Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2019/04

Advies nr. 2019/04 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de toekenning van afgeleide rechten aan kinderen met een handicap, uitgebracht via elektronische raadpleging op 7 maart 2019.

Advies uitgebracht op vraag van de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking.

1. ONDERWERP

In dit advies worden drie voorstellen van wet- en reglementaire teksten (evenals hun bijlagen) onderzocht, namelijk:

  • het voorontwerp van wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving;
  • het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving;
  • het ontwerp van koninklijk besluit tot aanpassing van verschillende koninklijke besluiten ingevolge de inwerkingtreding van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving.

2. ANALYSE

De memorie van toelichting van het wetsvoorstel bepaalt het volgende:

Verschillende federale reglementeringen houden rekening met de handicapsituatie van de burgers om hun verschillende sociale of fiscale voordelen toe te kennen.

Deze voordelen worden toegekend op basis van de erkenning van de handicap van de persoon, soms in combinatie met aanvullende administratieve of inkomensvoorwaarden.

Voor het rekening houden met de situatie van een kind met een handicap, verwijzen de verschillende regelingen inzake sociale en fiscale voordelen naar de regeling inzake verhoogde kinderbijslag van de Algemene kinderbijslagwet (AKBW) en het uitvoeringsbesluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002.

De beoordeling van het kind voor de verhoogde kinderbijslag vertrekt van een aandoening “die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving”.

Met de zesde staatshervorming werd de bevoegdheid voor kinderbijslag overgedragen aan de gemeenschappen, waardoor het onduidelijk is hoe lang de huidige methode voor het vaststellen van lichamelijke of geestelijke handicaps zal worden gehandhaafd.

De federale wetgeving inzake kinderbijslag blijft echter van kracht in de deelentiteiten voor zolang en zover zij door de wetgeving van deze entiteiten niet wordt gewijzigd of ingetrokken.

Zo verleent het decreet van het Waals Gewest van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen de bevoegdheid aan de Waalse regering om de voorwaarden te bepalen voor de toekenning van de bijslag ten gunste van de kinderen met een handicap. De inwerkingtreding van deze regeling is vastgesteld op 1 januari 2020 en enkel voor kinderen die op of na 1 januari 2020 geboren zijn.

Zo voorziet het decreet van de Vlaamse overheid van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vanaf 1 januari 2019 in een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Het besluit van 7 december 2018 van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag bepaalt de criteria voor de vaststelling van dit recht.

Het is daarom noodzakelijk om rekening te houden met deze ontwikkelingen. Enerzijds moet in de federale wetgeving een verwijzing naar de erkenning van de handicap van het kind worden opgenomen, want hoewel de regels die voortvloeien uit de AKBW in sommige entiteiten tijdelijk kunnen worden gehandhaafd, is het niet zeker dat zij het huidige systeem voor de erkenning van de handicap zullen handhaven. Anderzijds moeten de verwijzingen naar de AKBW in de federale wetgeving worden gewijzigd, aangezien die niet langer de basis zal vormen voor een uniforme erkenning.

Het wetsontwerp heeft tot doel het probleem dat voortvloeit uit de overdracht van de bevoegdheid inzake verhoogde kinderbijslag aan de Gewesten aan te pakken door in de federale wetgeving een basis vast te leggen om deze vaststellingen alsnog te doen of door te bepalen dat gelijkwaardige vaststellingen van de deelentiteiten kunnen worden gebruikt om de sociaal verzekerden niet te dwingen tweemaal een medisch onderzoek te ondergaan.

Zoals ook voorzien is in de huidige AKBW, bepaalt het ontwerp dat de Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het lichamelijk en geestelijk onvermogen van het kind en de gevolgen van de aandoening worden bepaald.

Het eerste ontwerp van koninklijk besluit heeft tot doel de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving uit te voeren.

Het tweede ontwerp van koninklijk besluit past verschillende koninklijke besluiten aan naar aanleiding van de inwerkingtreding van de (nog te publiceren) wet met betrekking tot de vaststelling van de aandoeningen die gevolgen hebben voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving. Dit koninklijk besluit somt dus de verschillende regelingen op waarin wordt verwezen naar de wetgeving inzake kinderbijslag en past deze aan door te verwijzen naar de nieuwe wet.

In bijlage 1 wordt de medisch-sociale schaal van het eerste ontwerp van koninklijk besluit vastgelegd.

Bijlage 2 bevat de lijst van de pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het eerste ontwerp van koninklijk besluit om te worden gebruikt bij de vaststelling van de gevolgen van de aandoening bedoeld in artikel 2 van de wet.

Bijlage 3 bevat de lijst van de sociale uitkeringen waarvoor een deelentiteit bedoeld in artikel 6, eerste lid van het eerste ontwerp van koninklijk besluit bevoegd is. Dit artikel bepaalt dat de aandoening die gevolgen heeft voor het kind, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving, ook kan worden vastgesteld volgens de criteria van de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit door een geneesheer in het kader van de toekenning van een sociale uitkering die onder de bevoegdheid van een deelentiteit valt.

3. ADVIES

In de eerste plaats betreurt de NHRPH het dat hij een uiterst dringend advies moet uitbrengen over deze voorstellen van wet- en reglementaire teksten. Dit zijn zeer technische teksten die aan een grondige juridische analyse hadden moeten worden onderworpen, wat niet het geval kon zijn. 

Wat wordt bijvoorbeeld precies bedoeld met artikelen 14 en 16 van het 2e ontwerp van koninklijk besluit? De mogelijkheid voor het kind met een handicap om als gerechtigde geregistreerd te worden in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen?

Heeft deze bepaling betrekking op de Maximumfactuur ? Zo ja, wordt ze in de teksten opgenomen? De NHRPH vraagt zich af of er al overleg met de deelentiteiten heeft plaatsgevonden voor het opstellen van deze teksten. Zo niet, dan is het van essentieel belang dat dergelijke overleg plaatsvindt om ervoor te zorgen dat de teksten op alle problemen en situaties inspelen.

De NHRPH verheugt zich erover dat dergelijk initiatief wordt genomen, maar het komt veel te laat. Het decreet van de Vlaamse overheid van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid is immers op 1 januari 2019 in werking getreden. De federale reglementeringen inzake de toekenning van afgeleide rechten werden nog niet aangepast en vermelden dit decreet dus niet. Er is bijgevolg momenteel een juridisch vacuüm voor de door de Vlaamse overheid erkende kinderen met een handicap. De NHRPH merkt op dat het wetsontwerp een terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 heeft, waardoor het mogelijk wordt om rekening te houden met gevallen waarvoor er momenteel een juridisch vacuüm is. De NHRPH hoopt ten zeerste dat geen enkel kind met een handicap of ouder van een kind met een handicap negatieve gevolgen van dit gebrek aan vooruitziendheid zal ondervinden.

Volgens de mondelinge informatie die aan het secretariaat van de CSNPH is verstrekt, zouden de huidige medische criteria niet worden gewijzigd. De NHRPH wil daar graag zeker van zijn.

Het tweede ontwerp van het koninklijk besluit past verschillende koninklijke besluiten aan naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet. De NHRPH wil er zeker van zijn dat in het ontwerp van koninklijk besluit rekening wordt gehouden met alle bestaande bepalingen inzake afgeleide rechten voor kinderen met een handicap. De NHRPH merkt op dat de regelingen "arbeidsongevallen" en "beroepsziekten" zijn geïdentificeerd. Hoe zit het met ongevallen van gemeen recht? Zijn die opgenomen in de bepalingen? Is het mogelijk om een tekst te voorzien waarvan de formulering een "brede aanpak" mogelijk maakt en waarbij rekening wordt gehouden met "vergeten of toekomstige situaties"?

4. BEZORGD

  • Voor opvolging aan de heer Kris Peeters, Minister van Werk, belast met Personen met een beperking;
  • Voor opvolging aan de heer Charles Michel, Eerste Minister;
  • Ter info aan UNIA;
  • Ter info aan het interfederale coördinatiemechanisme.