Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2018/24

Pensioenen

Advies nr. 2018/24 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de voorontwerpen van wet met betrekking tot de erkenning van zwaarte van sommige functies voor de toegangsvoorwaarden tot vervroegd pensioen en voor de berekening van het pensioenbedrag, geformuleerd tijdens de plenaire zitting van 28 mei 2018 en na raadpleging van zijn leden via e-mail gefinaliseerd op 1 juni 2018.  

 

Aanvrager

Advies verstrekt op verzoek van de heer Daniel Bacquelaine, Minister van Pensioenen, per brief van 9 april 2018.

 

Onderwerp

Het voorontwerp van wet betreft de erkenning van de zwaarte van bepaalde functies voor de toegangsvoorwaarden voor vervroegd pensioen en voor de berekening van het pensioenbedrag, en voorzien in een erkenning van een specifieke zwaarte voor een beroepsactiviteit wanneer deze door een persoon met een handicap wordt uitgevoerd.

 

Analyse

Op 17 februari 2016 werd de NHRPH door het Nationaal Pensioencomité gehoord in het kader van het onderzoek dat deze uitvoerde naar de problematiek van de zwaarte van sommige functies.

De NHRPH wees toen met name op de volgende punten: 

  • Voor heel wat mensen met een handicap hebben werken en het nastreven van een beroepsloopbaan negatieve gevolgen voor hun gezondheid ten gevolge van hun handicap.
  • Voor veel mensen met een handicap is het vrijwel onmogelijk om een volledige loopbaan te bereiken. Om gezondheidsredenen willen ze kunnen stoppen met werken vóór de wettelijke pensioenleeftijd.
  • De huidige tendens in het tewerkstellingsbeleid bestaat erin de loopbaanduur voor iedereen te verlengen en de mogelijkheden voor vervroegde pensionering te beperken. Voor bepaalde beroepen die als "fysiek zwaar" worden beschouwd, bestaan er momenteel echter afwijkingen waardoor werknemers in deze sectoren onder bepaalde voorwaarden vervroegd toegang tot het pensioen krijgen.

Gelet op bovenstaande bevindingen en naar analogie met de genoemde maatregelen acht de NHRPH het absoluut noodzakelijk te onderzoeken hoe personen met een handicap die dat wensen en voor wie het noodzakelijk is vervroegd toegang kunnen krijgen tot een rustpensioen met behoud van het recht op een volledig pensioen.

  • De invoering van een ander mechanisme, namelijk een voordeligere verrekening van de gewerkte jaren van personen met een handicap ten einde tewerkstelling te bevorderen, zou ook door de regering moeten worden bestudeerd,.
  • Met andere woorden, de NHRPH legde een bijzondere nadruk op de noodzaak om specifieke maatregelen te treffen voor oudere werknemers met een handicap, zowel wat betreft de loopbaan als wat betreft de pensioenberekening.

In haar voortgangsverslag van 12/09/2016 (document CNP 2016-0346) erkent het Nationale Pensioencomité dat de collectieve regeling vergezeld kan gaan van een individuele regeling in gevallen waarin de werknemer een persoon met een handicap is, en het stelt vast dat de regering bereid is dit verzoek te onderzoeken.

De Minister van Pensioenen legt nu wetsontwerpen die deze bereidheid concretiseren voor aan de NHRPH. Voorlopig gaat het om twee teksten, één betreffende de ambtenarij en één betreffende de werknemerssector. Een derde tekst voor de sector van de zelfstandigen is nog in voorbereiding, maar volgens informatie van het kabinet van de Minister van Pensioenen zullen de modaliteiten in de drie regelingen gelijk zijn.

De ingediende voorstellen zijn bedoeld om de inspanningen van werkende personen met een handicap te valoriseren, hetzij door hun loopbaan op te waarderen zodat zij de duur ervan kunnen verkorten, hetzij door hen in staat te stellen een hoger pensioenbedrag te ontvangen als zij de “spilleeftijd zwaarte" overschrijden.

In de tekst betreffende de overheidssector is bepaald dat de anciënniteit wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,05 voor personen die een zelfredzaamheidsgraad bezitten die overeenstemt met categorie 4 bedoeld in artikel 6, §2, 4° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de toekenning van tegemoetkomingen voor personen met een handicap (integratietegemoetkoming).

Deze coëfficiënt bedraagt 1,10 voor personen van categorie 5.

In de tekst betreffende de sector werknemers is bepaald dat op de werkelijk door een persoon met een handicap gewerkte VTE-dagen de coëfficiënt 0,05 wordt toegepast voor in categorie 4 erkende personen, en de coëfficiënt 0,10 voor in categorie 5 erkende personen, waarbij het product van de vermenigvuldiging naar maanden wordt omgerekend. 

Het kabinet legt uit dat het verschil tussen de twee teksten voortkomt uit de manier waarop de basisteksten in elkaar passen (het gaat om de manier waarop de loopbaan wordt gedefinieerd), maar dat dit mathematisch gezien in beide gevallen tot hetzelfde resultaat leidt. Het kabinet voegt hieraan toe dat het aannemelijk is dat uiteindelijk de bewoording van de artikelen zal worden aangepast om te komen tot eenzelfde tekst voor alle sectoren. 

Het kabinet van de Minister van Pensioenen stelt daarnaast dat verhogingen wegens een handicap mogen worden gecumuleerd met verhogingen voor een activiteit die wordt uitgeoefend in een als zwaar erkend beroep.

De gevolgen van deze maatregelen kunnen van tweeërlei aard zijn:

  • Ofwel maken zij een snellere pensionering mogelijk te maken, aangezien de duur van de loopbaan wordt opgewaardeerd.
  • Ofwel kan een werknemer die besluit in dienst te blijven zonder gebruik te maken een vervroeging van de pensioengerechtigde leeftijd, een "pensioenbonus" ontvangen. Deze wordt als volgt berekend: het bedrag van het rustpensioen dat zou zijn uitgekeerd vanaf het moment dat het rustpensioen in werking zou kunnen treden, wordt omgezet in een jaarlijkse rente, op basis van een actuariële berekening die de levensverwachting in acht neemt.

Sommige bepalingen van de aangeleverde teksten verduidelijken dat bij de beoordeling van de zwaartegraad van de functie in het bijzonder rekening zal worden gehouden met de vooraf vastgestelde beschikbare financiële middelen.

Het kabinet van de Minister van Pensioenen heeft echter bevestigd dat deze bepalingen geen betrekking hebben op verhogingen die specifiek zijn voorzien voor personen met een handicap.   

Deze verschillende maatregelen betreffende de zwaarte zullen op 1 januari 2020 in werking treden.

 

Advies

De NHRPH is tevreden over het feit dat de regering rekening houdt met de overwegingen van de Raad met het oog op de invoering van specifieke maatregelen voor oudere werknemers met een handicap, zowel wat betreft de loopbaan als voor de pensioenberekening. 

In het voorliggend advies mag blijken dat de NHRPH, overeenkomstig haar opdracht, zich met betrekking tot de voorgelegde ontwerpteksten alleen uitspreekt over die delen die rechtstreeks betrekking hebben op personen met een handicap. 

Daarnaast gaat de NHRPH ervan uit dat de tekst met betrekking tot zelfstandigen hetzelfde soort bepalingen zal bevatten; de NHRPH verstrekt dit advies daarom voor de drie sectoren: ambtenaren, werknemers en zelfstandigen.

  • Over de ernst van de handicap 

De voorstellen gelden alleen voor personen met een handicap die in categorie 4 of 5 van de zelfredzaamheidsschaal worden erkend.

Het lijkt erop dat er geen cijfers beschikbaar zijn over hoeveel mensen van deze categorieën werken of gewerkt hebben. De NHRPH beschikt in ieder geval niet over deze cijfers. Zeker is dat deze categorieën de laagste aantallen erkende mensen bevatten.

De cijfers aangeleverd door de Directie-generaal Personen met een handicap waren eind 2017 de volgende:

 

Categorie

Aantal personen

Percentage

Cat 1

89.470

+/- 34%

Cat 2

85.772

+/- 32%

Cat 3

54.331

+/- 21%

Cat 4

21.736

+/- 8%

Cat 5

12.119

+/- 5% 

 

We moeten ons ervan bewust zijn dat de categorieën 4 en 5 gericht zijn op mensen met een zeer ernstige handicap. Binnen die categorieën zijn dus ook maar heel weinig mensen in staat om te werken.   

Uit de ervaring van de leden van de NHRPH blijkt dat het merendeel van de mensen met een handicap die werken tot de categorieën 1 en 2 behoort en dat veel mensen die in categorie 3 zijn erkend, al in aangepaste bedrijven moeten werken.

Als men zich dus alleen op de categorieën 4 en 5 zou richten, zou de maatregel waarschijnlijk slechts een slag in het water zijn.

De NHRPH merkt ook op dat er niet altijd een direct verband bestaat tussen de ernst van de handicap en de zwaarte van het werk. Voor sommige mensen in de categorieën 1 tot en met 3 kan gaan werken op zich al een erg zware inspanning zijn, waardoor hun werk op de manier al het etiket ‘zwaar’ verdient. 

Het NHRPH pleit er dan ook voor om de erkenning van de zwaarte uit te breiden tot alle mensen die als personen met een handicap worden erkend; de Raad begrijpt evenwel dat dit om budgettaire redenen niet van meet af aan mogelijk zou kunnen zijn. Minstens wil de NHRPH vragen de maatregelen bij categorie 2 te laten beginnen en te onderzoeken hoe de middelen kunnen worden verkregen om vervolgens in een tweede fase vanaf categorie 1 te beginnen.

  • Over het belang van de verhoging

De NHRPH betreurt de geringe stijging (0,05% of 0,10% al naar gelang het geval). De Raad herinnert eraan dat mensen met een handicap vaak lang geen volledige of lineaire carrière hebben.

De Raad merkt ook op dat in het wetsontwerp betreffende de werknemerssector voor functies die als zwaar worden erkend drie verhogingscoëfficiënten mogelijk zijn: 0,05%, 0,10% en 0,15%.

De Raad pleit ervoor dat hetzelfde zou gelden voor de zwaarte die het gevolg is van een handicapsituatie. Dit zou ongeveer 0,05 procent kunnen zijn voor categorieën 1 en 2, 0,10 procent voor categorie 3 en 0,15 procent voor categorieën 4 en 5.

De NHRPH verwijst in dit verband naar het voorbeeld van Frankrijk. De Franse wet biedt personen met een handicap bepaalde garanties, zodat zij niet worden gestraft voor hun gezondheidstoestand. Invalide verzekerden kunnen dus een volledig pensioen ontvangen vanaf de leeftijd van 60 jaar, d.w.z. zonder vermindering, ongeacht de duur van hun loopbaan. Dit recht staat open voor personen die een invaliditeitspensioen, een permanent arbeidsongeschiktheidspensioen of een uitkering volwassen personen met een handicap (AAH) ontvangen. Ook een werknemer die wegens arbeidsongeschiktheid een pensioen krijgt of die aan de criteria voor zwaarte voldoet, heeft eveneens toegang tot dit recht.

  • Over de kwestie van de mantelzorger 

Wat betreft de loopbaangevolgen en dus de hoogte van het rustpensioen wijst de NHRPH erop dat het niet alleen gaat om de werkende persoon met een handicap. Er is ook de hele kwestie van de mantelzorger. 

Veel mensen hebben een niet-lineaire loopbaan omdat ze voor een familielid met een handicap hebben moeten zorgen. Bij de berekening van hun loopbaan worden zij bijgevolg gestraft, niet voor een eigen handicap maar voor die van een ouder, kind, …

Het is niet aan de NHRPH om te zeggen of deze kwestie moet worden geregeld in de hier voorgelegde teksten dan wel in andere bepalingen, maar het is in ieder geval een vraagstuk dat ook in overweging moet worden genomen.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Daniel Bacquelaine, Minister van Pensioenen
  • Ter info aan de heer Denis Ducarme, Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s
  • Ter info aan mevrouw Maggie De Block, Minister van Sociale Zaken
  • Ter info aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een Beperking
  • Ter info aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter info aan UNIA
  • Ter info aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme.
 .
 .