Terug naar hoofdinhoud

Advies 2021/09 - Plan voor Herstel en Veerkracht

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2021/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV), uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 15/03/2021.

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Het PHV is een geheel van strategische investeringen en structurele hervormingen waarmee zowel de gevolgen van de COVID-19-crisis als de uitdagingen van de toekomst moeten worden aangepakt. De financiering wordt gewaarborgd door de Europese fondsen. Het PHV zal op 30 april 2021 bij de Europese Commissie worden ingediend.

2. ANALYSE

Kader

Het regeerakkoord voorziet in het opstellen van een herstel- en investeringsplan, in overleg met de gewesten, gemeenschappen en lokale overheden. De regering wil met dit plan de ernstige gevolgen van de COVID-19-crisis voor onze economie inperken, maar wil tegelijk inspelen op een aantal structurele uitdagingen waarmee ons land te kampen heeft. Hiertoe behoren met name de overgang naar een koolstofarme en digitale economie, de verslechtering van onze infrastructuur of de vertraging van de productiviteitsgroei. Het herstel- en investeringsplan zou een meezuigeffect moeten creëren voor de economie als geheel en de in ons land gecreëerde toegevoegde waarde aanzienlijk moeten verhogen.

Van de financiële instrumenten die op Europees niveau worden ingezet om de lidstaten te ondersteunen bij hun relance-inspanningen, is de Faciliteit voor Herstel en Veerkracht (FHV) het belangrijkste instrument voor bedragen die door België kunnen worden aangesproken. Om van deze Europese financiering gebruik te kunnen maken, moet België de Europese Commissie echter een uniek Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV) voorleggen dat wordt gecoördineerd door het federale niveau, waarin de investeringsprojecten op alle beleidsniveaus en waarvoor om een financiële steun wordt gevraagd, in detail worden beschreven.

Daarom keurt de Ministerraad de opbouw van het Plan voor Herstel en Veerkracht goed. Het bestaat uit drie grote onderdelen: de herstelmaatregelen, de strategische investeringen en de structurele hervormingen. Alleen de laatste twee onderdelen worden gedekt door het PHV dat op 30 april 2021 moet worden overhandigd aan de Europese Commissie.

De Ministerraad keurt voorts ook de methodologie van de werkzaamheden goed. De staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen zal als technisch aanspreekpunt met de Europese Commissie worden aangewezen in het kader van de opmaak van het PHV.

(…)

De opbouw zal gebaseerd worden op een methodologie op vier niveaus:

  • vijf thematische werkgroepen
  • drie functionele werkgroepen
  • een redactie-eenheid
  • een politiek begeleidingscomité

(Persbericht van de Ministerraad van 30 oktober 2020).

Tijdschema

Het Overlegcomité van 23 november 2020 heeft de opbouw, de methodologie en de procedures voor het opstellen van het PHV goedgekeurd. Op basis hiervan werd een oproep tot het indienen van bijdragen (investeringsprojecten en hervormingsvoorstellen) aan alle regeringen van het land gedaan. De door hen ingediende fiches werden besproken tijdens 20 werkvergaderingen in november en december 2020. Rekening houdend met deze uitwisselingen werd een eerste document met de strategische oriëntaties van het PHV opgesteld en op 12 januari 2021 bij de Europese Commissie ingediend. Parallel hiermee zijn de verschillende regeringen het eens geraakt over een onderlinge verdeling van de aan België toegewezen subsidie-enveloppe in het kader van de Faciliteit voor Herstel en Veerkracht. Elke regering werd vervolgens verzocht een eerste voorlopige prioritering van haar projecten uit te voeren, tot een bedrag van 130% van het bedrag van de enveloppe die haar was toegewezen. De criteria voor deze eerste prioriteringsoefening waren onder meer de coherentie van de projecten met de specifieke EU-aanbevelingen voor België in 2019 en 2020, met het Nationaal Plan Energie-Klimaat, de Europese verplichtingen (“groene” en “digitale” doelstellingen) en met het algemene voorschrift van coherentie van het plan.

Na een eerste prioriteringsfase met een projectenlijst tot een bedrag van 130% van de beschikbare enveloppe volgde een overzichtsdocument met de hervormingsmaatregelen die in het kader van het PHV worden overwogen. Deze twee lijsten vormden de basis voor de technische dialoog met de Europese Commissie en de belanghebbenden (zoals de sociale partners en het bredere maatschappelijk middenveld op federaal en regionaal niveau). Per brief van 3 november 2020 heeft de NHRPH het kabinet-Dermine verzocht om als maatschappelijk middenveld bij de denkoefening te worden betrokken. De NHRPH heeft op 9 november een ontwijkend antwoord ontvangen, waarin stond dat een ontmoeting niet opportuun was.

Tijdens de maand februari 2021 hebben interfederale overlegvergaderingen plaatsgehad om de coherentie van het geheel van het Plan te waarborgen. Ook de dialoog met de Europese Commissie en de andere belanghebbenden werd opgevoerd. Deze dialoog moest het mogelijk maken de lijst met projecten te verfijnen, zodat een plan kan worden opgesteld waarvan de totale geraamde kosten in de buurt liggen van de maximale subsidie-enveloppe die in het kader van de Faciliteit voor Herstel en Veerkracht aan België is toegewezen.

De tweede prioriteringsfase is thans aan de gang: verschillende deskundigen werden belast met het beoordelen van de impact van het plan. Daarna zal het plan verder worden uitgewerkt en verfijnd, in dialoog met de Europese Commissie en de belanghebbenden. Er is voorzien dat België zijn definitieve Plan op 30 april 2021 bij de Europese Commissie zal indienen.

De NHRPH heeft op 9 december 2020 alle federale ministers aangeschreven om hun fiches te bekomen. Minister Lalieux was de enige die haar fiches heeft doorgestuurd.

Begin februari mocht de NHRPH deelnemen aan de analysewerkzaamheden inzake de impact van de WG Sociale deskundigen. Daartoe heeft het secretariaat van de NHRPH op 8 februari toegang gehad tot de fiches, mits naleving van de strikte vertrouwelijkheid en het absolute verbod op verspreiding.

Tijdens de plenaire vergadering van 22 februari heeft het Kabinet Dermine het algemene kader van het plan, de blauwdruk tegen 130% en de 5 nagestreefde prioriteiten, voorgesteld:

  1. de overgang naar een koolstofarme, duurzame economie versnellen
  2. de digitale overgang voorbereiden
  3. een vlotter en groener vervoersnetwerk ontwikkelen
  4. een inclusiever groeimodel waarborgen en het sociaal en gezondheidsstelsel versterken
  5. de economie stimuleren door de werking van de arbeidsmarkt en het innovatievermogen te versterken.

Per mail van 2 maart heeft het Kabinet Lalieux het secretariaat gemachtigd de fiches naar de leden van de plenaire vergadering te versturen in het kader van dit advies, maar steeds onder het zegel der vertrouwelijkheid. Rekening houdend met het bevoegdheidsgebied van de NHRPH heeft het secretariaat enkel de fiches van de federale kabinetten bezorgd aan zijn leden.

Analyse van de federale fiches vanuit het oogpunt van hun impact op personen met een handicap (PMH) en hun gezinnen

Project 1.05: renovatie van federale gebouwen

De Brusselse Beurs (met het toekomstige biermuseum), het Justitiepaleis van Brussel en een aantal gebouwen van de Regie der Gebouwen (musea) zullen ingrijpende dak- en metselwerkzaamheden, enz. ondergaan, met het oog op de energiezuinigheidsnormen.

→ Bij deze renovaties wordt nooit rekening gehouden met het aspect ‘toegankelijkheid voor personen met een handicap (PMH)’, terwijl het toch gaat om emblematische en/of cultureel relevante gebouwen met een zekere toeristische aantrekkingskracht. Vanzelfsprekend zal een eventuele latere inhaalbeweging duurder en minder efficiënt zijn.

Project 1.14: energietechnologieën op grote schaal

→ geen positieve impact voor PMH

Project 2.23: Cyberveiligheid

→ geen positieve impact voor PMH

Project 2.25: digitalisering van de overheid

De projecten zijn gebaseerd op de digitalisering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) en de andere diensten van openbare instellingen voor sociale zekerheid (OISZ), en de verbetering van de dienstverlening aan de burgers en de ondernemingen door het ontwikkelen van nieuwe platformen.

Het is de bedoeling de voornaamste stakeholders (werkgevers, werknemers, dienstverleners) en gebruikers (via enquêtes) erbij te betrekken om de projectoriëntaties te valideren en de werkelijke behoeften en de meest kritieke punten die moeten worden aangepast zo snel mogelijk te bevestigen. De bekomen prototypes zullen voortdurend met de stakeholders worden gevalideerd voor een efficiënte werking.

→ In de lijst van de stakeholders staan geen vertegenwoordigers van gebruikers vermeld. Enquêtes volstaan niet voor een weloverwogen en volledige verwerking van de behoeften. Het is van essentieel belang dat het digitaliseringsproces van meet af aan alle toegankelijkheidsaspecten m.b.t. de site, het platform en de functionaliteiten integreert. Op die manier zullen personen met een handicap hun dossier zo autonoom mogelijk kunnen aanvullen, aanpassen en opvolgen. De NHRPH vraagt om deel uit te maken van de stuurgroep en de opeenvolgende fasen van de projecten te kunnen opvolgen.

Project 2.26: de digitaliseringsprogramma’s zijn van toepassing op verschillende diensten waaronder:

  • De FOD Justitie. De doelstelling van het project is de effectiviteit en de efficiëntie van de dienstverlening van de overheid aan haar burgers versterken. De digitale transformatie van justitie streeft naar het principe dat de interactie met de rechtszoekende "digital by default" is, maar moet ook de toegankelijkheid voor de digitaal minder onderlegde rechtszoekende garanderen, en dit door justitie uit te rusten met de nodige infrastructuur om de rechtzoekende te begeleiden naar en in het digitale gerechtsdossier.

→ De NHRPH vraagt betrokken te worden bij de concrete uitwerking van de programma’s, zodat hij duidelijke en volledige informatie kan bieden die overeenkomt met de verwachtingen en mogelijkheden van PMH. Voor het overige moet de digitalisering gepaard gaan met alternatieven die zijn aangepast aan de behoeften van iedere justitiabele en die geen extra kosten meebrengen.

  • De FOD Werkgelegenheid - project "Duurzaam werk": Tijdens een systeemcrisis met veelvuldige gevolgen, zoals de COVID-19-crisis, is het noodzakelijk de terugkeer naar het werk volledig te waarborgen (ziekte voorkomen, opleiding verzekeren, …). Om de burgers deze mogelijkheden te garanderen, zal het project volgende twee delen behelzen:
    • Het creëren van een individuele opleidingsrekening en het uitwerken van een uniform en gecentraliseerd repertorium van de professionele risicofactoren voor alle Belgische werknemers (diploma's, certificaten, gevolgde opleidingen en formele validatie van verworven competenties), de opleidingsrechten van de betrokkene, en een opleidingskrediet. Ieder moet op één website alle opgebouwde rechten kunnen consulteren en het volledige opleidingsaanbod kunnen consulteren. Bijzondere aandacht gaat naar de begeleiding van bepaalde groepen waarvan we weten dat ze minder deelnemen aan opleidingen (bijv. laaggeschoolden, migranten).
    • De ontwikkeling van een gecentraliseerd repertorium met duidelijke, registreerbare, meetbare, objectiveerbare en controleerbare criteria.

→ De NHRPH vraagt om op zijn minst betrokken te worden bij de fasen “identificatie van situaties en uitwerken van het platform”.

Project 3.39: – inrichting Schumanplein – transformatie van het Schumanplein in een gezellige, intermodale ruimte, enz. Het project wil een voorbeeldfunctie vervullen op het gebied van toegankelijkheid voor iedereen en van duurzaamheid in de ruimste zin van het woord, zodat het een duurzame openbare ruimte van goede kwaliteit wordt.

→ De NHRPH benadrukt dit emblematisch project en de zorg die moet worden besteed aan de toegankelijkheid voor iedereen. Wat zijn de toegankelijkheidscomponenten van dit project? Zal CAWAB / een technisch toegankelijkheidsbureau betrokken worden bij het ontwerp en de opvolging van deze plannen?

Projecten 3.45 en 3.46 en 3.51: Plan Boost Spoor

De doelstellingen van het Plan Boost voor het Spoor zijn het snel verbeteren van de aantrekkelijkheid van het aanbod van het spoorvervoer door de veiligheid, de betrouwbaarheid, de stiptheid en de toegankelijkheid van het systeem te verbeteren.

Op langere termijn hebben Infrabel en de NMBS de gezamenlijke doelstelling om tegen 2030 een netwerk van minstens 250 toegankelijke stations uit te bouwen waar 85-90% van de reizigers gebruik van kan maken.

→ De NHRPH herinnert aan zijn zeer sterke betrokkenheid bij dit dossier, waarin klimatologische en sociale bekommernissen tot uiting komen. Er is aandacht voor de uitdaging van toegankelijkheid voor PMH.

Project 3.50: de installatie van openbare en particuliere laadpalen voor elektrische wagens met financiële tussenkomst voor de particulieren

→ De NHRPH benadrukt hoe dit a priori aantrekkelijke project de kloof tussen financieel kwetsbare gebruikers waarvan PMH deel uitmaken vergroot. Een elektrische wagen is heel wat duurder in aankoop dan een traditionele wagen: dit is voor een zeer grote meerderheid financieel ontoegankelijk. Een financiële stimulans voor een laadpaal is dus totaal irrelevant. Een stimulans voor de aankoop van het voertuig voor kwetsbare personen was verstandiger geweest, aangezien deze personen meestal met oude en meer vervuilende voertuigen rijden.

Project 4.64: digitale inclusie

Deze fiche bestaat uit 3 subprojecten die tot doel hebben de ongelijkheden weg te werken die nog steeds bestaan in de Belgische samenleving, door maatregelen in te voeren voor kwetsbare doelgroepen, namelijk slachtoffers van de digitale kloof, gevangenen en vrouwen op de arbeidsmarkt.

  1. Ongelijkheden bij de toegang tot digitale technologieën. Hoewel de Belgen in grote mate met het internet zijn verbonden (90%), zijn er grote verschillen naargelang het inkomen: 29% van de gezinnen met een laag inkomen heeft thuis geen internetverbinding, tegenover 1% van de gezinnen met een hoog inkomen.
  2. Ongelijkheden op het gebied van de digitale vaardigheden. 40% van de Belgische bevolking loopt het risico van digitale uitsluiting: 32% heeft slechts geringe vaardigheden en 8% gebruikt geen internet. Hoe lager het inkomen en hoe lager het opleidingsniveau, hoe minder men over digitale vaardigheden beschikt (75%).
  3. Ongelijkheden in verband met het gebruik van essentiële diensten. 85% van de Belgen tussen 16 en 74 jaar maakt dagelijks gebruik van het internet, en met name van online diensten. 57% van de laaggeschoolde internetgebruikers en 56% van de personen met een laag inkomen maakten geen gebruik van internet om documenten naar de overheid te sturen, hoewel zij daartoe wel verplicht waren. Er zal rekening worden gehouden met de lessen die uit de COVID-19-crisis kunnen worden getrokken met betrekking tot de digitale kloof.

Het project beoogt de oprichting van een projectincubator met een fonds dat specifiek bestemd is voor de ontwikkeling van lokale projecten die gericht zijn op het verkleinen van de digitale kloof in België.

→ De NHRPH is verheugd vast te stellen dat PMH tot de doelgroepen behoren en dat hij zelf een van de belanghebbenden is die erbij zullen worden betrokken.

Project 4.70: ontwikkeling van eGezondheid

Het doel van dit project is een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verhoging van de kwaliteit, snelheid en flexibiliteit van de gezondheidszorg dankzij de digitalisering van gezondheidsprocessen en door het stimuleren van innovatieve digitale systemen en het waarborgen van de capaciteit en beschikbaarheid van de gegevens.

→ De NHRPH vraagt bij dit project betrokken te worden, vanaf de eerste fasen van de ontwikkeling ervan.

Project 4.73: onderzoek op het gebied van nucleaire geneeskunde

→ geen positieve impact voor PMH

Project 5.76: ontwikkelen van nieuwe technologieën voor het recycleren van radioactief afval, het douanewezen en ook de luchtvaartkunde.

→ geen positieve impact voor PMH

Project 5.81: wijken van de toekomst – ontwikkeling van militaire hulpposten in alle provincies van het land

→ geen positieve impact voor PMH

Project 5.88: circulaire economie

→ De NHRPH benadrukt het verband met bepaalde activiteitensectoren van de ondernemingen voor aangepast werk. Hij vraagt daartoe te kunnen deelnemen aan de denkoefening en aan de ontwikkeling van dit project.

3. ADVIES

Over de vorm,

De NHRPH werd te laat geraadpleegd, aangezien de oriëntaties van het plan waren vastgelegd en over de inhoud van de projecten was beslist. Raken aan bepaalde projecten zou een domino-effect hebben gehad op het hele plan, zowel wat de prioriteiten als wat de financiering ervan betreft. De termijn van 30 april liet dit niet toe.

De NHRPH herinnert eraan dat België in 2009 het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft bekrachtigd. Artikel 4.3 bepaalt het volgende:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

De NHRPH vraagt de regering nogmaals het door België ondertekende Verdrag, dat België bindt in zijn politieke besluitvorming, na te leven.

Over de inhoud:

Ter herinnering, de NHRPH heeft enkel de federale strategische investeringsfiches geanalyseerd; het is aan elke regering om de respectieve adviesraad te raadplegen (hetgeen niet lijkt te zijn gebeurd op grond van de contacten die de NHRPH heeft met zijn tegenhangers in de deelgebieden).

De NHRPH heeft geen toegang gehad tot de structurele hervormingsfiches en kan derhalve geen advies uitbrengen over dit tweede deel van het PHV. De NHRPH werpt dan ook de vraag op van de economische situatie na COVID-19: de steun die nodig was, heeft een tekort doen ontstaan (nu al geraamd op 4 miljard). Een herziening van het begrotingstraject ligt zeker op de tafel van de regering. De NHRPH zou graag de tendensen op sociaal vlak kennen.

De prioriteiten van het PHV in het vooruitzicht van de behoeften van het terrein

De prioriteiten zijn relevant, maar de uitvoering ervan is teleurstellend. De fiches zijn los van elkaar opgesteld zonder geïntegreerd te zijn. De NHRPH had graag een coherent PHV gelezen, na rijp beraad genomen op basis van de belangrijke en dringende klimatologische en sociale prioriteiten. De NHRPH heeft de uitsluiting en de armoede waarvan PMH het slachtoffer zijn altijd al aan de kaak gesteld. Ter gelegenheid van de algemene beleidsverklaring heeft de NHRPH aangedrongen op zijn hooggespannen verwachtingen (advies-2020-21). Sinds het begin van de gezondheidscrisis heeft de NHRPH (advies 2020-09) het vergrotende effect van de crisis op een hele reeks behoeften die al vóór de crisis bestonden benadrukt.

De NHRPH hoopte dat het PHV een antwoord zou bieden op deze tekortkomingen inzake rechten en erkenning. Dat is niet het geval: het biedt geen antwoord op de huidige sociale uitdagingen en, erger nog, het zal de huidige kloof nog doen toenemen. Het PHV is immers globaal niet inclusief. De projecten die dichter bij de burger staan, zijn voor PMH technisch (renovatie van openbare gebouwen alleen op het vlak van energie en zonder een luik toegankelijkheid) of financieel (oplaadpalen voor elektrische voertuigen) niet toegankelijk.

De NHRPH benadrukt twee overwegingen die in project 4.64 zijn opgenomen:

De digitale kloof komt vooral voor bij kwetsbare groepen (senioren, vrouwen, personen met een handicap, gevangenen).
* De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt: de tewerkstellingsgraad van vrouwen (66,5 %) in 2019 was lager dan die van mannen (74,5 %) en er waren minder zelfstandig werkzame vrouwen (35 %) dan mannen (65 %). Daarnaast heeft de crisis voornamelijk sectoren getroffen waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn, waardoor bestaande ongelijkheden zijn verergerd en de vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid is teruggedraaid, hetgeen ook een rem zet op de groei.

De NHRPH is het volledig eens met deze vaststellingen, maar is tegelijkertijd verbijsterd over het gevolg dat eraan wordt gegeven: het PHV geeft een overweldigende prioriteit aan de digitalisering van hele gebieden van ons sociaal en economisch functioneren, zonder alternatieven te voorzien voor diegenen die niet in staat zullen zijn om zich te vormen of er toegang toe te krijgen! Zelfs op sociaal gebied en in de gezondheidszorg neemt de digitalisering het hele spectrum in beslag, en dat terwijl de crisis net de enorme tekortkomingen aan het licht heeft gebracht op het gebied van de toegang tot de zorg en de continuïteit ervan! Digitalisering als enige antwoord is een klap in het gezicht van alle mensen uit de medische sector die al jaren en vooral de laatste maanden onder extreme druk werken. Dat geldt ook voor de PMH en hun gezin die nog steeds in situaties van overlockdown en uitsluiting leven, omdat het zorgaanbod niet groot en divers genoeg is. De NHRPH vreest dat een dergelijke aanpak de sociale kloof nog zal doen groeien.

In geen enkele fiche wordt specifiek tegemoetgekomen aan de behoeften van personen met een handicap (PMH) en hun gezin. Er zijn enorm veel analytische verslagen over de COVID-tekortkomingen en de sociale behoeften na COVID-19. In het PHV zouden deze analyses moeten worden geïntegreerd. 

In het algemeen lijken de projecten PMH te vergeten (slechts twee fiches vermelden PMH) en missen ze de sociale doelstelling van het Plan en de inclusieve wil waarvan de regering-De Croo blijk heeft gegeven. Het is helemaal niet duidelijk in welke mate PMH baat zullen hebben. Een analyse van de sociale impact ontbreekt volledig. Ook een verduidelijking vooraf die een transversale benadering van alle projecten garandeert ontbreekt. Er wordt geen enkele transversale budgetlijn “toegankelijkheid, participatie, inclusie PMH” vermeld.

Inclusie had een criterium moeten zijn bij het opstellen en selecteren van de projecten.

Wat betreft de conformiteit met de Europese vereisten:

De NHRPH herinnert eraan dat de Europese Commissie in haar evaluatieverslag over België in het kader van het Europees semester het volgende opmerkt:

  • De inactiviteitsgraad behoort tot de hoogste in de Europese Unie en in vergelijking met andere landen lopen personen met een handicap meer risico op armoede of sociale uitsluiting (p.5).

  • Personen met een handicap worden geconfronteerd met aanzienlijke moeilijkheden op het vlak van toegang tot de gezondheidszorg (p.8).

  • De inactiviteitsgraad behoort tot de hoogste in de EU en een toenemend deel van de inactieven is ziek of heeft een handicap. In 2017 bedroeg de inactiviteitsgraad (25-64 jaar) 23,4 %, wat ruim boven het EU-gemiddeld is (20,4 %). Hoewel de inactiviteitsgraad in de loop der tijd stabiel is gebleven, zijn de redenen voor inactiviteit aanzienlijk veranderd. De inactieve bevolking tussen 25 en 64 jaar die ziek of invalide was, nam toe van 16% in 2007 tot 30% in 2017 (p. 36-37).

  • Mensen met een handicap staan voor bijzonder grote uitdagingen op het vlak van armoede, onderwijsniveau en tewerkstelling. De tewerkstellingsgraad voor mensen met een handicap is veel lager dan het EU-gemiddelde (40,5 % tegenover 48,1 %). De overgang van de traditionele benadering van sociale bijstand aan personen met een handicap naar een op rechten gebaseerde benadering (waarbij personen met een handicap worden beschouwd als actieve burgers die toegang tot alle gemeenschapsdiensten nodig hebben) verloopt traag. Aangezien veel verschillende domeinen (werk, onderwijs, diensten, sociale uitkeringen, enz.) moeten worden aangepakt, maakt het ontbreken van een desinstititutionaliseringsstrategie in overleg tussen het federale en het deelstaatniveau (in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) het moeilijker om de situatie aan te pakken (p.49).

  • Er moet ook fors worden geïnvesteerd in sociale inclusie, met name om te zorgen voor gelijke en inclusieve toegang tot diensten (met inbegrip van gezondheidszorg en langdurige zorg), volledige deelname van personen met een handicap aan de samenleving (p.49).

Op 5 juni 2019 heeft de Europese Raad België een reeks aanbevelingen over zijn nationale hervormingsprogramma voor 2020 gegeven:

  1. …;

  2. De hindernissen om te werken wegnemen en de doeltreffendheid van een actief arbeidsmarktbeleid versterken, met name voor laagopgeleiden, oudere werknemers en mensen met een migrantenachtergrond. De prestaties en de inclusiviteit van de onderwijs- en opleidingssystemen verbeteren en de vaardighedenmismatches aanpakken;

  3. Het investeringsgerelateerde economische beleid toespitsen op duurzaam vervoer, met inbegrip van verbetering van de spoorweginfrastructuur, decarbonisatie en energietransitie en onderzoek en innovatie, met name op het gebied van digitalisering, rekening houdend met regionale verschillen; de groeiende mobiliteitsuitdagingen aanpakken door de prikkels te versterken en belemmeringen weg te nemen om vraag naar en aanbod van collectief vervoer en vervoer met een lage emissies te vergroten;

De NHRPH herinnert ook aan het VERSLAG over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een faciliteit voor herstel en veerkracht (europa.eu) https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/A-9-2020-0214_NL.html.

Dit document bevat vier tekstvoorstellen die ingaan op de noodzaak om herstelfondsen te investeren in de inclusie van PMH, om de beginselen van non-discriminatie te respecteren en om het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap na te leven.

(13 bis) Het toepassingsgebied van de faciliteit moet beleidsgebieden bestrijken die samenhangen met de economische, sociale en territoriale cohesie, de groene en de digitale transitie, gezondheid, concurrentievermogen, ondernemerschap, veerkracht, productiviteit, de stabiliteit van de financiële stelsels, cultuur, onderwijs en vaardigheden, kinder- en jeugdbeleid, onderzoek en innovatie, slimme, duurzame en inclusieve groei, volksgezondheidsstelsels, evenals beleid in overeenstemming met de EPSR dat bijdraagt tot de verwezenlijking van de beginselen daarvan, zoals sociale bescherming, hoogwaardige banen en investeringen, gendergelijkheid en de integratie van personen met een handicap, sociale dialoog ter versterking van democratische stelsels, met inbegrip van een doeltreffende en onafhankelijke rechterlijke macht, alsook mediapluralisme en persvrijheid.

 d) maatregelen voor sociale inclusie, het versterken van de socialezekerheids-, socialewelvaarts- en socialebeschermingsstelsels, sociale dialoog, het ontwikkelen van sociale infrastructuur, hoogwaardige banen, de integratie van mensen met een handicap, gendergelijkheid, het aanpakken van armoede en ongelijkheid, de gendersalariskloof, passende verlof- en flexibele arbeidsregelingen, en het vergroten van de arbeidsparticipatie van vrouwen, waaronder middels het waarborgen van gelijke kansen en loopbaanontwikkeling;

2. De lidstaten en de Commissie nemen passende stappen en maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen bij de voorbereiding en uitvoering van de programma’s voor herstel en veerkracht van de lidstaten.

(8 bis) Horizontale beginselen als vastgesteld in de artikelen 8, 10 en 11 van het Verdrag en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten worden geëerbiedigd, net als de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

Met al deze verslagen en aanbevelingen heeft de federale regering duidelijk evenmin rekening gehouden.

Als conclusie,

De NHRPH had meer projecten verwacht die tegemoetkomen aan de bezorgdheid in verband met de uitsluiting van PMH, met inbegrip van die welke tijdens de gezondheidscrisis aan het licht zijn gekomen. Elk project zou de behoeften van PMH moeten integreren. De Regering-De Croo heeft zich ertoe verbonden te werken aan een meer inclusieve samenleving. De digitalisering, die wordt verkocht als een motor voor het herstel, zal de personen die ver van alles verwijderd zijn en bijzondere behoeften hebben niet kunnen bereiken en zal de samenleving mogelijk nog meer duaal maken.

Concreet beschouwd verwachtte de NHRPH federale prioriteiten en fiches in de volgende domeinen:

Domeinen

Concrete verwachtingen van de NHRPH

   

Toegankelijke omgeving

Alle openbare en privéruimten en gebouwen van openbaar belang en de daar geboden goederen en diensten toegankelijk maken + ICT. De renovatie van gebouwen moet worden gekoppeld aan de toegankelijkheid ervan, anders zullen personen met een handicap nooit toegang hebben tot de baten van de Green Deal.

  • Bij renovatiewerken voor energiezuinigheid moet het gebouw ook toegankelijk worden gemaakt (laat niet de keuze aan de aannemer / eigenaar): de lastenboeken moeten duidelijk en bindend zijn; het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften moet een voorwaarde zijn voor de toekenning van subsidies.
  • Idem voor de investeringen die zullen worden gedaan op het vlak van artificiële intelligentie: er moet ALTIJD worden voorzien in toegankelijkheidsmodules voor ALLE PMH. Opgelet: de digitale kloof is niet volledig te dichten: sommige personen zullen nooit toegang hebben tot ICT  (personen die al hebben afgehaakt, zullen door deze evolutie steeds verder afglijden) > zorgen voor alternatieven.
  • De European Accessibility Act (EAA) moet een hefboom zijn en het PHV moet ondernemers steunen die toegankelijke producten en diensten zullen ontwikkelen
   

Toegang tot vervoer

Heel wat personen met een handicap hebben geen wagen en zijn volledig afhankelijk van het openbaar vervoer.

  • Het vervoersnetwerk (en de multimodale punten), dat groener en vlotter moet worden, moet ook volledig toegankelijk zijn.
   

Geneeskundige verzorging en begeleiding van personen en gezinnen

 

De burgers verwachten een actievere begeleiding bij het op elkaar afstemmen van werk en privéleven. Tijdens COVID-19 bleek dat gezinnen met een familielid met een handicap op verschillende manieren aan uitsluiting werden blootgesteld: geen toegang tot diensten, geen specifieke hulp, hyperlockdown.

Ook het beleid inzake de zorg binnen en buiten de ziekenhuizen moet worden herzien: er moeten nieuwe beroepen worden gecreëerd en aan de verwachtingen van de gezinnen (respijtzorgdiensten namelijk)  moet worden voldaan, zodat zij zelf de band met de samenleving kunnen behouden (werk, opleiding, enz.).

De kwestie van de zorg moet worden gekoppeld aan die van de levenskwaliteit van chronisch zieken, personen met een handicap, ouderen, enz.: de kwestie van de woonplaats(en) (en werkplaats, opleiding, …) wanneer iemand zijn autonomie verliest, is brandend actueel; in het plan mag deze nood niet worden genegeerd.

Het is noodzakelijk om

  • te strijden tegen de non take-up; ter info, het aantal aanvragen van de DG Personen met een handicap is tijdens de lockdown sterk gedaald
  • alle gemeenschapsdiensten toegankelijk maken – tegelijkertijd de vergrijzing opvangen en toegankelijkheid eisen: als mensen thuis kunnen blijven leven is dat veel goedkoper voor de gemeenschap dan een plaats in een collectieve structuur
  • uitbreiding van het aantal revalidatiecentra
  • uitbreiden van respijtzorgdiensten en ondersteuning voor gezinnen om hen in staat te stellen hun beroepsleven voort te zetten (inclusieve crèches en bereikbaar onderwijs) EN de hulpverleners in het algemeen te ondersteunen (mentale gezondheid) - heel wat moeders van kinderen met een handicap  stoppen met werken wegens het gebrek aan thuiszorgdiensten en ondersteunende diensten in de buurt: zeer weinig inclusieve crèches en gespecialiseerd onderwijs soms ver weg.
  • Creëren van nieuwe ondersteunende beroepen die tegemoetkomen aan de behoeften van gezinnen
  • Ondersteunen van mantelzorgers door middel van concrete rechten 
   

Werk

België is het slechtste land van de EU op het vlak van tewerkstelling van PMH. De arbeidsmarkt sluit een aantal kandidaat-werknemers uit.

> De arbeidsmarkt naar de personen met een handicap doen komen

  • Toegankelijkheid werkplekken
  • Hulp bij tewerkstelling
  • Sociale verantwoordelijkheid van de werkgever
   

Onderzoek

Er zijn geen onderzoeksprojecten om de toegankelijkheid te verbeteren; het EAA is een hefboom die ook moet worden gefinancierd om onderzoek te bevorderen dat de toegankelijkheid van goederen en diensten bevordert.

   

Andere goederen en diensten

Tijdens de CoVID-19-crisis is de digitalisering in een stroomversnelling geraakt (onlinediensten, elektronische betalingen, …): er is geen weg terug. PMH werden daarbij totaal vergeten! Er moeten alternatieven worden voorzien.


Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat :

→ toegankelijkheid de participatie en de inclusie van iedereen bevordert.
→ de toegankelijkheid een positieve invloed heeft op de consumptie.
→ de toegankelijkheid een enorme economische markt is.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Thomas Dermine, Staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan de federale regering
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

 

  • Raadplegingen: 17

Advies 2021/08 - Verlenging van de COVID-premie

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap


Advies nr. 2021/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de verlenging van de “COVID-premie”, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 22/02/2021.

Advies op verzoek van de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN).

1. ONDERWERP

Een voorontwerp van wet verlengt de periode waarin de tijdelijke premie kan worden toegekend aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen.

2. ANALYSE

Het voorontwerp van wet verlengt de periode waarin, aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen, de tijdelijke premie toegekend kan worden, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID−19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen.

Deze maandelijkse premie van 50 euro zal worden toegekend tot en met juni 2021.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 bepaalde het volgende:

een tijdelijke premie wordt met ingang vanaf 1 juli 2020 gedurende zes opeenvolgende maanden toegekend aan de gerechtigde op:

  1. een gewaarborgd inkomen voor bejaarden bedoeld in de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
  2. een inkomensgarantie voor ouderen bedoeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
  3. een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  4. een leefloon krachtens artikel 14, §1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  5. een financiële hulpverlening krachtens artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en waarvan deze steun terugbetaald is door de Staat krachtens artikel 1 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven.

Het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 werd goedgekeurd door de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen tot toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus (II).

De memorie van toelichting van het voorontwerp van wet bepaalt het volgende:

Deze tijdelijke premie werd voorzien om de negatieve gevolgen en bijkomende kosten op te vangen die de COVID-19-pandemie voor deze kwetsbare categorieën veroorzaakt en werd oorspronkelijk toegekend van juli 2020 tot en met december 2020.

Er is echter gebleken dat deze kwetsbare categorieën nog steeds extra ondersteuning nodig hadden, gelet op de heropleving van de epidemie en de strengere maatregelen genomen door de overheid. Daarom werd, krachtens artikel 21 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, de toekenning van de premie verlengd tot en met maart 2021.

De regering heeft, in het kader van de verlenging van het breed sociaaleconomisch steunpakket dat zij op 12 februari 2021 heeft voorgesteld, besloten om de periode voor de toekenning van deze maatregel aan de meest kwetsbare personen opnieuw te verlengen, ditmaal tot en met juni 2021.”

3. ADVIES

Globaal genomen brengt de NHRPH een gunstig advies uit over de verlenging van de maatregel. De NHRPH herinnert er evenwel aan dat deze maatregel onvoldoende is.

In zijn advies 2020/24 betoogde de NHRPH dat het met het bedrag van de maandelijkse premie absoluut niet mogelijk is de extra kosten voor de nieuwe leefsituatie van personen met een handicap en hun gezin te dekken.

De extra kosten als gevolg van de gezondheidscrisis zijn immers zeer hoog voor personen met een handicap. Deze lange en pijnlijk crisis heeft de gebruikelijke uitsluiting, waarvan personen met een handicap de grootste slachtoffers zijn, nog verergerd. De NHRPH verzoekt de Regering de lijst met voorbeelden van extra kosten vermeld in advies 2020/24 te herlezen.

In datzelfde advies wees de NHRPH op het feit dat heel wat personen werden vergeten. De NHRPH zou het logisch hebben gevonden dat de maatregel wordt uitgebreid naar andere categorieën van personen die ook op zijn minst een deel van de extra kosten ondervinden.

  • De “onregelmatige werknemers” met een handicap ontvangen het bedrag van het leefloon als arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar werden vergeten bij de maatregel van 50 euro.
  • Wie voor 01/03/2020 ziek werd, had ook hogere kosten door de COVID-situatie. Wie daarentegen na 01/03/2020 ziek werd, krijgt een hogere uitkering (geplafonneerd basisloon + 10%). Wie vóór 01/03/2020 ziek werd, kreeg bovendien ook de premie van 50 € niet.

De econoom Philippe Defeyt wees ook op deze anomalie. Volgens hem stelt deze premie op zich voor niemand een probleem. Maar wanneer het leefloon structureel wordt verhoogd, worden gewoonlijk alle andere minimumuitkeringen (de vervangingsinkomens van de sociale zekerheid) en ook de werkloosheidsuitkeringenverhoogd, opdat de socialezekerheidsuitkeringen steeds hoger zouden blijven dan de sociale bijstandsuitkering. In dit geval heeft men de andere mechanismen voor sociale bescherming echter niet aangepast (zie de website van de RTBF).

Algemeen gesproken sluit de NHRPH zich aan bij het voorstel van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN) om een snelle uitbreiding met terugwerkende kracht van de maatregel voor financiële steun in het kader van COVID-19 “12 x 50” te vragen voor volledig werklozen, voor personen in ziekte-invaliditeit, voor rechthebbenden op een inschakelings- of beschermingsuitkering, en voor gepensioneerden met een klein inkomen die geen recht hebben op de IGO.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman

 

  • Raadplegingen: 8

Advies 2021/07 - Telewerk voor federale ambtenaren met een handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling

Advies nr. 2021/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de invoering van een maatregel voor de aanpassing van de thuiswerkposten van de federale ambtenaren met een handicap.

Advies uitgebracht op vraag van mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, in haar brief van 4/02/2021.

Advies uitgebracht op 11/02/2021 na raadpleging van de NHRPH-leden per e-mail van 11/02/2021 wegens de door het kabinet van Minister Petra De Sutter aangehaalde hoogdringendheid.

1. ONDERWERP

De Minister van Ambtenarenzaken overweegt een maatregel in te voeren om het telewerk voor federale ambtenaren met een handicap te ondersteunen.

2. ANALYSE

In een brief van 4 februari 2021 heeft de Minister van Ambtenarenzaken de NHRPH gevraagd een dringend advies uit te brengen over een maatregel ter ondersteuning van het telewerk voor federale personeelsleden met een handicap. Ingevolge een eerste raadpleging per e-mail hebben de leden van de NHRPH beslist dat het niet mogelijk was een advies uit te brengen, gelet op de beperkte informatie die was verstrekt, en hebben zij een aantal vragen gesteld. Een brief met deze vragen werd dus verstuurd op 9 februari 2021 naar de Minister van Ambtenarenzaken. Op 10 februari heeft zij elementen van antwoord op de verschillende vragen verstrekt en heeft zij het secretariaat van de NHRPH ook de ontwerpnota aan de Ministerraad bezorgd. Het advies van de NHRPH werd vervolgens gevraagd tegen uiterlijk 22 februari 2021. Op 10 februari 2021 ’s avonds blijkt het dossier op de agenda van de Ministerraad van 12 februari te staan en dat het advies wordt verwacht uiterlijk op 11 februari ’s avonds.

De ontwerpnota aan de Ministerraad bevat de volgende elementen:

Door de Kern van 10/12/2020 werd er in het kader van de Task Force “kwetsbare groepen” een budget van € 500.000 goedgekeurd om te investeren in de aanpassingen aan de thuiswerkposten voor personen met een handicap. Gelet op de intentie van de regering om volop in te zetten op telewerk voor alle personeelsleden zijn aanpassingen aan de werkplek voor personen met een handicap namelijk noodzakelijk.

Deze maatregel is erop gericht om als federale overheid financieel tussen te komen in de aankoop van materiaal en apparatuur om de thuiswerksituatie van personen met een handicap aan te passen aan de arbeidsbeperking van de persoon. Op deze manier kan de desbetreffende medewerker in optimale omstandigheden zijn of haar professionele taken thuis uitvoeren. De aanpassingen die de Minister met deze enveloppe wil financieren, moeten specifiek aan de handicap van de persoon gelinkt kunnen worden. Dit om te vermijden dat er een financiering zal komen van algemene ergonomische middelen of thuiswerkapparatuur.

Ter illustratie geeft de volgende tabel een indicatief, maar niet limitatief overzicht van de maatregelen die al dan niet in aanmerking kunnen komen voor deze maatregel.

Toestellen/apparatuur waarvoor tussenkomst mogelijk kan zijn in uitvoering van deze maatregel

Toestellen/apparatuur waarvoor geen tussenkomst gevraagd kan worden in uitvoering van deze maatregel

Hardware (bv. brailleleesregels)

Standaard pc-schermen

Software (bv. vergrotingssoftware voor slechtziende personeelsleden, ondertitelingsoftware voor dove of slechthorende personeelsleden)

Standaard meubilair

Ergonomisch meubilair en zitmeubilair (noodzakelijk in functie van de handicap)

Verbouwingen (bv. installatie van een lift)

PC-toebehoren met ergonomische opties (bv. schermen, muizen, toetsenbord)

Diensten (bv. schrijftolken of tolken gebarentaal)


Om te kunnen genieten van deze maatregel dient de persoon binnen zijn organisatie gekend en geregistreerd te zijn als een “persoon met een handicap” door te voldoen aan de definitie zoals deze is omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage. Eind 2019 bedroeg het aantal geregistreerde personen met een handicap binnen het federaal openbaar ambt 626 (Federale Politie buiten beschouwing gelaten). Dit impliceert bijgevolg ook dat enkel de organisaties die deel uitmaken van het federaal administratief openbaar ambt zoals vermeld in de wet van 22 juli 1993 binnen het toepassingsgebied van de maatregel vallen.

De FOD BOSA voorziet voor de toestellen en toepassingen waarvoor terugbetaling mogelijk een tussenkomst van 80% van de aankoopkost. De resterende 20% wordt gefinancierd door de organisatie waar het personeelslid is tewerkgesteld en die de aanvraag heeft ingediend.

Teneinde deze maatregel uit te voeren werd de opdracht gegeven aan de DG R&O om een behoeftebevraging te organiseren binnen de federale overheidsdiensten. Op basis van de resultaten van deze bevraging zullen de behoeften in kaart gebracht worden en de voorlopige verdeling per organisatie vastgesteld. Indien het vooropgestelde bedrag van € 500.000 niet zou volstaan, kan er geput worden uit het restbedrag van de overige € 154.000 van de provisie R&O. Hierbij zal erover gewaakt worden dat er voor de terugbetaling van de aanpassingen van de thuiswerkplek dezelfde terugbetalingsregeling geldt als voor de andere maatregelen en acties die ingediend worden in het kader van de verdeling van de € 154.000. Er zal steeds een tussenkomst zijn van de FOD BOSA ten bedrage van 80% van de uitgaven. Het restbedrag van 20% is ten laste van de organisatie die het dossier indient.

Het budget zal vervolgens in de loop van 2021 via meerdere verdelingsbesluiten overgemaakt worden aan de betrokken instanties. Dit zal gebeuren volgens onderstaand proces:

  • Na de behoeftebevraging stelt BOSA de regels op inzake noodzakelijke verantwoordingen tot toekenning van het bedrag;
  • De diensten passen die toe en verzekeren de controle van de aanvragen via hun diversiteitscellen;
  • De diensten betalen de goedgekeurde aanvragen uit;
  • De diensten sturen volgens een vaste periodiciteit de uitbetaalde bedragen door;
  • BOSA zal via verdelingsbesluit de middelen overmaken op de begroting van de betrokken dienst.

Op de verschillende aan de Minister gestelde vragen, werden de volgende antwoorden gegeven:

  • Het klopt dat sinds het begin van de pandemie de meeste federale ambtenaren telewerk verrichten. Vaak werden al inspanningen geleverd om de medewerkers een adequate uitrusting te geven. Doch niet elke medewerker met een handicap beschikt over de juiste werktools. Ook niet elke overheidsorganisatie had de middelen om deze te voorzien. Hierop wil de Minister een hand uitreiken naar de verschillende diensten en de medewerkers met een handicap om op die manier alsnog toe te laten deze personen uit te rusten met het nodige materiaal om in optimale omstandigheden te kunnen telewerken. De maatregel voorziet in de terugbetaling van de onkosten die sinds januari 2021 gebeurd zijn.
  • De regeling hanteert dezelfde werkwijze als de maatregel beschreven in het koninklijk besluit van 19 november 2008 houdende gedeeltelijke verdeling van het provisioneel krediet, ingeschreven in het programma 04-31-1 van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2008. Er wordt in deze een extra budget voorzien van € 500.000 teneinde tussen te komen in de terugbetaling van werkpostaanpassingen voor telewerk ten bedrage van 80%. De andere 20% is ten laste van de eigen overheidsorganisatie.
  • De terugbetaling heeft betrekking op de financiering van uitrusting en infrastructuur. Er wordt niet voorzien in de terugbetaling van diensten zoals het gebruik van een gebarentolk. Het staat de organisatoren van meetings vrij om deze kosten op zich te nemen.
  • Dit initiatief sluit aan bij bestaande regels inzake erkenning, verzorging en financiering van aanpassingen en kan dan ook gezien worden als aanvullend op de bestaande maatregelen. Elke FOD, POD, OISZ of ION kan van deze maatregel genieten. Er mag geen discriminatie optreden tussen medewerkers die tewerkgesteld zijn in verschillende overheidsdiensten.

3. ADVIES

De NHRPH betreurt de termijn die hem werd toegekend om zijn advies uit te brengen: minder dan 24 uur, dat is echt te kort. De NHRPH herinnert eraan dat hij zo vaak mogelijk de collegiale denkoefening en de uitwisselingen tussen al zijn leden enorm graag wil behouden: dat is de rijkdom van de bijzondere en globale kennis die aan de basis ligt van de kwaliteit van zijn adviezen. De NHRPH zou niet willen dat hij op een dag enkel nog pro forma wordt geraadpleegd.

Over het geheel genomen brengt de NHRPH een globaal positief advies uit over de maatregel.

De NHRPH merkt evenwel op dat deze financiering enkel de uitrustingen en de infrastructuren betreft. Hij betreurt deze beperking: bepaalde diensten zoals gebarentolk worden niet door de maatregel beoogd. De financiering zou tegemoet moeten kunnen komen aan alle behoeften voor redelijke aanpassingen. Het kan logisch lijken dat de voorziene tussenkomsten geen betrekking hebben op de pc’s. Voor de goede werking van bepaalde aangepaste toepassingen zijn evenwel soms krachtigere pc’s nodig. De NHRPH vraagt zich af of deze meerkosten ook ten laste zullen worden genomen.

De NHRPH betreurt het overigens dat ieder departement zelf kan oordelen over de opportuniteit van een dergelijke maatregel. De NHRPH vraagt dat deze diensten worden veralgemeend en dat de betrokken personen met een handicap er gemakkelijk toegang toe hebben, en dit zonder kosten voor hen.

De NHRPH zou ook willen dat het kader van de financiële tenlasteneming zeer duidelijk is: er wordt verduidelijkt dat de regels voor het ten laste nemen en voor de financiering de bestaande regels aanvullen. Wat is er bijvoorbeeld voorzien opdat eenzelfde aanpassing niet door twee instanties wordt betoelaagd? Hoe staat het overigens met personen die niet erkend zijn door een gewestelijke instelling of door de Directie-generaal Personen met een handicap en die een aanpassing vragen?

Ten slotte neemt de NHRPH de gelegenheid te baat om te vragen dat de Minister van Ambtenarenzaken maatregelen treft opdat iedere betrokken administratie personen met een handicap aanwerft om ten minste de vereiste 3 % te bereiken. Dat is op dit moment nog helemaal niet het geval.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Petra De Sutter, Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap, Armoedebestrijding en Beliris
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale ombudsman

  • Raadplegingen: 14

Advies 2021/06 - Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, uitgebracht op 25/01/2021 na raadpleging van de NHRPH-leden per e-mail van 22/01/2021 wegens de door de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken, gevraagde dringende behandeling.

Advies uitgebracht op verzoek van de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken, in zijn brief van 19/01/2021.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2016 tot regeling van de samenstelling, de werking en de zetel van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid beoogt meer bepaald het verlengen van de activiteiten van het Nationaal College met twee jaar.

2. ANALYSE

In december 2016 werd op initiatief van mevrouw Maggie De Block, de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid opgericht.

Met dit initiatief bevestigde de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid haar bereidwilligheid om arbeidsongeschikte personen te ondersteunen. Sinds een paar jaar geven steeds meer arbeidsongeschikt erkende personen immers aan actief te willen deelnemen aan de samenleving, maar volgens hun mogelijkheden. In dit kader moet iedereen zijn talenten op de arbeidsmarkt kunnen ontplooien. Deze mogelijkheid moet in gelijke mate worden aangeboden aan arbeidsongeschikte personen, omdat zij, ondanks hun beperkingen, nog veel resterende capaciteiten hebben, ook op beroepsvlak.

Wanneer zij niet meer in staat zijn bepaalde activiteiten uit te voeren, zijn nog heel wat andere taken toegankelijk voor hen. Een dergelijke inclusieve arbeidsmarkt is in België helaas nog lang geen realiteit.

In deze context heeft het College onder andere als taak gestandaardiseerde methoden voor de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid voor te stellen om de evaluaties op elkaar af te stemmen in de verschillende takken van de sociale zekerheid, namelijk de ziekteverzekering (RIZIV), de beroepsziekten (Fedris, ex-FBZ), de arbeidsongevallen (Fedris, ex-FAO), de werkloosheid (RVA), met inbegrip van de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid. Het gaat ook om het voorstellen van standaarden voor medische communicatie, met de instemming van de patiënt, tussen de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Daarnaast werd het College ook gevraagd de opleiding en de harmonisatie van het statuut van de artsen die betrokken zijn bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid te onderzoeken.

Alle instellingen, actoren op het gebied van arbeidsongeschiktheid en/of erkenning op federaal niveau, zijn lid van het College. Wetenschappelijke verenigingen van huisartsen, adviserend artsen, artsen-deskundigen en bedrijfsartsen maken ook deel ervan uit.

(Bron: website van de FOD Sociale Zekerheid)

Het ontwerp van KB dat aan de NHRPH wordt voorgelegd beoogt hoofdzakelijk het verlengen van het mandaat van de leden van het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, zodat zij de lopende werkzaamheden inzake re-integratie op het werk na een periode van arbeidsongeschiktheid kunnen voortzetten.

3. ADVIES

De NHRPH heeft geen bijzondere opmerkingen over het ontwerp van koninklijk besluit.

De NHRPH wil herinneren aan het belang van wedertewerkstelling van arbeidsongeschikte personen. Hij heeft trouwens verschillende adviezen hierover uitgebracht (advies 2018-29, advies 2016-12, advies 2015-32). Gezien de diversiteit van de wetgeving inzake de evaluatie van arbeidsongeschiktheid is het belangrijk over geharmoniseerde methoden voor deze evaluatie te beschikken.

De NHRPH wordt binnenkort hernieuwd. Hij zal zich de komende weken zeker opnieuw over de kwestie van ‘back-to-work’ in het algemeen buigen, en zal dan kennis nemen van het onlangs ingediende verslag over de evaluatie van de impact van de nieuwe reglementering op de re-integratie op het werk.

Tot slot vraagt de NHRPH zich af of het niet wenselijk zou zijn het Nationaal College voor socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid een permanent karakter te geven.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Ter informatie aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale Ombudsman

 

  • Raadplegingen: 10

Advies 2021/02 - Toegankelijkheid NMBS voor personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof


Advies nr. 2021/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van de NMBS voor personen met een handicap, besproken tijdens de plenaire zitting van 21/12/2020 en goedgekeurd na e-mail van 20/01/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH is al vele jaren een pleitbezorger voor een toegankelijker spoorverkeer in België voor personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit (PBM). Naar aanleiding van het bekendmaken van het Regeerakkoord van de regering-De Croo I en de Beleidsnota van de Minister van Mobiliteit, de heer Georges Gilkinet, publiceert de NHRPH een lijst met 10 prioriteiten voor de toegankelijkheid van het spoorverkeer voor personen met een handicap.

2. ANALYSE

De NHRPH brengt geregeld adviezen uit over NMBS-dossiers en onderhoudt al vele jaren een constructieve dialoog met de NMBS, o.a. via een gemeenschappelijke werkgroep. De NMBS vraagt de NHRPH ook geregeld om advies en nodigt de NHRPH en andere stakeholders uit voor demonstraties en projectwerkgroepen, ... Toch raadpleegt de NMBS de sector niet altijd en ook niet altijd op tijd. Denk maar aan het dossier M7 (zie advies 2019-15 en advies 2021-01).

Steun van het beleid is dan ook essentieel, zowel voor de NHRPH als voorde NMBS. De NHRPH merkt op dat er bij de huidige regering politieke wil lijkte te bestaan om op federaal vlak werk te maken van een toegankelijkere NMBS.

De regering-De Croo beschouwt de toegankelijkheid van het spoorverkeer als een van haar prioriteiten (zie ook advies 2020-21). In het Regeerakkoord 2020 staat te lezen:

Deze regering zal extra investeren in het spoor. De investeringen zullen zich toespitsen op:

  • Aankoop nieuw rollend materieel;
  • Modernisering, onderhoud, toegankelijkheid multimodaliteit van stations;
  • Toegankelijkheid treinen en perrons: we maken versneld werk van het verhogen van de perrons en korten de reservatietermijn voor assistentie in. Elk station met meer dan 5000 reizigers per dag is toegankelijk tegen 2024. Nieuwe treintoestellen die de NMBS aankoopt zullen toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Er komt een evaluatie van de huidige toegankelijkheid en op grond daarvan een actie- en stappenplan om de toegankelijkheid te verbeteren;

In de Beleidsnota van de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit, staat het volgende:

Tegelijkertijd zal bijzondere aandacht worden besteed aan de verbetering van de toegankelijkheid: multimodale toegankelijkheid van spoorwegstations (voor goederen en reizigers), universele toegankelijkheid, ongeacht gezondheidstoestand of mobiliteit, voor wat betreft de toegang tot diensten voor treinreizigers (nieuw rollend materieel met lage vloer, verhoging van de perrons, hellingen en liften, universele toegankelijkheid van de kaartverkoop en de informatie). De inspanningen op dit gebied zullen worden voortgezet en versneld in nauwe samenwerking met de NMBS.

In hetzelfde document kondigt de Minister aan dit te zullen vastleggen in het openbaredienstcontract met de NMBS:

In het beheerscontract tussen de Staat en de NMBS, dat voortaan op basis van Europees recht een openbaredienstcontract moet worden genoemd, zal het verwachte niveau van de dienstverlening aan de gebruikers worden vastgelegd, alsook het verwachte pad naar een prestatieverbetering voor de NMBS. De volgende aspecten zullen inter alia aan bod komen:

  • het niveau en de kwaliteit van de aangeboden spoordiensten (frequentie, amplitude, stiptheid, comfort);
  • de verwachtingen op het vlak van de toegankelijkheid,
  • het onthaal en de informatie aan de reizigers, ook wat betreft het onthaal van fietsers;
  • de modaliteiten met betrekking tot het sluiten van overeenkomsten en tot het commerciële initiatief wat betreft de tarieven, met bijzondere aandacht voor het behoud van de toegankelijkheid van de trein voor alle gezinnen, ongeacht hun inkomensniveau.

3. ADVIES

Toegankelijk treinverkeer is erg belangrijk voor personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit. Voor sommigen is het openbaar vervoer immers de enige mogelijke vervoerswijze.

Veel van de punten uit het Regeerakkoord van de Regering-De Croo I en de beleidsnota van de Minister van Mobiliteit staan al vele jaren op de prioriteitenlijst van de NHRPH. Hieronder een kernachtige oplijsting van de prioriteiten volgens de NHRPH, vaak vergezeld van een verwijzing naar relevante adviezen die de NHRPH de voorbije jaren publiceerde over die thema’s (zie lijst).

10 prioriteiten

1. Toegankelijke informatie voor reizigers

    • Online: website, apps, onlineverkoop
    • Toegankelijke formaten: toegankelijk voor mensen met een sensoriële handicap (blinde en slechtziende personen, dove en slechthorende personen, blinddove personen), FALC/eenvoudig taalgebruik, …
    • Actueel, in real time: niet alleen de dienstregeling, maar ook vertragingen, perronwijzigingen, …
    • Gedurende het hele traject, dus zowel online, in de stations, op de perrons als op de trein: meedelen van aankomst van de trein, haltes, onvoorziene stilstanden (sommige blinde mensen tellen de haltes en kunnen zo de tel kwijtraken), uitstapzijde (advies 2018-05), overstappen, plaats van het toegankelijke rijtuig in de samenstelling, …
    • Toegankelijke en uniforme signaletica en bewegwijzering, zoals een vermelding van het perronnummer in braille onderaan de trapleuning naar het perron (zie ook advies 2018-01)
    • Toegankelijke navigatiesystemen voor plaatsbepaling in stations en haltes ter ondersteuning van de oriëntatie
      • Met de nieuwe technologieën is zeer veel mogelijk: schermen met gebarentaal (VGT, LSFB, …), spraaktechnologie, …

2. Toegankelijke treinen

Treinen moeten voor iedereen autonoom toegankelijk zijn, ongeacht de handicap. Iedereen moet ook autonoom de trein kunnen nemen. Alle rijtuigen moeten autonoom toegankelijk zijn.

    • Hier verwijst de NHRPH naar het dossier M7: Enkel het ‘toegankelijke multifunctionele rijtuig’ (1 per samenstelling) zal autonoom toegankelijk zijn, en niet eens volledig. (Zie advies 2019-15 en 2021-01)

3. Toegankelijke stations en haltes

Stations moeten voor iedereen autonoom toegankelijk zijn/worden, ongeacht de handicap. Ook de loketten en het sanitair mogen hierbij niet worden vergeten. Daar moet een ambitieuze planning voor worden opgesteld en uitgevoerd.

De NMBS gebruikt hiervoor een interessant technisch handboek, Revalor, dat bovendien geregeld wordt geactualiseerd en aangevuld (zie advies 2017-09). Dat handboek houdt niet alleen rekening met de normen en reglementeringen, maar ook met uniformiteit.

4. Assistentie

Zelfs met goed toegankelijke treinen en stations/haltes zal assistentie voor sommige mensen nodig blijven.

    • Op maat van de persoon
    • Snel en efficiënt
    • Zonder reservatietermijnen (zie o.a. adviezen 2017-11, 2015-27)  
    • In alle haltes en stations (Voorbeeld Anderlecht: een gloednieuw toegankelijk station, maar geen assistentie…) (zie advies 2015-06)

 5. Toegankelijke ticketverkoop

Toegankelijke loketten, ticketautomaten en online (website, apps, …)

    • Zijn de verbeterde automaten nu volledig toegankelijk voor iedereen? Voorbeeld: het gebruik ervan is niet evident voor personen met een verstandelijke handicap (zie advies 2017-19)
    • Sinds enkele jaren komt er bij het kopen van een vervoerbewijs aan boord van de trein steeds een supplement bij: het zogenaamde boordtarief is duurder. Vooral personen die niet goed overweg kunnen met automaten en reservatie online (verstandelijke handicap, ouderen, ...) kunnen daar het slachtoffer van zijn (zie advies 2015-21)
    • De NHRPH verneemt dat de NMBS de papieren vervoersbewijzen in 2021 duurder maakt dan de digitale. Nochtans is de digitale kloof een realiteit voor veel personen met een handicap. Het is onaanvaardbaar dat deze kwetsbare groep meer moet betalen voor dezelfde reis omdat ze geen toegang tot het internet hebben. De NHRPH beschouwt dit als een discriminatie.

 6. Toegankelijke omgeving

Ook de omgeving rond het station moet toegankelijk zijn: veilige voetpaden, oversteekplaatsen, overstap naar andere vervoerswijzen, … met gids- of geleidelijnen, bewegwijzering, toegankelijke navigatiesystemen voor plaatsbepaling ter ondersteuning van de oriëntatie, …

Parkeerplaatsen voor personen met een handicap moeten voldoen aan de toegankelijkheidsvereisten.

    • Overleg met andere betrokken instanties en stakeholders is dus essentieel.

7. Intermodaliteit

Het treinverkeer moet harmonieus aansluiten op andere vervoerswijzen, zoals bus, tram, metro, taxi, eigen vervoer, …  Hier is overleg voor nodig met alle stakeholders. Beloftevolle projecten op dit vlak zijn de Gewestelijk Expresnetten (GEN), intermodale vervoersbenaderingen die dus verschillende vervoersmodi combineren: trein, tram, bus, metro, ... Er is een intermodaal voorstadsnet in ontwikkeling rond Brussel (GEN), maar ook rond Antwerpen, Gent, Luik en Charleroi (ANGELIC). Zo staat in het Regeerakkoord 2020 dat de investeringen zich o.a. zullen toespitsen op het “Uitbreiden capaciteit personenvervoer: GEN, ANGELIC, een verbetering van de verbindingen tussen de Brusselse stations, meer bijzonder de connectie Noord-Zuid, en van de grensoverschrijdende verbindingen.” In een interview met Le Soir van 11/01/2021 zegt Minister Gilkinet dat de politieke wil én de financiële middelen er zijn om dit project af te werken. De NHRPH verheugt er zich over en vraagt om bij elke fase rekening te houden met universele toegankelijkheid.

Opgelet! PBM hebben vaak meer tijd nodig om hun aansluitingen te halen, ook bij intermodaal reizen. De tijd voor de aansluitingen moet dus ruim genoeg zijn.

8. Sensibilisering en training van het personeel

Het personeel moet worden gesensibiliseerd voor de realiteit van de verschillende handicaps en worden getraind in correcte en respectvolle vormen van onthaal, omgang, begeleiding, …

9. Sensibilisering van de passagiers

Passagiers moet worden gesensibiliseerd voor de realiteit van de verschillende handicaps: noden en behoeften, gevaar van obstakels (bijv. niet opgeruimde bagage of plooifietsen die PBM, blinde personen en assistentiehonden hinderen), communicatiebehoeften (bijv. omroepen van boodschap in trein: niet toegankelijk voor dove personen; idem voor blinde personen bij enkel visuele boodschap), … De reizigers moeten worden geïnformeerd over nut en betekenis van de gids- en geleidelijnen voor blinde en slechtziende personen zodat ze deze vrijhouden.

10. Overleg met de handicapsector

Op federaal vlak is de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap het adviesorgaan wat handicap betreft. Regionaal zijn er de technische bureaus (CAWaB, Inter). Op het vlak van discriminatie wegens handicap is Unia het aanspreekpunt.

De NHRPH wenst te worden betrokken van bij de denkoefening en op de hoogte te worden gehouden van de vorderingen in de dossiers.

Overigens is de NHRPH ook bevoegd om advies te geven over andere kwesties inzake mobiliteit op federaal vlak. De NHRPH vraagt de Minister om ook bij andere dossiers het advies van de NHRPH te vragen.

De NHRPH verheugt zich erover dat de federale regering zich ambitieus toont op het vlak van de toegankelijkheid van het spoorverkeer en van treinen. De Minister van Mobiliteit zal deze ambities in overleg met de NMBS en de stakeholders moeten aansturen en opvolgen. De NHRPH zal niet nalaten om de Minister en de regering zo nodig te herinneren aan hun engagement.

Daarom is het ook belangrijk om dit engagement te verankeren in het openbaredienstcontract van de NMBS. En zoals de Minister van Mobiliteit terecht opmerkt in zijn beleidsnota:

“De laatste beheerscontracten werden in 2008 ondertekend voor een periode die aanvankelijk tot 2012 liep. Ze zijn systematisch uitgebreid en beperkt aangepast, zonder dat ze grondig werden herzien en aangepast aan de nieuwe uitdagingen.” Hier moet dus dringend werk van worden gemaakt. (Zie ook advies 2015-30)

De NHRPH vraagt dat toegankelijkheid in het openbaredienstcontract bij de prioriteiten wordt opgenomen, op hetzelfde niveau als stiptheid en veiligheid.

Overigens staat ook de rol van de NHRPH als NMBS-contact van de handicapsector op federaal niveau vermeld in het vorige beheerscontract.

De NMBS moet zich engageren voor al haar rollend materiaal, infrastructuur en dienstverlening. Hiervoor is het strikte en snelle stappenplan nodig waarvan sprake in de adviezen van de NHRPH (zie bijvoorbeeld advies 2019-15) en het regeerakkoord. Het gaat om een belangrijk engagement op het vlak van de maatschappij en het klimaat dat ook moet worden opgenomen in het Relanceplan van de Staatssecretaris voor Relance en Strategische investeringen.

De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de Minister en de NMBS om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Velen van hen zijn wegens hun handicap nog meer dan andere personen aangewezen op het openbaar vervoer. Universele toegankelijkheid is dus een must.

Tot slot nog dit: De EU heeft 2021 uitgeroepen tot “the Year of Rail”. Laten we Europa en onze buurlanden tonen dat België dat thema ernstig neemt!

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit (antwoord verwacht)
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo NMBS (idem)
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan de heer Thomas Dermine, Staatsecretaris voor Relance en Strategische Investeringen
  • Ter info aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister (zie advies 2020-21)
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 11

Advies 2021/01 - M7-rijtuigen NMBS

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2021/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de nieuwe M7-rijtuigen van de NMBS, besproken tijdens de plenaire zitting van 21/12/2020 en goedgekeurd na e-mail van 12/01/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NMBS is al meerdere jaren bezig met de vernieuwing van haar wagenpark. Ze heeft daarvoor een aantal bestellingen geplaatst voor dubbeldeksrijtuigen van het type M7. De eerste generatie (BDx – 63cm hoogte) rijdt al rond, de tweede is nog in uitvoering.

2. ANALYSE

A. Historiek

Eind 2014 werd de NHRPH uitgenodigd voor een demonstratie van de NMBS van BDx-dubbeldekkers, besteld bij Bombardier. De NHRPH was niet eerder geraadpleegd. Op dat moment was het dossier al te zeer ver gevorderd om nog relevante wijzigingen aan te brengen.

Aangezien er in België 3 verschillende perronhoogtes bestaan, was de instap in de nieuwe dubbelsdeksrijtuigen opgevat als compromishoogte (63cm). Dat had als gevolg dat de rijtuigen bij geen van de 3 perronhoogtes volledig toegankelijk waren wegens het hoogteverschil tussen deuren en perron.

Deze rijtuigen van de eerste generatie zijn nu al in gebruik. Aangezien rijtuigen gemakkelijk 30 jaar of meer in gebruik blijven, was daarmee ook volledige toegankelijkheid minstens 30 jaar uitgesteld. De NHRPH drong aan op een langetermijnplan voor toegankelijkheid en overleg met de sector van de personen met een handicap. De NHRPH heeft o.a. zijn ongenoegen geuit in een perscommuniqué van 22/12/2015, een perscommuniqué van 23/12/2019 en het advies 2019/15. De NMBS heeft ondertussen alvast beloofd te kiezen voor een unieke perronhoogte (76cm, overeenkomstig de Europese norm), wat het mogelijk maakt om rijtuigen ‘op maat’ te bestellen.

De NHRPH is het dossier blijven opvolgen, ook voor de volgende generatie van rijtuigen, en had ook meermaals contact met mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS. De laatste jaren lijkt de NMBS de handicapsector op een systematischere wijze te betrekken. Ook binnen zijn werkgroep met de NMBS blijft de NHRPH een constructieve dialoog onderhouden.

De NMBS besloot voor de lopende bestelling te onderzoeken of de toegankelijkheid van het ontwerp nog kon worden verbeterd. Op donderdag 6 augustus 2020 waren de NHRPH, Unia en CAWaB uitgenodigd bij Bombardier in Brugge om feedback te geven op een (gedeeltelijke) maquette op ware grootte (maar zonder inrichting) voor de onderste etage van het aangepaste toegankelijke rijtuig in een M7-samenstelling. Enkele personen met een handicap, waaronder iemand met een visuele handicap en enkele rolstoelgebruikers, betraden de maquette en deelden hun ervaring met de aanwezigen.

Hoewel de NHRPH deze werkwijze waardeerde, stelden de omstandigheden (COVID-19) en de timing de NHRPH voor een probleem. In juli-augustus heeft de NHRPH geen plenaire vergaderingen, wat intern overleg bemoeilijkt. Bovendien vroeg de NMBS de deelnemers om de vertrouwelijkheid van het project te bewaren tot de NMBS de plannen van het M7-model definitief en officieel had goedgekeurd. Dat had tot gevolg dat de NHRPH de leden en experts van de NHRPH die geen deel uitmaakten van de delegatie te Brugge niet kon informeren of raadplegen.

Op dinsdag 25 augustus 2020 was er een virtuele opvolgings- en evaluatievergadering met de NMBS, de NHRPH, Unia en CAWaB. Tijdens dat overleg heeft de NMBS uitgelegd welk gevolg ze wou geven aan de opmerkingen.

B. Evaluatie

De aanwezige vertegenwoordigers van de NHRPH, Unia en CAWaB hadden bij het bezoek aan de maquette een aantal tekortkomingen vastgesteld op het vlak van toegankelijkheid. De NHRPH deelde zijn bevindingen met mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS.

In haar antwoord (brief van 20/10/2020) deelde mevrouw Sophie Dutordoir het volgende mee:

De M7-treinsamenstellingen zullen steeds 2 wagons met multifunctionele ruimte hebben, een BD (76cm) en een BDx (63cm, met stuurpost).

 Volgende wijzigingen die naar aanleiding van het bezoek aan de maquette werden gevraagd werden aanvaard door de NMBS:

  • Verbreding van de compartimentdeur van de multifunctionele ruimte (van 82cm naar 85cm);
  • Extra knop om de deur te openen (kant compartiment);
  • Overstaande handgrepen/steunen bij het bovenste deel van de helling in de multifunctionele ruimte;
  • Handgreep aan de kant van het platform voor bijkomende steun bij het instappen;
  • Extra knop om de deur te openen voor de buitendeur, toegankelijk vanaf het horizontale deel van het platform;
  • Verlaging van de drempel (6mm) van het platform naar het perron;

 De NMBS achtte de volgende gevraagde wijzigingen niet mogelijk voor dit model:

  • Het volledig wegwerken van de drempel
  • Het wegwerken of substantieel verminderen van de zware helling in de multifunctionele ruimte.

 Dat laatste punt is jammer, want de zware helling was het grootste probleem. Het beklimmen van de tweeledige helling in het rijtuig om de onderste etage van het toegankelijke rijtuig te bereiken vroeg behoorlijk wat kracht en energie. Voor de doorsnee rolstoelgebruiker met niet-gemotoriseerde rolstoel is het niet mogelijk om de helling zonder hulp op te rijden. Assistentie zal in deze opstelling voor veel mensen noodzakelijk blijven. Dat betekent dat de persoon niet enkel op het perron, maar ook IN de trein assistentie nodig zal hebben, zeker om de trein te (kunnen) verlaten!

Verder was het niet mogelijk om de inrichting te evalueren, aangezien die nog niet aanwezig was in de maquette. De NHRPH hoopt dat de NMBS nog een bezoek aan een ingerichte maquette organiseert, want de inrichting is essentieel voor de autonome toegankelijkheid van een trein. Daarbij gaat het niet alleen over fysieke toegankelijkheid voor rolstoelen, maar ook over o.a. een veilig en duidelijk gebruik door blinde en slechtziende personen (plaats voor assistentiehonden, moeilijk detecteerbare obstakels vermijden, voldoende opbergruimte voor hinderlijke bagage, plooifietsen, toegankelijke bewegwijzering, …), toegankelijke actuele informatie voor allen (aankondigen van haltes en uitstapzijde, visueel, auditief, helder en eenvoudig, …), toegankelijk sanitair, de beschikbaarheid van of compatibiliteit met navigatiesystemen en andere toepassingen.

Wat de toekomstige bestellingen van rijtuigen betreft, beloofde de NMBS de NHRPH op 25/08/2020 dat toegankelijkheid in volledige autonomie ondubbelzinnig een eis voor de volgende openbare aanbesteding wordt. De NHRPH heeft er tijdens die vergadering ook akte van genomen dat de NMBS het huidige aangepaste model van het M7-rijtuig NIET als te volgen referentie voor de volgende bestellingen zal nemen, aangezien dit model nog geen volledige toegankelijkheid voor allen in volledige autonomie garandeert.

Verder lijkt er ook politieke wil te zijn op federaal vlak om werk te maken van een toegankelijkere NMBS, ook voor het dossier van de M7.

In het Regeerakkoord 2020 staat te lezen:

Deze regering zal extra investeren in het spoor. De investeringen zullen zich toespitsen op:

  • Aankoop nieuw rollend materieel; (…)
  • Toegankelijkheid treinen en perrons: we maken versneld werk van het verhogen van de perrons (…). Nieuwe treintoestellen die de NMBS aankoopt zullen toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Er komt een evaluatie van de huidige toegankelijkheid en op grond daarvan een actie en stappenplan om de toegankelijkheid te verbeteren;

In de Beleidsnota van de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit, staat het volgende:

Tegelijkertijd zal bijzondere aandacht worden besteed aan de verbetering van de toegankelijkheid: multimodale toegankelijkheid van spoorwegstations (voor goederen en reizigers), universele toegankelijkheid, ongeacht gezondheidstoestand of mobiliteit, voor wat betreft de toegang tot diensten voor treinreizigers (nieuw rollend materieel met lage vloer, verhoging van de perrons, hellingen en liften, universele toegankelijkheid van de kaartverkoop en de informatie). De inspanningen op dit gebied zullen worden voortgezet en versneld in nauwe samenwerking met de NMBS.

In hetzelfde document kondigt de Minister aan dit te zullen vastleggen in het beheerscontract met de NMBS:

In het beheerscontract tussen de Staat en de NMBS, dat voortaan op basis van Europees recht een openbaredienstcontract moet worden genoemd, zal het verwachte niveau van de dienstverlening aan de gebruikers worden vastgelegd, alsook het verwachte pad naar een prestatieverbetering voor de NMBS. De volgende aspecten zullen inter alia aan bod komen:

  • het niveau en de kwaliteit van de aangeboden spoordiensten (frequentie, amplitude, stiptheid, comfort);
  • de verwachtingen op het vlak van de toegankelijkheid,
  • het onthaal en de informatie aan de reizigers

Op 18/12/2020 lanceerde de NMBS een persbericht over de M7:

NMBS heeft tweehonderd bijkomende M7-dubbeldeksrijtuigen besteld. Het gaat om 130 autonoom toegankelijke rijtuigen voor reizigers met een beperkte mobiliteit en 68 rijtuigen met een stuurpost en met plaats voor fietsen en kinderwagens. (…)

De bestelling van de autonoom toegankelijke rijtuigen maakt deel uit van het nieuwe toegankelijkheidsbeleid van NMBS, dat als prioriteit heeft erop toe te zien dat reizigers met een beperkte mobiliteit maximaal autonoom de trein kunnen nemen. Daarvoor moeten onder meer zowel de perrons als de treinen dezelfde instaphoogte hebben. Dat was met de eerste bestelling van M7-rijtuigen, die dateert van december 2015, jammer genoeg niet het geval. Daarom besliste NMBS om voor toekomstige leveringen het ontwerp van rijtuigen aan te passen.

 In dat kader gaat NMBS nu 130 autonoom toegankelijke rijtuigen bestellen. Deze rijtuigen zullen een toegangsdeur hebben met een instaphoogte van 76 centimeter, wat ook de Europese referentiehoogte is voor nieuwe perrons. Als de deur opent zal een uitschuiftrede de afstand tussen perron en trein overbruggen, zodat reizigers met een beperkte mobiliteit zelfstandig en veilig kunnen in- en uitstappen. Deze rijtuigen krijgen ook een aangepast toilet en intercomsysteem voor rolstoelgebruikers.

Het consortium Bombardier-Alstom heeft zich geëngageerd om de eerste autonoom toegankelijke rijtuigen te leveren in 2024. Zo zal elke M7-trein kunnen rijden met een autonoom toegankelijk rijtuig, aangevuld met een stuurrijtuig dat plaats biedt aan reizigers en fietsen.

De betrokken belangenorganisaties zoals UNIA, de Hoge Raad voor Personen met een Handicap en CAWaB zijn over het ontwerp van dit nieuwe rijtuig uitgebreid geconsulteerd. Er werd maximum met hun verzuchtingen rekening gehouden.

De NHRPH herhaalt dat de aangekondigde rijtuigen weliswaar een stap vooruit betekenen op het vlak van toegankelijkheid, maar dat ze zijns inziens nog NIET volledig autonoom toegankelijk zullen zijn, en dit om de hoger aangehaalde redenen.

Bovendien vreest de NHRPH na het lezen van het persbericht dat er geen bezoek aan een ingericht model met mogelijkheid tot bijsturen meer zal volgen.

Overigens lijkt er onduidelijkheid te bestaan over de terminologie over de verschillende rijtuigtypes (BD, BDx, generatie 1, 2 en 3) en over de term ‘multifunctioneel voertuig’ (zowel BD en BDx of enkel BDx?).

3. ADVIES

De NHRPH stelt vast dat er, vergeleken met de eerste levering, wijzigingen zijn aangebracht aan de plannen die de toegankelijkheid voor personen met een beperkte mobiliteit ten goede zouden moeten komen. Er werd deze keer ook rekening gehouden met de gehanteerde unieke perronhoogte van 76cm en met een aantal eisen van de sector.

De NHRPH waardeert dat de handicapsector in het algemeen en de NHRPH in het bijzonder recent zijn geraadpleegd geweest, maar betreurt dat dat niet van in het begin van het project is gebeurd.

Vanzelfsprekend betreurt de NHRPH ook dat de op te leveren rijtuigen nog niet volledig autonoom toegankelijk zullen zijn, in tegenstelling tot wat het persbericht van de NMBS beweert. De NHRPH eist dat de volgende generatie rijtuigen dat wel zal zijn.

Verder betreurt de NHRPH dat er maar één toegankelijk rijtuig per treinsamenstelling wordt voorzien. Eén enkel toegankelijk rijtuig zal al snel te weinig zijn, in het bijzonder voor personen met een handicap die gaan werken, zich regelmatig moeten laten verzorgen, die alleen, met hun familie of in groep reizen, … Bovendien zal dit rijtuig ook worden gebruikt door passagiers met een fiets of kinderwagen. De NHRPH vraagt dan ook met nadruk om de haalbaarheid van meerdere toegankelijke rijtuigen in een treinsamenstelling te onderzoeken. Voor de NHRPH blijft het einddoel een trein waarvan alle rijtuigen voor iedereen autonoom toegankelijk zijn. In afwachting daarvan moet het duidelijk zijn voor personen met een beperkte mobiliteit waar het toegankelijke rijtuig zich bevindt in de samenstelling. Een uniforme aanpak is nodig. Ook de terminologie m.b.t. de verschillende modellen en rijtuigen moet eenduidig worden.

De NHRPH wenst voor de generatie van het BD-rijtuig in aanmaak een bezoek aan een verder uitgewerkte maquette of model met de aanpassingen, dus met inbegrip van een toegankelijk interieur en voorzieningen die toekomstige verbeteringen en toepassingen toelaten. Dat heeft enkel zin als er nog ruimte is voor verbeteringen.

De NHRPH vraagt ook om de plaats voor fietsen en kinderwagens toegankelijk te maken voor tandems (belangrijk voor blinde en slechtziende fietsers met begeleider) en scootmobielen.

De NHRPH herinnert eraan dat ook met een autonoom toegankelijk spoorverkeer assistentie nodig zal blijven voor sommigen. De NMBS mag het assistentieaanbod dus niet verminderen of afschaffen. Overigens blijft de NHRPH vragende partij voor onmiddellijk beschikbare persoonlijke assistentie ter plaatse, in alle haltes en stations en zonder reservatietermijn.

De NHRPH verheugt zich erover dat de federale regering zich ambitieus toont op het vlak van de toegankelijkheid van het spoorverkeer en van treinen. De Minister van Mobiliteit zal deze ambities in overleg met de NMBS en de stakeholders moeten aansturen en opvolgen. De NHRPH zal de Minister, de regering en de NMBS zo nodig herinneren aan hun engagement. De NHRPH wijst de Minister er wel op dat volledige autonome toegankelijkheid met deze rijtuigen nog niet is bereikt.

De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de NMBS om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Velen van hen zijn wegens hun handicap nog meer dan andere personen aangewezen op het openbaar vervoer. Universele toegankelijkheid is dus een must.

De NHRPH wenst vanwege de NMBS opvolging en feedback m.b.t. de aanbevelingen en verwachtingen geformuleerd in de adviezen van de NHRPH.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo NMBS
  • Voor opvolging aan de heer Georges Gilkinet, Minister van Mobiliteit
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Alexander De Croo, Premier
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan CAWaB
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 17

Advies 2020/26 - Toegankelijkheid bankdiensten

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof

Advies nr. 2020/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van bankdiensten, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/12/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Via de pers verneemt de NHRPH regelmatig maatregelen van de banksector, meer bepaald in verband met de sluiting van bankfilialen en de reorganisatie van het netwerk van geldautomaten.

2. ANALYSE

a) Begin 2020 hebben vier Belgische grootbanken (BNP Paribas Fortis, Belfius, KBC en ING) aangekondigd een akkoord te hebben aangegaan voor het oprichten van een gemeenschappelijk netwerk van geldautomaten (L’Echo van 8 januari 2020).

De vier Belgische grootbanken kondigden aan hun krachten te willen bundelen om een optimaal netwerk van geldautomaten uit te bouwen om de beschikbaarheid van contant geld voor zowel consument als handelaar te garanderen.

Het nieuwe netwerk zal, op basis van reële behoeften en objectieve geografische parameters, een optimale beschikbaarheid van contant geld binnen een bepaalde afstand bieden, aldus de banken. Dankzij dit initiatief zou 95 % van de Belgische bevolking binnen een afstand van maximaal 5 km toegang moeten hebben tot een geldautomaat.

De eerste automaten van dit nieuwe netwerk moeten midden 2021 in werking worden gesteld.

De automaten worden ‘zo veel mogelijk’ buiten de bankfilialen-geïnstalleerd. De vier banken kondigden de afgelopen twee jaar allemaal aan hun fysieke netwerk in mindere of meerdere mate te beperken. Dankzij het platform zijn de bankautomaten evenwel niet hetzelfde lot beschoren als de bankfilialen. De aanwezigheid van contant geld zal losstaan van de beslissingen voor het netwerk van bankfilialen, benadrukken de banken.

Volgens een studie in opdracht van Febelfin, de federatie van de financiële sector, verkiest ongeveer 90 % van de Belgen elektronische betalingen. Zo is het aantal elektronische transacties (kaart, Payconiq, smartphones, …) volgens Febelfin sinds 2012 met 70 % gestegen. In dezelfde periode daalde het aantal geldopnames met 12 %.

Bijgevolg is ook het aantal geldautomaten sterk gedaald: in 2018 waren er in België nog 7.869 geldautomaten, tegenover 8.613 in 2016.

Op 9 april 2020 heeft de heer Benoît Piedbœuf, volksvertegenwoordiger, een vraag hierover gesteld (schriftelijke vraag en antwoord nr. 0308 - zittingsperiode: 55). De toenmalige Vice-eersteminister en Minister van Financiën, de heer Alexander De Croo, antwoordde het volgende: Het lijkt me niet wenselijk en mogelijks contraproductief om hiervoor een wettelijk kader op te leggen. Banken doen eveneens inspanningen om de automaten toegankelijk te maken voor mindervaliden en ik zal niet nalaten hen te wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid dienaangaande. Uw vraag of niet 100 % van de bevolking toegang zou moeten hebben tot een geldautomaat binnen de vijf kilometer lijkt me weinig realistisch. Dit zou resulteren in de vestiging van automaten in streken waar bijna niemand woont en dit is economisch niet te verantwoorden. Het vinden van een goed evenwicht lijkt me primordiaal en het 95 %-criterium lijkt me bovendien reeds zeer ambitieus in het licht van het afnemend cashgebruik.

b) Begin november 2020 heeft bpost in een persbericht aangekondigd 17 selfbankingautomaten in de provincie Luxemburg weg te halen. Met selfbankingautomaten kunnen rekeninguittreksels worden afgedrukt en overschrijvingen verricht.

c) Op 8 december 2020 heeft ING aangekondigd 62 van haar 552 kantoren te sluiten in 2021. De bank stelt vast dat steeds meer klanten hun bankzaken digitaal regelen. "De kantoren die gesloten worden, zijn kantoren waar al vóór de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus een laag aantal klanteninteracties werd geteld", aldus ING.

d) Op 10 december 2020 heeft Belfius aangekondigd 14 van de 595 kantoren te sluiten die onder het eigen beheer van de bank vallen. Voorts wil de bank haar volledige kantoornetwerk herbekijken, dat de voorbije vijf jaar reeds met een vijfde is ingekrompen.

e) Recent nog maakten de ouderenadviesraden in verschillende gemeenten zich zorgen over de digitale kloof op bankniveau.

f) Een van de doelstellingen van de Minister van Economie is de modernisering van de basisbankdienstverlening. De Minister zal ervoor zorgen dat de toegang tot basisbankdiensten geen dode letter blijft voor kwetsbare groepen die aangepaste diensten nodig hebben, zoals mensen met een beperking, ouderen of mensen die geen digitale toegang tot bankdiensten hebben (beleidsverklaring, blz. 26).

3. ADVIES

Wat de geldautomaten betreft:

De NHRPH is het volstrekt oneens met het initiatief om het aantal geldautomaten terug te schroeven. De NHRPH maakt zich grote zorgen over de digitale kloof, die groter dreigt te worden in België. Volgens Febelfin verkiezen 90 % van de Belgen elektronische betalingen. Dit hoge cijfer verbaast de NHRPH. Waarop werd het gebaseerd? Veel Belgen, onder meer personen met een handicap en ouderen, betalen liever contant. Bovendien mogen heel wat personen met een handicap geen betaalkaart bezitten.

Belgen met lage inkomens en een laag opleidingsniveau zijn niet de enigen die slechts gedeeltelijk toegang hebben tot de mogelijkheden van het internet. Anderen verkeren in dezelfde situatie: ouderen, maar ook jongeren (meer bepaald kansarme jongeren), personen die moeite hebben met schrijftaal, alleenstaanden, vrouwen en zelfs personen met hogere inkomens. Allemaal personen die op een bepaald moment moeilijk toegang krijgen tot onlinediensten (bank, werk, onderwijs, gezondheid, administratie, …).

Het terugschroeven van het aantal geldautomaten is dus een reëel probleem voor een aanzienlijk aantal personen. De vier grootbanken garanderen dat 95 % van de Belgische bevolking binnen een afstand van maximaal 5 km toegang zou moeten hebben tot een geldautomaat. 5 km is ver. De NHRPH wijst erop dat heel wat personen met een handicap geen eigen vervoersmiddel hebben en afhankelijk zijn van het (verre van altijd toegankelijke!) openbaar vervoer of van de hulp van een derde om geld te kunnen opnemen.

Bovendien hebben verschillende buurtwinkels en artsen geen apparaat voor digitale betalingen.

De NHRPH heeft evenwel gehoord dat de geldautomaten niet echt zouden verdwijnen, maar worden verplaatst naar gemeenten waar er nog geen zijn. Kan de Minister van Economie dit bevestigen?

Wat de sluiting van bankfilialen en het verdwijnen van selfbankingautomaten betreft:

Ook tegen deze maatregel is de NHRPH volledig gekant.

Een deel van de bevolking regelt zijn dagelijkse bankzaken inderdaad liever elektronisch, maar is dat voldoende reden om de andere toegangswijzen tot de eigen rekeningen gewoonweg af te schaffen (en bijna altijd te vervangen door betalende diensten)? Uit gegevens van de FOD Economie blijkt dat 89,7 % van de huishoudens in België in 2019 over een internetaansluiting beschikt. Meer dan 10 % van de huishoudens heeft dus geen internetaansluiting.

De Koning Boudewijnstichting heeft erop gewezen dat 4 op de 10 Belgen digitale uitsluiting riskeren. De Belgen zijn in groten getale verbonden met het internet. Toch zien we in de Belgische bevolking ook belangrijke vormen van ongelijkheid, die nauw verbonden zijn met het inkomen en het diploma. Bijna 1 op de 3 huishoudens met lage inkomens beschikt niet over een internetverbinding. 40 % van de Belgische bevolking heeft zwakke digitale vaardigheden, een percentage dat stijgt tot 75 % bij personen met lage inkomens en een laag opleidingsniveau. Respectievelijk 55 % en 67 % van hen doen geen administratieve verrichtingen online.

Bovendien vinden veel personen met een handicap en ouderen het zeer moeilijk de digitalisering van banken te volgen. Ze worden gedwongen om via pc of smartphone te werken, maar hebben er niet altijd toegang toe of hebben er geen. Vaak zijn deze instrumenten helemaal niet afgestemd op personen met een handicap of ouderen.

Wat het afdrukken van bankuittreksels betreft:

Sommigen moeten over ‘papieren’ bankuittreksels kunnen beschikken. De kosten voor het afdrukken ervan zijn vaak exorbitant hoog. Een lid van de NHRPH noteerde een getuigenis van iemand die papieren bankuittreksels vroeg, omdat het OCMW deze gevraagd had. Hij moest hiervoor 120 euro betalen!

Blinde personen kunnen hun bankuittreksels in braille krijgen. Soms moeten ze evenwel hun bankuittreksels in ‘gewoon’ schrift vragen, omdat ze deze moeten voorleggen aan personen die geen braille kunnen lezen. Ook hier worden extra kosten in rekening gebracht, wat onaanvaardbaar is.

Conclusie:

De NHRPH herinnert eraan dat de regering een sterke verbintenis is aangegaan om de digitale kloof te verkleinen. De NHRPH vindt dat de overheid en de financiële wereld concrete verbintenissen moeten aangaan om de bankdiensten voor iedereen toegankelijk te houden, in het bijzonder voor personen met een handicap. De basisfunctie van banken is niet louter commercieel: het is een openbare dienstverlening, toevertrouwd aan operatoren die deze overheidsopdracht ten dienste van de burgers moeten uitvoeren. Als hoofdaandeelhouder van bpost heeft de Belgische Staat duidelijk een verantwoordelijkheid.

De NHRPH herinnert eraan dat artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap het volgende bepaalt: Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden.

In zijn beleidsverklaring wijst de Minister van Economie erop dat de modernisering van de basisbankdienstverlening deel uitmaakt van de digitaliseringsuitdaging. Ik zal ervoor zorgen dat de toegang tot basisbankdiensten geen dode letter blijft voor kwetsbare groepen die aangepaste diensten nodig hebben, zoals mensen met een beperking, ouderen of mensen die geen digitale toegang tot bankdiensten hebben. Ik zal de basisbankdienstverlening evalueren en verbeteren om rekening te houden met de digitalisering van de sector en om de zwaksten te beschermen, met name degenen die te lijden hebben onder de digitale kloof. Tot slot zal ik de publiciteit rond basisbankdiensten vergroten. De NHRPH dringt erop aan dat deze verbintenissen geen dode letter blijven. De NHRPH wil ook graag de modaliteiten van de ‘basisbankdiensten’ kennen. Welke diensten vallen momenteel onder deze term? Worden deze diensten uitgebreid?

De NHRPH vraagt de Minister van Economie de behoeften van personen met een handicap correct en eerlijk te analyseren. De NHRPH herinnert eraan dat personen met een handicap en ouderen volwaardige klanten zijn en dat de hogere tarieven van begin dit jaar ook voor hen gelden (advies 2020-01). Voor 2021 worden verdere tariefverhogingen aangekondigd, vooral bij BNP Paribas Fortis en ING. Ook bij AXA, Belfius en Deutsche Bank zijn er veranderingen op til. Deze veranderingen zullen onveranderlijk voor alle klanten gelden, ook voor wie geen toegang heeft tot de digitale wereld. Voor deze laatsten moeten aanpassingen worden voorzien zodat zij zonder extra inspanningen toegang tot bankdiensten kunnen krijgen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie
  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Peteghem, Vice-eersteminister en Minister van Financiën
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan Febelfin
  • Ter informatie aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Raadplegingen: 15

Advies 2020/25 - Beleidsverklaring en beleidsnota van mevr. Lalieux

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beleidsverklaring en de algemene beleidsnota van mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking, Armoedebestrijding en Beliris van 4/11/2020, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21/12/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking, Armoedebestrijding en Beliris, heeft op 4 november jongstleden haar Beleidsverklaring (BV) en haar Algemene Beleidsnota (ABN) aan de Kamer voorgesteld. De pagina's 35 tot 43 van de ABN en de pagina's 28 tot 44 van de BV gaan specifiek over haar bevoegdheid in het kader van de inclusie van personen met een handicap. De Minister heeft ook de hoofdlijnen van haar beleid “handicap” tijdens de plenaire vergadering de NHRPH van 16 november 2020 voorgesteld.

2. ANALYSE

De Minister verbindt zich ertoe een aanzienlijk aantal inclusieve beleidsmaatregelen voor personen met een handicap te nemen. Ze zal bijzondere aandacht besteden aan de moeilijkheden en ongelijkheden die zich in deze periode van de COVID-crisis voordoen. Ze is van plan om systematisch een beroep te doen op het partnerschap en de samenwerking met de verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen en de NHRPH (die meermaals werd vermeld).

De Minister stelt de acties voor die ze zal ondernemen:

  • Het aannemen van een inclusieve benadering gebaseerd op de rechten van personen
    • De regering heeft zich ertoe verbonden het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) te gebruiken als leidraad voor haar beleid op het gebied van handicap.
    • De Minister zal elk van haar collega’s uitdagen en ondersteunen bij de acties die moeten worden ondernomen om de inclusie en het welzijn van personen met een handicap te waarborgen.
    • Het federaal netwerk van administratieve en politieke aanspreekpunten voor personen met een handicap zal opnieuw worden geactiveerd.
    • Met de inbreng van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, en in overleg met de andere leden van de regering, zal een nieuw federaal actieplan voor personen met een handicap worden voorgesteld.
    • De interministeriële coördinatie zal worden versterkt en de regering zal nauw samenwerken met de deelgebieden.

  • Beheer van de pandemie:
    • Met de handicapdimensie zal rekening worden gehouden in een inclusief COVID-19-beleid, zowel wat betreft het crisisbeheer als het herstel.
    • De representatieve organisaties van personen met een handicap zullen worden betrokken bij de monitoring van de sociaaleconomische gevolgen.
    • Een Task Force ‘Kwetsbare groepen’ werd opgericht om specifiek aandacht te hebben voor de impact van de crisis op kwetsbare groepen.
    • Er moet ook gezorgd worden voor een juiste een aangepaste communicatie. Een specifiek communicatieplan zal worden opgesteld, in samenwerking met de NHRPH en andere organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen.

  • Betrokkenheid van personen met een handicap: deze betrokkenheid zal in de eerste plaats gebeuren via de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) en zal plaatsvinden tijdens alle stadia van de beleidsvoering, met inbegrip van de vaststelling van prioriteiten, de planning, de uitvoering en evaluatie van maatregelen en de diensten die van invloed zijn op het leven van personen met een handicap. De Minister verbindt zich ertoe te analyseren of de bestaande middelen voldoende zijn en werk te maken van een optimalisering.

  • Het Overlegcomité regelmatiger bijeenroepen en de werking van de interministeriële conferenties (IMC's) verbeteren.

  • Op internationaal niveau:
    • In overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor zorgen dat België actief bijdraagt aan de ontwikkeling en de bevordering van de rechten van personen met een handicap op wereldniveau.
    • Een constructieve dialoog aangaan met het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag door België.

  • Wat betreft de tegemoetkomingen voor personen met een handicap
    • Verlaging van het leeftijdscriterium (18 jaar) voor het aanvragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, in overleg met de Gemeenschappen.
    • De inkomensvervangende tegemoetkoming geleidelijk verhogen naar de armoedegrens. Dezelfde maatregel is voorzien voor het leefloon en het equivalent ervan en voor de IGO. De verhoging zal dus 10,75 % bedragen over de periode 2021-2024, namelijk 2,6875% per jaar tot 2024.
    • Afschaffing van de “prijs van de liefde”.
    • Aanpassing aan nieuwe woonvormen (bijvoorbeeld kangoeroewonen, ouderinitiatieven, zorghotels, enz.).
    • Modernisering van de toekenning van de tegemoetkomingen: op basis van een beslissing van de vorige regering werd de ontwikkeling van een nieuw softwaresysteem opgestart, dat eind 2023 moet klaar zijn.
    • Versterking van het multidisciplinaire karakter van de evaluatie: er loopt momenteel een proefproject om paramedici en verpleegkundigen als assistenten in het evaluatieproces te betrekken. Op basis van de opgedane ervaringen zullen het regelgevingskader, de evaluatieprocedures en de toegewezen middelen voor de evaluaties worden aangepast.
    • Een reflectie opstarten over de evaluatie van de wet van 1987: deze wet is, op vele gebieden, niet meer conform met de verschillende aanpassingen van het wetgevend kader die sindsdien gebeurd zijn en bovendien ook niet meer met de benadering die we vandaag de dag hebben van het begrip handicap.

  • Bestrijding van het niet-opnemen van rechten: voor degenen die een uitkering ontvangen is het bijvoorbeeld de vraag of de administratieve toewijzing van rechten – meer dan nu het geval is – gecombineerd kan worden met een aanbod van ondersteuning, waarbij maatschappelijk werkers samen met de betrokkenen onderzoeken welke rechten (nog) niet zijn gerealiseerd en hoe hun maatschappelijke participatie kan worden verbeterd.

  • Binnen de grenzen van het regelgevingskader inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is het van essentieel belang om de inspanningen voor de automatisering van de sociale rechten voort te zetten. Deze zullen maximaal worden toegekend op basis van het inkomen en niet op basis van statuut.

  • De tewerkstellingsgraad van personen met een handicap verbeteren
    • Afschaffing van de "prijs van de arbeid": de regering heeft beslist het negatieve effect van het in rekening nemen van het arbeidsinkomen op het bedrag van de integratietegemoetkoming structureel te verminderen.
    • Inactiviteitsvallen bestrijden
    • Ondernemerschap ondersteunen: de reglementering betreffende activiteiten als zelfstandige die door de gerechtigden op een tegemoetkoming voor een persoon met een handicap als aanvulling worden verricht, zal eveneens worden aangepast.
    • De tewerkstelling bij het federaal openbaar ambt verhogen: een sterk engagement is dus nodig om de voorwaarden uit te voeren die de inclusie van personen met een handicap binnen het federaal openbaar ambt zullen bevorderen, in het bijzonder via aanwervingen en een redelijke aanpassing van de werkplek.

  • Het beperken van de obstakels waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd: deze obstakels kunnen fysiek zijn (bv. gebouwen zonder hellingen), elektronisch (bv. websites waarop mensen met een visuele beperking niet kunnen navigeren) of gedragsgerelateerd (bv. misverstanden over wat mensen met een handicap wel en niet kunnen doen):
    • Personen met een handicap dienen ook toegang te hebben tot basisbankdiensten.
    • Er wordt tijdens deze legislatuur een actieplan universele toegankelijkheid gelanceerd waarbij een structurele toegankelijkheid van de ruimte en de publieke dienstverlening het einddoel is.
    • De overheid engageert zich tegelijk om op de korte termijn de fysieke en digitale toegankelijkheid van de rechtspraak, het openbaar vervoer en de overheidsgebouwen te verbeteren (...).
    • Bovendien zullen de sociale tarieven voor kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap, voor digitale diensteverlening hervormd worden.

  • Verbetering van de mobiliteit:
    • investeren in de toegankelijkheid van treinen en perrons
    • parkeerkaart: het correct gebruik van de parkeerkaart zal verder gepromoot worden, en een meer veralgemeend gebruik van de app Handi2Park en initiatieven voor de optimalisering ervan zullen ondersteund worden.

  • Bevordering van de toegang tot cultuur en vrijetijdsactiviteiten: de actoren van de sport-, vrijetijds- en cultuursector mobiliseren om het aantal partners van de European Disability Card (EDC) te vergroten. Een van de prioriteiten is ook de verbetering van de ergonomie en het gemakkelijker gebruik van de EDC-website.

3. ADVIES

De NHRPH is zeer verheugd over de verschillende maatregelen die de Minister heeft aangekondigd, die inclusief zullen zijn ten aanzien van personen met een handicap en die rekening zullen houden met hun specifieke behoeften. De NHRPH onderstreept het belang van de uitvoering van een concreet beleid met een programmering dat een reëel effect op het leven van de personen zal hebben.

Wat betreft de tegemoetkomingen voor personen met een handicap

In verband met het proefproject inzake de evaluatie van de dossiers door een multidisciplinair team, dringt de NHRPH erop aan dat het team niet alleen uit medische profielen zou bestaan. Maatschappelijk assistenten, ergotherapeuten, onder andere, moeten bij het evaluatieproces worden betrokken.

De Minister heeft zich ertoe verbonden de wet van 27 februari 1987 te hervormen. De NHRPH dringt erop aan dat de beleidsverantwoordelijken en de sector van de handicap de tijd nemen om zich daarover te beraden. Er moet op lange termijn worden gewerkt, met aandacht voor de samenhang van alle genomen maatregelen.

De NHRPH herhaalt zijn grote bezorgdheid over het implementatieproces van het TRIA-project. Er moet voor worden gezorgd dat de software een hervorming van de wet van 27 februari 1987 kan integreren.

De NHRPH is verheugd over de verhoging van de aftrek inzake het arbeidsinkomen (prijs van de arbeid). De NHRPH merkt echter op dat er geen rekening werd gehouden met het feit dat personen met een handicap die werken ziek kunnen worden of hun baan kunnen verliezen, en dus geen loon meer ontvangen, maar een vervangingsinkomen. Er werd geen enkele maatregel genomen om de aftrek inzake het vervangingsinkomen te verhogen. De NHRPH wenst dat met dit laatste punt rekening wordt gehouden bij de hervorming van de "prijs van de arbeid". Voor meer details verwijst de NHRPH naar zijn advies 2020-23.

Crisisbeheer

Op brutale wijze brengt de COVID-crisis zowel voor personen met een handicap als voor mantelzorgers en hun gezinnen enorme maatschappelijke disfuncties aan het licht op alle gebieden van het leven: toegang tot de gezondheidszorg, toegang tot collectieve dienstverlening, overmatige lockdown, enz. (zie advies 2020-07, advies 2020-08, advies 2020-09, advies 2020-13). Personen met een handicap en gezinnen vinden het moeilijk om daarmee om te gaan omdat het een extra reeks obstakels is in een toch al moeilijk dagelijks leven. Personen met een handicap en hun gezinnen hebben erg geleden onder de eerste lockdown: sommige personen met een handicap zaten volledig afgezonderd in hun instelling, zonder enige mogelijkheid om hun naaste familieleden te zien. Deze personen hebben hier mentaal erg onder geleden. Andere gezinnen hebben ervoor gekozen hun familielid met een handicap bij zich te houden: hierbij hebben ze heel weinig hulp gekregen. De NHRPH is zich er terdege van bewust dat het hier gaat om bevoegdheden van de Gewesten, maar vraagt de verschillende instanties die werden opgericht om de pandemie aan te pakken dat ze rekening houden met de verschillende vormen van lijden die personen met een handicap tijdens de eerste lockdown hebben beleefd.

Het is van fundamenteel belang dat hieruit lessen worden getrokken op lange termijn. De NHRPH dringt er met name op aan dat de beleidsverantwoordelijken alles in het werk zouden stellen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap op alle gebieden toegang hebben tot hun rechten. Het is ook van essentieel belang dat de rechten van mantelzorgers worden uitgebreid. Immers, het koninklijk besluit van 16 juni 2020 tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger bepaalt dat erkende mantelzorgers desgevallend zullen kunnen genieten van door de federale overheid toegekende voordelen. Voorlopig geeft de erkenning alleen toegang tot het recht op mantelzorgverlof. De NHRPH vraagt dat er andere rechten bijkomen, zoals het recht op respijtdagen, …(zie positienota Mantelzorg)

Wat betreft de keuze voor toegang tot zorg, en inzonderheid intensieve zorg, herinnert de NHRPH eraan dat een handicap geen selectiecriterium mag zijn. De NHRPH was blij de Minister te horen zeggen dat het voor haar onbespreekbaar was: handicap mag geen selectiecriterium zijn (zie ook advies 2020-08).

Tewerkstelling van personen met een handicap

De NHRPH vraagt om personen die kunnen werken maar die geen toegang hebben tot werk niet te vergeten. Dit is vaak te wijten aan het gebrek aan toegankelijkheid van het openbaar vervoer, van de gebouwen en aan het weigeren van redelijke aanpassingen. Personen met een handicap hebben vaak een onvolledige loopbaan. Veel personen leven hun hele leven in precaire omstandigheden en ook wanneer ze met pensioen gaan (een pensioen dat zeer laag is), terwijl het ouder worden vaak net extra medische kosten met zich meebrengt.   

De NHRPH vindt in de algemene beleidsnota van mevrouw Lalieux geen echte verbintenis voor de aanwerving van personen met een handicap in de overheidssector. Het percentage personen met een handicap in het federaal openbaar ambt moet worden verhoogd tot ten minste het percentage dat in de wetgeving is voorzien. Wat de privésector betreft, is het volgens de NHRPH ook noodzakelijk om samen te werken met de Minister van Werk in de zin van een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers: inzet voor het klimaat is noodzakelijk, maar inzet voor een duurzame inclusieve samenleving is dat evenzeer!

De aandacht mag evenwel niet beperkt blijven tot de aanwerving van personen met een handicap. Er moet ook voor worden gezorgd dat personen met een handicap die werken dit kunnen blijven doen, en onder goede omstandigheden. Er moet voor worden gezorgd dat redelijke aanpassingen mogelijk zijn, dat er in nieuwe behoeften kan worden voorzien, dat personen met een handicap opleidingen kunnen blijven volgen, enz.

Delegeren van verpleegkundige handelingen

De NHRPH herinnert eraan dat het Protocolakkoord tussen de Federale Overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet inzake de samenwerking tussen personen uit de omgeving van de patiënt/cliënt en gezondheidszorgbeoefenaars buiten een zorgvoorziening het volgende bepaalt:

De federale Minister bevoegd voor Volksgezondheid engageert zich om de nodige voorontwerpen van wetgeving voor te bereiden teneinde de huidige uitzondering op de onwettige uitoefening van de verpleegkunde m.b.t. de mantelzorger aan te passen aan de inhoud van dit protocol. Deze voorontwerpen zullen besproken worden met de gefedereerde entiteiten.

De federale overheid engageert zich ertoe een lijst van handelingen te bepalen die niet gedelegeerd kunnen worden aan niet-gezondheidszorgbeoefenaars. Enkele voorbeelden: assistentie bij chirurgie, het plaatsen van een katheter, het uitvoeren van niet-subcutane injecties, het uitvoeren van niet capillaire bloedafnames en complexe wondzorg.

Alle ondertekenende partijen zullen erover waken dat de bijhorende kwaliteitskaders van toepassing zijn.

De gefedereerde entiteiten zijn verantwoordelijk voor overleg met de betrokken sectoren binnen redelijke termijn.

Afgezien van de wetten aangenomen voor het verlenen van een toestemming aan personen die niet wettelijk bevoegd zijn om verpleegkundige handelingen te verrichten in het kader van de COVID-19-epidemie, die slechts tijdelijk van toepassing zijn en enkel in het kader van het crisisbeheer, is er op dit gebied geen vooruitgang geboekt. De NHRPH hoopt ten zeerste dat de federale regering deze zaak opnieuw ter hand neemt en overleg pleegt met de deelstaten. De kwaliteit van het leven van de personen met een handicap staat op het spel!

Sociaal tarief elektriciteit en gas

Sinds het van kracht worden van de wet van 24 februari 2019 tot wijziging van de programmawet van 27 april 2007 wat betreft de toekenning van het sociaal tarief voor gas en elektriciteit, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van de kosten van de toepassing van de sociale tarieven door de elektriciteitsbedrijven en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan, kunnen de rechthebbenden dit tarief toegekend krijgen vanaf de datum van de erkenning van de handicap. Dat kan met terugwerkende kracht, voor een periode van maximum 2 jaar voorafgaand aan de datum waarop de leverancier op de hoogte is gebracht van de inwerkingtredingsdatum van de erkenning van de handicap. Nu, bijna twee jaar later, blijkt dat de terugwerkende kracht nog steeds niet wordt toegepast. De NHRPH vraagt dat de betrokken actoren zo snel mogelijk technische oplossingen vinden om dit recht toe te passen. Het gaat om personen met een handicap die aanzienlijke bedragen hebben betaald die ze niet kunnen recupereren, terwijl ze daar wel recht op hebben.

Het probleem van de scan cars en de lage-emissiezones

Meerdere steden en gemeenten hebben een systeem van scan cars ingevoerd voor de parkeercontrole. Diezelfde steden en gemeenten laten ook houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap gratis parkeren. Maar de voorwaarden om gratis te mogen parkeren verschillen van gemeente tot gemeente (zie advies 2020-04). In sommige gemeenten moet de persoon vooraf een of twee nummerplaten laten registreren om gratis te kunnen parkeren. De NHRPH herinnert eraan dat de parkeerkaart verbonden is met een persoon, niet met een - of twee - voertuigen. Verder zijn de toepassingsregels erg verwarrend, want ze verschillen van gemeente tot gemeente. De NHRPH is er zich van bewust dat het hier om gewestelijke en lokale bevoegdheden gaat, maar vraagt aan de betrokken overheidsniveaus om in overleg tot één systeem te komen.

Dat geldt ook voor de lage-emissiezones. Personen met een handicap kunnen soms een afwijking op de regels krijgen. Ook op dat vlak kunnen de voorwaarden voor afwijkingen verschillen van gemeente tot gemeente (zie advies 2020-04). De NHRPH vraagt de betrokken overheidsniveaus om ook over deze regels overleg te plegen.

=================

De NHRPH moedigt de Minister ten zeerste aan om transversaal en met alle leden van de regering samen te werken, aangezien elk bevoegdheidsgebied een impact heeft of kan hebben op personen met een handicap. De NHRPH herinnert in dit verband aan de algemene prioriteiten en verwachtingen zoals geformuleerd in advies 2020-21.

Een nauwe samenwerking met de andere entiteiten en met de NHRPH draagt zeker bij tot succes en efficiëntie.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking, Armoedebestrijding en Beliris (antwoord gewenst)
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister (antwoord gewenst)
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman
  • Raadplegingen: 10

Advies 2021/05 - Bankterminals Comeos

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Digitale kloof

Advies nr. 2021/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van draagbare betaalterminals in winkels, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/01/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Sinds een aantal maanden maken leden van de NHRPH, maar ook externe personen, melding van het gebruik door handelaren van draagbare betaalterminals die blinde/slechtziende personen en personen met spasticiteit niet toelaten om veilig en zelfstandig betalingen te verrichten voor aangekochte goederen of diensten.

Dit komt steeds vaker voor en dreigt uiteindelijk een wijdverbreid probleem te worden, niet alleen in winkels, maar ook in andere ondernemingen die openstaan voor het publiek (bijvoorbeeld de banksector). Er moet dringend actie worden ondernomen.

2. ANALYSE

Elke handelaar kan draagbare of met een stopcontact verbonden betaalterminals huren van particuliere aanbieders (zoals Wordline). Deze laatsten hebben een catalogus van toestellen die zijn uitgerust met toetsenborden met standaardtoetsen en aanraakgevoelige toetsen.

De meeste standaardtoetsenborden hebben een voelbaar puntje op de ‘5’ om voor blinde en slechtziende personen de oriëntatie op het toetsenbord te verbeteren bij het invoeren van de geheime code.

Toetsenborden met aanraakgevoelige toetsen bieden deze mogelijkheid niet. Bovendien zijn deze toestellen gevoelig voor een toevallige aanraking met de vinger, met herhaalde fouten en de blokkering van de kaart als gevolg. Deze toestellen vinden algemeen ingang op de markt.

De NHRPH heeft contact opgenomen met Comeos (vertegenwoordiger van winkels en diensten in België) die zegt op de hoogte te zijn van de situatie, maar niet in staat te zijn om er iets aan de doen. Comeos legt uit dat hij niet bevoegd is om een type toestel op te leggen; handelaars zijn vrij om het type bankterminal voor hun bedrijf te kiezen.

Sommige terminals lijken te kunnen worden uitgerust met een hoofdtelefoonaansluiting en geïntegreerde spraaksynthese.

3. ADVIES

De NHRPH veroordeelt deze situatie radicaal. De NHRPH is van mening dat alle klanten hun aankopen volledig toegankelijk, zelfstandig en veilig moeten kunnen uitvoeren en afronden. Het is immers onaanvaardbaar dat een klant moet worden bijgestaan wanneer hij of zij gevoelige private bankgegevens moet ingeven. Bovendien zou de bank, wanneer de betrokkene ermee instemt om zijn of haar code aan een derde te geven, weigeren om verdere gevolgen te aanvaarden.

Deze situatie is ook in strijd met de Europese Richtlijn 2019/882 van het Europees Parlement en de Europees Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten. Ze is ook in strijd met artikel 9 (Toegankelijkheid) van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat bepaalt:

  • “Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden.”

In de context van onze multiculturele en vergrijzende samenleving is de toegankelijkheid van producten en diensten een zeer hoge prioriteit geworden. De NHRPH herinnert eraan dat de overheid het elektronisch betalingsverkeer aanzienlijk wil uitbreiden. Tegelijkertijd zet de overheid als geheel zich sterk in voor een inclusievere samenleving (zie advies 2020-21). Mevrouw Karine Lalieux, de bevoegde Minister belast met Personen met een beperking, heeft de universele toegankelijkheid van alle goederen en diensten in het middelpunt van haar belangstelling geplaatst (zie advies 2020-25).

De NHRPH is van mening dat in de specificaties voor het gebruik van de terminals het aspect van toegankelijkheid voor iedereen moet worden opgenomen. Comeos moet de handelaren hierover adviseren en informeren. Zolang er hulpmiddelen op de markt zijn die niet voor iedereen toegankelijk zijn, moet informatie worden verstrekt over de toegankelijkheidsbeperkingen van een bepaald hulpmiddel. Als het apparaat kan worden uitgerust met aanpassingen die deze tekortkomingen beperken, mogen de extra kosten niet worden doorgerekend aan de handelaar en al helemaal niet aan de eindgebruiker. De NHRPH herinnert ook aan het bestaan van technische bureaus inzake toegankelijkheid zijn die de ontwikkeling van nieuwe of bestaande projecten kunnen ondersteunen.

De NHRPH roept de bevoegde ministers op om deze elementaire kwestie met spoed aan te pakken en de verantwoordelijkheden van elke actor - Comeos, handelaars en fabrikanten van digitale terminals - duidelijk vast te leggen. Voor alle nieuwe terminals die op de markt komen, moet de universele toegankelijkheid worden gegarandeerd, evenals de gebruiksveiligheid ervan.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer Pierre-Yves Dermagne, Vice-eersteminister en Minister van Economie en Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Eva De Bleeker, Staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming, toegevoegd aan de Minister van Justitie, belast met Noordzee
  • Voor opvolging aan de heer David Clarinval, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing
  • Voor opvolging aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de Minister van Mobiliteit
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale ombudsman
  • Raadplegingen: 15

Advies 2021/04 - Communicatie DG HAN

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tegemoetkomingen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de communicatie van DG Personen met een handicap (DG HAN) over de hervormingen die van invloed zijn op de huidige en potentiële uitkeringsgerechtigden, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/01/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

In de laatste weken van 2020 werd een groot aantal hervormingen van de regelgeving doorgevoerd die gevolgen hebben voor (potentiële) begunstigden van tegemoetkomingen. Deze hervormingen worden begin dit jaar 2021 van kracht.

2. ANALYSE

Er zijn verschillende hervormingen doorgevoerd die in voege treden op 1 januari 2021:

  • Verlaging van het leeftijdscriterium voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (advies 2020-18 en advies 2020-27)
  • Verhoging van de inkomensvervangende tegemoetkoming (advies 2020-22)
  • Verhoging van de vrijstellingen in het kader van de “prijs van de liefde” (advies 2020-23)
  • Verlenging van de COVID-premie (advies 2020-24)

3. ADVIES

De doelgroep van deze hervormingen, de huidige ontvangers en potentiële rechthebbbenden, is doorgaans niet op de hoogte van deze hervormingen. Terwijl sommige hervormingen automatisch van toepassing zijn, vereisen andere effectieve actie van de potentiële rechthebbenden. In veel gevallen zal een uitdrukkelijke aanvraag noodzakelijk zijn. Hoe eerder dit gebeurt, hoe beter, aangezien de effecten van een verzoek met terugwerkende kracht kunnen optreden:

  • Personen die momenteel geen recht hebben op verhoogde kinderbijslag hebben vanaf de publicatie van de wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, waarbij het leeftijdscriterium wordt aangepast van 21 naar 18 jaar, drie maanden de tijd om een aanvraag in te dienen. In dit geval kan de beslissing die op hen betrekking heeft, terugwerkende kracht hebben: die wordt van kracht vanaf het moment dat zij 18 jaar worden en op zijn vroegst vanaf 1 augustus 2020. Voor deze laatste hervorming is een aantal vragen nog niet beantwoord (zie de vragen van de NHRPH in de adviezen 2020-18 en 2020-27). Bovendien kunnen de antwoorden op die vragen mogelijk leiden tot situaties van onverschuldigde bedragen voor jongvolwassenen met een handicap en hun ouders.
  • Met betrekking tot de "prijs van de liefde" en de "prijs van de arbeid" bepaalt het aan de NHRPH voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit dat voor nieuwe aanvragen die binnen 3 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden ingediend, het recht met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 kan worden toegekend.

De mensen uit de sector die de personen meestal begeleiden bij de opvolging van hun dossier, wachten op informatie en opheldering.

De NHRPH heeft DG HAN herhaaldelijk gevraagd om ten minste op haar website duidelijk en correct te communiceren over dit onderwerp. De NHRPH heeft ook gevraagd om andere communicatiekanalen te gebruiken omdat slechts een klein percentage van de ontvangers of potentiële rechthebbenden de website van DG HAN raadpleegt. (Ter herinnering: de Koning Boudewijnstichting heeft er onlangs op gewezen dat 40% van de Belgische bevolking over weinig digitale vaardigheden beschikt. Dit cijfer stijgt tot 75% onder mensen met een laag inkomen en een laag opleidingsniveau. Respectievelijk 55% en 67% van deze mensen voert nooit administratieve procedures online uit.)

De NHRPH dringt ook aan op een volledige informatieverstrekking aan de sociale actoren (OCMW's, gemeenten, ziekenfondsen, instellingen, verenigingen enz.) omdat de hervormingen vereisen dat de documenten binnen een bepaalde termijn correct worden ingevuld, op straffe van verlies van bepaalde rechten. Tot slot wil de NHRPH graag weten in hoeverre bepaalde ontvangers of potentiële rechthebbenden rechtstreeks via persoonlijke post worden gecontacteerd.

De NHRPH herinnert eraan dat de wet van 27 februari 1987 complex is; de bepalingen worden niet automatisch toegepast. In 2016 heeft het Observatorium voor gezondheid gewezen op de tegenstelling tussen het theoretisch in aanmerking komen voor rechten en de omslachtige procedures die de toegang tot rechten belemmeren (zie advies 2018-09). De NHRPH is van mening dat tijdige, passende en adequate communicatie een essentiële eerste hefboom is om rechten te activeren. 

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan heer André Gubbels, Directeur-generaal van DG HAN
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de federale Ombudsman

  • Raadplegingen: 12

Advies 2021/03 - Tijdelijke werkloosheidsuitkeringen wegens overmacht

  • Jaartal advies: 2021
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2021/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/01/2021.

Advies op vraag van de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), in zijn e-mail van 7 januari 2021.

1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd aan de NHRPH heeft tot doel de maatregel te verlengen die beoogt de tijdelijke werkloosheidsuitkeringen wegens overmacht ontvangen door personen met een handicap gelijk te stellen met het arbeidsinkomen voor de berekening van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

2. ANALYSE

Het oorspronkelijke koninklijk besluit voorzag in de invoeging van een artikel 9quater in het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming. Dit artikel vermeldt het volgende: “voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in §3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit." De maatregel was oorspronkelijk voorzien tot 30 juni 2020, en werd vervolgens verlengd tot en met 31 december 2020.

De NHRPH heeft eerder al een advies (advies 2020-11) uitgebracht over het oorspronkelijke koninklijk besluit.

3. ADVIES

Allereerst vestigt de NHRPH de aandacht op een probleem in de tekst van het ontwerp van koninklijk besluit dat hem wordt voorgelegd. Artikel 1 vermeldt immers: in artikel 9quater, §2, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, worden de woorden “1 maart tot 31 december 2020” vervangen door de woorden “1 maart 2020 tot 31 maart 2021”. Artikel 9quater kon niet worden ingevoegd bij het koninklijk besluit van 6 juli 1987, aangezien dit het basis-koninklijk besluit is. Gelet op het feit dat het koninklijk besluit dat voorzag in de gelijkstelling van de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht met inkomsten uit arbeid, nog niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, kent de NHRPH de datum van dit koninklijk besluit niet. Het enige element dat gekend is door de NHRPH is dat het koninklijk besluit op 6 juni 2020 werd goedgekeurd in de Ministerraad (zie de website News.Belgium.be).

De NHRPH stelt vast dat de maatregel wordt verlengd tot 31 maart 2021. De NHRPH stelt ook vast dat bepaalde sectoren thans nog steeds on hold staan, zoals de cultuur- en evenementensector, de restaurants, de kappers, … Wat betreft de cultuur- en evenementensector is het nagenoeg zeker dat massa-evenementen niet voor het einde van het jaar zullen kunnen plaatshebben.

Bovendien kan het in sommige bedrijven, zoals bedrijven voor aangepast werk, zelfs als zij hun activiteiten mogen hervatten, lang duren voordat nieuwe bestellingen binnenkomen, worden niet alle machines opnieuw opgestart, … Bijgevolg worden niet noodzakelijkerwijs alle personeelsleden weer opgeroepen en blijven deze personen dus werkloos.

De NHRPH is bijgevolg van mening dat de situatie zal moeten worden opgevolgd en dat in de maand april of mei moet worden onderzocht of de maatregel opnieuw moet worden verlengd, eventueel met terugwerkende kracht.

In zijn advies 2020-11 had de NHRPH een probleem met een formulering in het ontwerp van koninklijk besluit aangehaald. Het betrof de zin “de maatregel, bepaald in §1 van dit artikel, is van toepassing op de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid, die toegekend worden voor de periode van 1 maart tot 30 juni 2020”. De NHRPH vreesde dat alleen nieuwe aanvragen ingediend tussen 1 maart en 30 juni 2020 van deze gelijkstelling zouden kunnen genieten. De NHRPH zou er graag van verzekerd zijn dat de maatregel gedurende de ganse looptijd van de maatregel ook wordt toegepast op alle betalingsdossiers.

Wat betreft het ontwerp van koninklijk besluit stelt de NHRPH vast dat in artikel 2 het volgende wordt vermeld: “dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt”. Gelet op het feit dat de maatregel eindigt op 31 december 2020 moet dit artikel worden vervangen door “dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021”, om de continuïteit van de bepaling te waarborgen.

4. ADVIES BESTEMD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een handicap
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG HAN
  • Ter informatie aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gelijke Kansen
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman

 

  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/27 - Wijziging KB leeftijdscriterium

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/27 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 21/12/2020.

Advies uitgebracht op vraag van de heer André Gubbels, Directeur-généraal van de DG Personen met een handicap (DG HAN), in zijn mail van 18/12/2020.

1. ONDERWERP

In een mail van 18 december 2020 aan de Voorzitster van de NHRPH heeft de heer Gubbels, Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap, het advies van de NHRPH gevraagd over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar.

2. ANALYSE

Het ontwerp van koninklijk besluit in kwestie heeft tot doel het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap te wijzigen naar aanleiding van de wijziging van de wet tot aanpassing van het leeftijdscriterium voor het verkrijgen van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Het leeftijdscriterium wordt verlaagd van 21 naar 18 jaar.

De memorie van toelichting van de wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, voorziet in een overgangsmaatregel door de wijziging van artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003. De memorie van toelichting bepaalt eveneens dat de overgangsmaatregel van toepassing is gedurende de 3 maanden die volgen op de goedkeuringsdatum van de wet. Op te merken valt dat het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend binnen de drie maanden na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad (zie hieronder).

Het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat artikel 14 van het koninklijk besluit wordt aangevuld met een tweede lid dat bepaalt dat voor personen die op 1 augustus 2020 tussen 18 en 21 jaar oud zijn, het recht op de tegemoetkoming ten vroegste ingaat op 1 augustus 2020 indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de wet en dat de aanvraag ingediend wordt ten laatste drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van XXX tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar.

Bovendien worden, als gevolg van de aanpassing van het leeftijdscriterium bij de wet XXX tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, de artikelen 3/1, 4 en 14 van het voornoemd koninklijk besluit gewijzigd, waarbij het woord “eenentwintig” wordt vervangen door het woord “achttien”.

Het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, werd op 17 december 2020 door de voltallige vergadering van de Kamer aangenomen. Het moet de Koning nog ter ondertekening worden voorgelegd.

3. ADVIES

In de eerste plaats stelt de NHRPH een kleine redactionele fout vast in de Franse versie van het ontwerp van koninklijk besluit. Artikel 3, § 2 van het ontwerp van koninklijk besluit verwijst immers naar “la loi du XXX modifiant la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, concernant l’adaptation du critère d’âge de 21 à 18 ans”, terwijl het gaat om “la loi du XXX modifiant la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, portant adaptation du critère d’âge de 21 à 18 ans”.

De NHRPH is verheugd dat personen die tot nog toe geen recht hadden op bijkomende kinderbijslag, vanaf de bekendmaking van de wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar, drie maanden de tijd zullen hebben om een aanvraag in te dienen, en dat de beslissing die op hen betrekking heeft mogelijk een terugwerkende kracht zal hebben: deze beslissing zal ingaan vanaf het moment dat zij 18 jaar zijn geworden en ten vroegste vanaf 1 augustus 2020.

Er is wel één aandachtspunt voor de NHRPH. Indien de wet op korte termijn wordt bekendgemaakt (bijvoorbeeld eind december 2020) en het koninklijk besluit veel later wordt bekendgemaakt (bijvoorbeeld in februari), zal de administratie dan voldoende tijd hebben om de burgers op een correcte manier te informeren? Zou het niet beter zijn te bepalen dat de termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit? Men zou ook de mogelijkheid kunnen overwegen beide teksten op dezelfde dag in het Belgisch Staatsblad bekend te maken. De NHRPH wil de zekerheid dat dit probleem zich niet zal voordoen.

De NHRPH dringt erop aan dat aan deze maatregel ruime bekendheid wordt gegeven zodra die in werking treedt. Aangezien de personen in kwestie per definitie niet "in het systeem" zitten, moeten ze zo snel mogelijk over de maatregel worden ingelicht zodat ze hun rechten kunnen doen gelden. De NHRPH dringt er sterk op aan dat alle mogelijke kanalen worden geactiveerd, want een periode van 3 maanden is zeer kort.

De NHRPH stelt vast dat vanaf 01/01/2020 een aanzienlijk aantal hervormingen in werking treden die nieuwe aanvragen met zich zullen meebrengen. Het beheer ervan mag geen negatief effect hebben op de lopende dossiers.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal DG HAN
  • Ter info aan mevrouw Sarah Schlitz, Staatssecretaris voor Gelijke Kansen
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter info aan de Federale Ombudsman

 

  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/24 - COVID-premies

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot verlenging van de tijdelijke premies toegekend aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen in het kader van de maatregelen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19.

Advies op verzoek van de DG Personen met een handicap (DG HAN) per mail van 18/11/2020, uitgebracht op 20/11/2020 na raadpleging van de NHRPH-leden per e-mail van 19/11/2020 wegens de door de DG HAN gevraagde dringende behandeling.


1. ONDERWERP

Het voorontwerp van wet tot verlenging van de tijdelijke premies toegekend aan de gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen heeft tot doel een tijdelijke premie toe te kennen aan gerechtigden op bepaalde socialebijstandsuitkeringen, waaronder de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en/of integratietegemoetkoming (IT).


2. ANALYSE

De tijdelijke premie waarvan sprake is bedoeld om de negatieve gevolgen en bijkomende kosten op te vangen die de COVID-19-pandemie voor de meest kwetsbare categorieën veroorzaakt.

De premie werd oorspronkelijk toegekend van juli 2020 tot en met december 2020. Minister Karine Lalieux is van mening dat deze kwetsbare categorieën nog steeds extra ondersteuning nodig hebben, gelet op de heropleving van de epidemie en de strengere maatregelen door de overheid.

De federale regering heeft dus beslist de toekenning van deze tijdelijke premie van 50 euro te verlengen van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021, in het kader van een breed sociaaleconomisch steunpakket dat zij op 6 november 2020 voorstelde.


3. ADVIES

De NHRPH staat volledig achter de voorgestelde maatregel: die is welkom, maar ruimschoots ontoereikend.

Het bedrag van de maandelijkse premie dekt geenszins de kosten voor de nieuwe leefsituatie van personen met een handicap en hun gezin.
De extra kosten als gevolg van de gezondheidscrisis zijn immers zeer hoog voor personen met een handicap. De lange en pijnlijke crisis heeft de gebruikelijke uitsluiting, waarvan zij bij de grootste slachtoffers zijn, nog verergerd.

Alle personen met een handicap, ongeacht waar ze wonen (thuis of in een gemeenschap), werden geconfronteerd met nieuwe extra kosten op het vlak van

  • zorg: De nomenclatuur van de zorg wordt soms bepaald door de plaats waar de zorg wordt verstrekt. Zo wordt logopedie of kinesitherapie minder of helemaal niet terugbetaald indien deze buiten een revalidatiecentrum plaatsvindt.
  • begeleiding: De traditionele begeleiding door vrijwilligers werd volledig opgeschort.
  • basisvoorzieningen: De voorwaarden voor toegang tot basisvoorzieningen zijn zodanig geregeld dat bepaalde minder mobiele personen met een verstandelijke of zintuiglijke handicap hun vertrouwen en gebruikelijke referentiepunten hebben verloren en zich niet meer zelfstandig kunnen verplaatsen. In veel supermarkten zijn de goedkoopste producten ook regelmatig uitgeput.
  • communicatie: De lockdown leidt tot een hogere telefoon- en internetfactuur.
  • vervoer: Vervoer door een vrijwilliger van een vereniging is uiteraard goedkoper dan vervoer door een privétaxi die is aangepast aan de behoeften van de persoon met een handicap.

Deze extra kosten komen uiteraard bovenop de kosten waarmee de meeste burgers nu te maken krijgen. De toegekende premie dekt dus enkel maskers, gel en een heel klein deel van de hierboven genoemde, niet-exhaustieve lijst van extra kosten.

De NHRPH had het logisch gevonden dat de doelgroep van de premie werd uitgebreid tot andere categorieën die ook te maken krijgen met minstens een deel van de opgesomde extra kosten:

  • ‘Onregelmatige werknemers’ met een handicap ontvangen het bedrag van het leefloon als arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar werden vergeten bij de maatregel van 50 euro.
  • Wie vóór 1 maart 2020 ziek werd, had ook hogere kosten door COVID. Wie daarentegen na 1 maart 2020 ziek werd, krijgt een hogere uitkering (geplafonneerd basisloon + 10 %). Wie vóór 1 maart 2020 ziek werd, kreeg bovendien ook de premie van 50 euro niet.
    Zal deze verschillende behandeling naar gelang van het ogenblik waarop de persoon ziek werd, de gelijkheidstoets voor het Grondwettelijk Hof doorstaan?

De NHRPH herinnert aan de absolute noodzaak om de tegemoetkomingen voor personen met een handicap zo snel mogelijk op te trekken tot de armoedegrens. Dit zou de druk, ook psychologisch en mentaal, op de personen met een handicap al grotendeels verminderen. Dit geldt trouwens voor alle categorieën: alleenstaanden, gezinshoofden en samenwonenden met beperkte bestaansmiddelen.

Tot slot wil de NHRPH graag weten hoe de volgende aspecten zullen worden geïntegreerd in de uitvoering van de maatregel:

  1. De erkenning van de premie zal moeten worden afgestemd op de IVT, die sinds 1 augustus 2020 al vanaf 18-jarige leeftijd kan worden toegekend (terugwerkende kracht van de premie) (zie advies 2020-18). Ter herinnering: alle mogelijke uitkeringsgerechtigden die op 1 augustus 2020 minstens 18 jaar zijn, zullen vanaf 1 augustus 2020 terechtkomen in de regeling ‘IVT op 18-jarige leeftijd’. Het is dus logisch dat zij vanaf 1 augustus 2020 ook de maandelijkse premie van 50 euro ontvangen.
  2. Deze erkenning zal ook moeten worden afgestemd op de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van de arbeid’ vanaf 1 januari 2021.
  3. Zal er terugwerkende kracht zijn vanaf 1 juli 2020 voor de lopende aanvragen/beroepen?

De NHRPH wil graag bevestiging dat in deze drie hypothesen alle personen die in aanmerking kunnen komen voor een toekenning met terugwerkende kracht, ook de maandelijkse COVID-bedragen zullen ontvangen die in de regelgeving zijn voorzien, respectievelijk

  • van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 voor wie in de regeling ‘IVT vanaf 18 jaar’ terechtkomt, voor personen met een lopende aanvraag en voor wie wacht op een uitspraak;
  • van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 voor de nieuwe uitkeringsgerechtigden op wie de wet van 1987 van toepassing is, door middel van de nieuwe maatregelen inzake ‘prijs van de liefde’ en ‘prijs van de arbeid’.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan de heer Frank Vandenbroucke, Vice-eersteminister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan de DG HAN ;
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

 

  • Raadplegingen: 8

Advies 2020/23 - Prijs van de liefde en arbeid

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) houdende de inperking van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van de arbeid’.

Advies uitgebracht op 05/11/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 31/10/2020 wegens de gevraagde dringende behandeling.

Advies op verzoek van mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking (per mail van 27/10/2020). Het ontwerp werd op 30/10/2020 ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd.


1. ONDERWERP

Het ontwerp van koninklijk besluit in kwestie beoogt het inperken van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van de arbeid’.


2. ANALYSE

Over de vorm

In een mail van 27 oktober 2020 heeft de DG Personen met een handicap (DG HAN) een verzoek om een dringend advies van de Minister belast met Personen met een beperking doorgezonden. Het advies werd voor 29 oktober gevraagd (goedkeuring door de Ministerraad op 30 oktober). In een mail van 27 oktober heeft de voorzitster van de NHRPH erop gewezen dat het voor de NHRPH-leden absoluut onmogelijk is in minder dan 48 uur een advies te verstrekken over een materie waar voor personen met een handicap enorm veel op het spel staat.

Over de inhoud

Dit ontwerp van koninklijk besluit (KB) beoogt het inperken van de gevolgen van de ‘prijs van de liefde’ en de ‘prijs van het werk’. Het treedt op 1 januari 2021 in werking.

Het ontwerp van KB betreft drie wijzigingen die betrekking hebben op de berekening van de integratietegemoetkoming (IT). Deze wijzigingen worden aangebracht in het tweede, derde en vierde lid van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming:

  1. Het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt, is volledig vrijgesteld (‘prijs van de liefde’).
  2. Van het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap wordt € 60.949,45 bruto op jaarbasis vrijgesteld. Het arbeidsinkomen van de persoon met een handicap boven de € 60.949,45 bruto wordt in mindering gebracht (‘prijs van de arbeid’).
    De arbeidsinkomensgrens voor een persoon met een handicap komt overeen met het dubbele van het gemiddelde brutojaarloon in 2018 van een voltijds bediende in de privésector. Het gemiddelde brutomaandloon bedraagt € 3.627 per maand (bron: Statbel). Het dubbele op jaarbasis bedraagt € 87.048. Het huidige niet-geïndexeerde bedrag beloopt € 60.949,45.
  3. De vrijstelling voor het vervangingsinkomen wordt ook aangepast. Het plafond van de vrijstelling wordt vastgesteld op € 2.548,13.

Het doel van deze drie amendementen is personen met een handicap in staat te stellen integraal deel te nemen aan de samenleving. (Extra) werk moet financieel altijd aantrekkelijk zijn voor de betrokkene en zijn gezin.

Voor de nieuwe aanvragen die worden ingediend gedurende de drie maanden die volgen op de inwerkingtredingsdatum van het KB, kan het recht met terugwerkende kracht worden toegekend vanaf 1 januari 2021.

Het KB is van toepassing:

  1. op alle aanvragen die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, alsook op alle personen van wie het recht op de integratietegemoetkoming vanaf 1 januari 2021 ambtshalve wordt herzien;
  2. op alle personen voor wie nog geen administratieve beslissing voor hun recht op integratietegemoetkoming werd genomen op 1 januari 2021.


3. ADVIES

Over de vorm: het dringend verzoek om advies (advies gevraagd binnen 48 uur)

De NHRPH herinnert eraan dat elke hervorming van de wet van 27 februari 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan voor advies aan de NHRPH moet worden voorgelegd. Het onderzoeken van een adviesaanvraag vergt noodzakelijkerwijs een minimumduur die niet oneindig kan worden ingekort zonder het raadplegingsproces zinloos te maken. Opdat het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk daarbij zou worden betrokken, is het van essentieel belang dat het over de juiste en noodzakelijke tijd beschikt om zijn advies uit te brengen, de tijd voor:

  1. de behandeling van de aanvraag: het secretariaat stelt het ontwerp van advies op en informeert de leden van de plenaire vergadering grondig;
  2. de vragen en reflecties die de voorgestelde wijzigingen met zich brengen: deze uitwisseling vereist een contact tussen de leden – de maandelijkse plenaire vergaderingen zijn de geschikte plaats bij uitstek voor deze uitwisselingen. Een advies moet de aanleiding blijven voor een debat in de plenaire vergadering en voor een gedachtewisseling met de Minister die de hervorming voorstaat. De NHRPH maakt er altijd een erezaak van de aandachtspunten op het terrein in het debat op te nemen. Dit is de bestaansreden zelf van de NHRPH.
  3. de definitieve opmaak: de gedachtewisselingen moeten in het oorspronkelijke ontwerpadvies worden opgenomen. Ter herinnering: de NHRPH is een federaal orgaan en zijn adviezen moeten op zijn minst in het Nederlands en in het Frans worden opgesteld; idealiter zouden ze ook in het Duits moeten worden opgemaakt.

Dit proces, dat bedoeld is om opbouwend en participatief te zijn, vereist daarom altijd enkele dagen of zelfs weken.

Het KB tot oprichting van de NHRPH bepaalt dat de adviezen binnen de drie maanden na de aanvraag moeten worden uitgebracht. De NHRPH heeft zijn adviezen steeds binnen deze termijn verstrekt.

Sinds enkele jaren stelt de NHRPH vast dat duidelijk meer dringende adviezen worden gevraagd. Om aan deze dringende verzoeken tegemoet te komen, heeft de NHRPH een overlegprocedure per e-mail tussen het secretariaat en de twintig leden ingesteld. Deze procedure zorgt voor enorme frustratie omdat ze de interactie bemoeilijkt. De NHRPH voelt zich ook soms misbruikt: het advies werd gevraagd, maar de politieke reflectie is afgesloten, er is een akkoord over het dossier tijdens een voorafgaande interkabinettenvergadering en de ministers zullen de beslissingen van de kabinetsdirecteurs meestal goedkeuren. Het advies van de NHRPH zal het debat niet heropenen. Zoveel gemiste kansen voor een echte integratie van de behoeften en verwachtingen van personen en gezinnen in de politieke besluitvorming!

De NHRPH begrijpt zeer goed het principe van de scheiding der machten: de beslissingsmacht ligt bij de politiek. Het is haar taak om een beslissing te nemen. Maar vanaf het moment dat de minister het formalisme van de raadpleging moet onderschrijven, moet hij ook ervoor zorgen dat een kader wordt nageleefd dat deze raadpleging effectief mogelijk maakt! De NHRPH vragen een advies – dat overigens WETTELIJK VERPLICHT is – in enkele uren of dagen te verstrekken, getuigt werkelijk van weinig respect voor zijn rol. Het besluit in kwestie is overigens een uitvoering van de begrotingswet die het Parlement een maand geleden werd voorgelegd.

Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat België het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) op 2 juli 2009 heeft bekrachtigd: de aandachtspunten die de NHRPH hierboven aansnijdt, sluiten rechtstreeks aan bij de verbintenissen die België op het internationale toneel is aangegaan.

België heeft op 12 juni 2019, ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de bekrachtiging van het UNCRPD via zijn ambassadeur het woord gevoerd op de Tribune van de Verenigde Naties: het is ook belangrijk te wijzen op de noodzaak van een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld om de uitvoering van het Verdrag te waarborgen. De betrokkenheid van personen met een handicap en van hun representatieve organisaties bij de uitwerking van het beleid dat hen betreft, kan nog worden geconsolideerd, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

Ter herinnering, artikel 4.3 van het UNCRPD bepaalt het volgende:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

en de considerans o):

Overwegend dat personen met een handicap in de gelegenheid moeten worden gesteld actief betrokken te zijn bij de besluitvormingsprocessen over beleid en programma’s, met inbegrip van degenen die hen direct betreffen,

Deze twee bepalingen zijn duidelijk: de deelname van de adviesorganen aan de besluitvorming moet actief en gestructureerd zijn gedurende het hele proces, ook in de eerste reflectiefase.

Over de inhoud

De NHRPH neemt nota van het verdwijnen van de prijs van de liefde en van het uitbreiden van de prijs van de arbeid. Dit lijkt aantrekkelijk, maar de modaliteiten roepen een aantal inhoudelijke vragen op.

Een kleine herinnering

In theorie moet de IT de extra kosten dekken waarmee iemand door zijn verlies aan zelfredzaamheid te maken krijgt als gevolg van een grotendeels ontoegankelijke omgeving die zo meerkosten met zich meebrengt:

  • Het openbaar vervoer is niet toegankelijk genoeg. Heel wat personen met een handicap moeten zich per taxi verplaatsen.
  • De collectieve zorg- en begeleidingsvoorzieningen zijn onvoldoende aangepast aan de behoeften van personen met een handicap. De respijt- en thuisbegeleidingsvoorzieningen zijn specifieke, en duurdere voorzieningen.
  • ICT biedt geen formaten en software die zijn aangepast aan alle doelgroepen. Een smartphone of pc ‘op maat’ is altijd duurder dan een informaticatool voor het ‘grote publiek’.

In de praktijk volstaan de tegemoetkomingen voor personen met een handicap hooguit om te voorzien in hun basisbehoeften (Handilab-studie 2012).

Wat het principe betreft, is het niet logisch dat personen met een handicap hun IT verliezen wanneer zij werken of een huishouden vormen met iemand die een inkomen heeft. Zolang de omgeving ontoegankelijk is, verdwijnen de kosten wegens verlies van zelfredzaamheid immers niet. Het is overigens ook niet logisch dat de OCMW's rekening houden met de IT bij de evaluatie van de maatschappelijke hulp die aan personen met een handicap wordt toegekend.

1. Prijs van de liefde

  1. Alle inkomens van de partner worden vrijgesteld, ongeacht de aard of de omvang ervan. De NHRPH had een plafond per IT-categorie op prijs gesteld, waarboven het inkomen in mindering van de IT zou worden gebracht. De NHRPH herinnert eraan dat het stelsel van de tegemoetkomingen residuair is en dat alle uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op een menswaardige minimale levensstandaard. De NHRPH vraagt zich ook af of het inkomen van de partner steevast geneutraliseerd moet worden, ongeacht de aard ervan.
  2. Het afschaffen van de prijs van de liefde is een belangrijk signaal voor personen met een handicap die als koppel samenwonen. Tegelijk vertegenwoordigen zij 40 % van de personen met een handicap die een tegemoetkoming ontvangen; de resterende 60 % woont dus alleen of samen met familieleden (bloed- en aanverwanten). Voor hen werd niets extra’s voorzien, afgezien van een verhoging van het bedrag van de IVT (advies 2020-22)! Tenzij ze werk hebben, wat voor de meeste personen met een handicap niet het geval is (cf. prijs van de arbeid).

2. Prijs van de arbeid

  1. Afhankelijk van het feit dat de persoon werkt of niet, is de vrijstelling totaal verschillend.
  2. De NHRPH staat volledig achter de ondersteuning van het werk van personen met een handicap: vrijstelling voor het arbeidsinkomen is een krachtige stimulans.
    Tegelijk keurt de NHRPH het belachelijk lage bedrag van de symbolische bijkomende vrijstelling (iets meer dan € 120 extra per maand) af voor wie heeft gewerkt, maar een sociale uitkering (ziekenfonds, werkloosheid) ontvangt op het ogenblik waarop zijn of haar recht wordt berekend. Uitkeringsgerechtigden die niet meer werken, worden echt dubbel benadeeld: ze verliezen hun arbeidsinkomen terwijl hun gezondheidskosten vaak stijgen wanneer ze weer ziek worden. Wie een relatief goede gezondheid heeft en kan blijven werken, krijgt een volledige IT, terwijl wie om gezondheidsredenen niet meer kan werken, ook nog eens een (aanzienlijk) deel van zijn IT verliest.
    Heel concreet zal wie een
    • minimale invaliditeitsuitkering ontvangt, respectievelijk € 913, € 618 of € 3.312 van zijn of haar IT verliezen (dit geeft geen recht op een IT1), afhankelijk of hij of zij alleenstaand is, samenwoont met familieleden (bloed- en aanverwanten), of personen ten laste heeft;
    • maximale invaliditeitsuitkering ontvangt, respectievelijk € 5.965 (mogelijk vanaf een IT3), € 8.992 (mogelijk vanaf een IT4) en € 9.315 (mogelijk vanaf een IT4) verliezen.
  3. De NHRPH pleit voor een vrijstelling die evolueert volgens het bedrag van de IVT, omdat de gevolgen op het vervangingsinkomen dan gunstiger zijn voor wie niet kan werken: de vrijstelling zou dan respectievelijk € 2.558 (samenwonend met familieleden (bloed- en aanverwanten)), € 3.838 (alleenstaand) en € 5.187 (persoon ten laste) bedragen.
    De NHRPH herinnert eraan dat het recht op de IT een recht voor alle uitkeringsgerechtigden zou moeten zijn, zeker voor de uitkeringsgerechtigden met de laagste bestaansmiddelen (ongeacht de aard ervan).
  4. Er dient ook op gewezen dat bij pensionering de erkenning voor IT volledig wegvalt voor wie een (beperkte) IT zou behouden (prijs van de arbeid), want de inkomsten uit arbeid worden vervangen door niet-professionele inkomsten. De NHRPH vraagt ook deze valkuil zo snel mogelijk weg te werken.
  5. De toegang tot de gewone arbeidsmarkt is zeer exclusief voor personen met een handicap, en slechts 23 % van hen heeft werk (tegenover 63 % van de zogenaamde valide bevolking) (https://statbel.fgov.be/nl/nieuws/23-van-personen-met-een-handicap-heeft-werk).
    Heel wat personen met een handicap kunnen niet werken wegens ongunstige omgevingsfactoren (vooroordelen, onzekere contracten, weinig kwalificerende opleidingen, …); anderen hebben al meermaals geprobeerd te werken, maar moesten hiervan afzien door een zwakke gezondheid of herval. Al deze personen krijgen een inkomensvervangende tegemoetkoming, niet uit vrije keuze maar uit noodzaak. Wie een werkloosheids- of ziekenfondsuitkering krijgt, is in eerste instantie iemand die wou werken. Hij of zij heeft er niet voor gekozen zijn of haar overeenkomst te beëindigen: dat gebeurde wegens de (economische) omgeving of de gezondheidstoestand.

De NHRPH vestigt de aandacht erop dat personen met een handicap ook tegelijk slachtoffer kunnen zijn van de ‘prijs van de arbeid’ en de ‘prijs van de liefde’. Het is het onderzoeken waard of ook daar een plafond moet voor worden bepaald.

Tot slot heeft de NHRPH een vraag over de financiering van beide maatregelen. De tegemoetkomingen van de reeds erkende personen zullen worden verhoogd, maar er zullen ook nieuwe rechthebbenden zijn, rechthebbenden die voordien werden geweigerd (wegens de inkomensplafonds) of die nog geen tegemoetkoming hadden aangevraagd. Is er een inschatting van het aantal personen dat in aanmerking kan komen? De NHRPH vraagt dus formeel een grondige controle van de cijfers en budgettaire uitdagingen, alsook van de haalbaarheid van de maatregelen.

De NHRPH wil ook weten hoe de bekendmaking rond deze twee hervormingen zal worden georganiseerd.

De NHRPH merkt immers op dat personen met een handicap er belang bij hebben hun aanvraag zo snel mogelijk in te dienen, omdat er vanaf 1 januari 2021 een terugwerkende kracht geldt voor de nieuwe aanvragen die worden ingediend gedurende de drie maanden die volgen op de inwerkingtredingsdatum van het KB. Betekent dit in de praktijk dat wie twintig jaar getrouwd is en zijn aanvraag op 15 juni 2021 indient, vanaf 1 juli een tegemoetkoming krijgt, terwijl eenzelfde aanvraag die op 15 februari 2021 wordt ingediend, vanaf 1 januari 2021 met terugwerkende kracht geldt? Is deze bepaling niet discriminerend?

Samengevat

De NHRPH is niet gekant tegen de maatregelen als zodanig: het werk van personen met een handicap ondersteunen en hen tot vrije relationele levenskeuze in staat stellen zijn uiteraard signalen van erkenning die in de goede richting gaan. Tegelijk leiden de twee huidige hervormingen ‘prijs van de arbeid’ en ‘prijs van de liefde’, die afzonderlijk werden aangenomen, tot nieuwe, grote spanningen tussen de categorieën van uitkeringsgerechtigden. Het is nooit wenselijk groepen tegenover elkaar te stellen. Zeker niet in deze moeilijke periode die de sociale en gezondheidscrisis betekent voor de meeste personen met een handicap.

Personen met een handicap en hun gezinnen wachten al jarenlang op een meer omvattende hervorming, die ook geldt voor personen met een handicap en samenwonenden (de grote meerderheid van de uitkeringsgerechtigden) en personen met een handicap die niet kunnen werken. Ook moeten de berekeningswijze voor de tegemoetkomingen (momenteel jaar -2/-1), de gezinscategorieën (die niet meer overeenkomen met de huidige samenlevingsvormen), de levenssituatie van wie in collectieve woonvoorzieningen verblijft, de redenen voor herziening, ... worden herzien.

Personen met een handicap willen, net als elke burger, kiezen waar ze willen wonen en maximale financiële onafhankelijkheid verwerven. De wet van 27 februari 1987 laat deze keuzes niet toe. Personen met een handicap die in het stelsel van de tegemoetkomingen terechtkomen, zien hun streven naar materiële welstand en zelfstandigheid afgegrendeld. Deze wettekst is volledig in tegenspraak met de UNCRPD-tekst die België in 2009 heeft bekrachtigd.

De NHRPH herinnert eraan dat er een globale tekst bestaat: die werd opgesteld op basis van de behoeften van personen met een handicap en werd door de verenigingen onderschreven. De NHRPH hoopt van harte dat de huidige Minister belast met Personen met een beperking de hervorming van de wet van 27 februari 1987 tot de top van haar sociale prioriteiten zal verheffen (advies 2014-04).

De NHRPH wenst het standpunt van de Minister belast met Personen met een beperking te kennen over deze specifieke vraag: "Is de Minister van plan de wet van 27 februari 1987 grondig te hervormen?"

============

Opmerking over de procedure: het secretariaat van de NHRPH verneemt bij de afronding van dit advies (5 november 2020) dat het ontwerpbesluit uiteindelijk niet aan de Ministerraad werd voorgelegd op 30 oktober 2020. Het secretariaat heeft geen verdere informatie.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 14

Advies 2020/22 - Verhoging inkomensvervangende tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit (KB) houdende verhoging van het bedrag van categorie A, B en C van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Advies uitgebracht op 05/11/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH per e-mail van 31/10/2020 wegens de gevraagde dringende behandeling.

Advies op verzoek van 27/10/2020 van mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking. Op 30/10/2020 werd een wijziging van het ontwerp van KB bezorgd. Het ontwerp werd de Ministerraad op 30/10/2020 ter goedkeuring voorgelegd.


1. ONDERWERP

Het koninklijk besluit in kwestie heeft tot doel het maandelijks bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor de categorieën A, B en C te verhogen.


2. ANALYSE

Over de vorm

In een e-mail van 28 oktober 2020 heeft de DG Personen met een handicap (DG HAN) een verzoek om een dringend advies van de Minister belast met Personen met een beperking doorgezonden. Het advies werd voor 29 oktober 2020 gevraagd (goedkeuring door de Ministerraad op 30 oktober). In een e-mail van 28 oktober 2020 heeft de voorzitster van de NHRPH erop gewezen dat het voor de NHRPH-leden absoluut onmogelijk is in minder dan 48 uur een advies te verstrekken op een gebied waar voor personen met een handicap enorm veel op het spel staat.

Per mail van 30 oktober ’s morgens heeft de DG HAN een nieuw ontwerp van KB bezorgd waarin de cijfers van de versie van 28 oktober 2020 werden herzien.

Over de inhoud

Het regeerakkoord voorzag in een verhoging van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) met 10,75%, gespreid over vier perioden van een jaar.   

De nieuwe niet-geïndexeerde basisbedragen van de IVT die vanaf 01/01/2021 zullen gelden, zijn:

  • categorie A: € 5.511,93
  • categorie B: € 8.267,90
  • categorie C: € 11 173,55

De nieuwe niet-geïndexeerde basisbedragen van de IVT die vanaf 01/01/2022 zullen gelden, zijn:

  • categorie A: € 5.654,44
  • categorie B: € 8.481,67
  • categorie C: € 11.462,44

De nieuwe niet-geïndexeerde basisbedragen van de IVT die vanaf 01/01/2023 zullen gelden, zijn:

  • categorie A: € 5.800,64
  • categorie B: € 8.700,96
  • categorie C: € 11.758,80

De nieuwe niet-geïndexeerde basisbedragen van de IVT die vanaf 01/01/2024 zullen gelden, zijn:

  • categorie A: €5.950,62
  • categorie B: € 8.925,92
  • categorie C: € 12.062,82


3. ADVIES

Over de vorm: het dringend verzoek om advies (advies gevraagd binnen 24 uur)

De NHRPH herinnert eraan dat elke hervorming van de wet van 27 februari 1987 en van de uitvoeringsbesluiten ervan voor advies aan de NHRPH moet worden voorgelegd. Het onderzoeken van een adviesaanvraag vergt noodzakelijkerwijs een minimumduur die niet oneindig kan worden ingekort zonder raadplegingsproces zinloos te maken. Opdat het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk daarbij zou worden betrokken, is het van essentieel belang dat het over de juiste en noodzakelijke tijd beschikt om zijn advies uit te brengen, de tijd voor:

  1. de behandeling van de aanvraag: het secretariaat stelt het ontwerp van advies op en informeert de leden van de plenaire vergadering grondig;
  2. de vragen en reflecties die de voorgestelde wijzigingen met zich meebrengen: deze uitwisseling vereist een contact tussen de leden - de maandelijkse plenaire vergaderingen zijn de geschikte plaats bij uitstek voor deze uitwisselingen. Een advies moet de aanleiding blijven voor een debat in de plenaire vergadering en voor een gedachtewisseling met de Minister die de hervorming voorstaat. De NHRPH maakt er altijd een erezaak van de aandachtspunten op het terrein in het debat op te nemen. Dit is de bestaande reden zelf van de NHRPH.
  3. de definitieve opmaak: de gedachtewisselingen moeten in het oorspronkelijk ontwerpadvies opgenomen worden. Ter herinnering: de NHRPH is een federaal orgaan en zijn adviezen moeten op zijn minst in het Nederlands en in het Frans worden opgesteld; idealiter zouden ze ook in het Duits moeten worden opgemaakt.

Dit proces, dat bedoeld is om opbouwend en participatief te zijn, vereist daarom altijd enkele dagen of zelfs weken.

Het koninklijk besluit tot oprichting van de NHRPH bepaalt dat de adviezen binnen 3 maanden na de aanvraag moeten worden uitgebracht. De NHRPH heeft zijn adviezen altijd binnen deze termijn verstrekt.

Sinds enkele jaren stelt de NHRPH vast dat duidelijk steeds meer dringende adviezen worden gevraagd. Om aan deze dringende verzoeken tegemoet te komen, heeft de NHRPH een overlegprocedure per e-mail tussen het secretariaat en de twintig leden ingesteld. Deze procedure zorgt voor enorme frustraties omdat ze de interactie bemoeilijkt. De NHRPH voelt zich ook soms misbruikt: het advies werd gevraagd, maar de politieke reflectie is afgesloten, er is een akkoord over het dossier tijdens een voorafgaande interkabinetsvergadering en de ministers zullen de beslissingen van de kabinetsdirecteurs meestal goedkeuren. Het advies van de NHRPH zal het debat niet heropenen. Zoveel gemiste kansen voor een echte integratie van de behoeften en verwachtingen van personen en gezinnen in de politieke besluitvorming!

De NHRPH begrijpt zeer goed het principe van de scheiding der machten: de beslissingsmacht ligt bij de politiek. Het is haar taak om een beslissing te nemen. Maar vanaf het moment dat de minister het formalisme van de raadpleging moet onderschrijven, moet hij ook ervoor zorgen dat een kader wordt nageleefd, dat deze raadpleging effectief mogelijk maakt! De NHRPH vragen een advies - dat overigens WETTELIJK VERPLICHT is - in enkele uren of dagen te verstrekken, grenst aan intellectuele oneerlijkheid. Het besluit in kwestie is overigens een uitvoering van de begrotingswet die het Parlement een maand geleden werd voorgelegd.

Tot slot herinnert de NHRPH eraan dat België het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (UNCRPD) op 2 juli 2009 heeft bekrachtigd: de aandachtspunten die de NHRPH hierboven aansnijdt, sluiten rechtstreeks aan bij de verbintenissen die België op het internationaal toneel is aangegaan.

België heeft op 12 juni 2019, ter gelegenheid van de 10de verjaardag van de bekrachtiging van het UNCRPD via zijn ambassadeur het woord gevoerd op de Tribune van de Verenigde Naties: het is het ook belangrijk te wijzen op de noodzaak van een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld om de uitvoering van het Verdrag te waarborgen. De betrokkenheid van personen met een handicap en van hun representatieve organisaties bij de uitwerking van het beleid dat hen betreft, kan nog worden geconsolideerd, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

Ter herinnering, artikel 4, lid 3, van het UNCRPD bepaalt het volgende:

Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.

En de considerans o):

Overwegend dat personen met een handicap in de gelegenheid moeten worden gesteld actief betrokken te zijn bij de besluitvormingsprocessen over beleid en programma’s, met inbegrip van degenen die hen direct betreffen,

Deze twee bepalingen zijn duidelijk: de deelname van de adviesorganen aan de besluitvorming moet actief en gestructureerd zijn gedurende het hele proces, ook in de eerste reflectiefase.

Over de inhoud

De NHRPH is verheugd over deze verhoging van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen die tot een van de 3 categorieën (A, B of C) behoren. Hij wenst de bevestiging dat de verhoging van de vrijstelling voor de integratietegemoetkoming (IT) is voorzien op basis van exact dezelfde bedragen.

In essentie volstaan de opeenvolgende verhogingen ook niet om de armoedegrens tegen het einde van de regeerperiode te bereiken. De NHRPH herinnert aan zijn uiteindelijke vraag om de IVT te verhogen tot het niveau van het gewaarborgd minimuminkomen. De persoon met een handicap wordt geconfronteerd met vaste en onvermijdelijke kosten die verband houden met zijn of haar gezondheidstoestand en leefomgeving, die niet toegankelijk is. Deze situatie brengt enorme kosten met zich mee, die de zogenaamde valide persoon niet heeft. De overgrote meerderheid van personen met een handicap leeft in armoede; de hervorming van de wet van 1987 is een onontbeerlijke stap om uit deze situatie te geraken: zie volgende volledige en recente analyse.

De NHRPH herinnert eraan dat hij al jaren pleit voor een meer volledige hervorming van het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, die zou voorzien in de huidige behoeften van personen met een handicap: net als elke burger, kiezen waar ze willen wonen en maximale financiële onafhankelijkheid verwerven. De wet van 27 februari 1987 laat deze keuzes niet toe. De persoon met een handicap die in het stelsel van de tegemoetkomingen terechtkomt, ziet zijn materieel bestaan en emancipatievermogen afgegrendeld. Deze wettekst is volledig in tegenspraak met de UNCRPD-tekst die België in 2009 heeft bekrachtigd.

De NHRPH herinnert eraan dat er een globale tekst bestaat: hij werd opgesteld op basis van de behoeften van personen met een handicap en werd door de verenigingen onderschreven. De NHRPH hoopt van harte dat de huidige Minister belast met Personen met een beperking de hervorming van de wet van 27 februari 1987 tot de top van haar sociale prioriteiten zal verheffen. Zie advies 2014-04.

De NHRPH wenst het standpunt van de Minister belast met Personen met een beperking te kennen over deze specifieke vraag: "Is de Minister van plan de wet van 27 februari 1987 grondig te hervormen?"

==============

Opmerking betreffende de procedure: het secretariaat van de NHRPH verneemt bij de afronding van dit advies (5 november) dat het ontwerpbesluit uiteindelijk niet aan de Ministerraad werd voorgelegd op 30 oktober 2020. Het secretariaat heeft geen verdere informatie.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan Mevrouw Karine Lalieux, Minister belast met Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Alexander de Croo, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 12

Advies 2020/21 - Prioriteiten regering De Croo

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Mobiliteit, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof, Stemrecht - Verkiezingen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Verslag van de formateurs van 30 september 2020, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19/10/2020

Advies op initiatief van de NHRPH

1. ONDERWERP

Op 30 september 2020 hebben de twee formateurs van de federale regering een Verslag gepubliceerd. Dit Verslag dient als basis voor de vorming van de nieuwe federale regering. De NHRPH heeft er de elementen uitgelicht die direct of indirect betrekking hebben op personen met een handicap en wil de aandacht van de regeringsleden op verschillende punten vestigen.


2. ANALYSE

A. COVID-crisis

De regering stelt voor een periode van twaalf maanden een commissaris aan, bijgestaan door een team, om het gezondheidsbeleid van de federale overheid en dat van de deelstaten te coördineren.

Om coronamoeheid te vermijden is er een nieuw contract met de burgers, de bedrijven en de instellingen nodig, met maatregelen die begrijpelijk zijn, die als zinvol worden ervaren en die sociale leefbaarheid garanderen.

Er moet een nieuwe uitbraak worden opgevangen en worden bepaald hoe in te grijpen. De eerstelijnszorg, de rusthuizen (en verzorgingstehuizen) en andere zorginstellingen zullen hiervoor op mobiele (ziekenhuis)teams kunnen rekenen.

Een interfederale en multidisciplinaire werkgroep wordt belast met de evaluatie en actualisatie van bestaande noodplannen (energiebevoorrading, voedselbevoorrading, voedselrampen, ozon en hitte, rustoorden, nucleair etc.). De werkgroep zal ook nagaan welke bijkomende noodplannen opportuun zijn.

B. Gezondheidszorg

De bedoeling is tegen 2030 de gezondheidskloof tussen mensen met het hoogste en het laagste aantal te verwachten gezonde levensjaren met minstens 25 % te verkleinen en het aantal vermijdbare sterfgevallen met 15 % terug te dringen. Daarom werkt de regering een gezondheidszorgdata-autoriteit uit, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en implementatie van een beleidsstrategie.

De regering wil ziekten bestrijden, maar ze ook voorkomen, door preventieve controleonderzoeken te stimuleren (o.a. tandzorg, dieetzorg, psychische zorg, risicopatiënten etc.). De regering wil ook een interfederaal plan ‘chronisch zieken’ uitwerken.

De wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de geesteszieke persoon wordt grondig hervormd op basis van nieuwe inzichten in de gezondheidszorg en justitie. Het voorbereidend werk dat tijdens de vorige legislatuur werd geleverd door een gemengde werkgroep justitie-GGZ (geestelijke gezondheidszorg) is daarvoor de basis. Experts wordt gevraagd een aanpak uit te werken om de impact van ernstig verslaafde ouders en toekomstige ouders op kinderen te verminderen.

De herziening van de wetgeving op de gezondheidszorgberoepen (wet van 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen) wordt verder uitgerold en gemoderniseerd. Taken worden toegewezen aan zorgverleners die ze op de meest doelmatige en kwaliteitsvolle manier uitoefenen.

C. Sociale zekerheid

De sociale zekerheid wordt grondig gemoderniseerd, in samenwerking met de sociale partners. Volgende punten komen daarbij aan bod:

  • een toekomstgerichte sociale zekerheid;
  • een duurzame sociale zekerheid;
  • een cultuur van monitoring en evaluatie;
  • een sterke en doelmatige sociale zekerheid;
  • een inclusieve arbeidsmarkt;

De regering zal ook sociale fraude in de uitkeringsstelsels en zwartwerk bestrijden.

Teneinde de effectieve loopbaanduur van de werknemers op te trekken, zullen er maatregelen worden genomen inzake eindeloopbaanregeling. Dat kan o.a. worden gerealiseerd via het deeltijdse pensioen, de zachte landingsbanen, de vorming en heroriëntatie doorheen de loopbaan, en door de overdracht van knowhow tussen generaties van werknemers te bevorderen.

De verouderde regeling van het ziektepensioen voor arbeidsongeschikte ambtenaren zal worden geëvalueerd, zeker voor ambtenaren die nog ver verwijderd zijn van de pensioenleeftijd, en meer in lijn worden gebracht met de regeling inzake arbeidsongeschiktheid en de daarbij horende re-integratietrajecten die bestaan bij de werknemers.

D. Overheid en ambtenarenzaken

De regering wil de administratieve lasten voor de burger en de ondernemingen afbouwen, o.a. door de digitale dienstverlening te verbeteren, het ontsluiten en het verder ontwikkelen van e-governmenttoepassingen, met respect voor de ‘only once-’ en ‘think small first’-principes. Tegelijk verbindt zij zich ertoe te garanderen dat de publieke dienstverlening voor iedereen toegankelijk blijft, ook voor de burgers met weinig digitale vaardigheden, een laag inkomen of een handicap.

De regering zal het gebruik van de EDC (European Disability Card) promoten bij de lokale besturen en zorgen dat de kaart ook beter bekend wordt gemaakt bij de overheidsdiensten en de politie. De regering wil ook de gezondheidszorg digitaliseren en innoveren en de infrastructuur en mobiliteit verbeteren.

Voorts wil de regering de elektronische betalingen fors uitbreiden (het aantal cash betaalde transacties drastisch terugbrengen tegen het einde van de legislatuur).

Een ambitieus armoedebestrijdingsplan zal in samenspraak met armoedeorganisaties, de deelstaten en andere stakeholders worden opgemaakt. Dit plan is gebaseerd op verschillende principes, waaronder het verbeteren van zowel het inkomen van gezinnen in armoede als het gebruik van rechten en duurzame banen als zeer belangrijke hefboom voor armoedebestrijding.

Er zal worden onderzocht of de bestaande sociale en fiscale regelgeving nog aangepast is aan de moderne samenlevingsvormen.

De regering doet extra inspanningen om haar streefcijfer van minstens 3 % voor tewerkstelling van personen met een handicap bij overheidsdiensten te halen, onder meer in haar rekruteringsbeleid en het beleid rond werkomgeving.

E. Relanceplan

Er wordt een interfederaal herstel- en overgangsplan uitgewerkt, dat ons land een elektroschok moet geven. In de eerste plaats via het creëren van tewerkstelling. Het hebben van een kwaliteitsvolle job is de beste sociale bescherming tegen armoede en voor bestaanszekerheid.

Er moet een interfederaal investeringsplan worden opgesteld om dit te concretiseren en onze instrumenten te moderniseren zodat ons land competitief en welvarend blijft. Het investeringsplan bouwt voort op de verschillende domeinen die eerder zijn gedefinieerd in het Nationaal Pact voor strategische investeringen, meer bepaald:

  • digitalisering en innovatie van de gezondheidszorg;
  • energietransitie;
  • verbetering van onze infrastructuur en mobiliteit;
  • onderwijs en academisch onderzoek;
  • digitale agenda, ...

De regering stelt zichzelf als doel elektronisch betalen fors uit te breiden. De consument moet steeds de mogelijkheid krijgen om cashloos te betalen. De plafonds voor contactloos betalen worden verder opgetrokken. In dat kader zullen de werkgeversorganisaties, de organisaties voor consumentenbescherming en de banken worden geconsulteerd. Het is niet de bedoeling om betalingen met cash geld volledig af te schaffen, maar de regering wenst het aantal cash betaalde transacties wel drastisch terug te brengen tegen het einde van de legislatuur.

F. Armoedebestrijding en toegang tot rechten

Een ambitieus armoedebestrijdingsplan zal in samenspraak met armoedeorganisaties, deelstaten en andere stakeholders worden opgemaakt.

De sociale uitkeringen zullen worden opgetrokken richting de armoedegrens, en daarnaast worden systemen voor aanvullende financiële steun voorzien (bijv. REMI – referentiebudget).

De regering wil ook de inspanningen op het gebied van automatisering en de strijd tegen de non take-up voortzetten.

Sociale rechten worden toegekend op basis van inkomen in plaats van op basis van statuut.

De regering wil het inkomen van gezinnen in armoede en het gebruik van rechten verbeteren en zorgen voor duurzame banen (zeer belangrijke hefboom voor armoedebestrijding).

Zij zal de bestaande sociale en fiscale regelgeving onderzoeken en deze aanpassen aan de moderne samenlevingsvormen.

Voor de rechten die niet automatisch kunnen worden toegekend, wordt een digitale tool beschikbaar gesteld ten behoeve van de sociaal werkers die op basis van statuut, inkomen, woonplaats en gezinssituatie aangeeft op welke lokale en bovenlokale steun een huishouden recht heeft.

Er zal eveneens onderzocht worden of de sociale en fiscale regelgeving nog aangepast is aan de moderne samenlevingsvormen (nieuwe vormen van cohousing en solidariteit zoals kangoeroewonen) en/of zorgformules en aan de keuzes van eenieder.

De regering moderniseert ook de toekenning van de tegemoetkomingen, ondersteunt de DG Personen met een handicap (DG HAN) en versterkt het multidisciplinaire karakter van de medische beoordeling.

G. Arbeidsmarkt

Als alternatief voor een verdere verlenging van het corona- ouderschapsverlof wordt tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, op basis van een specifiek quarantaineattest, aangewend voor ouders van schoolgaande kinderen, kinderen in crèches en kinderen met een handicap in een instelling, wanneer zij enkel thuis kunnen worden opgevangen vanwege COVID-19.

Personen die inactief zijn op de arbeidsmarkt, worden aangemoedigd en geholpen om de stap naar werk te zetten. Het gaat in het bijzonder over personen met een leefloon, langdurig zieken en personen met een handicap. Ook drempels voor tewerkstelling en om meer te werken worden weggenomen. De regering versterkt hiervoor het overleg en de samenwerking met de deelstaten (onder andere IMC (Interministeriële Conferentie) en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap).

Voor personen met een handicap is de leidraad in het beleid het Verdrag van de VN inzake de rechten van personen met een handicap.

Voor personen met een handicap worden de financiële drempels om (deeltijds) te kunnen werken weggewerkt. De regering zal voor deze doelgroep een systeem van vrijwillige werkhervatting uitwerken dat geïnspireerd is op dat van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met aandacht voor de specificiteit van de doelgroep. De regering ondersteunt ook ondernemerschap bij personen met een handicap en zorgt ervoor dat zij een zelfstandige activiteit kunnen opstarten, door onder andere specifiek voor deze groep de financiële drempels te verlagen om toe te treden tot het sociaal statuut voor de zelfstandigen.

De organisatie en het beheer van de re-integratietrajecten zullen worden geëvalueerd. De procedures worden vereenvoudigd en gestroomlijnd zodat meer werknemers (sneller) een re-integratietraject kunnen starten en succesvol beëindigen. Dit traject gaat uit van een multidisciplinaire aanpak waarbij de arbeidsbemiddelingsdiensten tijdig betrokken worden.

Zowel ondernemingen als werknemers moeten met raad en daad worden bijgestaan om de re-integratietrajecten op te starten en tot een succesvol einde te brengen.

De strijd voor diversiteit en tegen alle vormen van discriminatie krijgt bijzondere aandacht.

De regering start een overleg op met de sociale partners over de vereenvoudiging, harmonisering en optimalisering van de verschillende verlofstelsels, met specifieke aandacht voor de motieven zorg en combinatie van werk en gezin.

H. Overheidsbedrijven

Wat bpost betreft, zal de regering het kader van de postdiensten en de beheersovereenkomst met betrekking tot de universele postdienst aanpassen aan de wijzigende behoeften van burgers en ondernemingen, rekening houdend met een aantal doelstellingen en met de burgers die het zwakst staan in de maatschappij bij de digitale transformatie.

I. Koopkracht

Het minimumpensioen wordt geleidelijk opgetrokken (volledige en onvolledige loopbaan) richting 1.500 euro netto voor een volledige loopbaan.

De laagste uitkeringen worden eveneens geleidelijk opgetrokken richting de armoedegrens.

Er worden specifieke modaliteiten voorzien om inactiviteitsvallen te vermijden. Voor personen met een handicap zullen de prijs van de liefde en de prijs van de arbeid verder worden teruggedrongen om volwaardig te kunnen participeren aan de maatschappij.

(Extra) werken moet altijd financieel aantrekkelijk zijn voor de betrokkene en zijn gezin.

De regering ziet erop toe dat de toegang tot basisbankdiensten geen dode letter blijft voor kwetsbare groepen, die een aangepaste dienstverlening nodig hebben, zoals personen met een handicap, ouderen of personen die geen digitale toegang tot bankdiensten hebben.

De regering neemt maatregelen om het recht om vergeten te worden in het verzekeringsrecht te verbeteren. Er wordt onderzocht of en onder welke voorwaarden de lijst met chronische ziekten verder kan worden aangevuld. De regering zal onderzoeken hoe het recht om vergeten te worden kan worden uitgebreid tot andere gezondheidsverzekeringen.

De regering onderzoekt de mogelijkheid om de consument die het sociale tarief voor telecom geniet, de keuze te laten maken voor mobiele diensten in plaats van vaste.

J. Justitie en veiligheid

De werking van justitie moet efficiënter, toegankelijker en begrijpelijker worden gemaakt. De regering evalueert ook de mogelijkheden om de toegang en de kwaliteit van de rechtsbijstand voor kwetsbare bevolkingsgroepen die met een veelheid aan juridische en sociale problemen worden geconfronteerd, te verbeteren.

Er is aangepaste capaciteit nodig op het vlak van forensische psychiatrische centra en gevangenissen. Bij de uitvoering van de masterplannen gaat de eerste prioriteit uit naar de bouw van de nieuwe forensische psychiatrische centra (Aalst, Paifve en Waver). Bij de evaluatie van de masterplannen wordt er rekening mee gehouden dat geïnterneerden niet in de gevangenis thuishoren.

K. Fiscaliteit

De regering bereidt een brede fiscale hervorming voor om het belastingstelsel te moderniseren, te vereenvoudigen, rechtvaardiger en neutraler te maken. Deze hervorming moet op die manier bijdragen aan de verbintenissen van de regering in dit regeerakkoord zoals de strijd tegen armoede en de ondersteuning van gezinnen.

De toeslag op de belastingvrije som voor opvang van (groot)ouders en broers/zussen ten laste van 65 jaar of ouder wordt verhoogd.

L. Energie

Een betaalbare energiefactuur is essentieel voor burgers en bedrijven.

M. Mobiliteit

Deze regering zal extra investeren in het spoor. De investeringen spitsen zich toe op:

  • de aankoop van nieuw rollend materieel;
  • modernisering, onderhoud, toegankelijkheid en multimodaliteit van de stations;
  • de toegankelijkheid van treinen en perrons: de regering maakt versneld werk van het verhogen van de perrons en kort de reservatietermijn voor assistentie in. Elk station met meer dan 5.000 reizigers per dag is toegankelijk tegen 2024. Nieuwe treintoestellen die de NMBS aankoopt, zullen toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Er komt een evaluatie van de huidige toegankelijkheid en op grond daarvan een actie- en stappenplan om de toegankelijkheid te verbeteren.

De FOD Mobiliteit en Vervoer zal met de steun van Infrabel, de NMBS en de verschillende stakeholders, zoals de gewestelijke vervoersmaatschappijen, een visie op de in 2040 verwachte dienstverlening en uitbating uitwerken. Die visie zal worden gebaseerd op ambitieuze doelstellingen in verband met het vervoersaandeel en zal onder meer de ontwikkeling van een geïntegreerd openbaar vervoersysteem beogen.

N. Institutionele hervorming

Het doel is een nieuwe staatsstructuur vanaf 2024 met een homogenere en efficiëntere bevoegdheidsverdeling met inachtneming van de principes van subsidiariteit en interpersoonlijke solidariteit.

De federale overheid kan gebruik maken van de mogelijkheid om haar bevoegdheden op asymmetrische wijze uit te oefenen naargelang het betrokken Gewest, de betrokken Gemeenschap of subregio waarop het betrekking heeft.

Het Overlegcomité komt als centraal punt voor overleg, samenwerking en coördinatie tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten regelmatiger samen met de bedoeling om met naleving van eenieders bevoegdheden beleidslijnen beter op elkaar af te stemmen.

De regering garandeert dat de essentiële interministeriële conferenties regelmatig samenkomen en engageert zich voor een betere werking van de IMC’s, met inbegrip van de aanduiding van de voorzitterschappen.

O. Democratische vernieuwing en ethiek

De Kamer zal uitvoering geven aan de wet inzake het nieuwe burgerinitiatief, waarbij een petitie van burgers aanleiding kan geven tot het voorstellen van een wetgevend initiatief in de bevoegde Kamercommissie.

Ter verdieping van deze eerste reeks hervormingen zal er eveneens een dynamiek opgestart worden in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarbij burgers, de universitaire wereld en het maatschappelijk middenveld betrokken worden. De volgende elementen komen o.a. aan bod:

  • een grotere betrokkenheid van de burgers in het besluitvormingsproces, met respect voor de beginselen van onze representatieve democratie;
  • modernisering van de grondwettelijke rechten en vrijheden, zonder afbreuk te doen aan de reeds gewaarborgde grondwettelijke rechten en vrijheden.

De regering waakt erover dat het gelijkekansencentrum Unia zijn rol van onafhankelijke, openbare instelling die discriminatie bestrijdt, ten volle kan spelen.

Een performant mensenrechteninstituut met internationale A-status krijgt deze legislatuur vorm. De regering streeft naar een interfederaal mensenrechteninstituut, dat over een klachtenprocedure zal beschikken.

Het landschap van de verschillende publieke gelijkheids- en mensenrechtenorganen en de betrokken administraties wordt geëvalueerd. Daarbij worden de nodige maatregelen genomen om samenwerking en efficiëntie te versterken.

De regering verbindt zich ertoe een multidisciplinair team van experten de opdracht te geven de wetgeving wetenschappelijk te evalueren en te toetsen aan de praktijk, de lacunes in de wetgeving te inventariseren en voorstellen tot aanpassing uit te werken vooraleer in consensus wetgevende initiatieven te nemen.

Er wordt deze legislatuur een actieplan voor universele toegankelijkheid gelanceerd waarbij een structurele toegankelijkheid van de ruimte en de publieke dienstverlening het einddoel is. Dit actieplan voorziet minstens in gestandaardiseerde richtlijnen, objectieve doelstellingen en een monitoring daarvan.

P. Europa

België schaart zich achter de uitbouw van de sociale pijler en het initiatief van de Europese Commissie om een minimumloon in de EU te garanderen en om een permanent Europees werkloosheidsherverzekeringssysteem uit te werken.


3.
ADVIES

Uit de nota blijkt dat de overheid bereid is transversaal werk te maken van inclusie van personen met een handicap. De nota bevat verschillende positieve aspecten voor personen met een handicap. De NHRPH wil deze benadrukken, maar ook aanvullen met aandacht voor wat ontbreekt en toch bepalend is voor de inclusie en daadwerkelijke toegang tot rechten.

Vooreerst is de NHRPH verheugd over de bereidheid om het Overlegcomité nieuw leven in te blazen en over de garantie dat de essentiële interministeriële conferenties regelmatig bijeenkomen en de werking ervan wordt verbeterd. De NHRPH wijst erop dat de IMC Welzijn, Sport en Gezin – deel Personen met een handicap sinds 2013 niet meer vergaderd heeft. Hierdoor is een grote achterstand in de dossiers ontstaan, onder meer het oprichten van één centraal loket voor personen met een handicap en het uitwerken van een efficiënt systeem voor het verzamelen van statistieken over het aantal personen met een handicap, hun behoeften, hun sociaal-professioneel profiel, ... en dat voor heel België. Betrouwbare statistieken zijn immers noodzakelijk voor een coherent en doeltreffend handicapbeleid.

De NHRPH wenst ook te herinneren aan de drie fundamentele aandachtspunten die aan de grondslag van alle beleidslijnen en acties moeten liggen:

  • een menswaardig leven voor personen met een handicap ondersteunen;
  • hun zelfredzaamheid en levenskeuze respecteren;
  • hun deelname in de samenleving op alle gebieden versterken.

De tekst van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is hierbij dé bijbel bij uitstek.

Qua beleid herinnert de NHRPH er tot slot aan dat geen enkel ministerieel bevoegdheidsdomein ontsnapt aan de handicapdimensie. De NHRPH benadrukt de ‘stuwende en wakende’ rol van de huidige minister belast met personen met een beperking om dit bevoegdheidsoverschrijdende beleid te stimuleren.

Het is essentieel dat duurzaam, doeltreffend en gestructureerd wordt overlegd met de NHRPH in alle domeinen en dossiers die personen met een handicap kunnen aanbelangen, zodat verder werk kan worden gemaakt van maatregelen waarop de sector werkelijk zit te wachten.

Het is belangrijk dat een beslissing van de Ministerraad deze politieke verbintenis tot transversaliteit officialiseert: elke minister wijst in zijn kabinet een aanspreekpunt handicap aan, dat de bevoorrechte gesprekspartner is voor minister Lalieux en de NHRPH.

Een federaal actieplan voor een betere inclusie van personen met een handicap moet gestalte geven aan deze bereidheid tot transversaliteit.

A. COVID-crisis

De COVID-crisis heeft de klassieke problemen van personen met een handicap in het dagelijkse leven intenser gemaakt en ook geleid tot nieuwe ernstige problemen die hun basisrechten ondermijnen.

Voor de tweede golf moeten lessen worden getrokken uit het verleden. En laat dit dan vooral de volgende zijn: een handicap op zich mag op geen enkele manier een triagefactor zijn voor toegang tot de spoedgevallendienst of intensieve zorg. Hiervoor verwijst de NHRPH naar zijn advies 2020-08 en zijn nieuwsbericht van 10 april 2020.

Daarnaast moeten de officiële instanties van personen met een handicap (adviesraden) worden geraadpleegd, opdat de getroffen maatregelen zo weinig mogelijk impact hebben op personen met een handicap. De adviesfunctie behouden (en uitwerken waar deze nog niet bestaat) is een garantie voor een beleid voor en door personen met een handicap (advies 2020-10). Het NHRPH-secretariaat moet overigens worden versterkt met minstens één Nederlandstalige medewerker.

De begeleiding van personen met een handicap en hun gezinnen is een ander belangrijk aandachtspunt. Tijdens de eerste golf werden bepaalde collectieve voorzieningen (zorg, begeleiding, transport enzovoort) afgeschaft of sterk beperkt. Wie in een instelling of in gezinsverband verbleef, voelde zich over het hoofd gezien bij de aanpak van de crisis. Hieraan werd trouwens veel aandacht geschonken in de pers en Unia heeft heel wat getuigenissen geanalyseerd. Met deze realiteit moet beleidsmatig en structureel rekening worden gehouden, omdat personen met een handicap en hun gezinnen voortdurend uit de boot vallen, niet enkel in tijden van crisis.

De regelmatige, beknopte informatie heeft personen met een handicap onvoldoende bereikt omdat ze niet toegankelijk en leesbaar genoeg was: de overheid heeft geen ‘easy to read’ (eenvoudige taal) gebruikt, die nochtans voor de hele bevolking nuttig is; ook gebarentaal werd te weinig ingezet. Momenteel kunnen dove personen bij tracing alleen worden gecontacteerd via een horende persoon. Dit belangrijke aandachtspunt moet worden doorgegeven aan de Gewesten die de tracing beheren.

In de opgelegde regels inzake zorg, verplaatsingen, toegang tot winkels enzovoort werd totaal geen rekening gehouden met personen met een handicap, en werden geen aanpassingen voorzien (advies 2020-09).

Meer nog, tijdens de exitstrategie mochten personen met een handicap die in gezinsverband of in een instelling verbleven, hun ‘normale leven’ pas als laatsten hervatten. Eerst golden er dus strengere regels voor hen en vervolgens moesten zij langer in lockdown blijven op grond van hun handicap (advies 2020-13).

Om hieruit lessen te trekken voor toekomstige crisissen, dient de interfederale en multidisciplinaire werkgroep die de bestaande noodplannen moet evalueren en actualiseren, rekening te houden met de transversale dimensie van de handicap en ten minste met de hierboven genoemde aandachtspunten. Het zou nuttig zijn dat ook de interventie van het leger en de brandweer meegenomen wordt in de denkoefening over de begeleiding van personen met een handicap in tijden van crisis, ook om concrete taken thuis of in de instellingen over te nemen.

Coördinatie is belangrijk bij thuiszorg; er moet continuïteit in de zorg zijn.

B. Gezondheidszorg

De gezondheidssector neemt een bijzondere plaats in voor personen met een handicap. Sommigen van hen maken immers intensiever gebruik van de gezondheidszorg dan andere bevolkingsgroepen.

Hoewel toegang tot zorg een recht is voor iedereen, werkt handicap uitsluiting in de hand: zorg is vaak te duur, ziekenhuizen zijn niet toegankelijk genoeg, professionals zijn niet opgeleid in het omgaan met de behoeften van personen met een handicap en thuisdiensten kunnen de levenskwaliteit van patiënten moeilijk garanderen. Tijdens deze legislatuur werden hervormingen op gang gebracht, maar ze kwamen niet van de grond: de verpleegsector staat niet achter het recentste protocol verpleegkundige handelingen, waardoor duizenden gezinnen en vrijwilligers van goede wil onwettig gezondheidszorg uitoefenen. Bovendien kunnen personen met een handicap wegens het ontbreken van regelgeving niet werken, geen opleidingen of vrijetijdsactiviteiten volgen, aangezien dit geen plaatsen zijn waar zorg wordt verleend.   

De NHRPH vraagt de volgende regering absolute prioriteit te geven aan verschillende aspecten in verband met gezondheid en kwaliteitsvolle zorg. Hij vraagt een betere toegang tot zorg voor patiënten die er nu van afzien wegens gebrek aan geld of informatie. Voorts vraagt de NHRPH toegankelijkere ziekenhuizen (positienota in voorbereiding), toegang tot informatie en opleiding voor professionals (positienota gezondheidszorg) en tot slot de daadwerkelijke mogelijkheid om bepaalde verpleegkundige handelingen te delegeren aan niet-professionals (advies 2017-08 en advies 2017-15).

De NHRPH stelt ook de discriminerende beperkingen inzake logopedie voor onder andere kinderen met een laag IQ (advies 2016-13) en alzheimerpatiënten aan de kaak.

De NHRPH herinnert ook aan de noodzakelijke transformatie van ons institutioneel opvangmodel voor personen met een handicap en aan de absolute noodzaak om kwaliteitsvolle gezondheidszorg te verlenen aan wie thuis wil blijven wonen. Hierover dient uitgebreid te worden overlegd met de deelstaten (zie positienota de-institutionalisering).

De toegang tot de schadevergoeding voor softenonslachtoffers en de procedure roepen ook vragen op: de NHRPH wil de situatie ophelderen met de Minister van Volksgezondheid en de Minister belast met personen met een beperking.

De NHRPH neemt er nota van dat het de bedoeling is tegen 2030 de gezondheidskloof tussen mensen met het hoogste en het laagste aantal te verwachten gezonde levensjaren met minstens 25 % te verkleinen en het aantal vermijdbare sterfgevallen met 15 % terug te dringen. Dit is zeer belangrijk voor personen met een handicap. Met name de collectieve voorzieningen in alle levensfasen (vanaf de crèche) moeten worden versterkt en toegankelijk worden gemaakt voor personen met een handicap. Naast deze diensten is de NHRPH verheugd dat de rol van mantelzorger thans wettelijk wordt erkend. Deze erkenning moet mantelzorgers nu een aantal rechten geven, zodat zij zorgbehoevenden zo goed mogelijk kunnen begeleiden zonder zelf risico op armoede te lopen (positienota mantelzorg). Er moet rekening worden gehouden met de hele sector. Vaak wordt vooral aan ouderen gedacht, terwijl de handicapsector ook vragende partij is.

De NHRPH vindt het ook een goede zaak dat de regering de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de geesteszieke persoon grondig wil hervormen op basis van nieuwe inzichten in de gezondheidszorg en justitie. Ook neemt hij nota van de uitwerking van een interfederaal plan chronisch zieken. Volgens de NHRPH moet het dringend worden uitgebreid tot andere personen met een handicap. Eerst moeten de behoeften in de verschillende levensdomeinen in kaart worden gebracht. Uiteraard behoren sommige tot de bevoegdheid van de Gewesten of Gemeenschappen. De Minister moet hieraan aandacht blijven besteden, anders leidt dit tot ernstige ongewilde gevolgen en valkuilen die een federale hervorming – hoe lovenswaardig die ook mag zijn – volledig op de helling kunnen zetten.

De NHRPH herinnert eraan dat hij voor deze dossiers ook betrokken moet worden bij het denk- en herzieningsproces.

C. Sociale zekerheid

Momenteel wordt een grote groep personen met een handicap in heel wat federale bevoegdheidsdomeinen opgevangen in de socialezekerheids- en socialebeschermingsstelsels. De NHRPH herinnert eraan dat de tegemoetkomingen voor personen met een handicap deel uitmaken van een residuair socialebeschermingsstelsel, dat bedoeld is als laatste vangnet voor personen die wegens een handicap nooit of nauwelijks hebben kunnen werken Het is evenwel een zwak vangnet: de tegemoetkomingen volstaan niet voor een menswaardig bestaan (ter herinnering: de IVT voor een alleenstaande ligt 20 % onder de armoedegrens) of vaak zelfs niet voor de handicapgerelateerde extra kosten. De wet van 27 februari 1987 moet dringend worden hervormd (advies 2013-19). De NHRPH pleit overigens voor een uitbreiding van de denkoefening naar de verankering van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) in de sociale zekerheid.

Ook de historische segmentatie moet worden herzien: artikel 100, § 1 van de wet betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen moet ook volledig worden herbekeken, omdat dit het omslagpunt is tussen sociale dekking en sociale bijstand. De NHRPH vindt het niet kunnen dat sociale dekking wordt bepaald door de oorsprong van de handicap: verlamming van bij de geboorte of na een arbeidsongeval blijft een verlies van zelfredzaamheid, waar een prijskaartje voor de persoon aan vasthangt. De vergoedingen verschillen evenwel sterk, afhankelijk van het feit dat de persoon een RIZIV-uitkering, arbeidsongevallenvergoeding of tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt. Bij de hervorming dient uitgebreid te worden stilgestaan bij de behoeften van de personen met een handicap, ongeacht hun statuut. De sociale dekking moet zo veel mogelijk gelden voor de volledige bevolking.

Veel mantelzorgers zitten in hetzelfde schuitje: sommigen konden geen aanspraak maken op sociale dekking omdat ze het gebrek aan collectieve voorzieningen die zijn aangepast aan de behoeften van hun kind of partner, moesten ondervangen. Dit ging ten koste van hun loopbaan.

Wat de strijd tegen sociale fraude betreft, zal de huidige realiteit, met haar nieuwe samenlevingsvormen, grondig moeten worden bestudeerd en geïntegreerd. Uit studies van vorige regeringen blijkt duidelijk dat de huidige samenlevingsvormen niet goed zijn geïntegreerd in de sociale regelgeving. Erger nog: de toepassing van de regelgeving leidt vaak tot armoede, wat voor een groot deel de pogingen tot fraude verklaart. In deze denkoefening mogen alleenstaanden niet worden vergeten. 

D. Overheid en ambtenarenzaken

In het Verslag van de formateurs staat dat de regering zich ertoe verbindt te garanderen dat de publieke dienstverlening voor iedereen toegankelijk blijft, ook voor de burgers met weinig digitale vaardigheden, een laag inkomen of een handicap. De NHRPH juicht deze belofte toe en vestigt de aandacht op de noodzaak om rekening te houden met alle soorten handicap, motorisch, zintuiglijk of verstandelijk. Zo moeten websites het AnySurfer-label dragen en video’s in gebarentaal en artikels in easy read (eenvoudige taal) bevatten.

Bovendien betekent toegankelijke publieke dienstverlening ook toegankelijke gebouwen en toegankelijk vervoer. Geen enkel openbaar gebouw dat eigendom is van of wordt gehuurd door de federale overheid en de parastatale instellingen, is evenwel volledig toegankelijk voor personen met een handicap. Toonvoorbeeld hiervoor is uiteraard de Finance Tower, waar de diensten van de DG HAN zijn ondergebracht (adviezen 2020-05, 2020-14, 2019-02, 2018-21, 2016-08 en 2009-05).

De Belgische spoorwegen zijn voorlopig nog niet toegankelijk: er dient opgemerkt dat toegankelijkheid niet als kwaliteitscriterium is opgenomen in de bestuursovereenkomst van de NMBS. De NHRPH ijvert sterk voor een toegankelijker spoorverkeer (advies over het M7-rijtuig): dat is immers ook van belang voor onze vergrijzende bevolking en een duurzamere samenleving.

De NHRPH is zeer positief over het voornemen om een actieplan voor universele toegankelijkheid op te stellen. De NHRPH zet vol in op toegankelijkheid en verwijst naar zijn positienota Toegankelijkheid. Tegen eind 2020 zal de NHRPH ook een positienota over de toegankelijkheid van ziekenhuizen publiceren.

De NHRPH dringt erop aan dat de belangrijkste economische partners uit de privésector (Comeos, Febelfin, VBO enzovoort) bij dit plan betrokken worden. Een toegankelijke omgeving is een win-win: personen met een handicap die een winkel of internetplatform bezoeken, consumeren en brengen op.

De overheid wil elektronisch betalen fors uitbreiden. De NHRPH herinnert eraan dat de beperkingen voor personen met een handicap niet uit het oog verloren mogen worden: slechtziende of blinde personen, personen met spasmen, hersenletsel, ...

Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat veel personen (met een handicap) niet genoeg middelen hebben voor toegang tot de digitale wereld. In zijn advies 2020-01 heeft de NHRPH overigens een duidelijk beeld geschetst van de duurdere bankdiensten.

Tot slot hebben heel wat personen met een verstandelijke handicap geen betaalkaart. In dit opzicht vormt de verdere afschaffing van bankkantoren en geldautomaten ook een probleem voor personen met een handicap. (Velen onder hen hebben geen auto.)

E. Relanceplan

De NHRPH begrijpt heel goed dat de economie moet worden ondersteund. Hij acht het evenzeer belangrijk dat ook de sociale pijler van onze maatschappij wordt versterkt. Veel personen met een handicap en zieken kunnen immers niet werken. De ecologische en digitale evolutie kan voor veel kwetsbare groepen buiten bereik zijn. Het is belangrijk dat bij elke beleidslijn en maatregel de financiële en technische toegankelijkheid voor personen met een handicap en zieken wordt onderzocht.

Ook de toegankelijkheid van onze omgeving moet worden ontworpen op basis van een volledig inclusief model. De richtlijn European Accessibility Act moet ambitieus worden geïmplementeerd. Temeer omdat zij het de bedrijven in België mogelijk maakt nieuwe markten aan te boren (advies 2016-05).

F. Armoedebestrijding en toegang tot rechten

De Europese doelstelling van 2010 om tegen 2020 20 miljoen mensen uit de armoede te halen, waarvan 380.000 mensen in België, werd nooit behaald. Integendeel: er leven bijna 200.000 meer mensen (onder wie jongeren, vrouwen en kinderen) in armoede (analysis-social-situation-and-protection-belgium-2018).

In een weinig geruststellende context (advies 2020-03 over de hoofdzakelijk economische aanbevelingen van de Europese Commissie aan België) vestigt de NHRPH dan ook de aandacht op een reeks langverwachte sociale verbintenissen, waaronder een armoedeplan, het optrekken van de tegemoetkomingen en een modernisering van de diensten van de DG HAN.

De NHRPH maakt van de armoedebestrijding bij personen met een handicap een van zijn speerpunten, omdat handicap tot armoede leidt en, omgekeerd, armoede ziekte en handicap in de hand werkt (adviezen 2016-09, 2016-06 en 2012-05). De NHRPH herinnert aan zijn algemene aanbevelingen in de bundel Handicap en Armoede (2019). Hij wijst erop dat er via het armoedeplatform gestructureerd en breed participerend moet worden overlegd met de verenigingen die armoede bestrijden en dat het interfederale actieplan een echt plan met middelen en indicatoren moet zijn, geen loutere inventaris van vroegere maatregelen.

Sociale rechten zullen worden toegekend op basis van inkomen, maar met welk inkomen wordt rekening gehouden? Het is niet omdat een persoon met een handicap een fatsoenlijk inkomen heeft, dat hij geen torenhoge kosten kan hebben. Het probleem moet in zijn geheel worden bekeken en er moet voor worden gezorgd dat het qua sociale rechten voordeliger is om te werken. Tegelijk mag wie wegens zijn of haar handicap of ziekte nooit zal kunnen werken, niet worden gestraft.

De NHRPH herinnert aan de grenzen van automatisering in het licht van het groeiende fenomeen van non take-up (advies 2018-09). Er moet ook voldoende personeel in de publieke dienstverlening zijn om personen op te sporen die van de socialezekerheids- en socialebeschermingsradar zijn verdwenen.

Toegankelijkheid krijgt ook een belangrijke plaats in het Verslag. De regering wil ook garanderen dat de publieke dienstverlening voor iedereen toegankelijk blijft, ook voor de burgers met weinig digitale vaardigheden, een laag inkomen of een handicap. De werking van justitie moet efficiënter, toegankelijker en begrijpelijker worden gemaakt.

G. Arbeidsmarkt

De Belgische arbeidsmarkt als geheel blijft zeer onrechtvaardig. Personen met een handicap zijn hiervan het eerste slachtoffer: voor werkgevers primeert iemands handicap vaak op zijn vaardigheden. In alle Gewesten worden werknemers met een handicap beschouwd als personen die (te) veel begeleiding nodig hebben; het tewerkstellingsbeleid laat hen in de steek. Nochtans is een gespecialiseerde en geïndividualiseerde begeleiding naar werk essentieel.

De NHRPH vraagt een daadkrachtig beleid voor de inschakeling van personen met een handicap in het arbeidsproces, dat verder gaat dan bewustwording en dat concrete doelstellingen in de gewone arbeidsmarkt vastlegt (positienota). Hij herhaalt gekant te zijn tegen het – onafgewerkte en uitzichtloze – proefproject voor de tewerkstelling van 300 uitkeringsgerechtigden van de DG HAN (advies 2020-16).

De NHRPH is verheugd over de bereidheid van de regering om mensen (weer) aan het werk te zetten. Wie niet actief is op de arbeidsmarkt, wordt aangemoedigd en geholpen om aan de slag te gaan. Het betreft onder meer personen met een leefloon, langdurig zieken en personen met een handicap. Ook de belemmeringen voor tewerkstelling en de belemmeringen om meer te werken zullen worden weggenomen. Veel personen met een handicap zijn evenwel laaggeschoold. De begeleiding om werk te zoeken en te vinden is nog onvoldoende aangepast. Dat het openbaar vervoer en de omgeving niet toegankelijk zijn, zorgt er onrechtstreeks voor dat veel personen met een handicap een baan moeten weigeren of een beroep moeten doen op hun familie. Ook moet erop worden gewezen dat sommige personen met een handicap nooit zullen kunnen werken; ook zij moeten een fatsoenlijk inkomen kunnen genieten.

De NHRPH merkt op dat de organisatie en het beheer van de re-integratietrajecten zullen worden geëvalueerd. De procedures worden vereenvoudigd en op elkaar afgestemd, zodat meer werknemers (sneller) een re-integratietraject kunnen starten en voltooien. Het traject is gebaseerd op een multidisciplinaire aanpak waarbij de arbeidsbemiddelingsdiensten tijdig worden betrokken. De NHRPH vraagt al jaren het back-to-workproces te evalueren (advies 2016-12). De NHRPH heeft zeer duidelijke signalen gekregen dat het proces in een groot aantal gevallen leidt tot het ontslag van de persoon met een handicap of de zieke.

De NHRPH benadrukt ook het onzekere karakter van het werk van personen met een handicap: sommigen krijgen hooguit voorstellen voor een stage zonder sociale dekking. De Nationale Arbeidsraad (NAR) had hierover in 2018 een discussie op gang gebracht. Dit debat zou moeten worden voortgezet en er zou duidelijkheid en zekerheid over de verschillende werkformules moeten komen.

De NHRPH pleit ervoor personen met een overeenkomst voor beroepsopleiding te laten aansluiten bij de sociale zekerheid (https://www.unia.be/nl/artikels/waarom-bedrijven-niet-positief-mogen-discrimineren).

De NHRPH wil dat de wet-Peeters ‘positieve acties’ voor personen met een handicap in de tewerkstelling effectief wordt toegepast en geëvalueerd. 

Het tewerkstellingsquotum van 3 % voor personen met een handicap bij de overheidsdiensten is nooit gerespecteerd. De NHRPH wil een daadkrachtig tewerkstellingsbeleid, dat zowel op federaal als op regionaal niveau wordt onderhandeld.

Tot slot wijst de NHRPH op de belemmeringen van de huidige regelgeving: wie een tegemoetkoming voor personen met een handicap krijgt, krijgt niet noodzakelijk onder dezelfde voorwaarden als iemand zonder tegemoetkoming toegang tot het statuut van zelfstandige.

H. Overheidsbedrijven

Wat bpost betreft, stelt de NHRPH vast dat de toegankelijkheid van postkantoren en postpunten te wensen overlaat (advies 2018-03). Hij vraagt dat in het universele toegankelijkheidsplan van de regering prioritair aandacht wordt besteed aan de toegankelijkheid op deze plaatsen.

Bpost is sowieso een toonvoorbeeld, net als Proximus. Als werkgever en openbare dienst moet de overheid het goede voorbeeld geven en zorgen voor een omgeving, producten en diensten van goede kwaliteit die ook toegankelijk zijn voor personen met een handicap (advies 2015-22). Deze twee ondernemingen moeten hun onlinediensten (webrichtlijn – advies 2017-14) en hun producten in het algemeen (richtlijn European Accessibility Act – advies 2016-05) dus toegankelijk maken.

Alle overheidsbedrijven zouden prioriteit moeten geven aan toegankelijkheid; in bestuursovereenkomsten moet duidelijk naar dit criterium worden verwezen.

I. Koopkracht

Het inkomen van heel wat personen met een handicap in België volstaat niet voor een bevredigende levensstandaard. De inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) voor een alleenstaande ligt 20 % onder de armoedegrens en bijna 60 % onder het gewaarborgd minimumloon (vanaf 01/09/2018, IVT = 910,75 euro; armoedegrens = 1.139 euro; minimumloon = 1.562,59 euro). 40 % van wie in België een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt, leeft in feite onder de armoedegrens en ontzegt zich heel wat, ook basisbehoeften (voeding, huisvesting, verzorging, ...). Zie ook de synthese van het onderzoeksproject HandilabDe sociaaleconomische positie van personen met een handicap en de effectiviteit van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, Leuven, 2012, blz. 18.

Deze vaststelling is des te wreder omdat het leven met een handicap extra kosten met zich brengt (grotendeels als gevolg van een ontoegankelijke omgeving). De kosten van het levensonderhoud hebben een grotere impact op het budget van personen met een handicap dan op dat van anderen. Bovendien moeten zij het vaak stellen met een lager inkomen, of het nu een tegemoetkoming of een loon betreft.

In het Verslag van de formateurs wordt beloofd de laagste uitkeringen, waaronder de inkomensvervangende tegemoetkoming, op te trekken tot de armoedegrens. De NHRPH vraagt dit al jaren en dringt erop aan dit zo snel mogelijk te doen. De NHRPH herinnert er ook aan dat zijn uiteindelijke eis is de tegemoetkomingen af te stemmen op het gewaarborgd minimumloon omdat de armoedegrens een menswaardig bestaan helaas niet mogelijk maakt.

De NHRPH leest ook dat voor personen met een handicap de prijs van de liefde en de prijs van de arbeid verder zullen worden teruggedrongen om volwaardig te kunnen participeren aan de maatschappij. Dit volstaat helaas niet om gerechtigden op een tegemoetkoming voor personen met een handicap een menswaardig leven te bieden. Het stelsel van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap moet volledig worden hervormd, wat al jaren wordt beloofd. De wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap is achterhaald en nadelig. Enkele voorbeelden:

  • Het begrip samenwoning strookt niet langer met de huidige samenlevingsvormen.
  • Er wordt rekening gehouden met het inkomen van het jaar -2 (of in bepaalde gevallen -1), maar dat stemt soms niet meer overeen met de huidige financiële situatie van de persoon met een handicap.
  • Overschrijdt het inkomen van de persoon (of de persoon met wie de gerechtigde een huishouden vormt) bepaalde plafonds, dan valt de integratietegemoetkoming weg, maar niet de handicapgerelateerde kosten.

De NHRPH herinnert eraan dat de Staatssecretaris in 2013 een voorontwerp van tekst had opgesteld met prioritaire hoofdlijnen waarin de verwachtingen en aanbevelingen van de sector waren geïntegreerd.

De NHRPH vraagt de personen met een handicap te betrekken bij het uitwerken van de verschillende bestaande sociale tarieven voor energie, telefonie enzovoort. De NHRPH herinnert eraan dat het sociaal tarief een oude eis is. Er moet dringend een gemoderniseerd tariefrooster worden ingevoerd.

J. Justitie en veiligheid

De goedkeuring van de wet van 17 maart 2013 tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid was een belangrijke stap in de verbetering van de begeleiding van personen met een handicap om tot een volwaardig burgerschap te komen. Al snel werd duidelijk dat de uitvoering vooral werd belemmerd door tekortkomingen in het vermogen van de bevoegde instanties om op te treden. In 2018 kwamen er corrigerende teksten, maar er is nog ruimte voor verbetering.

De NHRPH roept de volgende regering op aandacht te blijven hebben voor de vragen van personen met een handicap en hun gezinnen om een zo bevredigend en inclusief mogelijk leven mogelijk te maken. De vrederechters moeten dringend personele middelen krijgen om personen met een handicap en hun gezinnen enigszins gepersonaliseerd te kunnen begeleiden (advies 2018-34).

Afgezien van deze uiterst belangrijke ontwikkeling van de wettelijke erkenning van personen met een handicap, valt er nog veel te verbeteren om hen in staat te stellen op voet van gelijkheid met de rest van de bevolking toegang te krijgen tot justitie.

Justitie speelt een essentiële rol in het globale evenwicht in onze samenleving. Voor de meeste personen met een handicap blijft ze echter ver buiten handbereik: veel gebouwen voldoen niet aan de minimale toegankelijkheidsnormen en informatie over de procedures is zeer moeilijk te begrijpen. De NHRPH roept op tot een betere toegang tot justitie, en wel zo snel mogelijk. De lokalen en gerechtszalen moeten toegankelijk worden gemaakt voor iedereen. Ook de informatie moet voor iedereen in aangepaste vorm beschikbaar zijn.

Ook ontbreekt het de actoren die rechtstreeks of onrechtstreeks bij het rechtssysteem betrokken zijn, vaak aan de meest elementaire kennis over handicap. Dit geldt voor politieagenten, maar ook voor de rechter zelf, deurwaarders, advocaten, ...

In het Verslag van de formateurs staat ook dat geïnterneerden niet in de gevangenis thuishoren. De NHRPH dringt erop aan voldoende middelen beschikbaar te stellen voor beheerders en besluitvormers (positienota internering).

Tot slot wijst de NHRPH erop dat de rechter het stemrecht kan weigeren op grond van een handicap (advies 2018-34). België is daarmee volledig in strijd met het UNCRPD, dat het nochtans heeft goedgekeurd.

K. Fiscaliteit

Veel personen met een handicap zijn niet belastbaar en zullen dus niet kunnen genieten van de fiscale hervorming Toch moet hun koopkracht worden versterkt.

Wie na 65 jaar een handicap krijgt, wordt op fiscaal vlak nog te vaak gediscrimineerd. De NHRPH dringt erop aan dat dit wordt weggewerkt. Er is ook de kwestie van personen van +65 jaar die gaan samenwonen en die aanspraak willen maken op bepaalde vrijstellingen. Tot slot vraagt de NHRPH ook aandacht voor kinderen met een handicap, die fiscaal twee keer meetellen.

L. Energie

Het Verslag belooft een betaalbare energiefactuur voor burgers en bedrijven.

Personen met een handicap huren vaak bescheiden woningen met een hoog energieverbruik. De green deal moet prioriteit geven aan het inrichten van woningen die minder energie verbruiken, maar ook fysiek en financieel toegankelijker zijn voor personen met een handicap.

M. Mobiliteit

De overheid verbindt zich ertoe versneld werk te maken van de toegankelijkheid van de stations en treinen. Tegen 2025 wil de NMBS het aantal volledig toegankelijke stations verdubbelen van 78 naar 150. Het toegankelijk maken van alle stations zal in ieder geval vele jaren vragen. Voorlopig kan er nog geen sprake van zijn dat de aangeboden assistentie aan personen met een beperkte mobiliteit wordt afgebouwd. Aangezien ook de minder toegankelijke rijtuigen een levensduur van soms meer dan 30 jaar hebben, blijft assistentie voor personen met een beperkte mobiliteit nodig.

De NHRPH vindt dat iedereen, met of zonder handicap, autonoom de trein moet kunnen nemen in elk station en bij elke halte (cf. verschillende adviezen van de NHRPH).

De NHRPH vreest dat de nieuwe M7-rijtuigen nog niet volledig autonoom toegankelijk zijn voor iedereen. Bovendien betreurt de NHRPH dat er slechts één ‘toegankelijk’ rijtuig per treinsamenstelling is voorzien. Voor personen met een handicap die in gezins- of groepsverband reizen, is één toegankelijk rijtuig al snel onvoldoende. De NHRPH vindt dat alle rijtuigen autonoom toegankelijk moeten zijn (nieuwsbericht 2020: toegankelijk spoorverkeer voor iedereen).

De verplichte voorafgaande reservatie (minimum 3 uur of 24 uur) van assistentie in stations en treinen vormt een belemmering van het recht op vrij verkeer (advies 2017-11).

De NHRPH vraagt dat het navigatiesysteem van de NMBS ook toegankelijk wordt voor blinde personen.

Tot slot is de NHRPH ingenomen met de beslissing om de European Disability Card (EDC), de Europese mobiliteitskaart, te ondersteunen. Het gebruik van deze kaart is een win-win voor de dienstverleners en de personen met een handicap. Het uitwerken van een universele toegankelijkheid zou ook de bevordering van de EDC kunnen ondersteunen: beide projecten zouden het best parallel worden beheerd.

N. Institutionele hervorming

De NHRPH neemt er nota van dat vanaf 2024 een nieuwe staatsstructuur wordt overwogen met een homogenere en efficiëntere bevoegdheidsverdeling met inachtneming van de principes van subsidiariteit en interpersoonlijke solidariteit. De NHRPH dringt erop aan bij elke fase van de werkzaamheden te worden geraadpleegd.

O. Democratische vernieuwing en Ethiek

De NHRPH neemt er nota van dat een performant mensenrechteninstituut met internationale A-status in deze legislatuur vorm zal krijgen. De NHRPH wil gestructureerd en succesvol met dit orgaan samenwerken.

Volgens het Verslag wordt in deze legislatuur een actieplan voor universele toegankelijkheid gelanceerd waarbij een structureel toegankelijke ruimte en publieke dienstverlening het einddoel is. Dit actieplan voorziet minstens in gestandaardiseerde richtlijnen, objectieve doelstellingen en een monitoring daarvan. De NHRPH juicht dit initiatief toe en hoopt structureel erbij betrokken te worden.

Nogmaals: een grotere participerende rol van de NHRPH met de Voogdijminister en de volledige regering is een noodzaak in het kader van de wens van de regering tot democratische vernieuwing.

Tot slot moeten de middelen beschikbaar worden gesteld voor een secretariaat om het in staat te stellen op alle verzoeken te antwoorden als de adviserende rol van de NHRPH te ondersteunen.

P. Europa

De NHRPH is verheugd te lezen dat België zich schaart achter de uitbouw van de sociale pijler en het initiatief van de Europese Commissie om een minimumloon in de EU te garanderen en om een permanent Europees werkloosheidsherverzekeringssysteem uit te werken.

================

De afgelopen jaren heeft de NHRPH zeer uitgebreide federale bevoegdheidsdomeinen onderzocht. In de adviezen, positienota's en het memorandum van 2019 worden heel wat aandachtspunten nader toegelicht: zij vergen niet noodzakelijk allemaal extra financiële middelen. Wat ze wel allemaal nodig hebben is een betrokken en toegewijd beleid van de Ministers die belast zijn met deze bevoegdheidsdomeinen.

De NHRPH zal elke Minister vragen de komende weken samen te zitten om hen te wijzen op de prioriteiten inzake handicap in hun bevoegdheidsdomein.


4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister (antwoord gevraagd)
  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking (antwoord gevraagd)
  • Voor opvolging aan de ministers van de federale regering (antwoord gevraagd)
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het coördinatiemechanisme van het UNCRPD

  • Raadplegingen: 15

Advies 2020/17 - Opstellen testament door blinde of dove personen

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2020/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het opstellen van een testament door blinde personen, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21 september 2020

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De NHRPH werd bevraagd over de problematiek van notariële aktes voor personen met een handicap.

2. ANALYSE

Artikelen 967 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bepalen dat er drie soorten testamenten zijn:

  • eigenhandig,
  • bij openbare akte (authentiek testament),
  • in de vorm van het internationaal testament.

Om geldig te zijn, moet het eigenhandig testament geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend zijn; het is aan geen andere formaliteiten onderworpen en is als zodanig bindend ten aanzien van alle derden. Er zijn geen kosten voor de erflater.

Het authentiek testament is een notariële akte. De erflater dicteert zijn wensen aan de notaris in het bijzijn van twee getuigen of van een tweede notaris. Het authentiek testament vereist dus een aantal formaliteiten:

  • de aanwezigheid van getuigen of van een tweede notaris;
  • het dicteren van het testament door degene die het opmaakt;
  • het neerschrijven van het testament door de notaris: met de hand of - sinds 10 januari 2011 - getypt ;
  • een volledige voorlezing van het testament;
  • de ondertekening ervan door de erflater, de getuigen (of de tweede notaris) en de notaris die het testament opmaakt.

Een testament kan worden opgesteld in de vorm van een internationaal testament. Het biedt als voordeel dat het gemakkelijk kan worden uitgevoerd in alle landen die het verdrag betreffende deze vorm van internationaal testament hebben bekrachtigd. De complexiteit van het opstellen ervan maakt het echter relatief duur.

  • Het vereist de tussenkomst van een notaris die wordt bijgestaan door twee getuigen.
  • Dit testament kan getypt worden.
  • De erflater moet het testament in een enveloppe aan de notaris overhandigen, of indien hij het zonder enveloppe overhandigt, steekt de notaris het in een verzegelde enveloppe.
  • De notaris moet op deze enveloppe een akte schrijven waarin hij bevestigt dat de enveloppe het testament bevat dat hem door de erflater werd overhandigd, en voegt er een attest van internationale waarde aan toe met betrekking tot de inhoud van de enveloppe.

Het laten opstellen van een testament door een notaris kost in België tussen de 300 en 500 euro, afhankelijk van de complexiteit van het dossier[1]. Ter vergelijking: in Frankrijk bedragen de kosten voor het opstellen van een testament door een notaris 138,47 euro[2].

Een testament opgesteld door een notaris moet ook worden geregistreerd in het centraal register van testamenten. Een eigenhandig testament kan ook worden geregistreerd. Dit heeft de voorkeur, maar is niet verplicht. Deze registratie kost 25 euro.

Bovendien voorziet het artikel 10 van de wet van 16 maart 1803 over de organisatie van het notarisambt dat "de notaris die alleen een akte verlijdt, moet worden bijgestaan door twee getuigen wanneer één van de partijen niet in staat is te ondertekenen of niet kan ondertekenen, blind of doofstom is".

3. ADVIES

Elke burger heeft de keuze om een testament te maken. Door het thuis te bewaren, heeft hij geen kosten en is het testament volkomen geldig en bindend ten aanzien van elke persoon. Een blinde persoon die zijn testament niet met de hand kan schrijven, is genoodzaakt een beroep te doen op een notaris en dus de kosten te betalen. Er is dus sprake van discriminatie van personen met een specifieke stoornis: wat voor de hele bevolking gratis is, moet dat ook zijn voor elk individu.

De NHRPH vraagt dus dat deze discriminatie wordt opgeheven en dat de wetgeving of reglementering wordt aangepast. De NHRPH vraagt dat blinde personen een testament gratis kunnen laten opmaken door een notaris. De kosten van de notaris zouden dus ten laste van de Schatkist moeten zijn.

Wanneer de notaris een notariële akte ontvangt en een van de partijen is blind, dan moet de notaris blijkbaar worden bijgestaan door twee getuigen. Dit mag echter geen bijkomende kost betekenen voor de blinde persoon. Voor dove personen is de bepaling overigens achterhaald. Het zou beter zijn dat de persoon in dat geval een beroep kan doen op een tolk Vlaamse Gebarentaal, en dat gratis.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Vincent Van Quickenborne, Minister van Justitie
  • Ter info aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een beperking
  • Ter info aan de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme

[1] https://www.lecho.be/monargent/succession/comment-rediger-un-testament/10159677.html
[2] https://droit-finances.commentcamarche.com/faq/15691-prix-d-un-testament-les-couts-notariaux

  • Raadplegingen: 8

Advies 2020/18 - Aanpassing leeftijdscriterium voor tegemoetkomingen

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2020/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet betreffende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar voor de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2020.

Advies op verzoek van mevrouw Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking, ontvangen per e-mail van 3 september 2020.

1. ONDERWERP

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde dat een meerderjarige persoon met een handicap 21 jaar moet zijn om een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) of een integratietegemoetkoming (IT) te kunnen ontvangen, discriminerend is. Het leeftijdscriterium moet worden verlaagd tot 18 jaar. Het wetsontwerp heeft tot doel de uitspraak van het Grondwettelijk Hof ten uitvoer te leggen.

2. ANALYSE

1) De uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 9 juli 2020

In zijn arrest van 9 juli 2020 heeft het Grondwettelijk Hof geantwoord op een prejudiciële vraag met betrekking tot artikel 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en heeft het bepaald dat het leeftijdscriterium dat momenteel op 21 jaar is vastgesteld, ongrondwettelijk is.

Ten eerste zijn de redenen die de vaststelling van het leeftijdscriterium op 21 jaar rechtvaardigden in 1987 vandaag de dag niet meer relevant gezien de ontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan, met name het feit dat de wettelijke meerderjarigheid en de minimumleeftijd voor het recht op maatschappelijke integratie nu op 18 jaar zijn vastgesteld.

Het Hof is van oordeel dat de samenhang met het stelsel van de verhoogde kinderbijslag, dat tot de leeftijd van 21 jaar van toepassing is, geen voldoende argument is om de handhaving van het leeftijdscriterium van 21 jaar te rechtvaardigen. Sinds de zesde staatshervorming is de federale wetgever niet meer bevoegd in deze materie en staat het de Gemeenschappen vrij hun beleid al dan niet aan te passen aan een herziening van bovengenoemd leeftijdscriterium.

Ten slotte oordeelt het Hof dat de doelstelling om personen met een handicap aan te moedigen zo lang mogelijk onderwijs te volgen zeker legitiem is, maar dat het leeftijdscriterium van 21 jaar voor deze doelstelling niet relevant is.

Daarom is de minimumleeftijd van 21 jaar voor de toekenning van een IVT en een IT aan personen met een handicap in strijd met artikel 10 en 11 van de Grondwet.

2) Het voorontwerp van wet

Het voorontwerp van wet beoogt de uitvoering van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

In artikel 2 van het voorontwerp wordt het leeftijdscriterium verlaagd van 21 naar 18 jaar.

Artikel 3 bepaalt dat de Koning aanvullende voorwaarden kan stellen aan het leeftijdscriterium.

Artikel 4 bepaalt dat de wetswijziging in werking treedt op 1 augustus 2020. Volgens de memorie van toelichting is dit “de eerste dag van de maand die volgt op het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag in zijn arrest van 9 juli 2020. Deze keuze beantwoordt aan de bezorgdheid om een redelijk evenwicht te bewaren tussen de noodzaak om een situatie die als strijdig met de grondwet wordt beschouwd zo snel mogelijk te verhelpen en de bekommernis om de rechtszekerheid van bestaande situaties te waarborgen, rekening houdend met de verwachtingen uit hoofde van de betrokken personen.” Volgens het verzoek om advies gericht aan de NHRPH kan een persoon met een handicap om een herziening van zijn of haar dossier verzoeken indien de aanvraag vóór 1 augustus 2020 is ingediend, maar de aanvraag na 1 augustus 2020 is behandeld en beslist en het gewijzigde leeftijdscriterium een positief effect heeft op zijn of haar rechten.

De drie uitzonderingen die golden voor de gelijkstelling van een persoon met een 21-jarige blijven van toepassing op personen onder de 18 jaar:

  1. Getrouwd zijn of geweest zijn;
  2. Een of meer kinderen ten laste hebben;
  3. De handicap is ontstaan na het wegvallen van het recht op kinderbijslag.

In de memorie van toelichting wordt ook bepaald dat het tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen behoort om rekening te houden met deze herziening van de wet in het kader van de toekenning van (verhoogde) kinderbijslag, die vooralsnog tot de leeftijd van 21 jaar kan worden toegekend.

3. ADVIES

De NHRPH neemt kennis van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof en begrijpt de argumenten van het Hof.

De NHRPH heeft echter veel vragen over het voorontwerp van wet.

Momenteel kennen de bevoegde Gemeenschappen en Gewesten verhoogde kinderbijslag (VKB) toe op grond van een handicap tot de leeftijd van 21 jaar. In de memorie van toelichting staat ook dat "het onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen valt om rekening te houden met deze wetswijziging in het kader van de toekenning van (verhoogde) kinderbijslag die momenteel kan worden toegekend tot de leeftijd van 21 jaar”. Hebben de bevoegde deelgebieden hun wetgeving aangepast of zijn zij daar mee bezig? De NHRPH heeft geen zicht op de stand van zaken van de besprekingen tussen de federale staat en de deelgebieden, of binnen de deelgebieden zelf. Een structurele en goed georganiseerde afstemming vóór het van kracht worden van de tekst was veiliger geweest.

De NHRPH stelt vast dat het voorontwerp van wet bepaalt dat de wet rechtsgevolgen heeft vanaf 1 augustus 2020. Hoe verloopt dat ondertussen in de praktijk? Zijn de teams die de aanvragen behandelen ervan op de hoogte gebracht dat, wanneer een persoon tussen 18 en 21 jaar een aanvraag voor IVT/IT indient, zijn of haar aanvraag niet kan worden verworpen op grond van het leeftijdscriterium?

Artikel 3 van het voorontwerp bepaalt dat de Koning aanvullende voorwaarden kan verbinden aan het leeftijdscriterium. Deze bepaling is zeer vaag. Over welk soort voorwaarden hebben we het? Gaat het om een regel tegen de cumulatie van inkomsten? Komt er binnenkort een ontwerp van koninklijk besluit? Als dat het geval is, is het voor de NHRPH moeilijk om zich uit te spreken over dit voorontwerp van wet, zonder te weten welke bepalingen in een ontwerp van Koninklijk Besluit zouden kunnen worden opgenomen.

Indien, afhankelijk van de familiale, administratieve of medische situatie, het stelsel van de verhoogde kinderbijslag interessanter blijkt, zal de persoon deze dan kunnen blijven ontvangen tot de leeftijd van 21 jaar? Berekent de administratie beide mogelijkheden en kiest ze de voordeligste situatie?

Op 6 april werd de wet van 26 maart 2020 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende tegemoetkomingen aan personen met een handicap en het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van dossiers inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, met het oog op de automatische toekenning van tegemoetkomingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze wet moet uiterlijk op 1 januari 2021 in werking treden. Het doel van deze wijziging is om automatisch de procedure te starten voor het verkrijgen van een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of een integratietegemoetkoming voor kinderen die recht hebben op VKB tot de leeftijd van 21 jaar, ook al hebben ze de IVT en/of IT niet aangevraagd. Wordt deze procedure automatisch toegepast op kinderen die VKB krijgen en die de leeftijd van 18 jaar bereiken?

De NHRPH vraagt zich ook af hoe het zit met kinderen die 18 werden vóór 1 augustus 2020 en nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Zal hun recht op IVT/IT automatisch worden onderzocht in toepassing van de wet van 26 maart 2020?

Op het vlak van geneeskundige verzorging kunnen ouders van een kind met een VKB de verhoogde tegemoetkoming krijgen. Wat als het kind een IVT en/of IT ontvangt? Zullen de IVT en IT van de jongeren met betrekking tot de “maximumfactuur” (MAF) in rekening worden gebracht in het gezinsinkomen?

Meer algemeen: blijft het kind ten laste van zijn of haar ouders voor de geneeskundige verzorging?

Op dit moment vragen veel ouders om gerechtelijke beschermingsmaatregelen vanaf de leeftijd van 21 jaar, wanneer de jongere een IVT en/of IT krijgt. Deze maatregelen zullen dus op de leeftijd van 18 jaar moeten worden aangevraagd, zodra de jongere deze tegemoetkomingen ontvangt, als de handicap van de jongere dat vereist.

De NHRPH beweert niet exhaustief te zijn: een groot aantal afgeleide rechten zal hoogstwaarschijnlijk door de aangekondigde wijziging worden beïnvloed. De NHRPH roept op tot een doorlichting van alle federale wetten waarin momenteel het criterium van de erkenning van de handicap is opgenomen. De NHRPH beveelt ten zeerste aan om deze analyse op interfederaal uit te voeren, gezien de verdeling van de bevoegdheden inzake handicap over de verschillende overheidsniveaus.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan mevrouw De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Voor opvolging aan de heer De Croo, Minister van Financiën
  • Voor opvolging aan de heer Geens, Minister van Justitie
  • Ter info aan mevrouw Wilmès, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/20 - Prenatale rechtsbescherming

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2020/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op prenatale rechtsbescherming, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Op 13 februari 2020 is bij de Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van prenatale rechtsbescherming (DOC 55 1029/001).

2. ANALYSE

Volgens de auteurs van het wetsvoorstel kan de ontwikkeling van het ongeboren kind ernstig in gevaar worden gebracht als de moeder bijvoorbeeld aan een zware alcohol- en/of drugsverslaving lijdt. Om ernstige schade na de geboorte te vermijden, zouden er al proactief beschermingsmaatregelen moeten kunnen genomen worden tijdens de zwangerschap. Daarom is er nood aan een wettelijke basis in het Burgerlijk Wetboek die voorziet in prenatale rechtsbescherming.

Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel hebben ouders het recht om hun kinderen naar eigen inzicht op te voeden en te verzorgen, maar daartegenover staat de verantwoordelijkheid van de ouders om hun kind de zorg te bieden die het nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. De auteurs van het voorstel stellen dat niet alle ouders in staat zijn om hun kinderen de zorgen te geven die nodig zijn voor hun ontwikkeling. Ze stellen vast dat een klein aantal van de zwangere vrouwen er niet in slaagt het kind dat zij verwachten voldoende te beschermen tegen schade in de ontwikkeling. Het ongeboren kind kan bijvoorbeeld ernstige schade oplopen door de alcohol- en/of drugsverslaving van de moeder.

Een andere problematiek betreft het intrafamiliaal geweld. Indien geweten is dat eerder geboren kinderen in het gezin reeds het slachtoffer werden van fysieke en/of psychische mishandeling, verwaarlozing, of seksueel misbruik, moet er dan ten aanzien van het toekomstig kind al niet op geanticipeerd worden door de hulpverlening?

In Nederland bevat het Burgerlijk Wetboek een algemeen geldende regel die het ongeboren kind rechtsbescherming biedt wanneer dit in zijn of haar belang is en op voorwaarde dat het levend wordt geboren. In België kennen we die algemene regel niet.

Wel geldt in het Belgisch recht ook het Romeinse adagium dat een kind vanaf de verwekking als reeds geboren wordt beschouwd telkens als dat in zijn of haar belang is. Het gaat om een juridische fictie: het verwekte kind is géén rechtssubject maar wordt enkel als zodanig beschouwd. Om beschermingsmaatregelen voor ongeboren kinderen mogelijk te maken, moet het adagium een juridische basis krijgen. De auteurs stellen voor om dezelfde algemene regel als in Nederland in het Burgerlijk Wetboek op te nemen, maar dan enigszins anders geformuleerd: “Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt vermoed reeds geboren te zijn, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Dit vermoeden geldt niet meer indien het dood ter wereld komt.”

Volgens de auteurs van het voorstel is de vrees dat deze regel zou leiden tot een beperking van het recht op zwangerschapsafbreking absoluut onterecht. Het gaat hier niet om bescherming van de foetus, maar van het toekomstige kind. Door proactief op te treden hopen de auteurs schade bij de ontwikkeling en dus ook bij het toekomstig kind te voorkomen.

De auteurs van het voorstel beroepen zich op de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, die onder meer de ernstige bedreiging van andermans leven of integriteit aanhaalt als mogelijke grond voor de vrederechter om gedwongen opname uit te spreken. In extreme gevallen kan het in het belang van het ongeboren kind noodzakelijk zijn de zwangere vrouw gedwongen op te nemen in een gesloten instelling. De rechtspraak zal de twee wetten zo moeten interpreteren en gecombineerd lezen dat dat de gedwongen opname ook kan opgelegd worden specifiek t.a.v. zwangere vrouwen die lijden aan een psychische stoornis, zoals een verslaving, en waardoor ze een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van hun toekomstig kind.

Overigens verwijzen de auteurs naar de bevoegdheid van de Gemeenschappen met betrekking tot uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen. In Vlaanderen bijvoorbeeld bepaalt het regeerakkoord: “De hulpverlening ontwikkelt bovendien een aanklampend zorgbeleid ten aanzien van zwangere vrouwen en moeders met een verslavingsproblematiek. Dit kan door te werken met een systeem van ondertoezichtstelling met gezinsvoogden die de (aanstaande) moeders begeleiden en proberen hun levensstijl positief te beïnvloeden. Bovendien wordt er ook in samenwerking met het federale niveau getracht om de gedwongen opname mogelijk te maken.” Indien de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling oordeelt dat het kind en de ouder(s) beter apart zouden wonen, moet de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen verlenen.

Artikel 2 van het wetsvoorstel voegt de volgende bepaling toe aan het Burgerlijk Wetboek: “Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt vermoed reeds geboren te zijn, zo dikwijls zijn belang dit vordert en onverminderd de wet van 15 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen. Dit vermoeden geldt niet meer indien het dood ter wereld komt.”

3. ADVIES

Ten eerste merkt de NHRPH op dat twee rechten hier met elkaar in conflict kunnen komen: het recht van het kind op levenskwaliteit en het recht van de vrouw op ouderschap.

De NHRPH is gekant tegen het wetsvoorstel. Hoewel in de toelichting herhaaldelijk het voorbeeld wordt genoemd van alcohol- of drugsverslaafde moeders of kinderen die in een gewelddadige omgeving zouden worden geboren, worden deze gevallen slechts als voorbeeld genoemd. Bovendien is artikel 2 van het wetsvoorstel zo geformuleerd dat er geen grenzen worden gesteld aan het belang van het kind, met uitzondering van het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking. De voorgestelde tekst bevestigt van toepassing te kunnen zijn op alle aanstaande moeders en ongeboren kinderen. Onder het voorwendsel om maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van het ongeboren kind van een alcohol- of drugsverslaafde vrouw, of ten aanzien van een ongeboren kind dat het slachtoffer zou kunnen worden van geweld, komt elk kind waarvan de autoriteiten menen dat zijn of haar omgeving "gevaarlijk is voor zijn of haar toekomst" in het vizier.

In zijn huidige vorm zou de tekst dus kunnen worden toegepast op aanstaande moeders van wie de lichamelijke of geestelijke toestand door de gerechtelijke autoriteiten als gevaarlijk voor het ongeboren kind wordt beschouwd. Dit wetsvoorstel, dat gebaseerd is op uitzonderlijke situaties, kan negatieve gevolgen hebben voor een bredere groep mensen: mensen met een handicap of mensen die in armoede leven.

Naar het oordeel van het NHRPH is dit wetsvoorstel in strijd met artikel 22 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap:Geen enkele persoon met een handicap zal, ongeacht zijn of haar woonplaats of woonsituatie, worden blootgesteld aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven, gezinsleven, woning of correspondentie, of andere vormen van communicatie, of aan onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en reputatie. Personen met een handicap hebben recht op wettelijke bescherming tegen dergelijke vormen van inmenging of aantasting.”

Dit wetsvoorstel is ook onverenigbaar met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarin staat dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen [1].

De NHRPH merkt ook op dat de auteurs van het wetsvoorstel niet voorzien in maatregelen om de moeders in hun nieuwe rol te ondersteunen. De NHRPH betreurt het dat het voor sommige mensen gemakkelijker is om de toegang tot het moederschap te verbieden dan om begeleiding te bieden. Voor de NHRPH is de rol van de staat ten opzichte van de zwakkeren nooit het ontnemen van hun fundamentele rechten. Het feit dat sommige mensen in de marge van de maatschappij leven is geen misdaad!

De NHRPH vraagt zich ook af wat de toegevoegde waarde van de wet is, aangezien de bevoegde deelgebieden reeds in beschermende maatregelen voorzien.

Ook moet de vraag worden gesteld of de maatregel in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Het gaat hier om de voogdij over een kind dat nog niet eens geboren is. In dit verband merkt de NHRPH op dat de rol van de vader van het toekomstige kind niet eens aan bod komt in het wetsvoorstel. Het algemene karakter van het beoogde voorstel, dat er indirect in bestaat de mogelijkheid te bieden om een kind nog voor zijn geboorte te plaatsen op grond van criteria van de bevoegde deelstaten, is een onevenredig middel om het door de opstellers van het wetsontwerp gestelde doel te bereiken.

[1] Zie Journal du droit des jeunes, maart 2020, blz. 13 en volgende: http://www.jeunesseetdroit.be/jdj/archives/JDJ-B393.pdf.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Patrick Dewael, Kamervoorzitter
  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister
  • Ter info aan Unia
  • Ter info het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 8

Advies 2020/19 - Beperking plastic rietjes voor eenmalig gebruik

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving

Advies nr. 2020/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beperking van plastic rietjes voor eenmalig gebruik, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 21/09/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2019/904 van 5 juni 2010 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu moeten de lidstaten het in de handel brengen van in deel B van de bijlage vermelde kunststofproducten voor eenmalig gebruik en van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen verbieden. Tot deze producten behoren rietjes, tenzij ze onder het toepassingsgebied van Richtlijn 90/385/EEG of Richtlijn 93/42/EEG vallen.

2. ANALYSE

Een wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers, teneinde een verbod in te stellen op het gebruik van oxo-degradeerbare kunststofproducten en van sommige andere kunststofproducten voor eenmalig gebruik (DOC 55 0160/001) wordt thans besproken in de Kamer. In artikel 5 van dit voorstel wordt bepaald dat het verboden is plastic rietjes voor eenmalig gebruik in de handel te brengen, tenzij ze onder het toepassingsgebied van Richtlijn 90/385/EEG of Richtlijn 93/42/EEG vallen. Richtlijn 90/385 van 20 juni 1990 beoogt de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen. Richtlijn 93/42 van 14 juni 1993 heeft betrekking op medische hulpmiddelen.

In artikel 1, 2. a) van Richtlijn 93/42 wordt bepaald dat onder "medisch hulpmiddel" wordt verstaan elk instrument, toestel of apparaat, elke stof of elk ander artikel dat of die alleen of in combinatie wordt gebruikt, met inbegrip van de software die voor de goede werking ervan benodigd is, en dat of die door de fabrikant bestemd is om bij de mens voor de volgende doeleinden te worden aangewend: (…) verlichting of compensatie van verwondingen of een handicap (…). Dezelfde definitie wordt gebruikt in Richtlijn 90/385.

Plastic rietjes voor eenmalig gebruik kunnen dus worden beschouwd als medische hulpmiddelen.

Voor sommige personen met een handicap zijn plastic rietjes voor eenmalig gebruik echter onmisbaar. Of ze nu verlamd zijn wegens een neuromusculaire aandoening of te maken hebben met onwillekeurige bewegingen en spierstijfheid wegens een hersenletsel, velen kunnen hun bovenste ledematen niet gebruiken en zijn volledig aangewezen op dit waardevolle voorwerp. Om verschillende redenen kunnen zij ook geen gebruik maken van de vervangingsmiddelen die op de markt beginnen te komen:

    • Wat het vervangingsmateriaal betreft:
      • Metalen en bamboe rietjes zijn te hard en kunnen niet worden gebogen: ze kunnen de mond verwonden, vooral bij personen die onwillekeurig bewegen. Deze verwondingen kunnen zeer ernstige medische gevolgen hebben.
      • Kartonnen rietjes zijn te soepel, gaan te gemakkelijk stuk tussen de tanden of het tandvlees en kunnen niet worden gebruikt bij warme dranken. Ze veranderen de smaak van de drankjes. Bovendien kunnen ze niet worden gebogen.
    • Wat de hygiëne betreft:
      • Herbruikbare rietjes zijn een bron van vrees voor virussen en bacteriën (luchtwegen, herpes, schimmels, …).
      • Ze moeten zeer zorgvuldig worden gereinigd. Wie dergelijke rietjes gebruikt, moet hiervoor vertrouwen op anderen, met alle problemen van dien.
      • Het lijkt erg moeilijk siliconen rietjes doeltreffend te reinigen.
      • Veel gebruikers van rietjes hebben geen vaatwasser.
    • Wat de kostprijs betreft:
      • Wie rietjes gebruikt, heeft er veel van nodig. Plastic rietjes zijn handig omdat ze zeer goedkoop zijn, zowel voor particulieren als voor bedrijven.
      • Iemand betalen om herbruikbare rietjes te reinigen heeft ook een prijskaartje, ook al is dit zeer moeilijk in te schatten.
      • De kosten voor het reinigen komen bovenop de aankoop.

4. ADVIES

De NHRPH is zich terdege ervan bewust dat met het milieu rekening moet worden gehouden. Dit mag evenwel niet ten koste gaan van de levenskwaliteit en zelfredzaamheid van personen met een handicap. We moeten de gulden middenweg kiezen.

Aangezien rietjes voor eenmalig gebruik als medische hulpmiddelen zullen moeten worden beschouwd, maakt de NHRPH zich zorgen over de toekomstige beschikbaarheid en prijs ervan. De rietjes mogen niet te duur worden. Bovendien moeten ze gemakkelijk verkrijgbaar zijn voor wie ze echt nodig heeft. De NHRPH vraagt zich af hoe ze zullen worden verkocht. Zullen ze alleen in de apotheek verkrijgbaar zijn? Zo ja, dan moet ervoor gezorgd worden dat ze evenveel blijven kosten.

Indien een doktersvoorschrift nodig is om rietjes te kopen, moet het lang geldig zijn. Een jaarlijks te verlengen voorschrift kan niet door de beugel.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw De Block, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan mevrouw Marghem, Minister van Leefmilieu
  • Ter informatie aan mevrouw Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het coördinatiemechanisme van de UNCRPD
  • Raadplegingen: 8

Advies 2020/16 - Pilootproject: Integratie op arbeidsmarkt

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2020/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet betreffende de deelname van begunstigden van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en de integratietegemoetkoming (IT) aan tijdelijke projecten ter bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt, uitgebracht op 01/07/2020 na raadpleging van de leden per e-mail op 25/06/2020 vanwege de urgentie waarom mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking, heeft verzocht.

Advies op vraag van mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking, in haar mail van 25/06/2020.

1. ONDERWERP

Dit advies heeft betrekking op het voorontwerp van wet inzake de deelname van begunstigden van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming aan tijdelijke projecten ter bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt. Het voorontwerp van wet voorziet in de invoering van een experimentele wetgeving die personen met een handicap in staat stelt om extra beroepsinkomsten te verwerven zonder dat dit gevolgen heeft voor hun tegemoetkomingen voor personen met een handicap wanneer zij in het kader van een begeleid inschakelingstraject aan de slag gaan, in samenwerking met de gewestelijke tewerkstellingsdiensten en plaatsingsdiensten voor werknemers met een handicap.

2. ANALYSE

Het voorontwerp van wet ligt in het verlengde van het akkoord dat de uitgebreide Kern heeft bereikt over de stimuleringsmaatregelen die moeten worden genomen naar aanleiding van de COVID-19-crisis. Het voorontwerp van wet heeft tot doel een experimentele wetgeving in te voeren over het wegwerken van de werkloosheidsvallen waarin veel gerechtigden op een inkomensvervangende tegemoetkoming en een integratietegemoetkoming zich bevinden.

De Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking is van mening deze experimentele wet moet leiden tot een meer definitieve en veralgemeende, structurele of organieke regeling.

Voor de Minister is een belangrijk uitgangspunt voor deze experimentele wetgeving het idee dat sommige personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) ontvangen, betaald werk kunnen en willen doen. Dit werk moet passen bij hun eigen capaciteiten en vergezeld gaan van passende ondersteuning en een passend wettelijk kader.

Ze verwijst naar de studie "Armoede en handicap in België" (2019), uitgevoerd door de FOD Sociale Zekerheid en de POD Maatschappelijke Integratie, waartoe de NHRPH heeft bijgedragen. De studie toont ook aan dat het reglementaire kader van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en de uitvoering ervan een negatieve impact hebben op de tewerkstelling van personen met een handicap.

Een van de grootste problemen betreft de vrij complexe en deels onvoorspelbare effecten van de integratie van een IVT-gerechtigde op de arbeidsmarkt.

In principe hoeven deze gerechtigden geen toestemming te vragen om te mogen werken, maar ze moeten elke wijziging van hun inkomsten binnen de 3 maanden aan de administratie melden, opdat er een jaar later een herziening kan gebeuren. Tegemoetkomingen kunnen alleen worden verlaagd in het jaar dat volgt op het begin van de activiteiten. Het is dus mogelijk dat hun tegemoetkoming na de nieuwe berekening daalt of verdwijnt. Als ze verdwijnt, leidt dit ook tot het verlies van bepaalde sociale en fiscale maatregelen, zoals het sociaal tarief voor gas en elektriciteit, de vrijstelling of compensatie van de saneringsbijdrage op de waterfactuur, enz.

Bovendien zullen de gerechtigden het opnieuw aan de administratie moeten melden als ze hun arbeidsbetrekking na enige tijd weer verliezen. De aanpassing van hun tegemoetkoming zal dan afhankelijk zijn van vele factoren die moeilijk te voorspellen zijn aan het begin van hun arbeidsinschakeling. Meer nog, na een mogelijk ontslag zal het bedrag van de nieuwe tegemoetkoming in veel gevallen maandenlang veel lager zijn en vaak niet aangepast aan de reële inkomsten van de gerechtigden.

Dit proefproject is bedoeld om de inclusie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt te stimuleren door hen, enerzijds, passende ondersteuning te bieden (via individuele trajecten op maat die door de gewestelijke tewerkstellings- en plaatsingsdiensten worden aangeboden) en, anderzijds, door hen een veiliger en voorspelbaarder reglementair kader voor hun sociale statuut te bieden.

Daartoe voorziet dit voorontwerp van wet in een uitzondering voor een vaste periode van maximaal 3 jaar:

  1. wat betreft de leeftijdsgrens van 21 jaar bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap: het is de bedoeling personen met een handicap de mogelijkheid te geven om vanaf de leeftijd van 18 jaar deel te nemen aan dit experiment;
  2. wat betreft de regels inzake het in aanmerking nemen van de inkomsten voor de IVT/IT bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 inzake de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming: de inkomsten die personen met een handicap in het kader van dit experiment ontvangen, hebben volstrekt geen invloed op de berekening van de tegemoetkoming voor personen met een handicap;
  3. wat betreft de regels inzake de minimale wekelijkse arbeidsduur voor deeltijds werknemers.

De afwijkingen van het huidige rechtskader hebben alleen betrekking op de drie bovengenoemde voorwaarden.

Bovendien zullen deze vrijstellingen alleen gelden voor personen die deelnemen aan een proefproject voor personen met een handicap dat wordt ondersteund door de gewestelijke diensten voor tewerkstelling (VDAB, FOREM, ACTIRIS, ADG) en hun partners waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten.

Beschrijving van de artikelen

Artikel 2

De wet is van toepassing op personen die recht hebben op een tegemoetkoming voor personen met een handicap krachtens de wet van 27 februari 1987 inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en die deelnemen aan een arbeidsinschakelingsprogramma dat wordt ondersteund door een van de gewestelijke tewerkstellingsdiensten of een van de partners van deze diensten.

Artikel 3

Het in artikel 2 bedoelde arbeidsinschakelingsprogramma moet deel uitmaken van een project dat is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen de FOD Sociale Zekerheid en een of meerdere van de in artikel 2 bepaalde diensten.

Artikel 4

Dit artikel bepaalt dat de minimale wekelijkse arbeidsduur voor deeltijds tewerkgestelde werknemers zoals voorzien in artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de minimale duur van elke werkperiode zoals voorzien in artikel 21 van de arbeidswet van 16 maart 1971 niet van toepassing zijn op de in het voorontwerp van wet beoogde tewerkstelling van werknemers met een handicap.

Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat de deelnemers aan het arbeidsinschakelingsprogramma meerderjarig (18 jaar) moeten zijn, in plaats van 21 jaar zoals de wet van 27 februari 1987 voorschrijft.
Ook wordt bepaald dat bij de berekening van de tegemoetkoming voor personen met een handicap geen rekening wordt gehouden met het loon dat de betrokkene in het kader van dit project ontvangt.

Artikel 6

In dit artikel wordt bepaald dat er een traject op maat wordt opgezet voor personen met een handicap die deelnemen aan dit arbeidsinschakelingsprogramma. De tewerkstellingsdiensten zullen de personen met een handicap gedurende dit programma begeleiden.
Deelname aan het project is geen reden voor een herevaluatie van het verdienvermogen van de persoon met een handicap.

Artikel 7

Tijdens de looptijd wordt dit project door de in artikel 2 bedoelde bevoegde gewestelijke diensten geëvalueerd. De FOD Sociale Zekerheid bepaalt de vorm van deze evaluatie volgens de specifieke aard van het tijdelijke project. De beschrijving van de evaluatie wordt opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst en bevat minstens een halfjaarlijks verslag dat aan de FOD Sociale Zekerheid wordt voorgelegd.
In de laatste maand van het project legt de FOD Sociale Zekerheid een eindevaluatie voor aan de minister die bevoegd is voor personen met een handicap. Binnen de maand na de indiening van de definitieve evaluatie dient deze minister een voorstel in bij de Ministerraad om de toepassing van deze wet voort te zetten of te beëindigen.

Artikel 8

Dit artikel bepaalt dat de toepassing van de wet voortijdig kan worden beëindigd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Samenwerkingsovereenkomsten moeten zo snel mogelijk worden gesloten met de deelgebieden, zodat het proefproject op 1 januari 2021 van start kan gaan.

3. ADVIES

Over het verzoek om advies

Wederom moet de NHRPH bij hoogdringendheid een advies verstrekken. De NHRPH kan dus geen bijkomende vragen stellen aan de opstellers van de tekst over dit proefproject, aanvullende informatie bekomen en er intern overleg over plegen, terwijl dit onderwerp toch de kern van de missie van de NHRPH raakt. Heel wat vragen (die overigens verder in dit advies zijn opgenomen) blijven onbeantwoord. Dit sterkt de NHRPH in zijn overtuiging dat een advies bij hoogdringendheid opstellen contraproductief is. De kracht van de NHRPH bestaat net in het uitwisselen van ideeën tijdens de maandelijkse plenaire vergadering en het opstellen van een samenhangend advies op basis van deze uitwisseling. Deze essentiële denkoefening kan niet worden gegarandeerd wanneer het secretariaat en de leden van de plenaire vergadering met elkaar moeten overleggen per mail.

Over de inhoud

a. Het proefproject

Door de crisis als gevolg van de pandemie en de druk op de werklozen is het risico groot dat personen met een handicap nog meer worden uitgesloten op de arbeidsmarkt. Vóór de crisis bestonden er al werkloosheidsvallen voor gerechtigden op een tegemoetkoming voor personen met een handicap. Een deel van deze werkloosheidsvallen zouden kunnen wegvallen door de mogelijkheid in het voorontwerp van wet om beroepsinkomsten te combineren met tegemoetkomingen.

De NHRPH verstrekt bij de huidige stand van zaken van het voorontwerp van wet evenwel een advies met enige reserve. Het advies is grotendeels negatief om de onderstaande redenen.  

De NHRPH stelt vast dat het voorontwerp van wet zijn bestaansreden vindt in het kader van de stimuleringsmaatregelen naar aanleiding van de COVID-19-crisis (zie de nota aan de Ministerraad). Het voorontwerp van wet heeft tot doel een experimentele wetgeving in te voeren voor het wegwerken van werkloosheidsvallen. Voor de NHRPH spreekt het voor zich dat deze maatregel in geen geval de enige stimulerende post-coronamaatregel ten gunste van personen met een handicap mag zijn. De maatregel is namelijk bedoeld als een experiment en heeft een zeer beperkt toepassingsgebied:

  • De maatregel is niet bedoeld om structureel te zijn en zal slechts betrekking hebben op maximaal 300 personen.
  • De maatregel zal niet bij alle werkgevers kunnen worden toegepast.
  • De maatregel kan te allen tijde worden ingetrokken en garandeert geen enkele stabiliteit op lange termijn voor personen met een handicap.
  • De maatregel zal na 3 jaar uitsluitend door de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten worden geëvalueerd, zonder de adviesraden voor personen met een handicap te betrekken. Hoewel het advies van de NHRPH voor de huidige fase van dit voorontwerp van wet wordt gevraagd, is het niet voorzien dat de NHRPH achteraf zal worden betrokken.
  • De evaluatie van de maatregel zelf zal uitsluitend door de FOD Sociale Zekerheid gebeuren, zonder de deelname van de personen met een handicap zelf of van de adviesraden die hen vertegenwoordigen.
  • Bovendien is de werkgever op geen enkele manier verplicht de werknemer aan het einde van de overeenkomst in dienst te nemen. Deze situatie is bijzonder onaangenaam. De overeenkomst voor onbepaalde duur moet de norm blijven voor alle werknemers, ook voor werknemers met een handicap. Het creëren van een soort substatuut voor personen met handicap, is uit den boze.

De aard van de tewerkstelling is niet duidelijk: er wordt gesproken over een “arbeidsinschakelingsprogramma”. Wordt de persoon tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst waarvoor de wet van 3 juli 1978 geldt? Biedt deze tewerkstelling een sociale bescherming op korte termijn (werkloosheidsverzekering en ziekenfondsuitkeringen, arbeidsongeval enz.) en op lange termijn (pensioen), ermee rekening houdend dat de minimale wekelijkse arbeidsduur niet noodzakelijkerwijs van toepassing is? De NHRPH benadrukt dat een tewerkstelling die niet wordt beschermd door de sociale zekerheid, gedoemd is te mislukken als langetermijnoplossing. Het is een nieuwe werkloosheidsval omdat de personen zich niet beschermd voelen tegen mogelijke ongevallen, werkloosheid, ... Bovendien is dit een goedkope vorm van tewerkstelling, wat betekent dat de werkgever deze formule zal blijven verkiezen boven een normale tewerkstelling. Daardoor zullen deze personen niet in een regulier werkkader terecht komen dat wel een volledige sociale bescherming biedt. Dit voorontwerp van wet is niet duidelijk over de rechten betreffende de RSZ. De NHPRH veroordeelt elke vorm van tewerkstelling zonder waardige bescherming door de sociale zekerheid. De sociale bescherming door de RSZ is, enerzijds, een beginsel van gelijke behandeling van alle burgers en, anderzijds, een erkenning van respect en fatsoenlijk werk. De toekenning van tegemoetkomingen is slechts een vorm van armoedebestrijding in zijn meest minimale vorm.

De NHRPH wil ook graag weten wat er gebeurt indien een proefprojectdeelnemer ziek valt tijdens het arbeidsinschakelingsprogramma. In de veronderstelling dat de persoon in aanmerking komt voor een ziekenfondsuitkering: is het begrip ‘vorige toestand’ van artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van toepassing en hoe zal die vorige toestand worden beoordeeld? Zal de persoon een uitkering wegens een arbeidsongeval kunnen eisen indien hij het slachtoffer is van een ongeval op de werkplaats of op de weg naar of van het werk? Hoe wordt ook hier de vorige toestand beoordeeld? 

De NHPRH heeft ook een reeks vragen over de criteria voor de selectie van de kandidaten. Welke criteria worden het? Hoe wordt het evenwicht tussen mannen en vrouwen gewaarborgd? En het evenwicht tussen de leeftijdsgroepen? En de handicapsituaties? Wat wordt de verdeling Vlaanderen/Wallonië/Brussel?

Artikel 6 van het voorontwerp van wet vermeldt dat het verdienvermogen niet opnieuw wordt geëvalueerd wanneer de persoon aan dit project deelneemt. De NHRPH herinnert eraan dat de tewerkstelling van een persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangt (zelfs buiten dit proefproject) op zich niet kan leiden tot een herziening van het verdienvermogen. Bij de evaluatie van het verdienvermogen moet de evaluerende arts immers de concrete mogelijkheden van de persoon met een handicap om op de algemene arbeidsmarkt te functioneren, onderzoeken. De inspanningen die een persoon met een handicap via een arbeidsinschakelings- of revalidatieprogramma levert om een arbeidsbetrekking te verwerven of te behouden, mogen niet leiden tot een weigering of een verlies van de erkenning voor de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming, voor zover deze persoon met een handicap nog steeds voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987. Deze principes zijn duidelijk uiteengezet in de omzendbrief van 28 februari 2018 betreffende de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 april 2018.

Het verdienvermogen mag niet opnieuw worden geëvalueerd. Maar hoe zit het met de graad van zelfredzaamheid van de persoon? Kan die opnieuw worden geëvalueerd indien de handicap verergert? 

Door dit experiment kunnen jongeren met een handicap onder de 21 jaar een IVT/IT ontvangen: is dit geen "incentive" voor de jongere met een handicap om zijn studies stop te zetten, terwijl de opleiding zo cruciaal is voor zijn toekomst? Het valt zeer te vrezen dat de betrokkenen hun studie na 3 jaar niet meer zullen hervatten. Daarbovenop verliest hij hierdoor de facto zijn verhoogde kinderbijslag. Hij zal zich dus moeten inschrijven als gerechtigde in de regeling van de geneeskundige verzorging: werden alle gevolgen van deze maatregel onderzocht?

Verder moet de persoon - op enkele uitzonderingen na - minimaal 21 jaar oud zijn om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming voor personen met een handicap. Volgens de huidige versie van het voorontwerp van wet kan een persoon met een handicap die aan dit programma deelneemt, aanspraak maken op een volledige inkomensvervangende tegemoetkoming/integratietegemoetkoming vóór de leeftijd van 21 jaar. Dat de leeftijdsgrens voor sommigen verlaagd wordt tot 18 jaar leidt tot een discriminatie tussen personen met een handicap die aan dit programma kunnen deelnemen en personen die niet kunnen werken. 

Bovendien moeten de personen worden ingeschreven in een door de gewesten georganiseerde ‘begeleidingsvoorziening’, waardoor degenen die buiten deze voorzieningen om werk zouden vinden, worden uitgesloten. Deze maatregel leidt dus tot een discriminatie tussen personen die in deze begeleidingsvoorziening zijn ingeschreven en anderen die een arbeidsbetrekking buiten dit systeem vinden. De eersten zullen hun voordelen volledig kunnen combineren met beroepsinkomsten, de anderen niet.  
De NHRPH vraagt zich ook af waarom Phare niet opgenomen is in de lijst van de betrokken gewestelijke diensten.

Binnen het proefproject kunnen maximaal 300 personen met een handicap een tegemoetkoming en een inkomen uit arbeid combineren. De meeste aanvragers zullen waarschijnlijk deeltijds werken: hun situatie zal financieel wellicht iets beter zijn, maar nog lang niet comfortabel. Zal daarom aan het einde van het experiment, zelfs als de evaluaties niet eensluidend zijn, het voordeel van de cumulatie aan de gerechtigden worden ontnomen? Het valt te vrezen dat, als voortzetting van het experiment, de beleidsmakers extra quota’s zullen invoeren: 300 personen meer? 500 meer ? Is dit de geschikte manier om het probleem van de werkloosheidsvallen structureel aan te pakken?

Om al deze redenen is de NHRPH van mening dat het project nog serieus moet rijpen en op geen enkele manier kan worden beschouwd als een stimulerende maatregel voor personen met een handicap.

De NHRPH, die het vraagstuk van de tewerkstelling van personen met een handicap al tientallen jaren volgt, is tot een zeer duidelijke conclusie gekomen: de arbeidsmarkt stoot personen met een handicap af. De denkoefening moet zich dus op twee thema’s toespitsen: de noodzakelijke en grondige herziening van de wet van 27 februari 1987 en de verplichting om de reguliere arbeidsmarkt open te stellen voor personen met een handicap.

b. De noodzakelijke grondige herziening van de wet van 27 februari 1987

Door de cumulatie van tegemoetkomingen en arbeidsinkomsten toe te staan, wordt een van de werkloosheidsvallen effectief weggewerkt. Op te merken valt evenwel dat de gedeeltelijke cumulatie reeds is toegestaan (aftrek “prijs van de arbeid”). Maar dit is niet de enige werkloosheidsval: het feit dat er rekening wordt gehouden met de inkomsten van de jaren -2/-1 is dat evenzeer!

De kwestie van een mogelijke combinatie van tegemoetkomingen en beroepsinkomsten is belangrijk. Het zou echter verstandiger zijn indien politici de moed en de ambitie zouden hebben de tegemoetkomingen voor personen met een handicap volledig beginnen te hervormen! Dit voorontwerp van wet is een extra laag op de bestaande reglementaire ‘lasagne’.
De NHRPH wijst nogmaals op de noodzaak van een verregaande hervorming voor alle personen met een handicap: de sociale crisis ten gevolge van COVID-19 zal nog erger worden en personen met een handicap zijn er reeds slachtoffers van: hun koopkracht is gedaald en de minimale financiële steun die de NHRPH had gevraagd, met name een tijdelijke verhoging van de IVT met 5 % en een compensatiepremie van 200 euro, werd niet toegekend (zie persbericht van 30 mei 2020 en van 2 juni 2020). Daarom moet de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap dringend grondig worden hervormd en het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming opgetrokken tot minstens het bedrag van de armoedegrens. De NHRPH herinnert eraan dat er teksten zijn opgesteld op basis van de verschillende adviezen van de NHRPH, die door de handicapsector breed worden gesteund, voor een grondige hervorming die voldoet aan de verwachtingen van personen met een handicap. De meeste partijen beschikken over deze teksten van een hervorming die als groot voordeel heeft dat de aanbevolen maatregelen gefaseerd kunnen worden ingevoerd.

De NHRPH herinnert aan de prioriteiten van de gevraagde hervorming:

  1. Het principe van een integratietegemoetkoming voor iedereen invoeren, indien mogelijk door het in aanmerking nemen van het gezinsinkomen te verminderen of te af te schaffen;
  2. De werkloosheidsvallen bestrijden, met name door ervoor te zorgen dat een persoon met een handicap die zijn arbeidsbetrekking verliest, een integratietegemoetkoming behoudt die ten minste gelijk is aan wat hij tijdens zijn activiteit heeft ontvangen;
  3. Armoede bestrijden, onder meer door enerzijds de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en anderzijds de bedragen van de integratietegemoetkoming voor personen met een lichte handicap op te trekken;
  4. Ontwikkelen van een betrouwbaar instrument voor de evaluatie van de handicap om de kwaliteit van de beslissingen overal in België te garanderen;
  5. Vereenvoudigen en automatiseren van de procedures om schulden te voorkomen en te vermijden.

De bedoeling van een tegemoetkoming is dat een waardig leven mogelijk wordt! En dus moet ze op zijn minst op hetzelfde niveau als de armoedegrens zijn!

Een hervorming moet betrekking hebben op alle personen met een handicap! Het proefproject houdt geen rekening met personen die niet kunnen werken! En daarom zal hun levensstandaard niet verbeteren!

Alleen de goedkeuring van de hervorming van de wet van 1987 zal het mogelijk maken om de 200.000 erkende personen met een handicap in België daadwerkelijk en duurzaam te ondersteunen.

c. De noodzaak van andere maatregelen voor de tewerkstelling van personen met een handicap

Er moeten ook andere maatregelen worden genomen om personen met een handicap op korte termijn aan het werk te helpen. De NHRPH herinnert aan zijn verschillende eisen betreffende de tewerkstelling van personen met een handicap:

  • Een echt tewerkstellingsbeleid uitwerken: een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de werkgevers (uitvoering van de wet “positieve acties”);
  • Toepassing van het 3%-quotum bij de federale overheid;
  • Hervorming van de "back-to-work"-regeling in de zin van reële en waardige mogelijkheden voor een werkhervatting in de privésector;
  • Hervorming van artikel 100 van de wet betreffende de geneeskundige verzorging en uitkeringen. De strikte toepassing van de regeling van dit artikel leidt ertoe dat personen met een handicap lange tijd geen bestaansmiddelen hebben. Een evaluatie van het begrip ‘vorige toestand’ en van de toepassing ervan is in dit verband onontbeerlijk en dringend, aangezien de huidige situatie leidt tot pingpongspelletjes tussen verschillende instellingen en een verschillende behandeling voor vergelijkbare situaties;
  • Ervoor zorgen dat personen die wegens hun gezondheidstoestand gedwongen worden minder te werken, niet bestraft worden of hun sociale rechten geheel of gedeeltelijk verliezen. Sommige degeneratieve stoornissen leiden onvermijdelijk tot een verlies van werkvermogen. In de huidige reglementering gaat een verkorting van de arbeidsduur meestal gepaard met het verlies van een deel van de rechten. Voorbeeld: een persoon die als meer dan 50 % arbeidsongeschikt wordt erkend en vraagt om minder te werken, kan dat met behoud van zijn ziekenfondsuitkeringen. Wordt een persoon echter als minder dan 50 % arbeidsongeschikt erkend, dan kan hij weliswaar minder gaan werken, maar dan verliest hij zijn recht op zijn ziekenfondsuitkeringen. De erkenning van de handicap moet de persoon in staat stellen om juist om gezondheidsredenen en met een financiële compensatie van de sociale zekerheid minder of niet meer te werken.

De NHRPH herinnert er ook aan dat de activering van personen met een handicap grenzen heeft: sommige personen kunnen nooit meer aan het werk worden gezet en mogen dar niet voor worden gesanctioneerd, zelfs niet onrechtstreeks. Maatregelen om personen met een handicap weer aan het werk te krijgen mogen de persoon die ervoor kiest om ondanks zijn kwetsbaarheid te werken uiteindelijk nooit bestraffen. De erkenning van zijn handicap moet hem ook in staat stellen om niet te werken om gezondheidsredenen.

De NHRPH dringt er vooral op aan verder te blijven nadenken over de tewerkstelling van personen met een handicap. De NHRPH ziet zichzelf als een absoluut noodzakelijke partner. Ook de adviesorganen van de deelgebieden moeten hierbij worden betrokken.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan de Ministers bevoegd voor personen met een handicap in de deelgebieden;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2020/14 - Exitstrategie DG HAN

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Gezondheidszorg, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de exitstrategie van de DG Personen met een handicap (DG HAN), uitgebracht op 27/05/2020 na bespreking in de plenaire vergadering van 18/05/2020 en na raadpleging van de leden per mail op 22/05/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Steeds meer gebieden en activiteiten werken een exitstrategie uit naar aanleiding van COVID-19. De DG Personen met een handicap moet haar traditionele opdrachten – informeren en dossiers beheren – zo goed mogelijk hervatten.

2. ANALYSE

1. De laatste update (30/04/2020) van de website van DG HAN (https://handicap.belgium.be/nl/corona.htm) luidt als volgt:

Maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan: beperken van de impact op onze dienstverlening

Om jouw gezondheid te beschermen en verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, verlengen we de maatregelen tot nader order.

Daarom worden onze contactmomenten waarbij heel wat personen met een handicap, vaak met gezondheidsproblemen, langskomen uit voorzorg geannuleerd.

Dit zijn de concrete gevolgen voor jou:

Uitbetaling tegemoetkoming gegarandeerd

Als je momenteel recht hebt op een tegemoetkoming van onze dienst, blijven we die maandelijks uitbetalen. Je vindt de betaaldata op onze website.

Wanneer je een medische erkenning van bepaalde duur hebt en van onze dienst ook een tegemoetkoming ontvangt, dan herzien we jouw dossier automatisch.

Mocht er tegen het einde van de periode waarin je bij ons erkend bent nog geen nieuwe beslissing zijn, dan blijven wij in afwachting van de nieuwe beslissing jouw tegemoetkoming onveranderd verder uitbetalen.

Wij garanderen dus dat er geen onderbreking is de uitbetaling van je maandelijkse tegemoetkoming.

Je dossier laten herzien omdat je inkomsten gewijzigd zijn

Als je inkomen of dat van je partner daalt door de coronacrisis kunnen we niet meteen je tegemoetkoming aanpassen. Je kan ons dit alvast doorgeven via het contactformulier of door een nieuwe aanvraag zonder medische evaluatie te doen in My Handicap. Wij gaan dan na of het inkomen van jou en/of je gezin minstens 20 % gedaald is. Indien dit zo is, herberekenen we je tegemoetkoming in januari van het daaropvolgende jaar.

Krijg je een vervangingsinkomen? Laat ons dit dan weten via het contactformulier. We herberekenen je tegemoetkoming in januari van het daaropvolgende jaar. Omdat een vervangingsinkomen minder vrijgesteld is, is het in jouw voordeel dat we de herberekening pas in januari van volgend jaar doen.

Als je helemaal zonder inkomsten valt, kan je onmiddellijk een herziening krijgen. Contacteer ons hiervoor via het contactformulier.

Toegankelijkheid kantoren en medische centra

Onze kantoren en regionale medische centra zijn gesloten tot nader order.

Je afspraak bij onze arts

  • Tot nader order zullen er geen consultaties in onze medische centra meer doorgaan.
  • Uiteraard doen we er alles aan om je, als je een afspraak had bij onze arts, te verwittigen dat deze niet doorgaat. Dit kan zowel per mail, telefonisch of per brief. Mocht je uitzonderlijk niet verwittigd zijn dat je afspraak niet doorgaat, kom dan niet naar een regionaal medisch centrum: alles is afgesloten. Er zijn geen uitzonderingen, alle afspraken zijn afgelast.

De behandeling van je aanvraag

We zullen zoveel mogelijk beslissingen nemen op basis van de medische informatie in je dossier, zonder dat je hoeft langs te komen. Daarom zullen we zo nodig bijkomende inlichtingen opvragen.

We bellen je hiervoor op, mailen of sturen je een brief.

Mocht het niet mogelijk zijn om een beslissing te nemen zonder je te zien, zal je later gecontacteerd worden om een nieuwe afspraak in te plannen.

Het indienen van je aanvraag via je OCMW, gemeente of ziekenfonds

Bij heel wat van onze partners is het mogelijk om telefonisch begeleid te worden om je aanvraag in te dienen. Je vraagt het beste na bij je gemeente, OCMW of ziekenfonds of dit voor jou mogelijk is.

Is  je geplande afspraak met een medewerker van een OCMW, gemeente of ziekenfonds om een aanvraag in te dienen afgelast? Zodra je afspraak weer zal kunnen doorgaan en de aanvraag wordt ingediend, kan de persoon die voor jou de aanvraag indiende (dus niet jijzelf) ons via het contactformulier laten weten dat we de datum hiervan moeten vervroegen. We houden dan rekening met de datum waarop je normaal gezien de aanvraag had gedaan.

Als je aan de voorwaarden voldoet, kan je dan je tegemoetkoming met terugwerkende kracht verkrijgen voor de periode waarin men voor jou wegens coronamaatregelen geen aanvraag kon doen.

De zitdagen van onze sociaal assistenten

  • De zitdagen van onze sociaal assistenten worden alvast tot nader order afgelast. Ze worden ten vroegste na de paasvakantie opnieuw opgestart.
  • Onze sociaal assistenten (.pdf) helpen je graag vanop afstand.

Uitstel vragen om inlichtingen op te sturen

We begrijpen dat het door de grote drukte bij huisartsen en specialisten momenteel bijna onmogelijk is om de nodige documenten op te vragen. We hebben de termijnen om inlichtingen op te sturen automatisch verlengd tot 60 dagen (i.p.v. 30). Je hoeft je hierover geen zorgen te maken. Midden april zullen we evalueren of er bijkomende verlengingen nodig zijn. Uiteraard gaan we geen dossiers afsluiten met een negatieve beslissing omdat er geen inlichtingen konden worden opgestuurd.

Langer tijd om een heroverweging van je dossier te vragen nadat je van ons een beslissing ontving

Als je vindt dat wij een verkeerde beslissing hebben genomen, kan je onder bepaalde voorwaarden een heroverweging vragen. Dit betekent dat wij zullen nagaan of er een nieuwe beslissing genomen kan worden. Je moet de heroverweging normaal gezien aanvragen binnen de 3 maanden nadat je onze brief hebt gekregen waarin staat uitgelegd op welke maatregelen je wel of niet recht hebt. Gezien de uitzonderlijke situatie waarin we ons bevinden, kan je voor alle dossiers die sinds 01/01/2020 beslist werden, een heroverweging vragen tot 3 maanden na het einde van de lockdownmaatregelen.

Post versturen naar ons

We willen vragen om documenten zoveel mogelijk via het contactformulier te bezorgen zodat ze niet meer gescand hoeven te worden. Dit gaat voor jou en voor ons veel sneller. Zo vermijden we ook om de postbodes, die het momenteel heel druk hebben, onnodig te belasten.

We voorzien wel een minimale dienstverlening in het verwerken van de post. Post versturen blijft dus mogelijk als je de documenten niet via het contactformulier kan bezorgen.

0800-nummer

Op ons 0800-nummer is een boodschap ingesteld om bellers te verwittigen dat de afspraken bij onze artsen in onze medische centra en bij onze sociaal assistenten niet doorgaan. Het 0800-nummer blijft wel bereikbaar: na deze melding wordt een beller gewoon doorgeschakeld naar onze calltakers.

We vragen om onze lijnen niet te overbelasten en zoveel mogelijk het contactformulier te gebruiken.

Heb je nog vragen?

We blijven bereikbaar via deze contactgegevens.

2. Op de plenaire vergadering van 18 mei heeft de vertegenwoordigster van DG HAN, mevrouw Isabelle Wauters, een stand van zaken van het dossierbeheer gegeven:

  • Het aantal nieuwe aanvragen en aanvragen tot herziening is sinds het begin van de gezondheidscrisis sterk gedaald (- 60 % ten opzichte van gewoonlijk).
  • Op het 0800-nummer (0800/98 799) krijg je de ingesproken boodschap dat de dossiers op stukken geëvalueerd worden. Misschien verklaart dit de daling voor een deel. Het bericht werd dus verwijderd.
  • De diensten hebben de vrijgekomen tijd benut om de achterstand fors te verminderen.
  • Er wordt een overrompeling verwacht zodra de situatie normaliseert.
  • DG HAN werkt een draaiboek voor de concrete hervatting van de activiteiten uit.
  • Het volgende staat reeds vast:
    • De medische onderzoeken in aanwezigheid van personen met een handicap worden in juni hervat indien een onderzoek op stukken niet mogelijk is.
    • Mensen zijn niet verplicht om de voorgestelde datum voor de afspraak te aanvaarden. De afspraak kan dan uitgesteld worden.
    • De dossierbeheerders zullen de inlichtingen zo proactief mogelijk verzamelen, per telefoon of via de contactpersonen.
    • Er wordt onderzocht of afspraken tussen de personen met een handicap en de artsen of de sociaal assistenten mogelijk zijn via videoconferentie.

3. ADVIES

De NHRPH neemt akte van de maatregelen die op 30 april op de website gepubliceerd werden en die nog steeds van toepassing zijn op 27 mei 2020. De NHRPH beseft ook dat de heropstart van de activiteiten van DG HAN geen sinecure is. Er zijn maatregelen nodig waar de medewerkers vertrouwen in hebben, maar het tegelijk ook mogelijk maken gerechtigden op een tegemoetkoming ‘op te sporen’ die wegens angst, isolement, ziekte, … vervreemd zijn van de openbare dienstverlening.

Hier volgen een aantal aanbevelingen en aandachtspunten voor de specifieke situatie van de DG HAN. Uiteraard gelden de algemene gezondheids- en veiligheidsrichtlijnen ook voor personen met een handicap (onthaal van personen, schoonmaken van lokalen, ontsmetten van wacht- en spreekkamers, ...).

  1. Finance Tower, medische centra en zitdagen van de sociaal assistenten

    1. Het aantal bezoekers onder controle houden: beperken? Hoe? Personen met een handicap moeten ook op een andere manier dan op afspraak onthaald kunnen worden. Hoe de kwetsbare groepen bereiken? Welke prioriteiten? Ondersteuning door de ziekenfondsen/OCMW’s?
    2. Zorgen voor bufferzones om uit te rusten in het gebouw of buiten (als het weer het toelaat)
    3. Onthaal van dove personen en personen met een verstandelijke handicap
    4. Afstand houden en dragen van een mondmasker:
      1. flexibele houding ten opzichte van dove personen en personen met een verstandelijke handicap;
      2. kwetsbare personen: mondmaskers voorzien voor wie er geen heeft?
      3. De NHRPH beveelt transparante mondmaskers aan voor alle personeelsleden van de Finto, omdat deze het mogelijk maken te liplezen en een glimlach erdoor te zien, wat waardevol is in deze periode onder druk.
  2. Website van de DG HAN

    1. Regelmatig en duidelijk communiceren. De laatste update dateert van 30 april. Dat is alweer even geleden. Heel wat administraties communiceren regelmatig over de exitstrategie. Dat geeft de burger vertrouwen.
    2. De traditionele partners (ziekenfondsen, OCMW's, ...) betrekken bij de communicatie.
  3. Dienstverlening van de DG HAN

    1. Exit na lockdown = zeer waarschijnlijk een overrompeling!
      1. Wordt er voldoende personeel voorzien?
      2. Geestelijke gezondheid van de eerstelijnsmedewerkers (meer bepaald sociaal assistenten en contact center)
    2. Medisch deel: evaluatie in aanwezigheid van de persoon met een handicap? Teleconsulten? Huisbezoek voor zwaar zorgbehoevende personen?
    3. Zitdagen van de sociaal assistenten: Finto en provincies: medische centra en externe centra – planning en maatregelen – noodzaak van goede communicatie
    4. Telefonie: de personeelsleden zullen zeer aandachtig moeten zijn en goed begeleid moeten worden. Sommige oproepen zullen wegens het isolement, gebrek aan zorg, … zeer waarschijnlijk – meer nog dan gewoonlijk – op een ‘zoektocht naar algemene informatie’ of een ‘verzoek om hulp’ lijken. Het contact center zal zich welwillend moeten opstellen. Deze parameter moet meegenomen worden in het beheer van het contact center. De signalen van de personen zullen ook doorgegeven moeten worden aan de bevoegde diensten en diensten buiten DG HAN.
  4. Uitgaande post DG HAN

    1. Zo veel mogelijk herinneren aan de belangrijke maatregelen
    2. Duidelijke taal
  5. Dossierbeheer DG HAN

    1. Flexibel zijn op het vlak van termijnen en aanvragers van een tegemoetkoming begeleiden
    2. Vaststellen welke medische herzieningen prioritair zijn?

De NHRPH vraagt ook dat naast deze exitstrategie een ernstige en duurzame denkoefening gehouden wordt, aangezien veel experten wijzen op de omvang van de komende sociale crisis.

Om die reden herinnert de NHRPH aan het volgende:

  1. De rechten moeten absoluut worden geactiveerd, maar ook de wet van 27 februari 1987 moet grondig worden herzien! Veel personen met een handicap leven in armoede en krijgen niet de erkenning waarop ze volgens de wet recht hebben, vaak uit onwetendheid ( advies 2018-09 ).
  2. Personen met een handicap moeten dringend toegang krijgen tot hun rechten. Er moet een interfederaal netwerk uitgewerkt worden om de personen op te sporen wie aan de voorwaarden voldoet.
    De NHRPH is van mening dat de FOD Sociale Zekerheid hierbij een leidende rol kan vervullen.
  3. Er moet een interministeriële conferentie Handicap opgericht worden. Deze moet, met deelname van de adviesraden van personen met een handicap, een interfederaal plan opstellen om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap, hun gezinnen en mantelzorgers.
  4. De uitwerking van de TRIA-informaticatool moet dit activeringsproces (kunnen) ondersteunen.
  5. Een minister moet bevoegd zijn voor de inclusie van personen met een handicap.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap;
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2020/12 - EVAL-project DG HAN

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Gezondheidszorg, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het EVAL-project van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN), uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18/05/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) heeft verschillende projecten op touw gezet in het kader van de FARO-strategie van de FOD Sociale Zekerheid.

Een van deze projecten is het EVAL-project (“evaluatie”) dat tot doel heeft de kwaliteit van de organisatie van de medische evaluatie van de persoon te verbeteren. Het is de bedoeling de evaluatie uit te breiden tot een multidisciplinair team van medewerkers.

2. ANALYSE

Het EVAL-project wil kwalitatief en mensgericht zijn.

Het bestaat uit 3 fasen:

  • De evaluatie van de kwaliteit van de medische processen (menselijke en kwalitatieve evaluatie van de handicap),
  • Het opleidingsprogramma voor de evaluatoren,
  • Vorming met handboek voor de externe partners van de DG HAN om hen te helpen bij het doeltreffend voltooien van een evaluatie.

Een lijst met kwaliteitscriteria wordt thans ook afgerond.

Het opleidingsprogramma voor de evaluatoren werd uitgewerkt met de medewerking van dr. Nyree Claes, professor aan de Universiteit van Antwerpen en van Hasselt, en de DG HAN. Dit programma wil duurzaam zijn en moet de persoon met een handicap centraal in de expertise plaatsen. Het is modulair opgebouwd en zal in de bestaande evaluatiemethode worden opgenomen.

De uitvoering van dit opleidingsprogramma is ingedeeld in 3 fasen:

  • Fase 1: kennisname door de professor van de bestaande evaluatie
  • Fase 2: zoeken naar ervaringen in de andere landen (benchmarking)
  • Fase 3: analyse van de rol van de evaluerende arts, van de administratie, van de persoon met een handicap

De evaluator moet op termijn 5 kennisdomeinen beheersen:

  1. Kennis van de werkmethode en van de reglementering van de DG HAN
  2. Kennis van de communicatiemodules
  3. Kennis van het digitaal beheer van het medisch dossier
  4. Kennis van de analyse en van de synthese van een medisch dossier
  5. Kennis van de evaluatie van de gevolgen van de handicap voor het dagelijks leven

De opleidingstijd wordt geraamd op ongeveer 20 dagen (stage niet meegerekend). Het programma gaat begin mei van start. De maatschappelijk assistenten zullen de opleiding ook volgen.

Om de evaluatie te ondersteunen werd een door de evaluator in te vullen lijst voor controle van de kwaliteitscriteria opgesteld. Deze lijst omvat een anamnese, een klinisch onderzoek en eventuele bijkomende medische verslagen.

3. ADVIES

De NHRPH is verheugd over dit opleidingsaanbod voor artsen en evaluerende assistenten. De NHRPH heeft zeer vaak gewezen op de noodzaak van een multidisciplinaire evaluatie. Die wordt trouwens al heel lang gevraagd en is in de tekst zelf van de wet van 27 februari 1987 opgenomen.

De NHRPH geeft zijn advies over twee aspecten: het multidisciplinaire team en de inhoud van de lijst met kwaliteitscriteria.

Het multidisciplinaire team:

De NHRPH dringt erop aan, dat de assistenten die afkomstig zijn uit de zorgsector (verplegers bijvoorbeeld) ook niet-medische vaardigheden toepassen in het kader van de evaluatie van de persoon met een handicap. Het doel van de wet van 27 februari is wel degelijk het meten van de gevolgen van pathologieën op het dagelijks leven in de 6 gedefinieerde punten. De NHRPH herinnert eraan dat het nodig is om de medische benadering van de arts te combineren met de evaluatie van de “mogelijkheden in het dagelijkse leven” door het multidisciplinaire team. De NHRPH vraagt om de dubbele doelstelling van deze evaluatie goed op te nemen. Het feit dat er stages zijn aan het eind van de theoretische opleiding is in dit opzicht zeer positief.

De NHRPH vraagt om de garantie van gelijke dossierbehandeling, of het nu gaat om een evaluatie in aanwezigheid van de persoon of om een evaluatie op stukken. De gelijkwaardigheid van de evaluaties moet worden gewaarborgd, ongeacht wie de evaluator is. Er is nood aan multidisciplinaire teams die gebaseerd zijn op gelijkheid tussen collega’s, ongeacht hun oorspronkelijke opleiding: de arts maakt deel uit van het team net als de anderen.

Om deze multidisciplinaire aanpak te waarborgen, moeten er verschillende opleidingen voor de groep opleiders zijn. De NHRPH vraagt zich af of de makers van het project bijvoorbeeld gedacht hebben aan gespecialiseerde opleiders. Er zijn bepaalde verstandelijke en psychische handicaps die moeten kunnen worden beoordeeld door professionals die een grondige opleiding hebben genoten, ook wat hun communicatie betreft. Deze handelwijze zal een meerwaarde zijn voor een betere evaluatie.

De grote uitdaging zal steeds zijn om de impact op het dagelijks leven te beoordelen. Er moet rekening worden gehouden met elke persoon met een handicap en met elk soort handicap. Het is belangrijk dat deze evaluatie rekening houdt met de leefomgeving van de persoon en met de specifieke situaties die hij/zij ervaart. De stages zullen het ook mogelijk moeten maken om de evaluatoren met deze situaties vertrouwd te maken.

De NHRPH is van mening dat het tijdens de evaluatieopleiding van fundamenteel belang zal zijn om voor een persoon met een handicap de theoretische situatie “op stukken” te toetsen aan de evaluatie op grond van het concrete onderzoek: alle assistenten moeten de kans krijgen om hun eerste, theoretische benadering te vergelijken met de analyse van de ontmoeting met de persoon met een handicap.

De NHRPH denkt dat het wel eens zinvol zou kunnen zijn om ervaringsdeskundigen bij de evaluatie te betrekken. Zij kunnen de meerwaarde van de ervaring bieden en helpen om bijvoorbeeld de levenssituatie van blinde personen en personen met een verstandelijke handicap te begrijpen. Deze personen met een handicap kunnen bijvoorbeeld het openbaar vervoer nemen, maar dan wel mits begeleiding of voorbereiding, een langere reistijd dan normaal enz. Het is belangrijk om een duidelijk en nauwkeurig beeld te hebben van het soort handicap, de behoeftes, de mate van afhankelijkheid van een derde persoon, de tijd die nodig is om een taak uit te voeren, de extra fysieke inspanning die nodig is enz.

Het is ook nodig om de communicatie van artsen met personen met een handicap te verbeteren, vooral wanneer de persoonlijke situatie van de persoon ter sprake komt: op het gebied van menselijke relaties is er echt werk aan de winkel

De lijst met kwaliteitscriteria:

De NHRPH wijst erop dat gegevens met betrekking tot de btw, verminderde tarieven bij het openbaar vervoer (verminderingskaart) enz. belangrijk zijn en in de oproepingsbrief voor de evaluatie zouden moeten worden gevraagd.

Er zijn verschillende handicaps: de NHRPH vraagt zich af of de nodige voorzieningen zijn getroffen. De slechthorende patiënt moet bijvoorbeeld zijn antwoorden kunnen voorbereiden.

De NHRPH verzoekt de DG HAN om in de oproepingsbrief voor de evaluatie op te nemen dat de persoon zich kan laten vergezellen door een tolk of een vertrouwenspersoon.

De NHRPH betreurt het nadrukkelijk medische karakter van de lijst met criteria. Uit de criterialijst en de aard van de gevraagde documenten komt een sterk hiërarchische rolverdeling naar voren.

De NHRPH stelt voor om in het formulier duidelijk aan te geven dat niet alleen medische en gespecialiseerde verslagen worden verwacht. Zowel medische als multidisciplinaire verslagen zijn nodig. Zonder de multidisciplinaire verslagen kan geen degelijke evaluatie gebeuren. De NHRPH vreest dat een valabele beslissing op stukken enkel op basis van medische verslagen niet mogelijk is. Bovendien is het noodzakelijk om de informatie die de persoon niet spontaan verstrekt op te zoeken. Sommige personen hebben overigens niet de mogelijkheid of de bekwaamheid om de niet-medische documenten in te vullen (te moeilijk, onvoldoende opleiding).

De NHRPH stelt voor om de medische en multidisciplinaire delen van elkaar te scheiden. De verschillende elementen hebben elk hun belang: ze moeten naast elkaar worden geplaatst en gelijkwaardig worden behandeld.

Voor de praktische kant van de evaluatie stelt de NHRPH voor om een reeks dossiers te nemen die volgens de lijst met kwaliteitscriteria zijn geanalyseerd en het multidisciplinaire team te vragen na te gaan of de persoon naar behoren is geëvalueerd aan de hand van de criteria van deze lijst.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG HAN;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister; 
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2020/13 - Exitstrategie na COVID-19-lockdown

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Gezondheidszorg

Advies nr. 2020/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de exitstrategie na de COVID-19-lockdown, uitgebracht op 25/05/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH per mail van 19/05/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Steeds meer sectoren en diensten werken een exitstrategie uit naar aanleiding van de COVID-19-crisis. Ook personen met een handicap willen de draad weer kunnen oppakken en opnieuw deelnemen aan de samenleving.

2. ANALYSE

De crisis heeft bepaalde levensomstandigheden verergerd: net als bijvoorbeeld ouderen zijn personen met een handicap vaak onzichtbare burgers die over het hoofd worden gezien en vaak worden benadeeld bij het uitoefenen van hun rechten.

Nu de lockdownmaatregelen gaandeweg worden opgeheven, stelt de NHRPH vast dat er niet altijd rekening wordt gehouden met de behoeften van personen met een handicap om hen in staat te stellen als iedere andere burger hun activiteiten en het leven in de maatschappij te hervatten. In het openbaar vervoer, de grootdistributie, de zorgsector, de openbare dienstverlening enz. verhinderen de crisisinstructies dat bepaalde of soms zelfs alle personen met een handicap toegang hebben tot goederen en diensten.

Zo hebben bijvoorbeeld blinde of dove personen doorgaans geen volwaardige toegang tot de informatie op de websites.

Personen in instellingen mogen zich niet vrij verplaatsen of afspreken met wie zij willen. Er moeten procedures worden uitgewerkt zodat personen met een handicap hun naasten kunnen zien, waarbij zowel hun eigen gezondheid als die van het personeel worden beschermd. Voor deze procedures moet worden overlegd met de personen met een handicap en hun familie, de directies van de diensten en het personeel.

Een andere onrustwekkende vaststelling is dat de gezondheidscrisis een klimaat van angst creëert. Afstand houden leidt tot vervreemding en uitsluiting: op het perron of in de winkel verdwijnt de natuurlijke neiging om te helpen. Iemand helpen die op straat valt of die gewoon om hulp vraagt, wordt als problematisch ervaren.

3. ADVIES

Uiteraard is de NHRPH van mening dat de instructies inzake hygiëne en afstand houden ook gelden voor personen met een handicap (onthaal van personen, schoonmaak van lokalen, …).

De NHRPH herinnert er nogmaals aan dat personen met een handicap, ongeacht hun handicap, leeftijd, woonplaats of gebruikelijke activiteiten, op gelijke voet met andere burgers moeten worden behandeld. Het kan absoluut niet dat personen met een handicap in de praktijk langer dan noodzakelijk in lockdown moeten blijven, geen toegang kunnen krijgen of dat maatregelen of compromissen voor hen worden uitgesteld wegens hun handicap! Ter herinnering: de exitstrategie moet voor alle personen met een handicap een realiteit zijn, ongeacht hun leeftijd of woonplaats.

De NHRPH vraagt dat in de exitstrategie op alle levensvlakken en in alle activiteitensectoren rekening wordt gehouden met de behoeften van personen met een handicap.

De NHRPH wil de volgende aspecten benadrukken:

  1. Communicatie over de maatregelen en fasen van de exitstrategie:

    1. duidelijke en regelmatige informatie die toegankelijk is voor personen met een handicap;
    2. heldere visuele en auditieve informatie op openbare plaatsen voor alle groepen;
    3. het niet direct na elkaar omroepen van verschillende berichten (zo wordt bijvoorbeeld in het openbaar vervoer een COVID-bericht over afstand houden gevolgd door een bericht over zakkenrollers; dit vergroot de angst bij personen met een handicap en de bevolking in het algemeen);
    4. affiches en websites: in overeenstemming met het AnySurfer-label, video’s in gebarentaal en easy to read (gemakkelijk te lezen en te begrijpen taal); dit geldt niet alleen voor de officiële coronawebsite, maar ook voor privéwebsites van algemeen nut: Comeos, Febelfin, bpost, ziekenhuizen, ...);
    5. begeleiding of hulp door een derde wanneer dit nodig is: een communicatie van de overheid via de media zou kunnen herinneren aan het belang van solidariteit;
    6. er is meer geld nodig voor de vertaling in gebarentaal voor elke gebruiker; het huidige plafond is volstrekt ontoereikend.
  2. Probleemdomeinen:

    1. de gebouwde omgeving en internetomgeving van de
      1. overheidsdiensten (cf. advies 2020-14 - DG HAN - exitstrategie),
      2. privédiensten van openbaar nut (banksector, distributiesector enz.),
      3. ziekenhuizen en zorg- en begeleidingsdiensten.
    2. openbaar vervoer: ter herinnering, veel personen met een handicap kunnen zich enkel met het openbaar vervoer verplaatsen; het bestaande aangepaste vervoer moet om twee redenen worden uitgebreid:
      1. heel wat vrijwilligers (vaak ouder dan 65 jaar) hebben hun activiteiten (nog) niet hervat;
      2. het traditionele openbaar vervoer is niet voor alle personen met een handicap toegankelijk en de assistentie – indien die voorhanden is – wordt niet meer onder dezelfde voorwaarden verleend? Bijvoorbeeld: bij de NMBS werd de reservatietermijn voor assistentie van 3 uur, geldig in een beperkt aantal stations, opgetrokken tot 24 uur. (Vanaf25/05/2020 zijn de assistentietermijnen van vóór de crisis weer van toepassing.);
      3. de taxi is geen aanvaardbaar alternatief omdat deze te duur is voor de overgrote meerderheid van personen met een handicap.
  3. Social distancing en het dragen van een mondmasker zijn voor sommige personen met een handicap niet mogelijk of moeten worden aangepast aan hun specifieke behoeften.

    1. Er moet sector per sector worden bekeken welke flexibiliteit mogelijk is.
    2. Deze vaststelling mag nooit leiden tot een beperking van de rechten en vrijheden van personen met een handicap. Dit geldt voor alle sectoren van het leven en de activiteiten van personen met een handicap.
    3. In de sector van de instellingen is dit uiteraard een cruciale denkoefening die moet leiden tot regelingen om naar een zo normaal mogelijk leven terug te keren. Dit geldt ook voor de geestelijke gezondheid van de personen die er verblijven.
  4. Hervatting van de beroeps- en opleidingsactiviteiten

    1. De tendens blijft telewerk: er moet bijzondere aandacht worden besteed aan het isolementsrisico van personen met een handicap.
    2. Veel videoconferentiemiddelen zijn niet toegankelijk voor doven en blinden.
  5. Waardig inkomen en reële koopkracht

    1. Het leven is op een aantal vlakken duurder geworden. De noodzakelijke aanschaf van mondmaskers en handgel, de taxi moeten nemen in plaats van de trein, meer dan gewoonlijk de mobiele telefoon gebruiken, … Dat alles brengt extra kosten met zich mee:
      1. de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) wordt tijdelijk opgetrokken vanaf het begin van de lockdown totdat de situatie weer normaal is. Ter herinnering, de werkloosheidsuitkering werd met 5 % opgetrokken;
      2. een bijkomende solidariteitspremie van 200 euro zou de koopkracht enigszins kunnen vergroten.
    2. Is voedselhulp toegankelijk voor personen met een handicap?
  6. Toegankelijke geneeskundige verzorging

    1. Extra kosten zijn uit den boze.
    2. Onderbroken zorgtrajecten van personen met een handicap moeten worden hervat. Er moet ook worden bekeken wie er geen gebruik van maakt (wegens angst, financiële lasten, …); voor hen moeten er zorgtrajecten worden opgestart.
    3. Mondmaskers en handgel: hoe kunnen geïsoleerde personen met een handicap – die soms ver van de distributiepunten zijn verwijderd – worden bevoorraad?
    4. Er moet rekening worden gehouden met de geestelijke gezondheid van personen met een handicap. De NHRPH vraagt te mogen deelnemen aan de denkoefening van de Taskforce Geestelijke gezondheidszorg.
  7. Testing en tracing

    1. Rekening houden met het begripsniveau van de betrokkenen.
    2. Specifieke maatregelen worden getroffen voor dove personen en personen met een verstandelijke handicap.
    3. Hoe worden deze personen op lange termijn begeleid?
  8. Mantelzorgers

    1. Heel wat gezinnen en personen uit de naaste omgeving hebben de zorg voor iemand overgenomen van de gespecialiseerde diensten. Deze informele hulp is van onschatbare waarde; zij is zeer belangrijk en essentieel op collectief en individueel vlak.
    2. Personen die worden geholpen, zullen in hun reeds zeer drukke dagelijks leven niet alleen met hun gewoonlijke maar ook met nieuwe verplichtingen worden geconfronteerd. Zij zullen zich vaker dan gewoonlijk moeten verplaatsen “om de verloren tijd in te halen” (medische zorg, administratieve stappen).
    3. Op een bepaald moment zal de omgeving misschien ook niet meer zo beschikbaar zijn, omdat ook deze mensen de verloren tijd moeten inhalen.
    4. De gezinnen moeten dus ook verder worden ondersteund en er moet worden gekeken welke nieuwe behoeften in de loop van de komende weken ontstaan.
  9. Meer dan ooit moeten personen met een handicap worden betrokken bij de oplossingen via de adviesraden van personen met een handicap (advies 2020-10). Dit geldt ook in de sector van de leefgemeenschappen voor personen met een handicap (raad van gebruikers).

  10. Interfederale coördinatie door middel van een interministeriële conferentie Handicap is noodzakelijk om de grijze zones en de ongewilde gevolgen van de maatregelen van de deelgebieden te verminderen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan de Groep van experts die belast is met de exitstrategie (GEES);
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2020/15 - Exitstrategie NMBS

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2020/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de exitstrategie van de NMBS in stations en haltes na de lockdown wegens de coronacrisis, met spoed uitgebracht op 25/05/2020 na raadpleging van de leden via e-mail.

Advies op vraag van de NMBS via e-mail van 15/05/2020.

1. ONDERWERP

Nu de lockdown wegens de COVID-19-crisis wordt afgebouwd, herneemt de NMBS gaandeweg de normale dienstverlening, uiteraard wel met de nodige veiligheidsvoorschriften, waaronder social distancing en het verplichte gebruik van mondmaskers. De NMBS vroeg de NHRPH dringend om advies over haar plannen.

2. ANALYSE

De NMBS stelt o.a. een ‘circulatieplan’ op om de passagiersbewegingen in de stations gecontroleerd te laten verlopen, in het bijzonder van en naar de perrons.

Kort samengevat worden de mensenstromen in eenrichtingstrajecten geleid door middel van pijlen (op de grond en elders), verkeersborden, tactiele gele lijnen, hekken, afspanningslinten enz. De juiste wandelrichting wordt aangegeven met tactiele gele voetafdrukken.

De NHRPH kon een ontwerp inkijken en consulteerde zijn achterban.

Volgens de NHRPH lopen de slechtziende en blinde personen de grootste risico’s in de voorgestelde opstelling, en de doofblinde personen nog meer:

  • Voor blinde en zwaar slechtziende personen is de visuele informatie niet toegankelijk.
  • Personen met een visuele handicap volgen de ribbellijnen en natuurlijke gidslijnen, en dat in de 2 richtingen. Het risico op botsingen met tegenliggers is groot en houdt voor beide partijen een risico op besmetting in. Bovendien kan zo’n botsing agressie uitlokken bij betrokkenen.
  • Het contrast van de op de grond en de muren aan te brengen pijlen en andere markeringen is onvoldoende. Er moet o.a. rekening worden gehouden met enerzijds het contrast tussen de fondkleur van de sticker en de ondergrond (die licht of donker kan zijn) en anderzijds tussen de fondkleur en de afgebeelde figuur of tekst. Mogelijk zijn verschillende uitvoeringen nodig volgens de context. Reliëf kan een meerwaarde zijn.
  • Wanneer er hekken of linten worden geplaatst in een station waar de persoon de weg kende, raakt hij mogelijk gedesoriënteerd.
  • Assistentiehonden van personen met een (visuele) handicap kunnen pijlen, gele markeringen (lijnen en voetstappen op de grond) enz. niet correct interpreteren.
  • Assistentiehonden zijn niet getraind op het respecteren van anderhalve meter afstand die moet worden gehouden tegenover personen. Integendeel, ze leerden aan om bij voorgangers aan te sluiten en die wanneer mogelijk in te halen. Dit geldt ook voor de assistentiehonden van personen met een andere handicap, zoals sommige rolstoelgebruikers.
  • Voor doofblinde personen is de situatie nog moeilijker, omdat die zowel visuele als sonore informatie missen. Tactiele informatie is dan essentieel.

De NHRPH vreest dat de uniformiteit van de maatregelen en signalisatie niet zal worden gegarandeerd. Nochtans is dat belangrijk voor de oriëntatie van de reizigers, in het bijzonder voor personen met een visuele handicap.

Ook (andere) personen met een beperkte mobiliteit (PBM) lopen een risico. Zij kunnen in de nieuwe omstandigheden gedesoriënteerd raken en/of de mensenstroom ophouden. Daarbij kan de minimumafstand van anderhalve meter in het gedrang komen.

De NHRPH vindt het uiterst belangrijk dat het spoorverkeer snel weer normaliseert en toegankelijker wordt. Nu de lockdown gaandeweg versoepelt, gaan mensen weer werken, studeren enz. Personen met een handicap zijn hiervoor meer dan anderen afhankelijk van het openbaar vervoer.

3. ADVIES

De NHRPH brengt een principieel en niet-exhaustief advies uit over de plannen van de NMBS.

  • Een uniforme toepassing van de regels, de communicatie, maatregelen, … is essentieel.

  • De stations moeten toegankelijk zijn voor iedereen, ook in (post-) coronatijden. Ook gebruikers van rolstoelen en scootmobielen moeten dus toegang hebben tot de stations. Daarom mogen de ‘eenrichtingsbanen’ niet te smal zijn.

  • Bij de implementatie van de nieuwe circulatieplannen in de stations moet de NMBS rekening houden met de bestaande ribbellijnen en noppenstroken. Bijvoorbeeld: een hek of lint mag niet dwars op een podotactiele markering (ribbelstroken, waarschuwingsstrook, rubbertegels, …) worden geplaatst. Hekken genieten de voorkeur boven linten, want ze worden beter opgemerkt met de stok en houden minder struikelgevaar in.

  • Informatie moet toegankelijk zijn voor iedereen:
    - Informatie moet visueel (schermen, signaletica, voldoende contrast, …), auditief (gesproken boodschappen, geluidsbakens, geluidssignalen en andere sonore aanpassingen, …) en tactiel (braille, tactiele markeringen, …) toegankelijk zijn. Dit geldt ook voor actuele informatie (maatregelen, spoorwijzigingen, vertragingen, …).
    - Informatie moet eenvoudig, accuraat en begrijpelijk zijn.
    - Ook online moet informatie op een toegankelijke wijze beschikbaar zijn, zodat mensen hun reis kunnen plannen: een lijst van de maatregelen voor PBM, stationsplannen, apps, …

  • Er moet personeel aanwezig zijn om zo nodig te helpen. Het personeel moet op de hoogte zijn van de behoeften van personen met een handicap.

  • Het verdient aanbeveling om een steward in de drukkere stations te plaatsen die mensen veilig kan helpen en informeren en ook problemen kan signaleren.

  • De assistentie aan personen met een handicap moet zo snel mogelijk weer volledig genormaliseerd worden, met de herinvoering van de 3-urenregel waar die van toepassing was. (Volgens de website van de NMBS zal dat voor het binnenlandse treinverkeer weer het geval zijn vanaf 25/05/2020.) Overigens blijft de NHRPH wel ijveren voor assistentie zonder reservatietermijn, zoals o.a. vermeld in advies 2017-11.

  • Nu de commerciële concessies in de stations weer openen, moet de NMBS erover waken dat die de toegankelijkheid en veiligheid niet schaden.

  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS nadrukkelijk om de technische structuren inzake toegankelijkheid (CAWaB, Inter) te raadplegen.

  • De NHRPH vraagt om voor dit dossier ook de blindensector te raadplegen en de oplossingen door te nemen met ervaringsdeskundigen.

  • De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de NMBS om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Velen van hen zijn wegens hun handicap nog meer dan andere personen aangewezen op het openbaar vervoer. Universele toegankelijkheid is dus een must.

  • De NHRPH wenst vanwege de NMBS opvolging en feedback van de aanbevelingen en verwachtingen in zijn adviezen.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Dutordoir, ceo van de NMBS;
  • Voor opvolging aan de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2020/11 - Uitkering bij economische werkloosheid

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2020/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toevoeging van een artikel 9quater aan het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, wegens uitzonderlijke hoogdringendheid (besluit bijzondere machten) uitgebracht op 04/05/2020 door het Bureau van de NHRPH.

Advies op verzoek van mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking (verzoek van 30/04/2020).

1. ONDERWERP

Gelijkstelling van de uitkering bij economische werkloosheid met het arbeidsinkomen voor de berekening van de vrijstelling bij personen met een handicap.

2. ANALYSE

Wat de werkwijze betreft:

Artikel 20 van de wet van 27 februari 1987 bepaalt dat de Koning het advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap inwint.

Artikel 6 van het huishoudelijk reglement van de NHRPH bepaalt dat de Raad pas geldig beslist op voorwaarde dat de helft van de leden aanwezig is.

Wanneer het vereiste aantal niet bereikt wordt, en in geval van een dringende adviesaanvraag, bereidt het Bureau een voorstel van advies voor en vraagt het aan de leden van de raad een reactie binnen een termijn van tien dagen na het opsturen van het voorstel. In dit geval beslist het Bureau, ook als het vereiste aantal niet bereikt wordt.

De Minister heeft het advies van de NHRPH gevraagd over een ontwerp tot wijziging van het KB van 6 juli 1987, dat in het Nederlands opgesteld is. Dit advies werd net voor het weekend van 1 mei per mail gevraagd, meer bepaald donderdag 30 april in de vroege avond. Het advies moest klaar zijn voor de vergadering van het Bureau van 4 mei om 10 uur. Het advies van de leden van de NHRPH kon dus niet worden gevraagd.

Wat de inhoud betreft:

Het ontwerp voegt een artikel 9quater toe aan het KB van 6 juli 1987, luidende:

Artikel 1. In het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt een artikel 9quater ingevoegd, luidende:

“Art. 9quater § 1. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming wordt de vrijstelling die geldt voor de tijdelijke werkloosheidsuitkering wegens overmacht gelijkgesteld met de vrijstelling die geldt voor het arbeidsinkomen bepaald in § 3 van artikel 9ter van dit koninklijk besluit.

§ 2. De maatregel bepaald in § 1 van dit artikel geldt van 1 maart tot en met 30 juni 2020.

§ 3. In afwijking van § 2 van dit artikel kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen dat de geldigheidstermijn van dit artikel wordt verlengd.”

Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3. De minister bevoegd voor Personen met een handicap is belast met de uitvoering van dit besluit.

3. ADVIES

Wat de werkwijze betreft:

De door de Minister gevraagde hoogdringendheid valt niet onder de huidige bepalingen tot regeling van de werking van de NHRPH (huishoudelijk reglement).

Gezien de huidige sociale en economische situatie is het begrijpelijk dat het advies van de NHRPH met hoogdringendheid wordt gevraagd: de regering moet dringende en dwingende maatregelen nemen om te proberen de gevolgen van de crisis voor de bevolking te beperken.

Voor de NHRPH is de bescherming van de reeds precaire financiële situatie van personen met een handicap een topprioriteit.

In de hierboven beschreven zeer specifieke en uitzonderlijke context kon het Bureau onmogelijk de overwegingen van de leden van de NHRPH verzamelen en formuleert het Bureau dus zelf dit advies.

Wat de inhoud betreft:

De NHRPH begrijpt dat de Minister de negatieve gevolgen van de vermindering of stopzetting van de activiteiten van de werkgever wegens de COVID-19-gezondheidscrisis voor de werknemer wil beperken. Voor de berekening van de tegemoetkomingen wenst de Minister de vrijstelling voor het arbeidsinkomen toe te passen op de uitkeringen voor economische werkloosheid. Deze maatregel zou gelden voor de aanvragen die tussen 1 maart en 30 juni 2020 worden ingediend, maar ook voor de reeds actieve dossiers waarvoor een tegemoetkoming wordt uitbetaald.

De NHRPH staat hier volledig achter, maar vindt dat de formulering van artikel 9quater, § 2 (De maatregel bepaald in § 1 van dit artikel geldt van 1 maart tot en met 30 juni 2020.) voor interpretatie vatbaar is en de bekommernis van de Minister niet goed weergeeft (volgens de formulering zou de gelijkstelling enkel gelden voor de nieuwe aanvragen die tussen 1 maart en 30 juni 2020 worden ingediend). Bijgevolg stelt de NHRPH de volgende formulering voor: Voor de berekening van de inkomsten voor het jaar 2020 geldt de maatregel bepaald in § 1 van dit artikel van 1 maart tot en met 30 juni 2020.

De NHRPH vindt 30 juni niet realistisch. Er werd weliswaar beslist het werk met onmiddellijke ingang te onderbreken; toch is het onwaarschijnlijk dat personen met een handicap ‘van de ene dag op de andere’ weer aan de slag kunnen: het werk zal na 30 juni waarschijnlijk geleidelijk aan hervat worden en voor sommigen zal dit zelfs niet mogelijk zijn (orderportefeuilles, kader van onderaanneming enz.). De NHRPH vindt het realistischer 31 december 2020 als datum vast te leggen, zodat de tekst over een paar weken niet opnieuw moet worden aangepast.

Ook wil de NHRPH dat in deze bewogen tijden de verplichting voor personen met een handicap om deze inkomenswijziging te melden wegvalt. De DG Personen met een handicap wordt hierover sowieso op de hoogte gebracht via de uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties.

Tot slot stelt de NHRPH vast dat bepaalde te vervullen formaliteiten ontbreken in de aanhef van het ontwerp van koninklijk besluit, met name het inwinnen van het advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en de impactanalyse van de reglementering, overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging.

De NHRPH vraagt zich ook af of het advies van de Raad van State moet worden ingewonnen en zo niet (gezien de hoogdringendheid) of dit in de aanhef van het ontwerp van besluit moet worden vermeld.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès; Eerste Minister;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme;
  • Ter informatie aan Unia.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/10 - Adviesraden van personen met een handicap

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Mantelzorgers, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2020/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende het rekening houden met de adviesraden van personen met een handicap in het kader van het beheer van de gezondheidscrisis COVID-19, wegens hoogdringendheid uitgebracht op 17/04/2020 na raadpleging van de leden per e-mail van 9 april 2020.

Advies uitgebracht op eigen initiatief.

1. ONDERWERP

De regeringen en overheden beheren de gezondheidscrisis: zij moeten reageren op de uitdagingen, anticiperen op toekomstige problemen en voorzien in de behoeften van alle burgers. Personen met een handicap moeten op zijn minst worden gehoord.

2. ANALYSE

In België is het politieke beleidsmodel een model waaraan de stakeholders deelnemen: de wetgever erkent de actieve rol van de intermediaire instanties (vakbonden, ziekenfondsen, federaties, ...) bij het bepalen van het economische en het sociale leven.

Met de bekrachtiging van het UNCRPD door België in 2009 hebben zowel de parlementen als de regeringen verklaard dat de opbouw van een inclusieve samenleving voor personen met een handicap een hoge prioriteit krijgt. België heeft zonder voorbehoud bevestigd dat het zich ertoe verbindt elk artikel van het Verdrag na te leven.

Artikelen 4.3 en 33.3 van het UNCRPD verplichten de Staten personen met een handicap structureel te betrekken bij de besluitvormingsprocessen door middel van de structuren die hen vertegenwoordigen. Deze rol van vertegenwoordigende en overkoepelende gesprekspartner komt de adviesraden van personen met een handicap toe, zowel op federaal vlak als in de deelgebieden.

Ingevolge het eerste officiële verslag van België in 2014 hebben de VN-deskundigen de zeer duidelijke aanbeveling 10 opgesteld om in de gewesten en gemeenschappen adviesraden op te richten en die de nodige middelen te verschaffen voor opvolging en politieke participatie.

In 2017 heeft België bij de Verenigde Naties in New York opnieuw bevestigd dat het de oprichting en de werkorganisatie van adviesraden voor personen met een handicap in de verschillende politieke entiteiten van het land zal blijven steunen.

In 2019 hebben de VN-deskundigen in het kader van de nieuwe rapportering hierover opnieuw 2 zeer duidelijke vragen aan België gesteld:

  • Vraag 3. Gelieve informatie te verstrekken over de maatregelen die genomen werden om de volledige en effectieve deelname van personen met een handicap te verzekeren, via hun vertegenwoordigende organisaties, aan alle fasen van alle wetten en beleidsinstrumenten in verband met handicaps, met inbegrip van het opmaken, de uitvoering en de herziening ervan, alsook andere besluitvormings- en beleidsprocessen, op federaal, gewestelijk en gemeenschapsniveau.
  • Vraag 4. Gelieve informatie te verstrekken over de concrete maatregelen die werden genomen om adviesraden op federaal, gewestelijk en gemeenschapsniveau op te richten en hun voldoende middelen toe te wijzen.

Op dit moment kan de situatie van de adviesraden als volgt worden samengevat:

 

Secretariaat

Overleg

Initiatief-recht

"Producten"

NHRPH (federaal)

/nl/

Beperkt

Federale regering

Ja

Niet-bindende adviezen, positienota's

Website

NOOZO (Vlaanderen)

https://noozo.be/

Ja

Vlaamse regering

Ja

Niet-bindende adviezen,

Website

NOOZO is een project dat slechts tot eind 2020 door de Vlaamse regering wordt gefinancierd. Er is geen garantie dat het zal worden verlengd.

Commission wallonne de la personne handicapée - CWPH (Wallonië)

Deze Commissie bestaat voornamelijk uit vertegenwoordigers van verenigingen die de belangen van personen met een handicap in Wallonië behartigen. Ze verstrekt adviezen, op verzoek of op eigen initiatief, voor de “Conseil wallon de l’action sociale et de la santé” over de opdrachten van deze Raad.

Na de oprichting van het “Collège de stratégie et de prospective” (CSP) komt de CWPH sinds 2019 niet meer bijeen. Bovendien

  • is het CSP niet in meerderheid uit personen met een handicap (PMH) samengesteld.
  • heeft het tot nu toe geen enkel advies uitgebracht.
  • behandelt het enkel AVIQ-materies (gezondheid, personen met een handicap en gezinnen); niet huisvesting, mobiliteit, economie, armoede, ...

Conseil de stratégie et de prospective - CSP (Wallonië)

Het CSP bestaat uit 2 organen: het college voor strategie en toekomstwetenschap en groepen van deskundigen. Alleen het College heeft momenteel een samenstelling: het bestaat uit sociale partners en vertegenwoordigers van de federaties en 2 handicapvertegenwoordigers (op een totaal van 50 leden). Het heeft geen initiatiefrecht.

De deskundigengroepen zijn niet samengesteld.

Comité handicap (AVIQ - Wallonië)

Dit Comité is geen adviesorgaan van verenigingen van PMH en verstrekt geen adviezen over het beleid in verband met PMH.

Conseil consultatif bruxellois francophone de l'aide aux personnes et de la santé

https://phare.irisnet.be/service-phare/a-propos-de-nous/conseil-consultatif/

Ja

Mogelijkheid van dringende virtuele vergadering niet gepland

Brusselse regering

Ja

Adviezen over alle aangelegen-

heden met betrekking tot personen met een handicap + bepaalde decreten

Niet-bindend

Website (pagina van PHARE)

Brusselse Raad voor personen met een handicap - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - 2018

Onafhankelijke instelling

 

Is betrokken bij het opmaken, de uitvoering en de opvolging van de wetgeving

Elke kwestie met betrekking tot de inclusie van personen met een handicap

Ja

Adviezen

Geen website

Geen toegang tot de werkzaam-

heden die sinds 2018 zijn uitgevoerd

Franse Gemeenschap

Geen adviesraad PMH

Duitstalige Gemeenschap

Geen adviesraad PMH

GGC - Iriscare

Binnen de Technische Commissie personen met een handicap zijn er 5 verenigingen die PMH vertegenwoordigen die een niet-bindend advies kunnen uitbrengen. Dit advies is echter beperkt tot aanvragen (om verlenging) van de erkenning van de instellingen. Vroeger zetelde een vertegenwoordigend lid in de Beheerraad voor gezondheid en bijstand aan personen, maar om juridische redenen zetelt deze persoon daar niet meer in.


4. ADVIES

België maakt een grote gezondheidscrisis door: personen met een handicap en hun gezinnen worden op vele levensgebieden geconfronteerd met enorme moeilijkheden - zie de niet-uitputtende lijst in het advies 2020-09. De acute situatie op het gebied van dringende verzorging werd ook aan de kaak gesteld in een advies 2020-08.

In een dergelijke context is het van cruciaal belang dat de behoeften op het terrein snel kunnen worden verzameld en voorgelegd aan de beleidsverantwoordelijken, en omgekeerd moeten de beleidsverantwoordelijken ervoor zorgen dat ze op een passende manier op de behoeften reageren: de communicatie en de uitwisselingen tussen de regeringen en hun respectieve adviesraad voor personen met een handicap moeten daarom vloeiend, regelmatig en gestructureerd verlopen.

De NHRPH stelt vast dat geen enkele adviesraad zijn taak momenteel naar behoren kan vervullen:

  • Het NHRPH-secretariaat is al jaren chronisch onderbemand; de minister die het advies ontvangt hoeft zijn beslissing om het advies niet te volgen, niet te motiveren.
  • De Waalse adviesfunctie is onduidelijk: Commissie, college, raad, comité handicap: wie doet wat? De functie is niet transversaal en heeft geen mogelijkheid tot initiatief. Ze is nooit bindend. Personen met een handicap zijn over het algemeen niet in de meerderheid bij de vertegenwoordiging.
  • NOOZO is een project dat voor 2 jaar wordt gefinancierd: dit is een minimum voor een startperiode en een inwerkperiode. De samenstelling en de werkzaamheden van NOOZO moeten van blijvende aard zijn.
  • De Brusselse Raad van PHARE is actief, maar heeft op het moment van de goedkeuring van dit advies nog niet de gelegenheid gehad om bijeen te komen.
  • Geen adviesfunctie in de Franse Gemeenschap: onderwijs, sport en vrijetijdsbesteding voor personen met een handicap worden volledig genegeerd.
  • Geen transversale adviesfunctie bij Iriscare (GGC - Brussels Hoofdstedelijk Gewest), terwijl het orgaan toch in heel Brussel bevoegd is voor bijstand aan personen met een handicap, rust- en verzorgingstehuizen, opvangcentra en thuishulpdiensten.
  • Geen informatie over de concrete werking van de Brusselse Raad voor personen met een handicap (EQUAL) .
  • Geen adviesfunctie in de Duitstalige Gemeenschap: het gaat hier ter herinnering om een gemeenschap met economische en sociale prerogatieven.

Het is ook belangrijk dat de adviesraden met elkaar kunnen praten, overleggen en hun acties kunnen coördineren. Voor een persoonlijke of familiale levenssituatie zijn er immers vaak verschillende bevoegdheden in het spel en het is dikwijls onmogelijk dat één overheidsniveau in alle behoeften voorziet. In de huidige context is een dergelijke coördinatie evenwel eenvoudigweg onmogelijk, om de redenen die hierboven in het hoofdstuk "Analyse" zijn vermeld: geen (toereikend) secretariaat voor sommige organen, geen initiatiefrecht voor andere, geen politieke erkenning voor nog andere...

Het niet ondersteunen van de werkzaamheden van de raden is een ontkenning van de democratie en van de mensenrechten. De weigering om ze te creëren is een ernstige inbreuk op de internationale en interne verbintenissen van België. Personen met een handicap blijven vaak onzichtbaar en worden vergeten. Net zoals vrouwen, mannen, kinderen, ouderen, ... moeten zij vertegenwoordigd zijn in de politieke besluitvorming. De transversale plaats van vertegenwoordiging die een PMH-adviesraad is, is de enige die in staat is om de specifieke eisen van individuen en verenigingen te overstijgen. De op consensus gebaseerde werking van de adviesraden is voor regeringen een garantie dat genuanceerde en geïntegreerde standpunten worden ingenomen.

De huidige gezondheidscrisis verergert de situaties van ontreddering en de behoeften van personen met een handicap en van hun gezinnen. De NHRPH hoopt zeer binnenkort de noodzakelijke overlegprocessen met zijn tegenhangers te kunnen aanvatten. Hij hoopt deze processen ook in de toekomst te kunnen voortzetten.

Het wordt dringend noodzakelijk dat alle adviesraden voor personen met een handicap

  • worden samengesteld uit vertegenwoordigers van personen met een handicap;
  • de nodige middelen krijgen om te vergaderen en hun denkwerk en besluitvorming te organiseren (adequaat secretariaat en ondersteuning van de behoeften in verband met de organisatie van de vergaderingen);
  • vrijheid van politieke interpellatie hebben op alle levensdomeinen;
  • deelnemen aan het denkwerk en de politieke besluitvormingsprocessen, vanaf het begin, regelmatig, structureel en ook tijdens de evaluatiefasen;
  • adviezen verstrekken en uitleg krijgen wanneer hun adviezen niet worden gevolgd.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking en aan de ministers belast met personen met een handicap in de deelgebieden;
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister, en aan de ministers-presidenten van de deelgebieden;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 10

Advies 2020/04 - Regelgeving ScanCar en LEZ

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2020/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het systeem van parkeercontrole door ‘scancars’ en de lage-emissiezone (LEZ), uitgebracht op 20/03/2020 na raadpleging van de leden per e-mail op 17/03/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

De gebruiksvoorwaarden voor de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap veranderen door gewestelijke en lokale regelgeving: het betreft de regelgeving inzake de scanwagen voor parkeercontrole (scancar) en de lage-emissiezone (LEZ).

2. ANALYSE

De scancar is een wagen met een camera op het dak waarmee de politie geparkeerde wagens systematisch kan controleren. De nummerplaten worden gescand om na te gaan of chauffeurs betaald hebben om te parkeren of eventueel gratis mogen parkeren.

Ter herinnering: in België is het de DG Personen met een handicap (DG HAN) van de FOD Sociale Zekerheid die de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap onder bepaalde voorwaarden uitreikt. Met die kaart kan de houder in België parkeren op een voorbehouden parkeerplaats voor personen met een handicap (blauw verkeersbord E9a – “P”). Rijdt de kaarthouder in zijn eigen of een ander voertuig (mee), dan moet hij de parkeerkaart bij het parkeren op het dashboard van dat voertuig leggen. De kaart is persoonlijk. De voorwaarden voor de erkenning (DG HAN) en het gebruik van de kaart (Wegcode) zijn een federale bevoegdheid.
In sommige steden en gemeenten kan gratis worden geparkeerd met de kaart (lokale bevoegdheid).

De scancar wordt in verschillende gemeenten in België ingezet:

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: in de meeste Brusselse gemeenten beheert parking.brussels het parkeren. Op de website van het parkeeragentschap parking.brussels staat welke gemeenten dit controlesysteem gebruiken. Personen met een Europese parkeerkaart voor personen met een handicap mogen gratis en voor onbepaalde tijd parkeren in alle blauwe zones (gebruik van de schijf en de bewonerskaart) en betalende zones. De Brusselse gemeenten die niet worden beheerd door dit agentschap, hebben een eigen gemeentelijk parkeerreglement. Voor deze gemeentes moet de website worden geraadpleegd of contact worden opgenomen met het gemeentebestuur.
  • Waals Gewest: de scancar wordt hier geleidelijk aan ingezet in enkele steden, waaronder Charleroi en Luik. In Luik mogen bezitters van een parkeerkaart voor personen met een handicap gratis parkeren op deze parkeerplaatsen, ongeacht of zij in Luik wonen of niet. Zij kunnen deze mogelijkheid aanvragen via een onlineformulier (E-loket) of op afspraak bij de gemeentelijke sociale dienst van Luik. Het gratis parkeren wordt beperkt tot twee voertuigen per parkeerkaart. In Charleroi duikt de scancar al sinds mei 2017 in het straatbeeld op. Het gebruikte voertuig moet worden geregistreerd op de website van de RCA (Régie communale autonome), die het parkeren binnen de stad beheert. Er wordt dan een vrijstelling van 3 of 5 jaar toegekend om gratis te mogen parkeren op alle parkeerplaatsen op de openbare weg.
  • Vlaams Gewest: enkel in Knokke-Heist wordt de scancar ingezet. Het agentschap Optimal Parking Control beheert de parkeercontroles in verschillende Vlaamse gemeenten. De NHRPH kent die gebruiksvoorwaarden voor de parkeerplaatsen evenwel niet.

De LEZ (Low Emission Zone of lage-emissiezone) is een maatregel die de meest vervuilende voertuigen weert in het betrokken gebied. De LEZ geldt elke dag van de week, 24 uur op 24.

Dit systeem is sinds 1 januari 2018 van kracht in het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest (19 gemeenten).
Voor voertuigen van personen met een handicap is een afwijking mogelijk: het betreft voertuigen die specifiek zijn aangepast voor het vervoer van personen met een handicap en waarvan de nummerplaathouder – of een persoon die op hetzelfde adres als de nummerplaathouder is ingeschreven – ook de houder van de parkeerkaart voor personen met een handicap is. Beide voorwaarden moeten dus zijn vervuld: houder van de kaart (of gezinslid) zijn EN een aangepast voertuig hebben. Heeft de persoon wel een parkeerkaart voor personen met een handicap, maar geen aangepast voertuig, dan is een afwijking niet mogelijk.  
Een aangepast voertuig is uitgerust met een geïntegreerd systeem om de persoon voor wie dergelijke aanpassing nodig is, te helpen instappen.
Afwijkingen zijn 3 jaar geldig en worden niet automatisch toegekend. De persoon met een handicap moet de afwijking opnieuw aanvragen.
Bovendien wordt een boete opgelegd indien de betrokkene vergeet of niet weet dat hij een afwijking moet aanvragen.

In het Vlaams Gewest werd deze maatregel tot nu toe enkel in Antwerpen en Gent ingevoerd.
Er zijn uitzonderingen voor personen met een handicap, op voorwaarde dat zij een voertuig hebben dat is aangepast aan hun handicap.

Voertuigen die worden gebruikt door of voor personen met een handicap, mogen rondrijden in de LEZ indien ze voldoen aan ten minste een van volgende voorwaarden:

  • de eigenaar van het voertuig of een persoon die op hetzelfde adres is ingeschreven als de persoon met een handicap, heeft recht op een verhoogde tegemoetkoming voor geneeskundige verzorging en beschikt over een parkeerkaart voor personen met een handicap;
  • het voertuig is aangepast aan het vervoer van personen met een handicap en beschikt over een erkenning van de bevoegde instantie; de eigenaar of een persoon die op hetzelfde adres is ingeschreven, bezit een parkeerkaart voor personen met een handicap;
  • het voertuig is aangepast aan het vervoer van personen met een handicap en wordt gebruikt voor diensten voor aangepast vervoer;
  • het voertuig is uitgerust met een rolstoellift.

De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een afwijking staan op de website van de betrokken stad (website van Antwerpen en Gent) of zijn verkrijgbaar bij het onthaal van het gemeentebestuur.

Sinds 1 januari 2020 kunnen Waalse gemeenten voorstellen om permanent of tijdelijk een of meer lage-emissiezones op hun grondgebied in te voeren. In een tweede fase, vanaf 1 januari 2023, zullen er beperkingen op het hele Waalse grondgebied van kracht worden. Alle informatie komt op de website www.walloniebassesemissions.be/fr/ te staan. De website wordt nog uitgewerkt. De NHRPH heeft nog geen informatie over mogelijke afwijkingen.

3. ADVIES

A. Wat de regelgeving voor de scancar betreft, geeft de NHRPH een volledig negatief advies :

  • De verplichte registratie van een of twee nummerplaten is in strijd met de federale regelgeving die bepaalt dat de kaart niet gelinkt is aan een voertuig maar aan de gebruiker ervan. De NHRPH haalt de werkwijze in de gemeente Knokke-Heist als goede praktijk aan. Daar mogen meerdere nummerplaten worden geregistreerd, zonder enige beperking qua aantal. Deze registratie gebeurt bovendien onmiddellijk bij de betaalautomaat op straat. Een voorafgaande formaliteit via (de site van) de gemeentelijke administratie is niet nodig.

  • De gemeentelijke reglementeringen wijken sterk van elkaar af en werden opgesteld zonder kennis van de federale reglementering. Zo ontstaan in de praktijk bijkomende gebruiksvoorwaarden voor de kaart. Bovendien leiden ze tot discriminatie tussen personen met en personen zonder wagen: veel personen met een handicap die in het bezit zijn van een parkeerkaart, hebben niet noodzakelijk zelf een wagen, maar zijn afhankelijk van derden.

  • De vele gemeentelijke reglementeringen brengen de bewegingsvrijheid van het individu in gevaar. Iedere verplaatsing vereist een andere voorbereiding naargelang de gemeente.

  • Zelfs in Brussel hebben de 19 gemeenten geen uniform reglement (raadpleging van de website, registratie ter plaatse, voorafgaandelijk bezoek aan het loket van de administratie). Iemand die op eenzelfde dag naar zijn dokter in Elsene, de apotheek in Sint-Gillis en de winkel in Anderlecht wil gaan, moet drie andere registratiemethodes doorlopen in drie gemeenten. Hij kan voor deze drie verplaatsingen ook afhankelijk zijn van – bijvoorbeeld - zijn dochter en twee buren, met andere woorden drie verschillende voertuigen. Door de gemeentelijke reglementeringen worden een of twee van deze drie trajecten niet mogelijk.

  • Overigens is het voor personen met een handicap niet evident te weten of zij met hun kaart al dan niet gratis mogen parkeren in de blauwe zone en op de voorbehouden plaatsen.

  • Bovendien zijn er in sommige steden parkeerplaatsen waar de wagen maximaal 30 minuten geparkeerd mag staan om kort inkopen in het stadscentrum te doen. Een rolstoelgebruiker die alleen met de wagen komt, moet – in 30 minuten – uit zijn wagen komen, zijn boodschappen doen, naar zijn wagen terugkeren en zijn rolstoel opnieuw inladen. Dit is bijna onmogelijk.

  • Hoe wordt de toegang tot informatie voor personen met een handicap van buiten de stad verzekerd (toerisme, incidentele bezoekers, ...)? De NHRPH herinnert eraan dat het een Europese parkeerkaart is: er kan niet worden verwacht dat Europese burgers die bijvoorbeeld in België op vakantie zijn, zich registreren op elke site van de steden die zij in België bezoeken.

  • In 2015 bracht de NHRPH advies 2015/20 uit over het parkeerbeleid voor personen met een handicap. De NHRPH wees toen reeds op de verschillen tussen de Gewesten wat betreft het concrete gebruik van de kaart en betreurde dat de regels voor parkeren met een kaart verschillen van gemeente tot gemeente.

  • De NHRPH is verheugd over het recente vonnis van de vrederechter van het eerste kanton van Charleroi, nl. dat de reglementering van de RCA (Régie communale autonome) voor personen met een handicap in strijd is met de verplichtingen van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD).

  • Niet alle personen met een handicap hebben toegang tot het internet.

  • De NHRPH wenst uniformiteit in het gebruik van de kaart: idealiter zouden houders van een parkeerkaart in alle gemeentes en steden gratis en onbeperkt moeten kunnen parkeren in de blauwe zones en op de voorbehouden plaatsen.

  • De NHRPH herhaalt zijn wens van een interministeriële conferentie (IMC) om overeenstemming tussen de verschillende deelgebieden te bereiken en van de invoering van een systeem dat coherent, transparant en eenvoudig is voor de doelgroep.

  • De NHRPH herinnert eraan dat het vroegere Rijksfonds voor sociale reclassering van de mindervaliden (RSRM) o.a. als opdracht had om een lijst bij te houden van alle uitzonderingen op het principe van gratis parkeren voor personen met een handicap. Personen met een handicap werden hiervan op de hoogte gebracht. De parkeerkaart voor personen met een handicap is een federale bevoegdheid gebleven; het is de federale overheid die verantwoordelijk is voor de reglementering.

  • Tot slot herinnert de NHRPH aan de toepassing Handi2Park die onder de vorige regering werd ingevoerd (advies 2018/19). Met deze toepassing kan de geldigheid van een parkeerkaart voor personen met een handicap worden geraadpleegd. De gemeenten beschikken dus reeds over een nauwkeurig en eenvoudig instrument om de parkeerkaarten te controleren.

B. Wat de LEZ’s betreft, geeft de NHRPH een gematigd advies.

  • Het bestrijden van luchtvervuiling en het verbeteren van de luchtkwaliteit is een grote uitdaging, waar de NHRPH volledig achter staat. Deze strijd mag evenwel niet ten koste gaan van de sociale inclusie van alle burgers.

  • Veel personen met een handicap leven onder de armoedegrens. Wie een voertuig heeft, kan het zich vaak niet veroorloven met dezelfde frequentie van voertuig te veranderen als wie het beter heeft. Bovendien is hun voertuig vaak ook het enige middel om onafhankelijk te zijn, omdat het openbaar vervoer niet toegankelijk genoeg is. Derhalve volstaat het hoegenaamd niet om de afwijkingen te beperken tot eigenaars van voertuigen die speciaal aan hun handicap zijn aangepast.

  • In Brussel zullen personen met een handicap zich online moeten registreren om te mogen rondrijden in een LEZ.

  • De NHRPH herhaalt dat niet alle personen met een handicap toegang hebben tot internet. De administratie moet voor iedereen toegankelijk zijn.

  • De NHRPH vraagt dat afwijkingen automatisch worden toegekend op basis van de gegevens van de federale overheid. De geldigheidsduur van de afwijking zou ook moeten zijn gebaseerd op de duur van de erkenning van de handicap door de federale overheid.

  • De NHRPH wenst dat een afwijking wordt overwogen voor personen met een handicap die een tegemoetkoming ontvangen en een parkeerkaart voor personen met een handicap bezitten. Deze personen hebben het immers zeer moeilijk. Er zou ook kunnen worden overwogen deze afwijking uit te breiden op basis van het RVV-statuut.

  • De NHRPH herinnert aan de dringende noodzaak om al het openbaar vervoer fysiek en financieel toegankelijk te maken voor iedereen en voor personen met een handicap en met een beperkte mobiliteit in het bijzonder. Bij de MIVB (Maatschappij voor intercommunaal vervoer in Brussel) bestaat er bijvoorbeeld een TaxiBus, maar deze is om verschillende redenen geen bevredigend alternatief: alleen personen met een handicap die erkend zijn door de FOD Sociale Zekerheid, mogen er gebruik van maken; de TaxiBus moet ten laatste de werkdag vóór de verplaatsing telefonisch (betalend nummer lokaal tarief 02) of via een formulier op de website www.mivb.be worden gereserveerd; de dienst werkt niet op zon- en feestdagen, ...

  • De NHRPH herhaalt hier zijn wens voor een interministeriële conferentie (IMC) om overeenstemming tussen de verschillende deelgebieden te bereiken en een coherent en rechtvaardig systeem te integreren dat voor iedereen eenvoudig in gebruik is.

  • En tot slot: onlangs werd in een verslag van de auditeur bij de Raad van State geoordeeld dat sommige bepalingen van de lage-emissiezone in strijd zijn met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. Waarom worden bepaalde vervuilende vrachtwagens toegestaan, maar privévoertuigen niet?

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan de Vereniging van Steden en Gemeenten
  • Voor opvolging aan de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan de heer Pieter De Crem, Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Buitenlandse Handel;
  • Ter informatie aan de gewestelijke adviesraden;
  • Ter informatie aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal (DG Personen met een handicap);
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2020/06 - Herziening van de Grondwet

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Tewerkstelling, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2020/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over:

  • het voorstel om de Grondwet te herzien met het oog op de invoeging van een artikel 11ter, ingediend door de heer Bert Anciaux c.s. (doc. Senaat nr. 7-13/1);
  • het voorstel tot herziening van de Grondwet om in titel II van de Grondwet een artikel 22ter in te voegen dat het recht van personen met een handicap op volledige inclusie in de samenleving waarborgt alsook hun recht op maatregelen die hun zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie garanderen, ingediend door de heer Philippe Courard c.s. (doc. Senaat, nr.  7-116/1);
  • het voorstel tot herziening van de grondwet om in titel II van de grondwet een artikel 22ter op te nemen dat het recht van personen met een handicap op passende maatregelen ter waarborging van hun autonomie en hun culturele, sociale en professionele integratie garandeert, ingediend door mevrouw Sabine de Bethune c.s. (doc. Senaat, nr. 7-121/1).

Advies wegens hoogdringendheid uitgebracht op 20/03/2020 na raadpleging van de leden van de NHRPH per mail van 17/03/2020.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

In de Senaat zijn drie voorstellen tot herziening van de Grondwet ingediend. Zij roepen alle drie op tot de invoering van een artikel van de Grondwet om de bescherming van de rechten en vrijheden van personen met een handicap te versterken.

2. ANALYSE

Voorstel 7-13/1 bepaalt: "Art. 11ter. Iedere persoon met een handicap heeft, afhankelijk van de aard en de ernst van zijn handicap, recht op de redelijke aanpassingen die hem zelfstandigheid en culturele, professionele en maatschappelijke integratie waarborgen."

Voorstel 7-116 bepaalt: "Art. 22ter. Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving en op maatregelen die zijn of haar zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie waarborgen."

Voorstel 7-121 bepaalt: "Artikel 22ter. Iedere persoon met een handicap heeft recht op aangepaste maatregelen die hem of haar zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele inclusie waarborgen. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dit recht."

3. ADVIES

Op 9 maart 2020 werden mevrouw Gisèle Marlière, voorzitster van de NHRPH, en de heer Pierre Gyselinck, voorzitter van het Belgian Disability Forum (BDF), door de Senaat uitgenodigd om zich uit te spreken over de ingediende teksten.

Deze voorstellen worden momenteel besproken. De NHRPH en het BDF zijn dus uitgenodigd om hun mening te geven tijdens de reflectiefase, wat een zeer constructieve manier van werken is.

Overigens wilde de NHRPH al een advies op eigen initiatief uitbrengen, want er staat enorm veel op het spel voor personen met een handicap en hun families. Ter herinnering: de NHRPH had in 2013 (advies 2013-06) en 2015 (advies 2015-15) al positieve adviezen uitgebracht over de toevoeging van een artikel 22ter. De NHRPH hoopt dat deze nieuwe initiatieven deze keer binnen zeer afzienbare tijd worden afgerond.

Over de noodzaak van een grondwettelijke verankering:

Het UNCRPD (Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) werd 10 jaar geleden door België geratificeerd. In de praktijk ontbreekt het aan implementatie. In het dagelijks leven van personen met een handicap is de toegang tot o.m. vervoer, werkgelegenheid en openbare infrastructuur helemaal niet gegarandeerd! In de afgelopen jaren heeft de pers veel situaties gemeld waarin de NMBS, vervoersmaatschappijen, scholen, werkgevers, eigenaars, enz. weigeren om personen met een handicap te vervoeren, op te leiden, aan te werven of te huisvesten wegens hun handicap. Ondertussen zijn weigeringen subtieler geworden en de redenen die nu worden aangehaald zijn onder meer het gebrek aan infrastructuur, faciliteiten, budgettaire middelen, tijd, enz. om de persoon te ondersteunen of te begeleiden. Om nog maar te zwijgen van het aantal verbodsbepalingen inzake het uitbrengen van een stem of huwen, enkel op grond van een handicap.

Op dit moment staat het hebben van een handicap, door geboorte, ziekte of ongeval voor de betrokken personen noodzakelijkerwijs en ALTIJD synoniem met een vermindering van het genot en de uitoefening van hun meest elementaire rechten: het kiezen van bv. een woonplaats, een opleidingstraject of vakantieoord zijn ZELDEN echte keuzes en des te vaker tweede keuzes: mensen leggen zich erbij neer en passen zich naar best vermogen aan. En als aanpassen onmogelijk wordt, als dat voortdurend bijkomende energie kost, treedt gelatenheid op, trekken mensen zich terug en dreigt het isolement. Niet alleen voor de persoon met een handicap, maar vaak ook voor het hele gezin.

Bovendien is er een ander aspect dat de uitsluiting van personen met een handicap drastisch vergroot, namelijk de armoede waarvan zij vaak het slachtoffer zijn (zie met name de Disability-Poverty Digest): geen nuttige opleiding, geen werk, uitkeringen 20% onder de armoedegrens, enz. In die omstandigheden zijn de vooruitzichten op emancipatie zeer beperkt en is de uitoefening van burger-, culturele en politieke rechten voor veel mensen een lege doos. De prioriteit ligt dan immers gewoon bij het vinden van huisvesting en voedsel (zelfs gezondheidszorg kan voor veel personen met een handicap geen prioriteit meer zijn). In vergelijking met de rest van de bevolking is de non-take-up bij mensen met een handicap enorm.

De handicapsector is ABSOLUUT VRAGENDE PARTIJ voor een constitutionele verankering. In het Belgische wettelijke kader ontbreekt het een specifieke reikwijdte van het recht van de persoon met een handicap. De NHRPH vraagt om een tekst waarin duidelijk wordt gesteld dat "iedereen het recht heeft op ... Elke persoon met een handicap heeft het recht op ...". Dit zou een essentiële verklaringsbasis zijn. Een categorische bescherming is noodzakelijk.

België heeft op 2 juli 2009 het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geratificeerd. Dit was een noodzakelijke, maar ontoereikende eerste stap; het is nu noodzakelijk om de samenhang van deze resoluut geëngageerde daad te actualiseren. Er is een constitutionele basis in die zin nodig, zoals dat destijds ook gebeurde voor vrouwen en kinderen. Personen met een handicap zijn mensen die vanaf het begin en gedurende hun hele leven nooit dezelfde kansen krijgen als andere mensen.

Bovendien hebben de controle-, promotie- en ondersteunings-mechanismen die door het UNCRPD (art. 33) in België zijn ingesteld, moeite om hun taken doeltreffend te vervullen; een grondwettelijke verankering zou hen in hun acties versterken.

België ontwikkelt momenteel geen strategie en planning voor de emancipatie en inclusie van personen met een handicap. Ook hier is een constitutionele basis onontbeerlijk.

De NHRPH wil een constitutionele tekst die op zijn beurt leidt tot concrete wetswijzigingen, die budgetten kan vrijmaken en die, door middel van redelijke aanpassingen en positieve acties, een verandering in visie en aanpak kan ondersteunen.

Artikel 22ter zou de verankering van de grondwettelijke rechten van personen met een handicap kunnen versterken.

Helaas hebben de in de Grondwet vastgelegde rechten over het algemeen geen rechtstreekse werking, d.w.z. zij worden geacht geen subjectief recht aan de begunstigden toe te kennen dat rechtstreeks zou kunnen worden ingeroepen voor de rechtbanken en tribunalen. Een voorbeeld: een dakloze kan op grond van de verankering van het recht op huisvesting niet naar de rechter stappen en hem vragen hem een dak boven zijn hoofd te verschaffen. Gelet op het principe van de scheiding der machten is het in de eerste plaats aan de wetgever om binnen de manoeuvreerruimte die de grondwetgevende macht hem heeft gegeven, actie te ondernemen en aan dit recht een concrete invulling te geven zoals hij dat wil: het bouwen van sociale woningen, het opvorderen van leegstaande woningen, het verlagen van de huurprijzen, het verstrekken van een huisvestingstoelage, ... De grondwettelijke verankering van een nieuwe bepaling zou dus geen absolute garantie zijn voor de doeltreffendheid en de afdwingbaarheid ervan. In artikel 23 van de Grondwet wordt de taak om de in de Grondwet verankerde rechten te waarborgen uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden. Volgens het beginsel van de scheiding der machten komt het dan aan de wetgever toe - en niet aan de rechter - om te beslissen hoe de door de grondwetgevende macht toegekende beoordelingsmarge moet worden gebruikt.

Tot slot heeft de NHRPH in 2013 en 2015 al een positief advies uitgebracht over de toevoeging van een artikel 22ter. (advies 2013-06 en advies 2015-15).

Over de inhoud van het voorstel:

In alle voorstellen die op tafel liggen, wordt er impliciet verwezen naar het UNCRPD. Dit betekent dat de concepten van het UNCRPD dus van toepassing zijn:

  • De definitie van een handicap: de gezondheidstoestand en de benadering van de omgeving zijn hierbij de twee essentiële componenten. Deze definitie is bovendien door het Hof van Justitie van de Europese Unie overgenomen om de betekenis van het begrip "persoon met een handicap" in Richtlijn 2000/78 te verduidelijken.
  • Overigens wordt in het UNCRPD geen graad van ernst van handicap geëist. Voorstel 7-13/1 voert, waarschijnlijk onbedoeld, opnieuw een medische benadering van de handicap in: "volgens de aard en de ernst van de handicap" en is daarom restrictiever dan de formulering van het UNCRPD en Richtlijn 2000/78/EG.
  • De handicap kan zichtbaar of onzichtbaar zijn. Er kan geen hiërarchie worden vastgesteld. Dat zou in strijd zijn met het UNCRPD!
  • Het UNCRPD heeft ook resoluut gekozen voor de universalistische dimensie van inclusie: er bestaat niet zoiets als een groep mensen met of zonder een handicap. Alle mensen hebben gemeenschappelijke en individuele behoeften. Zowel gelijkheid als verschil vinden er hun plaats; diversiteit is de norm. Daarom is de term "integratie" in de voorstellen 7-13 en 7-121 niet in overeenstemming met het UNCRPD en moet deze worden vervangen door "inclusie".
  • Redelijke aanpassingen en positieve actie: Redelijke aanpassingen en positieve actie zijn essentieel in afwachting van een natuurlijk inclusieve omgeving, waar alle goederen en diensten universeel worden gedacht en ontworpen en waar alle activiteitendomeinen echt inclusief zijn. Sommige wetgevingen zijn bedoeld om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap, maar bieden tegelijkertijd niet de middelen om de ambities waar te maken. Het begrip "redelijke aanpassingen" is ook te vinden in Richtlijn 2000/78 en de bijbehorende omzettingswetgeving en in diverse specifieke wetten, wat ook wordt onderstreept in de uitwerkingen die in voorstel 7-116/1 naar voren worden geschoven. Tegelijkertijd benadrukt de NHRPH dat de erkenning van redelijke aanpassingen alleen de meer algemene verplichting tot toegankelijkheid die door het UNCRPD wordt gewaarborgd, niet minder dwingend maakt. In zekere zin kunnen redelijke aanpassingen en positieve acties wijzen op het uitblijven van een werkelijk inclusieve samenleving. In ieder geval moeten redelijke aanpassingen en positieve acties altijd worden gezien in relatie tot en als aanvulling op de uiteindelijke verplichting van toegankelijkheid en inclusie.

Met het UNCRPD wordt de aanpak resoluut en onherroepelijk maatschappelijk en inclusief: het UNCRPD is niet limitatief. Noch de ernst, noch de oorsprong, noch de zichtbaarheid van een handicap zijn voorwaarden voor het openen van de erkenning van de bescherming. Er is geen sprake van het creëren van ‘schuifregelaars’; bovendien, door wie en hoe zouden ze worden ingesteld? Van belang is dat tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de betrokkenen en dat de omgeving wordt ingericht om te beantwoorden aan de noden van een zo groot mogelijk aantal mensen. Het gaat erom dat mensen met een handicap de middelen moeten krijgen om een opleiding te volgen, voor zichzelf te zorgen, deel te nemen aan de arbeidsmarkt, zich te verplaatsen, ... Daarvoor is actie op het gebied van de omgeving onontbeerlijk: de aanpak van werkgevers, architecten, fabrikanten, medisch personeel, dienstverleners enz. moet veranderen.

Wat de NHRPH van deze tekst verwacht:

  • Opnemen van het beginsel dat personen met een handicap recht hebben op waardigheid, met inbegrip van bestaanszekerheid en middelen om fatsoenlijk te leven (waarin geen van de huidige voorstellen voorziet), en dat ze een plaats in de samenleving hebben;
  • Ondersteuning van de overheid bij het waarborgen van alle grondwettelijke rechten en het beginsel van inclusie;
  • Ervoor zorgen dat alle burgers meer rekening houden met de rechten van personen met een handicap.

De tekst van de Belgische Grondwet moet:

  • eenvoudig zijn,
  • volledig zijn: voldoen aan de uitvoering van alle grondwettelijke rechten,
  • en zeer sterk zijn: geen interpretatie mogelijk; een degelijk fundament voor concreet beleid en concrete acties.

4. ADVIES BEZORGD

  • Ter opvolging aan de Voorzitter van de Senaat;
  • Ter informatie aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het coördinatiemechanisme van het UNCRPD.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2020/07 - Gevolgen COVID-19 voor dossierbeheer DG HAN

  • Jaartal advies: 2020
  • Thema advies: Gezondheidszorg, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2020/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het dossierbeheer van de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) en de hervorming van de medische en administratieve diensten ingevolge de COVID-19-gezondheidscrisis, uitgebracht op 20/03/2020 na raadpleging van de leden per e-mail wegens het dringend verzoek gevraagd per e-mail op 17/03/2020.

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Rekening houden met de gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis voor het beheer van dossiers van de DG HAN.

2. ANALYSE

  • Het beheer van de COVID-19-gezondheidscrisis verandert het werk van de huisartsen fundamenteel.
    Huisartsen worden sedert enkele dagen volledig overrompeld door medische situaties in verband met COVID-19.
    Raadplegingen gebeuren voortaan meestal per telefoon. Deze raadplegingen komen bovenop de gewoonlijke "fysieke" raadplegingen. Niet-dringende afspraken worden vaak uitgesteld of zelfs gewoon geannuleerd. 
    Veel huisartsen hebben geen tijd meer voor de evaluatie van de medische situatie van een persoon met een handicap, noch voor het invullen van de vereiste medische documenten voor de aanvraag van tegemoetkomingen of afgeleide rechten.

  • Het personeel van de openbare diensten worden aangemoedigd om te telewerken. De sociale zitdagen werden afgeschaft en de medische raadplegingen bij de adviserende geneesheren van de DG HAN werden volledig opgeschort.

  • Daarnaast doen de officiële medische mededelingen vrezen dat heel wat werknemers ziek zullen worden in de komende weken, als ze dat al niet zijn. De werkcapaciteit in veel diensten van de DG HAN maar ook in andere administraties die samenwerken met de DG HAN (FOD Financiën, Federale Pensioendienst, FOD Justitie, KSZ, …) zal mogelijk in een wisselende en belangrijke mate verminderen.

  • Waarschijnlijk zal de combinatie van deze (en mogelijk ook andere nog niet beoordeelde) factoren tot gevolg hebben dat de behandelingstermijnen van de dossiers van tegemoetkomingen of van afgeleide rechten langer worden.

  • Tot slot neemt de regering een aantal maatregelen om de koopkracht van de burgers te ondersteunen. Zo wordt de toegang tot tijdelijke economische werkloosheid veralgemeend. Uiteraard is dat een goede zaak. Toch wijst de NHRPH erop dat deze maatregel mogelijk negatieve effecten kan hebben voor de berekening van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

3. ADVIES

De NHRPH dringt erop aan dat de DG HAN

  • regelmatig en duidelijk, via haar website en telefonische permanentie, communiceert over het dossierbeheer en de eventuele langere behandelingstermijnen;
  • de personen met een handicap op geen enkele manier het slachtoffer laat worden van de situatie en dat er algemeen soepel wordt omgegaan met de termijnen voor de mededeling van inlichtingen.

De NHRPH dringt er ook op aan dat de OCMW’s de nodige voorschotten toekennen aan personen die de beslissing van de DG HAN afwachten.

De NHRPH vraagt dat de beroepen die tijdens de lockdown worden ingediend en de beroepen die laattijdig worden ingediend wegens die lockdown met welwillende aandacht worden behandeld.

Ten slotte vraagt de NHRPH dat de regels voor de berekening van de IVT/IT (inkomensvervangende tegemoetkoming / integratietegemoetkoming) zo nodig worden herzien om negatieve effecten van de regeling van de tijdelijke economische werkloosheid te voorkomen. Zie advies 2020/09.

4. ADVIES BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Nathalie Muylle, Minister belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer Koen Geens, Minister van Justitie;
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG HAN;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.