Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2018/18

Bedragen IT

Advies nr. 2018/18 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van de bedragen van de integratietegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uitgebracht na raadpleging via elektronische weg op 04/04/2018

 

Aanvrager

Advies uitgebracht op verzoek van mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking

 

Onderwerp

Het ontwerp van koninklijk besluit houdende verhoging van de bedragen van de integratietegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap heeft als doel de bedragen van de integratietegemoetkoming te verhogen.

 

Analyse

Artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat "de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 1 vastgelegde bedragen kan verhogen".

Artikel 6, § 2, van de wet luidt als volgt:

"Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort:

1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 870,60 EUR;

2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 2.966,67 EUR;

3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 4.740,37 EUR;

4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 6.906,12 EUR;

5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op minstens 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 7.834,56 EUR."

Het ontwerp van koninklijk besluit brengt volgende wijzigingen aan in de wet:

  1. in de bepaling onder 1° wordt het bedrag "870,60 EUR" vervangen door het bedrag "896,82 EUR";
  2. in de bepaling onder 2° wordt het bedrag "2.966,67 EUR" vervangen door het bedrag "3.010,37 EUR";
  3. in de bepaling onder 3° wordt het bedrag "4.740,37 EUR" vervangen door het bedrag "4.784,08 EUR";
  4. in de bepaling onder 4° wordt het bedrag "6.906,12 EUR" vervangen door het bedrag "6.993,53 EUR";
  5. in de bepaling onder 5° wordt het bedrag "7.834,56 EUR" vervangen door het bedrag "8.009,38 EUR"."

In de brief van 30 maart 2018 aan de voorzitster van de NHRPH waarin mevrouw Zuhal Demir om advies vraagt, wordt vermeld dat er binnen het beschikbaar budget maximaal ingezet wordt op de verhoging van de integratietegemoetkoming voor de personen met een handicap die behoren tot categorieën 4 en 5, en dit om de volgende redenen:

  • personen uit deze categorieën worden geconfronteerd met heel veel handicapgerelateerde kosten. Door een verhoging van hun IT hoopt mevrouw Zuhal Demir de integratie en participatie van deze personen met een handicap aan het maatschappelijke leven te bevorderen;
  • personen met een handicap hebben vaak veel meer uitgaven voor gezondheidszorg dan de gemiddelde bevolking;
  • andere gezinsleden werken vaak minder omdat ze zorgtaken opnemen.

Aangezien ook de andere categorieën (1, 2 en 3) geconfronteerd worden met extra kosten, wenst mevrouw Zuhal Demir ook de integratietegemoetkoming voor deze categorieën te verhogen.

 

Advies

De NHRPH juicht de verhoging van de integratietegemoetkoming toe.

Hij vraagt zich evenwel af wat de logica achter de verschillen in verhoging is.

Het lijkt een rekenkundige stijging te zijn, althans voor categorieën 3 tot en met 5. De stijging in categorie 4 is twee keer zo groot als in categorie 3; de stijging in categorie 5 twee keer zo groot als in categorie 4.

Hierdoor schommelen de stijgingen evenwel tussen 0,92 en 3,01 % gezien de basisbedragen (cf. onderstaande tabel). Waarom variëren de categorieën zo? Waarom worden de bedragen niet lineair verhoogd?

Categorie

Vroeger bedrag

Nieuw bedrag

Verschil

Percentage

1  

870,60

896,82

26,22

3,01

2

2.966,67

3.010,37

43,70

1,47 

3

4.740,37

 4.784,08

43,71

0,92

4

6.906,12

6.993,53

87,41

1,26

5

7.834,56

8.009,38

 174,82

2,23 

 

In de brief aan de voorzitster van de NHRPH wordt vermeld dat de nadruk zal liggen op categorieën 4 en 5, omdat de handicapgerelateerde kosten hoger zijn voor deze personen. Procentueel gezien zijn het echter niet de categorieën die het meest groeien.

Ter herinnering: de Handilab-studie toont ook aan dat het totale armoederisicopercentage het hoogst was bij de tussencategorie van personen met een matige beperking (cf. Handilab-verslag blz. 72, 96, 119, 125, …). http://www.belspo.be/belspo/organisation/Publ/pub_ostc/agora/ragkk154_nl.pdf

De NHRPH vindt het belangrijk, meer bepaald met het oog op inclusie, om personen met een "mildere" handicap, wier zelfredzaamheid evenwel ook veel kosten met zich kan brengen, niet te vergeten.

De NHRPH herinnert nogmaals aan de belofte om het bedrag van de sociale uitkeringen (LL, IVT en IGO) in 3 schijven tot de armoedegrens op te trekken.

 

Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
 .
Adviezen
 .