wil zijn, moet berusten op een sokkel voor een sterke en volledige sociale zekerheid. Het moet ook het absoluut principe van de financiële toegankelijkheid van de zorg voor alle patiënten integreren. De RIZIV-nomenclatuur zal op zijn minst moeten worden voortgezet voor de zorg die door de deelgebieden ten laste zal worden genomen. De NHRPH vindt de ontwikkelingen inzake het huidige protocol niet geruststellend.

Kortom,

De NHRPH eist betrokken te worden bij de denkoefening over de algemeenheid van hervorming van het KB nr. 78 en geraadpleegd te worden in het kader van het opstellen van de teksten, EN dat vanaf vandaag, rekening houdend met de hoge relevantie van dit dossier voor personen met een handicap en zieken.

De NHRPH wijst tenslotte op de harmonisering van de toekomstige hervormingen. Hoe kan het protocol immers in werking treden wanneer het reglementaire kader voor de concrete uitvoering ervan nog niet vastgelegd is, noch op het vlak van opleidingen en aansprakelijkheid noch op het vlak van het delegeren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2017/07 - Verhoging IVT

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2017-07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bij toepassing van artikel  6, §6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, geformuleerd tijdens de plenaire vergadering van 15 mei en na elektronische raadpleging van de leden op 24 mei 2017.


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de Staatssecretaris voor personen met een handicap van 11 mei 2017.


Onderwerp

Een ontwerp van koninklijk besluit beoogt de verhoging van het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij artikel 6, §1, 1ste lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap met 2,9% bij toepassing van het interprofessioneel akkoord 2017-2018.


Analyse

De wet van 23 december 2005 voorziet in een welvaartsaanpassingsmechanisme voor socialezekerheidsuitkeringen. Een identiek mechanisme wordt voorzien voor de socialebijstandsuitkeringen om te voorkomen dat er een te groot verschil tussen beide optreedt.

De regering heeft het interprofessioneel akkoord 2017-2018 goedgekeurd dat op 2 februari 2017 door de sociale partners werd ondertekend. Het voorziet onder meer in de spreiding van de welvaartsenveloppe, meer in het bijzonder een verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met 2,9% vanaf 1 september 2017.

Concreet betekent deze aanpassing dat het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming voorzien bij artikel 6, §1, eerste lid van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap wordt aangepast: 5.057,25 wordt 5.203,91.


Advies

De Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap is verheugd dat, naar aanleiding van zijn advies 2016-10 van 18 april 2016 over de sociale correcties van de tax shift (aanpassingen van het leefloon en de inkomensgarantie voor ouderen, maar zonder oog voor de situatie van personen met een handicap), de regering en de sociale partners een akkoord hebben bereikt om de financiële discriminatie tussen de begunstigden van een leefloon of een inkomensgarantie voor ouderen enerzijds en de begunstigden van een inkomensvervangende tegemoetkoming anderzijds, binnen de perken te houden.

De NHRPH stelt evenwel vast:

  • dat de verhoging van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming in werking treedt op 1 september 2017, zonder terugwerkende kracht;
  • dat de voorgestelde inhaalbeweging mathematisch gezien niet identiek is: een verhoging van 2,9 % stemt niet overeen met twee opeenvolgende verhogingen van 2 en 0,9 %.

Vanuit zuiver financieel oogpunt blijft de situatie van begunstigden van een inkomensvervangende tegemoetkoming dus, ondanks deze maatregel, minder gunstig dan de situatie van begunstigden van een andere bijstandsuitkering. Voor de periode van 1 april 2016 tot 31 en met augustus 2017 zullen de personen met een inkomensvervangende tegemoetkoming  2% minder ontvangen dan de personen met een leefloon.

De NHRPH vraagt dan ook om het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming minstens even hoog te maken als het leefloon en het nieuwe basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming toe te passen met terugwerkende kracht.

De NHRPH vraagt tevens dat de regelgeving wordt aangepast en het principe dat van toepassing was vóór de laatste wetswijziging (2003), opnieuw wordt ingevoerd: “het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming moet minstens gelijk zijn aan het bedrag van het leefloon”.

Wat de wetgevingstechniek betreft, wijst de NHRPH erop dat het artikel bedoeld in voornoemde wet van 27 februari 1987 niet artikel 6, §6 maar artikel 6, §1.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter info aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal, Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Personen met een handicap;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2017/05 - Station Haren-Zuid

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassingswerken van de perrons in halte Haren-Zuid en vergelijkbare stations en haltes, uitgebracht tijdens de zitting van 20/03/2017


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS


Onderwerp

De perrons in halte Haren-Zuid werden door Infrabel aangelegd in dolomiet met een vlakke perronboord van circa 1 meter in beton. Die situatie doet zich in meerdere stations voor. Voorzieningen voor blinde en slechtziende personen werden tijdens deze werken niet gepland. 

Ondertussen is de NMBS bevoegd voor de perrons. De NMBS is gestart met een studie voor het vervangen van de perronbevloering van dolomiet naar betontegels op de perrons van Haren-Zuid. Tijdens deze werken zullen de voorzieningen voor blinde en slechtziende personen wel worden aangelegd. 

Wanneer de NMBS de noppentegels parallel aan de perronboord zou aanleggen, met behoud van deze perronboord, liggen de noppentegels dus op 1 meter van de perronrand. Revalor schrijft een afstand van 40 cm voor. Indien de perronboord wordt behouden -  wat de NMBS verkiest - , wordt er, voor de aanleg van de noppentegels afgeweken van de voorschriften in Revalor.


Analyse

Uitermate belangrijk voor de doelgroep is uniformiteit in de toepassing van podotactiele aanpassingen. Wanneer de veiligheidsafstand tussen de waarschuwingsstrook en de perronrand in het ene station/stopplaats 40 cm bedraagt en in het andere ca. 1 meter, is dat zowel voor oriëntatie- & mobiliteitsinstructeurs voor blinde en slechtziende personen als voor de blinde en slechtziende personen zelf zeer lastig. Bij de doelgroep kan dit tot verkeerde inschattingen leiden. 

De veiligheidsafstand tussen de waarschuwingsstrook (noppentegels) en de perronrand mag niet te klein zijn, maar ook niet te groot. Dit laatste staat ook vermeld in Annex B van de ISO 23599/2012, zonder echter een concrete bepaling van welke de maximale aanvaardbare veiligheidsafstand is. 

Revalor schrijft een perronrand van 40 cm voor, maar Annex B “Railway Platforms” van de ISO 23599/2012 vraagt minimaal 50 cm. De Belgische blindensector verkiest 60 cm. 

In België wordt de gebruikers tijdens mobiliteitstrainingen aangeleerd dat zij vanaf een waarschuwingsstrook nog 1 tot 2 stappen veilig vooruit kunnen zetten. Op een perron is het bij een veiligheidsafstand van niet meer dan 60 cm mogelijk de perronrand te vinden met de witte stok zonder de waarschuwingsstrook te moeten verlaten. Wanneer de veiligheidsstrook veel breder is, moeten de gebruikers de waarschuwingsstrook verlaten om de rand van de gevarenzone te kunnen detecteren. Dit schept een gevoel van onzekerheid en onveiligheid. 

Wanneer de te nemen trein halt houdt aan het perron, verlaten de blinde of slechtziende gebruikers op het perron de waarschuwingsstrook met een of beide voeten en gaan zij met de witte stok op zoek naar de deuropening en met hun vrije hand naar de deurrand om zo de leuning kunnen vinden om in te stappen. Als ze na het verlaten van de waarschuwingsstrook in het ijle tasten (door een te grote veiligheidsafstand), is dat voor hen beangstigend.


Advies

Annex B “Railway Platforms” van de ISO 23599/2012 bepaalt dat de perronrand voorbij de waarschuwingstegels minimaal 50 cm moet bedragen. De Belgische blindensector opteert voor 60 cm, een afstand waar de NHRPH zich in kan vinden en die bij voorkeur wordt vastgelegd in de nieuwe editie van Revalor, om de veiligheid en uniformiteit te garanderen. 

Om die redenen kan de NHRPH niet akkoord gaan met een perronboord van 1 meter breed. 

Wel staat de NHRPH open voor andere oplossingen die wel conform zijn met de voorschriften.  Bijvoorbeeld: een oplossing met kleefnoppen op een afstand van 60 cm is aanvaardbaar, op voorwaarde dat de uitvoering vakkundig en met degelijk materiaal gebeurt en volgens ISO 23599/2012 en de aanbevelingen van de Belgische handicapsector. Overigens heeft de Vlaamse vervoermaatschappij De Lijn reeds een tiental jaren ervaring met de toepassing van dergelijk materiaal op haar haltes. 

Het ontwerp moet zich ook telkens inschrijven in een veilig en ononderbroken parcours, in het bijzonder voor de persoon met een visuele handicap. Vanzelfsprekend moet elk perron toegankelijk zijn voor alle PBM.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

De NHRPH wenst ook opvolging en feedback, zowel wat zijn adviezen als de beslissingen en werken betreft.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 16

Advies 2017/04 - Nationale hervormingsplan

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies 2017/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het nationale hervormingsprogramma (NHP) 2017, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 maart 2017


Aanvrager

Advies op vraag van de Eerste Minister, in zijn brief van 14 maart 2017


Onderwerp

In het kader van de Europese Economische Strategie van Lissabon bezorgt elke lidstaat de Europese Unie jaarlijks een inventaris van de realisaties en projecten die beantwoorden aan de aanbevelingen van de Europese Unie (nationaal hervormingsprogramma). Op basis van dit verslag formuleert Europa nieuwe aanbevelingen, maar ook sancties voor de lidstaten. In april moet België zijn prioriteiten voorleggen. Voor zijn verslag van dit jaar heeft het zich gebaseerd op 2 documenten: 

Op basis van het door België voorgestelde nationale hervormingsprogramma zal de Commissie België haar aanbevelingen voor de periode 2017 - 2018 bezorgen.


Analyse

Op 18 mei 2016 heeft de Raad van de Europese Unie aanbevolen dat België in 2016 en 2017 de volgende acties onderneemt:

  1. een jaarlijkse budgettaire aanpassing realiseren van ten minste 0,6 % van het bbp (…); meevallers gebruiken om de vermindering van de schuldquote van de overheid te versnellen; overeenstemming bereiken over een verdeling van begrotingsdoelstellingen over alle overheidsniveaus, (…); het belastingstelsel vereenvoudigen en verstorende belastinguitgaven afschaffen;
  2. de voorgenomen herziening doorvoeren van de "wet van 1996" met betrekking tot het concurrentievermogen en de werkgelegenheid in overleg met de sociale partners; ervoor zorgen dat lonen gelijke tred kunnen houden met de productiviteit; zorgen voor een doeltreffend activeringsbeleid voor de arbeidsmarkt; verder werk maken van hervormingen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding en voorzien in opleidingsondersteuning, met name voor personen met een migratieachtergrond;
  3. verbeteren van de capaciteit om te innoveren, met name door het bevorderen van investeringen in op kennis gebaseerd kapitaal; vergroten van de concurrentie in de sector van de zakelijke dienstverlening en de detailhandel door het afschaffen van onnodige operationele restricties en vestigingsbeperkingen; verhelpen van tekortkomingen op het gebied van investeringen in vervoersinfrastructuur en energieopwekkingscapaciteit.

Op 1 maart 2017 heeft de Europese Commissie een beoordelingsverslag uitgebracht over de ontwikkeling van de Belgische economie. Zij heeft meer bepaald 3 luiken aanbevelingen voor alle Europese landen onder de loep genomen: investeringen stimuleren, structurele hervormingen doorvoeren en verantwoord begrotingsbeleid voeren. De lidstaten moesten meer bepaald de nadruk leggen op het verbeteren van de sociale rechtvaardigheid met het oog op een meer inclusieve groei. 

Globaal erkent de Commissie dat België een zekere vooruitgang geboekt heeft bij het uitvoeren van de aanbevelingen per land in 2016. In de aanbevelingen waren meerdere prioritaire domeinen die hervormd moesten worden, zoals de verdere begrotingssanering, de werking van de arbeidsmarkt en het loonvormingssysteem, onderwijs en beroepsopleiding, innovatievermogen van de economie, concurrentie in de zakelijke dienstverlening en de detailhandel en, tot slot, de investeringsachterstand.

Als uitleg voor zijn beperkte economische groei licht België een reeks vaststellingen uit, waaronder de verschillen inzake onderwijs, een lage tewerkstellingsgraad voor sommige groepen van mensen, het onbenut laten van heel wat potentieel, wat verklaard kan worden door de lage arbeidsparticipatie van bepaalde groepen. De Europese Commissie benadrukt dat de arbeidsmarkt hierdoor verdeeld wordt tussen insiders en outsiders. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door het feit dat het aantal huishoudens met zeer lage werkintensiteit een van de hoogste is in de EU. Het armoede- of uitsluitingsrisicocijfer is weliswaar stabiel voor de beroepsgeschikte bevolking in het algemeen, maar het is gedaald bij de ouderen (65-plussers), en gestegen bij de jongeren (tussen 16 en 24 jaar), met name bij laaggeschoolden, personen met een handicap of mensen met een migrantenachtergrond.


Advies

De NHRPH wil de nadruk leggen op de raadpleging. Het is een perfecte toepassing van het handistreamingbeginsel en een concreet voorbeeld van de toepassing van artikel 4.3 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: bij het opstellen van het NHP heeft de Eerste Minister van meet af aan het advies van de NHRPH gevraagd.

De NHRPH is het roerend eens met de vaststellingen van de Raad en de Commissie:

  • de economische en sociale resultaten in België voldoen niet aan de verwachtingen van de burgers;
  • integendeel, ondanks de drastische economische maatregelen die de opeenvolgende regeringen de laatste jaren getroffen hebben, wordt de kloof tussen arm en rijk groter, om redenen waaraan betrokkenen niets kunnen doen (afkomst, leeftijd, handicap, …);
  • de economische herverdeling moet nog verwezenlijkt worden, en de sociale lift van het onderwijs blijft steken;
  • in de door ziekte en handicap benadeelde groepen worden armoede en uitsluiting groter door hun beperkte toegang tot opleiding en werkgelegenheid.

De NHRPH heeft adviezen geformuleerd over de vorige NHP's, in 2015 (/nl/adviezen/advies-2015-17) en in 2016 (/nl/adviezen/advies-2016-07).

De geformuleerde aanbevelingen die in de noden van personen met een handicap en zieken zouden kunnen voorzien, zijn grotendeels dode letter gebleven.

De NHRPH stelt vast dat het "inclusieve" deel van de vereiste hervormingen op het vlak van toegankelijk maken van werkgelegenheid en opleiding voor personen met een handicap en zieken al te vaak onvoldoende of zelfs helemaal niet uitgewerkt wordt.

De NHRPH herinnert eraan dat sociale insluiting van personen met een handicap en zieken essentieel is voor het economisch herstel.

Meer specifiek,

Op het vlak van werkgelegenheid:

De NHRPH vindt dat de competenties van personen en hun economische bijdrage volledig erkend moeten worden. De "back to work"-maatregelen waren een juiste eerste stap op het vlak van concepten (cf. adviezen van de NHRPH /nl/adviezen/advies-2015-10, /nl/adviezen/advies-2015-32, /nl/adviezen/advies-2016-12).

De NHRPH heeft evenwel geen nieuws over de aangekondigde evaluatie in het eerste semester van 2016. Uit feedback op het terrein blijkt trouwens dat er een schrijnend tekort is aan menselijke middelen om kandidaat-werknemers te begeleiden.

De NHRPH blijft overigens hameren op de andere maatregelen die nodig zijn om de arbeidsmarkt en personen met een handicap en zieken dichter bij elkaar te brengen. De bewustmakingscampagnes voor werkgevers en de financiële steunmaatregelen volstaan niet voor de tienduizenden personen met een handicap. 

Het wordt hoog tijd dat de regeringen de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers concretiseren. De NHRPH maakt hier trouwens thans werk van.

Ter herinnering: in zijn Strategie 2020 heeft Europa een doelstelling vastgelegd voor een hogere tewerkstelling van alle personen met een handicap die ten gevolge van hun handicap worden uitgesloten van de arbeidsmarkt. Het NHP 2017 moet ingaan op deze uitdagingen en er oplossingen voor vinden. 

Op het vlak van onderwijs:

De overwegingen van de voorbije jaren inzake vroegtijdig schoolverlaten en de onaangepastheid van de opleidingen aan de vraag op de arbeidsmarkt gelden uiteraard ook voor personen met een handicap (misschien zelfs meer dan voor andere jongeren). Het percentage vroegtijdige schoolverlaters bij jongeren met een handicap is aanzienlijk. Dit is een gevolg van onder meer het gebrek aan redelijke aanpassingen van lokalen en lessen, het gebrek aan aangepaste vervoermiddelen of gewoonweg omdat sommige jongeren op schooldagen geen toegang hebben tot de verzorging waarop ze in feite recht hebben. Dit is onaanvaardbaar!

Bovendien wordt hun op basis van hun handicap nog te vaak voorgesteld niet-kwalificerende opleidingen te volgen die niet beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt.

De NHRPH herinnert bovendien aan zijn vraag naar inclusiever onderwijs. Ook dit moet helpen het vroegtijdige schoolverlaten te beperken. Dit betekent niet dat het gespecialiseerde onderwijs moet worden afgeschaft, maar dat het gewone onderwijs moet worden aangepast aan de noden van kinderen met een handicap, en dat de betrokkenen de keuze tussen beide moeten hebben.

Op het vlak van toegang tot het pensioen

herinnert de NHRPH eraan dat langer werken moeilijk haalbaar is voor heel wat personen met een handicap; er zou integendeel beter een regeling worden uitgewerkt voor hun loopbaaneinde. Vaak hebben personen met een handicap minder vooruitzichten op werk en een loopbaan, niet omdat zij dat zelf willen, maar wel omdat hun lichaam en/of de werkomgeving hen daartoe nopen. Dit leidt tot sociale uitsluiting en armoede.

Wanneer die personen met pensioen gaan, gaan zij vaak voor een tweede keer door de hel, aangezien zij met steeds hogere leeftijds- en gezondheidsgebonden kosten worden geconfronteerd. De regering zou ook moeten bekijken welk ander mechanisme ingevoerd kan worden, bijvoorbeeld de jaren die personen met een handicap gewerkt hebben, zwaarder laten doorwegen om de werkgelegenheid te ondersteunen.

De NHRPH hamert met andere woorden vooral op de noodzaak van specifieke maatregelen voor oudere werkende personen met een handicap, zowel wat hun loopbaan als de berekening van het pensioen betreft.

Zowel de verlenging van de werkelijke loopbaan tot 45 jaar en de verhoging van de effectieve leeftijd om met pensioen te gaan zijn nadelig voor personen met een handicap. De handicap veroorzaakt immers meer vermoeidheid en vergt een grotere investering tijdens en op het einde van de loopbaan, wat de voortzetting van de beroepsactiviteit bemoeilijkt. Personen met een handicap werken vaak deeltijds om gezondheidsredenen of omdat het voor hen bijzonder moeilijk is een voltijdse betrekking te vinden.

De NHRPH meent daarentegen dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van rechten) moet worden onderzocht voor personen met een handicap. Voorbeeld: indien het pensioenstelsel met punten ingevoerd wordt, zou een loopbaanjaar voor een persoon met een handicap zwaarder kunnen doorwegen. Zodoende zouden personen met een handicap aangemoedigd worden te werken, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met hun moeilijke omstandigheden. De NHRPH hamert dus op de noodzaak van individuele voorzieningen in situaties die verband houden met de handicap en de ernstige ziekte als aanvulling op de collectieve voorzieningen.

Op het vlak van de structuurfondsen,

herinnert de NHRPH eraan dat de reglementaire teksten voorzien in deelname en betrokkenheid van personen met een handicap bij elke fase van de programmering, uitvoering en evaluatie. Er dient te worden vastgesteld dat artikel 4.3 niet structureel uitgewerkt is. Hierdoor zijn heel wat oproepen tot projecten onvoldoende afgestemd op de noden van personen met een handicap. De NHRPH vraagt dat de structuurfondsen besteed zouden worden aan projecten die personen met een handicap en hun gezinnen echt ondersteunen bij het uitbouwen van een zelfstandig leven en bij hun inclusie in de maatschappij.

Op het vlak van armoedebestrijding tot slot:

De NHRPH herinnert nogmaals aan de pijler van de Strategie 2020 inzake armoedebestrijding en in het bijzonder de vermindering van het aantal kwetsbare personen in België. Eind 2014 bevonden 2.286.000 personen zich in deze situatie in België, terwijl dat er in 2008 nog 2.194.000 waren (blz. 3 van het NSR). De initiële doelstelling om 380.000 personen uit de armoede te helpen zou dus moeten worden opgetrokken tot minstens 472.000.

Er is een duidelijk verband tussen handicap en armoede. Personen met een handicap ontvangen tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987) die ruimschoots onder de armoededrempel liggen; de inkomensvervangende tegemoetkoming zou een bestaansminimum moeten garanderen en op zijn minst tot de Europese armoededrempel opgetrokken moeten worden. De NHRPH vraagt dat in de volgende begrotingsjaren ook rekening gehouden wordt met deze maatregel.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2017/03 - DH HAN – Nieuwe software

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Gezondheidszorg, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2017/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het beheer van tegemoetkomingsdossiers voor personen met een handicap (DG Personen met een handicap) geformuleerd tijdens de plenaire vergadering van 20 februari en na elektronische raadpleging van de leden op 22 februari 2017


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De Directie-generaal Personen met een handicap (DG PH) heeft een nieuw programma ingevoerd om de aanvragen van personen met een handicap te verwerken, en een nieuwe portaalsite, een onlinetool voor de personen met een handicap zelf en voor de sociale diensten die partner zijn van de DG (gemeenten, OCMW's, ziekenfondsen).

De NHRPH hoort steeds meer klachten van personen met een handicap en professionelen, zowel dossierbeheerders bij de DG als externe professionelen (ziekenfondsen, gemeenten, OCMW's).


Analyse

Kader

De informaticaomgeving van het dossierbeheer is veranderd door de introductie van twee nieuwe tools:

  • op 1 juli 2016: My Handicap, een portaalsite voor de burger, gemeenten, ziekenfondsen en OCMW's. My Handicap omvat de functionaliteiten van het vroegere Communit-e (invoer van aanvragen) enerzijds en van Handiweb (raadpleging van dossiers) anderzijds, en dient om dossiers te raadplegen, en aanvragen en wijzigingen in te voeren;
  • op 21 januari 2017: Curam, een tool voor het personeel van de DG PH om de dossiers te verwerken en te betalen, en telefoons te beantwoorden.

De Raad heeft de verschillende fasen vóór de invoering van de nieuwe informaticatools zeer nauwlettend gevolgd, in het bijzonder My Handicap, aangezien deze tool ter beschikking van de personen met een handicap en de maatschappelijk werkers gesteld wordt. Zo heeft de Raad:  

  • op 21 september 2015 de heer Gubbels, directeur-generaal van de DG PH, gehoord, en op 19 november 2015 een brief aan hem gericht. Deze brief bevatte de opmerkingen van de NHRPH over het project My Handicap zoals het voorgesteld werd tijdens de vergadering.
  • op 20 juni 2016 de heer Gubbels opnieuw gehoord;
  • op 10 januari 2017 een brief aan de heer Gubbels geschreven met een overzicht van de problemen die opgedoken waren sinds de opstart van My Handicap.

De NHRPH heeft ook de problematiek Curam – My Handicap aangesneden:

  • tijdens ontmoetingen van het bureau met de vertegenwoordiger van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, tijdens vergaderingen op 07/03/2016, 02/05/2016 en 05/09/2016;
  • tijdens ontmoetingen van het bureau met de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, mevrouw Elke Sleurs, op 06/01/2016 en 15/02/2017.    

Tijdens al deze ontmoetingen en vergaderingen heeft de NHRPH telkens gewezen op de mogelijke gevaren en op de noodzaak er alles aan te doen om negatieve gevolgen voor personen met een handicap te voorkomen.

Hij heeft ook voorgesteld deel te nemen aan de test- en valideringsprocessen, maar het management van de DG heeft dit voorstel niet in aanmerking genomen.  

Ter herinnering: de NHRPH is een adviesraad, geen bestuurscomité. Bijgevolg kan hij niet tussenkomen in de werking van de DG, die onder de exclusieve bevoegdheid van zijn management valt, onder het toezicht van zijn minister of staatssecretaris.

De Raad kan zich enkel uitspreken over het management en eventueel adviezen formuleren over het dagelijks beheer (en de keuze van de informaticatoepassingen) wanneer dit gevolgen heeft voor de burger, de personen met een handicap.

Vaststelling

Eind vorig jaar had de NHRPH een eerste inventaris opgesteld van de problemen in het kader van My Handicap. Hij kan alleen maar vaststellen dat er steeds meer en steeds grotere problemen optreden. Waarschijnlijk is dit te wijten aan de migratie van het oude systeem voor dossierbehandeling (Tetra) naar het nieuwe (Curam).

De problemen met Curam werken op hun beurt op verschillende niveaus door:

- op My Handicap: My Handicap bevat veel minder gegevens dan vroeger, wat de sociale diensten van de gemeenten, OCMW's en ziekenfondsen in grote moeilijkheden brengt. Enerzijds beschikken deze diensten niet meer over de gegevens die zij nodig hebben om personen met een handicap te informeren en administratief te ondersteunen. Anderzijds zijn er gegevens niet overgenomen, of slechter nog, anders ingevoerd in Curam. Hierdoor gaan rechten op tegemoetkomingen verloren (zo kregen heel wat aanvragen die eind december 2016 ingevoerd werden, fictief de migratiedatum als effectieve aanvraagdatum toegewezen, wat een verlies van één maand tegemoetkomingen betekent), maar ook afgeleide rechten (zie volgend streepje).

- op Handiflux (systeem voor gegevensuitwisseling tussen gegevensbanken): de attesten voor medische erkenning die deel uitmaakten van stromen, zijn niet meer opgenomen in Curam, en dus ook niet meer in de Handiflux-stromen: in een aantal gevallen kunnen de afgeleide rechten dus niet meer automatisch toegekend worden. Dat brengt niet alleen extra werk met zich om bewijsstukken bij de aanvraag te voegen, maar hierdoor dreigen vooral heel wat personen hun rechten niet te doen gelden.

- last but not least op het informaticasysteem dat in Vlaanderen ontwikkeld werd en sinds 1 januari 2017 daadwerkelijk gebruikt wordt voor de overname van de tegemoetkomingsdossiers voor ouderen in Vlaanderen.

De nieuwe toepassing Curam brengt thans enorme problemen voor de dossierbehandeling met zich, in die mate dat

  • er al twee maanden lang geen enkele beslissing genomen werd voor aanvragen voor een tegemoetkoming;
  • het personeel geen telefoons meer kan beantwoorden omdat het gegevens moet invoeren die voordien vaak automatisch ingevoerd werden;
  • de werklast per dossier bijna verdubbeld is.

Oorzaken van het probleem

Volgens de informatie waarover de NHRPH beschikt, houden de problemen vooral verband met het feit dat:

  • een "sleutelklaar" systeem gekocht werd dat absoluut niet geschikt is om dossiers te beheren die onderworpen zijn aan een complexe reglementering met zowel medische als administratieve aspecten, en ook onderzoeken naar de inkomens; in een poging tegemoet te komen aan de noden, werd het systeem slechts gedeeltelijk, niet of verkeerd aangepast;
  • er geen overzicht meer is, hoewel de beheerder dit nodig heeft om het dossier te begrijpen;
  • het systeem weinig intuïtief is (opnieuw omdat het niet aangepast is aan de oorspronkelijke noden), en het logische proces van een dossierbehandeling niet volgt;
  • de gebruikte terminologie ambigu en vaag is, en niet afgestemd op de noden van het personeel dat het dossier behandelt:
    • afhankelijk van het geval is de persoon met een handicap "hoofdklant", "partner", "kandidaat" of "deelnemer";
    • een "lopend" dossier is in feite een afgehandeld dossier dat uitbetaald wordt;
    • "een achterstand" dekt niet de betaling van een op een bepaald ogenblik verschuldigde maandelijkse termijn, maar wordt gelijkgesteld met een balans van het dossier sinds het geopend werd;
    • in eenzelfde zin staat zowel Frans, Nederlands als Engels;
    • ...
  • er minder automatisch gebeurt; elke dossierbehandeling, in welke fase ook, neemt dus veel meer tijd dan voordien in beslag;
  • het systeem (dat met grote vertraging ingevoerd werd) nochtans waarschijnlijk niet helemaal in orde was, aangezien het onvoldoende gevalideerd en getest lijkt te zijn;
  • het personeel nooit zeker is dat het systeem de ingevoerde wijzigingen correct en volledig opslaat. De persoon met een handicap of de gemachtigde derde (ziekenfonds, OCMW, gemeente) is niet zeker dat de informatie volledig en correct verwerkt wordt. Het systeem is nog zo onstabiel dat de betalingen voor februari niet in Curam uitgevoerd konden worden, maar nog in Tetra moesten gebeuren. Met twee toepassingen werken verhoogt het risico op fouten.

Reactie van de NHRPH

De problemen sinds de opstart van Curam en de daarmee gepaard gaande gevolgen hebben de agenda van de plenaire vergadering van de NHRPH van 20 februari overhoopgehaald (de NHRPH vergadert maandelijks en de vorige vergadering vond plaats op 16 januari, dus vóór de opstart van Curam). Gelet op de ernst van de situatie heeft de NHRPH de heer Gubbels om een duidelijke en feitelijke communicatie gevraagd over de omvang van de problemen en een planning voor de oplossing ervan voor:

  • de personen met een handicap en hun gezin;
  • de medewerkers van de DG PH, die al maandenlang de ene na de andere hervorming meemaken;
  • de externe professionelen.

Uit deze hoorzitting blijkt dat:

  • het thans niet mogelijk is alle problemen op te lijsten en een planning op te stellen voor de oplossing van deze problemen;
  • het management zich ertoe verbindt de betalingen te garanderen;
  • de behandeling van dossiers langer duurt omdat de technologie niet in orde is en er meer handelingen uitgevoerd moeten worden; het inhalen van de achterstand kan pas over een paar weken van start gaan; deze inhaaloperatie zal over heel 2017 gespreid zijn, zonder precieze planning;
  • de werklast verdubbeld is als gevolg van de nieuwe procedures;
  • de informatie op de portaalsite My Handicap niet aan de behoeften van de professionelen beantwoordt, en er een nieuwe versie komt in de loop van 2017.

Advies

De NHRPH vindt de huidige situatie dramatisch en schandalig.  

De situatie gaat ten koste van de 600.000 mensen die de DG PH erkend heeft als personen met een handicap, en van hun gezin.

Ondanks talrijke waarschuwingen hebben de beslissingen van het management onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking ertoe geleid dat een overheidsdienst, die per definitie ten dienste van de burger staat, niet meer in staat is zijn opdracht correct uit te voeren; door de gebrekkige instructies, de verkeerde en onvolledige beslissingen, en de onbetrouwbare informatie waartoe het systeem leidt, dreigen heel wat mensen, die vaak reeds kansarm zijn, nog meer in een neerwaartse spiraal te belanden.

De situatie gaat ook ten koste van de medewerkers van de DG PH: de NHRPH bedankt hen trouwens voor hun professionaliteit en inzet ten opzichte van personen met een handicap. Hij benadrukt de werkomstandigheden van de beheerders, artsen en maatschappelijk assistenten van de DG PH, die de directie op basis van hun expertise regelmatig erop gewezen hebben dat de tool Curam geen efficiënt en zeker dossierbeheer mogelijk zou maken. Diezelfde medewerkers worden thans regelmatig uitgescholden door uitkeringsgerechtigden en aanvragers, die zich zelf in extreem moeilijke en nadelige situaties bevinden.

Tot slot gaat de situatie ook ten koste van de sociale diensten die partner zijn (gemeenten, OCMW's, ziekenfondsen). Zij beschikken niet meer over het vereiste informatie- en beheersinstrument voor het begeleiden van mensen, en kunnen hen dan ook geen behoorlijk advies meer geven en niet meer bijstaan bij het uitvoeren van hun rechten. Aangezien zij de rechtstreekse gesprekspartners van de personen met een handicap zijn, komt ook het imago van hun dienst onmiddellijk in het gedrang.

De verantwoordelijkheid van de Staat, via zijn verschillende organen, moet hier dus duidelijk aan de kaak gesteld worden. Het staat buiten kijf dat er een oorzakelijk verband is tussen de verantwoordelijkheid van de Staat en de bestaande en toekomstige, te verwachten en onvoorziene schade die berokkend wordt aan de personen met een handicap en hun gezin, de medewerkers van de DG en de externe werknemers.  

In deze context is het ontslag van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking Elke Sleurs ook verontrustend: zo dreigt elk overleg voor besluitvorming inzake dossierbeheer tussen de beleidsverantwoordelijken en de administratie in het slop te raken.

De NHRPH wil de rechten van de personen met een handicap en hun gezin verdedigen en vraagt bijgevolg dat

  • de nieuwe tool Curam pas gebruikt wordt na tests en volledige validering;
  • een snelle, duidelijke, volledige, omstandige en feitelijke communicatie over de vertragingstermijnen, de resterende problemen en vooruitzichten voor verbetering gericht wordt aan alle betrokken partijen;
  • de tegemoetkomingen correct en op tijd betaald worden;
  • de dossiers zo snel mogelijk weer correct en volledig onderzocht worden;
  • de Staat als enige verantwoordelijk is voor iedere vertraging en fout in het dossierbeheer; alle onverschuldigde bedragen sinds november 2016 moeten met de nodige aandacht behandeld worden, aangezien het systeem helemaal niet meer betrouwbaar is;
  • de beheerders en betrokken derden de tools voor beheer en raadpleging tot hun beschikking krijgen waarmee zij de uitkeringsgerechtigden en aanvragers de rechten kunnen garanderen die de wet hun toekent.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Frank Van Massenhove, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2017/02 - Perronrand

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het contrast van de perronrand in de Belgische stations, uitgebracht tijdens de zitting van 20/02/2017


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS


Onderwerp

In punt 4.2.1.12 van de TSI 2014 (zie http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014R1300 ) staat het volgende vermeld over perronbreedte en perronrand :

De begrenzing van de gevarenzone tegenover de perronrand aan de spoorzijde moet worden aangegeven met visuele markeringen en tactiele indicatoren in het vloeroppervlak.

De visuele markering moet een contrasterende lijn van het antisliptype met een minimumbreedte van 10 cm zijn.

Tactiele indicatoren in het vloeroppervlak kunnen één van de volgende twee vormen aannemen:

  • Een waarschuwingspatroon dat op gevaar wijst aan de grens met de gevarenzone.
  • Geleidelijnen die een pad vormen aan de veilige zijde van het perro 

Het materiaal aan de perronrand aan de spoorzijde moet contrasteren met de donkere kleur van het spoor.

De visuele markeringen (“veiligheidslijn”) en de tactiele indicatoren worden gematerialiseerd door een strook noppentegels, 60 cm breed en minimaal 40 cm van de perronrand, contrasterend met de perronbevloering (cfr. Revalor - C. Perrons -11.6 Veiligheidslijn).

De NMBS stelt twee manieren voor waarop dit dubbele contrast kan worden gerealiseerd:

  1. Donker (sporen) - Bleek (40 cm) - donker (noppentegel 60 cm) - Bleek (perronverharding 2)
  2. Donker (sporen) - Bleek (10 cm perronboord + 90 cm (30 cm + 60 cm noppen in 1 tegelelement) - donker (perronverharding)

De NMBS vraagt de NMBS wat de NHRPH denkt van beide opties en of die beide aanvaardbaar zijn of niet.

De NHRPH won informatie in bij de achterban. De keuze is uiteraard vooral belangrijk voor mensen met een visuele handicap. Via de leden belandde de vraag o.a. bij het Vlaams Experten Overleg Mobiliteit en Toegankelijkheid bij blinde en slechtziende personen (VEOMT). Dit advies is grotendeels op de analyse van het VEOMT gebaseerd.


Analyse

Oppervlaktematerialen van een bleke kleur hebben een hoge lichtreflectie-waarde. Ook bij duisternis of in het donker worden deze, mits een goede horizontale lichtspreiding en voldoende lichtsterkte op vloerniveau, gemakkelijker opgemerkt dan materialen van een donkere kleur. 

Slechtziende personen ondervinden grote moeilijkheden bij grote overgangen in lichtsterkte. In het geval van stations kunnen de grote overgangen van een donkere buitenomgeving (’s avonds of op winterochtenden) naar een goed verlichte stationshal en van de stationshal of de verlichte onderdoorgang naar een (schaarser verlicht) perron in de buitenomgeving de zichtbaarheid belemmeren. Het is voor slechtziende personen bijzonder moeilijk om er de aanwezige obstakels en gevarenzones, zoals de perronboord, te onderscheiden. Op perrons in een buitenomgeving is het daarom raadzaam om bleke noppenstroken te installeren.

Op perrons in een binnenruimte (tunnel, overkapping) kunnen noppenstroken van een donkere kleur worden aangelegd op voorwaarde dat deze:

  • voldoende worden verlicht: de aanwezige lichtbronnen dienen op vloerniveau een ruime horizontale lichtspreiding te hebben, zonder polen van licht en donker te vertonen, met een voldoende grote lichtsterkte (de toepassing in het station Brussel-Schuman is op dat vlak een goed voorbeeld);
  • een luminantiecontrast hebben van minstens 50% t.o.v. de aangrenzende of omgevende vloeroppervlakken (zie ISO 23599/2012).

Voor slechtziende personen moet verder het onderscheid tussen de podotactiele strook met de vlakke omgevingsbestrating visueel duidelijk zijn. In die zin is het voorbeeld van Liedekerke (met gecombineerd tegelelement), waar de tactiele strook en een deel van de vlakke strook ernaast zijn vervaardigd in eenzelfde materiaal van eenzelfde lichtreflectiewaarde (optie 2), absoluut af te raden! Visueel kunnen slechtziende personen immers de volledige strook interpreteren als noppenstrook. Daardoor bestaat er een reëel risico dat zij bij het instappen in een trein voorbij de strook stappen in de veronderstelling dat er nog een veiligheidszone van 40 cm is, terwijl in werkelijkheid nog slechts 10 cm rest tot de perronrand.


Advies

De NHRPH doet in dit geval geen definitieve uitspraak, maar brengt wel een principieel advies uit.

Contrast is belangrijk. Daarom geeft de NHRPH voor buitenperrons de voorkeur aan lichte noppenstroken, zoals in volgende opstelling:

Rails (donker) – perronboord (licht) – perronbevloering (donker) - waarschuwingstegels met noppen (licht) – perronbevloering (donker) – geleidelijnen (licht) – perronbevloering (donker).

Op perrons in een binnenruimte (tunnel, overkoepeling) is ook een opstelling met donkere noppenstroken aanvaardbaar (volgens de hoger vermelde voorwaarden onder 2. Analyse), zoals in volgende opstelling:

Rails (donker) – perronboord + perronbevloering (licht) - waarschuwingstegels met noppen (donker) – perronbevloering (licht) – geleidelijnen (donker) – perronbevloering (licht).

Het ontwerp moet zich ook telkens inschrijven in een veilig en ononderbroken parcours, in het bijzonder voor de persoon met een visuele handicap. 

De NHRPH verwerpt wel de combinatietegels waarbij de tactiele strook en een deel van de vlakke strook ernaast zijn vervaardigd in eenzelfde materiaal van eenzelfde lichtreflectiewaarde, zodat er weinig contrast is tussen podotactiele tegel en bevloering. De NHRPH betreurt dat die tegels al zijn gebruikt bij de werken in het station van Liedekerke zonder de NHRPH te raadplegen.

De ontwerpen moeten in overeenstemming met Revalor zijn. Specifiek voor de toepassing van noppenstroken parallel aan de perronboord van treinstations verwijzen we naar ‘Annex B – Railway platforms’ van de ISO 23599/2012. Deze norm eist een bredere rand dan Revalor 2009 (minimum 50 cm rand tussen waarschuwingstegel en spoor i.p.v. 40 cm), iets waar de NHRPH voorstander van is. Breder is veiliger, zeker voor personen met een visuele handicap.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

De NHRPH wenst ook opvolging en feedback, zowel wat zijn adviezen als de beslissingen en werken betreft.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2017/01 - Responsabilisering werkgevers privé

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling

Advies nr. 2017-01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van een nota inzake de responsabilisering van de werkgevers van de private sector uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 24 april 2017.


Aanvrager

Advies verstrekt op eigen initiatief.


Onderwerp

Deze nota stelt een mechanisme voor om de werkgevers van de private sector te responsabiliseren en ze aan te sporen:

  • personen met een handicap aan te werven;
  • personen met een handicap aan het werk te houden.

In oktober 2014 bezorgde het Comité voor de rechten van personen met een handicap België zijn aanbevelingen naar aanleiding van de voorstelling van het eerste verslag over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Twee aanbevelingen gaan over de tewerkstelling van personen met een handicap:

  1. Het Comité stelt met bezorgdheid vast dat slechts weinig personen met een handicap op de reguliere arbeidsmarkt terechtkomen. Het stelt ook vast dat de overheid er niet in slaagt om in haar eigen diensten de tewerkstellingsdoelstellingen voor personen met een handicap te behalen en dat aan de privésector geen quotum wordt opgelegd.
  2. Het Comité beveelt de Verdragspartij aan om alle nodige reglementaire en aansporende maatregelen te nemen om het recht van personen met een handicap op werk in zowel de privésector als de openbare sector te waarborgen, om door middel van beroepsopleiding en passende toegankelijkheidsmaatregelen te zorgen voor een doeltreffende bescherming tegen discriminatie en om te zorgen voor de nodige redelijke aanpassingen.

De NHRPH vraagt de invoering van een verplicht mechanisme voor de werkgevers van de private sector. Dit mechanisme bestaat uit een jaarlijkse doelstelling (uitgedrukt in een percentage) ter bevordering van de tewerkstelling van personen met een handicap.

Een percentage heeft het voordeel kwantificeerbaar te zijn en dus gemakkelijk te identificeren, te evalueren en te vergelijken. Daarnaast moet deze doelstelling gezien worden als een van de middelen om de reële tewerkstelling van personen met een handicap te verhogen, ook al heeft deze aanpak zijn beperkingen (weergave van tewerkstellingspercentage op een gegeven moment).


Analyse

De NHRH vraagt de regering een wetgeving aan te nemen die: 

  • de aanwerving en loopbaan van personen met een handicap beoogt;
  • een jaarlijkse te behalen doelstelling in de vorm van een percentage verplicht;
  • betrekking heeft op werkgevers in de private sector (behalve BAW’s) met minstens 20 VTE’s;
  • voorziet in consequenties indien de doelstelling niet wordt gehaald;
  • voorziet in de oprichting van controle-instellingen voor de goede toepassing van de bepaling op de verschillende overheidsniveaus. 

De doelstelling is bereikt wanneer de onderneming 3% (in voltijds equivalenten) haalt van het personeel tewerkgesteld op 31 december van het voorgaande jaar.


Advies

Presentatie van het mechanisme:

De NHRPH stelt voor in verschillende, cumuleerbare manieren te voorzien om de doelstelling van 3% te halen:

A) Aanwerven van personen met een handicap:

Worden aangerekend, de personen met een handicap die nieuw in dienst zijn genomen in de organisatie tijdens het referentiejaar, evenals de personen met een handicap die reeds in dienst zijn en die aan een van de volgende criteria beantwoorden:

  • de persoon als dusdanig ingeschreven bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, voorheen het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap (VOP sinds 2008), bij het "Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées", bij de "Service PHARE " of bij de "Dienststelle für Selbstbestimmtes Leben";
  • de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming geniet op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  • de persoon die in het bezit is van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen;
  • het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte die het bewijs kan voorleggen van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 30 % afgeleverd door FEDRIS (het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s) of de bevoegde geneeskundige dienst in het kader van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector of in een gelijkwaardig stelsel;
  • het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht dat het bewijs kan voorleggen van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30% naar aanleiding van een gerechtelijke beslissing;
  • de persoon die in het bezit is van een attest van blijvende invaliditeitserkenning afgeleverd door zijn verzekeringsinstelling of door het RIZIV.
  • personen die hun hoogste getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs.

Worden eveneens aangerekend, de werknemers die in de organisatie reeds zijn tewerkgesteld en die tijdens het referentiejaar definitief ongeschikt voor de uitoefening van de gewoonlijke activiteit werden verklaard, maar geschikt voor de uitoefening van een andere functie door een erkende instelling en die beantwoorden aan een van voormelde criteria.

B) In rekening brengen van bepaalde uitgaven die niet door de overheid worden gesubsidieerd, geplafonneerd:

Bepaalde andere uitgaven kunnen in rekening worden gebracht voor maximaal een derde van de verplichting.

Om welke uitgaven gaat het?

  • de uitgaven in verband met onderaanbesteding aan bedrijven voor aangepast werk (gunning van opdrachten van werken, leveringen en diensten);
  • de uitgaven voor beroepsinschakeling die de werkgever voor zijn rekening neemt : kosten van de aanpassing van de werkpost, vergoeding voor werknemers die de persoon met een handicap moeten begeleiden, kosten voor individuele transportmiddelen (taxi, …), opleiding en sensibilisering inzake handicap (bv. individuele beroepsopleiding (IBO) in Vlaanderen of contrat d’apprentissage professionnel (CAP) in Wallonië en bij de COCOF), bijkomende kosten die voortvloeien uit de handicap (gebarentaal, …).

Er moet een berekeningsmethode met de volgende eigenschappen worden gekozen: betrouwbaar, snel en gemakkelijk te verifiëren. 

Positieve incentives indien 3%-doelstelling wordt gehaald 

Momenteel bestaan reeds verschillende maatregelen om de tewerkstelling van personen met een handicap aan te moedigen. 

Bijkomende maatregelen voor de bestaande tegemoetkomingen kunnen worden uitgewerkt in overleg met de NAR, wanneer een werkgever de 3%-doelstelling naleeft of overschrijdt.

Sancties bij niet of slechts gedeeltelijk halen van de doelstelling

De NHRPH  dringt erop aan dat de private werkgever die de jaardoelstelling al dan niet gedeeltelijk behaalt als sanctie een financiële bijdrage ten gunste van het handicapbeleid moet betalen.

Deze bijdrage is ofwel volledig ofwel gedeeltelijk afhankelijk van het de mate waarin de 3%-doelstelling wordt gehaald.

Deze bijdrage dient als input voor de regionale fondsen (AVIQ, Dienststelle für Selbstbestimmtes Leben, Service Phare, VDAB) via een bijkomende bijzondere budgettaire lijn binnen het budget voor steun aan tewerkstelling van personen met een handicap in een gewone omgeving. Deze financiële middelen zullen moeten worden gebruikt voor de ontwikkeling van projecten in verband met de opleiding en tewerkstelling van personen met een handicap. 

Oprichting van commissies die naleving van deze verplichting moeten controleren 

De NHRPH stelt ook voor met de NAR overleg te plegen om de meest efficiënte manier voor het oprichten van bijzondere commissies te onderzoeken. 

Deze commissies zouden bij iedere betrokken regering verslag moeten uitbrengen over de situatie inzake de tewerkstelling van personen met een handicap in de private sector, hen adviseren over het beleid ter zake en de inspanningen die de organisaties leveren om de 3%-doelstelling te behalen, evalueren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan mevrouw Z. Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2016/17 - Politieke nota handicap

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/17 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de Algemene Beleidsnota van Staatssecretaris Elke Sleurs van 27 oktober 2016, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19 december 2016.


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking en Wetenschapsbeleid heeft de Kamer op 27 oktober jongsteleden haar algemene beleidsnota voorgesteld. De pagina’s 47 tot 55 betreffen inzonderheid haar bevoegdheid op het gebied van inclusie van personen met een handicap.


Analyse

De Staatssecretaris benadrukt het belang van de deelname van de persoon met een handicap aan het maatschappelijk leven en de noodzaak een  inclusief en transversaal beleid daartoe te leiden.

Ze investeert in de volgende actiegebieden:

  • Handistreaming : ze verwijst naar het Plan Handicap en naar de bestuursovereenkomsten van de federale overheidsdiensten. Voor de uitvoering van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap vermeldt ze het toekomstig opstellen van werkfiches met het oog op de uitvoering van het Verdrag.
  • Project My Handicap voor het indienen en het beheer van de dossiers van aanvragen voor tegemoetkomingen en sociale compensaties voor personen met een handicap.
  • Studie over de evaluatie van een handicap.
  • Tewerkstelling van personen met een handicap in de openbare sector en in de privésector
  • Modernisering van de parkeerkaarten
  • Automatisering van de rechten
  • Projecten voor betere informatie voor personen met een handicap
  • Internationale dossiers, waaronder de European Accessibility Act

Advies

De NHRPH sluit zich volkomen aan bij de doelstelling deelname en inclusie van personen met een handicap.

Voormelde middelen en de overwogen acties om dit doel te bereiken zijn evenwel zwak en weinig doeltreffend.

Inderdaad, wat betreft de verschillende punten die aan bod komen in de nota:

  • Wat betreft het Plan Handicap: het gaat in feite om een algemene nota, waarover niet werd nagedacht met de NHRPH, die gewoon een intentieverklaring is, met een zwakke inhoud en die daarenboven geen verband houdt met de door de VN-deskundigen aanbevolen  uitvoering /nl/thema-s/vn-aanbevelingen
  • Voor meer details en wat betreft het Plan Handicap, zie beschouwingen waarover de Staatssecretaris niet heeft gereageerd in de Adviezen 2015-19 : /nl/adviezen/advies-2015-19 en 2016-14 : /nl/adviezen/advies-2016-14
  • Wat betreft de bestuursovereenkomsten van de federale overheidsdiensten en de uitvoering van handistreaming door de aanspreekpunten handicap stelt de NHRPH vast dat de ontwikkeling van handistreaming maar weinig weerklank vindt bij de administraties. Hij wordt trouwens nooit aangesproken voor de uitwerking van beleidsopties of van sensibilisatie- en inclusieacties voor personen met een handicap in de administraties en vraagt zich af of handistreaming werkelijk aan bod komt in de overeenkomsten.
  • Wat betreft de opvolging en de uitvoering van het de Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is de NHRPH echt bezorgd om de rol, de draagwijdte en de inhoud van de vermelde werkfiches. Sedert zijn voorgestelde beschouwingen tijdens de zomer van 2015 heeft de NHRPH niets meer gehoord over de opvolging van deze fiches. De NHRPH heeft altijd een echt interfederaal actieplan gevraagd, waarover daadwerkelijk wordt nagedacht met de adviesraden voor personen met een handicap die op federaal niveau en bij de deelgebieden bestaan, een ontwikkeling in fasen, echte middelen en een regelmatige evaluatie om het werk rond de opvolging van de uitvoering van het Verdrag in het kader van de rapportage bij de VN in 2019 te kunnen verduidelijken.
  • Wat betreft het project My Handicap maakt de NHRPH een zeer groot voorbehoud ten aanzien van de ontwikkeling en het gebruik van deze Terwijl ze een snelle en doeltreffende behandeling van de dossiers zou moeten mogelijk maken, stellen alle gebruikers zonder onderscheid (beheerders, personen met een handicap, externe maatschappelijke assistenten) in feite vast dat de processen ingewikkelder worden en dat de werkprocedures meer tijd in beslag nemen. De gebruikers stellen vast dat het door de aanvragers in te vullen formulier niet begrijpelijk genoeg is, zodat ze bijstand vragen bij de gemeenten, de OCMW’s en de ziekenfondsen; gelet op het werkvolume kunnen steeds minder structuren deze hulp bieden; bepaalde aanvragers zien er dan meteen van af hun rechten te laten gelden. Ter herinnering, het identificatiesysteem dat voortaan  berust op de e-ID en de PIN-code is niet toegankelijk voor de representatieve verenigingen van personen met een handicap.

Op bladzijde 48 van de ABN roept een zin zeer sterk vragen op: « De vragenlijst, die op het scherm wordt getoond, zal verder verduidelijkt worden met het oog op een maximale toegankelijkheid voor personen met een handicap ». Betekent dit in feite « we weten dat het te ingewikkeld is, maar we zullen wel later zien » ? 

De NHRPH vestigt ook de aandacht op het feit dat de module « handicap » in  E-Health niet wordt gebruikt door de behandelende artsen, wat nadelig is voor het medisch beheer van de dossiers. In deze moeilijke context betreurt hij andermaal de sluiting van het loket van de DG PH; zie /nl/adviezen/advies-2016-08.html.

  • Wat betreft de studie over de evaluatie van een handicap neemt de NHRPH deel aan het Begeleidingscomité van de studie. Hij verstrekt, mondeling en schriftelijk, bij iedere gelegenheid, nuttige informatie over de behoeften van personen met een handicap en over de draagwijdte van hun aanvraag inzake zelfredzaamheid en deelname. Hij heeft evenwel niet vaak de indruk dat hij wordt gehoord en stelt zich bijgevolg heel wat vragen over het eindresultaat van deze studie. Dit zal hem echter niet beletten verder deel te nemen aan de werkzaamheden en zijn aanbevelingen te formuleren.

Wat betreft de inhoud van dit deel van de ABN kunnen een aantal tegenstrijdigheden worden opgemerkt : enerzijds wordt vermeld dat het instrument achterhaald is ten opzichte van de definitie van de handicap. Dit wil dus zeggen dat het op termijn de bedoelding is de wet te wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de huidige begrippen. Maar anderzijds kunnen de in de volgende paragraaf vermelde doelstellingen doelstellingen zijn met een ongewijzigde wetgeving.

Er is uiteindelijk een echte botsing van onverenigbare ideeën, waardoor het geheel niet vlot begrijpelijk wordt: er is aldus sprake van  « het bewerkstelligen van de beroepsmatige revalidatie van de personen met een handicap » terwijl het hier gaat om een doelstelling die niets te maken heeft met de tegemoetkomingen, behalve dat de filosofie ervan zou kunnen veranderd worden en een activatiebeleid wenselijk zou zijn, wat gevaarlijk lijkt en wat trouwens nooit als dusdanig werd voorgesteld aan de NHRPH. Ten slotte hebben de aflevering van de parkeerkaart op basis van de toekenning van een rolstoel en de opleiding van de artsen van het RIZIV niets te maken met de studie over de evaluatie van een handicap.  

  • Wat betreft de tewerkstelling van personen met een handicap:

In de openbare sector. De NHRPH neemt deel aan de werkzaamheden van de  Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (BCAPH). Jaar na jaar stelt hij vast dat het aantal werknemers met een handicap afneemt en dat de quota van 3% onmogelijk kan bereikt worden, gelet op de algemene wervingstop, maar ook omdat weinig personen met een handicap slagen voor de proeven of daaraan deelnemen. De NHRPH sluit zich totaal aan bij de aanbevelingen van de BCAPH voor verbeteringspistes. Zie de opeenvolgende verslagen http://www.fedweb.belgium.be/sites/default/files/downloads/Verslag%20BCAPH%202015%20-%20def.pdf.

De NHRPH heeft een advies geformuleerd over het wetsvoorstel houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, met het oog op de optimalisering van het quotum inzake tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheidsdiensten - DOC 54 1773/001. Hij heeft een aantal belangrijke vragen en bedenkingen die moeten worden beantwoord voor de effectieve uitvoering ervan, zo niet verliest het wetsvoorstel zijn nut. Zie advies /nl/adviezen/advies-2016-15.

Evenzo heeft de NHRPH een advies geformuleerd over de beperkte draagwijdte van de sociale clausules; hij is van mening dat het wetsontwerp een gemiste kans is om van de sector van de sociale economie en van de maatwerkbedrijven een echte economische partner te maken. Door sommige artikelen te herwerken zou de wetgever van deze wet een echt instrument van economische  dynamiek kunnen maken, zowel voor de KMO’s als voor de maatwerkbedrijven en de economische ondernemingen. Hij heeft een aantal aanbevelingen geformuleerd om het instrument echt nuttig te maken voor de maatwerkbedrijven. Zie  advies /nl/adviezen/advies-2016-03.

In de privésector.

Het wetenschappelijk project ID@work heeft de NHRPH niet betrokken bij zijn reflectie- en ontwikkelingswerkzaamheden. De NHRPH betreurt dit omdat het onderwerp rechtstreeks betrekking heeft op personen met een verstandelijke handicap.

  • Wat betreft de parkeerkaart: zie advies 2015/20 /nl/adviezen/advies-2015-20. De NHRPH stelt zich ook de vraag of de door de Staatssecretaris gevraagde wijzigingen in overeenstemming zijn met het aanbevolen Europees model aangezien deze kaart uiteraard uiteindelijk tot doel heeft zich vrij en wettig in België en in Europa te verplaatsen.
  • Wat betreft het project toegankelijkheid van de openbare gebouwenontwikkeling van een applicatie :

Dit project werd niet ter kennis gebracht van de NHRPH terwijl het precies betrekking heeft op personen met een handicap. Dit gezegd zijnde, al kan de NHRPH begrijpen dat de Staatssecretaris de applicatie « On Wheels » (zie https://www.onwheelsapp.com/) heeft ondersteund, pleit hij vastberaden voor het verstrekken van informatie aan personen die geen toegang hebben tot deze technologie. Ter herinnering, het is duidelijk dat de meeste informaticadragers technisch en financieel niet toegankelijk zijn voor oudere personen met een handicap, die een zintuiglijke of verstandelijke handicap hebben. Men moet dus ook ervoor zorgen dat de informatie aan alle gebruikers wordt verstrekt.

  • Wat betreft de automatisering van de rechten: de NHRPH verwijst naar de hoorzitting bij de Kamer, tijdens dewelke hij een aantal essentiële aspecten heeft willen benadrukken /nl/news/toegang-tot-sociale-rechten-de-nhrph-heeft-zich-uitgesproken-in-de-kamer.html.
  • Wat betreft de onderhandelingen over de European Accessibility Act:

In de richtlijn wordt voorgesteld dat een aantal producten en diensten worden geharmoniseerd op het gebied van toegankelijkheid:

  • computers en exploitatiesystemen,
    • bankautomaten, verdelers ven vervoerbewijzen en automatische inchecktoestellen,
    • intelligente telefoons,
    • televisie-uitrustingen gekoppeld aan de diensten van de digitale televisie,
    • telefoniediensten en aanverwante uitrustingen,
    • diensten van audiovisuele media en aanverwante uitrustingen,
    • diensten voor het vervoer van reizigers per luchtvaart, per trein, op waterwegen en met de autobus,
    • bankdiensten,
    • elektronische boeken,
    • elektronische handel.

Dit voorstel geldt als aanvulling voor gebieden waarop de sectorale  specifieke Europese reglementeringen niet van toepassing zijn, om de markten toegankelijker te maken voor de behoeften van personen met een handicap. Gelet op de vergrijzing van de bevolking en de  budgettaire beperkingen in de sectoren voor de verzorging en de begeleiding van de persoon, biedt deze richtlijn een echte kans op  economische ontwikkeling voor alle landen en ondernemingen om de markten voor iedereen toegankelijk te maken.

Zoals een aantal andere landen wenst de Belgische economische sector, wegens onvoldoende kennis van het dossier en van de behoeften van personen met een handicap, bepaalde materie te verwijderen uit het toepassingsgebied van de richtlijn (websites, vervoer, gebouwde omgeving, …). Dit zou zeer nadelig zijn en afbreuk doen aan het project van inclusieve samenleving en van economische ontwikkeling van de Europese ondernemingen.

De Staatssecretaris spreekt zich jammer genoeg niet uit over dit aspect. De NHRPH had graag haar standpunt willen kennen.

Voor het overige verwijzen we voor zover nodig naar het advies 2016-02 over de vorige ABN /nl/adviezen/advies-2016-02. Het zou trouwens wenselijk geweest zijn dat de Staatssecretaris  de nodige uitleg zou gegeven hebben over de stand van zaken van een aantal dossiers waarin tot nu toe geen enkele vooruitgang werd geboekt, waaronder het sociaal tarief, de verhoging van de tegemoetkomingen tot de Europese armoedegrens, transparantie en vereenvoudiging, de overdracht van de THAB.

Last but not least, de NHRPH wenst te herinneren aan het participatief voorschrift van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bekrachtigd door België in 2009 en aan een stilaan welbekende slogan: « niets over ons zonder ons ». De NHRPH zou het op prijs gesteld hebben indien de Staatssecretaris hem zou geraadpleegd hebben, ten minste voor nieuwe denkpistes over de doelstellingen en prioriteiten van haar inclusiebeleid.   


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Volksvertegenwoordigers
  • Ter info aan Mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de Eerste Minister
  • Ter info aan UNIA
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/16 - Nationaal Uitvoeringsplan NMBS

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het nationale uitvoeringsplan “Toegankelijkheid” van de NMBS tot uitvoering van artikel 8 van de Europese verordening  nr. 1300/2014 van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, besproken tijdens de plenaire zitting van de NHRPH van 17/10/2016 na een presentatie door de NMBS en daarna wegens hoogdringendheid via bevraging per mail goedgekeurd op 21/10/2016.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS (30/09/2016).


Onderwerp

De Europese verordening nr. 1300/2014 van 18 november 2014 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI) betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, artikel 8, legt elke lidstaat de verplichting op om een “nationaal uitvoeringsplan” op te stellen. Dit nationaal uitvoeringsplan “Toegankelijkheid” dient te worden opgesteld op basis van bestaande nationale plannen – waaronder het plan toegankelijkheid van de NMBS, Infrabel en de voormalige NMBS Holding in uitvoering van de respectievelijke beheerscontracten – en de inventaris van de voorzieningen.

De lidstaten dienen hun nationaal uitvoeringsplan in te dienen bij de Europese Commissie vóór 01/01/2017. Die zal op grond van een vergelijkend overzicht en in samenwerking met een Europees adviesorgaan gemeenschappelijke prioriteiten en criteria bepalen voor de verdere uitvoering van de TSI. Op grond daarvan zullen de lidstaten dan later hun nationaal uitvoeringsplan moeten herzien.

Het NMBS-plan toegankelijkheid met als titel “Bijdrage van NMBS aan het Nationaal Uitvoeringsplan voor de PBM TSI” werd op maandag 26/09/2016 door het Directiecomité goedgekeurd. Op vraag van de FOD Mobiliteit legt de NMBS het document voor aan de NHRPH voor advies.


Analyse

Algemeen

De NHRPH apprecieert dat de NMBS zich ambitieus toont in haar uitvoeringsplan. Om een voorbeeld te geven: bovenop de huidige 19 volledig toegankelijke stations komen er tegen eind 2020 20 extra stations die volledig toegankelijk zijn conform de recentste aangenomen criteria en 60 tegen eind 2026. De NHRPH zal de NMBS zo nodig aan dit engagement herinneren.

Wel maakt de NHRPH zich zorgen over volgende zin (hoofdstuk 4, p. 13): “De realisatie ervan zal afhankelijk zijn van het meerjareninvesteringsplan en de budgetten.” De NHRPH wil in geen geval dat het uitvoeringsplan in de praktijk enkel een intentieverklaring zal blijken en zal de evolutie (beheerscontracten, meerjareninvesteringscontracten, enz.) met argusogen volgen. De NHRPH is immers van mening dat er niet kan worden bespaard op de rug van de personen met een handicap. De NHRPH is wel bereid om de NMBS te steunen in haar toegankelijkheidsplannen en indien nodig te lobbyen bij de bevoegde federale ministers en staatssecretarissen om de nodige middelen te voorzien voor een toegankelijk spoorverkeer.

De NHRPH apprecieert dat er rekening is gehouden met adviezen en zijn positienota “Toegankelijkheid en mobiliteit voor personen met een handicap” van december 2015 en dat de definitie van handicap is gebaseerd op de definitie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap:

Onder „personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit” wordt elke persoon verstaan met een permanente of tijdelijke fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking die hem, in wisselwerking met diverse drempels, kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere reizigers gebruik te maken van vervoersdiensten of van wie de mobiliteit bij het gebruiken van vervoersdiensten is beperkt door zijn leeftijd. (VERORDENING (EU) Nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit) 

Voor de context inzake regelgeving op internationaal niveau (p. 6 van het Uitvoeringsplan) verwijst de NHRPH ook nog naar:

Streven naar stiptheid komt uiteraard iedereen ten goede, maar de NHRPH wenst hier wel een kanttekening te maken. Zolang het Belgische spoorverkeer niet volledig toegankelijk is voor iedereen, zal assistentie nodig blijven. Als er in de planning niet terdege rekening wordt gehouden met assistentie kan dat al eens ten koste gaan van de stiptheid. De NHRPH wil niet dat in dat geval de persoon met een handicap met de vinger wordt gewezen door personeel of passagiers. Sensibilisering blijft nodig.

De NMBS bezorgde de NHRPH enkele voorlopige inventarissen van de stations, het rollend materieel en de bedrijfsvoorschriften. Die documenten waren zeer interessant. De NHRPH wenst op de hoogte te blijven van de evolutie van die inventarissen.

De NHRPH vraagt wel dat het doelgroepenbeleid (met o.a. de verschillende types van handicap) uitgebreider in het Nationaal Uitvoeringsplan aan bod komt en zeker niet wordt ‘verbannen’ naar de inventarissen of andere bijlagen. De ervaring leert immers dat het basisdocument steeds meer slagkracht heeft dan de bijlagen…

Uniformiteit

De NHRPH deelt de bekommernis over het streven naar uniformiteit in het Belgische spoorverkeer, zowel voor infrastructuur als rollend materieel. Voor personen met een handicap is het belangrijk te weten waar het toegankelijk loket te vinden is, waar de infozuil en de liften zich bevinden, waar je assistentie kunt krijgen, waar de toegankelijke toiletten zijn, waar de openingsknop van de treindeur zich bevindt, …

Belangrijk daarbij is om rekening te houden met de Waalse, Vlaamse  en Brusselse regelgevingen, met het oog op de standaardisering voor alle Belgische stations. Overleg en samenwerking met de overheden en vervoersmaatschappijen (MIVB/STIB, TEC, De Lijn, taxi’s, …) op federaal, gemeenschaps-, gewest- en de lokaal niveau is dus essentieel. 

De NHRPH stelt vast dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een stappenplan om perrons en materieel op elkaar af te stellen. In België zijn er 3 verschillende perronhoogtes, wat een goede afstemming van het rollende materiaal aan de perrons onmogelijk maakt. De NHRPH vraagt al enige tijd dat er grondig werk wordt gemaakt van treinen en – bij voorkeur ingebedde - perrons die op elkaar zijn afgesteld, zodat bijvoorbeeld een blinde of een rolstoelgebruiker veilig en op eigen kracht de trein kunnen betreden, eventueel via een geautomatiseerde uitklaphelling van de trein. Zwitserland is een goed praktijkvoorbeeld. De erfenis van het verleden zal niet in enkele jaren weggewerkt zijn, maar een stappenplan biedt een perspectief. Nochtans maakt de NHRPH zich zorgen. In het Uitvoeringsplan lezen we immers:

In de periode 2016-2020 zullen een aantal stations met perronverhogingen (76 cm of 55 cm) uitgerust worden. Deze planning is opgenomen in bijlage 4. Volgens deze plannen zullen 28 extra stations over 100 % verhoogde perrons beschikken. (…) Doelstelling perronverhogingen na 2020: Vanaf 2021 zal NMBS een ambitieus plan nastreven opdat er gemiddeld 10 stations per jaar worden uitgerust. NMBS verwacht dus dat tussen 2021 en 2026 60 extra stations zullen conform zijn aan de aangenomen criteria.

Elders lezen we: “(standaardperronhoogte 76 cm t.o.v. het spoor; 55 cm zo de standaard technisch niet mogelijk is)”.

Ook volgende zin doet de wenkbrauwen fronsen (hoofdstuk 4 A. Instaphulpmiddelen bij perrons, p17): “Het feit dat geen enkel van de laadhellingen volledig TSI conform is, vormt geen probleem en is ook niet mogelijk, aangezien de combinatie treinen-perrons waarbij ze gebruikt worden niet TSI-conform is.

De NHRPH vindt dat wel degelijk een probleem en vraagt dat er een langetermijnplanning komt met één perronhoogte (76 cm) en met daaraan aangepaste treinen, laadplatformen, enz. Zoals de NHRPH al aangaf in zijn perscommuniqué van 22/12/2015, wenst de NHRPH dat er gekozen wordt voor één enkele standaard, niet voor 2. Gezien de lange levensduur van treinstellen en de hoge kostprijs van werkzaamheden aan perrons hypothekeert zo’n dubbele standaard de toegankelijkheid van treinen voor minstens 30 à 40 jaar!

Assistentie

De NHRPH betreurt ook dat steeds meer haltes en stations onbemand zijn (zie advies 2015/06) en dat (bemande) loketten verdwijnen. Dat komt de toegankelijkheid niet ten goede, zeker niet voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM) en personen met een handicap. In de meeste gevallen moet assistentie minimaal 24 uur op voorhand worden aangevraagd (3u enkel mogelijk tussen 18 stations voor reizen zonder overstap). De B for You-teams kunnen niet overal de assistentievraag aan. Bovendien biedt de NMBS niet in elk station en elke halte assistentie. De NHRPH blijft pleiten voor assistentie in alle stations en haltes, en zo goed als zonder reservatietermijn.

De NHRPH is het niet volledig eens met de stelling dat er voor de evaluatie van een toegankelijk station een ticketautomaat aanwezig moet zijn. Hoewel de NHRPH geen tegenstander is van ticketautomaten als bijkomende service, wijst de NHRPH nogmaals op de onvolledige toegankelijkheid van de ticketautomaten, zelfs na de invoering van de hotline. Het bestaan van alternatieven voor loketverkoop is positief, maar de NHRPH blijft de voorkeur geven aan toegankelijke bemande loketten. Bepaalde kwetsbare groepen zoals – bijvoorbeeld – personen met een verstandelijke handicap hebben menselijke hulp nodig bij de aankoop van een ticket. Zie ook advies 2014/19.

Informatie

De NHRPH is verheugd te lezen dat de NMBS alles in het werk zal stellen “om in de treinen de slechtziende en slechthorende reizigers te informeren over de vertragingen, de wijzigingen van het aantal haltes of van de aansluitingen, en dit zowel via omgeroepen berichten als via realtime aanduiding op de informatieschermen van het hiermee uitgeruste materieel.”

Daarbij aansluitend is de NHRPH ook blij te vernemen dat het reizigersinformatiesysteem EMMA, tegen begin 2018 in (bijna) alle stations en haltes van het Belgische spoorwegnet zal zijn geïnstalleerd.

Actuele en universeel toegankelijke informatie in een eenvoudige en begrijpelijke taal zijn een must voor iedereen, in het bijzonder voor personen met een zintuiglijke handicap, zoals blinden en slechtzienden en doven en slechthorenden. De NHRPH vraagt al langer dat alle omgeroepen informatie ook duidelijk op de schermen wordt getoond en omgekeerd, zowel in stations, op perrons als in de trein, en niet alleen voor de ‘gewone’ aankondigingen (aankomst en vertrek, volgende haltes, plaats van de toegankelijke wagon in het treinstel, …), maar ook - en vooral - bij onvoorziene omstandigheden en wijzigingen. Op een perron zijn dat bijvoorbeeld vertragingen en spoorwijzigingen. In de trein kan het gaan om een onverwachte halte (en de reden en de verwachte duur), een beperking van de reisroute, een vertraging en de gevolgen voor de overstap, de kant waar de deuren zullen openen (interessant voor blinden en slechtzienden), enz. Daarbij aansluitend moeten ook brand- en evacuatiealarmen niet alleen sonoor, maar ook visueel worden weergegeven in stations, op perrons en in treinen.

De NHRPH wenst dat er in de toekomst gratis wifi is voor iedereen in stations en op de trein, ongeacht het abonnement van de reiziger. Iedereen heeft daar baat bij, maar personen met een zintuiglijke handicap nog meer. Ze hebben dan toegang tot specifiek apps die hulp bieden bij het reizen. Doven en slechthorenden kunnen dan een beroep doen op afstandstolken online. Interessante apps voor het treinreizen mogen altijd meegedeeld worden. Er zijn nog niet veel gebruiksvriendelijke en betrouwbare apps over intermodaliteit die toegankelijk zijn voor allen. De NHRPH dringt aan op overleg tussen de verschillende aanbieders van openbaar vervoer voor de ontwikkeling van betrouwbare en toegankelijke apps voor intermodaal verkeer.

Van zijn achterban hoort de NHRPH geregeld dat klachten die worden ingediend bij de klantendienst van de NMBS vaak niet (ten gronde) worden behandeld. Er is natuurlijk nog de Ombudsdienst voor de Treinreizigers, maar niet iedereen zet die stap. Een betere opvolging van de klachten door de klachtendienst is nodig.

Toegankelijkheid

De NHRPH wil niets minder dan toegankelijkheid voor allen, verwijzend naar artikel 9 van het VN-verdrag inzake de personen met een handicap. Toegankelijkheid betreft: de infrastructuren en omgeving, het rollend materieel, de informatie, de website en apps van de NMBS, enz.

Tegenwoordig houdt de NMBS bij haar renovatiewerken rekening met toegankelijkheid, ook als die infrastructuren voorheen onvoldoende toegankelijk waren. De NHRPH dringt erop aan dat die lijn wordt aangehouden.

In het algemeen is er in het Nationaal Uitvoeringsplan relatief weinig aandacht voor mensen met een zintuiglijke handicap. De NHRPH schaart zich dan ook achter het advies van Expertisecel toegankelijkheid van Blindenzorg Licht en Liefde vzw van 11/10/2016: “Ontwerp ‘Bijdrage van de NMBS aan het Nationaal Uitvoeringsplan voor de PBM TSI’” en herneemt hier dat advies, inclusief verwijzingen naar de titels en pagina’s van de ontwerptekst van het Nationaal Uitvoeringsplan: 

3. Huidige situatie

3.A. Overzicht van de inventarissen: stations

3.A.1) Elementen nodig voor de evaluatie van een toegankelijk station

Algemeen: (p. 9)

Toe te voegen:

  • Menselijke assistentie
  • Beveiliging van trappen met waarschuwingsstroken, contrastmarkeringen en leuningen
  • Beveiliging van roltrappen met waarschuwingsstroken en verlichting
  • Toegankelijke pictogrammen en bewegwijzering
  • Toegankelijke toiletten 

Stationsgebouw: (p. 9)

  • Geleidelijnen:

Toe te voegen:

o Assistentiezuil

o Bus, tram, metro, taxi

Perrons: (p. 9)

  • Geleidelijnen:

Toevoegen aan geleidelijnen: “waarschuwingsstroken en artificiële oriëntatiepunten”. Desgewenst kan ook de verzamelnaam ‘podotactiele aanpassingen’ gebruikt worden.

3.A.2) Elementen nuttig voor informatie naar de klanten en optimalisatie van de eigen dienstverlening:

Toe te voegen:

  • Multisensorieel plan (plattegrond) voor personen met een zintuiglijke handicap, zeker in grotere stations
  • Parkeerplaatsen voor personen met een handicap (p. 10)

Toe te voegen:

o Zo dicht mogelijk bij de toegang van het stationsgebouw en/of de perrons.

3.B. Overzicht van de inventarissen: rollend materieel

De 2e alinea betreft de vermelde “tabellen in bijlage 2” (p. 11):

Toe te voegen:

  • drukknoppen buitenkant trein (openen deur) in contrasterende kleur
  • bewegwijzering in de treinstellen naar toiletten in contrasterende kleur en reliëf 

Bemerking: Toiletten met een elektronisch sluitingsmechanisme zijn niet toegankelijk voor blinde en slechtziende personen. Dit is niet opgenomen in de tabel.

3.C. Overzicht van de inventarissen: bedrijfsvoorschriften

Bedrijfsvoorschriften voor de stations (p. 11)

  • Revalor moet de norm blijven.
  • Bemerking betreffende de actualisering van Revalor in 2017: hiervoor moet het advies van de NHRPH en experts worden ingewonnen.

4. Definitie van een strategie

4.A. Stations  

Verbetering van de toegankelijkheid voor PBM: bouwprojecten (p. 13)

Vanwege het grote belang voor de veiligheid en toegankelijkheid van blinde en slechtziende reizigers zijn volgende elementen te specifiëren betreffende de standaardisering van stations:

- Contrastmarkeringen op trappen

- Contrastmarkeringen op glazen deurpanelen en wanden (bijv. van liften, sassen en schuilhuisjes op perrons)

- De technische specificaties van podotactiele materialen, conform aan de Waalse en Brusselse regelgevingen, doch ook voor toepassingen op het Vlaamse grondgebied, met het oog op de standaardisering voor alle Belgische stations.

Terminologie

Tot slot nog enkele terminologieopmerkingen:

  • In navolging van het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap verkiest de NHRPH de termen ‘handicap’ en ‘persoon met een handicap/personne handicapée’ boven ‘gehandicapte, ‘mindervalide’, ‘persoon met een beperking’, enz. ‘
  • ‘Persoon met een beperkte mobiliteit’ (PBM) is een geschikte term, maar het onderscheid tussen de – deels overlappende – termen ‘persoon met een beperkte mobiliteit’ en ‘persoon met een handicap’ verdient enige aandacht. Een persoon met een beperkte mobiliteit is iedereen die op een gegeven moment – om welke reden dan ook – een beperkte mobiliteit heeft: ouderen, zwangere vrouwen, personen met een kinderwagen, reizigers met veel bagage, iemand met een been of arm in het gips, enz. Ook personen met een handicap, vooral een fysieke handicap, kunnen hieronder vallen: denk maar aan rolstoelgebruikers. Personen met een zintuiglijke, verstandelijke, mentale, … handicap vallen daar niet noodzakelijk onder, al zal hun handicap – in een weinig toegankelijke omgeving – indirect wel de mobiliteit beperken.
  • Ook worden de termen ‘blinde’, ‘slechtziende’, ‘dove’, ‘slechthorende’ wat slordig gebruikt. De voorkeur gaat naar de termen ‘blinden en slechtzienden’ en ‘doven en slechthorenden’, tenzij de context specifiek om een andere term vraagt (voorbeeld: visueel contrast is nuttig voor slechtzienden, maar niet voor blinden). Ruimer kunnen ook ‘personen met een visuele handicap’ en ‘personen met een auditieve handicap’ als term worden gebruikt.
  • De benaming “blindengeleidelijnen” dient vervangen door “geleidelijnen”. Er dient een consequente lijn doorgetrokken m.b.t. de gebruikte terminologie. Het door elkaar gebruiken van verschillende termen leidt tot verwarring en kan in de praktijk ook leiden tot foutieve toepassingen.
    • Ofwel noemt men de podotactiele aanpassingen met de naam van hun podotactiele eigenschap, zijnde: ‘ribbellijnen’, ‘noppen’ en ‘verende oppervlakken’ of gebruikt men de verzamelnaam hiervoor, zijnde ‘podotactiele materialen’. (Het woord “tegels” wordt hierbij best achterwege gelaten aangezien er ook losse ribbellijnen en losse noppen bestaan die niet zijn geïntegreerd in een tegel.)
    • Ofwel noemt men de podotactiele aanpassingen met de naam van hun betekenis voor de eindgebruikers, zijnde ‘geleidelijnen’, ‘waarschuwingsstroken’ en ‘artificiële oriëntatievlakken’.

Advies

Ook al vindt de NHRPH dat het Nationaal Uitvoeringsplan in het algemeen een stap in de goede richting is en dat het document heel wat goede punten bevat, toch heeft de NHRPH een hele reeks opmerkingen, verbeterpunten, aanbevelingen, eisen en suggesties, zoals blijkt uit de analyse hierboven. De NHRPH vraagt met aandrang om rekening te houden met alle punten die zijn aangehaald in de analyse van dit advies, met inbegrip van de aangehaalde adviezen en de positienota over toegankelijkheid en mobiliteit. De NHRPH blijft beschikbaar voor advies en verdere uitleg.

De NHRPH vraagt om er alles aan te doen om te voorkomen dat beleidsbeslissingen en/of budgetbeperkingen ten koste gaan van de personen met een handicap.

De NHRPH blijft achter zijn positienota en zijn adviezen staan, in het bijzonder de adviezen 2015/30 en 2014/08 over de toekomstige beheerscontracten van de NHRPH en vraagt de NMBS dan ook om er blijvend rekening mee te houden.

Uniformiteit en universele toegankelijkheid, ook op het vlak van communicatie, blijven de doelstelling. Bij vernieuwingswerken en nieuwe aankopen moet daar terdege rekening mee worden gehouden. Dat geldt ook voor assistentie aan PMH die in alle stations en haltes en zonder reservatietermijn moet kunnen worden aangeboden.

Het blijft van belang om de sector te betrekken. Op federaal niveau is dat de NHRPH die de personen met een handicap van België vertegenwoordigt op federaal vlak.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen in overeenkomst met Revalor vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Enter) te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

De NHRPH wenst ook opvolging en feedback, zowel wat zijn adviezen als de beslissingen en werken betreft.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer;
  • Ter informatie aan de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/15 - Optimalisering van het quotum

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016-15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, met het oog op de optimalisering van het quotum inzake tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheidsdiensten, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 19 september 2016.


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van de Commissie voor de Sociale Zaken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van België van 11 juli 2016.


Onderwerp

Dit advies gaat over een wetsvoorstel ingediend bij de Kamer op 19 april 2016 door de heren Jan Spooren en Wouter Raskin met het oog op de optimalisering van het quotum inzake tewerkstelling van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt.

Het voorstel biedt aldus de betrokken federale overheidsdiensten de mogelijkheid taken op te nemen in het verplicht quotum van 3%, die uitbesteed worden aan ondernemingen die personen met een handicap aangepast werk aanbieden, met toepassing van bepaalde grenzen.


Analyse

Artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage verplicht elke federale overheidsdienst personen met een handicap tewerk te stellen tot 3 % van zijn personeelsbestand. Indien dit quotum niet wordt bereikt (§ 2), is hij verplicht eerst de specifieke lijsten te raadplegen voor elke aanwerving en/of indienstneming bij arbeidsovereenkomst.

Het evaluatieverslag van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt (BCAPH), gepubliceerd op 11 juli 2016, vermeldt dat de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap bij het Belgisch federaal openbaar ambt in 2015 1,32% bedraagt. Hij vermindert dus constant sedert 2012 (1,54% in 2012, 1,51% in 2013 en 1,39% in 2014). De commissie trekt een parallel tussen deze evolutie van de afname van de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap en de evolutie van de totale personeelsbezetting in het federaal openbaar ambt in dezelfde richting (96,7% en 2012, 92,5% en 2013, 90,6% en 2014 en 83,9% en 2015).

Het wetsvoorstel heeft tot doel artikel 3, § 1, van voormeld koninklijk besluit aan te vullen door de overheidsdiensten de mogelijkheid te bieden, voor de berekening van het quotum van 3%, rekening te houden met de uitbesteding van taken aan gespecialiseerde ondernemingen voor de tewerkstelling van personen met een handicap (maatwerkbedrijven in Vlaanderen,  entreprises de travail adapté in Brussel en in Wallonië en Beschützende Werkstätten in de Duitstalige Gemeenschap). Deze aanrekening is evenwel beperkt tot maximum een derde van het quotum (namelijk 1%) berekend op basis ofwel van het aantal arbeidsuren, ofwel van de loonkosten.  


Advies

De NHRPH stelt met tevredenheid vast dat het principe van handistreaming hier concreet wordt toegepast bij het opmaken van de wetteksten en dat het maatschappelijk middenveld wordt betrokken volgens de principes in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH is van mening dat de mogelijkheid om rekening te houden met de uitbesteding van taken aan gespecialiseerde ondernemingen bij de berekening van het quotum van 3 % een van de middelen kan zijn die kan bijdragen tot het optimaliseren van dit quotum. Hij onthoudt het positief karakter van de maatregel die de tewerkstelling globaal wil verbeteren, door op zoek te gaan naar andere middelen dan de « klassieke » aanwervingen. Hij herinnert er evenwel aan dat een quotum niet als een doel op zichzelf moet beschouwd worden (resultaatsdoelstelling), maar als een middeldoelstelling die, wanneer ze bereikt wordt, tot een hogere finaliteit leidt, namelijk hier de tewerkstelling van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt.

Dit wetsvoorstel geeft niettemin aanleiding tot een reeks belangrijke vragen en bedenkingen waarop een antwoord moet worden gevonden opdat het effectief zou kunnen worden uitgevoerd, zo niet verliest het zijn nut:

  • in de mate dat de uitvoeringstaken steeds minder gesplitst worden en uitsluitend worden toevertrouwd aan medewerkers van niveau D bij de federale overheidsdiensten, vraagt de Raad zich af welk soort taken effectief zouden worden voorgesteld om te worden uitbesteed;
  • zal het volume van de uitbestede taken voldoende zijn om een nettoverhoging van de tewerkstelling in de maatwerkbedrijven teweeg te brengen en niet alleen gevolgen van het macro-economisch type zoals het behoud van de tewerkstelling, het feit dat er geen economische werkloosheid is, … ?
  • de NHRPH is eveneens bezorgd over het risico van buitenkanseffecten voor de reeds lopende onderaannemingscontracten;
  • de NHRPH benadrukt dat het op dit gebied belangrijk is te werken in overleg met de federaties van maatwerkbedrijven met het oog op een billijke geografische spreiding van de onderaanneming tussen de verschillende maatwerkbedrijven;
  • hij stipt nog verder aan dat moet verduidelijkt worden hoe de onderaanneming met de maatwerkbedrijven zal worden aangerekend in voltijdse equivalenten (EVT's) van personen met een handicap;
  • ten slotte, in het kader van de overheidsopdrachten toont de omzendbrief van 16 mei 2014 « Integratie van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van sociale clausules en maatregelen ten voordele van kleine en middelgrote ondernemingen, in het kader van overheidsopdrachten geplaatst door federale aanbestedende instanties » geen gelijkenissen met dit wetsvoorstel wat de doelstellingen betreft ? Wat is de reële invloed voor de maatwerkbedrijven sedert de toepassing van deze omzendbrief ?

Ter herinnering, een reeks sociale clausules maken het namelijk mogelijk dat de toegang tot de overheidsopdracht of tot een deel ervan wordt voorbehouden voor maatwerkbedrijven indien de meeste werknemers personen met een handicap zijn die, wegens de aard van hun handicap, geen beroepsactiviteit kunnen uitoefenen in normale omstandigheden, en voor de sociale inschakelingsondernemingen, met als gevolg dat enkel de door deze ondernemingen ingediende offertes in aanmerking worden genomen.

De NHRPH is daarenboven van mening dat dit wetsvoorstel de problemen in verband met de tewerkstelling van personen met een handicap slechts gedeeltelijk oplost. Hij vindt dat het denkwerk over de tewerkstelling van personen met een handicap moet passen in een globaler kader dan enkel de optimalisatie van het quotum bij het federaal openbaar ambt en moet betrekking hebben zowel op de openbare als op de privésector. Hij verwijst daarbij naar zijn positienota van januari 2014 over de tewerkstelling van personen met een handicap (/nl/topics/employment_position).

Uitgaande van de vaststelling dat de meeste personen met een handicap beschikbaar op de arbeidsmarkt laaggeschoold zijn, zouden in het kader van de Interministeriële Conferentie Arbeidsmarktbeleid, Socio-professionele en Sociale Inschakeling de mogelijke maatregelen moeten worden onderzocht om de beroepsbekwaamheid en de beroepsopleiding van personen met een handicap te verhogen. Er moet tevens worden nagegaan of de gewestelijke moratoria met de verschillende regeringen kunnen worden herzien indien de activiteitsgraad deze moratoria zou overschrijden.

Hij vindt het ook nuttig deze maatregel aan te vullen met sensibilisatie- en begeleidingsacties voor de uitvoering, ten aanzien zowel van de betrokken overheidsdiensten als van de maatwerkbedrijven.

Hij betreurt overigens dat sancties en/of bonussen niet worden overwogen, gekoppeld aan deze middeldoelstelling: aanpassing van het budget, premies, label, …

Inzonderheid in de overheidssector verdedigt hij het idee het globaal quotum van 3% aan te vullen met een extra quotum voor de jaarlijkse aanwerving van personen met een handicap om een nieuwe instroom van personen met een handicap op de arbeidsmarkt aan te moedigen.

Hij dringt er ook op aan dat in het kader van het quotum van 3 % aparte statistische gegevens (aanwerving / onderaanneming) zouden kunnen worden opgemaakt.

Hij merkt ten slotte op dat de tekst die hem wordt voorgelegd een wetsvoorstel tot wijziging van een koninklijk besluit is (koninklijk besluit van 6 oktober 2005) zelf genomen ter uitvoering van een ander koninklijk besluit  (koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel) en herinnert aan het commentaar van de Raad van State (Beginselen van de wetgevingstechniek, pagina 20): « Het is echter niet wenselijk dat de wetgever zelf de door de uitvoerende macht vastgestelde regeling rechtstreeks wijzigt. Dit leidt tot een vermenging van rechtsregels van wettelijk en reglementair niveau in één tekst. Bovendien kan de uitvoerende macht de wijzigingen die door de wetgevende macht werden aangebracht, later niet meer wijzigen, aangezien die kracht van wet hebben. Wel kan de wetgevende macht (onderdelen van) besluiten van de uitvoerende macht opheffen. ».

 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Voorzitter van de Commissie voor de Sociale Zaken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van België;
  • Ter info aan de heer Steven Vandeput, Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter info aan UNIA ;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/14 - Handistreaming

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016-14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de coördinatie Handistreaming naar aanleiding van de beslissing van de Ministerraad van 27 maart 2015, geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 19 september 2016.


Aanvrager

Advies gegeven op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Op 15 juli 2016 keurde de Ministerraad een door de Staatssecretaris voor Personen met een handicap voorgestelde nota goed met als titel “Coördinatie Handistreaming naar aanleiding van de beslissing van de Ministerraad van 27 maart 2015”.

Bij toepassing van de Handistreaming-strategie bevat deze nota voor elk lid van de federale regering een lijst met minstens twee acties om de handicap-dimensie in het federale beleid te integreren en te versterken.


Analyse

Ter herinnering: op 27 maart 2015 keurde de Ministerraad een eerste reeks maatregelen goed ter uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap: handhaving van de aanstelling van administratieve en beleidsmedewerkers, integratie van het handistreaming-principe in de instrumenten voor strategische planning en inspraak van / medewerking met het middenveld. Tevens werd de presentatie van een federaal actieplan Handistreaming aangekondigd waarin concrete acties zouden worden voorgesteld “om de dimensie handicap in de verschillende beleidsdomeinen te integreren, onder meer gebaseerd op de voormelde opmerkingen en aanbevelingen van het VN-Comité.”

Eind juni 2015 formuleerde de NHRPH op dringende vraag van de Staatssecretaris voor personen met een handicap een gematigd en niet-exhaustief advies (nr. 2015-19) met betrekking tot een ontwerp van nota voor de Ministerraad houdende een actieplan Handicap voor de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Gezien het nogal methodologisch karakter van het voorgestelde plan heeft de NHRPH gewezen op de risico’s verbonden aan enerzijds de vermelding van een minimum aantal te ondernemen acties, en anderzijds de strikte scheiding van de maatregelen. Tevens werd van de leden van de federale regering een formeel engagement gevraagd om de NHRPH te raadplegen bij elke beleidsmaatregel en het voorgestelde werkinstrument (fiches) ter ondersteuning van een analytische aanpak goed te keuren.

In haar algemene beleidsnota van 4 november 2015 verwijst de Staatssecretaris voor personen met een handicap naar “mijn federaal actieplan Handicap” dat “in concrete acties zal voorzien … opgebouwd rond twee assen :

  • enerzijds, via acties en transversale doelstellingen, die, vertrekkend vanuit het principe van “Handistreaming”, waarborgen dat de dimensie handicap effectief geïntegreerd wordt in de verschillende beleidsdomeinen. Om tot een dergelijke integratie te komen, moet elke minister en staatssecretaris elk jaar over de dimensie handicap rapporteren in ten minste twee beleidslijnen .
  • anderzijds, via specifieke maatregelen en doelstellingen – die uitvoering geven aan de bepalingen van het UNCRPD, de bemerkingen van het middenveld en het onafhankelijk mechanisme (ingevoerd ten gevolge van het eerste Belgisch rapport over de toepassing van het UNCRPD), - en de aanbevelingen van het Comité van de VN geformuleerd bij het onderzoek van het eerste Belgisch rapport. Om de bepalingen van het UNCRPD te concretiseren, moet elke minister of staatssecretaris, binnen zijn bevoegdheden en de budgettaire mogelijkheden, de noodzakelijke specifieke maatregelen nemen, rekening houdend met de bepalingen van het UNCRPD, de bemerkingen van het middenveld en het onafhankelijk mechanisme, alsook van de aanbevelingen en de observaties van het Comité van de VN.” 

Zij heeft zich ertoe geëngageerd dit plan in 2016 te zullen uitvoeren in samenwerking met alle betrokken actoren, in het bijzonder met het middenveld.

Dit advies gaat over de beslissing van de Ministerraad van 15 juli 2016, die:

  • een lijst goedkeurt waarin minstens twee initiatieven en doelstellingen worden opgesomd voor elk regeringslid in het kader van Handistreaming ;
  • de Staatssecretaris voor personen met een handicap belast met de opvolging in samenwerking met de leden van de regering en de betrokken administraties en hierover jaarlijks verslag uit te brengen aan de Ministerraad.

Advies

Tot haar verbijstering stelt de NHRPH vast dat de beslissing geheel in strijd is met de beginstelen van het hierboven genoemde VN-Verdrag en dat, ondanks de vele verklaringen van de Staatssecretaris voor personen met een handicap (met name in het kader van haar algemene beleidsnota’s van 2014 en 2015) aangenomen bij de Ministerraad van 27 maart 2015 (punt 5/) het middenveld en meer specifiek de NHRPH niet werd geconsulteerd of zelfs maar geïnformeerd over de inhoud van deze nota, ook niet voor ze ter goedkeuring aan de Ministerraad van 15 juli 2016 werd voorgelegd. De geloofwaardigheid van een samenwerking gebaseerd op wederzijds vertrouwen dreigt hierdoor in de toekomst in het gedrang te worden gebracht.

De NHPRH is bijzonder onthutst over de reikwijdte van deze lijst van acties. Ten eerste stelt ze zich vragen bij de plaats die deze lijst inneemt in de context van het federaal actieplan aangekondigd in zowel de nota aan de Ministerraad van 27 maart 2015 als in de algemene beleidsnota van de Staatssecretaris voor personen met een handicap van 4 november 2015. Volgens de NHRPH beantwoordt de lijst zoals voorgesteld niet aan de gangbare definitie van een actieplan. Zij bevat niet de minste informatie over problemen en/of moeilijkheden waarvoor concrete acties worden voorgesteld, noch een relevantie/efficiëntie-analyse van de voorgestelde acties om specifieke doelstellingen te realiseren, niets over de specifieke identificatie van de verantwoordelijken en de andere actoren, de te besteden budgettaire en andere middelen, de termijnen (begin- en einddatum), of de te valideren slaagcriteria. Ten tweede kan de titel van het document zelf tot verwarring leiden: ‘coördinatie Handistreaming’ als onderwerp van de nota aan de Ministerraad, ‘acties’ in de titel van het bijgevoegde document en ‘initiatieven en doelstellingen’ in het persbericht. Waarover gaat het nu eigenlijk?

De actielijst somt voor elk lid van de federale regering minimaal twee acties op. De NHPRH merkt evenwel op dat niet voor alle bevoegdheden van de verschillende ministers en staatssecretarissen minstens twee acties worden opgesomd (Landbouw, Leefmilieu, de Post, …). Zoals de NHRPH reeds aanstipte in zijn advies 2015-19 herinneren we eraan dat wij niet echt voorstander zijn van een minimale resultaatsverbintenis : handistreaming moet in eerste instantie beschouwd worden als een denkproces dat structureel, systematisch en voortdurend dient te worden uitgevoerd bij elke denkoefening in het kader van de ontwikkeling van beleidsmaatregelen, acties, enz., in alle bevoegdheidsdomeinen van de federale regering. Volgens de NHRPH moet men zich niet beperken tot een lijst van acties waarbij rekening zal worden gehouden met de handicapdimensie en bepaalde resultaten kunnen worden nagestreefd. De Handicapdimensie moet spontaan in aanmerking worden genomen, en dit van bij de aanvang van elke voorbereidende reflectie. Hierbij dient het middenveld inspraak te krijgen, zoals bepaald bij het Verdrag van de Verenigde Naties.

De NHRPH stelt een grote ongelijkheid vast wat betreft de inhoud van de voorgestelde lijst: sommige acties worden geformuleerd op operationeel niveau en zijn dus gemakkelijk te vertalen naar concrete acties (bv.: “2. De vermelding van het al dan niet hebben van een handicap in het kader van de registratie van gegevens in de Algemene nationale gegevensbank (ANG - zowel bij daders als bij slachtoffers”). Andere acties gaan eerder over een beleidsrichting en zijn niet echt duidelijk (bv.:” De integratie van de handicapdimensie in de ontwikkeling van concrete initiatieven met alle bevoegde overheden, maar binnen de grenzen van de eigen bevoegdheid, om tot een analyse en een coherente strategie te komen.).

Door dit gebrek aan inhoudelijke eenvormigheid is het moeilijk de echte reikwijdte van deze lijst en de door de regering nagestreefde doelstelling(en) te vatten.

Al deze acties worden genomen met het oog op één strategische doelstelling, namelijk de integratie en versterking van de handicapdimensie in het federaal beleid. De NHRPH betreurt dat deze strategische doelstelling niet wordt opgesplitst in operationele SMART-doelstellingen (d.w.z. specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden). Tevens maakt de Raad zich zorgen over de wijze waarop de Staatssecretaris de opvolging zal waarborgen zonder gedetailleerdere gegevens en zonder kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren.

Tot slot vestigt de Raad de aandacht op het ongepaste gebruik van de term « personen met een beperking » in het Nederlands. Hij vraagt alle leden van de regering de juiste benaming te gebruiken bij de formulering van hun acties en beleidsmaatregelen die te maken hebben met handicap.  

De NHRPH besluit dat deze lijst meer weg heeft van een aanvullende intentieverklaring bij de algemene beleidsnota’s van de verschillende regeringsleden, op enkele uitzonderingen na, en op korte termijn geen concrete invoering van het handistreaming-principe toelaat. De Raad vraagt om dringend een echt federaal actieplan inzake handicap voor te stellen. Hij is bezorgd over het feit dat er geen enkele uitdrukkelijke verwijzing is naar de aanbevelingen van het Comité van de VN en van de Menseenrechtencommissaris van de Raad van Europa (/nl/newsletter/de-commissaris-voor-de-rechten-van-de-mens-zet-de-belgischte-regeringen-onder-druk) en naar de bijdragen van de administraties die ook de beleidscellen ondersteunen. Hij vraagt dat deze gegevens ook in het actieplan worden opgenomen om tot een samenhangend geheel te komen. Daarnaast moet er een opvolging en rapportage komen op basis van betrouwbare en meetbare indicatoren.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter informatie aan UNIA;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/13 - Logopedie

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de voorwaarden voor de terugbetaling  van de logopediekosten door de verzekering voor geneeskundige verzorging, bepaald bij artikel 36 van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen – toepasselijke versie op 1 september 2013. Advies uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 juni 2016, en door elektronische raapleging op 05 augustus 2016.


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Kinderrechtencommissaris, het Interfederaal Gelijkekansencentrum (thans UNIA) en de NVHVG (Nationale Vereniging voor Hulp aan Verstandelijk Gehandicapten) hebben in oktober 2015 een aanbeveling gepubliceerd over de voorwaarden voor de terugbetaling van de logopediekosten zoals bepaald bij de huidige reglementering en over de niet-terugbetaling van « monodisciplinaire » verstrekkingen « buiten het multidisciplinaire kader » voor kinderen met een intelligentiequotiënt lager dan 86. Dit advies van de NHRPH vloeit voort uit deze aanbeveling.


Analyse

Artikel 36, § 2 van de bijlage van het KB van 14/09/1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen (zie http://www.inami.fgov.be/SiteCollectionDocuments/nomenclatuurart36_20130901_01.pdf)  bepaalt het volgende: 

« (…) de verzekeringstegemoetkoming mag worden verleend voor zover de behandeling kan bijdragen tot een verbetering van de stoornissen:
(...)
b) aan de rechthebbende die één van de volgende taal- en/of spraakstoornissen heeft:
(…)
2° stoornissen in de receptieve en/of expressieve taalontwikkeling aangetoond door een taaltest waarvan het resultaat lager is dan of gelijk aan het 3de percentile, waarbij er geen intelligentiestoornis is (totaal IQ van 86 of meer, gemeten met een individuele test) en geen ernstige gehoorstoornis (het gemiddelde gehoorverlies 2 bedraagt aan het beste oor niet meer dan 40 dB HL). Deze taaltests dienen voor te komen op een door de Commissie voor de overeenkomsten opgestelde limitatieve lijst:
(…)
f) aan de rechthebbende met dysfasie, dit wil zeggen ernstige expressieve en/of receptieve taalstoornissen die hardnekkig blijven voortduren na de vijfde verjaardag en die ernstig interfereren met de sociale communicatie en/of dagelijkse activiteiten waarbij mondeling taalgebruik komt kijken, in afwezigheid van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, een gehoorstoornis (het gemiddelde gehoorverlies bedraagt aan het beste oor niet meer dan 40 dB HL), een intelligentiestoornis (performantieel of non-verbaal IQ of OQ (ontwikkelingsquotiënt) van 86 of meer, gemeten met een individuele test voorkomende op een door de Commissie voor de overeenkomsten met de logopedisten goedgekeurde limitatieve lijst. »

Deze tekst heeft concreet tot gevolg dat kinderen met stoornissen in de taalontwikkeling of met dysfasie en met een intelligentiequotiënt (IQ) lager dan 86 niet kunnen genieten van de terugbetaling van logopedieverstrekkingen buiten een globaal verzorgingsgeheel.
Uit de nomenclatuur blijkt overigens dat dit criterium enkel geldt voor deze stoornissen in de taalontwikkeling en dysfasie, en niet voor alle andere stoornissen. In de praktijk passen de kinderen met een stoornis in de taalontwikkeling, ongeacht de oorzaak ervan, in geen enkele categorie van de stoornissen in de nomenclatuur.
Hieruit vloeit voort dat deze kinderen, wanneer ze een intelligentiequotiënt lager dan 86 hebben, zonder meer uitgesloten zijn uit  de terugbetaling van de logopedieverstrekkingen in het kader van de RIZIV-nomenclatuur. Deze kinderen kunnen terecht bij de centra voor ambulante revalidatie (CAR's). Deze centra zorgen voor een  multidisciplinaire opvang.
Als reden voor de geweigerde terugbetaling van logopediebehandelingen  voor kinderen met een IQ lager dan 86, behalve de budgettaire redenen, heeft de wetgever aangegeven dat hij de voorkeur gaf aan een multidisciplinaire verzorging met logopedie in een instelling die een overeenkomst voor functionele revalidatie met het RIZIV heeft gesloten.
Daarnaast was de wetgever van mening dat de instellingen voor gespecialiseerd onderwijs ook in de behoeften konden voorzien. Het komt immers soms voor dat kinderen met een IQ lager dan 86 naar school gaan in instellingen voor gespecialiseerd onderwijs, die onder hun onderwijspersoneel logopedisten hebben die de leerlingen de nodige behandelingen geven.

Tijdens de plenaire vergadering van de NHRPH van 20 juni 2016 hebben dokters Eyssen (KCE) en Feron (ziekenfonds Solidaris), aanbevolen door  het RIZIV, hun respectieve kennis van het dossier uitvoerig uiteengezet.
Dokter Eyssen heeft inzonderheid het KCE-verslag over kinderen met autisme toegelicht; het totaal aantal autistische personen (ongeacht de leeftijd) wordt geraamd op 70.000 personen, onder wie ongeveer 40 tot 50 % ook een intellectuele achterstand hebben.
Ze heeft de nadruk gelegd op de kwaliteit van het verslag met 156 aanbevelingen - positieve EN negatieve -, waarmee rekening wordt gehouden indien ze worden gevalideerd door 85% van de geraadpleegde deskundigen (een vijftigtal stakeholders in totaal). De dokter heeft gewezen op de doorslaggevende elementen uit dit verslag, namelijk:

  • multidisciplinaire benadering;
  • persoonlijk project voor ieder kind;
  • betrokkenheid van de ouders;
  • continuïteit van de verzorging;
  • degelijke opleiding van het vakpersoneel.

Ze is voorstander van het idee dat ieder kind zou moeten kunnen genieten van een multidisciplinaire begeleiding en van een evaluatie op geregelde tijdstippen.

Dokter Feron heeft vervolgens eraan herinnerd dat deze verstrekkingen aanvankelijk ten laste werden genomen door het Nationaal Fonds voor sociale reclassering van de mindervaliden (ook Marron-Fonds genoemd). Na de  2de Staatshervorming (1980), en de ontbinding van het Fonds, werd logopedie opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, met uitsluiting van kinderen met een lage IQ (verwezen naar instellingen voor gespecialiseerd onderwijs) en autistische kinderen (verwezen naar de geconventioneerde centra). De criteria zijn ook  geëvolueerd, van 2 jaar naar 4 jaar. Een platform tussen de geconventioneerde centra en logopedie in de nomenclatuur werd opgericht en lijsten werden opgemaakt. De geconventioneerde centra zijn de centra voor ambulante revalidatie (CAR's) geworden (met de norm maximum 30% spraak-/leerstoornissen) om ze voor te behouden voor de zwaarste gevallen.
Dr. Feron heeft de nadruk gelegd op de budgettaire context die niet veel mogelijk maakt, maar die niet belet dat verschillende denkpistes in het kader van logopedie in de nomenclatuur kunnen worden onderzocht. Ze heeft verder verklaard dat het document van de Kinderrechtencommissaris de stand van zaken goed weergeeft.
Tot besluit heeft Dr. Feron gewezen op het belang van de geconventioneerde centra (lage kosten voor de patiënt) en van gespecialiseerd onderwijs. Ze vraagt een betere planning van de  geconventioneerde centra en bijzondere aandacht voor de provincie Luxemburg en het zuiden van de provincie Namen, waar er geen geconventioneerde centra als dusdanig zijn. Ze vindt tevens de invoering  van een categorie G in de nomenclatuur nuttig (categorie waarvoor geen multidisciplinaire begeleiding nodig is).

De Minister van Volksgezondheid is van haar kant grosso modo voorstander van het behoud van de huidige situatie, namelijk, enerzijds,  « multidisciplinaire » behandelingen in het kader van centra voor ambulante revalidatie (afgekort CAR's, vroeger « NOK-PSY-centra » genoemd), en waar de patiënten zijn ingedeeld in « doelgroepen » in functie van hun IQ en, anderzijds, de paramedische verzorging (onder andere de logopedische) in het kader van gespecialiseerd onderwijs.

Tijdens de plenaire vergadering van 20 juni hebben talrijke leden van de NHRPH, geconfronteerd met deze problematiek, ook de behoeften en verwachtingen van de patiënten en families evenals de ontoereikendheid van de huidige terugbetalingsregeling uitvoerig uitgelegd.


Advies

De NHRPH is van oordeel, op basis van de ingewonnen informatie:

  • beschouwingen van het Interfederaal Gelijkekansencentrum en van de NVHVG van oktober 2015 en medegedeeld aan de Minister van Volksgezondheid;
  • antwoord van de Minister van Volksgezondheid;
  • aanhoren van 2 deskundigen, aanbevolen door het RIZIV zelf voor hun grondige kennis van het dossier en van de realiteit op het terrein, tijdens zijn vergadering van 20 juni 2016;
  • gedachtewisselingen en standpunten tijdens de plenaire vergadering van 20 juni 2016
  • elektronische raadplegingen op 5 augustus

dat

  1. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat kinderen met stoornissen in de taalontwikkeling of met dysfasie en een IQ lager dan 86, nood hebben aan een multidisciplinaire aanpak. In het bijzonder voor wat betreft kinderen met autisme is dit herhaaldelijk vermeld in de richtlijnen voor een kwaliteitsvolle zorg. Een multidisciplinaire, vroege, en kwaliteitsvolle diagnostiek in combinatie met een zorgaanbod  ‘op maat’ is de beste prognose voor goede behandelingsresultaten.  a.w. al deze kinderen moeten minimaal een multidisciplinair bilan krijgen als noodzakelijke voorwaarde om tot een aangepaste behandeling te komen.   We dienen eerst een precies beeld te hebben of er naast de taalproblemen noch andere problemen zijn (auditieve problemen, autisme, globale ontwikkelingsvertraging, mentale handicap, emotionele problemen, gezinsfactoren, …) waarmee rekening moet worden gehouden voor het uitwerken van de behandeling.
  2. De CAR's antwoorden niet voldoende in de behoeften van de patiënten. De CAR's zijn zelfs geografisch niet aanwezig in bepaalde provincies. Ouders die in deze provincies wonen, moeten dus lange afstanden afleggen om gebruik te kunnen maken van de voorzieningen van de CAR's. Daarenboven zijn er lange wachtlijsten voor een inschrijving bij de CAR's, die soms tot 2 jaar kunnen oplopen. De ongelijke spreiding van de CAR's leidt de facto tot een ernstige discriminatie tussen autistische kinderen met een IQ lager dan 86 en autistische kinderen met een IQ hoger dan 86.  In deze context, is de absolute uitsluiting tot “monodisciplinaire” terugbetaling door RIZIV voor de kinderen met stoornissen in de taalontwikkeling of met dysfasie en een IQ lager dan 86, problematisch
  3. Het argument dat de leerling logopediebehandelingen heeft in het kader van gespecialiseerd onderwijs vooronderstelt dat deze leerlingen dergelijk onderwijs altijd zouden moeten volgen:
    1. Deze benadering past helemaal niet bij de huidige inclusieve opvatting. Dergelijke benadering druist in tegen het principe van inclusie in het gewoon onderwijs en tegen de vrije keuze van het onderwijs (Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en Verdrag inzake de rechten van het kind, bekrachtigd door België);
    2. De niet-terugbetaling van de logopediebehandelingen doet fundamenteel afbreuk aan de vrije keuze van de ouders om hun kind in te schrijven in het onderwijsnet dat het best past voor zijn behoeften: om financiële redenen en niet met het oog op het welzijn van het kind moeten de ouders noodgedwongen hun kind inschrijven in het gespecialiseerd onderwijs, voor de logopediebehandelingen die ze zelf niet kunnen betalen ;
    3. In het gespecialiseerd onderwijs van type 2 in de Franse Gemeenschap wordt in de teksten paramedisch personeel vereist, maar de realiteit op het terrein is anders. Wie beslist welke paramedische begeleiding nodig is ? In welk aantal ? ;
    4. Dit argument houdt overigens geen rekening met het belang van een vroegtijdige verzorging, noch met de onderbrekingen in de schoolcyclus (vakantie), waardoor de behoeften van het kind onvoldoende worden beantwoord, zowel wat betreft de hoeveelheid als de regelmaat;
    5. Ten slotte zijn logopediebehandelingen op school minder intensief dan die van onafhankelijke logopedisten en de contacten tussen de ouders en de vakmensen zijn er zeer zeldzaam of zelfs onbestaande ;
    6. Last but not least: er zijn verschillen in de benadering van het gespecialiseerd onderwijs naargelang de gewesten van het land;
    7. De essentie is dat elk kind een passend zorgaanbod moet krijgen ongeacht het soort onderwijs (gewoon of buitengewoon) waar het zit en ongeacht het gewest waar het kind school loopt.

Gelet op deze moeilijkheden en uitdagingen vraagt de NHRPH dat

  1. De logopediebehandelingen van de kinderen met stoornissen in de taalontwikkeling of met dysfasie en een IQ lager dan 86 uiteindelijk tot doel zou hebben ze de beste kansen te bieden voor hun taalontwikkeling (met de positieve consequenties ervan).
  2. De politieke overheid die het unaniem standpunt van de deskundigen die een multidisciplinaire benadering voorstaan volgt, dan ook investeert in het wegwerken van de ernstige gebreken van het huidig systeem en zorgt dat de CAR’s effectief toegankelijk worden aan alle patiënten, ongeacht hun verblijf ; alleen dan kan beoordeeld worden wat het meest aangepast is : een multidisciplinaire of een monodisciplinaire therapie. Tevens moet het mogelijk zijn dat er vlot overgeschakeld kan worden tussen beide behandelingsvormen, op basis van de evoluerende zorgnoden van het kind (ten gevolge van leeftijd, externe factoren, … ). 
  3. Voor de regio’s waar dit aanbod ontbreekt of de capaciteit onvoldoende is, moet er een programmatie komen. Hierbij moet minimaal worden gestart met centra i.f.v. multidisciplinaire diagnostiek om daarna uit te breiden tot behandeling. 
  4. Een terugbetaling van alle logopedische prestaties, ongeacht de behandelingcontext en zolang er geen algemeen structureel oplossing komt voor alle kinderen. Met andere woorden, in de gevallen dat kinderen geen behandeling kunnen volgen in een CAR (omwille van afstand of lange wachtlijst) en in afwachting dat er een structurele oplossing komt van het tekort aan multidisciplinaire revalidatie, moeten ook deze kinderen de kans krijgen tot een zorgaanbod. Deze kinderen moeten in aanmerking kunnen komen voor de nomenclatuur logopedie, echter op voorwaarde dat deze behandelingen onder supervisie gebeuren van een CAR welke is erkend door de overheid.    De aangepaste terugbetaling door het RIZIV inzake rolstoelen zou als inspiratiebron kunnen dienen; het RIZIV heeft bepaald dat de terugbetaling namelijk zou afhankelijk zijn van een multidisciplinair verslag dat de adviserend geneesheer van het ziekenfonds moet worden bezorgd. Zou een gelijkaardige formule niet denkbaar zijn (mutatis mutandis) voor de logopedie voor kinderen met een IQ lager dan 86 ? Namelijk een multidisciplinaire team naargelang de omstandigheden, met verstrekkingen opgenomen in de nomenclatuur, dus waarvoor het RIZIV bevoegd is.
  5. Een tekstwijziging van de koninklijke besluiten van 15 mei 2003, 19 februari 2008 en 6 juni 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  6. Het samenroepen van de interministeriële conferentie.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid
  • Ter info aan de Ministers van Gezondheid van de deelgebieden, namelijk de heer Jo Vandeurzen, Vlaams Minister van Gezondheid, de heer Maxime Prévot, Waals Minister van Gezondheid, de heer Antonis Antoniadis, Minister van Gezondheid van de Duitstalige Gemeenschap, mevrouw Cécile Jodogne, Minister van Gezondheid bij de FGC, mevrouw Bianca Debaets, Minister van Gezondheid bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de heer Guy Vanhengel, Minister van Gezondheid bij de GGC
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan UNIA, Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Advies 2016/11 - Bpost

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de nieuwe beheersovereenkomst van bpost, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 23/05/2016.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Binnenkort zou de nieuwe beheersovereenkomst van bpost gepubliceerd moeten worden. De NHRPH wil de aandacht vestigen op een aantal belangrijke aandachtspunten voor personen met een handicap.


Analyse

De vorige beheersovereenkomst (2013-2015) bepaalde het volgende:

Met betrekking tot postkantoren,

  1. verbindt bpost zich ertoe om de toegankelijkheid van de postkantoren te verbeteren voor mindervaliden ten einde tegen 2015 het aandeel van postkantoren dat moeilijk toegankelijk is tot 10% terug te brengen.

  2. zal bpost tegelijkertijd een nieuwe benadering uitwerken voor de toegankelijkheid van de postkantoren waarin belangrijke werken worden uitgevoerd. In dat kader zal bpost ernaar streven om ze volledig toegankelijk te maken voor personen met verschillende types van handicaps, rekening houdend met de stedenbouwkundige reglementering en op basis van normen die worden bepaald na overleg met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (hierna: “Hoge Raad”). Bpost zal een contactpersoon aanduiden die zal instaan voor het contact met de Hoge Raad (…) »

De beheersovereenkomst 2016-2018 wordt momenteel opgesteld en door de Europese Commissie onderzocht.


Advies

Bpost moet verder werk maken van de toegankelijkheid van zijn infrastructuur en diensten. Het bedrijf moet rekening houden met alle handicaptypes, zonder evenwel de bescherming van de private levenssfeer van zijn klanten aan te tasten.

De in de vorige beheersovereenkomst vermelde doelstelling van 10% werd duidelijk niet gehaald. De NHRPH baseert deze vaststelling op het verslag van het BIPT, gepubliceerd op 3 november 2015, over de kwaliteit, de toegankelijkheid en de informatie in de postkantoren en de postpunten. In dit verslag lezen we:  “97% van de gecontroleerde postkantoren wordt overigens als makkelijk toegankelijk beschouwd maar slechts 60 van de 130 gecontroleerde kantoren beschikken over de nodige inrichtingen om een aangepaste toegang te bieden voor personen met een handicap. (…) In de gecontroleerde PostPunten (…) blijft er [wat toegankelijkheid betreft] een pijnpunt voor de personen met een handicap aangezien er voor hen bij 81 van de 111 bezochte PostPunten geen makkelijke toegang mogelijk was tijdens de controle.” Dit betekent dus dat momenteel minder dan 50% van de postkantoren en postpunten vlot toegankelijk zijn voor personen met een handicap.

De NHRPH dringt er dus op aan dat de volgende beheersovereenkomst een sterk en ambitieus engagement bevat om de toegankelijkheid van de postkantoren en postpunten te verbeteren. De Raad vestigt de aandacht op zijn positienota Toegankelijkheid, die de doelstellingen en uitdagingen voor een concrete realisatie van de toegankelijkheid uiteenzet (/files/2015-12-31---note-de-position---mise-en-forme---nl.pdf).

De NHRPH benadrukt de absolute noodzaak van een concrete uitvoering van punt b). Onder de vorige beheersovereenkomst waren de contacten met bpost onregelmatig en weinig doeltreffend: vanaf de inwerkingtreding van de volgende overeenkomst zou een permanent contactpunt ‘toegankelijkheid voor personen met een handicap’ moeten worden aangeduid’ en moet een planning van vergaderingen en prioriteiten worden overeengekomen met de NHRPH.

De toegankelijkheid van de postkantoren moet een absolute prioriteit worden. Het gaat dan niet alleen om de infrastructuur maar ook om het communicatieplan personeel-klanten, want ook dit is essentieel. Concreet betekent dit het volgende:

  • Personen met een handicap moeten vlot toegang hebben tot de loketten. Er moet een loket zijn dat aangepast is aan hun hoogte. Dit geldt met name voor rolstoelgebruikers, maar bijvoorbeeld ook voor kleine personen.

  • Blinden en slechtzienden moeten veilig in de kantoren en bij de loketten geraken.

  • Slechthorenden stellen vast dat het venster tussen de bediende en de klant in sommige kantoren een probleem vormt: het geluid wordt gedempt en bemoeilijkt het gesprek. Bij bankverrichtingen zijn tools voor een betere hoorbaarheid niet beschikbaar of ontoereikend, hetgeen de discretie in het gedrang brengt. In sommige kleine postkantoren is er geen gescheiden ruimte om de klanten te ontvangen. Van slechthorende personen verneemt de NHRPH dat het gebeurt dat een welwillende postbediende bij financiële transacties luider gaat spreken waardoor andere aanwezigen het gesprek kunnen volgen. Er zou overwogen kunnen worden een speciale opleiding te organiseren voor het onthaal van personen met een handicap.

  • Dove personen krijgen praktisch nooit een dienstverlening die aan hun noden is aangepast. De NHRPH vestigt de aandacht op videoconferentie-diensten aangepast aan dove personen waarmee bpost beter tegemoet kan komen aan hun behoeften.

  • Tegelijk zou de opleiding voor loketbedienden en postboden een specifiek luik “communiceren met personen met een handicap” moeten bevatten.

Tijdens de voorgaande jaren werd een aanzienlijk deel van de postkantoren gesloten en vervangen door postpunten in bibliotheken, supermarkten, tankstations, gemeentehuizen of stations. Enerzijds is de in deze postpunten aangeboden dienstverlening beperkter dan in de postkantoren. Anderzijds stelt de NHRPH vast dat dat er op vlak van toegankelijkheid nog heel wat inspanningen nodig zijn.

De toegankelijkheid van bpost mag niet beperkt worden tot het omgevingsaspect. De tarieven moeten redelijk blijven en de werknemers moeten een “sociale” rol behouden. De NHRPH vraagt zich bovendien af of de dienstverlening “AUB Postbode” nog bestaat, en indien dit zo is, of dit steeds gratis is. Het laatste bericht hierover op de website van bpost dateert immers van 6 februari 2008.

De website van bpost is niet toegankelijk en heeft geen Anysurfer-label. De NHRPH vestigt de aandacht op de evolutie van de Europese regelgeving inzake toegankelijkheid en de normen die zich aftekenen, in het bijzonder wat betreft websites en automaten.

De NHRPH is van mening dat het feit dat bpost beursgenoteerd is geen negatieve weerslag mag hebben op de kwaliteit en de prijzen van prestaties en dienstverlening.

Tot slot is de NHRPH ervan op de hoogte dat sommige gemeenten niet over geldautomaat beschikken. Toch is de mogelijkheid om cash geld af te halen binnen een redelijke afstand van de woonplaats een basisdienstverlening die gewaarborgd moet zijn voor iedere burger. De NHRPH vraagt zich daarom af of het niet mogelijk zou zijn voor iedereen toegankelijke geldautomaten te installeren in of aan de gevel van de postkantoren van gemeenten die er geen hebben.

De NHRPH herinnert aan de tekst van artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat in juli 2009 door België werd goedgekeurd:

  1. Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden. Deze maatregelen, die mede de identificatie en bestrijding van obstakels en drempels voor de toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toepassing op:

    1. gebouwen, wegen, vervoer en andere voorzieningen in gebouwen en daarbuiten, met inbegrip van scholen, huisvesting, medische voorzieningen en werkplekken;

    2. informatie, communicatie en andere diensten, met inbegrip van elektronische diensten en nooddiensten.


  2. De Staten die Partij zijn nemen tevens passende maatregelen om:

    1. de tenuitvoerlegging van minimumnormen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van faciliteiten en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, te ontwikkelen, af te kondigen en de toepassing ervan te controleren;

    2. te waarborgen dat private instellingen die faciliteiten of diensten aanbieden die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, zich rekenschap geven van alle aspecten van toegankelijkheid voor personen met een handicap;

    3. betrokkenen te trainen inzake kwesties op het vlak van de toegankelijkheid waarmee personen met een handicap geconfronteerd worden;

    4. openbare gebouwen en andere faciliteiten te voorzien van bewegwijzering in braille en in makkelijk te lezen en te begrijpen vormen;

    5. te voorzien in vormen van praktische hulp door mens of dier en in bemiddeling, waaronder begeleiders, mensen die voorlezen en professionele doventolken om de toegang tot gebouwen en andere faciliteiten, die openstaan voor het publiek te vergemakkelijken;

    6. andere passende vormen van hulp en ondersteuning aan personen met een handicap te bevorderen, teneinde te waarborgen dat zij toegang hebben tot informatie;

    7. de toegang voor personen met een handicap tot nieuwe informatie en communicatietechnologieën en -systemen, met inbegrip van het internet, te bevorderen;

    8. het ontwerp, de ontwikkeling, productie en distributie van toegankelijke informatie- en communicatietechnologieën, en communicatiesystemen in een vroeg stadium te bevorderen, opdat deze technologieën en systemen tegen minimale kosten toegankelijk worden.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Koen Van Gerven – Chief Executive Officer van bpost;
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Telecommunicatie en Post;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan Unia, Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/12 - Back to work

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de nieuwe beroepsre-integratietrajecten, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 april en na elektronische beraadslaging van 25 april.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De nieuwe re-integratietrajecten dienen als aanvulling bij de bestaande wettelijke bepaling inzake de beroepsre-integratietrajecten:

  • Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen inzake uitkeringsverzekering en tewerkstelling

  • ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplicht verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

  • ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers wat de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers betreft

Analyse

Het voornoemde voorontwerp van wet betreft meer specifiek de arbeidsongeschikte personen die lijden aan chronische of bijzondere ziekten die terugkerende periodes van arbeidsongeschiktheid met zich meebrengen. Het voorziet met name in een bepaling waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere gezondheidstoestand en de erkenning van de daarmee verbonden werkonbekwaamheid vanaf de werkhervatting en zolang de medische behandeling duurt en tijdens eventuele latere gedeeltelijke of volledige werkhervatting.

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 moet de beroepsherinschakeling van personen bevorderen die niet meer door hun werkgever tewerkgesteld zijn of kunnen worden. Het voegt een nieuwe afdeling toe,  “Afdeling VI quater – Re-integratietraject gericht op beroepsherinschakeling”, dat de artikelen  215octies tot 215sexies-decies bevat. Het ontwerp beschrijft de te volgen en door de adviserend geneesheer gecoördineerde procedure.

Ten laatste twee maanden na de aangifte van de arbeidsongeschiktheid voert de adviserend geneesheer op basis van het medisch dossier een eerste analyse uit van de resterende capaciteiten van de rechthebbende, tenzij deze laatste een re-integratietraject heeft aangevraagd bij de arbeidsgeneesheer. De adviserend geneesheer plaatst de gerechtigde in een van de vier bij het koninklijk besluit vastgelegde categorieën.

Staat de rechthebbende op non-actief, dan start de adviserend geneesheer onverwijld een re-integratieproject op en nodigt hij de gerechtigde uit voor een medisch-sociaal onderzoek in de loop van de maanden die volgen op de start van het project. Binnen de vier weken na dit onderzoek, en na raadpleging van de behandelende geneesheer en, in voorkomend geval, de begeleider van de diensten en instellingen van de gewesten en de gemeenschappen die deelnemen aan de beroepsherinschakeling, stelt de adviserend geneesheer een aanbod van re-integratieplan op.

Hij brengt zijn voorstel van re-integratieplan zo spoedig mogelijk ter kennis van de gerechtigde. Dit gebeurt tijdens een gesprek. Als de gerechtigde akkoord gaat, wordt dit aanbod in een ondertekende overeenkomst opgenomen.

In principe volgt de adviserend geneesheer het re-integratieplan om de drie maanden op in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, de begeleider van de diensten en instellingen van de gewesten en gemeenschappen die deelnemen aan de beroepsherinschakeling.

Deze maatregel treedt in werking op in de tijd gespreide data:

  • 1 juni 2016 voor arbeidsongeschiktheden die aanvatten vanaf 1 januari 2016;
  • 1 januari 2017 voor arbeidsongeschiktheden die aanvatten vanaf 1 januari 2015;
  • 1 januari 2018 voor arbeidsongeschiktheden die aanvatten voor 1 januari 2015.

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003  voegt een nieuwe afdeling in die de artikelen 73/1 tot 73/8 omvat, luidende: « Afdeling 6/1- Het re-integratietraject van een werknemer die het overeengekomen werk tijdelijk of definitief niet kan uitoefenen». Zij beoogt de re-integratie van de werknemer te bevorderen door hem tijdelijk of definitief een aangepast of een ander werk te geven. De procedure wordt gecoördineerd door preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. De aanvraag voor een re-integratietraject kan komen van de werknemer zelf, van zijn behandelende arts, van de adviserend geneesheer of van de werkgever. De arbeidsgeneesheer nodigt de werknemer uit voor een gezondheidsbeoordeling in het kader waarvan (maximaal 40 werkdagen na ontvangst van het re-integratieverzoek) hij zijn beslissing neemt. Het re-integratievoorstel wordt door de werkgever opgesteld na overleg met de arbeidsgeneesheer en voor opmerkingen aan de werknemer bezorgd. Het re-integratieplan waarmee de werknemer instemt, wordt door deze laatste ondertekend. In het andere geval geeft hij zijn bemerkingen in een speciaal daarvoor voorziene rubriek. De uitvoering van het plan wordt opgevolgd door de arbeidsgeneesheer in overleg met de werkgever en de werknemer. Het traject kan steeds worden herbekeken in de loop van de uitvoering ervan.


Advies

De NHRPH verwijst vooreerst naar de eerder uitgebrachte adviezen 2015/10 en 2015/32, waarin de Raad nadrukkelijk voorbehoud maakte over de middelen die worden vrijgemaakt voor de uitvoering van het begeleidingsplan.
Bij de analyse van de voorliggende ontwerpen herinnert de NHRPH aan alle vroegere aandachtspunten.

Meer specifiek wees de Raad reeds in april 2015 erop dat de rol en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren dienden te worden gepreciseerd, evenals de draagwijdte en de concrete gevolgen van de bepaling in geval het begeleidingsproces niet zou worden voltooid. Zeer concreet vroeg de NHRPH een jaar geleden dat de volgende elementen in de tekst van het KB zouden worden verduidelijkt:

  • het invoeren van de functie Disability Manager;
  • de juridische gevolgen bij niet aanvaarden van het begeleidingstraject;
  • de definitie van de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokkenen;
  • de definitie van het begrip "resterende capaciteiten" van de persoon die zich verder bekwaamd heeft, maar geen nieuw werk heeft kunnen krijgen/behouden, en de criteria voor de re-evaluatie;
  • een periode waarin de werknemer die een werkzaamheid hervat heeft en enige tijd later opgeeft, beschermd wordt door het RIZIV;
  • een evaluatie van het systeem een jaar nadat het in werking getreden is.

De NHRPH vroeg parallel met die hervorming een volledige en gelijktijdige herziening

  • van de opdrachten en taken van de adviserend geneesheren en de arbeidsgeneesheren, opdat zij genoeg tijd kunnen vrijmaken voor een kwaliteitsvolle en voortdurende begeleiding van werknemers met een verminderd arbeidsgeschiktheid. Gezien hun huidige reglementaire opdrachten kunnen zij de nieuwe opdrachten die hun toevertrouwd worden in het kader van het begeleidingsplan, geenszins serieus en volledig uitvoeren.
  • van de verplichtingen van de werkgever op het vlak van middelen en doelstellingen inzake werkhervatting. Redelijke aanpassingen zijn wettelijk verplicht en er zijn financiële aanmoedigingen. De werkgevers moeten hiermee instemmen. De arbeidswet moet in die zin herzien worden. De werkgevers moeten er wettelijk toe verplicht worden een begeleidingsplan uit te werken voor elke werknemer die het werk wil hervatten.

(zie advies 2015/10 voor verdere informatie)

In oktober 2015 sprak de NHRPH zich uit over een preciezer tekstontwerp waarin ook sprake was van sancties voor de arbeidsongeschikte werknemer. Er werden tal van verduidelijkingen over de terminologie gevraagd, want de tekst was vaag en onduidelijk, waardoor hij gedoemd was de ene na de andere betwisting met zich mee te brengen (zie advies 2015/32). Sommige van deze onduidelijkheden zijn in de nieuwe teksten nog niet verdwenen.

In het kader van dit advies wil de NHRPH bovendien eraan herinneren dat hij het principe van de werkbegeleiding voor iedere kandidaat-werknemer wiens handicap of ziekte een beperking van zijn verdienvermogen kan vormen, onvoorwaardelijk steunt. Deze wedertewerkstelling moet evenwel in elk geval in fatsoenlijke omstandigheden gebeuren en rekening houdend met de algemene arbeidsmarkt, die zeer veeleisend is en niet altijd op alle vragen om wedertewerkstelling kan ingaan.  Bovendien wordt het door de verminderde arbeidsgeschiktheid ten gevolge van handicap of ziekte vaak moeilijker (opnieuw) werk te vinden. Te veel werknemers zijn onvoldoende gekwalificeerd en geen enkele bepaling zorgt ervoor dat werkgevers worden aangemoedigd de voorkeur te geven aan een werknemer met verminderde arbeidsgeschiktheid. Deze situatie mag geenszins de (kandidaat-)werknemer benadelen die, in gevallen waarin wedertewerkstelling om medische of economische redenen niet mogelijk blijkt, zijn toevlucht kan nemen tot een socialezekerheidsvangnet dat tegemoetkomt aan zijn behoeften en zo een waardig leven kan leiden. 

Over de inhoud van de tekstontwerpen formuleert de NHRPH de volgende nieuwe opmerkingen en aanbevelingen:

Over het voortonwerp van wet en het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

  • de eigenlijke beoordeling (ongewijzigd sedert 1963) van de verminderde arbeidsgeschiktheid blijft onduidelijk en gaat in tegen een positief proces waarbij de focus ligt op de resterende capaciteiten van de betrokkene; het KB geeft overigens geen invulling aan het begrip “vooraf bestaande toestand” van artikel 100. Dit is een ernstige lacune die noodzakelijk tot conflictsituaties zal leiden. Wordt bij de beoordeling niet gekeken naar de resterende arbeidsgeschiktheid, dan moet men ook de beperkingen van de betrokkene in acht nemen en in de evaluatie meenemen.
  • De categorisering is rigide, ingewikkeld en daarom risicovol.
  • Het begeleidingsproces moet duidelijker worden uitgelegd: is dit gebaseerd op de vrijwillige inzet van de betrokkenen? Wat gebeurt er wanneer de medische redenen voor discussie vatbaar zijn? Waar ligt de grens? Bestaat er geen gevaar van willekeur? Wat gebeurt er met het statuut van de werknemer indien deze om persoonlijke redenen een traject weigert of eruit stapt?
  • In de huidige tekst wordt niets meer gezegd over de sanctie, en dit is een goede zaak. Het systeem moet immers een win-win zijn voor zowel de werknemer als de werkgever. Tegelijk maakt de NHRPH zich echter zorgen over de aangehaalde besparingsdoelstelling van 122 miljoen tijdens het eerste jaar en meer dan 400 miljoen over 3 jaar. Het principe van de herinschakeling op de arbeidsmarkt gaat terug tot 2003. De huidige teksten zorgen voor een boost, maar zonder gepaste financiële middelen of begeleidend personeel. Een doeltreffend herinschakelingsbeleid brengt vanzelfsprekend en minstens in een eerste fase kosten met zich mee voor de maatschappij en voor de werkgevers.
  • De verantwoordelijkheid van de werkgever moet worden opgehelderd: het systeem deugt in principe maar is onverdedigbaar wanneer we kijken naar de verplichtingen voor de werkgevers: deze hervorming moet aangegrepen worden om de arbeidsmarkt open te stellen voor de personen met een handicap; dit is ondenkbaar zonder een duidelijk, nauwkeurig en waar nodig gesanctioneerd verplicht engagement van de werkgevers;
  • Wat met de kleine ondernemingen en met de werklast en de verantwoordelijkheden voor de collega’s?
  • Geen enkele onderneming voert momenteel een wedertewerkstellingsbeleid: in de zware industrie – glas, staal enz. – en in andere sectoren – schoonmaak, handel, … – is er geen aangepast werk en vormt herinschakeling noodzakelijk een financiële belasting voor de werkgever. Op dit moment verkiezen veruit de meeste ondernemingen de kost van de aanwerving boven die van de herinschakeling.
  • Dat de wedertewerkstelling stap voor stap gebeurt, is een goede zaak, maar ze moet hand in hand gaan met een duidelijk en volwaardig statuut. En wat met de risico’s op herval? Het ontwerp van wet verwijst naar “fluctuerende en bijzondere” toestanden in het kader waarvan de betrokkene een “specifieke bijzondere vergoeding” zal krijgen; de teksten geven hierover nog geen verduidelijking; dit is op juridisch vlak niet goed. Bij wedertewerkstelling bestaat er in al die situaties ook een enorm risico op ontslag.
  • De werkbelasting van de adviserende geneesheren wordt niet geëvalueerd; de noodzakelijke personeels- en organisatorische middelen moeten beschreven worden, minstens in een afzonderlijke tekst;
  • Deze ambitieuze projecten vergen veel van de adviserende geneesheren maar ook van alle actoren, zoals het medisch team voor arbeidsongeschiktheid, de arbeidsgeneesheren en de werkgevers: uitgebouwde teams, opleidingen voor trajecten die niet altijd eenvoudig zijn, uitwisselingen tussen partners die niet goed vertrouwd zijn met de realisatie ervan. Hiervoor zullen niet alleen financiële middelen nodig zijn, maar ook tijd. De in de besluiten voorziene termijnen lijken dan ook echt wel te kort voor een efficiënte uitvoering.
  • De termijnen voor de procedures zelf zijn op hun beurt ook te kort; de tijd die nodig is om de resultaten in handen de te krijgen van de onderzoeken door de specialisten moet ook worden meegerekend;
  • De regelgeving treedt binnen enkele dagen in voege, terwijl heel wat actoren nog niet geraadpleegd werden (deelgebieden, arbeidsgeneesheren, …);
  • De trajecten bevatten heel wat stappen die een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid zouden kunnen toelaten in functie van het engagement van de betrokken persoon. Hoe wil met dit voorkomen? In theorie mag het onderscheid arbeidsongeschiktheid en wedertewerkstelling dan wel aantrekkelijk zijn, in de praktijk zullen de beide in moeilijke en botsende situaties met elkaar vermengd worden;
  • Er wordt gesteld dat men binnen de 6 maanden na het re-integratietraject werk moet vinden. Zelfs voor een werknemer zonder gezondheidsproblemen is dit te kort, want er is gewoonweg niet genoeg werk voor iedereen. Dreigt een persoon met een handicap niet opnieuw gestraft te worden door de concurrentie tussen werknemers, waardoor de kansen zeer beperkt zijn?
  • In termen van uitvoering blijft het systeem zeer ingewikkeld;
  • De rol van de arbeidsgeneesheer is dubbelzinnig en moet eens en voor altijd duidelijk worden omlijnd: ondersteunt hij de werknemer of niet?
  • 90% van de patiënten zullen door de arbeidsgeneesheren worden aangebracht. Waarschijnlijk zal het om de jongsten gaan, gezien het hogere potentieel. Zonder de nodige bakens leidt het systeem zélf tot discriminatie. 
  • De wet moet voorzien in een evaluatie van het systeem binnen een vastgelegde termijn;
  • Globaal genomen mogen deze maatregelen geen voorwendsel zijn voor besparingen binnen de sector van de arbeidsongeschiktheid; wel in tegendeel, want ze worden geacht bijkomende kosten met zich mee te brengen. Er moeten dus voldoende middelen worden vrijgemaakt. Het ontwerp blijft onsamenhangend, want enkel gericht op besparingen, zonder maatschappelijke projecten. Er zouden daarentegen maatschappelijke engagementen vanwege de werkgever moeten worden gevraagd.

Wat betreft het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers wat de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers betreft

  • Redelijke aanpassingen van de werkpost en de rol van de arbeidsgeneesheer: gezien het huidige statuut van de arbeidsgeneesheer vallen conflicten niet uit te sluiten
  • In het kader van de wedertewerkstelling van personen met een handicap of ziekte is een belangrijke en specifiek rol weggelegd voor de werkbegeleidingsstructuren. Worden hiervoor middelen vrijgemaakt?
  • Tegelijk rijzen tal van vragen met betrekking tot personen die aanvankelijk niet over een arbeidsovereenkomst beschikken en waarvoor de adviserend geneesheer een beroepsherinschakelingsprocedure opstart:
    • Volledig vrijwillig of niet?
    • Aard van de eventuele sanctie bij weigering? De huidige tekst vermeldt geen sanctie meer, en dit is een goede zaak omdat het systeem tot een win-winsituatie moet leiden voor zowel de werknemer als voor de werkgever.
    • Wat met besluiten in de loop van de procedure? De teksten bepalen dat het gewaarborgd inkomen niet meer verzekerd is, maar vervangen wordt door een specifieke bijzondere vergoeding, die nog moet worden vastgelegd. Deze grijze zone moet nog worden weggewerkt vóór de invoegetreding van deze bepalingen, want de werknemer heeft nood aan financiële en rechtszekerheid. Wij herinneren eraan dat de handicap of ziekte meerkosten met zich meebrengt en dat de werknemer die ermee te maken krijgt, zich hier geen schattingen of vaagheden kan veroorloven.
    • Het welslagen van het proces inzake beroepsomscholing wordt geacht de adviserend geneesheer ertoe te verplichten de arbeidsongeschiktheid te herbeoordelen in het licht van deze nieuw verworven competentie. In heel wat gevallen leidt dit tot een terugkeer naar de werkloosheid. Wat gebeurt er na verloop van tijd met de werkloosheidsuitkering, en vervolgens de terugval op het ziekenfonds wegens verslechtering van de gezondheidstoestand, … ?

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Vice-Eerste Minister en Minister van Werk;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 11

Advies 2016/10 - Tax Shift

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016-10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de sociale correcties van de tax shift (aanpassingen van het leefloon en van de inkomensgarantie voor ouderen), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 18 april 2016.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

In de zomer 2015 heeft de regering een principeakkoord gesloten over de « tax shift » of belastingsverschuiving. De fiscale en parafiscale modaliteiten van dit akkoord werden bepaald in het kader van de begroting van de maand oktober 2015 (zie namelijk de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, B.S 30/12/2015).


Analyse

De Belgische arbeidsmarkt is gekenmerkt door een zeer hoge belasting op arbeid, wat gevolgen heeft voor, enerzijds, het behoud van de tewerkstelling en, anderzijds, het creëren van jobs. Het uitgangspunt van de tax shift is het principe van verschuiving van de lasten op arbeid naar andere bronnen van inkomsten voor de Staat. Het gaat voornamelijk om maatregelen in verband met het concurrentievermogen van de ondernemingen (vermindering van de fiscale lasten, …) en het verhogen van de koopkracht (maatregelen in het kader van de personenbelasting, …). Er is ook een luik ‘sociale correcties’ dat betrekking heeft op de steuntrekkers: de regering heeft een budget 50 miljoen euro voorzien voor de strijd tegen de armoede en de ondersteuning van de gezinnen met de laagste inkomsten. Het leefloon en de laagste pensioenen worden hier bedoeld.


Advies

De Raad betreurt dat het niet tijdig werd geraadpleegd over deze maatregel voor sociale correctie bestemd voor de steuntrekkers, alhoewel de regering zich ertoe verbonden heeft een beleid van handistreaming te voeren, waarbij de personen met een handicap inspraak hebben voor de  politieke beslissingen die op hen betrekking hebben.

In het kader van de strijd tegen armoede heeft de Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, ook bevoegd voor personen met een handicap, in haar algemene beleidsnota van 4 november 2015 (pagina 53), onder de titel « Hoe bestrijden we armoede ? » naar het volgende verwezen:

« (…) wordt er een extra enveloppe van 50 miljoen euro vrijgemaakt vanaf 2016 om de leeflonen, de inkomensgarantie voor ouderen en de laagste pensioenen verder te verhogen. (…) »

De Raad is verwonderd dat dergelijke maatregel ook niet werd overwogen voor personen met een handicap, aangezien er eensgezindheid is op basis van betrouwbare studies over het feit dat een grote meerderheid van  personen met een handicap lage inkomsten heeft en het hoofd moet bieden aan situaties van grote onzekerheid. In zijn vorig advies 2016-02 over de algemene beleidsnota van de Staatssecretaris had de Raad in het bijzonder erop gewezen dat de inkomensvervangende tegemoetkoming een bestaansminimum moet garanderen en dus het niveau van de Europese armoededrempel moet bereiken (zie punt 5.)

Hij herinnert eraan dat de inkomensvervangende tegemoetkoming ook een niet-belastbare sociale uitkering is, die, in het verleden, steeds dezelfde evolutie heeft gekend als het leefloon.

Hij  vraagt dan ook dat maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat personen met een handicap niet zouden kunnen genieten van de sociale correctie van de tax shift.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Minister van Begroting;
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan de heer Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën;
  • Ter info aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal Directie-generaal Personen met een handicap, FOD Sociale Zekerheid;
  • Ter info aan Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/09 - Federaal armoedebestrijdingsplan

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van het derde Federaal Plan Armoedebestrijding


Aanvrager

Advies verstrekt op vraag van de Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, mevrouw Elke Sleurs, per mail van 22 maart 2016.

Overleg van de plenaire vergadering van de NHRPH per mail op 4 april, gelet op het dringende verzoek.


Onderwerp

Op 22 maart jongstleden heeft mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, het Belgisch Platform tegen armoede en sociale uitsluiting UE2020 haar ontwerp van Federaal Plan Armoedebestrijding 2016-2019 medegedeeld. Als lid van dit platform heeft de NHRPH een advies willen verstrekken.


Analyse

Na een herinnering aan het kader en aan de realiteit van armoede en sociale uitsluiting in België bepaalt het document zes doelstellingen met het oog op de strijd tegen armoede: sociale bescherming, strijd tegen kinderarmoede, sociale en professionele activatie, strijd tegen dakloosheid, toegankelijke en kwaliteitsvolle geneeskundige verzorging, toegankelijke openbare diensten. Bij iedere doelstelling zijn de maatregelen om ze te bereiken, aangekondigd. Tot slot wordt de nota afgerond met twee punten gewijd respectievelijk aan de opvolging en sensibilisatie en aan de monitoring, met daarna de conclusie.


Advies

De NHRPH werd genoodzaakt op zeer korte termijn en tijdens een  vakantieperiode (Paasverlof) te reageren, wat het overleg niet heeft vergemakkelijkt. Dergelijke problematiek, gelet op haar belang en gevoeligheid voor de NHRPH, had moeten worden besproken tijdens een plenaire vergadering. Dit is niet mogelijk geweest en er kon enkel per e-mail worden overlegd. Dit dossier had trouwens op het niveau van een Armoedeplatform moeten behandeld geweest zijn en de voorgestelde acties hadden aanleiding moeten gegeven hebben tot discussies. De NHRPH begrijpt uiteraard dat wegens de dramatische actualiteit van de aanslagen in Brussel de vergadering van 22 maart 2016 niet is kunnen doorgaan, tijdens dewelke het Plan moest voorgesteld worden, maar hij vond het absoluut noodzakelijk dat de actoren op het terrein zich persoonlijk konden uitdrukken om tot een consensus te komen en een prioriteit te bepalen voor de geformuleerde aanbevelingen. Andermaal, een raadpleging e-mail laat dergelijke dynamiek niet toe en maakt inspraak weinig geloofwaardig.

De NHRPH is van mening dat de vermeldde maatregelen geen actieplan zijn. Het document is veelbelovend (pagina 3) : Het plan vergt opvolging van de acties, monitoring van de behaalde resultaten en tot slot evaluatie. Anderzijds kijken we ook verder dan dat: we willen als federale regering samenwerken, overleg plegen met de gewesten en de gemeenschappen, de dialoog aangaan met alle actoren uit het sociale veld en ten slotte onze kennis over het fenomeen vergroten en iedereen sensibiliseren over armoede door een gerichte communicatie. De concrete acties zullen tijdens de regeerperiode uitgaan van een realistische timing. Ook de budgettaire context wordt in rekening genomen. Op deze manier kunnen we een duurzaam, participatief en proactief beleid uittekenen.

Dit plan is uiteindelijk niet veel meer dan een vage opsomming van weinig  bindende intenties (van studies) of van vroeger besliste maatregelen. De verschillende aspecten van de nota zijn ingeleid door bladvullende informatie, maar de dimensie « uitvoering » die men logischerwijze verhoopt en die op zich laat wachten, ontbreekt. De NHRPH is beslist verheugd over de 6 aangegeven prioriteiten, maar hij is hoe dan ook ontgoocheld door de voorgestelde acties en middelen om de doelstellingen te bereiken omdat de meeste ervan ongeschikt, onvoldoende, onbestaande of onzeker zijn. Voor 40 van de 50 acties wordt aldus de toekomstige tijd gebruikt: daarnaast is er bijna geen verduidelijking over het tijdschema of het budget, noch een indicator voor de beoordeling van de vastgelegde doelstellingen. Ten slotte vinden we in dit plan absoluut niet de aangekondigde dimensies overleg en samenwerking.

De NHRPH herinnert eens te meer aan de steeds toenemende armoede, ook bij sommige werknemers overigens. Meer dan 1 persoon of 5 is aan het armoederisico blootgesteld; een ziekte, een echtscheiding, werkverlies … zijn dus duidelijk allemaal gebeurtenissen die onvrijwillig armoede tot gevolg zouden kunnen hebben. Het huidig aantal armen bedraagt 2.339.000. Wil men de doelstelling 2020 bereiken, dan zouden "nog slechts" 1.840.000 personen in armoede mogen leven. Thans, en voor zover het systeem geen nieuwe armen oplevert,  moeten dus 500.000 personen uit de armoede worden gehaald om de doelstellingen 2020 te bereiken. Daarnaast is de indicator « materiële deprivatie » in 2014 opnieuw gestegen. Sherwoodisering is een verschijnsel waarmee rekening moet worden gehouden: personen laten de systemen varen en leven van zwartwerk en familiale solidariteit. Een derde van de personen uitgesloten uit de werkloosheidsregeling valt aldus niet terug op gelijk welk ander onderdeel van de sociale zekerheid of van de sociale bescherming.

De vroegere maatregelen hebben aangetoond waar hun grenzen liggen. Ze moeten worden gediversifieerd en men moet ervoor zorgen dat de overheid zich richt naar de personen die steeds verder gaan staan van onderwijs en opleiding, arbeid, regelingen van  sociale zekerheid of van sociale bescherming, met dramatische gevolgen op het gebied van uitsluiting. De automatische toekenning van rechten en de digitalisering hebben (onvrijwillig) ongewenste gevolgen omdat zij de globale situatie van een persoon niet meer kunnen weergeven: meer menselijke begeleiding moet opnieuw centraal staan, zodat de behoeften globaal kunnen worden benaderd; met de opeenvolgende staatshervormingen zijn rechten echt verminderd of verloren gegaan. De uitwisselingen tussen overheidsniveaus moeten dringend en structureel worden geregeld. De IMC « Integratie in de maatschappij » en het deel handicap van de IMC « Welzijn, Sport en Gezin » moeten dringend bijeenkomen.

Talrijke bevoegdheden werden geregionaliseerd maar het is duidelijk dat men zich niet langer mag verschuilen achter de respectieve bevoegdheden: het gaat om een globale uitdaging die iedereen moet aannemen. Twee concrete voorbeelden: ten eerste, duizenden personen zijn dakloos in Brussel; 30 km verder ontsnapt Leuven aan dit fenomeen; ten tweede, de toegang tot een kwaliteitsvolle leerplicht voor iedereen; alles begint met onderwijs en in het kader van de strijd tegen de armoede is het van essentieel belang dat meer wordt geïnvesteerd in de ondersteuning van het onderwijs en de begeleiding van de gezinnen, met als doel gelijke kansen zo vroeg mogelijk. Deze twee voorbeelden wijzen erop dat men geen genoegen meer mag nemen met de vaststelling van de regionalisering van de bevoegdheden; oplossingen moeten samen gevonden worden: een nationaal plan voor de strijd tegen armoede is nodig. 

De NHRPH betreurt dat het verslag van het Steunpunt Armoede van UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum, niet werd overgenomen – cf. http://www.belgium.be/nl/nieuws/2016/publieke_diensten_en_armoede_verslag_2014_2015 - zie ook advies 2016/06 van de NHTPH: het bevat op een aantal gebieden concrete acties voorgesteld door de armen zelf, maar ook door de vakmensen op het terrein. Dit participatief en grondig werk mag men niet links laten liggen.

Inzonderheid:

  • Thema « sociale bescherming » 

De werkgevers moeten op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid worden gewezen en men moet bijvoorbeeld het eens worden over aanwervingscijfers per activiteitssectoren die overigens duidelijke behoeften hebben: onderwijs, opleiding, begeleiding van personen, …  

Het plan voorziet in de opname van de handelswaarde van de « sociale voordelen » bij de berekening van de inkomsten van de personen. De NHRPH vindt dit onaanvaardbaar. Enerzijds, in de plaats van het begrip « sociaal voordeel » dat in het federaal plan voorkomt, verkiest de Raad de uitdrukking «  sociale compensatie » die hij verder in dit advies zal gebruiken. Anderzijds, tenzij het minimumbedrag met enkele honderden euro per maand wordt verhoogd, zullen de sociale compensaties de lage bedragen van de minimale vervangingsuitkeringen gedeeltelijk compenseren. Ten slotte moet ook worden opgemerkt dat de personen niet noodzakelijk zouden kiezen voor de sociale compensaties, die, indien ze over behoorlijke inkomsten zouden beschikken, ze niet noodzakelijk zouden gebruiken voor de aankoop van voorzieningen in de vorm die hun wordt aangeboden (bv.: verminderd energietarief wanneer het appartement geen dubbel beglazing heeft, een niet-geïsoleerd dak, een energieverslindende verwarmingsketel, ...).

Wat betreft de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, moet prioritaire aandacht besteed worden aan de berekening van de integratietegemoetkoming (IT) die de extra kosten ingevolge de handicap en het gebrek aan maatschappelijke aanpassingen zou moeten compenseren. De inkomsten van de persoon worden evenwel thans afgetrokken van deze tegemoetkoming. Dankzij deze IT kunnen talrijke personen zich in feite voeden, verwarmen, …

  • Thema « dakloosheid »

Huisvesting is de allerhoogste prioriteit: zonder een kwaliteitsvolle woning kunnen de vijf andere doelstellingen niet op een doeltreffende manier worden bereikt: hoe kan men zich bijvoorbeeld goed verzorgen wanneer men in een krotwoning of op straat leeft ? De NHRPH dringt er overigens op aan dat een nationaal plan wordt opgemaakt over huisvesting.

  • Thema « toegankelijke en kwaliteitsvolle geneeskundige verzorging »

Steeds meer personen met een handicap of zieken stellen hun behandeling uit of zien ervan af. De ganse gemeenschap heeft er alle belang bij dat iedereen toegang heeft tot geneeskundige verzorging wanneer ze nodig blijkt.

  • Thema « toegankelijke openbare diensten »

De beperking van de personeelsbezetting en van de openbare middelen heeft haar grenzen bereikt. Evenzo is het responsabiliseren van personen niet haalbaar wanneer het niveau van kennis en bekwaamheden te uiteenlopend of te laag is. Het netwerk van maatschappelijk assistenten, van ervaringsdeskundigen moet worden uitgebreid, maar het aantal personeelsleden moet ook worden verhoogd zodat dossiers volledig en correct kunnen worden behandeld.

De automatische toekenning van de rechten is een deel van het antwoord om in de behoeften van de personen te kunnen voorzien: persoonlijke begeleiding moet worden versterkt want ze maakt het mogelijk de ganse crisissituatie af te grenzen en globaal en specifiek in de behoefte te voorzien, wat de automatische toekenning uiteraard niet toelaat. De hervormingen van de openbare diensten gaan niet in die richting en veroorzaken een kwaliteitsverlies of erger, maken het niet meer mogelijk de zwakste burgers « op te sporen ». Ter herinnering, 1/3 van de  personen uitgesloten uit de werkloosheidsregeling, van wie men weet dat ze geen nieuw werk hebben gevonden, genieten niet meer van een sociale bescherming. Daarnaast moet bij iedere automatische toekenning van de rechten de gegevens van de persoonlijke levenssfeer, enerzijds, en de medische gegevens, anderzijds, absoluut beschermd worden. De NHRPH  benadrukt ook de ongewenste effecten van « alles met de computer »:  voor talrijke personen blijven de nieuwe technologieën enkel een communicatie- en informatiemiddel, maar geen beheermiddel. De computer is geen vervangmiddel voor het onvoldoende opleiden en inzetten van personen. De computer als dusdanig blijft een hulpmiddel voor het vervullen van de nodige formaliteiten om een aanvraag in te dienen, voor het beheer van een dossier, … Men kan de elektronische versie van de krant De Standaard raadplegen en een keukenrecept afprinten zonder daarom in staat te zijn een aanvraag voor een tegemoetkoming in te dienen, de aanvragen te begrijpen, de formulieren correct en volledig in te vullen … Daarenboven zijn armen en personen met een zintuiglijke of intellectuele handicap geconfronteerd met een dubbele discriminatie wanneer de sites niet toegankelijk zijn voor hun behoefte (geen label Anysurfer, geen vlot leesbaar taalgebruik). De digitale inclusie omvat dus niet alleen de toegankelijkheid tot het hulpmiddel, maar ook de toegankelijkheid tot de informatie verstrekt door dit hulpmiddel.

Tot  besluit:

  • De strijd tegen armoede moet een absolute, transversale en nationale prioriteit worden, met ambitieuze doelstellingen, kwalitatief en kwantitatief, en met een realistisch tijdschema maar dat wel wordt nageleefd. Het tweejaarlijks rapport van het Steunpunt Armoede bevat aanbevelingen, die moeten worden benut. Hoogdringendheid is hier geboden. De concreet uitgevoerde maatregelen moeten ook voorzien in de specifieke behoeften van personen met een handicap.
  • Zonder NIEUWE sterke en geïntegreerde maatregelen zal het niet lukken en zal armoede verder toenemen.
  • Net zoals de regering een ambitieus tewerkstellingsplan met sterke maatregelen en termijnen heeft opgezet, is een ambitieus en concreet uitgewerkt plan voor de bestrijding van armoede nodig.
  • In het plan zelf moet een hoofdstuk besteed worden aan becijferde doelstellingen en een tijdschema voor de strijd tegen armoede.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking en Armoedebestrijding;
  • Ter info aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het Interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2016/08 - Loket DG PH

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/08 van  de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de sluiting van het loket van de DG PH in de FINTO (Brussel), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21 maart 2016.

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.

Onderwerp

Bericht gepubliceerd op de website van de DG Personen met een handicap waarin de sluiting van het loket wordt aangekondigd: http://www.handicap.fgov.be/nl/nieuws/loket-personen-met-een-handicap-finance-tower-brussel-sluit

Analyse

Het loket van de Directie-generaal Personen met een handicap aan het onthaal van de FOD Sociale Zekerheid in de Financietoren te Brussel werd op 28 maart 2016 gesloten.

Voor het indienen van documenten is er een “rode brievenbus” van de FOD Sociale Zekerheid, Kruidtuinlaan 50, bus 150, 1000 Brussel.

Wie een maatschappelijk assistent wil spreken kan daarvoor een afspraak maken via het contactformulier of via het gratis nummer 0800 987 99.

Advies

De NHRPH is verbaasd dit nieuws te moeten vernemen via de website van de DG Personen met een handicap.

De NHRPH betreurt deze manier van werken. Zij is geheel in strijd met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waarin bij artikel 4.3 bepaald wordt dat de NHRPH actief betrokken moet worden bij de besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap. Ondanks veelvuldig aandringen bij de DG Personen met een handicap en de bij Staatssecretaris voor Personen met een Handicap werd de Raad op geen enkel moment betrokken bij de hervormingen bij de DG Personen met een handicap.

Tevens heeft de NHRPH kennis genomen van de bestuursovereenkomst 2016-2017 van de FOD Sociale Zekerheid

http://socialsecurity.belgium.be/sites/default/files/content/docs/nl/rolmodel-moderne-overheid/bestuursovereenkomst-fod-sz-2016-nl.pdf

waarin te lezen staat (p. 72): De begeleiding door de maatschappelijk assistenten van de DGHAN die de motor zijn van de dienstverlening aan de personen met een handicap. Zij helpen de personen met een handicap verder met al hun vragen, moeilijkheden of problemen in hun contacten met de diensten van de DGHAN. Ze kunnen hen meer uitleg geven over hun rechten (op een tegemoetkoming, parkeerkaart of op sociale en fiscale maatregelen), hoe het met hun dossier gesteld is, wat zij moeten doen als hun situatie verandert, enz. Ze kunnen hen ook uitleggen waarom een bepaalde beslissing genomen werd of hoe zij tegen een beslissing in beroep kunnen gaan. Ze wijzen de personen met een handicap tot slot ook de weg naar de juiste regionale en lokale diensten of verenigingen voor personen met een handicap. Zij houden zitdagen in heel wat steden en gemeenten in alle provincies. De zittingen en roosters van deze zitdagen worden op de website van de DGHAN gepubliceerd.

De NHRPH stelt echter vast dat de mogelijkheden om de diensten van de DG Personen met een handicap te contacteren de voorbije 3 jaar stap voor stap aanzienlijk werden teruggedrongen: telefonische permanenties werden beperkt, behandeling via email werd veralgemeend, en de permanenties in de provincies en in de hoofdstad werden afgeslankt of gesloten.

Contact met een maatschappelijk assistent tijdens een permanentie is van essentieel belang. Het biedt de persoon met een handicap de gelegenheid zijn tijd te nemen om informatie in te winnen over zijn rechten en plichten en over de te volgen procedures voor het verkrijgen van tegemoetkomingen en vergoedingen. Heel vaak biedt dit contact de betrokkene echter ook de kans om over zijn leefomgeving en zijn globale noden te praten en om zich doeltreffend te laten begeleiden of bijsturen door een maatschappelijk assistent van de DG Personen met een handicap. De maatschappelijk assistent op zijn beurt kon zijn netwerk activeren om een opvolging uit te werken. Deze mogelijkheid is gewoonweg verdwenen omdat de toegangspoort tot de DG vaak beperkt is tot internet- of telefonie-oplossingen, die de identificatie van de noden en een persoonlijkere begeleiding in de weg staan. De NHRPH vreest dat, nu de burger een aanvraag voor een afspraak moet indienen, dit voor de persoon met een handicap, die zich al te vaak reeds in een kwetsbare sociale en economische situatie bevindt, een onoverkomelijke hindernis zal vormen.

Ter staving verwijst de NHRPH naar de conclusies en aanbevelingen van het Tweejaarlijks Verslag  2015-2016 http://www.armoedebestrijding.be/publications/verslag8/volledigverslag.pdf. Deze onderstrepen de huidige inkrimping van de Belgische publieke diensten en het verlies van rechten dat daaruit daadwerkelijk voortvloeit (pp. 189 en volgende):

  • Verschuiving van de verantwoordelijkheid naar een lokaler beleidsniveau
  • Verschuiving van de verantwoordelijkheid naar het individu
  • Verschuiving van de verantwoordelijkheid naar de markt
  • Fragmentering van de bevoegdheden
  • Verwarring van de rollen

De NHRPH maakt zich ernstig zorgen over de handhaving van de begeleidingsopdracht van de sociale dienst van de DG Personen met een handicap en over de realisatie van de engagementen aangegaan in het kader van de bestuursovereenkomst 2016-2017 van de FOD Sociale Zekerheid.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken;
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap;
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap;
  • Ter info aan UNIA, Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 6

Advies 2016/07 - NHP 2016

  • Jaartal advies: 2016

Advies 2016/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het Europese semester, geformuleerd tijdens de plenaire vergadering van 21 maart 2016

Aanvrager

Advies op vraag van de Eerste Minister, in zijn mail van 11 maart 2016

Onderwerp

In het kader van de Europese Economische Strategie van Lissabon bezorgt elke lidstaat de Europese Unie jaarlijks een inventaris van de realisaties en projecten die tegemoetkomen aan de aanbevelingen van de Europese Unie. Op basis van dit verslag formuleert de EU nieuwe aanbevelingen, en legt zij de lidstaten ook sancties op. In april moet België zijn prioriteiten voorleggen. Voor zijn verslag van dit jaar heeft het zich gebaseerd op 2 documenten:

Op basis van het door België voorgestelde verslag (nationaal hervormingsprogramma) zal de Commissie België haar aanbevelingen voor de periode 2016 - 2017 bezorgen.

Analyse

Op 14 juli 2015 drukte de Raad van de Europese Unie België op het hart in de periode 2015 - 2016:

  1. een begrotingsaanpassing van minstens 0,6 % van het bbp uit te voeren in 2015 en in 2016 om de doelstelling op middellange termijn te bereiken; de uitzonderlijke ontvangsten te gebruiken om de overheidsschuld voldoende te laten afnemen; de pensioenhervorming te voltooien door de wettelijke pensioenleeftijd af te stemmen op de evolutie van de levensverwachting; het eens te worden over een uitvoerbare verdeling van de begrotingsdoelstellingen tussen alle overheidsniveaus;
  2. een algemene belastinghervorming goed te keuren en uit te voeren zodat de heffingsgrondslag breder wordt, de belasting op arbeid naar andere bronnen verschuift en inefficiënte fiscale uitgaven geschrapt worden;
  3. de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren door de financiële tewerkstellingsremmen te verminderen, de instroom van bepaalde doelgroepen op de arbeidsmarkt te verbeteren en het tekort aan geschoolde arbeidskrachten en de onaangepastheid van de kwalificaties weg te werken;
  4. het concurrentievermogen te herstellen door, in overleg met de sociale partners en overeenkomstig de nationale praktijk, ervoor te zorgen dat de lonen gelijke tred houden met de productiviteit.

De Europese Commissie heeft de Belgische economie geëvalueerd in het licht van de jaarlijkse groeianalyse, die zij ook uitgevoerd heeft en op 26 november 2015 gepubliceerd heeft. In die analyse raadde de Commissie drie prioriteiten voor het sociaaleconomische EU-beleid in 2016 aan: investeringen stimuleren; de structurele hervormingen voortzetten om de economie van de lidstaten te moderniseren; en een verantwoord begrotingsbeleid voeren.

Zij licht enkele vaststellingen en tekortkomingen uit die verantwoordelijk zijn voor de zeer geringe groei van de economie in België.

In haar verslag van 26 februari wijst de Commissie op een aantal domeinen die risico's en problemen inhouden.

Advies

De NHRPH heeft 1 advies geformuleerd in 2015 (/nl/adviezen/advies-2015-17). Hij herinnert aan de inhoud ervan: sociale insluiting van personen met een handicap is essentieel voor het economisch herstel. Volgende actiedomeinen moeten onderzocht worden en er moeten maatregelen getroffen worden die voldoen aan de specifieke situatie van zieken en personen met een handicap: tewerkstelling en arbeidsmarkt, onderwijs en opleidingen, socialebeschermingsregelingen, inclusief de pensioenen. 

De NHRPH vindt dat de competenties van personen en hun economische bijdrage volledig erkend moeten worden. De "back to work"-maatregelen zijn een eerste stap; de voor het eerste semester van 2016 geplande evaluatie zal nuttig zijn voor iedereen. Toch zijn andere maatregelen nodig om de arbeidsmarkt en personen met een handicap dichter bij elkaar te brengen. De bewustmaking van werkgevers en de financiële steunmaatregelen bereiken hun grenzen en volstaan niet voor de tienduizenden personen die medisch gezien in aanmerking komen voor de IVT (inkomensvervangende tegemoetkoming; verdienvermogen verminderd tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon zonder handicap op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen – wet van 27 april 1987), maar die in de praktijk nauwelijks toegang hebben tot de opleidingsprogramma's en begeleiding voor tewerkstelling. 

De regeringen hebben het in eerste instantie over maatregelen voor werklozen en migranten. Wanneer het gaat over kwetsbare groepen wordt vreemd genoeg niets gezegd over personen met een handicap. Tussen “valide” en “invalide” personen is er nochtans ook een verschil van 20 %. Afhankelijk van de bronnen en de gebruikte parameters varieert de tewerkstelling van personen met een handicap in België tussen de 35 en de 47 %. Dit ligt onder het Europese gemiddelde. Enkel in Hongarije (23,7 %) en Ierland (29,8 %) is de tewerkstellingsgraad bij personen met een handicap nog lager. De hoogste percentages vinden we in Zweden (66,2 %) en Luxemburg (62,5 %).

Eurostat heeft zich ook gebogen over het risico op armoede en sociale uitsluiting bij personen met een handicap voor het jaar 2013. België is koploper in de Europese Unie: 34,3 % van de personen met een handicap (tegenover 16,6 % van de personen zonder handicap) lopen dit risico. Dit is een verschil van 17,7 punten. Enkel Bulgarije doet nog slechter, met een verschil van 19,6 punten en een dramatisch hoog percentage van 63,7 % wat betreft armoederisico bij personen met een handicap. Italië is, met een verschil van 4,4 punten, het Europese land waar de handicapsituatie de minste impact heeft op het risico om in de armoede verzeild te raken.

Ter herinnering: in zijn Strategie 2020 heeft Europa een doelstelling vastgelegd voor een hogere tewerkstelling van alle personen met een handicap die ten gevolge van hun handicap worden uitgesloten van de arbeidsmarkt. Het NHP 2016 moet ingaan op deze uitdagingen en er oplossingen voor vinden. 

De overwegingen van de voorbije jaren inzake vroegtijdig schoolverlaten en de onaangepastheid van de opleidingen aan de vraag op de arbeidsmarkt gelden uiteraard ook voor personen met een handicap (misschien zelfs meer dan voor andere jongeren). Het percentage vroegtijdige schoolverlaters bij jongeren met een handicap is aanzienlijk. Dit is een gevolg van onder meer het gebrek aan redelijke aanpassingen van lokalen en lessen, het gebrek aan aangepaste vervoermiddelen of gewoonweg omdat sommige jongeren op schooldagen geen toegang hebben tot de verzorging waarop ze in feite recht hebben. Dit is onaanvaardbaar!

Bovendien wordt hun op basis van hun handicap nog te vaak voorgesteld niet-kwalificerende opleidingen te volgen die niet beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt.

In een recente studie wijst Eurostat erop dat hetgeen zich voordoet op de arbeidsmarkt ook kan worden vastgesteld in het onderwijs. Wat levenslang leren betreft, was het percentage bij personen met een handicap in 2011 lager dan bij personen zonder handicap tussen 25 en 64 jaar in alle EU-lidstaten waarvoor cijfers bestaan. Hiervoor moet dringend een oplossing worden gevonden. Het NHP moet voorzien in specifieke maatregelen voor de begeleiding van kinderen en jongvolwassenen met een handicap. De NHRPH herinnert bovendien aan zijn vraag naar inclusiever onderwijs. Ook dit zal helpen het vroegtijdige schoolverlaten te beperken. Dit betekent niet dat het gespecialiseerde onderwijs moet worden afgeschaft, maar dat het gewone onderwijs moet worden aangepast aan de noden van kinderen met een handicap, en dat de betrokkenen de keuze tussen beide moeten hebben.

De NHRPH herinnert eraan dat langer werken moeilijk haalbaar is voor heel wat personen met een handicap; er zou integendeel beter een regeling worden uitgewerkt voor hun loopbaaneinde. Vaak hebben personen met een handicap minder vooruitzichten op werk en een loopbaan, niet omdat zij dat zelf willen, maar wel omdat hun lichaam en/of de werkomgeving hen daartoe nopen. Dit leidt tot sociale uitsluiting en armoede.

Wanneer die personen met pensioen gaan, gaan zij vaak voor een tweede keer door de hel, aangezien zij met steeds hogere leeftijds- en gezondheidsgebonden kosten worden geconfronteerd. De regering zou ook moeten bekijken welk ander mechanisme ingevoerd kan worden, bijvoorbeeld de jaren die personen met een handicap gewerkt hebben, zwaarder laten doorwegen om de werkgelegenheid te ondersteunen.

De NHRPH hamert met andere woorden vooral op de noodzaak van specifieke maatregelen voor oudere werkende personen met een handicap, zowel wat hun loopbaan als de berekening van het pensioen betreft.

Voor heel wat werkende personen met een handicap zal de verlenging van de werkelijke loopbaan tot 45 jaar moeilijk haalbaar zijn, omdat zij hun werk wegens hun handicap min of meer lange periodes moeten onderbreken.

Volgens de NHRPH zal de verhoging van de effectieve leeftijd om met pensioen te gaan nadelig uitdraaien voor personen met een handicap. De handicap veroorzaakt op het einde van de loopbaan immers meer vermoeidheid en vergt een grotere investering, wat de voortzetting van de beroepsactiviteit bemoeilijkt. Personen met een handicap werken vaak deeltijds om gezondheidsredenen of omdat het voor hen bijzonder moeilijk is een voltijdse betrekking te vinden.

De NHRPH meent daarentegen dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van rechten) moet worden onderzocht voor personen met een handicap. Voorbeeld: indien het pensioenstelsel met punten ingevoerd wordt, zou een loopbaanjaar voor een persoon met een handicap zwaarder kunnen doorwegen. Zodoende zouden personen met een handicap aangemoedigd worden te werken, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met hun moeilijke omstandigheden.

Ter herinnering: artikel 28 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt onder meer dat "de Staten die Partij zijn, het recht van personen met een handicap op sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond van handicap erkennen, en passende maatregelen nemen om de verwezenlijking van dat recht te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om (...) de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot pensioenuitkeringen en -programma’s”.

In zijn advies 2015/17 had de NHRPH ten stelligste de afwezigheid van een aanbeveling met betrekking tot de 5e pijler van de Strategie 2020 betreffende de armoedebestrijding, in het bijzonder de vermindering van het aantal kwetsbare personen in België, betreurd. Eind 2014 bevonden 2.286.000 personen zich in deze situatie in België, terwijl dat er in 2008 nog 2.194.000 waren (blz. 3 van het NSR). De initiële doelstelling om 380.000 personen uit de armoede te helpen zou dus moeten worden opgetrokken tot minstens 472.000. De NHRPH vreest dat er van deze kwantitatieve doelstelling inzake armoedebestrijding zonder duidelijke en expliciete doelstelling in het NSR 2016 gewoonweg niets zal terechtkomen.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Advies 2016/06 - Verslag armoedesteunpunt

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Tweejaarlijkse Verslag 2014-2015 van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 21 maart 2016.

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.

Onderwerp

Het achtste tweejaarlijkse verslag van het Steunpunt tot bestrijding van armoede staat in het teken van de rol van de publieke diensten in de strijd tegen armoede. http://www.belgium.be/nl/nieuws/2016/publieke_diensten_en_armoede_verslag_2014_2015

Analyse

Het Steunpunt tot bestrijding van armoede heeft onderzocht in welke mate de publieke diensten bijdragen aan het garanderen van de effectiviteit van de fundamentele rechten van iedereen, mensen in grote armoede inbegrepen. Regelmatig wordt ingegaan op de situatie van personen met een handicap en zieken.

Dit verslag heeft een participatieve grondslag met zeer verschillende doelgroepen:  de verschillende verenigingen op het terrein en de diensten die zich met armoede bezighouden, maar ook publieke en private structuren waarvan de hoofdopdracht niet noodzakelijk verband houdt met de strijd tegen armoede en uitsluiting.

De opstellers van het verslag hebben de nodige tijd genomen om informatie en getuigenissen te verzamelen: in de loop van 18 maanden vonden 34 vergaderingen plaats.

Een beperkt aantal onderzoeksdomeinen werden grondig bestudeerd:  toegang tot justitie, cultuur, gezondheid, tewerkstelling, energie en water, en kinderopvang. Al deze domeinen werden uitgewerkt, rekening houdend met de noden en de verwachtingen van de bevolking ten aanzien van de publieke diensten.

Tot slot bevat het verslag zeer duidelijke en concrete aanbevelingen.

Advies

De NHRPH onderstreept de participatieve aanpak, waardoor de dagelijkse behoeften van de betrokkenen opnieuw op de voorgrond komen te staan. Worden de aanbevelingen opgevolgd, dan zal dit tot tastbare resultaten leiden.

De Raad beklemtoont ook het professionalisme van de aanpak : dankzij de bundeling van informatie op lange termijn en de volledige behandeling ervan konden niet alleen geïntegreerde aanbevelingen worden geformuleerd die beantwoorden aan de behoeften van alle personen in armoede, maar wordt het ook mogelijk het aantal mensen die in de armoede terechtkomen, te beperken. Deze aanbevelingen kwamen bovendien tot stand met de hulp van publieke en private structuren waarvan de hoofdopdracht niet noodzakelijk verband houdt met armoede en uitsluiting.

De Raad is opgezet met de wijze waarop de uitwisselingen en de aanbevelingen zijn opgetekend, want steeds wordt uitgegaan van de nood aan een optimale doeltreffendheid van de rechten van de betrokkenen.

Het verslag wijst op de huidige aanpak, waarbij alles beperkt wordt tot het internet en de automatische toekenning van rechten. Er wordt geïnsisteerd op de begeleiding van personen in hun levensloop maar ook op de nood aan buurtdiensten om zo snel en nabij mogelijk in te spelen op de verwachtingen van de betrokkenen.

De NHRPH wijst nog eens op de vicieuze cirkel van ziekte/handicap en armoede//uitsluiting: armoede voedt ziekte en handicap; ziekte en handicap werken armoede in de hand en maken armoedesituaties erger. Dit aspect wordt in het verslag zeer goed toegelicht en geïllustreerd.

Ter herinnering: België heeft zich in 2010 geëngageerd om tegen 2020 380.000 personen uit de armoede te halen (zie http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/nrp/nrp_belgium_nl.pdf p. 36: België heeft als ambitie dat tegen 2020 380.000 mensen minder geconfronteerd worden met het risico op armoede en sociale uitsluiting, ten opzichte van het referentiejaar (2008).)

In 2013 leefden 2.286.000 personen in armoede of sociale uitsluiting  (zie NHP 2015 Tabel 6, p. 32:

http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/csr2015/nrp2015_belgium_fr.pdf)

Het verslag zelf geeft toe (p. 32: Er is geen trend in de richting van de doelstelling om het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 (EU-SILC 2018) met 380.000 te doen dalen ten opzichte van 2010 (EU-SILC 2008).) dat we nog nergens staan wat betreft de doelstellingen van de Europese Strategie Armoedebestrijding.

De crisis mag niet als excuus worden ingeroepen om meer dan 1 op 5 burgers hun waardigheid en de toegang tot de meest elementaire rechten te ontnemen.

De NHRPH gaat ervan uit dat de maatregelen voor een economische relance en voor wedertewerkstelling genomen zijn en verder de aandacht zullen krijgen die verschillende regeringen eraan willen schenken. Tegelijk meent de Raad dat de economische relance en wedertewerkstelling ook via andere sociale maatregelen moeten worden aangepakt, en wel om twee redenen. Ten eerste zijn er tal van personen die geen werk (meer) vinden, en zij moeten kunnen terugvallen op actieve en degelijke publieke diensten en aangepaste begeleidingsmaatregelen. Ten tweede biedt tewerkstelling niet steeds een garantie op een waardig leven en leiden sommige werkende personen en hun gezin een onzeker bestaan. Van cruciaal belang is dat alle, al dan niet werkende, personen hun basisrechten kunnen genieten, perspectief hebben op beterschap en dat hen minstens een stabiele levensstandaard wordt geboden die hen in staat stelt waardig te leven.

Tevens herinneren wij eraan dat België nog steeds geen nationaal, en zelfs geen federaal plan armoedebestrijding heeft. Dit betekent dat er tot op vandaag geen visie, geen doelstelling, geen planning en geen middelen zijn.

Het verslag 2014-2015 van het Steunpunt tot bestrijding van armoede en sociale uitsluiting heeft de grote verdienste dat het concrete en noodzakelijke maatregelen naar voren schuift. Het stelt mechanismen voor die aan de noden tegemoetkomen. De NHRPH stipt aan dat dit verslag ook beantwoordt aan de verwachtingen en uitdagingen van de publieke en private structuren waarvan de hoofdopdracht niet noodzakelijk verband houdt met de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting.

Daarbij komt nog dat de aanbevelingen, onder de hoofding “bestaansonzekerheid en uitsluiting” de grote verdienste hebben dat ze de facto betrekking hebben op de hele bevolking, want ze maken het mogelijk kwetsbare bevolkingsgroepen dichter bij de publieke diensten te brengen en andersom. Zij zorgen er ook voor dat er geen nieuwe personen in de armoede terechtkomen. Tot slot waarborgen ze dat alle burgers hun rechten kunnen genieten gedurende hun hele levensloop. Dit verslag is een bron van informatie en van onschatbare waarde voor het beleid.

De NHRPH doet een duidelijke oproep aan alle beleidsniveaus : er moet zo snel mogelijk werk worden gemaakt van een geïntegreerd beleid en van coherente en duidelijke maatregelen om de armoede in België terug te dringen en de Europese doelstellingen tegen 2020 te halen. Het verslag van het Steunpunt tot bestrijding van armoede biedt een uitstekende basis om een antwoord te bieden op de vragen van de burgers en de publieke diensten.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap;
  • Ter info aan UNIA, Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2016/05 - Accessibility Act

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/05 van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap (NHRPH) over de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidsvereisten voor producten en diensten (zogenaamde “European Accessibility Act” of EAA), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21 maart 2016.


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van het Coördinatiemechanisme belast met de uitvoering van het UNCRPD.


Onderwerp

Momenteel moeten de economische operatoren voldoen aan de nationale vereisten inzake toegankelijkheid. Deze zijn verschillend en vaak tegenstrijdig, waardoor zij geen voordeel kunnen halen uit de mogelijkheden van de interne markt.

Het voorstel van de Europese Commissie is bedoeld de werking van de interne markt te helpen verbeteren en de hindernissen tot het vrij verkeer van toegankelijke goederen en diensten weg te werken of tegen te gaan.

De richtlijn zal tevens het werkprogramma van de Commissie voor het jaar 2015 helpen concretiseren. Dit werkprogramma wil toegankelijkheid tot motor van de sociale inclusie maken. “De Europese Commissie zet zich in voor gelijke kansen voor mensen met een beperking, geheel conform het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Dit omvat ook de toegankelijkheid van de fysieke omgeving, het vervoer, informatie- en communicatietechnologie en -systemen (ICT) en andere faciliteiten en diensten. Cfr ” COM(2014) 910 eindversie, “Het werkprogramma van de Commissie voor 2015 – Een nieuwe start”,

http://ec.europa.eu/atwork/pdf/cwp_2015_nl.pdf

Het coördinatiemechanisme wil de aandachtspunten en aanbevelingen van de NHRPH bundelen om het Belgische standpunt bij de lopende en toekomstige onderhandelingen binnen de Raad te stofferen.


Analyse

De voorgestelde richtlijn biedt een gezamenlijke definitie en een toepassingskader voor de toegankelijkheidsvereisten voor bepaalde producten en diensten in de hele Europese Unie. De elementen van de voorgestelde richtlijn kunnen als volgt worden samengevat:

Toepassingsveld

De voorgestelde richtlijn zal de toegankelijkheidsvereisten voor een lijst van producten en diensten harmoniseren en met dezelfde toegankelijkheidsvereisten vorm en invulling geven aan de — reeds bestaande, maar niet nader gedefinieerde — toegankelijkheidsverplichting zoals vastgelegd in EU-wetgeving (bijvoorbeeld op het gebied van overheidsopdrachten en structuur- en investeringsfondsen).

Toegankelijkheidsvereisten en vrij verkeer

De voorgestelde richtlijn zal de werking van de interne markt verbeteren door met behulp van geharmoniseerde verplichte toegankelijkheidsvereisten voor een lijst van producten en diensten belemmeringen weg te nemen die ontstaan door verschillen in nationale wetgeving. Deze lijst is het resultaat van een screening en is gebaseerd op verschillende openbare en interne raadplegingen, op de behoeften van het bedrijfsleven en die van de mensen met een handicap en op een enquête bij experts op het gebied van de toegankelijkheidswetgeving.

Dankzij de voorgestelde richtlijn zullen alle producten en diensten die aan de toegankelijkheidsvereisten voldoen, profiteren van het vrije verkeer op de interne markt.

De voorgestelde richtlijn ondersteunt het bedrijfsleven door op het gebied van toegankelijkheid dezelfde functionele toegankelijkheidsvereisten te hanteren als die in EU-wetgeving zijn vastgelegd voor de omzetting van de verplichting tot aankoop/subsidiëring van toegankelijke producten en diensten.

Uitvoering door de lidstaten

De voorgestelde richtlijn harmoniseert op EU-niveau de toegankelijkheidsvereisten voor een aantal producten en diensten en neemt belemmeringen voor het vrije verkeer ervan weg.

De richtlijn bevat geen gedetailleerde voorschriften over de manier waarop in de praktijk moet worden voldaan aan de verplichting om een product of dienst door naleving van de vastgelegde toegankelijkheidsvereisten toegankelijk te maken. Als de belemmeringen in de interne markt blijven bestaan, kan de Commissie in de toekomst andere opties overwegen om sturing te geven aan de lidstaten, zoals normalisatie- en uitvoeringsmaatregelen.

De richtlijn voorziet in de mogelijkheid om via vrijwillige geharmoniseerde normen een vermoeden van conformiteit met de toegankelijkheidsvereisten vast te stellen.

Om de correcte uitvoering en handhaving van de toegankelijkheid te waarborgen, maakt de richtlijn gebruik van lichte procedures voor conformiteitsbeoordeling (zelf opgestelde verklaringen) en van bestaande mechanismen voor markttoezicht om te beoordelen of producten aan de toegankelijkheidsvereisten voldoen. Ook is voorzien in een lichtere procedure

De datum waarop de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden, wordt door de richtlijn vastgesteld op uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan.

De richtlijn schrijft voor dat de lidstaten de termijn voor de toepassing van alle maatregelen, inclusief het vrije verkeer van producten en diensten en de maatregelen van artikel 3, op uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn moeten stellen.


Advies

De NHRPH benadrukt de zeer constructieve aanpak van het Coördinatiemechanisme wat betreft de raadpleging van de NHRPH en blijft ook in de toekomst, wanneer de strategische krijtlijnen worden uitgezet of beslissingen moeten worden genomen, te zijner beschikking.

De NHRPH is zeer tevreden over het voorstel van richtlijn ; deze beantwoordt immers aan een reële en belangrijke behoefte wat betreft het toegankelijk maken van producten en diensten die momenteel niet door personen met een handicap kunnen worden gebruikt.

Het toepassingsveld van de richtlijn is tegelijk zeer beperkt ten aanzien van de hele context en belangrijk voor het dagelijkse leven. De aanname ervan wordt een eerste stap voorwaarts, een ijkpunt en een springplank naar een socialer Europa gericht op de noden van iedere burger.

Bovendien juicht de NHRPH dit initiatief toe omdat het de openbare en private economische operatoren uitnodigt deze uitdaging te gaan beschouwen als een opportuniteit om hun markten en omzet te verbreden.

De NHRPH vestigt de aandacht op de volgende aspecten:

  • Het begrip ‘handicap’ moet alle types handicap omvatten: lichamelijke, visuele, auditieve, verstandelijke, zintuigelijke handicaps, chronische ziektes, …

  • Sommige bepalingen moeten meer gepreciseerd Zo zou bij artikel 2 moeten worden gedefinieerd wat we verstaan onder een “toegankelijk formaat” en met name verwijzen naar gebarentaal, braille of gemakkelijk te lezen taal. Aan bijlage 2 moet een index van begrippen worden toegevoegd om termen te definiëren zoals de hierboven vermelde maar ook andere termen die couranter zijn maar een ruimte laten voor interpretatie, zoals “ingrijpende wijziging van een aspect of functie”,onevenredige last” en “gemakkelijk te begrijpen instructies”. Bovendien mag men niet vergeten dat de economische operatoren vaak niet vertrouwd zijn met handicapsituaties en niet op de hoogte zijn van de noden. Zij hebben nood aan duidelijke en ondubbelzinnige begrippen, willen we de inhoud en doeltreffendheid van de richtlijn niet verloren laten gaan.

  • Het is van het grootste belang dat de richtlijn alle economische sectoren de gelegenheid biedt producten en diensten op de markt te brengen die een reële, volledige en autonome participatie van alle personen met een handicap waarborgt. Globaler zullen we van een succes kunnen spreken wanneer alle actoren de normen van ‘Universal Design’ / Universeel Ontwerp in acht nemen. Worden uitzonderingen toegestaan voor kleine structuren, dan kan dit het hele bouwwerk aantasten.

  • België en de Europese Unie hebben het VN-Verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap aangenomen. Zowel bij de redactie als bij de uitvoering van de richtlijn moeten de inhoud en de draagwijdte van dit Verdrag worden in acht genomen. Het VN-Verdrag moet als maatstaf dienen om te beoordelen of er sprake is van echte toegankelijkheid en de zelfstandigheid en participatie van de persoon met een handicap gewaarborgd is. Wij herinneren eraan dat het Comité van VN-experten zelf vraagt dat the European Union take efficient measures for prompt adoption of an amended European Accessibility Act that is aligned to the Convention. Zie aanbeveling 29 op http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G15/226/55/PDF/G1522655.pdf?OpenElement

  • De personen met een handicap en de verenigingen die hen vertegenwoordigen moeten op regelmatige basis en structureel betrokken worden bij de werkvergaderingen en het uitzetten van de strategische krijtlijnen. Tevens is het van fundamenteel belang dat elke lidstaat zijn nationale verenigingen en adviesraden van personen met een handicap raadpleegt bij de voorbereiding van de onderhandelingen en bij de redactie van de teksten.

  • Ontwerpers en operatoren de verwachte informatie verstrekken. In dit opzicht is het, zolang er geen technische normen zijn en gelet op het feit dat de producenten de toegankelijkheid van hun producten kunnen ‘auto-certificeren’, noodzakelijk dat bijlage 1 duidelijk vastlegt aan welke functionaliteiten voldaan moet zijn in functie van de specifieke noden van alle personen met een handicap. De vereisten vermeld in de bijlage missen nauwkeurigheid. In het bijzonder moet in de mogelijkheid worden voorzien om deze aan te passen aan bepaalde functionele beperkingen: fijne motoriek, reactie op trage tactiele stimuli, , spasmen, … De criteria zijn zeer ruim en moeten in hun totaliteit worden verfijnd.

  • Het Universal Design-concept moet een prioritair criterium worden. Het is overeenkomstig met artikel 2 van het VN-Verdrag: “ontwerpen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat een aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is. ’’Universeel ontwerp’’ omvat tevens ondersteunende middelen voor specifieke groepen van personen met een handicap, indien die nodig zijn.”

    Volgens de definitie van het Center for Universal Design de la North Carolina State University (https://www.ncsu.edu/ncsu/design/cud/about_ud/udnonenglishprinciples.html), omvat Universal Design 7 principes:
    1. Gelijkheid van gebruik
    2. Flexibiliteit van gebruik
    3. Een eenvoudig en intuïtief gebruik
    4. Duidelijke informatie
    5. Tolerantie voor fouten
    6. Minimale lichamelijke inspanning
    7. Juiste dimensies en vrije ruimte voor benadering en gebruik

  •  De richtlijn en de bijlagen moeten alle private en openbare economische actoren verplichten deze 7 principes toe te passen en uit te voeren.

  • Bovendien moet werk worden voorzien in redelijke aanpassingen[1] die personen met een handicap toegang verschaffen tot producten, diensten enz. die voorheen niet toegankelijk waren. In de zin van artikel 2 van het VN-Verdrag, zijn redelijke aanpassingen : “noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen.”

    Redelijke aanpassingen zijn ook nodig wanneer ze slechts betrekking hebben op één of enkele personen met een handicap. Zij vormen immers geen voordeel of gunst, maar een recht: net als andere burgers wensen personen met een handicap in eerste instantie volledig zelfstandig te leven. Redelijke aanpassingen kunnen dan ook niet als iets facultatiefs worden gezien. Zo bepaalt artikel 17 dat een toegankelijk formaat op verzoek van de consument ter beschikking kan worden gesteld. Dit zou echter automatisch beschikbaar moeten zijn. Hetzelfde geldt voor artikel 18.
  • Een interessante en concrete werkwijze voor alle economische actoren kan het gebruik zijn van terugkerende indicatoren om de pertinentie van redelijke aanpassingen  aan de toegankelijkheid van een product of dienst te beoordelen. Zo moet een aanpassing:
    1. doeltreffend zijn, in die zin dat de persoon met een handicap daadwerkelijk moet kunnen participeren;
    2. de persoon met een handicap in staat stellen te participeren op voet van gelijkheid met de rest van de bevolking;
    3. ervoor zorgen dat de persoon met een handicap zelfstandig kan participeren; is assistentie nodig, dan moet deze beschikbaar zijn;
    4. de veiligheid van de persoon met een handicap waarborgen.
  • De redelijkheid van een “aanpassing” kan met name worden beoordeeld in het licht van de volgende indicatoren:
    1. de financiële weerslag van de “aanpassing”, rekening houdend met :
      1. eventuele financiële tussenkomsten;
      2. de financiële mogelijkheden van actoren die aan een aanpassingsverplichting onderworpen zijn;
    2. de organisatorische weerslag van de “aanpassing” kan worden beoordeeld in het licht van:
      1. de verwachte frequentie en duur van het gebruik van de “aanpassing” door personen met een handicap;
      2. de gevolgen van de “aanpassing” op het leven van een of meerdere effectieve of potentiële gebruikers met een handicap;
      3. de impact van de “aanpassing” op de omgeving en op de andere gebruikers;
      4. het gebrek aan gelijkwaardige alternatieven;
      5. de afwezigheid van voor de hand liggende of bindende wettelijke normen
  • Als cruciaal stuk van de toegankelijkheidspuzzel moet dit voorstel minstens ondersteuning bieden aan de lopende sectorale ontwerpen. We denken met name aan het voorstel van richtlijn “Toegankelijkheid van websites” en “audiovisuele mediadiensten”. Maar het moet ook een tool inzake « goede praktijken » zijn voor alle sectoren en inclusie op de economische markt een duw in de rug geven. Het huidige voorstel moet aanvullend gelden voor producten en diensten die niet onderworpen zijn aan andere instrumenten met een meer sectorgebonden draagwijdte.

  • Door de subsidiariteit lidstaat/Europa zouden sommige operatoren door de mazen van het net kunnen glippen. Wie moet wat in acht nemen ? Wie is bevoegd voor wat ? Alles is nogal complex en onduidelijk. Iedereen beroept zich op wetgeving x of y, met als gevolg een resultaat dat totaal inadequaat is. Het is van essentieel belang dat deze richtlijn uitmondt in substantiële stappen voorwaarts, een vereenvoudiging en een harmonisering. Even belangrijk is een doeltreffende en functionele klachtenprocedure en de invoering van effectieve, ontradende en evenredige sancties.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan het Coördinatiemechanisme.
  • Ter info aan de Eerste Minister
  • Ter info aan de Minister van Buitenlandse Zaken
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een Handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum
  • Ter info aan de Belgische Europese parlementsleden.
  • Raadplegingen: 7

Advies 2016/04 - Richtlijn gelijke kansen

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorstel van Richtlijn van de Europese Unie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21 maart 2016.

Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van het Coördinatiemechanisme belast met de uitvoering van het UNCRPD.

Onderwerp

Op 2 juli 2008 keurde de Commissie een voorstel voor een richtlijn van de Raad goed om de bescherming tegen discriminatie op basis van religie of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid uit te breiden tot andere domeinen dan de arbeidsmarkt. Ter aanvulling bij de gemeenschapswetgeving die op dit vlak al bestaat, moet dit voorstel discriminatie op grond van bovenbedoelde redenen in de volgende domeinen verbieden: de sociale bescherming, met inbegrip van de sociale zekerheid en de geneeskundige verzorging, evenals de toegang tot goederen en diensten, met inbegrip van huisvesting.

Het zesmaandelijks voorzitterschap van de Raad werkt voort aan de analyse en schrijft de tekst verder uit om te komen tot de vereiste consensus tussen de 28 landen van de Europese Unie.

Het Coördinatiemechanisme vraagt het advies van de NHRPH over de punten die momenteel voorwerp van discussie zijn:

  • Link tussen het ontwerp van richtlijn en het UNCRDP – plaats van het ontwerp binnen het Europese instrument in zijn totaliteit.
  • Begrippen “toegankelijkheid” en “redelijke aanpassing” – standpunt van de NHRPH
  • Toegankelijk maken van de gebouwde omgeving

Analyse

De overgrote meerderheid van de lidstaten heeft het voorstel gunstig onthaald, en een groot deel van deze lidstaten waardeert de horizontale benadering, waarbij gestreefd wordt naar een uitbreiding van het juridisch raamwerk met vier discriminatiegronden. De meeste delegaties hebben bevestigt dat de gelijke behandeling als een gedeelde maatschappelijke waarde binnen de EU moet worden bevorderd.

In het bijzonder hebben verschillende delegaties het belang van het voorstel beklemtoond in de context van de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).

Terwijl sommige delegaties de lat liever wat hoger hadden gelegd wat betreft de bepalingen inzake handicap, stelden andere delegaties zich in het verleden al vragen bij de noodzaak van dit commissievoorstel, dat volgens hen in bepaalde opzichten een inbreuk vormt op de nationale bevoegdheden en strijdig is met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel. Eén delegatie stelde zich algemeen terughoudend op. Andere delegaties blijven zich ertegen verzetten dat sociale bescherming en onderwijs binnen het toepassingsveld vallen. Daarnaast hebben een aantal delegaties om verduidelijkingen gevraagd en hun bekommernis te kennen gegeven met betrekking tot o.m. de rechtsonzekerheid, de verdeling van bevoegdheden en de praktische, financiële en juridische gevolgen van het voorstel. Momenteel hebben alle delegaties een onderzoeksvoorbehoud over het voorstel.

Zeer concreet heeft Nederland, dat tijdens de eerste helft van 2016 voorzitter is van de Raad van de Europese Unie, de lidstaten gevraagd na te denken over de volgende punten:

  • de link tussen het ontwerp van richtlijn en het UNCRPD – plaats van het ontwerp binnen het Europese instrument in zijn totaliteit.
  • De begrippen “toegankelijkheid” en “redelijke aanpassing” – voorstel van de NHRPH
    • Het Luxemburgs voorzitterschap heeft het begrip “evenredige toegankelijkheid” naar voren geschoven
    • Daarnaast had het vragen bij het principe van het ‘universeel ontwerp’ en de samenhang ervan met het principe van de onevenredige belasting
    • Tot slot wil het Luxemburgs voorzitterschap de regeling inzake “toegankelijkheid” loskoppelen van die van de “redelijke aanpassing”.
  • Planning m.b.t. toegankelijk maken van de gebouwde omgeving; impact van cultureel en historisch karakter op de toegankelijkheid

Advies

De NHRPH betreurt de weigering van bepaalde lidstaten om constructief mee te werken aan de redactie van een richtlijn die kadert binnen een streven naar meer gelijkheid, een tendens die noodzakelijk is voor het evenwicht en de bloei van de Europese democratie.

De Raad feliciteert de Commissie en de verschillende voorzitterschappen van de Raad die zich hebben ingezet om een consensus te vinden.

De Raad onderstreept de bereidheid van de Belgische onderhandelingsautoriteiten om de personen met een handicap zelf, via de NHRPH die hen vertegenwoordigt, te betrekken bij het denkproces.

Des NHRPH wil de volgende bemerkingen formuleren met betrekking tot de vragen die aan de Raad zijn voorgelegd:

Wat de link betreft tussen het ontwerp van richtlijn en het UNCRPD – plaats van het ontwerp binnen het Europees instrument in zijn totaliteit

  • België, 27 Europese Lidstaten en de Europese Unie zelf hebben het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap goedgekeurd (enkel Ierland keurde het Verdrag niet goed). Hierdoor hebben zij zich allen ertoe geëngageerd hun regelgevingen, beleidsmaatregelen en praktijken in overeenstemming te brengen met dit supranationaal instrument. Zowel de redactie als de uitvoering van de richtlijn moeten dus op alle punten de inhoud en de draagwijdte van dit Verdrag in acht nemen. Het VN-Verdrag moet als referentiekader dienen om de formulering (en later de uitvoering) van de richtlijn te beoordelen, in die zin dat zij moet bijdragen tot een hogere graad van zelfstandigheid en participatie voor personen met een handicap.

  • Tevens zal de richtlijn het werkprogramma van de Commissie en de lidstaten concreter helpen maken voor de komende jaren. Ter herinnering: De Europese Commissie zet zich in voor gelijke kansen voor mensen met een beperking, geheel conform het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Dit omvat ook de toegankelijkheid van de fysieke omgeving, het vervoer, informatie- en communicatietechnologie en -systemen (ICT) en andere faciliteiten en diensten. (COM(2014) 910 eindversie, “Het werkprogramma van de Commissie voor 2015 – Een nieuwe start,” beschikbaar op de volgende pagina http://ec.europa.eu/atwork/pdf/cwp_2015_nl.pdf)

  • De bepalingen inzake ‘handicap’ in het huidige voorstel vormen een belangrijke hoeksteen voor inclusie en de uitvoering van de strategie 2010-2020. In die zin moet het minstens ondersteuning bieden aan de lopende sectorale projecten (met name het voorstel van richtlijn “toegankelijkheid van overheidswebsites”, “media- en audiovisuele diensten” en “toegankelijkheid van producten en diensten”)   maar zich ook profileren als krachtige tool, een vehikel van duidelijke en pertinente bepalingen en van goede praktijken voor alle actoren. Zo kan het voorstel inclusie een boost geven.

  • Het Comité van VN-experten heeft in zijn verslag het volgende aanbevolen: the European Union adopt its proposed horizontal Equal Treatment Directive extending protection from discrimination to persons with disabilities, including by the provision of reasonable accommodation, to all areas of competence. Furthermore, the Committee recommends that the European Union ensure discrimination in all aspects based on disability is prohibited, including multiple and intersectional discrimination ( recommandation 19 - http://daccess-ods.un.org/TMP/197009.071707726.html)

 

Wat betreft de begrippen toegankelijkheid en redelijke aanpassing; impact van het culturele of historische karakter op de toegankelijkheid;

De NHRPH gaat uit van het volgende:

  • Toegankelijkheid van allen voor allen is een niet-onderhandelbare doelstelling; toegankelijkheid is de voorwaarde bij uitstek voor een proces richting meer zelfstandigheid en participatie voor personen met een handicap aan het economische, sociale, culturele en politieke leven. In juridisch opzicht genieten personen met een handicap alle mensenrechten; een handicapsituatie is geen reden voor genotsonbekwaamheid; de lidstaten zijn dan ook verantwoordelijk voor de uitvoering van al deze rechten voor iedere burger, en moeten de nodige aanpassingen uitvoeren om de uitoefening van deze rechten effectief mogelijk te maken.
  • Toegankelijkheid mag niet afhankelijk worden gemaakt van de economische of budgettaire context. Een goed doordachte en degelijk ontworpen toegankelijkheid brengt bovendien geen meerkosten met zich mee. Overigens waarborgt toegankelijkheid een vlot en comfortabel gebruik voor de hele bevolking.
  • Het absolute argument over de conservering van historisch of cultureel erfgoed houdt geen stand tegen dat van de toegankelijkheid voor iedereen. Er bestaan technologische en technische middelen om het cultureel en historisch patrimonium dichter bij personen met een handicap te brengen (maquettes, reconstructies, gedeeltelijke toegankelijkheid, filmvoorstellingen enz.).
  • Personen met een handicap en de verenigingen die hen vertegenwoordigen moeten regelmatig en structureel betrokken worden bij aanpassings- en vernieuwingswerken aan gebouwen en bij historische projecten, en dit van bij het begin van het denk- en ontwerpproces.
  • Het begrip ‘universeel ontwerp’ (in de zin van het VN-Verdrag, art. 2: ontwerpen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat een aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is. ’’Universeel ontwerp’’ omvat tevens ondersteunende middelen voor specifieke groepen van personen met een handicap, indien die nodig zijn.) moet het belangrijkste criterium zijn om toegankelijkheid te creëren.
    Volgens de definitie van het Center for Universal Design van de North Carolina State University https://www.ncsu.edu/ncsu/design/cud/about_ud/udnonenglishprinciples.html, omvat “universeel ontwerp” 7 principes:
    1. Gelijkheid van gebruik
    2. Flexibiliteit van gebruik
    3. Een eenvoudig en intuïtief gebruik
    4. Duidelijke informatie
    5. Tolerantie voor fouten
    6. Minimale lichamelijke inspanning
    7. Juiste dimensies en vrije ruimte voor benadering en gebruik

  • Het zou goed zijn mocht in de richtlijn naar deze 7 principes verwezen worden.
  • Redelijke aanpassingen vormen een tussenstap; ze zijn noodzakelijk zolang toegankelijkheid in de vorm van universeel ontwerp niet gerealiseerd is. Redelijke aanpassingen zijn ook nodig wanneer ze slechts betrekking hebben op één of enkele personen met een handicap. Zij vormen immers geen voordeel of gunst, maar een recht: net als andere burgers wensen personen met een handicap in eerste instantie volledig zelfstandig te leven. Redelijke aanpassingen kunnen dan ook niet als iets facultatiefs worden gezien.
  • Een interessante en concrete werkwijze voor alle economische actoren kan het gebruik zijn van terugkerende indicatoren om de pertinentie van redelijke aanpassingen  aan de toegankelijkheid van een product of dienst te beoordelen.

    Zo moet een aanpassing:
    1. doeltreffend zijn, in die zin dat de persoon met een handicap daadwerkelijk moet kunnen participeren;
    2. de persoon met een handicap in staat stellen te participeren op voet van gelijkheid met de rest van de bevolking;
    3. ervoor zorgen dat de persoon met een handicap zelfstandig kan participeren; is assistentie nodig, dan moet deze beschikbaar zijn;
    4. de veiligheid van de persoon met een handicap waarborgen.                                                   

  • De redelijkheid van een “aanpassing” kan met name worden beoordeeld in het licht van de volgende indicatoren:
    1. de financiële weerslag van de “aanpassing”, rekening houdend met :
      1. eventuele financiële tussenkomsten;
      2. de financiële mogelijkheden van actoren die aan een aanpassingsverplichting onderworpen zijn;
    2.  de organisatorische weerslag van de “aanpassing” kan worden beoordeeld in het licht van:
      1. de verwachte frequentie en duur van het gebruik van de “aanpassing” door personen met een handicap;
      2. de gevolgen van de “aanpassing” op het leven van een of meerdere effectieve of potentiële gebruikers met een handicap;
      3. de impact van de “aanpassing” op de omgeving en op de andere gebruikers;
      4. het gebrek aan gelijkwaardige alternatieven;
      5. de afwezigheid van voor de hand liggende of bindende wettelijke normen

Wat de planning van de realisatie van de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving betreft :

De NHRPH acht een toegankelijke dienst gehuisvest in een ontoegankelijk gebouw niet echt nuttig. De planning van transformaties van gebouwen moet telkens aanleiding geven tot een verbetering van de toegankelijkheid.

Bezorgd

  • Ter opvolging aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan de Eerste Minister;
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan de Minister van Buitenlandse Zaken;
  • Ter info aan UNIA, Interfederaal Gelijkekansencentrum.
  • Raadplegingen: 1

Advies 2016/03 - Wetsontwerp overheidsopdrachten

  • Jaartal advies: 2016

Advies nr. 2016/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsontwerp inzake overheidsopdrachten (doc. 54 1541/001), ingediend tijdens de plenaire vergadering van 15/02/2016.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De Europese Unie heeft in 2014 het plaatsen van overheidsopdrachten gereglementeerd. De federale regering belast met de nationale omzetting heeft op 4 januari laatstleden een wetsontwerp tot vervanging van de bestaande wet van 15 juni 2006 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten bij de Kamer ingediend.


Analyse

Het wetsontwerp heeft in het bijzonder tot doel de Europese richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten uit te voeren. (Volledige tekst kan worden geraadpleegd op http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32014L0024&from=NL)

De nationale omzetting wordt door Europa gevraagd tegen uiterlijk 18 april 2016. Het wetsontwerp wordt thans onderzocht door de Kamer. Een amendement werd door volksvertegenwoordigers Dispa en Fonck ingediend (Volledige tekst van het amendement   http://www.lachambre.be/FLWB/PDF/54/1541/54K1541002.pdf).

Wat betreft de richtlijn

Toepassingsgebied:

De richtlijn betreft het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen of diensten, met inbegrip van de sociale en gezondheidsvoorzieningen. Meer concreet heeft zij betrekking op de diensten van algemeen economisch belang (DAEB) (de concurrentie reglementeren: telecom, transport, energie…>< NEDAB justitie, sociale zekerheid, politie), verzorging, sanitaire, sociale, educatieve, culturele voorzieningen, en bijstand aan personen, voor zover de opdracht € 750.000 overschrijdt (excl. BTW).       
De richtlijn voorziet ook in eenvoudigere regels dan vroeger, bijvoorbeeld in het kader van de bekendmaking van de adviezen of ook wanneer de “economisch voordeligste offerte” in aanmerking moet worden genomen. Zij bepaalt ten slotte strikte criteria inzake kwaliteit, continuïteit, toegankelijkheid, beschikbaarheid van de voorzieningen, het bevredigen van de specifieke behoeften van de verschillende gebruikerscategorieën, met inbegrip die van kansarme en kwetsbare groepen, innovatie, betrokkenheid en deelname van de gebruikers.

Doelstellingen

  • De aanbestedende overheden de mogelijkheid geven milieu- en maatschappelijke doelstellingen te bereiken
  • De organisaties van het maatschappelijk middenveld, de sociale-economiebedrijven en de KMO’s de mogelijkheid geven gemakkelijker in te gaan op offerteaanvragen
  • Het evalueren van de offertes op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding aanmoedigen, in het bijzonder wanneer het gaat om sociale en gezondheidsvoorzieningen.

Verplichte maatregel = de sociale clausule

De lidstaten moeten zich ervan vergewissen dat de ondernemers de communautaire wetgeving, het nationaal recht, de collectieve en internationale overeenkomsten naleven op milieu-, sociaal en arbeidsvlak.

Facultatieve maatregelen =

De lidstaten kunnen maatregelen voorzien voor het

  • Ontwikkelen van het criterium van de beste prijs-kwaliteitsverhouding
  • Voorbehouden van de opdrachten aan de “sociale” ondernemingen die personen met een handicap en kansarmen tewerkstellen
  • Voorbehouden van bepaalde offerteaanvragen aan de “sociale werkplaatsen” (nota: in dit advies wordt de terminologie “sociale werkplaatsen” gebruikt in plaats van “ondernemingen voor aangepast werk”, wanneer rechtstreeks wordt verwezen naar het wetsontwerp, omdat het gaat om de terminologie die zowel in het wetsontwerp als in de Europese richtlijn wordt gebruikt) en aan de marktspelers wier voornaamste doelstelling de inschakeling van personen met een handicap en kansarmen in het arbeidsproces is.
  • Uitvoeren van een procedure van afzonderlijke percelen
  • Vastleggen van een technisch criterium van “ontwerp voor iedereen”
  • Verduidelijken van de volgende criteria:
    • gunningscriterium: specifiek productieproces, evenwichtige personeelssamenstelling, langdurige werkloosheid aanpakken … maar zonder de voorkeur te geven aan een leverancier
    • criterium voor het uitvoeren van de opdracht: quotum van vrouwen of van personen met een handicap

Wat betreft het wetsontwerp

Het heeft als hoofdlijnen:

  • Titel 1 omvat de inleidende bepaling, de definities en de algemene beginselen;
  • Titel 2 omvat de regels inzake de overheidsopdrachten in de klassieke sectoren.
    • Hoofdstuk 1 van deze titel bevat het toepassingsgebied.
    • Hoofdstuk 2 handelt over de plaatsingsprocedures.
    • Hoofdstuk 3 heeft betrekking op de technieken en instrumenten voor elektronische en samengestelde opdrachten.
    • In hoofdstuk 4 wordt het verloop van de procedure behandeld.
    • Hoofdstuk 5 omvat de regels inzake de uitvoering van de opdracht.
    • Hoofdstuk 6 handelt over de sociale en andere specifieke diensten en hoofdstuk 7 is gewijd aan de overheidsopdrachten van beperkte waarde.
  • Titel 3 is van toepassing op de overheidsopdrachten in de speciale sectoren.
  • Titel 4 houdt de regels in inzake het “Bestuur”.
  • Titel 5 omvat de diverse bepalingen.

Meer in het bijzonder wijst de NHRPH op artikel 15:

“Een aanbesteder kan, overeenkomstig de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de toegang tot de plaatsingsprocedure voorbehouden aan sociale werkplaatsen en aan ondernemers die de maatschappelijke en professionele integratie van gehandicapten of kansarmen tot doel hebben, of de uitvoering van deze opdrachten voorbehouden in het kader van programma’s voor beschermde arbeid, mits ten minste dertig procent van de werknemers van deze werkplaatsen, ondernemingen of programma’s gehandicapte of kansarme werknemers zijn.

In de aankondiging van een opdracht of, bij ontstentenis daarvan, een ander opdrachtdocument, wordt het in het eerste lid bedoelde voorbehoud vermeld met verwijzing naar onderhavig artikel.

De aanbesteder kan verwijzen naar een werkplaats, een ondernemer of een programma dat overeenstemt met de in een decreet of ordonnantie gebruikte terminologie en vastgelegde voorwaarden.

Echter moet hij werkplaatsen, ondernemers en programma’s aanvaarden die beantwoorden aan gelijkwaardige voorwaarden.”


Advies

Zowel de richtlijn als het wetsontwerp zijn van hoog technisch gehalte, daar zij een gespecialiseerd en technisch domein, dat buiten de algemene bevoegdheid van de NHRPH valt, uitwerken.

Deze reglementering zal rechtstreeks 9000 werknemers met een handicap in de Brusselse en Waalse bedrijven voor aangepast werk (BAW's) betreffen en zeker evenveel in de sociale werkplaatsen in Vlaanderen (nota: de vergelijking met Vlaanderen is delicaat, aangezien het beschikbare cijfermateriaal de “werknemers met een arbeidshandicap” dekt, een concept dat sociologisch gezien veel ruimer is dan de persoon met een handicap, erkend door de DG Personen met een handicap, het AVIQ (voormalig AWIPH) of de dienst Phare; redelijkerwijs, gelet op de bevolking, kunnen wij uitgaan van ten minste hetzelfde aantal betrokken personen).

De NHRPH zou het gewaardeerd hebben betrokken te zijn geweest bij het denkwerk over de uitvoering van de richtlijn, temeer daar de Europese Unie de lidstaten heel wat ruimte liet wat betreft de uitvoering van de sociale clausules in de overheidsopdrachten.

De NHRPH herinnert aan de draagwijdte van artikel 4.3 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap dat bekrachtigd werd door België in 2009, evenals aan de verbintenis die de huidige regering is aangegaan tijdens de Ministerraad van 27 maart 2015 om de NHRPH te betrekken bij het denkwerk en de besluitvorming.

De NHRPH heeft beide teksten onderzocht om ervoor te zorgen dat de nieuwe nationale wet, zoals letterlijk in de richtlijn wordt vermeld, het volgende zal kunnen doen: het de organisaties van het maatschappelijk middenveld, de sociale inschakelingsondernemingen (…) mogelijk te maken gemakkelijker op offerteaanvragen te antwoorden.

Thans is het regelgevingskader “overheidsopdrachten” veeleisend en leidt het financiële gedeelte ervan de facto tot het uitsluiten van de BAW’s uit het kader van de overheidsopdrachten in een zeer groot aantal situaties. Deze situatie is te meer onbillijk, daar de producten en de dienstverlening die thans door de BAW’s worden aangeboden, volkomen voorzien in de economische behoeften en kwalitatief erkend worden door de traditionele ondernemers.

Om de situatie en de verwachtingen samen te vatten, verwijst de NHRPH naar het memorandum van de EWETA in het kader van de verkiezingen van 2014 (Volledige tekst op http://www.eweta.be/fr/memorandum-regional-de-l-eweta-elections-2014.html?cmp_id=7&news_id=14), waarin het volgende werd benadrukt:

“De BAW’s willen hun rol kunnen opnemen in het plaatsen van de overheidsopdrachten, rekening houdend met hun vakkundigheid, hun kwaliteitsvolle dienstverlening. Voor deze erkenning moeten ze ook toegang kunnen hebben tot de overheidsopdrachten, wat een win-win situatie voor alle partijen oplevert.

Wij verzoeken de overheidsdiensten, bij het plaatsen van de overheidsopdrachten, de BAW’s niet te vergeten in het verloop van de procedure.

Onze aanbevelingen:

- het voorbehouden van de offertes voor overheidsopdrachten voor de BAW’s;

- het opnemen van de BAW’s in de shortlists voor de opdrachten met onderhandelingsprocedure (< 85 000 euro);

- het toedelen van omvangrijkere opdrachten, zodat ze toegankelijker worden voor de BAW’s;

- het voorbehouden van een gedeelte van de uitvoering van de opdracht aan personen met een handicap.”

Het wetsontwerp benut de kans niet om van de sector van de sociale economie en van de BAW’s een echte economische partner te maken. Door het herwerken van bepaalde artikelen zou de wetgever van deze wet een echt hulpmiddel voor economische dynamiek kunnen maken, zowel voor de KMO’s, de BAW’s als voor de bedrijven van de sociale economie.

De NHRPH wijst op de volgende wenselijke verbeteringspunten:

  • Hoewel artikelen 7 en 65 milieu-, sociale en arbeidsdoelstellingen tot transversale principes verheffen, is het verwonderlijk tegelijkertijd te lezen dat het niet-naleven van deze transversale clausule “indien nodig zal worden bestraft. Het signaal moet duidelijk zijn – dat is trouwens de bedoeling van de richtlijn – op zijn minst wanneer het gaat om geplaatste opdrachten in sociale aangelegenheden, bijstand aan personen en op het gebied van gezondheid en milieu.
  • Hoewel artikel 15 de aanbesteder toelaat bepaalde opdrachten aan sociale ondernemingen en BAW’s voor te behouden, laat dit artikel de aanbestedende overheid totaal vrij te beslissen om bepaalde opdrachten voor te behouden, zonder verplichting erop toe te zien dat bijvoorbeeld een minimumaantal opdrachten jaarlijks wordt toegekend of dat tevens bepaalde voorkeursdomeinen nadrukkelijk worden bevoordeeld. Dit wetsontwerp had de gelegenheid moeten zijn om ook de verschillende “facultatieve maatregelen” die bij de richtlijn worden toegestaan uit te voeren, onder andere met het oog op een betere sociale insluiting (zie lijst met facultatieve maatregelen hierboven in het punt “analyse”).
  • Artikel 54 van het ontwerp voegt de erkenning van de milieu-, sociale en andere keurmerken in. Dat is een goede zaak, maar het moet worden aangestipt dat thans geen enkele labeling “toegankelijkheid” kan worden opgelegd op federaal of regionaal niveau.
  • Artikel 57 bepaalt de verplichting om de overheidsopdrachten in percelen te verdelen; het is een goede zaak om de toegang voor KMO’s te bevorderen, maar ook voor ondernemingen van sociale economie en BAW’s. Het is nodig dit duidelijk aspect van de toekomstige wet ter kennis te brengen van alle sectoren van de economie.
  • Artikelen 80 en 81 van het ontwerp voorzien, naast het prijscriterium, in andere eerder kwalitatieve aspecten die kunnen dienen voor de gunning: het zijn namelijk de criteria van toegankelijkheid en van universeel design. Voor de maximale bevordering van deze milieu- en sociale criteria is het belangrijk dat bij de traditionele evaluatie van “beste prijs-kwaliteitsverhouding” het criterium van de “prijs” nooit meer doorslaggevend zou zijn, op zijn minst voor de opdrachten geplaatst in het kader van de sociale en gezondheidssectoren, bijstand aan personen.
  • Een beroep doen op onderaanneming wanneer de opdracht niet toegankelijk of het volume te groot is.
  • Indien het onmogelijk is voor een onderneming personen met een handicap aan te werven, dan erin voorzien dat de BAW een oplossing zou kunnen zijn.
  • Indien de opdracht (of een gedeelte) wordt toegewezen aan een gewone privéonderneming die personen met een handicap tewerkstelt, dit aspect benutten in de vorm van toegekende punten.

Conclusie: de NHRPH wenst dat de bespreking in de Kamer de gelegenheid zou zijn om de toegang tot overheidsopdrachten door de BAW’s concreet en echt uit te breiden en dat de amendementen daartoe worden aangebracht in het ingediende ontwerp.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de Eerste Minister
  • Ter info aan mevrouw Elke Sleurs, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter info aan de voorzitters van de politieke fracties van de Kamer
  • Ter info aan UNIA
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 7

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.