Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2011/11

Bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid

Advies van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden met het oog op het bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid, uitgebracht tijdens de zitting van 20/06/2011

 

Aanvrager

Advies op vraag van de Staatssecretaris in zijn brief van 09/06/2011

 

Onderwerp

De Staatssecretaris voor Personen met een handicap legt de aanvraag van de Minister van Werk voor, die het advies van de NHRPH zou willen over een ontwerp van KB tot wijziging van het KB van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden met het oog op het bevorderen van de tewerkstelling van werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid.

 

Analyse

De NHRPH heeft de dringende aanvraag tot advies ontvangen terwijl het initiatief tot wijziging van 2009 dateert en het advies van de nationale Arbeidsraad (NAR) op 7 oktober 2009 werd uitgebracht.

De NHRPH heeft het actieterrein van de wijziging en de invloed op de huidige situatie van personen met een handicap die geen activiteit hebben aandachtig onderzocht.

De NHRPH heeft de inwerkingtreding van het KB op de eerste dag van de maand die zal volgen op de bekendmaking genoteerd.

 

Advies

a. De NHRPH betreurt zowel dat te laat een beroep werd gedaan op de NHRPH voor het verstrekken van een advies als het feit dat dit advies dringend moest worden uitgebracht, met als gevolg dat de tekst niet behoorlijk kon worden onderzocht, noch in de werkgroep Tewerkstelling, noch tijdens een plenaire vergadering van de NHRPH. De NHRPH benadrukt dat een procedure voor gestructureerde raadpleging in de toekomst in overleg met de NHRPH tot stand moet komen, zodat het inspraakbevorderend voorschrift van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap wordt toegepast.

b. De NHRPH betreurt ook dat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn advies van 15 maart 2010, waarin de voorkeur werd gegeven aan maatregelen die halftijdse betrekkingen in de hand werken, waarbij veel meer personen met een handicap aan het werk kunnen worden gezet en met het besef dat deze tewerkstellingsformule beter is aangepast aan de mogelijkheden van een meerderheid onder hen en voordeliger voor het cumuleren met de tegemoetkomingen, waarbij de integratietegemoetkoming volledig of gedeeltelijk kan worden behouden, evenals sommige afgeleide rechten.

De NHRPH benadrukte zo ook dat deze betrekkingen zouden moeten bestemd zijn voor personen met een zware handicap

c. De NHRPH zou een duidelijke visie willen over de bedoeling van de Koning wat betreft de personen die Hij zou willen ondersteunen bij hun integratie op de arbeidsmarkt: gaat het om personen met een zware handicap die traditioneel niet aan bod komen op de arbeidsmarkt, om sociaal uitgesloten personen, om andere personen? Duidelijkere criteria voor het materieel toepassingsgebied van het KB zijn noodzakelijk: de NHRPH vreest dat de aan artikel 2, 2° toegevoegde hypothesen geen juiste beoordeling door de RVA mogelijk zullen maken. Het is belangrijk duidelijke criteria te voorzien waardoor de doelgroep zonder interpretatieruimte afgebakend kan worden, wat volgens de NHRPH niet het geval is met de bij artikel 2, 2° bedoelde hypothesen. Ook komen deze hypothesen geenszins overeen met de aanbevelingen van het advies van 15 maart 2010.

d. Gelet op de definities in het ontwerp van besluit is het ook belangrijk dat niet enkel de erkende werkzoekenden opnieuw aan het werk worden gezet, maar ook diegenen op wie artikel 100 van de wet van 14.07.1994 betreffende de geneeskundige verzorging van toepassing is en die wegens hun aanzienlijke handicap juist uitgesloten worden uit de werkloosheidsreglementering.

Daarnaast moet volgens de NHRPH de erkenning van de handicap door de gewestelijke fondsen ook worden opgenomen in de criteria met het oog op de toepassing van het KB.

e. Artikelen 3 en 4 verduidelijken het volgende: "De werknemer is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende kalendermaanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 euro per kalendermaand voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet".

  • Is dit bedrag een steun voor de werkgever die het verschuldigd loon en de sociale lasten derhalve zal verminderen?
  • Kan dit bedrag worden toegevoegd aan andere tegemoetkomingen van de fondsen (AWIPH...)? De NHRPH heeft ernstige bedenkingen bij de filosofie van dergelijk systeem waarin de werkgever - overheid of privépersoon - die een persoon met een handicap in dienst neemt en hierdoor financiële steun krijgt uiteindelijk winst zou maken, die zelf door de ganse samenleving gefinancierd wordt, voor de welvaart van zijn privéonderneming!
  • Of is dit een aanvulling voor de werknemer die dus wordt toegevoegd aan het wettelijk loon? Is dit een bruto- of nettobedrag? Zal hiermee rekening worden gehouden voor het vastleggen van de integratietegemoetkoming?

f. Welk statuut zal de werknemer na 2 jaar hebben vanuit het oogpunt van het RIZIV en van de werkloosheidsreglementering? Hoe zal worden rekening gehouden met zijn verdienvermogen in het kader van artikel 100 van voormelde wet?

g. Artikelen 3 en 4 bepalen het volgende als voorwaarde voor de toepassing van de regeling: "2° hij is op de dag van de indienstneming een werkzoekende met een verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 3, eerste lid, 4° of een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze met een definitieve arbeidsongeschiktheid van minstens drieëndertig procent". De NHRPH besluit daaruit dat de regeling blijkbaar niet geldt voor de deeltijdse werknemer: volgens artikel 3, 2° van het KB van 1991 lijkt dit voornamelijk onmogelijk of uitzonderlijk mogelijk onder bepaalde zeer strikte voorwaarden. Hij stelt zich dus serieus de vraag of het systeem voldoende kan inspelen op de situatie van personen met een zware handicap of die regelmatige verzorging nodig hebben? Indien dit niet het geval is, bereikt de Koning de eerste doelstelling niet, namelijk het opnieuw aan het werk zetten van deze personen. Sommigen van hen kunnen immers niet voltijds werken.

h. De NHRPH is ook verbaasd over de datum van inwerkingtreding van dit KB, terwijl het kabinet van de Staatssecretaris voor Personen met een handicap sinds 2009 aangekondigd had dat het om een terugkerend bedrag van 5 miljoen € zou gaan. De NHRPH vraagt zich dus af hoe dit bedrag voor het jaar 2010 besteed werd.

i. De NHRPH vraagt dat een evaluatieprocedure voor de uitvoering van dit KB wordt voorzien. Deze evaluatie zou minstens jaarlijks moeten gebeuren en zou automatisch aan de NHRPH worden meegedeeld.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de Staatssecretaris voor Personen met een handicap en aan de Minister van Werk.
  • Ter info aan de Eerste Minister en de Minister van Begroting en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
 .
 .