Terug naar hoofdinhoud

Advies 2018/26 - Slachtoffers van daden van terrorisme

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen

Advies nr. 2018/26 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme, uitgebracht op de plenaire vergadering van 18 juni 2018


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

De wet van 18 juli 2017, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus 2017, legt het statuut van nationale solidariteit vast en bevat verschillende soorten erkenning en financiële vergoeding voor slachtoffers van daden van terrorisme. De bij de wet bedoelde daden van terrorisme zijn daden van terrorisme in het buitenland of in België die als zodanig erkend worden bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.


Analyse

De NHRPH heeft kennisgenomen van de bepalingen van de wet van 18 juli 2017 en heeft een reeks concrete vragen. Deze betreffen voornamelijk het herstelpensioen dat aan de slachtoffers zal worden toegekend en de terugbetaling van medische zorg. De Raad heeft deze vragen op 20 april 2018 per brief gesteld aan de Minister van Pensioenen, en heeft een vertegenwoordigster van de Federale Pensioendienst (FPD) gehoord op de plenaire vergadering van 28 mei 2018. 

Herstelpensioen

De NHRPH heeft bijzondere aandacht besteed aan de anticumulatieregels van de bestaande uitkeringen in de wet van 18 juli 2017 en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Artikel 7, § 1 van de wet van 27 februari 1987 bepaalt dat de tegemoetkoming wordt verminderd indien het belastbaar inkomen van de persoon met een handicap of van de persoon met wie hij een huishouden vormt, een bepaald bedrag overschrijdt.

§ 2, 1° van hetzelfde artikel bepaalt dat de persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, hun rechten moeten laten gelden op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid.

Het pensioen dat krachtens de wet van 18 juli 2017 toegekend zal worden, is geen belastbare uitkering. Artikel 7, § 1 van de wet van 27 februari 1987 mag dus niet toegepast worden.

Artikel 7, § 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt evenwel dat voor de toekenning van de tegemoetkoming rekening gehouden moet worden met de uitkeringen en vergoedingen die krachtens een andere Belgische wetgeving worden betaald en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen of in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid, wat het geval is van het herstelpensioen waarin de wet van 17 juli 2017 voorziet.

Artikel 6 van de wet van 17 juli 2017 bepaalt echter dat het herstelpensioen een residuaire schadeloosstelling vormt: elke vergoeding waarop hetzelfde schadefeit recht geeft, wordt hierop in mindering gebracht, met uitzondering van de vergoeding die het gevolg is van een individuele verzekering.

Er zijn dus twee anticumulatieregels die tegelijkertijd toegepast kunnen worden, waardoor de situatie onmogelijk wordt. Om die reden zal de recentste rechtsregel worden toegepast. De tegemoetkoming voor personen met een handicap, verminderd met de andere inkomsten, zal dus worden betaald. De personeelsleden van de Directie-generaal Personen met een handicap hebben de instructie gekregen om voor de berekening van de tegemoetkomingen geen rekening te houden met de pensioenen die aan slachtoffers van terreurdaden worden uitgekeerd.

Logischerwijs zou dit kunnen betekenen dat rekening gehouden wordt met de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap) voor de berekening van het pensioen dat aan slachtoffers van terreurdaden wordt uitgekeerd. Volgens de vertegenwoordigster van de FPD zal dit echter niet het geval zijn indien de persoon met een handicap de tegemoetkoming reeds vóór de terreurdaad ontving, volgens het beginsel dat eenzelfde schade niet tweemaal vergoed kan worden. Met de verergering ingevolge de aanslag zou daarentegen wel rekening gehouden worden. Om dit beginsel gemakkelijker te kunnen uitvoeren, werd beslist in deze gevallen slechts één expertise door Medex te laten uitvoeren, die zowel voor het herstelpensioen als voor de tegemoetkomingen voor personen met een handicap geldt.

Niettemin vraagt de NHRPH zich af hoe in de toekomst een onderscheid gemaakt zal worden tussen de vastgestelde verergering van de vooraf bestaande toestand ten laste van de Directie-generaal Personen met een handicap en deze als slachtoffer van een aanslag. Bestaat er bij twijfel een vermoeden in de voor het slachtoffer gunstigste regeling?

Om te beslissen om dezelfde schade niet twee keer te vergoeden, moet ook correct gedefinieerd worden wat schade is.

Daarnaast herinnert de NHRPH er ook aan dat al deze overwegingen over de cumulatieregels voor de tegemoetkomingen voor personen met een handicap ook van toepassing zijn op de socialezekerheidsregelingen (ziekte- en invaliditeitsverzekering, arbeidsongevallen, beroepsziekten) en de persoonlijke-assistentiebudgetten voor personen met een handicap (bijvoorbeeld de persoonsvolgende financiering).

Terugbetaling van de medische zorg

Rechtstreekse slachtoffers hebben recht op de terugbetaling van de medische, paramedische, farmaceutische en ziekenhuiskosten alsook kosten voor orthopedische apparaten en prothesen ingevolge de aanslag.

Rechtstreekse en onrechtstreekse slachtoffers hebben recht op de terugbetaling van de kosten voor psychologische, medische, paramedische, farmaceutische en ziekenhuiszorg ingevolge de aanslag, onder dezelfde voorwaarden als de oorlogsinvaliden, voor zover deze zorg verband houdt met psychische en/of psychosomatische stoornissen ingevolge de aanslag.

Ook hier rijzen vragen waarop de NHRPH tot op heden geen antwoord gekregen heeft:

  • Worden de kosten integraal terugbetaald?
  • "ingevolge de aanslag": het oorzakelijk verband en de duur van de terugbetaling zouden beter verduidelijkt worden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld bij een terugval, wanneer veel later een nieuwe operatie nodig is?

Advies

Om te beginnen wil de NHRPH benadrukken dat het positief is dat er vooruitgang is in het dossier betreffende de terreurdaden van 22 maart 2016.

De NHRPH betreurt evenwel niet geraadpleegd te zijn bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 2017, en dringt erop aan geraadpleegd te worden wanneer eventuele koninklijke uitvoeringsbesluiten opgesteld worden. 

Op grond van tot nu toe verzamelde informatie stelt de NHRPH vast dat een reeks vragen nog onbeantwoord zijn gebleven. 

Om te vermijden dat de betrokkenen lang op een oplossing moeten wachten, dringt de NHRPH erop aan dat de verschillende betrokken overheidsdiensten, zowel de federale als deze van de deelgebieden, nadenken over een antwoord op de openstaande kwesties, en anticiperen in plaats van af te wachten tot ze met de problemen geconfronteerd worden. 

De NHRPH wenst op de hoogte gehouden te worden van het resultaat van dit overleg.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer Daniel Bacquelaine, Minister van Pensioenen
  • Ter opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 10

Advies 2018/25 - Dringende adviezen

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/25 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de term "urgentie" voor een verzoek om advies, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 18 juni 2018


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Steeds vaker wordt een dringend advies van de NHRPH gevraagd. Hierdoor wordt het werk van de NHRPH moeilijker en wellicht minder effectief. Het lijkt daarom noodzakelijk de term "urgentie" te verduidelijken.


Analyse

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap bepaalt in § 2:

"De adviezen moeten doorgestuurd worden binnen de drie maanden, in dringende gevallen binnen de maand.

Indien het advies niet wordt verstrekt binnen de gestelde termijn, kan de Minister beslissen.” 

De NHRPH heeft maandelijks een plenaire vergadering. De naleving van het in het koninklijk besluit vastgestelde termijn maakt een serene en doeltreffende voorbereiding van de adviezen mogelijk, meer bepaald dankzij een uitvoerige bespreking in de plenaire vergadering.

De NHRPH is er zich echter van bewust dat in bepaalde situaties kortere termijnen nodig zijn en is er steeds mee akkoord gegaan in deze uitzonderlijke gevallen de vastgestelde termijnen te verkorten en zijn leden elektronisch te raadplegen.

Er mag niet uit het oog verloren worden hoe een advies tot stand komt:

  • Na ontvangst van het verzoek voert het secretariaat een juridische analyse van het probleem uit en, indien nodig, opzoeking van documentatie en analyse van de literatuur.
  • Op basis van deze eerste studie houden de leden van de NHRPH een denkoefening, die als basis zal dienen voor het advies.
  • Het secretariaat stelt op basis van de denkoefening van de leden een definitief ontwerp van advies op.
  • De leden keuren de inhoud van het advies goed, na eventuele aanpassingen.

Het is dus moeilijk, vooral bij een complexe analyse, het hele proces in een paar dagen af te ronden.

Bovendien is een discussie door alle leden altijd rijker dan individuele bedenkingen. Een van de sterktes van de NHRPH is trouwens net dat de 20 leden, afkomstig uit verschillende verenigingen van personen met een handicap en representatief voor de hele handicapsector, hun krachten kunnen bundelen.

Er wordt evenwel vastgesteld dat de uitzondering de laatste tijd steeds vaker de regel lijkt te worden, en dat de NHRPH steeds meer gevraagd wordt zeer snel, soms zelfs binnen de week, adviezen uit te brengen.

Bovendien valt dit zeer ongelegen, aangezien een aantal secretariaatsmedewerkers het team verlaten hebben of de komende maanden zullen verlaten (overplaatsingen, pensioneringen, ...) zonder zekerheid dat zij zullen worden vervangen (cf. advies 2018/04).

Bovendien nemen sommige leden van de NHRPH ontslag (om beroepsredenen ingevolge een andere aanstelling). Op 30/11/2017 werd om hun vervanging gevraagd, maar die is nog steeds niet gebeurd.

De NHRPH acht het dan ook noodzakelijk vast te leggen in welke omstandigheden hij ermee instemt:

  • af te wijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juli 1981;
  • en sneller dan de bij het KB vastgestelde termijn advies uit te brengen.

Advies

De NHRPH herinnert er in de eerste plaats aan dat urgentie de uitzondering moet blijven, en niet de regel mag worden. 

Uit de huidige werkwijze blijkt dat ministers die het advies van de NHRPH vragen, artikel 4.3 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap niet altijd voldoende naleven: "Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij."

Indien de NHRPH eerder bij de processen betrokken zou zijn, zouden de genoemde problemen wellicht minder vaak voorkomen.

Wanneer een minister dringend een advies vraagt, moet hij tevens aantonen dat hij niet anders kon dan het advies dringend te vragen.

En in dit geval moet de NHRPH de motivering van de urgentie evalueren.

De NHRPH kan alleen een dringend advies geven indien het secretariaat over voldoende personeelsleden hiervoor beschikt.

Indien het secretariaat van de NHRPH en het BDF niet uit ten minste 5 personen bestaat, zal de urgentie niet worden aanvaard.

Om snel te kunnen werken, moet de NHRPH ook voltallig zijn. Zoals opgemerkt in de analyse, levert de discussie over de inhoud van een advies mogelijk minder op bij een elektronische raadpleging dan bij een plenaire vergadering, en ook zeker wanneer er minder leden zijn die hun mening kunnen geven.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 8

Advies 2018/23 - FAQ PBM

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2018/23 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het plan van de FOD Mobiliteit & Vervoer voor het opstellen van een lijst met FAQ (frequently asked questions) over mobiliteit voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM), uitgebracht op de plenaire zitting van 28/05/2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van de FOD Mobiliteit & Vervoer.


Onderwerp

In het kader van de federale Handistreaming besloot de FOD Mobiliteit en Vervoer een FAQ-lijst op te stellen die nuttige informatie inzake mobiliteit en vervoer voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM) verzamelt en op een overzichtelijke wijze samenbrengt. Deze FAQ zijn bestemd voor de PBM zelf. De FOD wil zich hierbij niet beperken tot het eigen bevoegdheidsdomein.


Analyse

De NHRPH vindt het plan van de FOD Mobiliteit & Vervoer een interessant en nuttig project. Een gecentraliseerde databank inzake vervoer en mobiliteit voor PBM kan beantwoorden aan een reële behoefte. De NHRPH gaat evenwel niet in detail in op elke individuele FAQ. Daarvoor verwijst de NHRPH naar gespecialiseerde firma’s of instanties.

PBM en PMH

Eerst een technische opmerking die verband houdt met vraag 1 (Wat is een PBM?). PBM (soms ook PRM in het Engels of PMR in het Frans) zijn mensen met een beperkte mobiliteit, zoals personen met een handicap (PMH), ouderen, mensen met een been in het gips enz. Niet elke PBM is een PMH en omgekeerd. Uiteraard mag de term PBM worden gebruikt in de FAQ, maar in bepaalde gevallen (bepaalde maatregelen, specifieke dienstverlening, enz.) zal de term PBM te ruim zijn. Het antwoord op een vraag als “Wat zijn de rechten van de PBM?” zou wel eens veel te ruim kunnen uitvallen om nog praktisch te zijn. 

Structuur

De voorlopige lijst van FAQ telt 17 vrij algemene vragen waarop een uitgebreid antwoord volgt. De eerste voorgestelde structuur is dubbel: per vervoerswijze en per thema. Die basisstructuur lijkt overzichtelijk en intuïtief. Een tweede structuur is enig en hiërarchisch, maar dat ontwerp was minder uitgewerkt. De NHRPH spreekt geen voorkeur uit, maar verwacht wel een toepassing die voor iedereen toegankelijk is, ongeacht de handicap. 

Opgelet! Een boomstructuur, mindmap, enz. is niet steeds (rechtstreeks) toegankelijk voor personen met een visuele handicap. Leesprogramma’s slagen er vaak niet in om die structuur te lezen. De FAQ moeten ook voor mensen met een visuele handicap toegankelijk zijn. 

De vragen komen van de sector zelf en vertrekken dan ook vanuit de ervaring van de PBM. Die benadering vergroot de kans dat andere PBM de juiste FAQ vinden. 

Heel belangrijk is de gebruiksvriendelijkheid van de toepassing. Gebruikers haken snel af als de tekst te lang of onoverzichtelijk is. Het verdient aanbeveling dat elke vraag nog wordt onderverdeeld in hoofdstukjes met een duidelijke titel die als link beschikbaar zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vragen waarop het antwoord verschilt volgens beleidsniveau of gewest, want een reis beperkt zich vaak niet tot een regio. Deze deelvragen moeten ook los van de hoofdvraag kunnen worden gevonden.

Bovendien verdient het aanbeveling om bij elke vraag ook gerelateerde FAQ te suggereren. Daar vindt de gebruiker mogelijk informatie waar hij nog niet actief naar op zoek was, maar die wel van pas komt.

Er zijn meerdere informaticapakketten op de markt voor het beheer van FAQ. Kies een module die past bij de doelstelling en die een gebruiksvriendelijke en toegankelijke toepassing mogelijk maakt.

Inhoud

Sommige materie is erg complex, zoals de toekenningsvoorwaarden via de verschillende kanalen en instanties. Toch is een helder en eenvoudig taalgebruik noodzakelijk voor het publiek van de PBM, in het bijzonder voor personen met een verstandelijke handicap. Korte, heldere tekstjes met duidelijke informatie en instructies, bijvoorbeeld vet gedrukt als inzet, zijn handig. Complexere materie, zoals reglementeringen en wetgeving kan lager staan of bereikbaar zijn via een link.

Enkele niet te vergeten aspecten voor PBM zijn:

  • het parkeerbeleid
  • specifieke regels in het verkeer (witte stok, het dragen van de gordel, …)
  • informatie voor mensen die te voet zijn
  • informatie voor mensen die de fiets nemen of een ander nog niet vermeld voertuig, al dan niet als passagier
  • verzekeringskwesties (aansprakelijkheid, verzekering van de rolstoel, …), in het bijzonder bij taxivervoer, luchtvaart, …
  • internationaal reizen, binnen en buiten de EU
  • regelgeving inzake toegelaten hulpmiddelen, in het bijzonder scootmobiles (toegelaten gewicht, grootte, …)
  • European Disability Card (EDC)
  • redelijke aanpassingen
  • … 

Links naar de websites van de betrokken instanties (FOD Sociale Zekerheid, NMBS, TEC, De Lijn, MIVB, …) zijn altijd handig. Verwijs wel meteen naar de relevante pagina, zodat de gebruiker niet nog eens zelf op zoek moet. 

Zoekfunctie

Een performante zoekfunctie is essentieel. Als er met zoektermen wordt gewerkt, dan is het belangrijk dat het systeem die soepel kan toepassen, en dus ook synoniemen, benaderende spelling enz. herkent, ook als die niet zichtbaar aanwezig zijn in de FAQ.

Sommige computerprogramma’s hebben extra functies, zoals het (anoniem) bijhouden van zoekopdrachten voor statistisch onderzoek. Daaruit valt te leren welke vragen het publiek bezighouden. Opvallende pieken kunnen op een behoefte, probleem of actuele kwestie wijzen. Stel dat de FAQ over de parkeerkaart voor PMH plots piekt, dan wijst dat mogelijk op een probleem in de aanvraagprocedure of aflevering of op een nieuwigheid in de toepassing. Zo kunnen FAQ een signaalfunctie hebben.

Onderhoud

Het actueel en performant houden van een FAQ-toepassing is essentieel voor de gebruiksvriendelijkheid. Er is heel veel informatie te geven en die verandert geregeld inhoudelijk: wetgeving, de websites waarnaar wordt verwezen, gespecialiseerde apps, … Zonder een frequent nazicht en onderhoud is de info in een FAQ-app snel gedateerd. Dat betekent dat het onderhoudsteam actief de FAQ en hun inhoud moet opvolgen.


Advies

De NHRPH feliciteert de FOD Mobiliteit en Vervoer met dit initiatief. De informatie inzake handicap is erg versnipperd over de verschillende beleidsniveaus en -domeinen, ook op het vlak van mobiliteit en vervoer. Een gecentraliseerde lijst met FAQ over vervoer en mobiliteit voor PBM is dan ook een goed idee.

De NHRPH apprecieert dat het advies van de sector en van de NHRPH wordt ingewonnen. Zeker bij FAQ voor het publiek is het essentieel dat de juiste vragen worden gesteld, namelijk die van het publiek zelf.

Uiteraard staat of valt deze FAQ-lijst met haar gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid. De toepassing moet toegankelijk zijn voor alle types van handicap: lichamelijke, sensoriële, verstandelijke, … 

Goede partners voor het uitbreiden van FAQ op regionaal vlak zijn CAWaB (voor Wallonië en Brussel) en Inter (voor Vlaanderen).

Enkele richtlijnen:

  • Vertrek steeds vanuit het standpunt van de gebruiker.
  • Hou de FAQ eenvoudig, overzichtelijk, praktisch, concreet en eenduidig. Begin eventueel met een samenvattend tekstje, gevolgd door antwoorden op deelvragen. Voor meer informatie kan er worden doorverwezen naar wetteksten, websites, enz.
  • Vermijd FAQ die enkel de interne werking van een dienst betreffen en niet relevant zijn voor de PBM.
  • Verwijs meteen door naar de juiste pagina op een website, de pagina waar de gezochte informatie te vinden is.
  • Een goede zoekfunctie is essentieel.
  • Een performant programma voor FAQ biedt extra mogelijkheden, zoals statistisch onderzoek.
  • Geef de gebruikers de kans om te reageren. De vragen en opmerkingen van gebruikers kunnen direct of indirect wijzen op onduidelijkheden in de FAQ of op een gemis. Dat laat de beheerders toe de FAQ aan te passen en nieuwe FAQ toe te voegen.
  • Zorg voor een systematisch onderhoud van de FAQ. Een actieve opvolging van de materie is hiervoor vereist.
  • Aangezien de materie versnipperd is over verschillende beleidsniveaus, verschilt het antwoord soms volgens gemeenschap of gewest. Hou daar rekening mee in de antwoorden en geef de nodige informatie voor elk beleidsniveau. 

Voor concreet communicatieadvies verwijst de NHRPH door naar gespecialiseerde instanties en firma’s.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de FOD Mobiliteit en Vervoer;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 14

Advies 2018/24 - Pensioenen

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Gezondheidszorg

Advies nr. 2018/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorontwerpen van wet met betrekking tot de erkenning van zwaarte van sommige functies voor de toegangsvoorwaarden tot vervroegd pensioen en voor de berekening van het pensioenbedrag, geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 28 mei 2018 en na raadpleging van zijn leden via e-mail gefinaliseerd op 1 juni 2018.  


Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de heer Daniel Bacquelaine, Minister van Pensioenen, per brief van 9 april 2018.


Onderwerp

Het voorontwerp van wet betreft de erkenning van de zwaarte van bepaalde functies voor de toegangsvoorwaarden voor vervroegd pensioen en voor de berekening van het pensioenbedrag, en voorzien in een erkenning van een specifieke zwaarte voor een beroepsactiviteit wanneer deze door een persoon met een handicap wordt uitgevoerd.


Analyse

Op 17 februari 2016 werd de NHRPH door het Nationaal Pensioencomité gehoord in het kader van het onderzoek dat deze uitvoerde naar de problematiek van de zwaarte van sommige functies.

De NHRPH wees toen met name op de volgende punten: 

  • Voor heel wat mensen met een handicap hebben werken en het nastreven van een beroepsloopbaan negatieve gevolgen voor hun gezondheid ten gevolge van hun handicap.
  • Voor veel mensen met een handicap is het vrijwel onmogelijk om een volledige loopbaan te bereiken. Om gezondheidsredenen willen ze kunnen stoppen met werken vóór de wettelijke pensioenleeftijd.
  • De huidige tendens in het tewerkstellingsbeleid bestaat erin de loopbaanduur voor iedereen te verlengen en de mogelijkheden voor vervroegde pensionering te beperken. Voor bepaalde beroepen die als "fysiek zwaar" worden beschouwd, bestaan er momenteel echter afwijkingen waardoor werknemers in deze sectoren onder bepaalde voorwaarden vervroegd toegang tot het pensioen krijgen.

Gelet op bovenstaande bevindingen en naar analogie met de genoemde maatregelen acht de NHRPH het absoluut noodzakelijk te onderzoeken hoe personen met een handicap die dat wensen en voor wie het noodzakelijk is vervroegd toegang kunnen krijgen tot een rustpensioen met behoud van het recht op een volledig pensioen.

  • De invoering van een ander mechanisme, namelijk een voordeligere verrekening van de gewerkte jaren van personen met een handicap ten einde tewerkstelling te bevorderen, zou ook door de regering moeten worden bestudeerd,.
  • Met andere woorden, de NHRPH legde een bijzondere nadruk op de noodzaak om specifieke maatregelen te treffen voor oudere werknemers met een handicap, zowel wat betreft de loopbaan als wat betreft de pensioenberekening.

In haar voortgangsverslag van 12/09/2016 (document CNP 2016-0346) erkent het Nationale Pensioencomité dat de collectieve regeling vergezeld kan gaan van een individuele regeling in gevallen waarin de werknemer een persoon met een handicap is, en het stelt vast dat de regering bereid is dit verzoek te onderzoeken.

De Minister van Pensioenen legt nu wetsontwerpen die deze bereidheid concretiseren voor aan de NHRPH. Voorlopig gaat het om twee teksten, één betreffende de ambtenarij en één betreffende de werknemerssector. Een derde tekst voor de sector van de zelfstandigen is nog in voorbereiding, maar volgens informatie van het kabinet van de Minister van Pensioenen zullen de modaliteiten in de drie regelingen gelijk zijn.

De ingediende voorstellen zijn bedoeld om de inspanningen van werkende personen met een handicap te valoriseren, hetzij door hun loopbaan op te waarderen zodat zij de duur ervan kunnen verkorten, hetzij door hen in staat te stellen een hoger pensioenbedrag te ontvangen als zij de “spilleeftijd zwaarte" overschrijden.

In de tekst betreffende de overheidssector is bepaald dat de anciënniteit wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,05 voor personen die een zelfredzaamheidsgraad bezitten die overeenstemt met categorie 4 bedoeld in artikel 6, §2, 4° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de toekenning van tegemoetkomingen voor personen met een handicap (integratietegemoetkoming).

Deze coëfficiënt bedraagt 1,10 voor personen van categorie 5.

In de tekst betreffende de sector werknemers is bepaald dat op de werkelijk door een persoon met een handicap gewerkte VTE-dagen de coëfficiënt 0,05 wordt toegepast voor in categorie 4 erkende personen, en de coëfficiënt 0,10 voor in categorie 5 erkende personen, waarbij het product van de vermenigvuldiging naar maanden wordt omgerekend. 

Het kabinet legt uit dat het verschil tussen de twee teksten voortkomt uit de manier waarop de basisteksten in elkaar passen (het gaat om de manier waarop de loopbaan wordt gedefinieerd), maar dat dit mathematisch gezien in beide gevallen tot hetzelfde resultaat leidt. Het kabinet voegt hieraan toe dat het aannemelijk is dat uiteindelijk de bewoording van de artikelen zal worden aangepast om te komen tot eenzelfde tekst voor alle sectoren. 

Het kabinet van de Minister van Pensioenen stelt daarnaast dat verhogingen wegens een handicap mogen worden gecumuleerd met verhogingen voor een activiteit die wordt uitgeoefend in een als zwaar erkend beroep.

De gevolgen van deze maatregelen kunnen van tweeërlei aard zijn:

  • Ofwel maken zij een snellere pensionering mogelijk te maken, aangezien de duur van de loopbaan wordt opgewaardeerd.
  • Ofwel kan een werknemer die besluit in dienst te blijven zonder gebruik te maken een vervroeging van de pensioengerechtigde leeftijd, een "pensioenbonus" ontvangen. Deze wordt als volgt berekend: het bedrag van het rustpensioen dat zou zijn uitgekeerd vanaf het moment dat het rustpensioen in werking zou kunnen treden, wordt omgezet in een jaarlijkse rente, op basis van een actuariële berekening die de levensverwachting in acht neemt.

Sommige bepalingen van de aangeleverde teksten verduidelijken dat bij de beoordeling van de zwaartegraad van de functie in het bijzonder rekening zal worden gehouden met de vooraf vastgestelde beschikbare financiële middelen.

Het kabinet van de Minister van Pensioenen heeft echter bevestigd dat deze bepalingen geen betrekking hebben op verhogingen die specifiek zijn voorzien voor personen met een handicap.   

Deze verschillende maatregelen betreffende de zwaarte zullen op 1 januari 2020 in werking treden.


Advies

De NHRPH is tevreden over het feit dat de regering rekening houdt met de overwegingen van de Raad met het oog op de invoering van specifieke maatregelen voor oudere werknemers met een handicap, zowel wat betreft de loopbaan als voor de pensioenberekening. 

In het voorliggend advies mag blijken dat de NHRPH, overeenkomstig haar opdracht, zich met betrekking tot de voorgelegde ontwerpteksten alleen uitspreekt over die delen die rechtstreeks betrekking hebben op personen met een handicap. 

Daarnaast gaat de NHRPH ervan uit dat de tekst met betrekking tot zelfstandigen hetzelfde soort bepalingen zal bevatten; de NHRPH verstrekt dit advies daarom voor de drie sectoren: ambtenaren, werknemers en zelfstandigen.

  • Over de ernst van de handicap 

De voorstellen gelden alleen voor personen met een handicap die in categorie 4 of 5 van de zelfredzaamheidsschaal worden erkend.

Het lijkt erop dat er geen cijfers beschikbaar zijn over hoeveel mensen van deze categorieën werken of gewerkt hebben. De NHRPH beschikt in ieder geval niet over deze cijfers. Zeker is dat deze categorieën de laagste aantallen erkende mensen bevatten.

De cijfers aangeleverd door de Directie-generaal Personen met een handicap waren eind 2017 de volgende:

 

Categorie

Aantal personen

Percentage

Cat 1

89.470

+/- 34%

Cat 2

85.772

+/- 32%

Cat 3

54.331

+/- 21%

Cat 4

21.736

+/- 8%

Cat 5

12.119

+/- 5% 

 

We moeten ons ervan bewust zijn dat de categorieën 4 en 5 gericht zijn op mensen met een zeer ernstige handicap. Binnen die categorieën zijn dus ook maar heel weinig mensen in staat om te werken.   

Uit de ervaring van de leden van de NHRPH blijkt dat het merendeel van de mensen met een handicap die werken tot de categorieën 1 en 2 behoort en dat veel mensen die in categorie 3 zijn erkend, al in aangepaste bedrijven moeten werken.

Als men zich dus alleen op de categorieën 4 en 5 zou richten, zou de maatregel waarschijnlijk slechts een slag in het water zijn.

De NHRPH merkt ook op dat er niet altijd een direct verband bestaat tussen de ernst van de handicap en de zwaarte van het werk. Voor sommige mensen in de categorieën 1 tot en met 3 kan gaan werken op zich al een erg zware inspanning zijn, waardoor hun werk op de manier al het etiket ‘zwaar’ verdient. 

Het NHRPH pleit er dan ook voor om de erkenning van de zwaarte uit te breiden tot alle mensen die als personen met een handicap worden erkend; de Raad begrijpt evenwel dat dit om budgettaire redenen niet van meet af aan mogelijk zou kunnen zijn. Minstens wil de NHRPH vragen de maatregelen bij categorie 2 te laten beginnen en te onderzoeken hoe de middelen kunnen worden verkregen om vervolgens in een tweede fase vanaf categorie 1 te beginnen.

  • Over het belang van de verhoging

De NHRPH betreurt de geringe stijging (0,05% of 0,10% al naar gelang het geval). De Raad herinnert eraan dat mensen met een handicap vaak lang geen volledige of lineaire carrière hebben.

De Raad merkt ook op dat in het wetsontwerp betreffende de werknemerssector voor functies die als zwaar worden erkend drie verhogingscoëfficiënten mogelijk zijn: 0,05%, 0,10% en 0,15%.

De Raad pleit ervoor dat hetzelfde zou gelden voor de zwaarte die het gevolg is van een handicapsituatie. Dit zou ongeveer 0,05 procent kunnen zijn voor categorieën 1 en 2, 0,10 procent voor categorie 3 en 0,15 procent voor categorieën 4 en 5.

De NHRPH verwijst in dit verband naar het voorbeeld van Frankrijk. De Franse wet biedt personen met een handicap bepaalde garanties, zodat zij niet worden gestraft voor hun gezondheidstoestand. Invalide verzekerden kunnen dus een volledig pensioen ontvangen vanaf de leeftijd van 60 jaar, d.w.z. zonder vermindering, ongeacht de duur van hun loopbaan. Dit recht staat open voor personen die een invaliditeitspensioen, een permanent arbeidsongeschiktheidspensioen of een uitkering volwassen personen met een handicap (AAH) ontvangen. Ook een werknemer die wegens arbeidsongeschiktheid een pensioen krijgt of die aan de criteria voor zwaarte voldoet, heeft eveneens toegang tot dit recht.

  • Over de kwestie van de mantelzorger 

Wat betreft de loopbaangevolgen en dus de hoogte van het rustpensioen wijst de NHRPH erop dat het niet alleen gaat om de werkende persoon met een handicap. Er is ook de hele kwestie van de mantelzorger. 

Veel mensen hebben een niet-lineaire loopbaan omdat ze voor een familielid met een handicap hebben moeten zorgen. Bij de berekening van hun loopbaan worden zij bijgevolg gestraft, niet voor een eigen handicap maar voor die van een ouder, kind, …

Het is niet aan de NHRPH om te zeggen of deze kwestie moet worden geregeld in de hier voorgelegde teksten dan wel in andere bepalingen, maar het is in ieder geval een vraagstuk dat ook in overweging moet worden genomen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Daniel Bacquelaine, Minister van Pensioenen
  • Ter info aan de heer Denis Ducarme, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s
  • Ter info aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een Beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan UNIA
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/22 - Verhoging categorie C IVT

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2018/22 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHPRH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van een bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, verstrekt na overleg met de leden van de NHRPH via e-mail op 18/05/2018.


Aanvrager

Advies verstrekt op advies van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking.


Onderwerp

Het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van een bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap beoogt de verhoging van de bedragen van categorie C van de inkomensvervangende tegemoetkoming.


Analyse

  • Over de termijn

In een brief van 20 april 2018, per e-mail bezorgd aan het secretariaat van de NHRPH op de avond van 07/05/2018, heeft de Staatssecretaris voor personen met een beperking de NHRPH verzocht om een uiterst dringend advies over een ontwerp van koninklijk besluit tot verhoging van de bedragen van categorie C van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Na verschillende berichten heen en weer, en rekening houdend met de feestdagen, werd overeengekomen dat dit advies uiterlijk op 22 mei 2018 aan de Staatssecretaris zou worden toegezonden.   

  • Over de tekst

Artikel 6, § 6 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap bepaalt het volgende: “De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen.”

Artikel 6, § 1 van de wet luidt momenteel als volgt:

Het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming is gelijk aan 5.057,25 EUR per jaar. Dit basisbedrag wordt toegekend aan de personen die behoren tot categorie A. Dit bedrag wordt verhoogd met 50 pct. voor de personen die behoren tot categorie B en met 100 pct. voor de personen die behoren tot categorie C.

Het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt als volgt:

In artikel 6, § 1, eerste lid, 3° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, vervangen bij de wet van XXX, wordt het bedrag “10.407,82 EUR” vervangen door het bedrag “10.757,47 EUR”.

Dit betekent dus dat het ontwerp van koninklijk besluit een tekst wijzigt … die nog niet in werking is getreden. Op 6 februari 2018 vroeg de Staatssecretaris immers het advies van de NHRPH over een voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. In deze tekst wordt bepaald dat het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming voortaan in de wet wordt vastgesteld voor elke afzonderlijke categorie, zonder dat wordt verwezen naar een percentage van het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming. De NHRPH heeft hierover op 19 februari 2018 een advies uitgebracht (advies 2018/11). Zoals de tekst van het ontwerp van koninklijk besluit aanstipt (“vervangen door de wet van XXX”) is deze nieuwe wettekst nog niet in voege getreden, en de NHRPH weet niet wanneer dit zal gebeuren.

Gelet op het feit dat de bedragen in de wet bedragen zijn die gekoppeld zijn aan de spilindex 103,14 van de consumptieprijzen (basis 1996 = 100) (zie artikel 6, §5 van de wet van 27 februari 1987) en die dus geïndexeerd moeten worden, bedraagt de verhoging voorzien in dit ontwerp van koninklijk besluit voor elke betrokken persoon 480 € per jaar, of 40 € per maand.   

Ten slotte is de datum van inwerkingtreding van dit ontwerp van koninklijk besluit tot verhoging van de bedragen in categorie C van de inkomensvervangende tegemoetkoming voorzien op 1 juli 2018.

  • Over de motivering

In de vraag om advies van 20 april 2018 aan de voorzitster van de NHRPH stelt mevrouw Zuhal Demir dat volgens de indicatoren “risico op armoede of sociale uitsluiting” de risico's voor personen met een handicap twee keer zo groot zijn. En verschillende studies tonen aan dat het risico nog groter is voor gezinnen met een of meerdere kinderen ten laste.

Volgens de Staatssecretaris is deze verhoging van het IVT-bedrag voor personen die tot categorie C behoren dan ook een belangrijke stap in de strijd tegen armoede en maakt zij een vlottere toegang tot goederen en diensten mogelijk voor de betrokken personen met een handicap, en bevordert ze dus gelijke kansen. Ook de toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg en levenskwaliteit zal door deze verhoging positief beïnvloed worden.


Advies

De CSNPH is uiteraard ingenomen met deze verhoging van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor de personen van categorie C. Dit is een positieve evolutie, die evenwel door de volgende overwegingen wordt afgezwakt.

De NHRPH betreurt de manier waarop de laatste adviezen werden gevraagd:

  • Recent heeft de Staatssecretaris al diverse maatregelen voorgelegd aan de NHRPH (zie de adviezen 2018/11 en 2018/18) en voor binnenkort worden nog andere maatregelen aangekondigd. Omdat we geen informatie hebben over alle maatregelen, hebben we ook geen totaalbeeld en kunnen we geen correcte analyse uitvoeren. Dit is nochtans nodig om de prioriteiten van de NHRPH te belichten, hetgeen onmogelijk is wanneer geval per geval gewerkt wordt. Bovendien bestaat het risico dat de adviezen van de NHRPH geïnstrumentaliseerd worden.
  • We herinneren eraan dat de NHRPH al lang pleit voor een uitgebreidere hervorming van het systeem van tegemoetkomingen voor personen met een handicap die voldoet aan de verwachtingen van de betrokken mensen en hun vertegenwoordigers. De achtereenvolgende wijzigingen die afzonderlijk worden aangenomen zouden het systeem echter nog complexer kunnen maken.
  • De NHRPH is van mening dat de spoedprocedure nadelig is. Hoewel de NHRPH altijd heeft aangegeven bereid te zijn om zo nodig met spoed een advies te geven, vraagt de NHPRH zich af of in dit soort situaties de spoedprocedure niet vermeden kan worden door een betere planning. Tevens herinnert de Raad eraan dat het uitbrengen van adviezen zijn belangrijkste taak is, maar dat de spoedprocedure een globaal debat in de plenaire vergadering in de weg staat.

Wat de eigenlijke inhoud van het voorstel betreft, herinnert de NHRPH eraan dat personen met een handicap die tot de categorieën B en A behoren ook armoede kunnen lijden, en dat daarom ook zou moeten worden onderzocht hoe hun tegemoetkomingen kunnen worden verhoogd.

Eens te meer herinnert de Raad eraan dat hem beloofd was dat het bedrag van de tegemoetkomingen voor sociale bescherming (leefloon, IVT en IGO) zou worden verhoogd tot de Europese armoedegrens, in drie schijven.

Voorts meent de Raad dat de personen voor wie de kosten voor zelfredzaamheid hoog zijn ook niet mogen worden vergeten, met name vanuit een meer inclusief perspectief, en dat ook de bedragen van bepaalde integratietegemoetkomingen moeten worden verhoogd.

Ten slotte stelt de NHRPH een tikfout vast in de Franse versie van het ontwerp van Koninklijk Besluit: het moet 10.407,82 € zijn in plaats van 10,407,82 €.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 8

Advies 2018/21 - Nieuw onthaal DG HAN

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Leefomgeving, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/21 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de ingebruikname van een nieuw onthaal in de Finance Tower aan de Pachecolaan voor de cliënten van de DG Personen met een handicap (DGHAN), uitgebracht op 03/05/2018 na raadpleging van de leden via elektronische weg.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van de DG Personen met een handicap.


Onderwerp

De DGHAN plant om het onthaal voor personen met een handicap in de Finance Tower te verhuizen van de hoofdingang, kant Kruidtuinlaan, naar een zijingang aan de kant van de Pachecolaan. Het gaat dan voornamelijk over mensen met een handicap die opgeroepen zijn voor een medisch onderzoek of een afspraak hebben met een maatschappelijk assistent. Mogelijk wordt het nieuwe onthaal al begin juli 2018 in dienst genomen.


Analyse

De Finance Tower is eigendom van de Nederlandse BV Breevast en wordt aan de federale overheid verhuurd na een sale & lease back. De overheid is dus geen eigenaar meer van het gebouw.

Reeds in 2009, toen DGHAN naar de gerenoveerde Finance Tower verhuisde, bracht de NHRPH een advies (advies 2009/05) uit over de toegankelijkheid van het gebouw voor personen met een handicap. Meer nog dan bij andere openbare gebouwen was toegankelijkheid hier essentieel, aangezien DGHAN jaarlijks ongeveer 40.000 personen met een handicap ontvangt in het kader van de medische erkenning voor tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Helaas schoot het gebouw zwaar tekort op het vlak van toegankelijkheid. De Finance Tower is weliswaar een symbooldossier, maar jammer genoeg geen goed praktijkvoorbeeld. Er zijn later wel extra aanpassingen gebeurd, maar de toegankelijkheid laat nog steeds te wensen over.

In dit advies beperkt de NHRPH zich tot het nieuwe onthaal en het traject dat de cliënten van DGHAN afleggen. Op maandag 16/04/2018 bezocht een delegatie van de NHRPH het toekomstige onthaal onder leiding van een projectverantwoordelijke.

Hieronder de belangrijkste vaststellingen, waarvoor oplossingen moeten worden gezocht:

In de buurt zijn meerdere treinstations (vlakbij: Brussel-Congres, iets verder: Brussel-Noord en Brussel-Centraal), een metrostation (MIVB: Kruidtuin-Botanique), bushaltes van De Lijn en MIVB en een tramhalte (MIVB). Van en naar station Brussel-Congres, metrohalte Kruidtuin en de bus- en tramhaltes moet een veilig en toegankelijk parcours leiden naar het onthaal van de Finance Tower. Ook de kruispunten Anspachlaan-Kruidtuinlaan en Kruidtuinlaan-Koningsstraat moeten toegankelijk worden gemaakt (geleidelijnen, rateltikkers, …). De weg naar de ingang van de Finance Tower voor bezoekers van DGHAN moet goed aangeduid zijn.

Behalve een overdekte parking met beperkte toegang in de Finance Tower zelf is er momenteel een strook met 7 parkeerplaatsen voor houders van de parkeerkaart langs het gebouw (kant Pachecolaan). Wat ontbreekt zijn parkeerplaatsen voor personen die hun elektrische rolstoel met de wagen vervoeren. Zij hebben grotere parkeerplaatsen nodig om veilig en comfortabel uit de wagen te rijden. Gelieve 2 aangepaste parkeerplaatsen in te passen.

De parkeerplaatsen liggen ook op een vrij steile helling. Voor personen met een handicap die hun rolstoel vervoeren, houdt dat een risico in, zeker als ze een demonteerbare rolstoel hebben. Naast de parkeerstrook ligt er een fietspad en dan een verhoogd trottoir, wat ook obstakels zijn.

Op deze plaats heerst vaak een felle wind die het oprijden van een helling of het openen van een buitendeur kan bemoeilijken. Dat probleem verergert bij regenweer. Met die omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden, want die externe factor kan de toegankelijkheid van het nieuwe onthaal bij momenten zwaar hinderen of zelfs onmogelijk maken.

De te volgen weg moet ook te vinden zijn voor personen met een visuele handicap. De grote poort naar een soort binnenhof heeft een baar in het midden, dus de geleidelijn moet die vermijden. Daarna is er een keuze tussen rechtdoor naar een trap en linksaf via een helling naar het eigenlijke onthaal. De geleidelijn moet via een oriëntatievlak naar links voeren. De trap moet over de hele breedte worden aangekondigd met waarschuwingsstrook.

De helling zelf is aan de steile kant, met een gemiddelde helling van 6,8%. Om reglementair te zijn mag de helling maximaal 5% over 10m bedragen. De dubbele reling eindigt te snel. Bij de huidige versie hinderen de elementen die de reling aan de muur bevestigen de gebruiker die zijn hand over de reling laat glijden voor steun en richting. De kleine gaatjes in de metalen roosters op de helling kunnen assistentiehonden hinderen.

De deur naar binnen vraagt grote aanpassingen. Nu is het een te smalle deur met parlofoonknop, maar die knop bevindt zich voor minder mobiele mensen veel te ver van de deur zelf. Bovendien is de knop zo goed als onvindbaar voor blinde en slechtziende personen. De deur en de wand ernaast zijn in glas met te weinig contrast. Dat geldt ook voor het loketvenster en andere glazen deuren op het traject. Het is te overwegen om voor de deur een afdak of andere beschutting tegen de regen te plaatsen.

Het onthaalloket zelf is te hoog, de hoeken zijn te scherp en er ontbreekt o.a. een onderrijdbaar tablet voor rolstoelgebruikers en een ringleiding voor slechthorende personen. Verder is het nogal donker in de inkomhal.

Een toegankelijke signaletica is belangrijk. Vaak zal begeleiding van de bezoekers nodig zijn.

De eerste toiletruimte op het traject heeft geen toegankelijk toilet. De NHRPH vraagt om een toegankelijk toilet te voorzien of duidelijk te verwijzen naar nabije toegankelijke toiletten.

Binnenin ligt een vloerbedekking in textiel. Dat maakt het moeilijker om een geleidelijn te voorzien. Hier moet een oplossing voor worden gezocht. Daarnaast is een visuele geleidelijn in een bepaalde contrasterende kleur ook interessant voor zienden, zoals in ziekenhuizen vaak het geval is.

Op het – vrij lange en verwarrende! - traject binnen bevinden zich nog een aantal obstakels, zoals overhangende schermen en panelen met beurtindicatie die overigens niet toegankelijk zijn voor personen met een visuele handicap. Ook is er niet overal voldoende licht.

In de wachtzaal zijn er stoelen met verschillende kleuren. Gelieve te waken over het contrast tussen muren/vloeren en de stoelen.

Er is een toegankelijk toilet aan de wachtzaal voor het medisch onderzoek maar de steunbaren naast het toilet zijn te kort. Deze ruimte heeft geen automatische deuropener. Vreemd genoeg heeft de overstaande toiletruimte zonder toegankelijk toilet er wel een.

De nooduitgang geeft dwars uit op de helling die naar buiten leidt (dezelfde als hierboven), wat hinderlijk is voor rolstoelgebruikers, maar ook voor blinde en slechtziende personen. Meerdere tegels liggen los en houden struikelgevaar in. Bij donker weer moet er verlichting zijn. Zoals gezegd is de helling vrij steil, wat bij het vertrek des te hinderlijker is.


Advies

Gezien de vele bezwaren tegen het geplande nieuwe onthaal aan de kant van de Pachecolaan en de slechte ervaringen met de verhuizing van DGHAN naar de Finance Tower in 2009 brengt de NHRPH een negatief advies uit. 

De NHRPH vindt het verontrustend dat er een apart onthaal komt voor personen met een handicap terwijl toch het hele gebouw toegankelijk zou moeten zijn voor personen met een handicap. De NHRPH vindt dat een verkeerd signaal dat strijdig lijkt met de principes van inclusie en integratie.

De NHRPH wenst dat de personen met een handicap de keuze hebben tussen de verschillende ingangen en onthalen, zodat ze kunnen kiezen voor de oplossing die hun het beste uitkomt. Indien het nieuwe onthaal er toch komt, vraagt de NHRPH nadrukkelijk om ook rekening te houden met de vele opmerkingen die hierboven in het deel ‘Analyse’ zijn geformuleerd en een toegankelijke oplossing te vinden. De lijst met opmerkingen is niet exhaustief. Hier een kort overzicht met de belangrijkste aandachtspunten:

  1. Toegankelijk parcours creëren vanuit en naar de verschillende vormen van openbaar vervoer in de directe omgeving
  2. Openbare weg: drempels en obstakels wegwerken aan de zebrapaden, kruispunten en de aangrenzende wegen van de Finance Tower,
  3. Informatie (uitleg, plan, signaletica) verstrekken over het nieuwe onthaal en de bereikbaarheid
    • via de website en de sector
    • via de oproepingsbrief of uitnodiging
    • ter plaatse, vanaf de haltes van het openbaar vervoer, de aangrenzende kruispunten, zebrapaden en wegen (signaletica)
    • aan de hoofdingang van de Finance Tower (signaletica)
    • aan de poort kant Pachecolaan die toegang geeft tot de nieuwe ingang (signaletica)
    • aan het begin van de helling, ter hoogte van de trap (signaletica)
    • aan de toegangsdeur naar het onthaal (signaletica)

      Al deze informatie moet ook toegankelijk zijn voor mensen met een leeshandicap.

  4. Parking
    • voorbehouden plaatsen voor personen met een parkeerkaart
    • minstens 2 ruime parkeerplaatsen voor houders van de speciale parkeerkaart aanleggen voor het uitladen van elektrische rolstoelen.
    • niveauverschil met trottoir wegwerken
  5. Signaletica
    • gids- of geleidelijnen vanuit en naar de verschillende vormen van openbaar vervoer in de directe omgeving
    • gids- of geleidelijnen vanaf de aangrenzende wegen en podotactiele aanpassingen ter hoogte van zebrapaden en kruispunten
    • oriëntatievlakken in combinatie met geleidelijnen bij de ingang Pacheco, bij de splitsing helling-trap en voor de toegangsdeur
    • trap: waarschuwingsstrook en leuning toevoegen + contraststrepen op de rand van elke trede
  6. Helling
    • gebruiksvriendelijke dubbele leuning toevoegen
    • losse traptegels beveiligen
  7. Nooduitgang
    • breder maken voor rolstoelen
    • geleidelijn naar de helling installeren
  8. Niet overdekt deel: beschutting tegen de felle wind en regen voorzien (bijvoorbeeld: afdak boven toegangsdeur)
  9. Toegangsdeur toegankelijk maken
  10. Inkomhal
    • De vloerbedekking in textiel mag de rolstoelen niet hinderen.
    • Geleidelijnen (eventueel met kleefstroken)
    • Goede signaletica
    • Assistentie
  11. Onthaal toegankelijk en veilig maken voor alle types van handicap
    • Loket verlagen
    • Inductiering
    • Contrast
    • Afgeronde hoeken aan tablet voor bezoekers
    • Goede signaletica en pictogrammen
    • Assistentie indien nodig
  12.  Deuren met glas: contraststroken aanbrengen op drie hoogtes: tussen 0-10 cm, 85-100 cm en 140-160 cm
  13. Traject binnen:
    • Geleidelijnen
    • Obstakels opruimen of beveiligen
    • Opletten met andere mensenstromen (DG Zelfstandigen)
    • Voldoende brede doorgang
  14. Wachtzaal
    • Contrast van stoelen met omgeving
    • Voldoende verlichting voorzien
  15. Toiletten
    • Voorbehouden toilet volledig toegankelijk maken
    • Automatische deur installeren
    • Duidelijke signaletica

Aangezien de Finance Tower een openbaar gebouw is met een dienstverlening aan personen met een handicap, is het essentieel dat het vlot toegankelijk is voor personen met een handicap. De geldende reglementering is dan het absolute minimum. Aan alle handicaps moet worden gedacht. In het verleden is dat onvoldoende gebeurd. Toegankelijkheid moet systematisch worden meegerekend in de prijsofferte.

Voor het uitwerken van technische oplossingen vraagt de NHRPH om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.

De NHRPH was beter in een vroeger stadium geraadpleegd, namelijk al tijdens de voorafgaandelijke denkoefening. Als de deadline van begin juli 2018 wordt gehandhaafd, rest er zeer weinig tijd om het onthaal toegankelijk te maken.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van Directie-Generaal Personen met een handicap;
  • Voor opvolging aan de heer Frank Van Massenhove, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid;
  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid;
  • Ter informatie aan UNIA;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 18

Advies 2018/17 - Mantelzorgers

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Gezondheidszorg, Leefomgeving

Advies nr. 2018/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de erkenning van de mantelzorger.


Aanvrager

Advies verstrekt door de plenaire van 16 april 2018  op verzoek van de Minister van Sociale Zaken op 6 maart 2018.


Onderwerp

De minister legt 2 teksten voor: een aanpassing van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat en van een koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014.


Analyse

De Minister wil de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat vervangen door de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger.

Daartoe wijzigt zij verschillende bepalingen van de wet van 12 mei:

  • Hoofdstuk 2 Definities: Schrapping van de term “zwaar zorgbehoevend” ten gunste van de term “zorgbehoevend” (art.2, 1°);
  • De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de specifieke categorieën van geholpen personen, de woonplaats- en de erkenningsvoorwaarden voor de toekenning van de sociale rechtenvastleggen (art .2, 2°);
  • De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de types en nadere regels van bijstand en hulp (art.2, 3°);
  • De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgelegd in overleg in de Ministerraad de types en nadere regels van bijstand en hulp, en tevens de nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor een sociaal recht dat toegekend wordt aan een mantelzorger (art.2, 4°);
  • De titel van Hoofdstuk 3, “Erkenning”, wordt vervangen door “Erkenning en toekenning van sociale rechten” (art.3);
  • Om de erkenning van mantelzorger te verkrijgen, wordt de voorwaarde van de meerderjarigheid geschrapt; een verblijfsvoorwaarde wordt toegevoegd: een bestendig en daadwerkelijk verblijf in België en inschrijving in het bevolkingsregister (art.4, 1°);
  • De erkenningsaanvraag moet niet langer jaarlijks worden hernieuwd (art.4, 2°);
  • 2de lid van §4 van art. 3 werd geschrapt. Dit bepaalde het volgende: “De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor elke maatregel van inwerkingstelling van bescherming van deze doelgroep die valt onder de bevoegdheid van de federale overheid, het maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger kan erkend worden per geholpen persoon.” (art.4, 3°);
  • Tegelijk wordt een art. 3bis ingevoegd: De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximumaantal personen vastleggen van wie de hoedanigheid van mantelzorger per geholpen persoon erkend kan worden. Dit aantal kan variëren naargelang het toegekende sociale recht. (art.5, §1);
  • De Koning bepaalt de procedure voor de aanvraag tot erkenning en de aanvraag voor het verkrijgen van de sociale rechten (art.5, §2);
  • Ook het overlijden van de mantelzorger geeft aanleiding tot het einde van de erkenning. (art.6).

Daarnaast wil de Minister een koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger nemen. Hierin regelt zij de volgende aspecten:

  • Hoofdstuk 1. Definities
    • Sociale rechten: de uitkering of het bijstandsstelsel
    • Mantelzorger: herneemt de definitie van artikel 3, §1 (niet herroepen) van de wet
  • Hoofdstuk 2: Gewone erkenning
    • Afdeling 1: voorwaarden voor de erkenning als geholpen persoon en verblijfsvoorwaarde: de geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfsplaats in België hebben (art.2)
    • Afdeling 2: procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger: de mantelzorger dient, met het akkoord van de geholpen persoon (of zijn vertegenwoordiger) de aanvraag in bij zijn ziekenfonds, door middel van een verklaring op erewoord (model bestaat, maar niet door het Kabinet bijgevoegd) (art.3)
  • Hoofdstuk 3: Erkenning en toekenning van sociale rechten
    • Afdeling 1: voorwaarden voor erkenning als geholpen persoon en verblijfsvoorwaarde:
      • Persoon die minstens 21 jaar oud is en voor wie de IT/THB/Hulp van derden/wet van 26 juni 1992 is beoordeeld op minstens 12 punten (tijdelijk of definitief) (art. 4)
      • Persoon die minstens 21 jaar oud is en een erkenning krijgt van minstens 12 punten op de IT-schaal of een verhoogde kinderbijslag wegens zijn handicap beoordeeld op minstens 6 punten op 18 in de 3de pijler (regeling 2003) of 80% lichamelijke of verstandelijke onbekwaamheid met 7 tot 9 punten voor de graad van zelfredzaamheidsverlies (regeling 1990) of 35 punten op de BEL-schaal in Vlaanderen (mantelzorgpremie); er wordt verwezen naar de mogelijkheid van een erkenning in Wallonië; er is niets voorzien voor Brussel of de Duitstalige Gemeenschap (art.5 en 6)
      • De geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en er permanent en daadwerkelijk verblijven. (+ gelijkstelling voor buitenlands verblijf van korte duur of om medische redenen). (art.7)
    • Afdeling 2. Types en nadere regels van bijstand en hulp en nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor het toekennen van sociale rechten
      • De mantelzorger moet kunnen aantonen dat hij minstens 50 uur per maand bijstand en hulp verleent, ofwel minstens 600 uur per jaar, met inbegrip van de tijd voor opleiding en ondersteuning van de mantelzorger. (art.8)
    • Afdeling 3. Maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend kan worden per geholpen persoon voor het toekennen van sociale rechten: Maximaal 3 personen (art.9)
    • Afdeling 4. Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger die in aanmerking kan komen voor sociale rechten: verklaring op erewoord bij het ziekenfonds van de mantelzorger. Procedure voor communicatie tussen ziekenfondsen. Procedure voor de erkenning van de medisch-sociale situatie van de hulp. Geen beroepsprocedure voor weigeringsbeslissing, maar nieuwe aanvraag mogelijk na 3 maanden. Verwijzing naar gevallen van fraude (artikel 10)
    • Inwerkingtreding: niet gepreciseerd

Advies

De NHRPH volgt dit dossier al jaren en heeft in diverse adviezen 2011-20, 2013-18, en zijn positienota gewezen op de uitdagingen en verwachtingen met betrekking tot de levenssituatie van mantelzorgers en de verbeteringen die in eerdere teksten moeten worden aangebracht.

De Raad verheugt zich over de eerste tastbare tekenen van een concrete invoering van een statuut waar zorgbehoevende mensen en de vele gezinnen reikhalzend naar uitkijken. Alle studies tonen immers de voordelen aan van een goede begeleiding van de mensen die geholpen worden: minder frequente en kortere ziekenhuisopnames, vermindering van cognitieve problemen, minder frequent gebruik van respijtservice en kortverblijf in verpleeg- of verzorgingshuizen, toename van thuiszorg, ... maar ook van de uitputting van veel verzorgers die werkelijk moeten jongleren om aan de behoeften van hun hele omgeving te voldoen. Ter illustratie herinnert de NHRPH in het bijzonder aan het volgende:

  • Probleem van burn-out om privéredenen bij sommige werknemers
  • 40% van de mantelzorgers woont samen, 73% is gehuwd met de zorgbehoevende; en 60% van de mantelzorgers is niet samenwonend en heeft een baan, wat betekent dat deze mensen hun beroeps- en privéleven moeten combineren, maar ze mogen ook hun eigen gezondheid niet verwaarlozen. Zie Boudewijn-stichting mantelzorgers De NHRPH herinnert eraan dat zonder deze mantelzorgers de hulpbudgetten met 4 miljard zouden moeten stijgen. De NHRPH herinnert er nogmaals aan dat dit statuut van mantelzorger de Staat niet ontslaat van de plicht om de zorg- en ondersteuningsstructuren te versterken en zijn verantwoordelijkheden op te nemen in het licht van een vergrijzende bevolking en de toename van chronische ziekten. Nieuwe ondersteunings- en beschermingsmaatregelen voor mantelzorgers, met inbegrip van de verwerving van sociale rechten, mogen voor de overheid geenszins als voorwendsel worden gebruikt om geen structurele professionele zorg en dienstverlening te verstrekken die tegemoetkomt aan de behoeften van alle geholpen personen en de mantelzorgers zelf.

De NHRPH onderstreept de positieve vooruitgang van de ontwerpteksten, die gedeeltelijk voldoen aan de eerdere aanbevelingen van de NHRPH, MAAR vraagt tegelijkertijd belangrijke verduidelijkingen en correcties die essentieel zijn voor de doeltreffendheid van de hulp aan de betrokkenen én de erkenning van de rol van de mantelzorger.

Wat betreft de wijziging van de titel van de wet (schrapping van de woorden "mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat") en de definitie van de verzorger (schrapping van het woord "zwaar”): de NHRPH stemt in met de schrapping van het woord “zwaar”, maar vraagt de verwijzing naar “zorgbehoevendheid” te behouden in de hele tekst. Heel wat mantelzorgers besteden een groot deel van hun tijd aan personen die ten gevolge van hun gezondheidstoestand niet in staat zijn een aantal handelingen van het dagelijks leven autonoom en zelfstandig uit te voeren. Hun gezondheidstoestand vergt geen permanent toezicht van professionele gezondheidswerkers, maar wel regelmatige en/of voortdurende aanwezigheid van naasten die een toezichthoudende rol vervullen, anticiperen op problemen, instaan voor verplaatsingen, het administratief beheer en kleinere taken, en zorg toedienen die door professionals wordt gedelegeerd. Indien deze diensten niet op informele wijze zouden worden verleend, zou de geholpen persoon door zijn levenssituatie niet meer in staat zijn zelf te kiezen waar hij wil wonen, tenzij tegen aanzienlijke bijkomende kosten ten laste van de samenleving.

Om bovengenoemde redenen vraagt het CSNPH verder elke verwijzing naar de beperking van de steun tot bepaalde aandoeningen te schrappen (cf. artikel 2, 5° van de wet).

Wat betreft de verwijzing naar de sociale rechten is de NHRPH van mening dat dit een belangrijke stap voorwaarts is ten opzichte van de vorige tekst. Sinds het begin van het debat hamert de NHRPH erop dat een statuut van erkenning zonder sociale rechten een volstrekt onbevredigend antwoord is op de behoeften van mantelzorgers. De NHRPH beveelt aan dat de erkende rechten verband houden met loopbaanonderbreking als gevolg van een mantelzorgsituatie.

Door het concrete kader voor erkenning te scheppen, heeft de Minister gedeeltelijk de weg gebaand voor een mantelzorgerstatuut. Zij zelf, maar ook een groot aantal van haar collega's in de federale regering en de regeringen van de deelgebieden, moeten dit statuut nu snel activeren op een aantal gebieden:

  • arbeidsflexibiliteit (langere beschermingstermijnen voor werkende zorgverleners, enz.; de huidige regelingen voor tijdskrediet maken zware of zelfs lichte ondersteuningssituaties bijna nooit mogelijk, waardoor hun ouders, kinderen en/of partners gedwongen worden hun loopbaan stop te zetten),
  • tijdelijke versoepeling van de activering van werkloze mantelzorger (versoepeling van de intensiteit van het zoeken naar werk, de verplichting om een job op afstand te aanvaarden),
  • pensioenen (valorisatie van mantelzorgperiodes),
  • onderwijs (aanpassingen in huiswerkbegeleiding en examens, thuiszorg, …),
  • verzekering burgerlijke aansprakelijkheid van de mantelzorger,
  • Zie positienota van de NHRPH.

De CSNPH benadrukt de absolute hoogdringendheid van deze concrete acties, omdat opeenvolgende regeringen de afgelopen jaren bezuinigingsmaatregelen hebben genomen met betrekking tot zorgbudgetten, patiëntondersteuning (vermindering van het aantal bedden en hospitalisatietijd),...), diensten aan het publiek die er onder het mom van responsabilisering en zelfbeschikking toe hebben geleid dat de patiënt en de burger aan hun lot worden overgelaten (zie 2016-08, 2018-09).

Wat betreft de uitbreiding van de mantelzorger tot minderjarigen: de NHRPH keurt deze erkenning goed, maar herinnert er tegelijk aan dat de moeilijke taak van deze jonge mantelzorgers adequaat moet worden ondersteund. Zij staan van nature zwakker en verdienen daarom steun in het dagelijks leven en bij de voorbereiding op de toekomst. Psychologische, maar ook materiële bijstand (thuiszorg, huiswerkbegeleiding, enz.) moeten systematisch door de Staat worden aangeboden en ondersteund.

Wat betreft de categorisering van mantelzorgers – gewone erkenning en erkenning voor sociale rechten: de NHRPH steunt het principe en is van mening dat de gewone erkenning van mantelzorgers de preventieve en toezichthoudende rol van gezinnen en de omgeving van mensen zal versterken die zonder speciale aandacht in de armoede zouden kunnen belanden, ook wanneer er geen sprake is van zware zorgbehoevendheid.

Het is belangrijk dat er, net als voor de erkenning van sociale rechten, ook een eenvoudige erkenningsprocedure wordt ingevoerd. De NHRPH vindt dit niet terug in de voorgestelde teksten en beveelt een eenvoudige erkenningsprocedure aan die snel en gemakkelijk toepasbaar is. De NHRPH suggereert dat zij onder de exclusieve bevoegdheid valt van de behandelende arts (zonder toezicht van de adviserende geneesheer) van de geholpen persoon in situaties waarin deze persoon niet voldoet aan de minimumvereisten van deze wet en dat zij uiteraard automatisch wordt verleend aan personen die wel aan deze minimumvereisten voldoen.

De NHRPH raadt ook aan om de "gewone" mantelzorger(s) te vermelden in het medisch dossier van de persoon in kwestie. Dit zou het ook mogelijk maken om in verschillende gevallen (verslechtering, toepassing van het verpleegprotocol, medische of administratieve ondersteuning, ...) de communicatie tussen de behandelende arts en de patiënt rechtstreeks te activeren, met diens uitdrukkelijke toestemming en uiteraard met respect voor de medische gegevens. Het is evident dat deze registratie moet worden goedgekeurd zowel door de persoon die wordt verzorgd als ook door de zorgverlener en dat een perfecte communicatie moet worden verzekerd met betrekking tot de draagwijdte van deze vermelding in het medisch dossier. Bij het doorgeven van informatie aan de zorgverlener, moeten de regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht worden genomen.

Met betrekking tot de erkenningsschalen vraagt de NHRPH dat ook de bestaande (of toekomstige) schalen in Brussel en in de Duitstalige Gemeenschap worden opgenomen (en vervolgens bij koninklijk besluit worden gepreciseerd). De NHRPH vraagt ook dat uitdrukkelijk naar de bestaande schalen wordt verwezen in stelsels inzake burgerlijke aansprakelijkheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten.

Met betrekking tot de minimale beoordeling van 12 punten die vereist is voor de toekenning van sociale rechten aan volwassenen, vraagt de NHRPH de drempel te leggen bij 9 punten, omdat veel personen met een handicap, hoewel ze in staat zijn om de basisactiviteiten van het dagelijks leven uit te voeren (eten, aankleden...), volledig afhankelijk zijn van hun omgeving om essentiële stappen uit te voeren die noodzakelijk zijn om een zekere zelfstandigheid of deelname aan de samenleving te kunnen genieten (administratieve stappen, reizen, basisverplichtingen, enz.).

De NHRPH neemt kennis van de minimale evaluatie van 12 punten die vereist is voor de toekenning van sociale rechten aan minderjarigen.

Wat betreft de berekeningswijzen inzake de tijdsinvestering: vereiste van 50 uur/maand of 600 uur/jaar, de NHRPH wenst op 2 niveaus te reageren:

  1. De relevantie van een kwantitatief criterium: de NHRPH begrijpt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gewone mantelzorger en de mantelzorger die enorm veel investeert in zijn activiteit, maar tegelijk voelt een grens tussen de wereld van de "kleine" en de “grote” mantelzorgers onbehaaglijk aan. Een situatie van zorgbehoevendheid of zware zorgbehoevendheid kan een variabele "levensduur" hebben: lang, kort of zelfs "episodisch"; bovendien kan het verlies aan autonomie door ziekte of een handicap intens zijn, maar ook fluctuerend. Omgekeerd is een situatie van zware zorgbehoevendheid niet noodzakelijk gekoppeld aan de intensiteit van de uren ondersteuning.

    Ondersteunings- en beschermingsmaatregelen moeten aansluiten bij de behoeften van de betrokken persoon en de mantelzorger. Ze moeten flexibel, progressief en aanpasbaar zijn om tegemoet te komen aan alle levenssituaties van de verzorgde personen en hun verzorgers: de behoeften van een ziek kind of een bejaarde met een aanzienlijk zelfredzaamheidsverlies zijn niet noodzakelijk dezelfde. Begeleidende maatregelen moeten kunnen worden aangepast aan de levensomstandigheden van de geholpen personen en hun mantelzorgers.
    Een mantelzorgsituatie houdt niet op omdat de persoon aan wie zorg wordt verleend in een instelling zou verblijven of net thuis professionele hulp ontvangt; hooguit maakt deze situatie het mogelijk om de hulp te verlichten of te heroriënteren, eventueel op tijdelijke basis.
    De NHRPH herinnert eraan dat de dimensie “toezicht” op een valoriserende manier "geëvalueerd" moet worden; we moeten aanvaarden dat sommige activiteiten niet in financiële termen kunnen uitgedrukt worden en zich niet laten meten in de tijd. Op het terrein zijn sommige functies duidelijk gedefinieerd (arts, verpleegkundige, gezinshelper, enz.), andere zijn vager.
    • Wie zal de geneesmiddelen voorbereiden/geven?
    • Wie zorgt voor het wassen? Geen nomenclatuur voor de verpleger; familiehulp niet bevoegd. In heel wat gevallen zal het dus een taak voor de mantelzorger zijn. Maar hoe waardeer je de tijd voor een opfrisbeurt, een douche, een bad? 

  Volgens de NHRPH dient een evenwicht te worden bewaard tussen korte intrafamiliale solidariteit en langere (maatschappelijke) solidariteit. Beide moeten worden gewaardeerd, anders bestaat het risico van   institutionalisering.
  Tot slot is de NHRPH van mening dat ook dient te worden stilgestaan bij de uitputting van de mantelzorger. Bovendien nemen situaties met mantelzorgers (kleinkinderen / kinderen / ouders / grootouders   transgenerationele) steeds toe.

  1. Voorleggen van bewijsstukken. De CSNPH benadrukt dat het moeilijk is een evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzakelijke waardering, anderzijds het feit dat het fundamentele respect voor het privéleven van geholpen en helpende personen niet mag worden aangetast. Er zal rekening moeten worden gehouden met de basis- en "gewone" hulp, maar ook met de verzoeken van de geholpen persoon zodat deze zijn levensproject kan uitvoeren, zonder dat er enige beoordelingsmarge is wat betreft het “nut” van het verzoek. Wanneer bijv. een persoon vraagt om twee keer per week deel te nemen aan een creatieve workshop, mag de tijd die nodig is voor deze vrijetijdsactiviteit niet worden geweigerd. De NHRPH stelt voor om een aantal hypotheses te overwegen waarbij de beoordeling m.b.t. de mate van afhankelijkheid en de uitvoering van bepaalde activiteiten door de mantelzorger volstaat om de noodzaak van intensieve bijstand en de “automatische erkenning van het mantelzorgstatuut voor de toekenning van sociale rechten” te veronderstellen. Voorbeeld: een mantelzorger die een bepaalde zorg verstrekt, en dagelijks trajecten van en naar school of dagverblijf verzorgt, ... zou als “mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten" worden beschouwd.
    Wat zal ten slotte de afweging zijn tussen bijstand in verband met preventie en ondersteuning van de mantelzorger (persoonlijke – onder meer medische – vorming van de mantelzorger, algemene informatie over de geholpen persoon, enz.) en de bijstand met betrekking tot de begeleiding van de geholpen persoon? Zal het ziekenfonds de opportuniteit kunnen controleren?

Ten gronde wil de NHRPH niet dat de regelgeving oproepen tot behoeften kan doen ontstaan: de mechanismen moeten het uitsluitend mogelijk maken om mensen te ondersteunen die noodgedwongen moeten beslissen hun beroepsloopbaan (of opleiding, in het geval van minderjarigen) stop te zetten of op te schorten wegens de handicap van een naaste.

De mantelzorger moet permanent en daadwerkelijk in België verblijven, en in het Rijksregister ingeschreven zijn. 

Wat betreft de afschaffing van de jaarlijkse verlenging van de erkenning: hebben we het over de erkenning van het statuut of over de erkenning van een tijdsinvestering? De NHRPH steunt het idee van een permanente erkenning van het statuut omdat een situatie van zorgbehoevendheid vaak van blijvende aard is. In de erkenningsbeslissing zelf wordt desgevallend het tijdelijke karakter van de erkenning vermeld. Een automatische uitwisseling van gegevens tussen de in de teksten genoemde ziekenfondsen en evaluatoren kan ook zorgen voor een vlotte erkenning. Volgens de NHRPH moet de erkenning van de tijdsinvestering regelmatig worden herzien, zonder dat deze jaarlijks (om de vijf jaar?) moet plaatsvinden. Ook is het noodzakelijk dat de mantelzorger jaarlijks een verklaring op erewoord aflegt dat hij zich nog steeds goed in een mantelzorgpositie bevindt. 

Wat betreft het maximum aantal mantelzorgers in het kader van de erkenning van rechten (in tegenstelling tot de gewone erkenning, die een beperking van het aantal mantelzorgers niet rechtvaardigt): de NHRPH begrijpt dat het aantal mantelzorgers moet worden beperkt, maar wil de gezinnen niet opsluiten in een maximumaantal. Wat als er meerdere mensen moeten worden geholpen? De NHRPH vestigt de aandacht op de “sandwich”- situatie van veel mensen, die gekneld zitten tussen de behoeften van kinderen en die van ouder wordende ouders. Bovendien kunnen ouders de tijd die ze besteden aan een kind met een handicap onder elkaar verdelen (minder dan 50 uur), en tegelijk op regelmatige basis (bv. elke zaterdagochtend) zorgen voor een bejaarde ouder. In dit scenario komt iedere geholpen persoon niet tot 50 uur hulp, maar cumulatief is de mantelzorger wel meer dan 50 uur in de weer. 

Wat als de persoon die wordt geholpen 4 kinderen heeft die om de beurt elke nacht voor hem of haar zorgen? Zullen slechts drie van hen erkend worden? Hoe bepaalt men in geval van meervoudige erkenning welke mantelzorger toegang krijgt tot het voordeel of het recht, als slechts één mantelzorger hiervoor in aanmerking komt? Hoe wordt de prioriteitsvolgorde bepaald? Wat gebeurt er bij onenigheid, beroep of bemiddeling? 

Wat de procedure voor de erkenning en het verkrijgen van rechten betreft, is de NHRPH geneigd te denken dat veel mensen met een autonomieverlies van 12 punten (en voorwaarden voor kinderen) reeds zijn geïdentificeerd; het gaat ook om het evalueren van de tijd die nodig is om investeringen te doen voor gezinnen die geconfronteerd worden met zowel een ernstige zorgsituatie als met de reorganisatie die ze moeten doorvoeren. De NHRPH vraagt zich af of de termijn van 6 weken niet ook voor multidisciplinaire teams en maatschappelijk assistenten van de ziekenfondsen zou moeten gelden. 

De NHRPH vindt niets terug over een beroepsprocedure; wel is er sprake van een mogelijke nieuwe aanvraag binnen 3 maanden. Dit moet worden rechtgezet.

Wat de oorzaken van de beëindiging van de erkenning betreft, staat de NHRPH achter de wijziging van de wet door toevoeging van "overlijden van de mantelzorger". De Raad vraagt ook om de stopzetting van de erkenning wanneer de persoon zich in een dagcentrum bevindt te schrappen, omdat de mantelzorger nog steeds een begeleidende rol zal hebben zowel binnen de instelling als -uiteraard - wanneer de geholpen persoon deze verlaat. Heel vaak moet een ouder die zijn kind dagelijks naar een dagcentrum brengt of naar een school die bereid is zijn kind met een handicap op te nemen, lange verplaatsingen maken die een beroepsuitoefening onmogelijk maken.

De NHRPH stelt dan ook vast dat de wet van 12 mei 2014 dus in een aantal bepalingen blijft voorzien, met name de definities van persoonlijke begeleider, van ondersteuning en bijstand, van continuïteit en regelmatigheid, levensproject en mantelzorger.

Op juridisch vlak wijst de NHRPH op de volgende twee aandachtspunten:

  • Waarom bevatten zowel de wet als het KB de definitie van mantelzorger, en bovendien in dezelfde bewoordingen? De NHRPH stelt voor de definitie van het koninklijk besluit te schrappen en de overkoepelende definitie van de wet te behouden, met dien verstande dat de voorwaarden voor de eenvoudige erkenning met het oog op de sociale rechten in het koninklijk besluit worden gepreciseerd.
  • In de redenen voor het beëindigen van de erkenning moet de verwijzing naar "zware" zorgbehoevendheid worden geschrapt.

Tot besluit,

De NHRPH vindt dat de nieuwe teksten in de goede richting gaan; enkele correcties in de hierboven aangegeven richting zouden het mogelijk maken de begrippen en de instrumenten te verduidelijken. Tegelijkertijd zouden de federale ministers en die van de deelgebieden, in een logica van handistreaming, van nu af de maatregelen moeten screenen om een reeks sociale rechten in de verschillende levensdomeinen mogelijk te maken.

De NHRPH is nog steeds van mening dat het mechanisme dat zal worden gecreëerd, moet bijdragen tot de accentuering van gendermainstreaming in onze samenleving. Ondanks de vooruitgang die onze maatschappij op het gebied van gendergelijkheid heeft geboekt, zijn de meeste mensen die beslissen of ertoe gedwongen worden mantelzorger te worden, nog steeds vrouwen.  


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van sociale zaken;
  • Voor opvolging aan de voltallige federale regering;
  • Voor opvolging aan de minister-presidenten van de gewesten en gemeenschappen;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/16 - Handistreaming fiches

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het Federaal Plan Handistreaming- rapportage 2017 van de federale regering.


Aanvrager

Advies verstrekt tijdens de plenaire vergadering van 16 april 2018 op verzoek van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking.


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Personen met een beperking heeft iedere minister en staatssecretaris van de federale regering gevraagd te verduidelijken welke acties zij in 2017 hebben genomen in het kader van hun handistreaming-aanpak.

Onder embargo (er wordt nog gesleuteld aan de inhoud van de fiches) vraagt zij het advies van de NHRPH over het kader en de wijze waarop de gegevens worden verzameld.


Analyse

Om te komen tot een structurele integratie van de handicapdimensie in de verschillende beleidsdomeinen en aldus uitvoering te geven aan het engagement van de Ministerraad van 26 maart 2015, hebben alle ministers en staatssecretarissen zich ertoe verbonden de handicapdimensie ieder jaar bij de opstelling van hun beleidsnota in minstens twee beleidsmaatregelen op te nemen.

Op 15 juli 2016 heeft de Ministerraad een lijst van verschillende initiatieven op de verschillende beleidsdomeinen goedgekeurd en de Staatssecretaris voor personen met een beperking gemachtigd om de initiatieven en doelstellingen die in het Handistreaming-kader worden voorgesteld op te volgen en hierover jaarlijks te rapporteren. Met het oog op haar analyse heeft de Staatssecretaris aan elk lid van de federale regering een vragenlijst voorgelegd over de opvolging in 2017, opdat zij aan de hand van de antwoorden de integratie van de handicapdimensie in elk bevoegdheidsdomein zou kunnen beoordelen. Deze rapportage werd begin 2018 afgerond.

Onder embargo (informatie over de eigenlijke inhoud van de fiches mag niet worden verspreid) heeft de Staatssecretaris voor Personen met een beperking de NHRPH om advies gevraagd over de werkmethode en het kader voor gegevensverzameling.


Advies

Wat betreft het principe van de rapportage apprecieert de NHRPH het initiatief van de Staatssecretaris, want het verzamelen van informatie is vaak een ondankbaar en omslachtige taak. Het is echter een noodzakelijke stap in het beleidsevaluatieproces en maakt het waarschijnlijker dat de juiste richting wordt ingeslagen. Hiertoe moet de rapportage volgens de NHRPH mogelijk maken om:

  1. Een stand van zaken op te maken: het gaat erom de resultaten van de analyse te verzamelen, samen te vatten en ten slotte een aantal algemene lessen te trekken en een aantal acties te ondernemen. De resultaten kunnen worden gebruikt zowel om verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang, als om goede praktijken onder de aandacht te brengen en om uitdagingen en vragen die bepaalde actoren hebben aangebracht, aan te pakken: deze rapportage kan een gelegenheid zijn om vast te stellen dat bepaalde concepten niet zijn begrepen, dat er behoefte is aan informatie, dat om zeer specifieke redenen niet aan de verwachtingen is voldaan, ...
  2. De resultaten meedelen aan de Ministerraad: het is van essentieel belang dat de resultaten worden omgezet in een taal en formaat geschikt voor de hele regering: duidelijke termen, concrete verwachtingen, gebruiksvriendelijke instrumenten, contactpersonen die in staat zijn om snelle en volledige informatie te verstrekken, ...

In dat opzicht is dit eerste verslag heel leerrijk voor de NHRPH:

  • De informatievergaring was lang en moeizaam; er waren verschillende herinneringen nodig;
  • verschillende delen van de vragenlijsten blijven grotendeels onbeantwoord;
  • Veel van de antwoorden zijn vaag en geven veeleer blijk van intenties;
  • Acties geformuleerd op operationeel niveau worden gemakkelijker in concrete acties omgezet; andere acties, die zich veeleer op het domein van de politieke oriënteringen situeren, hebben veelal niet tot concrete acties geleid;
  • Uit andere reacties blijkt dat de denkoefening betrekking heeft op bepaalde categorieën van personen met een handicap; de acties die daaruit volgden waren een antwoord op de vraag van bepaalde groepen van personen met een handicap, bijvoorbeeld een project gericht op de behoeften van personen met een lichamelijke handicap, zonder rekening te houden met de behoeften van mensen met zintuiglijke, cognitieve of verstandelijke handicaps. Belangrijk is dat deze maatregel wordt geëvalueerd en dat de betreffende maatregel vervolgens wordt uitgebreid tot andere groepen die nog met problemen kampen;
  • Heel wat regeringsleden hebben acties uitgewerkt met een vaag idee van de problematiek, maar zonder de reële noden van de betrokken personen te kennen;
  • Er zijn diverse acties uitgevoerd zonder dat de Staatssecretaris daar op enige wijze bij is betrokken; over de meeste van deze acties is geen advies van de NHRPH gevraagd;
  • Slechts zeer weinig van de maatregelen kunnen op hun doeltreffendheid beoordeeld worden.

In 2015 had de NHRPH, hoewel hij het ontbreken van een echt actieplan betreurde, zijn steun uitgesproken voor het werken met "fiches", en wenste dit initiatief te zien als een tussenstap in de richting van een meer globale aanpak van handistreaming: zie advies 2015-19 - Het gebruik van de fiches is interessant omdat ze een analytische benadering mogelijk maken. Ze zijn resoluut oplossingsgericht. Ze dragen ook bij tot de noodzakelijke fase van een regelmatige beoordeling. Om al die redenen vindt de NHRPH deze fiches zeer interessante werkinstrumenten: zij structureren de gedachte-uitwisseling en het nemen van beslissingen.

In datzelfde advies benadrukte de NHRPH de noodzaak om de aanbevelingen van de VN-deskundigen aan België te integreren in de denkoefeningen van de regering, zodat elke minister zo snel mogelijk zou reageren in termen van acties en beleid. De NHRPH drong ook aan op een jaarlijkse screening, op systematisch, regelmatig en vroegtijdig overleg met de NHRPH over de werkzaamheden. De NHRPH herinnerde eraan dat het noodzakelijk is dat de acties elkaar ondersteunen en nam het voorbeeld van de maatregel "Back to work", die voorziet in de activering van zieke personen en personen met een handicap, terwijl er geen bindende regelgeving bestaat die werkgevers verplicht om hen in dienst te nemen.

In zijn advies 2016-14 had de NHRPH een reeks aandachtspunten vastgesteld met betrekking tot de reikwijdte en de inhoud van de fiches en drong erop aan dat de algemene doelstelling van een betere integratie van de behoeften van personen met een handicap wordt vertaald in operationele SMART-doelstellingen (d.w.z. specifiek, meetbaar, adequaat, realistisch en met tijdkader). De Raad was ook bezorgd over de wijze waarop de Staatssecretaris toezicht zou houden bij gebrek aan meer gedetailleerde gegevens en kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren.

In het verleden heeft de NHRPH al tal van adviezen kunnen uitbrengen over de concrete implementatie van handistreaming door de regeringen en administraties (zie advies 2011-12, 2014-03). Elke keer benadrukte de Raad de absolute noodzaak om de hele regering samen te brengen rond fundamentele beginselen, die elke minister naar zijn eigen bevoegdheidsdomein zou vertalen. 

De NHRPH acht het essentieel dat de hele regering goed op de hoogte is van

  • Prioriteiten van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
  • Personen die getroffen zijn door een of meerdere lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of cognitieve beperking(en) en de gevolgen daarvan voor hun leven en hun integratie in de samenleving
  • De bestaansreden van de NHRPH en de noodzaak om de NHRPH te raadplegen, gezien zijn kennis op dit gebied
  • Indicatoren die nodig zijn om het effect van de genomen maatregelen zo spoedig mogelijk te beoordelen

De NHRPH is van mening dat de bovengenoemde prioriteiten en aandachtspunten als leidraad moeten dienen voor de rapportage: aan de hand van de vragen en aandachtspunten die in de vragenlijst aan bod komen, moet het mogelijk zijn om snel maar zeker de werkzaamheden op elk beleidsdomein te evalueren en een leidraad op te stellen voor toekomstige beleidsactiviteiten.

De NHPRH dringt ook aan op een eenvoudig en snel gebruik van de vragenlijst in het kader van de rapportage. De NHRPH beveelt een structuur aan op basis van een SMART-schema en eenvoudige vragen:

  • Welk beleid/welke actie is nodig om welke uitdaging het hoofd te bieden?
  • Op wie is het beleid/de actie gericht?
  • Wanneer zou de beleidsmaatregel/actie van toepassing zijn (tijdschema en stappen)?
  • Welke middelen zijn nodig voor de beleidsmaatregel/actie (technisch, budgettair, ...)
  • Vereist de beleidsmaatregel/actie externe toelichting over de behoeften van mensen met een handicap?

Een dergelijke vragenlijst zou dan ook als beheersinstrument kunnen dienen, namelijk als "knipperlicht handicap" binnen elk kabinet én ongeacht de maatregelen die worden ontwikkeld (handicapspecifiek of algemeen). De vragenlijst zou gemakkelijk kunnen worden vertaald naar een “10-punten-charter" dat wordt toegepast op elke beleidsmaatregel die het kabinet neemt.

Het contactpunt handicap en de dossierbeheerder moeten zich van bij de aanvang van de reflectie afvragen of de maatregel die zij plannen te ontwikkelen bijzondere aandachtspunten vereist om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de personen met een handicap. De NHRPH zou vanaf dat moment uiteraard voor elke vraag ter beschikking staan.

De NHRPH staat uiteraard ter beschikking van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking en de regering om de denkoefening zeer concreet voort te zetten. 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/20 - Afschaffing onderwerping sociale zekerheid

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/20 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, verstrekt tijdens de plenaire zitting van 16 april 2018.


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Bij koninklijk besluit van 15 oktober 2017 wordt de onderwerping van overeenkomsten voor beroepsomscholing en overeenkomsten voor beroepsopleiding aan de sociale zekerheid geschrapt.


Analyse

De NHRPH heeft kennisgenomen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 oktober 2017.

Het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 heft artikel 3, 6° en 7° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 op.

Bij deze bepaling werd de toepassing van de wet van 27 juni 1969 uitgebreid tot:

“6° de minder-validen, die gebonden zijn door een speciale leerovereenkomst voor de omscholing van minder-validen of een overeenkomst voor beroepsopleiding of omscholing, bedoeld in artikel 17, 2° en 3°, van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen alsmede tot de personen en centra, met wie zij de overeenkomst hebben aangegaan;

7° de personen die gebonden zijn door een overeenkomst voor versnelde beroepsopleiding, bedoeld in de artikelen 96 en volgende van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, alsmede tot de centra met wie zij de overeenkomst hebben aangegaan.”

Het advies van de Raad van State werd niet tijdig ontvangen en er werd geen rekening mee gehouden. Het is dus niet gekend.

De NHRPH werd niet geraadpleegd.

De Nationale Arbeidsraad is echter wel geraadpleegd en heeft een gunstig advies over het project uitgebracht (advies nr. 1.994 van 27 september 2016).

Met ingang van 1 oktober 2017 heft het koninklijk besluit dus de onderwerping aan de sociale zekerheid van overeenkomsten voor beroepsomscholing (CAP) of overeenkomsten voor beroepsopleiding (CBO) op. Deze onderwerping hield ook de betaling in van socialezekerheidsbijdragen voor werkgevers en leerlingen en dus dekking voor leerlingen met betrekking tot jaarlijkse vakantie, arbeidsongevallen, beroepsziekten en gezondheidszorg, en ook pensioenrechten.

De Minister van Sociale Zaken baseert haar voorstel tot wetswijziging op het bestaan van een geschil tussen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de gewestelijke instellingen belast met het beleid voor personen met een handicap, namelijk het AVIQ en het VAPH.

Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen en zijn opvolgers hebben steeds geoordeeld dat artikel 3, 6° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet van toepassing is op personen met een handicap die een werkloosheidsuitkering of een invaliditeitsuitkering ontvangen, aangezien zij reeds, uit hoofde van hun hoedanigheid van sociale begunstigden, een uitkering genieten. De RSZ was het niet eens met dit standpunt en heeft alle personen met een handicap die aan deze bepaling voldoen, onderworpen aan de sociale zekerheid, waardoor zij zowel bijdragen aan de werkloosheidsuitkering en de invaliditeitsuitkering als aan de aanvulling.

In 1987 ontstond er een geschil tussen de RSZ en de deelgebieden: de bevoegde gewestelijke overheden hebben een regelgeving goedgekeurd die hun bevoegdheden te buiten ging, aangezien het de bedoeling was te specificeren aan welke regelingen de betrokken bedrijven dienden bij te dragen en de gewestelijke instellingen hebben de werkgevers systematisch geadviseerd de bijdragen niet te betalen. Deze situatie heeft geleid tot regularisatieverzoeken van de RSZ.

De instellingen van de gewesten en gemeenschappen hebben in de loop der jaren verschillende argumenten naar voren gebracht, maar baseren zich de afgelopen jaren op Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. In deze richtlijn wordt discriminatie wegens handicap uitdrukkelijk uitgesloten.

Zij zijn van mening dat, aangezien dezelfde uitbreiding van de toepassing van de wet voorzien is in artikel 3, 7° van voormeld koninklijk besluit ten gunste van de valide werknemers die gebonden zijn door een overeenkomst voor een versnelde beroepsopleiding, maar de RSZ sedert de regionalisering van de tewerkstelling van werklozen voor hen geen bijdrage meer int, hetzelfde zou moeten gelden voor de mindervalide werknemers bedoeld in artikel 3, 6°. In 2005 pleitten gewestelijke organisaties voor de volledige uitsluiting van alle personen met een handicap met omscholings- of opleidingsovereenkomsten.

De RSZ stemde met deze argumentatie in en heeft beslist de lopende procedures stop te zetten. Om de rechtszekerheid te waarborgen heeft de RSZ in juli 2005 een ontwerp van koninklijk besluit tot intrekking voorbereid. Dit werd nog niet goedgekeurd.

Eind januari 2016 heeft de RSZ de zaak doorverwezen naar het Kabinet van Minister De Block, dat het wetsontwerp tot intrekking van de artikelen 3, 6° en 3, 7° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 nieuw leven heeft ingeblazen.

Uiteindelijk leidde dit wetsontwerp tot de aanname van het koninklijk besluit van 15 oktober 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Het is moeilijk in te schatten hoeveel personen met een handicap door de maatregel worden getroffen.

De enige officiële gegevens waarover de NHRPH beschikt, zijn afkomstig van de Waalse regering. Op de schriftelijke vraag van mevrouw Véronique Bonni antwoordde Minister Alda Greoli op 6 maart 2018 als volgt:

"Voor Waalse stagiairs zijn er inderdaad gevolgen:

- voor stagiairs die aan het van begin van hun opleiding reeds een socialezekerheidsstatuut hebben (werkloos, persoon met een handicap, uitkering in het kader van de wetgeving inzake arbeidsongevallen), wijzigt er niets, behalve wat betreft het vakantiegeld;

- voor stagiairs die geen socialezekerheidsstatuut hebben op het moment waarop ze aan hun CBO- of CAP-opleiding beginnen, worden opleidingsdagen niet langer als werkdagen beschouwd en biedt hun opleiding niet langer de voordelen, toegekend volgens het aantal werkdagen, die zij genoten ten aanzien van valide werkzoekende personen.

Voor de CAP's zou het kunnen gaan om ongeveer 250 mensen die in 2017 ten minste één dag CAP-opleiding volgden, d.w.z. ongeveer 25% van het totale aantal betrokken stagiairs in 2017. Deze verhouding stemt overeen met die van het CFISPA.”


Advies

In de eerste plaats betreurt de NHRPH niet te zijn geraadpleegd vóór de goedkeuring van dit koninklijk besluit, hoewel dit rechtstreeks betrekking heeft op personen met een handicap. De Raad herinnert eraan dat artikel 4, lid 3, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap het volgende stelt: “Bij de ontwikkeling en implementatie van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.” Niettemin bedankt de NHRPH de heer E. Leenknecht van het kabinet Sociale Zaken en de heer B. Ketels van de FOD Sociale Zekerheid voor hun presentatie op de plenaire vergadering van de NHRPH op 19 februari 2018.

Ook betreurt de Raad dat het moeilijk is nauwkeurige cijfers te verkrijgen over het aantal getroffen personen.

De Raad onderstreept met klem de uiterst negatieve gevolgen van dit koninklijk besluit. Deze negatieve gevolgen hebben zich al laten voelen in Wallonië, Brussel en de Duitstalige Gemeenschap en waarschijnlijk zal dat ook in Vlaanderen zo zijn.

Voor stagiairs die in het kader van hun opleiding (CBO of CAP) een socialezekerheidsstatuut genieten (werkloos, persoon met een handicap, uitkering in het kader van de wetgeving inzake arbeidsongevallen) zijn er gevolgen in de regeling voor jaarlijkse vakantie. Bovendien wordt de stagiair bij verlies van werk, met name door ziekte, vergoed door zijn ziekenfonds, maar alleen op basis van de werkloosheidsuitkering of het bedrag van de invaliditeitsuitkering, zonder aanvulling.

Voor stagiairs zonder socialezekerheidsstatuut is de situatie nu zeer ongunstig. Uitkeringen in het kader van een CBO- of CAP-opleiding worden niet meer in aanmerking genomen voor latere werkloosheidsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of pensioenrechten. Ze zouden bijvoorbeeld kunnen hopen dat ze het statuut van werkloze zouden krijgen als het aantal opleidingsdagen dat onderworpen is aan sociale zekerheid en niet gevolgd wordt door een aanwerving, hun dit recht zou geven. Vanaf nu zullen ze geen recht meer hebben op een werkloosheidsuitkering als ze een CAP-opleiding volgen.  

Wanneer deze personen met een handicap aan het einde van hun CAP- of CBO-opleiding niet op basis van een arbeidsovereenkomst worden aangeworven, neemt hun armoederisico aanzienlijk toe.

De NHRPH is van mening dat de sociale bescherming (gezondheidszorg, invaliditeit, pensioen, ...) voor een "CAP-opleiding persoon met een handicap" niet moet worden beschouwd als discriminatie tussen werknemers, maar als een redelijke aanpassing die noodzakelijk en gerechtvaardigd is in het licht van de situatie van de handicap, en dat de persoon met een handicap daarom in aanmerking moet komen voor een op maat gesneden sociale beschermingsregeling die allesomvattend is en zijn tewerkstelling bevordert.

De NHRPH herinnert er ook aan dat algemeen gesproken een groot aantal (kandidaat-)werknemers net vanwege hun handicap van de algemene arbeidsmarkt worden uitgesloten. De tewerkstellingsgraad van personen met een handicap of chronische ziekte tussen 15 en 64 jaar bedroeg 38,1% in 2002, vergeleken met 62,7% bij personen zonder handicap. In 2011 daalde de tewerkstellingsgraad met nog eens 4% tot 34,6%, terwijl de tewerkstellingsgraad bij de rest van de bevolking steeg tot 66,5%. (Zie Diversiteitsbarometer Tewerkstelling: https://www.unia.be/nl/publicaties-statistieken/publicaties/diversiteitsbarometer-werk

De NHRPH verzoekt de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk dan ook om samen met de bevoegde federale instanties maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken personen niet langer worden getroffen ten gevolge van de goedkeuring van dit koninklijk besluit.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken;
  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een beperking;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan de heer Philippe Muyters, Vlaams Minister van Werk;
  • Ter info aan de heer Pierre-Yves Jeholet, Waals Minister van Werk;
  • Ter info aan mevrouw Alda Greoli, Waals Minister van Sociale Actie;
  • Ter info aan de heer Didier Gosuin, Brussels Minister van Werk;
  • Ter info aan mevrouw Céline Fremault, Brussels Minister voor Personen met een Handicap;
  • Ter info aan de heer Antonios Antoniadis, Duitstalige Minister van Sociale Zaken.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/19 - Geldigheid van parkeerkaarten

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit

Advies nr. 2018/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de ontwikkeling van een applicatie en een website waarmee de geldigheid van een parkeerkaart vastgesteld kan worden, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 16 april 2018


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

In haar algemene beleidsnota van 20 oktober 2017 heeft mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, de ontwikkeling aangekondigd van een applicatie en website waarmee de geldigheid van een parkeerkaart vastgesteld kan worden.


Analyse

Op bladzijden 21 en 22 van de algemene beleidsnota (DOC 54 2708/018) wordt het volgende vermeld:

"Intussen werk ik verder aan de ontwikkeling van een applicatie waardoor men gemakkelijk de geldigheid van een parkeerkaart kan vaststellen. Via de applicatie kan men aan de hand van een scan van de QR-code op de parkeerkaarten, of door het kaartnummer manueel in te typen, nagaan of de geldigheid van een parkeerkaart al dan niet verlopen is. De opdracht voor de ontwikkeling van deze applicatie werd gegund aan Smals, de gemeenschappelijke ICT-organisatie van de Belgische overheidsdiensten. Zij zullen de applicatie ontwikkelen voor Android, Apple en Windows Phone. De applicatie zal begin december 2017 gelanceerd worden. In de eerste helft van volgend jaar volgt ook de lancering van een website waarop politiediensten en burgers het kaartnummer kunnen ingeven en nagaan of een kaart geldig of ongeldig is. Op die manier kan misbruik sneller en makkelijker worden opgespoord.

Ik wil dat de lancering van deze app en website de nodige aandacht krijgt en plan de volgende maanden hier verdere initiatieven rond te nemen."

Op vergaderingen van het bureau van de NHRPH en van het kabinet van mevrouw Zuhal Demir hebben de vertegenwoordigers van mevrouw Demir ook meermaals de ontwikkeling van deze applicatie en website bevestigd en een stand van zaken van het project gegeven.


Advies

De NHRPH staat positief tegenover de ontwikkeling van deze applicatie en website. Het blijft immers noodzakelijk fraudegevallen op te sporen, wat onder meer met deze toepassing mogelijk zal zijn.

Niettemin vindt de NHRPH dat het toegankelijk maken van de applicatie en de website voor alle burgers geen meerwaarde betekent voor het project. Hij vreest ook dat dit in extreme gevallen kan leiden tot het beschadigen van voertuigen. De applicatie en website zouden enkel toegankelijk mogen zijn voor politieagenten en vaststellende ambtenaren.

Voorts vraagt de NHRPH zich af of het uitbreiden van de toegankelijkheid naar alle burgers niet in strijd is met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij vraagt dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer hierover geraadpleegd wordt. Hij wenst ook op de hoogte te worden gebracht van het antwoord van de Commissie.

Tot slot vraagt de NHRPH, indien het project na raadpleging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt uitgevoerd, om het project over twee jaar te evalueren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal van de DG Personen met een handicap
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 10

Advies 2018/18 - Bedragen IT

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2018/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van de bedragen van de integratietegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht na raadpleging via elektronische weg op 04/04/2018


Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking


Onderwerp

Het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van de bedragen van de integratietegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap heeft als doel de bedragen van de integratietegemoetkoming te verhogen.


Analyse

Artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat "de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 1 vastgelegde bedragen kan verhogen".

Artikel 6, § 2, van de wet luidt als volgt:

"Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort:

1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 870,60 EUR;

2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 2.966,67 EUR;

3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 4.740,37 EUR;

4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 6.906,12 EUR;

5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op minstens 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 7.834,56 EUR."

Het ontwerp van koninklijk besluit brengt volgende wijzigingen aan in de wet:

  1. in de bepaling onder 1° wordt het bedrag "870,60 EUR" vervangen door het bedrag "896,82 EUR";
  2. in de bepaling onder 2° wordt het bedrag "2.966,67 EUR" vervangen door het bedrag "3.010,37 EUR";
  3. in de bepaling onder 3° wordt het bedrag "4.740,37 EUR" vervangen door het bedrag "4.784,08 EUR";
  4. in de bepaling onder 4° wordt het bedrag "6.906,12 EUR" vervangen door het bedrag "6.993,53 EUR";
  5. in de bepaling onder 5° wordt het bedrag "7.834,56 EUR" vervangen door het bedrag "8.009,38 EUR"."

In de brief van 30 maart 2018 aan de voorzitster van de NHRPH waarin mevrouw Zuhal Demir om advies vraagt, wordt vermeld dat er binnen het beschikbaar budget maximaal ingezet wordt op de verhoging van de integratietegemoetkoming voor de personen met een handicap die behoren tot categorieën 4 en 5, en dit om de volgende redenen:

  • personen uit deze categorieën worden geconfronteerd met heel veel handicapgerelateerde kosten. Door een verhoging van hun IT hoopt mevrouw Zuhal Demir de integratie en participatie van deze personen met een handicap aan het maatschappelijke leven te bevorderen;
  • personen met een handicap hebben vaak veel meer uitgaven voor gezondheidszorg dan de gemiddelde bevolking;
  • andere gezinsleden werken vaak minder omdat ze zorgtaken opnemen.

Aangezien ook de andere categorieën (1, 2 en 3) geconfronteerd worden met extra kosten, wenst mevrouw Zuhal Demir ook de integratietegemoetkoming voor deze categorieën te verhogen.


Advies

De NHRPH juicht de verhoging van de integratietegemoetkoming toe.

Hij vraagt zich evenwel af wat de logica achter de verschillen in verhoging is.

Het lijkt een rekenkundige stijging te zijn, althans voor categorieën 3 tot en met 5. De stijging in categorie 4 is twee keer zo groot als in categorie 3; de stijging in categorie 5 twee keer zo groot als in categorie 4.

Hierdoor schommelen de stijgingen evenwel tussen 0,92 en 3,01 % gezien de basisbedragen (cf. onderstaande tabel). Waarom variëren de categorieën zo? Waarom worden de bedragen niet lineair verhoogd?

Categorie

Vroeger bedrag

Nieuw bedrag

Verschil

Percentage

1  

870,60

896,82

26,22

3,01

2

2.966,67

3.010,37

43,70

1,47 

3

4.740,37

 4.784,08

43,71

0,92

4

6.906,12

6.993,53

87,41

1,26

5

7.834,56

8.009,38

 174,82

2,23 

 

In de brief aan de voorzitster van de NHRPH wordt vermeld dat de nadruk zal liggen op categorieën 4 en 5, omdat de handicapgerelateerde kosten hoger zijn voor deze personen. Procentueel gezien zijn het echter niet de categorieën die het meest groeien.

Ter herinnering: de Handilab-studie toont ook aan dat het totale armoederisicopercentage het hoogst was bij de tussencategorie van personen met een matige beperking (cf. Handilab-verslag blz. 72, 96, 119, 125, …). http://www.belspo.be/belspo/organisation/Publ/pub_ostc/agora/ragkk154_nl.pdf

De NHRPH vindt het belangrijk, meer bepaald met het oog op inclusie, om personen met een "mildere" handicap, wier zelfredzaamheid evenwel ook veel kosten met zich kan brengen, niet te vergeten.

De NHRPH herinnert nogmaals aan de belofte om het bedrag van de sociale uitkeringen (LL, IVT en IGO) in 3 schijven tot de armoedegrens op te trekken.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 8

Advies 2018/15 - Zorgverlof

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Gezondheidszorg, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/15 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het begrip “kind met een handicap” in verband met tijdskrediet, ouderschapsverlof en adoptieverlof, uitgebracht na raadpleging via e-mail van 03/04/2018


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHPRH.


Onderwerp

De Nationale Arbeidsraad (NAR) bracht op 29 januari 2018 een advies (nr. 2.072) uit over de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103 en het begrip “kind met een handicap”.


Analyse

De NHRPH heeft kennis genomen van het advies nr. 2.072 van de NAR. Tijdens zijn plenaire vergadering van 19 maart 2017 heeft de NHRPH ook geluisterd naar mevrouw Charlotte Flipts van het Kabinet van Kris Peeters, Minister van Werk, over dit onderwerp.

Bij brief van 31 oktober 2016 heeft de heer Kris Peeters, Minister van Werk, de Nationale Arbeidsraad verzocht zich te buigen over de uitbreiding van de notie “kind met een handicap”, zoals destijds bepaald is in artikel 4, § 2, 1° van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103, momenteel enkel gebaseerd op de eerste pijler van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving met betrekking tot de kinderbijslag.

De Minister van Werk stelt in zijn brief immers vast dat de huidige regelgeving inzake tijdskrediet de handicap van het kind enkel bepaalt op basis van pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving met betrekking tot de kinderbijslag, namelijk het luik betreffende de invaliditeit van het kind, terwijl die schaal drie pijlers omvat; de tweede pijler betreft de integratiemogelijkheden van het kind en de derde pijler heeft betrekking op de belasting op de gezinssituatie. De op federaal niveau door de FOD Sociale Zekerheid vastgelegde evaluatie voor de erkenning van een kind met een handicap gaat ook uit van die pijlers, die momenteel niet in aanmerking worden genomen in de definitie die wordt toegepast in het kader van de cao nr. 103.

Tijdens zijn onderzoek wenste de NAR zijn denkoefening uit te breiden tot  alle verlofstelsels waarbij het begrip “kind met een handicap” van toepassing kan zijn, zodat dit begrip hetzelfde zou betekenen, ongeacht het type van verlof.

De NAR herinnert eraan dat de regelgevingen inzake tijdskrediet en ouderschapsverlof momenteel voorzien in de mogelijkheid voor ouders om zowel tijdskrediet als ouderschapsverlof te nemen tot het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt, indien de werknemer zijn werkgever een attest van de erkenning van de handicap bezorgt. In die regelgevingen wordt met handicap een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % bedoeld, of een aandoening die leidt tot een erkenning van minstens 4 punten in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving met betrekking tot de kinderbijslag.

De handicap van het kind wordt dus niet in al zijn dimensies in aanmerking genomen bij de huidige toepassing van het begrip “kind met een handicap” in het kader van de verlofregelingen.

Die regelgevingen houden immers momenteel enkel rekening met de aandoening waaraan het kind lijdt qua lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en niet met de gevolgen van die aandoening qua autonomie of impact op de gezinssituatie.

Die restrictieve definitie kan voor de ouders van die kinderen dan ook negatieve gevolgen hebben, zoals moeilijkheden om het beroepsleven en de verzorging van hun kind met elkaar te combineren, aangezien de ouders niet altijd beschikken over aangepaste oplossingen voor verzorging of opvang.

Om tegemoet te komen aan deze bekommernissen stelt de NAR concreet voor het begrip van handicap bij kinderen uit te breiden tot de erkenning van handicaps met minstens 9 punten in totaal in de drie de pijlers van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving met betrekking tot de kinderbijslag.

Zodoende zullen de attesten in aanmerking worden genomen waarin de handicap wordt erkend van een kind dat 4 punten of meer heeft behaald in de eerste pijler van de medisch-sociale schaal (of 66 % lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid) en / of 9 punten in totaal in de drie pijlers van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving met betrekking tot de kinderbijslag.

Opdat de notie “kind met een handicap” dezelfde betekenis krijgt ongeacht het beoogde verlofstelsel, heeft de NAR tevens ervoor gepleit dat diezelfde definitie wordt overgebracht naar de andere vormen van verlof die gebruikmaken van de notie “kind met een handicap”, namelijk het ouderschapsverlof en het adoptieverlof.

Tot slot stelde de NAR voorom het resterende saldo van de begroting 2017-2018 voor de welvaartskoppeling toe te wijzen aan de uitvoering van deze maatregelen. De NAR stelt voor om deze maatregelen op 1 april 2018 in werking te laten treden.

De regering heeft met deze voorstellen ingestemd en heeft zich ertoe geëngageerd de nodige maatregelen te treffen om de huidige wetten en regelgevingen aan te passen, rekening houdend met de bevoegdheden van de deelgebieden.


Advies

De NHRPH benadrukt vooreerst dat hij had gewenst geraadpleegd te worden over dit onderwerp en herinnert eraan dat artikel 4.3 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt: “Bij de ontwikkeling en implementatie van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.” De Raad dankt evenwel mevrouw Charlotte Flipts voor haar deelname aan de plenaire zitting van 19 maart 2018.

De NHRPH geeft een globaal gunstig advies over deze maatregelen en ondersteunt de beoogde hervormingen.

Dit is echter slechts een stap in de hele problematiek van de mantelzorgers. Zoals de NHRPH al verschillende keren heeft aangestipt (zie met name de positienota over het begrip mantelzorger van september 2015 /files/nota-mantelzorgers.pdf ), moeten nog andere maatregelen worden genomen om naasten van personen met een handicap in de gelegenheid te stellen beroeps- en privéleven te combineren.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk;
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/13 - Rechten treinreizigers

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de herziening van de Europese Verordening n° 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23/10/2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, uitgebracht tijdens de zitting van 19/03/2018.


Aanvrager

Advies op vraag van de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit, in een e-mail van 07/02/2018.


Onderwerp

In september 2017 werd de Europese Verordening n° 1371/2007 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, van kracht sinds 03/12/2007, herzien, met nu o.a. meer aandacht voor personen met een beperkte mobiliteit (PBM) en personen met een handicap (PMH). Deze EU-verordening heeft ook uitwerking op het spoorverkeer in België.


Analyse

De NHRPH verwelkomt de herziening van de Europese Verordening n° 1371/2007, vooral omdat er meer aandacht is voor PBM en PMH. 

De NHRPH werkt voor Europese dossiers vaak samen met het Belgian Disability Forum vzw (BDF) en heeft zo ook een stem bij het European Disability Forum (EDF) op Europees vlak. Het European Disability Forum heeft de herziene versie van de Europese Verordening n° 1371/2007 geëvalueerd in zijn publicatie EDF position on the recast of the Regulation on Rail Passengers’ Rights (1371/2007) van oktober 2017. De NHRPH baseert zich behalve op de Europese verordening zelf ook op de EDF-evaluatie.

Verwijzing naar het VN-verdrag

De NHRPH is verheugd dat de herziene tekst naar het VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap verwijst. In de toelichting van de verordening staat het volgende:

Het voorstel versterkt de rechten van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit. Het voorstel is in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Lidstaten kunnen geen vrijstelling meer toekennen voor het verlenen van bijstand en compensatie voor beschadigde mobiliteitshulpmiddelen. De informatie moet in een toegankelijk formaat worden verstrekt, overeenkomstig de eisen die zijn voorgesteld in de Europese Toegankelijkheidswet. Het spoorwegpersoneel moet daartoe de nodige opleiding krijgen. (Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad

Assistentie (Art. 24)

De NHRPH is een voorstander van volledige en universele toegankelijkheid, ook van het spoorverkeer, maar assistentie zal altijd nodig en belangrijk blijven voor een deel van het publiek. Daarom betreurt de NHRPH dat de EU-reservatietermijn van 48 uur op voorhand behouden blijft in de herziene verordening. 

De NMBS hanteert een minimumtermijn van 24 uur in de stations en haltes waar ze assistentie verleent. In een aantal stations wordt de termijn verminderd tot minimaal 3 uur als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan (zie advies 2017/11).

De NHRPH is ambitieuzer en wenst op termijn ogenblikkelijke assistentie zonder reservatie vooraf. Tijdens een bespreking van de herziening op 28/02/2018 in het Europees Parlement (Rail Passengers’ Rights for Persons with Disabilities) bleek de wens om de 48-urenregel te versoepelen algemeen te worden gedragen door de sector van de handicap binnen Europa. Het voorbeeld van NS (Nederland) werd er erg geapprecieerd: assistentie van de eerste tot de laatste trein met een minimumreservatietermijn van 1 uur.

Internationaal reizen

Een andere verzuchting die te horen was op de bespreking was het gebrek aan coherentie tussen de voorzieningen en maatregelen voor PBM bij internationale reizen. In het ene land kan de begeleider van een blinde persoon gratis meereizen, in het andere niet of enkel met een kaart uit dat land. De NHRPH hoopt dat initiatieven als de Europese handicapkaart (EDC) deze problemen op termijn kunnen verhelpen. 

Artikel 10 van de herziene versie komt hier ook al een stuk aan tegemoet: 

Als een passagier afzonderlijke vervoersbewijzen ontvangt voor één reis die bestaat uit opeenvolgende spoorwegdiensten die door een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, heeft hij dezelfde rechten op informatie, bijstand, zorg en vergoeding als in het kader van een rechtstreeks vervoersbewijs. Deze rechten gelden voor de volledige reis, van vertrek tot eindbestemming, tenzij de passagier er uitdrukkelijk en schriftelijk van in kennis wordt gesteld dat dit niet het geval is. In deze kennisgeving moet met name worden vermeld dat, wanneer de passagier een aansluiting mist, hij of zij geen recht heeft op bijstand of vergoeding op basis van de totale lengte van de reis.  

De NHRPH betreurt wel ten zeerste de beperkingen in dit artikel die de slagkracht van het artikel beperken. 

Actuele en toegankelijke informatie (art. 9)

De herziene versie is een verbetering op het vlak van het informeren van personen met een handicap.

Op verzoek verstrekken de spoorwegonderneming, de stationbeheerder, de verkoper van vervoersbewijzen of de touroperator personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in een toegankelijk formaat

De NHRPH treedt hier het EDF bij in zijn eis om informatie niet enkel op verzoek te verstrekken, maar ook spontaan, zeker ook bij actuele informatie zoals spoorwijzigingen, vertragingen, afgeschafte treinen, halteweergave in de trein enz. Die informatie moet voor iedereen toegankelijk zijn en dus op zijn minst verbaal en visueel worden meegedeeld in een begrijpelijke en eenvoudige taal. Ten behoeve van de blinde en slechtziende personen moet de uitstapzijde verbaal worden aangekondigd (zie advies 2018/05). Ook signaletica is bij voorkeur eenvoudig en in overeenstemming met internationale afspraken. 

Speciale aandacht vraagt de NHRPH voor de noodplannen. PBM zijn extra kwetsbaar in noodsituaties. De verantwoordelijke instanties moeten bij het opstellen van noodprocedures dus bijzondere aandacht geven aan PBM, zowel op het vlak van communicatie als assistentie.

Ticketverkoop

Nog volgens het aangepaste artikel 10: 

verstrekken de spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen de vervoersbewijzen aan de reizigers via ten minste een van de volgende verkooppunten:

(a) loketten of automaten;

(b) telefoon, internet of enige andere op grote schaal beschikbare informatietechnologie;

(c) in de treinen. 

De NHRPH wijst op de kwetsbaarheid en gevarieerdheid van de groep van de PBM en PMH en vraagt dat steeds meerdere verkoopwijzen beschikbaar zijn om de toegankelijkheid van de service te garanderen. Een bemand loket geniet de voorkeur van de NHRPH, want dan kan er informatie op maat worden gegeven.

De NHRPH is ook zeer verheugd over volgende toevoeging: 

Als er in het station van vertrek geen loket of toegankelijke automaat is, mogen personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zonder extra kosten vervoersbewijzen aan boord van de trein kopen 

De NHRPH is immers van mening dat de verkoopautomaten – en hun alternatieven online – niet voor iedereen voldoende toegankelijk zijn. Ze zijn soms moeilijk te vinden voor personen met een visuele handicap en vaak complex in het gebruik, in het bijzonder voor personen met een fysieke, visuele of verstandelijke handicap. Voor die doelgroep zou de prijs van een ticket aan boord van de trein gelijk moeten zijn aan het gewone tarief (zie advies 2015/21). De NHRPH heeft al gesuggereerd om de Europese handicapkaart (EDC) te aanvaarden als bewijs van de handicap. Overigens vraagt het EDF zelfs om geen bewijs van handicap te vragen: EDF strongly supports the addition of this paragraph but also underlines that no “proof of disability” shall be requested by the Railway Undertaking’s staff.

Schadevergoeding

Art 25 (Schadevergoeding voor mobiliteitshulpmiddelen, of andere speciale apparatuur of hulpmiddelen) telt nu 2 nieuwe artikels waarin de schadevergoeding voor de PBM beter wordt bepaald en geregeld.

  1. De (…) vergoeding is gelijk aan de kosten van de vervanging of herstelling van de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen.
  2. Indien nodig doen spoorwegondernemingen en stationbeheerders alle redelijke inspanningen om snel te zorgen voor een tijdelijke vervanging van specifieke apparatuur of hulpmiddelen, voor zover mogelijk met technische en functionele kenmerken die gelijkwaardig zijn aan die van de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen. De persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit mag de tijdelijke vervangapparatuur of -hulpmiddelen houden tot de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding is betaald.

De NHRPH vindt dat een goede toevoeging.

Opleiding

Het nieuwe artikel 26 bepaalt dat alle personeelsleden die in het station werken of rechtstreeks omgaan met reizigers opgeleid moeten worden om met alle types van PBM en PMH om te gaan. De NHRPH is tevreden met de toevoeging van dit artikel, maar vreest wel dat “rechtstreeks omgaan met reizigers” te beperkend is. Ook de personen aan de telefoon, de opstellers van websites, brochures, enz. moeten op de hoogte zijn van de realiteit van de handicap.

Elektrische rolstoelen

De NHRPH is van mening dat toegankelijkheidshulpmiddelen zoals rolstoelen in principe altijd moeten kunnen worden toegelaten bij reizen per trein. Het gaat immers om hulpmiddelen voor een betere mobiliteit en toegankelijkheid. Elektrische rolstoelen worden echter soms geweigerd wegens:

  • afwijkende dimensies of gewicht (te groot, breed of zwaar)
  • problemen met veilige verankering in de trein
  • verzekeringskwesties
  • … 

De NHRPH is van mening dat de bevoegde overheden op Europees niveau concrete afspraken moeten maken over toegelaten modellen, en dit in nauw overleg met de producenten van elektrische rolstoelen, de spoorwegmaatschappijen en de sector van de handicap. Momenteel bestaat er veel onduidelijkheid over, waardoor mensen zich soms een rolstoel aanschaffen zonder te weten dat ze die niet mogen meenemen in de trein of bij andere vormen van openbaar vervoer. Dit element ontbreekt nog in Verordening n° 1371/2007.


Advies

De NHRPH vraagt de federale overheid en de NMBS om bij de implementatie van de herziene versie van de Europese Verordening n° 1371/2007 rekening te houden met de bovenstaande opmerkingen van de NHRPH in het deel “Analyse”. 

De NHRPH is tevreden dat zijn advies werd gevraagd. Het is immers belangrijk om de sector tijdig te raadplegen bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap. Dat is een grote groep: het WHO schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. De groep van de PBM is nog groter. 

De NHRPH vraagt dat er werk wordt gemaakt van een langetermijnplanning met als einddoel een toegankelijk spoorverkeer in België en Europa. Zowel de NMBS als de bevoegde overheden moeten hier hun verantwoordelijkheid nemen en blijven nemen. 

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer François Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2018/14 - Verdrag van Marrakesh

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Beschermingsmaatregelen, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/14 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van wet tot omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2017/1564/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, en tot wijziging van richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij


Aanvrager

Advies op verzoek van de heer Kris Peeters, Minister van Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel


Onderwerp

Het wetsontwerp zet een richtlijn om ter uitvoering van de verplichtingen waaraan de lidstaten van de Europese Unie moeten voldoen krachtens het Verdrag van Marrakesh van 27 juni 2013 inzake toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind of visueel gehandicapt zijn of anderszins een leeshandicap hebben, hierna 'Verdrag van Marrakesh' genoemd.


Analyse

Het Verdrag van Marrakesh heeft tot doel de beschikbaarheid en grensoverschrijdende uitwisseling van bepaalde werken en ander beschermd materiaal in toegankelijke vorm te verbeteren voor personen die blind of visueel gehandicapt zijn of anderszins een leeshandicap hebben.

Richtlijn 2017/1564 legt de lidstaten op te voorzien in uitzonderingen op of beperkingen van het auteursrecht en de naburige rechten ten behoeve van de vervaardiging en verspreiding van exemplaren van bepaalde werken en ander beschermd materiaal in toegankelijke vorm en ten behoeve van de grensoverschrijdende uitwisseling van die exemplaren. Exemplaren in toegankelijke vorm die in een lidstaat vervaardigd zijn, moeten beschikbaar zijn in alle lidstaten, zodat een grotere beschikbaarheid ervan op de gehele interne markt gegarandeerd wordt.

Deze uitzonderingen betreffen personen

a) die blind zijn;

b) met een visuele handicap die niet zodanig gecorrigeerd kan worden dat het gezichtsvermogen wezenlijk gelijkwaardig wordt aan dat van een persoon zonder die handicap en die daardoor niet in staat zijn in dezelfde mate gedrukte werken te lezen als een persoon zonder die handicap;

c) met een waarnemings- of leeshandicap die daardoor niet in staat zijn in wezenlijk dezelfde mate gedrukte werken te lezen als een persoon zonder een dergelijke handicap of dergelijke moeilijkheden;

d) die ten gevolge van een fysieke handicap niet in staat zijn een boek vast te houden of te hanteren, de ogen correct te focussen of hun ogen zo te bewegen dat lezen mogelijk wordt. ,

De term 'werk' omvat elke drager in de vorm van een boek, dagblad, krant, tijdschrift of ander soort geschrift, notaties met inbegrip van bladmuziek en daarmee samenhangende illustraties, op om het even welke drager, met inbegrip van audioformaten, zoals audioboeken en digitale formaten.

Het exemplaar in toegankelijke vorm is een exemplaar in een alternatieve vorm opdat de begunstigde even eenvoudig en gemakkelijk toegang tot het werk krijgt als een persoon zonder handicap of genoemde moeilijkheden. Tot deze toegankelijke formaten behoren bijvoorbeeld brailleschrift, grootletterdruk, aangepaste e-boeken, audioboeken en radioprogramma's.

De entiteiten die gemachtigd zijn om werken in een toegankelijk formaat te reproduceren, zijn entiteiten die door een lidstaat van de Europese Unie gemachtigd of erkend zijn om zonder winstoogmerk onderwijs, opleiding, aangepast lezen of toegang tot informatie aan begunstigden te bieden. Deze term omvat tevens openbare instellingen of organisaties zonder winstoogmerk die begunstigden dezelfde diensten aanbieden als een van hun hoofdactiviteiten, institutionele verplichtingen of in het kader van hun taken van openbaar belang. Voorbeelden hiervan zijn bibliotheken, onderwijsinstellingen en andere non-profitorganisaties.

Het wetsontwerp neemt grotendeels over wat in de Europese richtlijn vastgelegd is. Aldus worden wijzigingen aangebracht in het Wetboek van economisch recht, boeken I en XI.

De Minister heeft voorgesteld bijkomende uitzonderingen op het auteursrecht en naburige rechten toe te voegen met betrekking tot:

  • de rechten voor uitvoerders en vertolkers, producenten en omroeporganisaties waarvan de werken op een toegankelijke drager ontwikkeld zijn;
  • de rechten op computerprogramma's en databanken.

De wet treedt in werking op 18 oktober 2018.


Advies

De NHRPH stelt het op prijs dat de Minister om advies vraagt. Het verzoek komt evenwel laat, aangezien de werkvergaderingen over de reikwijdte en de inhoud van de wet grotendeels afgerond zijn en de tekst nu de wetgevingsprocedure moet doorlopen om tegen de deadline van 18 oktober 2018 in werking te treden. Desalniettemin hoopt de NHRPH ten zeerste dat de Minister de volgende aanbevelingen in zijn eindversie zal meenemen.

Voorts vraagt de Raad de Minister voor toekomstige teksten binnen zijn bevoegdheden die betrekking kunnen hebben op personen met een handicap, niet alleen het door België bekrachtigde Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, maar ook de beslissing van de Ministerraad van 26 maart 2015 – dus de NHRPH van meet af aan te raadplegen – toe te passen. Op die manier kunnen passende maatregelen getroffen worden met kennis van de behoeften van de personen met een handicap.

Over de inhoud van het wetsontwerp wil de NHRPH een aantal opmerkingen en verzoeken formuleren.

  1. Dit is een grote stap voorwaarts voor miljoenen personen met een visuele handicap of die problemen ervaren bij het lezen van traditionele dragers. Ter herinnering: momenteel is nog geen 5 % van de gepubliceerde werken voor hen toegankelijk.

    Onder druk van de uitgevers voorziet de richtlijn in de mogelijkheid de uitgevers een vergoeding toe te kennen, mits het bewijs van schade wordt geleverd. De NHRPH wijst op de reeds hoge productiekosten voor werken die de organisaties van blinde en slechtziende personen en bibliotheken in aangepast formaten omzetten. Indien de andere EU-lidstaten op grote schaal 'belastingen op toegankelijke boeken' zouden heffen, zou het positieve effect van toegang tot cultuur en onderwijs voor miljoenen personen ernstig belemmerd kunnen worden. Bovendien vindt de NHRPH dat er geen winstderving is, aangezien de distributie van werken in aangepast formaat geen schade toebrengt aan de houders van rechten. In België heeft het wetsontwerp niet in deze mogelijkheid voorzien. De NHRPH legt hierop de nadruk en vraagt deze keuze te handhaven: het komt de toegang tot onderwijs en cultuur voor iedereen ten goede. Toegankelijkheid van werken is ook een kwaliteitsgarantie voor alle huidige en toekomstige consumenten!
  1. Voor de begunstigden van de uitzonderingen vraagt de NHRPH dat personen met dyslexie of andere leerstoornissen aan artikel 2 c) toegevoegd worden. Dyslexie en leerstoornissen zijn in de richtlijn opgenomen, maar ontbreken in het wetsontwerp. Personen met dyslexie of leerstoornissen ervaren leesproblemen en zijn daardoor niet in staat in dezelfde mate gedrukte werken te lezen als een persoon zonder die handicap of moeilijkheden. Worden deze personen niet opgenomen in het wetsontwerp, dan zou dit de facto leiden tot discriminatie tussen personen met een handicap zelf, aangezien ze vergelijkbare behoeften hebben.

  2. Wat het materieel toepassingsgebied van toegankelijke dragers betreft: streaming wordt niet als dusdanig vermeld in de uitzonderingen. Gezien de technische ontwikkelingen op het gebied van informatie en onderricht is het van essentieel belang dat dit instrument expliciet wordt vermeld. De NHRPH vraagt deze uitzondering uitdrukkelijk in de wet op te nemen, opdat elke in deze regelgeving erkende entiteit boeken in streamingformaat ter beschikking kan stellen zonder risico op boetes.

  3. De NHRPH vestigt ook de aandacht op het feit dat niet alle reeds gecommercialiseerde boeken in toegankelijk formaat (bijv. audioboeken) werkelijk volledig toegankelijk zijn. Daarom moeten de voorziene uitzonderingen ook mogelijk zijn voor publicaties die dateren van vóór 18 oktober 2018.

  4. Met betrekking tot de evaluatie van de wet tegen 2023 vraagt de NHRPH de Minister actief en regelmatig betrokken te worden bij de verdere werkzaamheden.

Bezorgd

  • Ter opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/07 - Wetsvoorstel arbeidsintegratiejobs

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties

Advies nr. 2018/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel van 16 maart 2017 tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Op 16 maart 2017 heeft de heer Jan Spooren een wetsvoorstel tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs ingediend. Dit wetsvoorstel creëert voor langdurig zieken en invaliden alsook voor personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen, een bijkomende vorm van “toegelaten arbeid”, complementair en neutraal ten opzichte van alle stelsels van “toegelaten arbeid”, beroepsopleiding en toeleiding naar werk die al bestaan op federaal of regionaal niveau.


Analyse

Het wetsvoorstel is bedoeld voor volgende personen:

  • invalide werknemers en zelfstandigen die na één jaar primaire arbeidsongeschiktheid naar het stelsel van invaliditeit overgegaan zijn;
  • personen in het stelsel van primaire arbeidsongeschiktheid die in de voorbije 18 maanden minstens 12 maanden een ziekte- of invaliditeitsuitkering ontvangen hebben (personen die na een of meer periodes van ziekte het werk hervat hebben, maar daarna weer ziek gevallen zijn);
  • gerechtigden op een inkomensvervangende uitkering. 

Bovendien moeten deze personen op beroepsactieve leeftijd zijn, en medisch geschikt zijn om het overeengekomen werk in het kader van een arbeidsintegratiejob uit te oefenen.

Een arbeidsintegratiewerknemer mag maximaal gedurende een periode van 2 jaar arbeid verrichten in het kader van een arbeidsintegratiejob. Gedurende deze periode mag hij maximaal 84 uur per maand presteren in het kader van een arbeidsintegratiejob. Over een periode van 2 jaar is dat maximum 2.000 uur.

Het uurloon bedraagt minimaal het nationaal minimumloon omgezet in een uurloon en verhoogd met vakantiegeld (thans 9,5 euro per uur). Indien het minimumsectorloon, exclusief vakantiegeld, voor een bepaalde functie hoger is dan 9,5 euro per uur, wordt dit het minimumloon van toepassing voor die arbeidsintegratiejob.

De arbeidsintegratiewerknemer behoudt zijn inkomensvervangende uitkering alsook eventuele kostencompenserende tegemoetkomingen tijdens het uitoefenen van een arbeidsintegratiejob en kan deze cumuleren met een arbeidsintegratieloon.

Het gecombineerd inkomen van een arbeidsintegratiejob en de inkomensvervangende uitkering mag niet lonender zijn dan een reguliere tewerkstelling.

De werknemer die werkt in het kader van een arbeidsintegratiejob, kan een gemotiveerd verzoek indienen om de arbeidsintegratiejob te verlengen.

Een werkgever mag geen bestaande contractuele tewerkstelling beëindigen om ze te vervangen door arbeidsintegratiejobs. Bovendien mag hij niet meer dan 20 % van het arbeidsvolume invullen door tewerkstelling via arbeidsintegratiejobs. Bij een gemiddelde jaarlijkse tewerkstelling lager dan 5 voltijds equivalenten is de maximale tewerkstelling via arbeidsintegratiejobs gelijk aan de tewerkstelling van 1 voltijds equivalent.

Het recht om te mogen werken via een arbeidsintegratiejob wordt geschorst wanneer het recht op de inkomensvervangende uitkering geschorst wordt.


Advies

In de eerste plaats wijst de NHRPH erop dat in artikel 3, 8° van het wetsvoorstel de term "inkomensvervangende uitkering" vertaald wordt door "allocation de remplacement de revenus". Deze vertaling is verwarrend, aangezien "allocation de remplacement de revenus" in dezelfde tekst verwijst naar zowel het vervangingsinkomen waarvan de betaling recht geeft op een arbeidsintegratiejob als naar de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) die betaald wordt krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. De term "inkomensvervangende uitkering" zou vertaald moeten worden door "indemnité de remplacement de revenus".

De NHRPH benadrukt twee positieve aspecten van het wetsvoorstel. Enerzijds kan de persoon met een handicap zijn inkomensvervangende uitkering (ziekenfondsuitkering of IVT) behouden gedurende de periode van beroepsactiviteit en deze combineren met het arbeidsintegratieloon. Anderzijds kunnen personen die enkel een IVT ontvangen, toegang krijgen tot het socialezekerheidsstelsel, waardoor zij onder meer recht krijgen op het rustpensioen.

De NHRPH wijst evenwel op bepaalde negatieve aspecten:

Een minimuminkomen van 9,5 euro per uur geeft weinig financiële rechten op sociale zekerheid (zo zal het rustpensioen lager zijn).

De werkgever is niet verplicht de werknemer in dienst te nemen na afloop van de overeenkomst, die tot maximaal twee jaar verlengd kan worden. Arbeidsintegratiewerknemers zouden dus verschillende integratie-arbeidsovereenkomsten na elkaar aangeboden kunnen krijgen. Dit is een bijzonder ongemakkelijke situatie. Arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur moeten de norm blijven voor alle werknemers, ook voor werknemers met een handicap. 

Evenzo bestaat het risico dat personen met een handicap verplicht worden een integratie-arbeidsovereenkomst af te sluiten om werk te krijgen. Er zou een soort substatuut gecreëerd worden voor personen met een handicap.

De NHRPH is van mening dat dit wetsvoorstel een kwetsbaar systeem invoert: er wordt niet echt werk gecreëerd, wel een systeem waarbinnen men zijn uitkeringen kan behouden, met een heel kleine aanvulling op het loon.

De NHRPH meent ook dat deze tekst een ongewenst effect kan hebben en de werkgever de mogelijkheid biedt om aan zijn verplichting om redelijke aanpassingen te voorzien te verzaken.

De tekst van het wetsvoorstel verwijst niet naar de situatie van de persoon die na zijn integratie-arbeidsovereenkomst in dienst genomen wordt. Blijft hij recht hebben op de inkomensvervangende tegemoetkomingen?

De NHRPH vestigt de aandacht erop dat de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap aangepast moeten worden.

Dit wetsvoorstel maakt de bestaande systemen nog ingewikkelder, en de combinatie ervan maakt de materie nog complexer. De NHRPH is daarom van mening dat het beter is de bestaande tewerkstellingsondersteunende maatregelen voor personen met een handicap te versterken.

Ook verdient het de voorkeur voor de bedoelde werkgevers een begeleidingssysteem in te voeren, dat door de Gewesten georganiseerd wordt.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel; Eerste Minister;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/12 - Nationaal Hervormingsprogramma 2018

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Mantelzorgers, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, Digitale kloof

Advies nr. 2018/12 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorbereiding van het Nationaal Hervormingsprogramma 2018, geformuleerd tijdens zijn plenaire zitting van 19 februari 2018.


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

In het kader van de Europese Economische Strategie van Lissabon moet elke lidstaat jaarlijks bij de Europese Unie een inventaris indienen van de verwezenlijkingen en projecten die tegemoetkomen aan de aanbevelingen van de Europese Unie ("Nationaal Hervormingsplan" - NHP).

Op 11 juli 2017 bezorgde de Raad van de Europese Unie België zijn aanbevelingen over het Nationaal Hervormingsprogramma van België voor 2017 en zijn advies over het stabiliteitsprogramma van België: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017H0809(01)&from=EN.

De Europese Commissie heeft België een verslag bezorgd met een evaluatie van de ontwikkelingen in de Belgische economie https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/2017-european-semester-country-report-belgium-nl.pdf  (zie in het bijzonder p. 31 tot 40, luik Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid)

In zijn NHP 2018 zal België op deze twee Europese documenten reageren door verslag te doen van zijn verwezenlijkingen. Op haar beurt zal de Commissie op basis van het door België ingediende NHP 2018 aanbevelingen formuleren voor de periode 2018-2019.


Analyse

Het tijdschema voor de activiteiten bepaalt dat het NHP 2018 van België uiterlijk op 30 april moet worden ingediend. Aangezien de NHRPH niet zeker weet of zijn advies zal worden gevraagd en gezien de beperkte consultatietermijnen, neemt de Raad het initiatief om nu een advies uit te brengen.

Onderstaand advies is gebaseerd op de aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie, het verslag van de Europese Commissie en de bevindingen van de NHRPH sinds de vorige adviezen. Zie adviezen 2015-17, 2016-07, 2017-04 

De Raad van de Europese Unie stelde op 11 juli 2017 het volgende:

  1. de overheidsinvesteringen staan op een erg laag niveau volgens Europese normen, vooral in verhouding tot de totale overheidsuitgaven. Niet alleen is de openbare kapitaalvoorraad laag, ook de kwaliteit van de openbare infrastructuur is achteruitgegaan.  (…);
  2.  België heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt met het hervormen van zijn loonvormingsstelsel.  (…) ;
  3. Er is enige voortgang gemaakt met betrekking tot de werking van de arbeidsmarkt. Een hogere pensioenleeftijd en verdere beperkingen van het vervroegd pensioen moedigen ouderen aan om aan het werk te blijven of weer aan het werk te gaan.  (…) De banencreatie was robuust (…). Toch blijven er een aantal structurele tekortkomingen bestaan. Het aandeel personen dat de overgang van werkloosheid of inactiviteit naar werk maakt, is laag en de totale arbeidsparticipatie wordt nog steeds gedrukt door de zwakke prestatie van bepaalde groepen. Daartoe behoren laaggeschoolden (…);
  4. Er is enige vooruitgang geboekt bij onderwijs- en opleidingshervormingen ter verbetering van de kansengelijkheid, kerncompetenties en de kwaliteit van het onderwijs. Ondanks goede gemiddelde prestaties in vergelijking met andere landen is het aandeel toppresteerders onder 15-jarigen echter geslonken, terwijl het percentage onderpresteerders toenam.  (...)

De Raad van de EU heeft geadviseerd dat België zich er tijdens de periode 2017-2018 toe zou verbinden:

  1. Een aanzienlijke begrotingsinspanning leveren in 2018 (…) waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van het versterken van het huidige herstel en van het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van België (…);
  2. Ervoor zorgen dat de meest achtergestelde groepen, met inbegrip van mensen met een migratieachtergrond, gelijke kansen hebben op toegang tot kwaliteitsonderwijs, beroepsopleidingen en de arbeidsmarkt.
  3. Investeringen in op kennis gebaseerd kapitaal bevorderen, met name door maatregelen te nemen om de toepassing van digitale technologieën en de verspreiding van innovatie te verhogen. De concurrentie verhogen op de markten voor professionele diensten en in de detailhandel, en de marktmechanismen in de netwerkindustrieën verbeteren. 

De Europese Commissie heeft er in haar verslag van 1 maart op gewezen dat er vooruitgang is geboekt, maar dat er ook nog tal van uitdagingen zijn. De NHRPH wijst in het bijzonder op de aspecten die in het bijzonder personen met een handicap betreffen:

  • De arbeidsparticipatie in de zwakste groepen (…) met name laaggeschoolden,
  • Onderwijsongelijkheid vormt een belangrijke uitdaging
  • Onvoldoende investeringen in infrastructuur, met name in (…) onderwijs en vervoer, en een laag niveau van overheidsinvesteringen in het algemeen beperken de productiviteitsgroei;
  • Een relatief groot deel van de bevolking in de beroepsactieve leeftijd werkt niet. Werkloosheid en verschillende types inactiviteit komen voornamelijk voor bij specifieke groepen zoals laaggeschoolde jongeren, ouderen;
  • Behalve aan het niveau van de kwalificaties is inactiviteit ook sterk gekoppeld aan leeftijd, geslacht en migratieachtergrond (ten opzichte van autochtonen). Voor jongeren (onder 24 jaar) valt inactiviteit vooral te verklaren door onderwijs en opleiding. Voor ouderen is pensionering de belangrijkste reden. Verantwoordelijkheden op het vlak van gezin en zorg zijn belangrijke verklaringen voor vrouwen, maar niet voor mannen. Bovendien worden ziekte en invaliditeit voor arbeidskrachten in de meest actieve leeftijdsgroep steeds belangrijker als reden voor inactiviteit;
  • De Belgische arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door grote verschillen in vraag en aanbod van vaardigheden; België kent een relatief groot percentage voortijdige schoolverlaters (…) en een hoog percentage jonge volwassenen met een laag onderwijsniveau;
  • Het stabiele algehele risico op armoede of sociale uitsluiting, dat onder het EU-gemiddelde maar boven het gemiddelde van de aangrenzende lidstaten ligt, verhult uiteenlopende trends tussen bevolkingsgroepen. Hoewel het risico op armoede of sociale uitsluiting voor de totale actieve bevolking stabiel blijft, is het gedaald voor ouderen (65+) en gestegen voor jongeren (16-24 jaar), meer bepaald voor laaggeschoolden, gehandicapten of mensen met een migratieachtergrond. (…) Bovendien bedraagt het verschil in het risico op armoede en sociale uitsluiting tussen personen met en zonder handicap 17,7 procentpunten, hetgeen aanzienlijk meer is dan het EU-gemiddelde van 9,7 procentpunten;
  • Dit laat zich voornamelijk verklaren door inactiviteit en werkloosheid, die de kans op armoede aanzienlijk verhogen. Het risico op armoede en sociale uitsluiting van de werkzame bevolking ligt ver onder het EU-gemiddelde. Daartegenover staat dat het risico op armoede en sociale uitsluiting bij de inactieve of werkloze bevolking hoger is dan het EU-gemiddelde.

Advies

Sinds enkele jaren brengt de NHRPH op eigen initiatief, naar aanleiding van het NHP, een advies uit over zowel de beoordeling van het economisch en sociaal beleid in België als over de richtlijnen die België overweegt voor de voortzetting van zijn beleid. Zie adviezen 2015-17, 2016-07, 2017-04 

De NHRPH stelt vast dat de drie voorgaande raadplegingen geen invloed hebben gehad op de door België vastgelegde beleidslijnen. Daarom heeft de Raad beslist dit jaar een advies uit te brengen tijdens het redactieproces. Op die manier hoopt de Raad nuttig te kunnen sensibiliseren. Deze aanpak is bovendien volledig in overeenstemming met de tekst van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin wordt aangedrongen op actieve samenwerking tussen het beleid en de NHRPH, zowel wat betreft het voorbereidende denkwerk als wat betreft de redactie van de teksten (zie art. 4.3 van het Verdrag).

De NHPRH is het eens met de bevindingen van de Raad van de Europese Unie:

  • de economische en sociale resultaten in België voldoen niet aan de verwachtingen van de burgers;
  • integendeel, ondanks de drastische economische maatregelen die de opeenvolgende regeringen de laatste jaren getroffen hebben, wordt de kloof tussen arm en rijk groter, om redenen waaraan betrokkenen niets kunnen doen (afkomst, leeftijd, handicap, …);
  • de economische herverdeling moet nog verwezenlijkt worden, en de sociale promotiefunctie van het onderwijs hapert;
  • in de door ziekte en handicap benadeelde groepen worden armoede en uitsluiting groter door hun beperkte toegang tot opleiding en werkgelegenheid.

De aanbevelingen geformuleerd in de adviezen 2015-17, 2016-07, 2017-04 om tegemoet te komen aan de noden van personen met een handicap en zieke personen, zijn globaal gezien dode letter gebleven.   

De NHRPH stelt vast dat het "inclusieve" deel van de vereiste hervormingen op het vlak van toegankelijk maken van werkgelegenheid en opleiding voor personen met een handicap en zieken al te vaak onvoldoende of zelfs helemaal niet uitgewerkt wordt.

De NHRPH herinnert eraan dat sociale inclusie van personen met een handicap en zieken essentieel is voor het economisch herstel.

Meer specifiek,

Op het vlak van werkgelegenheid:

De NHRPH vindt dat de competenties van personen en hun economische bijdrage volledig erkend moeten worden. De "back to work"-maatregelen waren een juiste eerste stap op het vlak van concepten (cf. adviezen 2015-10, 2015-32, 2016-12).

De NHRPH heeft evenwel geen nieuws over de aangekondigde evaluatie in het eerste semester van 2016. Uit feedback op het terrein blijkt trouwens dat er een schrijnend tekort is aan menselijke middelen om kandidaat-werknemers te begeleiden. Erger nog, in sommige evaluaties wordt geconcludeerd dat de terugkeer naar het werk uiteindelijk leidt tot een ontslagprocedure voor de werknemer voor wie geen arbeidsregeling of nieuwe werkpost kon worden overwogen.

De NHRPH blijft overigens hameren op de andere maatregelen die nodig zijn om de arbeidsmarkt en personen met een handicap en zieken dichter bij elkaar te brengen. De bewustmakingscampagnes voor werkgevers en de financiële steunmaatregelen volstonden niet om de tienduizenden personen met een handicap toegang tot werkte verschaffen. 

Ter herinnering: in zijn Strategie 2020 heeft Europa een doelstelling vastgelegd voor een hogere tewerkstelling van alle personen met een handicap die ten gevolge van hun handicap worden uitgesloten van de arbeidsmarkt. Het NHP 2018 moet ingaan op deze uitdagingen en er oplossingen voor vinden. 

Daarom moeten de regeringen nog steeds dringend werk maken van de maatschappelijke responsabilisering van de werkgevers van de private sector. De NHRPH heeft zich over de kwestie gebogen en beveelt een aantal pistes aan: zie advies 2017-01

Op het vlak van onderwijs:

De overwegingen van de voorbije jaren inzake vroegtijdig schoolverlaten en de onaangepastheid van de opleidingen aan de vraag op de arbeidsmarkt gelden uiteraard ook voor personen met een handicap, en misschien zelfs meer dan voor andere jongeren aangezien er meer obstakels zijn op het vlak van vervoermiddelen, een gebrek aan aangepaste lokalen en materiaal of de continuïteit van de zorgverlening op schooldagen. Dit is onaanvaardbaar!

Bovendien wordt aan jongeren - wegens hun handicap - nog te vaak voorgesteld niet-kwalificerende opleidingen te volgen die niet beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt.

De NHRPH herinnert bovendien aan zijn vraag naar inclusiever onderwijs. Ook dit moet helpen het vroegtijdige schoolverlaten te beperken. Dit betekent niet dat het gespecialiseerde onderwijs moet worden afgeschaft, wel dat het gewone onderwijs moet worden aangepast aan de noden van kinderen met een handicap, en dat de betrokkenen de keuze tussen beide moeten hebben.

Op het vlak van toegang tot het pensioen herinnert de NHRPH eraan dat langer werken moeilijk haalbaar is voor heel wat personen met een handicap; er zou integendeel beter een regeling worden uitgewerkt voor hun loopbaaneinde. Vaak hebben personen met een handicap minder vooruitzichten op werk en een loopbaan, niet omdat zij dat zelf willen, maar wel omdat hun lichaam en/of de werkomgeving hen daartoe nopen. Dit leidt tot sociale uitsluiting en armoede.

Wanneer die personen met pensioen gaan, gaan zij vaak voor een tweede keer door de hel, aangezien zij met steeds hogere leeftijds- en gezondheidsgebonden kosten worden geconfronteerd. De regering zou ook moeten bekijken welk ander mechanisme ingevoerd kan worden, bijvoorbeeld de jaren die personen met een handicap gewerkt hebben, zwaarder laten doorwegen om de werkgelegenheid te ondersteunen.

De NHRPH hamert met andere woorden vooral op de noodzaak van specifieke maatregelen voor oudere werkende personen met een handicap, zowel wat hun loopbaan als de berekening van het pensioen betreft.

Zowel de verlenging van de werkelijke loopbaan tot 45 jaar en de verhoging van de effectieve leeftijd om met pensioen te gaan zijn nadelig voor personen met een handicap. De handicap veroorzaakt immers meer vermoeidheid en vergt een grotere investering tijdens en op het einde van de loopbaan, wat de voortzetting van de beroepsactiviteit bemoeilijkt. Personen met een handicap werken vaak deeltijds om gezondheidsredenen of omdat het voor hen bijzonder moeilijk is een voltijdse betrekking te vinden.

De NHRPH meent daarentegen dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van rechten) moet worden onderzocht voor personen met een handicap. Voorbeeld: indien het pensioenstelsel met punten ingevoerd wordt, zou een loopbaanjaar voor een persoon met een handicap zwaarder kunnen doorwegen. Zodoende zouden personen met een handicap aangemoedigd worden te werken, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met hun moeilijke omstandigheden. De NHRPH hamert dus op de noodzaak van individuele voorzieningen in situaties die verband houden met de handicap en de ernstige ziekte, als aanvulling op de collectieve voorzieningen.

Op het vlak van de structuurfondsen herinnert de NHRPH eraan dat de reglementaire teksten voorzien in deelname en betrokkenheid van personen met een handicap bij elke fase van de programmering, uitvoering en evaluatie. Er dient te worden vastgesteld dat artikel 4.3 niet structureel uitgewerkt is, ondanks deze voorwaarde. Hierdoor zijn heel wat oproepen tot projecten onvoldoende afgestemd op de noden van personen met een handicap. De NHRPH vraagt dat de structuurfondsen besteed zouden worden aan projecten die personen met een handicap en hun gezinnen echt ondersteunen bij het uitbouwen van een zelfstandig leven en bij hun inclusie in de maatschappij.

Op het vlak van armoedebestrijding tot slot:

De NHRPH herinnert nogmaals aan de pijler van de Strategie 2020 inzake armoedebestrijding en in het bijzonder de vermindering van het aantal kwetsbare personen in België. Eind 2014 bevonden 2.286.000 personen zich in deze situatie in België, terwijl dat er in 2008 ‘maar’ 2.194.000 waren (p. 3 van het Nationaal Sociaal Rapport – NSR). De initiële doelstelling om 380.000 personen uit de armoede te helpen zou dus moeten worden opgetrokken tot minstens 472.000 (we beschikken niet over de cijfers voor de jaren 2015 en volgende, maar we weten wel dat de cijfers jaar na jaar toenemen).

Diverse recente studies hebben aangetoond dat de maatregelen die de federale regering onlangs heeft genomen, de sociale vangnetten niet versterken, maar daarentegen het weefsel van sociale bescherming en solidariteit dat in de 20ste eeuw werd uitgebouwd, in gevaar brengen.

Vorig jaar hebben alle lidstaten van de Europese Unie de "Europese sociale pijler" aangenomen. Het is nu hoog tijd dat België dit in de praktijk brengt en tevens tegemoet komt aan de behoeften van personen met een handicap en zieken. De strijd tegen armoede en sociale uitsluiting moet nu een reële en gezamenlijke prioriteit worden op alle bestuursniveaus in België, net als het economisch herstel.

De bestuursniveaus moeten werk maken van een betere samenhang en complementariteit, rond een nationaal plan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting van alle kwetsbare groepen, met name personen met een handicap. Dit nationale plan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moet als noodzakelijk worden gezien voor de economische en sociale stabiliteit van het land.

De NHRPH beklemtoont nogmaals het verband tussen handicap en armoede. Personen met een handicap ontvangen tegemoetkomingen (wet van 27 februari 1987) die ruimschoots onder de armoededrempel liggen; de inkomensvervangende tegemoetkoming zou een bestaansminimum moeten garanderen en op zijn minst tot de Europese armoededrempel opgetrokken moeten worden. De NHRPH vraagt dat deze maatregel als een prioriteit zou worden beschouwd, ook in het kader van de begrotingsgesprekken die in de lente van start gaan.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan de Ministers-presidenten van de Gewesten en Gemeenschappen;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan mevrouw Sophie Wilmès, Minister van Begroting;
  • Ter info aan de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/11 - Advies bedragen IVT

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2018/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) betreffende het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking.


Onderwerp

Door middel van dit voorontwerp van wet worden de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voortaan voor iedere categorie apart vastgelegd, zonder dat daarbij verwezen wordt naar een percentage van het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming.

Daarnaast worden de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming opnieuw gekoppeld aan de bedragen van het leefloon. Hierdoor zal een stijging van de bedragen van het leefloon een invloed hebben op de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming.


Analyse

Artikel 6, § 1 van de wet van 27 februari 1987 is thans als volgt opgesteld:

Het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming is gelijk aan 5.203,91 EUR per jaar.

Dit basisbedrag wordt toegekend aan de personen die behoren tot categorie A. Dit bedrag wordt verhoogd met 50 pct. voor de personen die behoren tot categorie B en met 100 pct. voor de personen die behoren tot categorie C.

De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.

In artikel 6, § 1, eerste lid van de wet van 27 februari 1987 worden de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor elke categorie apart vastgelegd, zonder dat daarbij verwezen wordt naar een percentage van het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming.

In de leden 2 tot 4 worden de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming gekoppeld aan de bedragen van het leefloon.

In het vijfde lid wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming te verhogen.

Artikel 6, § 1 zal als volgt worden herzien:

De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt per jaar:

1° 5.203,91 EUR voor de personen die behoren tot categorie A;

2° 7.805,87 EUR voor de personen die behoren tot categorie B;

3° 10.407,82 EUR voor de personen die behoren tot categorie C. 

Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij het eerste lid, 1° is ten minste gelijk aan het bedrag van het leefloon bedoeld bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij het eerste lid, 2° is ten minste gelijk aan het bedrag van het leefloon bedoeld bij artikel 14, § 1, 2°, van dezelfde wet van 26 mei 2002.

Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij het eerste lid, 3° is ten minste gelijk aan het bedrag van het leefloon bedoeld bij artikel 14, § 1, 3°, van dezelfde wet van 26 mei 2002.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld bij het eerste lid verhogen.


Advies

De NHRPH is tevreden over het feit dat de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming opnieuw worden gekoppeld aan het bedrag van het leefloon. Hij hoopt dat met deze bepaling zal kunnen worden voorkomen dat de tegemoetkomingen voor personen met een handicap worden vergeten wanneer wordt beslist het leefloon te verhogen, zoals in het verleden reeds het geval was (zie onder andere het advies 2016-10 van 18 april 2016).

De NHRPH herinnert er ook aan dat werd beloofd het bedrag van de socialebeschermingsuitkeringen (leefloon, IVT en IGO), in 3 schijven, op te trekken tot het bedrag van de armoedegrens, waarbij rekening zal worden gehouden met de sociale voordelen om gevallen van inactiviteit en werkloosheid te beperken. Op die manier wordt de armoedegrens van deze uitkeringen sneller bereikt (zie: http://premier.fgov.be/sites/default/files/articles/PPWT%20NL_0.pdf.)

De NHRPH heeft meermaals verduidelijkingen hierover gevraagd, onder andere over de stand van zaken van dit dossier. De NHRPH heeft de tegenstrijdige berichten opgemerkt en betreurt in dit verband dat hij nooit coherente informatie van het Kabinet heeft gekregen (http://www.levif.be/actualite/belgique/les-allocations-n-atteindront-finalement-pas-le-seuil-de-pauvrete/article-normal-735473.html


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/10 - Ontwerp van omzendbrief IVT

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2018/10 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van omzendbrief betreffende de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018.


Aanvrager

Advies op verzoek van mevrouw Zuhal Demir


Onderwerp

Het ontwerp van omzendbrief heeft tot doel de artsen van de FOD Sociale Zekerheid bijkomende richtlijnen te bieden voor de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap. De toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming moet zo uniform mogelijk gebeuren bij alle evaluerende artsen zodat een gelijke behandeling van alle aanvragers gewaarborgd kan worden.


Analyse

Het ontwerp van omzendbrief bevat onder meer volgende elementen:

  • Om het verdienvermogen te evalueren, onderzoekt de evaluerende arts de concrete mogelijkheden van de persoon met een handicap om te functioneren op de algemene arbeidsmarkt, rekening houdend met zijn of haar resterende mogelijkheden en met de noodzaak van aanpassingen aan de werkplek en/of de nood aan begeleiding en structuur.
  • Inspanningen die door personen met een handicap worden geleverd om via een re-integratietraject of een herscholing werk te vinden of een baan te behouden, betekenen geen weigering of verlies van de erkenning voor een inkomensvervangende tegemoetkoming voor zover deze persoon met een handicap aan de voorwaarden van artikel 2, § 1 van de wet van 27 februari 1987 blijft voldoen.
  • Het feit dat een persoon met een handicap werkt (al dan niet in een maatwerkbedrijf, voorheen beschutte tewerkstelling) is geen doorslaggevend argument om de erkenning van de vermindering van het verdienvermogen tot 1/3 of minder in het stelsel van de inkomensvervangende tegemoetkoming te weigeren. Het hebben van werk impliceert immers niet noodzakelijk dat de persoon een 2/3 verdienvermogen heeft, noch dat zijn of haar toekomstige kansen op de algemene arbeidsmarkt niet beperkt zouden zijn.
  • Met andere woorden, voor zover de persoon met een handicap aan de voorwaarden van artikel 2, § 1 van de wet van 27 februari 1987 voldoet, is het feit dat deze persoon zich ondanks zijn of haar handicap in de mogelijkheid bevindt een inkomen uit arbeid te verwerven op zich geen reden om hem of haar niet te erkennen. De inkomsten uit arbeid worden wel administratief in mindering gebracht door de Directie-generaal Personen met een handicap.
  • Indien een persoon met een handicap zijn of haar werk verliest, dienen op dat moment zowel de resterende mogelijkheden van die persoon als zijn of haar nood aan aanpassingen aan de werkplek en/of aan begeleiding en structuur om verder te functioneren op de algemene arbeidsmarkt opnieuw onderzocht te worden.
  • Indien de arbeidsgeschiktheid van een persoon verbetert door revalidatie, behandeling of genezing en hierdoor het verdienvermogen van deze persoon hoger wordt dan 1/3, zal betrokkene niet langer meer voldoen aan de voorwaarden om de inkomensvervangende tegemoetkoming te krijgen.

Advies

In de eerste plaats vindt de NHRPH dat punt 1 van de omzendbrief niet correct is. De zin Deze omzendbrief biedt de artsen van de FOD Sociale Zekerheid bijkomende richtlijnen voor de beoordeling van de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap zou door de volgende zin vervangen moeten worden: Het ontwerp van omzendbrief heeft tot doel de artsen van de FOD Sociale Zekerheid bijkomende richtlijnen te bieden voor de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen in het kader van de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap.

Punt 9 van de Franse versie bevat de tekst van punt 8 en werd dus niet correct vertaald.

De NHRPH had meermaals vastgesteld dat de evaluerende artsen het begrip verdienvermogen verschillend interpreteerden. Sommige artsen vinden immers dat het hebben van werk tot niet-erkenning van de vermindering van het verdienvermogen leidt.

De NHRPH vindt dat het ontwerp van omzendbrief een stap in de goede richting is en dat het zou moeten kunnen bijdragen tot een uniformere interpretatie die beter aansluit bij de wet van 27 februari 1987. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt duidelijk dat niet de arbeidsongeschiktheid maar wel de vermindering van het verdienvermogen beoordeeld moet worden. Inspanningen van personen met een handicap om werk te vinden of te behouden, mogen niet bestraft worden.

De NHRPH benadrukt dat het belangrijk is dat de evaluerende artsen correct geïnformeerd worden. Deze omzendbrief moet ook extern verspreid worden (arbeidsrechtbanken, arbeidsauditoraten, artsen-experten voor de rechtbanken,...), bijvoorbeeld via de website van de Directie-generaal Personen met een handicap, maar ook via een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, een brief aan de arbeidsrechtbanken,...


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/06 - Begeleiding voor PMH in de DG HAN

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/06 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de procedure voor de erkenning van de handicap door de Directie-generaal Personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De NHRPH werd geïnterpelleerd over het probleem van dove personen die hun handicap willen laten erkennen bij de Directie-generaal Personen met een handicap (DGHAN).


Analyse

Om hun handicap te laten erkennen, moeten personen met een handicap eerst een formulier laten invullen door hun behandelende arts. In het bijzonder doven ondervinden problemen om met de arts te communiceren. Om optimaal te communiceren moeten zij dus een beroep doen op een gebarentolk.

Vervolgens worden personen met een handicap uitgenodigd op een onderzoek door een arts van de DG HAN. Ook hier is voor doven een gebarentolk noodzakelijk om het onderzoek goed te laten verlopen. De DG HAN probeert personen met een handicap weliswaar zo veel mogelijk te helpen, onder meer door een beroep te doen op een van zijn personeelsleden die zelf doof is, maar deze oplossing is verre van structureel. In veruit de meeste gevallen moeten dove personen dus vergezeld worden door een persoonlijke tolk voor eigen rekening ofwel moet alle communicatie schriftelijk verlopen.

Hetzelfde probleem doet zich voor wanneer dove ouders de handicap van hun kind willen laten erkennen.


Advies

De NHRPH is van mening dat de toegankelijkheid van de DG HAN gewaarborgd moet worden voor alle personen met een handicap, ongeacht hun handicap. De behoefte aan begeleiding is een zaak die alle personen met een handicap aangaat.

Er moeten dus assistenten komen voor dove personen (gebarentolken), blinde personen, personen met een lichamelijke handicap en personen met een verstandelijke handicap, zo nodig door bijvoorbeeld personeelsleden van de DG HAN hiervoor op te leiden.

De NHRPH herinnert eraan dat de DG HAN een overheidsdienst is en dat deze begeleiding dus gratis moet zijn voor personen met een handicap. Voorts dringt de NHRPH erop aan dat deze begeleiding ook verleend moet worden aan ouders met een handicap die de handicap van hun kind willen laten erkennen.


Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel; Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/05 - Uitstapzijde trein

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2018/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het aankondigen van de afstapzijde in de trein, uitgebracht tijdens de zitting van 19/02/2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Vanuit de sector van de visuele handicap is er vraag naar de aankondiging van de uitstapzijde in treinen bij de NMBS, zodat blinde en slechtziende personen tijdig en vlot de trein kunnen verlaten.


Analyse

Voor personen met een handicap is het treinverkeer van groot belang, maar vaak stellen zich toegankelijkheidsproblemen. Naast fysieke toegankelijkheid (obstakels voor rolstoelen, moeilijkheden om met een sensoriële handicap je weg te vinden, …) kan ook de informatie te weinig toegankelijk zijn. 

De NMBS heeft veel informatie (vertrek- en aankomsttijden, verbindingen, bestellen van tickets, …) al in toegankelijke formaten beschikbaar gesteld, ook voor personen met een sensoriële handicap, zoals mensen met een visuele of auditieve handicap. 

Moeilijker is het bij actuele informatie: vertragingen, spoorwijzigingen, noodsituaties enz. De NHRPH pleit er al langer voor om zulke acute informatie op zijn minst duidelijk visueel en auditief mee te delen. 

Zo ook in het geval van de uitstapzijde. Voor ziende personen stelt het herkennen van de uitstapzijde geen probleem. Anders is het voor mensen met een visuele handicap: zij moeten hun weg naar buiten zoeken en weten pas bij het openen van de deur of via de witte stok aan welke kant het perron zich bevindt. Op die manier verliezen ze tijd en hinderen ze ook andere reizigers. 

Blinde en slechtziende reizigers ervaren hierbij stress en angst, de angst om ongewild te worden meegevoerd naar een volgend station - waar ze niet bekend zijn met de omgeving en er desgevallend ook geen assistentie op hen wacht -, omdat ze mogelijk niet snel genoeg de deur en de knop om die te openen kunnen vinden. Deze situatie hypothekeert in grote mate hun mobiliteit. 

De NMBS liet weten dat de werking en regeling van het spoorverkeer in België niet toelaat om vooraf de uitstapzijde aan te kondigen. De spoortoekenning aan treinen die de stations binnenrijden wordt niet door de machinist beslist. De controle gebeurt in de signaleringscabine. Er gebeuren dan ook vaak spoorwijzigingen op het laatste moment die niet vooraf gekend zijn door de treinbegeleider. 

De NHRPH vindt dat geen valabel argument en vraagt de NMBS om in overleg met Infrabel en eventuele leveranciers van de juiste technologie een oplossing te zoeken.

Een goed praktijkvoorbeeld zijn de Nederlandse Spoorwegen (NS). In Nederland wordt de uitstapzijde systematisch vocaal meegedeeld in de trein. Bij een wijziging volgt ook een mededeling. Ook in Duitsland en andere landen gebeurt dit al. Van de blindensector heeft de NHRPH vernomen dat het systeem prima werkt en merkbaar tijdwinst oplevert bij het uitstappen, ook voor de andere passagiers.


Advies

  • De NHRPH vraagt de NMBS om in overleg met Infrabel en eventuele leveranciers van de juiste technologie een oplossing te zoeken voor het tijdig en toegankelijk aankondigen van de uitstapzijde in de trein. Het verdient aanbeveling om het voorbeeld van NS in Nederland te bestuderen. 
  • De NHRPH herhaalt dat ook de haltes tijdig vocaal en visueel moeten worden meegedeeld in de trein. Dat geldt ook voor een onvoorziene stop, want personen met een visuele handicap kunnen die verkeerdelijk als een officiële halte interpreteren en gedesoriënteerd raken.
  • Ook in stations en op de perrons is het belangrijk om tijdig toegankelijke actuele informatie mee te delen, zoals de plaats van de toegankelijke wagons en eersteklaswagons in de treinsamenstelling.
  • Dit advies kadert in een streven naar universele toegankelijkheid en dat vereist een geïntegreerde aanpak. Op het vlak van informatieverstrekking bij het gebruik van de trein wenst de NHRPH naast de aankondiging van de afstapzijde ook correcte actuele auditieve en visuele mededelingen: vertragingen, volgende haltes, wijzigingen, bijvoorbeeld via schermen en omroeping. Dat gebeurt nog niet systematisch. 
  • Idealiter wordt de uitstapzijde in elke vorm van openbaar vervoer meegedeeld. De NHRPH denkt daarbij in de eerste plaats aan de metro en de tram. De NHRPH is een voorstander van dialoog tussen de verschillende aanbieders van openbaar vervoer, ook in het kader van de intermodaliteit. 
  • De NHRPH vertegenwoordigt alle personen met een handicap op federaal niveau. Het is belangrijk om de sector van de handicap tijdig te raadplegen bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap. Dat is een grote groep: het WHO schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. 
  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Voor opvolging aan Infrabel;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2018/09 - Non-take-up

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Gezondheidszorg, Beschermingsmaatregelen, Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/09 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het armoederapport 2016 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH


Onderwerp

Om de twee jaar brengt het Brussels Observatorium voor gezondheid een armoederapport uit. In het rapport van 2016 wordt met name het toenemende fenomeen van 'non take-up' (niet-gebruik van bestaande rechten) geanalyseerd.

Op uitnodiging van de NHRPH heeft mevrouw Laurence Noël, die belast is met het rapport van 2016, op 15 januari 2018 twee van de vijf delen van dit rapport voorgesteld:

I. Inzichten in non take-up van de sociale rechten en in sociale onderbescherming in het Brussels Gewest - Thematische katern van het Armoederapport van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2016 (http://www.ccc-ggc.irisnet.be/sites/default/files/documents/graphics/rapport-pauvrete/thematisch_rapport_nl_2016.pdf) 

II. Gekruiste blikken - Katern met externe bijdragen van het Armoederapport van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2016 (http://www.ccc-ggc.irisnet.be/sites/default/files/documents/graphics/rapport-pauvrete/gekruiste_blikken_2016.pdf)


Analyse

De kernvraag in dit rapport luidt: is automatisering van rechten de oplossing voor toegang tot rechten?  

Het antwoord in het verslag is duidelijk negatief: het fenomeen is complexer. Aan de hand van een zeer uitgebreid PowerPointdocument legt mevrouw Noël uit dat non take-up een combinatie is van niet-kennen, niet-vragen, geen toegang, niet-voorstellen en 'zelfuitsluiting'. Het betreft dus beurtelings of gelijktijdig:

  • de toegang tot informatie en de geldigheid ervan;
  • de formaliteiten en procedures om de rechten te doen gelden;
  • het verschil tussen niet kunnen vragen en weigeren te vragen;
  • het behoud van de waardigheid versus belastende formaliteiten;
  • steeds frequenter en steeds langer geen toegang tot de rechten;
  • de cumulatie van mislukte afspraken, misverstanden;
  • de aaneenschakeling van zware eisen;
  • de kwaliteit van de communicatie en de relaties tussen instellingen;
  • het niet opvolgen van de dossiers;
  • dossierbehandelaars en andere actoren die niet op de hoogte zijn van de bestaande rechten;
  • institutionele factoren: gebrek aan tijd, kennis;
  • asymmetrie in de verhoudingen;
  • voorbarige uitsluitingen. 

Al deze fenomenen zijn een voedingsbodem voor non take-up in alle domeinen: huisvesting, opleiding, tewerkstelling, gezondheid en inkomen. Non take-up is grotendeels te verklaren door de organisatie van de administratie. 

In de studie worden verschillende aspecten onderzocht. Het aspect gezondheid is interessant vanuit het oogpunt van personen met een handicap en zieken: het RVV-inkomen (Rechthebbende Verhoogde Verzekeringstegemoetkoming) biedt een goede bescherming, maar voor het RVV-inkomen moet een brief verstuurd worden. Voor sommige dossiers is dit evenwel nooit gebeurd.


Mevrouw Noël licht in het bijzonder de situaties toe die toegang geven tot de rechten in het kader van de RVV-, IVT-, IT- en THAB-regeling. De situatie is schokkend:

Vaststellingen voor de RVV:

  • gevallen waarin rechten niet worden aangevraagd, met gevolgen: zorg/behandeling wordt uitgesteld of vindt niet plaats (onzekerheid op het vlak van kosten, kosten, mobiliteit, lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand, nood aan begeleiding, weigering van zorg, ...);
    gevallen van uitsluiting: hierdoor verliezen personen hun huisvesting, krijgen ze een negatieve evaluatie (versterking van controles en evaluatie van werkloosheid, ziekte, invaliditeit), onterecht betaalde bedragen, ...
    of de betrokkenen krijgen geen toegang: termijnen (wachttijd), administratieve fouten, zware drempeleffecten. 

Vaststelling in verband met de IVT/IT-regeling: 3/4 van de beslissingen was negatief voor de IVT en IT.

  Eerste aanvragen Positieve beslissingen
2011 3.246 903
2012 3.221 850
2013 3.440 836
2014 3.730 729
2015 3.775 854

 
Vaststelling in verband met de THAB-regeling: meer dan de helft van de beslissingen was negatief.

  Aanvragen Positieve beslissingen
2011 2.450 1.080
2012 2.245 1.144
2013 2.403 1.005
2014 2.438 1.039
2015 2.392 1.017

 

Vaststellingen in verband met de redenen van de weigering:

 

  IVT-IT THAB
Afwijzing op medische gronden 5.541 42% 1.218 18%
Extra inlichtingen ontbreken (geen reactie) 3.716 28% 1.999 29%
Te hoog inkomen  2.142 16% 2.425 36%
Heeft zich niet aangeboden voor het medisch onderzoek 488 4% 160 2%
Afwijzing nationaliteit 425 3% 73 1%
Bijkomend medisch attest ontbreekt 309 2% 38 0,5%
Overleden tijdens de situatie 264 2% 633 9%
Leeftijd onontvankelijk - 20 jaar 159 1%    
Administratieve intrekking 115 1% 230 3%
Andere (ambtshalve schrapping, medische intrekking, …) 83 1%    
Totaal  13.242 100% 6.776 100%

 

Het aantal afwijzingen (op medische gronden en wegens ontbreken van informatie) bedraagt 70 tot 80 % van de weigeringen. Dit kan een onoverkomelijke hindernis zijn en ontmoedigend werken. Ook indien om deze redenen een recht niet toegekend wordt, dan kunnen sommigen van deze personen nog steeds in aanmerking komen (uitsluiting van recht, geen toegang of niet-vragen). Deze personen zijn dus het slachtoffer van de tegenstrijdigheid tussen de onmiskenbare nood aan erkenning van rechten (het onbetwistbaar in aanmerking komen) en de omslachtige procedures, die een obstakel vormen voor de toegang tot de rechten. 

Het Observatorium heeft 18 terugkerende vaststellingen in de levensloop van personen opgemaakt:

  • Er zijn talrijke veranderingen van precaire statuten.
  • Er wordt van de ene precaire situatie naar de andere overgegaan.
  • Het activeringsbeleid leidt zelf tot situaties van niet-recht.
  • Het individu versus een overvloed aan instellingen.
  • Op het vlak van IVT/IT: de talrijke negatieve antwoorden zijn voornamelijk terug te voeren op drie soorten afwijzingen in verband met het niet-verstrekken van informatie.
  • Het is belangrijk de cijfers te vergelijken met de personen die in aanmerking komen.
  • De statuten zijn instabiel en steeds vaker precair.
  • De personen worden onzichtbaar in statuut en in rechten.
  • Alle actoren zijn verantwoordelijk voor het fenomeen.
  • Is automatisering een goede zaak? Digitalisering helpt bij het behandelen van dossiers, maar veel menselijke situaties lopen tegen bepaalde programma's aan. En dan is er nog vaak een aanvraag nodig. Automatisering staat veeleer ten dienste van de strijd tegen sociale fraude.
  • Er is geen menselijke opvolging om informaticafouten recht te zetten ...;
  • Er is nood aan menselijke controle en coördinatie tussen structuren.
  • Armoede en de duur van de situatie zijn uitputtend.
  • De gegevensuitwisseling tussen de Gewesten verloopt niet goed.

Hoe gerichter de aanpak, des te groter het aantal non take-ups. 

Tot slot wordt vastgesteld dat automatisering van gegevensuitwisseling niet leidt tot een grotere toegang tot rechten, omdat digitalisering en gegevensoverdracht

  • in de eerste plaats ten dienste staan van een versterkte controle;
  • tot een complex beheer leiden (uitdagingen op het vlak van analyse en beheer, omzetting van levenssituaties in wetten, en wijzigingen, fouten, niet-eensluidende gegevens);
  • administratieve regularisatie beperken, en tot een grotere afhankelijkheid van de systemen leiden om de documenten te leveren en de dossiers te behandelen.

Terwijl digitalisering in theorie de efficiëntie en beschikbaarheid van gegevens zou moeten bevorderen en verbeteren, zorgt digitalisering in de praktijk voor een grotere bewijslast, codeerfouten en blokkeringen wegens niet eensluidende gegevens.

De blokkeringen staan haaks op het recht op informatie, het recht om vragen te stellen, het recht op rechtstreekse en onrechtstreekse toegang, het recht op rechtzetting, ...

 
Om de uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, bevelen de geïnterviewden het volgende aan:

Met betrekking tot de automatisering:

  • geldige gegevens beschikbaar maken;
  • de gegevensuitwisseling meer coördineren;
  • een menselijke controle uitwerken;
  • vertrouwelijkheid verzekeren (impact op sociaal werk, sociaal onderzoek, privacy, ...);
  • snelle toegang tot de gegevens en onmiddellijke beslissing voor het (niet) in aanmerking komen;
  • het uitsluiten van rechten vermijden.

Met betrekking tot de non take-up van rechten:

  • de procedures en voorschriften vereenvoudigen;
  • de middelen van de overheidsdiensten, verenigingen en sociale diensten uitbreiden;
  • het systeem van sociale bescherming versterken en verbeteren;
  • de inkomens verhogen door een basisinkomen in te voeren;
  • de bijstand aan personen herzien;
  • de informatiestromen en toekenning van rechten automatiseren;
  • de informatiestromen ontwikkelen;
  • de kwaliteit van informatie, de behandeling en de communicatie verbeteren;
  • de opleiding van de actoren verbeteren;
  • maatregelen treffen, met name op het vlak van zorg, huisvesting en tewerkstelling;
  • niet besparen op sociale rechten.

Advies

De NHPRH benadrukt de kwaliteit en relevantie van de verzamelde gegevens, maar ook de relevantie van de focus van de analyse, namelijk de gevolgen van automatisering voor de toegang tot de rechten. De NHRPH steunt de meeste aanbevelingen. In dit advies zal hij zich niet uitspreken over de relevantie van het basisinkomen. Gezien de talrijke uiteenlopende theorieën moet immers eerst tot een akkoord over het kader en de concepten gekomen worden.

De NHRPH legt de nadruk op de situatie op het terrein, die verschrikkelijk en verontrustend is op het vlak van niet-toegang tot de rechten en de beperkingen die aan bod gekomen zijn in de studie over de automatisering van de rechten.

Hij wijst in het bijzonder op de specifieke situatie van personen met een handicap en zieken voor wie de handicap of ziekte het dagelijks leven onvermijdelijk en voortdurend lastig maakt. Administratieve tekortkomingen, veroorzaakt door de digitale administratieve ontwikkeling, zullen de leefomstandigheden en de toegang tot de rechten nog ingewikkelder maken.

Hoewel automatisering in een aantal situaties een voordeel kan zijn, stelt de NHRPH ook ongewilde gevolgen vast: de systemen houden de deur dicht voor kandidaten die in aanmerking komen, en laten rechthebbenden vallen wanneer zij niet meer in het administratieve model passen. Dit is ontoelaatbaar en neigt naar hypocrisie: er mag dan wel een socialebeschermings- en socialezekerheidsstelsel zijn, in de praktijk kan het bepaalde groepen mensen niet meer bereiken of behouden. De NHRPH herinnert aan de cijfers over de redenen van afwijzing (cf. tabellen op p. 3 en 4).

De NHRPH benadrukt de negatieve en alarmerende bevindingen in de studie van de situatie in Brussel, die des te verraderlijker zijn aangezien automatisering van de rechten ons al bijna twintig jaar voorgeschoteld wordt als dé oplossing voor een duurzaam en zeker behoud van persoonsgegevens en gemakkelijkere uitwisselingen om de rechten beter te erkennen.

De NHRPH herinnert eraan dat er al jaren universitaire en administratieve studies uitgevoerd worden (cf. lijst van 7 bladzijden met voornamelijk Belgische referenties op http://www.luttepauvrete.be/publications/colloq_nontakeup/litlijst.pdf) die het fenomeen van non take-up van rechten ontleden en aan de kaak stellen. Uit al deze studies blijkt dat het fenomeen van non take-up betrekking heeft op ALLE BURGERS EN ALLE DOMEINEN VAN HET LEVEN. Op basis van kruiscontroles kan aangenomen worden dat tot 30 % en meer van de verstrekkingen inzake tegemoetkomingen, tewerkstelling, onderwijs, huisvesting, gezondheid, cultuur enzovoort niet aangevraagd wordt. Voor het leefloon wordt de non take-up op 65 % geschat (https://www.febisp.be/files/LINSERTION/linsertion_108.pdf - cf. blz. 14).

Het fenomeen van non take-up neemt niet af. Integendeel: de laatste rapporten, in het bijzonder het voorliggende rapport over Brussel, laten een nieuwe realiteit zien: de fases van niet-kennen, niet-vragen, geen toegang, niet-voorstellen en 'zelfuitsluiting' brengen de persoon die in aanmerking komt en zijn omgeving vaak, bedoel of niet, in een situatie van rechteloosheid.

De NHRPH vindt deze situatie totaal onaanvaardbaar.

Hij roept alle beleidsniveaus op terug te keren naar de oorspronkelijke vormen en prioriteiten van de automatisering.

  1. Ten eerste de automatische opening van een recht waarbij de overheid, zonder voorafgaande vraag, onderzoekt of iemand al dan niet in aanmerking komt voor een bepaald recht op basis van de beschikbare informatie en dit recht vervolgens toekent indien aan de voorwaarden voldaan wordt.
  2. Identificatie als mogelijke rechthebbende: de overheidsdienst identificeert een persoon als mogelijke rechthebbende, informeert deze hierover met het verzoek de nodige informatie te verstrekken om het dossier te kunnen openen en uiteindelijk ook de rechten te kunnen toekennen.
  3. Automatische actualisering: zodra een persoon gekend is door de bevoegde overheidsdienst, wordt automatisch onderzocht of zich wijzigingen in de situatie voorgedaan hebben die aanleiding kunnen geven tot wijzigingen in de toegekende rechten, nl. het al dan niet verlengen ervan.
  4. Administratieve vereenvoudiging: heeft tot doel de aanvraagprocedures te vereenvoudigen.

De NHRPH herinnert ook aan zijn algemene standpunt en de aangevoerde elementen toen hij gehoord werd door de Commissie voor sociale zaken over de automatisering van de toegang tot de sociale rechten - Voorstel van resolutie betreffende de automatisering van de toegang tot de sociale rechten - DOC 54 1376/001 van 14 oktober 2015.

/nl/news/toegang-tot-sociale-rechten-de-nhrph-heeft-zich-uitgesproken-in-de-kamer   

De NHRPH had in 2016 gewezen op het belang van dit voorstel van resolutie, en vond dat het steun verdiende wanneer aan een aantal criteria voldaan werd: overbodige en/of moeilijke stappen voor de betrokkene vermijden door zijn risico's zo veel mogelijk te beperken en zijn persoonlijke keuze te respecteren.

De NHRPH had onder meer volgende positieve elementen aangestipt:

  • een betere sociale bescherming voor de betrokken personen;
  • minder formaliteiten voor de persoon die in aanmerking komt;
  • een administratie die beter toegankelijk is voor de burger;
  • kortere behandelingstermijnen;
  • minder administratieve rompslomp dankzij controles achteraf.

De NHRPH heeft ook de nadruk gelegd op een aantal punten die bijzondere aandacht verdienen, net om te voorkomen de negatieve gevolgen de positieve zouden elimineren:

  • behoud van de individuele vrijheid van de persoon;
  • noodzaak om bijzondere aandacht te besteden aan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (bescherming van de privégegevens enerzijds en medische gegevens anderzijds); dit blijft een hoeksteen, waarover geen discussie mogelijk is;
  • toegenomen risico op fouten, met onverschuldigde bedragen en terugbetalingen als gevolg;
  • bij elke opening van rechten moet van meet af aan rekening gehouden worden met alle mogelijke rechthebbenden; er moeten dus voldoende middelen uitgetrokken worden;
  • integratie van de ongewilde gevolgen van 'alles met de computer': voor heel wat personen blijven de nieuwe technologieën enkel een communicatie- en informatiemiddel, geen beheermiddel; digitale inclusie omvat niet alleen toegankelijkheid van het instrument, maar ook toegankelijkheid van de informatie die via dit instrument verstrekt wordt;
  • wat de regelgeving betreft: zich stelselmatig afvragen welke impact de overwogen maatregel heeft op de naleving van de grondrechten, in het bijzonder voor personen met een handicap en personen die in armoede leven. Dit is ook een pertinente vraag bij het evalueren van de aangenomen maatregelen.

De NHRPH hamerde er sterk op dat het idee van automatisering weliswaar principieel interessant is, maar het kan de gevolgen van ons bijstandsstelsel, dat bijzonder ingewikkeld is en steeds ingewikkelder wordt, op zich niet tenietdoen: naast automatisering zijn nog andere mechanismen en maatregelen nodig om het uitvoeren van de rechten te ondersteunen. De NHRPH wees in het bijzonder op de interministeriële conferenties die nieuw leven ingeblazen werden, op de noodzaak om samenwerkingsakkoorden af te sluiten met het oog op nationale armoedebestrijdingsplannen en de inclusie van personen met een handicap, en op de noodzaak om de dimensie 'uitvoering van de mensenrechten' centraal te stellen in de wetgevende en beleidsmaatregelen. Net zoals de regering een ambitieus tewerkstellingsplan met sterke maatregelen en termijnen opgezet heeft, is een ambitieus en concreet uitgewerkt armoedebestrijdingsplan nodig. Het kan niet dat er nog steeds beleidslijnen en acties uitgestippeld worden die naast elkaar bestaan en niet met elkaar overeenstemmen. Zonder nieuwe, krachtige en geïntegreerde maatregelen zullen armoede en uitsluiting, ook van personen met een handicap en zieken, verder blijven toenemen (cf. advies 2016-06).

Twee jaar later herinnert de NHRPH meer dan ooit aan zijn bezorgdheid en hamert hij op volgende punten: 

Er zijn grenzen aan het inkrimpen van personeel en overheidsmiddelen. Evenzo zijn er grenzen aan het responsabiliseren wanneer er onvoldoende of te uiteenlopende kennis en bevoegdheden zijn.

In plaats daarvan moet – meer dan ooit in deze maatschappelijk onzekere tijden – het netwerk van maatschappelijk assistenten en ervaringsdeskundigen ontwikkeld worden, maar ook het aantal werknemers zodanig uitgebreid worden dat de dossiers volledig en correct behandeld kunnen worden.

Automatisering van rechten is een deel van het antwoord op de noden: persoonlijke begeleiding moet versterkt worden, omdat op die manier een totaalbeeld van de crisissituatie verkregen kan worden, en er globaal of indien nodig specifiek werk van gemaakt kan worden, watautomatisering uiteraard niet vermag. Hervormingen van de overheidsdiensten gaan niet in die richting en leiden tot kwaliteitsverlies. Erger nog: de meest kwetsbare burgers kunnen niet meer "gevonden" worden. Ter herinnering: 1/3 van de personen die van werkloosheidsuitkeringen uitgesloten zijn en die nog geen werk gevonden hebben, worden niet langer sociaal beschermd. 

De NHRPH benadrukt in het bijzonder de begeleiding van personen die wegens een handicap of ziekte kwetsbaar geworden zijn. Persoonlijke en menselijke begeleiding is soms een noodzaak, vaak zelfs de enige toegangspoort tot hun rechten (cf. ook advies 2016-08 over de noodzaak om het loket van de DG PH te behouden).

Automatisering moet een instrument blijven voor inclusie en "herstel". Zij mag de inclusie van personen in de maatschappij niet belemmeren. Personen zonder rechten worden onzichtbaar; onzichtbaarheid leidt tot marginalisatie en achteruitgang. Toegang tot rechten maakt waardigheid en emancipatie mogelijk. Op het gebied van sociale cohesie heeft de samenleving er alle baat bij iedere burger de instrumenten ter beschikking te stellen die nodig zijn voor zijn ontwikkeling en zijn maatschappelijke betrokkenheid.

De NHRPH herinnert eraan dat België zich in 2010 ertoe verbonden had 380.000 personen tegen 2020 uit de armoede te helpen (adviezen 2010-10 en 2016-07).

Meer dan ooit kan automatisering van rechten een belangrijke hefboom zijn om deze uitdaging aan te gaan, ofwel integendeel uitsluiting en armoede verergeren en versnellen.

De NHRPH verwacht van de Minister van Digitale Agenda dat hij de automatisering zo uitwerkt dat iedereen toegang tot zijn rechten heeft en kwetsbare personen – in het bijzonder personen met een handicap, die uiteraard niet altijd de mogelijkheid hebben om de traditionele administratieve procedures tot een goed einde te brengen – begeleid kunnen worden. 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Digitale Agenda;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan Unia;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 11

Advies 2018/08 - Dossierbeheer DG HAN

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Digitale kloof, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/08 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het dossierbeheer bij de Directie-generaal Personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

De afgelopen jaren heeft de Directie-generaal Personen met een handicap (DG PH) zijn IT-instrumenten voor het dossierbeheer en de communicatie met de verschillende partijen alsook de organisatie van het werk en het beheer van de werknemers herzien.

De NHRPH hoort nog steeds veel klachten van personen met een handicap en professionelen, zowel dossierbeheerders bij de DG als externe professionelen (ziekenfondsen, gemeenten, OCMW's, Unia, ...).

De informatieambtenaar van de FOD Sociale Zekerheid heeft een uitvoerige brief met voorbeelden persoonlijk aan de voorzitster van de NHRPH gericht.

De NHRPH heeft de heer André Gubbels, directeur-generaal van de DG PH en de heer Frank Van Massenhove, voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid, verzocht verslag uit te brengen over de huidige situatie bij de DG PH.


Analyse

Tijdens de plenaire vergadering van 15 januari 2018 heeft de NHRPH de heer Gubbels ontvangen. De heer Van Massenhove heeft niet gereageerd op de uitnodigingsbrief van de NHRPH en is niet komen opdagen.

De heer Gubbels zet de bevindingen uiteen die volgens hem de huidige situatie verklaren:

  • In maart en april 2017 was de situatie rampzalig.
  • Inmiddels werden de informaticagegevens weer in het oude computersysteem ingevoerd, en worden er weer dossiers behandeld.
  • Tegelijkertijd werden de Nederlandstalige aanvragen voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) behandeld door de Vlaamse ziekenfondsen (behalve het medische deel).
  • Deze situatie leidde tot 60.000 uren overwerk.
  • Thans is de situatie stabiel: het aantal binnenkomende en uitgaande dossiers is in evenwicht.
  • Telefonie: van de 1.300 oproepen per dag worden er 700 beantwoord. Om de oproepen beter te kunnen beantwoorden, werd een toerbeurt onder de beheerders in het leven geroepen.
  • Er werden 35 personen in dienst genomen. 

Ter afronding meldt hij dat

  • de brief van de informatieambtenaar nodeloos alarmerend is;
  • hij hervormingen doorvoert, waardoor personen met een handicap in sommige gevallen hun dossier zelf zullen kunnen helpen beheren;
  • hij evenwel niet kan garanderen dat de beoogde veranderingen resultaten zullen opleveren, omdat de situatie niet gemakkelijk is. 

De vertegenwoordigster van de Eerste Minister heeft volgende opmerkingen:

  • Het verslag van de informatieambtenaar strookt volledig met wat het kabinet van de Eerste Minister vastgesteld heeft op basis van klachten van burgers.
  • Sinds september zijn telkens dezelfde uitleg en rechtvaardigingen te horen.
  • Er zijn overal besparingen op de personeelsbegroting.
  • Ondanks specifieke schriftelijke vragen over het dossierbeheer zijn de antwoorden vaag of blijven ze uit.
  • Er mag niet zomaar aanvaard worden dat uitkeringsgerechtigden of aanvragers steeds meer moeten helpen bij het opstellen van hun dossier.
  • De algemene situatie is rampzalig, uit de hand gelopen, zonder uitzicht op verbetering.

Advies

De NHRPH neemt nota van de objectief gezien rampzalige situatie. De situatie is des te zorgwekkender daar de laatste adviezen van de NHRPH over de DG PH van vorig jaar dateren, en de analyse en vaststellingen van toen nog steeds van toepassing zijn (cf. meer bepaald advies 2017-03 en advies 2017-13). 

De NHRPH begrijpt dat de ontoereikendheid van de informaticatool tot deze situatie bijgedragen heeft, maar herinnert er wel aan dat hij in het verleden herhaaldelijk heeft aangedrongen op voorzorgsmaatregelen om deze omschakeling te doen slagen, want de NHRPH was zich terdege bewust van de uitdagingen die bij het invoeren van dergelijke nieuwe tools horen.

Uit wat op de vergadering gezegd wordt, leidt de NHRPH ook af dat niet alle problemen terug te voeren zijn op de ontoereikendheid van de informaticatool. 

De NHRPH prijst nogmaals de vastberadenheid van de werknemers van de DG PH. De directie zelf erkent dat de personeelsleden enorm inschikkelijk zijn en onder abnormaal hoge druk stonden: het aantal burnouts is niet meer bij te houden. De NHRPH stelt vast dat in 2017 enorm veel overuren gepresteerd werden: 60.000! 

Voor de NHRPH blijkt thans duidelijk dat de organisatie die door de directie opgezet is, het niet mogelijk maakt de doelstellingen van de administratieve, sociale en medische dienstverlening te verwezenlijken.

Door de huidige taakverdeling kunnen de dossiers niet efficiënt beheerd worden:

  • Er wordt nog steeds te sporadisch op de mails geantwoord.
  • De antwoorden zijn tegenstrijdig naargelang het kanaal en tijdstip van communicatie.
  • De behandelingstermijnen zijn abnormaal lang. Voor heel wat dossiers duurt het één tot twee jaar vooraleer ze behandeld zijn.
  • Er zijn wezenlijke verschillen in behandelingstermijn naargelang het geografische gebied (cf. advies 2017-03).

Geen enkele taak kan thans naar behoren uitgevoerd worden. Erger nog: de manier waarop dossiers beheerd worden, leidt tot discriminatie onder de burgers: in sommige regio's, die reeds sociaal achtergesteld zijn, duurt het maanden tot zelfs jaren vooraleer het dossier behandeld is.

De NHRPH wijst er ook op dat in 2017 de overdracht van het beheer van de THAB in Vlaanderen afgerond werd. Hierdoor kregen de Nederlandstalige teams niet meer werk, maar moesten zij zich integendeel focussen op de IVT/IT-dossiers. 

De NHRPH herinnert eraan dat 

  1. personen met een handicap de eerste slachtoffers van armoede zijn (http://www.belspo.be/belspo/fedra/proj.asp?l=nl&COD=AG/KK/154#docum);
  2. personen met een handicap moeilijk spontaan hun rechten doen gelden (http://www.ccc-ggc.brussels/nl/observatbru/publications/2017-welzijnsbarometer en advies 2016-06);
  3. de erkenning van een handicap voorwaardelijk toegang geeft tot een tegemoetkoming, maar ook tot afgeleide rechten waarmee de betrokkene in heel wat situaties hooguit aan zijn primaire behoeften kan voldoen; aangezien deze afgeleide rechten vaak zonder terugwerkende kracht toegekend worden, worden personen met een handicap nog meer benadeeld door de lange behandelingstermijnen;
  4. de OCMW's intussen vaak tijd en middelen moeten inzetten om deze personen te ondersteunen.

De NHRPH herinnert eraan dat een steeds verdergaande digitalisering van dossiers voor sommige personen een reëel risico inhoudt! De digitale kloof is een realiteit: veel burgers hebben geen toegang tot het internet. Zij die wel toegang hebben, zijn daarom nog niet in staat om hun aanvraag of dossier zelf te beheren.

De NHRPH herinnert aan de inhoud van zijn eerdere adviezen, waarin de nadruk gelegd werd op de nood aan dringende hervormingen op het vlak van

De NHPRH heeft ook de opeenvolgende staatssecretarissen geïnterpelleerd over de rampzalige situatie bij de DG PH, nu eens tijdens persoonlijke ontmoetingen tussen het bureau van de NHRPH en de opeenvolgende staatssecretarissen, dan weer tijdens de maandelijkse vergaderingen van het bureau van de NHRPH met de vertegenwoordiger van het kabinet van de staatssecretaris, of ter gelegenheid van het onderzoek van de algemene beleidsnota's die voorgelegd werden aan het Parlement (cf. meer bepaald advies 2016-02, advies 2016-17, advies 2017-06 en advies 2017-16).

De NHRPH vraagt de overheid een laatste keer de nodige maatregelen te treffen om de kwaliteit van het werk weer centraal te stellen bij de diensten van DG PH. Hij pleit voor een verantwoordelijke en kwaliteitsvolle werkorganisatie die zowel samenwerking binnen het team als individueel werk toelaat. Hij onderstreept het belang van een degelijke en permanente opleiding voor de personeelsleden, ongeacht of zij dienstanciënniteit hebben of recent in dienst genomen werden, maar ook de noodzaak om naar hun behoeften en expertise te luisteren.

Alle studies en vaststellingen bevestigen dat armoede terrein wint. De Staat moet dringend reageren op de benarde situatie van tienduizenden personen met een handicap voor wie de erkenning van de tegemoetkomingen en afgeleide rechten gewoonweg een kwestie van overleven is.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter opvolging aan de heer André Gubbels, directeur-generaal,
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/03 - Postkantoren

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen

Advies nr. 2018/03 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toegankelijkheid van de postkantoren, uitgebracht tijdens de zitting van 19/02/2018.


Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Op 17/05/2017 nodigde bpost een delegatie van de NHRPH uit voor een vergadering over de toegankelijkheid van de dienstverlening van bpost. Aanleiding waren de bezwaren die de NHRPH had m.b.t. het nieuwe beheersplan van bpost (zie advies 2016-11) en de gebrekkige toegankelijkheid van postkantoren en postpunten. Bpost heeft de NHRPH vervolgens uitgenodigd voor 2 bezoeken aan lokale nieuwe postkantoren (Hannut op 04/10/2017 en Elsene op 18/10/2017), beide ingericht volgens hetzelfde concept. De NHRPH waardeerde deze blijk van goede wil en ging erop in. Toch stelde de NHRPH vast dat er toch nog heel wat te verbeteren viel.


Analyse

De volgende jaren gaat bpost de postkantoren toegankelijker maken volgens een bepaalde standaard. Hoewel bpost reeds een toegankelijkheidsbeleid voor personen met een handicap heeft, stelt de NHRPH vast dat het ontwikkelen en uitvoeren ervan gebeurt zonder systematische raadpleging van de sector van de handicap, waardoor de toegankelijkheid in de praktijk toch vaak tekortschiet. 

De NHRPH had er in zijn advies 2016-11 al op gewezen dat het nieuwe beheerscontract van bpost een doorslagje was van de vorige versie, waarbij niet-gehaalde doelstellingen gewoon een latere deadline kregen. De NHRPH verwacht wat meer ambitie van bpost op dat vlak, zeker op het vlak van toegankelijkheid.

De NHRPH hecht weinig geloof aan de bewering van Minister Alexander De Croo dat 591 postkantoren op de 662 reeds volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap. De NHRPH vermoedt dat bpost daar haar eigen criteria voor hanteert. De toegankelijkheid van de postkantoren zou door een externe technische instantie moeten worden geverifieerd. Daarbij denkt de NHRPH aan de regionale technische koepels: CAWaB (Wallonië-Brussel) en Inter (Vlaanderen). 

Ook het standaardmodel voor de postkantoren van bpost zou extern moeten worden getoetst op het vlak van toegankelijkheid. Uiteraard moeten ook de heersende stedenbouwkundige toegankelijkheidsreglementeringen worden gevolgd. Die kunnen regionaal verschillen.

Een kwetsbaar punt is de toepassing van dit standaardmodel op locatie, vooral bij gehuurde of gedeelde gebouwen, maar ook bij oudere en historische panden. Die gebouwen zijn niet altijd zijn ontworpen met het oog op de toegankelijkheid voor personen met een handicap. Nochtans horen diensten van openbaar nut toegankelijk te zijn. Ook bestaat daar een dwingend wettelijk kader voor. Denk maar aan de wet op de redelijke aanpassingen, het door België en de Gemeenschappen en Gewesten geratificeerde VN-verdrag inzake de rechten van de personen met een handicap en de verschillende gewestelijke reglementen inzake toegankelijkheid van gebouwen van openbaar nut.

De NHRPH is in de eerste plaats een adviesorgaan. Voor technische analyses verwijst de NHRPH naar de technische structuren inzake toegankelijkheid: CAWaB voor Wallonië en Brussel en Inter voor Vlaanderen. Toch stelde de delegatie van de NHRPH zelf heel wat technische tekortkomingen vast die de toegankelijkheid in de weg staan.

De volgende lijst met aandachtspunten is dus niet exhaustief, te meer omdat er slechts twee postkantoren zijn bezocht. De algemene bevinding was wel dat de bezochte postkantoren onvoldoende toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Het valt te verwachten dat de situatie in andere postkantoren vergelijkbaar is. De oplijsting geeft wel een idee van de algemene problematiek. 

Doorloop van model: aandachtspunten

A. Voorgevel + toegang

-Buiten moet er een toegankelijke en veilige brievenbus zijn (wat niet het geval was in Hannut). De brievenbus moet met de witte stok vindbaar zijn voor blinden en mag niet te hoog hangen. Loshangende brievenbussen kunnen een risico op botsen inhouden voor blinden en hangen soms ook buiten het bereik van personen in een rolstoel.

-Er moet een ononderbroken (natuurlijke of aangelegde) geleidelijn naar de ingang zijn.

-Plaats geen obstakels die de doorgang en de geleidelijn hinderen, ook geen tijdelijke, zoals marketingstands, hinderlijke hangende constructies, vuilnisbakken, vuilniszakken, … Vooral obstakels die niet vanop de grond met de stok kunnen worden opgemerkt houden een gevaar in voor personen met een visuele handicap.

-De toegang moet drempelvrij zijn. Een eventuele helling kan, op voorwaarde dat die in overeenstemming is met de regionaal voorgeschreven maximale hellingspercentages voor (toegangs)wegen voor voetgangers. Dat is belangrijk voor gebruikers van krukken, rollators en rolstoelen, maar ook voor blinden en slechtzienden. (In Hannut was er een drempel én een helling van 21,9%…).

-De deur moet voldoende licht- en kleurcontrast hebben, zeker als het om een glazen deur gaat die in een glazen muur zit. De zone nabij de deur moet voldoende verlicht zijn. De deur zelf moet in voldoende contrast zijn met de aangrenzende muren. Glazen deurpanelen en wanden moeten van ontspiegeld glas zijn. Tevens dienen ze uitgerust te zijn met contrastmarkeringen zodat slechtziende personen niet tegen de glazen deur of wand oplopen.

-De deur moet vlot opengaan. Installeer bij voorkeur een automatisch openschuivende deur. Deze is het meest toegankelijk voor alle doelgroepen. (In Elsene was de ‘toegankelijke’ deur stroef en smal.) 

B. Maanzone (onbemande ruimte met automaten, vooraan en vaak langer toegankelijk dan het achterliggende kantoor)

-De automaten moeten bereikbaar en toegankelijk in het gebruik zijn (toegankelijk voor rolstoelen, tactiele indicaties op klavier voor mensen met een visuele handicap, headsets voor vocale ondersteuning bij bankverrichtingen, veiligheid, …)

-Uitkijken met matten! (In Elsene was er struikelgevaar door een losliggende mat.)

-Opmerking: In documentatie van bpost lezen we dat de enige toegelaten deuren in de maanzone de toegangsdeur naar buiten en de deur naar de publieksruimte zijn. In Elsene was er nochtans een tweede toegangsdeur zonder drempel voor rolstoelgebruikers, wat een goede zaak was in die situatie, al volstaat één toegankelijke deur natuurlijk ook.

-Het is positief dat deze ruimte lang open blijft (van 6u tot 23u).

C. Publieksruimte

-De standaardloketten zijn te hoog voor rolstoelgebruikers. Het loketpersoneel zit dan ook nog op een verhoogde vloer, wat intimiderend is. Bovendien kan een rolstoel niet tot vlakbij het loket rijden.

-In Elsene was er een verlaagd loket voor de aflevering van pakketten. Dat is helaas niet overal het geval. Wel was het ook daar niet mogelijk om er met de rolstoel onder te rijden.

-Het kan volstaan om één loket toegankelijk te maken voor rolstoelgebruikers: een laag loket waar de rolstoel deels onder kan rijden zodat de persoon in de rolstoel aan het loket kan om te tekenen, te betalen, enz. Obstakels op het bureaublad moeten worden vermeden. De NHRPH verwijst naar de regionale reglementeringen voor de standaardmaten van loketten voor rolstoelgebruikers.

-Voor sensoriële handicaps kan een ‘gewoon’ loket worden aangepast zodat blinde en slechtziende personen de weg er naartoe vinden (volgens de context: vindbare info in braille en grootdruk, natuurlijke geleidelijn of podotactiele tegels, …). Ringleiding maakt het loket toegankelijk voor slechthorende personen. Loketten zonder glazen wand genieten de voorkeur voor de communicatie tussen klant en loketbediende. Indien de loketbediende zich toch achter een glazen wand bevindt, moet die wand van ontspiegeld glas zijn.

-De Waiting Queue ticketautomaat moet goed te vinden zijn voor blinde en slechtziende personen. Deze dient in elk postkantoor op eenzelfde plaats te staan. Uniformiteit op dat vlak is belangrijk. Een toegankelijke automaat deelt het beurtnummer visueel en vocaal mee. Wanneer de persoon aan de beurt is, moet dit nummer ook worden afgeroepen, al dan niet automatisch. Een extra aanduiding in braille kan ook, maar niet alle personen met een visuele handicap beheersen braille. Enkel een visuele mededeling op een scherm, vergezeld van een geluidssignaal zonder vocalisatie is onvoldoende. (Deze voorzieningen waren er niet in Hannut of Elsene.)

-Cijfers die worden getoond op een display dienen voldoende groot te zijn (in verhouding tot de leesafstand) en in een goed contrast met hun achtergrond.

-Ook de bureaus of tafels waaraan de klanten zelfstandig kunnen werken (brieven voorbereiden, enz.) moeten toegankelijk zijn, bijvoorbeeld ‘onderrijdbaar’ voor gewone en elektrische rolstoelen. (In Elsene waren sommige meubels toegankelijk.)

-Het kantoorvertrek voor individuele ontvangst van klanten was op beide locaties goed tot zeer goed toegankelijk.

-De stand voor de verdeling van enveloppen was op beide locaties deels toegankelijk. Wat zich te hoog of te ver bevindt valt buiten het bereik van rolstoelgebruikers.

-Ook voor personen met een handicap moeten de noodprocedures en nooduitgang toegankelijk zijn. Een nooduitgang van 80cm is te smal. De breedte en hoogte van binnendeuren en deuren voor nooduitgangen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de regionale toegankelijkheidswetten en de federale wet aangaande de evacuatie bij brand- en ontploffingsgevaar. Overigens verkiest de NHRPH een minimumbreedte van 90cm, zoals in Vlaanderen (Toegankelijkheid Publieke Gebouwen Vlaanderen, art 22-26).

-Mocht het zo zijn dat op bepaalde plaatsen aanpassingswerken niet (meteen) mogelijk zijn, dan kunnen tijdelijke en/of verplaatsbare installaties zoals verrijdbare hellingen soelaas bieden.


Advies

  • De NHRPH vraagt bpost om rekening te houden met de vele opmerkingen die hierboven in het deel ‘Analyse’ zijn geformuleerd; Hoewel de lijst met opmerkingen niet exhaustief is, bevat die veel relevante aandachtspunten in het kader van de toegankelijkheid van postkantoren.
  • De reglementering inzake toegankelijkheid verschilt van Gewest tot Gewest. Met het oog op de uniformiteit raadt de NHRPH aan om steeds de strengste reglementering te kiezen.
  • Voor het uitwerken van technische oplossingen vraagt de NHRPH bpost om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.
  • bpost moet erover waken dat haar huisstijl (rood en wit, logo, eigen meubilair en brievenbussen, …) niet in conflict komt met de toegankelijkheid van de kantoren en dienstverlening. Er moet immers ook rekening gehouden worden met kleur- en lichtcontrasten en het modelmeubilair moet toegankelijk zijn. 
  • Ook moet er bij de renovatie, aanpassing of inplanting op een specifieke locatie steeds voor worden gezorgd dat het model wordt ingepast met aandacht voor de toegankelijkheid. De NHRPH is van oordeel dat bpost moet kiezen voor toegankelijke gebouwen, ook wanneer de gebouwen worden gehuurd. Het feit dat het om een gemeenschappelijke of gehuurde ruimte gaat mag niet dienen als excuus voor een gebrekkige toegankelijkheid. 
  • De NHRPH denkt behalve aan de reguliere postkantoren ook aan de zogenaamde postpunten waar je elementaire postgerelateerde handelingen kunt verrichten: brieven en pakjes afhalen of afleveren, postzegels kopen, enz. Het gaat in de praktijk om dagbladhandels, warenhuizen, benzinestations, enz. bpost moet erover waken dat die postpunten – die buiten het beheer van bpost vallen – ook toegankelijk zijn of dat er een toegankelijk alternatief in de buurt is. 
  • De NHRPH heeft er begrip voor dat niet alle kantoren in één dag volledig toegankelijk worden gemaakt, maar vraagt wel dat bpost in een volgehouden dialoog met de handicapsector - dus van conceptie tot ingebruikneming - een toekomstgericht project aanvat om alle postkantoren toegankelijk te maken. Het is immers belangrijk dat de verenigingen die personen met een handicap vertegenwoordigen worden betrokken bij toegankelijkheidsplannen. Het is een grote groep: het WHO schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. Opgelet, er moet rekening worden gehouden met alle types van handicap: sensorieel, fysiek, verstandelijk, …
  • De NHRPH heeft zijn principes inzake toegankelijkheid en mobiliteit voor allen verzameld in zijn positienota Toegankelijkheid en mobiliteit van december 2015. Dat document bevat de algemene visie van de NHRPH op toegankelijkheid en kan als toetssteen dienen.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan bpost;
  • Voor opvolging aan de heer Alexander De Croo, Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2018/04 - Toekomst van het secretariaat

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2018/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende de toekomst van het secretariaat van de NHRPH en het BDF, via e-mail goedgekeurd op 14 februari 2018.


Aanvrager

Advies verstrekt op initiatief van de NHRPH.


Onderwerp

Om de continuïteit van de activiteiten van de NHRPH en het BDF (Belgian Disability Forum) te waarborgen, moeten deze twee organen over een efficiënt secretariaat kunnen beschikken.


Analyse

In 2017 bracht de NHRPH 19 adviezen uit. In datzelfde jaar publiceerde de Raad een zeer gedetailleerde positienota over het zorg- en begeleidingskader dat tegemoetkomt aan de noden van personen met een handicap en patiënten met een chronische aandoening.

De Raad doet echter veel meer dan adviezen formuleren. De afgelopen tien jaar heeft de Raad zich, op verzoek van het beleid of op initiatief van zijn leden, gebogen over alle actuele of principiële kwesties (met betrekking tot de federale bevoegdheden) die (mogelijks) van invloed zijn op de autonomie en participatie van personen met een handicap in de samenleving. 

De NHRPH is tevens het belangrijkste aanspreekpunt van het BDF voor alle Europese dossiers die in België geïmplementeerd moeten worden. Zo wordt de NHRPH opgeroepen zijn standpunten kenbaar te maken in een zeer breed domein dat betrekking heeft op het recht op gezondheid, werk en inkomen, de strijd tegen armoede en uitsluiting, het politieke leven en justitie, mobiliteit, enz.

De NHRPH heeft erkenning gekregen als een belangrijke speler binnen het maatschappelijk middenveld en is een forum geworden waar overheid en personen met een handicap elkaar ontmoeten. Dankzij regelmatige contacten met verschillende actoren (beleidscellen, de DG Personen met een handicap, NMBS, UNIA, ...) slaagt de Raad erin om de juiste mensen samen te brengen, problemen op te sporen, oplossingen voor te stellen en zo bij te dragen tot de politieke besluitvorming.

De NHRPH wordt regelmatig door diverse actoren op het terrein verzocht om als partner samen te werken aan specifieke projecten en om als deskundige inzake de autonomie en inclusie van mensen met een handicap deel te nemen aan tal van externe comités en/of werkgroepen.

Daarnaast is de NHRPH vertegenwoordigd in verschillende organen, al dan niet officieel. In 2017, bijvoorbeeld, namen leden van de Raad van de NHRPH en/of het BDF deel aan 173 vergaderingen, die telkens door het secretariaat werden voorbereid en opgevolgd. Waar mogelijk wordt het lid van de NHRPH of van het BDF vergezeld door een lid van het secretariaat.

De huidige sterktes van de NHRPH zijn de volgende:

  • De NHRPH heeft een officiële structuur en een wettelijk statuut (artikel 20 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap; koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap);
  • Dankzij zijn aanhechting bij de DG Personen met een handicap (DGHAN) van de FOD Sociale Zekerheid, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van een Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap, staat de Raad dicht bij de wereld van de handicap, maar is tegelijk zijn autonome werking gewaarborgd;
  • De NHRPH heeft belangrijke banden met andere instanties. Hij werkt samen met verschillende instellingen (op regionaal, federaal, interfederaal, Europees en internationaal niveau), maar is ook - officieus of officieel - vertegenwoordigd in verscheidene van deze instellingen. De Raad is met name officieel vertegenwoordigd in de Begeleidingscommissie van UNIA, de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap (BCAPH), het Raadgevend Comité van de treinreizigers, de Federale Commissie voor de verkeersveiligheid en de Technische Raad voor rolstoelen van het RIZIV;
  • De NHRPH heeft momenteel een politiek secretariaat, maar dan in de zin van "Politeia" en niet van "Politikè": het gaat om een team dat sterk gespecialiseerd is op het vlak van handicap, en dus niet alleen om een administratief secretariaat;
  • In de praktijk, en om redenen van complementariteit en efficiëntie, meer bepaald om de continuïteit van het beheer van dossiers tussen de verschillende overheidsniveaus te waarborgen, werken de secretariaatsmedewerkers van de NHRPH en het BDF in een en hetzelfde team samen bij de DG Personen met een handicap. Momenteel gaat het om 6 personen: 1 adviseur-generaal (dienstcoördinatie), 4 personeelsleden van niveau A en 1 technicus (beheer van de website en de databanken);
  • De leden van het secretariaatsteam zijn hooggekwalificeerd, deskundig, multidisciplinair, beschikbaar en gemotiveerd.

De zwaktes van het secretariaat zijn momenteel de volgende:

  • Gelijktijdig vertrek van gekwalificeerd personeel: overplaatsing naar het Waals Gewest van een niveau A op 1 oktober 2017 en pensionering van de adviseur-generaal en de technicus op 1 oktober 2018;
  • Een onevenwichtige verdeling tussen de taalrollen bij het secretariaat: slechts één Nederlandstalige tegenover vijf Franstaligen;
  • In het kader van de overheveling van bevoegdheden naar aanleiding van de zesde staatshervorming en het aangekondigde vertrek van teamleden blijken er verschillende pistes te zijn onderzocht om het secretariaat van de NHRPH en het BDF aan te hechten bij andere structuren dan de DGHAN.

Advies

De taken die door het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) zijn toegewezen aan de NHRPH als een belangrijke speler in het maatschappelijk middenveld, moeten formeel worden erkend en strikt worden uitgevoerd. In dit kader worden verschillende mechanismen/organen met telkens een specifieke rol gedefinieerd én is het noodzakelijk dat deze fysiek totaal gescheiden blijven: het middenveld (met name de NHRPH - art. 33.3 en art. 4.3), het federaal contactpunt (momenteel bij de DG Sociaal Beleid van de FOD Sociale Zekerheid - art. 33.1), het coördinatiemechanisme (momenteel bij de DG Sociaal Beleid van de FOD Sociale Zekerheid - art. 33.1) en het onafhankelijk mechanisme (momenteel UNIA - art. 33.2).

Het secretariaat van de Raad moet derhalve uitsluitend ten dienste staan van zijn beheersorganen en ten opzichte van de administratie volledig onafhankelijk zijn in zijn politieke werking (zoals hierboven gedefinieerd) ten opzichte van de administratie; het kan derhalve op geen enkele wijze deel uitmaken van de structuren waarin de punten 33.1 en 33.2 van het verdrag voorzien. Het gaat om zijn geloofwaardigheid ten aanzien van al zijn gesprekspartners.

In dit verband kan de NHRPH de aankondiging van de directeur-generaal van DGHAN, nl. dat het secretariaat van de Raad binnen de DG zal blijven met behoud van zijn huidige onafhankelijkheid, enkel toejuichen. De Raad dringt er sterk op aan dat de politieke overheid zich achter deze beslissing schaart.   

De NHRPH moet ook doeltreffend zijn. Artikel 4.3 van het UNCRPD bepaalt als volgt: “Bij de ontwikkeling en implementatie van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de staten die partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.”

Sinds de ratificering van de UNCRPD door België hebben de opeenvolgende federale regeringen zich er bijvoorbeeld toe verbonden om handistreaming toe te passen bij de ontwikkeling van hun beleid en acties, én de NHRPH te erkennen als een representatieve gesprekspartner van de belangen van personen met een handicap en hun families.

De kracht van de NHRPH ligt in de doeltreffendheid van het secretariaat. Het secretariaat analyseert en onderzoekt de dossiers zodat de organen van de NHRPH geïnformeerde standpunten kunnen innemen. Hij dringt er daarom met klem op aan dat op zijn minst de teamleden van het Secretariaat die de DG Personen met een handicap verlaten hebben of zullen verlaten, worden vervangen door even bekwame en gemotiveerde medewerkers.

Deze oplossing moet duurzaam zijn, gezien de leertijd die nodig is voor de verschillende functies die moeten worden ingevuld.

Nieuwe medewerkers moeten ook zo snel mogelijk in dienst treden om de kennisoverdracht mogelijk te maken.

Het NHRPH is zich terdege bewust van de budgettaire problemen waarmee de overheid momenteel te kampen heeft, met name wat de personeelsplannen betreft. Hij dringt er daarom ook bij de politieke overheden met klem op aan de nodige beslissingen te nemen om de UNCRPD-beginselen die België heeft geratificeerd, ten uitvoer te leggen. 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Voor opvolging aan de heer Steven Vandeput, Minister van Ambtenarenzaken;
  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken;
  • Voor opvolging aan mevrouw Sophie Wilmès, Minister van Begroting;
  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Voor opvolging aan de heer Frank Van Massenhove, Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid;
  • Ter info aan de heer André Gubbels, Directeur-generaal van de DG PH;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 9

Advies 2018/02 - NMBS combinatietegel

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2018/02 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het contrast van de perronrand in de Belgische treinstations en -haltes, uitgebracht tijdens de zitting van 15/01/2018.


Aanvrager

Advies uitgebracht op vraag van de NMBS.


Onderwerp

In het kader van standaardisatie voor stopplaatsen en kleine stations is de NMBS bezig met een oplijsting van de verschillende bruikbare perronbevloeringen. Naar aanleiding van het advies 2017/02 liet de NMBS een nieuwe combinatieperrontegel ontwerpen.


Analyse

In februari 2017 bracht de NHRPH een advies uit over het contrast van perronranden (advies 2017/02), waarin de NHRPH zijn voorkeur uitsprak voor volgende opstelling: 

Rails (donker) – perronboord (licht) – perronbevloering (donker) - waarschuwingstegels met noppen (licht) – perronbevloering (donker) – geleidelijnen (licht) – perronbevloering (donker). 

De NMBS liet een combinatietegel ontwerpen die de noppenstrook en een stuk perronbevloering tussen rand en noppenstrook bevat. De NMBS ging daarbij uit van de volgende opstelling:

  • een lichte perronboord (10 cm breed)
  • een combinatietegel van 1 meter breed, opgebouwd uit:
    •  een donkere vlakke strook van 40 cm
    • een 60 cm brede noppenstrook in een lichte kleur
  • donkere perronverharding

Advies

  • De NHRPH brengt een positief advies uit over het ontwerp. 
  • De NHRPH is tevreden dat de NMBS met zijn advies rekening heeft gehouden. Het is immers belangrijk om de sector tijdig te raadplegen bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap. Dat is een grote groep: het WHO schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking. 
  • De NHRPH wijst er wel op dat er in advies 2017/02 stond dat er minimaal 50 cm rand tussen noppentegel en het spoor moest zijn: 

De ontwerpen moeten in overeenstemming met Revalor zijn. Specifiek voor de toepassing van noppenstroken parallel aan de perronboord van treinstations verwijzen we naar ‘Annex B – Railway platforms’ van de ISO 23599/2012. Deze norm eist een bredere rand dan Revalor 2009 (minimum 50 cm rand tussen waarschuwingstegel en spoor i.p.v. 40 cm), iets waar de NHRPH voorstander van is. Breder is veiliger, zeker voor personen met een visuele handicap. 

De voorgestelde 50 cm is dus aanvaardbaar, maar 60 cm zou nog beter zijn. Natuurlijk moet wel de uniformiteit worden gegarandeerd, want blinde en slechtziende gebruikers moeten weten hoever ze zich van de rand bevinden. Bij voorkeur wordt dus overal dezelfde afstand gehanteerd. 

  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen.

 

 


Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2018/01 - NMBS signaletica

  • Jaartal advies: 2018
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

NMBS signaletica

Advies nr. 2018/01 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de plannen om de signaletica voor het publiek te herzien, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 15/01/2018.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS.


Onderwerp

Op 07/12/2017 stelde de NMBS haar signaleticaplan voor aan de NHRPH aan de hand van een presentatie, ontwerpen en andere documentatie. De NMBS wil de signaletica (borden, pijlen, icoontjes, plaatsing, dimensies, hiërarchie, …) voor het publiek in haltes en stations grondig herzien en vernieuwen met het oog op duidelijkere, efficiëntere en uniforme informatie voor de reiziger, ook de buitenlandse. Samen met een gespecialiseerde firma werkt de NMBS aan een signaleticahandboek voor eigen gebruik. Daarvoor liet ze een signalisatiestudie uitvoeren: Signalisatie handleiding Huisstijl. De NHRPH kon het ontwerp inkijken voor advies.

In de volgende jaren wordt de signalisatie vervangen in de stations, te beginnen met Brussel-Zuid. Volgens de NMBS zal de nieuwe signaletica volgende principes volgen: 

Organisatie en principes van de informatie:

  • één bord per richting
  • indeling volgens reizigersstroom (flux): blauw voor de inkomende stroom (treinen, perrons, infopunt, loketten, …) en groen voor de uitgaande stroom (naar de uitgangen, de metro, de bus, de taxi, fietspunt, …)
  • maximaal 5 pictogrammen per flux
  • volgorde van info volgens belangrijkheid
  • tactiele signaletica voor de personen met een visuele handicap volgens de voorschriften van de STI PMR (Spécification technique d'interopérabilité Personnes à Mobilité réduite)
  • universele en coherente signaletica
  • gestandaardiseerde principes voor alle NMBS-stations

De NMBS baseerde zich voor haar signaleticaplan op volgende bronnen:

  • UIC (Union internationale des chemins de fer)
  • de bestaande nationale en internationale regelgeving
  • Revalor
  • expertisebureau
  • UNAPEI-gids (Frankrijk)

Analyse

Voor dit advies bevroeg de NHRPH zijn leden en hun achterban. Vooral de sector van de personen met een visuele handicap had opmerkingen. 

-Op p. 68 – Leesafstandsregel (NL) lezen we:

De signalisatie moet voor zoveel mogelijk personen leesbaar en begrijpelijk zijn en moet aan de verwachtingen van de wetgeving inzake toegankelijkheid voldoen.”

Welke toegankelijkheidswetgeving wordt bedoeld? De NHRPH heeft geen weet van een federale toegankelijkheidswet. Er zijn wel regionale toegankelijkheidswetten, maar die bevatten geen details over tekstgroottes in verhouding tot de leesafstand. 

De formule die wordt gehanteerd in de signalisatiehandleiding van NMBS (en die tevens staat vermeld in Revalor) = 10.000 mm / 250 = 40 mm. Dit komt neer op een verhouding tussen tekstgrootte en leesafstand van 0,4%. 

Dit is extreem laag in vergelijking met de richtlijnen of normen uit toegankelijkheidshandboeken of nationale standaarden van andere Europese landen, waar de ratio gelijk is aan of groter dan 1,5% Zweden, Denemarken, Duitsland, Zwitserland, Luxemburg, …) en zelfs tot meer dan 5% kan oplopen, zoals in Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. 

-Op p. 72-73 - Voornaamste bevestigingsconfiguraties (NL) lezen we 3 maal:

Plaats de onderzijde van het bord op 2.500 mm. Bij wijze van uitzondering kan deze hoogte nog tot minimum 2.300 mm of hoger herleid worden (met naleving van de aanbevolen kijkhoek).

De NHRPH adviseert om een plaatsingshoogte van 2.300 mm als richtlijn te hanteren. Er zijn nu reeds klachten van slechtziende reizigers over informatie in stations die voor hen te hoog is aangebracht, waardoor de leesbaarheid wordt bemoeilijkt. 

-Op p. 80-81 - PBM-voorzieningen (NL):

Bij de informatie over geleidelijnen (p. 80 - NL) wordt een onderscheid gemaakt tussen voorzieningen voor blinden en voor slechtzienden. Ook al is het zo dat volledig blinde personen geen baat hebben bij kleur- en lichtcontrasten, toch mag men het basisprincipe uit ISO 23599/2012 niet vergeten: podotactiele aanpassingen moeten steeds bruikbaar zijn voor zowel blinden als slechtzienden. Aangezien de podotactiele aanpassingen principieel dienen te voldoen aan de dubbele voorwaarde dat ze zowel tactiel als visueel in een duidelijk contrast moeten zijn met de omgevingsbevloering, is het onderscheid in deze context overbodig.

Over de waarschuwingsstroken wordt het volgende gezegd (p. 80 NL):

Waarschuwingsstroken hebben tot doel om een valgevaar te signaleren.

Dit is te beperkend. Waarschuwingsstroken ‘waarschuwen’ voor gevaar in het algemeen (niet alleen voor valgevaar; op de openbare weg bijv. ook voor oversteekplaatsen op een kruispunt of een stationsplein). 

Er wordt niets vermeld over artificiële oriëntatievlakken of ‘informatievlakken’ (verende tegels). 

Over detectie van obstakels (p. 81 NL):

Overhangende obstakels of hindernissen die zich te laag bij de grond bevinden of zijdelings uitsteken, vormen een echt gevaar voor de slechtziende gebruiker. Daarom wordt aanbevolen om een detectiestrook te voorzien, wanneer een voorwerp meer dan 15 cm overhangt of een laag element meer dan 40 cm hoog is.” 

Deze omschrijving is verwarrend en dient herschreven als volgt: “wanneer een voorwerp meer dan 10 cm (= veiliger dan 15 cm) uitsteekt, op een hoogte tussen 40 en 210 cm”.

De bijgevoegde foto toont een aanpassing (een detectie-element laag boven de vloer). Deze aanpassing vormt op zich echter zelf een gevaarlijk obstakel! Een witte stok kan eronder of erachter glijden. 

Over de assistentiezuil (P. 81 NL):

Er staat niets vermeld over de link met podotactiele aanpassingen. Deze aanpassing is voor blinde en slechtziende personen nochtans onontbeerlijk om de assistentiezuilen te vinden.


Advies

Het verheugt de NHRPH dat hij wordt geraadpleegd. Het is essentieel dat de handicapsector systematisch wordt geraadpleegd bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap, en dat van conceptie tot voltooiing. 

Een rationalisering en vereenvoudiging van de signaletica voor het publiek is in principe een goede zaak die de toegankelijkheid ten goede kan komen. Hoewel de NHRPH positief staat tegenover de plannen om de signalisatie te herzien en een signaleticahandboek in te voeren, vraagt de NHRPH aandacht voor volgende aspecten: 

  • De NHRPH vraagt de NMBS om ook de andere vervoersmaatschappijen bij de herzieningsplannen te betrekken, ook die op regionaal vlak. Het zou de intermodaliteit ten goede komen als ook maatschappijen als TEC, DE LIJN, STIB-MIVB dezelfde signaleticaprincipes hanteerden.
  • De NHRPH verwijst naar het proefproject in Namen met reliëfplannen van het station. Wanneer reliëfplannen in de toekomst worden veralgemeend, kan hun locatie ook worden geïntegreerd in de signaletica. 
  • Met het oog op universele uniformiteit wordt signaletica idealiter internationaal afgestemd, en bij voorkeur zonder beperkt te blijven tot de sector van het passagiersvervoer. In het buitenland zijn vaak ook goede praktijkvoorbeelden te vinden.
  • Voor de NMBS is de technische handleiding Revalor de toetssteen voor een toegankelijke infrastructuur, ook voor personen met een beperkte mobiliteit. De NMBS moet nagaan of de signaleticawerken een neerslag moeten krijgen in Revalor.
  • De NHRPH vraagt om ook rekening te houden met de opmerkingen uit het deel Analyse van dit advies.
  • De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps en vraagt de NMBS om geen enkele handicap uit het oog te verliezen: sensoriële, fysieke, verstandelijke, enz. De personen met een handicap vormen immers een grote en diverse groep. Het WHO schat het aantal personen met een handicap op niet minder dan 15% van de bevolking.
  • De NHRPH wenst opvolging en feedback van zijn adviezen, ook in het geval dat het advies niet of slechts ten dele wordt gevolgd.
  • Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2017/19 - NMBS verstandelijke handicap

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/19 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorgestelde maatregelen van de NMBS voor personen met een verstandelijke handicap, wegens hoogdringendheid uitgebracht na elektronische raadpleging op 22/12/2017.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS.


Onderwerp

De NMBS wil in haar dienstverlening meer aandacht schenken aan personen met een verstandelijke handicap, een handicap die wel eens over het hoofd wordt gezien bij redelijke aanpassingen. Vertrekkende van de bevindingen van een werkgroep met vertegenwoordigers van de NMBS en de sector van de personen met een handicap heeft de NMBS nu een reeks denksporen voor redelijke aanpassingen opgesteld. Een aantal daarvan kan op korte termijn worden gerealiseerd, namelijk begin 2018.


Analyse

Op 05/09/2017 organiseerde de NMBS in samenwerking met Inclusion asbl een eerste werkgroep rond de toegankelijkheid van de NMBS voor personen met een verstandelijke handicap waar ook de NHRPH aan deelnam. Tijdens deze werkgroep werden de problemen in kaart gebracht en vervolgens mogelijke oplossingen gezocht. 

Op 27/11/2017 kwam de werkgroep weer samen en stelde de NMBS de pistes voor die zij haalbaar achtte, ingedeeld in volgende categorieën: 

  • Sensibilisering (van personeel, reizigers en de sector)
  • Automaten, in eerste instantie de ticketautomaten
  • Signaletica

Een aantal pistes beschouwde de NMBS als op korte termijn haalbaar. Over die pistes vraagt de NMBS nu een advies aan de NHRPH:

A. Sensibilisering

  • Een informatiefiche voor het NMBS-personeel: Deze fiche zal nuttig zijn voor de permanente opleidingen binnen de NMBS van personeelsleden die met reizigers in contact komen (het callcenter, de loketten, de mobiele assistentieteams van B for You, de hulplijn bij de ticketautomaten, treinbegeleiders, stationschefs, perron- en stationspersoneel, …).
  • Interne communicatie: Dit betreft artikels op de interne communicatiekanalen van de NMBS.
  • Het gebruik van het pictogram voor verstandelijke handicap, zoals het ook in Frankrijk wordt gebruikt.

B. Opleiding automaat en trein

Er worden tools ontwikkeld voor de opleiders van personen met een verstandelijke handicap. De tools zullen eenvoudig zijn in het gebruik en veel afbeeldingen en pictogrammen bevatten, met aandacht voor elk aspect en onderdeel van de reis, van het kiezen van de bestemming tot de thuiskomst. Het is de bedoeling dat het didactisch materiaal op het terrein wordt getest met experts en personen met een verstandelijke handicap, zowel in een groot station als in een treinhalte zonder personeel.

C. Signaletica 

De NMBS wil het logo ‘verstandelijke handicap’ op ticketautomaten en assistentiezuilen voor personen met een handicap aanbrengen. Ze opteert voor het logo dat ook bij de Franse spoorwegen wordt gebruikt.


Advies

  • De NHRPH staat in principe positief tegenover de voorgestelde pistes onder A en B. Sensibilisering van personeel en publiek is belangrijk, net als opleidingen.
  • De NHRPH heeft ook een adviesaanvraag ontvangen van de NMBS over de vernieuwing en uniformisering van de signaletica. Dat advies volgt spoedig. De NHRPH gaat in het huidige advies dan ook niet dieper in op piste C: Signaletica. Wel wil de NHRPH er al op wijzen dat het louter aanbrengen van een pictogram de toegankelijkheid uiteraard niet of nauwelijks verhoogt. 
  • Het is belangrijk dat het informatiemateriaal na de test nog kan worden aangepast. Een test zonder mogelijkheid tot aanpassing en verbetering heeft weinig zin.
  • Na test en goedkeuring hoort de informatie die voor het publiek is bestemd ook opgenomen te worden in de NMBS-brochure ‘Gids voor reizigers met beperkte mobiliteit’, beschikbaar in toegankelijke formaten.
  • Ook kan het niet bij deze eerste stap blijven. Belangrijker nog dan sensibilisering is toegankelijkheid voor personen met een verstandelijke handicap. De NHRPH denkt daarbij aan eenvoudig te bedienen automaten, beschikbaar personeel, heldere en eenvoudige inlichtingen in gemakkelijke taal, enz. Overigens is de groep van de personen met een beperkte mobiliteit heel ruim en divers: ook reizigers zonder handicap hebben baat bij heldere en eenvoudige informatie.
  • Het verheugt de NHRPH dat hij wordt geraadpleegd. Het is essentieel dat de handicapsector systematisch wordt geraadpleegd bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap, en dat van conceptie tot voltooiing. In dit specifieke geval is het belangrijk om personen met een verstandelijke handicap en hun vertegenwoordigers te betrekken.
  • De NHRPH verwijst ook naar zijn advies 2015/21. Bij het invoeren van het boordtarief dreigden personen met een verstandelijke handicap – maar niet alleen zij - in de kou te blijven staan, ondanks het bestaan van zaken als onlinereservatie van vervoerbewijzen en een hulplijn bij de ticketautomaten.

    Overigens bestaat sinds kort de European Disability Card, een kaart waarmee de persoon met een handicap in binnen- en buitenland (op zijn minst in de deelnemende landen, waaronder België) kan aantonen dat hij/zij een erkende handicap heeft. Ook al vermeldt deze kaart niet welke handicap de drager heeft, toch biedt de kaart mogelijkheden om – bijvoorbeeld - bepaalde personen vrijstelling van het boordtarief te geven. De NHRPH denkt daarbij in de eerste plaats aan personen met een verstandelijke handicap, maar ook andere groepen komen in aanmerking:
    • personen met een progressieve degeneratieve aandoening (MS, ALS, bepaalde kankers, alzheimer, …)
    • personen met een verstandelijke handicap
    • mensen die lijden aan spasmen
    • personen met een ernstige psychische aandoening
    • personen met een zware of meervoudige zintuiglijke handicap
    • personen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis (autisme, asperger, tourettesyndroom, schizofrenie…)
  • De NHRPH vertegenwoordigt alle handicaps. Hoewel de NHRPH tevreden is dat de personen met een verstandelijke handicap nu extra aandacht krijgen, mogen de anderen natuurlijk niet worden vergeten. Bovendien zijn er ook nog de personen met een meervoudige handicap, een categorie waartoe ook heel wat personen met een verstandelijke handicap behoren. Een verstandelijke handicap komt immers niet altijd alleen. 
  • De NHRPH wenst opvolging en feedback van zijn adviezen, ook in het geval dat het advies niet of slechts ten dele wordt gevolgd . 
  • Voor het uitwerken van eventuele technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 13

Advies 2017/18 - Brussel-Schuman assistentie

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Toegankelijkheid, Mobiliteit, Leefomgeving

Advies nr. 2017/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de intentie van de NMBS om het station van Brussel-Schuman toe te voegen aan de lijst van stations met een minimale reservatietermijn van 24 uur, wegens hoogdringendheid uitgebracht na raadpleging via e-mail op 22/12/2017.


Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS.


Onderwerp

Het station van Brussel-Schuman is recent gerenoveerd. De werken zijn al enkele jaren bezig en naderen hun voltooiing. De NMBS wil dit station begin 2018 toevoegen aan de lijst van de stations waar assistentie wordt aangeboden aan personen met een handicap, op voorwaarde dat die minimaal 24 uur op voorhand wordt aangevraagd.


Analyse

Brussel-Schuman is een station met strategisch en multimodaal belang: het is centraal gelegen (in de Europese wijk), heeft een aansluiting met o.a. de metro en is belangrijk voor woon-werkverkeer en toerisme. 

De NHRPH heeft zich al eerder uitgesproken over bepaalde aspecten van de werkzaamheden in Brussel-Schuman, zoals in advies 2015/16

In het huidige advies spreekt de NHRPH zich enkel uit over de intentie van de NMBS om het station van Brussel-Schuman toe te voegen aan de lijst van stations met een minimale reservatietermijn van 24 uur. Die lijst bevat momenteel 131 stations, waarvan 114 met persoonlijke assistentie. Dat betekent dat er in die 114 stations van maandag tot zondag assistentie wordt aangeboden, en dit van de eerste tot de laatste trein, mits tijdige reservatie bij het contactcenter via telefoon, website of e-mail. (In de overige 17 stations van de 131 regelt de NMBS gratis taxivervoer naar het dichtstbijzijnde station met persoonlijke assistentie onder dezelfde reservatievoorwaarden.) 

De NMBS deelde mee dat er tijdens het weekend geen personeel aanwezig is in Brussel-Schuman en dat de loketten dan gesloten zijn. Assistentie moet dan van elders komen. Daarom opteert de NMBS voor dit station voor een reservatietermijn voor persoonlijke assistentie van minimaal 24 uur op voorhand, zodat er meer tijd is voor het organiseren van een assistentie die van elders komt. 

Brussel-Schuman komt dus bij de lijst van de 114 stations met persoonlijke assistentie. Uiteraard is het een goede zaak dat de NMBS ook in dit station assistentie aanbiedt. Desalniettemin heeft NHRPH reeds herhaaldelijk aangegeven in adviezen en perscommuniqués een tegenstander te zijn van de 24-urenregel. Voor de NHRPH is het einddoel dat een persoon ogenblikkelijk assistentie kan krijgen, en dat in alle stations en haltes. De versoepeling naar een 3-urenregeling voor een aantal belangrijkere stations was alvast een mooie stap in de goede richting, ook al zijn er beperkingen, zoals aangehaald – en betreurd - in advies 2017/11

  • enkel tussen 41 stations
  • enkel reservatie per telefoon
  • voor reizen zonder overstap
  • vertrek: niet vroeger dan 6u30
  • aankomst: niet later dan 21u30

Hoewel de NHRPH weet heeft van praktische bezwaren als besparingen en personeelstekorten, moet het volgens de NHRPH mogelijk zijn om minstens tijdens de week - wanneer er wel personeel is - een reservatietermijn van minimaal 3 uur te hanteren.


Advies

Hoewel de NHRPH het positief vindt dat het station van Brussel-Schuman aan de lijst van stations met assistentie wordt toegevoegd, heeft de NHRPH ook enkele belangrijke aanbevelingen. 

  • Gezien de centrale ligging, de verbinding met de metro en het belang voor woon-werkverkeer, is de NHRPH van mening dat - op zijn minst tijdens de week - een minimale aanvraagtermijn voor assistentie van 3 uur kan worden ingevoerd in Brussel-Schuman. 
  • De NHRPH blijft achter zijn eerdere adviezen over de reservatietermijn van assistentie staan en stelt als einddoel dat een persoon in elk station en in elke treinhalte ogenblikkelijk assistentie moet kunnen krijgen op elk moment van de dag, 7 dagen op 7. 
  • Voor het uitwerken van eventuele technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om ook de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen. Assistentie en toegankelijkheid zijn immers twee zijden van dezelfde medaille. 
  • Het is belangrijk om de sector van bij het begin te raadplegen bij projecten die een impact hebben of kunnen hebben op de personen met een handicap.

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
  • Raadplegingen: 12

Advies 2017/17 - Voorwaarde inzake verblijfsduur

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Tewerkstelling, Tegemoetkomingen

Advies nr. 2017/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 20 november 2017


Aanvrager

Advies op vraag van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking


Onderwerp

Dit voorontwerp van wet heeft als doel diverse wijzigingen aan te brengen aan de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap teneinde te voorzien in een bijkomende toekenningsvoorwaarde voor de gerechtigden op de inkomensvervangende tegemoetkoming, met name de verplichting om gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België gehad te hebben.


Analyse

Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt:

"§ 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die:

1° Belg is;

2° onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;

3° Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

4° staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960;

5° vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

6° niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot 21 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.

§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.”

Artikel 3, eerste lid van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bepaalt:

"Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, in België te hebben, de gerechtigde die er zijn hoofdverblijfplaats heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft."

Artikel 2 van het voorontwerp van wet vult artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987 aan met twee leden om te voorzien in een bijkomende toekenningsvoorwaarde voor de gerechtigden op de inkomensvervangende tegemoetkoming, met name een werkelijk verblijf in België gedurende tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, en om aan te geven wat verstaan moet worden onder werkelijk verblijf in België voor de toepassing van de wet van 27 februari 1987. Het werkelijk verblijf kan alleen vastgesteld worden aan de hand van de informatie die opgenomen en bewaard is in het Rijksregister overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.


Advies

Wat het tweede lid van artikel 2 van het voorontwerp van wet betreft, dat bepaalt dat de persoon ook gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België gehad moet hebben om in aanmerking te komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming:

In de eerste plaats herinnert de NHRPH eraan dat artikel 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt dat "de Staten die Partij zijn, het recht van personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen, zich vrij te verplaatsen, vrij hun verblijfplaats te kiezen en het recht op een nationaliteit erkennen (...)".

Daarnaast wil de NHRPH enkele juridische overwegingen maken.

Zo geformuleerd is artikel 2, tweede lid, van het voorontwerp van wet, dat bepaalt dat "voor de inkomensvervangende tegemoetkoming de persoon bovendien gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België moet hebben gehad”, in strijd met het Europese recht. Om verenigbaar te zijn met het recht van de Europese Unie moet dit soort verblijfsclausule gepaard gaan met een reeks andere bepalingen die gelijke behandeling tussen Europese burgers garanderen.

Een voorwaarde qua verblijfsduur als voorwaarde om een recht te verkrijgen, kan een indirecte discriminatie vormen die verboden is op grond van de artikelen 18, 45 en 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en op grond van artikel 4 van Verordening nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Ook al geldt zij zonder onderscheid voor Belgen en niet-Belgen, toch treft zij harder de personen die gebruik gemaakt hebben van hun recht op vrij verkeer, in het bijzonder niet-Belgen. Enkel een legitieme en evenredige doelstelling kan deze nadelige behandeling dus rechtvaardigen.

Net als de inkomensvervangende tegemoetkoming is de inkomensgarantie voor ouderen een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 70, § 2, van Verordening 883/2004.

In zijn advies van 16 augustus 2016 over het voorontwerp van wetsontwerp "tot wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen" en tot invoering van dezelfde soort voorwaarde qua verblijfsduur, heeft de Raad van State echter een voorbehoud gemaakt (cf. blz. 17 e.v. van de parlementaire stukken, DOC 54 - 2141/001).

De Raad van State oordeelt: "De met het ontwerp opgelegde verblijfsvoorwaarde van tien jaar, voorafgaand aan de opening van het recht op een IGO, geldt zonder enig onderscheid voor alle EU-burgers, inclusief de Belgische. Die bijkomende voorwaarde is ten aanzien van de op basis van de huidige IGO-wetgeving rechthebbende EU-burgers evenwel niet neutraal, aangezien zij inzonderheid gevolgen heeft voor niet-Belgische EU-burgers. Vraag is dan ook of een dergelijke voorwaarde verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling van EU-burgers dat in de voornoemde Europeesrechtelijke bepalingen is neergelegd. Op dat punt dient de Raad van State, afdeling Wetgeving, een voorbehoud te maken. Het zal in voorkomend geval aan het Hof van Justitie van de Europese Unie toekomen om hierover uitsluitsel te geven.”

Wat de gepastheid van de maatregel betreft, heeft de NHRPH vastgesteld dat mevrouw Demir in de pers (cf. persbericht Belga van 29/08/2017) aankondigde de voorwaarden voor de erkenning van een handicap die recht geeft op een tegemoetkoming, te zullen verscherpen. De reden voor deze verscherping is dat de huidige teksten te veel ruimte laten voor mogelijke misbruiken. De staatssecretaris stelt ook een sterke toename vast van het aantal Roemenen en Bulgaren die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen. "Dat roept vragen op. Het systeem vandaag is te coulant. In 2012 werden bij Bulgaren al 70 fraudegevallen vastgesteld. Ze kwamen naar België als zelfstandige, maar vroegen kort na hun aankomst een inkomensvervangende tegemoetkoming aan. Het systeem is dus bekend én er wordt misbruik van gemaakt.”

Het is normaal dat de aanvragen van Roemenen en Bulgaren de afgelopen jaren sterk gestegen zijn. Roemenië en Bulgarije zijn in 2007 toegetreden tot de Europese Unie. Hoewel negen lidstaten, waaronder België, gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid om het vrije verkeer van Roemeense en Bulgaarse werknemers te beperken, werd deze beperking op 1 januari 2014 opgeheven (https://emnbelgium.be/news/end-restrictions-free-movement-workers-bulgaria-and-romania).

Dankzij cijfers van het kabinet stelt de NHRPH vast dat het aantal Bulgaren die enkel op een IVT recht hebben, gestegen is van 3 in 2007 naar 127 in 2013 en 275 in 2016. Het aantal Roemenen is van 3 in 2007 naar 152 in 2013 en 266 in 2016 gestegen. Deze cijfers zijn te verklaren door de geleidelijke inwerkingtreding van het vrije verkeer voor deze onderdanen.

De verstrekte cijfers daarentegen volstaan niet om aan te tonen dat er sprake van misbruik was.

De NHRPH meent dat het efficiënter en beter zou zijn een systeem van gegevensuitwisseling tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de Directie-generaal Personen met een handicap toe te passen, zoals dit reeds bestaat tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de POD Maatschappelijke Integratie.

De Dano-jurisprudentie (http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-333/13&language=NL) stelt België immers in staat het recht op bepaalde sociale uitkeringen afhankelijk te stellen van het legale karakter van het verblijf op zijn grondgebied. Een niet-actieve Europese burger die langer dan 3 maanden in België wil verblijven, moet echter over voldoende middelen beschikken om geen onredelijke last voor ons socialebijstandsstelsel te worden. Bijgevolg kan de verblijfsmachtiging van de niet-actieve Europese burger die Belgische socialebijstandsuitkeringen ontvangt, na een individueel onderzoek van zijn of haar dossier ingetrokken worden omdat hij of zij een onredelijke last voor België wordt. Vanaf dat ogenblik is het verblijf in België niet langer legaal, en zijn de Belgische instanties niet langer verplicht socialebijstandsuitkeringen toe te kennen.

De NHRPH vraagt of het mogelijk is de monitoring tussen de POD Maatschappelijke Integratie en de Dienst Vreemdelingenzaken in te voeren voor de inkomensvervangende tegemoetkoming. Met dit systeem zouden de echte gevallen van misbruik vastgesteld kunnen worden.

De inkomensvervangende tegemoetkoming kan immers ook beschouwd worden als een socialebijstandsuitkering, net als het inkomen voor sociale integratie, in de zin van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.

Met betrekking tot het derde lid van artikel 2 van het voorontwerp van wet, dat bepaalt dat het werkelijke verblijf in België bepaald wordt aan de hand van de informatie voor de gerechtigde opgenomen en bewaard in het Rijksregister, heeft de NHRPH geen opmerkingen. Hij herinnert eraan dat artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat de informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche toegevoegd aan het dossier, bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.


Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 9

Advies 2017/16 - Algemene beleidsnota handicap

  • Jaartal advies: 2017
  • Thema advies: Mantelzorgers, Toegankelijkheid, Tewerkstelling, Financiële moeilijkheden en compensaties, Tegemoetkomingen, Beschermingsmaatregelen, Leefomgeving, Besluitvormingsprocessen, DG Personen met een handicap

Advies nr. 2017/16 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de Algemene Beleidsnota voor 2018 van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking, uitgebracht op 10/11/2017 na een elektronische raadpleging van de plenaire vergadering, rekening houdend met het tijdschema van de parlementaire werkzaamheden


Aanvrager

Advies op verzoek van de Staatssecretaris voor Personen met een beperking, mevrouw Zuhal Demir, per mail geformuleerd op 20 oktober 2017


Onderwerp

De Staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Wetenschapsbeleid, Armoedebestrijding, Grootstedenbeleid en Personen met een beperking zal op 14 november haar beleidsnota voor 2018 voorstellen aan de Kamer. De tekst staat op de website van de Kamer (http://www.diekammer.be/flwb/pdf/54/2708/54K2708018.pdf).


Analyse

De NHRPH heeft de delen 'armoedebestrijding' en 'personen met een handicap' geanalyseerd.

De Staatssecretaris herneemt in grote lijnen de prioriteiten die ze in april al heeft uiteengezet (zie advies 2017-06).

Voor het deel 'armoedebestrijding' wijst zij met name op de gerealiseerde verhoging van de sociale uitkeringen met 9 % onder de regering-Michel, en de wil om deze verder op te trekken tot de armoededrempel. Zij onderstreept ook de realiteit van de non take-up van rechten. 

Voor het deel 'personen met een handicap' herinnert de Staatssecretaris eraan dat zij zich, overeenkomstig de aanbevelingen van de VN-deskundigen, zal concentreren op de maatregelen die de zelfredzaamheid van personen met een handicap en hun sociale inclusie ontwikkelen. Zij maakt van toegang tot werk voor personen met een handicap die ertoe in staat zijn haar strijdpunt. Zo belast ze een werkgroep met de taak om te onderzoeken hoe de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (voornamelijk inkomensvervangende tegemoetkomingen (IVT)) en de inkomsten uit werk van personen die willen werken, het best op elkaar worden afgestemd. Zij zal ook het begrip 'verlies van verdienvermogen' herzien, waarnaar wordt verwezen in de wet van 27 februari 1987. Zij zal bekijken wat de nieuwe tewerkstellingsmogelijkheden in het federaal openbaar ambt zijn en hoe de privébedrijven aantrekkelijker gemaakt kunnen worden voor personen met een handicap.

Voorts zal zij misbruik van parkeerkaarten en 'sociaal toerisme' in het tegemoetkomingsstelsel bestrijden (ontwerp tot herziening van de wet van 27 februari 1987 – herziening van de verblijfsvoorwaarden).

Aangezien de toegankelijkheid van de diensten van de DG Personen met een handicap (DG PH) sterk te wensen overlaat, blijft zij zich inzetten voor een terugkeer naar de normale gang van zaken, onder andere door extern personeel in dienst te nemen en haar producten elektronisch toegankelijk te maken.

Zij dringt bij de hele regering aan op maatregelen om een 'handicapplan' te kunnen opstellen.


Advies

De NHRPH neemt nota van de raadpleging door de Staatssecretaris in verband met haar ontwerpbeleidsnota. Jammer genoeg komt deze raadpleging rijkelijk laat. Om terdege rekening te kunnen houden met het denkwerk van de NHRPH had dit van bij het begin van de denkoefening moeten gebeuren. De NHRPH herinnert eraan dat het UNCRPD, dat België in 2009 geratificeerd heeft, raadpleging en betrokkenheid (art. 4.3) vereist; deze begrippen gaan uiteraard verder dan een gewone kennisgeving 'ter informatie'. De NHRPH herinnert ook aan de toezegging die mevrouw Demir op 13 april jongstleden voor de Kamer heeft gedaan toen zij haar mandaat opnam: "In het bijzonder zal het beleid worden afgestemd met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap", maar ook aan haar verbintenis van 19 juni, toen zij tijdens haar ontmoeting met de leden van de NHRPH het volgende onderstreepte: "de Raad beschikt over de kennis, een ontmoeting is altijd mogelijk". Een participatief beleid vereist een spontane, tijdige en daadwerkelijke betrokkenheid van de NHRPH om het beleid en de maatregelen uit te stippelen die de zelfredzaamheid en de deelname van personen met een handicap aan het maatschappelijk leven bevorderen. 

Wat de inhoud betreft, herinnert de NHRPH aan zijn advies 2017-06, waarvan de inhoud niet werd geïntegreerd of zelfs maar vermeld in de huidige beleidsoverwegingen van de Staatssecretaris. Dit advies blijft dus actueel. Ter herinnering: de NHPRH wees op: 

  • zijn legitimiteit in het politieke denk- en besluitvormingsproces in domeinen die een link met handicap hebben;
  • de dringende noodzaak om een echt interfederaal handicapplan uit te werken;
  • de voortrekkersrol die de Staatssecretaris in het federale handistreamingbeleid moet vervullen;
  • de noodzaak om de diensten van de Directie Generaal Personen met een handicap (DG PH) te verbeteren;
  • de noodzaak om de tewerkstelling van personen met een handicap in de privé- en de overheidssector te bevorderen;
  • de noodzaak om frauduleus gebruik van parkeerkaarten te bestrijden;
  • de noodzaak om de rechten meer te automatiseren, maar met behoud van de toegang tot de (sociale) diensten van de DG PH;
  • de absolute noodzaak om de IVT op te trekken tot het niveau van de armoededrempel;
  • de noodzaak om een ambitieuze tekst van de richtlijn European Accessibility Act te steunen;
  • de noodzaak om de toegankelijkheid van de NMBS-diensten in het bijzonder en de toegankelijkheid van de openbare websites te ondersteunen (uitvoering van de Europese richtlijn);
  • de noodzaak om de oprichting van een nationaal mensenrechtenmechanisme te ondersteunen waarin de handicapdimensie geïntegreerd is;
  • de noodzaak om de uitvoering en opvolging van het UNCRPD te versterken;
  • de noodzaak om een correcte analyse te maken van de profielen van de Europese aanvragers van een tegemoetkoming;
  • de noodzaak om bij te dragen tot de handicapdossiers van mevrouw De Block: mantelzorgers, hervorming van het KB 78, en 'back to work'.

De NHRPH wil ook de nadruk leggen op zeer grote en actuele bezorgdheden die, ondanks voortdurende herinneringen, geen antwoord vinden in de langverwachte noodzakelijke beleidsmaatregelen.

1. België heeft het UNCRPD meer dan 8 jaar geleden geratificeerd. Ons land heeft zich ertoe verbonden een beleid te voeren dat resoluut gericht is op het ondersteunen van de zelfredzaamheid van personen met een handicap en hun inclusie in het maatschappelijk leven. In 2014 hebben de deskundigen van de Verenigde Naties duidelijke en precieze maatregelen aan België meegedeeld om deze doelstellingen te bereiken, in een logica van mainstreaming van de handicap. Deze nota had de basis moeten vormen van een echt interfederaal actieplan. Acht jaar later heeft de federale regering het verwachte gezamenlijke en brede actieplan voor een grotere zelfredzaamheid en inclusie van personen met een handicap nog steeds niet uitgewerkt. In verschillende federale aangelegenheden werd dus gewoonweg voorbijgegaan aan de noden van personen met een handicap (cf. adviezen 2015-19 en 2016-14). De NHRPH herinnert ook aan zijn advies 2015-02 waarin hij de mogelijkheden van een concrete handistreaming onderzocht.

2. Op het vlak van tewerkstelling vormt de arbeidsmarkt het echte probleem. De werkgevers dragen daar deels de verantwoordelijkheid voor: er is concurrentie op de arbeidsmarkt, en een persoon met een handicap, met dezelfde capaciteiten als een persoon zonder handicap, maakt veelal geen kans. Veel werkgevers zijn niet overtuigd van de meerwaarde van inclusie van personen met een handicap en zijn dus geen vragende partij. Zodoende ondermijnen de angst en vooroordelen van de werkgevers het 'back to work'-plan van Minister De Block. Meer fundamenteel verwijst de NHRPH naar zijn advies 2017-01, waarin een concreet en gedetailleerd mechanisme wordt voorgesteld om ook de werkgevers van de privésector te responsabiliseren:

  • om personen met een handicap aan te werven;
  • om personen met een handicap aan de slag te houden. 

De NHRPH wil nogmaals wijzen op de toenemende inconsistentie van de maatregelen tussen de overheidsniveaus onderling, maar ook binnen eenzelfde niveau. Hij herinnert eraan dat bepaalde personen met een handicap tijdelijk in het stelsel van inschakelingsuitkeringen kunnen blijven, maar deze beslissingen kunnen pas een positief effect hebben indien de verschillende bestuursniveaus ondertussen structurele beslissingen nemen om hen te begeleiden bij de tewerkstelling.

De NHRPH wijst nogmaals op de beperkte reikwijdte van de sociale clausules. Door bepaalde artikelen van een over het geheel genomen bemoedigende wet te herwerken, zou de wetgever een echt middel voor economische dynamiek kunnen ontwikkelen (cf. advies 2016-03 ).

Niet alle personen met een handicap kunnen werken: voor die mensen zijn tegemoetkomingen voor personen met een handicap vaak hun enige bron van inkomsten. De NHRPH juicht het voornemen van de Staatssecretaris om deze tot de armoededrempel op te trekken toe. Hij vraagt evenwel concrete duidelijkheid, aangezien de communicatie van de Staatssecretaris zelf dubbelzinnig is: eerst kondigt zij aan een begrotingsenvelop voor 2018 te krijgen, om dan enkele dagen later te melden dat deze envelop wordt afgeschaft.

3. Als men écht de IVT wil cumuleren met de inkomsten uit arbeid, dan pakt men het dossier verkeerd aan. Naar de geest van de wet van 27/02/1987 is de IVT een vorm van bestaansminimum, bedoeld voor personen met een handicap die niet genoeg inkomsten kunnen verwerven, terwijl de integratietegemoetkoming (IT) bedoeld is om te compenseren voor de handicap. De NHRPH verwijst naar de resultaten van de werkzaamheden waartoe hij heeft bijgedragen tijdens de vorige regering, bevindingen die overigens actueel zijn gebleven.

Voor personen met een handicap die in staat zijn te werken, is het essentieel dat het tegemoetkomingsstelsel wordt herzien om de IT en de afgeleide rechten te behouden, omdat de extra kosten die voortvloeien uit de handicap zeer concreet en vaak blijvend zijn. Er werden reeds maatregelen genomen om personen met een handicap aan te moedigen om te gaan werken, maar het geheel van de reglementering is te complex geworden en niet erg ‘leesbaar’.

4. Het is ook verontrustend dat fraudebestrijding een van de topbezorgdheden van de Staatssecretaris is. Fraude is een realiteit die weliswaar bestreden moet worden, maar die ook in de juiste proporties moet worden gezien (de NHRPH is ervan overtuigd dat we hier niet meteen met een bedreiging voor de goede werking van een stelsel te maken hebben, zoals de Staatssecretaris in de pers liet uitschijnen). Het bestaan van fraude mag geen excuus zijn voor het uitblijven van structurele, noodzakelijke en langverwachte hervormingen van het tegemoetkomingsstelsel. In zijn advies 2017-06 vroeg de NHRPH naar de cijfers waarop de Staatssecretaris zich gebaseerd heeft voor de op zijn minst stigmatiserende opmerkingen en de schokkende conclusies inzake fraude.

5. De NHRPH erkent het nut van elektronisch toegankelijke diensten en dossiers. Tegelijkertijd herinnert hij aan het nut van de sociale diensten van de administraties, terwijl deze steeds schaarser worden en de administraties fysiek steeds minder toegankelijk worden (bijvoorbeeld onvoldoende sociale zitdagen van de DG PH in vergelijking met de vraag van de gemeenten en de personen met een handicap zelf). Wat de 'non take-up' (niet-activering van bestaande rechten door wettelijk aangewezen rechthebbenden) betreft, zal de thans veelbesproken 'nudging' (waarbij de overheid het laatste zetje geeft om een breder proces op gang te brengen) pas doeltreffend zijn indien er voldoende maatschappelijk assistenten opnieuw ten volle beschikbaar worden gesteld. Deze "horen" immers de algemene noden van de personen en gezinnen, en helpen hen de weg te vinden in de onbegrijpelijke Belgische administratieve doolhof die het resultaat is van de opeenvolgende hervormingen. Hiertoe zal een informaticasysteem – hoe performant ook – nooit in staat zijn.

De NHRPH wijst erop dat het probleem van de DG PH verder gaat dan het gebruik van de software in kwestie; er is ook een probleem met de organisatie van het werk. De NHRPH heeft meermaals zijn bezorgdheid geuit (cf. onder andere advies 2017-03), een bezorgdheid die blijft groeien naarmate de behandelingstermijnen de pan uit swingen (cf. advies 2017-13).


Bezorgd

  • Ter opvolging aan de volksvertegenwoordigers van de Kamer
  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan UNIA
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
  • Raadplegingen: 10

Zin in een nieuwsbrief?

Elke maand het actuele nieuws in je mailbox.

logo NHRPH
© Belgian Disability Forum. Alle rechten voorbehouden. Powered by Stekkedoos.