Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2018/07

Wetsvoorstel arbeidsintegratiejobs

Advies nr. 2018/07 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel van 16 maart 2017 tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs, uitgebracht tijdens de plenaire vergadering van 19 februari 2018

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH

 

Onderwerp

Op 16 maart 2017 heeft de heer Jan Spooren een wetsvoorstel tot invoering van een stelsel van arbeidsintegratiejobs ingediend. Dit wetsvoorstel creëert voor langdurig zieken en invaliden alsook voor personen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen, een bijkomende vorm van “toegelaten arbeid”, complementair en neutraal ten opzichte van alle stelsels van “toegelaten arbeid”, beroepsopleiding en toeleiding naar werk die al bestaan op federaal of regionaal niveau.

 

Analyse

Het wetsvoorstel is bedoeld voor volgende personen:

  • invalide werknemers en zelfstandigen die na één jaar primaire arbeidsongeschiktheid naar het stelsel van invaliditeit overgegaan zijn;
  • personen in het stelsel van primaire arbeidsongeschiktheid die in de voorbije 18 maanden minstens 12 maanden een ziekte- of invaliditeitsuitkering ontvangen hebben (personen die na een of meer periodes van ziekte het werk hervat hebben, maar daarna weer ziek gevallen zijn);
  • gerechtigden op een inkomensvervangende uitkering. 

Bovendien moeten deze personen op beroepsactieve leeftijd zijn, en medisch geschikt zijn om het overeengekomen werk in het kader van een arbeidsintegratiejob uit te oefenen.

Een arbeidsintegratiewerknemer mag maximaal gedurende een periode van 2 jaar arbeid verrichten in het kader van een arbeidsintegratiejob. Gedurende deze periode mag hij maximaal 84 uur per maand presteren in het kader van een arbeidsintegratiejob. Over een periode van 2 jaar is dat maximum 2.000 uur.

Het uurloon bedraagt minimaal het nationaal minimumloon omgezet in een uurloon en verhoogd met vakantiegeld (thans 9,5 euro per uur). Indien het minimumsectorloon, exclusief vakantiegeld, voor een bepaalde functie hoger is dan 9,5 euro per uur, wordt dit het minimumloon van toepassing voor die arbeidsintegratiejob.

De arbeidsintegratiewerknemer behoudt zijn inkomensvervangende uitkering alsook eventuele kostencompenserende tegemoetkomingen tijdens het uitoefenen van een arbeidsintegratiejob en kan deze cumuleren met een arbeidsintegratieloon.

Het gecombineerd inkomen van een arbeidsintegratiejob en de inkomensvervangende uitkering mag niet lonender zijn dan een reguliere tewerkstelling.

De werknemer die werkt in het kader van een arbeidsintegratiejob, kan een gemotiveerd verzoek indienen om de arbeidsintegratiejob te verlengen.

Een werkgever mag geen bestaande contractuele tewerkstelling beëindigen om ze te vervangen door arbeidsintegratiejobs. Bovendien mag hij niet meer dan 20 % van het arbeidsvolume invullen door tewerkstelling via arbeidsintegratiejobs. Bij een gemiddelde jaarlijkse tewerkstelling lager dan 5 voltijds equivalenten is de maximale tewerkstelling via arbeidsintegratiejobs gelijk aan de tewerkstelling van 1 voltijds equivalent.

Het recht om te mogen werken via een arbeidsintegratiejob wordt geschorst wanneer het recht op de inkomensvervangende uitkering geschorst wordt.

 

Advies

In de eerste plaats wijst de NHRPH erop dat in artikel 3, 8° van het wetsvoorstel de term "inkomensvervangende uitkering" vertaald wordt door "allocation de remplacement de revenus". Deze vertaling is verwarrend, aangezien "allocation de remplacement de revenus" in dezelfde tekst verwijst naar zowel het vervangingsinkomen waarvan de betaling recht geeft op een arbeidsintegratiejob als naar de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) die betaald wordt krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. De term "inkomensvervangende uitkering" zou vertaald moeten worden door "indemnité de remplacement de revenus".

De NHRPH benadrukt twee positieve aspecten van het wetsvoorstel. Enerzijds kan de persoon met een handicap zijn inkomensvervangende uitkering (ziekenfondsuitkering of IVT) behouden gedurende de periode van beroepsactiviteit en deze combineren met het arbeidsintegratieloon. Anderzijds kunnen personen die enkel een IVT ontvangen, toegang krijgen tot het socialezekerheidsstelsel, waardoor zij onder meer recht krijgen op het rustpensioen.

De NHRPH wijst evenwel op bepaalde negatieve aspecten:

Een minimuminkomen van 9,5 euro per uur geeft weinig financiële rechten op sociale zekerheid (zo zal het rustpensioen lager zijn).

De werkgever is niet verplicht de werknemer in dienst te nemen na afloop van de overeenkomst, die tot maximaal twee jaar verlengd kan worden. Arbeidsintegratiewerknemers zouden dus verschillende integratie-arbeidsovereenkomsten na elkaar aangeboden kunnen krijgen. Dit is een bijzonder ongemakkelijke situatie. Arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur moeten de norm blijven voor alle werknemers, ook voor werknemers met een handicap. 

Evenzo bestaat het risico dat personen met een handicap verplicht worden een integratie-arbeidsovereenkomst af te sluiten om werk te krijgen. Er zou een soort substatuut gecreëerd worden voor personen met een handicap.

De NHRPH is van mening dat dit wetsvoorstel een kwetsbaar systeem invoert: er wordt niet echt werk gecreëerd, wel een systeem waarbinnen men zijn uitkeringen kan behouden, met een heel kleine aanvulling op het loon.

De NHRPH meent ook dat deze tekst een ongewenst effect kan hebben en de werkgever de mogelijkheid biedt om aan zijn verplichting om redelijke aanpassingen te voorzien te verzaken.

De tekst van het wetsvoorstel verwijst niet naar de situatie van de persoon die na zijn integratie-arbeidsovereenkomst in dienst genomen wordt. Blijft hij recht hebben op de inkomensvervangende tegemoetkomingen?

De NHRPH vestigt de aandacht erop dat de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap aangepast moeten worden.

Dit wetsvoorstel maakt de bestaande systemen nog ingewikkelder, en de combinatie ervan maakt de materie nog complexer. De NHRPH is daarom van mening dat het beter is de bestaande tewerkstellingsondersteunende maatregelen voor personen met een handicap te versterken.

Ook verdient het de voorkeur voor de bedoelde werkgevers een begeleidingssysteem in te voeren, dat door de Gewesten georganiseerd wordt.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk
  • Voor opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel; Eerste Minister;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
 .
Adviezen
 .