Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2014/14

Ontwerp van koninklijk besluit tot oprichting van de Federale Raad voor personen met een handicap.

Advies nr. 2014/14 over het ontwerp van koninklijk besluit tot oprichting van de Federale Raad voor personen met een handicap. Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) opgemaakt tijdens de plenaire vergaderingen van 16 december 2013, 20 januari 2014, 17 februari 2014, 17 maart 2014 en 28 april 2014.

 

Aanvrager

Advies op vraag van de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, in zijn e-mailbericht van 8 november 2013.

 

Onderwerp

Dit besluit heeft tot doel een "Federale Raad voor personen met een handicap" op te richten ter vervanging van de huidige "Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap", opgericht bij koninklijk besluit van 9 juli 1981, dat zou worden opgeheven.

 

Analyse

De basis van het voorstel van dit ontwerp van koninklijk besluit staat in de aanhef in de vorm van twee consideransen: de aandacht voor de eisen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap enerzijds en de structurele regeling van de deelname van personen met een handicap en van de organisaties die hen vertegenwoordigen aan de denk- en politieke besluitvormingsprocessen anderzijds.

Het omvat een niet-gestructureerd vervolg van artikelen, onder andere met betrekking tot de samenstelling, de opdracht en de werking van de raad.

Het ontwerp voert onder andere de volgende belangrijke wijzigingen door:

  • invoering van het principe van vertegenwoordiging van een vereniging;
  • invoering van het begrip plaatsvervangende leden;
  • duur van het mandaat.
 

Advies

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap werd in het kader van de opmaak van deze nieuwe regelgevende tekst snel geraadpleegd. Vele opmerkingen die tijdens de werkvergaderingen door de leden van de NHRPH werden gemaakt, werden gehoord en in overweging genomen.

Deze associatieve en participatieve aanpak toont de wil aan van het kabinet om de NHRPH te betrekken tijdens een verder gevorderd stadium in de uitwerking van het beleid en de juridische normen. Deze wil blijkt ook uit de consideransen van het ontwerp van koninklijk besluit.

Nieuwe juridische norm:

Na kennis te hebben genomen van de intentie van de auteurs enerzijds en van de inhoud van de artikelen anderzijds, stelt de Raad zich vanuit technisch oogpunt vragen bij de pertinentie van het invoeren van een nieuwe juridische norm in plaats van het aanpassen van het huidige koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van de NHRPH: de strekking is verschillend en de inhoud van de artikelen wil inspelen op de praktijk, maar globaal gezien is de structuur van het besluit niet gewijzigd.

Strekking van het ontwerp:

De NHRPH is van mening dat het koninklijk besluit van 9 juli 1981 tot oprichting van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap niet langer in overeenstemming is met de huidige situatie, in het bijzonder op het vlak van de werking en de uitvoering van de opdrachten van deze raad in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. De NHRPH is van mening dat de rol van de nieuwe raad in het kader van dit verdrag, de relaties die hij onderhoudt met het maatschappelijk middenveld en met andere raden en een eventuele vertegenwoordiging op Europees en/of internationaal niveau onvoldoende aan bod komen in de opdrachten zoals ze zijn beschreven in het ontwerp van koninklijk besluit.

De NHRPH stelt voor om een eerste artikel in te voegen dat de algemene opdracht van de nieuwe raad in het licht van het verdrag beschrijft.
Bijvoorbeeld: "belast met het verzekeren van de actieve deelname van personen met een handicap aan de uitwerking en de uitvoering van de beleidsmaatregelen die al dan niet specifiek op hen betrekking hebben".

De NHRPH stelt voor om vervolgens de hoofdtaken van de raad met betrekking tot de algemene opdracht nader te bepalen:

  • Adviezen verstrekken op gebieden waarvoor de federale overheid bevoegd is en die een invloed kunnen hebben op de uitoefening van de rechten van personen met een handicap, op eigen initiatief OF op verzoek van een lid van de regering OF op verzoek van een wetgevende kamer OF op verzoek van gelijk welke federale instelling van openbaar nut;
  • deelnemen aan het uitwerken van het beleid en van de maatregelen die een invloed hebben op de uitoefening van de rechten van personen met een handicap en hun familie op verzoek van een lid van de regering OF op verzoek van een wetgevende kamer;
  • voorstellen doen met het oog op de optimalisering en de coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen, op eigen initiatief OF op vraag van een regeringslid OF op vraag van een wetgevende kamer.

De NHRPH vindt het ook belangrijk om de regeringsleden er in een specifiek artikel aan te herinneren dat het noodzakelijk is om aan de nieuwe raad alle nuttige en nodige informatie te bezorgen met het oog op de uitvoering van zijn opdrachten.

Inhoud van het ontwerp:

Artikel 3, eerste lid: Leden

De leden van de nieuwe raad zullen niet langer leden zijn die persoonlijk 'speciaal bevoegd' zijn, maar vertegenwoordigers van verenigingen. Deze nieuwe formulering houdt het risico in dat kandidaturen worden geweigerd van personen die deskundig zijn op het vlak van handicap maar geen lid zijn van een vereniging. De NHRPH staat niet achter deze beperkingen en geeft sterk de voorkeur aan een raad die is samengesteld uit verschillende categorieën van leden:

  • vertegenwoordigers van verenigingen die de rechten van personen met een handicap en van hun familie vertegenwoordigen en verdedigen – minstens 2/3 van de leden met beraadslagende stem;
  • vertegenwoordigers van organisaties die ook, maar niet uitsluitend, de rechten van personen met een handicap verdedigen;
  • leden aangeduid op basis van hun sociale of wetenschappelijke activiteiten op het gebied van handicap;
  • de voorzitter van het Belgian Disability Forum vzw (BDF) of zijn afgevaardigde;
  • de vertegenwoordiger van de Eerste Minister;
  • de vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor het beleid inzake personen met een handicap.

Het bepalen van het precieze aantal leden zou worden overgelaten aan de overheid. De raad is evenwel van mening dat minstens 20 leden nodig zijn om een ruime representativiteit van de categorieën en van de sector te kunnen verzekeren en om de regelgeving betreffende de taalpariteit en de gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de adviesraden te kunnen naleven. Dat aantal moet ook een optimale werking op operationeel vlak waarborgen.

Van de verschillende soorten leden zouden enkel categorieën 1, 2 en 3 over een beraadslagende stem beschikken.

De raad wenst ook een artikel in te voegen met betrekking tot de onverenigbaarheid van mandaten. Het mandaat van lid van de nieuwe raad zou onverenigbaar zijn met:

  • een parlementair mandaat op federaal, gewestelijk, gemeenschaps- of Europees niveau;
  • het statuut van ambtenaar van gelijk welke Belgische entiteit;
  • een functie in een ministerieel kabinet.

Artikel 3, tweede lid: Plaatsvervangende leden

Het probleem van de plaatsvervanging is een probleem dat ruim aan bod is gekomen bij de NHRPH. De aanduiding van plaatsvervangers werd in eerste instantie gesuggereerd als een interessante oplossing voor het absenteïsmeprobleem. Na rijp beraad is de NHRPH echter van mening dat de aanduiding van plaatsvervangende leden andere moeilijkheden met zich zou meebrengen voor de nieuwe raad, namelijk:

  • voor de kleine verenigingen zou het moeilijk zijn om een effectief en een plaatsvervangend lid aan te duiden;
  • de plaatsvervangende leden zouden verplicht zijn om alle vergaderdata vrij te houden, zonder er zeker van te zijn dat ze de vergaderingen daadwerkelijk mogen bijwonen;
  • de moeilijkheid voor de plaatsvervangende leden om zo maar onvoorbereid de effectieve leden te vervangen (context, meningsverschillen, historiek van het behandelde dossier, …); …

Derhalve is de NHRPH geen voorstander van de aanduiding van plaatsvervangende leden in het kader van de samenstelling van de nieuwe raad.

Om het probleem van de herhaaldelijke/permanente ongewettigde afwezigheden van de effectieve leden op te lossen, dringt de NHRPH erop aan om in het koninklijk besluit een specifiek artikel in te voegen met betrekking tot de beëindiging van het mandaat; het mandaat zou aflopen bij het einde van de termijn (1), bij het overlijden van het lid (2), wanneer het lid ontslag neemt (3) en wanneer het lid ambtshalve wordt ontslagen (4).

In het eerste geval (1), zou de volledige raad worden vernieuwd na afloop van de termijn van 6 jaar, volgens een nader te bepalen procedure (met bekendmaking in het Belgisch Staatsblad). In het tweede (2) en derde (3) geval zou enkel het overleden of ontslagnemend lid moeten worden vervangen volgens een in het huishoudelijk reglement vast te leggen procedure. De vierde hypothese (4) beoogt de gevallen van herhaaldelijke ongewettigde afwezigheden (bijvoorbeeld: meer dan de helft van de jaarlijkse vergaderingen), langdurige gewettigde afwezigheden (bijvoorbeeld: langer dan een jaar), onverenigbaarheden die ontstaan in de loop van het mandaat en het niet langer vertegenwoordigen van een vereniging. Het lid zou dan ambtshalve kunnen worden ontslagen door de overheid, op voorstel van het bureau. Deze verschillende hypotheses en de te volgen procedures zouden in het huishoudelijk reglement kunnen worden vastgelegd.

Artikel 3, derde lid 3:

De NHRPH stelt voor om een artikel in te voegen dat de nieuwe raad toelaat om de vertegenwoordiger(s) uit te nodigen van de minister(s)/staatssecretaris(sen) die betrokken zijn bij een punt op de agenda.

De NHRPH betreurt dat de vertegenwoordiger van de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid niet meer voorkomt in het punt met betrekking tot de samenstelling van de nieuwe raad. De opdrachten van het secretariaat onderscheiden zich immers duidelijk van de rol van de vertegenwoordiger van de administratie. Die is immers in twee richtingen de tussenpersoon tussen de diensten van de betrokken administratie enerzijds en de Raad anderzijds. Hij bezorgt informatie en volgt de uitgevoerde beleidsmaatregelen op. De NHRPH vraagt daarom dat de vertegenwoordiger van de FOD Sociale Zekerheid terug zou worden opgenomen in de samenstelling van de nieuwe raad.

Artikel 4: Mandaat

De NHRPH geeft de voorkeur aan de huidige duur van het mandaat, namelijk 6 jaar vernieuwbaar, en ziet niet in op welke basis de duur zou moeten worden verkort tot 5 jaar.

Artikel 5: Beraadslagingen

Met betrekking tot het vereiste quorum, stelt de NHRPH de volgende formulering voor: "de helft +1 van de leden met beraadslagende stem". De NHRPH wenst geen preciseringen betreffende de beslissingswijze; idealiter zouden de adviezen van de nieuwe raad de verschillende tendensen moeten weerspiegelen die er in die raad zijn.

Artikel 6: Huishoudelijk reglement

De NHRPH is van mening dat het huishoudelijk reglement moet worden opgemaakt door de nieuwe raad, om het vervolgens te bezorgen aan het bevoegde regeringslid, dat binnen de 3 maanden naar het versturen ervan nagaat of het in overeenstemming is met de regelgeving. Na die termijn wordt het huishoudelijk reglement geacht goedgekeurd te zijn.

Artikel 7: Bureau

De NHRPH stelt voor om te vermelden dat de leden van het Bureau bij koninklijk besluit worden benoemd onder de leden van de raad met beraadslagende stem.

De NHRPH vindt het ook belangrijk om te vermelden dat het Bureau de agenda's van de vergaderingen vastlegt.

Op het vlak van de tussenkomst van deskundigen, vraagt de NHRPH zich af wat de nuanceverschillen zijn tussen "bijstaan" en "adviseren". De NHRPH stelt voor om de formulering "beroep doen op" uit het koninklijk besluit van 9 juli 1981 over te nemen.

Artikel 8: Vergaderingen

Om te zorgen voor de nodige betrokkenheid vanwege de leden van de nieuwe raad, stelt de NHRPH voor om het aantal plenaire vergaderingen per jaar te verhogen tot minstens 8.

Artikel 9: Secretariaat

De praktijk heeft uitgewezen dat de aanwijzing van één secretaris om het secretariaat van de NHRPH waar te nemen niet realistisch was. De NHRPH is dan ook van mening dat de formulering van het derde lid van artikel 4 kan worden vereenvoudigd tot "de secretarissen (…)".

Wat de rol van het secretariaat betreft, geeft de NHRPH de voorkeur aan een algemene forumlering, namelijk: "de Raad bijstaan op conceptueel en administratief vlak, om ervoor te zorgen dat hij optimaal kan functioneren".

Structuur van de tekst:

De NHRPH stelt voor dat bij de goedkeuring van een nieuwe tekst tevens van de gelegenheid gebruik zou worden gemaakt om de tekst beter te structureren, door hem op te delen in hoofdstukken of door alle artikelen die over hetzelfde thema gaan samen te zetten (bijvoorbeeld: definities, opdrachten, samenstelling, werking en varia).

Artikel 4 gaat tegelijk over de benoeming van de leden, de bekenmaking en de duur van het mandaat.

Artikel 5 gaat tegelijk over de opdracht en de werking. Het komt na de samenstelling van de raad. Artikel 7 gaat over de benoeming van het bureau, artikel 8 over de werking en artikel 9 gaat opnieuw over de aanwijzing van het secretariaat

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor Personen met een handicap;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme;
  • Ter info aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum.
 .
 .
 .