Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Beschermingsstatuut

"De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven handelingsbekwaam zijn."

"De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun handelingsbekwaamheid."

(uit artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap)

Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap legt de grote principes vast die de Staten die Partij zijn dienen te respecteren teneinde op een effectieve en egalitaire manier de rechten van personen met een handicap en hun rechtsbekwaamheid te waarborgen.

Met inachtneming van deze principes heeft de Belgische wetgever de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid aangenomen.

Deze nieuwe wet is in werking getreden op 1 september 2014.

Samengevat:

De vroegere ongeschiktheidsstelsels (verlengde minderjarigheid, onbekwaamverklaring, gerechtelijk raadsman en voorlopig bewind over de goederen) worden afgeschaft na een overgangsperiode die verschilt naargelang het stelsel.

Ze maken plaats voor één beschermingsstatuut voor meerderjarigen dat twee luiken omvat: de buitengerechtelijke bescherming en de rechterlijke bescherming.

De eigenlijke bescherming is bedoeld voor de persoon, de goederen of de persoon en de goederen.

Er zijn twee types bescherming:

  • bijstand (de beschermde persoon kan zelf de handelingen stellen, maar niet op een zelfstandige manier);
  • vertegenwoordiging/beheer (de beschermde persoon kan niet zelf de handelingen stellen).

Buitengerechtelijke bescherming:

De te beschermen persoon sluit een overeenkomst af met een lasthebber en bepaalt de principes die voor die overeenkomst van toepassing zijn. De overeenkomst treedt onmiddellijk of op een later tijdstip in werking. Deze lastgeving kan enkel betrekking hebben op de bescherming van de goederen door middel van vertegenwoordiging/beheer.

Rechterlijke bescherming:

Het nieuwe systeem laat de bevoegde vrederechter toe om een beschermingssysteem 'op maat' te snijden. Bij het nemen van zijn beslissing houdt de rechter rekening met verschillende factoren die verband houden met de persoonlijke situatie van de te beschermen persoon, de samenstelling en de toestand van zijn goederen, zijn omgeving en zijn leefomgeving.

De te beschermen persoon wordt vanaf het begin betrokken bij het beslissingsproces; hij heeft de mogelijkheid om zijn voorkeur betreffende de keuze van een bewindvoerder kenbaar te maken door middel van een voorafgaande verklaring. Voor de rest van de procedure wordt de persoon op een regelmatige en systematische manier door de rechter en de bewindvoerder(s) gehoord en geïnformeerd. De vertrouwenspersoon treedt op als bemiddelaar en moet duidelijk maken wat de beschermde persoon wil.

Standpunt van de NHRPH:

De NHRPH is vanaf het begin voorstander geweest van de grote principes vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties.

Een eerste advies van de NHRPH met betrekking tot het oorspronkelijke wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake de onbekwaamheidsstatuten met het oog op de invoering van een globaal statuut (Doc.52-1356/001) was over de hele lijn negatief. Er was immers geen overeenstemming tussen de 'verleidelijke' memorie van toelichting en de inhoud van de tekst, die personen met een handicap hun rechtsbekwaamheid beperkte of zelfs ontnam.

Naar aanleiding van de wens van het parlement om de regelgeving aan te passen aan het voornoemde Verdrag, bracht de NHRPH een tweede advies uit, waarin werd gewezen op het belang van het respect voor de zelfstandigheid van personen met een handicap in alle beslissingsprocessen en de noodzaak om personen met een handicap in de maatschappij vanuit een inclusief perspectief te bekijken.

De twee laatste adviezen geven onder andere uiting aan de bezorgdheid van de NHRPH met betrekking tot de uitvoering van deze nieuwe regelgeving en een aantal uitvoeringsbesluiten, in het bijzonder:

  • Zal de vrederechter, die een centrale rol moet spelen en maatwerk moet leveren, over de nodige middelen beschikken?
  • Zijn de maatregelen voldoende om de kwaliteit te garanderen van het werk dat door de verschillende optredende personen wordt geleverd?
  • Kunnen de optredende personen doeltreffend werken? Een aantal koninklijke besluiten die op basis van het Verdrag in overleg met de sector zouden moeten worden genomen zijn immers nog niet genomen

Er is voorzien dat de Minister van Justitie en de Minister die bevoegd is voor Gezinnen in het negende jaar na de inwerkingtreding ervan een globale evaluatie zullen maken van deze wetgeving, met bijzondere aandacht voor de werking van de buitengerechtelijke bescherming, de administratie en de werklast voor de vredegerechten.

De NHRPH zal de praktische situaties en moeilijkheden die zich ingevolge de toepassing van dit nieuwe statuut op het terrein voordoen in het oog blijven houden en zal niet nalaten de vaststellingen van de handicapwereld door te geven aan de bevoegde overheden.

 .
 .