Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2018/17

Mantelzorgers

Advies nr. 2018/17 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de erkenning van de mantelzorger.

 

Aanvrager

Advies verstrekt door de plenaire van 16 april 2018  op verzoek van de Minister van Sociale Zaken op 6 maart 2018.

 

Onderwerp

De minister legt 2 teksten voor: een aanpassing van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat en van een koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014.

 

Analyse

De Minister wil de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat vervangen door de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger.

Daartoe wijzigt zij verschillende bepalingen van de wet van 12 mei:

  • Hoofdstuk 2 Definities: Schrapping van de term “zwaar zorgbehoevend” ten gunste van de term “zorgbehoevend” (art.2, 1°);
  • De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de specifieke categorieën van geholpen personen, de woonplaats- en de erkenningsvoorwaarden voor de toekenning van de sociale rechtenvastleggen (art .2, 2°);
  • De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de types en nadere regels van bijstand en hulp (art.2, 3°);
  • De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgelegd in overleg in de Ministerraad de types en nadere regels van bijstand en hulp, en tevens de nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor een sociaal recht dat toegekend wordt aan een mantelzorger (art.2, 4°);
  • De titel van Hoofdstuk 3, “Erkenning”, wordt vervangen door “Erkenning en toekenning van sociale rechten” (art.3);
  • Om de erkenning van mantelzorger te verkrijgen, wordt de voorwaarde van de meerderjarigheid geschrapt; een verblijfsvoorwaarde wordt toegevoegd: een bestendig en daadwerkelijk verblijf in België en inschrijving in het bevolkingsregister (art.4, 1°);
  • De erkenningsaanvraag moet niet langer jaarlijks worden hernieuwd (art.4, 2°);
  • 2de lid van §4 van art. 3 werd geschrapt. Dit bepaalde het volgende: “De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor elke maatregel van inwerkingstelling van bescherming van deze doelgroep die valt onder de bevoegdheid van de federale overheid, het maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger kan erkend worden per geholpen persoon.” (art.4, 3°);
  • Tegelijk wordt een art. 3bis ingevoegd: De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximumaantal personen vastleggen van wie de hoedanigheid van mantelzorger per geholpen persoon erkend kan worden. Dit aantal kan variëren naargelang het toegekende sociale recht. (art.5, §1);
  • De Koning bepaalt de procedure voor de aanvraag tot erkenning en de aanvraag voor het verkrijgen van de sociale rechten (art.5, §2);
  • Ook het overlijden van de mantelzorger geeft aanleiding tot het einde van de erkenning. (art.6).

Daarnaast wil de Minister een koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger nemen. Hierin regelt zij de volgende aspecten:

  • Hoofdstuk 1. Definities
    • Sociale rechten: de uitkering of het bijstandsstelsel
    • Mantelzorger: herneemt de definitie van artikel 3, §1 (niet herroepen) van de wet
  • Hoofdstuk 2: Gewone erkenning
    • Afdeling 1: voorwaarden voor de erkenning als geholpen persoon en verblijfsvoorwaarde: de geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfsplaats in België hebben (art.2)
    • Afdeling 2: procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger: de mantelzorger dient, met het akkoord van de geholpen persoon (of zijn vertegenwoordiger) de aanvraag in bij zijn ziekenfonds, door middel van een verklaring op erewoord (model bestaat, maar niet door het Kabinet bijgevoegd) (art.3)
  • Hoofdstuk 3: Erkenning en toekenning van sociale rechten
    • Afdeling 1: voorwaarden voor erkenning als geholpen persoon en verblijfsvoorwaarde:
      • Persoon die minstens 21 jaar oud is en voor wie de IT/THB/Hulp van derden/wet van 26 juni 1992 is beoordeeld op minstens 12 punten (tijdelijk of definitief) (art. 4)
      • Persoon die minstens 21 jaar oud is en een erkenning krijgt van minstens 12 punten op de IT-schaal of een verhoogde kinderbijslag wegens zijn handicap beoordeeld op minstens 6 punten op 18 in de 3de pijler (regeling 2003) of 80% lichamelijke of verstandelijke onbekwaamheid met 7 tot 9 punten voor de graad van zelfredzaamheidsverlies (regeling 1990) of 35 punten op de BEL-schaal in Vlaanderen (mantelzorgpremie); er wordt verwezen naar de mogelijkheid van een erkenning in Wallonië; er is niets voorzien voor Brussel of de Duitstalige Gemeenschap (art.5 en 6)
      • De geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en er permanent en daadwerkelijk verblijven. (+ gelijkstelling voor buitenlands verblijf van korte duur of om medische redenen). (art.7)
    • Afdeling 2. Types en nadere regels van bijstand en hulp en nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor het toekennen van sociale rechten
      • De mantelzorger moet kunnen aantonen dat hij minstens 50 uur per maand bijstand en hulp verleent, ofwel minstens 600 uur per jaar, met inbegrip van de tijd voor opleiding en ondersteuning van de mantelzorger. (art.8)
    • Afdeling 3. Maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend kan worden per geholpen persoon voor het toekennen van sociale rechten: Maximaal 3 personen (art.9)
    • Afdeling 4. Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger die in aanmerking kan komen voor sociale rechten: verklaring op erewoord bij het ziekenfonds van de mantelzorger. Procedure voor communicatie tussen ziekenfondsen. Procedure voor de erkenning van de medisch-sociale situatie van de hulp. Geen beroepsprocedure voor weigeringsbeslissing, maar nieuwe aanvraag mogelijk na 3 maanden. Verwijzing naar gevallen van fraude (artikel 10)
    • Inwerkingtreding: niet gepreciseerd
 

Advies

De NHRPH volgt dit dossier al jaren en heeft in diverse adviezen 2011-20, 2013-18, en zijn positienota gewezen op de uitdagingen en verwachtingen met betrekking tot de levenssituatie van mantelzorgers en de verbeteringen die in eerdere teksten moeten worden aangebracht.

De Raad verheugt zich over de eerste tastbare tekenen van een concrete invoering van een statuut waar zorgbehoevende mensen en de vele gezinnen reikhalzend naar uitkijken. Alle studies tonen immers de voordelen aan van een goede begeleiding van de mensen die geholpen worden: minder frequente en kortere ziekenhuisopnames, vermindering van cognitieve problemen, minder frequent gebruik van respijtservice en kortverblijf in verpleeg- of verzorgingshuizen, toename van thuiszorg, ... maar ook van de uitputting van veel verzorgers die werkelijk moeten jongleren om aan de behoeften van hun hele omgeving te voldoen. Ter illustratie herinnert de NHRPH in het bijzonder aan het volgende:

  • Probleem van burn-out om privéredenen bij sommige werknemers
  • 40% van de mantelzorgers woont samen, 73% is gehuwd met de zorgbehoevende; en 60% van de mantelzorgers is niet samenwonend en heeft een baan, wat betekent dat deze mensen hun beroeps- en privéleven moeten combineren, maar ze mogen ook hun eigen gezondheid niet verwaarlozen. Zie Boudewijn-stichting mantelzorgers De NHRPH herinnert eraan dat zonder deze mantelzorgers de hulpbudgetten met 4 miljard zouden moeten stijgen. De NHRPH herinnert er nogmaals aan dat dit statuut van mantelzorger de Staat niet ontslaat van de plicht om de zorg- en ondersteuningsstructuren te versterken en zijn verantwoordelijkheden op te nemen in het licht van een vergrijzende bevolking en de toename van chronische ziekten. Nieuwe ondersteunings- en beschermingsmaatregelen voor mantelzorgers, met inbegrip van de verwerving van sociale rechten, mogen voor de overheid geenszins als voorwendsel worden gebruikt om geen structurele professionele zorg en dienstverlening te verstrekken die tegemoetkomt aan de behoeften van alle geholpen personen en de mantelzorgers zelf.

De NHRPH onderstreept de positieve vooruitgang van de ontwerpteksten, die gedeeltelijk voldoen aan de eerdere aanbevelingen van de NHRPH, MAAR vraagt tegelijkertijd belangrijke verduidelijkingen en correcties die essentieel zijn voor de doeltreffendheid van de hulp aan de betrokkenen én de erkenning van de rol van de mantelzorger.

Wat betreft de wijziging van de titel van de wet (schrapping van de woorden "mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat") en de definitie van de verzorger (schrapping van het woord "zwaar”): de NHRPH stemt in met de schrapping van het woord “zwaar”, maar vraagt de verwijzing naar “zorgbehoevendheid” te behouden in de hele tekst. Heel wat mantelzorgers besteden een groot deel van hun tijd aan personen die ten gevolge van hun gezondheidstoestand niet in staat zijn een aantal handelingen van het dagelijks leven autonoom en zelfstandig uit te voeren. Hun gezondheidstoestand vergt geen permanent toezicht van professionele gezondheidswerkers, maar wel regelmatige en/of voortdurende aanwezigheid van naasten die een toezichthoudende rol vervullen, anticiperen op problemen, instaan voor verplaatsingen, het administratief beheer en kleinere taken, en zorg toedienen die door professionals wordt gedelegeerd. Indien deze diensten niet op informele wijze zouden worden verleend, zou de geholpen persoon door zijn levenssituatie niet meer in staat zijn zelf te kiezen waar hij wil wonen, tenzij tegen aanzienlijke bijkomende kosten ten laste van de samenleving.

Om bovengenoemde redenen vraagt het CSNPH verder elke verwijzing naar de beperking van de steun tot bepaalde aandoeningen te schrappen (cf. artikel 2, 5° van de wet).

Wat betreft de verwijzing naar de sociale rechten is de NHRPH van mening dat dit een belangrijke stap voorwaarts is ten opzichte van de vorige tekst. Sinds het begin van het debat hamert de NHRPH erop dat een statuut van erkenning zonder sociale rechten een volstrekt onbevredigend antwoord is op de behoeften van mantelzorgers. De NHRPH beveelt aan dat de erkende rechten verband houden met loopbaanonderbreking als gevolg van een mantelzorgsituatie.

Door het concrete kader voor erkenning te scheppen, heeft de Minister gedeeltelijk de weg gebaand voor een mantelzorgerstatuut. Zij zelf, maar ook een groot aantal van haar collega's in de federale regering en de regeringen van de deelgebieden, moeten dit statuut nu snel activeren op een aantal gebieden:

  • arbeidsflexibiliteit (langere beschermingstermijnen voor werkende zorgverleners, enz.; de huidige regelingen voor tijdskrediet maken zware of zelfs lichte ondersteuningssituaties bijna nooit mogelijk, waardoor hun ouders, kinderen en/of partners gedwongen worden hun loopbaan stop te zetten),
  • tijdelijke versoepeling van de activering van werkloze mantelzorger (versoepeling van de intensiteit van het zoeken naar werk, de verplichting om een job op afstand te aanvaarden),
  • pensioenen (valorisatie van mantelzorgperiodes),
  • onderwijs (aanpassingen in huiswerkbegeleiding en examens, thuiszorg, …),
  • verzekering burgerlijke aansprakelijkheid van de mantelzorger,
  • Zie positienota van de NHRPH.

De CSNPH benadrukt de absolute hoogdringendheid van deze concrete acties, omdat opeenvolgende regeringen de afgelopen jaren bezuinigingsmaatregelen hebben genomen met betrekking tot zorgbudgetten, patiëntondersteuning (vermindering van het aantal bedden en hospitalisatietijd),...), diensten aan het publiek die er onder het mom van responsabilisering en zelfbeschikking toe hebben geleid dat de patiënt en de burger aan hun lot worden overgelaten (zie 2016-08, 2018-09).

Wat betreft de uitbreiding van de mantelzorger tot minderjarigen: de NHRPH keurt deze erkenning goed, maar herinnert er tegelijk aan dat de moeilijke taak van deze jonge mantelzorgers adequaat moet worden ondersteund. Zij staan van nature zwakker en verdienen daarom steun in het dagelijks leven en bij de voorbereiding op de toekomst. Psychologische, maar ook materiële bijstand (thuiszorg, huiswerkbegeleiding, enz.) moeten systematisch door de Staat worden aangeboden en ondersteund.

Wat betreft de categorisering van mantelzorgers – gewone erkenning en erkenning voor sociale rechten: de NHRPH steunt het principe en is van mening dat de gewone erkenning van mantelzorgers de preventieve en toezichthoudende rol van gezinnen en de omgeving van mensen zal versterken die zonder speciale aandacht in de armoede zouden kunnen belanden, ook wanneer er geen sprake is van zware zorgbehoevendheid.

Het is belangrijk dat er, net als voor de erkenning van sociale rechten, ook een eenvoudige erkenningsprocedure wordt ingevoerd. De NHRPH vindt dit niet terug in de voorgestelde teksten en beveelt een eenvoudige erkenningsprocedure aan die snel en gemakkelijk toepasbaar is. De NHRPH suggereert dat zij onder de exclusieve bevoegdheid valt van de behandelende arts (zonder toezicht van de adviserende geneesheer) van de geholpen persoon in situaties waarin deze persoon niet voldoet aan de minimumvereisten van deze wet en dat zij uiteraard automatisch wordt verleend aan personen die wel aan deze minimumvereisten voldoen.

De NHRPH raadt ook aan om de "gewone" mantelzorger(s) te vermelden in het medisch dossier van de persoon in kwestie. Dit zou het ook mogelijk maken om in verschillende gevallen (verslechtering, toepassing van het verpleegprotocol, medische of administratieve ondersteuning, ...) de communicatie tussen de behandelende arts en de patiënt rechtstreeks te activeren, met diens uitdrukkelijke toestemming en uiteraard met respect voor de medische gegevens. Het is evident dat deze registratie moet worden goedgekeurd zowel door de persoon die wordt verzorgd als ook door de zorgverlener en dat een perfecte communicatie moet worden verzekerd met betrekking tot de draagwijdte van deze vermelding in het medisch dossier. Bij het doorgeven van informatie aan de zorgverlener, moeten de regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht worden genomen.

Met betrekking tot de erkenningsschalen vraagt de NHRPH dat ook de bestaande (of toekomstige) schalen in Brussel en in de Duitstalige Gemeenschap worden opgenomen (en vervolgens bij koninklijk besluit worden gepreciseerd). De NHRPH vraagt ook dat uitdrukkelijk naar de bestaande schalen wordt verwezen in stelsels inzake burgerlijke aansprakelijkheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten.

Met betrekking tot de minimale beoordeling van 12 punten die vereist is voor de toekenning van sociale rechten aan volwassenen, vraagt de NHRPH de drempel te leggen bij 9 punten, omdat veel personen met een handicap, hoewel ze in staat zijn om de basisactiviteiten van het dagelijks leven uit te voeren (eten, aankleden...), volledig afhankelijk zijn van hun omgeving om essentiële stappen uit te voeren die noodzakelijk zijn om een zekere zelfstandigheid of deelname aan de samenleving te kunnen genieten (administratieve stappen, reizen, basisverplichtingen, enz.).

De NHRPH neemt kennis van de minimale evaluatie van 12 punten die vereist is voor de toekenning van sociale rechten aan minderjarigen.

Wat betreft de berekeningswijzen inzake de tijdsinvestering: vereiste van 50 uur/maand of 600 uur/jaar, de NHRPH wenst op 2 niveaus te reageren:

  1. De relevantie van een kwantitatief criterium: de NHRPH begrijpt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gewone mantelzorger en de mantelzorger die enorm veel investeert in zijn activiteit, maar tegelijk voelt een grens tussen de wereld van de "kleine" en de “grote” mantelzorgers onbehaaglijk aan. Een situatie van zorgbehoevendheid of zware zorgbehoevendheid kan een variabele "levensduur" hebben: lang, kort of zelfs "episodisch"; bovendien kan het verlies aan autonomie door ziekte of een handicap intens zijn, maar ook fluctuerend. Omgekeerd is een situatie van zware zorgbehoevendheid niet noodzakelijk gekoppeld aan de intensiteit van de uren ondersteuning.

    Ondersteunings- en beschermingsmaatregelen moeten aansluiten bij de behoeften van de betrokken persoon en de mantelzorger. Ze moeten flexibel, progressief en aanpasbaar zijn om tegemoet te komen aan alle levenssituaties van de verzorgde personen en hun verzorgers: de behoeften van een ziek kind of een bejaarde met een aanzienlijk zelfredzaamheidsverlies zijn niet noodzakelijk dezelfde. Begeleidende maatregelen moeten kunnen worden aangepast aan de levensomstandigheden van de geholpen personen en hun mantelzorgers.
    Een mantelzorgsituatie houdt niet op omdat de persoon aan wie zorg wordt verleend in een instelling zou verblijven of net thuis professionele hulp ontvangt; hooguit maakt deze situatie het mogelijk om de hulp te verlichten of te heroriënteren, eventueel op tijdelijke basis.
    De NHRPH herinnert eraan dat de dimensie “toezicht” op een valoriserende manier "geëvalueerd" moet worden; we moeten aanvaarden dat sommige activiteiten niet in financiële termen kunnen uitgedrukt worden en zich niet laten meten in de tijd. Op het terrein zijn sommige functies duidelijk gedefinieerd (arts, verpleegkundige, gezinshelper, enz.), andere zijn vager.
    • Wie zal de geneesmiddelen voorbereiden/geven?
    • Wie zorgt voor het wassen? Geen nomenclatuur voor de verpleger; familiehulp niet bevoegd. In heel wat gevallen zal het dus een taak voor de mantelzorger zijn. Maar hoe waardeer je de tijd voor een opfrisbeurt, een douche, een bad? 

  Volgens de NHRPH dient een evenwicht te worden bewaard tussen korte intrafamiliale solidariteit en langere (maatschappelijke) solidariteit. Beide moeten worden gewaardeerd, anders bestaat het risico van   institutionalisering.
  Tot slot is de NHRPH van mening dat ook dient te worden stilgestaan bij de uitputting van de mantelzorger. Bovendien nemen situaties met mantelzorgers (kleinkinderen / kinderen / ouders / grootouders   transgenerationele) steeds toe.

  1. Voorleggen van bewijsstukken. De CSNPH benadrukt dat het moeilijk is een evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzakelijke waardering, anderzijds het feit dat het fundamentele respect voor het privéleven van geholpen en helpende personen niet mag worden aangetast. Er zal rekening moeten worden gehouden met de basis- en "gewone" hulp, maar ook met de verzoeken van de geholpen persoon zodat deze zijn levensproject kan uitvoeren, zonder dat er enige beoordelingsmarge is wat betreft het “nut” van het verzoek. Wanneer bijv. een persoon vraagt om twee keer per week deel te nemen aan een creatieve workshop, mag de tijd die nodig is voor deze vrijetijdsactiviteit niet worden geweigerd. De NHRPH stelt voor om een aantal hypotheses te overwegen waarbij de beoordeling m.b.t. de mate van afhankelijkheid en de uitvoering van bepaalde activiteiten door de mantelzorger volstaat om de noodzaak van intensieve bijstand en de “automatische erkenning van het mantelzorgstatuut voor de toekenning van sociale rechten” te veronderstellen. Voorbeeld: een mantelzorger die een bepaalde zorg verstrekt, en dagelijks trajecten van en naar school of dagverblijf verzorgt, ... zou als “mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten" worden beschouwd.
    Wat zal ten slotte de afweging zijn tussen bijstand in verband met preventie en ondersteuning van de mantelzorger (persoonlijke – onder meer medische – vorming van de mantelzorger, algemene informatie over de geholpen persoon, enz.) en de bijstand met betrekking tot de begeleiding van de geholpen persoon? Zal het ziekenfonds de opportuniteit kunnen controleren?

Ten gronde wil de NHRPH niet dat de regelgeving oproepen tot behoeften kan doen ontstaan: de mechanismen moeten het uitsluitend mogelijk maken om mensen te ondersteunen die noodgedwongen moeten beslissen hun beroepsloopbaan (of opleiding, in het geval van minderjarigen) stop te zetten of op te schorten wegens de handicap van een naaste.

De mantelzorger moet permanent en daadwerkelijk in België verblijven, en in het Rijksregister ingeschreven zijn. 

Wat betreft de afschaffing van de jaarlijkse verlenging van de erkenning: hebben we het over de erkenning van het statuut of over de erkenning van een tijdsinvestering? De NHRPH steunt het idee van een permanente erkenning van het statuut omdat een situatie van zorgbehoevendheid vaak van blijvende aard is. In de erkenningsbeslissing zelf wordt desgevallend het tijdelijke karakter van de erkenning vermeld. Een automatische uitwisseling van gegevens tussen de in de teksten genoemde ziekenfondsen en evaluatoren kan ook zorgen voor een vlotte erkenning. Volgens de NHRPH moet de erkenning van de tijdsinvestering regelmatig worden herzien, zonder dat deze jaarlijks (om de vijf jaar?) moet plaatsvinden. Ook is het noodzakelijk dat de mantelzorger jaarlijks een verklaring op erewoord aflegt dat hij zich nog steeds goed in een mantelzorgpositie bevindt. 

Wat betreft het maximum aantal mantelzorgers in het kader van de erkenning van rechten (in tegenstelling tot de gewone erkenning, die een beperking van het aantal mantelzorgers niet rechtvaardigt): de NHRPH begrijpt dat het aantal mantelzorgers moet worden beperkt, maar wil de gezinnen niet opsluiten in een maximumaantal. Wat als er meerdere mensen moeten worden geholpen? De NHRPH vestigt de aandacht op de “sandwich”- situatie van veel mensen, die gekneld zitten tussen de behoeften van kinderen en die van ouder wordende ouders. Bovendien kunnen ouders de tijd die ze besteden aan een kind met een handicap onder elkaar verdelen (minder dan 50 uur), en tegelijk op regelmatige basis (bv. elke zaterdagochtend) zorgen voor een bejaarde ouder. In dit scenario komt iedere geholpen persoon niet tot 50 uur hulp, maar cumulatief is de mantelzorger wel meer dan 50 uur in de weer. 

Wat als de persoon die wordt geholpen 4 kinderen heeft die om de beurt elke nacht voor hem of haar zorgen? Zullen slechts drie van hen erkend worden? Hoe bepaalt men in geval van meervoudige erkenning welke mantelzorger toegang krijgt tot het voordeel of het recht, als slechts één mantelzorger hiervoor in aanmerking komt? Hoe wordt de prioriteitsvolgorde bepaald? Wat gebeurt er bij onenigheid, beroep of bemiddeling? 

Wat de procedure voor de erkenning en het verkrijgen van rechten betreft, is de NHRPH geneigd te denken dat veel mensen met een autonomieverlies van 12 punten (en voorwaarden voor kinderen) reeds zijn geïdentificeerd; het gaat ook om het evalueren van de tijd die nodig is om investeringen te doen voor gezinnen die geconfronteerd worden met zowel een ernstige zorgsituatie als met de reorganisatie die ze moeten doorvoeren. De NHRPH vraagt zich af of de termijn van 6 weken niet ook voor multidisciplinaire teams en maatschappelijk assistenten van de ziekenfondsen zou moeten gelden. 

De NHRPH vindt niets terug over een beroepsprocedure; wel is er sprake van een mogelijke nieuwe aanvraag binnen 3 maanden. Dit moet worden rechtgezet.

Wat de oorzaken van de beëindiging van de erkenning betreft, staat de NHRPH achter de wijziging van de wet door toevoeging van "overlijden van de mantelzorger". De Raad vraagt ook om de stopzetting van de erkenning wanneer de persoon zich in een dagcentrum bevindt te schrappen, omdat de mantelzorger nog steeds een begeleidende rol zal hebben zowel binnen de instelling als -uiteraard - wanneer de geholpen persoon deze verlaat. Heel vaak moet een ouder die zijn kind dagelijks naar een dagcentrum brengt of naar een school die bereid is zijn kind met een handicap op te nemen, lange verplaatsingen maken die een beroepsuitoefening onmogelijk maken.

De NHRPH stelt dan ook vast dat de wet van 12 mei 2014 dus in een aantal bepalingen blijft voorzien, met name de definities van persoonlijke begeleider, van ondersteuning en bijstand, van continuïteit en regelmatigheid, levensproject en mantelzorger.

Op juridisch vlak wijst de NHRPH op de volgende twee aandachtspunten:

  • Waarom bevatten zowel de wet als het KB de definitie van mantelzorger, en bovendien in dezelfde bewoordingen? De NHRPH stelt voor de definitie van het koninklijk besluit te schrappen en de overkoepelende definitie van de wet te behouden, met dien verstande dat de voorwaarden voor de eenvoudige erkenning met het oog op de sociale rechten in het koninklijk besluit worden gepreciseerd.
  • In de redenen voor het beëindigen van de erkenning moet de verwijzing naar "zware" zorgbehoevendheid worden geschrapt.

Tot besluit,

De NHRPH vindt dat de nieuwe teksten in de goede richting gaan; enkele correcties in de hierboven aangegeven richting zouden het mogelijk maken de begrippen en de instrumenten te verduidelijken. Tegelijkertijd zouden de federale ministers en die van de deelgebieden, in een logica van handistreaming, van nu af de maatregelen moeten screenen om een reeks sociale rechten in de verschillende levensdomeinen mogelijk te maken.

De NHRPH is nog steeds van mening dat het mechanisme dat zal worden gecreëerd, moet bijdragen tot de accentuering van gendermainstreaming in onze samenleving. Ondanks de vooruitgang die onze maatschappij op het gebied van gendergelijkheid heeft geboekt, zijn de meeste mensen die beslissen of ertoe gedwongen worden mantelzorger te worden, nog steeds vrouwen.  

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Maggie De Block, Minister van sociale zaken;
  • Voor opvolging aan de voltallige federale regering;
  • Voor opvolging aan de minister-presidenten van de gewesten en gemeenschappen;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
 .
Adviezen
 .