Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2012/02

Analyse van de maatregelen met een mogelijke invloed op de personen met een handicap

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het federaal regeerakkoord 1/12/2011: analyse van de maatregelen met een mogelijke invloed op de personen met een handicap (advies uitgebracht op de plenaire vergadering van de NHRPH van 20 februari 2012).

 

Aanvrager

Op initiatief van de NHRPH

 

Onderwerp

De NHRPH geeft zijn visie op de maatregelen die in het federale regeerakkoord worden aangekondigd en die een impact kunnen hebben op personen met een handicap. We verwijzen naar de hoofdstukken en pagina's van het Regeerakkoord.

 

Analyse en advies

Inleiding - Vijf grote projecten (p. 2)

De NHRPH erkent het belang van de vijf grote projecten van het akkoord, maar vindt toch dat, om te sporen met het door België geratificeerde Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van de personen met een handicap, ook het aspect "handicap" aan bod had moeten komen bij de vergrijzing (vijfde project).

Deel I - Hoofdstuk 1 - Politieke vernieuwing - Organisatie van de verkiezingen (p. 14-15)

De NHRPH betreurt dat het akkoord niet voorziet in een herziening van het kieswetboek om de stembureaus beter toegankelijk te maken voor personen met een handicap.

Hij herhaalt wat in het Memorandum aan de formateur stond: "In afwachting van een hoognodige grondige algemene hervorming van het kieswetboek vraagt de NHRPH specifiek en met aandrang de nodige aandacht voor een betere toegankelijkheid van de stembureaus, en dat op alle vlakken (vlot leesbare lijsten bijvoorbeeld), met inbegrip van het stemmen zelf. Het is essentieel dat iedereen in volle autonomie gebruik kan maken van de informaticatoepassingen voor de inlichtingen en het stemmen zelf. Even belangrijk is een goede begeleiding voor hen die dat wensen, vanzelfsprekend met inachtname van hun grondrecht om vrij een stem uit te brengen."

In dit verband herinnert de NHRPH aan de herziene interpretatieve verklaring van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa, over de code voor goed gedrag op het gebied van verkiezingen betreffende de deelname van personen met een handicap aan verkiezingen, van 19 december 2011.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.1 - Instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake de gezondheidszorg te waarborgen (p. 38)

De NHRPH erkent wel de noodzaak van een interfederaal overlegorgaan voor deze materie, maar benadrukt dat deze beslist efficiënt, doeltreffend en representatief moet zijn.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Homogenisering van het beleid inzake de hulp aan personen met een handicap (p. 39)

Tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden

De tegemoetkomingen zijn bedoeld voor personen die wegens hun handicap geen of onvoldoende inkomens hebben.

De NHRPH dringt erop aan dat de middelen die hiervoor naar de deelgebieden overgeheveld worden, aangewend moeten blijven voor de aanvankelijke doelstellingen.

De NHRPH, waarvan de leden werden gekozen gelet op hun ervaring op het gebied van handicap, hoopt dat hij zal worden betrokken bij de reflectie in het kader van deze overheveling.

De overheveling wekt dus inderdaad bezorgdheid, en de NHRPH wenst het stelsel bijgevolg met alle mogelijke middelen te verbeteren en zeker niet af te breken.

Samen met de adviesraden van de deelgebieden zal de NHRPH een vinger aan de pols houden, temeer omdat

  • de regionale budgetten voor de personen met een handicap thans reeds ontoereikend zijn, in verschillende mate naargelang de Gewesten, met dus een mogelijk risico voor de tegemoetkomingen die overgeheveld zullen worden;
  • voor de meeste deelgebieden de tegemoetkomingen van de fondsen beperkt zijn tot personen die voor 65 jaar door een handicap getroffen werden;
  • het voordeel van het één-loket niet echt een voordeel is, vooral in Brussel waar de GGC bevoegd zal zijn.

"Coherentie" lijkt geen doorslaggevend argument te zijn. Er rijzen bijgevolg vragen over de toekomstige werkwijze en samenwerking.

De NHRPH dringt eveneens sterk aan op overgangsmaatregelen voor de overheveling van het stelsel van het federale niveau naar de deelgebieden: hoe zullen de cumulatieproblemen tussen de IVT's/IT's, die voor 65 jaar toegekend worden en na deze leeftijd uitbetaald blijven, en de THAB's bijvoorbeeld geregeld worden?

Tot slot zal de NHRPH de mogelijke evolutie van de regeling die federaal blijft voor -65-jarigen, met bijzondere aandacht blijven volgen.

Afgeleide rechten (sociale en fiscale voordelen)

De huidige deskundigenonderzoeken van de DG Personen met een handicap zijn polyvalent en bieden de personen na onderzoek van hun rechten (in de regeling van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of in de regeling van de niet-ouderen) de mogelijkheid hun eventuele rechten op sociale en fiscale voordelen te doen gelden.

In het Regeerakkoord is niets voorzien voor de afgeleide rechten. Toch kan de overheveling van de THAB's naar de deelgebieden een invloed hebben op de afgeleide rechten, of meer stappen met zich brengen voor de personen met een handicap. De afgeleide rechten zijn van fundamenteel belang voor de personen met een handicap en betekenen vaak veel geld.

De NHRPH benadrukt dat de personen met een handicap niet de dupe mogen worden van de overheveling van de THAB's naar de deelgebieden (minder rechten en meer stappen).

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Mobiliteitshulpmiddelen (p. 39)

Ook hier rijzen vragen over de coherentie van de overheveling, aangezien de tegemoetkomingen van de Fondsen hoofdzakelijk toegekend worden aan personen die voor hun 65e door een handicap getroffen werden, terwijl het leeuwendeel van het huidige RIZIV-budget naar de rechthebbenden ouder dan 65 jaar gaat. Ook hier worden dus vragen gesteld over de toekomstige uitvoering en samenwerking.

De NHRPH vindt in ieder geval dat het verhuursysteem in de toekomst uitgebreid moet worden. Zo kunnen personen met een handicap het systeem leren kennen bij een eerste gebruik, maar kan eveneens rekening gehouden worden met het snelle verloop van bepaalde ziekten.

Deel I - Hoofdstuk 3.2.3 - Gezondheidszorg (p. 39-41, 58 e.v.)

De NHRPH neemt akte van de verschillende voorstellen voor de homogenisering van het ouderenbeleid en de langdurige verzorging, de geestelijke gezondheidszorg, de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de bijbehorende financieringsmiddelen.

De NHRPH herinnert aan het wezenlijke belang van de revalidatieovereenkomsten voor de (her)integratie van personen met een handicap, en zal bijgevolg, in overleg met de regionale adviesraden, de overheveling van deze materie en het gevoerde beleid nauwlettend in het oog houden.

De NHRPH erkent dat samenvoeging van alle domeinen van geestelijke gezondheid tot één beheersniveau belangrijk is.

Deel I - Hoofdstuk 3.3 - Gezinsbijslag (p. 42)

De NHRPH herhaalt dat gezinsbijslag een aanvulling is op het inkomen om ongelijke kansen tussen kinderen weg te werken. De gezinsbijslag varieert naargelang van de situatie van het gezin en het kind. Een handicap bij een kind beperkt gelijkheid van kansen. De aanvullende tegemoetkoming is dus een extra inkomen voor het gezin, dat gebruikt kan worden voor allerhande uitgaven voor de handicap van het kind.

Net als bij de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wijst de NHRPH er met klem op dat de gezinsbijslagmiddelen waarmee thans de toeslag voor kinderen met een handicap of aandoening betaald wordt, na overheveling naar de deelgebieden voor de aanvankelijke doelstelling aangewend moeten blijven.

De NHRPH zal de concrete uitwerking en eventuele samenwerkingsakkoorden dus nauwlettend in de gaten houden, in het bijzonder indien het deskundigenonderzoek op federaal niveau blijft.

Tot slot herinnert de NHRPH er ook aan dat de erkenning inzake de verhoogde kinderbijslag voor zieke kinderen of kinderen met een handicap aanleiding kan geven tot afgeleide rechten (sociale en fiscale voordelen) die niet opgenomen zijn in het Regeerakkoord (zie ook "Homogenisering van het beleid inzake de hulp aan personen met een handicap").

Deel I - Hoofdstuk 3.5.1 - Mobiliteit en verkeersveiligheid (p. 44-46)

De NHRPH stelt vast dat, wat de technische keuring van voertuigen betreft, de toekomst van het CARA in noch het institutioneel akkoord noch het sociaaleconomisch akkoord aan bod komt. Wie zal hiervoor verantwoordelijk zijn en hoe zal dit georganiseerd worden?

Het institutioneel akkoord voorziet weliswaar in een eventuele bijkomende gewestelijke financiering voor de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, maar noch in dit deel, noch in het sociaaleconomisch akkoord wordt dieper ingegaan op de toegankelijkheid van de infrastructuren en de treinen. De NHRPH pleitte in zijn Memorandum voor "meer coherentie en ook coördinatie van het openbaar vervoer", en kan alleen maar betreuren dat het akkoord dreigt af te stevenen op een ontwikkeling met twee snelheden, dus op problemen voor personen met een handicap die van het ene gewest naar het andere reizen.

Deel I - Hoofdstuk 3.5.2 - Strijd tegen discriminatie (p. 53)

De NHRPH neemt akte van de verklaring dat er verder onderhandeld wordt met de deelgebieden met het oog op de omvorming van het CGKR tot een interfederaal centrum.

De NHRPH beklemtoont het belang van deze interfederalisering: de strijd tegen discriminatie op alle niveaus staat op het spel!

Deel I - Hoofdstuk 3.6 - Begrotingssynthese van de overhevelingen (p. 54 e.v.)

Het lijkt de NHRPH dat de opgenomen bedragen (gezinsbijslag, revalidatieovereenkomsten, THAB's, mobiliteitshulpmiddelen) overeenkomen met de opdrachtenbegrotingen, maar zonder de werkingsbudgetten. De NHRPH vreest dus dat de huidige middelen voor personen met een handicap mogelijk teruggeschroefd zullen worden.

Deel I - Hoofdstuk 4 - Details van het hervormingsvoorstel van de bijzondere financieringswet (p. 60-61)

De NHRPH vraagt zich af of de verdeling van de middelen inzake gezinsbijslag volgens de bevolkingssleutel 0 - 18 jaar geen gevolgen zal hebben voor het vereiste budget, aangezien gezinsbijslag tot 25 jaar toegekend kan worden.

De verdeling van de middelen voor ouderen volgens de "bevolkingssleutel van 80-plussers" roept vragen op bij de NHRPH:

  • Is de verdeelsleutel billijk, aangezien de THAB vanaf de leeftijd van 65 jaar wordt toegekend, en zullen er voldoende financiële middelen zijn voor deze uitgaven, onder andere voor de THAB? Zo niet ligt een besparingsbeleid in het verschiet!
  • Gelet op de financieringssleutel vreest de NHRPH ook dat zal worden gewerkt met een gesloten enveloppe, zodat indien de deelgebieden in de toekomst onvoldoende middelen hebben om de groei van het stelsel te « ondersteunen » (gelet onder andere op de vergrijzing van de bevolking), dit stelsel zal « achteruitgaan ».

Deel 2 - Hoofdstuk 1.2 -De voorgestelde begrotingsmaatregelen (p. 75 e.v.)

De NHRPH vindt dat de besparingen op de kosten van het overheidspersoneel aangepast moeten worden. Bepaalde administraties, waaronder de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, kampen bovendien met een personeelstekort. Een evenwichtige verdeling van het personeel over de overheidsdiensten naargelang van de specifieke noden verdient de voorkeur.

De prijsstijging van de dienstencheques en de beperking ervan in aantal zullen gezinnen met kinderen en volwassenen met een handicap in serieuze moeilijkheden brengen. Zelfs al is dit systeem duur en dus verre van ideaal, toch is deze noodoplossing broodnodig om deze gezinnen te ontlasten! De NHRPH kant zich dus tegen deze wijziging omdat er geen andere regeling uitgewerkt wordt.

De vermindering met 40 % van de enveloppe voor de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen is een regelrechte ramp, vooral voor zieke en invalide personen, maar ook voor rechthebbenden op de laagste pensioenen, die vaak personen met een handicap zijn.

De NHRPH vraagt met aandrang dat in het "back to work"-plan in de invaliditeitssector rekening gehouden wordt met de bijzondere kenmerken van de handicap, met alle beperkingen van dien.

De NHRPH pleit voor een efficiënte bestrijding van sociale fraude. Daarvoor moet het begrip wel duidelijk verstaan en omschreven worden. Voor fraude met uitkeringen en invaliditeitsvergoedingen tellen niet-verschuldigde inningen wegens niet-naleving van de wettelijke voorzieningen en abnormaal lange termijnen voor de behandeling of herziening van een dossier niet mee!

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1 - Hervorming van de arbeidsmarkt om de werkzaamheidsgraad te verhogen (p. 84-86)

Eerst en vooral herinnert de NHRPH eraan dat de algemene elementen van zijn advies 2011/11 (bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid) en zijn Memorandum aan de formateur onverminderd van belang blijven.

De Regering zal de arbeidsmarkt structureel hervormen om tegen 2020 een werkzaamheidsgraad van 73,2 % te bereiken. Een ambitieuze doelstelling, maar de NHRPH wenst dat er specifieke en inclusieve beleidslijnen uitgestippeld worden voor personen met een handicap opdat ook met hen rekening gehouden wordt.

De RSZ-kortingen voor doelgroepen en het activeren van de werkloosheidsuitkeringen zullen geregionaliseerd worden. Voorts zal de federale overheid na de overheveling van deze bevoegdheid geen nieuwe doelgroepen meer invoeren, maar zal zij een beslissingsbevoegdheid behouden in verband met de maatregelen inzake de loonkosten die onder haar bevoegdheid blijven. Vormen de personen met een handicap een doelgroep?

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.2 - Het werkloosheidsstelsel hervormen om de arbeidsmarktparticipatie te verhogen (p. 87 - 91)

De NHRPH betreurt dat op het vlak van beroepsinschakelingstijd geen aandacht besteed wordt aan werkzoekende jongeren met een handicap, hoewel zij veel moeilijker werk vinden.

De beperking van de inschakelingsuitkeringen in de tijd voor niet-bevoorrechte samenwonenden dreigt nadelig uit te vallen voor gezinnen met een of twee personen met een handicap, indien zij niet tot deze categorie behoren.

Door de werkloosheidsuitkeringen degressief te maken, dreigen werkzoekenden met een handicap, die moeilijker aan de slag kunnen, terecht te komen in "residuaire" stelsels (inkomensvervangende tegemoetkomingen, leefloon), wat onaanvaardbaar is. Regels voor een vlotte overgang tussen de regelingen zijn beslist onontbeerlijk.

Het beschikbaarheidsbeginsel zal op 60, en daarna op 65 jaar gebracht worden. De NHRPH herinnert aan de moeilijkheden die de handicap met zich brengen, waardoor personen met een handicap in een onmogelijke situatie gebracht worden of sancties dreigen op te lopen.

De minimale afstand om werk te zoeken wordt opgetrokken van 25 tot 60 km. De NHRPH wijst erop dat het openbaar vervoer niet of beperkt toegankelijk is voor personen met beperkte mobiliteit, waardoor zij zich vaak niet kunnen verplaatsen om werk te zoeken. De verhoging van de afstandsvoorwaarde is bovendien zo groot, dat zowel voor gebruikers van het openbaar vervoer als voor personen die over privé vervoer beschikken, deze voorwaarde onoverkomelijk is voor het merendeel van de personen met een handicap.

Ook personen met een handicap die niet kunnen rijden, komen in moeilijkheden door de strakkere voorwaarden voor passend werk. Verplaatsingen met het openbaar vervoer vergen serieus veel volharding en energie, voor zover ze al mogelijk zijn. Niet alle personen met een handicap kunnen een beroep doen op een kennis die hen twee keer per dag 60 km van en naar het werk brengt. Hetzelfde geldt voor personen met een handicap die over een wagen beschikken: kan er geen rekening gehouden worden met de last die zij ondervinden bij hun verplaatsing?

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.3 - Meer oudere werknemers aan het werk helpen (p. 91-93)

De NHRPH steunt het actieve aanmoedigingsbeleid om oudere werknemers aan de slag te houden, maar benadrukt dat specifieke maatregelen voor oudere personen met een handicap nodig zijn (zie eveneens de opmerkingen bij hoofdstuk 2.2).

De verlenging van de loopbaan tot 40 jaar voor brugpensioenen is voor heel wat werkende personen met een handicap in de praktijk uitgesloten, omdat zij hun werk wegens hun handicap min of meer lange periodes moeten onderbreken.

Het optrekken van de leeftijd om met brugpensioen te gaan kan tevens negatieve gevolgen hebben voor personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.5 - De kwaliteit van de werkgelegenheid verhogen (p. 94-96)

Het verontrust de NHRPH dat een deeltijdse werknemer voorrang heeft als hij vrijwillig opteert voor een verhoging van zijn arbeidsduur. Heel wat werknemers met een handicap hebben deeltijds werk aanvaard omdat:

  • zij wegens hun handicap niet meer kunnen werken,
  • hun beroepsinkomen anders zou stijgen en hun tegemoetkoming - die zij nochtans nodig hebben om hun handicap te kunnen betalen - zou dalen.

Een verhoging van de arbeidsduur is een illusie, die nauwelijks haalbaar is voor personen met beperkte mobiliteit.

Heeft de geplande wettelijke bepaling die vastlegt voor welke risicogroepen de werkgevers een inspanning van minstens 0,05% van de loonmassa moeten leveren, ook betrekking op personen met een handicap? De NHRPH zou dit tenminste logisch vinden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.7 - Strengere toegangsvoorwaarden voor het tijdskrediet en de loopbaanonderbrekingen (p.97-98)

De NHRPH verheugt zich erover dat de Regering erop zal letten dat de rechten van werknemers die vrijwillig minder werken om voor een ziek kind te zorgen, niet verminderen, maar vindt dat deze kwestie ook besproken moet worden voor andere categorieën van personen die geholpen worden, meer bepaald om meer rekening te kunnen houden met de mantelzorgers.

Daarom betreurt de NHRPH ook de inkorting van de loopbaanonderbreking, wat voor ouders met (minder- of meerderjarige) kinderen met een handicap neerkomt op verlies van werk. Gezien de last en het gebrek aan aangepaste antwoorden moet een van de ouders zijn werk namelijk laten schieten.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.1.8 - De gelijkheid op het werk bevorderen (p. 98-99)

Kijken we naar de diversiteit met betrekking tot personen met een handicap, zowel in de bedrijven als bij de overheid, moet vooral werk gemaakt worden van het naleven van de quota in de overheidsbedrijven en de invoering van mechanismen die ervoor zorgen dat personen met een handicap in de privésector niet alleen tewerkgesteld worden maar het ook blijven.

Tevens beklemtoont de NHRPH het belang van nauwkeurige statistieken over de tewerkstelling van personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.1 - Verhoging van de effectieve leeftijd om met vervroegd pensioen te gaan (p. 102)

Volgens de NHRPH zal de verhoging van de effectieve leeftijd om met pensioen te gaan nadelig uitdraaien voor de personen met een handicap. De handicap veroorzaakt op het einde van de loopbaan immers meer vermoeidheid en vergt een grotere investering, wat de voortzetting van de beroepsactiviteit bemoeilijkt.

De NHRPH meent daarentegen dat een vervroegde toegang tot het rustpensioen (met behoud van rechten) onderzocht moet worden voor personen met een handicap, zoals dit overigens beschreven is in de aanbevelingen in het evaluatieverslag van 2009 van de Begeleidingscommissie voor de aanwerving van personen met een handicap in het federaal openbaar ambt. Voor heel wat personen met een handicap is het immers praktisch onmogelijk een volledige loopbaan te bereiken. De mogelijkheid voor personen met een handicap om met vervroegd pensioen te gaan, gecombineerd met bijvoorbeeld een systeem waarbij de arbeidsjaren gevalideerd worden, zou zelfs een aanmoediging kunnen zijn om te werken.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.4 - Vrijwillig werken na de pensioenleeftijd (p. 103-104)

De aanmoediging om na de pensioenleeftijd aan de slag te blijven, is onrealistisch voor veruit de meeste personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.5 - Bij de pensioenberekening het werk meer laten doorwegen ten opzichte van de periodes van inactiviteit (p. 104)

Bij de gelijkstelling van periodes van inactiviteit moet rekening gehouden worden met de situatie ten gevolge van de handicap. Bij de pensioenberekening mogen personen met een handicap niet gestraft worden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.7 - Maatregelen betreffende de 2e en 3e pijler (p. 105-106)

De NHRPH benadrukt dat de 1e pijler versterkt moet worden en wijst met betrekking tot de 2e en 3e pijler erop dat veel werkende personen met een handicap gezien hun ongelijke en onvolledige loopbaan benadeeld worden.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.3.1 - Strenge financiering van de gezondheidszorg (p. 109-111)

De NHRPH vraagt ook bijzondere aandacht te schenken aan de generische geneesmiddelen, en dat op het vlak van geneesmiddelen al het nodige gedaan wordt om de kosten voor personen met een handicap te beperken.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.3.2 - De toegang tot de gezondheidszorg voor iedereen verbeteren (p. 111-112)

De NHRPH betreurt dat de automatische toekenning van het Omnio-statuut aan personen die aan alle voorwaarden voldoen, niet bij de voorgestelde maatregelen staat.

In het kader van de evaluatie en eventuele aanpassing van de hospitalisatieverzekering wil de NHRPH ten sterkste benadrukken dat een reeds bestaande handicap niet financieel nadelig mag zijn voor de betrokken persoon.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.5 - Steun voor bedrijven en voor het opzetten van activiteiten (p. 117 e.v.)

De NHRPH herhaalt zijn vraag naar een aanmoedigingsbeleid voor de aanwerving van personen met een handicap in privébedrijven.

Deel 2 - Hoofdstuk 2.8.1 - Justitie grondig hervormen (p. 137 e.v.)

De NHRPH herinnert met aandrang eraan dat de gebouwen van Justitie toegankelijk gemaakt moeten worden voor personen met beperkte mobiliteit, wat ze in de meeste gevallen nog niet zijn. De Raad betreurt dat hierover niets in het Regeerakkoord staat.

Tevens betreurt de NHRPH dat er geen verdere versterking van de middelen van de vredegerechten voorzien wordt.

De burger aanmoedigen een rechtsbijstandsverzekering te sluiten is niet realistisch voor personen met een laag inkomen, waaronder de personen met een handicap!

De begeleiding van gedetineerden met een (meer bepaald geestelijke) handicap in gevangenissen of inrichtingen tot bescherming van de maatschappij komt niet aan bod. In dit kader herinnert de NHRPH aan de eisen in zijn Memorandum.

Tot slot betreurt de NHRPH dat de wettelijke bepalingen voor het voorlopige bewind over de goederen niet herwerkt is (toevoeging bescherming van de persoon, schrapping verlengde minderjarigheid).

Deel 2 - Hoofdstuk 3.2.1 - De kwaliteit van de openbare diensten waarborgen (p. 150-152)

De NHRPH herhaalt zijn vraag naar een grondigere opvolging van de verplichting om personen met een handicap aan te werven bij de overheid.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.2.1 - De kwaliteit van de overheidsbedrijven garanderen (p. 152-155)

De NHRPH betreurt dat de reserveringstermijn die de NMBS oplegt aan personen met beperkte mobiliteit, niet geschrapt wordt.

De NHRPH betreurt daarnaast dat de verplichte toegankelijkheid niet opgelegd wordt aan de NMBS.

De NHRPH betreurt evenzeer dat de architecturale toegankelijkheid van de gebouwen van bpost en privéoperatoren niet als een fundamentele prioriteit beschouwd wordt.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.3.1 - Strijd tegen de sociale uitsluiting en voor maatschappelijke integratie (p. 156-159)

Wegens hun handicap en het gebrek aan primaire toegankelijkheid van heel wat goederen en diensten hebben personen met een handicap aanzienlijke bijkomende onkosten die andere mensen niet hebben. Zij zijn per definitie het slachtoffer van hun handicap; de financiële en economische crisis heeft een hele reeks ondersteunende maatregelen voor de zwaksten afgeremd en zelfs tot een terugval geleid. De maatschappij slaagt er niet in de meest fundamentele noden en rechten van personen met een handicap in het beleid op te nemen. Personen met een handicap en hun omgeving zijn dan ook het slachtoffer van een drievoudige discriminatie: hun handicap, een fysieke, sociale, economische en culturele context die niet aan hun noden is aangepast, en ten slotte de crisis. Dit is een zeer onrechtvaardige en onwaardige toestand voor een maatschappij die zich beroemt op haar sociale voorzieningen.

Daarom beklemtoont de NHRPH dat de laagste sociale uitkeringen verhoogd moeten worden, los van de index.

De NHRPH betreurt ook dat het optrekken van de armoedegrens niet is voorgesteld.

In het Regeerakkoord staat dat "de Regering in het bijzonder aandacht zal hebben voor de koopkracht van mensen met een laag inkomen". Volgens de NHRPH geldt dit voor alle personen met een sociale uitkering. In dit kader betreurt de Raad dat de tekst over deze maatregel niet duidelijk genoeg is, met name wanneer gesteld wordt dat de Regering rekening zal houden met de sociale voordelen die met de vervangingsinkomens samengaan om de drempel van het armoederisico te bereiken.

De tewerkstelling van personen met een handicap is belangrijk, maar de NHRPH wenst ook eraan te herinneren dat niet alle personen met een handicap in aanmerking komen om te werken en vraagt de regeling inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap te handhaven en te verbeteren.

In dit verband moet het activeringsbeleid met de grootst mogelijke voorzichtigheid geïnterpreteerd worden wanneer het personen met een handicap betreft en moet bij de intensivering van het 'back to work'-plan rekening gehouden worden met de capaciteiten van invaliden en personen met een handicap en met de beperkingen waarmee ze te maken zullen krijgen op het vlak van financieel verlies.

Nog steeds in het kader van activering wenst de NHRPH ook de aandacht te vestigen op het feit dat sommige personen "automatisch" OCMW-steun genieten (bv. iemand die niet erkend wordt als persoon met een handicap en geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, en van wie het verdienvermogen niet wordt erkend, waardoor hij of zij ook geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering).

De NHRPH vraagt ook dat de integratietegemoetkoming in geen enkele wetgeving als inkomen beschouwd zou worden.

In het actieplan tegen de digitale kloof moet aandacht geschonken worden aan de hulpmiddelen voor personen met een handicap.

Deel 2 - Hoofdstuk 3.3.2 - De integratie in de samenleving van personen met een handicap vergroten (p. 160-161)

Met betrekking tot het naleven van de voorschriften van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en de noodzakelijke inspraak van de personen met een handicap en hun vertegenwoordigers bij de uitwerking van het beleid, herinnert de NHRPH aan de beslissing van de Ministerraad van 20 juli 2011 en de rol die de Raad toegekend werd. Om deze rol te kunnen vervullen moet het secretariaat van de NHRPH dan ook absoluut verder versterkt worden.

Tevens herinnert de NHRPH eraan dat de regionale representatieve instanties geraadpleegd moeten worden indien de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de Gewesten en/of Gemeenschappen.

De NHRPH is voorstander van een herziening van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten en herinnert aan wat hij in zijn Memorandum te kennen gegeven heeft. Bij deze hervorming moet opnieuw gekeken worden naar wat de wetgever initieel voor ogen had met de integratietegemoetkoming op het ogenblik dat de wet van 27 februari 1987 in werking trad (bedoeld voor mensen bij wie een beperkt of volledig autonomieverlies vastgesteld is). Deze tegemoetkoming moet toegekend worden zonder nog rekening te houden met het inkomen van de betrokkene. Gebeurt dit toch, zoals vandaag het geval is, dan wordt de persoon met een handicap verplicht de kosten van zijn of haar handicap zelf te dragen. De Staat moet echter voorzien in de behoeften van al zijn burgers op basis van de principes van non-discriminatie en gelijke kansen. Wel zou de inkomensvervangende tegemoetkoming opgetrokken moeten worden om de kloof met de armoedegrens te dichten.

De NHRPH is voorstander van betere maatregelen voor zwaar zorgbehoevenden, zolang dit niet ten koste gaat van minder zwaar zorgbehoevenden, en waarbij eveneens ernaar gestreefd wordt twee partners met een handicap - van wie de ene wel en de andere niet zwaar zorgbehoevend is - niet uiteen te halen.

De NHRPH vraagt dat de waardering voor de mantelzorger in een tewerkstellingskader past en dat ervoor gezorgd wordt dat niet noodzakelijk vrouwen, echtgenoten, moeders of dochters deze rol toebedeeld krijgen.

Bij de invoering van de Handipass moet erop toegezien worden dat ze beschouwd wordt als een mobiliteitskaart uitgereikt op basis van een officiële erkenning, die gebruikt kan worden buiten het domein van de sociale zekerheid en de sociale uitkeringen en waarvan het model uitgewerkt wordt in overleg met de Europese Commissie.

Bij wijze van besluit

De NHRPH onderstreept de noodzaak van een Interministeriële Conferentie "Personen met een handicap" met een doeltreffend en efficiënt transversaal handicapbeleid, zeker tegen de achtergrond van de nieuwe bevoegdheidsoverdrachten.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan premier Di Rupo en de voltallige federale regering
  • Ter info: aan de ministers-presidenten van de Gemeenschappen en Gewesten
  • Ter info: aan het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
  • ter info: aan het Interfederaal Coördinatiemechanisme
 .
 .