Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2017/13

Behandelingstermijnen tegemoetkomingen PMH

Advies nr. 2017-13 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) met betrekking tot de naleving van de behandelingstermijnen voor tegemoetkomingen voor personen met een handicap, geformuleerd op de plenaire vergadering van 18 september 2017

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH

 

Onderwerp

De Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid is belast met de toekenning van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap: de inkomensvervangende tegemoetkomingen, de integratietegemoetkomingen, en naar aanleiding van de zesde staatshervorming voorlopig de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden.

Uit cijfers op de website van de Directie-generaal blijkt dat de gemiddelde termijn voor de behandeling van dossiers aanzienlijk langer geworden is.

 

Analyse

Volgens de wet moeten aanvragen tot tegemoetkomingen voor personen met een handicap binnen een bepaalde termijn behandeld worden: gelezen in samenhang met artikel 8bis, derde lid, van de wet van 27 februari 1987 inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap en artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wordt deze termijn vastgesteld op 6 maanden vanaf 2010.

De naleving van de behandelingstermijnen door de Directie-generaal Personen met een handicap is een terugkerende problematiek. Dit aspect was een van de prioriteiten in de beleidsnota van een vorige Staatssecretaris voor Personen met een handicap, en werd tussen mei 2009 en maart 2010 aan een audit door het Rekenhof onderworpen. In 2009 bedroeg de gemiddelde behandelingstermijn 9,4 maanden.

Cijfers van september 2017 op de website van de Directie-generaal (www.handicap.belgium.be) tonen aan dat de behandelingstermijnen (uitgedrukt in maanden) sterk verschillen volgens provincie. De DG haalt technische problemen en een personeelstekort aan om sommige vertragingen te verklaren.

ProvincieInkomensvervangende en integratietegemoetkomingenTegemoetkomingen voor hulp aan bejaardenEvaluatie van de handicap voor attesten Evaluatie van de handicap voor de bijkomende kinderbijslag
Antwerpen9822
Brussel9712
Henegouwen121135
Limburg7921
Luik5422
Luxemburg5512
Namen7613
Oost-Vlaanderen5711
Vlaams-Brabant7723
Waals-Brabant12622
West-Vlaanderen4612
 

Advies

In zijn verslag van december 2014 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers merkte het Rekenhof op dat "de administratie van oudsher de reglementaire termijn niet haalt en dat ondanks de vele maatregelen die in het verleden werden genomen, dit probleem hardnekkig blijft voortbestaan." In 2017 stelt de NHRPH vast dat meer dan de helft van de provincies de termijn voor inkomensvervangende tegemoetkomingen en tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden niet naleeft. Hij besluit dat noch de technische noch de organisatorische wijzigingen bij de Directie-generaal een afdoende en structureel positieve impact hebben op de naleving van de termijnen voor dossierbehandeling.

Hij merkt eveneens op dat de behandelingstermijn enorm verschilt volgens provincie: vier maanden in Oost-Vlaanderen tegenover twaalf maanden in Henegouwen voor de inkomensvervangende tegemoetkomingen. De NHRPH vraagt zich af waaraan dergelijke verschillen tussen provincies te wijten zijn. Hij is zich terdege bewust van de informaticaproblemen (cf. Advies 2017/03), maar deze troffen alle provincies en kunnen in geen geval het verschil tussen de provincies rechtvaardigen. De overplaatsing van het personeel naar de deelgebieden is ook geen geldig argument, aangezien hun werklast eveneens overgeheveld werd. Bovendien zou dit eveneens overal in het gewest tot uiting moeten komen. Dit is niet het geval: tussen provincies in eenzelfde gewest zijn er ook grote verschillen. Hieruit leidt de NHRPH af dat de aanvragers van een tegemoetkoming niet meer gelijk behandeld worden.

De NHRPH benadrukt dat de administratie de bij de wet opgelegde termijn moet naleven, niet alleen omdat een langere behandelingstermijn nadelig is voor personen met een handicap, een reeds kwetsbaar doelpubliek, maar ook omdat overschrijding van de termijn een invloed heeft op de begroting van de federale overheid, aangezien er dan verwijlinteresten verschuldigd zijn. Hij vraagt de nodige maatregelen te treffen om op zijn minst de wettelijke termijn na te leven in alle provincies en ervoor te zorgen dat de behandelingstermijn overal gelijk is om discriminatie te voorkomen.

 

Bezorgd

  • Ter opvolging aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking
  • Ter informatie aan de heer Charles Michel, Eerste Minister
  • Ter informatie aan de heer Jan Jambon, Minister van Binnenlandse Zaken
  • Ter informatie aan UNIA
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme
 .
 .