Ga naar de inhoud
Nationale Hoge Raad Personen met een Handicap

Advies 2017/05

Station Haren-Zuid

Advies nr. 2017/05 van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) over de aanpassingswerken van de perrons in halte Haren-Zuid en vergelijkbare stations en haltes, uitgebracht tijdens de zitting van 20/03/2017

 

Aanvrager

Advies op vraag van de NMBS

 

Onderwerp

De perrons in halte Haren-Zuid werden door Infrabel aangelegd in dolomiet met een vlakke perronboord van circa 1 meter in beton. Die situatie doet zich in meerdere stations voor. Voorzieningen voor blinde en slechtziende personen werden tijdens deze werken niet gepland. 

Ondertussen is de NMBS bevoegd voor de perrons. De NMBS is gestart met een studie voor het vervangen van de perronbevloering van dolomiet naar betontegels op de perrons van Haren-Zuid. Tijdens deze werken zullen de voorzieningen voor blinde en slechtziende personen wel worden aangelegd. 

Wanneer de NMBS de noppentegels parallel aan de perronboord zou aanleggen, met behoud van deze perronboord, liggen de noppentegels dus op 1 meter van de perronrand. Revalor schrijft een afstand van 40 cm voor. Indien de perronboord wordt behouden -  wat de NMBS verkiest - , wordt er, voor de aanleg van de noppentegels afgeweken van de voorschriften in Revalor.

 

Analyse

Uitermate belangrijk voor de doelgroep is uniformiteit in de toepassing van podotactiele aanpassingen. Wanneer de veiligheidsafstand tussen de waarschuwingsstrook en de perronrand in het ene station/stopplaats 40 cm bedraagt en in het andere ca. 1 meter, is dat zowel voor oriëntatie- & mobiliteitsinstructeurs voor blinde en slechtziende personen als voor de blinde en slechtziende personen zelf zeer lastig. Bij de doelgroep kan dit tot verkeerde inschattingen leiden. 

De veiligheidsafstand tussen de waarschuwingsstrook (noppentegels) en de perronrand mag niet te klein zijn, maar ook niet te groot. Dit laatste staat ook vermeld in Annex B van de ISO 23599/2012, zonder echter een concrete bepaling van welke de maximale aanvaardbare veiligheidsafstand is. 

Revalor schrijft een perronrand van 40 cm voor, maar Annex B “Railway Platforms” van de ISO 23599/2012 vraagt minimaal 50 cm. De Belgische blindensector verkiest 60 cm. 

In België wordt de gebruikers tijdens mobiliteitstrainingen aangeleerd dat zij vanaf een waarschuwingsstrook nog 1 tot 2 stappen veilig vooruit kunnen zetten. Op een perron is het bij een veiligheidsafstand van niet meer dan 60 cm mogelijk de perronrand te vinden met de witte stok zonder de waarschuwingsstrook te moeten verlaten. Wanneer de veiligheidsstrook veel breder is, moeten de gebruikers de waarschuwingsstrook verlaten om de rand van de gevarenzone te kunnen detecteren. Dit schept een gevoel van onzekerheid en onveiligheid. 

Wanneer de te nemen trein halt houdt aan het perron, verlaten de blinde of slechtziende gebruikers op het perron de waarschuwingsstrook met een of beide voeten en gaan zij met de witte stok op zoek naar de deuropening en met hun vrije hand naar de deurrand om zo de leuning kunnen vinden om in te stappen. Als ze na het verlaten van de waarschuwingsstrook in het ijle tasten (door een te grote veiligheidsafstand), is dat voor hen beangstigend.

 

Advies

Annex B “Railway Platforms” van de ISO 23599/2012 bepaalt dat de perronrand voorbij de waarschuwingstegels minimaal 50 cm moet bedragen. De Belgische blindensector opteert voor 60 cm, een afstand waar de NHRPH zich in kan vinden en die bij voorkeur wordt vastgelegd in de nieuwe editie van Revalor, om de veiligheid en uniformiteit te garanderen. 

Om die redenen kan de NHRPH niet akkoord gaan met een perronboord van 1 meter breed. 

Wel staat de NHRPH open voor andere oplossingen die wel conform zijn met de voorschriften.  Bijvoorbeeld: een oplossing met kleefnoppen op een afstand van 60 cm is aanvaardbaar, op voorwaarde dat de uitvoering vakkundig en met degelijk materiaal gebeurt en volgens ISO 23599/2012 en de aanbevelingen van de Belgische handicapsector. Overigens heeft de Vlaamse vervoermaatschappij De Lijn reeds een tiental jaren ervaring met de toepassing van dergelijk materiaal op haar haltes. 

Het ontwerp moet zich ook telkens inschrijven in een veilig en ononderbroken parcours, in het bijzonder voor de persoon met een visuele handicap. Vanzelfsprekend moet elk perron toegankelijk zijn voor alle PBM.

Voor het uitwerken van technische analyses en oplossingen vraagt de NHRPH de NMBS om de technische structuren inzake toegankelijkheid te raadplegen voor een gedetailleerde technische analyse.

De NHRPH wenst ook opvolging en feedback, zowel wat zijn adviezen als de beslissingen en werken betreft.

 

Bezorgd

  • Voor opvolging aan de NMBS;
  • Ter informatie aan de heer Bellot, Minister van Mobiliteit;
  • Ter informatie aan mevrouw Zuhal Demir, Staatssecretaris voor Personen met een beperking;
  • Ter informatie aan UNIA, het Interfederaal Gelijkekansencentrum;
  • Ter informatie aan het interfederaal coördinatiemechanisme.
 .
 .