Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2011/19

Internering van personen met een geestesstoornis

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, uitgebracht tijdens de zitting van 17/10/2011

 

Aanvrager

Advies op initiatief van de NHRPH

 

Onderwerp

De inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, oorspronkelijk voorzien op 1 januari 2009 en uitgesteld tot ten laatste 1 januari 2012 bij artikel 7 van de wet van 24 juli 2008.

De inwerkingtreding van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, voorzien op 1 juli 2009 en uitgesteld tot ten laatste 1 februari 2012 bij artikel 8 van de wet van 24 juli 2008.

 

Analyse

De nieuwe wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, die de oude wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij, gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964, heeft vervangen, werd inderhaast goedgekeurd, zonder voorafgaand overleg met de betrokken actoren op het terrein.

Deze nieuwe wet is in feite een doorslag van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken, en roept veel kritiek en vraagtekens op.

Artikel 2 van de wet bepaalt het volgende: "De internering van personen met een geestesstoornis is een veiligheidsmaatregel die tegelijkertijd ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorgen worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn reïntegratie in de maatschappij." Het gaat dus in geen geval om een veroordeling of een straf opgelegd aan een persoon die ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor feiten die als strafbaar worden aangemerkt en die een onderzoeks- of vonnisgerecht bewezen verklaart in hoofde van deze persoon.

De NHRPH wijst op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat door België werd geratificeerd op 2 juli 2009, en in het bijzonder op de volgende artikelen:

Preambule:

d) In herinnering roepend het (...) Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, (...), het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, ...
j) De noodzaak erkennend de mensenrechten van alle personen met een handicap, met inbegrip van hen die intensievere ondersteuning behoeven, te bevorderen en beschermen,

Artikel 14: Vrijheid en veiligheid van de persoon

1. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen:
a) het recht op vrijheid en veiligheid van hun persoon genieten;
b) niet onrechtmatig of willekeurig van hun vrijheid worden beroofd, en dat iedere vorm van vrijheidsontneming geschiedt in overeenstemming met de wet, en dat het bestaan van een handicap in geen geval vrijheidsontneming rechtvaardigt.
2. De Staten die Partij zijn waarborgen dat indien personen met een handicap op grond van enig proces van hun vrijheid worden beroofd, zij op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op de waarborgen in overeenstemming met internationale mensenrechtenverdragen en in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen van dit Verdrag worden behandeld, met inbegrip van de verschaffing van redelijke aanpassingen.

Artikel 15: Vrijwaring van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

1. Niemand zal worden onderworpen aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het bijzonder zal niemand zonder zijn of haar in vrijheid gegeven toestemming worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten.
2. De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende wetgevende, bestuurlijke, juridische of andere maatregelen om, op gelijke wijze als voor anderen, te voorkomen dat personen met een handicap worden onderworpen aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

 .

De NHRPH wijst er eveneens op dat na de analyse van het 5e verslag van de Belgische Staat, het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties heeft aanbevolen om een einde te stellen aan de opsluiting van geesteszieken in gevangenissen en psychiatrische afdelingen van gevangenissen, om het aantal interneringsplaatsen in de inrichtingen voor sociale bescherming te verhogen en om de levensomstandigheden van de zieken te verbeteren.

Tot slot wijst de NHRPH erop dat het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) in zijn laatste verslag (2010) van oordeel is dat er onvoldoende verzorgend en penitentiair personeel is om te beantwoorden aan de vastgestelde behoeften.

 

Advies

1. De inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank

De NHRPH betreurt de data van inwerkingtreding van de beide wetten, respectievelijk vastgelegd op 1 januari en 1 februari 2012, en vraagt om deze uit te stellen, met in tussentijd een actieve administratieve voorbereiding waarbij de personen met een handicap zelf en de verenigingen die hen vertegenwoordigen worden betrokken.

2. De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis

De NHRPH vraagt dat er rekening zou worden gehouden met de eisen van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en van een aantal verenigingen van personen met een handicap op de volgende vlakken:

  • De bevoegdheden van de commissies tot bescherming van de maatschappij en van de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij niet overhevelen naar de strafuitvoeringsrechtbank maar naar een ander rechtscollege, omdat de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel is en geen straf.
  • Voorzien in een beroepsrecht voor alle partijen, van zowel de geïnterneerde als van het parket.
  • In het rechtscollege een psychiater laten zetelen, benoemd door de FOD Volksgezondheid of het Ministerie van Volksgezondheid van het bevoegde deelgebied, als assessor.
  • De advocaat van de geïnterneerde toelaten om hem te vertegenwoordigen voor zowel het onderzoeksgerecht als het vonnisgerecht en andere rechtscolleges, en tegelijk aan de magistraten de mogelijkheid geven om de geïnterneerde vooraf te ontmoeten in de ziekenhuisinrichting waar hij verblijft, naar het voorbeeld van de vrederechters voor de bescherming van de geesteszieken.
  • Het beheer van de gesloten verzorgingsinrichtingen voor geïnterneerden, namelijk de Inrichting voor Sociale Bescherming (ISB) van Paifve, die van Doornik (C.R.P. "Les Marroniers") en die van Bergen (C.H.P. « Le Chêne aux Haies ») enkel onder de bevoegdheid laten vallen van de FOD Volksgezondheid en van het Ministerie van Volksgezondheid van het Waalse Gewest en niet langer geheel of gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de FOD Justitie laten vallen.
  • De psychiatrische expertises toevertrouwen aan een multidisciplinair team van onafhankelijke, competente en normaal bezoldigde experts, gekozen uit een lijst van erkende experts, opgemaakt door de FOD Volksgezondheid en het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • De psychiatrische expertises voorafgaand aan de interneringsvonnissen en aan de hoorzittingen van de bevoegde rechtscolleges tegensprekelijk maken en de advocaat van de geïnterneerde toelaten om de geïnterneerde bij te staan tijdens deze expertises.
  • De geïnterneerde of zijn raadsman de mogelijkheid geven om een tegenexpertise te laten uitvoeren door een erkende expert of een college van erkende experts gekozen uit een lijst opgemaakt door de FOD Volksgezondheid en het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • De kosten van zowel de expertise als van de tegenexpertise ten laste laten komen van de Staat.
  • Voorzien in de verplichte onmiddellijke overbrenging van een beschuldigde die in voorlopige hechtenis zit in een gevangenis naar een gepaste verzorgingsinrichting zodra een psychiatrisch expert een verslag neerlegt dat besluit tot een interneringsmaatregel, zonder het interneringsvonnis af te wachten dat door een onderzoeks- of vonnisgerecht soms pas maanden of jaren na de neerlegging van het psychiatrisch expertiseverslag wordt uitgesproken.
  • Niet langer de termen "onmiddellijke opsluiting" (artikel 10), "beperkte detentie", "elektronisch toezicht" en "invrijheidstelling op proef" (artikel 24) gebruiken. Deze termen moeten worden voorbehouden voor veroordeelden die een straf hebben gekregen en een voorwaardelijke invrijheidsstelling vragen. In plaats daarvan de termen "onmiddellijke plaatsing in een gesloten verzorgingsinstelling", "plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis", "ambulante behandeling onder toezicht" en "terugkeer naar huis" gebruiken.
  • De voogdij over geïnterneerden die een gesloten verzorgingsinrichting mogen verlaten, toevertrouwen aan de FOD Volksgezondheid of aan het Ministerie van Volksgezondheid van de bevoegde deelgebieden.
  • Voorzien dat herroepingen van beslissingen van de rechtbank of van de kamer van beroep van de geïnterneerden waardoor de geïnterneerde een gesloten verzorgingsinstelling mag verlaten, moeten gebeuren binnen de vierentwintig uren nadat het bevoegde rechtscollege de persoon zijn vrijheid heeft ontnomen.

3. Verbetering van de levensomstandigheden van geïnterneerden

De NHRPH vraagt dat er rekening zou worden gehouden met de eisen van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en van een aantal verenigingen van personen met een handicap op de volgende vlakken:

  • de preventie van strafbare feiten en misdaden, zowel in de sector van de geestelijke gezondheid als van de geestelijke handicap
  • de kwaliteit van de psychiatrische expertise
  • de omkadering in inrichtingen voor bescherming van de maatschappij
  • de homogeniteit van behandeling in de commissies tot bescherming van de maatschappij
  • de globale en gedifferentieerde benadering van de geïnterneerde persoon
  • de onttrekking aan het gevangenismilieu en het voorzien in aangepaste verzorging, met inachtneming van de burgerlijke en politieke rechten
  • de uitbouw van zorgnetwerken en -circuits
  • het openbreken van het beleid, met het oog op transversaliteit.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de heer Stefaan De Clerck, Minister van Justitie, aan de heer André Flahaut, Kamervoorzitter, aan mevrouw Sarah Smeyers, Voorzitter van de Kamercommissie Justitie en aan de heer Yvan Mayeur, Voorzitter van de Kamercommissie Sociale Zaken
  • Ter info aan de heer Yves Leterme, Eerste Minister, aan de heer Jean-Marc Delizée, Staatssecretaris voor Personen met een handicap, aan de heer Elio Di Rupo, Formateur, en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
 .
 .