Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2013/17

Wetsvoorstel betreffende de internering van personen

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het wetsvoorstel 5-2001/1 betreffende de internering van personen, uitgebracht tijdens de zittingen van 16 september en 21 oktober 2013.

 

Aanvrager

Advies op eigen initiatief.

 

Onderwerp

Het wetsvoorstel betreffende de internering van personen, ingediend door de heer Bert Anciaux c.s, 5-2001/1 werd toegelicht op de plenaire vergadering van 16 september 2013.

De NHRPH besloot niet alleen te reageren op het wetsvoorstel zelf maar ook een ruimer standpunt mee te geven met betrekking tot de problematiek van de internering.

 

Analyse

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, kan nog steeds niet toegepast worden.

De opstellers van huidig wetsvoorstel zijn ervan overtuigd dat zij een aanzienlijke verbetering zou meebrengen. Toch is er ook heel wat kritiek gekomen op deze wet Van 21 april 2007.

Steunend op de concrete aanbevelingen, adviezen en voorstellen, uitgebracht tijdens de hoorzittingen betreffende de wet van 21 april 2007 werden wijzigingen uitgewerkt om de wet te verbeteren en aan te vullen. Het resultaat is een totaal nieuw voorstel van wet ter vervanging van de wet van 21 april 2007, met volgende klemtonen:

1) Een zorgvuldig en degelijk psychiatrisch deskundigenonderzoek is een cruciale factor:

  • Het onderzoek wordt verplicht;
  • Forensische psychologen, met specifieke deskundigheid inzake diagnostiek en risico-evaluatie kunnen betrokken worden bij dit onderzoek;
  • De mogelijkheid bestaat beroep te doen op een college van deskundigen van psychologen en gedragswetenschappers;
  • Een opname ter observatie, ofwel in de psychiatrische afdeling van een strafinrichting, of in een forensisch centrum wordt mogelijk;
  • De tegensprekelijkheid wordt ingevoerd. De deskundige bezorgd zijn voorlopig advies aan de raadsman van de betrokkene, die opmerkingen kan formuleren.

2) De plaatsing door de strafuitvoeringskamer zal gedifferentieerd kunnen verlopen, aangepast aan de geestesstoornis en de risicotaxatie van de geïnterneerde, met respect voor de regels van de inrichting waar wordt geplaatst.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen:

  • Opgevorderde plaatsing;
  • Onderhandelde plaatsing;
  • Invrijheidsstelling op proef.

3) Binnen de strafuitvoeringsrechtbanken worden gespecialiseerde strafuitvoeringskamers uitsluitend bevoegd gemaakt voor internering:

  • Een interneringstraject vereist een veel flexibeler aanpak dan een strafuitvoeringstraject;
  • Er is een verschil in territoriale bevoegdheid naargelang het een geïnterneerde of een veroordeelde betreft.

4) In functie van therapeutische noden en rekening houdend met veiligheidsrisico’s kunnen trapsgewijze vrijheden toegekend worden vanaf het begin van de plaatsing.

5) De geïnterneerde veroordeelde die het einde van zijn straf bereikt wordt volledig gelijk gesteld met een gewone geïnterneerde.

6) In elke fase van de uitvoering van de interneringsmaatregel moeten de procedures worden vereenvoudigd en versoepeld.

7) Vanaf de eerste verschijning wordt één moederdossier aangelegd, waarin alle stukken worden bijeengebracht.

 

Advies

De Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap heeft als adviesorgaan van de federale overheid niet alleen de opdracht zich uit te spreken over dit wetsvoorstel, zie de beslissingen van de Ministerraad van 20 juli 2011 en 19 juli 2013, maar ook de morele verplichting.

De beslissing van de Ministerraad van 19 juli 2013 vraagt “aan de volledige regering om voor alle beleidslijnen of maatregelen met een impact op de rechten en noden van de personen met een handicap of hun gezin de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap duurzaam en vanaf de beginfase van het denkwerk en de besluitvorming te interpelleren en te betrekken, zoals voorgeschreven in het Verdrag, dat in 2009 geratificeerd werd.” Hiermee verduidelijkt de Ministerraad een eerdere beslissing van 20 juli 2011.

De NHRPH verwijst ook naar art.4.3. van het Uno-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH komt op voor de belangen van alle personen met om het even welke handicap. Dit is dus ook voor de persoon “die op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij tengevolge van zijn geestesstoornis desgevallend in samenhang met andere risicofactoren opnieuw misdrijven zal plegen”, en die omwille van die handicap een misdrijf of wanbedrijf heeft gepleegd, waarop een gevangenisstraf is gesteld (art. 9 van het wetsvoorstel).

De NHRPH kan niet onbewogen blijven voor de gevolgen van die daden, maar vraagt dat de betrokkene op een humane manier tegen zichzelf wordt beschermd, in het belang van de maatschappij en van zijn familie in het bijzonder.

Wat betreft het wetsvoorstel maakt de NHRPH volgende opmerkingen:

  • De NHRPH staat volledig achter het verplicht karakter van het psychiatrisch onderzoek, maar vraagt zich wel af wie dat voor zoveel mensen gaat doen?
  • Van groot belang is de vorming van de professionelen die betrokken zullen zijn, dit is zelfs elementair om te slagen.
  • De wet schept het kader, de uitvoeringsbesluiten zullen bepalen hoe goed de wet is: hoe gaat de erkenning van de gerechtspsychiater geregeld worden, wat zal de verloning zijn?
  • Hetzelfde geldt voor de dubbele rapportage: het principe is goed, maar de vorming van de betrokken psychologen zal het succes van de maatregel bepalen.
  • De NHRPH stelt dan ook uitdrukkelijk betrokken te willen worden bij de totstandkoming van deze uitvoeringsbesluiten.
  • Het zal altijd een zeer delicate opdracht blijven om een goed psychiatrisch rapport op te stellen: het blijft een zeer moeilijke taak.

De leden van de NHRPH dringen er op aan spoed te zetten achter de aanpassing (of de vervanging) van de wet van 21 april 2007 en de uitvoeringsbesluiten van de nieuwe wetgeving.

De huidige toestand van de betrokkenen is immers dikwijls dramatisch.

  • Het is nog steeds de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten die van toepassing is, herzien door de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers. Deze wetgeving stelt juridische problemen, omdat een aantal vereisten niet aanwezig moeten zijn, zoals de bestraffing met een vrijheidsberoving van het gepleegde misdrijf of wanbedrijf, het ernstig gevaar van recidive, een voorafgaandelijk psychiatrisch onderzoek. Bij observatie wordt de betrokkene ondergebracht in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.
  • Het preventief optreden om te voorkomen dat problematisch gedrag van personen met een handicap ontspoort, is onvoldoende.
  • Het onderzoek van de gerechtspsychiater wordt bemoeilijkt door het ontbreken van criteria voor het verslag, de onderwaardering, het tijdsgebrek, terwijl op zijn advies een doorslaggevende beslissing wordt genomen.
  • Er is een gebrek aan homogeniteit van behandeling in de commissies tot bescherming van de maatschappij.
  • Er is een gebrek aan statistische informatie met betrekking tot deze commissies.
  • Het aantal geïnterneerde personen die in de gevangenissen verblijven blijft toenemen, de duur van de internering is onbepaald.
  • Wegens het tekort aan plaatsen in inrichtingen van sociale bescherming verblijven de geïnterneerden in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen, zonder de aangepaste verzorging en dikwijls samen met gedetineerden met psychiatrische problemen van diverse aard, en met meerdere personen samen in één cel.
  • Er is een gebrek aan gespecialiseerd verzorgend personeel, zowel in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen als in de inrichtingen van sociale bescherming.
  • De versnippering van het beleid, en het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende betrokken sectoren beletten de totstandkoming van een coherent beleid, aangepast aan de specifieke zorgen van de geïnterneerden.
 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Alain Courtois, Voorzitter van de Senaatscommissie voor de Justitie;
  • Voor opvolging aan de dames en heren Senatoren Bert Anciaux, Philippe Mahoux, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Dalila Doufi;
  • Ter informatie aan mevrouw Annemie Turtelboom, Minister van Justitie;
  • Ter informatie aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
 .
 .