Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2014/01

Btw advocaten

Advies nr. 2014/01 over artikel 60 van de wet van 30 juli 2013, waarbij de vrijstelling van de betaling van btw op de diensten verricht door advocaten wordt opgeheven. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) uitgebracht tijdens de plenaire zitting van 17 februari 2014.

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.

 

Onderwerp

Tot 31 december 2013 was België het laatste Europese land dat de diensten verricht door advocaten nog vrijstelde van de betaling van btw. Die vrijstelling was gebaseerd op artikel 44, § 1, van het btw-wetboek.

Bij artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen werd deze vrijstelling opgeheven.

Sinds 1 januari 2014 onderwerpen alle vrije beroepen, met uitzondering van artsen en bepaalde paramedici, hun diensten aan de btw.

 

Analyse

Alle door advocaten verrichte diensten zijn onderworpen aan 21% btw, uitgezonderd:

A. De activiteiten die een advocaat verricht als:

  • bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar;
  • mandataris ad hoc (voorlopig bewindvoerder van vennootschappen of verenigingen);
  • plaatsvervangend rechter;
  • lid van de Raad van de Orde;

In die hypotheses valt de advocaat niet binnen het kader van de definitie van btw-plichtige aangezien hij niet zelfstandig handelt in de zin van het btw-wetboek.

B. Diensten vrijgesteld bij artikel 44, § 2, van het btw-wetboek:

  • de diensten als voorlopig bewindvoerder aangesteld door een rechter (artikel 488bis van het burgerlijk wetboek), voor het beheer van het bezit van meerderjarige personen die omwille van hun lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand volledig of gedeeltelijk onbekwaam zijn geworden om hun goederen te beheren;
  • de diensten als schuldbemiddelaar aangesteld door een rechter (artikel 1675/17 van het gerechtelijk wetboek); het btw-wetboek (artikel 44, § 2) voorziet in een vrijstelling van de diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid die worden verricht door "organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend", d.w.z. de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben. In zijn arrest nr. 56/2013 heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd dat advocaten die diensten verrichten inzake collectieve schuldenregeling zoals beoogd door artikel 1675 van het gerechtelijk wetboek, beschouwd kunnen worden als instellingen van sociale aard;
  • de diensten als voogd of voogd ad hoc;
  • de diensten als al dan niet erkend familiaal bemiddelaar (onderwijskeuze en gezinsvoorlichting);
  • diensten als voordrachtgever en docent;
  • contracten voor uitgave van letterkundige werken en auteursrechten.

C. Nultarief:

De circulaire van Financiën van 20 november 2013 voorziet uitdrukkelijk dat de tweedelijnsrechtsbijstand (vroegere pro deo) die door advocaten en advocaat-stagiairs wordt verstrekt aan de btw zijn onderworpen tegen het nultarief.

Van de verschillende vermelde uitzonderingen, kunnen voor personen met een handicap de uitzonderingen vermeld onder punten B en C van toepassing zijn.

 

Advies

De NHRPH is zich ervan bewust dat deze materie tot de Europese fiscaliteit behoort en dat de Belgische overheden de bepalingen dienen te respecteren van Europese richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

De NHRPH wenst evenwel de aandacht te vestigen op de bijzonder kwetsbare situatie waarin de grote meerderheid van de personen met een handicap leeft.
De toepassing van deze nieuwe regelgeving brengt extra kosten met zich mee voor personen met een handicap die een beroep doen op de diensten van een advocaat (met uitzondering van de wettelijk toegekende vrijstellingen) en maakt voor hen de toegang tot justitie niet gemakkelijker, in het bijzonder op het vlak van materies die hen specifiek aanbelangen.

De NHRPH is van mening date en bijkomende vrijstelling zou moeten worden toegekend aan personen met een handicap die beroep doen op de diensten van een advocaat in het kader van rechtsvorderingen ingesteld met toepassing van artikel 582, 1° en 2° van het gerechtelijk wetboek, d.w.z. in het kader van:

« […] geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand » ;

« […] geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen ».

Er zou met andere woorden ook een vrijstelling moeten worden voorzien voor de geschillen waarin personen met een handicap en de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap), het AWIPH (Agence Wallonne pour l’Intégration des Personnes Handicapées), de DPB (Dienststelle für Personen met Behinderung) of PHARE (Personne Handicapée Autonomie Recherche) tegenover elkaar staan.

In dezelfde materies bepaalt het gerechtelijk wetboek (artikel 1017) uitdrukkelijk dat de bevoegde overheid of instelling ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten wordt verwezen.

Het is heel waarschijnlijk dat de meeste betrokkenen tweedelijnsrechtsbijstand genieten en dat bijgevolg de meerkosten die door deze maatregel worden veroorzaakt niet overdreven hoog zullen zijn.

 

Bezorgd

 .
 .