Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2021/11


Advies nr. 2021/11 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) betreffende drie ministeriële besluiten houdende delegatie van bevoegdheden, uitgebracht in plenaire zitting op 15/03/2021.

Advies op initiatief van de NHRPH.

1. ONDERWERP

Op 4 februari 2021 zijn drie ministeriële besluiten ondertekend waarbij bevoegdheden worden overgedragen aan de Directie-generaal Personen met een Handicap (DG HAN).

2. ANALYSE

  • Het ministerieel besluit van 4 februari 2021 houdende delegatie van de bevoegdheid over de toekenning van tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 15.02-2021, 2de ed.) bepaalt:
    De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of diens gemachtigde wordt ermee belast de beslissing te treffen over de aanvragen om tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

    Bij dit ministerieel besluit wordt het ministerieel besluit van 30 oktober 1987 ingetrokken dat bepaalde:
    "De directeuren, plaatsvervangend adviseurs en administratief secretarissen van de Dienst Tegemoetkomingen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg zijn ermede belast te beslissen over de aanvragen om tegemoetkomingen aan gehandicapten.”

  • Het ministerieel besluit houdende delegatie van bevoegdheden voor verblijfsvergunningen voor meer dan 90 dagen in het buitenland met betrekking tot tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 16/02/2021) bepaalt:
    “De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid wordt ermee belast de aanvragen betreffende verblijf in het buitenland van meer dan 90 dagen van de begunstigden van een tegemoetkoming voor personen met een handicap te behandelen.”

    Ter herinnering, artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bepaalt:

    Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, in België te hebben, de gerechtigde die er zijn hoofdverblijfplaats heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft.

    Met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België wordt gelijkgesteld:
    1. het verblijf in het buitenland gedurende maximaal 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;
    2. het verblijf in het buitenland ten gevolge van de opname ter verpleging in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgenverstrekking;
    3. het verblijf in het buitenland om beroepsredenen;
    4. het verblijf bij een bloed- of aanverwant die verplicht is, of wiens echtgenoot of de persoon met wie de bloed- of aanverwant wettelijk samenwoont, verplicht is, tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat;
    5. het verblijf in het buitenland gedurende meer dan 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat de Minister hiertoe zijn toelating heeft verleend.

De persoon met een handicap die het Koninkrijk verlaat, is verplicht de Minister daarvan ten minste één maand voor zijn vertrek in te lichten, met vermelding van de vermoedelijke duur van het verblijf in het buitenland en, in de gevallen bedoeld in 2° tot en met 5°, de redenen daarvan.

  • Het ministerieel besluit van 4 februari 2021 houdende delegatie van de bevoegdheid om te beslissen over de terugvordering van onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap (SB 01.03-2021, 2e) bepaalt:
    "De Directeur-generaal van de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid wordt ermee belast de aanvragen om verzaking aan de terugvordering van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap te behandelen.”

    Ter herinnering, het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt als volgt:

    "De Minister kan, in behartenswaardige gevallen en na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de personen met een handicap, voor het geheel of voor een gedeelte afzien van de terugvordering van de tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald werden, ingeval de schuldenaar geen enkele fout of nalatigheid treft.
    De Minister gaat niet over tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag lager is dan 335,00 EUR op voorwaarde dat de schuldenaar geen bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen heeft begaan en dat er geen vervallen en nog niet uitbetaalde achterstallen van tegemoetkomingen voorhanden zijn. In dat laatste geval wordt schuldvergelijking toegepast. (…)”

3. ADVIES

Over de vorm:

In de eerste plaats is de NHRPH totaal verbijsterd door de gang van zaken en betreurt ten zeerste niet te zijn geraadpleegd over deze ministeriële besluiten. De NHRPH herinnert eraan dat artikel 20 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten bepaalt dat:
“Ter beoefening van de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden, wint de Koning het advies in van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.”

Wat voor de Koning geldt, geldt a fortiori voor de Minister. De Minister belast met personen met een handicap had de NHRPH om advies moeten vragen alvorens haar bevoegdheden te delegeren.

Het NHRPH herinnert er ook aan dat artikel 4, lid 3, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt dat:
“1. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.”

De NHRPH is van mening dat de verschillende besluiten bijgevolg ongeldig zijn en dat de genomen administratieve beslissingen, althans sommige ervan, nietig dreigen te worden verklaard wegens vormgebreken.

Over de inhoud:

  • De inhoud van het eerste ministerieel besluit levert voor de NHRPH geen enkel probleem op.

  • Wat het tweede besluit betreft, herinnert de NHRPH eraan dat de heer Kris Peeters, toenmalig Minister van Werk, belast met Personen met een handicap, de NHRPH in 2019 om advies had gevraagd over een project om de administratie toe te staan zelf beslissingen te nemen over de toelating van een verblijf in het buitenland van meer dan 90 dagen, al dan niet aaneengesloten, per kalenderjaar, op voorwaarde dat uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen (zie advies 2019-05). De Minister stelde een korte lijst van gevallen van overmacht voor waarin de administratie mag beslissen. Deze lijst zag er als volgt uit:

    • In geval van overmacht (bijvoorbeeld: een aardbeving onderbreekt het luchtverkeer, waardoor de duur van de toegestane 90 dagen wordt verlengd);
    • Om medische redenen, wanneer de arts van de DG Personen met een handicap bevestigt dat het verblijf in het buitenland noodzakelijk of gunstig is voor de gezondheid van de persoon (er is bijvoorbeeld een verband tussen het klimaat en de aandoening);
    • Voor de assistentie van een patiënt, bloed- of aanverwante tot de 2e graad, op voorwaarde dat een medisch attest van de ziekte door de behandelende arts wordt verstrekt (bijvoorbeeld een moeder die in Marokko verblijft voor palliatieve zorg);
    • Om familiale of sociale redenen, indien wordt aangetoond dat de afwezigheid van de betrokkene ernstige familiale of sociale gevolgen zou kunnen hebben.

De NHRPH herinnert aan enkele elementen van zijn advies:

De NHRPH is van mening dat in de tekst moet worden verduidelijkt dat voor de assistentie van een zieke, bloed- of aanverwante tot de 2e graad (3e punt), de toestemming in de tijd moet beperkt zijn en dat het moet gaan om een ernstige ziekte die de ondersteuning van de persoon vereist, waarbij het duidelijk is dat de langdurige ondersteuning nooit een reden voor rechtvaardiging zal zijn. De NHRPH is van mening dat de maximale duur nooit meer dan 6 maanden mag bedragen en niet verlengbaar mag zijn voor eenzelfde bloed- of aanverwante.

De NHRPH wenst aan de lijst het geval toe te voegen van de persoon die tegemoetkomingen ontvangt en die in het buitenland wil studeren. De toelating moet dan beperkt zijn tot de duur van de studie.

De NHRPH vraagt zich af welke juridische vorm deze interpretatie van het begrip "uitzonderlijke omstandigheden" zal aannemen. Ze zal ten minste aan bod moeten komen in een omzendbrief die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Daarnaast plaatst de NHRPH vraagtekens bij het principe zelf van de delegatie van de bevoegdheid van de Minister aan de administratie. Zijn er genoeg gevallen om dit te rechtvaardigen? De NHRPH is van mening dat het noodzakelijk is om een of andere vorm van opvolging van deze verblijfsvergunningen in het buitenland door een andere instantie dan de administratie te behouden.

In dit verband zou kunnen worden overwogen het onderzoek van de aanvragen om vrijstelling toe te vertrouwen aan de Commissie Sociale Zaken (die thans de aanvragen voor verzaking voor onverschuldigde uitbetalingen onderzoekt). Het zou uiteraard noodzakelijk zijn om een koninklijk besluit op te stellen waarbij de bevoegdheden van de Commissie worden uitgebreid. De NHRPH ziet dit als een garantie voor de continuïteit en de eenvormigheid van de beslissingen, die verder reikt dan de opeenvolgende ministers.

 De NHRPH vraagt dan ook dat een nieuw ministerieel besluit in die zin wordt opgesteld en dat het voor advies aan hem wordt voorgelegd.

  • Het derde ministeriële besluit bepaalt dat de Directeur-generaal voortaan verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om te verzaken aan de terugvordering van onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Voorheen was het de Minister die hiermee belast was. De Directeur-generaal (of zijn afgevaardigde) is ook bevoegd om te beslissen over aanvragen voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Dezelfde persoon neemt dus beide soorten beslissingen. De Directeur-generaal is zowel rechter als partij en het risico van belangenconflicten is dus reëel.

    In vele sectoren beslist een andere instantie over verzoeken om verzaken aan de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Zo is op het gebied van de invaliditeitsuitkeringen het beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen bevoegd om te beslissen over de aanvragen tot kwijtschelding (zie de verordening van 17 maart 1999 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde). In pensioenzaken is de Raad voor uitbetaling van de voordelen bevoegd (zie artikel 62 en volgende van de wet van 18 maart 2016 betreffende de federale pensioendienst).

    De NHRPH verzoekt derhalve ook dit ministerieel besluit te herzien. Hij stelt voor dat de Commissie voor sociaal hulpbetoon beslist of de onverschuldigde betaling moet worden teruggevorderd, of dat het advies van deze commissie bindend is.

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan mevrouw Karine Lalieux, Minister van Maatschappelijke Integratie, belast met Personen met een Handicap
  • Ter informatie de heer Alexander De Croo, Eerste Minister
  • Ter informatie aan Unia
  • Ter informatie aan het UNCRPD-coördinatiemechanisme
  • Ter informatie aan de Federale Ombudsman