Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2012/10

Implementatie VN-Verdrag: beslissing Ministerraad

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de beslissing van de Ministerraad van 11 mei 2012 betreffende de Implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, uitgebracht tijdens de zitting van 21/05/2012 en bevestigd na dringende elektronische raadpleging op 31 mei 2012

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH

 

Onderwerp

De Ministerraad van 11 mei 2012 nam op voorstel van de Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap een beslissing betreffende de te volgen procedure voor de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De NHRPH werd door de beleidscel van de Staatssecretaris in het bezit gesteld van de Nota aan de Ministerraad van 10 mei 2012, en op verzoek van deze beleidscel werd deze nota door de kabinetschef en één van zijn medewerkers van de beleidscel toegelicht op de plenaire vergadering van de NHRPH van 21 mei 2012.

 

Analyse

Dit advies heeft alleen betrekking op de Nota aan de Ministerraad van 10 mei 2012. De NHRPH was niet in het bezit van de beslissing van de Ministerraad.

In punt 2 van deze nota wordt het dossier uiteengezet. Bedoeling van de nota is toelichting te geven bij de beslissing van de Ministerraad van 20 juli 2011 in uitvoering van de toepassing van artikel 4, 1 - permanente aandacht voor de dimensie "handicap" bij het beleid - en van artikel 4, 3 - overleg met het middenveld, van het bedoelde verdrag.

De nota stipt aan dat het verdrag "de beleidsverantwoordelijken oproept tot bewustmaking en evaluatie waarbij, voor elke beleidshandeling, de weerslag op het dagelijkse leven van personen met een handicap zo vroeg mogelijk in acht wordt genomen." , en "het volgende voorstel heeft tot doel dit bewustmakingsproces concreet op beleidsniveau in te voeren".

Wat betreft het overleg met de representatieve organisaties (art. 4,3) vermeldt de nota:

"Met het oog op een meer gestructureerde raadpleging van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap en van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding is het belangrijk dat de minister of de staatssecretaris bevoegd voor het gehandicaptenbeleid als centraal contactpunt optreedt tussen zijn collega's enerzijds en de NHRPH en het CGKR anderzijds. (...)

Het voordeel van deze manier van werken is dat een echte dialoog mogelijk wordt (...), zonder evenwel de bevoegdheid van de NHRPH en het CGKR aan te tasten.

Om een globaal overzicht te hebben over de doeltreffendheid van het overleg- en raadplegingsproces met de NHRPH en het CGKR is het daarom van het grootste belang dat men voor elk door een minister of staatssecretaris gevraagd of door de NHRPH of het CGKR gegeven advies steeds passeert via de minister of staatssecretaris bevoegd voor het beleid inzake personen met een handicap (...).

Voor deze Regering betekent dit concreet het volgende:

  • Elke minister of staatssecretaris die een advies van de NHRPH en/of het CGKR wenst, geeft het verzoek door via de Staatssecretaris (bevoegd voor PH) die het overleg vervolgens zelf organiseert.
  • Wanneer de NHRPH of het CGKR zich tot een minister of staatssecretaris wendt, verloopt dit steeds via de Staatssecretaris (bevoegd voor PH), die het antwoord van de minister of staatssecretaris vervolgens terug aan de Raad/het Centrum bezorgt."

In punt 9, het voorstel van beslissing, staat het volgende:

"De Raad neemt akte van de principes uiteengezet in punt 2 van deze nota. (...) Bovendien vraagt de Raad (...)

  • (3) dat elk verzoek om advies afkomstig van een minister of staatssecretaris en bestemd voor de NHRPH of het CGRK verplicht gelijktijdig gericht wordt tot de minister of staatssecretaris (bevoegd voor PH).
  • (4) dat spontane adviezen, interpellaties, bedenkingen afkomstig van de NHRPH en/of het CGKR en bestemd voor een minister of staatssecretaris verplicht gelijktijdig gericht worden tot de minister of staatssecretaris (bevoegd voor PH)."

Het volgende moet opgemerkt worden:

Wat betreft het 3e punt van de Nota, de verwijzing naar het advies van 20 juni 2011 van de NHRPH op de oorspronkelijke nota van de Ministerraad van 20 juli 2011:

Een ontwerp van nota aan de Ministerraad is voorgelegd aan de plenaire vergadering van 20 juni 2011. De NHRPH bracht hierover een gunstig advies uit.

Nochtans verschilt deze oorspronkelijke nota wat betreft de bepaling vervat in artikel 4 lid 3 (blz. 3 onderaan en blz. 4), grondig van de huidige nota:

  • de nota verwijst in eerste instantie naar het oprichtingsbesluit van de NHRPH, KB van 9 juli 1981;
  • vervolgens naar de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen en de verplichte adviesaanvraag bij uitvoering van deze wet;
  • het structureel overleg dat met de NHRPH moet georganiseerd worden dient rekening te houden met het vermelde KB van 9 juli 1981.

Enkele principes hierbij:

  • Voor regelgevingen met een impact op personen met een handicap wordt het overleg met de NHRPH voorafgaandelijk voorbereid tijdens het contact bij de opstart van het initiatief tussen de beleidsmedewerker van de betrokken minister en de beleidsmedewerker van de staatsecretaris bevoegd voor PH.
  • De staatssecretaris bevoegd voor PH vervult in dit overleg de rol van facilitator tussen zijn collega's en de NHRPH. Hij is een centraal coördinatie- en opvolgingspunt in het overleg- en adviesproces.
  • De NHRPH moet al in de beginfase van het beleidsinitiatief geraadpleegd worden. Bij het finaliseren van het beleidsinitiatief kan een definitief advies worden gevraagd, de NHRPH kan steeds op eigen initiatief adviezen uitbrengen.

Besluit is dat het advies van de NHRPH waarnaar de huidige nota verwijst, betrekking heeft op een nota met een totaal andere visie, vertrekkend
vanuit de algemene adviesbevoegdheid van de NHRPH over alle problemen betreffende de personen met een handicap die tot de federale bevoegdheid behoren, en die volkomen vrij kan uitgeoefend worden, zoals trouwens volledig in overeenstemming met het genoemde koninklijk besluit dat nog steeds van kracht is.

Tegenstrijdigheid

Er is een cruciale tegenstrijdigheid in de huidige Nota, door het gebruik van de term "via", in punt 2 van de nota, en de term "gelijktijdig gericht" in punt 9 van de nota.

"via" geeft aan wie eerst aan bod komt, "gelijktijdig gericht" geeft geen volgorde aan.

De verwarring neemt nog toe door de zin: "de Raad neemt akte van de principes uiteengezet in punt 2 van deze nota."

 

Advies

De leden van de NHRPH hebben gedurende jaren verwachtingsvol uitgekeken naar de uitvoering van het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap, en in het bijzonder naar het ingang zetten van de structuur van de contactpersonen handicap bij de verschillende beleidscellen en administraties.

De NHRPH kan onder geen beding akkoord gaan met de beperking die aan zijn bevoegdheid wordt opgelegd door de aanduiding van de staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap als de verplichte tussenschakel in het contact tussen de NHRPH en andere instanties.

De NHRPH kan er wel volledig mee instemmen de staatssecretaris bevoegd voor personen met een handicap te informeren over elk advies dat hij uitbrengt, maar wenst hierbij op te merken dat hij altijd volgens dit principe heeft gewerkt.

De NHRPH verwijst naar het Koninklijk besluit van 9 juli 1981 dat aan de uitoefening van zijn bevoegdheid tot onderzoek van alle problemen betreffende de personen met een handicap die tot de federale bevoegdheid behoren, geen enkele beperking oplegt. De NHRPH is ook op geen enkel ogenblik geraadpleegd over deze beperking, die toch een ingrijpende invloed heeft op zijn werking.

De NHRPH verwijst ook naar de beslissing van de ministerraad van 20 juli 2011 en de bijhorende nota aan de Ministerraad die totaal andere verwachtingen had geschapen, en beklemtoont dat het op deze nota is dat hij een advies heeft uitgebracht dat nu wordt aangegrepen om de huidige
nota te rechtvaardigen.

Ten slotte wijst de NHRPH op de interne tegenstrijdigheid die hoe dan ook bestaat en hoopt dat deze op een passende wijze wordt opgelost.

De NHRPH wil, gelet op de bewoordingen van deze nota, klaar en vastbesloten stellen dat het niet kan dat het in gang zetten van deze procedures weghebben van een onder toezicht plaatsen van de NHRPH, dat hem zou beletten zijn rol als adviesorgaan vrij te kunnen uitoefenen.

Nochtans wordt deze vrees spijtig genoeg nog versterkt bij het lezen van het persbericht van de Ministerraad van 11 mei 2012, waar de Nederlandstalige versie spreekt van: "De ministerraad (...) maakt de staatssecretaris het centrale aanspreekpunt voor verzoeken en adviezen", en de Franstalige versie het als volgt formuleert: « Le conseil des Ministres (...) demande que toutes les demandes et tous les avis soient adressés exclusivement au Secrétaire d'Etat (...) ».

Ten slotte, zelfs indien deze Nota aan de Ministerraad ook betrekking heeft op het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
(CGKR), is het logisch dat de NHRPH enkel een stelling inneemt over zijn eigen rol en dus geen standpunt formuleert wat betreft de rol van het CGKR.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Elio Di Rupo, Eerste Minister
  • Voor opvolging aan Mevrouw Laurette Onkelinx, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
  • Voor opvolging aan de heer Philippe Courard, Staatssecretaris voor personen met een handicap;
  • Ter info aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  • Ter info aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
 .
 .