Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2009/11

Verhuur van rolstoelen

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH), uitgebracht op de plenaire vergadering van 20 april 2009.

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH.

 

Onderwerp

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft in vergadering van 20 april 2009, unaniem volgend advies uitgebracht met betrekking tot het probleem dat in verband met de verhuur van rolstoelen gesteld werd in de vergadering van de technische raad rolstoelen van 17 maart 2009. De Nationale Hoge Raad werd hierover ingelicht door zijn vertegenwoordigers in de Technische raad.

 

Analyse

De Nationale Hoge Raad kan onder geen enkel beding aanvaarden dat de kosten voor het herstellen van (zwaar) beschadigde rolstoelen, onder het mom van responsabilisering van de gebruiker, zouden afgewenteld worden op de persoon die als "gebruiker" van de rolstoel, geregistreerd staat.

De NHRPH merkt op dat in het type-huurcontract voor de verhuur van een mobiliteitshulpmiddel aan rechthebbenden opgenomen in een rustoord voor bejaarden of een rust- en verzorgingstehuis zoals bedoeld in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, rechten en verplichtingen van de verstrekker en van de rechthebbende zijn opgenomen.

  • een omstandige beschrijving van de staat van de rolstoel op het moment van aflevering wordt opgesteld (art. 3);
  • minstens eenmaal per jaar wordt een onderhoud van de rolstoel uitgevoerd (id.);
  • de rechthebbende verbindt zich ertoe de rolstoel normaal te gebruiken, in propere staat te houden, niet te vervreemden, het onderhoud ervan toe te staan en enkel de verstrekker te contacteren voor aanpassingen, onderhoud of herstellingen (art. 4);
  • het huurforfait (te betalen door het ziekenfonds van de rechthebbende), dekt alle kosten die samengaan met het verstrekken, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen en alle verplaatsingskosten. Er kunnen geenszins supplementen voor de door het huurforfait gedekte kosten ten laste van de rechthebbende worden aangerekend (art. 5);
  • de verstrekker kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen van foutief gebruik (art. 6);
  • het huurcontract wordt voor onbepaalde duur afgesloten (art. 8);
  • wanneer schade aan de rolstoel wordt vastgesteld te wijten aan onvoldoende zorgzaamheid en onverantwoorde behandeling van de rolstoel door de rechthebbende, kan de verstrekker een einde maken aan het contract. Op basis van de schriftelijke vaststellingen zijn de kosten van die schade ten laste van de rechthebbende. (art. 8).

Art. 7 van het type-contract duidt de arbeidsrechtbank aan om geschillen in verband met de toepassing van het huurcontract te beslechten.

 

Advies

De NHRPH meent dat dit contract de verstrekker voldoende waarborgen biedt. Hij is er bovendien van overtuigd dat de kosten voor een zekere mate van herstel, van reiniging, voldoende ruim berekend werden en opgenomen zijn in de prijsbepaling. De huurovereenkomsten zijn immers met de betrokkenen onderhandeld.

De Nationale Hoge Raad kan er ook niet mee instemmen dat de gebruiker-patiënt als enige betrokken partij zou moeten opdraaien voor bijkomende kosten: daarnaast zijn er de ziekenfondsen, de bandagisten en de instellingen waar de personen verblijven.

Bovendien betreft het hier dikwijls personen met een hoge leeftijd, sommige beschikken niet meer over al hun geestesvermogens, ze hebben niet altijd de mogelijkheid om zelf voor hun materieel in te staan.

De Nationale Hoge raad is de mening toegedaan dat als de prijzen verkeerd berekend werden, de betrokkenen met de overheid rond de onderhandelingstafel moeten gaan zitten, en nieuwe afspraken maken. Dit kan in geen geval afgewenteld worden op de gebruiker-patiënt.

 

Bezorgd

  • Aan mevrouw Kiekens, Voorzitster Technische Raad voor Rolstoelen van Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  • Aan mevrouw Julie Fernandez-Fernandez, Staatssecretaris voor personen met een handicap.
  • Aan mevrouw Laurette Onkelinx, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
 .
 .