Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2014/15

Nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid

Advies nr. 2014/15 met betrekking tot de uitvoering van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de zitting van 28/04/2014.

 

Aanvrager

Advies op eigen initiatief.

 

Onderwerp

De leden van de NHRPH zijn zich bewust van het kapitaal belang van de uitvoeringsbesluiten van de bovenvermelde wet, vandaar hun nieuwe advies met betrekking tot dit deel van de procedure.

 

Analyse

Bovenvermelde wet van 17 maart 2013 verscheen in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2013.
Artikel 233  bepaalt dat de wet in werking treedt op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De NHRPH is ervan op de hoogte dat de inwerkingtreding intussen verdaagd is tot 1 september 2014.

Een reeks uitvoeringsbesluiten moet genomen worden, de NHRPH tast ter zake volledig in het duister.

De NHRPH werd wel op datum van maandag 27 januari 2014 op de hoogte gebracht van een adviesaanvraag via de Staatssecretaris voor personen met een handicap in verband met art.492/05 van het Burgerlijk Wetboek: “De Koning stelt op eensluidend advies van de orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten”

Dit advies diende uiterlijk woensdag 5 februari 2014 bezorgd te worden.

Een bijeenroeping van de plenaire vergadering was onmogelijk. Gelet op de hoogdringendheid van de aanvraag besloot het bureau van de NHRPH in vergadering van 3 februari zijn standpunt in een brief aan mevrouw de minister uiteen te zetten. De plenaire vergadering werd hiervan ingelicht en keurde deze wijze van handelen volledig goed.

De plenaire vergadering had trouwens een jaar voordien, namelijk op 21 januari 2013 een advies uitgebracht, waarin ondermeer gesteld werd dat de NHRPH bij de uitvoering van deze wet op een aantal nader omschreven punten wenste betrokken te worden. Dit advies werd op 23 januari 2013 aan de minister van Justitie toegestuurd. Ondanks meerdere herinneringen kwam er nooit een reactie.

Wat meer in het bijzonder de aanvraag inzake de lijst van gezondheidstoestanden betreft kon het bureau alleen maar vaststellen over geen enkel document te kunnen beschikken.

Het enige document dat toegestuurd werd, was een advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren dat evenwel niet over de grond van de zaak, namelijk een oplijsting van gezondheidstoestanden, handelde.

Het Bureau van de NHRPH was dan ook de mening toegedaan dat het niet aan de NHRPH toekwam zelf een dergelijke lijst op te stellen. Dergelijke lijst moet voorbereid worden door deskundigen, en besproken worden in een werkgroep waaraan de NHRPH deelneemt. Dit dossier zou daarna in de plenaire vergadering toegelicht kunnen worden, waarna de NHRPH een gefundeerd advies zou kunnen uitbrengen.

De NHRPH herhaalde bereid te zijn een advies uit te brengen, op voorwaarde dat het dossier op een ernstige wijze kan behandeld worden.

Ook op deze brief kwam geen enkele reactie.

 

Advies

De NHRPH maakt zich ongerust over de gang van zaken en begrijpt de houding van de verantwoordelijken ter zake niet.

Het gaat hier namelijk over een toch wel heel belangrijke aangelegenheid: de overheid regelt de toestand van personen die geacht worden zich in een situatie te bevinden die het natuurlijke vermogen van elke persoon om zijn belangen te behartigen, aantast. Dit zijn beperkingen van de rechten en vrijheden waarmee een democratische rechtstaat heel omzichtig moet omspringen. Het is meer dan logisch dat in dit geval de sector die de belangen van deze personen verdedigt, op zijn minst gehoord en betrokken wordt.

Trouwens, in uitvoering van de beslissing van de ministerraad van 20 juli 2011 werd volgende opdracht gegeven:

“ (…) aan alle Ministers en Staatssecretarissen om binnen hun bevoegdheidsdomein terdege rekening te houden met de dimensie handicap bij het concipiëren en uitvoeren van hun beleid en overleg te plegen met de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap (NHRPH) en met de minister of staatssecretaris bevoegd voor het beleid inzake personen met een handicap”.

Dit is volledig in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, door België geratificeerd, dat in art. 4.3 bepaalt dat “Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij.”

In de veronderstelling dat de wet nog steeds op 1 juni 2014 van kracht wordt, rest heel weinig tijd met betrekking tot de uitvoeringsbesluiten.

De NHRPH, in uitvoering van artikel 4 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap vraagt daarom uitdrukkelijk betrokken te worden bij de opstelling van volgende Koninklijke besluiten:

  • Opstelling van de lijst bedoeld in art. 492/5 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door art. 46 van de wet van 17 maart 2013;
  • De bepaling van het aantal dossiers per voorlopige bewindvoerder – art. 497/1 van het Burgerlijk Wetboek (art. 69 van de wet van 17 maart 2013);
  • De bepaling van de inkomsten die de bezoldiging van de voorlopige bewindvoerder zullen bepalen – art. 497/5 van het Burgerlijk Wetboek (art. 73 van de wet van 17 maart 2013);
  • De opstelling van het standaardformulier voor de medische verklaring – art. 1241 van het Burgerlijk Wetboek (art. 183 van de wet van 17 maart 2013).
 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan mevrouw Annemie Turtelboom, Minister van Justitie;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
 .